Issuu on Google+

Dit is een bijlage van Reflex Uitgeverij, gedistribueerd bij deze krant

Het Brein

Geheimen van het brein worden langzaam duidelijk

pagina 5

Zelf uw depressie te lijf

pagina 9

Stress? Bloedvatenkwestie? Migraine ontsluierd

pagina 10

Druk druk druk. Welke aanpak past ADHD?

pagina 20

december 2010


2

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

De hersenen zijn allesbepalend

I n ho u d Het Brein Een publicatie van Reflex Uitgeverij op 29 december 2010. De allesbepalende hersenen

2

Het brein wordt ontsluierd

5

MS: nog veel te ontdekken

6

Focus op langdurige zorg

8

Depressie of winterdip

9

Professor Ferrari over migraine

10

Onderzoek naar Parkinson

11

NAH: stille epidemie

15

Leven na de diagnose

16

Masteropleiding Mental Health

18

Aanpak psychiatrie verandert

19

Behandeling ADHD

20

Neurofeedback: voor of tegen

20

Het mysterie epilepsie

21

Verslaving: een hersenziekte

22

C o l o f on Project Manager Maarten Le Fevre maarten.le.fevre@reflex-media.net Productie/Lay-Out Juan-F. Gallwitz layout@reflex-media.net Redactie Sandra Dijk, Cor Dol (chef), Irma van der Lubbe, Annelies Roon, Marian Vleerlaag Foto‘s Thinkstock / Getty Images De inhoud van gastbijdragen, expert- en focusinterviews geven de mening van de gastauteurs en geïnterviewden weer. Ondanks dat bij deze uitgave veel aandacht is besteed aan het voorkomen van fouten en onvolkomenheden, kan hiervoor niet worden ingestaan en aanvaarden de redactie en uitgever hiervoor derhalve geen aansprakelijkheid. Reflex Uitgeverij B.V. Brouwersgracht 238 1013HE Amsterdam T: +31 (0)20 5207650 www.reflex-media.net

P

rofessor Martin Taphoorn is neuroloog bij het Medisch Centrum Haaglanden, als bijzonder hoogleraar neurooncologie verbonden aan het VUMC en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. “Zonder hersenen geen leven. Het hart van mensen die hersendood zijn klopt nog even, maar daarna is het echt afgelopen. Veel belangrijker is nog dat de hersenen allesbepalend zijn voor je totale functioneren. Niet alleen om te bewegen en te praten – wat op zich al heel bijzonder is, omdat we er mee uitstijgen boven veel diersoorten-, maar ook bepalend voor wie je bent en hoe je je gedraagt. Het meest navrante is mensen te zien veranderen als persoon op het moment dat ze een hersenziekte krijgen. Dat is uitermate confronterend voor henzelf en hun omgeving. Voor een neuroloog is dat een van de meest intrigerende onderdelen van het vak.”

Volledig doorgronden? “Het is zeker niet zo dat we het brein al volledig kunnen doorgronden. Het is zelfs lastig om aan te duiden hoeveel procent nog onontgonnen is. Er is daarentegen in de laatste decennia veel wat we wel ontdekt hebben en daarmee beter begrijpen. Zo weten we dat een verslaving of depressie niet alleen een gedragsprobleem, maar ook een hersenaandoening is. Daar ligt een aantal ontwikkelingen aan ten grondslag. De beeldvorming heeft een grote vlucht genomen. In de jaren tachtig van de vorige eeuw konden we nog maar net in de hersenen kijken, nu is dat enorm verbeterd, met name dankzij de MRI-scan. Dit betekent dat we een herseninfarct of een hersentumor in een vroeg stadium in beeld kunnen brengen en dat neurochirurgen veel nauwkeuriger kunnen opereren met minder kans op beschadigingen. Met hulp van de genetica zijn eveneens grote stappen voorwaarts gemaakt en is de oorzaak en de ontstaanswijze van een aantal hersenaandoeningen ontrafeld, al is er nog veel werk te doen. Het beter in beeld kunnen brengen en meer begrijpen is mooi, maar je moet er vervolgens ook iets mee kunnen doen. Op die manier vinden we steeds betere behandelingen en nieuwe medicijnen, voor ziekten als migraine en multipele sclerose, maar ook voor hersentumoren en dementie.”

Het selectieve brein “Het is een interessante vraag of de menselijke hersenen zich in de loop der tijd ontwikkelen en in staat blijken steeds meer geavanceerde technieken uit te denken. Door omgevingsfactoren en ontwikkelingen in de tijd word je gestuurd in je denken, je kunt het daarvan niet los zien. De mens bouwt idee op idee en theorie op theorie. Een briljant idee is vaak een kwestie van voortbouwen op een eerder slim idee. Daarnaast moet het brein heel selectief zijn in het bewaren van dingen: er komt heel veel informatie binnen, maar er wordt ook ogenblikkelijk

Professor Martin Taphoorn is neuroloog bij het Medisch Centrum Haaglanden

veel weggegooid of ver weggezet. Dat moet ook wel. Dit probleem kan zich ook uiten bij mensen met een hersenziekte: ze hebben moeite te selecteren, om prioriteiten te stellen in de aangeboden informatie. Het vermogen om te focussen en te concentreren is aangetast en belemmert hen in hun dagelijks leven in allerlei opzichten. Toch is het brein een harde schijf om u tegen te zeggen. Het is een raadsel hoe en waar bepaalde informatie ergens verpakt wordt opgeslagen en op een bepaalde manier weer naar boven wordt gehaald.”

Nederlands onderzoek “Wereldwijd heeft hersenonderzoek een belangrijk aandeel in het totaal van medisch onderzoek. Als ik naar Nederland kijk, geldt dat zeker ook. Met de voortschrijdende vergrijzing komen de hersenziekten steeds meer in beeld. Dementie, degeneratieve ziekten als de ziekte van Parkinson en vanuit de psychiatrie stemmingsproblemen en depressie krijgen veel aandacht. We verrichten in Nederland kwalitatief goed hersenonderzoek en bekleden een vooraanstaande positie in de wereld. Dat blijkt uit de vele wetenschappelijke publicaties door artsen en onderzoekers en erkenning hiervoor vanuit het buitenland. Daar mogen we trots op zijn.”

Contact Nederland: Paul van Vuuren paul.vanvuuren@reflex-media.net Contact Hoofdkantoor: Laurens Müller laurens.mueller@reflex-media.net

Reflex Uitgeverij heeft zich op thematische bijlagen in Duitse, Nederlandse en Zwitserse dagbladen gespecialiseerd. U vindt onze publicaties onder andere in de Frankfurter Allgemeine Zeitung (F.A.Z.), Handelsblatt, Financial Times Deutschland, Tagesspiegel (in Duitsland), Tages-Anzeiger (Zwitserland) en in het Financieele Dagblad en het NRC Handelsblad. Onze publicaties combineren zo de diepgang van vakbladen met de oplage van dagbladen. Reflex Uitgeverij onderscheidt zich door de focus op kwaliteit en de scheiding van artikelen en gastbijdragen. Meer informatie vindt u op www.reflex-media.net.


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

3

Expert interview  VUmc Alzheimercentrum

“De epidemie van de 21e eeuw” P

rof. dr. Philip Scheltens, directeur van VUmc Alzheimercentrum te Amsterdam, kan het niet vaak genoeg benadrukken: ‘Het is vijf voor twaalf! De aanwas van patiënten met de ziekte van Alzheimer is enorm. De urgentie is dus groot.’ Wat doet uw instituut precies? ‘We combineren drie taken: wetenschappelijk onderzoek naar dementie, onderwijs aan zorgprofessionals en zorg voor Alzheimerpatiënten  – alle drie op hoog niveau. Hierin zijn we wereldwijd toonaangevend. Zo gebruiken we vernieuwende middelen om “in het hoofd te kijken”, zoals de PET-scan en de MEG. Tien jaar geleden startten we onze activiteiten binnen de afdeling neurologie van VU medisch centrum. Sinds kort hebben we een prachtig eigen centrum, wat letterlijk meer ruimte geeft voor nieuwe ontwikkelingen. We hopen van harte dat zo’n herkenbaar centrum het bewustzijn rond de ziekte vergroot.’ Waarom is onderzoek naar de ziekte van Alzheimer zo belangrijk? ‘Steeds meer mensen krijgen te maken met deze ziekte of andere vormen van dementie. Ook relatief jonge mensen, met banen en thuiswonende kinderen. Het schrijnende is: de ziekte is nog steeds dodelijk. Er bestaat geen geneesmiddel. Als onderzoekers worstelen we nog steeds met veel vragen. Welke factoren veroorzaken dementie? Hoe is dat proces te voorkomen of af te remmen? Hoe kunnen we de eerste veranderingen in het brein oppikken? Wat zijn de juiste medicijnen of therapieën? En hoe kunnen we de ziekte voor de patiënt en diens omgeving zo draaglijk mogelijk maken? Onderzoek, onderzoek en nog eens onderzoek – dat is echt de enige manier om daarop snel antwoord te krijgen.’

De patiëntenlounge

Vanwaar die haast? ‘Ieder uur komen er in ons land vier Alzheimerpatiënten bij. En door de vergrijzing stijgt het aantal patiënten enorm. Dat betekent dat in het jaar 2050 maar liefst een half miljoen Nederlanders deze ziekte hebben. Tegelijkertijd wordt er in de zorg en de wetenschap bezuinigd en is er te weinig goed geschoold personeel. Als we nu niks doen, hebben we straks een gigantisch probleem. Het ontwikkelen van behandelmethoden kost namelijk ontzettend veel tijd. Om morgen een oplossing te hebben, moet je gisteren beginnen.’ Wat voor onderzoek doet u zoal? ‘We zoeken naar nieuwe behandelingen die het ziekteproces vertragen. Zo loopt er bijvoorbeeld een groot onderzoek naar de werking van medische voeding en naar het effect van bewegen. We richten ons ook sterk op het beter begrijpen van de ziekte. Jongdementerenden vormen daarbij een belangrijke groep: bij hen manifesteert

de ziekte zich namelijk heel puur, zonder de vaatbeschadigingen die je vaak bij oudere mensen ziet. Verder onderzoeken we hoe we in een vroeg stadium een goede diagnose kunnen stellen of hoe we kunnen nagaan of iemand een hogere kans heeft de ziekte te krijgen. Tot slot krijgt de samenhang tussen dementie en de aantasting van de bloedvaten ook veel aandacht.’ Met welke fondsen realiseert u uw ambities? ‘VUmc Alzheimercentrum heeft vier miljoen euro per jaar nodig. Daarmee betalen we de onderzoekers, de apparatuur, de analyses en de zeer kostbare scans. Helaas bekostigt de overheid dit niet. We zijn dus sterk afhankelijk van gulle gevers. Gelukkig zijn er veel particulieren en organisaties die niet werkloos willen toezien hoe deze ziekte steeds meer slachtoffers maakt en die iets willen doen, juist ook voor de generaties na ons. Hun donaties zijn essentieel, want door schaalvergroting hebben we veel meer kans op succes.’

Wat houdt dat succes voor u in? ‘De ziekte eerder opsporen en nieuwe behandelmethoden ontwikkelen. En vooral: een einde maken aan het ondraaglijke lijden. De ziekte van Alzheimer is namelijk ongelofelijk ingrijpend voor de patiënt, maar zeker ook voor de omgeving. Ik zie en hoor dagelijks van partners of familieleden hoe moeilijk het is om een geliefd iemand te zien “vertrekken uit zijn geest”. De zorg is zwaar en het ziekteproces geeft veel onzekerheid en verdriet. Patiënten krijgen bijvoorbeeld moeite met het bedienen van apparaten, verdwalen op weg naar huis, kunnen de juiste woorden niet meer vinden, verzorgen zichzelf minder goed of veranderen van persoonlijkheid. Met name de jongere patiënten vind ik uitgesproken triest, mede omdat er veel leed aan de diagnose voorafgaat. Sommigen lopen jaren rond met miskende klachten of belanden bij de psychiater. Niemand begrijpt namelijk wat er aan de hand is.’ n

Prof. dr. Philip Scheltens, directeur van VUmc Alzheimercentrum

Advertentie

Ja, ik word donateur van het VUmc Alzheimercentrum met een bedrag van:

,

euro

per kwartaal

per halfjaar

per jaar

Ik machtig het VUmc Fonds dit bedrag, voor het VUmc Alzheimercentrum, af te schrijven van mijn rekeningnummer:

Steun ons in de strijd tegen de ziekte van Alzheimer

Ik wil het VUmc Alzheimercentrum structureel steunen met een notariële schenking, legaat of erfstelling en ontvang graag meer informatie. Ik wil graag meer weten over uw werkzaamheden. Stuur mij s.v.p. meer informatie. Het VUmc Alzheimercentrum werft gelden via de Stichting VUmc Fonds.

“ONDERZOEK OM NIET TE VERGETEN”

Naam

M/V

Adres

Banknr. 4818 t.n.v. VUmc Fonds, o.v.v. Alzheimercentrum

Postcode

Plaats

Telefoon

E-mail

Datum

Handtekening

Dit formulier sturen naar VUmc Alzheimercentrum, t.a.v. Nicolle Dellaert, Antwoordnummer 7700, 1000 SN Amsterdam (een postzegel is niet nodig). 3233-Donatiebon-v4.indd 1

Meer informatie www.alzheimercentrum.nl of bel: 020 – 444 3638/3165 13-12-2010 15:08:27


4

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

gastbijdrage  Centrum Brein & Leren

Kind, tiener en het verbreinen H

et brein is ‘hot’, ook binnen het domein van onderwijs en opvoeding. Onderwijsprofessionals en ouders zijn geïnteresseerd geraakt in de inzichten uit hersenonderzoek. En recent heeft de overheid een bedrag van 6,5 miljoen euro uitgetrokken voor een groot landelijk onderzoeksprogramma naar Brein & Leren. Nieuwe inzichten in het brein zullen gaan bijdragen aan de talentontwikkeling en ontplooiing van onze kinderen.

Biologische processen Al ons gedrag en al onze beleving hebben te maken met biologische processen. En dat geldt ook voor cognitieve processen, voor onze taal en denken, ons voorstellingsvermogen, en onze sociale interacties. De hersenen, onze hormonen, onze spieren, hart en ingewanden en de aansturing door het brein: ze zijn essentieel voor het contact dat we hebben met de omgeving. Ze zorgen voor voelen, waarnemen en handelen. De mens slaapt bijna een kwart van zijn bestaan, is uren per dag bezig met eten, drinken, sociaal gedrag, en met seks en het nadenken daarover. Jongeren staan vooral open voor de eigen peergroup, de leeftijdsgenoten – en het is hun psychobiologie die hun daartoe dwingt. Het is daarom niet realistisch om te verwachten dat de schooljeugd uit zichzelf geïnteresseerd is in de handelsoorlogen met Engeland in de 17e eeuw of in de elegantie van een mooie wiskundige bewijsvoering. Ook is ‘de toekomst van de ‘bv Nederland’ te abstract voor hen en we moeten niet verwachten dat ze zich een voorstelling kunnen maken van het beroep dat ze over vijftien jaar zullen uitoefenen.

Verbreinen: tot na het twintigste jaar Modern neuropsychologisch onderzoek suggereert dat onderwijs en opvoeding het kind en jeugdige helpen om te ‘verbreinen’. Het kind wordt adolescent, en de adolescent wordt volwassen. Bij die twee overgangen vinden enorme veranderingen plaats in de hersenen. Daardoor kunnen kind en adolescent zich aanpassen aan de omgeving. Signalen uit de zintuigen worden in de hersenen vertaald in chemische en fysische boodschappen. Ze worden middels hersen-netwerken gefilterd en geanalyseerd. Ze worden vergeleken met informatie die vroeger al eens is opgeslagen. Het brein oordeelt: ‘Is dit belangrijk?’, ‘Kun je het eten, is het gevaarlijk of is het leuk?’. Voortdurend moeten de hersenen afwegingen

Leren en ontplooiing worden bepaald door: • • • • • • •

Genen en de biologie Hersenrijping en leeftijd Gezondheid, stress, emoties Cognitieve vaardigheden en sociale cognities Psychologische processen en beleving Gezinsinteracties en buurt Sociale groep en cultuur

maken en beslissingen nemen: ‘Moet ik nu letten op de juf of sms-en naar mijn vriendin?’ ‘Zal ik eerst de stoep vegen en mijn huiswerk maken zoals mama zegt of ga ik gamen?’ ‘Is een studie communicatiewetenschap wel een goede optie?’. Het brein ontwikkelt zich van ver vóór de geboorte tot ruim na het twintigste jaar. En ‘plastisch’ blijven de hersenen tot hoge leeftijd. Ze zijn dan wel uitgerijpt tussen het twintigste en dertigste jaar, maar blijven zich ontwikkelen in relatie tot veranderingen in de omgeving. Wel zijn bepaalde hersensystemen al ‘klaar’ in de kindertijd, zoals degene die verantwoordelijk zijn voor vrij simpele motorische vaardigheden. Andere kunnen uitrijpen in de vroege adolescentie na veel oefenen. Een complexe motorische vaardigheid zoals een moeilijke sprong op het skateboard lukt pas als je geleerd hebt om erop te staan.

De hogere functies Pas in midden- en late adolescentie ontwikkelen zich de complexe hersensystemen die nodig zijn voor de integratie tussen handelingen en het plannen van iets complexer activiteiten. Belangrijke hersenstructuren voorin de hersenen (achter het voorhoofd) worden pas echt functioneel actief middenin de tienertijd. De adolescent kan op dat moment al behoorlijk goed kiezen wat hij of zij die middag wil doen. Maar een verantwoorde planning voor volgende week, laat staan voor volgend jaar is te veel gevraagd. De jeugdige kan dan wel veel kennis hebben van een bepaald onderwerp, of veel meer bedreven zijn dan haar vader in gebruik van de computer. Echter, diezelfde tiener is vaak nog onbeholpen in het inschatten van de bedoelingen van haar vriendin, maakt fouten in de planning van het huiswerk, of heeft een evident verkeerde keuze gemaakt in het schoolprofiel. Kernprobleem is dat de tiener vaak goed kan praten en argumenteren maar zichzelf overschat. De risico-in-

schatting is nog gering, en deze hangt samen met het feit dat de hersensystemen die voor de beoordeling van emoties te maken hebben pas later rijpen (‘Ja hoor, ik kan van die brug afspringen, dat is niet gevaarlijk’). Daarom worden de mogelijke consequenties van handelingen nog niet voldoende overwogen. Dit geldt in het bijzonder voor beslissingen voor de lange termijn, en ook als de intenties of emoties van anderen moeten worden mee-gewogen. Structuren in de voorste hersendelen ontwikkelen zich aan de hand van ervaringen. Dit geldt vooral als daarbij emotionele of motivationele factoren belangrijk zijn, of zaken die met de sociale omgeving te maken hebben. Een functionele verbinding met andere hersendelen vormt zich, en voor dat proces is een heel aantal jaren nodig. Pas in de late tienertijd – weer: op geleide van ervaringen – rijpen functies rond het inschatten van intenties, het evalueren en bijstellen van de eigen plannen, en het vermogen om het perspectief van anderen in te schatten.

Steun, inspiratie en sturing Het is de uitdaging voor onze samenleving om onze jeugd in dat groeiproces te begeleiden. Volwassenen zullen waar nodig gerichte sturing moeten geven, en in ieder geval emotionele steun. Aan kind en tiener moet inspiratie worden verschaft en moeten de routes worden gewezen die het zou kunnen gaan volgen. Dat is geen sinecure omdat dit betekent dat ons onderwijs maar ook de opvoeding aangepast zal moeten worden: minder vrijblijvend. Maar het kan ook leuker, inspirerender, spannender voor onze kinderen als we hen helpen om de consequenties van keuzen onder ogen te zien en daardoor effectiever te rijpen en letterlijk ‘vol-wassen’ te worden. Een proces van ‘verbreinen’ dat geen last is maar een lust. De wetenschap van hersenen & gedrag stelt ‘Leren is fun!’. Dit geldt evenzeer voor degene die het leerproces begeleidt, dus voor opvoeder en docent. De komende jaren zullen laten zien of deze pretentie waargemaakt kan worden. Een constructieve dialoog tussen de vele verschillende wetenschappen onderling en met de praktijk van onderwijs en opvoeding is daarvoor essentieel. Ouder, docent en samenleving zijn dan ook heel hard nodig om voldoende steun, inspiratie en sturing te geven. Voor behoorlijk wat adolescenten geldt dat tot na het twintigste jaar! n

Genetisch bepaald? Omgeving! Neuropsychologische studies en het moderne hersenonderzoek laten zien dat omgevingsfactoren zoals gezin, opvoedingsfactoren en cultuur veel belangrijker zijn dan werd gedacht. Volgens nieuwe visies zijn de genen – het DNA – verantwoordelijk voor het bouwplan van de hersenen. De omgeving, en de ervaringen die in het leven worden opgedaan zijn echter verantwoordelijk voor het functioneel actief worden van de hersenen. ‘Het gebruik dat je van je hersenen maakt, bepaalt wie je bent’. Een positieve omgeving zoals een warm gezin, een gericht sturende en stimulerende docent, een oma of buurman die inspirerende verhalen vertelt, een vader die voorleest, en interessante boeken in de boekenkast: ze zorgen er voor dat de hersenen zich ontwikkelen in relatie tot de natuurlijke nieuwsgierigheid van het kind. De sociale en culturele achtergrond kunnen daarin een beschermende of remmende werking hebben. Weer is het zowel de biologie als de kwaliteit van de omgeving die bepaalt hoe goed het brein zich ontwikkelt. Hetzelfde geldt voor emotionele of sociale problemen die de jeugdige doormaakt. Dergelijke kennis kan ook de talentontwikkeling stimuleren bij jongeren met een risico op een ontwikkelingsachterstand!

Auteur: Jelle Jolles, Centrum Brein & Leren

Meer over hersenen, gedrag en educatie leest u in het boek Ellis en het verbreinen van Jelle Jolles (ISBN 9789075579475, prijs 22 euro). Zie ook: www.learn-amsterdam.nl, www.hersenenenleren.nl Jelle Jolles is hoogleraar ‘Hersenen, gedrag & educatie en directeur van het instituut LEARN! van de VU in Amsterdam,


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

5

Hoofdartikel

De geheimen van het brein langzaam ontsluierd Pieter Roelfsema tekent een aantal belangwekkende ontwikkelingen in de neurowetenschappen. Auteur: Cor Dol

P

ieter Roelfsema is sinds 2007 directeur van het Nederlands Instituut voor Neurowetenschappen (NIN), een instituut van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Als zodanig heeft hij een goed overzicht van de ontwikkelingen in zijn vakgebied. Dat zijn er vele. “Alleen al hier in het instituut werken dagelijks 160 mensen aan het onderzoek naar de werking van hersenen”, geeft Roelfsema aan. De hoeveelheid publicaties in vakbladen over de hersenen is immens.

