Issuu on Google+

7 magazine Rathenau instituut verschijnt 2 keer per jaar juni 2012

Sleutelen aan de aarde De gemiddelde Nederlander in beeld

Het daderprofiel in de film

Dossier

Mijn profiel en ik


Mijn stelling Auteur Amanda Verdonk

Een ‘robotauto’ bevat ­technologie die het rijden ondersteunt. Die ­technologie waarschuwt bijvoor­ beeld als er iets in de dode hoek gebeurt. Lees meer in het Rathenauboek Overal robots: automatisering van de liefde tot de dood van L ­ ambèr Royakkers, Floortje ­Daemen en Rinie van Est (uitgeverij Boom, 2012).

‘Robotauto’ verpest de rijbeleving “Het leukste van autorijden is het onafhankelijkheidsgevoel; gaan en staan waar je wilt, zelf bepalen wat je doet.” Autojournalist Viola Robbemondt vindt het maar niks, een ‘robotauto’ die veel rijtaken overneemt van de bestuurder. “Ik maakte ooit mee dat een auto uit zichzelf verkeerd bijstuurde. Dat was domweg gevaarlijk. Het menselijk lichaam zit knapper in elkaar dan alle elektronica van de wereld. Gebruik je eigen ogen!”

Geweldige ­ontwikkeling

Omwenteling op handen

Kapitein aan boord

“Ik vind de robotauto een geweldige ontwikkeling. Autorijden is door die technische snufjes veel veiliger geworden. Want een mens ziet wel eens wat over het hoofd. Maar ik vind wel dat je als bestuurder de keuze moet houden. Hulpmiddelen zijn prima, maar ik wil niet dat mij het stuur uit handen wordt genomen. Systemen k ­ unnen je helpen, maar je moet er nooit blind op vertrouwen.”

“Mobiel zijn appelleert aan een basisbehoefte. Mensen willen zelf invloed k ­ unnen uitoefenen op hun reis. Daarom zie je dat ze vaak de file verkiezen boven het openbaar vervoer. Maar ik denk dat er een omwenteling komt. In de praktijk is de vrijheid van de automobilist namelijk niet zo groot; in een file kun je geen kant op. De nadelen van individuele mobiliteit zullen gaan doordringen. We kunnen beter kiezen voor een collectief systeem, met robotauto’s. Ook dan houdt de wegenwacht trouwens wel werk. Pech blijf je altijd houden.”

“TNO heeft een proeftraject tussen Eindhoven en ­Helmond ingericht waar veertig camera’s elk voertuig kunnen volgen. Zij zijn jouw ogen en oren. Het geeft een comfortabel gevoel als je ­precies weet hoe lang je over je reis doet. En vergeet niet: al die systemen zijn er alleen om mensen te helpen. Je kunt ze ook uitzetten. Ik denk dan ook dat Viola de robotauto zal gaan waarderen als ze zich realiseert dat ze altijd zelf kapitein aan boord blijft.”

Charlie Aptroot, Tweede Kamerlid voor de VVD

Ferry Smit, manager public affairs ANWB

2

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Leo Kusters, directeur ­mobiliteit bij TNO


38

4 10 15

Rubrieken

38 Low tech

15 Buitenbeentjes

28 Cultuur

2 Mijn stelling

De robotauto: top of flop?

4 Geo-engineering

Jan Staman – column.

32 Wim van Vierssen

Wel of niet luisteren naar wetenschappers?

36 Profiel

Laurens Hessels onderzoekt Topconsortia.

Blogwinnares Tiziana Nespoli.

43 Colofon & service

Dossier: Mijn profiel en ik

9 Profielen sturen wat je ziet, krijgt en doet

Niet iedereen past binnen het standaardprofiel van ‘de’ Nederlander. En dan?

18 Prettig kennis maken met …

41 Rathenau Kort

Waterbeleid kent teveel ‘probleemeigenaren’.

34 Zeepkist

40 Gastcolumn

Het wenkend perspectief van sleutelen aan de aarde.

8 Stavast

Van houtgasauto tot ­zandmotor.

Linda en Mark, de gemiddelde Nederlandse man en de gemiddelde Nederlandse vrouw.

Mijn profiel en ik.

Ieder mens is uniek. Maar als je iets mankeert, is uniek zijn niet zo fijn.

22 Voorgeprogrammeerd

Online worden we allemaal in meer of mindere mate voorgeprogrammeerd. Is dat erg?

37 Rathenau Nieuws

25 Standaardisering

Jubileumjaar trok de ­aandacht.

31 Gedicht

20 Essay

10 Trudy Dehue Onze classificaties ­veranderen onze wereld, stelt hoogleraar psychologie Trudy Dehue.

Een goed ­daderprofiel maakt de jacht op een ­misdadiger een stuk ­efficiënter, leren we uit romans en films.

Excellente eenheidsworst.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

3


Achtergrond

Sleutelen aan

4

ÎŚ

Magazine no. 7 juni 2012


de aarde Het klimaat veranderen, zeestromingen verleggen en woestijnen vruchtbaar maken. Dat wenkend perspectief biedt geo-engineering. Sleutelen aan de aarde is voorlopig nog verre toekomstmuziek, maar het is goed om de morele en politieke dilemma’s nu al te benoemen en te bespreken. Auteur Arno van ‘t Hoog

A

rtist impressions bij artikelen over geo-engineering ogen als science fiction: onbemande wolkenboten, kooldioxide slurpende kunstbomen of high tech spiegels in de ruimte. Allemaal technieken die grootschalig ingrijpen in het klimaatsysteem om het opwarmen van de aarde tegen te gaan. Geo-engineering is in woord en beeld nog grotendeels futurologie; technologische toekomstbeelden, waarvan op het eerste gezicht onduidelijk is hoe lang de weg is tussen tekentafel en praktijk. Die complexiteit geldt ook voor alle morele en politieke vragen die de techniek oproept. Wie zouden over geo-engineering moeten beslissen en op welke gronden? Het wereldwijde klimaat bijsturen heeft mogelijk ongunstige effecten op plaatsen ver van de ingreep. Om die reden hebben sommige organisaties gepleit voor een wereldwijd moratorium op grootschalige geo-engineering experimenten. Zij willen eerst een internationaal debat over toezicht en richtlijnen.

Filantropen

financieren. Ze pleiten hardop voor een ‘Plan B’ voor het geval internationale afspraken en maatregelen om opwarming van de aarde tegen te gaan niet blijken te werken. De aandacht voor geo-­engineering

groeit dus uit bezorgdheid over ­klimaatverandering. De voorspellingen daarover zijn niet optimistisch. Tenzij landen er wereldwijd in slagen om de CO2-emissies in 2050 terug te dringen tot de helft van de uitstoot in 1990 – en

De voorbije jaren zijn diverse inventariserende studies naar geo-engineering verricht, bijvoorbeeld door The Royal Society in Engeland. Verder v ­ estigen rijke filantropen als Bill Gates en Richard Branson media-aandacht op geo-engineering door onderzoek te

‘Geo-engineering als een ‘Plan B’ voor het geval maat­regelen om opwarming van de aarde tegen te gaan niet blijken te werken’

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

[>]

5


Achtergrond vervolg

[ < ] dat lijkt onhaalbaar – bestaat een reële kans dat de opwarming van de aarde in 2100 de 2 graden overstijgt. De exacte gevolgen daarvan zijn ­onzeker, maar extra zeespiegel­stijging, verlenging van het droge seizoen in tropische gebieden en verdere ver­ zuring van oceanen door het oplossen van kooldioxide zijn mogelijk. Met alle gevolgen van dien voor laaggelegen kustgebieden en de wereldwijde voedselvoorziening.

Strategieën Geo-engineering behelst een palet aan technieken om die opwarming tegen te gaan en is verdeeld in twee hoofdstrategieën: het reflecteren van zonnestraling of het ‘wegvangen’ van CO2. De eerste techniek – zonnestraling reflecteren – pakt niet de bron van de opwarming

aan (CO2), maar zorgt ervoor dat een deel van de zonnewarmte de aarde niet kan bereiken. Dat zou zelfs kunnen door alle daken van huizen wit te schilderen of woestijnen met reflecterend materiaal te bedekken. Deze low tech levert snel effect, maar de kosten en logistieke uitvoerbaarheid roepen vraagtekens op. Reflectie van zonnewarmte kan ook door spiegels in de ruimte te plaatsen, zij het dat de kosten daarvan astronomisch zijn. Kansrijker lijken technieken die de reflectie van de atmosfeer vergroten, bijvoorbeeld door het genereren van extra wolken. Dat kan door kleine deeltjes uit vliegtuigen te strooien, die de groei van wolken stimuleren. Hetzelfde principe is mogelijk vanaf zeeniveau, door het zeer fijn vernevelen van zeewater. De zoutdeeltjes die daarbij

ontstaan stijgen op om op grote hoogte wolkenvorming te stimuleren. Of dat echt zal werken is echter de vraag.

