Broedvogel inventarisatie Gorsselse Heide 2013

Page 1

Broedvogels van de Gorsselse Heide BMP 2013 Piet Schermerhorn pschermerhorn@concepts.nl Inleiding In 2013 werd de Gorsselse Heide door twee leden van de VWG “De IJsselstreek” (Gerrie Roetert en ondergetekende) integraal op broedvogels geïnventariseerd. In het verleden zijn ook al inventarisaties uitgevoerd in dit gebied. Het oudst bekende broedvogel onderzoek dateert uit 1969. Daarna is het gebied ook in 1983, 1984 en 2004 volledig geïnventariseerd. Daarnaast heeft Jules Philippona vanaf 1995 tot en met 2003 het gebied jaarlijks op heidevogels onderzocht. Dit alles bij elkaar levert een schat aan informatie op en biedt de mogelijkheid om verschillende jaren met elkaar te vergelijken en trends vast te stellen. In dit artikel worden, na een korte terreinbeschrijving en wat algemene resultaten, een aantal bijzondere soorten, opvallende nieuwkomers en verdwenen soorten apart besproken. Vervolgens worden enkele soorten met een opmerkelijk positieve trend en de meest algemeenste soorten behandeld en wordt dieper ingegaan op de heidevogels. Het stuk wordt afgesloten met enkele opmerkingen over het beheer van het terrein. Terreinbeschrijving Het gebied is ruim 110 hectare groot en wordt gekenmerkt door een centraal gelegen heideveld van zo’n 40 hectare, met daaromheen een brede zoom van oud (naald)bos, begrensd door openbare zandwegen. De heide is het laatste restant van de uitgestrekte heidevelden die hier eeuwen geleden nog aanwezig waren. Nadat het gebied decennia lang als militair oefenterrein gebruikt was, verkreeg de Stichting IJssellandschap in 2009 het eigendomsrecht. Het beheer is uitbesteed aan de Stichting Marke Gorsselse Heide. Het heidegebied is van oorsprong nat en vochtig, met in zuidelijke richting overgangen naar droge heide. Delen van de heide zijn begin deze eeuw geplagd en nu begroeid met dopheide. Overige delen zijn vooral vergrast met pijpestrootje. In de natste delen komt veel gagel voor. Het bos wordt gedomineerd door oude grove dennen, grotendeels ontstaan uit natuurlijke opslag op heide. Hier en daar komen ook oude eiken, berken en beuken in menging voor. Het bos heeft een vrij open structuur, waardoor zich op veel plaatsen een gevarieerde struiklaag heeft ontwikkeld van vooral berk, vuilboom en zomereik. In de overgang van bos naar heide liggen een aantal kleine waterpartijen, restanten uit de periode dat het gebied nog militair oefenterrein was en er behoefte was aan zand voor kogelvangers, een (tank)gracht voor de cavalerie en blusvijvers. In het zuidoosten ligt een graslandenclave met twee woonboerderijen met veel erfgroen. Methode Vanaf begin maart tot half juli werd het gebied tien keer in de vroege ochtenduren integraal op broedvogels geïnventariseerd volgens de BMP richtlijnen van SOVON. Om Houtsnippen en andere nocturne vogels in kaart te brengen werden twee aanvullende avondtellingen uitgevoerd. Een gemiddeld ochtendbezoek begon ruim voor zonsopkomst en duurde 4 tot 5 uur. Alle veldgegevens zijn ingevoerd via het computersysteem van Sovon. Via de zogenaamde “clustermethode” zijn van alle soorten verspreidingskaarten geproduceerd. Algemene resultaten Bij de diverse broedvogelinventaristaties zijn in totaal zo’n 73 verschillende soorten vastgesteld als broedvogel. Hieronder bevindt zich een relatief groot aantal bijzondere en zeldzame soorten. Het is opvallend dat de soortenlijst bij elke opvolgend inventarisatie langer wordt; in 1969 werden “slechts” 40 soorten vastgesteld, in 2013 was dat aantal met 40% toegenomen naar 56 soorten. Het totaal aantal territoria/broedparen van alle soorten tesamen neemt in diezelfde periode nog veel sterker toe. In 1969 werden ongeveer 275 territoria gevonden, ruim 4 decennia later verdubbelde dit aantal naar 559. De grootste toename (zowel qua soorten als aantallen per soort) zit in de categorie bosvogels. Het ouder wordende bos biedt blijkbaar aan steeds meer soorten een gunstig habitat. De groep van heidevogels blijft in diezelfde periode redelijk stabiel, hoewel soms flinke jaarlijkse schommelingen optreden.


Bijzondere broedvogels 2013 Een wel zeer bijzondere ontdekking was een broedpaar Pijlstaarten. Het paar werd voor het eerst waargenomen langs een wetering net buiten het inventarisatiegebied en vertoonde duidelijk “broedverdacht” gedrag (mannetje op wacht, vrouwtje druk aan het foerageren). Bij latere inventarisatie rondes werd het mannetje meermalen in het gebied bij één van de waterpartijen gesignaleerd. Het is niet duidelijk of er jongen zijn groot gebracht. In Nederland is de Pijlstaart een zeer zeldzame broedvogel, met jaarlijks slechts 10-20 paar. Een andere “krent in de pap” betrof de Wespendief, een heimelijke “Afrikaanse” soort, die slechts naar Nederland komt om even snel te broeden. Het paar van de Gorsselse Heide betrok een verlaten havikhorst en wist twee jongen groot te brengen, die in de tweede helft van augustus uitvlogen. De totale Nederlandse broedvogelpopulatie wordt geschat op 500-650 paren. Ook vermeldenswaardig is het voorkomen van de Ransuil. Deze soort was vroeger vrij algemeen in Nederland maar is de laatste decennia gestaag achteruitgegaan en voorlopige resultaten van het nieuwe Atlasproject van SOVON (2012-2015) zijn ronduit alarmerend. Op de Gorsselse Heide werden echter nog twee territoria vastgesteld; een relatief hoog aantal tegen de landelijke context bezien. In 2012 werden in beide territoria zelfs piepende jongen gehoord. Nieuwkomers De meest opvallende nieuwkomer in het gebied is de Grauwe Gans, een soort die meestal niet met heide en bos geassocieerd wordt. Maar blijkbaar zijn de waterpartijen in het gebied groot genoeg om Grauwe Ganzen aan te trekken. In de zestiger jaren van de vorige eeuw was de Grauwe Gans nog een uitermate zeldzame broedvogel in Nederland. Met uitzetprojecten werd voorkomen dat de soort zou uitsterven. Toen de Gorsselse Heide in 1969 op broedvogels werd geïnventariseerd konden de toenmalige tellers niet vermoeden dat de Grauwe Gans zich als broedvogel in het terrein zou gaan vestigen. Landelijk is de Grauwe Gans sinds 1995 aan een exponentiële spurt begonnen, die nog steeds door lijkt te gaan. Blijkbaar worden nu ook de meer marginale gebieden als de Gorsselse Heide bevolkt. Wanneer de soort het gebied precies heeft gekoloniseerd is niet helemaal duidelijk, maar ook in 2012 waren er al indicaties voor broeden. Vermoedelijk zijn de eerste pioniers rond 2010 verschenen. In 2013 werd het aantal paren op vijf geschat. Hoewel geen zekere broedgevallen werden geconstateerd, werd wel tot drie keer toe een luid gakkende gans bij een oud kraaiennest in een grove den waargenomen. Het fenomeen van in bomen broedende Grauwe Ganzen is in Nederland al vaker waargenomen, met name in nesten van Blauwe Reigers en roofvogels. Een andere nieuwkomer (na vele decennia van afwezigheid), de Nachtzwaluw, wordt onder het kopje heidevogels behandeld. Verdwenen soorten Vijf soorten lijken definitief verdwenen: Fazant, Wulp, Zomertortel, Koekoek en Wielewaal. Het verdwijnen van de Fazant heeft ongetwijfeld te maken met veranderingen in de jachtwet. Het fokken en uitzetten van Fazanten ten behoeve van de jacht is al geruime tijd verboden en blijkbaar heeft de soort zich zonder menselijke hulp niet kunnen handhaven. De Wulp was tot in de jaren tachtig een vaste broedvogel met zo’n drie paren. Wulpen broedden destijds in heel Nederland vooral in natte heidevelden, hoogvenen en duingebieden. Later zijn ze een voorkeur gaan ontwikkelen voor graslandgebieden en verdwenen ze ook uit de Gorsselse Heide. Momenteel zit er nog steeds een klein aantal paren in de agrarische omgeving, maar met het steeds intensiever wordende graslandbeheer zal deze populatie vermoedelijk niet lang meer stand houden. De Zomertortel en Wielewaal zijn soorten die in heel Nederland sterk achteruit zijn gegaan. Opvallend is dat de Wielewaal in 1969 nog met twee territoria voorkwam. In de jaren daarna is deze jodelende zomergast verdwenen als broedvogel. Ook de Koekoek behoort tot de categorie verdwenen broedvogels. In de laatste decennia van de vorige eeuw bezette deze nestparasiet jaarlijks nog 1-2 territoria, maar sinds de eeuwwisseling laten alleen doortrekkers zich af en toe nog horen. Koekoeken zijn in veel gebieden in Nederland achteruitgegaan, maar weten zich in de IJsseluiterwaarden nog goed te handhaven. Sterk toegenomen soorten Vergelijking met vorige inventarisaties laat zien dat vooral onder de typische bosvogels veel soorten zijn toegenomen. Dit geld bijvoorbeeld voor Merel, Kuifmees, Pimpelmees en Boomkruiper, maar de meest in het oog springende soorten zijn Grote Bonte Specht, Boomklever en Zwartkop (zie tabel 1). Zo’n 3040 jaar geleden ontbraken zij nog in het geheel of waren uiterst zeldzaam; nu zijn deze soorten zeker algemeen te noemen en de Zwartkop heeft zich zelfs een plaats in de top 5 van meest algemene soorten verworven. Dit heeft alles te maken met het ouder worden van het bos. Het relatief jonge en eenvormige pionierbos uit de jaren zestig heeft zich geleidelijk aan ontwikkeld tot een vrij gevarieerd en