Werking begrijpen Veel onderzoek wordt gedaan naar de werking van hersenen. Immers, pas als je begrijpt hoe het brein werkt, weet je hoe het stuk kan gaan. Roelfsema: “Soms wil je gewoon weten hoe iets werkt. Pas als je weet hoe het stuk kan gaan, kun je het op een rationele manier repareren. Veel fundamenteel onderzoek is daar op gebaseerd. Als je daar een grote doorbraak in bereikt, dan leidt dat vaak tot veel grotere doorbraken bij toepassingen voor ziektes.” Er wordt ook veel vooruitgang geboekt in het onderzoek naar de relatie tussen denkprocessen en de activiteit van grote groepen zenuwcellen. Pas de laatste jaren wordt duidelijk wat er in het brein gebeurt als je een lastige beslissing moet nemen. “Als je een oranje stoplicht nadert, zie je dat in het brein een soort competitie optreedt tussen groepen cellen die menen dat je het gaspedaal in moet trappen, en andere die je willen laten remmen. Je ziet dat de competitie wordt beïnvloed door allerlei meetbare factoren. Op een gegeven moment wint een bepaalde groep cellen en wordt de beslissing genomen. Maar als je een aantal malen een bekeuring op je deurmat hebt gevonden, kom je erachter dat de genomen beslissing niet heel verstandig was. Een volgende keer hebben de ‘rem-cellen’ meer activiteit gekregen. Je leert.” Kennelijk zijn de cellen in staat om bepaalde informatie op te nemen. “Je ziet een toename in de sterkte in de verbindingen tussen de cellen, die beïnvloed is door de uitkomsten van eerdere gedragingen.”

Optogenetica Veel wetenschappers zijn bezig met een nieuwe techniek waarmee eiwitten in zenuwcellen worden gebracht en vervolgens de activiteit van de cel door middel van licht gecontroleerd kan worden. “Het heet optogenetica”, legt Roelfsema uit. “De eiwitten worden gewonnen uit algen en met een virus of een andere truc de cel binnengeloodst. Vervolgens kun je de activiteit van de cel blokkeren door hem een bepaalde kleur licht te geven, of juist met een andere kleur licht extra activeren. Uiteindelijk zou je daarmee een prothese kunnen ontwikkelen. Bij iemand die blind is zou je een activiteitspatroon op de hersenschors kunnen aanbrengen en met een camera

zou hij weer dingen moeten kunnen zien. Het is toekomstmuziek, maar wel een spannende ontwikkeling.” In het NIN wordt door dr. Jan Wijnholds gentherapie ontwikkeld voor mensen met een erfelijke oogziekte. Zij worden blind door een netvlies in het oog dat snel degenereert. Door de afwijking wordt een bepaald eiwit niet aangemaakt. “We zijn aan het kijken of we dat eiwit via een virus kunnen binnensmokkelen. Een andere groep onder leiding van professor Joost Verhaagen houdt zich bezig met het repareren van de consequenties van een dwarslaesie. Er is een grote diversiteit, op veel terreinen wordt ineens veel vooruitgang geboekt. Dat komt omdat we nu tools tot onze beschikking hebben, die er tien, twintig jaar geleden niet waren, zoals het binnenbrengen van eiwitten in zenuwcellen en die vervolgens ook kunnen beïnvloeden met licht.” Het is nu ook mogelijk om de activiteiten te meten van grote groepen cellen. Zo kun je bepaalde indicatoren inbrengen en met een camera de activiteit van een paar honderd cellen tegelijk registreren. Dat gebeurt met allerlei nieuwe technieken, die het dus mogelijk maken om allerlei nieuwe wegen in onder andere de neurowetenschappen te bewandelen.

Draadjes Mensen met een verlamming kunnen vaak wel nog een hersenactiviteit beïnvloeden, maar missen het vermogen om een bepaalde spiergroep aan te sturen, bijvoorbeeld door een dwarslaesie. Aan de hand van draadjes, die op de juiste

plek in het brein gestoken worden, kan een verbinding worden gemaakt met een prothese of spiergroep. Via een omweg wordt zo toch weer een verbinding tot stand gebracht tussen hersenen en spieren. Andersom is de afgelopen tien jaar een techniek opgekomen waarmee de hersenactiviteit sterk beïnvloed kan worden. Aan de hand van onderzoek naar Parkinson kwam naar voren dat bepaalde delen van de hersenen gestimuleerd kunnen worden met een elektrode. “Dit noemen we Deep Brain Stimulation. Deze mensen hebben als het ware een soort pacemaker, maar dan voor de hersenen. Met neurochirurgie wordt een klein draadje aangebracht in een bepaald gebied in de hersenen, dat door middel van een continue stroom geprikkeld wordt.” Het belang van het onderzoek naar de werking van de hersenen komt hierbij opnieuw naar voren: het is de truc om de juiste plek in de hersenen te stimuleren. Door Deep Brain Stimulation kunnen sommige symptomen van bepaalde ziekten, zoals de ziekte van Parkinson, afgeremd worden. Roelfsema: “Je ziet bij Parkinson-patiënten vaak stijfheid of het ernstige trillen. Met deze techniek kan dat verminderd worden.” Let wel: de ziekte wordt niet genezen. Deze Deep Brain Stimulation wordt nu ook toegepast bij het bestrijden van symptomen van andere typen ziekten, bijvoorbeeld uit de psychiatrie. “Mensen met een ernstige vorm van depressie kunnen zo geholpen worden, door een bepaald gebied van de hersenen met zo’n pacemaker te stimuleren. Zo kunnen ze uit een depres-

sie komen. De eerste trials zijn gedaan en het ziet er veelbelovend uit. Professor Denys in het AMC gebruikt het voor mensen met een ernstige vorm van dwangneurose. Onbehandelbare patiënten, die alle medicijnen al geprobeerd hebben, blijken met deze therapie nog behandeld te kunnen worden.”

Onbegrensde mogelijkheden? De mens van vijfhonderd jaar geleden had een brein dat niet wezenlijk verschilde van dat van de mens van 2010. In principe zou de mens van toen dus hetzelfde moeten kunnen. Een volwassen mens uit 1.500 met een teletijdmachine overplaatsen naar 2010 zou echter niet uitdraaien op een groot succes: zijn hersenen hebben de gedragingen en gewenning die bij zijn tijd horen al verankerd. “Die zijn na twintig jaar wel zo’n beetje vastgelegd in het brein van de mens. Als je een baby uit 1.500 in de huidige tijd zou plaatsen, zou het anders zijn. De capaciteit voor het leren van nieuwe dingen neemt na verloop van tijd af.” Kinderen kunnen een nieuwe of tweede taal veel makkelijker leren dan een volwassene en kunnen die ook beter onthouden. Maar vooruitkijkend in de tijd, moeten we derhalve ook constateren dat ons huidige brein over vijfhonderd jaar slechts minimaal geëvolueerd zal zijn, simpelweg omdat de evolutie niet zo snel gaat. De mogelijkheden die ons brein op allerlei gebieden over vijfhonderd jaar heeft waargemaakt, liggen dus kennelijk nu al binnen de capaciteit van onze huidige hersenen. Maar dat is wellicht meer een filosofische studie. n


6

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  MS

Veel duidelijk, maar ook nog heel veel niet Ondanks 150 jaar onderzoek zijn er nog altijd veel vragen omtrent MS. Auteur: Cor Dol

D

e ziekte MS is al lang bekend, de laatste jaren wordt er meer en meer bekend over de geheimzinnige ziekte. Ondanks alle ontdekkingen is er ook nog veel onduidelijk. Neurologe Brigit de Jong van het UMC St Radboud schetst de stand van zaken. Multiple Sclerose (MS) werd in 1868 voor het eerst beschreven door de Parijse professor Jean Charcot en sinds die tijd wordt onderzoek naar de ziekte gedaan. Bijna 150 jaar later stelt MS de wetenschap nog altijd voor een flink aantal vragen. Neurologe Brigit de Jong, sinds januari van dit jaar verbonden aan het UMC St. Radboud in Nijmegen, heeft in binnen- en buitenland aan verschillende onderzoeken met MS als onderwerp meegewerkt. “We weten nu dat de oorzaak van de ziekte gezocht moet worden in erfelijke aanleg en omgevingsfactoren die de aanleg kunnen omzetten in daadwerkelijke ziekte. Het gaat erom dat je bepaalde varianten bezit van genen die betrokken zijn bij het afweersysteem; dat geeft een verhoogde kans op het krijgen van MS.” In Nederland heeft

1 op de 1.000 inwoners kans om MS te krijgen; die kans is al 1 op 200 als een eerstegraads familielid de ziekte heeft. Als de helft van een eeneiige tweeling MS heeft, heeft de ander zelfs een kans van 1 op 3 à 4. De cijfers geven de erfelijkheidsfactor van de ziekte aan. Geen honderd procent en dat impliceert de invloed van omgevingsfactoren. Het is lastig te onderzoeken wat die factoren zijn. Er is veel onderzoek gedaan naar virussen die in de jeugd zijn doorgemaakt. Het meest consistent is dat er een verband bestaat met het doorgemaakt hebben van het Epstein Barr-virus, dat de ziekte van Pfeiffer veroorzaakt. Veel mensen zijn drager van dit virus, maar bij MS-patiënten is het percentage nog hoger. Daarnaast wordt een relatie met een tekort aan vitamine D vermoed, door een gebrek aan blootstelling aan zonlicht. “Over deze omgevingsfactoren is de wetenschap het over het algemeen eens”, bouwt De Jong een reserve in.

Diagnose De diagnose wordt tegenwoordig iets eenvoudiger gesteld, door onder andere de ontwikkeling en verbetering

van de MRI als diagnostisch hulpmiddel. Er kan sprake zijn van duidelijke neurologische uitvalsverschijnselen. Er is ook een groep patiënten die al langere tijd sukkelt met meer aspecifieke klachten, zoals vermoeidheid waarbij later de diagnose MS wordt gesteld. MS is primair een diagnose die gebaseerd is op neurologische uitvalsverschijnselen, zoals krachtsverlies van een arm of been, minder goed kunnen kijken, gevoelsstoornissen of balansproblemen. De MRI heeft het mogelijk gemaakt om beter en sneller de juiste diagnose te stellen. Maar pas in de jaren ’80 verschenen de eerste MRI-beelden van MS. “Sinds 2001 hanteren we de McDonald diagnostische criteria voor MS, waarin klachten en verschijnselen met de MRIbeelden gecombineerd worden en een goede diagnose geven”, verduidelijkt De Jong. De grilligheid en onvoorspelbaarheid van de ziekte maken het er niet makkelijker op en MS kan zich bovendien op veel verschillende manieren manifesteren. Zo’n 85 procent van de MS-patiënten heeft de zogenoemde relapsing-remitting MS. Deze variant geeft uitvalsverschijnselen, die deels

ook weer herstellen. Ongeveer tachtig procent van deze patiënten heeft na twintig jaar secundair progressieve MS: minder relapses, maar langzame achteruitgang. De Jong: “Dat betekent ook dat een deel níet langzaam achteruitgaat. Het schrikbeeld van de rolstoel gaat dus niet voor iedereen op. De frustratie voor een patiënt in de beginfase is dat we niet kunnen voorspellen hoe het ziekteverloop zal zijn.” Ongeveer 15 procent van de patiënten heeft de primair progressieve variant van MS: zonder opvlammingen wordt de situatie langzaam slechter.

Behandeling Ook in de behandeling van MS is de laatste jaren veel veranderd. Tot in de loop van de jaren ’90 bestond geen onderhoudsbehandeling. Daarna kwamen de -interferonen, waarmee de relapsperiode bij de meest voorkomende variant van MS met ongeveer dertig procent gereduceerd kan worden. Omgevingsfactoren als grote stress hebben eveneens een invloed op de relapsfrequentie. Een ontsteking elders in het lichaam, zoals een blaasontsteking, roept geen nieuwe >>>

Gastbijdrage  Nieuw Unicum

Zorg op maat voor MS MS is een ziekte die zich op veel verschillende manieren kan manifesteren. Dat maakt de zorg voor MS-patiënten veelomvattend. Nieuw Unicum pakt de handschoen op.

N

ieuw Unicum, met een hoofdgebouw in Zandvoort, is een organisatie voor professionele hulp voor mensen met een primair lichamelijke handicap. In de loop der jaren is de zorginstelling vooral bekend geworden door de ondersteuning aan MS-patiënten. “Op een gegeven moment realiseer je je dat je veel patiënten met multiple sclerose hebt, en ook dat je veel kennis over die ziekte bezit”, vertelt arts Johan Koops. “En als dat bekend wordt, dan krijg je een toeloop van MS-patiënten uit het hele land.” De zorginstelling is door een patiëntenvereniging zelfs onderscheiden als Expertisecentrum MS. En dat is bijzonder, want het gaat hier niet om een gespecialiseerd zie-

Nieuw Unicum

kenhuis. In totaal wonen er 240 mensen met primair een lichamelijke handicap, waarvan 85 mensen met MS. Momenteel worden 18 MS-patiënten poliklinisch behandeld, 15 ontvangen thuiszorg en in 2010 maakten 37 MSpatiënten gebruik van het kortdurend verblijf.

Divers takenpakket MS kan zich op veel verschillende manieren manifesteren. Dat geeft een zorginstelling als Nieuw Unicum een heel divers takenpakket. Koops: “Het kan gaan om beperkingen in de mobiliteit en lichamelijke verzorging, problemen met de beheersing van urinelozing en darmwerking, slikproblemen, communicatieve beperkingen en cognitieve problemen. Meestal betreft het mensen waar de neuroloog niet veel meer te bieden heeft. Onze insteek is om deze mensen te leren omgaan met hun ziekte. Hun beperkingen te verzachten en te compenseren en problemen proberen te beperken, om zo een kwalitatief zo goed

mogelijk leven mogelijk te maken.” Mobiliteit is vaak een eerste punt in dat streven naar kwaliteit. Verstrekking van een rolstoel ligt voor de hand, maar vereist verdere aanpassing als iemand coördinatieproblemen heeft of een rolstoel met kinbesturing nodig heeft. “En dat kun je doortrekken naar de leefomgeving. Hoe kan iemand zelf zijn televisie aanzetten? Hoe waarschuwt hij iemand van de verpleging?” Naast mobiliteit en omgevingsbesturing speelt continentie in de beleving van kwaliteit van het leven een grote rol. Een uroloog en verpleegkundige houden regelmatig spreekuur om te zien wat zij een cliënt op dat gebied aan verbetering kunnen bieden.

Poliklinisch en thuis Poliklinische behandeling wordt vooral door fysiotherapeuten en logopedisten gedaan. De fysiotherapie richt zich op mobiliteit en spasticiteit; de logopedie op communicatieve beperkingen en slikproblemen. Door middel van het FEES-onderzoek, een onderzoek waarbij met een flexibele scoop het slikmechanisme direct in beeld wordt gebracht, kan beoordeeld worden of een cliënt baat heeft bij een therapie waarbij zenuwen en spieren gestimuleerd worden, zodat de cliënt het gevoel van zelf slikken opnieuw leert herkennen. Thuiszorg wordt geboden aan mensen die thuis wonen. “We merken dat qua lichamelijke be-

perking thuiszorg veel kan bieden. Op het moment dat er ook cognitieve problemen ontstaan, wordt de situatie vaak onhoudbaar. Het blijft een persoonlijke invulling hoe lang iemand met MS thuis kan wonen. Het Kortdurend verblijf, zeker als dat meerdere keren per jaar gebeurt, kan een oplossing bieden. De hulpvraag wordt nader in kaart gebracht en het gunt de mantelzorgers een adempauze, waardoor zij de verzorging langer volhouden. Sinds twee jaar is Nieuw Unicum bezig met een pilotproject, “MS-op-afstand”. Een verpleegkundige van Nieuw Unicum heeft online een beeld- en geluidsverbinding met een MS-patiënt ergens in Nederland. “Aan deze pilot is een kennisbank verbonden, om op zoveel mogelijk gebieden achtergrondinformatie beschikbaar te hebben. De bedoeling is dat er uiteindelijk minder beroep op de reguliere gezondheidszorg wordt gedaan.” Op deze wijze wordt een systeem van ketenzorg tot stand gebracht. Van hulpverlening-op-afstand, via thuiszorg, zo nodig met poliklinische hulp, eventueel ondersteund door kortdurend opnames in Nieuw Unicum, tot aan het moment dat een definitief verblijf noodzakelijk wordt. Uitgangspunt van de zorgverlening is dat mensen, ondanks hun ernstige beperkingen en complexe zorgbehoefte, thuis kunnen blijven wonen. Pas als het echt niet anders kan, kan iemand worden opgenomen. n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

>>> relaps op, maar kan de bestaande

blijken te hebben gehad. Dus ook hier spelen de grilligheid en onvoorspelbaarheid van de ziekte een rol. “Bij iemand die één keer een aanval heeft gehad, kan het soms een paar jaar duren voordat er opnieuw zo’n relaps optreedt. Dan behandel je zo’n patiënt wel al die tijd met een medicijn dat ze al die tijd eigenlijk niet nodig hebben gehad. Daarom hebben we zo’n grote behoefte aan voorspellers, biomarkers, die aangeven wat het ziekteverloop is. Die zijn tot nu toe niet overtuigend gevonden.”

klachten wel verergeren. Vlak na de interferonen kwam ook glatirameeracetaat op de markt, dat net zoals de -interferonen naast de relapsreductie mogelijk ook de ziekteprogressie iets lijkt af te remmen. In 2004 verscheen natalizumab. “Een tweedelijns medicatie, die wordt gebruikt als de andere twee niet voldoende werken. Het geeft een gunstige relapsreductie van ongeveer zestig procent. Je kunt je afvragen waarom niet iedereen dit middel krijgt, maar het probleem is dat je na gebruik van natalizumab PML (progressieve multifocale leukoencephalopathie) kunt krijgen, een aandoening waardoor je dement kunt raken of andere neurologische uitvalsverschijnselen kunt krijgen, met een risico op overlijden. Dit treedt op bij ongeveer 1 op de 1.000 mensen die natalizumab gebruiken”, legt Brigit de Jong uit. Na twee jaar gebruik lijkt de kans bovendien te stijgen naar 1 op 400. “Er wordt veel onderzoek naar gedaan om beter te kunnen voorspellen wie een groter risico op PML loopt.” Al deze medicijnen zijn voor de meest voorkomende variant van MS, de relapsing-remitting MS. Daarnaast wordt gepromoot om zo vroeg en agressief mogelijk met medicatie te beginnen, omdat het een beter prognose zou geven. Aan de andere kant wil je mensen niet behandelen die, gezien hun relatief gunstige ziektebeloop, het achteraf niet nodig

Het Brein

7

Duister Internationaal wordt volop onderzoek gedaan naar MS en er is, zeker mede dankzij de inzet van MRI, veel duidelijk geworden. “Maar ook heel veel nog niet”, reageert De Jong. “Er zijn grote stappen gezet, maar er is nog heel veel te doen.” Sinds september 2010 is het middel fingolimod goedgekeurd in de Verenigde Staten. De verwachting is dat het in de loop van volgend jaar ook in Europa goedgekeurd wordt. In clinical trials vallen de bijwerkingen van het middel tot nu toe mee, maar omdat het middel nog zo nieuw is, is het afwachten hoe het zich in de praktijk manifesteert. “Het lijkt een goed alternatief en redelijk patiëntvriendelijk.” Veel onderzoek wordt ook gedaan naar de oorzaak van MS. De hersenen en het ruggenmerg zijn opgebouwd uit grijze en witte stof en MS werd altijd

een ‘witte stof ziekte’ genoemd. Dat beeld is de laatste tijd bijgesteld: zeker in de progressieve fase doet de grijze stof ook mee. “Dat verklaart ook deels de cognitieve klachten die optreden bij MS. Door verbetering van de technieken krijgen we een steeds beter beeld

van wat MS precies is; tegelijkertijd roept het ook weer nieuwe vragen op.” Ten slotte is de laatste jaren meer en meer aandacht gekomen voor de kwaliteit van leven voor MS-patiënten. “Want dat is waar iemand in zijn dagelijks leven mee worstelt.” n

Onderzoek

Eerlijke voorlichting

Het werk van MS-Anders is gebaseerd op vier pijlers: wetenschappelijk onderzoek, maatschappelijk werk, eerlijke voorlichting en praktische hulpmiddelen. Het onderzoek dat wordt gefinancierd is altijd onafhankelijk, gericht op kennisvergroting voor de nabije toekomst, maar ook directe hulp voor vandaag.

Zolang er geen behandeling is om MS te stoppen, zoekt men vaak de toevlucht in alternatieve methoden. MS-Anders zet zich daarom in voor brede, onafhankelijke en eerlijke voorlichting met aandacht voor de reguliere én complementaire behandelwijzen. Ieder kwartaal verschijnt de nieuwskrant MSinfo waarin voorop staat: ‘Ik heb MS, maar ik ben het niet!’ Beladen onderwerpen worden niet geschuwd, maar respectvol aangekaart. Want ook seksualiteit en euthanasie horen bij de kwaliteit van leven. Inmiddels heeft MS-Anders drie boekwerken uitgebracht. De ‘MS-bundel’ met daarin alles over MS en wat daarbij komt kijken. ‘Wat is goede voeding bij MS?’ geschreven door de diëtiste van MS-Anders. En het boek ‘Complementaire en alternatieve geneeswijzen bij multiple sclerose’. Voor kinderen

van diverse leeftijden zijn er boekjes en spellen ontwikkeld waarmee zij kennis kunnen maken met de ziekte van hun ouder.

Gastbijdrage  Stichting MS-

MS en nu?

Maatschappelijk Werk

J

ong, druk bezig met het leven te leven. Dromen, carrière maken, een gezin. En dan ineens is daar de diagnose MS. De zekerheden waar je altijd op kon bouwen lijken verdwenen en er is één belangrijke vraag: wat nu? MS is onvoorspelbaar, onberekenbaar, voor iedereen anders. Genezen van MS kan op dit moment niet. De medicijnen die er zijn, proberen het immuunsysteem te reguleren, maar de progressie van de ziekte kan (nog) niet worden afgenomen. ,,En dat is de reden van het bestaan van stichting MS-Anders’’, aldus Katja Vledder, directeur van MS-Anders. Sinds 1996 zet de stichting zich in voor een betere kwaliteit van leven voor mensen met MS. Niet de ziekte of de patiënt, maar de mens staat centraal. Daarom financiert MS-Anders niet alleen wetenschappelijk onderzoek, maar maakt zij zich ook hard voor de leefomgeving van de patiënt, zijn/ haar partner en kinderen, de zorg eromheen.

