Issuu on Google+

Dit is een bijlage van Reflex Uitgeverij, gedistribueerd bij deze krant

Groen Ondernemen

Er is licht na de gloeilamp

pagina 7

Benzineloze auto’s: hoe?

pagina 9

Kruisbestuiven in duurzaamheid

pagina 13

Afval is geen afval meer

pagina 15

januari 2011


2

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Duurzaamheid biedt continuïteit

I n ho u d Groen Ondernemen Een publicatie van Reflex Uitgeverij op 21 januari 2011. Groen ondernemen voor continuïteit

2

Duurzaamheid voor positieve cijfers

4

De toekomst van onze mobiliteit

5

Led-verlichting rukt op

7

Energie besparen op kantoor

8

Hoe rijden onze auto’s in 2020?

9

Een gebouw als energieleverancier

11

New Energy Docks: kruisbestuiven!

13

De duurzaamheid van verpakkingen

14

Afval als grondstof

15

C o l o f on Market Manager Dennis Baffoe dennis.baffoe@reflex-media.net Productie/Lay-Out Sonja Vandrei layout@reflex-media.net Redactie Cor Dol (chef), Irma van der Lubbe, Marian Vleerlaag Foto‘s Thinkstock / Getty Images De inhoud van gastbijdragen, expert- en focusinterviews geven de mening van de gastauteurs en geïnterviewden weer. Ondanks dat bij deze uitgave veel aandacht is besteed aan het voorkomen van fouten en onvolkomenheden, kan hiervoor niet worden ingestaan en aanvaarden de redactie en uitgever hiervoor derhalve geen aansprakelijkheid. Reflex Uitgeverij B.V. Brouwersgracht 238 1013 HE Amsterdam T 020 5207650 www.reflex-media.net Contact Nederland: Paul van Vuuren paul.vanvuuren@reflex-media.net Contact Hoofdkantoor: Laurens Müller laurens.mueller@reflex-media.net

H

et woord ‘duurzaam’ wordt de laatste jaren veel gebruikt. Alles is tegenwoordig aan ‘duurzaam’ gekoppeld, of het nu om het milieu of om arbeidsverhoudingen gaat. Naast zaken als exportvermogen en innovatie wordt onder ondernemers ook het produceren of het verzorgen van diensten ansich langs de meetlat van duurzaamheid gelegd. Dat is een automatisme geworden. “Ik ken geen succesvolle ondernemer die niet bij het introduceren van een nieuw product of een nieuwe dienst kijkt naar de betekenis daarvan voor ‘people, planet en profit’. Tot en met het eventueel importeren van grondstoffen uit een land dat zich ten opzichte van zijn inwoners netjes gedraagt. Het zijn vanzelfsprekendheden geworden en dat proces is snel gegaan. Dat is logisch. Als je als ondernemer deze vragen niet aan jezelf stelt en het antwoord aan je klant schuldig moet blijven, dan verlies je je markt. Duurzaamheid biedt continuïteit, als ondernemer moet je deze middelen in je productieproces laten meewegen”, beschouwt Bernard Wientjes.

Akkoord De VNO-NCW voorzitter vervolgt: “Duurzaamheid wordt bij ons al snel gekoppeld aan het duurzaamheidsakkoord, dat we met het vorige kabinet hebben gesloten. Met het kabinet Rutte zijn we in overleg hoe we deze ‘Green Deal’ verder uitvoeren. Daarbij wordt gedacht aan het beperken van de CO2-uitstoot, het vervangen van fossiele brandstoffen en het verder beperken van energiegebruik. Daarnaast zijn we sterk gefocust op innovatie, bijvoorbeeld door het stimuleren van een bio basedeconomy: producten vervaardigen uit grondstoffen die eeuwig beschikbaar blijven.” Het mooiste is om uit te gaan van grondstoffen die gewoon groeien. Ook zijn er vanzelfsprekend ondernemers die juist in die markt duiken, die door het duurzaamheidprincipe wordt ingegeven. Nederland heeft op dat gebied met de Universiteit van Wageningen unieke kennis in huis die als basis kan dienen, ook brainport Eindhoven en Energy Valley in het noorden zijn toonaangevende voorbeelden. Het zijn ontwikkelingen waar de economische mogelijkheden parallel lopen aan de duurzaamheididealen van de mensheid.

hun positie te handhaven en niet in de transitieperiode sneuvelen. “Enerzijds hebben we te maken met het stimuleren van koplopers in hun streven naar duurzaamheid, anderzijds ondersteunen we bedrijven in hun transitieperiode. Soms een spagaat. Het is makkelijk om te wijzen op bedrijven als KLM, DSM of AKZO, maar zij staan in de Dow Jones Sustainability Index juist bovenaan. Daar moet je ook oog voor hebben. Als je over CO2 en energie praat, dan praat je over een mondiaal probleem. Het lost niets op als je in Nederland een bedrijf wegjaagt, terwijl dezelfde goederen elders met een veel minder efficiënt energiesysteem geproduceerd worden.”

Transitie Wientjes vindt het knap hoe Nederlandse ondernemingen de productieprocessen en de ketens waarin ze opereren verduurzamen. Maar dat betekent niet dat morgen alles 100% duurzaam is. Bij energie zal sprake zijn van een lange transitieperiode. En tijdens die transitieperiode zijn nog veel fossiele brandstoffen nodig. Verduurzaming is namelijk vooral een internationaal vraagstuk en de energie-intensieve industrie in Nederland moet tijdens de transitie blijven leven en internationaal blijven concurreren. “Want anders slacht je de kip met de gouden eieren. VNO-NCW zit altijd in een positie waarin we de ontwikkelingen erg stimuleren en dat ook letterlijk doen met onze lobby naar de overheid”, stipt Wientjes aan. Tegelijkertijd moeten bedrijven in staat zijn om in de globaliserende markt

Winst Nationaal valt de meeste winst volgens Wientjes te halen in energiebezuiniging en met name in de bebouwde omgeving. In Nederland staan twee tot drie miljoen huizen die niet voldoen aan de moderne eisen qua isolatie en energiegebruik en verwarming. Met relatief kleine investeringen valt daar veel en op korte termijn te winnen. De industrie voldoet exact aan de afspraken die in het duurzaamheidakkoord zijn vastgelegd, zoals twintig procent minder CO2 in 2020. “Met het nieuwe kabinet willen we de afspraken vernieuwen en actualiseren. Door voortschrijdend inzicht kunnen we al meer en de wereld verandert snel. Daarbij moeten we ook het internationaal vermarkten van duurzaamheid goed in het oog houden, daarmee wordt ‘de businesscase’ alleen maar sterker.”

Bernard Wientjes is sinds 30 mei 2005 voorzitter van de ondernemingsorganisatie VNO-NCW.

Reflex Uitgeverij heeft zich in thematische bijlagen in Duitse, Nederlandse en Zwitserse dagbladen gespecialiseerd. U vindt onze publicaties onder andere in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (F.A.Z.), Handelsblatt, Financial Times Deutschland, Tagesspiegel (in Duitsland), Tages-Anzeiger (Zwitserland) en in het Financieele Dagblad en het NRC Handelsblad. Onze publicaties combineren zo de diepgang van vakbladen met de oplage van dagbladen. Reflex Uitgeverij onderscheidt zich door de focus op kwaliteit en de scheiding van artikelen en gastbijdragen. Meer informatie vindt u op www.reflex-media.net.


Op 1 januari 2011 is ADEM Houten gestart met de levering van duurzame energie. Dit doen zij samen met Trianel die hiervoor een white label heeft ingericht. Dankzij deze constructie heeft ADEM Houten een eigen energiebedrijf dat op het leveringsdeel volledig ontzorgd is. Daardoor kan het bedrijf zich helemaal richten op acquisitie van klanten en het ontwikkelen van duurzame projecten.

Hier begint uw eigen energiebedrijf

“Samen werken aan de energievoorziening voor de toekomst”

ADEM Houten is een lokaal duurzaam energiebedrijf dat is opgericht door Ad van Wijk, Peter van Wijngaarden, Gerard Leeman en Jan Willem Zwang, die ook eigenaar is van adviesbureau Green Spread. De gemeente Houten wil in 2030 klimaatneutraal zijn en hier met ADEM Houten invulling aan geven. Zij zijn bepaald niet de enige: er is sprake van een ware trend. Gemeenten en provincies willen klimaatneutraal worden, burgers en ondernemers voelen zich betrokken en starten lokale, duurzame initiatieven. Naast ADEM Houten zijn er op dit moment veel meer initiatieven: op de eilanden bijvoorbeeld met Texel Energie en de Amelander Energie Coöperatie en op het vasteland met de Noord-Hollandse Energie Coöperatie, Onze Energie, Energie-U en Thermo Bello.

Michael Fraats, Trianel

Bent u een innovatieve ondernemer? Dan bent u misschien ook op zoek naar een manier om ondernemer in energie te worden. We zijn immers niet meer afhankelijk van energie multinationals. We kunnen nu zelf kiezen welke energie we willen en waar we die inkopen. We kunnen kiezen voor een vorm van duurzaam samenwerken. Energieleverancier en dienstverlener Trianel is een van de markt­ partijen, die de juiste kennis heeft om samen met ondernemers een lokaal duurzaam energiebedrijf te starten. Sinds dit jaar houdt Trianel zich bezig met het begeleiden en adviseren van ondernemers die de energie­ markt willen betreden. Een mooi recent voorbeeld is de samenwerking tussen Trianel en het lokaal duurzaam energiebedrijf ADEM Houten.

Jan Willem Zwang: “Door deze taakverdeling is de samenwerking met Trianel voor ons een ideale situatie. Trianel biedt een totaaloplossing voor het hebben van een eigen energiebedrijf en daar maken wij dankbaar gebruik van. De keuze voor Trianel is niet over één nacht ijs gegaan. Wij hebben een tender uitgeschreven onder tien energiebedrijven, waaronder ‘de grote drie’. Uiteindelijk waren alleen Greenchoice, EnergieDirect en Trianel in staat om een offerte uit te brengen en zijn we met Greenchoice en Trianel een volgende ronde in gegaan. De flexibiliteit in combinatie met de geboden totaaloplossing heeft uiteindelijk tot de keuze voor Trianel geleid en daar hebben we nog geen seconde spijt van gehad.”

„Duurzaam en lokaal is ‘in’“ Jan Willem Zwang, Green Spread De energiemarkt verandert. Veel energieverbruikers zien dit al. Veel energieleveranciers nog niet. Zowel ADEM Houten als Trianel spelen in op de veranderingen in de energiemarkt. Onafhankelijk van elkaar, maar ook samen. Een duurzame combinatie. Trianel wil de toegang tot de markt gemakke­ lijk maken voor lokale duurzame energie­ bedrijven. De organisatie en de systemen zijn ingericht om levering van energie en alle bijkomende operationele activiteiten uit handen te nemen. Wij denken mee en ondernemen mee. Dit is onze bijdrage aan de transitie naar een duurzame energievoor­ ziening in de toekomst. Wilt u meer weten? Bekijk eens de video’s op www.trianel.nl/je­eigen­energiebedrijf of scan met uw smartphone de QR­code hieron­ der. Wij zijn ook benieuwd naar úw energie­ plannen. Mail naar jeeigenenergiebedrijf@ trianel.nl of bel 088 753 1000 en vraag naar Michael Fraats of Björn Fiedeldij.

“De transitie naar lokale duurzame energie is mogelijk met Trianel.“ Björn Fiedeldij, Trianel


4

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Duurzaam ondernemen heeft de toekomst

De voordelen van duurzaam ondernemen Duurzaam ondernemen kan een lucratieve zaak zijn. En dat werkt op velerlei vlakken door. auteur: Cor Dol

D

uurzaam ondernemen is geen zaak voor mensen die idealen hoger voeren dan dat ze een gezond bedrijf nastreven. Het is eerder omgekeerd: behalve een gezonde blik op de winsten eventuele verliescijfers, kijken duurzame ondernemers naar de gevolgen van hun bedrijfsactiviteiten voor mens en milieu, ook op de lange termijn. Vaak vormt dat een geïntegreerd geheel. Zo valt een aardige kostenbesparing te maken door op energie te besparen, bijvoorbeeld door te onderzoeken of energie op een alternatieve wijze gewonnen kan worden. Hetzelfde gaat op door zorgvuldig om te gaan met grondstoffen: afval kan ook veel stoffen bevatten die opnieuw als grondstof dienst

kunnen doen. Is het niet voor het eigen bedrijf, dan wellicht voor een ander. Duurzaam ondernemen zorgt daarnaast voor een beter imago en geeft daardoor een betere publiciteit, wat zich weer vertaalt in nieuwe kansen op de markt. Een ondernemer kan bovendien een aantrekkelijke werkgever zijn en een gezonder werkklimaat creëren. Voordelen te over.

Hogere winstmarges Bedrijven die investeren in duurzaamheid halen inderdaad hogere winstmarges. Dat gebeurt voornamelijk doordat de productie van duurzame goederen goedkoper uitpakt. Daarnaast worden forse besparingen gerealiseerd in het verbruik van water en met name energie. De conclusie lijkt dan ook simpel te

trekken: een goede strategie op het gebied van duurzaamheid leidt tot betere bedrijfsresultaten. Iedere ondernemer begrijpt dan dat duurzaamheid niet alleen een kwestie is van een geste naar de samenleving en het milieu, maar dat het gewoon zakelijk belangrijke voordelen biedt. People, planeten en inderdaad ook dus profit. Winst op velerlei vlakken. Ondernemers streven daarnaast naar continuïteit. Juist in het streven naar duurzaamheid zit die continuïteit verankerd. Als de conventionele productiewijze wordt gehandhaafd, lopen de ecologische en economische systemen vroeg of laat vast. Olie, gas en zeker steenkool is voorlopig nog niet op, maar de voorraden zijn wel eindig. Bovendien zorgen ze voor vervuiling van de Aarde, met alle gevolgen van dien.