natuurlijk bos. Hierdoor is onder andere het aandeel dode en kwijnende bomen toegenomen, die aantrekkelijk zijn voor de Grote Bonte Specht om een nestholte in uit te hakken en insecten uit te peuteren. Oude nestholtes worden op hun beurt graag gebruikt door Boomklevers. De struiketage die zich op veel plaatsen heeft kunnen vormen is weer zeer aantrekkelijk voor de Zwartkop. Tabel 1: Soorten met opvallend positieve trend Soort 1969 1983 1984 2004 Grote Bonte Specht 1 2 5 6

2013 12

Zwartkop

0

1

2

ng*

29

Boomklever

0

0

1

5

15

*) ng= niet geteld Meest algemene soorten in 2013 en 1969 In tabel 2 zijn de vijf meest algemene soorten uit 2013 op een rijtje gezet en vergeleken met die uit 1969. Opvallend is dat de Fitis ruim 40 jaar geleden ook al met 70 territoria de meest talrijke broedvogel was. Hoewel het aantal territoria momenteel iets lager ligt, voert deze soort nog steeds de lijst van meest algemene soorten aan. Verder zien we dat Koolmees, Roodborst en Boompieper zowel toen als nu op de lijst staan. Wel liggen de aantallen momenteel op een veel hoger niveau. Geelgors en Matkop komen in 2013 niet meer voor in de “top 5”. Zij zijn ingehaald door nieuwe soorten als Vink, Merel, Pimpelmees en Zwartkop. Deze soorten hebben duidelijk geprofiteerd van het ouder worden van het bos. Zeer verrassend is dat de Matkop in 1969 nog in de top 5 voorkwam. Sindsdien is deze mezensoort zowel landelijk als lokaal gestaag achteruitgegaan. Van de 15 territoria uit de jaren zestig zijn er nu nog maar 3 over. De Matkop is hiermee de enige (nu nog voorkomende) soort in het gebied die een structurele afname vertoont en op termijn zelfs dreigt te verdwijnen. Enigszins onduidelijk is waar deze achteruitgang aan te wijten valt. Tabel 2: De vijf meest algemene soorten in 2013 en 1969 Top 5 in 2013 Top 5 in 1969 Fitis 59 Fitis 70 Vink 43 Roodborst 21 Merel/Koolmees 32 Koolmees/ Geelgors 19 Pimpelm./Boompieper 30 Matkop 15 Roodborst/Zwartkop 29 Boompieper 13

Heidevogels De heidevogels zijn als groep, met de nodige schommelingen, in de loop der jaren globaal redelijk stabiel gebleven. Hoewel de Wulp in de jaren tachtig uit het gebied verdween, wist in de jaren negentig de Roodborsttapuit zich juist te vestigen. In eerste instantie nog als onregelmatige broedvogel, maar inmiddels is de soort al ruim 10 jaar een vaste broedvogel met 2-5 territoria. De toename van deze soort volgt hiermee de landelijke trend. Sinds kort kan ook het geratel van de Nachtzwaluw op de hei gehoord worden. De Nachtzwaluw werd voor het eerst (her)ontdekt in 2012, toen er zeker 1 territoriaal paar aanwezig was. In 2013 werd de soort wel gehoord op twee opeenvolgende avonden, maar daarna bleef het stil, zodat onduidelijk is of de soort echt gebroed heeft . Landelijk zit de Nachtzwaluw de laatste jaren in de lift, zodat we mogen verwachten dat de soort in de toekomst tot de vaste broedvogels gaat horen. Op de Sallandse Heuvelrug bevindt zich inmiddels een fors bolwerk, en ook dichterbij, in het Grote Veld, zitten al enkele broedparen. Vermoedelijk heeft de Nachtzwaluw tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw nog in het gebied gebroed getuige een opmerking in het inventarisatierapport van de CJN van 1969, maar is daarna decennia lang verdwenen. De Boomleeuwerik komt al voor op de lijst uit 1969 en sindsdien is zijn jubelend zang bij elke inventarisatie gehoord, al zijn de aantallen heel wisselend. In topjaren worden soms wel 8 territoria geteld; in magere jaren blijft de teller hangen bij 1 of 2 broedparen. Dit heeft ongetwijfeld te maken met omstandigheden in de overwinteringsgebieden. De Gorsselse Heide is één van de weinige gebieden in de Achterhoek waar deze soort tot broeden komt.


De Boompieper lijkt het sinds de eeuwwisseling duidelijk beter te doen dan in de decennia daarvoor. Tot 2000 lag het jaargemiddelde op 16 territoria, daarna op 28. Niet alle Boompiepers zitten op de hei; een deel van de populatie broedt langs de buitenrand of in kleine halfopen plekken in het bos. De Geelgors is ook een oudgediende in het gebied. Hoewel de stand elk jaar wat wisselt lijkt de populatie sinds 1969 redelijk stabiel met 12-16 broedparen. Topjaren zoals 1996 met 21 broedparen lijken uitzonderlijk. Ook hier zien we dat een deel van de populatie zich heeft gevestigd aan de buitenrand van het gebied langs de zandwegen op de overgang van bos en grasland. Zelfs verderop in het agrarische landschap komen verspreid nog enkele broedparen voor van de Geelgors. Dit is een vrij uitzonderlijk fenomeen, want hoewel de Geelgors vroeger juist veel in het boerenland op de zandgronden voorkwam is hij daar nu vrijwel verdwenen. Door schaalvergroting en intensief grondgebruik is dit landschap vaak zodanig verarmd dat er geen plaats meer is voor Geelgorzen (en andere soorten). Tabel 3: Overzicht Heidevogels Gorsselse Heide Soort 69 83 84 95 96 97 98 99 00 01 02 03 04 13 Gem. Wulp 3 3 1 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 nvt Nachtzwaluw ? 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 0 1* nvt Boomleeuwerik 4 1 1 8 5 7 2 4 8 7 4 4 2 5 4,4 Roodborsttapuit 0 0 0 2 0 0 2 2 0 0 1 1 2 4 1 Boompieper 13 13 15 15 20 9 19 23 30 34 30 29 16 30 21,1 Geelgors 19 6 12 11 21 17 16 12 11 14 12 13 13 12 13,5 *) Nachtzwaluw: in 2012 1 zeker broedpaar. In 2013 een mogelijk territorium. Het terreinbeheer De afgelopen 10-15 jaar richtte het beheer zich vooral op het behoud, herstel en uitbreiding van de heide, door kleinschalig te plaggen, bosopslag te verwijderen en te begrazen met schapen en runderen. Het bosbeheer was over het algemeen extensief, met ruimte voor natuurlijke ontwikkelingen. In de komende jaren staat natuurontwikkeling en –herstel centraal en zal het gebied ingrijpend “aangepakt” worden. Het heide areaal wordt verder vergroot door bosranden terug te dringen en geleidelijke overgangen te creëren tussen heide en bos. De waterpartijen zullen vrijgesteld worden van bomen en struikgewas en de oevers vervlakt. Sloten en watergaten worden gedempt om wegzijging van grondwater zoveel mogelijk te voorkomen. Het rabatten bos in het noordoosten, van oorsprong een kwelgebied, zal ontbost worden en weer in zijn oorspronkelijke staat opgeleverd worden. Ook in de direct aangrenzende graslanden zal het nodige gaan veranderen: hier wordt de (verrijkte) bovenlaag verwijderd en zal de waterhuishouding aangepast worden. De populatie heidevogels zal hierdoor vrijwel zeker toenemen, maar ook soorten van open bosranden zoals Gekraagde Roodstaart, Kneu, Putter en Fitis zullen hier van profiteren. Het aantal territoria van de bosvogels zal daarentegen vermoedelijk iets afnemen. Dat zich nieuwe soorten zullen vestigen is niet ondenkbaar.