Iedere werkdag kan men terecht op de afdeling Maatschappelijk Werk. De maatschappelijk werkers bieden hulp, begeleiding en ondersteuning als een patiënt of diens mantelzorger klem zit. 3 dagen in de week kan men een beroep doen op het voedingsspreekuur voor een persoonlijk voedingsadvies van de diëtiste. Zij is gespecialiseerds in MS en voeding. En dat mag ook wel, want in de praktijk blijkt dat veel patiënten baat lijken te hebben bij goede voeding. Ook is men van harte welkom op het kantoor zelf. Iedere maandagochtend worden er creatieve workshops georganiseerd en twee keer per jaar start er een cursus mindfulness. Voor kinderen met een vader of moeder met MS organiseert MS-Anders sinds 2002 de MS-kinderkampen. Er zijn groepen van 6 t/m 25 jaar. Een weekend lang mogen zij even al hun zorgen opzij zetten. Knutselen, zeilen, zwemmen, theater, noem maar op. En naast al deze bezigheden is er natuurlijk ook de nodige aandacht voor MS en de thuissituatie.

Omdat morgen je leven kan zijn …

Praktische hulpmiddelen Mensen met MS zijn vaak gebaat bij koeling. Tijdelijk meer spierkracht, minder spasmen en een beter evenwicht. Maar ook controle over de blaas en een toenemend gezichtsvermogen behoren tot de mogelijke effecten. MS-Anders heeft dit wetenschappelijk laten onderzoeken en stelt sinds 2001 koelpakken gratis ter beschikking. Ook distribueert de stichting voedingssupplementen tegen kostprijs. Met creatieve oplossingen wordt continu gezocht naar minder belasting, minder pijn en meer levensvreugde. MS-Anders probeert de mensen erop te wijzen dat het glas nog altijd half vol is. Haal uit het leven wat er in zit. MS-Anders steunt waar mogelijk. Niet alleen met raad, maar ook met daad. n

Stichting MSOverschiestraat 59a 1062 XD Amsterdam www.ms-anders.nl T: 020 - 611 66 66 Het werk van MSwordt enkel mogelijk gemaakt door donateurs. Steun ook! Rekening 60.71.90.728 Katja Vledder, directeur MS-


8

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Verbetering kwaliteit langdurige zorg

Professionals van ongekende waarde In de langdurige zorg voor mensen met een neurologische of hersenziekte spelen mantelzorgers en vrijwilligers een nauwelijks te overschatten rol. Auteur: Annelies Roon

I

n Nederland staat een verborgen leger paraat van 3,5 miljoen mantelzorgers en 420.000 vrijwillige zorgverleners. Een aanzienlijk deel daarvan zorgt voor dementerenden, mensen met een psychiatrische ziekte of mensen met niet aangeboren hersenletsel. Juist de mantelzorgers voor deze groep hebben het extra zwaar, zegt Marloes Hooimeijer, senior beleidsmedewerker bij Mezzo de landelijke vereniging voor mantelzorgers en vrijwilligerszorg. Langdurige gezondheidszorg is ondenkbaar zonder deze grote groep ondersteuners. Door mantelzorg en vrijwillige zorg kunnen chronische patiënten vaak jaren langer thuis wonen en dat ontlast de zorg én de patiënt.

(On)vrijwillig Mantelzorg komt onvrijwillig op je pad. Als je partner of je ouder een beroerte krijgt, gaat dementeren of een chronische psychiatrische aandoening heeft, dan krijg je als mantelzorger het verlies te verwerken dat je leven niet meer wordt zoals het was. Daar bovenop krijg je meestal ook te maken met een gedragsverandering bij je naaste. En als klap op de vuurpijl kalft ook nog vaak je sociale netwerk af omdat omstanders er niet mee kunnen omgaan. Hooimeijer

vat het fraai samen: “Dat alles maakt het rouwproces nóg rauwer.” Ondersteuning van mantelzorgers is dan ook van cruciaal belang. Daar gebeurt al van alles aan door Steunpunten Mantelzorg (ruim 140 in Nederland). “Vaak wordt er tussen het Rijk en gemeenten heen en weer geschoven met de verantwoordelijkheid voor de mantelzorger. En de formele gezondheidszorg zegt geregeld: ‘Wij zijn er voor de patiënt; niet voor de mantelzorger’. Maar je bent er óók voor de patiënt als je ervoor zorgt dat de mantelzorger overeind blijft.” Desondanks zijn er volgens cijfers van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) in ons land momenteel 450.000 overbelaste mantelzorgers. Dat uit zich in depressieve klachten, ziektes, arbeidsuitval. En in het stagneren van de mantelzorg, met alle gevolgen van dien. Om dit te voorkomen, moet de mantelzorger direct in beeld komen, zodra wordt vastgesteld dat iemand langdurige zorg nodig gaat krijgen, om te wijzen op de mogelijkheden van ondersteuning. Zo kan de kwaliteit van langdurige zorg verbeterd worden.

Professionals Professionals in de langdurige zorg worden vanuit kennis- en innovatiecentra ondersteund, ook om meer eigen verantwoordelijkheid te (gaan)

dragen in hun werk. Om het risico van vallen te verminderen worden onrustige patiënten vaak bij protocol aan hun bed vastgebonden. Veel professionals volgen dit protocol min of meer blindelings, maar krijgen in de praktijk meer en meer de ruimte om zelf met familie en naasten in gesprek te gaan om de risico’s te bespreken en zo een alternatief te bieden. Ook op deze manier wordt de kwaliteit van langdurige zorg verbeterd. De professionals moeten ook weten en leren dat ze die verantwoordelijkheid hebben en kunnen nemen. De kwaliteit van de opleidingen en het niveau daarvan is

de laatste jaren sterk verbeterd, maar is er vaak nog wel op gericht om meer handen aan het bed te krijgen. Uiteraard moet wel duidelijk zijn wat het juiste professionele handelen is en de professionals moeten in hun vak de verantwoordelijkheid ook kunnen en willen dragen. Communicatie met experts enerzijds en familie anderzijds is daarbij belangrijk. Gesprekken met familie en mantelzorg kunnen duidelijk maken welke problemen er spelen en een professional kan vanuit zijn of haar professie een oplossing bieden die de langdurige zorg kwalitatief verder kan verbeteren. n

gastbijdrage  Vilans

De zorg schreeuwt om praktisch toepasbare kennis E

en poes op schoot. Voor de onrustige vrouw met dementie bleek net genoeg om haar niet langer rustigmakende medicijnen te hoeven geven. Een knalgeel hesje dragen met in grote letters ‘Niet storen’. Een verzorgende mét zo’n hesje maakt vijftig procent minder fouten bij het uitdelen van medicijnen. Kennis over dergelijke ‘kleine’ ingrepen is cruciaal om zorg te verbeteren. Net als samenwerking van partners in de zorg en ruimte voor verzorgenden om verantwoordelijkheid te nemen. Voor Vilans, kenniscentrum voor langdurende zorg, zijn het speerpunten.

Onrustig Bestuurders Helene Wüst en Henk Nies zien in hun werk voor Vilans dagelijks het effect van kennis in de zorg. “In ver-

pleeghuizen komt het nog geregeld voor dat mensen die onrustig zijn, worden ‘vastgebonden’ of rustgevende medicatie krijgen”, vertelt Wüst. “Meestal uit goede wil, om de veiligheid van die persoon te waarborgen. Uit onderzoek zijn inmiddels goede, simpele alternatieven gekomen die vaak volstaan. Als bewoners meer bewegingsvrijheid krijgen, blijken ze bijvoorbeeld vanzelf minder onrustig te worden. Mensen met dementie hebben vaak een verstoord slaap-waakritme. Maar als je ze blootstelt aan blauw-verrijkt licht, verbetert dat aanzienlijk.” De zorg schreeuwt om praktisch toepasbare kennis, vult Nies zijn collegabestuurder aan. “En dit soort oplossingen ontwikkel je als je gedegen onderzoek doet, de praktijk kent en de

foto: Albert Dijkmank

standaarden van goede zorg. Daarom werken wij ook altijd samen met de zorgprofessionals zelf, en zoeken we, afhankelijk van de materie, de input van derden op, zoals de inspectie voor de gezondheidszorg.”

Niet pluis Vilans wil de samenwerking tussen alle partners in de zorg versterken en dat in alle fasen van de zorg. “We hebben allemaal wel een familielid of kennis die dementeert,” vertelt Nies. “Iedereen kent ook wel dat ‘niet-pluisgevoel’ dat je hebt voordat de diagnose definitief gesteld wordt: er is iets aan de hand, maar wat? Soms duurt het wel een jaar voordat de huisarts in beeld komt. En alle stappen van dat eerste begin waarin je hulp van familieleden of buren zoekt, tot de inzet van thuiszorg en de opname in een verpleeghuis, moest je als familie zélf organiseren. Daar komt nu langzamerhand verbetering in omdat we daar samen met Alzheimer Nederland gericht aan werken. Dat is de belangenvereniging van mensen met dementie.” In vrijwel het hele land hebben Vilans en Alzheimer Nederland inmiddels regionale samenwerkingen opgezet tussen zorgorganisaties. Nies: “Het ministerie van VWS ziet daar gelukkig het belang van in en investeert daarom in ketenzorg. Maar er zou ook meer po-

litieke aandacht moeten komen voor dit onderwerp. De komende vier decennia verdubbelt het aantal mensen met dementie tot maar liefst een half miljoen.”

Handen of hersens Maar met samenwerking alleen zijn we er nog niet, zegt Helene Wüst. Volgens haar moet de mens in de zorg centraal staan, niet de ziekte of beperking. “Ik hoorde laatst iemand zeggen: ‘Ze zijn de hele dag met me bezig geweest, maar niemand heeft naar me omgekeken’. Fysieke zorg alléén is niet voldoende.” Maar een hoge werkdruk, de eis om elke handeling te verantwoorden en strakke protocollen maken het lastig om zelf met oplossingen te komen, merken Wüst en Nies op. Nies: “Het draaide de laatste jaren vooral om meer handen in plaats van meer ‘hersens’ aan het bed. De zorgverleners willen zelf niets liever dan goede, professionele zorg geven. Dat is de richting die we op moeten: meer verantwoordelijkheid voor de professional, die beter opleiden, een efficiëntere bedrijfsvoering en kennis over technologie verbreden en inzetten. Niet méér werken, maar slimmer werken.” Wüst kan het alleen maar beamen. “Het is de enige weg om langdurende zorg goed en betaalbaar te houden.” n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

9

artikel  Depressie

Winterdip of depressie?

Is die langdurige somberheid ook meteen depressiviteit? Zo ja, waar komt het vandaan en valt er zelf ook nog iets aan te doen? Auteur: Marian Vleerlaag

S

omberheid hoeft niet altijd direct geschaard te worden onder de noemer depressie. Natuurlijk kan het aan de winter liggen of aan die ruzie met je geliefde. Toch maken jaarlijks 1 op de 13 Nederlanders tussen de 18 en 65 jaar een depressieve periode door. Ook jongeren hebben er last van: 3 tot 8 procent van de 12 tot 18-jarigen heeft depressies. De zwaarte verschilt wel: 15 tot 20 % heeft een lichte vorm, 2 tot 3 % een ernstige depressie.

Een ‘echte’ depressie  Maar wanneer ben je dan écht depressief? Volgens de norm is een depressie een stemmingsstoornis die zich kenmerkt door een verlies van levenslust of een zwaar terneergeslagen stemming. Wanneer somberte overgaat in depressie is echter soms moeilijk te onderscheiden. Als ongewoon sombere klachten langer dan twee weken aanhouden, kun je spreken van een echte depressie. Er kunnen dan ook andere klachten zijn als slaapstoornissen, verminderde eetlust, vermoeidheid, concentratieproblemen, besluiteloosheid, schuldgevoelens en ge-

dachten over dood of zelfmoord. Niet alles hoeft tegelijk voor te komen, maar als je dagelijks functioneren er door wordt verstoord, wordt het tijd om het serieus te nemen. Twijfel over wel of niet depressief? Doe de test op www.psychischegezondheid.nl/depressiezelftest.

Behandelen Elke depressie is verschillend. Van een chronisch depressieve aard tot een postnatale depressie. De oorzaken verschillen – van genetische aanleg tot traumatische levensgebeurtenissen - en dus ook de behandelmethodes. De meest toegepaste behandelingen zijn cognitieve gedragstherapie (het sturen van gedachten om positiever gedrag te generen) en medicatie door middel van antidepressiva. Vaak werkt de combinatie beter dan de twee apart. Feilloos zijn de behandelingen niet: na stoppen met de medicijnen of de gedragstherapie bestaat de kans dat de depressie terugkeert. Er zijn de laatste jaren echter ook methodes ontdekt waarmee je zelf de depressie te lijf kan gaan.

Hardlopen

Licht tegen winterdepressie

Regelmatig intensief bewegen of sport werkt tegen depressies. Het is bewezen dat hardlopen de hoeveelheid endorfinen in het lichaam verhoogt. Endorfinen en andere van nature in het lichaam voorkomende opioiden zouden een antidepressieve werking vertonen. Running therapy, een vorm van begeleid sporten voor mensen die lijden aan depressies, wordt momenteel steeds vaker ingezet. Het maakt overigens niet uit of het hardlopen, fietsen of zwemmen betreft: het antidepressieve effect treedt op bij intensief sporten. Intensief betekent moeilijk kunnen spreken tijdens het sporten vanwege de hijgende ademhaling. Rustig opbouwen maar daarna is vijf maal per week ongeveer 40 minuten of 3 maal per week ongeveer 1 uur sporten een adequaat middel.

Een winterdip kan een groot probleem zijn. Meer dan 1,2 miljoen mensen in Nederland hebben in meer of mindere mate last van depressieve stemmingen tijdens het najaar, de winter en het vroege voorjaar. Bij ongeveer 450.000 van hen is sprake van een echte winterdepressie. Neerslachtigheid, vermoeidheid, gebrek aan energie en veel eten zijn kenmerken die vaak jaarlijks terugkeren. Gelukkig helpt lichttherapie, want de oorzaak ligt waarschijnlijk aan de vermindering van de hoeveelheid licht in de herfst en winter. Het ontregelt het dagnachtritme dat van invloed is op de slaap en onze stemming. Waarschijnlijk speelt het hormoon melatonine hierin een grote rol. Dit hormoon wordt ’s nachts aangemaakt en tijdens de ochtend wordt de aanmaak onder invloed van licht onderdrukt. Lichttherapie helpt de natuur met licht: de kuur bestaat uit het toedienen van een specifiek soort sterk licht, zonder UV-straling, via de ogen. Dat kan gewoon met een lamp thuis. Die reguleert op kunstmatige wijze de natuurlijke aanmaak van melatonine en herstelt daarmee het dagnachtritme en dus de verstoorde stemming. n

Meer informatie over zelf depressies aanpakken Boek: ‘Uw brein als medicijn’ van Dr. David Servan-Schreiber. www.psychischegezondheid.nl/depressiecentrum.

Gastbijdrage  Servier

Overdag geen energie en ’s nachts wakker De relatie tussen depressie en de biologische klok.

B

ijna iedereen heeft wel eens van de biologische klok gehoord en bij een jetlag of het ingaan van de zomer- of wintertijd merken veel mensen dat het normale lichaamsritme even uit balans is. De biologische klok is belangrijk voor het goed functioneren van ons lichaam. Door een traumatische gebeurtenis of bij een ernstige ziekte kan de biologische klok ook ernstig verstoord raken. Er blijkt zelfs een relatie te bestaan tussen een depressie en een ontregelde biologische klok.

Wat is de biologische klok? Om ons lichaam, zowel lichamelijk als geestelijk, goed te laten functioneren vinden er allerlei complexe lichaamsprocessen plaats: zoals de hartslag, de ademhaling en de bloedsomloop. Om ervoor te zorgen dat deze processen gecontroleerd en via een vast ritme verlopen worden ze aangestuurd door onze interne klok – de biologische klok. Deze ligt in de suprachiasmatische kern in de hersenen en regelt de ritmes van ongeveer 24 uur (circa dies) , ook wel circadiane ritmen genoemd. Deze ritmes regelen belangrijke lichaamsprocessen zoals het slaap-waakritme, de urineproductie, normale temperatuurschommelingen en ook het ritme van onze stemming. Soms raakt de biologische klok ontregeld. Dit kan een lichte ontregeling van korte duur zijn, maar de biologische klok kan ook langer ontregeld zijn zoals bij een depressie vaak voorkomt.

Depressie en de biologische klok Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat 90% van de mensen met een depressie een ontregelde biologische klok heeft, waardoor verschillende circadiane ritmes verstoord zijn. Zo heeft acht van de tien mensen met een depressie een verstoord slaap-waakritme. Overdag zijn ze minder alert en vaak erg vermoeid. Maar ook andere ritmes zijn verstoord, zoals de lichaamstemperatuur, de hoeveelheid van het stresshormoon cortisol in het bloed en onze stemming. Deze symptomen kunnen veel invloed hebben op het dagelijks functioneren.

Behandeling van depressie Duren depressieve klachten langer dan twee weken en belemmeren deze het dagelijks functioneren dan is het goed om naar de huisarts te gaan. Afhankelijk van de ernst van de klachten wordt even afgewacht of de klachten verminderen of wordt een behandeling gestart. Een

behandeling kan bestaan uit leefstijladviezen, psychotherapie, medicijnen, of een combinatie hiervan. Blijven de klachten onverminderd aanhouden of ontstaat er veel last van bijwerkingen van de medicijnen, dan kan de huisarts besluiten andere middelen in te zetten of doorverwijzen naar een psychiater of psycholoog. Psychotherapie Psychotherapie is een vorm van psychische hulp die kan helpen om psychische klachten of problemen die men niet zelf kan oplossen te verminderen of beter hanteerbaar te maken. Bij psychotherapie vinden gesprekkenplaats tussen de behandelaar en de patiënt volgens speciale methodieken. Behandeling met medicijnen • Op basis van een tekort aan signaalstoffen Deze medicijnen werken antidepressief door een verhoging van de hoeveelheid van bepaalde signaalstoffen in de hersenen die een effect hebben op de stemming, zoals serotonine, noradrenaline en dopamine of een combinatie hiervan. Halverwege de vorige eeuw kwamen de eerste antidepressiva beschikbaar; de MAO-remmers en tricyclische antidepressiva. In de loop van de tijd kwamen nieuwere middelen beschikbaar met een selectieve werking. Voorbeelden hiervan zijn de SSRI’s (serotonineheropnameremmers) zoals fluoxetine, paroxetine, citalopram en sertraline en de SNRI’s (serotonine- en noradrenalineheropnameremmers), zoals venlafaxine

en duloxetine. SSRI’s en SNRI’s zijn veel voorgeschreven middelen. Een andere variant is bupropion, een middel dat de hoeveelheid noradrenaline en dopamine in de hersenen verhoogt. • Op basis van een verstoorde biologische klok De symptomen van een depressie treden gedurende de dag vaak op in regelmatige patronen. Hierdoor is duidelijk geworden dat een verstoorde biologische klok mogelijk een rol speelt bij het ontstaan, en dus ook wellicht bij de behandeling van depressie. Dit heeft ertoe geleid dat de medische wetenschap zich de laatste jaren gericht heeft op onderzoek naar het herstellen van de biologische klok bij depressieve patiënten, om op die manier de depressie te kunnen behandelen. Op dit moment is agomelatine het enige antidepressivum dat op deze manier werkt. n

Meer informatie • Informatie over depressie en de biologische klok. • Interviews en columns met mensen die een depressie achter de rug hebben. • Verhalen van familie en vrienden die te maken kregen met depressie in hun omgeving. • Een arts geeft antwoord op veelgestelde vragen. www.biologischeklokendepressie.nl


10

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Artikel  Migraine volgens professor Ferrari

Migraine is primair een hersenziekte Meer en meer wordt duidelijk over migraine. Professor Ferrari belicht de meest recente ontwikkelingen. Auteur: Cor Dol

S

pinozaprijswinnaar professor Michel Ferrari is verbonden aan het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en doet dagelijks onderzoek naar migraine en clusterhoofdpijn. Tot zijn grote vreugde wordt migraine tegenwoordig geaccepteerd als een echte ziekte, die extreem belastend is voor de patiënt. Dat was vijftien jaar geleden nog anders, maar mede door toedoen van de World Health Organisation (WHO) is het hebben van een migraine-aanval als zeer invaliderend en de ziekte an sich als belastende aandoening aangegeven. Daar komt nog bij dat migraine door de hoge frequentie van voorkomen de duurste hersenziekte is.

Hoofdpijn? Maar wanneer spreken we van migraine en wanneer van ‘gewone’ hoofdpijn? Ferrari: “Migraine is goed gedefinieerd: het zijn aanvallen van meestal één tot drie dagen van heftig belastende hoofdpijn, gepaard met misselijkheid en braken. Tijdens zo’n aanval is de patiënt overgevoelig voor licht, geluid en geuren. De hoofdpijn is nog nader gedefinieerd.” Een patiënt moet minimaal twee van de vier karakteristieken hebben: de hoofdpijn is eenzijdig, kloppend, toenemend bij inspanningen en moet dermate ernstig zijn dat de patiënt in bed moet liggen. Maar: “Pijn is niet te objectiveren. Daar waar de een doorwerkt bij een aanval, werkt de ander door.”

Oorzaak Over het ontstaan van de ziekte is de laatste jaren meer duidelijkheid gekomen, al is dé oorzaak nog niet gevonden. Duidelijk is wel dat bloedvaten een secundaire rol spelen. Het idee dat een migraine-aanval zou ontstaan door het vernauwen en verwijden van

bloedvaten houdt tegenwoordig geen stand meer. Ook de gedachte dat migraine ontstaat door stress is verlaten. Vastgesteld is dat migraine primair een hersenziekte is, die ook goed op kan treden zonder verandering in de bloedvaten. “Er is een erfelijke factor, dus er is sprake van een combinatie van genetische factoren die je aanleg geven voor het krijgen van migraine. Maar om ook daadwerkelijk migraine te krijgen, moet je omgevingsfactoren hebben. Een van de belangrijkste is oestrogeenschommelingen. Dat verklaart ook waarom vrouwen de ziekte twee tot drie keer zo vaak hebben als mannen.” In de overgangsperiode hebben vrouwen vaak extra last van de ziekte, maar vaak is het daarna juist over. Ook hier geldt echter weer dat dat geen regel is. Farmacologe dr. Antoinette Maassen van den Brink en ex-promovendus van Ferrari doet dankzij een Vidi beurs van NWO aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam onderzoek naar de hormonale oorzaken voor migraine. Van de zeldzame vorm familiaire hemiplegische migraine is precies bekend waar de oorzaak ligt, omdat het oorzakelijk gen en de mutaties daarin zijn ontdekt. Soortgelijke mechanismen worden bij ‘gewone’ migraine ook vermoed, maar dat is op dit moment nog niet honderd procent zeker. Duidelijk is wel dat de ontdekking tot op bepaalde hoogte doorgetrokken kan worden naar het verdere onderzoek. “Dit ene gen zal bij de gewone vorm waarschijnlijk niet de oorzaak zijn, maar het mechanisme dat erachter schuilt wel. Dat kan ons helpen bij het onderzoek”, verduidelijkt professor Ferrari.