Sulfaatdeeltjes Dat geldt minder voor het in de strato­ sfeer brengen van sulfaatdeeltjes. Uit onderzoek aan vulkaanuitbarstingen is gebleken dat die deeltjes de wereldwijde temperatuur flink kunnen temperen. De kosten van deze reflecterende technologieën zijn relatief laag en het effect is op korte termijn merkbaar. Toch is er een enorme vloot v ­ liegtuigen of raketten nodig om die lading op zo’n twintig kilometer hoogte af te lever­en. Bovendien moet het proces herhaald blijven worden en zijn er grote onzekerheden over onverwachte neveneffecten, zoals lokale veranderingen in klimaat en golfstromingen.

“Onderzoek naar ­geo-engineering geen ­vrijblijvende keuze” “Alle aandacht en discussie over klimaatverandering ten spijt, de maatregelen tegen klimaat­ verandering gaan te langzaam”, zegt Jip Lenstra, program­ mamanager bij ECN en lid van de begeleidingscommissie geoengineering van het Rathenau Instituut. “Als het misgaat met de opwarming van de aarde, blijft het misgaan, zelfs als je er in slaagt om CO2-emissies sterk terug te dringen.” Volgens Lenstra is onderzoek naar geo-engineering daarom geen vrijblijvende keuze. “Het is nodig als een verzekering, als een techniek die je achter de hand moet hebben.”

[<]

Eventuele risico’s horen daarbij. “Ik vergelijk de discussie over risico’s van geo-engineering met blusmethoden. Neem het

6

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

natspuiten van een woning. Dat moet je niet doen, want het levert alleen maar waterschade op. Maar als de keuken in brand staat, is het juist een heel goed idee. Het gaat dus om het sce­ nario: waar en wanneer, onder welke omstandigheden, zou je een technologie willen toepas­ sen? Het is dan ook handig als je vooraf hebt kunnen inschatten of de brandslang dik genoeg is.” Hetzelfde geldt volgens Lenstra voor geo-engineering. “Zie het niet als oplossing voor het klimaatprobleem. Probeer in kaart brengen wat voor klimaat­ scenario’s er mogelijk zijn, welke effecten ze hebben en op wat voor termijn. Pas als je over die scenario’s durft te praten, krijgt geo-engineering de discussie die het verdient.”


Vastleggen Naast deze ‘koelingstechnieken’ zijn er vormen van geo-engineering die de bron van opwarming – kooldioxide – uit de atmosfeer verwijderen. Simpele methodes richten zich op het vastleggen van CO2 in planten, bomen en bodems door efficiënt landgebruik en herbebossing. Meer geavanceerd is het bemesten van oceanen met ijzer en nitraten waardoor algen beter groeien en zo koolstof vastleggen. De werkzaamheid en de neveneffecten op het oceaanleven zijn onzeker. Ook de aardkorst heeft een grote capaciteit om CO2 op te slaan, in een paar veelvoorkomende gesteenten. Voorbeelden daarvan zijn olivijn en bepaalde calciumbevattende mineralen, die ook bij erosie van rotsen op land en in zee CO2 vastleggen. Dit proces kan flink

‘De neveneffecten op het oceaanleven zijn erg onzeker’

vastgelegd of ondergronds opgeslagen. Vooralsnog zijn de kosten van deze technologie hoog, maar de eventuele risico’s zijn klein.

Onzekerheid gestimuleerd worden door bijvoorbeeld olivijn te vermalen en te verspreiden. Het gaat dan om grote hoeveelheden: voor de wereldwijde CO2-uitstoot van een jaar is naar schatting 7 kubieke kilometer vermalen olivijnrots nodig. Een van de meest futuristisch ogende geo-engineering-oplossingen betreft het uit de lucht filteren van CO2 met kunstharsen. Vaak wordt deze techniek verbeeld in de vorm van kunstbomen, maar uiteindelijk is een l­ uchtfilterend fabriekscomplex waarschijnlijker. De afgevangen CO2 wordt vervolgens

Voor alle geo-engineering-strategieën geldt dat ze onderling nauwelijks zijn te vergelijken, zowel in technologische wasdom en werkzaamheid als wat betreft ongewenste neveneffecten. Er is, kortom, veel onzekerheid, en dat bemoeilijkt ook de morele en politieke discussies. Een ding is wel duidelijk: voor degenen die serieus over plan B voor het wereldklimaat willen nadenken valt er veel te overwegen en te bediscussiëren. Veel meer dan de fancy technologie die artist impressions op het eerste gezicht laten zien.

“Maatschappelijke discussie aanjagen” “Het onderzoek naar en debat over geo-engineering vindt op dit moment vooral plaats in Amerika en Engeland. In Nederland is dat veel minder het geval”, zegt Monique Riphagen, projectleider geo-engineering van het Rathenau Instituut. “Met het onder­ zoeksproject Geo-engineering willen we het parlement en publiek over dit onderwerp informeren en de maat­ schappelijke discussie aanjagen. Want of je er voorstander van bent of niet: geo-engineering gaat een rol spelen in het politieke debat.” Riphagen ziet op dit moment drie belangrijke frames waarmee naar deze technologische ontwikkeling wordt gekeken. “Geo-engineering wordt door de meeste betrokkenen gezien als een noodoplossing in extreme klimaatscenario’s. Bijvoorbeeld als de aarde ondanks allerlei maatregelen vier of meer graden opwarmt. Een veel kleinere groep ziet het ook als een reëel alternatief, zodra de kosten van

geo-engineering lager worden dan die van de gebruikelijke maatregelen, zoals het terugdringen van CO2-uitstoot. Tot slot zijn er mensen die vinden dat de moeite en de risico’s nooit zullen opwegen tegen andere manieren om klimaatverandering tegen te gaan.” Wat de risico’s betreft, levert een discussie over geo-engineering een aantal lastige vergelijkingen, aldus Riphagen. “De mensheid is al op grote schaal bezig met het veranderen van het klimaatsysteem door de uitstoot van broeikasgassen. De effecten daarvan zijn nog niet in detail duidelijk. De vraag is: hoe ga je dit vergelijken met de effecten en risico’s van geo-­ engineering? Daarvoor moet je meer onderzoek doen, maar helemaal volle­ dig zal je de effecten nooit in kaart kun­ nen brengen. En mocht de technologie zich succesvol ontwikkellen, dan is het maar de vraag of er nog keuzevrijheid is om deze niet te ontwikkelen.”

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

7


Stavast

Schapen en wolven

S

inds mensenheugenis delen we onszelf op in groepjes en classificeren we de dingen om ons heen. Zo zijn wij; we kunnen niet anders. De digitale revolutie van de afgelopen decennia maakt die praktijk van ordenen, classificeren en zoeken naar dwarsverbanden een stuk eenvoudiger. Stop gegevens in een databank en met behulp van zoek­ algoritmes zijn allerlei verbanden op te snorren en hypotheses te testen. Ongekend snel. Prachtige technologie. En technologie die onvermijdelijk een wenkend perspectief oproept: de droom van social engineering. Door mensen in klassen te verdelen en te onderzoeken wat aanslaat bij mensen met een bepaald profiel, wordt het immers gemakkelijker ze zachtjes de goede richting in te duwen. Voor een overheid die rookverslaving wil tegengaan, is het bijvoorbeeld heel handig om te weten dat rokers die al vóór hun vijftiende begonnen met roken fundamenteel anders op een maatregel reageren dan rokers die op latere leeftijd hun eerste sigaret opstaken. Zo’n overheid kan dan verschillende programma’s loslaten op rokers met een verschillend profiel. Dat werkt een stuk efficiënter. Nu kennis en technologie steeds verfijndere profielen van groepen mensen leveren, nemen de mogelijkheden voor social engineering evenredig toe. Insiders die weten welke aanpak aanslaat bij welk profiel kunnen steeds meer ‘regelaars van het mensenpark’ worden, om met Peter Sloterdijk te spreken. Ze krijgen immers technieken in handen om groepen mensen slimmer te sturen. Social engineering is voor mij niet bij voorbaat taboe. Er kunnen goede redenen zijn om individuen tegen zichzelf te beschermen. Denk aan arbo-regels voor bouwvakkers – om