Kennis delen Het investeren in duurzaamheid is niet alleen een financiële kwestie. Vaak gaat het om een intensieve samenwerking van en met verschillende partijen. Het delen van kennis is daarbij van belang: het in open source kunnen ontwikkelen van duurzame oplossingen kan voordelig zijn voor alle betrokken partijen. Een fabrikant die zijn product wil vergroenen is daarvoor mede afhankelijk van zijn leveranciers. Vaak wordt gekozen voor een klein aantal vaste leveranciers, waarmee sluitende afspraken worden gemaakt. Het streven naar duurzame producten en diensten is ook streven naar duurzame samenwerking met betrokken partners en zo optimaal kunnen profiteren van elkaars kennis en kunde. Zo halen ze het beste in elkaar en zichzelf naar boven en dat vertaalt zich onherroepelijk in een stijgende en groenere productie. Ook werknemers voelen zich in een bedrijf dat duurzaam produceert vaak tevredener en stellen zich meer betrokken op. Dat resulteert weer in een lager ziekteverzuim en een eenvoudige optelsom voor de werkgever.

MKB Grote bedrijven zijn de afgelopen jaren voortrekkers geweest in de ontwikkeling naar meer duurzaamheid in de onderneming. Zij hebben vaker de personele grootte en financiële middelen die nodig zijn om duurzaamheid tot een basisbegrip van de onderneming te maken en investeringen te doen dan ondernemers in het MKB. Toch groeit ook bij de kleinere ondernemers het besef en er komen meer en meer middelen beschikbaar om ook deze bedrijven de sleutel tot duurzaamheid te geven, en daarmee de deur naar continuïteit en een groene toekomst te openen. n

Gastbijdrage  Stichting TeleWerkForum-HNW

Het Nieuwe Werken is Groen Ondernemen Management Cultuur veranderingen kun je niet afdwingen bij wet.

V

oor het eerst in de geschiedenis zijn onze jongeren minder opgeleid dan hun ouders. Tegelijkertijd komen in China per jaar ruim 1,1 mln bêta studenten van de universiteiten. Werkgevers gaan er tot nu toe vanuit, dat onze kenniseconomie nog 40 jaar voorsprong heeft op landen als China en India. Ons welvaartsniveau zou hiermee voorlopig niet in gevaar zijn. De werkelijkheid is anders. Onze voorsprong op Azië verschrompelt in hoog tempo. Is de voorspelde trage groei van onze economie een eerste indicatie? Wanneer wij ons welvaartsniveau niet langer kunnen rechtvaardigen door een grote voorsprong in kennis, hoe dan wel? Het antwoord op deze vraag ligt bij ons zelf. De belangrijkste asset voor werkgevers is human capital, de opgetelde kennis,

ervaring en vaardigheden van werknemers. In de 20ste eeuw werd efficiency belangrijk. De historische ondernemingsgeest van Hollanders werd in de fles geduwd, want eigen initiatief werd in het kader van “operational excellence” niet langer op prijs gesteld. Aan het begin van de 21ste eeuw ontluikt onder een aantal grote “koploper” werkgevers het besef, dat wij deze geest weer uit de fles moeten laten en onze werknemers uitdagen weer onderne-

mend te worden. Rond de jaarwisseling verscheen in NRC Handelsblad een serie artikelen over Het Nieuwe Werken bij deze koplopers, zoals Rabobank, Microsoft, HP, KPN, Vodafone, IBM, Achmea/Interpolis en SNS Reaal. Met HNW wordt een werknemer uitgedaagd meer van zichzelf in zijn werk te leggen, initiatieven te nemen, kortweg om te ondernemen in loondienst. Randvoorwaarde is een management cultuur van “vertrouwen”, dus werkafspraken over output in plaats van controle op aanwezigheid, want dit laatste is gebaseerd op wantrouwen. De resultaten onder de koplopers spreken voor zich. De productiviteit per medewerker ligt bij hen 8% à 9% hoger dan bij werkgevers, die nog volgens “Het Oude Werken” zijn georganiseerd. Zij onder-

scheiden zich in allerlei onderzoeken ook als “aantrekkelijke werkgever”. In de huidige slappe arbeidsmarkt heeft dat nog weinig betekenis, maar over zes jaar zijn 800.000 baby boomers met pensioen gegaan tegen een nieuwe instroom van slechts 400.000. Deze koploper bedrijven sorteren dus voor op de “war on talent”. Daarnaast leidt HNW tot besparingen van 30% op kantooroppervlak en 20% op reiskosten. Een gemiddelde telewerker maakt 75 autokilometers per week minder (bron: Blauw) dat is tevens 10% à 20% minder CO2 uitstoot. Het Nieuwe Werken is Groen Ondernemen pur sang. n

Nadere informatie: www.telewerkforum.nl


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

5

Artikel  Mobiliteit in de toekomst

Op weg naar een nieuwe mobiliteit De vooruitzichten voor onze mobiliteit in 2020 zijn niet erg gunstig. Hoogste tijd dus om nu al na te denken over oplossingen. Nieuw platform

auteur: Cor Dol

R

uim twee jaar geleden startte de Task Force Mobiliteits Management (TFMM) met als doel een antwoord te vinden op de vraag hoe Nederland in de toekomst bereikbaar en mobiel kan blijven. De prognoses waren en zijn namelijk niet om over naar huis te schrijven: de verwachting is dat Nederland in 2020 veertig procent meer autoverkeer kent. TFMM werd aanvankelijk opgezet om de bereikbaarheid onder de loep te nemen, maar het ministerie van VROM was ook geïnteresseerd in de milieuaspecten van mobiliteit. Inmiddels heeft de Task Force de laatste vergadering gehad en heeft aan de minister voorgesteld om de conclusies verder uit te werken in het Platform Slim Werken Slim Reizen in de komende twee tot vijf jaar. Voorzitter Lodewijk de Waal licht toe: “In de loop van ons werken is een verschuiving gekomen in onze filosofie. Dat is opgeschoven naar het Nieuwe Werken. De conclusie was dat je werkgevers niet met het toverwoord ‘mobiliteitsmanagement’ in beweging krijgt, maar wel met het feit dat de arbeidsmarkt nu een ander soort mensen aanbiedt. Ze willen niet meer per se van negen tot vijf werken. En er zit een duidelijke kostendrive achter mobiliteitsmanagement en

telewerken. Openbaar vervoer is goedkoper dan leasekilometers en telewerken vraagt minder vierkante meters kantoorruimte. Er zitten economische en sociale drivers achter. Dat heeft gevolgen voor duurzaamheid. Maar mobiliteit is niet langer onze eerste invalshoek.”

Sociale innovatie Het gaat dus om een andere manier van werken, die je haast een sociale innovatie zou kunnen noemen. In regionale convenanten komen werkgevers en (semi-)overheden bij elkaar om mobiliteitsmanagement te bevorderen. Dat kan heel verschillende vormen aannemen: een fietsenplan, een parkeervoorziening realiseren. Maatwerk op regionaal niveau, noemt De Waal het. De

TFMM heeft daarnaast de hand gehad in het opzetten van het Kenniscentrum Werk en Vervoer, waarmee het Nieuwe Werken op de agenda is komen te staan. Het MKB wordt geholpen bij het installeren van digitale voorzieningen en het inkopen van mobiliteitsdiensten. Vijftig beeldbepalende werkgevers in Nederland werken op CEO-niveau samen om de mobiliteitsboodschap verder uit te dragen en daadwerkelijk vorm te geven. De Waal: “Steeds gaat het er om dat je nadenkt over de vraag of je naar je werk gaat en zo ja, wanneer en hoe. Inmiddels staat van alles op het spoor. We hebben ons alleen vergist in de snelheid waarmee mensen een gedragsverandering vertonen. Dat duurt gewoon langer dan de twee jaar die we ervoor hadden.”

Aan de minister is derhalve het voorstel gedaan om het Platform Slim Werken Slim Reizen te faciliteren, waarbij juist de aanwezigheid van vijftig grote bedrijven in Nederland in de TFMM een positieve indruk geeft. Daar moet uiteindelijk het initiatief tot verandering vandaan komen. De visie van het nieuwe platform is bij monde van Lodewijk de Waal gericht op een brede aanpak van de problemen. “Je zou alles moeten doen. Investeren in infrastructuur van de weg en het openbaar vervoer. Eigenlijk ook beprijzen van het vervoer en het zo goed mogelijk benutten, dus een betere spreiding.” Tele- en thuiswerken zou meer gestimuleerd moeten worden en de moderne techniek biedt allerlei oplossingen om dat in hoge mate te faciliteren, ook voor mensen die graag intensief contact willen hebben met hun collega’s. Werkgevers kunnen zelf het goede voorbeeld geven, door het openbaar vervoer te pakken. Bovendien kan het voor een werkgever interessant zijn om een contract met een aanbieder in het openbaar vervoer te sluiten. “Rond Rotterdam zijn interessante projecten, waarin werknemers geld krijgen als ze niet in de spits de auto pakken. Blijkt heel effectief te zijn, al bij een paar euro per keer.” n

gastbijdrage  NS

Reizen van deur tot deur Slim reizen met de NS-Business Card.

M

aatschappelijk verantwoord ondernemen bestaat uit oog voor het milieu, maar ook uit slimme keuzes op het gebied van tijd en geld. Zodat je bedrijf kan blijven functioneren en concurreren in de markt. Onder andere door efficiënter en flexibeler met mobiliteit om te gaan. “Uiteraard kunnen we gewoon een treinabonnement of een jaartrajectkaart verkopen”, stelt Arjen Huizinga, directeur Zakelijke Markt bij

NS. “Maar we zoeken liever samen met bedrijven naar de voor hen optimale oplossing. Naar mobiliteit die zo min mogelijk inspanning kost en zoveel mogelijk bewegingsvrijheid oplevert. Het is als bedrijf namelijk best lastig om inzichtelijk te krijgen wat je nu eigenlijk doet op dat gebied. Je hebt contracten met autoleasemaatschappijen, NS, busvervoerbedrijven, een fietsplan: noem maar op.”

Anders omgaan met mobiliteit Anders omgaan met mobiliteit kan allereerst veel geld besparen. “Een kilometer met een leaseauto kost ongeveer 39 cent, het openbaar vervoer 12 tot 15 cent per kilometer. Dat zijn best grote verschillen.” Maar ook op het vlak van tijd kan winst behaald worden. “We zien steeds meer de trend dat reistijd werktijd is, die ook nog eens declarabel is.” Dus is de mogelijkheid om tijdens de reis rustig te kunnen werken belangrijk. Met toegang tot internet, een goede zitplek, en handige werktafeltjes. En natuurlijk de besparing op de CO2 -uitstoot. De gemiddelde auto geeft 126 gram CO2 per kilometer, een trein 39 gram. Het loont dus om te bekijken welk vervoermiddel op welk moment het meest geschikt is.

Stimuleren van de juiste keuze Bedrijven kunnen het gebruik van het juiste vervoermiddel op het juiste moment actief stimuleren. Door bijvoorbeeld te kiezen voor kantoorruimte in de buurt van een station. “Hoe dichter een bedrijf bij een station is gevestigd, hoe groter de kans dat een werknemer de trein pakt. Ook secundaire arbeidsvoorwaarden kunnen een prikkel geven. Door de werknemer een jaarlijks mobiliteitsbudget te geven. Of een NS-

Business Card aan te bieden. “De NSBusiness Card is een mobiliteitskaart waarmee je van deur tot deur reist”, verduidelijkt Huizinga. “Natuurlijk kun je ermee reizen met de trein. Maar je kunt ook gebruik maken van een taxi, OV-fiets, NS-scooter, Greenwheelsauto, fietsstalling of Q-Park P+R parkeerterrein. Net wat op dat moment het beste uitkomt. En in iedere gewenste combinatie.” Zo parkeer je bijvoorbeeld je auto bij een Q-park P+R parkeerterrein bij het station, pak je daarna de trein, en maak je voor het laatste stuk gebruik van een OV-fiets of NS-scooter.

De NS-Business Card De NS-Business Card biedt verschillende voordelen. Niet alleen reis je van deur tot deur met één kaart, ook verschijnen al deze diensten achteraf op één factuur en dat scheelt een hoop administratieve rompslomp. “Geen bonnetjes, geen losse declaraties meer. Het is reizen op rekening.” De kaart kost dertig euro, maar niet gereisd geeft verder geen kosten. “In de toekomst wordt het steeds belangrijker om de slimme combinaties te vinden”, voorspelt Huizinga. “En te kiezen voor flexibiliteit. Dat past ook in moderne filosofieën als Het Nieuwe Werken.” n


6

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Gastbijdrage  Philips

LED: niet óf, maar wanneer In 2015 is de helft van de lampen in Nederland een LED-lamp. En dat levert aanzienlijke besparingen én innovatieve mogelijkheden op.

L

ed is eigenlijk een afkorting van Light Emitting Diode, een lichtuitstralende diode dus. Inmiddels is het woord zo ingeburgerd, dat de term led algemeen geaccepteerd is. Led wordt al jaren toegepast in bijvoorbeeld dashboards van auto’s en in het scherm van telefoons, maar pas sinds de laatste jaren vinden led’s hun weg als bron voor algemene verlichting en groot gebruik. Belangrijk voor die ontwikkeling is de verbetering van de lichtopbrengst per verbruikte hoeveelheid energie. “Oorspronkelijk zijn led’s rood, groen of blauw. Nu kunnen we ook led’s produceren die een warm wit licht uitstralen, en de kunst is daar zo veel mogelijk lichtopbrengst uit te halen. Daar ligt een grote uitdaging om led toegankelijk en toepasbaar te maken voor de applicaties waarvoor je vandaag de dag verlichting

voor gebruikt”, verduidelijkt Frank van der Vloed, General Manager Philips Lighting Benelux.

Verder verbeteren Qua lichtopbrengst is de led de gloeien halogeenlamp voorbij gestreefd en is nu vergelijkbaar met een gangbare spaarlamp. “De led wordt daarmee interessant als vervanging van gloei- en halogeenlampen, zoals in huiselijke omgevingen, horecazaken en winkels.” Het obstakel om een led te kopen zit voor veel consumenten in de relatief hoge aanschafprijs. Relatief, omdat een Nederlands gezin gemiddeld 100 euro op energiekosten kan besparen over de levensduur van de lamp. De lamp verdient zich binnen elf tot twaalf maanden terug. Binnen een jaar dus honderd procent rendement. En een

led gaat tot meer dan twintig keer zo lang mee als een gloeilamp. In de professionele markt is de transitie naar de led-verlichting in volle gang: meer dan tien procent van de markt gebruikt led. “Er komen steeds meer producten beschikbaar voor functionele verlichting, zoals op kantoor en op straat. Dat zijn echt doorbraken waardoor led nog meer gebruikt zal gaan worden”, licht Van der Vloed toe.