Behandeling De zoektocht naar de oorzaak maakt het lastig om de ziekte goed aan te pakken. Behandeling bestaat momenteel puur uit symptoombestrijding. De helft van de patiënten kan een aanval heel

derzoeksteam rond professor Ferrari ontving onlangs een Vidibeurs om onderzoek te doen naar de bidirectionele relatie tussen migraine en depressie. De ziektes treden opvallend vaak gezamenlijk op. Aangetoond is dat de oorzaak daarvan te vinden is in gemeenschappelijke erfelijke factoren.

Voortekenen

behoorlijk onderdrukken. Ferrari’s missie bestaat eruit om uiteindelijk met een dagelijks in te nemen geneesmiddel te komen dat de ziekte bestrijdt. Dergelijke middelen bestaan al, maar die zijn primair bedoeld tegen andere ziekten en hebben als bijwerking het onderdrukken van migraine. Dat geeft een aanknopingspunt: deze medicijnen hebben gemeenschappelijk dat ze cortical spreading depression remmen. Dat steunt bovendien de gedachte dat cortical spreading depression een oorzaak heeft in het ontstaan van migraine. Neurologe Gisela Terwindt uit het on-

Kijkende naar de snelheid waarmee de wetenschap het beginmechanisme van migraine-aanvallen weet te ontrafelen, verwacht professor Ferrari dat hij in zijn missie ��� een middel om migraine-aanvallen te voorkomenzal slagen voor hij met emeritaat gaat. Over dat mechanisme: opvallend is dat patiënten een dag tot enkele uren voor een aanval een verandering in hun lichaam en stemming vertonen. “Ze houden meer vocht vast en veel mensen worden wat depressief, geïrriteerd, hyperactief of juist erg sloom. De omgeving herkent die verandering vaak. De patiënt zelf meestal niet. Ze kunnen bijvoorbeeld ook behoefte krijgen aan chocolade, die dan de schuld krijgt van de aanval. Terwijl het juist andersom is: doordat zich een aanval aandient, gaan ze chocola eten.” n

gastbijdrage  Menarini Farma Nederland

Migraine kan behandeld worden Migraine is een ziekte die veel mensen raakt. ‘Er mee leren leven’ is een weg die door velen wordt gekozen. Vaak ten onrechte.

M

igraine is een ziekte die nog veel onbegrip ontmoet in de samenleving. Het is maar hoofdpijn en daar hoor je niet over te klagen. Maar migraine is iets anders. Het is een van de meest invaliderende ziektes: het aantal verloren dagen door migraine is hoog. Wereldwijd staat de ziekte voor vrouwen op de twaalfde plaats, voor mannen op de 22e. Daarmee is migraine een serieus te nemen ziekte met een enorme invloed op het sociale en werkende leven van de patiënt. Veel patiënten zoeken bovendien geen hulp bij een arts. Dat komt deels doordat migraine in aanvallen komt: de huisarts ziet een migrainepatiënt meestal niet als hij of zij zo’n aanval heeft. Na een aanval zien de meeste patiënten

zich niet meer als patiënt en bezoeken derhalve geen arts. Veel migraine patiënten en zeker vrouwen met menstruatie-gerelateerde migraine hebben de ziektelast geaccepteerd en vinden dat ze er maar mee moeten leren leven.

Behandeling Er zijn tegenwoordig goede geneesmiddelen, al ontstaat ook daar een probleem. De NHG  – (Nederlandse Huisartsen Genootschap) standaard geeft aan dat de huisarts in eerste instantie algemene pijnstillers moet voorschrijven. Veel patiënten hebben zelf al gebruik gemaakt van algemene pijnstillers. Ze raken zodoende gedemotiveerd om verder te zoeken naar een oplossing. Daarnaast is uit recent

onderzoek gebleken dat patiënten een sterke voorkeur kunnen hebben voor een van de verschillende triptanen, specifiek voor migraine ontwikkelde geneesmiddelen. Het is daarom zaak voor de arts om de patiënt te laten kiezen door enkele migraineaanvallen met verschillende van deze middelen te behandelen.

Niet accepteren Het is belangrijk migraine serieus te nemen, al was het maar om economische redenen. De ziekte kost Nederland door verlies aan arbeid ongeveer 1,7 miljard euro per jaar, zo blijkt uit gegevens van De Nederlandsche Bank in 2008. Een goede medicatie vinden is een weg met hobbels, maar wie die

weg gaat zal ervaren dat migraine in veel gevallen wel degelijk behandeld kan worden. Waardoor de patiënten weer volledig aan het maatschappelijke leven kunnen deelnemen. n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

11

artikel  Parkinson

Multidisciplinaire aanpak voor Parkinson Pas toen ‘Back To The Future’-acteur Michael J. Fox de ziekte van Parkinson kreeg, kreeg de aandoening de aandacht die het verdient. Auteur: Cor Dol

E

en team in het UMC St Radboud onder leiding van de bekende neuroloog Bas Bloem onderzoekt de ziekte van Parkinson en Bart Post is een van de teamleden. In 2009 promoveerde hij aan het AMC met een langlopende cohort-studie van 133 mensen bij wie pas de ziekte was vastgesteld, met als doel het verloop van de ziekte te onderzoeken. Want er is nog veel onbekend. “In drie tot vijf procent van de gevallen is er een genetische oorsprong”, bespreekt Post de huidige stand van zaken in het onderzoek. “De andere vijfennegentig procent, sporadische gevallen dus, is te wijten aan omgevingsfactoren en genetica. Dat betekent dat je er gevoelig voor bent en door omgevingsfactoren kan de ziekte zich openbaren.” Het is natuurlijk van belang om uit te vinden wat die factoren dan zijn en daar wordt veel onderzoek naar gedaan, onder andere aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. De drie tot vijf procent van genetische oorsprong gelden in het onderzoek als ‘modelziektes’, om uit te vinden hoe de ziekte kan ontstaan.

Niet alleen motorisch Vroeger werd gedacht dat de ziekte van Parkinson voornamelijk motorische problemen gaf, zoals het bekende trillen, traag- en stijfheid. Nu is duidelijk dat de ziekte ook cognitieve problemen geeft, en problemen als stemmingswisselingen, depressies, angst, en autonome stoornissen als bloeddrukregulatieproblemen. Deze symptomen komen bij alle patiënten voor. In het verloop van de ziekte zijn verschillende fases te onderscheiden. Post: “De eerste vijf jaar is redelijk gemakkelijk voor ons. Je kunt medicijnen geven waarmee de ziekte tamelijk goed onder controle is te houden. Na vijf tot tien jaar komen de bijwerkingen van de medicijnen op de voorgrond te staan en daarna komen de niet-motorische symptomen op de voorgrond te staan. Mensen worden dement, krijgen slikstoornissen, krijgen problemen met spreken en evenwichts- en balansstoornissen waardoor ze gaan vallen.” Toch zijn veel van die symptomen, zoals problemen met de ontlasting en stemmingswisselingen, ook al vroeg in het beloop van de ziekte zichtbaar.

Haast? Het lijkt alsof de ziekte haast heeft naarmate de patiënt op oudere leeftijd met de ziekte wordt geconfronteerd.

Een patiënt die op zijn zestigste Parkinson krijgt, krijgt de ziekte met een sneller verloop dan een patiënt van veertig. De diagnose is een klinische: mensen worden traag en stijf, gaan beven en dit vaak aan één kant van het lichaam. Wat volgt is een uitgebreid neurologisch onderzoek. Als bijvoorbeeld binnen een jaar grote veranderingen optreden, moet worden gedacht aan andere aandoeningen. MRI kan helpen om andere aandoeningen uit te sluiten, maar geeft voor Parkinson vaak een beeld zonder afwijkingen. Aanvullend kan een dopamine-scan gedaan worden, om te zien of de hersenen genoeg van deze stof aanmaken. Door de afbraak van specifieke cellen in de hersenen hebben Parkinson-patiënten een tekort aan de neurotransmitter dopamine. Dus: “De diagnose wordt eigenlijk gesteld door het uitsluiten van andere mogelijkheden. In de loop van de tijd wordt steeds duidelijker of we daadwerkelijk met Parkinson te maken hebben. Het is een complex klinisch veld”, licht Post toe. De ziekte wordt pathologisch verdeeld in zes verschillende stadia (de zogenaamde Braak-stadia), die aangeven waar in de hersenstam de problemen ontstaan. Pas in het derde stadium komt de ziekte in de middenhersenen en wordt te weinig dopamine aangemaakt, met de motorische problemen als gevolg. Op het moment dat de ziekte zich manifesteert, zijn er dus al twee stadia gepasseerd. “Dat gaat soms ongemerkt, maar als je terugvraagt, dan hebben patiënten last gehad van bijvoorbeeld obstipatie of reuk- of slaapproblemen.”

Eigen beloop Het gebrek aan dopamine in de hersenen is een sleutelbegrip in de ziekte van Parkinson. Kan de ziekte niet geremd worden door het toedienen van dopamine? Bart Post: “Je kan mensen goed behandelen met levodopa, dat geeft een goed effect. Als je dopamine inneemt, moet het naar je hersenen. In het begin wordt de dopamine opgenomen en uitgescheiden door de dopaminecellen in de hersenen, maar op een gegeven moment heb je zo weinig van die cellen over, dat de dopamine direct of via andere systemen zijn werk moet doen. De interactie tussen de zieke hersenen en de dopamine wordt dan heel ingewikkeld.” Dopamine moet worden getransporteerd over de bloed-hersenbarrière en moet daar de competitie aangaan met eiwitten uit het voedsel. Het gevolg is dat minder dopamine op de plek

aankomt. Inname van het middel ruim voor of na een maaltijd kan de opname verbeteren. Er is nog geen middel dat de ziekte remt en dat wordt op korte termijn ook niet verwacht. De gemiddelde Parkinson-patiënt gaat in de loop van de tijd langzaam achteruit, maar het is moeilijk te voorspellen hoe de ziekte zich gedraagt bij een individu. Meestal is er wel sprake van een ‘eigen beloop’: als de ziekte in het begin langzaam gaat, blijft dat tempo meestal gehandhaafd. Datzelfde geldt echter ook voor patiënten bij wie de ziekte zich wat progressiever manifesteert.

Multidisciplinair De belangrijkste therapie voor de ziekte is medicatie en dan vooral levodopa therapie. Daarnaast is toenemend bewijs voor de meerwaarde van fysiotherapie, ergotherapie, logopedie en een multidisciplinaire aanpak van de ziekte. Er zijn ook recente onderzoeken die naar de effecten van duurinspanningen kijken. Hypothetisch is dat deze effecten een

remmende werking hebben. Opvallend is dat de ene functie (lopen) kan uitvallen, waar een andere (fietsen) nog prima kan. Of door een audiostimulans (bijvoorbeeld een piepje) kan een patiënt soms weer leren lopen, omdat een ander mechanisme in werking wordt gesteld. Neuroloog, fysiotherapeut, seksuoloog, logopedist en ergotherapeut: ze moeten allemaal samenwerken, ook om de kwaliteit van het leven van de Parkinsonpatiënt zo lang mogelijk te waarborgen. Zeker de niet-motorische symptomen hebben een enorme impact, terwijl de behandeling daarvan juist nog in de kinderschoenen staat.

ParkinsonNet ParkinsonNet is een belangrijk hulpmiddel voor het vinden van specifiek in de ziekte van Parkinson gespecialiseerde zorgverleners in de woonomgeving van de patiënt. Ook een uitstekende site voor allerlei informatie over de ziekte van Parkinson. De site is te vinden op parkinsonnet.nl n

Advertentie

Je hersenen, dat ben je zelf! Giro 860 | www.hersenstichting.nl


12

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

„ “Hunter: zeldzame ziekten verdienen therapeutische oplossingen Expert interview  Shire

H

et is prachtig dat de wetenschap zoekt naar oplossingen voor relatief veel voorkomende ziekten. Ook Shire heeft een aantal belangrijke geneesmiddelen in de portfolio voor veel voorkomende aandoeningen. Dat ontslaat ons echter niet van de verplichting om daarnaast oplossingen voor zeldzame en vaak levensbedreigende ziekten te zoeken. De ziekte van Hunter, ook bekend als Mucopolysaccharidose type II (MPS II), is zo’n ziekte. Ingenieur Paul Flapper is Area Director Shire HGT Netherlands. Wat is de ziekte van Hunter voor een aandoening? “De ziekte van Hunter is een erfelijke (X-gebonden), zeldzame en veelal levensbedreigende stofwisselingsziekte die wordt veroorzaakt door deficiëntie van een essentieel enzym (eiwit) en die met name jongetjes treft. Mucopolysaccharidose II, of het syndroom van Hunter/MPS II, komt wereldwijd bij minstens 1 op de 155.000 personen voor en is een zeer ernstige aandoening. Een diagnose van het syndroom van Hunter/MPS II hangt vaak af van de klinische presentatie en van de bekendheid van artsen met de aandoening. Het kan jaren duren voordat bij kinderen met het syndroom van Hunter/MPS II de juiste diagnose wordt gesteld, wat te betreuren is, in het bijzonder omdat vroegtijdige diagnose en behandeling van groot belang is. Door een toegenomen bekendheid met deze ziekte kunnen (kinder)artsen en andere beroepsbeoefenaren de klachten en verschijnselen van de ziekte van Hunter tijdig herkennen en kan de patiënt snel worden doorverwezen voor verdere diagnostiek en behandeling. Het deficiëntie enzym bij de ziekte van Hunter betreft het lysosomale enzym iduronaat-2-sulfatase (I2S).” Wat zijn de gevolgen van de deficiëntie van Iduronaat-2-sulfatase? “I2S-deficiëntie resulteert in een schadelijke stapeling van - de zogenaamde glycosaminoglycanen (GAGs) - dermatansulfaat en heparansulfaat in cellen door het gehele lichaam. De symptomen van het syndroom van Hunter/ MPS II variëren sterk van patiënt tot patiënt. De ziekte kan zich voor het eerst openbaren bij zuigelingen, schoolkinderen of zelfs bij volwassenen. Zoals uit de hieronder genoemde klachten en symptomen blijkt, is de ziekte heterogeen met betrekking tot de initiële presentatie. Het syndroom van Hunter/ MPS II is echter altijd ernstig, met een progressief beloop.”

Kun je iets meer vertellen over de symptomen? “De opstapeling van glycosaminoglycanen veroorzaakt naast uiterlijke verandering (bijvoorbeeld aan het hoofd) ook ernstige, progressieve schade aan onder andere: luchtwegen, hart, lever, milt, botten, gewrichten, hals en centrale zenuwstelsel. Dit leidt uiteindelijk

zonder behandeling bij de meeste patiënten tot vroegtijdig overlijden vóór het twintigste levensjaar. De symptomen van het syndroom van Hunter/ MPS II zijn meestal bij de geboorte nog niet duidelijk waarneembaar. Na het eerste levensjaar kunnen deze symptomen onder meer bestaan uit: recidiverende keel-, neus-, en oorinfecties, slechthorendheid en liesbreuken. Op grond van deze verschijnselen, die bij zuigelingen veelvuldig voorkomen, denken artsen mogelijk niet direct aan MPS II. Pas wanneer er in de loop van een aantal jaren de stapeling van GAG toeneemt, kunnen symptomen manifester worden. De zichtbare klachten en verschijnselen van de ziekte bij jongere personen zijn doorgaans de eerste aanwijzingen die tot een diagnose leiden. In het algemeen wordt de diagnose bij patiënten met een ernstigere vorm van MPS II gesteld op de leeftijd van circa twee tot vier jaar. De mate van GAG-stapeling is niet bij ieder individu of in elk lichaamssysteem even sterk; dit resulteert in een breed spectrum van klinische verschijnselen. Tot de circa veertig ziekten die bekend zijn onder de verzamelnaam lysosomale stapelingsziekten, behoren de mucopolysaccharidosen (waaronder Hunter), ziekte van Fabry, ziekte van Gaucher, cystinose, aspartylglucosaminurie, de mucolipidosen (ML) en andere aandoeningen, die bepaalde klachten en symptomen gemeen kunnen hebben. Alleen al binnen de groep van de MPS-aandoeningen worden diverse typen (I t/m VI) onderscheiden op grond van een tekort aan een specifiek lysosomaal enzym.” Hoe komt Shire erop om juist voor deze ziekte te zoeken naar een oplossing? “Het doel van Shire is letterlijk: We enable people with life-altering conditions to lead better lives.Binnen Shire is er een hartsverbondenheid om dit ook werkelijk waar te maken zoals ik dat nooit eerder bij andere bedrijven heb ervaren. Verdieping in de impact die dit soort ziekten heeft op het leven van patiënten en hun familieleden creëert een innerlijke beslistheid om vrijwel alles in het werk te stellen om te zorgen dat een ziekte behandelbaar wordt. Natuurlijk heb je daarnaast technologische platformen nodig, een klimaat of voorwaarden die het mogelijk maken dat het bedrijfseconomisch haalbaar is om geneesmiddelen voor zulke kleine groepen patiënten te ontwikkelen. Belangrijk is bijvoorbeeld geweest dat plusminus vijftien jaar geleden Europees vastgesteld is dat mensen met dit zeldzame aandoeningen in gelijke mate recht zouden moeten hebben op uitzicht op (therapeutische) oplossingen voor hun aandoening. Shire heeft momenteel al diverse oplossingen voor monogenetische erfelijke aandoeningen zoals de ziekte van Hunter. Hierbij is het principe dat er als gevolg van één defect in het gen (monogenetisch) iets essentieels niet goed functioneert

of niet aanwezig is. Als je met behulp van technologie in staat bent om precies datgene te produceren wat er mist in het lichaam, en je kan dat heel specifiek op de plek in het lichaam krijgen waar het van nature voorkomt, dan is de kans groot dat je daarmee een effectieve en goed verdraagbare oplossing hebt voor het erfelijke probleem.” De succeskans is dus groter? “Zeker. Je weet namelijk precies dat door een bepaald genetisch defect een bepaald tekort ontstaat, wat weer een zeker defect veroorzaakt. Als je het tekort kan oplossen door middel van gentechnologie, dan is de kans groot dat je daarmee het probleem ook kan oplossen. Dat blijkt onder andere ook uit diverse publicaties waarin het effect van enzymvervangingstherapie bij dit soort aandoeningen is aangetoond.” Je noemde gerelateerde ziektes. Betekent dat gezocht wordt naar een oplossing voor meerdere, vergelijkbare aandoeningen? “Er is inderdaad een aantal ziektes dat allemaal hetzelfde principe heeft en monogenetisch van aard is. Biotechnologisch zou je dan op relatief vergelijkbare wijze oplossingen moeten kunnen ontwikkelen voor andere stofwisselingsziekten. De ziekte van Hunter staat ook bekend als mucopolysaccharidose II (MPS II). Zo heb je, naast II, ook de varianten I, III, IV, V en VI. Dat zijn ziektes die uiterlijk vrij veel op elkaar lijken, maar waarbij net een ander enzym niet of onvoldoende functioneert. Het lijkt zo op elkaar dat we nu een oplossing hebben voor MPS II, maar al bezig zijn met trials voor een oplossing voor MPS III, ook bekend als het syndroom van Sanfilippo. Als je met dezelfde kennisplatformen meerdere ziektegebieden kunt bestrijken, draagt dat sneller bij aan oplossingen voor mensen met relatief vergelijkbare zeldzame aandoeningen. Toch is het ook van belang te noemen dat de praktijk daarin soms weerbarstiger is dan de theorie. Dat betekent dat voor iedere andere aandoening, ontwikkeling van een oplossing vaak jarenlang intensief onderzoek vereist.” Er is een kenmerkenkaart die helpt bij de diagnose. “De kenmerkenkaart is ontwikkeld voor een brede groep beroepsbeoefenaren bijvoorbeeld huis- of schoolartsen om de veelal aspecifieke symptomen bij MPS beter te herkennen en bij vermoeden op MPS, de patiënt door te verwijzen voor verdere diagnose. Dit kan door kwantitatieve meting van glycosaminoglycanen (GAG´s) worden gedaan. Definitieve diagnose wordt gewoonlijk gesteld na het meten van I2S enzymactiviteit in bloed, witte bloedcellen of huidfibroblasten. Educatie aan beroepsbeoefenaren richt zich met name op het herkennen van de symptomen en kenmerken van MPS. Veel specifieker is moeilijk omdat een Sanfilippo-patiënt (MPS III) qua (ui-

terlijke) kenmerken ontzettend veel op een Hunter-patiënt kan lijken. Wij hebben een taak om het onder de aandacht te brengen, het idee van ‘het zou wel eens een MPS-patiënt kunnen zijn’. Dan moet er getest worden in een metabool laboratorium en daaruit blijkt dan wel of het inderdaad zo is en welk type MPS. De kaart is ontwikkeld op verzoek en met behulp van artsen. Dat dit soort initiatieven werkelijk zal leiden tot het correct diagnosticeren van nu nog ongediagnosticeerde patiënten blijkt wel uit het feit dat er recent een patiënt gediagnosticeerd is dankzij een oplettende arts die in september een mailing had ontvangen waarin voor de praktijk relevante kenmerken en symptomen van de ziekte van Hunter onder de aandacht werden gebracht. Het bevestigt het belang dat iedere beroepsbeoefenaar zich inzet om patiënten met dit soort belangrijke aandoeningen te diagnosticeren ondanks de relatieve zeldzaamheid. Vandaar dat wij ook in dit artikel aandacht besteden aan de ziekte van Hunter om op een goede informatieve manier bij te dragen dat patiënten met de ziekte van Hunter gediagnosticeerd worden.” Nog even terug naar het onderzoek van juist dit soort zeldzame ziektes. “Ik merk bij Shire maar ook bij metabole artsen, biochemici en anderen uit andere disciplines die zich gespecialiseerd hebben op dit soort zeldzame aandoeningen dat er oprechte toewijding is om voor mensen met dit soort aandoeningen oplossingen te willen bieden. You have to go the extra mile. Dit heb ik samen met een groep collega´s uit allerlei landen waar Shire vertegenwoordigd is ook heel letterlijk in praktijk gebracht door in 2008 de marathon van New York te lopen. Hierbij is sponsorgeld ingezameld dat ten goede is gekomen aan organisaties die zich dagelijks inzetten voor patiënten met MPS of andere zeldzame aandoeningen. Het is indrukwekkend hoe een relatief klein team van hoog opgeleide mensen zo toegewijd is en in samenwerking met diverse disciplines succesvol oplossingen bewerkstelligt voor zeldzame aandoeningen. Het gaat om mensenlevens en dat geeft een enorme verantwoordelijkheid en sense of urgency, dat is van een ander niveau. In Nederland zijn twee expertisecentra voor onderzoek en behandeling van erfelijk zeldzame stofwisselingsziekten. Het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam (onder andere voor Fabry, Gaucher, Niemann Pick en Sanfilippo) en het Erasmus Medisch Centrum Rotterdam (onder andere mucopolysaccharidosen en Pompe). Beide centra zijn gespecialiseerd en hebben veel expertise in onder andere het onderzoek, follow up, en behandelen van patiënten met erfelijk zeldzame stofwisselingsziekten. Het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam is momenteel het enige expertisecentrum in Nederland voor de ziekte van Hunter.”