8

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

over de leerplicht voor jongeren maar te zwijgen. Wel zullen we steeds vaker voor een cruciale vraag komen te staan: is het verlangen van bestuurders om rond een concreet vraagstuk bevolkingsgroepen in te delen en te sturen gerechtvaardigd? Zijn daar goede, overtuigende redenen voor? Soms zal het antwoord in de ogen van de meeste mensen ‘ja’ zijn (verslavingszorg), soms zullen aanzienlijke groepen ‘nee’ zeggen (Elektronisch Kind Dossier). Persoonlijk zou ik meer discussie over dit soort vragen willen. Bijvoorbeeld over het plan van de korpschef van Amsterdam om alle auto’s te scannen die de stad in en uit rijden, om zo onder meer burgers met een crimineel profiel strak in de gaten te kunnen ­houden. Willen wij zo’n digitale slotgracht om onze steden? Voor mij is het allerbelangrijkste dat wij in een open en democratisch proces besluiten hoe – volgens welke normen en waarden – we onze samenleving gaan sturen. Social engineering gaat wat mij betreft dan ook altijd gepaard met een appèl op burgerschap. Welke waarden vinden burgers richtinggevend voor hun samenleving? Zou social engineering in een concreet geval bijdragen aan een goede samenleving? Of zou het hier de individuele vrijheid juist teveel beperken? Dat appèl op burgerschap is extra relevant, omdat profielen haast vanzelf een zekere ontmenselijking met zich meebrengen. In de digitale wereld verschijnen mensen snel als risicofactoren. En dat is de dood in de pot. Een staat die zijn bevolking gaat zien als een risicofactor, houdt alleen maar schapen over die zich mak voegen. En enkele wolven die fel van zich afbijten. Zo’n staat is zijn burgers in ieder geval kwijt. Jan Staman directeur Rathenau Instituut


Intro Dossier

Ieder van ons is uniek: zoals jij is er maar één op de wereld. Maar wetenschap en beleid zijn op zoek naar regelmaat en voorspelbaarheid, niet naar het unieke. Auteur Marjan Slob

Mijn profiel en ik O

m de verschillen tussen mensen toch zo goed mogelijk in kaart te brengen delen w ­ etenschappers ons op in groepen en subgroepen. Ze beschrijven ons en ons gedrag, zoeken naar verschillen, overeenkomsten en wetmatigheden en bepalen op basis daarvan ons profiel. Dankzij databestanden, snelle computers en slimme software kunnen zij ons p ­ rofiel steeds verder verfijnen en ons p ­ reciezer in subcategorieën plaatsen. Op grond van postcode, kijkgedrag, surfgewoonte, bonuskaart, bloedwaarde of eetpatroon kunnen ze de rest van onze voorkeuren, gevoeligheden en gedrag inmiddels heel aardig voorspellen. Dat is grotendeels goed nieuws. D ­ ankzij die verfijnde profielen hebben we meer kans om die zorg, producten en diensten aangeboden te krijgen waar we echt wat aan hebben. Maar van een profiel gaat ook altijd een zachte dwang uit: éét dit, léés dat, kóóp zus, stém zo – want dat past bij jou en jouw profiel. Ongemerkt en ongewild lopen we de kans ons te gaan gedragen naar ons profiel. Zo kan een profiel ongemerkt een keurslijf worden waaraan het moeilijk ontsnappen is.

Omgekeerd: als je toevallig niet zo goed in een profiel past, kan je dat een hoop gedoe en ongemak opleveren. Instituties leveren weliswaar steeds meer ‘maatwerk’ op grond van profielen, maar staan daardoor vaak minder open voor de echte buitenbeentjes. Hoezo individuele vrijheid? Ook maatschappelijk oefenen die profielen hun invloed uit: de eigenschappen en kenmerken die volgens het profiel de moeite waard zijn om te r­ egistreren, zijn altijd gekozen met het oog op belangen – wetenschappelijke, commerciële en maatschappelijke. Ook dat is niet bij voorbaat slecht. Maar belangen zijn nooit neutraal. Ze dragen normen, waarden en criteria in zich. Vaak onopgemerkt. Omdat profielen in toenemende mate ons leven bepalen, vindt het Rathenau ­Instituut het zaak dat we ons bewust worden van hun aard, werking, moraal en kracht. Dit Fluxdossier is een aanzet daartoe. We tonen een aantal manieren waarop profielen tot stand komen en welke keuzes daarin verwerkt zitten. En we laten zien hoe profielen invloed hebben op wie we denken te zijn – en wat we denken te willen.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

9


Trudy Dehue

Interview

Trudy Dehue (1951) is hoogleraar wetenschaps­ theorie en wetenschapsgeschiedenis in Gronin­ gen. Enkele jaren geleden kreeg ze landelijke bekendheid vanwege haar boek De Depressieepidemie, waarin ze vraagtekens plaatst bij de idee dat depressie een ziekte is die altijd al heeft bestaan en nu pas goed herkend wordt. Ze won er prijzen mee en trad op in het televisieprogramma Zomergasten. Maar Dehue kreeg ook kritiek: ze zou de ernst van een depressie bagatelliseren. Dat is overigens

uit haar boek niet op te maken. Dehue betoogt daar dat het woord depressie in de loop der tijd verschillende betekenissen kreeg en ontkent nergens dat de term ook staat voor mensen die lijden. Haar vraag is een andere: hoe komt het dat we allerlei soorten gevoelens van ongeluk onder de noemer depressie hebben gebracht? Wat zegt dat over de maatschappij waarin we leven? Inmiddels werkt Dehue aan een nieuw boek, dat zal gaan over de impact van neurobiologisch denken op individuele levens en de samenleving als geheel.

Vergaderen over de werkelijkheid De wijze waarop we de wereld om ons heen indelen, bepaalt mede hoe we de realiteit ervaren, stelt hoogleraar psychologie Trudy Dehue. Sterker: onze clas­ sificaties veranderen onze wereld. Dehue ziet daarom graag een debat over de beslissingen achter die classificaties. ”Dat is democratischer.” Auteur marjan slob

Z

e had me een lunch aangeboden, maar als ik aanbel bij haar Groningse huis doet haar man open. “Trudy is er nog niet. Zij is meer van de argumenten dan van de agenda.” Als Dehue even later aanschuift, vertelt ze dat ze steeds de tijd vergeet omdat ze aan een nieuw boek werkt. “Eigenlijk maak ik nu liever geen afspraken. Maar ja, classificaties vormen een onderwerp dat ik te leuk en te relevant vind om te laten lopen.” Dehue stelt dat wijze waarop we de wereld om ons heen in kaart brengen, classificeren, mede bepaalt hoe we de realiteit ervaren. Onze classificatie bepaalt daardoor ook ons denken en handelen. Bijvoorbeeld: zien we een bevrucht eitje als een persoon, dan heeft dat eitje dezelfde rechten als alle andere mensen. Zoals het recht

10

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

op leven. Zien we het daarentegen als een stukje weefsel, dan gelden de basale mensenrechten niet.

Voetballer Nog een voorbeeld: wat is intelligentie? Volgens de huidige opvattingen ben je intelligent als je onder meer sommen goed kunt oplossen. Maar is het niet ook een vorm van intelligentie als je op magistrale wijze een voetbal in het doel van de tegenstander weet te schieten? Of iemand al dan niet als slim wordt geclassificeerd, blijkt afhankelijk van de – bepaald niet spijkerharde – criteria die psychologen hanteren. Die indeling heeft wél concrete gevolgen voor de manier waarop mensen door hun omgeving worden beoordeeld en zichzelf zien. [>]


ÎŚ

Magazine no. 7 juni 2012

11


Interview vervolg

‘Sterrenkundigen hebben lang gebekvecht over de vraag of Pluto aan de kwalificaties van een planeet voldoet’

[<]

indeling ook achterwege kunnen laten. Het punt is: als je zo’n indeling gebruikt, doe je dat met een reden. Bij voorbeeld omdat je een beleidsinstrument wilt ontwikkelen.” Niet alleen in de sociale en g­ edragswetenschappen gaan classificaties vooraf aan beslissingen. Ook natuurwetenschappers ontkomen er niet aan. Dehue: “Sterrenkundigen hebben heel lang gebekvecht over de vraag of Pluto aan de kwalificaties van een planeet voldoet. Al die tijd bungelde de status van Pluto. Uiteindelijk hakten zij de knoop door via een stemronde: Pluto is geen planeet.”