50 procent in 2015 Hij is ervan overtuigd dat in de toekomst alle verlichting led-verlichting zal zijn. De verwachting is dat in 2015 al 50 procent van de markt door led’s wordt ingenomen. “De vraag is niet óf, maar wanneer led’s de markt overnemen. Maar als je praat over duurzaamheid, dan kunnen we vandaag de dag

Verlichting op de A44: oude situatie (links), nieuwe situatie met energiezuinige led’s van Philips (rechts). Door de duurzame ledverlichting en de diminstallatie op de A44 wordt ruim 40% op energie bespaard en kan de CO2 - uitstoot met hetzelfde percentage worden gereduceerd. De ledverlichting op de A44 gaat per jaar 180.000 kWh besparen, dit is het verbruik van circa 50 huishoudens.

afgezien van led’s al enorm veel energie besparen. Een lantaarnpaal staat 20, 25 jaar, inclusief de technologie. Inmiddels hebben we een technologie ontwikkeld die veel meer kan besparen dan die van 25 jaar geleden. Afgezien van de toepassing van de led, kunnen we die technologie verbeteren en dat levert al een aanzienlijke besparing op.” Voor kantoortoepassingen denkt Van der Vloed ook aan controls, die ervoor zorgen dat de verlichting automatisch aan- en uitgaat bij het binnenkomen of verlaten van een ruimte. “Met een optische bewegingssensor van dertig, veertig euro ben je al klaar en je verdient het snel terug.” Innovatieve verlichtingsoplossingen zijn duurzaam, maar zeker ook meer dan dat.

Snelweg Led’s hebben een lange levensduur en zijn bovendien goed te dimmen. Ook is de led beter te richten door de kleinere lichtbron en geeft het betere designmogelijkheden. Die lange levensduur en mogelijkheid tot dimmen komen onder meer van pas bij de toepassing van led’s langs snelwegen. Eind november had Nederland een wereldprimeur: langs een traject van zeven kilometer van de A44 gingen voor het eerst led’s langs een snelweg aan. Behalve energiebesparing zorgen de led’s dankzij hun lange levensduur voor lagere onderhoudskosten en dat zorgt op zijn beurt weer voor een betere doorstroming van het verkeer. De verlichting kan bovendien automatisch gedimd worden en zo wordt de juiste hoeveelheid licht gebruikt tijdens drukke tijdstippen. De lange levensduur van led’s in combinatie met het kunnen uitlezen van de staat van de verlichting via een computer op afstand, maakt het voor Rijkswaterstaat mogelijk om centraal te bekijken of er aanpassingen of reparaties nodig zijn. Het beheer kan hierdoor efficiënter gepland worden en dit zorgt voor een betere mobiliteit voor de weggebruiker. n

Expertinterview  Indal Group

“Vertrouwen in led” Welke ontwikkelingen zie je op het gebied van openbare verlichting? “Led is sinds 2008 een zeer snel opkomend fenomeen. Een technologische revolutie. Maar het is een heel gewenningsproces in de markt. Het vereist een andere denkwijze van de gebruiker. We waren altijd gewend aan een armatuur met een lamp en als die kapot ging, werd

Wim Visser Product & Application Manager Outdoor lighting

deze vervangen. Het is nu veel meer een geïntegreerd geheel, dat we ontwerpen voor de volledige levensduur.” Waar zit de uitdaging in deze revolutie? “De armatuur moet zo worden vormgegeven dat er zo veel mogelijk leds in kunnen die bovendien goed gekoeld kunnen worden. Dat is dus echt een geïntegreerd geheel. We kunnen ook modules met leds ontwikkelen die in bestaande armaturen passen, maar dan maak je minder optimaal gebruik van de technologie en de voordelen die led biedt. Het streven is maximale efficiency door optimaal thermisch management; wij noemen dit COO-LED. Dat bereik je ook doordat een led zich goed laat richten, zodat het licht beter benut wordt.”

Waar ligt het speerpunt in jullie beleid? “We richten ons allereerst op de bebouwde kom, omdat daar het volume zit en de maximale besparing te vinden is. Ook vind je daar de wat lagere lichtniveaus, waar het relatief sneller en makkelijker mogelijk is om met led een functioneel alternatief te bieden. Dat levert soms al een besparing op van meer dan vijftig procent. Gemeenten moeten vertrouwen hebben in de technologie, de prestatie en de waarde van de investering. Ons vertrouwen vertalen we in een 20-jaar garantieplan. Dat internationaal steden als Birmingham besluiten volledig op led te gaan, stimuleert ook. Door zo volume te ontwikkelen wordt de aanschafprijs interessanter. Lagere energie- en onderhoudskosten

door de langere levensduur maken de investering rendabel.” Hoe ziet het verdere traject er uit? “Via de bebouwde kom gaan we de grote wegen op met nieuwe led-armaturen. Daarnaast hebben we bijna alle tunnels in Nederland verlicht. Samen met Rijkswaterstaat hebben we de Vlaketunnel als eerste tunnel in Europa volledig in lijnverlichting met leds uitgerust. Dat is veel comfortabeler voor bestuurders en led bespaart enorm op energie en onderhoud. Led biedt veel voordelen en verspreidt zich als een olievlek.” n

Nadere informatie: www.indal.nl


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

7

artikel  LED

De toekomst van het licht Nu de gloeilamp uit onze huiskamers verdwijnt, gloort er letterlijk en figuurlijk licht voor alternatieven.

auteur: Cor Dol

L

icht, gegeneerd uit elektriciteit, kent nog niet eens een heel lange geschiedenis. Ofschoon de populaire geschiedgeschrijving de uitvinding van de gloeilamp toeschrijft aan Edison in 1879, is tegenwoordig meer nuance aangebracht aan de ontdekking. Al in het begin van de negentiende eeuw werd geëxperimenteerd met de techniek om stroom door een metaal te laten lopen teneinde verlichting te krijgen. In 1854 slaagde de Duitser Göbel erin om een verkoolde bamboevezel in een vacuüm fles 400 uur te laten branden. Edison kwam pas 25 jaar later op hetzelfde idee. Hoewel hij aanvankelijk het patent kreeg, vocht Göbel dat voor de rechtbank met succes aan. Aangezien de Duitser kort daarop overleed, raakte zijn naam in de vergetelheid. In 1910 slaagde de Amerikaan Coolidge erin om gloeidraden van wolfraam te maken, het metaal met het hoogste smeltpunt.

Spaarlamp Duidelijk is dat de gloeilamp zijn waarde heeft bewezen, maar inmiddels ook wel z���n beste tijd heeft gehad. Sterker nog: in de Europese Unie is de verkoop van gloeilampen na 1 september 2012 verboden. Reden is het lage rendement van de lamp: voor een gewone gloeilamp ligt die tussen de vijf en tien procent. De rest van de energie die in de lamp wordt gestopt verdwijnt als warmte. Het rendement van een laagspanningshalogeenlamp is al twee keer zo hoog als een gloeilamp. De spaarlamp verscheen eind jaren tachtig op de markt, al leverde hij aanvankelijk weinig meer rendement dan de gloeilamp. In feite is een spaarlamp een TL-buis met een fitting. Grote voordeel van de

moderne spaarlamp is het lage energieverbruik: vier tot vijf maal meer licht dan een gloeilamp. Daarnaast is het mogelijk om vrij eenvoudig verschillende kleuren aan het licht te geven. Nadeel is dat de spaarlamp kwikdamp bevat, zodat de lamp, als die stuk is, als klein chemisch afval aangeboden moet worden. Fabrikanten doen proeven met een spaarlamp die met een ander, niet schadelijk, gas werkt, zoals xenon.

lange termijn. Zaak is wel dat de led goed gekoeld wordt om de levensduur te verlengen. Daar staat tegenover dat een led bij dimmen in rendement zelfs nog groeit, plus dat een spaarlamp zich sowieso niet laat dimmen. Leds hebben hun weg inmiddels gevonden in elektronische toepassingen als afstandsbedieningen, tuinverlichting, zak- en fietslampen en straatlantaarns.

Led

Rijkswaterstaat heeft de led ook ontdekt. Eind november 2010 werd het eerste stuk snelweg, de A44 tussen Burgerveen en de Kaagbrug, met ledverlichting uitgevoerd. Zo’n zestig procent van de energieverbruik langs ’s rijks snel- en waterwegen wordt gebruikt voor verlichting en met de inzet van leds valt daar een flinke besparing op te halen. De led-verlichting langs de A44 scheelt op jaarbasis 180.000 kWh, wat gelijk staat aan het verbruik van vijftig Nederlandse huishoudens. Led is duurder in aanschaf, maar de investering verdient zich na tien jaar terug. Bovendien zorgt led door de lange levensduur voor minder, eenvoudiger en beter te plannen onderhoud. Led-verlichting wordt door veel automobilisten als prettiger ervaren. Door de mogelijkheid het licht te dimmen kan de hoeveelheid licht worden aangepast. Als het rustig is, wordt het licht automatisch minder. Het licht kan bovendien beter gericht worden, wat de lichtvervuiling vermindert. Leds vinden hun weg inmiddels ook naar de horeca, kantoor- en winkelruimtes. De mogelijkheid het licht te dimmen speelt hier eveneens een rol en de lange levensduur tegenover het hoge rendement spreken een jaar na de investering positieve cijfers. De tuin-

Alle voor- en nadelen afwegend richt de toekomst zich daarom nu op de led. Al in 1927 ontdekte de Rus Losev dat diodes licht uitstraalden als er stroom doorheen gevoerd werd. Hij publiceerde over het fenomeen en vroeg een patent aan, maar zijn ontdekking bleef onopgemerkt. Pas in het begin van de jaren zestig kreeg de led een tweede kans toen Nick Holonyak in de Verenigde Staten een led produceerde die rood licht uitzond. De kleur van het licht is afhankelijk van het materiaal van de led, maar toch duurde het nog tot in de jaren zeventig voordat een groene led geproduceerd kon worden en tot de jaren negentig tot de blauwe led op de markt verscheen. De modernste generatie led’s wordt high efficiency leds genoemd. Het grote voordeel van led’s is het hoge rendement. Dat geldt zeker voor rode leds: zo’n vijftig procent. Moderne witte leds hebben echter een veel lager rendement en voor de industrie ligt daar een belangrijke uitdaging. Een ander belangrijk voordeel is de lange levensduur van een led-lamp. Een led gaat eenvoudig zo’n 50.000 uur mee, waar zelfs een TL-buis het na gemiddeld 18.000 uur laat afweten. Daar zit dan ook de winst op langere termijn en het maakt de led interessant voor investeringen op de

Toepassingen

bouw heeft de led ook ontdekt en met name omdat leds verschillende kleuren licht kunnen produceren. Dat wil zeggen: leds kunnen door combinaties van verschillende kleuren gezamenlijk een bepaalde kleur licht geven. Omdat planten niet van het volledige spectrum van licht gebruik maken voor de fotosynthese, kan energie bespaard worden. Led kan alleen licht geven dat voor een plant van belang is: verlichting die ‘waardeloos’ is en dus verspilde energie genereert, wordt niet meer aangeboden. Het resultaat is een roodblauwe gloed en kassen waarin van deze techniek gebruik wordt gemaakt, zijn dan ook als zodanig te herkennen. Natriumverlichting, zoals dat nu nog veel in de tuinbouw wordt gebruikt, geeft de bekende oranje gloed.

Licht werkt Goede verlichting is hoe dan ook belangrijk. Sterker nog: kleur en intensiteit hebben effect op het menselijk functioneren. Uit een onderzoek van de Universiteit Twente en Philips in klaslokalen blijkt dat kleur en intensiteit van verlichting een positieve invloed heeft op de concentratie en motivatie van leerlingen. De leeromgeving op school speelt een belangrijke rol voor het welzijn van de leerlingen en hun leercapaciteiten. Sommige kinderen vinden leren gemakkelijk, anderen kunnen zich moeilijk concentreren. Sommigen zijn van nature rustig, anderen zijn juist meer actief. Om de beste leeromgeving te kunnen creëren, is het nu mogelijk voor leerkrachten met licht de energieniveaus in de loop van de dag te beïnvloeden, om kinderen bij de les te betrekken, leiding te geven aan de klas en te zorgen dat iedereen het beste uit de schooldag haalt. n


8

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Duurzame energie

Energie besparen op kantoor Vooral op het gebied van verlichting, verwarming, airconditioning en apparatuur valt in een bedrijf veel winst te behalen voor portemonnee en milieu. auteur: Irma van der Lubbe

H

et lijkt een open deur, maar wel één die veel besparing oplevert: geen vertrekken verlichten, verwarmen of verkoelen wanneer deze niet worden gebruikt. Het plaatsen van bewegingssensoren en tijdsklokken is daarvoor zeer effectief. Wat verlichting betreft vormen spaarlampen en ledverlichting een energiezuinig alternatief voor gloeilampen en halogeenspots. Volgens het Energiecentrum MKB kan dit tot 80 procent winst opleveren. Bovendien geeft deze verlichting minder warmte af die ’s zomers meegekoeld moet worden. Ook het vervangen van bestaande TLbalken door moderne varianten loont de moeite: deze investering verdient zich binnen een jaar terug. Een reflector bij de TL-balk verdubbelt bovendien de lichtopbrengst, zodat nog maar de helft van het aantal balken nodig is.

Radiatoren en CV-ketel Een bedrijf dat nog geen HR-verwarmingsketel (hoog rendement) heeft, zal zeer veel baat hebben bij het vervangen van de huidige ketel; ook wanneer deze nog goed werkt. Een jaarlijkse controlebeurt is vervolgens geen overbodige luxe, want een goed werkende cv-ketel

is effectiever. Ten aanzien van optimale warmteafgifte van radiatoren helpt het wanneer er geen grote voorwerpen zoals kasten voor staan. Via radiatorfolie of –schermen wordt voorkomen dat warmte van radiatoren weglekt door de buitenmuren.

