Issuu on Google+

2 Petrus

Π

Ε

Τ

Ρ

Ο

Υ

-

Β


2 Petrus Raymond R. Hausoul Copyright © november 2012 Als vertaling is de Telosvertaling, © Uitgeverij Medema 1984, als uitgangspunt gekozen en waar nodig bewerkt. Ref. Raymond R. Hausoul, 2 Petrus, http://bijbelstudie.110mb.com, 2012. Download de nieuwste versie op: http://bijbelstudie.110mb.com 50-14904-92044-18:51

© All rights reserved. No part of this publication may be reproduced in any form without permission in writing from the autor. The only exception are brief quotations with a reference mark (see ref. above).


Inhoudsopgave 1 | Inleiding........................................................................................................... 7 A Een waarschuwing.......................................................................................................7 B De schrijver van de brief..............................................................................................8 a De afwijkende handtekening.................................................................................8 b Literaire verschillen tussen 1Pt en 2Pt..................................................................9 C De datering van de brief............................................................................................12 D De ontvangers van de brief........................................................................................12 E Canonieke plaats van de brief....................................................................................12 F Indeling.......................................................................................................................13

2 | 1:1-2 – Opening............................................................................................. 15 3 | 1:3-11 – Gods werk in ons.............................................................................17 4 | 1:12-21 – Het geestelijke voedsel...................................................................23 5 | 2:1-22 – De oorlog van de christen................................................................27 6 | 3:1-18 – De christelijke hoop.........................................................................35 A 3:1-7 – Komst van de spotters....................................................................................35 B 3:8-13 – Gods belofte vertraagt niet..........................................................................38 C 3:14-16 – IJver in heiliging........................................................................................42 D 3:17-18 – Waarschuwing...........................................................................................44

7 | Literatuurlijst................................................................................................. 47


Over de auteur Raymond R. Hausoul, Th.M., werkte korte tijd als bouwkundig ingenieur en studeerde vanaf 2003 theologie aan de Evangelisch Theologische Faculteit (Leuven). Sinds 2006 werkt hij voor de Evangelische Christengemeenten Vlaanderen en is hij bedienaar van de eredienst in de Evangelische Kerk De Hoeksteen te Ieper. Zijn bediening spreidt zich echter uit over heel Vlaanderen en bestaat voornamelijk uit het geven van onderwijs door prediking, studies en artikelen in binnen- en buitenland. Hij doceert de vakken Oude Testament en Systematische Theologie aan de Evangelische Toerustingsschool Vlaanderen en aan Bijbelschool C7. In het verleden doceerde hij het vak Oude Testament (frequentie: 3-jaarlijks) aan het Instituut voor Bijbelse Vorming te Leuven. Naast zijn drukke werkzaamheden, is hij verder bezig met een promotieonderzoek over de kosmische eschatologie. Raymond is gehuwd met Belinda en zij genieten van hun twee kinderen, AdriĂŤl and Ilja. Email: rbhausoul@hotmail.com Twitter: twitter.com/rhausoul Facebook: http://www.facebook.com/raymond.hausoul


Afkortingen van Bijbelboeken Gn Genesis Js Ex Exodus Jr Lv Leviticus Kl Nm Numeri Ez Dt Deuteronomium Dn Jz Jozua Hs Re Rechters Jl Rt Rut Am 1Sm 1 Samuël Ob 2Sm 2 Samuël Jn 1Kn 1 Koningen Mi 2Kn 2 Koningen Na 1Kr 1 Kronieken Hk 2Kr 2 Kronieken Sf Ea Ezra Hg Ne Nehemia Zc Es Ester Ml Jb Job Mt Ps Psalmen Mc Sp Spreuken Lc Pr Prediker Jh Hl Hooglied Hd Andere werken Tob Tobit Jud Judit TEs Ester (Grieks) 1Mak1 Makkabeeën

Jesaja Jeremia Klaagliederen Ezechiël Daniël Hosea Joel Amos Obadja Jona Micha Nahum Habakuk Sefanja Haggaï Zacharia Maleachi Matteüs Marcus Lucas Johannes Handelingen

2Mak2 Makkabeeën Wijs Wijsheid Sir Sirach Bar Baruch

Rm 1Ko 2Ko Gl Ef Fp Ko 1Ts 2Ts 1Tm 2Tm Tt Fm Hb Jk 1Pt 2Pt 1Jh 2Jh 3Jh Jd Op

Romeinen 1 Korintiërs 2 Korintiërs Galaten Efeze Filippenzen Kolossenzen 1 Tessalonicenzen 2 Tessalonicenzen 1 Timoteüs 2 Timoteüs Titus Filemon Hebreeën Jakobus 1 Petrus 2 Petrus 1 Johannes 2 Johannes 3 Johannes Judas Openbaring

BJr Brief van Jeremia TDn Daniël (Grieks) Man Manasse


2

P E T R U S INLEIDING

7

1 | Inleiding A

Een waarschuwing

2Pt waarschuwt de gelovigen voor de aanvallen van binnenuit. De gemeente dient alert te zijn voor dwaalleraars en -profeten die uit haar midden opstaan en de kudde Gods misleiden. In tegenstelling tot 1Pt staan nu niet de vijanden in de wereld maar de vijanden in Gods koninkrijk centraal. Het perspectief verruimt zich daardoor. De schrijver ziet het christelijke leven niet meer hoofdzakelijk in het verlengde van Christus’ lijden, maar vooral in het verlengde van Christus’ verheerlijking. Ging het in 1Pt vooral om Gods regering in de gemeente, zo gaat het in 2Pt over Gods regering in het hele universum.1 Ronald Blue schreef in het verleden treffend: 2 ‘Paulus plaatst de betekenis van het geloof op de voorgrond, Jakobus legt grote nadruk op de levensstijl, Petrus beklemtoont de hoop, Johannes de liefde en Judas de reinheid.’ In de handschriftentraditie van het Nieuwe Testament staan de zeven katholieke brieven die deze auteurs samen met Judas nalieten, direct na Handelingen.3 Dat is onder andere het geval in codex Vaticanus, codex Ephraemi Rescriptus, codex Alexandrinus en de meerderheidstekst. De codex Alexandrinus ziet hierbij de brief van Judas zelfs als een afsluiting van Handelingen en de katholieke brieven. De Griekse canon volgde eveneens de bovengenoemde codices en plaatste de katholieke brieven na Handelingen en voor de brieven van Paulus. Pas de Latijnse Vulgaat week van deze volgorde voor het eerste af. Later zorgde de Reformatie ervoor dat de brieven van Paulus nog sterker op de voorgrond kwamen te staan. Dat leidde ertoe dat de katholieke brieven in de gemeentes een lagere plaats toebedeeld kregen. In de laatste jaren komen de zeven katholieke brieven weer opnieuw op de agenda te staan van de gemeente. Robert Wall wees al op de samenhang van de zeven brieven en de theologische eenheid die ze inhoudelijk vormen. 4 De schrijvers van deze brieven zijn allemaal afkomstig uit de moederkerk van Jeruzalem en vertegenwoordigen de universele zendingsbeweging vanuit deze stad, 1 2 3 4

Arentsen 1996, 7–8. Ibid., 413. Van Houwelingen 2010, 68–69. Wall 2004, 43–71.


8

naast Paulus die vooral de zendingsbeweging vanuit Antiochië vertegenwoordigt in zijn brieven. Pieter van Houwelingen wijst er daarbij op dat volgorde van de katholieke brieven overeenkomt met de volgorde van de Jeruzalemse steunpilaren in Gl2:9: Jakobus, Petrus en Johannes. 5

B

De schrijver van de brief

De onbevangen lezer heeft op het eerste gezicht weinig moeite met de uitspraak dat Simon Petrus de schrijver van 2Pt is (1:1). Later in de brief verwijst de schrijver ernaar dat dit zijn tweede brief is die hij de gelovigen schrijft (3:1-2). Origenes schrijft zodoende: 6 ‘Petrus laat van zich horen door de twee trompetten van zijn brieven’. Ook spreekt 2Pt over de verheerlijking op de berg, waar enkel Petrus, Johannes en Jakobus bij aanwezig waren (1:16-18; vgl. Mt17:1-4). Dat Petrus de schrijver van 2Pt was, erkenden kerkvaders als Origenes (185-254), Athanasius van Alexandrië (295-373), Cyrillus van Jeruzalem (315-386), Methodius van Olympus (†311)7, Hiëronymus (347-420) en Aurelius Augustinus (354430). Toch moest dit traditionele auteurschap van 2Pt de meeste kritiek van alle nieuwtestamentische boeken doorstaan. Velen stelden dat 2Pt evenmin authentiek was als het Evangelie van Petrus, de Handelingen van Petrus, de Verkondiging van Petrus en de Openbaring van Petrus. De conclusie was zodoende dat niet Petrus, maar een van zijn volgelingen 2Pt schreef als geestelijk testament of afscheidsbrief nadat Petrus was overleden.8 Hiermee probeerde deze discipel te verwoorden wat Petrus zou kunnen hebben gezegd aan het einde van zijn leven. We bekijken de argumenten waarop deze theorie steunt.

a

De afwijkende handtekening

Doordat de auteur zich niet met ‘Petrus’ maar met ‘Simeon Petrus’ in 2Pt1:1 te kennen geeft, verraad de schrijver dat hij niet Petrus is. Een moeilijkheid hierbij is echter dat de pseudepigraaf juist zo nauw mogelijk bij de schrijver die hij imiteert probeert aan te sluiten. Hij zou dan kiezen voor dezelfde formulering als in 1Pt1:1.9 Geen enkele pseudepigraaf maakt ook verder in latere tijden gebruik van deze merkwaardige afwijking.10 Blijkbaar werd het risico van ontmaskering dan te groot. 5 6 7 8 9 10

Van Houwelingen 2010, 71. Origenes, Preken over Jozua VII.1. Methodius van Olympus, De Resurrectione. Elliott 1981; Bauckham 1983. De Ru 1969, 2–12. Van Houwelingen 1993, 17.


2 P E T R U S DE SCHRIJVER VAN DE BRIEF

9

Juist de afwijking ‘Simeon Petrus’ past eerder bij de gedachte dat Petrus in dit geestelijke testament zijn eigen joodse naam wilde gebruiken (vgl. Hd15:14). Dit gebruik van de eigenlijke naam kwam vaker voor onder de apostelen. Zo noemde Paulus de apostel Petrus ook Kefas tegenover de gelovigen in Korinthe en in Galatië (1Ko1:12; 3:22; 9:5; Gl2:9,11,14).

b

Literaire verschillen tussen 1Pt en 2Pt

1Pt en 2Pt kennen opmerkelijke verschillen. 2Pt bevat slechts veertig procent van het vocabulaire uit 1Pt en 1Pt bevat slechts dertig procent van het vocabulaire uit 2Pt.11 1Pt is daarbij geschreven in zeer goed Grieks en 2Pt in zeer complex Grieks met een ongebruikelijke stijl, zinsbouw en woordkeus.12 Pieter van Houwelingen ziet de stijl vooral als een voorbeeld van Klein-Aziatische retoriek. Die stijl staat dan in contrast met de Attische stijl van die tijd. 13 De verschillen tussen 1Pt en 2Pt tonen volgens anderen aan dat beiden werken een andere auteur kennen of dat 1Pt gebruik maakt van een secretaris (vgl. 1Pt5:12).14 Tegenover deze verschillen staan echter meerdere overeenkomsten. Zo zijn 1Pt en 2Pt thematisch nauw met elkaar verbonden en bevatten ze beiden een grote hoeveel unieke Grieks woorden ( hapax legomena).15 1Pt kent tweeënzestig en 2Pt kent vierenvijftig hapax legomena.16 Michael Green wijst erop dat er geen geschrift is dat grotere overeenkomsten met 2Pt heeft dan 1Pt.17

Petrus Petrus, afkomst en familie

Simon Petrus werd geboren in Betsaïda te Galilea, een stad waaruit ook Filippus kwam (Jh1:44). Zijn vader droeg volgens Jh1:42 de naam Johannes. Mt16:17 spreekt hierbij over Petrus als ‘Barjona’. Doordat de naam Jona pas in de vierde eeuw weer opkwam voor mannen, is het mogelijk dat Mt hiermee de naam Johannes afkort.18 Tevens vernemen we in de evangeliën dat Petrus’ broer Andreas heette 11 12 13 14 15 16 17 18

Ibid., 11. Kraus 2001; Callan 2003, 202–224. Van Houwelingen 2010, 90. Green 1968, 23; Patzia 2011, 113–114. Weiss 1889, II:165–166. Gangel 2000, 475. Green 1968, 25. Jacob Neusner, Gittin, Babylonian Talmud 11 (Nashville: Hendrickson, 2011), 56a; Alfred Wikenhauser and Josef Schmid, Einleitung in das Neue Testament (Freiburg: Herder, 1973), 585.