Beperking

“Classificaties roepen altijd definitiekwesties op”, zegt Dehue. “In mijn colleges laat ik wel eens dia’s zien van burgemeester Aboutaleb van Rotterdam met een oranje feesthoedje en van oud-burgemeester Cohen van Amsterdam op zo’n statige herenfiets. ‘Wie is de allochtoon?’, vraag ik dan. Dat schept verwarring. Kan een allochtoon als Aboutaleb volks-op-zijn-Nederlands zijn? En tot hoeveel generaties terug is iemands geboorteland relevant? Aboutaleb is in Marokko geboren, Cohen is waarschijnlijk via omzwervingen van zijn joodse voorouders in Amsterdam terechtgekomen.”

Overheid De indeling in allochtonen en autochtonen bepaalt hoe je als individu bekeken en bejegend wordt – ook van overheidswege. ‘Zwarte’ scholen krijgen meer faciliteiten, bijvoorbeeld. Dehue: “Je zou kunnen tegenwerpen: ‘Ja maar, allochtonen en autochtonen bestaan toch echt?’ Dat is zo, maar pas nadat wij besloten hebben m ­ ensen naar land van herkomst in te delen. We zouden die

12

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Dehue wil de wetenschap daarmee zeker niet relativeren of diskwalificeren. Integendeel, wetenschap is volgens haar juist een onmisbare poging greep te krijgen op de werkelijkheid. Maar de beperking van wetenschap is dat wetenschappers (zoals alle mensen) indelingen en classificaties nodig hebben om de werkelijkheid te leren kennen en te begrijpen. Met als onvermijdelijk gevolg dat de kennis die de wetenschap vergaart, is gebaseerd op indelingen die zij zelf heeft bedacht. “Aan metingen gaan beslissingen vooraf. Altijd. En die metingen moeten vervolgens geïnterpreteerd worden om betekenis te krijgen. Het is dus veel te kort door de bocht om te stellen dat ‘meten weten is’.” Wetenschappers hebben dat zelf niet altijd in de gaten, zegt Dehue. “Psychiaters worden wel eens met dedain bekeken, omdat ze hun diagnoses onderling afstemmen. Zij beslissen bijvoorbeeld dat een individu minimaal vijf duidelijk omschreven symptomen moet vertonen om ‘schizofreen’ genoemd te kunnen worden. ‘Hoe kun je nu vergaderen over de werkelijkheid? Iemand is toch schizofreen of niet!’, schamperen critici. Maar als je deze gang van zaken onwetenschappelijk vindt, snap je niet wat wetenschap is.” Want wat voor schizofrenie geldt, geldt evengoed voor de status van Pluto, aldus Dehue. “Er hangt bij Pluto echt geen bordje in de lucht waarop staat: ‘planeet’; net zo min als er in de hersenen ergens het bordje ‘schizofrenie’ hangt. De werkelijkheid spreekt niet via de mond van de wetenschapper. Als wetenschappers die autoriteit voor zichzelf opeisen, komt dat neer op jokken.”

Mensenwerk Inmiddels krijgt het publiek in de gaten dat wetenschap mensenwerk is. Dat leidt tot wantrouwen, tot het idee


‘Het is veel te kort door de bocht om te stellen dat ‘meten weten is’’

dat wetenschap ‘ook maar een mening’ is. “Dat is een onterecht verwijt, maar wetenschappers roepen het over zich af als ze niet helder zijn over de beslissingen die voorafgaan aan classificaties. Het feit dat er menselijke beslissingen worden genomen om tot een beschrijving van de werkelijkheid te kunnen komen, is onvermijdelijk. Maar je moet die beslissingen niet verbloemen en er juist open over zijn. Dat is veel democratischer. Het opent bovendien de mogelijkheid om niet-wetenschappers mee te laten denken over de keuzes op grond waarvan we de werkelijkheid gaan ordenen.” Zowel natuurwetenschappers als m ­ enswetenschappers maken dus classificaties waaraan beslissingen vooraf gaan. Tot zover geen verschil. Maar classificatie heeft in de menswetenschappen een sterkere – en in ieder geval een duidelijker – dynamiek dan in de natuurwetenschappen. Dehue: “Het maakt Pluto geen bal uit hoe hij wordt genoemd. Maar zodra wetenschappers een werkelijkheid beschrijven waarin mensen in principe kunnen ingrijpen, hebben classificaties gevolgen. Dan beschrijven classificaties niet alleen de wereld, maar veranderen zij haar ook.” Een voorbeeld: als onderzoek aantoont dat vrouwen minder snel carrière maken omdat ze zich op de werkvloer ‘te bescheiden’ opstellen, zullen werkende vrouwen zich waarschijnlijk anders gaan gedragen. De classificatie ‘te bescheiden’ grijpt dan dus in op het gedrag van de persoon die wordt geclassificeerd – soms zelfs zodanig dat de classificatie na verloop van tijd niet meer klopt, bijvoorbeeld omdat vrouwen op het werk meer van zich gaan afbijten.

Loopingeffect De Canadese filosoof Ian Hacking noemt dit ‘het looping effect’: de beschrijving van de stand van zaken verandert diezelfde stand van zaken. Menswetenschappers h ­ ebben volgens hem een extra complexe opdracht, omdat zij vaak dergelijke ‘moving targets’ proberen te classificeren. Een medische diagnose kan ook zo’n bewegend doel zijn. Hacking verhaalt hoe zich rond 1970 enkele gevallen voordeden van mensen met vreemd gedrag: zij rapporteerden dat er verschillende, soms c­ onflicterende personages in hen huisden. Psychiaters begonnen te spreken van multiple personality disorder (MPD). De jaren daarop vertoonden meer en meer mensen deze symptomen. En waar de eerste patiënten nog repten van twee of drie verschillende persoonlijkheden, lag het gemiddelde een decennium later op zeventien. De media besteedden veel aandacht aan de ziekte; ­patiënten verschenen in talkshows en al snel ‘wist’ de samenleving van het bestaan van MPD. Ook was ‘algemeen bekend’ dat de aandoening een gevolg was van seksueel misbruik in de vroege jeugd. Die nieuwe werkelijkheid voedde op haar beurt de classificatie: een patiënt moest inmiddels seksueel misbruik rapporteren om de diagnose te krijgen.

Script Hacking concludeert dat ongelukkige mensen zich ­gingen groeperen rond deze kwalificaties. Ze hadden als het ware geleerd om iemand met precies die stoornis te zijn. Ze wisten aan welk profiel ze moesten voldoen. [>]

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

13


Interview vervolg

‘De Aspergervereniging stelt zelfs: wij zijn niet ziek, wij zijn anders!’ [ < ] Inmiddels hoor je niet meer zoveel over MPD; de term wordt in de DSM-IV, het huidige handboek van de psychiatrie, niet eens meer gebruikt. Nu is er maatschappelijk veel meer aandacht voor ADHD. Tien jaar geleden kregen ongeveer 40.000 kinderen in Nederland medicijnen tegen ADHD; inmiddels krijgen 150.000 Nederlanders deze medicijnen, waarvan ongeveer ­eenderde ouder dan 20 jaar. De criteria voor ADHD zijn veranderd, zegt Dehue. “Aanvankelijk was ADHD alleen een diagnose voor kinderen. Opeenvolgende versies van de DSM veranderden de criteria voor ADHD zodanig dat ze ook op volwasse­ nen van toepassing konden zijn. Als alternatief voor ‘schreeuwt vaak door de klas’ kwamen er bijvoorbeeld criteria als ‘handelt vaak ondoordacht’. Zo’n algemenere omschrijving maakt het terrein waar ADHD gesignaleerd kan worden natuurlijk veel breder. De DSM-IV van 1994 nam voor het eerst expliciet ADHD bij volwassenen op, wat het aantal mensen met de stoornis flink verhoogde. Dat had ook maatschappelijk effecten. De sinds de jaren negentig ‘erkende’ volwassen ADHD’ers hebben elkaar gevonden in lotgenotengroepen en zijn zich aan het emanciperen.”

complex proces; behandelende professionals zijn daar eerder slachtoffer van dan dat ze er verantwoordelijk voor zijn.”