Lage temperaturen, lage kosten Een airco houdt in warme zomers de hoofden van medewerkers koel, maar is ook een energievreter. Een groot temperatuurverschil tussen binnen en buiten is niet nodig: de meeste mensen ervaren een verschil van vijf graden als aangenaam. Overdag blijven ramen en zonwering natuurlijk dicht, maar ’s nachts kan de koelere buitenlucht juist worden gebruikt om te ventileren. Zo hoeft er overdag minder gekoeld te worden. Veel winst kan worden behaald door de leidingen tussen de koelmotor en de airconditioning te isoleren. Deze beperking van het koudeverlies levert al snel 5 tot 10% besparing op.

Alles uit De helft van het standby-verbruik van elektrische apparaten is te voorkomen door de stekkers in contactdozen met een aan/uit schakelaar te steken. Deze kunnen na het werk met één handeling

worden uitgeschakeld. Een op afstand bedienbaar stopcontact ertussen lost het probleem op voor de moeilijk bereikbare plaatsen. Een power-managementsysteem schakelt het hele systeem automatisch uit. Let bij het aanschaffen van apparatuur op energielabels en keurmerken zoals het Energielabel, GEEA, Energy Star, TCO, Nordic Swan of Blaue Engel.

Minimissie Er is dus veel wat een ondernemer zelf kan doen. De beste resultaten worden echter behaald wanneer ook de medewerkers zich achter de energiebesparingsmissie stellen. Om dit te bewerkstelligen is het volgens MVO Nederland belangrijk om het personeel te betrekken in het besluit de bedrijfsvoering te verduurzamen. Goede manieren om dit te realiseren zijn bijvoorbeeld het organiseren van een rondetafeldiscussie en het formeren van een klankbordgroep of adviescommissie. Vragen die daarbij aan de orde kunnen komen zijn onder meer hoe medewerkers zelf denken over energiebesparing. Hoe kan het bedrijf volgens hen besparen op energie en wat doen zij thuis zoal aan energiebesparing? MVO Nederland benadrukt dat dergelijke bijeenkomsten een positief

karakter dienen te hebben. Uiteraard moet er ruimte zijn voor knelpunten, maar het advies is om de nadruk te leggen op wat er allemaal mogelijk is. Het is mooi om af te sluiten met een minimissie: een afspraak over wat men met z’n allen in een bepaalde periode bereikt wil hebben. Zo voelen medewerkers zich betrokken en zal het ze minder moeite kosten om eraan te denken om bijvoorbeeld het licht achter zich uit te doen en de apparatuur uit te schakelen als ze naar huis gaan. n

Gastbijdrage  Park Strijp Energy

Sanergy: duurzame energie én sanering In het gebied Strijp-S in Eindhoven hebben verschillende spelers elkaar gevonden in Sanergy, waarin bodemsanering en WKO samenkomen.

S

trijp-S bij Eindhoven was lang een broedplaats voor vele innovaties van Philips. De historische gebouwen op het terrein krijgen nu, samen met nieuwbouw, een nieuwe functie. De 27 hectare binnenstedelijk gebied wordt herontwikkeld tot een bruisende omgeving waar wonen, werken en ontspannen samengaan. Opvallend in de plannen is het hoge duurzaamheidsgehalte, waarbij de synergie van bodemsanering en energiewinning wel het meest in het oog springt.

koude aan het grondwater onttrokken, dat voor verwarming dan wel verkoeling van de woningen en kantoren op het terrein kan dienen. Dit energiesysteem leidt met behulp van warmtepompen tot een reductie van meer dan vijftig procent CO2 -uitstoot en uiteraard wordt het verbruik van grondstoffen beperkt. Extra punt is dat het systeem de bodemverontreiniging in het gebied op zijn plek houdt. Sterker nog: het leidt tot een versnelde natuurlijke afbraak van de afvalstoffen.

WKO

Grondwaterprobleem

Speciaal voor dit project is een grondwaterrecirculatiesysteem voor energiewinning ontworpen. Het WarmteKoude-Opslagsysteem (WKO) bestaat uit slim ontworpen onttrekking- en infiltratiepunten, waarmee grondwater wordt rondgepompt. Afhankelijk van de buitentemperatuur wordt warmte of

Olaf Oosting is projectontwikkelaar bij DEC en projectmanager van Park Strijp Energy, een dochter van Park Strijp Beheer dat op zijn beurt een publiekprivate samenwerking is van de gemeente Eindhoven en VolkerWessels. Thijs van Dieren is gebiedsontwikkelaar bij Credo, een dochter van Volker-

Wessels en projectmanager Park Strijp Beheer. “De samenwerking is ontstaan door een contractuele relatie tussen VolkerWessels, de gemeente Eindhoven en Philips”, licht Van Dieren de recente geschiedenis toe. “Toen wij het terrein in 2002 aankochten, was de afspraak dat Philips verantwoordelijk zou blijven voor het ‘historisch ondergronds erfgoed’, waar de grondwaterproblematiek onder valt. Op het terrein staat ongeveer 150.000 vierkante meter aan historische bebouwing, die getransformeerd zal worden tot woon- en werkruimte. Uiteraard hadden we onze ambities qua duurzaamheid, maar een gangbare toepassing van een WKO-systeem was niet mogelijk door de problemen met het grondwater”, licht Van Dieren toe. “Je mag dat water niet verspreiden en dat is nu precies wat je met een WKO doet.” In eendrachtige samenwerking met Philips, gemeente Eindhoven en de provincie werd bekeken of een WKO-systeem tóch mogelijk was. Met het systeem Sanergy bleek het inderdaad mogelijk. “We lopen nog steeds mee in het rijksprogramma Meer Met Bodemenergie, uitgezet bij Senter Novem. Zij stimuleren Sanergy, omdat de situatie van Strijp-S op veel meer plaatsen in het land voorkomt. Het is dan ook aangemoedigd met een subsidie. We zijn met onze partners nog steeds aan het kijken hoe we het systeem verder kunnen verbeteren.” In

het project treedt Hydreco op als uitvoerend partner en medefinancier. “Het systeem is erop gebaseerd dat de verontreiniging zich niet verder verspreidt”, vervolgt Olaf Oosting. “Door de temperatuurswisseling ten gevolge van de winning van warmte of koude en door vermenging met iets minder verontreinigd water wordt de natuurlijke afbraak van de verontreiniging bevorderd. Het is juist de combinatie van WKO en bodemsanering die het bijzonder maakt.”

Andere plaatsen Het concept wordt derhalve op andere plekken in het land uitgerold, bijvoorbeeld op een project in Woerden. Oosting: “Het werkt op een iets andere manier, maar het principe is hetzelfde en het wordt vaker toegepast. Tilburg en Utrecht onderzoeken ook de mogelijkheden. Uiteindelijk is het maatwerk, afhankelijk van de mate van verontreiniging en de vraag naar warmte en koude. De ambitie is dat verontreiniging niet langer een WKO uitsluit. Dat hebben we met Strijp-S bewezen. Het nadere onderzoek is nog wel een avontuur, het is nog nergens eerder gedaan. We kijken heel kritisch wat het systeem in het veld doet en wat het uiteindelijke effect is. Dat is ook van belang naar de toekomst, om betere voorspellingen te doen en dus betere afspraken te kunnen maken.” n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

9

artikel  Ontwikkelingen in de autobranche

Winst in ethanol en elektriciteit Benzine en diesel worden vroeg of laat onbetaalbaar. Dat stelt de auto-industrie voor een interessante uitdaging. Hoe hou je auto’s duurzaam op de weg? auteur: Cor Dol

I

n augustus 2010 promoveerde Oscar van Vliet aan de Universiteit van Utrecht met een proefschrift waarin hij het energieverbruik, de kosten en de CO2 -uitstoot van diverse traditionele en duurzame brandstoffen met elkaar vergeleek. Daarnaast bracht hij in kaart wat de milieuvriendelijkere alternatieven zijn voor auto’s die op traditionele brandstoffen rijden. De vraag hoe een auto milieuvriendelijker kan zijn, kent echter niet alleen een antwoord in de soort brandstof. Allereerst geldt de vraag hóe je je wilt verplaatsen. Welk transportmiddel kies je daar voor en wat zijn de mogelijkheden om daarin te combineren? En als je voor een auto kiest, welke kies je dan? Ga je voor de betrouwbaarheid, het imago, wegligging of hoe zuinig rijdt ie? En welke brandstof gebruik je dan? Vragen waar met name ondernemers met een redelijk wagenpark graag antwoorden op zien.

Alternatieve brandstoffen Oscar van Vliet ziet voor de laatste vraag een reëel antwoord in alternatieve brandstoffen: olie kost vandaag de dag meer dan 90 dollar per vat. “Volgens mijn berekeningen geldt dat

voor deze prijs heel veel alternatieve brandstoffen prima kunnen concurreren. Voor biodiesel zie ik een probleem omdat we in Europa te weinig ongebruikt land hebben om het te kweken. De oogstvolumes van soja en koolzaad zijn te klein en de opbrengst per hectare te laag. Er wordt veel gedaan aan duurzame teelt ten behoeve van biobrandstoffen, maar het feit blijft dat daar land voor nodig is en dat is schaars, zeker in Nederland.” Eerder ziet Van Vliet een toekomst voor alternatieve brandstoffen die op chemische wijze worden gefabriceerd, de zogenaamde tweede generatiebrandstoffen. De omzetting is efficiënter en er zijn meer diverse grondstoffen voor te gebruiken. Dat betekent dat ook grondstoffen met een grotere opbrengst per hectare kunnen worden gebruikt. Het effect van de brandstof op landgebruik en milieudruk is daarmee minder. Ethanol is nu al redelijk groot en is echt doorgebroken. Het is makkelijk te produceren en er is dertig jaar aan gewerkt, met name in Brazilië. “Half Brazilië rijdt er op. De tweede generatie ethanol, die dus behalve uit suikerriet ook uit andere planten kan worden gehaald, is in principe weer efficiënter dan de eerste generatie. Maar ook duurder”, licht Van Vliet toe.

Ethanol heeft als nadeel dat het minder energie per volume geeft en dat een auto dus minder ver rijdt met een volle tank. Daartegenover staat dat de motor onder een hogere druk kan rijden en daarmee efficiënter kan zijn. Voor de voorzieningszekerheid van brandstof is de toepassing van ethanol een interessante gedachte.

(Deels) elektrisch rijden Momenteel wordt veel geld gestoken in de ontwikkeling van elektrisch rijden. Van Vliet voorziet een langzame ontwikkeling. “Je ziet veel hybride auto’s, deels omdat ze zwaar gesubsidieerd worden. Dat zal afgebouwd worden. ” De autofabrikanten zijn wettelijk verplicht om het brandstofverbruik van hun auto’s behoorlijk te verminderen. Tegen 2020 moet dat met tientallen procenten zijn afgenomen. Dat betekent dat ze heel spannende dingen moeten gaan doen met de bestaande verbrandingsmotoren, veel stroomlijnen of speciale banden moeten toepassen. Of ze moeten veel voordeel halen uit hybridisering. Gaandeweg kan een hybride auto steeds elektrischer worden en meer accu’s herbergen. Dat geeft fabrikanten tijd om de overstap te maken, plus dat de consument langzaam

kan wennen aan het nieuwe rijden. Ook kan de infrastructuur van oplaadpunten rustig worden opgebouwd: auto’s hebben nog de mogelijkheid over te schakelen op traditionele brandstoffen. Extra voordeel valt te halen door elektromotoren in de wielen te bouwen, waardoor geen koppeling nodig is. Probleem voor de nabije toekomst is het opladen: hoe doe je dat met miljoenen auto’s die ’s nachts gewoon op straat of een parkeerplaats staan? n

Expertinterview  ING Car Lease

“Kostenbewust wagenparkbeheer met zorg voor het milieu ” Wat voor bedrijf is ING Car Lease precies? “Een autoleasemaatschappij in Nederland, onderdeel van ING Groep. We zijn Europees georganiseerd, dus hebben in diverse Europese landen car-lease activiteiten. In Nederland verzorgen we mobiliteit voor grote bedrijven tot zzp’ers. Mobiliteit is voor ons breder dan alleen auto. Vooral de laatste jaren bieden we ook andere vervoersmogelijkheden aan naast de auto, zoals de NS-Business-Card, een fiets, een scooter etcetera. Daarnaast groeit de wens om vervoer duurzamer te organiseren, waarmee we tegemoetkomen aan een groeiende vraag vanuit het bedrijfsleven. ” Dus ook duidelijk een vraag vanuit de markt. “Zeker. We hebben 80.000 leasecontracten en zijn daarmee de derde speler in Nederland. Ons streven is echter niet om de grootste te worden, maar vooral om een kwalitatieve, transparante en duurzame dienstverlening te bieden. De markt vraagt de laatste jaren niet alleen om de organisatie van een auto, maar ook om alle zaken daar omheen.” Hoe organiseer je dat? Hoe ziet dat er in de praktijk uit? “Het hangt er van af hoe een bedrijf de mobiliteit wil organiseren. Het kan een heel specifieke financiële, op kostenreductie gebaseerde insteek zijn,

het sluit goed aan bij de duurzaamheidsdoelstellingen van onze klanten. Concreet houdt het contract in dat de auto’s die we vanaf 2012 gaan inzetten een gemiddelde CO2 -uitstoot hebben van 120 gram per kilometer.”