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

10 maanden

3 jaar

5 jaar

7 jaar

13

2 maanden

Wat kan de patiënten nu concreet worden geboden? “Enzymvervangingstherapie. Door middel van een wekelijks infuus wordt het enzym in de bloedbaan gebracht. Iedere cel heeft receptoren om dit enzym vanuit het bloed in de cel te krijgen. Dan is het mogelijk om de GAG’s weer af te breken en uit te scheiden. In het vervolg van de therapie blijven de cellen schoon. Door de gebruikte technologie is het enzym voor behandeling van het syndroom van Hunter identiek aan het enzym dat van nature in de cel voorkomt. Enzymvervangingstherapie wordt doorgaans goed verdragen.” Wat zijn de resultaten? “De progressie van de ziekte wordt gestopt of de ziekte verbetert op een aantal belangrijke parameters. Zo neemt bijvoorbeeld bij patiënten met een vergrote lever als gevolg van de stapeling van GAG´s het levervolume al in het eerste jaar van behandeling sterk af richting normaal. Ook zijn effecten gepubliceerd over bewegelijkheid, mobiliteit en de longcapaciteit. Als een patiënt al irreversibele schade heeft opgelopen, kun je dat vaak niet meer herstellen. Daarom zijn we ook met een campagne bezig om de ziekte zo vroeg mogelijk op te sporen. Het eerder stellen van de diagnose en instellen van behandeling kan belangrijk zijn, om bepaalde schade te voorkomen. De inzet en medewerking van vele beroepsbeoefenaren is daarbij essentieel.” Op welke leeftijd uit de ziekte zich met name? “De meeste kinderen maken tot hun derde verjaardag een vrij normale ontwikkeling door. Je ziet wel veelvuldige oorontsteking en neusloop. Met name de recidiverende oorontsteking kan een sterke aanwijzing zijn. Uit analyse van internationaal verzamelde gegevens van gediagnosticeerde patiënten blijkt bijvoorbeeld dat 100% procent van de kinderen met Hunter buisjes in de oren krijgen. Daardoor kan je gerichter zoeken. Tot het derde jaar hebben ouders in veel gevallen een ogenschijnlijk normaal kind dat leert lopen en praten. Het kan echter geleidelijk of ineens omslaan als de ziekte meer symptomen veroorzaakt.”

Maakt de therapie voor de ziekte van Hunter een kruisbestuiving naar soortgelijke ziekten mogelijk? “Sanfilippo is redelijk vergelijkbaar en iets minder zeldzaam dan Hunter. Sanfilippo is door een onderzoeksgroep in het AMC in Amsterdam qua natuurlijk beloop goed onderzocht. Als gevolg daarvan heeft Nederland nu een unieke positie in het eerste wereldwijde onderzoek dat gedaan wordt naar de intrathecale toediening van een enzym voor de behandeling van Sanfilippo. Met name bij Sanfilippo is dat van groot belang, omdat daar, anders dan bij Hunter, eigenlijk altijd een neuro-degeneratieve component in zit. Als je effectief wilt zijn in de bestrijding van de ziekte, dan is het bereiken van de hersenen met enzym essentieel. Ook voor MLD en andere ziekten worden oplossingen gezocht.” De uitdaging blijft. “Absoluut. Van veel van deze aandoeningen heeft niemand ooit gehoord. Dat is niet vreemd, het zijn niet voor niets zeldzame ziekten. Op dit moment zijn er meer dan 4.000 zeldzame aandoeningen en het schijnt dat 1,1 procent van de Nederlanders aan zo’n aandoening lijdt. Dat geeft een ander perspectief. Al die kleine beetjes maken een grote groep en daarom is het belangrijk dat het zoeken naar oplossingen voor deze patiënten ondersteund blijft. Als je de markt zijn werk zou laten doen, staan deze mensen in de kou. Je moet natuurlijk in het oog

houden welke interventies zinvol zijn zodat ze het leven van patiënten en families kunnen verbeteren. Daarbij moet er ruimte zijn voor stapsgewijze vooruitgang, ontdekken en implementeren in de loop van de tijd zodat er voor steeds meer mensen met een zeldzame aandoening oplossingen zijn voor behandeling. Nederlandse expertisecentra behoren tot de internationale top wat betreft onderzoek, kli-

niek, laboratorium, ontwikkeling van richtlijnen en vele andere aspecten. Een unieke samenwerking tussen disciplines, de overkoepelende patiëntenorganisatie VKS (volwassen, kinderen en stofwisselingsziekten) voor mensen met allerlei zeldzame (stofwisselings) ziekten en gecentraliseerde patiëntenzorg draagt daar in belangrijke mate aan bij.” n

Vroege klachten en symptomen van de ziekte van Hunter:

Mogelijke latere klachten en symptomen:

• Groot hoofd (dikke wenkbrauwen) • Grove gelaatstrekken (dikke neusvleugels, lippen; vergrote tong) • Recidiverende oorinfecties (zelfs bij behandeling met antibiotica of na operatieve plaatsing van buisjes) • Chronische rhinitis • Bovenste luchtwegobstructies (vergrote tonsillen en adenoïden, snurken) • Opgezette buik (als gevolg van vergrote lever en milt) • Navel- of liesbreuk • Ontwikkelingsachterstand (vertraagde spraakontwikkeling, mobiliteit) • Progressieve gewrichtsstijfheid; gewrichtscontracturen (met name van de handen, met stijfheid in de vingers)

• • • • • •

Nodulaire laesies op rug en armen Hirsutisme (overmatige haargroei ) Kleine gestalte Progressief gehoorverlies Gebitsafwijkingen Obstructieve luchtwegaandoening (obstructieve slaapapneu, verminderde geforceerde vitale capaciteit) • Frequente luchtweginfecties • Hart(klep)aandoeningen • Aantasting centrale zenuwstelsel - Communicerende hydrocefalus - Progressieve mentale retardatie - Carpale tunnelsyndroom • Progressieve skeletdysplasie met beperkte bewegingsuitslag van de gewrichten

Voor meer informatie heeft de afdeling lysosomale en metabole ziekten van het Erasmus MC onder leiding van prof. dr Van der Ploeg een uitstekende website: www.erasmusmc.nl/lysosomale-en-metaboleziekten VKS: www.stofwisselingsziekten.nl AMC: www.metaboleziekten.nl

Shire: www.shirehgt.nl Hunter: www.hunterdisease.com


14

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

gastbijdrage  LOC, Zeggenschap in zorg

Integrale aandacht voor lichaam en geest De gezondheidszorg van de toekomst is duurzaam en daarmee zowel economisch als sociaal als ecologisch houdbaar.

I

n de zorg zijn de afgelopen jaren miljarden euro’s extra geïnvesteerd, zodat beter aan de groeiende vraag ernaar kan worden voldaan en de kwaliteit ervan zou toenemen. “Toch blijkt uit divers tevredenheidsonderzoek onder gebruikers van zorg niet dat zij zoveel tevredener zijn over die kwaliteit. Voor een organisatie als LOC, de grootste cliëntenorganisatie in de langdurende zorg, was dat de aanleiding om een eenvoudige, maar prangende vraag te stellen: Wat is er aan de hand?” zo stellen Yvonne van Gilse, directeur/bestuurder en Margot Bosman, verantwoordelijk voor visie- en organisatieontwikkeling bij LOC. Een analyse van de stand van zaken, leidde tot de contouren van een visie op hoe het anders kan. Daaruit blijkt dat de gezondheidszorg toe is aan een volgende fase in zijn ontwikkeling. In termen van LOC is dat de stap naar ‘Waarde-volle zorg’. Dit artikel geeft een beknopte uiteenzetting. Steeds terugkerende problemen in de sector zijn een signaal dat het functioneren van het zorgsysteem onder druk staat. Zorgkosten nemen toe. Het bevorderen van de kwaliteit van leven van cliënten en patiënten is nog steeds geen vanzelfsprekend uitgangspunt bij het verlenen van zorg. De aandacht gaat dan ook vooral uit naar de beperking die aandoeningen met zich meebrengen en niet naar dat wat daarnaast gezond is in mensen. Mensen zijn immers niet alleen maar ziek. Verder neemt volgens de huidige voorspellingen het aantal mensen dat in de zorg wil werken af. En dat zijn maar een paar van de vraagstukken, waar de sector nu mee te maken heeft. De huidige prognoses voor de zorg, lijken de situatie nog complexer te maken. De vraag naar zorg neemt toe, terwijl de middelen om die te financieren er niet zouden zijn. Bovendien ontbreekt het aan menskracht om zorg te leveren. Kortom, de toekomst brengt een complexiteit aan de orde, en daarmee een aantal prangende vragen, die de sector zichzelf te stellen heeft.

Mechanisch Volgens de visie van LOC op ‘Waardevolle zorg’ kunnen de antwoorden op die vragen niet gevonden worden binnen de huidige kaders en wijze van opereren van het zorgsysteem. Bovendien heeft de sector zich open te stellen voor informatie van ‘buiten’, zoals actuele wetenschappelijke bevindingen. In het theoretisch kader ‘Nederland en de zorg 2010- 2050’, beschrijft LOC waarom het van belang is om een andere visie op de zorg te baseren op informatie zoals wetenschappelijke inzichten (zie ook: www.loc.nl). Zo blijkt in de context van wetenschappelijke disciplines waaronder de natuurkunde, biologie, psychologie en filosofie, dat ons perspectief op mens, lichaam, geest - en daarmee op gezondheid en ziekte - aan een drastische herziening toe is. Ons huidige me-

Uit metingen van lichamelijke kracht, lichaamshouding, waarnemingsvermogen, kenvermogen, korte termijn geheugen, gehoor-/gezichtsvermogen en smaak bleek dat hun geheugen en motoriek erop vooruit waren gegaan. De opmerkelijkste verandering betrof echter de omkering van het proces van veroudering: vingers werden langer, stramme gezichten soepeler, de houding rechter en de spierkracht was toegenomen, evenals het gehoor en gezichtsvermogen. Hun activiteit en zelfstandigheid was als die van mannen van 55. Onafhankelijke beoordelaars concludeerden op basis van foto’s van de mannen dat ze er gemiddeld drie jaar jonger uitzagen, dan hun biologische leeftijd. En hoewel we er nog steeds vanuit gaan dat intelligentie bij volwassenen een vaststaand gegeven is, nam bij de helft van de mannen hun intelligentie toe. Het resultaat van slechts één week leven in een andere context ofwel een andere beleving van zichzelf en de werkelijkheid. Dit voorbeeld is slechts een van vele in de wetenschappelijke literatuur, dat illustreert hoe zeer de werkelijkheid zoals wij die waarnemen, en dus onze gedachten, gevoelens en overtuigingen, van invloed zijn op onze gezondheid en welbevinden.

Integraal

dische model ziet en behandelt het lichaam als mechanisch functionerend geheel, waarin elk onderdeel op zichzelf staat. Zodra in een van de onderdelen een ‘defect’ optreedt, dan passen we op dat specifieke onderdeel een behandeling toe. Een van de gevolgen daarvan is dat de aandacht van zowel zorgverlener als zorgontvanger voordurend uitgaat naar ‘de zieke mens’ en niet naar die delen van een mens die je – ondanks ziekte – gezond zou kunnen noemen.

Geest-lichaam geneeskunde Inmiddels is er allerlei wetenschappelijk onderzoek voorhanden dat uitwijst dat er meerdere factoren van invloed zijn op bijvoorbeeld ons immuunsysteem en dus het ontstaan van ziekte. Onze gedachten, emoties en overtuigingen beïnvloeden de functies van onze cellen en onze organen. Via de kwantummechanica is ontdekt hoe op het allerkleinste subatomaire niveau alles met alles verbonden is. En we zijn op basis van die wetenschappelijke bevindingen in sommige opzichten al wel tot een ander inzicht in geest-lichaamgeneeskunde gekomen. Maar die kennis wordt niet als vanzelfsprekend toe-

gepast in de behandel- en zorgpraktijk. En dat heeft vergaande consequenties voor de samenleving als geheel. Want als de gezondheid van een mens meer omvat dan het materiële ofwel zijn fysieke gesteldheid, dan is ons algehele welzijn  – simpel gezegd: hoe we ons voelen – van directe invloed op de chemie van ons lichaam. En dat lijkt voor velen ‘een open deur’, maar doorgeredeneerd zijn de implicaties ervan voor ons systeem van zorg ingrijpend. Een legendarisch voorbeeld om dat te verduidelijken is een Harvard-onderzoek uit 1979 onder mannen van boven de 75. Terwijl zij een week met elkaar doorbrachten in een landhuis, ingericht in de sfeer van de jaren 50, kregen zij de opdracht zich te gedragen alsof zij in 1950 leefden. Hun gesprekken moesten gaan over gebeurtenissen van toen alsof ze nu plaatsvonden. In hun omgeving was alles afgestemd op het leven in de jaren 50. En elk droeg een pasfoto met een beeltenis van zichzelf uit die periode. Zo konden zij zich ook van elkaar een ander beeld vormen. Doel was de context waarin de mannen zichzelf beleven te veranderen om zo na te gaan of en hoe dit van invloed zou zijn op hun gezondheid.

Door nu onze huidige gezondheidszorg te baseren op een medische model dat alleen het fysieke (materiële) in ogenschouw neemt, wordt de invloed van het immateriële, onze gedachten, gevoelens en overtuigingen, buiten beschouwing gelaten. Terwijl die dus van grote invloed kunnen zijn op wat de mens gezond doet zijn. Wat zou het effect zijn van een systeem van zorg zijn dat de mens helpt om zijn welbevinden, en daarmee gezondheid, te vergroten? Deze gedachtevorming is het uitgangspunt van wat LOC ‘Waarde-volle zorg’ noemt. Een zorgsysteem dat de hele mens in ogenschouw neemt, en dan met name dat wat een mens van waarde vindt. Zorg heeft niet alleen te kijken naar ziekte en beperking, maar ondersteunt ook dat wat van betekenis is in het leven. Omdat aandacht voor deze ‘immateriële’ aspecten van invloed is op ons welbevinden en dus op ‘gezondheid’. Daarom hebben de immateriële aspecten een noodzakelijke plaats te krijgen binnen de zorg, willen we een adequaat antwoord vinden op de vraagstukken van de toekomst. Zouden we – wanneer we uitgaan van deze visie – nog steeds te maken hebben met een toename van vraag naar geestelijke gezondheidszorg? Of met de bestrijding van alleen fysieke beperkingen, waar we weten dat die samenhangen met onze mentale en emotionele welbevinden? Een andere – integrale – zorg kan niet anders dan van grote waarde zijn voor ieder van ons en daarmee voor de samenleving die wij met elkaar zijn. n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

15

artikel  Niet Aangeboren Hersenletsel

NAH, de stille epidemie De aandacht voor Niet Aangeboren Hersenafwijkingen neemt snel toe. Diagnose en behandeling profiteren daarvan. Auteur: Irma van der Lubbe

N

iet Aangeboren Hersenletsel (NAH) was lang een onderschat probleem. Gelukkig krijgt het de laatste jaren meer aandacht. Daarmee nemen de mogelijkheden toe voor een meer accurate voorspelling over gevolgen op latere leeftijd. De oorzaken van NAH zijn divers: van een beroerte tot een infectie (bijvoorbeeld hersenvliesontsteking) of het werken met giftige stoffen. De meest voorkomende oorzaak is echter een ongeval. “Zo’n veertig procent van dit zogenaamde traumatisch hersenletsel ontstaat door verkeersongelukken, een prominente oorzaak bij jongeren”, weet neuroloog Pieter Vos van het UMC St. Radboud Ziekenhuis in Nijmegen. Waarschijnlijk door betere verkeerspreventie is dit percentage de laatste jaren gedaald. Het aantal patiënten dat ernstig en blijvend letsel oploopt door een val is echter juist gestegen. Dit heeft zeker te maken met de vergrijzing van de bevolking. Tot verbazing van Vos was traumatisch hersenletsel een tijd lang een ernstig onderschat probleem. Terwijl het neurologisch gezien de aandoening is met de hoogste incidentie. Gelukkig is een kentering gaande. Zo heeft de Hersenstichting traumatisch hersenletsel benoemd tot speerpunt. Ook vanuit de Verenigde Staten is er meer aandacht voor, vanwege soldaten die in de oorlog in Afghanistan of Irak een ontploffingstrauma opliepen en tijdelijk bewusteloos zijn geweest. Zij leken vlot te herstellen, maar kregen later toch vaak klachten die leken op traumatisch hersenletsel.

Acute behandeling Mede door de toegenomen aandacht is de acute behandeling van traumatisch hersenletsel de laatste jaren aanzienlijk verbeterd. Zo is veel winst geboekt bij het snel ter plaatse zijn en wordt bij binnenkomst in het ziekenhuis gewerkt

met multidisciplinaire teams, waarin neurochirurg, neuroloog en intensivist [Intensive Care-arts, red.] hun gezamenlijke hersenkennis aanwenden om het letsel zoveel mogelijk te beperken. “Wanneer er levensbedreigende bloedingen binnen de schedel zijn zal de neurochirurg vaak opereren”, vertelt Vos. De standaard om dit snel in kaart te brengen is de CT-scan. Schade tussen verbindingen in de hersenen, doordat een hoofd hard met een object in contact komt, is via de CT echter slecht te zien. Met een MRI-scan gaat dat veel beter, zeker met de nieuwere apparaten. Alleen duurt zo’n scan te lang om hem als standaard in te stellen bij de acute fase. “Wél gebruiken we MRI in toenemende mate in een wat later stadium, bijvoorbeeld wanneer niet duidelijk is waarom de patiënt in coma blijft. Hoe vroeger we het inzetten en zaken helder hebben, des te eerder we de behandeling kunnen starten.”

Voorspelbaarheid NAH kan leiden tot uiteenlopende klachten zoals geheugen-, concentratie- en gedragsproblemen en motorische storingen. Zaken die veel gevolgen hebben voor het leven van de patiënt op langere termijn, soms zelfs levenslang. “Natuurlijk willen patiënt en familie hier graag uitspraken over horen in de beginfase, maar dat is enorm lastig”, ervaart Vos. “Ondanks een aantal grote studies op dit gebied zijn we nog onvoldoende in staat om op basis van kenmerken een nauwkeurige voorspelling te doen.” Het feit dat er tegenwoordig meer aandacht voor NAH is, betekent echter ook dat er meer onderzoek wordt gedaan naar de voorspelbaarheid van de gevolgen op langere termijn. Dit levert soms nieuwe inzichten op. Tot voor kort heerste bijvoorbeeld de opvatting: hoe jonger kinderen herstellen van traumatisch hersenletsel, des te minder problemen ze in de toekomst ondervinden. Recent onderzoek leert nu dat dit

niet klopt. Jonge hersenen hebben weliswaar een groter herstellend vermogen, maar toch blijkt het leervermogen later vaak aangetast. Een kind dat bijvoorbeeld snel weer op zijn driewieler stapt blijkt later toch problemen te kunnen krijgen met fietsen op twee wielen.

Biomarkers en genetica Een belangrijk deel van het huidige onderzoek richt zich op het detecteren van letsel dat via de huidige methoden niet zichtbaar is. Dit met als doel betere voorspellingen te kunnen doen over klachten op latere leeftijd. Eén van de aandachtsgebieden daarbij betreft de genetica. Men verdiept zich in de vraag of sommige mensen gene-

tisch betere weerstand aan hersenletsel kunnen bieden, en of het herstellend vermogen bij hersenletsel van de ene mens genetisch groter is dan bij de ander. Daarnaast is belangrijke vooruitgang geboekt op het gebied van biomarkers: stoffen die bij aanwezigheid op een bepaalde ziekte of aandoening wijzen. Via onderzoek naar stoffen in de hersenen zijn nu twee biomarkers geïdentificeerd waarvan duidelijk is dat aanwezigheid in het bloed duidt op letsel. Vos: “Dat valt dus gewoon te meten. Het onderzoek is echter met lage patiëntenaantallen gehouden, uitgebreider onderzoek is zeker nodig. Maar de eerste resultaten zijn bemoedigend.” n

gastbijdrage  Boston Scientific Nederland BV

De meest verschrikkelijke hoofdpijn die ik ooit heb meegemaakt Dit is meestal de uitspraak van patiënten die een hersenbloeding hebben ervaren.

H

ersenbloeding is eigenlijk niet de juiste benaming omdat er een bloeding plaatsvindt vanuit een bloedvat en niet het hersenweefsel zelf. Op het betreffende bloedvat kan zich een aneurysma bevinden. Een aneurysma is een verwijding/bolletje van een bloedvat. Statistisch gezien heeft 6 % van de bevolking een aneurysma in het hoofd. Ongeveer 1.000 mensen in Nederland worden per jaar behandeld voor een aneurysma. Tot 1991 was dat altijd een Neurochirurgische ingreep middels een “clip”. Een clip is een klemmetje dat geplaatst wordt op het aneurysma. Op deze manier komt er geen bloed meer in het aneurysma en is het risico van een bloeding weg-

genomen. Locatie of afmeting van het aneurysma laat dit soms niet toe. Sinds 1991 bestaat er een alternatief. Het zogenaamde “Coilen”. Via een heel dunne catheter brengt de NeuroRadioloog platina coils of spiralen in het aneurysma. Men gaat hier mee door tot het aneurysma helemaal vol is. Dit wordt middels Röntgen-doorlichting gecontroleerd. Ook dan kunnen we zeggen dat het risico van een bloeding is weggenomen. Deze techniek is uitgevonden door Prof. Guido Guglielmi (University of California). Wereldwijd zijn deze coils bekend geworden onder de naam GDC (Guglielmi Detachable Coils) en sinds 1997 wereldwijd geproduceerd en gedistribueerd door Boston Scientific.