10

(Jh1:41), dat hij een huis met zijn broer bezat (Mc1:29) en gehuwd was (1Ko9:5). De naam van Petrus’ vrouw blijft onbekend. Volgens de traditie heette ze Concordia of Perpetua.19 Evenals zijn broer was Petrus visser van beroep (Mc1:16) en sprak hij Aramees met een licht noordelijk accent (Mt26:73). Zijn oorspronkelijke naam was Simon, wat ‘horen’ betekent. De Heer Jezus veranderde deze naam in Petrus, dat ‘rotsblok’ betekent, en dat anderen vertaalden met het Aramese Kefas (Jh1:42). Samen met Andreas volgde hij eerst Johannes de Doper en later als een van de eersten de Heer Christus (Mc1:16). (Mc1:16). Petrus tevens de eerste zijn die het Messias-getuigenis uitsprak (Mt16:16) en waaraan Jezus na zijn opstanding verscheen (1Ko15:5). Doordat hij telkens in de nabije omgeving van de Heer verbleef, geven de evangeliën een uitvoerig beeld van de apostel Petrus.

Petrus, apostel in Gods koninkrijk

In Hd1-12 krijgt Petrus de hoofdrol. Hij neemt het initiatief om Judas’ ambt te vervangen (1:15), preekt op het wekenfeest (2:14-40), houdt de redevoering bij de genezing van de verlamde (3:4-6), verdedigt zich voor het Sanhedrin (4:8-12; 5:2932), brengt het evangelie aan Cornelis (10:1-11:18) en geeft mede de eerste aanzet voor het latere Apostelconvent (11:19-30; 15:1-29). Na Petrus’ ontsnapping uit de gevangenis van Herodus Agrippa I (37-44nC, Hd12:1-19), krijgen we in het Nieuwe Testament verder weinig gegevens over Petrus. Pieter van Houwelingen denkt dat Petrus allereerst echter naar Babylon in Mesopotamië vertrok om korte tijd te verblijven buiten het Romeinse machtsgebied. 20 Vanuit dit gebied schreef de apostel dan zijn eerste brief aan de gemeentes in Klein-Azië. Uit de nieuwtestamentische brieven vernemen we dat Petrus in latere tijden voor de gemeentes een belangrijke steunpilaar (Gl2:9; 1Ko1:12) is. Het is mogelijk dat de apostel samen met zijn vrouw de stad Korinthe bezocht (vgl. 1Ko9:5). In Korinthe had hij immers later meerdere fanatieke volgelingen (1:12). Dionysius, de opziener van Korinthe, schrijft dan ook een eeuw later dat Paulus en Petrus allebei betrokken waren bij het stichten en verder uitbouwen van de gemeente in Korinthe. 21 Gl beschrijft nog een spanning die optrad tussen Paulus en Petrus over de plaats van de wet (2:11).

Petrus, de gemeentestichter en Rome

Volgens de kerkvader Hiëronymus (345-419) stichtte Petrus de gemeente in Antiochië.22 Dit staat echter in spanning met Hd11:20-22 waar Cyprioten en Cyreneeërs de gemeente in Antiochië stichten (11:20-22). Doordat later Barnabas en Paulus hen komen helpen, lijkt het erop dat Petrus hierbij niet betrokken was als gemeentestichter. De kerkvader Eusebius van Caesarea (265-339) schrijft: 23 ‘Petrus blijkt te hebben gepreekt tot de joden in de diaspora in Pontus, Galatië, Bithynië, 19 Robert Jamieson, Andrew R. Fausset, en David Brown, A Commentary, Critical and Explanatory, on the Old and New Testaments (Grand Rapids: Eerdmans, 1863). 20 Pieter H.R. van Houwelingen, “Deel 1: Het apostolische evangelie uit Jeruzalem,” in Apostelen: Dragers van een spraakmakend evangelie, ed by. Pieter H.R. van Houwelingen, Commentaar Nieuwe Testament (Kampen: Kok, 2010), 46–47. 21 Eusebius van Caesarea, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, trans by. Christiaan Fahner (Zoetermeer: Boekencentrum, 2000), II.25.8. 22 Hiëronymus, De Viris Illustribus – On Illustrious Men, vertaald door. Thomas Halton (Washington: Catholic University of America, 1999), 1. 23 Eusebius van Caesarea, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, III.1.


2 P E T R U S DE SCHRIJVER VAN DE BRIEF

11

Cappadocië en Azië.’ Dit zijn de gebieden die ook 1Pt1:1 vermeldt. Uit 1Pt1:12 vernemen we verder dat Petrus niet de eerste was die in deze gebieden het evangelie bracht. Was Petrus überhaupt ergens betrokken als gemeentestichter? Dionysius van Korinthe stelt dat Petrus de gemeente in Rome stichtte. 24 Hiëronymus voegt daarna toe dat Petrus ook tot aan zijn dood gemeenteleider was in Rome. 25 Irenaeus van Lyon (±130-202) daarentegen noemt Petrus als stichter van de gemeente in Rome, maar Linus als eerste gemeenteleider.26 Eusebius vermeldt enkel over de relatie tussen Petrus en Rome dat Petrus aan het eind van zijn leven naar Rome ging om daar te worden gekruisigd.27 Ook Paulus noemt in zijn brief aan de Romeinen nergens Petrus’ naam, terwijl hij dat wel elders doet (1Ko3:22; 9:5; 15:5; Gl1:18; 2:78,14). Hoewel Petrus diverse zendingsreizen maakte, zwijgt het Nieuwe Testament over een mogelijke betrokkenheid bij de gemeente in Rome (Hd9:32; 1Ko9:5; Gl2:11). De enige aanwijzing dat Petrus in Rome actief was zou in 1Pt5:13 te vinden kunnen zijn, waar de auteur spreekt over Babylon. Maar ook daarvoor bestaan geen krachtige bewijzen.

Petrus’ dood in Rome

Justinus de Martelaar (100-165) schrijft dat Petrus in het tweede jaar van keizer Claudius (41-54) naar Rome vertrok om daar de dwaalleer van de tovenaar Simon Magnus te weerleggen (vgl. Hd8:9-24). Keizer Nero nam Petrus enige tijd later gevangen en liet hem terechtstellen. Volgens Hieronymus gebeurde dat in het veertiende regeringsjaar van keizer Nero (oktober 67-juni 68). 28 Doordat Nero van september 66 tot maart 68 een buitenlandse reis maakte naar Griekenland en dus niet in Rome verbleef, vond de terechtstelling dan plaats tussen maart en juni van het jaar 68. Oude martelaarsakten schrijven de terechtstelling van Petrus echter niet toe aan keizer Nero, maar aan de prefect Herodus Agrippa. Hij liet Petrus opnieuw arresteren en gaf het bevel om hem te laten kruisigen. 29 Hieronymus vermeldt dat Petrus er bij zijn kruisiging expliciet om vroeg om uit eerbied voor zijn Meester, met het hoofd naar beneden te mogen worden gekruisigd.30 In deze houding is de gekruisigde Petrus dan ook vanaf de vierde eeuw dikwijls afgebeeld. Na zijn dood begroeven de gelovigen Petrus op de plaats van de Sint-Pietersbasiliek. De late kerkvader Ambrosius (340-397) schreef verder dat Petrus kort voor zijn dood uit Rome wilde vluchtten.31 Hierbij ontmoette hij de Heer Jezus. Petrus vroeg vervolgens: ‘Heer, waar gaat U naartoe?’. Daarop antwoordde Christus: ‘Ik ga naar Rome om opnieuw te worden gekruisigd.’ Petrus keerde daarop terug naar Rome om te worden gekruisigd. De kerk Domine Quo Vadis (of: Santa Maria in Palmis) Palmis) die zich op de Appian weg te Rome bevindt, herinnert aan deze gebeurtenis. 24 Dionysius van Korinthe, genoemd in: Ibid., II.25. 25 Hiëronymus, De Viris Illustribus – On Illustrious Men, 1. 26 Irenaeus, Adversus Haereses: Tegen de ketterijen, trans by. Norbert Brox, Fontes Christiani 8 (Freiburg: Herder, 1993), III.3.2–3; Eusebius van Caesarea, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, III.2.4,13,21; V.6. 27 Eusebius van Caesarea, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, II.25. 28 Hiëronymus, De Viris Illustribus – On Illustrious Men, 1. 29 Handelingen van Petrus 33-36, 41. 30 Handelingen van Petrus 34-38; Eusebius van Caesarea, Eusebius’ Kerkgeschiedenis, II.25.5–6; Hiëronymus, De Viris Illustribus – On Illustrious Men, 1. 31 Ambrosius, Brief 33.


12

C

De datering van de brief

De schrijver van 2Pt geeft in 1:13-15 te kennen dat zijn dood nabij is. Volgens de overlevering stierf Petrus onder de vervolgingen van de Romeinse keizer Nero (54-68) aan het eind van het jaar 67 of begin van het jaar 68. Aangezien 1Pt meestal rondom het jaar 64 wordt gedateerd, plaatst men 2Pt tussen 64-68nC. De plaats waar 2Pt uiteindelijk ontstond is traditioneel Rome.32 Dit past bij de impliciete toespelingen rond het jaar 100 die de vroege christenen maken op 2Pt.33 In de tweede eeuw is 2Pt al ruim verspreid in het rijk.34 In die tijd beginnen ook de kerkvaderen de eerste letterlijke citaten te nemen uit deze brief.

D

De ontvangers van de brief

2Pt3:1 wijst op een eerdere brief die de ontvangers al hadden ontvangen. Als de schrijver daarmee verwijst naar 1Pt schrijft hij aan dezelfde gelovigen als in 1Pt. De brief wordt dan verzonden naar de gelovigen in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en Bitynië (1Pt1:1). 35 Als de schrijver op een andere brief dan 1Pt verwijst zijn de ontvangers van 2Pt onbekend. Doordat Petrus zichzelf voorstelt met zijn Hebreeuwse naam aan het begin, bestaat ook de mogelijkheid om te denken aan joodse gelovigen.36

E

Canonieke plaats van de brief

Over 2Pt is veel te doen geweest in de kerkgeschiedenis. Reden voor de discussie rondom 2Pt waren de vraagstukken rondom het auteurschap, de overeenkomsten met de brief van Judas, het apocrief Henoch en de verspreiding van gnostische brieven die op naam van Petrus stonden: Evangelie van Petrus, Handelingen van Petrus, Prediking van Petrus, Openbaring van Petrus en Brief van Petrus aan Filippus.37 De parallellen tussen Jd en 2Pt vallen sterk op. Bij vijftien van de vijfentwintig verzen in Jd zijn er raakvlakken met 2Pt. Vooral tussen Jd en 2Pt2 is dat het geval (2Pt2:1-3//Jd1:4; 2Pt2:6//Jd1:7; 2Pt2:10//Jd1:8; 2Pt2:11//Jd1:9; 2Pt2:12//Jd1:10; 2Pt2:18//Jd1:16). David Carson schrijft dat de meeste uitleggers ervan uitgaan dat 2Pt vooral uit Jd citeert en het 32 33 34 35 36 37

Gangel 2000, 477; van Houwelingen 1993, 12. Picirilli 1988, 57–83. Carson, Moo, and Morris 2005, 662. Zo de Boor 1986, 192. Ibid., 191. Van Houwelingen 2010, 89.


2 P E T R U S CANONIEKE PLAATS VAN DE BRIEF

13

voorhanden materiaal verder uitwerkt.38 Anderen kiezen ervoor dat Jd uit 2Pt citeert, daarbij de chronologische volgorde verlaat en apocriefe verwijzingen toevoegt. Dat laatste lijkt ondersteund te zijn doordat Jd ook opvallende overeenkomsten met de brief van zijn broer Jakobus heeft (Jk).39 Jd sluit dan aan bij deze twee apostolische brieven. Evenals Jk richt Jd zich tot de joodse christenen die in het noorden van Israël verblijven (Jk1:1; Jd1:1). 1-2Pt is daarentegen aan christenen gericht in Klein-Azië. Ondanks dat 2Pt3:8 (‘Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.’) in de tweede eeuw bij Pseudo-Barnabas (15:4), Clemens van Rome (30-100) en Irenaeus (135-202) wordt genoemd, bleef het verzet tegen 2Pt bestaan.40 Het concilie van Laodicea (372) erkende 2Pt als canoniek. Deze erkenning werd herbevestigd op het concilie van Carthago (397). Later, in de tijd van de Reformatie, stond 2Pt opnieuw onder vuur. Erasmus van Rotterdam verwierp de brief, terwijl Maarten Luther en Johannes Calvijn hem aarzelend aanvaardden.41

F

Indeling

Zowel aan het begin als aan het einde van deze brief klinkt de overwinningstem. Een mogelijke indeling zou er als volgt kunnen uitzien: (a) 2Pt1: Trouwe leraars bevestigen de waarheid en stimuleren geestelijke groei. (b) 2Pt2: Valse leraars lasteren de waarheid en beperken geestelijke groei. (c) 2Pt3: De waarheid overwint op het einde en is de hoop voor de geestelijke groei.

38 39 40 41

Carson 2007, 1069. MacDonald 1997, 1407. Clement van Rome, Eerste brief aan Korinthe. Irenaeus 1993, V.23.2; 28:3. Green 1968.