Ivo Lissone Director Sales & Marketing

dat zien we veel bij het midden- en klein bedrijf, die nog steeds veel hinder ondervinden van de crisis. Daarnaast maken steeds meer bedrijven een bewuste keuze voor duurzaamheid en vragen zich af of het überhaupt nodig is om te reizen? En als ik ga reizen, wordt het dan de auto of de trein? En als het een auto is, moet het dan per se die benzineverslindende auto zijn? Daarnaast zien we zien een duidelijke trend naar kleinere, zuinigere en groenere auto’s en vinden onze groene producten gretig aftrek. Zo hebben we een prima samenwerking met NS-Business Card. Of de Vakantieauto, waarmee we het gebruik van een kleine, energiezuinige auto promoten gedurende het jaar en de berijder de mogelijkheid bieden om voor

de vakantie een grotere, ruimere auto te rijden. Naast het compenseren van de CO2 -uitstoot, bieden we ook CO2 reducerende maatregelen zoals de rijvaardigheidstraining ’Het Nieuwe Rijden’. En de actie Band op Spanning waar banden met stikstof worden gevuld en zodoende langer op spanning blijven. Dat resulteert in minder brandstofverbruik. Hoewel voor veel bedrijven de auto voorlopig centraal zal blijven, blijkt dat je veel dingen anders en dus duurzamer kunt organiseren.” ING Car Lease heeft een Cleaner Car Contract afgesloten? “Met de stichting Natuur en Milieu, dat klopt. Ze hebben ons uitgedaagd om te komen tot een lagere CO2 -uitstoot. Dat vonden we interessant en

Elektrisch rijden? “Elektrisch rijden is voor ons geen doel op zich, maar een middel om in het totale pakket tot CO2 -reductie te komen. Binnenkort bieden wij onze relaties een ‘week van het elektrisch vervoer’ aan, om het rijden in en het dagelijkse gebruik van een elektrische auto te ervaren. Daarvoor zetten we gedurende een week vier verschillende klassen elektrische auto’s in bij onze klant. We bieden hiermee proactief onze klanten de volgende stap in het rijden aan en het levert ons ook veel feedback op.” ING Car Lease als groene leasemaatschappij? “Nee, we blijven zoals we dat zelf noemen een ‘oranje’ leasemaatschappij. De hoogste klanttevredenheid, een transparante en innovatieve dienstverlening en kostenefficient wagenparkbeheer staan hierbij voorop. Duurzaamheid zien we als onze basishygiëne. Dit moet je gewoon aan je klanten kunnen aanbieden en daarbij koppelen wij dit direct aan kostenbesparing, waarmee zorg voor het milieu hand in hand gaat met kostenbewust wagenparkbeheer. Mooier kan niet.” n


10

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

GASTBIJDRAGE  Duurzaamheidscoach.nl en Myveld

De kans die duurzaam bouwen u biedt Door samenwerken en het benutten van kansen komt de winst van duurzaam bouwen binnen ieders bereik.

B

ouwbedrijven, ontwikkelaars, architecten roepen om het hardst dat zij duurzaam zijn of bouwen, ontwikkelen en ontwerpen. Als u vraagt wat dat betekent krijgt u een uitgebreid maar algemeen antwoord en ontgaat u de kern. De diversiteit aan onderwerpen doet u duizelen. De onsamenhangende relatie tussen duurzame processen, bedrijfsvoering, materialen, toepassingen en concepten maakt dat u door de bomen het bos niet meer ziet. En u bent niet de enige. Het brede spectrum dat duurzaamheid omvat is de grootste kracht en zwakte van het begrip.

De kracht zit in de relatie tussen verschillende belangen en onderwerpen. Een groen dak kent technische aspecten maar heeft tegelijkertijd een positieve invloed op het binnenklimaat en daarmee op het well being van de gebruikers van het gebouw. De productiviteit stijgt en het ziekteverzuim daalt wat leidt tot minder kosten en hogere efficiëntie. Maar als het dakoppervlak ten opzichte van het gebruiksoppervlak relatief beperkt is (bijvoorbeeld bij een hoog flatgebouw) is een groen dak niet optimaal. U kunt dan beter kiezen voor een systeem van zonnecollectoren voor energievoorziening. Een duurzame benadering van vastgoed en goed benutten van kansen is uiteindelijk positief door: · lagere exploitatie-, energie-, én gebruikerskosten;

· een hogere marktwaarde; · een gezonde en productieve leef- en werkomgeving; · belastingaftrek en subsidies; · maatschappelijk verantwoording · uw groene imago; Duurzaamheidscoach en MyVeld kunnen u helpen bij het maken van de juiste keuzes en het benutten van de kansen. Ook begeleiden zij u bij het realiseren hiervan en verzorgen desgewenst een duurzaamheidscertificaat voor uw gebouw. Vanwege de veelomvattendheid van het onderwerp is het logisch dat ook zij niet op alle facetten gespecialiseerd kunnen zijn. Daarom zoeken zij de samenwerking met andere specialisten in het veld; installatiedeskundigen, ecologen en materiaaldeskundigen. Binnen het netwerk van zelfstandigen en kleine bedrijven is de flexibiliteit en

snelheid groot, de overhead laag en de onafhankelijkheid gewaarborgd. Wilt u advies of deelnemen aan het netwerk? U bent van harte welkom! n

Nadere informatie:

Paul Zonneveld: ”Als duurzaamheidscoach zorg je dat duurzaam denken bij bedrijven en instellingen hoog op de agenda komt.” Email: paul@duurzaamheidscoach.nl Telefoon: 06-57344618 Martijn in ’t Veld: “MyVeld levert als verbindende schakel een bijdrage aan toekomstbepalende onderwerpen voor de bouw.” Email: martijn@myveld.nl Telefoon: 06-24212637 “We werken onder meer met BREEAM.nl, een systeem waarmee gebouwen beoordeeld worden op de mate van duurzaamheid.”

Gastbijdrage  ZRi adviseurs ingenieurs

Duurzaamheid als uitgangspunt Juist het vroegtijdig definiëren, afstemmen en het combineren van de kennis van betrokken partijen: daar ligt volgens ZRi de kans voor duurzaamheid.

D

uurzaamheid is volgens ZRi geen kwaliteit die aan het eind van een bouwproject als ‘finishing touch’ kan worden toegevoegd. Integendeel, duurzaamheid dient een integraal onderdeel van het ontwerp, de bouw, het beheer en het onderhoud van een gebouw te zijn. Duurzaamheid begint daarom volgens ZRi bij de initiatieffase en duurt zo lang als het woord uitdrukt.

levensvatbaar is, dat het de potentie heeft om over een lange levensduur goed te functioneren. Het moet bijvoorbeeld goed presteren op het gebied van energie, water en materialen. Ook een kwalitatief goede omgeving is een voorwaarde voor een duurzaam gebouw. Afhankelijk van de exacte bestemming van een gebouw kan flexibiliteit eveneens belangrijk zijn.”

Levensvatbaar

Procesorganisatie

Projectleider Martijn van Winkelen van ZRi houdt zich dagelijks bezig met duurzaamheid. “Het vormt voor ons een brandpunt tussen enerzijds het gebouw en haar omgeving en anderzijds de installaties. Bouwfysica zorgt hierbij voor de afstemming. Duurzaamheid wil voor ons zeggen dat een gebouw

Duurzaamheid als uitgangspunt: ZRi realiseert dat door processen op de juiste manier in te richten en daarnaast de passende technische disciplines te bieden. “Duurzaamheid begint voor ons al met de wijze van het organiseren van processen”, verduidelijkt Van Winkelen. “Alleen zo kun je het goed inte-

greren in alle aspecten van een gebouw. Vanuit de projectorganisatie moet je het streven naar duurzaamheid stimuleren. Je kunt dan denken aan het samenbrengen van verschillende ontwerpende disciplines in een team. Partijen worden dan niet als losse disciplines ingezet, maar denken vanuit de complete structuur. We werken met een integrale aanpak, waar duurzaamheid een centrale plaats inneemt. Als het project het toelaat willen we uitvoerende partijen graag al betrekken bij het ontwerp, zodat hun kennis en specifieke technieken al kunnen worden geïntegreerd in het ontwerp. Daarnaast kunnen ze een rol spelen in het onderhoud in de gebruiksfase. Zo houden ze er belang bij dat hun product of installatie optimaal blijft functioneren.”

Integrale kwaliteit Duurzaamheid is een integrale kwaliteit die niet alleen bevorderd wordt door toegepaste materialen of installaties, maar met name door een zorgvuldig geregisseerd bouwproces. ZRi zorgt daarvoor. n

Nadere informatie: De volledige visie van ZRi op duurzaamheid in de gebouwde omgeving is te lezen in de publicatie “Visie op duurzaamheid en energieneutraliteit”. Belt u voor nadere informatie Martijn van Winkelen of Jort de Bosch Kemper. Telefoonnummer 070-3615559.

Voor meer informatie over ZRi: www.zri.nl

Gastbijdrage  Pezy Group

Waar ligt de winst bij duurzaam ontwerpen? Hoe een integrale ontwerpaanpak leidt tot effectieve duurzame oplossingen.

N

oem duurzaamheid en veel mensen komen met voorbeelden van overvloedige plastic producten, gemaakt met olieverslindende processen. Producten die kapot gaan en uiteindelijk ergens midden op de oceaan in een soort van plastic soep belanden. Dit is natuurlijk heel slecht voor het milieu en zorgt voor klimaatverandering. Vissen eten van de soep en met wat pech krijg je uitein-

delijk jouw eigen afval, via een heerlijk scholletje, op je bord. Men zoekt de oplossing vaak in materiaal besparing, eco-efficientie, want dit is minder slecht voor het milieu. Of het plastic wordt vervangen door bioafreekbaar materiaal. Geen olie meer nodig, dus minder klimaatverandering en het materiaal verdwijnt als het in de natuur terecht komt. Noem het product groen en de “onwetende” consument is tevreden. “Zonde”, denkt men binnen de Pezy Group. Door minder slecht te zijn los je het probleem uiteindelijk niet op en het is een fabeltje dat alle bio-afbreekbare materialen spontaan oplossen in het milieu. Bij de ontwerpbureaus We Are Perspective en Pezy Product Innovation kijkt men hoe producten met een inte-

grale aanpak slimmer ontworpen kunnen worden, onder de noemer van Good Design. Geïnspireerd door de principes van Cradle to Cradle® is het de uitdaging om optimaal en eco-effectief gebruik te blijven maken van hoogwaardige materialen. Het juiste ontwerp kan hier veel toe bijdragen. Zo is het in sommige gevallen juist beter om meer materiaal te gebruiken in plaats van minder, waardoor deze zuiverder herwinbaar is en zo beschikbaar blijft voor verwerking in hoogwaardige nieuwe producten. Daarnaast kunnen nieuwe businessmodellen bijdragen bij een betere regulatie van de materiaalstromen. Meer dan ooit wordt van ontwerpers verlangt zich niet alleen op de gebruiksfase van het product te concentreren, maar

ook te kijken naar andere aspecten van de waardeketen. De beloning is vaak groot. In veel gevallen zijn kostenbesparingen mogelijk, soms vooraf, maar vaak ook achteraf door slim gebruik te maken van de restwaarde van materialen. Dit bereik je soms niet van vandaag op morgen, maar de investering loont. Het leidt uiteindelijk tot sterke concepten die zich onderscheiden in de markt, en tot een situatie waarin de ondernemer kan blijven innoveren, de consument gezond kan blijven consumeren, binnen een systeem waarin men materialen herbruikt en minder verbruikt! n

Nadere informatie: Neem voor meer informatie contact op met n.van.marle@pezygroup.com


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

11

Artikel  Duurzaam bouwen

De goede energie van duurzaam bouwen Energieneutraal bouwen zou in Nederland in 2020 standaard moeten zijn. Er zijn echter al gebouwen die hun eigen energie aanleveren. auteur: Marian Vleerlaag

E

nergiezuinig bouwen wordt door de Nederlandse regering opgelegd door de EPC - Energie Prestatie Coëfficiënt, een eis waar nieuwbouwwoningen aan moeten voldoen. Dit getal geeft aan hoe energiezuinig een gebouw is ten opzichte van andere woningen van dezelfde grootte. De EPC is een methode om vanaf de tekentafel huizen door te kunnen rekenen qua energieverbruik. Per 1 januari is de EPC aangescherpt van 0,8 naar 0,6. Het streven is om in 2020 qua EPC op nul te zitten. Alle nieuwbouwwoningen in Nederland zijn dan energieneutraal; ze leveren evenveel energie op als ze gebruiken.

Doelstellingen van de overheid In 2020 moet alle nieuwbouw energieneutraal zijn. Het doel is om de bouw (woningbouw, utiliteitsbouw en grond-, weg- en waterbouw-sector) plus de stedelijke ontwikkeling duurzaam te maken door innovatie van het nieuwbouwproces en renovatie van de bestaande voorraad. De beperking van uitstoot van broeikasgassen staat centraal, plus uitputting van grondstoffen. Of de doelstelling van energieneutrale nieuwbouw in 2020 gehaald wordt, kan Nynke van der Zee, persvoorlichter van het ministerie van Binnenlandse Zaken, niet zeggen. “Het is een uitdaging. Maar de lijnen zijn uitgezet en de minimale energieprestatie-eisen voor woningen en utiliteitsgebouwen worden steeds scherper, zoals de nieuwe EPC-eis.” Hierop kan de markt anticiperen en tijdig innovaties ontwikkelen, waardoor kwaliteit en kostenefficiency aandacht krijgen.

Huidig kabinet Vooralsnog zijn de Europese ontwikkelingen op het gebied van duurzaam bouwen veelal gebaseerd op vrijwilligheid, stelt Van der Zee. Er zijn onder andere het Ecolabel, Green Public Procurement (Duurzaam Inkopen) en de ontwikkeling van Milieugerichte bouwproductinformatie via het Europees normalisa-

tie-instituut CEN. Specifiek gericht op energie zijn er wel verplichtende richtlijnen zoals de EPBD (met het energielabel) en de richtlijn Energiegerelateerde producten. En in alle Europese richtlijnen en communicatie  wordt duurzaam bouwen op basis van de levenscyclus steeds meer aanbevolen. Ook kennen we een nationale milieudatabase van SBK, die van belang is voor de criteriastelling bij duurzaam inkopen van kantoorgebouwen. Het huidige kabinet moet nog verdere invulling geven aan het energiebeleid voor de gebouwde omgeving. Naar verwachting zal eind januari een beleidsagenda voor energie in de gebouwde omgeving naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

Eigen initiatief Duurzaam bouwen hoeft niet altijd van bovenaf opgelegd te worden. Niels Oosthoek, eigenaar van een restaurant in Driebergen pakte acht jaar geleden zelf de verbouwing van zijn nieuwe zaak duurzaam aan. “Je ziet dat het nu meer gemeengoed wordt. Wij waren toen echter nog aan het pionieren.” Het ging Oosthoek niet alleen om de besparing: het biologisch restaurant wilde verantwoordelijkheid nemen. Dus gebruikte hij alleen duurzame materialen, zoals bamboe, zowel voor de verbouwing als de inrichting. En creëerde een systeem waarbij de verwarming van water en het gebouw verloopt via de open haard.