Succes Onze neoliberale samenleving, die doet voorkomen dat succes een keuze is, speelt daarin een rol, meent Dehue: “De impliciete boodschap is dat mensen die niet zoveel succes boeken er kennelijk voor kiezen een loser te zijn. Dat is een onverdraaglijk oordeel. Mensen die het niet goed lukt om maatschappelijk succesvol te zijn, hebben uitwegen nodig. Door het omarmen van een ziekte­ label kunnen ze erkenning krijgen voor het feit dat er nog zoiets is als het lot – dat je gewoon pech kunt hebben en niet alles je eigen verantwoordelijkheid is.” Om met een clemente blik te worden bekeken, staat de verliezers niet veel andere mogelijkheden open dan het aanvaarden van een medisch etiketje, aldus Dehue. “Alleen al om die reden kunnen behandelend artsen niet zomaar van de ene op de andere dag ophouden met het stellen van bepaalde psychiatrische diagnosen. De mondige zorgconsument, waar neoliberalen zo graag hun kaarten op zetten, zal dat ook niet pikken. Die eist een diagnose.”

Neurodiversiteit Een soortgelijke emancipatiebeweging ontstaat rond mensen met Asperger, de zogenoemde ‘hoogfunctionerende autisten’. Asperger is voor hen een voorbeeld van ‘neurodiversiteit’, gewoon een variant van de menselijke aard met zijn eigen voor- en nadelen. De Aspergervereniging stelt zelfs: wij zijn niet ziek, wij zijn anders! Dehue: “De vereniging is succesvol in haar emancipatie – misschien ietsje te. De DSM-5 schrapt waarschijnlijk de diagnose Asperger. En dat is volgens de beweging voor neurodiversiteit nu ook weer niet helemaal de bedoeling. Want al heeft de medische classificatie de ongewenste consequentie dat je ziek wordt gevonden, hij brengt ook erkenning en financiering.” Demissionair minister Schippers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft inmiddels de vier grote organisa­ ties van praktiserend medici die behandelingen voor ADHD mogen voorschrijven de wacht aangezegd. In een strenge brief schreef ze dat ze ADHD binnen afzienbare tijd moeten ‘de-medicaliseren’. Dehue vindt dat Schippers met deze eis de complexiteit van de situatie onderschat. “Het helpt niet om de behandelaars streng toe te spreken. Medicalisering is een

14

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Verder kijken en lezen • Trudy Dehue, De Depressie-epidemie. Achtste druk, augustus 2010. • Ian Hacking, ‘Making Up People’. London Review of Books, 17 augustus 2006. http://www.lrb. co.uk/v28/n16/hack01_.html • De brief van minister Schippers: http://www. rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/ brieven/2012/02/27/brieven-aanberoepsgroepen-rond-het-terugbrengen-vanadhd-medicatie.html


Buitenbeentjes Niet iedereen past binnen het standaardprofiel van ‘de’ Nederlander. Waar loop je tegenop als je anders bent? Anniek van den Brand portretteert drie ­buitenbeentjes.

Reportage

Auteur Anniek van den Brand

“We proberen Moon onze wereld in te lokken” Negentien jaar geleden kreeg Marienel Blankers een doch­ ter, Moon (van ­Anemoon). Kort na de geboorte voelde ze dat dit kind anders was. Moon at en dronk moeizaam, huilde nauwelijks en herkende haar familie niet. Ze leek opgesloten in haar eigen, ingewikkelde wereldje. ‘Autistisch’, was het etiket dat Moon een jaar later kreeg.

H

Moon meegezogen in die beweging en zette haar eerste stappen.” Moon had 24 uur per dag begeleiding en verzorging nodig. Blankers en haar man trokken daarvoor een groep begeleiders aan. Studenten van de theaterschool, ex-hulpverleners die waren afgeknapt op de reguliere zorg, fotografen; er kwam van alles op hun pad. De een leerde Moon met engelengeduld een computermuis hanteren, de ander maakte wekelijks een uitje naar de dierentuin met haar.

Oogcontact “We probeerden Moon op allerlei manieren onze wereld in te lokken. Niet door haar onder druk te

zetten, maar door haar uit te dagen en aandacht, liefde en vertrouwen te geven. We wisten zeker dat ze daarvan gelukkiger zou worden én dat iedereen ervan zou leren.” Moon is inmiddels negentien. En zie: ze maakt oogcontact, lacht, is nieuwsgierig naar iedereen die binnenkomt en vertrouwt haar ouders zo dat ze nu ook ‘moeilijke’ dingen aandurft; zoals naar de tandarts gaan. Sinds een jaar heeft Moon haar eigen bedrijf: Moon O ­ rganics. Twee keer per week kookt ze met een begeleider drie liter soep en maakt ze lekkere broodjes voor het dak- en thuislozentehuis op de hoek. “Dat vindt ze geweldig.”

et leek een logische stap om haar vanaf haar vierde naar een instelling te brengen. Maar Blankers en haar man r­ aakten ervan overtuigd dat Moon moest optrekken met ‘gewone’ mensen; kinderen die geen moeite hebben met contact maken. “Wij w ­ eigerden haar te zien als een verzameling afwijkingen.”

Sinterklaas Blankers en haar man b ­ esloten Moon thuis te houden en haar gewoon naar de kleuterschool te laten gaan. Het viel nog niet mee een school te vinden die haar accepteerde. Maar het lukte. En Moon ontwikkelde zich: “Ze was vijf jaar en liep nog niet toen op school Sinterklaas werd gevierd. Alle kinderen renden door de klas. Ineens werd

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

15


Reportage vervolg

jaar laten kleuteren. “Het systeem is: eerst ritsen en knippen, dan lezen”, zei de juf. De directeur zei het haar na. Koen ging naar een andere basisschool waar ze ook geen raad met hem wisten. Uiteindelijk kwam hij terecht op de Day a Week School voor hoogbegaafde kinderen. Eén dag per week krijgt Koen daar les met andere hoogbegaafden. “Dat was zijn redding”, constateert zijn moeder. Na de zomervakantie vertrekt Koen, 10 jaar oud en klein voor zijn leeftijd, naar het gymnasium. Hij heeft uiteindelijk een school gevonden die hem wil accepteren. Want al was zijn Cito-score uitmuntend, sommige middelbare scholen maakten duidelijk dat ze niet op hem zitten te wachten. 

Doodongelukkig

“Een belediging voor zijn intelligentie” Koen Looijmans ligt in bed. Kopstoot gekregen van een klasgenoot. Onbedoeld. Koen staat wel vaker op het verkeerde moment op de verkeerde plaats. Altijd zo geweest, zegt zijn moeder Beatrijs Bergmans. Behalve onhandig is Koen ook slim. Ontzettend slim. Hij is een van de vijf briljantste kinderen die de hoofdstedelijke schoolbegeleidingsdienst ooit testte. Met zulke hoogbegaafden kan het reguliere onderwijs niet uit de voeten, zouden zijn ouders al snel merken.

16

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Koen had zich enorm op school verheugd. Maar de knip- en plakwerkjes die hij kreeg, bleken een ­belediging voor zijn intelligentie. Uit pure frustratie leerde hij zichzelf in de kerstvakantie lezen. Hij las meteen woorden. En vier dagen later: boeken. Vol trots presenteerde hij zijn kunsten die maandag aan juf. Zij negeerde hem. Pas na maanden mocht hij af en toe het dagschema voorlezen. Geen boekjes; dat deed juf zelf. Binnen de kortste keren ging Koen elke dag met buikpijn naar school.  

Knippen Bergmans richtte haar hoop op groep 3. Maar omdat Koen zijn jas niet kon dichtritsen en niet goed knipte, wilde de juf hem een extra

“Pubers zijn bezig met seks, drugs en elkaar”, mailde een decaan. “Koen zal zich tussen hen dood­ ongelukkig voelen. Misschien niet het eerste jaar, maar na het derde jaar zeker. Doe hem een lol: verzin iets anders.” Dat zouden zijn ouders graag willen. Maar wat? Een jaar naar het buiten­ land? “Wie betaalt dat?”, vraagt zijn moeder. “En zou Koen gelukkig worden op een Spaanse dorpsschool, zonder zijn vrienden aan wie hij erg trouw is? Om nog maar te zwijgen van de problemen die de Onderwijsinspectie dan gaat maken.” Hij heeft zin in de middelbare school, zegt Koen, met een twinke­ ling in zijn ogen. Zijn moeder herinnert zich die van zes jaar geleden, toen haar zoon net zoveel zin had in de basisschool.