2

P E T R U S 1:1-2 – OPENING

15

2 | 1:1-2 – Opening (1) Simeon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben door de gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus: (2) genade en vrede zij u vermenigvuldigd in de kennis van God en van Jezus, onze Heer.

|1| Simeon Petrus, slaaf en apostel van Jezus Christus, aan hen die een even kostbaar geloof als wij verkregen hebben door de gerechtigheid van onze God en Heiland Jezus Christus:

De schrijver van deze brief duidt zich aan als Simeon Petrus. Naast zijn bekende naam Petrus duikt de Hebreeuwse naam Simeon op (vgl. Hd15:14) die in de evangeliën wordt weergegeven met Simon (Lc4:38; 5:3-10). Ondanks zijn voorname plaats onder de apostelen erkent hij zichzelf als slaaf en apostel van de Heer Jezus. Het dienen van Christus als Meester staat voorop. Een goede wetenschappelijke onderzoeker is ‘verslaafd’ aan zijn onderzoek. Een goede christen is slaaf van Jezus Christus – om Hem te kennen, te dienen en dat te delen met anderen. Petrus herinnert zijn lezers aan het kostbare geloof dat ze ontvangen hebben door Jezus Christus. Hij is hun Redder, hun Heiland (2Pt1:1,11; 2:20; 3:2,18). Dit kennen van Christus is kenmerkend voor 2Pt. De geadresseerden moeten die kennis vermeerderen en erin groeien (1:5-7; 2:20; 3:18). Dit veronderstelt een persoonlijke relatie, waarin de gelovige Christus steeds meer leert waarderen. In plaats van ‘Simeon’ (Sumewn, ‫א‬, A, K, P) lezen anderen ‘Simon’ (Simwn, ¸72, B, Y, 81). Het is het meest aannemelijk dat Simeon veranderd wordt in Simon dan omgekeerd, omdat Simeon enkel nog in Hd15:14 voorkomt. Vandaar gaat de voorkeur uit naar de vertaling Simeon. Volgens Granville Sharps stelling is ‘Jezus Christus’ in 2Pt1:1 identiek aan ‘God’. Als meerdere subjecten verbonden zijn met het Griekse και en alleen het eerste subject door een lidwoord voorafgegaan wordt kunnen namelijk alle subjecten met elkaar in verbinding staan. 1 Eis is wel dat de subjecten geen persoonlijke namen zijn, maar wel persoonsgericht moeten zijn. In Op1:9 lezen we bijvoorbeeld ‘Ik, Johannes, [1] de broeder en (και) mededeelgenoot [2] in de verdrukking en (και) koninkrijk’, waarbij we twee subjecten zien die verbonden zijn met και, waarvan het eerste subject enkel een lidwoord bevat en persoongericht is en het tweede niet. Dus ‘broeder’ en ‘deelgenoot’ staan met elkaar in verbinding en vullen elkaar aan. God (Gr. theos) is in het Grieks persoonsgericht (vgl. Lc20:37; Jh20:27; Rm15:6; 2Ko1:3; Gl1:4; Jk1:27). Het feit dat er na ‘God’ het persoonlijk voornaamwoord 1

Sharp 1807.


16

‘onze’ staat, beïnvloed de stelling van Sharp niet. Dit is eveneens het geval in 2Pt1:11; 2:20 en 3:18.2

|2| genade en vrede zij u vermenigvuldigd in de kennis van God en van Jezus, onze Heer.

Het is mogelijk dat Petrus door te spreken over de ‘kennis’ zich al meteen richt tegen de gnostici die de gemeente in verwarring brachten. 3

2 3

Wallace 1997, 276–277; Robertson 1921, 185; Stauffer 1976, 106. De Boor 1986, 194.


2 P E T R U S 1:3-11 – GODS WERK IN ONS

17

3 | 1:3-11 – Gods werk in ons (3) Zijn goddelijke kracht heeft ons immers alles geschonken betreffende het leven en de godsvrucht door de kennis van Hem die ons heeft geroepen door zijn eigen heerlijkheid en deugd, (4) waardoor Hij ons met kostbare en zeer grote beloften begiftigd heeft, opdat jullie daardoor deelgenoten van de goddelijke natuur zouden worden, ontkomen aan het verderf dat door de begeerte in de wereld is. (5) Voegt om deze reden echter ook, met inbreng van alle ijver, bij uw geloof de deugd, en bij de deugd de kennis, (6) en bij de kennis de zelfbeheersing, en bij de zelfbeheersing de volharding, en bij de volharding de godsvrucht, (7) en bij de godsvrucht de broederliefde, en bij de broederliefde de liefde. (8) Want als deze dingen bij u aanwezig en overvloedig zijn, laten zij u niet werkeloos of onvruchtbaar wat de kennis van onze Heer Jezus Christus betreft. (9) Want hij bij wie deze dingen niet zijn, is blind, kortzichtig, en is de reiniging van zijn vroegere zonden vergeten. (10) Daarom, broeders, beijvert u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want door dit te doen zult u beslist nooit struikelen. (11) Want zo zal u rijkelijk de ingang in het eeuwige koninkrijk van onze Heer en Heiland Jezus Christus worden verleend. Dit tekstgedeelte spreekt over onze geestelijke groei. Het gaat over Gods kracht en leven voor onze geestelijke groei (vs3-4), de wegen waarop onze geestelijke groei plaatsvindt (vs5-7) en de noodzaak van geestelijke groei (vs8-11).

|3| Zijn goddelijke kracht heeft ons immers alles geschonken betreffende het leven en de godsvrucht door de kennis van Hem die ons heeft geroepen door zijn eigen heerlijkheid en deugd,

Aan het begin van dit gedeelte spreekt Petrus bewust in de wij-vorm (vs3-4a). In eerste instantie lijkt hij hiermee te wijzen op zichzelf en de andere apostelen die God uitkoos tot zegen voor de volken. 1 Natuurlijk zijn veel van die zegeningen ook van toepassing op de gelovigen in het algemeen, maar tot hen richt de apostel zich vanaf vs4b in de jullie-vorm. In zijn goddelijke kracht schonk God de apostelen christenen grote zegeningen. Hij is de grote Gever die niets achterhield. 2 Alles schonk hij betreffende het leven en de godsvrucht. 1 2

Van Houwelingen 1993, 31. Arentsen 1996, 39.


18

|4| waardoor Hij ons met kostbare en zeer grote beloften begiftigd heeft, opdat jullie daardoor deelgenoten van de goddelijke natuur zouden worden, ontkomen aan het verderf dat door de begeerte in de wereld is.

Ook ontvingen de apostelen christenen kostbare en grote beloften. 2Pt noemt in het bijzonder de belofte van Christus’ komst (3:4,9) en de belofte van de nieuwe hemel en aarde waarin gerechtigheid woont (vs13; vgl. 1:11). De beloften in vs4 verwijzen eerder naar deze toekomstige beloften en minder naar de reeds geschonken belofte van de heilige Geest (Lc24:49; Hd2:32-33).3 In het tweede gedeelte van 1:4 gebruikt de schrijver ideeën die voor de lezers verdacht veel leken op het filosofische gedachtegoed van de Griekse metafysica.4 Als hij zijn brief tegenwoordig zou schrijven, zouden velen van de hedendaagse lezers hem verwijten maken van sympathisatie met het gedachtegoed van de New Age-beweging. Zo stelde Plato in de Griekse oudheid al dat de innerlijke ziel van de mens bij de goddelijke onvergankelijke a-natuurlijke wereld behoort.5 De jood Philo van Alexandrië volgde die gedachte en schreef dat de mens na zijn sterven ‘vergoddelijkt’ werd.6 Hiermee bedoelde hij niet dat de mens gelijk werd aan God, maar dat hij na zijn dood ontsnapt aan deze vergankelijke materiële wereld en de eeuwige, onvergankelijke en niet-materiële binnenging.7 Volgens hem kenden de sterren en planeten al in deze verheven, gezegende en vreugdevolle ‘goddelijke’ natuur.8 De schrijver van 2Pt gebruikt wel het spreken van de Griekse en Joodse filosofie, maar beschrijft de materiële wereld op een heel andere wijze. 9 De schepping is op zichzelf in wezen niet verderfelijk. Ze is zeer goed, maar corrupt gemaakt door de begeerte. Straks zal God zijn van oorsprong goede schepping dan ook vrijmaken van deze corruptheid. Het Bijbelse spreken spreekt zodoende niet negatieve over de geschapen materie (vgl. Rm8:21). Het ziet juist vooruit op de verderfelijke materie die straks tot stand komt bij de herschepping (1Ko15:42, 52-56; 2Pt3:13).10 Het spreken van 2Pt1:4 over het ‘deelhebben aan de goddelijke natuur’ vormt tevens een belangrijke basis in de Oosters-Orthodoxe leer van de theosis die stelt dat de menselijke natuur straks deel krijgt aan de goddelijke natuur, zoals in Christus de menselijke en goddelijke natuur 3 4 5 6 7 8 9 10

Bauckham 1983, 179; Kelly 1993, 301. Zie uitvoerig Mayor 1907, 87. Plato 2010, 230a; 1987, 176ab. Philo 2005c, II.29; 2005b, 9. Holladay 1977, 155–170. Philo 2005a, 104. Davids 2006, 174; Contra: Käsemann 1964, 169–195. Davids 2006, 175; van Houwelingen 1993, 33.


2 P E T R U S 1:3-11 – GODS WERK IN ONS

19

samengingen. De meeste Westerse uitleggers hebben moeite met deze voorstelling en stellen dat 2Pt enkel denkt aan de praktisch moreelethische wandel van de christen waarin hij God vertegenwoordigt. 11 Johannes Calvijn schrijft:12 ‘Het woord “natuur” wijst niet op essentie maar op kwaliteit’, en Richard Bauckham volgt hem hierin als hij schrijft:13 ‘Geen participatie in God, maar in de natuur van het hemelse onsterfelijke zijn, is bedoeld.’

|5| Voegt om deze reden echter ook, met inbreng van alle ijver, bij uw geloof de deugd, en bij de deugd de kennis,

Petrus noemt in vs5-7 acht christelijke deugden: geloof, deugd, kennis, zelfbeheersing, volharding, godsvrucht, broederliefde, liefde. De eerste zes deugden die de apostel noemt hebben betrekking op de relatie die we als gelovigen met God mogen hebben. De laatste twee hebben betrekking op onze relatie met anderen. Al deze acht deugden helpen om het geloof te verrijken en verder te ondersteunen. In de stoïcijnse levensfilosofie vormden deze deugden een stappenplan dat de mens liet opklimmen tot een hoger levensdoel. Het is mogelijk dat Petrus deze gedachte overnam en toepaste in de christelijke geloofswandel.14 Drie van deze deugden vermeld de apostel in dit vers: geloof, deugd, kennis. Het geloof is een kostbaar geschenk van God dat Hij aan alle ware burgers van zijn koninkrijk schenkt. Wie hiermee leert om te gaan, leeft steeds meer uit het geloof en vertrouwt op Gods beloftes. Het geeft de discipel stabiliteit en verlossing in moeilijke situaties (vgl. 1Pt1:5,9; 5:9; Jd1:3,20).15 Meteen na het geloof, noemt de schrijver de deugd. De deugd verwijst vooral op de hoge morele kwaliteit waaruit de christenen leven (1Pt1:12). Geïnspireerd door het leven van de Heer Jezus zoeken zij naar een kwalitatief hoogwaardig levenspatroon dat het leven van hun geliefde Heer weerspiegelt. De kennis verwijst naar de kennis die in relatie staat met het christelijke geloof. Het gaat niet om wetenswaardigheden op zichzelf, maar om kennis die de gelovige ondersteunt in zijn leven voor de Heer en die helpt om de Heer beter te mogen kennen. Zoals de man zijn vrouw in de loop der jaren steeds beter leert kennen en begrijpen, verlangen ook de 11 12 13 14 15

Barth 2004, 28; Davids 2006, 176; Greijdanus 1931, 110; Strachan 1979, 126; Blum 1981, 268. Calvin 2007, 342. Bauckham 1983, 181; Vgl. Vögtle 1994, 140–141. Van Houwelingen 1993, 36. Ibid.


20

gelovigen ernaar om hun partners doorheen de jaren beter te leren kennen.16

|6| en bij de kennis de zelfbeheersing, en bij de zelfbeheersing de volharding, en bij de volharding de godsvrucht,

In een maatschappij die gekenmerkt wordt door een grote consumptie nemen christenen een andere houding aan. Zij worden gekenmerkt door zelfbeheersing en volharding. Zelfbeheersing toont iemand die zichzelf onder controle houdt en geen slaaf is van zijn eigen begeerten. Zoals de sportman regelmatig traint om het lichaam in goede conditie te houden, verlangt de christen ernaar om zijn dagelijks leven onder het gezag van Christus te plaatsen. De dwaalleraars in de tijd van 2Pt beweerden maar al te graag dat deze zelfbeheersing van het lichaam niet nodig was: ‘Want door vruchteloze gezwollen taal te uiten verlokken zij door vleselijke begeerten, door losbandigheden hen die sinds kort ontvlucht waren aan hen die in dwaling wandelen.’ (2Pt2:18) Het lichaam was immers minderwaardiger dan de geest en de ziel. Het kon niets schelen wat er met het lichaam gebeurde en hoe men het behandelde. Als men maar de ziel en de geest rein hield, dan was alles dik in orde. De volharding verwijst naar het uithoudingsvermogen dat door regelmatige training wordt opgevoerd. Vooral de christelijke slaven moesten in hun leven leren om het onterechte leed dat anderen hun aandeden vol vertrouwen op God te verwerken. Zonder behoorlijk uithoudingsvermogen houdt niemand zijn Christelijk getuigenis vol. Met het begrip godsvrucht verwijst het Nieuwe Testament naar het leven dat de discipel leidt voor Gods aangezicht. Respectvol dient de christen zijn Heer en wil hij gehoorzaamheid aan Hem tonen.

|7| en bij de godsvrucht de broederliefde, en bij de broederliefde de liefde. Broederliefde bezegelt de relatie van de christelijke kerk. christenen zijn niet als individuen bezig in Gods koninkrijk. Zij vormen een hechte broederschap. De liefde vormt het sluitstuk van deze opsomming. Het Griekse ἀγάπη/agapē gaat hierbij in de meeste gevallen verder dan enkele broederliefde. Het is een grenzeloze liefde die in het leven van de christen van grote positieve zegen is.