Bijlage 1: Broedvogels Gorsselse Heide per inventarisatiejaar Soort Dodaars Grauwe Gans Wilde Eend Pijlstaart Wespendief Havik Sperwer Boomvalk Torenvalk Buizerd Fazant Waterhoen Meerkoet Houtsnip Wulp Holenduif Houtduif Zomertortel Turkse Tortel Koekoek Bosuil Ransuil Nachtzwaluw Groene Specht Zwarte Specht Grote B.Specht Kleine B.Specht Boomleeuwerik Boerenzwaluw Boompieper Witte Kwikstaart Winterkoning Heggenmus Roodborst Nachtegaal Gekr. Roodstaart Roodborsttapuit Merel Zanglijster Grote Lijster Braamsluiper Grasmus Tuinfluiter Zwartkop Fluiter Tjiftjaf Fitis Goudhaantje Vuurgoudhaantje Gr.Vliegenvanger Bonte Vliegenvanger Staartmees Glanskop Matkop Kuifmees Zwarte Mees Pimpelmees

1969 1 4 + 1 1 3 6 2 + ? 1 1 4 13 5 5 21 1? 11 10 9 2 1? 1 12 70 ? ? 1 3 4 15 2 4 3

1983 5 + 3 1 12 1 + 2 1 13 16 + 19 5-12 13 5 1 9 1 1 4 39 15 + 1 + + + 2 4 4

1984 3 1 3 1 1 6+ 1 1 2 1 1 5 1 15 12 4 32 5 21 8 9 2 1 4 36 2 1 1 1 9 8 7 5

2004* ng 1 1 1 1 1 2 1 ng 3 2 2 1 6 3 2 16 ng ng ng 5 2 ng 7 5 4 ng 1 ng 18 ng 4 2 ng 8 ng 14 12 ng

2013 5 4 1 1 2 1 3 1 19 2 2 1? 1 2 12 2 5 5 30 1 15 6 29 6 4 32 12 2 1 4 29 3 17 59 8 2 6 8 3 14 4 30


Soort Koolmees Boomklever Boomkruiper Wielewaal Gaai Ekster Kauw Zwarte Kraai Spreeuw Huismus Ringmus Vink Groenling Putter Kneu Kruisbek Goudvink Appelvink Geelgors Rietgors

1969 19 3 2 + + + + 9 1 ? 19 -

1983 21 3 ca 3 + + + Min 4 12 6 1

1984 21 1 2 2 1 1 3 30 1 1 1 12 1

Totaal aantal 40 41 46 zekere broedvogels Mogelijke 6 0 0 broedvogels *) 2004: algemene soorten niet geteld (ng)

2004* ng 5 ng ng ng ng ? ? ng ? 1 4 1 13 -

2013 32 15 15 7 8 6 3 4 43 4 4 3 1? 6 4 12 -

50

56

3

2


Bijlage 2: Soortbesprekingen In deze bijlage worden alle broedvogelsoorten afzonderlijk besproken, ook degenen die in vorige inventarisatie jaren werden vastgesteld. In het kopje staat steeds tussen haakjes het aantal vermeld dat in 2013 aanwezig was. Van de meer algemeen voorkomende soorten zijn territoriumkaartjes afgedrukt in de bijlagen. Dodaars (0) Hoewel al vroeg in het voorjaar (06 maart) een paar aanwezig was op het Luteaven, is er vrijwel zeker niet gebroed. Balts of andere broedindicatief gedrag bleef uit en na 17 april werden de vogels ook niet meer waargenomen. In 2012 was er op de zelfde locatie wel een territoriaal broedpaar aanwezig. Ook in 1969 werd melding gedaan van 1 broedpaar. De zakkende waterstanden gedurende het broedseizoen maken het Luteaven ook een risicobiotoop voor de Dodaars. Grauwe Gans (5T) De Grauwe Gans is een van de nieuwkomers in het gebied. Wanneer de soort het gebied precies heeft gekoloniseerd is niet helemaal duidelijk, maar ook in 2012 waren er al indicaties voor broeden. Vermoedelijk zijn de eerste pioniers rond 2010 verschenen. De Grauwe Gans wordt vooral waargenomen in het vroege voorjaar op het Luteaven en de Corduliagracht bij de voormalige schietbaan. Ook af en toe op de heide zelf. Aangezien er veel uitwisseling plaats vindt met het omringende agrarische gebied, waar vooral gefoerageerd wordt, is de soort nogal lastig te inventariseren. Na half mei lijkt de soort geheel te verdwijnen. Waarschijnlijk trekken ze dan, al dan niet met jongen, weg naar meer waterrijke gebieden zoals de IJssel uiterwaarden. Hoewel zekere broedgevallen niet werden geconstateerd, werd wel tot drie keer toe een luidruchtig gakkende gans boven in een grove den waargenomen (!) in de buurt van een kraaiennest. In bomen broedende Grauwe Ganzen, hoewel uitzonderlijk, is in Nederland vaker waargenomen, met name in nesten van Blauwe Reigers en roofvogels. Wilde Eend (4T) Wilde Eenden worden het meest gezien op voor het Luteaven en de Tankgracht (Corduliagracht), maar soms ook midden in het bos in greppels. Ook bij de recent gegraven weidepoel in de oostpunt zat een paar. Met 4 broedparen zit de soort op ongeveer het zelfde niveau als in de jaren 1969 en ‘83/’84. Zekere broedgevallen werden niet vastgesteld. Het verslag uit 1969 maakt melding van 4 nestvonsten. Pijlstaart (1T) Een wel zeer bijzondere “krent in de pap” was de aanwezigheid van een broedpaar Pijlstaarten. Het paar werd voor het eerst ontdekt op 28 maart langs een wetering ten westen van het inventarisatiegebied. Er was duidelijk sprake van broedverdacht gedrag. Bij latere rondes bleek het mannetje regelmatig op één van de waterpartijen in het gebied te zitten. Het vrouwtje is daarna niet meer gezien. Maar het is bekend van Pijlstaarten dat ze zeer teruggetrokken leven in het broedseizoen. Het is ook niet duidelijk of er jongen zijn groot gebracht. In Nederland is de Pijlstaart een zeer zeldzame broedvogel, met jaarlijks niet meer dan 10-20 paar, vooral geconcentreerd in de Zeeuwse delta, op de Waddeneilanden en langs het IJsselmeer. Vroeger kwam de soort de soort nog regelmatig voor in natte heide- en hoogveengebieden. Wespendief (1T) De Wespendief staat bekend als een moeilijk te inventariseren soort die vaak gemist wordt. Dit werd ook nu weer bevestigd door het feit dat tijdens de BMP-rondes slechts 1 x een overvliegend exemplaar werd gezien, zonder enige broedindicatie. Echter, aan het eind van het seizoen, tijdens een aanvullend bezoek, werd wel een bewoond horst gevonden met twee grote jongen. Beide jongen vlogen uit. Er werd gebroed aan de rand van een kleine open plek in het bos, op een oud Havikhorst. Met dit broedgeval werd een nieuwe soort aan de al lange lijst van de Gorsselse Heide toegevoegd. Havik (0) Zowel in 1984 als in 2004 bevond zich een broedpaar in het gebied. In ’84 werden zelfs 4 jongen succesvol grootgebracht. Dit jaar werd weliswaar regelmatig een jagende Havik gezien, maar een duidelijke aanwijzing voor broeden bleef uit. Vermoedelijk is er ergens bij “de buren” gebroed. De Havik is in ieder geval een “oude bekende”, want uit archief materiaal van SBB (G.Hanekamp) blijkt dat de soort in de jaren 50 met 1 paar tot de vaste broedvogels hoorde. Sperwer (0)