Verdienen Het centraal gelegen haardvuur verwarmt niet alleen het restaurant maar ook een reservoir van 2.000 liter water.

Dit systeem verwarmt het hele gebouw. Door de warmte gaat het water circuleren naar de buizen die in de lemen wanden zijn verwerkt. Ook aan de recycling van het warme water is gedacht. Dat wordt hergebruikt in de keuken. Het systeem is wel aangesloten op een ketel om niet op maandagochtend zonder warm water te zitten. Het vuur verwarmt het water voor tot 50 graden, de ketel brengt het naar 65 graden. Deze duurzame manier van energie besparen vroeg wel een flinke investering - zo’n 40.000 euro. De installatie kan over tien jaar afgeschreven worden, dus over twee jaar gaat Oosthoek substantieel minder betalen voor zijn energie.

Zonder aardgas Energieneutraal bouwen kan inderdaad een stap verder, zegt Hans van Dijk van Milieu Centraal. “Je kunt zorgen dat een gebouw energie oplevert. Dat is minder onbetaalbaar dan het lijkt, het technisch bouwen is het probleem niet.” Zonnecollectoren en -cellen op het dak en warmtepompen die de energie opslaan in de bodem kunnen in nieuwbouw makkelijk worden meegenomen. In de gemeente Etten-Leur bijvoorbeeld staat een wijk waar geen aardgasleidingen zijn aangelegd. Bij duurzaam bouwen gaat de kost voor de baat uit, stellen Oosthoek en Van Dijk. Ook Louise Vet benadrukt dit. De directeur van het Nederlands Instituut voor Ecologie, het NIOO-KNAW, krijgt in Wageningen het slimste en meest duurzame gebouw van Nederland. Vet zette voor het kantoor annex laboratorium in op een integrale benadering van duurzaamheid: alleen duurzame mate-

rialen zijn gebruikt en de energieopwekking vindt plaats door zonnepanelen en restwarmte uit bedrijfsprocessen met traditionele warmte-koude-opslag. Voor het gebouw is een nieuwe en efficiënte vorm van warmteopslag in de bodem bedacht, zo’n 300 meter diep. In het pand wordt gewerkt volgens de cradleto-cradle uitgangspunten: zoveel mogelijk kringlopen op eigen terrein sluiten. Bijvoorbeeld door het zuiveren van het eigen afvalwater en het terugwinnen van energie uit eigen fecaliën. Met de voedingsrijke resten wordt kunstmest gemaakt.

Cradle-to-Cradle Het gebouw bevordert de lokale biodiversiteit met vegetatie op de daken en zorg voor de omgeving zoals het terugbrengen van wallen, sloten en hagen plus een fauna bevorderende aanplant. “Duurzaam bouwen hoeft niet duur te zijn, dat is echt een vooroordeel”, aldus Vet. Aan de bouw ging wel een intensief en dus kostbaar proces van intelligent ontwerpen vooraf. Het is een pilot project, er is nog geen bewezen technologie. “We zijn steeds state of the art-science aan het uitvinden. Natuurlijk vraagt dat investering. Dat doen we met subsidiegeld van onder andere de overheid, maar ook met onze eigen middelen. Wij investeren nu 15 jaar een ton in één keer omdat we daarna een ton minder aan energie per jaar gaan betalen. Maar zo denken we nog niet in Nederland. Er is een bouwbudget en het moet zo goedkoop mogelijk. Zo kom je nooit verder.” Het gebouw wordt eind januari betrokken en zal dienen als schoolvoorbeeld van een duurzaam bedrijfsgebouw. Er is veel interesse voor, zowel van gebruikers, overheid als de bouwwereld. Vet: “Voor ecologen die altijd slecht nieuws moeten brengen over het verdwijnen van de natuur is het een fijn gevoel om nu een gebouw af te leveren dat we aan de natuur kunnen toevoegen. Ook dat levert goede energie op, maar dan aan ons mensen.” n

Expertinterview  BouwQuest en HartmanBouwVisie

“Duurzaam bouwen kan niet zonder integrale benadering”

V

anuit hun ervaring in de praktijk hebben Ben Hartman en Carlpeter Goossen zich volledig toegelegd op integraal bouwen. Dat is zeker niet zonder reden. Pas wanneer verschillende adviseurs binnen een ontwerpteam met een platte structuur tot een ontwerp komen, kan het ontwerp echt geoptimaliseerd worden. Dit blijkt van doorslaggevend belang te zijn voor het ontwikkelen van duurzame gebouwen. Wat is een duurzaam gebouw? “Een duurzaam gebouw heeft bij voorkeur een lange levensduur, een laag energieverbruik, is ecologisch verantwoord en maakt gebruik van duurzame materialen. Toch geldt ook hier dat elk

gebouw binnen haar context bepaalde facetten van duurzaamheid extra goed benut kunnen worden. Op deze manier heeft bijvoorbeeld het ontwerpproces voor zowel een bestaande monumentale woning in Erichem als de nieuwbouw van de Veldhuizerschool in Ede geleid tot een passief gebouw.” Wat maakt deze passieve school zo bijzonder? “Voor passief bouwen geldt in eerste instantie: warmte die je niet kwijt raakt, hoef je ook niet te creëren. Door extreem goede isolatiewaarden en luchtdichting ontstaat tevens de mogelijkheid om de ventilatie per ruimte efficiënt te beheren. Dit komt goed van pas bij een frisse

school. Met nieuwe technieken zoals toepassing van BIM (Building Information Model) is het mogelijk het ontwerp in een vroeg stadium te analyseren. De school is in mei klaar en zal 80% minder primaire energie gebruiken dan een vergelijkbaar nieuw gebouw. Door de manier van bouwen verwarmen de kinderen de school.” Wat kun je zeggen over de kosten van de school? “Mede door een subsidie is de terugverdientijd ongeveer 4 jaar. Gemiddeld is dit tussen de 5 en 10 jaar voor een passiefhuis-concept. In veel gevallen zal ook de eindwaarde van het gebouw na 20 jaar hoger blijken. Dit heeft een

vlnr. Carl-peter Goossen en Ben Hartman Specialist duurzaam bouwen en Ontwerpmanagers

gunstig effect op de exploitatiekosten en de levensduur! Nieuwe ontwikkelingen in passief bouwen zullen in Nederland dan ook niet uitblijven!” n


12

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Gastbijdrage  Energy Valley

Energie uit het noorden: groen voor groei Vijfentwintig miljard euro. Dat is het fenomenale bedrag dat in de komende vijf jaar wordt geïnvesteerd in energieactiviteiten in de noordelijke regio. Duurzame groei staat hierbij centraal.

N

ergens in Nederland wordt de komende tijd zoveel geïnvesteerd in energie als in het noorden van het land. En het is duidelijk de bedoeling om dat duurzaam te doen. “Het is de grootse investeringsimpulsop dit moment in de Nederlandseeconomie”, zegt Gerrit van Werven, directeurvan de stichting Energy Valley, de privaatpublieke netwerkorganisatiedie in 2003 is opgericht om energie-investeringenin het noorden te stimuleren. Met doorslaand succes.

voorzitter van de Taskforce Groen Gas – de productie van groen gas is één van de duurzame activiteiten waar Energy Valley zich op richt. De bedoeling is dat er de komende jaren in het noorden een aantal ‘hubs’ (knooppunten) wordt aangelegd waar biogas kan worden opgewaardeerd tot aardgaskwaliteit. Dit is een geheel nieuwe ontwikkeling. Klip-Martin legt uit: “Op dit moment gebruiken boeren en afvalverwerkers al vergistingsinstallaties om mest en an-

Duitse bedrijf leunt daarbij sterk op Nederlandse toeleveranciers. Het toeleveringscentrum voor de parken komt in de Eemshaven. “Offshore wind biedt een enorme kans voor de Nederlandse economie”, zegt Van Werven. “We hebben grote expertise in de offshore sector. Deze tak van sport kan dan ook veel werkgelegenheid opleveren.” Nu het kabinet de subsidiëring van nieuwe offshore windparken heeft stopgezet, vanwege te hoge kosten, pleit Van

gas worden doorgevoerd naar Engeland. Daarnaast wordt op een aantal plaatsen, waaronder Zuidwending en het NoordHollandse Bergen, geïnvesteerd in uitbreiding van gasopslag. “Het is belangrijk voor de Nederlandse economie dat die gasrotonde, inclusief de opslag, er komt. Recent is uit Engels onderzoek gebleken dat de gasrotonde grote werkgelegenheidseffecten kan hebben. Daarom is ook toekomstige uitbreiding van de gasopslagcapaciteit wenselijk”, zegt Van Werven. Aardgas is niet alleen de meest schone fossiele brandstof, maar biedt ook een betrouwbare en flexibele basis om duurzame energie op grote schaal mogelijk te maken. Hij vindt dat Nederland nog te weinig gebruik maakt van zijn unieke expertise op gasgebied. “In Nederland heeft zich een geavanceerde gasindustrie ontwikkeld, met een groot kennisnetwerk eromheen. Denk aan TNO, de Rijksuniversiteit van Groningen, KEMA, TU Delft, ECN. Dat zouden we veel meer collectief moeten vermarkten naar het buitenland.”

Onderzoek

Een deel van de investeringen gaat daarbij naar de bouw van 3 nieuwe elektriciteitscentrales in de Eemshaven, waarvan er één op kolen en biomassa zal draaien en de anderen op gas. Samen met de bestaande Eemscentrale – de grootste gasgestookte centrale in Europa – gaan al deze centrales straks een derde van de Nederlandse stroomproductie leveren. Vanuit de milieubeweging is er kritiek op deze nieuwe inzet van fossiele brandstoffen. Van Werven nuanceert dat. “Je kunt niet alleen op hernieuwbare energie bouwen in dit stadium van de energietransitie. Dat is te kwetsbaar.” Hij wijst erop dat de gascentrales relatief schoon zijn en dat aardgas algemeen beschouwd wordt als een schone transitiebrandstof. Daarbij komt dat de nieuwe centrales gebruik gaan maken van de meest geavanceerde technieken, hetgeen sowieso milieuwinst oplevert. Ook worden voorbereidingen getroffen om de centrales geschikt te maken voor grootschalige afvang en opslag van het broeikasgas kooldioxide. “De CO2 uit de kolencentrales kan dan veilig onder de grond worden opgeborgen.’

Groen gas De centrales zijn bovendien maar een deel van het verhaal. De Nederlandse ‘Energy Valley’, zoals het noorden zich afficheert, moet nadrukkelijk een ‘groene’ vallei worden. Zoals Tanja KlipMartin, gedeputeerde Milieu, Klimaat en Energie van de provincie Drenthe het kernachtig verwoordt: ‘Zonder groen geen groei.’ Klip-Martin is onder meer

dere afvalstoffen om te zetten in gas. Dat gas wordt gebruikt voor de opwekking van stroom. Dit is relatief inefficiënt, want meestal wordt de restwarmte niet gebruikt, waardoor meer dan de helft van de energie verloren gaat. Een Groen Gas Hub heeft een installatie die het biogas omzet in hoogkwalitatief groen gas, dat rechtstreeks kan worden geïnjecteerd in het net van Gasunie. Daarbij gaat nauwelijks energie verloren.” Er zijn inmiddels twee van dergelijke installaties in gebruik – bij de afvalverwerking van Attero in Wijster en in Groningen – en er komen naar verwachting op korte termijn nog drie bij: in Leeuwarden, bij Omrin in Oudehaske en bij Suiker Unie in Groningen. Boerderijen in de omtrek krijgen via pijpleidingen aansluiting op de installaties, zodat zij biogas kunnen aanleveren. Vandaar de naam ‘hubs’. Volgens Klip-Martin is het noorden de ideale plek voor de Groen Gas Hubs, omdat deze regio beschikt over veel biomassa, veel kennis op het gebied van gas en een fijnmazige gasinfrastructuur. Zij verwacht dat de productiecapaciteit van groen gas in het noorden zal groeien van 15 miljoen m3 nu, naar 500 miljoen m3 in 2020. Daarmee kunnen 375.000 huishoudens van ‘groen gas’ worden voorzien.

Offshore wind Ander ‘groen’ wapenfeit is de ontwikkeling van de offshore wind-industrie. Het Duitse BARD Engineering gaat twee grote windmolenparken in zee bouwen ten noorden van Schiermonnikoog. Het

Werven voor een heroriëntering van het beleid. “Wij zeggen: concentreer de offshore windparken ten noorden van Nederland. Dan kun je het onderhoud en de infrastructuur centraal regelen. Dat is veel goedkoper. Wat er nu gebeurt, de bouw van kleine parken voor de kust van Zuid- en Noord-Holland, is te versnipperd. En daar hinderen ze de scheepvaart. Hier niet.” De noordelijke Noordzee biedt nog een voordeel: windmolenparken hier kunnen aansluiten bij de geplande offshore windparken in het Duitse en Deense deel van de Noordzee. Ze kunnen gebruik maken van dezelfde infrastructuur. Ook in die infrastructuur wordt fors geïnvesteerd in het noorden. In 2008 is een hoogspanningskabel aangelegd van Noorwegen naar Noord-Nederland, die evenveel (groene Noorse) stroom levert als een gemiddelde gascentrale. En er zijn nu vergevorderde plannen om nog twee nieuwe hoogspanningskabels aan te leggen: één vanuit Noorwegen en één vanuit Denemarken. Kosten: €600 mln per stuk.