16 Ibid.


2 P E T R U S 1:3-11 – GODS WERK IN ONS

21

|8| Want als deze dingen bij u aanwezig en overvloedig zijn, laten zij u niet werkeloos of onvruchtbaar wat de kennis van onze Heer Jezus Christus betreft.

Als alle acht de kenmerken die de apostel in de vorige verzen opsomde in het leven van een christen aanwezig zijn, blijft dat niet zonder gevolgen. christenen verlangen ernaar om de vrucht van deze wandel te openbaren in hun leven. Zij verlangen om de liefde voor hun Heer vast te houden en niet los te laten. Petrus bemoedigt zijn ontvangers erin om dat inderdaad te doen. Niets mag hen werkeloos of onvruchtbaar maken voor de Heer. Dat kan immers gebeuren. Kort na de eerste ontmoetingen met de Heer verkoelt het liefesvuur dan en dragen ze nog maar weinig vrucht voort zonder geestelijk te groeien. De gelovigen dienen er zodoende voor te waken dat dit niet gebeurt.

|9| Want hij bij wie deze dingen niet zijn, is blind, kortzichtig, en is de reiniging van zijn vroegere zonden vergeten.

Wie blind en kortzichtig is, ziet in zichzelf geen enkel voordeel voor Gods koninkrijk. Paulus spreekt hierbij letterlijk over iemand die blind (τυφλός/tyflos) en bijziend is (μυωπάζω/myōpazō). Met deze contradictie doelt hij op iemand die opzettelijk zijn ogen stijf dichtknijpt om totaal geen licht te zien. Zo iemand staart zich blind op de korte termijnperiode waarin hijzelf centraal staat en ziet niet verder dan de horizon van deze wereld. Wie op die wijze Gods doel met deze schepping uit het oog verliest, raakt helemaal gefixeerd in het tijdelijke moment. In de tijd van Petrus leidde dat zelfs ertoe dat christenen eerder bijdroegen aan de lastering van de naam van de Heer dan aan de verheerlijking zijn naam. Zulke mensen leefden niet meer in overeenstemming met de vergeving en met hun vroegere reiniging. Ze maakten zich vuil door de nieuwe zonden die ze deden en keken niet meer om naar Gods verlossing van hun oude zonden.

|10| Daarom, broeders, beijvert u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want door dit te doen zult u beslist nooit struikelen.

Iemand die de Heer Jezus werkelijk liefheeft, toont dat in de praktijk van zijn leven. De behoudenis gaat nooit buiten de goede werken om, die immers een noodzakelijke vrucht van het geloof zijn.17 De christen maakt door zijn praktische geloofswandel zijn ‘roeping en verkiezing’ vast. De 17 Luther 1883, 14.1–91; Calvin 2007.


22

uitwerking van het christelijke geloof garandeert de waarheid ervan. Als gemeente bewijzen ze door hun geloofspraktijk dat zij werkelijk geroepen en uitverkoren zijn. Iemand blijkt zodoende niet uitverkoren te zijn doordat hij een goed verhaal heeft, maar omdat anderen de vruchten van zijn verkiezing zien.18 Ondanks dat hij in een grote geestelijke strijd kan staan heeft hij in het diepst van zijn hart namelijk maar één doel voor ogen: de verheerlijking van zijn Heer en Verlosser Jezus Christus. Petrus’ uitspraak toont dat de gelovige geen marionet is, maar verantwoordelijk tegenover God wandelt. Wie het voorrecht om door God geroepen en gekozen te zijn achteloos naast zich neerlegt, maakt het daarmee in de praktijk van zijn leven ongeldig.19

|11| Want zo zal u rijkelijk de ingang in het eeuwige koninkrijk van onze Heer en Heiland Jezus Christus worden verleend.

Wie praktisch zijn roeping en verkiezing waar maakt zal rijkelijk ingaan in het eeuwige koninkrijk van de Heer. Het koninkrijk verwijst hierbij niet naar de hemel, zoals velen in het verleden dachten. 20 De Bijbel heeft geen weet van een hemel als eindbestemming voor de gelovigen. De term die de auteur gebruikt ziet veelmeer uit naar de realisatie van Gods koninkrijk op aarde. Concreet mag de lezer hierbij denken aan de nieuwe schepping waarvan ook in 2Pt3 sprake is. Meerdere vroege kerkvaders gebruikten dan ook hiervoor de term ‘het koninkrijk’.21

18 19 20 21

Ouweneel 2011, 420. Van Houwelingen 1993, 40. Henry 2005. 2 Clement 9, De Martelaar 160AD, 117.3; 157AD, 14.3.


2 P E T R U S 1:12-21 – HET GEESTELIJKE VOEDSEL

23

4 | 1:12-21 – Het geestelijke voedsel (12) Daarom ben ik er altijd op uit u aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en bevestigd bent in de onderhavige waarheid. (13) Ik houd het echter voor juist, zolang ik in deze tent woon, u door herinnering op te wekken, (14) daar ik weet dat het afleggen van mijn tent nabij is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij duidelijk heeft gemaakt. (15) Ik zal mij echter beijveren, dat u zich ook telkens na mijn heengaan deze dingen kunt herinneren. (16) Want niet als navolgers van vernuftig verzonnen mythen hebben wij u de kracht en komst van onze Heer Jezus Christus bekend gemaakt, maar als ooggetuigen van zijn majesteit. (17) Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: ’Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’. (18) En wij hoorden deze stem uit de hemel komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren. (19) En zo hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. (20) Weet dit eerst, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft. (21) Want niet door de wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar heilige mensen van Godswege hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken.

|12| Daarom ben ik er altijd op uit u aan deze dingen te herinneren, hoewel u ze weet en bevestigd bent in de onderhavige waarheid.

In vs12-15 herinnert de schrijver zijn ontvangers drie keer aan verschillende zaken (vs12,13,15). Hierdoor hoopt hij de christenen alert te houden voor de nabije komst van de Heer. Hun Christelijke toekomstverwachting mag niet verwateren of vergaan.

|13| Ik houd het echter voor juist, zolang ik in deze tent woon, u door herinnering op te wekken,

Net als de apostel Paulus, spreekt Petrus over het huidige leven als over het verblijf in een tent (2Ko5:1).

|14| daar ik weet dat het afleggen van mijn tent nabij is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij duidelijk heeft gemaakt.

Petrus beseft op het ogenblik dat hij deze brief schrijft dat zijn sterven nabij is. Dit besef is bevestigt aan de apostel door de Heer Jezus.


24

Of Petrus hiermee terugwijst naar de situatie in Jh21:18-19 of naar een latere openbaring blijft onduidelijk. Het is mogelijk dat Petrus rekening hield met een plotselinge gewelddadige dood. In het jaar 68 zou hij de marteldood sterven. Volgens de overlevering liet hij zich op eigen verzoek ondersteboven kruisigen omdat hij zich niet waardig achtte op dezelfde manier te sterven als zijn Heer.

|15| Ik zal mij echter beijveren, dat u zich ook telkens na mijn heengaan deze dingen kunt herinneren.

De apostel wilde zeker ervan zijn dat Gods volk het werk dat de Heer voor hen had volbracht en het Woord dat Hij had gesproken, niet zou vergeten.

|16| Want niet als navolgers van vernuftig verzonnen mythen hebben wij u de kracht en komst van onze Heer Jezus Christus bekend gemaakt, maar als ooggetuigen van zijn majesteit.

Petrus was niet met andere gelovigen kinderlijke fabels achterna gelopen. Het waren geen fabels, mythen of legenden waarin hij geloofde. Zelf had hij op de berg van de verheerlijking de verandering van de Heer Jezus meegemaakt (Mt16:28-17:8; Mc9:1-8; Lc9:28-36). Daardoor was hij een getuige geweest die een voorproef had ontvangen van de heerlijkheid waarmee zijn Heer eens zou verschijnen. Voor de apostelen en evangelisten was deze gebeurtenis van groot belang.

|17| Want Hij ontving van God de Vader eer en heerlijkheid, toen van de luisterrijke heerlijkheid zo’n stem tot Hem kwam: ’Deze is mijn geliefde Zoon, in Wie Ik welbehagen heb gevonden’.

Petrus geeft in dit gedeelte een eigen beknopte en persoonlijke omschrijving van de gebeurtenis op de berg van de verheerlijking.

|18| En wij hoorden deze stem uit de hemel komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren.

Over de stem die Petrus op de berg vernam, was hij meer onder de indruk dan de rest die er rondom zich voordeed op dat moment. Hij spreekt zelfs over de ‘heilige berg’. Het was immers de berg waarop Christus’ heerlijkheid zich manifesteerde en werd beaamd vanuit de hemel. Door deze terminologie zouden anderen later denken dat de verheerlijking plaatsvond op de berg Hermon, omdat Hermon ‘heiligdom’


2 P E T R U S 1:12-21 – HET GEESTELIJKE VOEDSEL

25

betekent. 2Pt zou dan met de uitdrukking ‘heilige berg’ een taalspel maken met de bergnaam.1

|19| En zo hebben wij het profetische woord des te vaster, en u doet er goed aan daarop

acht te geven als op een lamp die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten.

Voor Petrus bevestigde de verheerlijking op de berg het profetische getuigenis. Het maakte het Woord van God nog krachtiger dan voordien. Door deze gebeurtenis werden de apostelen bemoedigd om zich nog meer vast te klampen aan het profetische woord. Het was een licht voor hun dagelijks pad dat doorheen deze duistere en vervuilde wereld loopt. Pieter van Houwelingen wijst erop dat het in Israël normaal was om vroeger de lamp, die in huis was aangestoken bij het invallen van de duisternis, de hele nacht te laten doorbranden. Pas de volgende morgen ging de nachtlamp uit. Als de stralen van het morgenlicht definitief een einde maakten aan het nachtelijke duister. 2 Vanuit dit perspectief is de verwijzing van Petrus naar de morgenster duidelijk. Wel valt het op dat deze morgenster opgaat in de harten van de gelovigen. Hierdoor brengt de apostel de wederkomst van Christus in relatie met de harten van de gelovigen. Op het moment dat Hij verschijnt, weerklinkt er een geweldige liefdes-echo in de harten van de geheiligde Godskinderen.

|20| Weet dit eerst, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft. Petrus waarschuwt de christenen tegen elke eigenzinnige uitleg van de profetie die vreemd is aan de Bijbelse boodschap. Dat fenomeen was de christenen waaraan de apostel zich richtte niet onbekend (3:16). Dat de apostel hierbij de Bijbel als eenheid erkent, blijkt uit zijn keuze om te spreken over de Schrift en niet over de Schriften (3:15-16). ‘Zoals afzonderlijke cellen met elkaar een honingraat vormen en losse steentjes worden samengevoegd tot een kleurig mozaïek, zo sluiten profetieën naadloos op elkaar aan.’3 Bijbelse profetie is ook in zichzelf niet zomaar een voortbrengsel van menselijke redenaties en gedachtespinsels. Het zijn geïnspireerde woorden van Gods Geest.

|21| Want niet door de wil van een mens werd ooit profetie voortgebracht, maar heilige mensen van Godswege hebben, door de Heilige Geest gedreven, gesproken. 1 2 3

Vgl. Medema 1999, 127. Van Houwelingen 1993, 49. Ibid., 52.


26

Net zoals de wind het schip aandreef, dreef Gods Geest de heilige mensen aan bij het schrijven van Gods Woord. Het is ook de Geest die de christenen verlicht bij het lezen en uitleggen van deze profetie. De Geest is op die wijze de juiste sleutel tot het verstaan van de Schrift. Niet een kerkelijk leergezag, maar het gezag van Gods Geest moet de kwaliteit van de Bijbeluitleg bewaken.