Het voordeel van deze behandeling is dat het minder ingrijpend is voor de patiënt. Zeer zieke patienten kunnen nu misschien wel / eerder worden behandeld wat chirurgisch niet het geval zou zijn. Eerlijkheid gebied te zeggen dat het “coilen” ook niet altijd mogelijk is zodat beide technieken naast elkaar bestaan. Tijden veranderen zo ook behandelingen. In Nederland zijn nu 10 ziekenhuizen waar dergelijke procedures plaatsvinden (alle Academische Ziekenhuizen en 3 niet-Academische ziekenhuizen) waar 60-70 % van deze patienten met coils worden behandeld. Sinds de introductie in 1994 door Prof. W.J.J. van Rooij en Dr. M. Sluzewski (St. Elisabeth

Ziekenhuis, Tilburg) hebben er ruim 6.000 van deze behandelingen plaatsgevonden in Nederland. n

Bert Stens, sales manager neurovascular Benelux/Nordic, Boston Scientific Nederland BV


16

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Leven voor en na de diagnose

Snelheid bepalend voor het leven na de diagnose Het traject na de diagnose wordt in hoge mate bepaald door de snelheid en juistheid van die diagnose. Auteur: Marian Vleerlaag

E

en beroerte of een diagnose als de ziekte van Alzheimer heeft veelal verstrekkende gevolgen. “Als de diagnose goed en snel gesteld is, kan de neuroloog echter nog veel betekenen,” aldus Gerrit Tissingh, neuroloog in het Atrium Medisch Centrum in Heerlen en voorzitter communicatie van de Nederlandse Vereniging Neurologie. Een neurologische aandoening is een verzamelnaam voor een breed scala aan aandoeningen. Dat kunnen uitvalsverschijnselen zijn als gevolg van een beroerte tot slaapwaak-stoornissen. Neurologie draait immers om ons hele zenuwstelsel en dat bestaat uit een ingenieus systeem van onze hersenen, ruggenmerg en onze zenuwen. Volgens Tissingh kunnen de gevolgen van zo’n neurologische aandoening dan ook zeer uiteenlopen. Van voorbijgaande problemen als tijdelijke tintelingen in ledematen tot chronische ziekten die door lichamelijke en geestelijke veranderingen enorme impact op je leven kunnen hebben. “Maar,” benadrukt de neuroloog, “de ontwikkelingen op ons vakgebied gaan zo snel dat er tegenwoordig veel meer mogelijk is dan men denkt. De laatste tien, twintig jaar hebben we in de neurologie grote doorbraken bereikt.”

bloedverdunners toe te dienen  – hetzij in een infuus, hetzij direct via de bloedvaten – kun je de gevolgen sterk positief beïnvloeden. Met cholesterolverlagers en bloedverdunnende medicijnen kun je vervolgens herhaling helpen voorkomen.

Van levensbelang Een beroerte is een snel optredende aandoening die direct behandeld moet worden. Maar er zijn ook sluipende of langdurige klachten die het gevolg zijn van een neurologische aandoening die niet als zodanig herkend en erkend worden. “REM-slaapstoornissen bij de ziekte van Parkinson bijvoorbeeld,” vertelt Tissingh. “Mensen worden ‘s nachts heel onrustig, kunnen uit bed vallen en een heup breken of zelfs agressief zijn tegen hun partner. Dit symptoom van de ziekte, dat goed te behandelen is, kan soms al jaren aanwezig zijn voordat de diagnose wordt gesteld. Veel zorgverleners zijn hier niet mee bekend.” Een goede diagnose helpt ook de patiënt zelf, stelt de neuroloog. “Uit onderzoek, gedaan in Harvard, blijkt dat de impact van het niet precies weten wat er aan de hand is, zeer groot is. Weten wat je hebt, geeft rust. Dat geldt zelfs voor ziektes als Alzheimer of andere vormen van dementie.”

Eerst de juiste diagnose

Complicaties voorkomen

Allereerst is het stellen van de juiste diagnose uiterst belangrijk, benadrukt Tissingh. “Zeker bij beroertes is het van belang om zo snel mogelijk te handelen. De richtlijnen zijn aangescherpt – ook bij de huisarts. Het is zaak om zo snel mogelijk in het ziekenhuis te zijn om direct te kunnen starten met de juiste therapie. Daarmee kunnen veel complicaties voorkomen worden.” Door onder andere direct

Minstens zo belangrijk als een correcte diagnose is het feit dat je op de juiste wijze gaat behandelen. Na de diagnose kan de neuroloog – in samenwerking met bijvoorbeeld revalidatieartsen en psychiaters – veel betekenen. “Neurologie is bij uitstek een vakgebied dat multidisciplinair werkt,” aldus Tissingh. “Die samenwerking is cruciaal voor een goed leven na de diagnose. Ten eerste kun je proberen complica-

ties, ongewenste problemen, te voorkomen. Mensen met Parkinson kunnen bij een longontsteking een delier krijgen, ernstige verwardheid. Die moeten heel anders behandeld worden dan mensen zonder Parkinson.” Ziektes als Parkinson, Alzheimer en de spierziekte ALS zijn niet te genezen; de behandeling van deze neurologische aandoeningen is dan ook gericht op het verminderen en verlichten van de klachten. Meestal start de behandeling met medicijnen. Psychische begeleiding en het aanpassen van de leefomstandigheden zijn ook belangrijke voorwaarden om de patiënt en de mensen in zijn of haar omgeving te ondersteunen bij het omgaan met de nieuwe situatie. Daarnaast worden bijvoorbeeld oefeningen voorgeschreven om de lichaamscoördinatie zoveel mogelijk te stimuleren, al dan niet bij de revalidatie-arts.

Behandelen of leren leven met? Sinds eind jaren ‘90 van de vorige eeuw zijn er echter medicijnen beschikbaar die de symptomen van patiënten met onder andere dementie kunnen remmen. Deze medicijnen genezen de ziekte niet, maar remmen wel de achteruitgang van de denk- en geheugenfuncties. Tissingh onderstreept het belang hiervan. “De juiste medicatie

heeft voor meerdere aandoeningen verstrekkende gevolgen. Ook in het geval van de ziekte van Parkinson kun je met de juiste medicijnen en goede doseringen het lichamelijk als geestelijk functioneren enorm positief beïnvloeden. Je onderdrukt de gevolgen, net als bijvoorbeeld met epilepsie. Ook bij neuromusculaire aandoeningen als de spierziekte ALS is er nu medicatie die het moment uitstelt waarbij mensen aan de beademing moeten.”

Af van het therapeutisch nihilisme “We moeten daarom af van het therapeutisch nihilisme,” bepleit Tissingh. “We kunnen zoveel betekenen: sneller en correcte diagnoses stellen waardoor we zeker weten wat het is of wat het niet is. En door de ontwikkelingen in ons vakgebied is de kennis over vele ziektebeelden enorm toegenomen. Die nieuwe inzichten maken meer en betere behandelingen mogelijk voor mensen met neurologische aandoeningen na de diagnose. Dat betekent in het persoonlijke leven van mensen enorm veel. En daarnaast boek je er economisch een flinke winst mee.” Tissingh voorziet in de toekomst nog meer mogelijkheden. “Natuurlijk gaat het stapje voor stapje, maar we gaan toch duidelijk vooruit. Wie weet waar we over tien jaar staan.” n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

17

Gastbijdrage  Heliomare

Hoe verder na hersenletsel? toekomstperspectief. De directe omgeving wordt daarbij actief betrokken.” Het komt nogal eens voor dat de patiënt zelf geen inzicht heeft in het probleem: dan kan de familie begeleid worden om te leren om te gaan met de veranderingen bij de patiënt. In geval van relatie- of gezinsproblemen bestaat de mogelijkheid relatie- of gezinsgesprekken te voeren.

Informeren

N

iet-aangeboren hersenletsel (NAH) kan veel lichamelijke, maar ook cognitieve problemen veroorzaken. Heliomare heeft een expertisecentrum NAH gericht op behandeling, ondersteuning en wetenschappelijk onderzoek. Erny Groet is als klinisch (neuro) psycholoog hieraan verbonden. “Bij cognitieve stoornissen kun je denken aan geheugen- of concentratiestoornissen, maar ook aan plannings- of organisatieproblemen. Je kunt trager worden in denken en handelen, de waarneming kan veranderen, of iemand kan gedrags- of emotionele veranderingen vertonen. Dat zijn de lastige gevolgen van NAH, die je meestal niet aan de buitenkant kan zien”, beschouwt ze. Recentelijk wetenschappelijk onderzoek heeft geleid tot diverse behandelvormen op gebied van cognitieve revalidatie.

foto: archief Heliomare

Behandelen De cognitieve revalidatie start met neuropsychologische diagnostiek, aangevuld met bevindingen van de omgeving. Het behandelplan wordt samen met patiënt en familie opgesteld. Groet: “Als bijvoorbeeld het geheugen ernstig is aangedaan, wordt een geheugenboek samengesteld, waar de patiënt informatie in terug kan vinden. Voor patiënten met relatief lichte gevolgen kunnen andere hulpmiddelen uitkomst bieden, zoals een agenda, mobiele telefoon of geheugenhorloge. Probleem is dat de patiënt deze hulpmiddelen of strategieën niet automatisch gebruikt. Het moet ingeslepen worden”. Revalidatiearts Coen van Bennekom: “De patiënt moet met zijn veranderde situatie weer leren regie te krijgen over zijn leven met een nieuw

Revalidatie besteedt ook structureel aandacht aan terugkeer naar werk. Deze arbeidsgerelateerde revalidatie start al in een vroeg stadium. Van Bennekom: “Als iemand weer zicht op arbeid heeft, hoe gering ook, is het heel belangrijk, vooral bij onzichtbare gevolgen, het bedrijf, collega’s en de bedrijfsarts goed in te lichten. Zo mogelijk start de patiënt met werktraining om de overgang naar een werkomgeving te vergemakkelijken. Met een jobcoach kan de daadwerkelijke terugkeer naar werk goed worden vormgegeven.” Groet: “Veel aandacht is er sinds kort voor kinderen met hersenletsel. Naast diagnostiek en behandeling van kind en gezin wordt de school geïnformeerd over de mogelijkheden van hun leerling. Soms is een speciale observatieklas nodig om de leercapaciteiten in kaart te brengen.”

Jaren later Revalidatie vindt vaak plaats direct na het letsel. “Het kan ook voorkomen dat iemand pas jaren na het letsel naar de revalidatie wordt verwezen. Patiënten zijn dan vanuit het ziekenhuis rechtstreeks naar huis ontslagen en hebben ogenschijnlijk geen restdefecten. Later ervaren ze thuis of op het werk toch problemen. Ook zij kunnen in de revalidatie goed geholpen worden”, licht Groet toe, “er hoeft niet altijd sprake te zijn van ernstige beperkingen.” Naast geheugen- en andere cognitieve trainingen, en behandeling gericht op gedrag en emoties, bestaat er sinds kort ook een behandeling tegen vermoeidheid na hersenletsel. Dit blijkt heel succesvol. Het betreft een groepsbehandeling, gecombineerd met een speciaal fitnessprogramma. De groepsbehandeling is er onder andere op gericht mensen te laten zien en ervaren hoe je energie over de dag beter kunt verdelen, door lichamelijke en mentale bezigheden goed af te wisselen. Elke patiënt is anders. Revalidatie is altijd maatwerk. n

Meer informatie www.heliomare.nl en www.revalidatie.nl

Gastbijdrage  Bem!Magazine

Gastbijdrage  Bioness

Consument hongerig naar eerlijke informatie over gezondheid

Functionele Elektro Stimulatie

Z

elfdiagnose; een fenomeen van deze tijd. Ging je vroeger naar je huisarts om erachter te komen welke huidziekte je had, tegenwoordig kun je dit online onder begeleiding van een dermatoloog doen. De consument is wijzer en mondiger geworden en vertrouwt niet meer volledig op de huisarts of apotheker. Hierin schuilt nu ook juist het gevaar. Ondanks de vele zegeningen van internet is er ook veel foutieve of onvolledige informatie te vinden op het gebied van gezondheid. “Via onze website www.geneesmiddelenrepertorium.nl kwamen we erachter dat de informatiebehoefte onder consumenten aangaande gezondheidsonderwerpen groot is”, vertelt Anneke van der Linden, directeur van Pharma Publishers BV. “Het Geneesmiddelen Repertorium is een naslagwerk voor artsen en apothekers van alle geregistreerde informatieteksten van merkgeneesmiddelen in Nederland. Naast de printversie staat het geneesmiddelenrepertorium nu ook online. Van de ruim 4.500 bezoekers per dag blijkt maar liefst de helft consument te zijn. Dat is bijzonder voor een site gericht op professionals. Daarnaast krijgen we tientallen mailtjes per dag met vragen over geneesmiddelen en het gebruik ervan.”

Gezond leven als gewoonte Er is veel versnipperde informatie over gezondheid beschikbaar op het internet, maar je weet niet altijd of je de bronnen kunt vertrouwen. “Zo is ook het idee voor BEM!Magazine ontstaan”, vertelt Roos Schreuder  – van der Linden, hoofdredacteur en uitgever van BEM! en zus van Anneke van der Linden. Met BEM! willen we voor de drukbezette, moderne vrouw – de gatekeeper van het gezin – praktische en betrouwbare informatie over gezondheid in de breedste zin van het woord bundelen. Het allerbelangrijkste is dat we met BEM! van bewust en gezond leven een gewoonte maken. De artikelen worden met diepgang en autoriteit geschreven om de lezer zodanig te informeren, dat zij vervolgens haar eigen conclusies kan trekken en zelf keuzes kan maken. De artikelen in combinatie met vormgeving, spraakmakende columns en gadgetpagina’s maken van BEM! een eigenzinnig gezondheidsmagazine met een glossy look.” n

Meer informatie www.geneesmiddelenrepertorium.nl en www.bemmagazine.nl

Een sleepvoet of slecht functionerende hand kan met recht een zeer vervelend effect van hersenletsel zijn. Een goede oplossing is echter voorhanden.

N

a het doormaken van hersenletsel als MS, CVA, een traumatische hersenbeschadiging, hersenverlamming of een incomplete beschadiging van het ruggenmerg kan een patiënt geconfronteerd worden met een sleepvoet of verminderde handfunctie. Een neuroorthese is de beste oplossing om hulp te bieden. De Bioness L300 bijvoorbeeld is een FES-systeem voor een sleepvoet. Het systeem valt nauwelijks op, is eenvoudig instelbaar door de fysiotherapeut en is gebruiksvriendelijk. Direct onder de knie komt een manchet met elektroden aan de binnenzijde, die draadloos communiceert met een sensor in de hiel van de schoen. Deze sensor detecteert de positie van de voet tijdens het lopen. Grote voordeel is dat het systeem niet alleen helpt om normaler te lopen, maar zorgt er ook voor dat de eigen spieren en zenuwen zo optimaal mogelijk geactiveerd worden en een voortdurende puls naar de hersenen stuurt. De opgeslagen gegevens, zoals die worden ingesteld door de fysiotherapeut, zijn opgeslagen in de handbediening, die de patiënt bij zich draagt en waarmee het systeem wordt geactiveerd. De trainingsarbeid en het verbeterde looppatroon geeft de patiënt meer conditie, uithoudingsvermogen en zelfvertrouwen en beperkt het risico

op vallen. Bovendien wordt spieratrofie voorkomen of vertraagd, simpel omdat de patiënt zélf de beweging maakt. Het bewegingsbereik van gewrichten wordt behouden of zelfs verbeterd en de plaatselijke doorstroming van het bloed wordt geoptimaliseerd. Het systeem maakt het mogelijk om zo dicht mogelijk bij het optimale kunnen van de patiënt te functioneren en speelt een grote rol in een vroegtijdige revalidatie. Deze neuro-orthese is te verkrijgen na een test (screening) door speciaal getrainde fysiotherapeuten van erkende dealers in Nederland. n

Meer informatie bel 0800-6377633 (www.bioness.com)


18

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Mental Health

Mental Health steeds meer volwassen De Mental Health opleiding aan de universiteit in Maastricht wordt voortdurend aangepast naar de wensen van praktijk én studenten. Auteur: Cor Dol

D

e masteropleiding Mental Health aan de Universiteit van Maastricht bestaat al sinds 1984, al heette de opleiding toen nog anders. Cor Meesters is programmacoördinator van de masteropleiding en is dus verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs binnen de opleiding. “In 1980 werd in Maastricht de faculteit sociale geneeskunde opgericht. Dat werd vrij snel de faculteit gezondheidswetenschappen genoemd. In 1984 kwamen er nieuwe afstudeervarianten bij en werd ook gekeken naar de gedragskant. De biologische, maatschappelijke en beleidsmatige kant waren al vertegenwoordigd”, licht Meesters de recente geschiedenis toe. De ‘gedragskant’ werd uiteindelijk geestelijke gezondheidskunde genoemd en was gericht op het verklaren van determinanten van psychische stoornissen en het onderzoeken van evidence based behandelingsstrategieën. Dus: hoe ontstaan psychische problemen en wat kunnen we er aan doen? Met de introductie van de bachelor-masterstructuur in 2003/2004 ontstond een bacheloropleiding van drie jaar, gevolgd door de masteropleiding van één jaar, die Mental Health is genoemd. De opleiding concentreert zich op drie

competenties:  diagnostiek, interventiestrategieën en het onderzoek naar neuropsychologische, psychotische en persoonlijkheidsstoornissen.

Masterjaar Het masterjaar bestaat voor een belangrijk deel uit een klinische stage, waarin de student stage loopt in een ggz-instelling en tot slot een wetenschappelijk onderzoek opzet en uitvoert. “We hebben verschillende lijnen van onderzoek”, onderscheidt Meesters. “Er is een groep die meer fundamenteel, experimenteel onderzoek doet in een laboratorium, waarbij men probeert mechanismen te ontrafelen. Enerzijds stoornissen in de hand werken, maar vooral ook in stand houden. We hebben een sectie die zich bezighoudt met eetstoornissen en verslaving, die onderzoek doet naar factoren die van invloed zijn op boulimia en anorexia. Daar binnen zijn weer mensen die behandelingsmodellen uitwerken en de effectiviteit daarvan onderzoeken.” Naast de eetstoornissen wordt ook onderzoek gedaan naar angst en depressie en persoonlijkheidsstoornissen. Kenmerkend is de sterke samenwerking met ggz-instellingen en het riagg. Verschillende afdelingen zijn geacademiseerd: de patiëntenzorg is mede toegankelijk gemaakt voor wetenschappelijk onder-

zoek. Dat betekent heel concreet dat onderzoekers naast hun onderzoeks- en onderwijstaken op de universiteit ook klinische taken hebben. Ze behandelen als therapeut patiënten in de praktijk. Andersom worden medewerkers van de ggz-instellingen en het riagg ingezet in het onderwijs van de opleiding.

Kinderen en jeugd Opvallend is dat veel studenten interesse hebben in kinder- en jeugdpsychopathologie. Meesters: “Aanvankelijk was dat niet de insteek van de opleiding. We hadden wel een of twee blokken die over kinderen en jeugdigen gingen, maar die werden vanuit de opleiding meer opgevat als basale blokken. Als je praat over psychopathologie op volwassen leeftijd, dan zijn er vaak wortels of lijnen in de jeugdjaren te vinden.” Gaandeweg ontstond ieder jaar een fors percentage studenten dat niet alleen interesse had in de kinder- en jeugdgroep, maar na de studie ook als hulpverlener in de kin-

der- en jeugdsector aan de slag ging. “In het nieuwe studiejaar gaan we naast de reguliere lijn ook een tweede lijn opzetten die expliciet opleidt voor kinder- en jeugdhulpverleners.” Ook opvallend aan de opleiding is juist die combinatie van theorie met de klinische praktijk. “En dat begint al vroeg in de bacheloropleiding”, onderstreept Meesters.

Voorbeeld De programmacoördinator geeft het voorbeeld van een studente die geïnteresseerd was in de jeugd- en kinderpsychologie. “Zij heeft haar opleiding daar enigszins op afgestemd bij het kiezen van een onderwerp voor de masterthesus. Bij het riagg in Maastricht heeft ze een uitgebreide klinische stage gedaan en combineerde dat met een wetenschappelijk onderzoek. Het ging om een sociale vaardigheidstraining van autistische kinderen. De training, zoals die gegeven werd, is geformaliseerd en geprotocolleerd. Ze deed trainingen met vijf groepen van vijf kinderen, met tussentijdse metingen. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek is nu een artikel in de maak en past het riagg de training aan. Zelf heeft zij inmiddels een baan aangeboden gekregen bij een andere instelling, om als junior-psycholoog aan de slag te gaan.” n

gastbijdrage  Jungiaans Instituut

Naar een nieuw paradigma De in deze tijd noodzakelijke paradigmaverschuiving vordert gestaag.

I

edereen is het erover eens dat dit een tijd is van grote veranderingen. Als we kijken naar de snelheid waarmee in de afgelopen jaren onze communicatiemiddelen zijn veranderd, kunnen we concluderen dat dit ook grote veranderingen teweeg heeft gebracht bij de mens. De 20e eeuw heeft veranderingen gebracht op verschillende gebieden zoals bijvoorbeeld de verandering op het gebied van de exacte wetenschappen door de relativiteitstheorie. De 20e eeuw leidt ook tot de opkomst van de psychologie door Sigmund Freud, Carl Gustav Jung en anderen. Het zorgt voor een verschuiving in aandacht van het bewuste naar het onbewuste, en van objectief naar subjectief. Er ontstaat een bestudering van de onderliggende structuren en een verschuiving naar de persoonlijke dimensies.

al meerdere decennia bezig met het bestuderen van deze complexe realiteiten binnen de mens. Dit heeft zich tevens vertaald in het oprichten van een afdeling consultancy en bedrijfstrainingen JIM; hier wordt de analytische psychologie verbonden met de bedrijfskunde.

Ondanks de verschuiving van objectief naar subjectief is de psychologie toch blijven steken in de oude uitdrukking van "het objectieve feit". Er wordt gebruik gemaakt van classificatiesystemen, waarmee uitingswijzen geïnventariseerd worden en de mens ingedeeld wordt. Protocollen worden gebruikt om de patiënt te laten passen in het systeem. De cognitieve gedragstherapie viert hoogtij. Met "wetenschappelijk objectief bewijs" wordt deze aanpak onderbouwd. Ook binnen het bedrijfsleven zien we dezelfde gedragsmatige aanpak. Het Angelsaksisch model met de maakbaarheidspatronen en de stelling "meten is weten", is hier een goed voorbeeld van. Hier is de crisis al zichtbaar.