Gasrotonde Natuurlijk gaat er in de Energy Valley ook veel geld naar de aardgasinfrastructuur. Het centrum van de gasindustrie ligt immers van oudsher in het noorden. De regering wil van Nederland de ‘gasrotonde’ van Noordwest-Europa maken. Daartoe participeert Gasunie onder meer in de Nordstream gaspijpleiding, die vanuit Rusland door de Oostzee naar Duitsland gaat lopen, en aansluiting krijgt op Nederland. Van hieruit kan het

Ook op gebied van onderzoek groeit het noorden uit tot toonaangevend energiekennis-cluster. In de regio zijn zo’n 1.000 energie-onderzoekers fulltime actief. Uiteraard bij ECN in Petten, maar ook de Rijksuniversiteit Groningen biedt bijvoorbeeld vijf master-courses aan op energiegebied en op het Energy Delta Institute in Groningen volgen studenten uit de hele wereld topcursussen. De Noordelijke Hogeschool Leeuwarden en het Van Hall instituut in Leeuwarden ontwikkelen zich tot Hotspot Duurzame Energie en de Hanzehogeschool heeft een Energie Kennis Centrum opgericht. Belangrijke kennisinstituten als TNO en KEMA hebben een stevige energiedivisie in het Noorden. Zo voert KEMA vanuit haar vestiging in Groningen een unieke proef uit met ‘slimme energienetten’ in het nabijgelegen Hoogkerk.

Brede betrokkenheid Zelfs voetbalclub FC Groningen blijft niet achter. In de Euroborg is de Energy Valley Top Club opgericht met diverse grote groenpartners en -leden en de club met het groen-witte tenue wil van zijn stadion het eerste volledige ‘vergroende’ voetbalstadion van Europa maken. Het geeft aan hoe breed het idee van de energie-economie leeft. Energy Valley is geen loze kreet. Van Werven: “De provincies, het bedrijfsleven en kennisinstellingen vinden allemaal dat energie onze kernactiviteit is. We zorgen gezamenlijk voor een goede infrastructuur en ondersteuning voor bedrijven die willen investeren. Dat betaalt zich nu rijkelijk terug.” n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

13

Artikel  Groene starters

Synergie voor duurzaamheid Professionals en starters in de wereld van duurzaamheid moeten elkaar kunnen vinden. Samenwerking leidt immers tot betere resultaten. het netwerk blijkt dan goed te werken. Het ‘groen gas-bedrijf’ heeft nu een veel grote penetratie in de markt kunnen bewerkstelligen.

auteur: Cor Dol

I

n het oude havengebied van Amsterdam-Noord hebben nieuwe ondernemers elkaar gevonden. Nieuw in de zin van dat het hier om ondernemers gaat, die werken aan de groene oplossingen van morgen. In New Energy Docks worden meer dan 1500 professionals verbonden. Onderzoekers, ondernemers, investeerders, beleidsmakers en beslissers creëren zo een kenniscentrum op het gebied van duurzame energie en schone technologie. Het ondernemerschap op deze gebieden heeft een impuls gekregen vanuit het initiatief: meer dan twintig bedrijven met het vizier op deze oplossingen hebben huisvesting gevonden in de gebouwen. Met de transformatie die Shell in Amsterdam-Noord onderging, van een grote locatie met proeffabrieken tot een new technology center, bleek het gebied daar omheen een geschikte locatie om bedrijven te vestigen die zich met allerlei vormen van duurzaamheid en duurzame energie bezighouden. Algemeen directeur Peter Dortwegt van New Docks Energy licht toe: “Als energie een vraagstuk wordt, dan is het goed om daar op veel verschillende manieren impulsen aan te geven. En bij voorkeur op een ondernemende manier.”

Kruisbestuiving Het ondernemen in een relatief nieuwe branche kan nieuwe vragen opwerpen. Om een antwoord te vinden is het juist prettig om te ondernemen in een omgeving waar gelijkgestemden eveneens actief zijn, waardoor kennis en kunde sneller en slimmer te mobiliseren zijn.

Katalysator

Die samenwerking moet gestimuleerd worden, zonder zich te bemoeien met de individuele bedrijfsvoering van de participerende ondernemingen. Een kruisbestuiving dus. Bedrijven in deze tak van sport kunnen van elkaar leren en dat gebeurt ook. De algemene ervaring is dat een sfeer, waarin van openheid en de bereidwilligheid om te delen sprake is, tot vermenigvuldiging leidt. Bedrijven kunnen in elkaars activiteiten worden ingeschakeld, waarin capaciteit kan worden geleverd en netwerken met elkaar worden gedeeld. Dat leidt daadwerkelijk tot nieuwe opdrachten en de groei van de ondernemingen.

Voorbeeld Veel auto’s rijden op LPG, maar er is een toenemende markt voor LNG: Li-

quid Natural Gas. LNG is niet ontploffingsgevaarlijk en kan daardoor op veel meer tankpunten worden aangeboden. Het biedt veel mogelijkheden om aardgas snel te vergroenen. Gas dat vrijkomt door biovergisting of waterzuiveringsprocessen, zou met een zekere filtering op het aardgasnet gepompt kunnen worden. Auto’s kunnen er op rijden en het voordeel is dat het uitstoot van fijnstof veel lager is. LNG geldt als een prima transitiebrandstof. De onderneming in Amsterdam-Noord, die zich met dit proces bezighoudt, groeit snel en de netwerken van andere bedrijven en het kenniscentrum in de richting van overheid en de mobiliteitsbranche bieden daarin veel aanknopingspunten. De kruisbestuiving tussen een aantal contacten van de bedrijven in

Een ander voorbeeld: in opdracht van woningcorporaties en vastgoedeigenaren houdt een bedrijf zich bezig met het vergroenen van gebouwen. Een leverancier van zonnepanelen, ook verbonden aan het netwerk, kon zo mede profiteren van de werkwijze in de meer institutionele markt. Inmiddels is de zonnepaneelleverancier niet langer zuiver afhankelijk van de particuliere markt en is sterk gegroeid in het afgelopen jaar. Dortwegt: “Ik wil niet zeggen dat dat zonder ons niet gebeurd zou zijn, maar het is wel versneld. In die zin werkt het netwerk zeker als een katalysator. Het zijn de voordelen van een open innovatie.”

Selectie en groei Er ontstaan steeds meer bedrijven die zich op de markt voor duurzame energie en mobiliteit begeven. Maar niet iedereen die roept dat hij duurzaam bezig is, voegt iets toe aan de cluster, constateert Dortwegt nuchter. Een paar gesprekken, een gezamenlijke lunch, een overleg: zo moet duidelijk worden of een aspirant bedrijf inderdaad iets aan het collectief toevoegt of wellicht een ander lid wat in de wielen rijdt. Duurzaamheid is een prachtig streven en brengt veel goede innovaties voort, maar het is natuurlijk wel zaak het begrip en de inhoud ervan te bewaken. Het is immers geen marketingmiddel. n

Expertinterview  Gertrud van Leeuwen MVO Advies en Tim Horsten HOE-Advies

“Groen ondernemen bij MKB versneld invoeren: juist nu!” Wat beogen jullie als MVO (Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen) adviseurs? “Binnen organisaties een goede balans tot stand brengen tussen People, Planet en Profit. Een uitdaging die we met Passie aangaan. Wanneer verantwoordelijkheden voor mens en milieu onlosmakelijk deel uitmaken van de

ing. Tim Horsten Eigenaar van HOE-Advies

onderneming, komt dit óók bedrijfsresultaten ten goede. Of het nu gaat om vermindering van verspilling, afval en energie of het gebruik van fairtrade kof-

fie en het steunen van een verantwoord doel. MVO gaat over innovatie en continuïteit, maar bijvoorbeeld ook over (het nieuwe) samenwerken. Verschillende partijen met eigen expertise kunnen samen sneller grotere stappen zetten. Delen is hier vermenigvuldigen.” Waarom is MVO juist nu zo belangrijk? “De prioriteit binnen het MKB is op dit moment: overleven. Verduurzaming krijgt hierdoor niet de aandacht die het verdient. Geheel onterecht, want het levert juist geld op. In de chaos van huidige financiële- en klimaatcrises en de teruglopende beschikbaarheid van natuurlijke bronnen, ligt de uitdaging tot veranderen. Pro-actief brengt MVO een ander bewustzijn op gang: niet zuur en duur, maar wel leuk, spannend en haalbaar. Het is beslist geen hype. De  vernieuwende activiteiten van onderwijsinstellingen,  het groene inkoopbeleid van  overheden en het verhoogde ketenbewustzijn binnen het grootbedrijf getuigen hiervan en hebben hun uitwerking op het MKB. Bo-

vendien blijft de vraag van consumenten naar duurzame producten stijgen.” Wat levert MVO beleid concreet op? “Behalve mogelijkheden tot omzetverhoging en kostenverlaging, een scala aan meerwaarden. Ook voor zelfstandigen. Denk aan verhoging van de productiviteit door meer betrokken personeel, maar ook aan verhoging van de integriteit en ethiek bij het management. Maatschappelijke reputatie en imago verbeteren, de aantrekkelijkheid als werkgever groeit. Kansen voor de eigen bedrijfsprocessen en -keten worden zichtbaar. Bovendien anticipeert MVO op de steeds sneller veranderende omgeving.” Hoe pas je MVO toe? “Voor succes dient MVO op structurele en integrale wijze onderdeel te zijn van bedrijfsvoering en -strategie. Een nulmeting geeft een beeld van behaalde successen en mogelijke kansen. Transparante communicatie geeft betrokkenen tussentijds een goed beeld

Gertrud van Leeuwen Eigenaar MVO Advies

over de status. En ten slotte: meet niet alleen de output maar vooral ook de impact die activiteiten hebben gehad. Als ervaren MVO adviseurs hebben wij de expertise in huis om ondernemers hierin bij te staan.” n

Nadere informatie: Gertrud van Leeuwen MVO Advies: www.gertrudvanleeuwen.nl Tim Horsten HOE-Advies: www.hoe-advies.nl


14

Groen Ondernemen

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Verpakkingen

Ook de buitenkant telt Het streven naar duurzame producten is prachtig. Maar een product wordt vaak ook ingepakt. auteur: Cor Dol

D

e omstreden ‘verpakkingstax’, die in 2008 werd ingevoerd voor bedrijven die jaarlijks meer dan 15 ton verpakkingsmateriaal op de markt zetten, heeft behalve een extraatje voor de schatkist geleid tot meer onderzoek naar duurzame verpakkingen. Plus de markt vraagt van de verpakkingsindustrie oplossingen. En dus wordt gezocht naar duurzame antwoorden voor het verpakken van allerlei producten. Bijna geldt: zo veel producten, zo veel verpakkingen en zo veel manieren om die duurzaam te maken. Het meest bekend is de wijnzak ter vervanging van de wijnfles. De winst is tachtig procent minder CO2 -uitstoot en negentig procent minder verpakkingsmateriaal. Het lijkt eenvoudig om verpakkingen duurzaam te maken, maar zo makkelijk is het niet. De truc is om verpakkingen te produceren die beter te recyclen of opnieuw te gebruiken zijn én om überhaupt minder afval te produceren.

Plastic of papier In het geval van voedsel moet het product dat verpakt wordt namelijk wel vers blijven. Komkommer in plastic blijft langer goed en wordt dus eerder verkocht, zodat minder voedsel wordt verspild. Het is maar waar je de priori-

teiten legt. En misverstanden zijn er genoeg. Plastic is an sich minder vervuilend dan papier, want het is eindeloos te recyclen. Jammer dat het in zulke grote hoeveelheden in de natuur terecht komt: onze wereldzeeën zitten vol met minuscule plastic deeltjes. Papier en karton hebben een beter imago, maar zijn ‘slechts’ opnieuw te gebruiken totdat het niveau van toiletpapier wordt bereikt.

hergebruik, preventie en registratie van het verpakkingsafval.

Overeenkomst In 2007 werd de zogenoemde Raamovereenkomst gesloten tussen het toenmalige ministerie van VROM, de Vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) en het verpakkende bedrijfsleven. Een jaar later werd de overeenkomst nog uitgebreid. In het akkoord werd het verpakkingsbeleid voor consumenten- en bedrijfsverpakkingen concreet en werd de financiering van de afvalverzameling en –verwerking geregeld. Met het ondertekenen heeft de verpakkende industrie de verantwoordelijkheid genomen om daadwerkelijk te streven naar verduurzaming. In de Raamovereenkomst is vastgesteld dat de stichting Nedvang namens het bedrijfsleven uitvoering aan deze producentenverantwoordelijkheid en de stichting ondersteunt gemeenten en bedrijven bij de scheiding, inzameling,

Preventief en recyclebaar Inmiddels is er veel gaande op het gebied van verpakkingen, hoewel dat niet altijd zichtbaar is. De verpakking van Uncle Ben’s zoetzure saus lijkt op het eerste oog niet veranderd, maar door de verpakking te ontdoen van overbodig glas is een besparing gere-

aliseerd van 450 ton verpakkingsglas op jaarbasis. Dat scheelt aanzienlijk in de kosten en het vermindert de milieudruk. Cherrytomaatjes van Eosta zitten nu in een zakje van drie gram in plaats van een bakje van tien gram. Het verschil is slechts zeven gram, maar per jaar scheelt het 3.600 kilogram kunststof. Deze voorbeelden van preventieve afvalvermindering maken zonneklaar helder dat een bedrijf grote besparingen kan maken, zeker ook op de financiële balans. Een lichtere verpakking scheelt namelijk ook weer in de verpakkingstax. Voor hergebruik gaat dezelfde vlieger op. Blik bijvoorbeeld wordt voor bijna negentig procent gerecycled. Ook op allerlei andere manieren wordt gezocht naar oplossingen. Composteerbare kratjes of BioFoam bijvoorbeeld. BioFoam heeft dezelfde eigenschappen als ‘gewoon’ piepschuim, met het verschil dat het volledig biologisch afbreekbaar is. Dat scheelt zeventig procent CO2 -uitstoot. Nedvang verzamelt de voorbeelden in de hoop en verwachting dat andere bedrijven er inspiratie uit putten en hen te stimuleren in het streven naar duurzame verpakkingen. De verzamelde kennis wordt gedeeld met andere bedrijven en dat is een mooi voorbeeld van hoe gedeelde kennis kan leiden tot een beter en duurzamer product. n

bedrijfspresentatie  Smurfit Kappa Benelux en Arla Foods

Golfkarton: HOT, COOL & vanaf nu FSC-gecertificeerd ‘Dichter bij de Natuur’ met zuivel van Arla Foods in verpakkingen van Smurfit Kappa.