“Van mijn blog blijft iedereen af” Ze heeft tien kinderen, kijkt nooit televisie, leest elke dag in de Bijbel, draagt geen broeken en zit op zondag twee keer in de kerk. Teunie Luijk (44) is bepaald geen ‘gemiddelde Nederlandse vrouw’. Maar door haar succesvolle weblog past ze ook niet binnen haar eigen, streng gereformeerde geloofsgemeenschap. Voor het eerst in vier jaar ging onlangs het weblog ‘Eenvoudig leven’ van Teunie Luijk een paar weken op zwart. Een m ­ edegelovige vond dat de tijd die ze erin steekt haar man en kinderen toebehoort. Het verwijt van ijdelheid lag op de loer. “Ik was gekwetst. Iemand die me goed kent en me na aan het hart ligt zei dat ik geen goede moeder ben. Terwijl God voor mij op één

staat, met mijn gezin meteen daarachter.”   En dan te bedenken dat haar huishouden – tien kinderen tussen vijf en 23 jaar, van wie de oudste  uit huis is – haar van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat in beslag neemt. Luijk staat elke dag rond zessen op en is de hele dag druk met soppen, wassen, strijken en koken. Om nog maar te zwijgen van: huiswerk overhoren en de kinderen halen en brengen naar

school, de orthodontist, zwemles en bijbelles.

Rabarber Een keer of drie per week, als de kleintjes op bed liggen en de anderen hun huiswerk af hebben, schrijft ze een uurtje op internet. In tegenstelling tot televisie is het wereldwijde web niet bij voorbaat taboe in haar geloofsgemeenschap. Luijk heeft ‘eenvoudig leven’ tot kunst verheven: zuinig aan, zelf brood bakken, een tweedehands rok is ook mooi, groenten wecken, een strijkplankhoes maken van een oud dekbedovertrek en op zondag een stukje zelfgebakken taart van ­gekregen rabarber.  Haar schrijftalent viel op. Ze kreeg een column in het ­Reformatorisch Dagblad en schreef een boek, met haar blog als leidraad. Toen ze onlangs een paar weken stopte met bloggen, begon Volkskrant-columniste Sylvia Witteman – een fan – de twitteractie Free Teunie.

Uitwisseling Vanuit haar kerkgemeenschap had Luijk nooit eerder rechtstreeks commentaar gehad. “Er zijn mensen die huiverig staan tegenover contact met buitenstaanders. Ik ben voor uitwisseling, ook met mensen die een heel andere levensstijl aanhangen. Sommige gemeenteleden zijn bang dat we zo onze eigenheid kwijtraken. Ik ben juist trots op ons gedachtegoed.” Ze is meer dan eens benaderd om op televisie uit te leggen hoe ze dat doet, met die tien kinderen, haar geloof en dat blog. “Ik zou graag laten zien dat ik geen dikke moeke ben, dat ik weet wat er in de wereld te koop is. De SGP is sinds kort ook op de televisie. Toch doe ik het niet; ik wil geen geloofsgenoten onnodig ergeren. Ook dat is Bijbels. Maar van mijn blog blijft iedereen af.”

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

17


1

jn alle Zij zi te zwaar: ts ) bei ie eegt 75 w (35 d a n L i a ark 88 . 2 L ind 9, 6 g M .6 n kilo, ewegen ze is 1 ter la r b Toch : zeven uu me heeft C . g e o n t s e i g en m a a n eek . M per w komt het c up ar ma ), n schie ze teveel Ha rk (38 f t a d 5 , m o a pels eten.O M . 82 ng rp a 1 a a e l a n? is ter aard d een rinke in – w veel d me heeft n e s t d n a n en is va . ge st k i e n Er and nlij n, d idpe 87 cm R hij rde em an 5 1 , sc oe t g ad v ht c s t W ee s nd t e m lde rla he g. de ede ont Jon N wo De – ar pa 3

4 Linda zet vier keer per week aardappels op tafel. Bij haar dagelijkse, net niet volle glaasje wijn eet zij graag chips. Mark houdt daar ook wel van. Hij drinkt iets meer dan anderhalf glas bier per dag. Tijdens de borrel bespreken zij hun pensioen of de gezondheidszorg.

18

Bestaat de gemiddelde Nederlander? Alleen op papier. Flux schetst het profiel van Linda en Mark, de ­gemiddelde Nederlandse man en de gemiddelde Nederlandse vrouw. Prettig kennismaken ...

Auteur Claartje Doorenbos

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Toen L inda 29 was en Mark 3 2, ­kregen zij 6 hun ee rste kind, E H m 28 un e Drie ja ma . ar hy 0.0 eng volgde later een he pot 00 ezi zoon, D th eft hee euro nsw a ee afs ks o Het ste an. t k e c w n lh c zo dra rent haf hul aard ing ook t w eeft ee ku ude ma e v fing d va . M is ten, Tij katg er en € 2 nne n h tisch oor van n 18 et e Simba . ov 16 n s oog e g hen de 1.0 en an erig ,- pe par uit evo gee hy 00 de e r m en wa lge n po . re € 2 n a t di .52 aan Nu l mi . Z l i n ng 5 d e j en ,- g op gge der aa zij. n z t o D ij pa e an

5

Feiten en cijfers

Prettig kennismaken met .... 7 sul on . c t r en e u gem edact r dan a n r a b ge s is m da we ts lan rk iet k r e a a i n i t M t, L g, M r. erk tan da w er da ht uu L in uur p an ac d zes der n i m

1

2

6

12 7

11

4 14

13

3

8 10 9

5


De gemiddelde Nederlander 8

12

1 7

11

4

Hun seks­ n leven geve ze een . magere 6,4 Maar dat iet weten ze n . van elkaar

14

3

2

12 Komen d e zomer gaan ze me auto der t de tie 13 d a g en k a n mperen in L F r a i n n k rijk . Van da e tevo n zi r e j M n n b ­ e a p ze niet w alen den erg tev rk at r gez over hu evakantie de o m n n a g d g kosten. a an d heid. Z Vor rie ij k jaar gave ige e e à r v n ze de h per jaa ier € 1 .6 3 r 6 ,uit . wil uisarts naar Zij nem le en € 1 n daar en pindaka drop, 0 a s en voo ,- per b best hagelsla r be ezo g m M t e e a e n l e en ek t passen d it jaar 14 ver een lev . w extra go a c ed ht ensvo o r Ze hun mo op vro ing v b ie u a n w ja zij want da lt je, jaa 82 ,7 e en tw en ar ge n nu e rd r v tijdens oo n 78 , 8 n r er dro tro vij d e e v o n r ig e he man zo m b ou van me uwd f e n r b v o a k en a g O d te sam n gestolen ntie gez een he zij . o l e de f da wo en b oel vo nde j o N vra t luk rde r de aren b o hu ede ag. t, i n. eg. ge we rlan Een s tie mid lijk ds n j de du aa ld ur r v . ee t r-

13

10

9

6

9 8

s ui th edt r ark ste uu s M be ee Al mt, g t w is- a ko j no t hu ind r. hi he . L uu f n j f n aa ude hal n vi ije 11 ho ieën ude r vr ver. dr ho uu g o en f t Ze hal r da reng r por 10 Aan s en e n p e b oo d d d d e j tij ti al om de best eker e c . Di voo de oor nze w 1, 6 uur ze hter en v co en lijks ebben ac ter ciale llen an) Z e h er p er pu So (be ga e . 1,3 k seks. t v ten oek e s, k tac bez op d laat e wee op an e p p d sta eed ’s o t w bby . ho rde de

5

Ma zil rk g Po verk aat m km lo) n leuri et d 4,7 ver aar z ge V e aut een km dero ijn w olksw o (ee ko reg . Alh p. Li erk, age n n de mt z enca oew da fi 2 1,9 n ge e in pe el z et va s lle 93 p bij z ij alt t n d ro ich ijd roo cen he g o t v eft, ve an r.