De Sperwer broedde in ieder geval in 1984 in het gebied. In recentere jaren (waarschijnlijk tot omstreeks 2010) werd een dicht lariks bosje gebruikt om in te broeden, getuige het grote aantal oude horsten dat hier nog steeds aanwezig is. In 2013 werd weliswaar een keer een baltsend paar gezien boven de oostpunt van het terrein, maar die doken daarna in oostelijke richting weg. Ook jagende exemplaren werden met enige regelmaat gespot. Duidelijke aanwijzingen voor broeden bleven uit. Boomvalk (0) Alleen in 2004 werd deze fraaie valk met 1 broedpaar geregistreerd. Wel vormt het gebied, een aantrekkelijk voedselbiotoop voor Boomvalken, getuige de waarnemingen van jagende exemplaren op grote libellen (2013: 3 waarnemingen). Ook in het verslag van 1984 wordt melding gedaan van jagende Boomvalken boven de hei. Het is trouwens niet ondenkbaar dat de soort wel eens gemist is bij inventarisaties, omdat broedzekerheid vaak pas verkregen wordt na half augustus, als de jongen uitvliegen, maar op een moment dat de tellers al bezig zijn met het schrijven van het eindverslag. Torenvalk (1?) Op 28 april werd een baltsend paar waargenomen in de buurt van de granaatbaan. Verder is er verschillende keren een jagend exemplaar gezien boven de hei of in de directe omgeving van het gebied. Al met al net te weinig om volgens de officiÍle richtlijnen een zeker territorium van te kunnen spreken, maar zeker in combinatie met aanvullende waarnemingen op waarneming.nl (op 31 mei zelfs 3 ex.!) is het vrijwel zeker dat er een broedpaar aanwezig was. Wellicht heeft het paar in de directe omgeving gebroed. Ook in 2012 werd regelmatig een Torenvalk boven de heide gezien in het broedseizoen. In de verslagen van 1984 en 1969 worden ook melding gedaan van jagende Torenvalken boven de hei, zonder dat broedzekerheid werd verkregen. Slechts in 2004 stond er een zeker broedpaar op de broedvogellijst. De landelijke trend van de Torenvalk is al sinds 1990 negatief en inmiddels is de soort schaarser dan Buizerd en Havik! Buizerd (2T) Buizerden zijn een algemene verschijning in het gebied, maar omdat ook buurparen boven het terrein baltsen en jagen is het niet altijd duidelijk om hoeveel broedparen het gaat. Uiteindelijk bleken er voldoende aanwijzingen voor twee territoria. Of er ook daadwerkelijk is gebroed is onduidelijk; er werden geen bewoonde horsten gevonden of pas uitgevlogen bedelende jongen gehoord. Maar het is bekend van de Buizerd dat een substantieel aandeel van de populatie vaak niet tot broeden komt. Hoewel pas in 2004 een eerste zeker broedpaar werd genoteerd, waren er ook in 1984 al aanwijzingen voor een broedpaar in de directe omgeving van het gebied. In 1969 was ook een paar aanwezig, maar werd buiten het gebied gebroed. De Buizerd zit in Nederland al enkele decennia in de lift en is opgeklommen tot de meest talrijke roofvogelsoort. Fazant (0) Fazanten kwamen in de laatste decennia van de vorige eeuw nog vrij algemeen voor in het gebied. In het rapport uit 1969 staat: Fazant werd zeer vaak gehoord, dus waarschijnlijk een talrijke broedvogel. Er is een nest gevonden�. In 1984 werden nog minimaal 3 territoriale mannetjes vastgesteld. Vermoedelijk werden destijds nog in de directe omgeving Fazanten uitgezet ten behoeve van de jacht. Nadat deze praktijken stopgezet werden kon de soort zich blijkbaar niet handhaven, want bij latere inventarisaties (2004, 2013) komt de Fazant niet meer voor op de broedvogellijsten. Waterhoen (0) In 1969 werd nog 1 broedpaar genoteerd (nestvonst Corduliagracht), maar bij vervolg inventarisaties kwam de soort niet meer als broedvogel voor. Wel wordt in het verslag van 1984 nog melding gedaan van een waterhoen op het Luteaven (8 april). Ook landelijk zijn waterhoentjes vooral in de buitengebieden sterk achteruitgegaan. Meerkoet (1T) Bij de eerste ronde op 8 maart was een paar aanwezig op het Luteaven. Daarna bleef een eenzaam exemplaar achter tot 4 mei. Er is duidelijk niet gebroed. In 2012 werd op de zelfde lokatie wel gebroed door een meerkoetenpaar. Ook in 2011 was de soort aanwezig op het Luteaven (waarneming.nl). Bij vorige inventarisaties werd de soort alleen in 1984 gemeld met 1 paar, eveneens op het Luteaven. Houtsnip (3T) Vermoedelijk is de Houtsnip in de laatste decennia toegenomen, maar exacte aantallen zijn onduidelijk. De Houtsnip valt namelijk onder de lastig te inventariseren soorten. Bij balts worden vaak rondjes en slingers gevlogen van vele kilometers lang en dwars door activiteitgebieden van andere mannetjes heen. Daarbij kunnen ze in een seizoen meerdere opeenvolgende partners hebben. Om toch een beeld te krijgen van de populatie werd op twee mooie zomeravonden (28/05 en 13/07) gepost op een centraal punt in het heidegebied. Vanaf hier werden alle vliegbewegingen van baltsende Houtsnippen op kaart ingetekend met tijdnotering. Interpretatie van deze gegevens rechtvaardigt een


schatting van minimaal 3 territoriale mannetjes. Waarschijnlijk maken ook baltsende Houtsnippen uit de omringende bosgebieden gebruik van de Gorsselse Heide. Ook uit recente voorgaande jaren zijn waarnemingen van baltsende houtsnippen bekend (waarneming.nl). Een voorzichtige schatting voor 2012 kwam uit op minimaal 3-5 territoriale mannetjes. In 2004 werd de populatie ingeschat op 2 territoriale mannen; in 1969 werd een nest gevonden bij het Obliquaven. Het rapport van 1984 noemt de soort wel (2 x een opvliegend ex), maar niet als broedvogel. Wulp (0) De Wulp behoorde tot eind vorige eeuw nog tot de vaste broedvogels van de Gorsselse Heide. Ook landelijk broedden Wulpen toen nog veel in natte heidevelden en hoogvenen. Later zijn ze een voorkeur gaan ontwikkelen voor graslandgebieden. Zowel in 1969 als in 1983 werden nog drie broedparen geteld op de heide. Daarna is het helaas snel bergafwaarts gegaan en bij de inventarisatie van 2004 was deze grote steltloper al niet meer aanwezig. In het agrarisch gebied rondom de Gorsselse Hei houden nog een aantal paren stand, maar het is de vraag hoelang ze het daar nog volhouden. Holenduif (1T) In het noordelijke puntje van het gebied, langs de Deventerdijk, bevond zich een (grens)territorium van een Holenduif in oud dennenbos met laanbomen. De duiven werden ook regelmatig in het aangrenzende halfopen landschap waargenomen. In de jaren 1983 en 2004 werd ook een territorium vastgesteld. Houtduif (19T) De houtduif is met 19 territoria een algemene broedvogel in de boszone rond de heidekern. Het bos wordt vooral gebruikt als broedbiotoop; foerageren doen de houtduiven vooral in het omringende agrarische gebied. Het lijkt erop dat de soort is toegenomen ten opzichte van de laatste decennia van de vorige eeuw, toen de aantallen tussen 6-12 broedparen schommelden. In grote delen van het buitengebied in Nederland is juist het omgekeerde gebeurd. Zomertortel (0) Het verslag van 1969 vermeld nog 2 nestvonsten (!) in naaldbos bij de schietbaan. De inventarisatie van 1983 leverde nog 1 paar Zomertortels op. Op waarneming.nl staat nog een koerende zomertortel vermeld op 22 mei 1988. Gezien de datum (binnen zg datumgrenzen) betrof dit ongetwijfeld een broedvogel. Daarna zijn er geen waarnemingen meer bekend en is de soort ook niet meer bij broedvogelinventarisaties vastgesteld. Hij zal vermoedelijk in de jaren 90 verdwenen zijn. Op landelijk niveau is de toestand van de Zomertortel zorgwekkend; van de aantallen van 30-40 jaar geleden is nog maar een fractie over. Terugkeer van deze soort naar de Gorsselse Hei ligt dan ook niet in de lijn der verwachtingen. Turkse Tortel (0) Hoewel bij een van de woonboerderijen op 19 mei een Turkse Tortel werd gehoord, bleef het daarbij en kon een zeker broedpaar niet vastgesteld worden. In het broedvogelrapport van 1984 wordt wel met zekerheid een broedpaar gemeld op deze zelfde locatie. In 1969 werd de soort wel waargenomen, maar niet als broedvogel. Koekoek (0) Op 4 mei werd eenmalig een koekoek in het terrein gehoord, vermoedelijk een doortrekkend exemplaar. Eind vorige eeuw was de soort nog een jaarlijkse “broed”vogel met 1-2 paar, maar bij de inventarisatie van 2004 ontbrak de soort al en is in de jaren daarna vermoedelijk ook niet meer teruggekomen. Helaas past dit in het landelijk beeld van achteruitgang van de soort. Bosuil (2T) De Bosuil kwam in 1969 vermoedelijk nog niet voor als broedvogel, hoewel het rapport de soort wel vermeld als zijnde “waargenomen”. In 1984 worden voor het eerst 2 territoria gemeld langs de noordgrens van het gebied. In 2004 is het aantal toegenomen tot 3, maar dit jaar bleef de teller hangen op 2 territoria, hoewel een derde paar zich net iets ten noorden van het gebied bevond. Opvallend is dat Bosuil en Ransuil het terrein verdeeld lijken te hebben in twee “kampen”; de Bosuilen de westelijke helft en de Ransuilen het oostelijk deel. Ransuil (2T) Deze soort was vroeger vrij algemeen in Nederland maar is de laatste decennia gestaag achteruitgegaan en voorlopige resultaten van het nieuwe Atlasproject van SOVON (2012-2015) zijn ronduit alarmerend. Op de Gorsselse Hei werden echter nog twee territoria vastgesteld; een relatief hoog aantal tegen de landelijke context bezien. In 2012 werden in beide territoria zelfs piepende jongen gehoord. Beide territoria bevinden zich in de oostelijke helft van het gebied, in door groveden gedomineerd bos. De bosuil lijkt een voorkeur te hebben voor de westelijke terreinhelft, waar meer oud loofhout voorkomt. In 1969 werden “meerdere exemplaren gehoord tijdens nachtexcursies”, hetgeen aangeeft dat er toen ook duidelijke aanwijzingen waren voor meerdere broedparen. De inventarisaties uit 1984 en 2004