2 P E T R U S 2:1-22 – DE OORLOG VAN DE CHRISTEN

27

5 | 2:1-22 – De oorlog van de christen (1) Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten arglistig zullen invoeren en de Meester die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen. (2) En velen zullen hun losbandigheden navolgen, en om hen zal de weg van de waarheid gelasterd worden. (3) En door hebzucht met verzonnen woorden zullen zij koopwaar van u maken; het oordeel rust niet voor hen van oudsher en hun verderf sluimert niet. (4) Want als God engelen die gezondigd hadden niet gespaard, maar hen in de Tartarus geworpen en overgeleverd heeft aan ketenen van donkerheid om tot het oordeel bewaard te worden; (5) en als Hij de oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van de gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht; (6) en als Hij de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en tot omkering veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven; (7) en als Hij de rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de wettelozen; (8) (want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen gekweld met hun wetteloze werken) (9) dan weet de Heer godvrezenden uit de verzoeking te redden, maar onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel om gestraft te worden; (10) en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren, (11) terwijl engelen, die in sterkte en macht groter zijn, geen lasterend oordeel tegen hen vanwege de Heer uitbrengen. (12) Maar zij zijn als redeloze dieren, van nature voortgebracht voor gevangenschap en verderf; zij lasteren wat ze niet kennen en in hun verderf zullen ze ook ten verderve gaan, (13) en het loon van de ongerechtigheid ontvangen. Zij achten de zwelgpartij overdag een genot; zij zijn vlekken en smetten en zwelgen in hun bedriegerijen, als zij bij u brassen. (14) Zij hebben overspelige ogen, die niet ophouden te zondigen; zij verlokken onstandvastige zielen en hebben een hart geoefend in hebzucht, kinderen van de vervloeking. (15) Door de rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefhad, (16) maar een berisping voor zijn eigen wetteloosheid kreeg: het stomme lastdier dat met mensenstem sprak, verhinderde de dwaasheid van de profeet. (17) Dezen zijn waterloze bronnen en nevelen door de storm voortgedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis bewaard wordt. (18) Want door vruchteloze gezwollen taal te uiten verlokken zij door vleselijke begeerten, door losbandigheden hen die sinds kort ontvlucht waren aan hen die in


28

dwaling wandelen. (19) Zij beloven hun vrijheid, terwijl zijzelf slaven van het verderf zijn; want door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men geworden. (20) Want als zij door de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus de bevlekkingen van de wereld ontvlucht maar opnieuw daarin verstrikt zijn en erdoor overmeesterd worden, dan is voor hen het laatste erger geworden dan het eerste. (21) Want het was beter voor hen geweest de weg van de gerechtigheid niet gekend te hebben, dan na die gekend te hebben zich af te keren van het heilige gebod dat hun was overgeleverd. (22) Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: ’De hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel’, en: ’De gewassen zeug tot het wentelen in de modder’.

|1| Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten arglistig zullen invoeren en de Meester die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.

Nadat de apostel in de laatste verzen van het vorige hoofdstuk sprak over de Gods mannen en hun ware profetische woorden, spreekt hij nu over de valse profeten en valse leraren. In het verleden ontmaskerde Gods volk deze misleiders door het woord van de waarheid (2Tm3:16). Want: ‘Weet dit eerst, dat geen profetie van de Schrift een eigen uitlegging heeft.’ (2Pt1:20). Valse profeten kwamen voor doorheen de hele Bijbelse geschiedenis (Jr5:31; 23:9-18). Petrus voegt analoog aan deze valse profeten (ψευδοπροφήτης/pseudoprofētēs) nog de categorie toe van de valse leraars (ψευδοδιδάσκαλος/pseudodidaskalos).1 Zij presenteren hun eigen leerpakket als aantrekkelijke variant voor de christelijke levenspatroon. 2 Tegelijk staat dat leerpakket echter haaks op de nieuwtestamentische boodschap. Met zulke ‘verderfelijke meningen’ proberen ze de gemeente uiteindelijk te verleiden en achter zich aan te trekken. Streng voegt de schrijver aan zijn waarschuwing toe dat deze dwaalprofeten en -leraren door Christus waren vrijgekocht. Zij verloochenden deze autoriteit echter op een bepaald moment. Als dat gebeurt, kampt de gemeente met de vraag: hoe kan iemand die door de Meester gekocht is zulke dingen doen en het spoedige verderf over zich brengen? Verschillende antwoorden zijn gegeven op die vraag. De antwoorden hangen samen met de theologische vooronderstelling van een aanvaarding of afwijzing van de gedachte dat een christen verloren kan 1 2

De Martelaar 160AD, 82. Van Houwelingen 1993, 56.


2 P E T R U S 2:1-22 – DE OORLOG VAN DE CHRISTEN

29

gaan. Wie gelooft dat een christen die door de Meester is vrijgekocht, niet verloren kan gaan, stelt dat 2Pt spreekt over pseudo- of naam-gelovigen die geen daadwerkelijk relatie met de Heer kennen. De uitspraak dat de Meester hen kocht, vormt dan een geweldige uitdaging. Sommige interpreteren het alsof het betekent dat Christus’ losgeld ook voldoende was voor deze pseudo-gelovigen of dat de pseudo-gelovigen dat zogenaamd van zichzelf beweeden. Beide verklaringen laten echter te wensen over. De eerste brengt grote vraagstukken rondom de verzoeningsleer met zich mee en de tweede voegt teveel toe aan de tekst. Voor hen die stellen dat een christen die door de Meester is gekocht verloren kan gaan, vormt deze uitspraak van Petrus geen moeite.

|2| En velen zullen hun losbandigheden navolgen, en om hen zal de weg van de waarheid gelasterd worden.

Pseudo-profeten en -leraren wierpen in Klein-Azië een smet op het werk van Christus. Het gevaar lag hierbij vooral op het terrein van de ethiek. Velen die hen volgden begonnen zich, evenals henzelf, libertijnsseksueel uit te leven en droegen toch het etiket ‘christen’ met zich mee. Een combinatie tussen het christelijke geloof en het heidendom was een aanlokkelijke zaak. Juist door dit soort combinaties gebeurde het dat de ongelovigen over Christus lasterden.

|3| En door hebzucht met verzonnen woorden zullen zij koopwaar van u maken; het oordeel rust niet voor hen van oudsher en hun verderf sluimert niet.

God onthield zijn oordeel niet voor de slechte engelen, voor de mensen die voor de zondvloed leefden of voor de inwoners van Sodom en Gomorra. Hij zal dat ook niet hebben voor de dwaalprofeten en -leraars. Zij behandelen de gelovigen immers als koopwaar en denken alleen aan zichzelf en hun eigen rijkdom.

|4| Want als God engelen die gezondigd hadden niet gespaard, maar hen in de Tartarus geworpen en overgeleverd heeft aan ketenen van donkerheid om tot het oordeel bewaard te worden;

Vs4-8 vormt in het Grieks één lange zin waarna vs9 de hoofdzin is, die in het Grieks diverse unieke woorden bevat. 3 Aan het begin ervan spreekt hij over de engelen die zondigden en die God niet spaarde. Op de vraag wanneer deze engelen zondigden, geeft Petrus geen antwoord. Het is de schrijver vooral te doen om de straf die de overtreders ontvangen. 3

De Boor 1986, 219.


30

Hoewel Petrus, in tegenstelling tot Judas, niet spreekt over de zonde die de engelen deden, spreekt hij wel duidelijk de plaats waar God hen wierp: de Tartarus. Τάρταρος/Tartaros is een Griekse verbastering van het grondwoord ταρταρόω/tartaroō, dat kan worden verklaard als ‘afgrond’ (NBG). Hierin zijn de engelen, die Petrus noemt, geworpen. WV en GNB vertalen het begrip minder duidelijk met ‘ondergrond’. De Tartarus wordt voorgesteld als een kerker waarin de demonen tot aan het oordeel bewaard worden. In de Griekse en joodse traditie verwees het begrip naar een strafplaats in de onderwereld. 4 Toen Oeranos, Kronos en Zeus de Titanen bestraften, werden zij gevangen gezet in de Tartarus, het laagste niveau van de onderwereld.5 Voor Petrus is deze Tartarus nog niet de strafplaats, maar een onderaardse gevangenis waarin deze bovenaardse engelen opgesloten zijn tot aan het ogenblik van het oordeel dat Gods straks over hen velt.6

|5| en als Hij de oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van de gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij de zondvloed over de wereld van de goddelozen bracht;

De gebeurtenis van de zondvloed krijgt een voorname plaats in 1-2Pt. Drie keer gebruikt Petrus het als illustratie voor zijn toehoorders (1Pt3:20; 2Pt2:5; 3:6). Het verduidelijkt dat de valse misleiders het oordeel niet ontlopen. Ondanks dat Noach de toenmalige goddeloze wereld opriep tot een rechtvaardig leven, keerde ze niet om. Pieter van Houwelingen schrijft:7 ‘Temidden van die wereld vol goddeloze mensen was Noach de heraut met de hamer, die door het bouwen van een reddingsboot op het droge voortdurend een dringend appèl deed op zijn omgeving om alsnog recht te doen.’

|6| en als Hij de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand en tot omkering

veroordeeld, en ze tot een voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven;

Twee dode steden liggen opgebaard als een schoolvoorbeeld van hoe het goddelozen vergaat.8

4 5 6 7 8

Ibid., 220–221. Van Houwelingen 1993, 60. De Boor 1986, 221; van Houwelingen 1993, 61. Van Houwelingen 1993, 62. Ibid.


2 P E T R U S 2:1-22 – DE OORLOG VAN DE CHRISTEN

31

|7| en als Hij de rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de wettelozen;

Drie keer noemt de schrijver Lot een rechtvaardige genoemd (vs7-8; vgl. Wijs10:6-7; 19:17). Wie Gn19 leest krijgt niet meteen de indruk dat Lot een rechtvaardige is. Maar ondanks zijn foutieve keuze om naar Sodom te trekken, is hij in die stad een rechtvaardige onder de onrechtvaardigen.9 Hij had zwaar te lijden onder de losbandigheid en wetteloosheid (NBV) of seksuele zedeloosheid (NBG, TE, vgl. GNB). Bij de vertaling ‘zedeloosheid’ ligt de nadruk sterk op seksueel kwaad. Die seksuele zonden schemeren ook door bij ‘losbandigheid’. Toch heeft ἄθεσμος/athesmos niet enkel de betekenis ‘seksuele onreinheid’. Er kan worden gedacht aan algemeen kwaad.

|8| (want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag zijn rechtvaardige ziel door het zien en horen gekweld met hun wetteloze werken)

|9| dan weet de Heer godvrezenden uit de verzoeking te redden, maar onrechtvaardigen te bewaren tot de dag van het oordeel om gestraft te worden;

|10| en vooral hen die in onreine begeerte het vlees achterna gaan en de heerschappij verachten. Vermetel, aanmatigend, schromen zij niet de heerlijkheden te lasteren,

Gezag en autoriteit wordt binnen Gods koninkrijk niet toegeëigend, maar gegeven. Valse profeten willen onder geen beding onder het gezag van iemand anders staan. Ze beweren dat ze hun bevelen en richtlijnen rechtstreeks van God ontvangen. Maar wie deze misleiders in schandalen ziet zitten kan er zeker van zijn dat er geen geestelijke gezag achter de persoon staat. Petrus noemt bewust enkele ideeën en gedragsvormen die kenmerkend zijn voor de dwaalleraars. Met deze lijst is het al gemakkelijk om hen te ontmaskeren. Bij de uitdrukking ‘de heerlijkheden te lasten’ kunnen we eraan denken dat deze dwaalgeesten leerden dat een losbandig leven leek op dat van de engelen die evenmin een lichaam hadden (vgl. Jd1:8).10 Via die weg probeerden ze hun losbandigheid vanuit Gods schepping goed te praten. Anderen denken bij de heerlijkheden aan de 9 Ibid., 63. 10 Vgl. Gangel 2000, 491.


32

politieke gezagsdragers die door God zijn ingesteld, maar waarover de dwaalleraars lasteren (vgl. Rm13:1).11 Vanuit het vervolg in vs11 en de gegevens in de Brief van Judas, ligt de eerste verklaring echter het meest voor de hand. Judas geeft dan door het voorbeeld van de aartsengel Michaël een voorbeeld ervan hoe de christenen dient te wandelen in Gods schepping.

|11| terwijl engelen, die in sterkte en macht groter zijn, geen lasterend oordeel tegen hen vanwege de Heer uitbrengen.

|12| Maar zij zijn als redeloze dieren, van nature voortgebracht voor gevangenschap en verderf; zij lasteren wat ze niet kennen en in hun verderf zullen ze ook ten verderve gaan,

De dwaalleraars en -profeten gedroegen zich als dieren die zich enkel lieten leiden door hun instinct (vgl. Hd20:29-30; 1Pt5:8-9). Hun zondige natuur probeerden ze op vrome manieren goed te praten. Als het echter voor dieren gold om gevangen en gedood te worden, dan mochten ook deze personen in Gods verderf omkomen (vgl. Jd1:10). Door middel van het Griekse φθορά/fthora (‘verderf’) en φθαρήσονται/ftharēsontai (‘ten verderve gaan’) maakt de schrijver een woordspel.12

|13| en het loon van de ongerechtigheid ontvangen. Zij achten de zwelgpartij overdag een genot; zij zijn vlekken en smetten en zwelgen in hun bedriegerijen, als zij bij u brassen.