Bronnen o.a.: Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), Meertens Instituut, Kennislink, Psychologie Magazine.

19

Magazine no. 7 juni 2012

Φ


Ieder mens is uniek. Zo doen marketeers en genetici ons geloven. Zelf geloven we dat ook graag. Maar als je iets mankeert, is uniek zijn niet zo fijn.

Essay

Auteurs Ingrid Geesink en Wouter Boon

E

vidence based medicine is de spil waar omheen onze gezondheidszorg draait. Dat wil zeggen: onze geneeskunde is gebaseerd op de statistische interpretatie van gegevens uit grootschalige klinische studies van patiënten. Dergelijke studies nemen slechts een paar persoonsgebonden ­variabelen mee, zoals leeftijd en gewicht. A ­ rtsen nemen hun beslissingen dus op basis van gemiddelde waarden – en minder met de individuele eigenschappen van hun patiënt als uitgangspunt. De behandelingen die uit dit type onderzoek rollen, werken goed voor het gros van de patiënten. Maar niet voor iedereen. De zogenoemde geïndividualiseerde geneeskunde (personalised medicine) wil breken met deze t­ raditie: niet de gemiddelde mens zou de standaard moeten zijn, maar het individu. Met als ­ideaal: een behandeling op maat. Sinds rond de millenniumwisseling het m ­ enselijk genoom in kaart werd gebracht, hangt deze belofte van een persoon­lijkere, preciezere en beter voorspelbare geneeskunst boven de markt. Genetica en informatietechnologie kunnen de biologische basis van ons bestaan immers steeds sneller en steeds nauwkeuriger in kaart brengen. Inmiddels is het een koud kunstje om het volledige genetische profiel van een individu te analyseren.

patiënten of tot de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Om dat te bereiken is nu alle hoop gevestigd op een waaier aan zogeheten ‘-omic wetenschappen’, die ieder een specifiek element van ons organisme onder de loep nemen, zoals eiwitten (proteomics) of membranen (membranomics). Wat al deze technologieën gemeen hebben, is een diep verlangen om de variaties in biologische processen tussen individuen te begrijpen. Door gebruik te maken van geavanceerde bioinformatica hoopt de geneeskunde dus op individuen toegesneden strategieën te kunnen ontwikkelen voor het begrijpen en behandelen van ziekte. Deze -omic route betekent nu ook weer niet dat ieder i­ ndividu een eigen pil gaat krijgen. De

Eiwitten en membranen

Data-analyse

Genomics-onderzoek heeft echter niet geleid tot schokkende veranderingen in de behandeling van

In tegenstelling tot de klassieke klinische studies gaat geïndividualiseerde geneeskunde uit van een

data-analyse van grote groepen individuen die bepaalde biologische karakteristieken delen, zoals leeftijd en geslacht; maar ook bepaalde niet-biologische gegevens, zoals de omgeving waarin ze opgroeien. Deze groep mensen wordt bij voorkeur voor langere tijd gevolgd en alle meetresultaten worden

Liever lekker

20

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

behandelingen zullen ergens tussen maatwerk en confectie in gaan zitten. De biomarkers die de -omic wetenschappen leveren, zullen maken dat mensen ondergebracht gaan worden in kleinere subgroepen. Dit wordt ook wel stratificatiegeneeskunde genoemd. Kankeronderzoekers zoeken nu ­bijvoorbeeld naar manieren om te voorspellen welke behandeling het beste werkt bij bepaalde typen tumoren.

opgeslagen in een ‘biobank’. Die biobanken draaien dus niet louter op biologi­sche data, maar bevatten in toenemende mate ook gegevens over gedrag, levensstijl, medische geschiedenis, dieet en voeding, bewegingspatroon, etcetera. Dit stelt medische w ­ etenschappers in staat steeds gedetailleerdere classificaties te maken van (sub)typen van ziektes. De belofte is dat de wetenschap zo steeds beter kan voorspellen welke behandeling bij wie aan zal slaan.

De zelf-meter Deze ontwikkeling staat of valt dus met het in kaart brengen van


lichaamsfuncties, gedrag en levensstijl van individuen. Dat doen onderzoekers niet op eigen houtje; zij worden daarbij steeds vaker geholpen door i­ ndividuele b ­ urgers en patiënten, die hun gedrag en functies laten screenen. Of die via zelftests zélf bijhouden hoe het staat met hun calorieverbruik,

over hun functioneren te verzamelen en te beheren in biobanken, zelf klinische trials te organiseren en zelf te bepalen wie toegang krijgt tot deze gegevens. PatientsLikeMe en CureTogether zijn voorbeelden van succesvolle websites waar patiënten een profiel kunnen aanmaken en dagelijks gegevens over zichzelf aanleveren. Die patiënten kunnen hun data vervolgens analyseren en uitwisselen. En met resultaat. Dankzij deze aanpak bleek bijvoorbeeld dat b­ijwerkingen van medicijnen voor bepaalde vormen van migraine bij sommige patiënten veel vaker voorkomen dan bij anderen.

Kosten en baten Onder het motto ‘de patiënt centraal’ lijkt geïndividualiseerde geneeskunde dan ook een zegen voor de zorgconsument van nu en straks. Wel zal de inspanning vermoedelijk vooral van de patiënten zelf moe-

standaard hun slaap-waak-ritme, menstrua­ tie­patroon, alcoholinname, stress­niveau, glucose- of lithiumgehalte, gemoedstoestand – welke variabele dan ook maar van belang wordt geacht voor het doorgronden van een aandoening. Geïndividuali­ seerde geneeskunde is daarmee niet alleen een medisch-­technologische, maar ook een maatschappelijke trend. Bij deze trend past een individu dat zich laat voorstaan op eigen k ­ euzes, verlangt naar dienstverlening op maat en bereid is zich te o ­ rganiseren om dat af te dwingen. Inmiddels hebben allerlei patiëntinitiatieven het licht gezien om zelf informatie

ten komen. De bestaande praktijk rond zeldzame aandoeningen wijst althans in die richting. Patiënten met zeldzame ziektes nemen al jaren het voortouw bij het leveren en uitwisselen van hun individuele gegevens, omdat wetenschappers en b ­ edrijven minder geïnteresseerd zijn om geld te investeren in het verzamelen van data. Het is immers twijfelachtig of zij die investering kunnen ‘terugverdienen’; zelfs als de kennis uit de biobank leidt tot een remedie tegen een zeldzame ziekte, zal de afzetmarkt logischerwijs maar klein zijn. Maar wat leveren al die data eigenlijk op? En voor wie? De inspanning van dataverzameling voor personal

health ligt nu vooral en soms uitsluitend bij de patiënt. Ten eerste is het natuurlijk maar zeer de vraag of die inspanningen wel leiden tot een remedie voor de ziekte, of zelfs tot meer inzicht. Maar zelfs als dat het geval is, kan de opbrengst van die inspanningen elders liggen. Sterker nog: die kan tegen de patiënt worden ingezet.

Eigenaar Het gevaar is niet denkbeeldig dat andere partijen met de resultaten aan de haal gaan. Gegevens over levensstijl, zeker in combinatie met biologische gegevens, zijn interessant voor beleidsmakers op zoek naar de ultieme sleutel om gezonder gedrag te promoten. En aangezien tot op de dag van vandaag onduide­ lijk is wie de eigenaar is van de gegevens op een netwerkwebsite, staat niks bedrijven achter de website in de weg om de totale dataset in de aanbieding te doen. Zonder de patiënten in de winst te laten delen. Behalve voor beleidsmakers en bedrijven zijn de data ook niet veilig voor verzekeraars en werkgevers, die beroepshalve belang hebben bij inzicht in individueel gedrag en levensstijlprofielen. Persoonlijke geneeskunde is dan niet het democratisch wapen van de patiënt, maar een effectief middel om diezelfde patiënt op af te rekenen. Kortom: geïndividualiseerde geneeskunde is een mooi en noodzakelijk streven. Wij kijken uit naar de dag dat ‘de gemiddelde patiënt’ een individuele patiënt is geworden. Maar dan moet de opbrengst van al dat harde werk ook wel bij de aanjager ervan liggen: de zorgconsument van nu en straks.