leverden respectievelijk 1 en 2 broedparen op. De populatie van de Ransuil lijkt dus al die jaren redelijk stabiel op 1-2 broedparen te zitten. Nachtzwaluw (1T?) Blijkens het verslag uit 1969 kwam de Nachtzwaluw in de jaren 60 nog voor als broedvogel op de heide, maar is daarna lange tijd van het toneel verdwenen. De soort werd voor het eerst weer (her)ontdekt in 2012, toen er zeker 1 paar heeft gebroed. In 2013 werd de soort wel gehoord op twee opeenvolgende avonden, maar daarna bleef het stil, zodat we niet met zekerheid over een broedpaar kunnen spreken. Landelijk zit de Nachtzwaluw de laatste jaren in de lift, zodat we mogen hopen dat de soort in de toekomst tot de vaste broedvogels gaat horen. Op de Sallandse Heuvelrug bevindt zich al een waar bolwerk van de Nachtzwaluw, maar dichterbij, in het Grote Veld, zitten ook al enkele broedparen. Groene Specht (1T) In het gebied langs de Deventerdijk bevond zich een territorium van de Groene Specht. De spechten zaten relatief veel op het erf van de daar gelegen woning. Buiten het broedseizoen worden Groene Spechten ook wel op de hei waargenomen, met name in de kort gegraasde zuidwestpunt. In de uiterste zuidpunt, maar vooral buiten de gebiedsgrenzen, hield zich vermoedelijk een tweede broedpaar op. Ook in 2012 werden geregeld Groene Spechten waargenomen in het broedseizoen, vermoedelijk twee broedparen betreffend. In 2004 werden eveneens twee territoria vastgesteld. De broedstatus voor 2000 is onzeker; het verslag van 1969 vermeld slecht een winter waarneming. Zwarte Specht (2T) Hoewel de Zwarte Specht heden ten dage een gewone verschijning is op de Gorsselse Heide (en in de meeste grote bosgebieden op de zandgronden), is het slechts 100 jaar geleden dat de eerste Zwarte Spechten zich in Nederland vestigden. Hierbij maakte de soort dankbaar gebruik van de grootschalige heidebebossingen uit de 19de eeuw. Opmerkelijk is dat de soort in 1969, toen het bos nog veel jonger was, al voorkwam met 1 broedpaar. In de inventarisatie jaren daarna bleef het aantal vrij stabiel op een broedpaar. Maar in de laatste jaren lijkt er toch een broedpaar bij gekomen te zijn. Waarnemingen uit 2011 doen vermoeden dat er toen al twee territoria bezet waren; ook in 2012 werd het aantal broedparen op 2 geschat. En dit aantal werd bevestigd in 2013; één territorium in het noordelijk bosgedeelte (granaatbaan eo) en een tweede in het westelijk bosgebied. Het noordelijk paar broedde in een dode groveden in een klein stukje verbrand bos aan de rand van de heide. Grote Bonte Specht (12T) Het ouder worden van het bos weerspiegeld zich fraai in de exponentiële groeicurve van de Grote Bonte Specht. In 1969 begon de soort net het gebied te koloniseren; slechts 1 paar kwam op de lijst voor. Hierna namen de aantallen geleidelijk toe. Sinds 2004 is het aantal verdubbeld van 6 naar 12 broedparen in 2013. De soort hakt bij voorkeur een nestholte uit in dode bomen, vooral berken en grove dennen. Hij vervult daarbij een grote voortrekkersrol; de oude nestholen worden later weer graag gebruikt door andere holenbroeders. Kleine Bonte Specht (2T) De Kleine Bonte Specht heeft vermoedelijk pas rond de eeuwwisseling of iets daarvoor het gebied gekoloniseerd. Het ouder worden van het bos met een toenemend aandeel dode bomen (berken!) heeft hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol gespeeld, maar volgt ook de landelijke trend van uitbreiding en toename; sinds 1990 is de Nederlandse populatie meer dan verdubbeld! De inventarisatie van 2004 maakt voor het eerst gewag van deze soort (3 territoria). Het broedseizoen 2013 leverde twee territoria op, met een nestvonst in een dode berk. Wellicht werd een derde paar bij het Luteaven (aanwezig in vorige jaren) gemist, want deze kleine specht wordt door zijn onopvallend gedrag namelijk snel over het hoofd gezien. Ook in 2012 waren er minimaal twee territoria bezet (interpretatie waarneming.nl). Boomleeuwerik (5T) De Boomleeuwerik behoord tot de echte heidevogels; 4 van de 5 territoria bevonden zich op het centrale heidegebied en de 5de zat in de noordelijke heide lob. Opmerkelijk is dat in het vroege voorjaar regelmatig (zingende) exemplaren vanuit het heide gebied naar het aangrenzende agrarisch gebied vlogen, waarschijnlijk om daar te foerageren. De Boomleeuwerik is waarschijnlijk sterk gebaad bij begrazing van de heide; hij heeft een voorkeur voor korte grasvegetaties en open kale plekjes binnen de heide. Plekken met dichte hoge vegetatie zijn minder aantrekkelijk voor deze soort die over de grond moet kunnen lopen. Boomleeuweriken zijn al broedvogel sinds het eerste broedvogel onderzoek in ’69. Het aantal territoria van deze soort ligt gemiddeld op ruim 4 territoria, maar kan sterk wisselen van jaar tot jaar; soms is slechts 1 broedpaar aanwezig, in goede jaren daarentegen kan het aantal oplopen tot 8! Landelijk is de soort sterk toegenomen in de jaren 90, maar sinds 2000 is een stabilisatie opgetreden. Boerenzwaluw (5T)


Vreemd genoeg is de Boerenzwaluw bij geen enkele vroegere inventarisatie vermeld, hoewel de twee boerderijwoningen, waar in 2013 zeker 5 broedparen werden geteld, toentertijd ook aanwezig waren. Wellicht is destijds niet of onvoldoende naar erfvogels gekeken. De bewoner van het pand aan de Reeverdijk gaf aan dat er al jarenlang boerenzwaluwen in zijn schuren broeden; vorig jaar zelfs 6 paar (nu drie). Boompieper (30T) Vrijwel alle territoria bevonden zich in- en langs het heideterrein. Overal waar wat boomopslag voorkomt (zangpost!) kan een broedpaar verwacht worden. De territoria zitten vaak dicht op elkaar. Slechts een enkel territorium werd gevonden langs de buitenrand en in de agrarische enclave langs de Deventerdijk. De boompieper kan met 30 territoria tot de algemeenste broedvogels gerekend worden. Dit aantal is in lijn met het gemiddelde van de afgelopen 13 jaar. Het lijkt erop dat de boompieper vanaf 2000 structureel talrijker is dan in de laatste decennia van de vorige eeuw, toen het gemiddelde rond de 15 broedparen schommelde. Dit beeld komt goed overeen met de landelijke trend, die een gestage toename laat zien sinds 1995. Witte Kwikstaart (1T) In de graslandenclave (oosthoek) zat bij één van de woonboerderijen een paartje witte kwikken. Vermoedelijk werd gebroed in de nok van een van de schuren. Bij vorige inventarisaties werd geen melding gedaan van witte kwikken, maar (net als de boerenzwaluw) wellicht is destijds onvoldoende op erfvogels gelet. Winterkoning (15T) Opvallend is de relatief hoge concentratie in het noordoostelijk deel en de zuidwestpunt, terwijl de strook bos langs de Reeverdijk praktisch “onbewoond” bleef. De concentratiegebieden kenmerken zich door een beter ontwikkelde struiklaag en een hoger aandeel loofbomen. In 1969 was de Winterkoning met 5 territoria nog een vrij schaarse broedvogel, maar 15 jaar later bleek hij al redelijk algemeen voor te komen. Hoewel 2013 door de strenge en aanhoudende winter geen uitmuntend winterkoningjaar was, lag de stand met 15 territoria op hetzelfde niveau als in de tachtiger jaren. Na zachte winters zal de stand ongetwijfeld boven de 20 territoria uitkomen. Landelijk laat de Winterkoning een wisselend beeld zien, vaak beïnvloed door de condities van de voorgaande winterperiode. Heggenmus (6T) De Heggenmus werd alleen waargenomen in het oostelijk deel van het gebied: twee erfterritoria bij de woonboerderijen, twee randterritoria in de braamstruwelen langs de Gerrit Slagmanweg en twee bosterritoria. Vergelijking met vorige inventarisaties geeft aan dat de stand redelijk stabiel is of zelfs ligt is toegenomen. Landelijk lijkt de soort ligt af te nemen sinds 2000. Roodborst (29T) De Roodborst is met 29 territoria een algemene broedvogel. Het aantal komt redelijk in de buurt van de stand in 1984, toen 32 territoria vastgesteld werden. Roodborstjes komen redelijk verspreid over het bosgebied voor, maar net als bij de Winterkoning, is de bosstrook tussen heide en Reeverdijk minder populair en bereikt de soort de hoogste dichtheid in de Zuidwestpunt. Een duidelijke trend is niet af te leiden uit vergelijking met vorige jaren, behalve dat de stand nogal kan wisselen van jaar tot jaar. Nachtegaal (0) Hoewel in 1969 nog een mogelijk territorium in het gebied zat (“een maal gehoord bij de woning van de heer Scholten”), is deze nachtelijke zanger daarna nooit meer waargenomen of gehoord. Het biotoop lijkt ook niet erg geschikt voor deze soort. Gekraagde Roodstaart (6T) De Gekraagde Roodstaart komt vooral voor in oud halfopen grovedennenbos aan de rand van de heide. Een territorium bevond zich op het erf van de woonboerderij aan de Reeverdijk. Bij de woonboerderij aan de Deventerdijk zat mogelijk nog een zevende territorium. De trend vanaf 1984 lijkt redelijk stabiel met 5-6 broedparen. In de zestiger jaren was de soort vermoedelijk talrijker; in 1969 werden nog 11 territoria geteld. Roodborsttapuit (4 T) Hoewel de Roodborsttapuit landelijk in toenemende mate agrarische landschappen betrekt is hij binnen de BMP plot een echte heide bewoner. Alle 4 broedparen paren bevonden zich in het centrale heidegebied, met een voorkeur voor gedeelten met verspreide opslag en afwisseling in vegetatiestructuur en –samenstelling. Het sterk met pijpenstro vergraste deel werd gemeden. Het aantal broedparen in 2013 is vergelijkbaar met dat in 2012. Blijkbaar heeft de lang voortdurende winter en aansluitend koud begin van het voorjaar geen negatieve invloed gehad op de lokale populatie. De soort lijkt nu duidelijk talrijker dan in de periode 1995-2005 toen het aantal jaarlijks schommelde tussen 0 en 2 broedparen. Deze toename is in lijn met het landelijk beeld.