Naam-christenen waren voor de apostel als een vlek op een wit hemd of een kras op een ring. 13 Overdag, als anderen werkten, waren ze druk bezig met het nuttigen van uitgebreide maaltijden en bijwonen van zwelgpartijen (Js5:11; Ps10:16-17). Daarnaast kwamen ze naar de christelijke liefdesfeesten en genoten van het avondmaal, terwijl ze onrein en verdorven waren.

|14| Zij hebben overspelige ogen, die niet ophouden te zondigen; zij verlokken

onstandvastige zielen en hebben een hart geoefend in hebzucht, kinderen van de vervloeking.

Mensen, die niet willen luisteren naar de waarheid, slikken elke leugen. Onophoudelijk overtreden ze het zevende gebod, waarover de Heer Jezus zijn discipelen al onderwees (Mt5:28). Verlokkelijk proberen 11 Calvin 2007. 12 Gangel 2000, 491. 13 Ibid., 492.


2 P E T R U S 2:1-22 – DE OORLOG VAN DE CHRISTEN

33

ze goedgelovige mensen achter zich mee te sleuren. Vol hebzucht leven ze hun leven en maken ze religie tot een big business. Dit soort dwaalleraars lijken zodoende geenszins op de wedergeboren gelovigen die gekenmerkt zijn door een oprecht en vroom leven (vgl. 1Jh3:9). Het zijn ‘kinderen van de vervloeking’.

|15| Door de rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, de zoon van Bosor, die het loon van de ongerechtigheid liefhad,

Bileam werd door een ezel terechtgewezen (Nm22:28-30). Deze ezel was wijzer dan de profeet Bileam. Petrus typeert Bileam hierbij als de zoon van Bosor, terwijl hij in het Oude Testament de naam zoon van Beor draagt. Het is mogelijk dat de apostel dit doet om een woordspeling te maken met het Hebreeuwse woord voor vlees ( ^_`_‫ב‬/basār). Een andere mogelijkheid is dat Petrus de naam Beor met een Galilees accent uitspraak, waardoor deze veranderde van Beor in Bosor.14

|16| maar een berisping voor zijn eigen wetteloosheid kreeg: het stomme lastdier dat met mensenstem sprak, verhinderde de dwaasheid van de profeet.

|17| Dezen zijn waterloze bronnen en nevelen door de storm voortgedreven, voor wie de donkerheid van de duisternis bewaard wordt.

Het is erg als een wandelaar geen water meer terugvindt in de bronnen. Even erg is het als de wolken geen regen meer brengen voor het land. Zo zijn ook de personen waarover Petrus spreekt; nutteloos en enkel bedacht op eigen eer.

|18| Want door vruchteloze gezwollen taal te uiten verlokken zij door vleselijke

begeerten, door losbandigheden hen die sinds kort ontvlucht waren aan hen die in dwaling wandelen.

In tegenstelling tot de duidelijke vermaande en eenvoudige boodschap van de apostel Petrus spreken de valse gelovigen prachtige woorden. De mooiklinkende en retorische manier van spreken die ze toepassen is in werkelijkheid lege praat. Het is geblaat dat moeilijk voor de oprechte gelovige verschilt van dat van een ezel.

|19| Zij beloven hun vrijheid, terwijl zijzelf slaven van het verderf zijn; want door wie men overmeesterd is, diens slaaf is men geworden. 14 Van Houwelingen 1993, 71.


34

De dwaalleraars zijn zelf verslaafd, maar beloven vrijheid aan anderen. Verslaafd is iedereen van wie de wil door een andere persoon, een idee of een middel wordt beheerst (vgl. Rm6:16; 1Ko6:12). Ze voelen zich verder goed in deze verslaving en willen van geen redding weten.

|20| Want als zij door de kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus de bevlekkingen van de wereld ontvlucht maar opnieuw daarin verstrikt zijn en erdoor overmeesterd worden, dan is voor hen het laatste erger geworden dan het eerste.

Petrus geeft te kennen dat de valse leraren en profeten eerst bij de christenen wilden horen, maar daarna terugkeerden in de wereld. 15 Anderen denken veelmeer aan de ongelovigen die eerst voor het geloof gewonnen leken te zijn maar dan toch de wereld meer lief hadden dan de Heer. Vrijwel letterlijk verwijst de apostel Petrus hierbij naar het woord van Jezus over de boze geest die, na uit een huis verdreven te zijn, met versterkte krachten kan terugkeren (Mt12:45; Lc11:26).

|21| Want het was beter voor hen geweest de weg van de gerechtigheid niet gekend te hebben, dan na die gekend te hebben zich af te keren van het heilige gebod dat hun was overgeleverd.

De weg van gerechtigheid loopt uit op niets als de persoon zich vervolgens in allerlei bochten gaat wringen om zich aan de klem van Christus’ gebod te ontworstelen.16

|22| Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: ’De hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel’, en: ’De gewassen zeug tot het wentelen in de modder’.

Petrus vergelijkt de naam-christenen niet met schapen, maar met honden en varkens. Voor de joden maakten beiden deel uit van de onreine dieren. Het waren samen met de varkens de minst waardige schepselen (vgl. Mt7:6). Het spreekwoord dat de hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel is afkomstig uit Sp26:11. Het tweede spreekwoord over de gewassen zeug die zich in de modder wentelt, was waarschijnlijk een joods spreekwoord uit de eerste eeuw.17

15 Blum 1981, 282. 16 Van Houwelingen 1993, 75. 17 Gangel 2000, 494.


2 P E T R U S 3:1-18 – DE CHRISTELIJKE HOOP

35

6 | 3:1-18 – De christelijke hoop Nadat de schrijver in het vorige gedeelte sprak over de dwaalleraars die zich enkel in een cirkel bewogen rondom zichzelf, beschrijft de apostel in dit gedeelte de rechtlijnige wandel van de christen. In 2Pt3 beschrijft hij de wederkomst van Christus vanuit vijf perspectieven. Vier keer spreekt 2Pt zijn toehoorders daarbij aan als geliefden (vs1,8,14,17).

A

3:1-7 – Komst van de spotters

(1) Geliefden, dit is al de tweede brief die ik u schrijf. In beide wek ik door herinnering uw oprechte gezindheid op, (2) opdat u terugdenkt aan de woorden die tevoren door de heilige profeten gesproken zijn en aan het gebod van de Heer en Heiland, door uw apostelen verkondigd. (3) Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen (4) en zeggen: Waar is de belofte van zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zo als van het begin van de schepping. (5) Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het woord van God de hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water, (6) waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is. (7) Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en worden bewaard tot de dag van het oordeel en van de ondergang van de goddeloze mensen.

|1| Geliefden, dit is al de tweede brief die ik u schrijf. In beide wek ik door herinnering uw oprechte gezindheid op,

Petrus herinnert de gelovigen aan het onderwijs dat ze eerder van hem ontvingen. Datzelfde doel had de schrijver ook toen hij 1Pt schreef.

|2| opdat u terugdenkt aan de woorden die tevoren door de heilige profeten gesproken

zijn en aan het gebod van de Heer en Heiland, door uw apostelen verkondigd.

Net als in 2Pt1 benadrukt de apostel het belang voor de gelovigen om zich vast te houden aan het profetische woord van God. Deze heilige Godsmensen spreken over de toekomst die de gelovigen zeker tegemoet zullen gaan en beschermen hen tegen dwaalleraars en valse profeten. Ook dienden de gelovigen te letten op het gebod van de Heer dat de apostelen hen verkondigden. Gods Woord dienen de gelovigen te


36

doorgronden, evenals de boeken van de apostelen. Doordat 2Pt de apostelen zo samen met de profeten vermeldt, denken sommige uitleggers dat de schrijver zich niet zelf tot deze apostelen rekent. Dat is echter niet het geval. 2Pt geeft enkel een historische volgorde aan van mensen die de Heer zond: eerste de oudtestamentische profeten en daarna de nieuwtestamentische apostelen.1 Beide groepen zijn van groot belang voor het leven van de gelovige.

|3| Weet dit eerst, dat er in het laatst van de dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen

Petrus beantwoordt enkele vragen van de gelovigen die waarschijnlijk door de spotternijen van de ongelovigen de kop opsteken. Zoals er in de laatste dagen dwaalleraars zullen zijn, zullen er ook spotters zijn.

|4| en zeggen: Waar is de belofte van zijn komst? Want sinds de vaderen zijn ontslapen, blijft alles zo als van het begin van de schepping.

De spotternijen van de pseudo-gelovigen en ongelovigen neemt nijpende vormen aan. Ze gebruiken bijbelse termen, maar verwerpen de wederkomst en zien God veelmeer als de God die zich terugtrok uit deze schepping. Er is geen komst van Hem te verwachten. Het wereldgebeuren lijkt een dermate gesloten systeem dat er geen ruimte is voor goddelijk ingrijpen. Door te wijzen op de ontslapen vaderen van het Oude Testament (vgl. Jh6:58; 7:22; Hd13:32; Rm9:5; 11:28; 15:8; Hb1:1) probeert 2Pt aan te tonen dat er helemaal niets veranderd is in zijn tijd. 2 De dag van het oordeel was een druk besproken onderwerp en al zo vaak voorspeld in de geschiedenis; toch was er nog nooit iets gebeurd. Het geheel herinnert aan het volk Israël dat bij de berg Sinaï een gouden kalf begint te maken als vervanging van Mozes die, volgens hun eigen inzichten, te lang weg is. Vragen als ‘waar blijft het woord van de Heer?’ (Jr17:15) en ‘waar is de God van het recht?’ (Ml2:17), trekken de beloften van God in vraag. Nog steeds vinden we deze spot over de wederkomst van Christus binnen en buiten de christenheid. Edward Schillebeeckx schrijft zo: 3 ‘Wij verwachten geen hemelse mensenzoon die weldra zal komen om te oordelen en een Messiaans gemenebest zal stichten […] Men kan inderdaad een redelijke tijd wachten op een uitblijvende trein. Maar wie, 1 2 3

Van Houwelingen 1993, 78. Carson, Moo, and Morris 2005, 661; Green 1968, 151. Schillebeeckx 1974, 17.


2 P E T R U S 3:1-7 – KOMST VAN DE SPOTTERS

37

in een moderne tijd, niet enkel uren maar dagen en weken – voor ons eeuwen – bij een treinspoor heeft gewacht naar een duidelijk geprogrammeerde trein, kan bij uitblijven daarvan “deze treinverwachting” psychologisch niet meer volhouden of waarmaken. Zo iemand komt al gauw tot de conclusie, dat op dit spoor geen treinen meer lopen.’ Gods belofte wordt hierbij aan de kant geplaatst voor menselijke interpretaties.

|5| Want moedwillig is hun dit onbekend, dat door het woord van God de hemelen van oudsher waren en een aarde bestaande uit water en door water,

Gods woord schept (2Pt3:5), Gods woord onderhoudt (vs6) en Gods woord vernietigt (vs7). Petrus schrijft niet dat de aarde voornamelijk uit water bestaat, zoals de Griekse filosoof Thales van Milete dat beweerde. Hij spreekt erover dat de aarde uit het water ontstond en daar haar oorsprong vond.

|6| waardoor de toenmalige wereld, door water overstroomd, vergaan is. Het ‘waardoor’ verwijst in dit vers terug naar Gods woord (vs5). Door dit woord kwam niet alleen de schepping tot stand, maar ook de zondvloed. In dit korte bestek vermeldt Petrus in totaal drie werelden die van elkaar gescheiden zijn door twee grote rampen: de schepping voor de zondvloed, de schepping na de zondvloed en de nieuwe schepping. De scheiding tussen deze werelden brengt de ene keer het water en de volgende keer het vuur. Dit water- en vuurgericht vormen de beide grote interventies van God in het wereldgebeuren.4 Door het eerste te negeren spotten de mensen met het tweede oordeel. Reeds de zondvloed had hen al hiervoor moeten waarschuwen: niemand in die tijd had het toemalige oordeel verwacht (Mt24:36-42).

|7| Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord opgespaard voor het vuur en worden bewaard tot de dag van het oordeel en van de ondergang van de goddeloze mensen.

Tot driemaal toe spreekt 2Pt over het oordeel over deze kosmos in apocalyptische woorden (3:7,10,12). Dat komt deze keer niet meer door het water, maar door het vuur. Petrus wijst zijn toehoorders daar nadrukkelijk op. Net zoals de oudtestamentische profeten staat het oordeel bij hem in relatie met vuur (Dt32:22; Js33:11vv.; 34:4; 66:15-17; 4

Van Houwelingen 1993, 84.


38

Jl2:3; Sf1:18; Zc12:6; Ml3:2,19). Door de uitbarsting van de Vesuvius in 79nC, toen Pompeij werd bedolven onder de lavastroom uit de vulkaan, dachten de gelovigen dat de wereldbrand waarover Petrus schreef, niet meer lang op zich zou laten wachten.5

B

3:8-13 – Gods belofte vertraagt niet

(8) Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. (9) De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen. (10) Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. (11) Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht, (12) terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan de hemelen in vuur gezet zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten. (13) Wij echter verwachten naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.

|8| Maar laat dit ene u niet onbekend zijn, geliefden, dat een dag bij de Heer is als duizend jaar en duizend jaar als een dag.