W

at was er het eerst? Arla Foods die duurzame verpakkingen wilde inkopen bij Smurfit Kappa? Of Smurfit Kappa die het behalen van een CoC-certificaat als speerpunt voor 2010 had? Het doet er niet toe. Wat er wel toe doet, is dat het is gelukt. Eind 2010 behaalde Smurfit Kappa het CoC-certificaat voor al haar papieren kartonfabrieken in de Benelux en levert nu duurzame verpakkingen onder andere aan klant Arla Foods.

Voorloper Een CoC-certificaat krijg je niet zomaar. Je moet aantonen dat alle bedrijven in de keten – van de grondstoffenleverancier tot de fabrikant van de eindproducten – de CoC-gecertificeerde materialen apart houden van de overige producten, zowel administratief als in de praktijk. En dat heb je niet één, twee, drie georganiseerd als internationaal bedrijf, met vele toeleveranciers. Waarom dan al die moeite? Joost van Noorden, die het certficeringsproces bij Smurfit Kappa leidt: “Dat is de wil om maatschappelijk verantwoord te ondernemen. Bovendien vragen de klanten om verantwoorde producten. Daarmee loopt Smurft Kappa voorop op het gebied van FSC in de kartonindustrie en treedt zij op als ketenbeheerder. Dit betekent dat Smurfit Kappa papierstromen volgt en optimaliseert van de bron tot het eindproduct.”

Kettingreactie Duurzaam ondernemen vraagt om intensieve samenwerking in de keten. En dat bevalt goed: “Door de nauwere samenwerking zie je elkaar vaker. Gesprekken met klanten zoals Arla Foods geven energie. Wij brengen het enthousiasme voor FSC weer over op andere klanten”, aldus Gertjan Rehwinkel, commercieel directeur van één van de Smurfit Kappa-fabrieken.

Smurfit Kappa ook uw partner in duurzaamheid?

Arla: Dichter bij de natuur Arla Foods Nederland maakt zuivel met respect voor mens, dier en milieu. FSC-verpakkingen maken deel uit van Arla’s duurzaamheidsprogramma ‘Dichter bij de natuur’. Arla focust op efficiënt gebruik van natuurlijke bronnen, het tegengaan van verspilling, duurzame landbouw en dierenwelzijn. Arla wil in 2020 klimaatneutraal zijn voor verpakkingen, productie en transport.

Bestelt u bij Smurfit Kappa een verpakking met FSC-keurmerk, dan laat u zien dat u zich actief inzet voor duurzaamheid. En dat geldt ook weer voor uw klanten. Zo verstevigt u per verpakking uw merk en reputatie. Wereldwijd, want meer dan vijftig landen erkennen het FSC-keurmerk. We zijn er ook voor maatwerkoplossingen. Key-accountmanager David Gudden: “Onlangs kregen we het verzoek om te kijken of we konden aanhaken bij LZV-vervoer [lange en zware vrachtwagens]. Dan moet je stromen opzetten om die slag te kunnen maken.”

Contact Voor een gesprek over duurzame verpakkingen in uw onderneming, kunt u contact opnemen met Joost van Noorden, Project Manager Sourcing. Joost.van.Noorden@smurfitkappa.nl.

Nadere informatie Voor algemene informatie over de duurzame verpakkingen van Smurfit Kappa, kunt u contact opnemen met Bas Bosboom, Marketing Manager Benelux. Bas.Bosboom@smurfitkappa.com.

Smurfit Kappa Group

Wat zijn FSC en CoC? FSC staat voor Forest Stewardship Council.Dit is een onafhankelijke, internationale organisatie die wereldwijde standaarden opstelt voor verantwoord bosbeheer. Daaraan is een keurmerk gekoppeld: het FSC-keurmerk. CoC staat voor Chain of Custody. Het CoCcertificaat is een keurmerk van FSC. Het CoCcertificaat garandeert dat het materiaal tijdens het hele productieproces wordt gevolgd: Vanaf verantwoord beheerde bossen of de inname van gecertificeerd materiaal tot aan het eindproduct.

Smurfit Kappa is Europees marktleider in de verpakkingsindustrie op het gebied van papier en (golf)karton. Wereldwijd heeft Smurfit Kappa Group productielocaties in 30 landen, waarvan 21 in Europa en 9 in Latijns-Amerika. www.smurfitkappa.com

Smurfit Kappa stimuleert de inzameling van oud papier en karton. Neem contact op voor meer informatie.


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Groen Ondernemen

15

Artikel  Waste Management

Afval is geen afval meer Nederland is altijd een frontrunner geweest wat betreft een goede verwerking van afval. Dat is vandaag de dag niet anders. Auteur: Cor Dol

D

ertig jaar geleden was het verwerken van afval nog simplistisch geregeld. Het was een kwestie van ophalen en verwerken. Dat verwerken bestond grotendeels uit storten en verbranden in een aantal klassieke verbranders, wat voornamelijk diende om het volume te verminderen. In 1979 introduceerde CDA’er Ad Lansink een systeem dat de geschiedenis inging als ‘de Ladder van Lansink’, een prioriteitenvolgorde. Anno 2010 heeft de ladder een internationaal karakter gekregen, waarbij het er om gaat te streven naar een tree hoger. De onderste tree is storten. Vaak bevatte dit afval stoffen die in principe nog goed hergebruikt zouden kunnen worden. Storten is niet alleen milieutechnisch een issue, maar voor Nederland geldt ook dat het ruimtelijk gezien niet te prefereren is. Beter is verbranden, de tweede trede. Daarbij gaat het eigenlijk nog steeds om volumereductie en een beperkte energieterugwinning. Weer een stapje hoger is verbranden met een hoog energierendement, waarbij tevens het kunnen exploiteren van die warmte door middel van stadsverwarming voor een extra bonus zorgt. Materiaalhergebruik is trede vier, stapje vijf het producthergebruik, zoals bij de statiegeldfles gebeurt. De hoogste trede is preventie. “Dus nadenken bij het fabriceren van producten of die later in hoge mate recyclebaar zijn”, licht Ton Holtkamp toe. Eerder was Holtkamp directeur stoffen, afvalstoffen en straling bij het ministerie van VROM. Tegenwoordig is hij voorzitter van het Nederlands Waste Management Partnership (NWMP) en bekleedt hij verschillende adviesfuncties.

Ketenbeleid Vooral de laatste jaren is veel aandacht gekomen voor cradle to cradle en keten-

beleid. Daarbij gaat het erom oorspronkelijke grondstoffen in de productieketen te houden. “Cradle to cradle is echt een gedachte van de laatste jaren, maar in Nederland bestond het ketenbeleid al jaren. Delen van cradle to cradle zijn daarin terug te vinden. Door de geringe hoeveelheid beschikbare grond kende Nederland al langere tijd een gering percentage storten en een hoog percentage nuttige toepassingen voor afval. Het is altijd de vraag hoe je grondstoffen in de kringloop houdt. Grondstoffen worden schaars en dan geldt echt: It’s a waste to waste waste. Daar gaat het eigenlijk om: probeer afval niet meer te zien als afval, maar als grondstoffen. Probeer er zo veel mogelijk uit te halen.”

Kopgroep Op Europees niveau heeft Nederland altijd in de kopgroep gezeten als het gaat om verantwoord omgaan met afval. De laatste jaren lijkt Nederland wat stil te staan ten opzichte van landen om ons heen. Holtkamp reageert: “Dat is niet helemaal waar. Zij hebben juist een grote inhaalslag gemaakt. Nederland loopt bijvoorbeeld wat betreft autodemontage recycling en bouw- en sloopafval absoluut voor.” Voorheen kende Nederland 450 stortplaatsen, nu nog ruim twintig. Dat heeft enerzijds te maken met de beschikbare ruimte voor stortplaatsen in Nederland, maar anderzijds met het grote milieubesef. “We hebben een actieve milieubeweging en achtereenvolgende verantwoordelijke ministers als Winsemius, Nijpels en Alders hebben daarbij goed werk geleverd.” Het besef vatte mede vlam in het begin van de jaren ’80, toen Nederland te maken kreeg met ingrijpende bodemsaneringsoperaties van voormalige stortplaatsen, zoals in Lekkerkerk. Er waren te veel locaties die niet geschikt bleken voor woningbouw, simpelweg

omdat de grond té vervuild was. Het werd duidelijk dat goed en slim omgaan met afval een investering vereist, die op den duur duidelijk goedkoper is dan dit soort saneringen. De druk om hoger op de Ladder van Lansink te komen werd ook ingegeven door de invoering van de stortheffing. Storten mocht, maar was duurder dan het zoeken naar een betere oplossing. “Prijstriggers zijn altijd buitengewoon sterk”, kijkt Holtkamp terug. Het had Nederlands vooraanstaande positie op dit gebied tot gevolg: we hebben de oplossingen zelf moeten bedenken. Landen die als voorbeeld konden dienen, waren er nauwelijks. Het leidde onder meer tot het Nationale Milieubeleidsplan, het eerste coherente milieuplan ter wereld in zijn soort.

Waste Management

verontreinigingen aangepakt die onder zuurstofloze omstandigheden moeilijk afbreekbaar zijn. In bepaalde gevallen kan de eerste stap worden overgeslagen en volstaat de tweede stap. Het onderzoek zal zich vooral richten op deugdelijk bewijs voor het verlaagde milieurisico. Om aan te geven hoe belangrijk ze duurzaam stortbeheer vinden, overhandigen de stortplaatsexploitanten op 10 februari een intentieverklaring aan de milieugedeputeerden van de Provincies. Het ministerie van I&M wil namelijk alleen serieus met duurzaam stortbeheer aan de slag indien ook de Provincies het belang hiervan inzien.

zoveel gestort, dat er heel veel te winnen valt; voor ons milieu en onze veiligheid. Door de kennis en ervaring uit dit onderzoek te delen met andere landen, kunnen we samen veel voor het milieu betekenen.”

Waste Management is een vak op zich geworden en zelfs een tak van industrie van belang: in de branche gaat jaarlijks ruim zes miljard euro rond. Nog altijd is de centrale vraag hoe we op een zo optimaal mogelijke wijze kunnen omgaan met afval. Holtkamp constateert dat Nederlanders best bereid zijn daar iets voor te doen door afval te scheiden. “Dat is echt een succesnummer. En het producerende en verwerkende bedrijfsleven neemt duidelijk initiatieven om te komen tot meer eco-design: wat zet ik in de markt en hoe wordt het later opgepakt als het in het afvalstadium komt? Nu nog steeds worden voortschrijdende stappen gezet om te komen te een hoogwaardiger benutting van het afval.” n

Gastbijdrage  NV AFVALZORG HOLDING

Eeuwigdurende veiligheid Milieurisico’s stortplaatsen verlagen zonder claim op nageslacht.

A

ls het aan de Nederlandse stortplaatsexploitanten ligt, worden stortlocaties voortaan duurzaam beheerd. Zo schepen we onze volgende generaties niet langer op met de eeuwigdurende nazorg. Of duurzaam stortbeheer werkelijkheid wordt, is mede aan de overheid. Mogelijke bottle neck? Bezuinigingen. “Natuurlijk, de huidige manier van storten in Nederland is hartstikke veilig en verantwoord. Maar wel verre van duurzaam.” Aan het woord is Bert Krom, die als directeur van NV Afvalzorg Holding voorzitter is van de Stichting Duurzaam Storten. “We pakken gestort afval secuur in. Zolang de afdichting in tact blijft, is er niets aan de hand. Dat kan eeuwen goed gaan. Maar dat moet wel bewaakt worden en de voorzieningen moeten regelmatig vervangen worden. Ontelbare generaties lang! Bij duurzaam

stortbeheer is dit niet nodig. Uitgebreid onderzoek heeft aangetoond dat stortplaatsen vergaand te stabiliseren zijn. Zo ontstaat er minder eeuwigdurende nazorg en meer eeuwigdurende veiligheid.”

Intentieverklaring “Met de kennis die we opgedaan hebben uit het onderzoek naar duurzame stortconcepten, denken we dat veel bestaande stortplaatsen ook achteraf te verduurzamen zijn”, aldus Krom. De stortplaatsexploitanten willen de komende jaren met grootschalige pilots aantonen dat de milieurisico’s van stortplaatsen effectief verlaagd kunnen worden. De eerste stap om verontreinigingen in het afvalpakket versneld af te breken, af te voeren en te behandelen, kan bestaan uit infiltratie en recirculatie van water. De tweede stap bestaat uit beluchten van het afval. Hiermee worden

Wereldwijd Krom: “Het is heel belangrijk dat de overheid ‘ja’ zegt tegen het onderzoek op bestaande stortplaatsen. Niet alleen voor Nederland. Er wordt wereldwijd

Groen licht? Geld hebben de stortplaatsexploitanten hier niet voor nodig van de overheid. Meer veiligheid moet tot minder kosten voor afdichting en nazorg kunnen leiden. Wat de stortexploitanten van de overheid verlangen, is dat ze tijd vrijmaakt om het onderzoek te begeleiden en dat ze bereid is in de regelgeving hiervoor ruimte te bieden. En ja, natuurlijk ziet de overheid het voordeel van succesvol duurzaam stortbeheer in. Maar het is nu eenmaal crisis... Of bezuinigingen een duurzame toekomst in de weg staan, weten we binnenkort. n


© Dapesco

DERBIPURE®: Plantaardige dakbaan DERBIPURE: een WERELDPRIMEUR

Dakbedekking op basis van natuurlijke hernieuwbare grondstoffen. Revolutionair: een niet-bitumineuze dakbedekking op plantaardige basis Waarom? •

Wit van boven, groen van binnen

Passieve koeler: energiebesparing

100% recyclebaar

Recuperatie regenwater: pH neutraal

81% reflectie: EPC verlaging

Eventueel drager van flexibele zonnepanelen

Minimale ecologische voetafdruk

Meer weten ? Surf naar : www.derbigum.nl

DERBIGUM NEDERLAND B.V. Olof Palmestr. 18 – Postbus 237 – 2600 AE Delft Tel. 015 215 40 00 – Fax 015 215 40 11 E-mail : infonl@derbigum.com www.derbigum.nl


Groen Ondernemen