Merel (32T) Met uitzondering van de bosstrook tussen Reeverdijk en heideveld, waar nauwelijks merels zijn vastgesteld (net als bij winterkoning en Roodborst), komt de soort vrij homogeen verspreid voor over het bosgebied. Wederom zien we ook hier een hogere dichtheid in de Zuidwesthoek. De Merel heeft duidelijk geprofiteerd van de voortschrijdende bossuccessie. In 1968, toen het bos nog relatief jong was, werden slechts 10 territoria vastgesteld. In 1984 was het aantal al verdubbeld en anno 2013 konden zelfs 32 territoria geteld worden. Hoewel de Merel ook landelijk is toegenomen, is de stijging op de Gorsselse heide veel sterker. Zanglijster (12T) De Zanglijster komt vrij egaal verspreid voor over het bosgebied. In 2013 was de Zanglijster sterk vertegenwoordigd in vergelijking met vorige inventarisatie jaren, maar onduidelijk is of dit een toevallige uitschieter is of dat er van structurele toename gesproken kan worden. De landelijke trend is weliswaar duidelijk positief sinds 1990. Grote Lijster (2T) Hoewel de soort in het bos broedt, foerageert hij vaak op graslandjes (paardenweitjes ed) in de omgeving van het gebied. De Grote Lijster vertoont een wat onregelmatig aantalverloop; in 1969 ook 2 territoria, in 1984 afwezig maar in 2004 wel 5 territoria. Het landelijk beeld van deze soort laat al jaren een negatieve trend zien. Braamsluiper (0) In 1969 mogelijke broedvogel met 1 territorium, maar sindsdien niet meer vastgesteld. Grasmus (1) In de houtwal op de hoek Deventerdijk/Reeverdijk bevond zich een (grens)territorium van een grasmus. In 1969 werd de soort ook vermeld als broedvogel in jonge bosaanplant (1 T.) Op 13 augustus (buiten de datumgrenzen) werd een grasmus waargenomen op de heide zelf. In de toekomst zou ook hier wel eens gebroed kunnen worden mits voldoende berkopslag aanwezig is. Tuinfluiter (4T) De Tuinfluiter is aanmerkelijk schaarser dan zijn neef de Zwartkop; slechts 4 territoria werden vastgesteld, weliswaar net zoveel als in 2004, maar aanmerkelijk minder dan tijdens de inventarisaties van ‘83 en ’84, toen in beide broedseizoenen nog 9 territoria aanwezig waren. Opmerkelijk genoeg werd de soort in 1969 in het geheel niet vermeld. Broedde de tuinfluiter in de jaren 80 nog in jonge bosaanplant van lariks en grove den, momenteel zitten ze vooral in bermen met dichte (braam)begroeiing (2T), erven (1 T) en wat rijker bos met dichte ondergroei (Zuidpunt; 1T). De landelijke trend is licht positief sinds 2000. Zwartkop (29T) De Zwartkop heeft een spectaculaire opmars doorgemaakt in het gebied. Ontbrak de soort nog geheel in 1969, nu anno 2013 staat de teller op bijna 30 broedparen! In de tachtiger jaren verschenen de eerste broedparen, maar was de soort nog aanmerkelijk schaarser dan de Tuinfluiter. De exponentiële groei dateert waarschijnlijk uit de periode rond de eeuwwisseling. Momenteel kan de soort bijna overal waar maar dichte (struik)ondergroei aanwezig is verwacht worden en kan daar lokaal hoge dichtheden bereiken, zoals in het rijkere bos rondom de voormalige schietbaan (zuidpunt), waar maar liefst 7 territoria “boven op elkaar” zaten. Ook landelijk heeft de Zwartkop de laatste 20 jaar een sterke toename vertoond. Fluiter (3T) In het noordelijk deel van het bosgebied werden zowaar 3 territoria van de Fluiter vastgesteld. Dit is duidelijk meer dan bij vorige inventarisaties, toen de teller nooit boven de 1 uitkwam. In 1969 ontbrak de soort nog; niet verwonderlijk omdat het bos toen nog ruim 40 jaar jonger was en sterk gedomineerd werd door groveden. Alle drie territoria bevonden zich in vrij open, oud grovedennenbos met vrij veel ondergroei (struik- en 2de boometage) van zomereik en berk. Het toenemend aandeel lofhout in de onderetages pakt ongetwijfeld gunstig uit voor deze soort. De Fluiter staat bekend om zijn grote jaarlijkse aantalfluctuaties, maar vertoonde een scherp dalende tendens in de jaren negentig. Gelukkig lijkt de soort zich de laatste jaren weer wat te herstellen. Tjiftjaf (17T) Hoewel redelijk algemeen vertoont de Tjiftjaf een wat onregelmatig verspreidingspatroon. De soort zit vooral geconcentreerd in het sterk gemengde bos rond de voormalige schietbaan en langs de buitenranden van het terrein, waar hij vermoedelijk van laanbomen en dichte (braam)ondergroei profiteert. Het meer homogene armere grovedennen bos wordt duidelijk gemeden. Hoewel in 1969 12 territoria werden vermeld (“op vochtige plaatsen met loofhout”), kwamen de twee vervolg inventarisaties uit de tachtiger jaren op een veel lager aantal uit (4 T). Helaas werd de soort in 2004 niet geteld, maar we mogen voorzichtig aannemen dat de soort in de lift zit, aangezien het


bosbiotoop geleidelijk aan aantrekkelijker is geworden. Landelijk laat de Tjiftjaf een van jaar tot jaar wisselend beeld zien, maar is de stand globaal redelijk stabiel. Fitis (59T) De Fitis kwam met 59 territoria ook dit jaar weer als talrijkste broedvogel uit de bus. Het aantal ligt wat lager dan in ‘69 toen maar liefst 70 territoria gekarteerd werden, maar duidelijk hoger dan in de jaren daartussen. In de zestiger jaren was een groot areaal jong dicht naaldbos met berkenopslag aanwezig, ideaal voor fitissen. De jaren daarna nam dat areaal af omdat het bos opgroeide en daardoor minder geschikt werd. Nu is echter een groot deel van het grovedennenbos zo oud geworden dat een dichte struiketage van vooral berk is ontstaan, hetgeen weer kansen biedt voor fitissen. De meeste Fitis territoria bevinden zich echter in de bosranden langs de heide. Dieper het bos in komt de soort vooral voor op kleine open plekken met veel natuurlijke bosopslag. Oud bos met gesloten kronendak is duidelijk minder geliefd. Op de heide zelf bevond zich slechts 1 territorium in een dicht opslagbosje van berken. Landelijk liet de Fitis een afname zien in de jaren 90, gevolgd door een stijgende trend in de afgelopen 10 jaar. Goudhaantje (8T Het Goudhaantje vertoont een wat wispelturig aantalverloop; in 1969 is niet duidelijk of de soort wel of niet tot de broedvogels gerekend kan worden, in 1983 slaat de teller uit naar 15 territoria, keldert dan weer naar twee territoria in 1984 (maar vermoedelijk onderteld aldus rapport), wordt helaas niet geteld in 2004 en komt in 2013 met moeite op 8 territoria. De acht territoria zijn gebaseerd op relatief weinig waarnemingen; maar liefst zes territoria werden vastgesteld op slechts 1 zangwaarneming, hetgeen de basis voor de acht territoria een beetje zwak maakt. Slechts 1 territorium werd zo fanatiek verdedigd dat de eigenaar vrijwel elke ronde gehoord werd. Het vrijwel ontbreken van sparren verklaart waarschijnlijk de relatief lage dichtheid. De twee enige plekken met wat Douglas sparren waren allebei middelpunt van een goudhaan territorium. Landelijk ging het deze soort vanaf 1990 tot 2003 voor de wind, maar daarna is weer een forse afname geconstateerd. Vuurgoudhaantje (0) Het Vuurgoudhaantje was in 1969 een mogelijke broedvogel (maar “minder algemeen dan het Goudhaantje”), in 1983 kreeg de soort een “plusje” zonder aantalvermelding. In de jaren daarna werd de soort, net als in 2013, niet opgemerkt. Nu zijn Vuurgoudhanen net als Goudhaantjes, vrij makkelijk te missen, maar gezien het ontbreken van voorkeursbiotoop (gemengd naald- en loofbos met sparren) is de afwezigheid niet verwonderlijk. Alleen het bos rond de voormalige schietbaan in de zuidpunt zou eventueel een geschikt biotoop kunnen vormen. Grauwe Vliegenvanger (0) Hoewel actief naar de soort is gespeurd werd geen enkele waarneming gedaan. Nu is de Grauwe Vliegenvanger een zeer lastige soort om te inventariseren (onopvallende zang, komt pas aan als alle bomen al in blad staan), dus het is niet helemaal uit te sluiten dat hij gemist is tijdens de BMP-rondes. Sommige bosgedeeltes lijken zeker geschikt voor de soort (oa omgeving Luteaven en voormalige schietbaan). Zowel in 1984 als in 2004 werd de soort wel vastgesteld met respectievelijk 1 en 4 territoria. Bonte Vliegenvanger (2T) De Bonte vliegenvanger lijkt een constante broedvogel in het gebied in een laag aantal. Sinds 1969 wordt de soort bij iedere inventarisatie vermeld met 1-2 broedparen. Het rapport van 1969 maakt melding van een broedgeval in en nestkast bij een van de twee woonboerderijen. In 2013 bevonden beide territoria zich in oud dennenbos met veel bijmenging van loofhout. Aangezien er geen nestkasten hangen in het bosgebied, moet de soort het hier hebben van natuurlijke nestholten. In het nabijgelegen bosgebied richting de zessprong is de soort veel talrijker en wordt vooral in nestkasten gebroed bij de hier aanwezige woningen en zomerhuisjes. Landelijk neemt de populatie vrij sterk toe de laatste 10 jaar. Staartmees (6T) De staartmees is een lastige soort om te inventariseren. De soort heeft geen duidelijk ontwikkeld territoriaal gedrag en kent evenmin duidelijke zang en wordt daarom vaak onderteld. In 2013 werden, regelmatig verspreid over het bosgebied, een 6-tal broedparen vastgesteld. Vergelijking met vorige inventarisaties is moeilijk omdat de soort alleen in 1969 kwantitatief werd onderzocht (3 paar). De landelijke trend is redelijk stabiel sinds 2000. Glanskop (8T) De Glanskop lijkt sinds de eeuwwisseling op een duidelijk hoger niveau te zitten als in de decennia daarvoor. Zowel in 2004 als in 2013 werden 8 territoria vastgesteld. Dat het bos ouder en meer gevarieerd is geworden heeft ongetwijfeld een gunstig effect op deze soort. Met name het voorkomen