Nadat Petrus aangaf wat de spotters met hun beweringen overzagen, waarschuwt hij zijn lezers dat zij bepaalde zaken niet over het hoofd mogen zien. 2Pt3:8 is hierbij meermaals in de geschiedenis gebruikt om korte tijdstippen te verlengen. Petrus spreekt echter niet over een tijdsaanduiding. Een dag blijft een dag en een jaar blijft een jaar. Wel is er een verschil van ‘tijdswaardering’. De manier waarop wij de dag of het jaar waarnemen is anders dan de manier waarop God beiden waarneemt. Bij God tikt de tijd anders dan bij de schepsels.6 Maarten Luther schrijft:7 ‘Er bestaan twee perspectieven om dingen te zien: Gods weg en de weg van de mens. […] God ziet de tijd niet in overlangse doorsnede. Hij ziet de tijd overdwars, zoals wij overdwars langs een omgevallen boom zouden kijken. […] Vanaf Adam tellen we telkens een jaar verder tot aan de laatste dag. Maar vanuit Gods perspectief is alles in één oogschouw zichtbaar […]. Hiervoor hoeft er niet te worden gemeten of geteld.’ 5 6 7

Weber 1999, 49. Van Houwelingen 1993, 85. Luther 1883, 30:196.


2 P E T R U S 3:8-13 – GODS BELOFTE VERTRAAGT NIET

39

Vanuit deze opvatting concludeert Luther dat er in de eeuwigheid geen tijd bestaat. Er is geen verleden en geen toekomst, alleen een eeuwig heden.8 Wat voor de spotter een oneindig lange tijd lijkt, is voor de Heer een kort moment. De hele kerkgeschiedenis heeft zo in Gods ogen slechts twee dagen geduurd.9

|9| De Heer vertraagt de belofte niet zoals sommigen het voor traagheid houden, maar Hij is lankmoedig over u, daar Hij niet wil dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.

Niemand wacht graag en toch is het juist die wachtende houding die het kenmerk is voor de christenen. De Heer zal recht doen aan zijn beloften. Maar Hij is genadig, geduldig, groot van goedertierenheid en trouw, omdat Hij niet wil dat iemand verloren gaat (vgl. Ex34:6). God heeft een lange adem.10 In het joodse werk Jezus Sirach vernemen we: ‘Voor een mensenleven is honderd jaar heel veel. Een waterdruppel uit de zee en een korreltje zand, dat zijn die paar jaren op de eeuwigheid. Daarom heeft de Heer geduld met de mensen en stort Hij over hen zijn barmhartigheid uit’ (Sir18:9-11). Dit soort teksten onthullen dat God er een vreugde in heeft om genade en redding te brengen aan de mensen en dat Hij met tegenzin wraak en oordeel uitvoert. Uiteindelijk zullen er toch mensen verloren gaan. Petrus gaf al in het vorige hoofdstuk aan dat dit wel eens het einde zou kunnen van de dwaalleraars en -profeten. Gods wil is dat echter niet. Hij wil dat alle mensen het evangelie accepteren met hun hele hart (vgl. 1Tm2:4).

|10| Maar de dag van de Heer zal komen als een dief, waarop de hemelen met gedruis

zullen voorbijgaan en de elementen brandend vergaan en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.

Meermaals spreekt de Bijbel over de dag van Jahweh (Js2:12; Ez13:6,9; 30:3; Jl1:15; 2:1,11,31; 3:14; Am5:18; 5:20; Ml4:5; 1Ts5:2; 2Ts2:2; 2Pt3:10). Bij het bepalen van de tijdsomvang van die dag, speelt dit vers een grote rol. Sommige uitleggers stellen vanuit 2Pt3:10 dat de ‘dag van Heer’ meteen na de duizend jaar van het vrederijk eindigt. 11 Ruw genomen zou deze dag dan het volledige duizendjarige vrederijk omvatten. Toch zijn hiertegen argumenten in te brengen:12 8 9 10 11 12

Ibid., 12:52. Gangel 2000, 497. Van Houwelingen 1993, 86. Chafer 1947, VII:110; Pentecost 1993, 196, 250, 565. Rosenthal 1990, 127–134.


40

(1) Nergens, in de Bijbel, is de dag van Jahweh een dag van welvaart en vrede. ‘Duisternis is hij, en geen licht!’ (Am5:18b). ‘Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis, een dag van bazuingeschal en van krijgsgeschreeuw tegen de versterkte steden en tegen de hoge hoektorens’ (Zf1:1416; vgl. Js13:9; Jr30:7; Jl2:31). De zegeningen in het vrederijk zijn daarom eerder een resultaat van de dag van de Heer.13 (2) 2Pt spreekt niet expliciet over het vrederijk. In de context gaat het over Christus’ wederkomst als reactie op de vraag: ‘Waar is de belofte van zijn komst?’ (3:4). Werner de Boor denkt tevens dat Petrus alle profetische gegevens over de dag van Jahweh in één oogwenk ziet.14 Uiteindelijk breekt de langverwachte dag van God aan. God grijpt in in deze gevallen schepping en brengt de nieuwe schepping tot stand. De hemelen vergaan dan en de elementen smelten weg. Justinus de Martelaar (100-165) wijst hierbij op het lied van Mozes om aan te tonen dat deze ingreep van God al oude papieren heeft:15 ‘Als het vuur van Mijn toorn is ontstoken zal het branden tot in het diepste dodenrijk; het zal de aarde verschroeien en alles wat daar groeit, het zal de grondvesten van de bergen verteren’ (Dt32:22). Ook Jesaja spreekt over deze situatie: ‘De sterren aan de hemel vergaan, als een boekrol wordt de hemel opgerold. Alle sterren vallen neer, zoals bladeren vallen van een wijnstok of verschrompelde vruchten van een vijgenboom’ (34:4). Deze wereldbrand, die Petrus beschrijft, een catastrofe voor de schepping. De elementen van de wereld smelten brandend weg (vs12). Uiteindelijk blijft de wereld in zijn structuur als schepping echter bestaan. Beproefd en gereinigd komt zij, evenals de wereld na de watervloed, tevoorschijn. Het geheel herinnert hierbij aan het goud dat wordt omgesmolten, waarbij het vuur het edelmetaal loutert. Tegelijk gaat de alles-verzengende vuurvloed veel verder dan de alles-overspoelende en louterende watervloed. Dat blijkt uit termen als voorbijgaan, verbranden, losmaken en smelten.16 Tegelijk beseft de gelovige dat dit niet het einde zal zijn van Gods schepping. Net zoals de stad Jeruzalem het oordeel over 13 14 15 16

Mayhue 1981, 93. De Boor 1986, 241. De Martelaar 157AD, 60.8–10. Vgl. De Hemelvaart van Mozes 10.3-6. Van Houwelingen 1993, 91.


2 P E T R U S 3:8-13 – GODS BELOFTE VERTRAAGT NIET

41

zich kreeg en geen steen op de ander werd gelaten, zal dat ook gebeuren met deze schepping. Maar evenals God de oude stad Jeruzalem weer liet oprijzen uit het stof, laat Hij ook de nieuwe schepping oprijzen uit het stof van de oude schepping.17 De στοιχεῖα/stoicheia, waarover enkel Gl4:3,9 en 2Pt3:10,12 expliciet spreken, verwijzen naar: hemelse machten, het sterrenstelstel met zijn sterrenbeelden (Wijs7:17), de wereldgeesten (LEI: ‘aartsengelen’), menselijke overheden (SV,TE, vgl. Rm13:1; Dn10:13,20),18 menselijke filosofieën, tradities en leefregels (Ko2:20-23),19 eerste beginselen (Ko2:8,20), de delen van een reeks (bijv. het ABC), basisonderwijs (Hb5:12), grondstoffen en oer-componenten (2Pt3:10,12; 4Makk12:13), schepselen (Wijs19:18). In de joodse apocalyptiek verwijzen de στοιχεῖα naar verschillende engelklassen (1Hen). In Klein-Azië waren στοιχεῖα de wereldgeesten (daemonen) die tussen God en de schepping stonden en over de natuurkrachten en sterren regeerden. Ook in 2Pt3:10 staan de elementen tussen de hemel en aarde.20

Tekstkritisch zijn er meerdere problemen rondom het laatste woord van 3:10. Sommige handschriften lezen ‘zal worden gevonden’ (εὑρεθήσεται, ‫א‬, B, K, P, vgl. 2Pt3:14), terwijl de meerderheid van de handschriften ‘zal opbranden’ (κατακαήσεται, A, 048, 049, 056, 0142, 33, 614, å) leest. Handschrift C leest verder ‘zal verdwijnen’ (ἀφανισθήσονται). En ¸42 leest ‘zal losraken’ (λυόμενα) wat aansluit bij de woorden παρελεύσονται en λυθήσεται in dit vers. Door de keuzemoeilijkheden kozen andere handschriften er zelfs voor om het laatste woord in 3:10 weg te laten.

|11| Daar dit alles dus vergaat, hoe behoort u te zijn in heilige wandel en godsvrucht, In de wetenschap dat deze wereld in vlammen opgaat, zien christenen uit naar de nieuwe schepping die blijvend en eeuwig is (vs13). Zij verwachten de komst van God naar deze schepping (vs12). Wat gebeurt in de nieuwe schepping (Op21:3).

|12| terwijl u de komst van de dag van God verwacht en verhaast, ter wille waarvan de

hemelen in vuur gezet zullen vergaan en de elementen brandend zullen wegsmelten.

17 Ibid., 93. 18 Gerard H. Kramer, Christus ons leven. Bijbelstudies bij de Brief van Paulus aan de Kolossers (Vaassen: Medema, 1994), 80; G. Dehn, “Engel und Obrigkeit”, in Theologische Aufsätze, door Karl Barth (München, 1936), 90–106. 19 Clement van Alexandrië, Stromata, z.d., VI.8; Quintus Septimius Florens Tertullianus, Adversus Marcionem: Tegen Marcion, 207AD, V.14. 20 Pieter H.R. van Houwelingen, 2 Petrus en Judas: Testament in tweevoud, Commentaar op het Nieuwe Testament (Kampen: Kok, 1993), 89.


42

Petrus herhaalt nog eens zijn boodschap uit vs10. Terwijl spotters de komst van God negeren, leven de christenen in blijde verwachting. Petrus voegt daaraan toe dat zij hierbij vanuit hun eigen verantwoordelijkheid de toekomst kunnen bespoedigen (NBV, TE, WV, GNB, NB; contra: HSV, SV, NBG). Gelovig verwachten is niet hetzelfde als passief afwachten. Christenen bidden voor de komst van de Messias en bespoedigen die dag door een heilige godvrezende wandelen (Mt6:10; 1Ko16:22; Op22:20). Berouw en bekering effenen de weg van de terugkomst van de Heer (Hd3:19-21). Ook in het jodendom leefde deze gedachte van het bespoedigen van Jahwehs komst.21 Uiteraard is het onmogelijk de vijanden van de aarde te verdrijven of de wereld voor Christus te veroveren. Christenen vormen echter wel een bruggenhoofd in deze wereld. Ze bieden een geestelijk terrein, een vesting, een steunpunt, een houvast, waar Christus gediend wordt te midden van vijandelijk gebied. Als de apostel hierover nadenkt, noemt hij nog eens de gegevens uit vs10. De komst van God zet de hemelen in vuur en laat de elementen brandend wegsmelten. Dit wegsmelten was al bekend vanuit de oudtestamentische profetie die sprak over de bergen en heuvels die wegsmolten voor Gods aangezicht (Ps97:5; Js64:1-3; Mi1:4; Na1:5-6).

|13| Wij echter verwachten naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.

Petrus legt alle aandacht op het nieuwe van de nieuwe schepping. Hij plaatst daarbij in het Grieks letterlijk de woorden nieuwe hemel en aarde nieuwe in een chiasme. Gods koninkrijk ligt niet in het verlengde van de historische wandaden in deze schepping. Het staat in rechte lijn met de beloften die Hij waar maakt vanuit deze schepping in de nieuwe schepping. Geen wereldvernietiging, maar wereldvernieuwing is hetgeen de christen verwacht.22 Deze nieuwe schepping staat meteen in een bepaald licht: hier woont de gerechtigheid. Dat is de gerechtigheid die in de hedendaagse wereld op grote schaal afwezig is.

C

3:14-16 – IJver in heiliging

(14) Daarom, geliefden, daar u deze dingen verwacht, beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede. (15) En houdt de lankmoedigheid van onze Heer voor behoudenis, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u heeft geschreven; (16) evenals ook in alle 21 Freedman and Maurice 1983, 6. 22 Van Houwelingen 1993, 97.


2 P E T R U S 3:14-16 – IJVER IN HEILIGING

43

brieven, waarin hij over deze dingen spreekt, waarin sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn, die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften, tot hun eigen verderf.

|14| Daarom, geliefden, daar u deze dingen verwacht, beijvert u onbesmet en onberispelijk voor Hem te worden gevonden in vrede.