De psyche

Complexe realiteiten De wetenschappelijke uitdaging in de 21e eeuw is uit te zoeken, hoe naast elkaar bestaande realiteiten onderling werken, onafhankelijk van elkaar zijn en toch een op zichzelf staande complexe realiteit(en) vormen. De researchafdeling van het Jungiaans instituut te Nijmegen houdt zich

Niet aangepast

Harry A.J Rump, directeur van het Jungiaans instituut en JIM

De mens dient zich open te stellen voor de onbewuste processen, want meer dan 90 % van het menselijk gedrag en functioneren gebeurt onbewust. Hierdoor wordt het noodzakelijk zicht te krijgen op zowel de bewuste als onbewuste lagen van de psyche. Zicht krijgen op deze processen helpt mensen en organisaties om toegang te krijgen tot onbekende kwaliteiten, uit hun geestelijke gevangenis te stappen

en zich open te stellen voor hun wezenlijke drijfveren. Bovendien is deze benadering duurzaam, omdat problemen bij de wortel worden aangepakt.

Instumenten Harry A.J. Rump, directeur van het Jungiaans instituut en JIM, heeft na jarenlange studie naar het functioneren van de mens, een "model" ontwikkeld C.O.M.® , dat zicht geeft op de energetische samenstelling van krachten binnen een menstype of organisatietype. Rump brengt ook de cognitie en beleving in beeld als de cultuur en de natuur van de organisatie, door middel van de Natuur-Cultuur-Analyse N.C.A® Vanuit het C.O.M.® is een instrument ontwikkeld, dat zicht geeft op het individuele persoonlijkheidsprofiel. Er zijn drie varianten: C.A.D.T ® (Competence Analysis & Development Tool) voor het bedrijfsleven. R.A.P.P.® (Rump Archetypal Personality Profile) voor de gezondheidszorg en R.A.P.P. C/A® voor kinderen en adolescenten. n

Meer informatie www.jungiaansinstituut.nl en www.jim-tcc.nl


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

19

artikel  Psychiatrische aandoeningen

Veranderingen in aanpak psychiatrie Zeventig procent van de psychiatrische patiënten rondt de behandeling van de ziekte in samenspraak met de behandelaar af. Auteur: Cor Dol

P

sychiatrische aandoeningen komen, net zoals lichamelijke aandoeningen, in alle soorten en maten. Zoals bij zoveel hersenziekten spelen genetica en omgevingsfactoren een rol in het ontstaan van de aandoeningen, en ook hier uiten de ziekten zich vaak in concentratieproblemen en de onmogelijkheid om een hoofd- van bijzaken te onderscheiden. Maar: “Er zijn enorm grote verschillen. De aanpak is dan ook vaak individueel: we kijken uiteindelijk naar wat voor de patiënt het best helpt om er zo min mogelijk last van te hebben. Er zijn algemene principes, die voor veel mensen gelden, die daarna individueel worden afgestemd. Veel psychiatrische ziekten zijn gewoon te genezen en er zijn ook aandoeningen die niet overgaan en in meer of mindere mate een handicap vormen. Deze patiënten moeten heel goed leren te onderscheiden wat wel en wat niet helpt. En tekens herkennen waaruit blijkt dat de ziekte erger gaat worden”, beschouwt Roxanne Vernimmen in globale zin. Vernimmen is psychiater en voorzitter van de Raad van Bestuur van ggz-instelling Altrecht. Zo’n zeventig procent van de psychiatrische patiënten rondt de behandeling van de aandoening in overleg af. Twintig tot dertig procent houdt dus in meer of mindere mate een beperking. “Die beperking zit vaak in

de interactie met andere mensen. Daar kun je de hele dag en op allerlei manieren last van hebben.”

Ervaringsdeskundigen Medicatie, psychotherapie en vaktherapie: dat waren tot voor kort de manieren om psychiatrische aandoeningen aan te pakken. Sinds kort is er een be-

langrijke nieuwe ontwikkeling gaande. “Op dit moment kun je herstel leren bevorderen. Het herstel is in dit geval geen genezing, maar dat mensen kunnen leren leven met hun beperking. Ze hebben hun leven opgepakt zoals ze het willen. Dat is een beweging die momenteel erg in opkomst is. Het middel tegen bijvoorbeeld schizofrenie zal binnen nu en vijf jaar niet uitgevonden worden, maar we kunnen wel goed luisteren naar het proces van herstel van (ex-)patiënten, die ons als psychiaters kunnen doen inzien hoe we dingen beter of anders kunnen gaan doen.” Een voorbeeld: als psychiater leer je ziektebeelden (her) kennen en welke therapie daar het beste tegenover gesteld kan worden. Vernimmen meent, in het licht van deze nieuwe beweging, dat daarbij te weinig wordt gekeken naar de eigen kracht van mensen. “Kijk tijdens het herstel naar de kracht en mogelijkheden en probeer die te versterken.” In dat kader wordt er hard gewerkt aan de inzet van ervaringsdeskundigen. Ex-

cliënten die hun eigen ervaringen inzetten om andere patiënten bij te staan in hun genezingsproces. “ We willen vijf procent van onze medewerkers van deze ervaringsdeskundigen laten zijn. Voor de komende jaren zie ik voor de psychiatrie een grote winst in deze ontwikkeling.”

E-Health Daarnaast is de inzet van e-Health sterk in opkomst. In de visie van Vernimmen hoeft dat niet van a tot z een therapie te zijn die via het internet verloopt, hoewel dat zeker goede resultaten op kan leveren. De toepassing van e-Health is laagdrempelig, effectief en, niet onbelangrijk in de huidige tijd, het is relatief goedkoop. “In de behandeling zoals wij die toepassen zullen we allerlei vormen van eHealth gaan inbrengen. Waarom zou iemand face-to-face een afspraak moeten hebben, als de communicatie ook prima online kan verlopen?” Op dit moment worden er al goede resultaten geboekt met internettherapie. Cliënten werken op een laagdrempelige wijze aan hun problemen waarbij ze hun eigen tijd en tempo bepalen. Bijkomend voordeel is dat er geen wachtlijsten zijn om met de behandeling te kunnen starten. Ook domotica kan helpen om de behandeling verder vorm te geven. “Beeldbellen bijvoorbeeld. Makkelijker en sneller voor de therapeut én voor de cliënt. Dan moet je dat niet nalaten.” n

bedrijfspresentatie  Janssen

Patiënten gebaat bij partnerships en innovatie De bevlogenheid van de oprichters van Janssen is nog altijd een inspiratiebron.

O

ptimale zorg voor de patiënt is de grootste drijfveer van farmaceutisch bedrijf Janssen. Bart van Zijll Langhout, managing director van Janssen-Cilag in de Benelux: “Steeds vaker werken we via partnerships met andere partijen in de gezondheidszorg samen aan verbetering van de kwaliteit van leven van patiënten. Wij willen meer zijn dan een leverancier van medicijnen.” De focus op innovatie is een constante in de historie van Janssen. Want, om met de woorden van een van de founding fathers, dr. Paul Janssen, te spreken: “Het is vijf voor twaalf, we zijn al laat. We moeten onze taak volbrengen. De patiënten wachten.”

Diepgewortelde traditie in de neurowetenschappen Het verhaal van Janssen begint in 1953 als de jonge wetenschapper dr. Paul Janssen in Turnhout (België), Janssen Pharmaceutica opricht. In 1961 wordt het bedrijf onderdeel van de Johnson & Johnson (J&J) Family of Companies. In september jl. bracht J&J alle farmaceutische activiteiten samen onder één noemer: Janssen. In Nederland bestaat Janssen uit Janssen-Cilag en

Centocor (met ingang van 3 januari a.s. Janssen Biologics). Er werken ongeveer 1.200 mensen. Centocor is in de jaren tachtig opgericht door de Nederlander Hubert Schoemaker. Hij stond aan de wieg van de biotechnologie en ontdekte baanbrekende geneesmiddelen tegen reuma, de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa en psoriasis. Janssen-Cilag heeft een diepgewortelde traditie in de neurowetenschappen. De middelen die gebruikt worden bij schizofrenie, bij Alzheimer, bij epilepsie, bij ADHD en bij pijnbestrijding zijn niet meer weg te denken uit het huidige therapeutische arsenaal. Daarnaast is Janssen actief op het terrein van infectieziekten, kanker, ziekten van het afweersysteem en stofwisselingsziekten.

Artsen, patiënten en hun omgeving ondersteunen De bevlogenheid van de oprichters is nog altijd een inspiratiebron. Vooral het besef dat er veel aandoeningen zijn waarvoor nog geen geneesmiddelen bestaan, is een stevig fundament onder de aspiraties van Janssen. Van Zijll Langhout: “Neem Alzheimer. De huidige middelen, ook het onze, vertragen het ziekteproces. Waardevol. Natuurlijk.

Maar we willen meer. Het zou geweldig zijn als we een geneesmiddel vinden dat de ziekte kan stoppen, een zogenaamde disease modifying agent. Ook op het gebied van schizofrenie en ADHD proberen we onze droom te leven. We maken sprongen op medicamenteus gebied, maar ook ondersteunen we artsen, patiënten en hun omgeving met informatie en services. We willen de kennis die we tijdens onze onderzoeksinspanningen opdoen met hen delen. Samen met artsen en patiëntenverenigingen zoeken we voortdurend naar mogelijkheden om de zorg voor patiënten verder te verbeteren. Zo maakten we instrumenten om de therapietrouw en het ziekte-inzicht van psychiatrische patiënten te verbeteren. Ook bieden we praktische ondersteuning met een programma dat patiënten met schizofrenie in de thuissituatie begeleidt. Voor ADHD werken we mee aan een digitale vragenlijst die artsen en ouders een beter beeld geeft van hoe het echt met een kind gaat en aan een systeem dat de communicatie tussen ouders, apotheker en arts verbetert. Kortom, we willen een partner in de zorg zijn.” Voor Van Zijll Langhout is de onafhankelijkheid van artsen heilig. “Wij bie-

den een arts hoogstaande therapeutische mogelijkheden en het is onze taak uit te leggen voor welke patiënten onze middelen bij uitstek geschikt zijn en hoe ze ingezet moeten worden. Maar uiteindelijk is het de arts die in overleg met de patiënt beslist. Vanuit de integriteit die in alle vezels van ons bedrijf verankerd zit, durf ik te stellen dat het helpen van patiënten ons belangrijkste doel is en niet het verkopen van geneesmiddelen.”

Goed gevulde onderzoekspijplijn Voortdurende innovatie is voor Janssen een cruciaal adagium in het streven patiënten verder te helpen. “Op onze researchcampus in Beerse (België) heerst een cultuur van open innovatie”, aldus Van Zijll Langhout. “We hebben een uitgebreid net van samenwerkingsverbanden met universiteiten, met ziekenhuizen en met kleine biotechbedrijven. In dat opzicht horen we bij de meest vooruitstrevende farmaceutische bedrijven. We hebben een goed gevulde onderzoekspijplijn en dat is in de eerste plaats geweldig nieuws voor de patiënt.” n Auteur: Margot van Gils, i.o.v. Janssen


20

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  ADHD

ADHD behandelen; pillen, praten of prikkels? Ongeveer 1 op de 25 kinderen heeft ADHD. Hoewel het geen levensbedreigende ziekte is, houdt ADHD de gemoederen erg bezig. zorgen dat we ons bijvoorbeeld kunnen concentreren, de gevolgen van ons handelen kunnen overzien of een tijdspanne kunnen inschatten, weten bij mensen met ADHD minder goed hun weg te vinden. Zij reageren daardoor vaak impulsiever, zijn hyperactief, kunnen zich niet goed en lang concentreren of hebben moeite met plannen. Voor de mensen in hun omgeving lijken mensen met ADHD druk, snel afgeleid, slordig, onverantwoord of ongeorganiseerd. Het feit dat zij tegenwoordig gediagnostiseerd kunnen worden, nuanceert hun gedrag en geeft ze de kans het in betere banen te leiden.

Behandeling

Auteur: Sandra Dijk

E

r wordt dan ook volop onderzoek gedaan naar ADHD en de laatste jaren hebben de ontwikkelingen grote sprongen gemaakt. Bij mensen met ADHD loopt de overdracht van informatie in de hersenen anders dan bij mensen zonder ADHD. Prikkels die er normaal gesproken voor

De meest bekende en gebruikte behandelmethode is medicatie. Met behulp van medicijnen, al dan niet in combinatie met therapie, kunnen de symptomen van ADHD heel goed worden onderdrukt. Genezing van ADHD is echter nog steeds niet mogelijk en sommige mensen blijven hun leven lang afhankelijk van medicatie. De meest bekende medicijnen tegen ADHD bevat methylfenidaat, dat de heropname van dopamine en noradrenaline remt. Uit onderzoek is gebleken dat in ongeveer 70 procent van de gevallen een effect

was aan te tonen op de symptomen van ADHD. Inname van het medicijn op zeer geregelde tijd is echter van groot belang, zeker omdat niet tijdig doseren ongewenste schommelingen in de constatering van klachten kan veroorzaken. De patiënt kan dan denken dat het middel niet of niet goed werkt. Bij ADHD wordt de informatie die iemand binnenkrijgt, onvoldoende verwerkt waardoor het bijbehorende gedrag niet goed gestuurd kan worden. Gebaseerd op dat principe, wordt ADHD tegenwoordig ook behandeld met behulp van neurofeedback. Hierbij worden de hersenen als het ware getraind en gestimuleerd om bepaald gedrag te vertonen. Hoe langer zij zich bijvoorbeeld concentreren, hoe meer zij door middel van beeld en geluid worden beloond. Na een uitgebreide meta-analyse door onderzoekers van de universiteit van Tübingen, de Radboud Universiteit en onderzoeksinstituut Brainclinic is de methode in 2010 als evidence-based benoemd.

Toekomst Gezien de resultaten en de mogelijkheden voor individuele behandeling gloort de toekomst voor de neurologische aanpak van ADHD. Maar gedragstherapie en medicatie zullen

Factoren Hoewel ADHD een aangeboren verschijnsel is, heeft onderzoek van de afdeling Psychiatrie van het UMC St. Radboud aangetoond dat biologische en gezinsfactoren ook invloed hebben op de ontwikkeling van ADHD. Onderzoekster Cathelijne Buschgens toonde aan dat een hoog geboortegewicht, een moeder die rookt tijdens de zwangerschap en complicaties tijdens zwangerschap en bevalling samenhangen met ADHD-symptomen bij kinderen. Ook zag zij een relatie tussen ADHD en diverse gezinsfactoren en ze pleit er dan ook voor om bij de behandeling van ADHD alle gezinsleden te betrekken.

altijd hun plek in het spectrum van behandelmethoden houden. Volgens onderzoeker Martijn Arns van Brainclinics is de neurofeedback die ook zijn kliniek toepast, niet per definitie de beste methode. Wel pleit hij voor een QEEG en neuropsychologisch onderzoek voor iedereen met ADHD. “Er zijn allerlei subtypes bij ADHD. Aan de hand van een neuroscan kun je heel exact bepalen tot welk sub-type iemand behoort en daar de behandeling op aanpassen. Dat zou de voorspelbaarheid van het welslagen van de behandeling aanzienlijk vergroten.” n

artikel  Neurofeedback

Voors en tegens van neurofeedback

Neurofeedback is voor velen een prima oplossing om te genezen van bijvoorbeeld ADHD. Tegelijkertijd wijzen tegenstanders op het ontbreken van aantoonbare resultaten. Auteur: Cor Dol

V

oor sommigen is neurofeedback het ei van Columbus, anderen geloven er niet in. Zeker de verzekeringsmaatschappijen hebben moeite met de therapie, die vooral wordt toegepast bij patiënten met leer- en gedragsstoornissen. Met name ADHD-patiënten schijnen veel baat bij neurofeedback te hebben. De effectiviteit wordt echter in twijfel getrokken.

Afwijkend EEG Beginnen bij het begin: neurofeedback wordt ook wel ook wel neurotherapie, neurobiofeedback of EEG-biofeedback (EEGBF) genoemd. Uitgangspunt is het EEG (Electro Encephalogram), waarin hersengolven worden weergegeven. Als het brein in evenwicht is, toont het EEG geen afwijkende punten. Is een soort hersengolven te zwak of juist te sterk, dan geeft dat een disbalans die zich op velerlei manieren kan uiten: aandachtsproblemen, concentratiestoornissen of slecht slapen bijvoorbeeld. Ook patiënten met ADHD vertonen een afwijkend EEG. De truc van neurofeedback is nu om de afwijkende hersengolven te trainen door het bewust oproepen en sturen van bepaalde gewenste frequenties. Dat gebeurt bijvoorbeeld aan de hand van een computerspel. Kinderen kun-

nen door zich te concentreren bijvoorbeeld een autootje laten rijden op een computerscherm. Zo gauw de aandacht verslapt, stopt de auto. Zo worden de hersenen getraind om zich te blijven concentreren, met het rijdende autootje als beloning. ADHD-patiënten vertonen vaak te veel activiteiten in de langzame hersengolven en te veel in de snelle, die juist van belang zijn voor de concentratie. Overigens komt andersom ook voor, reden om aan te nemen dat specifieke medicatie niet voor elke ADHD-patiënt werkt. Neurofeedback wordt veel toegepast bij ADHD en epilepsie en is daar ook het best onderzocht. De lijst van aandoeningen waar neurofeedback een rol in kan spelen is echter veel langer. Verslaving, angsten, depressie, gedragsstoornissen, migraine, slaapstoornissen en autisme zijn slechts voorbeelden. Het effect van neurofeedback is volgens de voorstanders blijvend: de hersenen zijn na behandeling zo geconditioneerd dat een terugval zeldzaam is.

Sinds de jaren zestig is er redelijk veel onderzoek gedaan naar neurofeedback. De sceptici vinden dat de meeste studies rammelen van de gebreken en uiteindelijk meer vragen oproepen dan antwoorden geven. Vijftig jaar na de eerste proefnemingen met neurofeedback is er, zo zeggen de tegenstanders van de therapie, nog bijzonder weinig bewezen en is neurofeedback in ieder geval nog steeds niet als algemene therapie aanvaard.

Tegen

Verzekering

Tegenstanders van neurofeedback wijzen op het ontbreken van aantoonbare resultaten. Zelfs het uitgangspunt, het EEG, is onderwerp van discussie: er valt volgens de sceptici slechts iets uit af te leiden als er iets heel ernstig mis is met de hersenactiviteit, zoals bij epilepsie.

Het ontbreken van aantoonbare effectiviteit was ook voor het College van Ziektekostenverzekeraars reden om neurofeedback in 2008 uit het basispakket te halen. Dat maakt de behandeling voor patiënten ineens een dure aangelegenheid: twintig behan-

delingen kosten samen tegen de 2.000 euro. Er zijn patiënten die twee keer zo veel behandelingen nodig hebben om een resultaat te bewerkstelligen. Een behandeling bij een NIP (Nederlands Instituut voor Psychologen)geregistreerde therapeut/psycholoog kan deels vallen onder een aanvullende verzekering. Als de behandelaar geen psycholoog is, valt de behandeling onder alternatieve geneeswijzen en is de vergoeding afhankelijk van het eventueel aanvullende pakket. Extra koren op de molen van de sceptici is de mogelijkheid om zelf vrij eenvoudig een eigen neurofeedback-praktijk op te zetten, weliswaar niet NIP-geregistreerd. Om de kwaliteit te blijven waarborgen is het NIP bezig met het opzetten van een register met gespecialiseerde psychologen annex therapeuten. n


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

21

artikel  Epilepsie

Epilepsie: één van de grote mysteriën van het brein De ziekte epilepsie laat zich lastig doorgronden. Waarom werkt medicatie bij de ene patiënt wel en bij de andere niet? Auteur: Sandra Dijk

I

n 2010 werd een langlopend onderzoek* afgerond waarbij ruim vierhonderd kinderen met epilepsie vijftien jaar lang waren gevolgd. Hoewel bleek dat zij gemiddeld lager scoorden op gebieden als onderwijsniveau en het vinden van een baan en zij meer problemen leken te ervaren in hun sociale leven, had 80 procent van de patiënten na vijftien jaar een goed gevoel over de eigen gezondheid. Zeventig procent was al vijf jaar aanvalsvrij, maar bij 15 procent was nog geen enkele therapie aangeslagen; zij hadden nog steeds last van aanvallen. Onderzoek blijft dus noodzakelijk. Bij epilepsie ontstaat er als het ware kortsluiting in de hersenen. Het systeem waarbij prikkels via elektrische impulsen en neurotransmitters van de ene op de andere hersencel worden overgebracht, raakt overbelast. Dit heeft een epileptische aanval tot gevolg die kan variëren van even afwezig zijn tot heftig schokken van het hele lichaam. De symptomen zijn afhankelijk van het deel van de hersenen waar de overbelasting plaatsvindt. Aan een aanval gaat vaak een vreemd gevoel van onwel zijn of een aura vooraf. Dat is niet onhandig: juist dankzij deze kortdurende verschijnselen kan een patiënt een veilige omgeving opzoeken om de aanval af te wachten.

Oorzaak Bij onderzoek is niet altijd aan te tonen wat de oorzaak van epilepsie is. Soms is het erfelijk of aangeboren, soms ook is het een gevolg van hersenbeschadiging, bijvoorbeeld bij de geboorte of na een ongeval, een infectie, een beroerte of een operatie. Epilepsie uit zich in aanvallen, maar niet iedere epileptische aanval betekent dat iemand epilepsie heeft. Aanvallen kunnen ook eenmalig zijn of een andere oorzaak hebben, zoals plotseling voorkomende veranderingen van het hartritme, een laag bloedsuikergehalte of plotselinge temperatuurstijgingen (koortsstuipen) bij kinderen.

Onderzoek Een interessant onderzoek op het gebied van epilepsie wordt gedaan door dokter Frank-Erik de Leeuw, neuroloog van het UMC St. Radboud in Nijmegen. Hij zag dat er ná een herseninfarct op jonge leeftijd (jonger dan 50 jaar) bij 15 procent van de mensen epilepsie ontstaat. Omdat dat meer is dan bij ouderen vroeg de onderzoeker zich af of de hersencellen rondom het herseninfarctgebied, vaker dan bij ouderen nieuwe verbindingen proberen te maken om het uitgeschakelde weefsel te vervangen. Volgens De Leeuw is het mogelijk dat er verkeerde of teveel verbindingen worden gemaakt. Hierdoor kunnen veranderingen in de netwerken van de hersenen ontstaan waardoor mogelijk gevoeligheid voor epilepsie ontstaat. Met zijn onderzoek hoopt De Leeuw factoren te vinden die het ontstaan van epilepsie na een herseninfarct voorspellen, waardoor mensen mogelijk preventief behandeld kunnen worden.