van oudere dode berken zou wel eens heel belangrijk kunnen zijn voor deze soort die zelf een nestholte uithakt in vermolmd (zacht)hout. Landelijk is sinds 1990 geen significante aantalsverandering geconstateerd. Matkop (3T) De Matkop is een van de weinige soorten die duidelijk in een negatieve spiraal zit. Werd de soort in 1969 nog als “zeer algemeen” omschreven, nu zijn er van de 15 territoria uit die periode nog maar 3 over. In 1984 was het aantal al afgenomen naar 9 territoria. Helaas is deze trend niet alleen een lokaal fenomeen, maar past in het landelijk beeld van een gestage achteruitgang die zich heeft ingezet rond 1990. Enigszins onduidelijk is waar deze achteruitgang aan te wijten valt. Een mogelijke reden zouden de zachtere vochtige winters kunnen zijn, waardoor een deel van de wintervoorraden beschimmelen. Ook verdroging van het gebied zou wel eens meegespeeld kunnen hebben. Kuifmees (14T) De Kuifmees is na de Pimpel- en Koolmees de meest algemene mezensoort in het gebied en is ongeveer even talrijk als Boomklever en Boomkruiper. Hij zit met 14 broedparen op hetzelfde niveau als in 2004, maar is sinds vorige eeuw duidelijk in aantal toegenomen; zowel in 1969 als in1984 werden slechts 2 territoria geteld. De lokale trend volgt hiermee niet het landelijke beeld dat juist licht negatief is sinds 2000. De kuifmees laat een vrij regelmatige verspreiding zien over het bosgebied. Zwarte Mees (4T) De Zwarte Mees lijkt weer terug op relatief lage niveau van 30-40 jaar geleden, toen de populatie ook rond de vier broedparen schommelde. In 2004 lag het aantal met 12 broedparen aanmerkelijk hoger. Ook landelijk zien we de laatste 10 jaar een significante afname van de soort. De Zwarte Mees komt opvallend geclusterd voor: alle territoria bevinden zich in het noordoostelijk deel van het gebied. Drie van de 4 territoria bevonden zich in relatief dicht dennenbos. Hier ligt wellicht een verklaring voor de afname: het dennenbos is de laatste decennia steeds opener geworden terwijl het aandeel loofhout sterk is toegenomen. Het lage aantal heeft ongetwijfeld ook te maken met het ontbreken van oud sparrenbos, het voorkeursbiotoop van de soort. Pimpelmees (30T) De Pimpelmees wordt vooral aangetroffen in die bosgedeeltes waar een redelijke bijmenging is van loofboomsoorten. Daar waar groveden overheerst liggen de aantallen beduidend lager. Hoewel de Pimpelmees nu tot de talrijke soorten gerekend mag worden, was dat in het recente verleden zeker niet het geval. In 1969 was het nog een schaarse broedvogel met slechts 3 paar. In de tachtiger jaren zien we het aantal al iets oplopen, maar blijkbaar heeft de soort vooral daarna een exponentiële groei doorgemaakt. Met het ouder worden van het grove dennenbos is een deel van de loofhoutondergroei (vooral berk) in het kronendak doorgedrongen en daarmee is het biotoop voor de Pimpelmees aantrekkelijker geworden. Ook de landelijke populatie zit duidelijk in een groeifase, maar deze volgt een meer lineair verloop en niet exponentieel zoals we op de Gorsselse Heide hebben gezien. Koolmees (32T) De Koolmees is in de loop van de laatste decennia weliswaar duidelijk toegenomen, maar de groei is minder spectaculair als die van de Pimpelmees, die in 1969 nog echt aan het begin zijn opmars stond. De verspreiding van de Koolmees is onregelmatig. Hij heeft een duidelijke voorkeur voor het noordelijke bosgedeelte en het sterk gemengde bos in de zuidwestpunt. De soort vermijdt arm grovedennenbos met weinig loofhout bijmenging. Ook landelijk laat de soort een constante, maar geringe groei zien. Boomklever (15T) Tot 1983 ontbrak de Boomklever nog op het tableau; nu behoort hij met 15 territoria tot de algemenere soorten! De opmars van de Boomklever is redelijk recent en vrij spectaculair te noemen. Het eerste broedpaar werd pas in 1984 genoteerd, in de laanbomen langs de Elzerdijk. Het aantal groeide daarna geleidelijk naar 4 paar in 2004 en nog geen tien jaar later was de populatie met 15 paar ruim verdrievoudigd. Deze exponentiële toename heeft alles te maken met de toename van het aandeel ouder loofhout en een groter aanbod nestholen, onder andere als gevolg van de toename van de Grote Bonte Specht. De verspreiding van de Boomklever vertoont gelijkenis met die van de Koolmees; hij wordt het meest aangetroffen in het noordelijk deel en de zuidwesthoek van het terrein. Landelijk is de populatie ongeveer verdubbeld sinds 1990. Boomkruiper (15T) Hoewel de Boomkruiper al wel tot de vaste broedvogels hoorde in de laatste decennia van de vorige eeuw, was hij met 2-3 broedparen bepaald niet algemeen. Nu is hij echter met 15 paar toegetreden tot de lijst van algemene broedvogels. De verspreiding van de Boomkruiper lijkt erg op die van Koolmees en Boomklever; de soort vertoont een duidelijke voorkeur voor bos met bijmenging van oudere loofbomen. Landelijk is de Boomkruiper ook gestaag toegenomen, maar de landelijke groei loopt duidelijk achter bij die van de Gorsselse Heide. Wielewaal (0T)