Het christelijke leven kan niet anders dan toekomstgericht zijn. Nog heeft de mensheid tijd om zich te bekeren. Op de dag van het oordeel is die tijd afgelopen (vgl. 2Pt2:9; 3:7). Voor de gelovigen betekent dit meer dan enkel kennis van iets te hebben. Het gaat erom dat hij zijn levenswandel in overeenstemming brengt met de hoop die hij heeft. Hij dient onbesmet en onberispelijk te worden gevonden in de vrede die Gods straks volledig aan deze schepping schenkt.

|15| En houdt de lankmoedigheid van onze Heer voor behoudenis, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u heeft geschreven;

De jonge gelovigen erkenden Paulus’ brieven als zeer belangrijk. Petrus zag Paulus als broeder en werkte collegiaal met hem samen in het zendingswerk. In dit vers herinnert Petrus de gelovigen in Klein-Azië aan hetgeen de apostel Paulus in het verleden aan hen schreef. Het is mogelijk dat Petrus daarbij concreet denkt aan de brief aan de Galaten en Efeze, waarin de apostel waarschuwt voor het misbruik van de christelijke vrijheid (Gl5:13-6:16; Ef1:4; 5:27; Ko1:22).23 Hetgeen wat Paulus schreef, verwijst immers niet alleen naar ‘Gods geduld’, dat Petrus noemt, maar naar het geheel van 2Pt3:14-15a waar de aandacht uitgaat naar het heilige leven vanuit de verwachting van het koninkrijk.

|16| evenals ook in alle brieven, waarin hij over deze dingen spreekt, waarin sommige dingen moeilijk te begrijpen zijn, die de onwetenden en onstandvastigen verdraaien, zoals ook de overige Schriften, tot hun eigen verderf.

Wellicht had de apostel Petrus in zijn laatste levensjaren genoeg gelegenheden gehad om meerdere brieven van de apostel Paulus door te werken. Het verspreiden van Paulus’ brieven was een proces dat al door hemzelf was aangewakkerd (Ko4:16). Hoeveel brieven van Paulus Petrus kende blijft daarbij onbekend. Deze brieven werden echter ook door de misleiders doorgenomen. Op die wijze werden de woorden van Paulus verdraaid en misbruikt. Impliciet erkende de tegenstander daarmee de 23 Ibid., 99–100.


44

autoriteit van Paulus’ brieven. Waarom zou hij anders zoveel moeite doen om de woorden van de apostel te verdraaien? De dwaalleraars en dwaalprofeten waarvoor 2Pt waarschuwt, verdraaiden echter alle woorden van de apostel. In plaats van zichzelf door de Schrift te laten corrigeren, corrigeerden zij liever de tekst door die aan hun eigen begeerten aan te passen (2Pt3:3). Hoe meer iemand echter het geheel van de Bijbel loslaat ten behoeve van zijn eigen privé-mening, hoe meer hij op zichzelf wordt teruggeworpen. Zo loopt het spoor van de exegese uiteindelijk dood in de doolhof van het eigenbelang.

D

3:17-18 – Waarschuwing

(17) U dan, geliefden, nu deze prognose kent, weest op uw hoede dat u niet, door de dwaling van de zedelozen meegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid; (18) maar groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag van de eeuwigheid. Amen.

|17| U dan, geliefden, nu deze prognose kent, weest op uw hoede dat u niet, door de

dwaling van de zedelozen meegesleept, afvalt van uw eigen standvastigheid;

In het geloof is een goede persoonlijke stabiliteit van levensbelang. Daarom dienden de christenen zich telkens opnieuw te baseren op de stevige basis van Gods waarheid en genade. Alleen daardoor zouden zij staande blijven en het geestelijk evenwicht niet kwijtraken.

|18| maar groeit op in de genade en kennis van onze Heer en Heiland Jezus Christus.

Hem zij de heerlijkheid, zowel nu als tot de dag van de eeuwigheid. Amen.

Als een boom overeind wil blijven in de storm, moeten zijn wortels goed zijn ontwikkeld.24 Het fundament van de waarheid is een vruchtbare bodem voor de verdere groei van het christelijk leven.

Vragen □

Kunnen wij Christus’ terugkeer versnellen?

24 Ibid., 104.


2 P E T R U S 3:17-18 – WAARSCHUWING

45

Hoe zou jij graag willen dat Christus je aantrof bij Zijn terugkeer? Leef je ook elke dag op die manier?

Waar besteed jij meer tijd aan: het groeien naar Christus’ beeld of het verzamelen van nog meer bezit?


2

P E T R U S LITERATUURLIJST

47

7 | Literatuurlijst Arentsen, M. Johan. 1996. De kracht en de komst van Christus. Bijbelstudies bij de Tweede Brief van Petrus. Vaassen: Medema. Barth, Karl. 2004. The Christian Life: Unpublished fragments of Church Dogmatics IV.4. Edinburgh: T&T Clark. Bauckham, Richard J. 1983. 2 Peter, Jude. Word Biblical Commentary 50. Waco: Word Books. Blue, J. Ronald. 2000. Jakobus. In Das Neue Testament. Erklärt und Ausgelegt, edited by John F. Walvoord and Roy B. Zuck, 5:413– 442. Vol. 5. 5 vols. Holzgerlingen: Hänssler. Blum, Edwin A. 1981. 2 Peter. In Expositor’s Bible Commentary, 12: Vol. 12. 12 vols. Grand Rapids: Zondervan. De Boor, Werner. 1986. Die Briefe des Petrus und Judas. Wuppertaler Studienbibel. Wuppertal: Brockhaus. Callan, Terrance. 2003. The Style of the Second Letter of Peter. Biblica 84: 202–224. Calvin, John. 2007. Calvin’s Bible Commentaries. Albany: Forgotten Books. Carson, David A. 2007. Jude. In Commentary on the New Testament use of the Old Testament, edited by Gregory K. Beale and David A. Carson. Grand Rapids: Baker Academic. Carson, David A., Douglas J. Moo, and Leon Morris. 2005. An Introduction To The New Testament. Grand Rapids: Zondervan. Chafer, Lewis S. 1947. Systematic Theology. 8 vols. Dallas: Dallas Theological Seminary. Clement van Alexandrië. n.d. Stromata. Davids, Peter H. 2006. The letters of 2 Peter and Jude . Pillar New Testament Commentary. Grand Rapids: Eerdmans. Dehn, G. 1936. Engel und Obrigkeit. In Theologische Aufsätze. München. Elliott, John Hall. 1981. A home for the homeless: a sociological exegesis of 1 Peter, its situation and strategy. Philadelphia: Fortress. Eusebius van Caesarea. 2000. Eusebius’ Kerkgeschiedenis. Translated by Christiaan Fahner. Zoetermeer: Boekencentrum. Freedman, Harry, and Simon Maurice, eds. 1983. Midrash Rabbah: Deuteronomy. In Deuteronomy and Lamentations. Midrash Rabbah 7. London: Soncino.


48

Gangel, Kenneth O. 2000. 2. Petrus. In Das Neue Testament. Erklärt und Ausgelegt, edited by John F. Walvoord and Roy B. Zuck, 5:473– 501. Vol. 5. 5 vols. Holzgerlingen: Hänssler. Green, Michael. 1968. The Second Epistle General of Peter, and the General Epistle of Jude. Tyndale New Testament Commentaries 18. Downers Grove: InterVarsity. Greijdanus, Seakle. 1931. De eerste/tweede brief van den apostel Petrus . Korte Verklaring. Kampen: Kok. Henry, Matthew. 2005. Bijbelverklaring van het Oude Testament en Nieuwe Testament. Digitale editie. Dordrecht: Importantia. Hiëronymus. n.d. De Viris Illustribus. Holladay, Carl R. 1977. Theios aner in Hellenistic-Judaism: a critique of the use of this category in New Testament Christology . Society of Biblical Literature Dissertation Series 40. Missoula: Scholars. Van Houwelingen, Pieter H.R. 1993. 2 Petrus en Judas: Testament in tweevoud. Commentaar op het Nieuwe Testament. Kampen: Kok. Van Houwelingen, Pieter H.R. 2010. Deel 1: Het apostolische evangelie uit Jeruzalem. In Apostelen: Dragers van een spraakmakend evangelie, edited by Pieter H.R. van Houwelingen, 20–167. Commentaar Nieuwe Testament. Kampen: Kok. Irenaeus. 1993. Adversus Haereses: Tegen de ketterijen. Translated by Norbert Brox. 5 vols. Fontes Christiani 8. Freiburg: Herder. Jamieson, Robert, Andrew R. Fausset, and David Brown. 1863. A Commentary, Critical and Explanatory, on the Old and New Testaments. Grand Rapids: Eerdmans. Käsemann, Ernst. 1964. An Apologia for Primitive Christian Eschatology. In Essays on New Testament Themes , 169–195. Studies in Biblical Theology 41. London: SCM. Kelly, John N.D. 1993. The Epistles of Peter and of Jude. Black’s New Testament Commentary 17. Grand Rapids: Baker. Kramer, Gerard H. 1994. Christus ons leven. Bijbelstudies bij de Brief van Paulus aan de Kolossers. Vaassen: Medema. Kraus, Thomas J. 2001. Sprache, Stil und historischer Ort des zweiten Petrusbriefes. Wissenschaftliche Untersuchungen zum Neuen Testament 136. Tübingen: Mohr Siebeck. Luther, Martin. 1883. Martin Luthers Werke. 50 vols. Weimarer Ausgabe. Weimar: Böhlau. MacDonald, William. 1997. Kommentar zum Neuen Testament. Bielefeld: CLV.


2

P E T R U S LITERATUURLIJST

49

De Martelaar, Justinus. 157AD. Apologia Prima: Eerste Apologie aan Antonius Pius. De Martelaar, Justinus. 160AD. Dialogus cum Tryphone Judaeo: Dialoog met de jood Tryphos. Mayhue, Richard L. 1981. The Prophet’s Watchword: The Day of the Lord. Dissertatie. Winona Lake: Grace Theological Seminary. Mayor, Joseph B. 1907. The Epistle of St. Jude and the Second Epistle of St. Peter. New York: Macmillan. Medema, Henk P. 1999. Wie zou Jezus zijn? Vaassen: Medema. Ouweneel, Willem J. 2011. Het verbond en het koninkrijk van God: Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer . Evangelisch-Dogmatische Reeks 7. Heerenveen: Medema. Patzia, Arthur G. 2011. The making of the New Testament: Origin, collection, text & canon. Downers Grove: InterVarsity. Pentecost, John D. 1993. Bibel und Zukunft. Dillenburg: Christliche Verlagsgesellschaft. Philo. 2005a. De Decalogo - On the Decalogue. In The Works of Philo, translated by Charles D. Yonge. Peabody: Hendrickson. Philo. 2005b. De Migratione Abrahami - On the Migration of Abraham. In The Works of Philo, translated by Charles D. Yonge. Peabody: Hendrickson. Philo. 2005c. De Specialibus Legibus - On the Special Laws. In The Works of Philo, translated by Charles D. Yonge. 4 vols. Peabody: Hendrickson. Picirilli, Robert E. 1988. Allusions to 2 Peter in the Apostolic Fathers. Journal for the Study of the New Testament 10 (33): 57–83. Plato. 2010. Phaidros. In Platoon Verzameld Werk, 1: Vol. 1. 11 vols. Amsterdam: De Driehoek. Plato. 1987. Theaitetos. In Platoon Verzameld Werk, 9: Vol. 9. 11 vols. Amsterdam: De Driehoek. Robertson, A.T. 1921. The Greek Article and the Deity of Christ. The Expositor 8 (21). Rosenthal, Marvin J. 1990. The pre-wrath rapture of the church . Nashville: Nelson. De Ru, G. 1969. De authenticiteit van II Petrus. Nederlands Theologisch Tijdschrift. Schillebeeckx, Edward. 1974. Jezus: het verhaal van een levende . Soest: Nelissen.


50

Sharp, Granville. 1807. Remarks on the uses of the definitive article in the Greek text of the New Testament: containing many new proofs of the divinity of Christ, from passages which are wrongly translated in the common English version. Philadelphia: Hopkins. Stauffer, Ethelbert. 1976. θεός, θεότης, ἄθεος, θεοδίδακτος. In Theological Dictionary of the New Testament , 3:65–122. Vol. 3. 10 vols. Grand Rapids: Eerdmans. Strachan, R.H. 1979. The Second Epistle General of Peter. The Expositor’s Greek Testament 5. Grand Rapids: Eerdmans. Tertullianus, Quintus Septimius Florens. 207AD. Adversus Marcionem: Tegen Marcion. 5 vols. Vögtle, Anton. 1994. Der Judasbrief/Der zweite Petrusbrief . EvangelischKatholischer Kommentar 22. Neukirchen-Vluyn: Neukirchener. Wall, Robert W. 2004. A unifying theology of the Catholic epistles: A canonical approach. In The Catholic Epistles and the tradition , edited by Jacques Schlosser, 43–71. Bibliotheca Ephemeridum theologicarum Lovaniensium 176. University Press ; Peeters. Wallace, Daniel B. 1997. Greek Grammar Beyond the Basics. Grand Rapids: Zondervan. Weber, Eugen. 1999. De Apocalyps. Het einde der tijden door de eeuwen heen. Amsterdam: Bakker. Weiss, Bernhard. 1889. A manual of introduction to the New Testament . 2 vols. New York: Funk & Wagnalls. Wikenhauser, Alfred, and Josef Schmid. 1973. Einleitung in das Neue Testament. Freiburg: Herder.


Aantekeningen op 2 Petrus