Operatief Net als veel neurologische aandoeningen, is epilepsie nog niet te genezen. Wel hebben veel mensen baat bij medicijnen die de aanvallen onderdrukken. Bij sommige mensen werken medicijnen echter niet. Dankzij uitgebreid onderzoek zijn inmiddels diverse andere behandelmethoden ontwikkeld. Zo kan epilepsie soms operatief worden behandeld. Het deel van de hersenen waar de aanvallen ontstaan, wordt hierbij verwijderd. De activiteit van de verwijderde hersencellen moet vervolgens overgenomen worden door andere

Do’s en dont’s Epileptische aanvallen zijn niet dusdanig gevaarlijk dat er eerste hulp nodig is; aanvallen gaan vanzelf weer voorbij. Door het plotseling uitvallen van bepaalde functies, kan iemand die een aanval krijgt echter wel in een gevaarlijke situatie belanden, zeker wanneer het een tonische aanval betreft. Wat wel te doen als iemand een epileptische aanval krijgt • Kalm blijven en bij het slachtoffer blijven. • Zorgen dat het slachtoffer op een veilige plek is. • Gevaarlijke obstakels uit de weg halen. • Probeer het hoofd te beschermen. • Houd de tijd in de gaten.

Wat niet te doen • Eerste hulp proberen te geven (bijvoorbeeld mond-op-mondbeademing). • De aanval proberen tegen te houden (door de armen en benen vast te houden). • Water in het gezicht van het slachtoffer sprenkelen. • Iets tussen de tanden stoppen; daar is het meestal al te laat voor en u loopt kans uzelf te verwonden. Bovendien kunnen harde voorwerpen de tanden beschadigen en zachte voorwerpen kunnen de luchtwegen verstoppen.

Na een aanval kunt u het slachtoffer het best op zijn of haar zij leggen en knellende kleding los maken. Geef geen water, het slachtoffer zal zich er waarschijnlijk in verslikken.

hersencellen en het welslagen hiervan hangt af van de plasticiteit van de hersenen. Kinderneuroloog Kees Braun doet hier onderzoek naar. Hij bestudeert in hoeverre het gezonde hersenweefsel op afstand van de epileptische bron beschadigd raakt door de epileptische aanvallen, hetgeen de plasticiteit nadelig beïnvloedt. Doel van het onderzoek van Braun is te bepalen hoe goed kinderen na een operatie herstellen en op welk moment de ingreep het beste kan plaatsvinden. Tevens onderzoekt Braun het afbouwbeleid van medicijnen ná een operatie bij kinderen. Om nieuwe aanvallen te voorkomen die het omliggende hersenweefsel kunnen beschadigen worden over het algemeen de anti-epileptica pas na minstens twee jaar afgebouwd. Er zijn echter aanwijzingen dat deze medicijnen, die de hersenactiviteit dempen, óók de plasticiteit, het herstelvermogen en de cognitieve functies van kinderen kunnen afremmen. Het onderzoek van Braun moet leiden tot beter gefundeerde beslissingen over de timing van het afbouwen van anti-epileptica na de operatie.

Mysterie Al het onderzoek naar epilepsie ten spijt, is de aandoening nog steeds niet volledig te doorgronden. Waarom werkt een behandeling bij de een wel en bij de ander niet? Vooralsnog blijft epilepsie dus nog één van de vele mysteriën van het brein. n

gastijdrage  Epilepsie Vereniging Nederland

Continuïteit anti-epileptica zeer nodig

M

ensen met epilepsie worden soms gedwongen akkoord te gaan om een ander medicijn te accepteren terwijl ze al jaren gewend zijn aan een bepaald soort. De switch kan verstrekkende gevolgen hebben. ‘Never change a winning team’, vat Ton Tempels samen. Tempels is directeur van de Epilepsie Vereniging Nederland en heeft ervaren dat continuïteit van anti-epileptica voor een patiënt van het grootste belang is. “Substitutie kan grote gevolgen hebben voor een epilepsiepatiënt. In veel gevallen keren de aanvallen terug en dat heeft een grote impact op het sociale en werkende leven van deze mensen. Denk bijvoorbeeld aan de rijgeschiktheid. En dat terwijl

er vaak geen medische reden is om te substitueren.” De vereniging heeft een onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van de substitutie. Duidelijk is dat het Rijk op zoek is naar beheersing van de geneesmiddelenuitgaven en sub-

stitutie zou een middel zijn om de kosten te drukken. Wat betreft de anti-epileptica is er nog nauwelijks sprake van preferentiebeleid van de verzekeraars, maar toch worden deze medicijnen op initiatief van sommige apothekers gesubstitueerd. Het onderzoek maakte onder meer duidelijk dat ongeveer een derde van de deelnemers die te maken hadden met substitutie een negatieve verandering van het aanvalspatroon en bijwerkingen hebben ervaren.

Rust en continuïteit

Ton Tempels, directeur Epilepsie Vereniging Nederland

Neuroloog Gerrit-Jan de Haan is voorzitter van de League Against Epilepsy Nederland (LIGA) en verbonden aan het epilepsiecentrum SEIN. Hij onder-

kent de problemen. “Het is van belang dat er rust is in het gebruik van antiepileptica. Als mensen door verandering van het medicament weer een aanval krijgen, heeft dat grote gevolgen voor hun zelfvertrouwen, maar ook kunnen ze hun rijbewijs kwijtraken of hun werk niet meer doen.” Tempels en De Haan zien niet hoe met deze substitutie winsten behaald kunnen worden: “Misschien wordt er een paar euro per maand bespaard, maar aanvallen kunnen ook leiden tot kostbare ambulanceritten en ziekenhuisopnames.”, schat De Haan. “De besparing is minimaal. Mede daarom is het in dit geval veel verstandiger om te sturen op continuïteit en niet op de prijs.” n


22

Het Brein

Een publicatie van Reflex Uitgeverij

artikel  Verslaving

Het probleem verslaving Auteur: Cor Dol

E

en mens kan verslaafd raken aan veel verschillende zaken. Alcohol, drugs, gokken, seks, internet, gamen, eten of werk. Voor het ontstaan van een verslaving speelt erfelijke aanleg een rol, maar ook psychische factoren zijn van belang. Een lage zelfwaardering, impulsiviteit en het onvermogen om op een goede manier met angst en depressie om te gaan bijvoorbeeld. De cultureel-sociale omgeving is een derde factor die bij het al dan niet ontstaan van een verslaving een rol speelt. Een verslaving kan dus als het ware aangeboren zijn, maar er zijn stimulerende omgevingsfactoren nodig om de verslaving tot uiting te laten komen. Ook

iemand met weinig aanleg kan dus verslaafd raken, als hij of zij veel van deze omgevingsfactoren op het levenspad tegenkomt. Verslavende stoffen beïnvloeden in de hersenen neurotransmitters op een zodanige manier dat de gebruiker afhankelijk wordt. Gebruik van de stof wekt een verlangen op en de hersenen worden door nieuwe toediening van de verslavende stof beloond voor dat verlangen. Zo ontstaat een vicieuze cirkel, totdat de gebruiker zijn gebruik niet meer onder controle heeft. Dit veroorzaakt veranderingen in de hersenfuncties, met name in de gebieden die een rol spelen bij emoties, gewoontes, motivatie en het nemen van beslissingen. Wanneer een verslaafde bij het niet

gebruiken van de verslavende stof ontwenningsverschijnselen krijgt, is hij ook lichamelijk verslaafd. De psychische verslaving is echter veel hardnekkiger en moeilijker te bestrijden dan deze lichamelijke verslaving. Uit cijfers van de hersenstichting blijkt dat alcohol in Nederland het grootste aantal verslaafden heeft. Meer dan 800.000 mensen drinken elke dag ten minste acht glazen alcohol. Zo’n 330.000 van hen drinken zelfs meer dan twaalf glazen. Het aantal opiaatverslaafden wordt veel lager geschat op ongeveer 25.000. Het aantal rokers is de afgelopen decennia flink afgenomen. In 1970 rookte nog 59 procent van de bevolking, in 2000 een derde en in 2007 nog maar 27,5 procent. Inter-

netverslaving wordt een steeds groter probleem, ook in Nederland. Volgens cijfers uit 2007 blijkt dat één op de zes Nederlanders te maken heeft met deze vorm van verslaving, die zich kan uiten in porno-, chat- of gameverslaving. n

expert interview  Tactus Verslavingszorg

„ “Online hulp effectief bij aanpak verslaving Online behandeling is laagdrempelige toegang tot hoogwaardige hulp. Voor veel verslavingen is er tegenwoordig een behandeling via het internet.

O

nline behandelen van verslaving blijkt erg effectief te zijn. Tactus Verslavingszorg is sinds de start van Alcoholdebaas.nl koploper op dit gebied en heeft inmiddels voor meerdere verslavingen een online behandeling ontwikkeld. Bestuurder Ruud Rutten verklaart het succes.

Ruud Rutten, bestuurder Tactus

Hoe succesvol is online behandelen van verslaving? De effectiviteit van Alcoholdebaas.nl is wetenschappelijk aangetoond. Het wekelijks alcoholgebruik daalt gemiddeld sterk, tot wel zestig procent. Bovendien voelen deelnemers zich fitter en gezonder en hebben ze meer plezier in hun leven na afronding van de behandeling. De gezondheidswinst is dus heel direct. Bovendien blijkt het mensen te bereiken die anders nauwelijks in beeld komen bij de verslavingszorg. Onderzoek wijst uit dat vrouwen, werkenden en hoger opgeleiden ruim vertegenwoordigd zijn bij Alcoholdebaas.nl, terwijl ze in de reguliere hulpverlening veel minder te vinden zijn. Wat zijn de voordelen? Waarom werkt het? Alcoholdebaas.nl biedt laagdrempelige toegang tot hoogwaardige hulp. Mensen

houden zelf de regie over hun behandeling; zij bepalen waar en wanneer ze aan de slag gaan. Online behandelen is drempelverlagend en duurt gemiddeld drie tot vier maanden. Mensen durven de stap naar de hulpverlening eerder te zetten. Gelukkig worden onze online behandelingen vergoed door de verzekeraar. Welke andere online behandelingen hebben jullie? Naast het al genoemde Alcoholdebaas.nl zijn ook Gokkendebaas.nl, Eetprobleemdebaas.nl, Cannabisdebaas.nl en Benzodebaas.nl actief. Alle behandelingen omvatten een compleet online zorgaanbod: een uitgebreide website met informatie, een forum voor lotgenotencontact, een individuele behandeling, allemaal ondersteund door wetenschappelijk onderzoek. Zo gaan preventie, behandeling en nazorg samen in één platform.

gastbijdrage  ADHD-centrum Zuid-Holland

ADHD: Hoe haal je het uít je hoofd?

M

et bovenstaande pakkende titel heeft Cathelijne Wildervanck, oprichter van ADHD-centrum ZuidHolland, al menig persoon een andere manier gewezen hoe om te gaan met ADHD en ADD. In het boek wordt op heldere en informatieve wijze uitgelegd hoe je zelf invloed uit kunt oefenen op de processen in je hoofd. Processen die maken dat je je zo chaotisch voelt, zo snel afgeleid bent of jezelf zo moeilijk kunt motiveren. “Ik kan niet zo goed tegen de stereotypen waar mensen snel aan denken bij ADHD”, vertelt Cathelijne. “’ADHDers zijn stuiterballen, ze komen altijd te laat, ze kunnen niet plannen’, ik hoor ze regelmatig voorbij komen. En ook de positieve typeringen als tegenhanger, ‘ADHD-ers zijn creatief, spontaan en kunstzinnig’, zijn net zo min altijd waar. Zodra je in hokjes gaat denken

verlies je oog voor de persoon achter het label, en ga je voorbij aan hoe iemand écht is.” Als reactie op het ‘denken in labels’ heeft Cathelijne ADHD-centrum ZuidHolland opgericht. Inmiddels heeft de hoofdvestiging in Delft al enige tijd gezelschap van vestigingen in Barendrecht en Leiderdorp. Wat maakt de coaching die daar plaatsvindt nu zo anders dan “reguliere” behandelingen? Cathelijne: “Ik ben erg geïnteresseerd in hoe het menselijk brein werkt en ben ook erg blij met de groeiende aandacht hiervoor. Frustrerend is dat mensen bij ADHD vaak kijken naar de beperkingen en niet uitgaan van de vele mogelijkheden. Je bent niet ADHD, hooguit heb je het. We leiden jaarlijks een flink aantal ADHD-coaches op en er is duidelijk behoefte aan een andere bril.” Psychiater Frederik van Meeteren is voorstander

van deze aanpak en het boek: “Dit boek verdient een ereplaats in de boekenkast van iedere serieuze GGZ-medewerker”. Het boek bestaat uit twee delen: het eerste deel geeft een andere bril om te kijken naar het fenomeen ADHD en ADD. In deel twee vindt de lezer verschillende praktische hoofdstukken om zelf mee aan de slag te gaan. Het boek wordt als waardevol ervaren door mensen met ADHD maar zeker ook door ouders, partners en hulpverleners. n

Meer informatie Titel: ADHD: Hoe haal je het uít je hoofd? Auteur: Cathelijne Wildervanck Uitgever: Scriptum Psychologie ISBN: 9 789055 946822 www.adhd-zh.nl

Hoe ziet u de toekomst? Online en de face-to-face behandeling zullen steeds meer aanvullend gebruikt worden. Het internet biedt de mogelijkheid hulp op maat te bieden. Daarom is het nodig dat ook de volledig anonieme behandelingen vergoed worden. Er blijven nu nog teveel mensen verstoken van goede hulp. Het internet biedt goede kansen om ook deze groep te bereiken en te helpen. n

Meer informatie Zoekt u hulp? www.Alcoholdebaas.nl www.Gokkendebaas.nl www.Eetprobleemdebaas.nl www.Cannabisdebaas.nl www.Benzodebaas.nl


Een publicatie van Reflex Uitgeverij

Het Brein

23

„ “Verslavingszorg: een tocht van vallen en opstaan expert interview  SolutionS

B

ehalve schrijver (‘Zucht’) is Bram Bakker psychiater en directielid bij SolutionS, een private ggz-instelling met verslavingszorg als insteek.

je dat mensen aan heel specifieke stoffen of gedragingen verslaafd raken. Het is als het ware als een sleutel die op een slot past.”

Uitsluitend verslavingszorg? “De overgrote meerderheid van de mensen met verslavingsproblemen heeft meer problemen. Ze zijn vaak depressief, angstig, hebben een burn-out of zijn in war. Dat wordt mee behandeld. Het is niet van: niet meer drinken en verder zoekt u het maar uit. Zo werkt het niet.”

Je beschrijft het als een aandoening? “Het is honderd procent zeker dat het een hersenziekte is. Alleen zit het op het niveau van het emotionele brein en we opereren vanuit onze hersenschors. Er is geen verslaafde die niet weet dat het onverstandig is wat hij doet, maar die kennis helpt heel weinig bij het bestrijden van de ziekte. Veel verslaafden beschrijven een gevoel van spanning, prikkelbaarheid, onwel bevinden. Dat is op korte termijn alleen maar weg te nemen door iets te gaan drinken, roken, snuiven of wat dan ook. Bijna alle verslaafden hebben gerookt of roken nog. De leeftijd waarop je bent gaan roken is erg bepalend voor de kans dat je later in je leven verslaafd raakt. Roken is voor velen de eerste verslaving en elke volgende verslaving is daarna makkelijker. Als het hek eenmaal van de dam is.”

Hoe raakt iemand verslaafd? Is het een kwestie van een gebeurtenis in de hersenen? Of is het juist andersom: als je eenmaal verslaafd bent, gaat het in de hersenen mis? “Dat is een goede vraag. Duidelijk is dat verslaving niet anders is als depressie of andere psychiatrische stoornissen. Je moet een zekere aanleg hebben, maar die moet wel geactiveerd worden. Het gaat waarschijnlijk om iets dat in de hersenen voorgeprogrammeerd is als gevoelige plek. Tegelijkertijd moet je wel ontregeld raken om te merken dat je die aanleg hebt. Verslaving is aan de ene kant een aandoening die in heel algemene termen te omschrijven is, maar anderzijds zie

En als ze eenmaal verslaafd zijn? “Dan hebben ze een gebrekkig rempedaal. Ze kunnen niet stoppen op de momenten dat ze weten dat ze het zouden moeten doen.”

SolutionS Center Voorthuizen

Zie je dat terug in de praktijk van SolutionS? “Ja. Als we mensen voor een alcoholprobleem behandelen zeggen we dat ze helemaal niet meer mogen drinken. Dat is de enige manier om het onder controle te krijgen. Niet zelden vallen ze terug en drinken dan niet één biertje, maar gaan helemaal los.” Wat is belangrijk in de handelwijze van SolutionS? “Abstinentie, dus vrijwillige onthouding, is het doel. We gaan mensen pas behandelen als ze bereid zijn om helemaal te stoppen. Mensen die op feesten en partijen nog een glaasje champagne willen drinken, zijn niet te helpen op de manier zoals wij die voor ogen hebben. Gedoseerd gebruik leidt bij iedere verslaafde tot veel gebruik. Terugval is

geen drama, het hoort bij de ziekte en het is nodig om uiteindelijk beter te worden. Er zijn weinig mensen die bij de eerste afkickpoging direct succesvol zijn. Behandeling is een tocht van vallen en opstaan. Daarnaast zijn we laagdrempelig, je kunt 24 uur per dag een beroep op ons doen. Geen wachttijden: als mensen vragen om hulp moet je ze helpen en niet over drie maanden terug laten komen. We kennen een intensief therapieprogramma. In de kliniek lukt het wel om niet te gebruiken, maar buiten moet je het volhouden. Dat is een grote uitdaging en daar heb je hulp bij nodig. Iedereen die ontslagen wordt uit de kliniek krijgt direct een afspraak voor de nazorgbehandeling, een week later. Dat is intensief en daarom zijn onze resultaten goed. En meetings met soortgenoten zijn erg belangrijk.” n

Meer informatie addiction-solutions.nl

gastbijdrage  LTC

Autonomie is je stuurman In toenemende mate kampen Nederlanders met hun mentale gezondheid. Bijna 1 miljoen mensen slikt op dit moment antidepressiva. Overtreffende trap Waar de achtergrond van deze klachten in het verleden vooral te maken had met het omgaan met beperkingen zoals chronische ziekten, rolverwachtingen, kennis en kunde, ofwel meer willen dan kunnen is hierop een verschuiving waarneembaar. Steeds vaker ligt overvloed ten grondslag aan de ervaren spanningen. Alles kan en het liefst mooier, sneller en beter. Onze mogelijkheden zijn grenzeloos, 24-uur per dag. De collectieve norm is verschoven van het calvinistische ‘doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’ naar ‘live life to the max’ ofwel het nastreven van de overtreffende trap. Daarbij neemt, door het huidige economische klimaat en de aankomende vergrijzing, de druk op presteren en duurzame inzetbaarheid alleen maar toe. Kortom de huidige context is uitdagend en de druk is hoog. Dit probleem wordt breed onderkend, kranten staan er vol van, de noodzaak voor veranderingen wordt in toenemende mate onderschreven. De grote vraag is echter Hoe?

Optimale oplossing bestaat niet Onze westerse cultuur is gericht op begrijpen en oplossingsgericht werken. Uitdagingen worden als het ware aangepakt als een puzzel waarbij het ordenen, het verkrijgen van inzicht en

Wij leren mensen niet om problemen op te lossen, wij leren mensen om met problemen om te gaan

Ditte Dupker, directeur LTC

overzicht centraal staat. Om van daaruit een sluitende oplossing te vinden en te komen tot resultaat. Uitgangspunt is: ‘Alles kan, de vraag is alleen hoe.’ Maar wat gebeurt er als de tijd de oplossing inhaalt. De puzzel complexer wordt door meer nieuwe inzichten en dilemma’s? Het gevaar is groot dat we in het ordenen blijven hangen, nog meer inzichten creëren (als doel op zich), gejaagd worden en niet tot resultaten komen. Stel je neemt als gegeven dat er geen optimale oplossing bestaat.

Wij zijn in gesprek met Ditte Dupker, directeur Leefstijl Training & Coaching (LTC). ‘Het in oplossingen denken doet een groot beroep op ons intellectuele vermogen (IQ). Het durven loslaten van de ultieme oplossing vraagt echter naast je IQ ook het vermogen om te durven vertrouwen op intuïtie, emotionele intelligentie (EQ) en fysieke intelligentie (FQ). De intentie is je richtsnoer, je autonomie is je stuurman.’ Alhoewel dit principe bij communicatie breed wordt onderkend (80% van communicatie is non-verbaal) wordt dit bewustzijn in onze westerse cultuur nauwelijks bewust toegepast als kompas voor het maken van keuzes, persoonlijke afwegingen en besluitvorming. Ontstaan vanuit een initiatief van verzekeraar Achmea en de Isala Klinieken is door Leefstijl Training & Coaching een aanpak ontwikkeld voor het doorbreken van psychische en lichamelijke balansverstoringen. ‘Tegengesteld aan de medische aanpak (uitsluiten wat goed is en de kwaal centraal stellen) is een methode ontwikkeld die uitgaat van het belichten van de mogelijkheden die mensen tot hun beschikking hebben. En ze te leren met zo weinig mogelijk energie zelfsturend te reageren op verstoringen van de balans tussen lichamelijke en psychische

Sterker nog dat beperkingen en overvloed een gegeven zijn. En dat ieders enige uitdaging is om hiermee om te gaan. ‘Niet alles kan, de keuze is waar

belasting en belastbaarheid. Congruentie in denken, voelen en doen staan in de aanpak centraal. Wekelijks ontvangen wij mensen die met meer zelfvertrouwen de deur uit gaan. Zelfacceptatie is de sleutel tot verandering. Wij leren mensen bewust te worden van hun eigen gevoel en lichaamssignalen en hierop te vertrouwen. Door dit bewustzijn en het inzicht in je eigen overlevingsstrategieën, heb je eerder de keuze om een verandering in je patronen door te voeren. Deze inzichten zijn vervolgens de basis om te ontdekken wat je zelf wilt, zodat je verantwoordelijkheid kunt nemen voor jouw inzet en uiteindelijk jouw kwaliteit van leven.’ De LTC aanpak wordt ook met succes in de zakelijke context toegepast. Variërend van opleidingen voor persoonlijke- en leiderschapsontwikkeling tot begeleiding van cultuur- en verandertrajecten. Dupker eindigt met het motto: ‘Je kunt je omgeving niet veranderen, je kunt wel zelf bepalen hoe je ermee omgaat.’

www.l-t-c.nl

je op inzet.’ Deze aanpak is bewezen effectief voor stressreductie en biedt mogelijkheden om de huidige vicieuze cirkel te doorbreken. n


Helpt u mee?

Š Foto: Inge Hondebrink

Š Foto: Inge Hondebrink

Ook in 2011 maken wij ons sterk voor mensen met een beperking.

Met uw steun maakt u meedoen mogelijk! Fonds verstandelijk gehandicapten Rekeningnummer 11 22 22 2 www.fondsverstandelijkgehandicapten.nl

Revalidatiefonds Rekeningnummer 953 www.revalidatiefonds.nl


Het Brein