In 1969 werden nog twee territoria van deze nu zo zeldzame soort vastgesteld. Een broedpaar hield zich op in de omgeving van het Luteaven, het tweede paar zat in het oostelijk deel, bij de woonboerderijen. Ook het rapport van 1984 maakt nog melding van een zingende Wielewaal op 26 mei in het bos bij de schietbaan. In juni werd een zingend exemplaar gehoord net over de gebiedsgrens bij de Deventer dijk. Vermoedelijk was er dat jaar dus ook sprake van een of twee territoria, hoewel die toen niet als zodanig zijn meegerekend. Daarna is de soort uit het gebied verdwenen en gezien de landelijke negatieve trend lijkt het voorlopig ook niet aannemelijk dat de Wielewaal zich weer in het gebied zal vestigen. Gaai (7T) Hoewel de Gaai in het verleden niet altijd kwantitatief is onderzocht lijkt ook deze soort geprofiteerd te hebben van het ouder worden van het bos. In de tachtiger jaren werd de populatie op 2-3 geschat, nu op 7 territoria. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de Gaai niet makkelijk is te inventariseren. Soms wordt groepsbalts waargenomen van onvolwassen exemplaren, broedparen kunnen zich over grote afstanden verplaatsen en vertonen buitengewoon stiekem gedrag tijdens het broeden. Ook landelijk is de Gaai sinds 1990 toegenomen. Ekster (0T) In 1983 en ’84 werd de Ekster nog als broedvogel vastgesteld, maar vermoedelijk is de soort daarna, met de opmars van de Havik, verdwenen uit het gebied. Ook in de directe omgeving van de Gorsselse Hei zijn Eksters bepaald niet algemeen. Kauw (0T) De kauw komt nog voor op de lijsten van 1969 en 1983, maar is toen helaas niet kwantitatief onderzocht. Niet helemaal duidelijk is waar de Kauw in die tijd broedde (toen het bos nog erg jong was), maar wellicht werd er gebruik gemaakt van konijnenholen op de hei? Zwarte Kraai (8T) De Zwarte Kraai is vermoedelijk fors toegenomen sinds vorige eeuw; in 1984 werd slechts 1 territorium geteld. Tijdens de andere inventarisaties is de Zwarte Kraai wel vastgesteld maar niet geteld. Ook landelijk nam de soort duidelijk toe vanaf de jaren tachtig, hoewel de aantallen zich na 2000 lijken te stabiliseren. De soort gebruikt het gebied vooral als broedplaats. Foerageren doet de Zwarte Kraai vooral in het omringende agrarische gebied, maar soms ook in het begrazingsgebied (koeienvlaaien!) op de heide. Ook op de graslanden in de oostpunt wordt wel voedsel gezocht. Spreeuw (6T) Hoewel de Spreeuw landelijk al meer dan drie decennia in een neerwaartse spiraal lijkt te zitten, blijkt dit niet direct uit de gegevens van de Gorsselse Hei. Dit jaar werden 6 broedparen gelokaliseerd bij de twee woonboerderijen en in de aangrenzende laan langs de Deventerweg. De spreeuwen broedden vooral in oude nestholen van Grote Bonte Specht en onder de dakpannen. Ze foerageerden graag op de graslandpercelen. In het feitelijke bosgebied van de Gorsselse Hei werd geen enkele Spreeuw vastgesteld. Aangezien bij vorige inventarisaties de graslandenclave niet werd geteld, mogen we aannemen dat de Spreeuw destijds nog in kleine aantallen in het bos broedde, maar daar nu uit is verdwenen. Huismus (3T) De twee woonboerderijen in de oostpunt boden onderdak aan minstens drie paren Huismussen. Aangezien dit gebiedsdeel bij vorige inventarisaties niet of slechts globaal werd meegeteld, is het niet verwonderlijk dat de huismus toentertijd niet op de lijsten voorkwam. Ringmus (4T) De Ringmus was vroeg in het voorjaar behoorlijk talrijk (groepjes van 10-15 exemplaren) op de voerplaatsen bij de twee woonboerderijen, waar later ook gebroed werd door zeker vier paren (elke woning 2 paar). Bij vorige inventarisaties werden geen Ringmussen vastgesteld, voornamelijk te verklaren uit het feit dat destijds de woonboerderijen onvoldoende onderzocht zijn. Landelijk gaat het niet goed met de Ringmus; al sinds 1980 nemen de aantallen van zowel broedvogels als overwinteraars jaarlijks af. Vink (43T) De Vink behoort tot de categorie bosvogels die sterk zijn toegenomen. In 1969 was deze soort met 9 territoria nog slechts spaarzaam aanwezig; nu heeft hij zich met 43 paar een tweede plaats veroverd op de lijst van de “top 5”. Ook landelijk neemt de Vink al decennia lang gestaag toe als broedvogel. De territoria van de Vink liggen vrij regelmatig verspreid over het bos- en cultuurgebied. Groenling (4T) Behalve Ringmussen zaten er in het vroege voorjaar ook behoorlijke aantallen Groenlingen op en rond de twee woonboerderijen waar flink gevoerd werd. De bewoner van een van de woningen schat dat er soms wel tot 50 Groenlingen op zijn erf bivakkeerden. Een viertal paren bleef hier hangen en vertoonde


territoriaal gedrag. Groenlingen werden verder niet in het bos of op de heide waargenomen. Dit is vermoedelijk ook de reden dat de soort bij vorige inventarisaties nauwelijks werd genoteerd. Putter (4T) De Putter werd bij deze inventarisatie voor het eerst als broedvogel vastgesteld. Alle territoria bevonden zich langs de buitenranden van het gebied, in bosranden langs agrarisch gebied. Hierbij valt op dat met name natte bosranden met elzen betrokken werden. Ook landelijk is de Putter een soort met een succesverhaal; halverwege de jaren 70 broedde deze kleurrijke vogel nog uitsluitend in Laag-Nederland en langs de Grote Rivieren, maar in de afgelopen veertig jaar heeft de Putter zich sterk naar het oosten uitgebreid. Kneu (3T) Twee van de drie territoria bevonden zich in het westelijk deel van de heide, waar nog vrij veel oude struikheide en jonge berkenopslag voorkomt. Een derde territorium werd gevonden in de oostpunt, rond de woonboerderijen. Met drie territoria is de soort talrijker dan in vorige inventarisatiejaren toen nooit meer dan een broedpaar werd vastgesteld. Hoewel op landelijk niveau de broedvogelaantallen zich de laatste jaren lijken te stabiliseren is de Kneu eind vorige eeuw hard achteruitgegaan. Kruisbek (1?) Het voorkomen van de Kruisbek in Nederland kan enorm verschillen van jaar tot jaar, met soms massaal broeden na invasies (deze beginnen in de zomer en lopen door tot in de herfst) en complete afwezigheid in daljaren. Het laatste piekjaar was 2003. Eén van de problemen bij het inventariseren van kruisbekken is dat deze vaak al in januari/februari beginnen te broeden, terwijl de meeste BMP-ers pas in maart met inventariseren beginnen. In februari/maart, vooral buiten de officiële BMP bezoeken werden geregeld kruisbekken gezien in of net buiten het terrein (waarneming.nl). Interpretatie van deze losse waarnemingen duidt op minimaal een broedpaar in het oude dennenbos tegenover de Kartingbaan en een tweede paar bij de crossbaan langs de Deventerdijk (buiten inventarisatiegebied). Omdat onvoldoende waarnemingen werden verkregen binnen de officiële rondes is de soort een beetje “buiten de boot gevallen”. Blijkbaar had men in 1984 ook al moeite met de Kruisbek; het rapport citeert meerdere waarnemingen van zingende en roepende exemplaren in maart en april zonder dat hier territoria uit “gedestilleerd” werden. Op basis van huidige criteria zouden deze waarnemingen zeker 1-2 territoria opgeleverd hebben. Ook het rapport van 1969 maakt melding van een groep van circa 30 kruisbekken in het terrein. In het najaar van 2013 is een forse invasie van Kruisbekken op gang gekomen. Sindsdien worden er ook regelmatig groepjes Kruisbekken in het terrein waargenomen. Dit zou voor het broedseizoen 2014 wel eens extra broedparen kunnen opleveren. Goudvink (6T) De Goudvink vertoont een duidelijk stijgende tendens; voor 1984 werd de soort niet vastgesteld, in ‘84 verscheen het eerste paar op de lijst, in 2004 kwam de teller op 4, en negen jaar later op 6 territoria. Ook landelijk laat de soort een stijgende lijn zien vanaf 2000. De Goudvink is een lastige soort om te inventariseren door onopvallende zang en nauwelijks territoriaal gedrag. Hierdoor wordt de soort vaak ondertelt. Appelvink (4T) De Appelvink staat bekend als een zeer lastige, niet territoriale soort, waarbij goede kennis van roepgeluiden essentieel is. Later in het broedseizoen (vanaf eind april) is de soort over het algemeen zeer zwijgzaam. In 2004 werd voor het eerst een territorium van de Appelvink vastgesteld. Dat er nu zelfs 4 broedparen werden geteld, indiceert een toename. Ook landelijk neemt de Appelvink de laatste 10 jaar significant toe. De meeste waarnemingen van Appelvinken werden gedaan in bos met een behoorlijke variatie en bijmenging van loofbomen. Geelgors (12 T) De Geelgors broedt zowel langs de randen van de centrale heide als in de buitenrand van het gebied, op de grens van bos en agrarisch gebied, waar we ook zandpaden aantreffen. Hij lijkt dus een duidelijke voorkeur voor “overgangen” te hebben van bos naar open ruimte. Het is in het vroege voorjaar meermalen opgevallen dat de vogels van de heideterritoria naar het agrarisch buitengebied vlogen om te foerageren. Blijkbaar is er in deze tijd nog niet voldoende voedsel op de heide te vinden. Dit geeft aan dat de “heide”populatie ook in het broedseizoen deels afhankelijk is van het agrarisch buitengebied rond het terrein. Het rapport uit 1984 vermeldt nog 4 broedparen in de toendertijd nog jonge lariksaanplant aan de westzijde van de heide. Uit de telgegevens weergegeven in tabel 2 blijkt dat de Geelgors populatie de laatste 10-15 jaar redelijk stabiel is met 12-14 broedparen. In de laatste decennia van de vorige eeuw was de soort vermoedelijk iets talrijker en kwamen er jaren voor met uitschieters van rond de 20 broedparen.


Geelgorzen doen het ook landelijk gezien nog redelijk goed in open natuurgebieden op de zandgronden, maar uitgesproken slecht in het agrarisch gebied, waar ze juist vroeger algemeen waren. Rietgors (0) Hoewel de Rietgors wel algemeen in het gebied overwintert (vergraste heide/gagelstruweel), is geschikt broedhabitat slechts marginaal aanwezig, omdat de waterpartijen teveel “ingepakt” zijn door bos. Tot eind april werden nog wel exemplaren gezien, maar waarschijnlijk betrof dit late doortrekkers. Zowel in 1983 als ’84 werd een territorium vastgesteld bij de Cyneapoeltjes.

Bijlage 3: Territoriumkaarten per soort Apart bijgevoegd


Millions discover their favorite reads on issuu every month.

Give your content the digital home it deserves. Get it to any device in seconds.