Ingrid Geesink en Wouter Boon zijn senior onderzoeker bij het Rathenau Instituut.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

21


Achtergrond

Het web als Internetdiensten zoals Google en Facebook houden ons een spiegel voor waarin we zien wat we willen zien: onszelf. Online worden we allemaal in meer of mindere mate voorgeprogrammeerd. Is dat erg? Auteur Amanda Verdonk

“T

here is no standard Google anymore”, zei de ­Amerikaanse schrijver en internetactivist Eli Pariser vorig jaar op een TED-conferentie. Dat wisten we natuurlijk allang. Waar je vroeger bij je zoekactie nog ‘zoeken in het Nederlands’ kon aangeven, weet Google inmiddels in welk land je woont en past de zoekresultaten daarop aan. Volgens Pariser beschikt Google inmiddels over 57 ‘signalen’ waarmee het jouw zoekresultaten personaliseert, zelfs als je bent uitgelogd. Zoals je woonplaats, je computer en de browser die je gebruikt. En dat is, aldus Pariser, een probleem. Want als Googlegebruiker krijg je steeds vaker alleen die informatie voorgeschoteld waarvan Google denkt dat die jou ­interesseert.

Egypte Hij demonstreerde dat aan de hand van de zoekresultaten van vrienden die ‘Egypte’ intikten. Kreeg de ene vriend vooral links met reizen en vakanties naar Egypte voorgeschoteld, een andere werd verwezen naar sites met informatie over de protesten. Google biedt weliswaar de mogelijkheid deze personalisatie uit te schakelen. Maar daarvoor moet de gebruiker zelf actief allerlei opties veranderen en dus eigenlijk Google herprogrammeren. De standaardinstellingen van Google zijn, zoals bij veel internetdiensten, ingesteld op het delen van zoveel mogelijk (persoonlijke) informatie.

22

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Google drukt ons zo met de neus op het feit dat software niet neutraal is; hoewel we daar zelden bij stilstaan als we online-profielen aanmaken. Programmeurs maken keuzes voor ons en volgens een bepaald algoritme ordenen zij informatie en komen met suggesties – met wie we vrienden kunnen worden, op welke partij we kunnen stemmen of met wie we zouden kunnen daten. Voorprogrammeren is onvermijdelijk, omdat de keuze­mogelijkheden anders te groot zouden zijn. En het is natuurlijk ook handig dat Google weet dat we Nederlandse zoekresultaten willen. Maar een te ver doorgeschoten keuzebeperking verkleint de kans op de verrassing van misschien ongewenste en onplezierige maar wellicht wel essentiële informatie. Voorprogrammeren maakt zo onze online-wereld kleiner in plaats van groter.

‘Als Google-gebruiker krijg je steeds vaker alleen die informatie voorgeschoteld die je wilt zien en niet informatie die je zou moeten zien’


spiegel Uitdagend Pariser vindt daarom dat programmeurs ons, de gebruikers, de mogelijkheid moeten bieden informatie en suggesties niet alleen te sorteren op relevantie, maar ook op termen als ‘onprettig’, ‘uitdagend’ of andere zienswijzen. Net als kranten zouden internetdiensten in hun programmacodes hun ‘burgerlijke verantwoordelijkheid’ moeten verwerken om ons evenwichtig te informeren. Dat gaat een andere Amerikaanse schrijver, Douglas Rushkoff, niet ver genoeg. Hij vindt dat we zélf zouden moeten kunnen programmeren. In zijn boek Program or be programmed betoogt hij dat onze relatie met het medium internet zich nog moet ontwikkelen, zoals ook de relatie met media als het schrift en de drukpers zich heeft ontwikkeld. Voordat het schrift bestond, kon alleen de farao de woorden van God horen. Door de uitvinding van het schrift konden mensen zich op een plein verzamelen en horen hoe een rabbi het woord van God aan hen voorlas. Maar alleen de rabbi kon het schrift lezen, waardoor het volk op achterstand stond ten opzichte van de elite. Ook de drukpers was lang niet voor iedereen toegankelijk.

weten hoe dat besturingssysteem in elkaar zit? Wie heeft het gemaakt en waarom? Hoe worden keuzes gemaakt? Zelfs als je niet zelf programmeert, wil je toch op z’n minst weten wat dat programmeren behelst?” Want volgens Rushkoff is er een reden voor al dat voorprogrammeren. Advertenties op maat leveren en het verkopen van marktinformatie zijn immers hét verdien­ model van internetdiensten: “Internetdiensten zijn simpelweg geprogrammeerd om meer pageviews en dus advertentie-inkomsten te genereren.”

Vanzelfsprekend Volgens Rushkoff is internet daar oorspronkelijk niet voor bedoeld. Het is opgezet om informatie te delen, niet om omzet te genereren. En dat alles op internet gratis is, is ook niet zo vanzelfsprekend als iedereen het nu vindt. Toch is de uitlevering van gratis informatie v ­ ooralsnog een goed werkend verdienmodel; Facebook ging dit voorjaar zelfs naar de beurs. Maar Rushkoff gelooft niet dat de dominantie van Facebook nog lang aanhoudt. In zijn boek komen de woorden Google en Facebook niet eens voor. “Het is gewoon een modeverschijnsel. Eerst

Achterstand Internet biedt iedereen de kans om te publiceren. Toch staan we als gebruikers op achterstand, omdat de meesten van ons niet kunnen programmeren en dat ook niet willen. We verkopen daarmee onze ziel aan de programmeurs, vindt Rushkoff. En we hebben geen idee wat zij met onze informatie, ideeën en opvattingen doen. Bewustzijn alleen is wat hem betreft niet genoeg, meldt Rushkoff via Skype. “Als je beseft dat jouw hele wereld functioneert door een besturingssysteem, wil je toch

‘Als je beseft dat jouw hele wereld functioneert door een besturingssysteem, wil je toch weten hoe dat besturingssys[>] teem in elkaar zit?’

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

23


Achtergrond vervolg

[ < ] zat iedereen op Friendster, toen op Myspace, nu op Facebook. Maar op het moment dat de cool kids Facebook stom vinden, rennen ze naar Google+, Mybook of wat dan ook.” Dat er maar één of twee grote spelers overblijven die het hele internet voor ons structureren, gelooft hij dan ook niet. Zelf gebruikt Rushkoff Facebook niet. “Het klinkt misschien ouderwets, maar ik kan nog erg genieten van echt face-to-face-contact. Als ik niet aan het werk ben, gebruik ik de computer het liefst helemaal niet.” Hij kan het iedereen aanraden. “Mijn advies is d ­ iensten als Facebook alleen te gebruiken om je echte leven te organiseren. If you’re using Facebook to get laid, that’s cool. If you use it because you can’t get laid, that’s not cool.”

“Wees kritisch en denk na” Op 27 maart presen­ teerde het Rathenau Instituut het boek ­Voorgeprogrammeerd. Hoe internet ons leven leidt.

mails. Als ze vervolgens betaald lid werden van de site, waren die ­geïnteres­seerde kandida­ ten nergens meer terug te vinden.”

In het boek geven experts hun visie op soft­ warematige sturing van internetdiensten, zoals zoekmachines, sociale netwerken, datingsites, geosociale netwerken, gezondheidsdiensten, stemhulpen en Twitter. In het boek doen ook de zogenaamde ‘Haagse Hackers’ verslag van alle keren dat ze voorge­ programmeerd werden. In opdracht van het ­Rathenau Instituut waren acht studenten van de Haagse Hogeschool actief op verschillende websites. Zij moesten aangeven wanneer ze dachten dat ze werden voorgeprogrammeerd.

Het is belangrijk goede antennes te ontwikkelen om je in de online-wereld staande te houden, meent Van ’t Hof. ‘Mediawijsheid’, noemt hij dat. “Wees kritisch en denk na over je profiel, hoe je media moet inter­ preteren en hoe je kunt zien of een webdienst betrouwbaar is. En ook voor de keuzes die je krijgt voorgelegd als je je gegevens invult geldt: denk na!”

“Een van de meest choquerende dingen die ze tegenkwamen waren de datingsites”, vertelt Rathenau-onderzoeker Christian van ’t Hof. “Zelfs als de studenten hun profiel niet invulden kregen ze toch mails van mensen die in hen geïnteresseerd zouden zijn. Elke dag kregen ze precies drie van die

24

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

‘Voorgeprogrammeerd – Hoe internet ons leven leidt’; Christian van ‘t Hof, Jelte Timmer en Rinie van Est (red.); uitgeverij Boom|Lemma; ISBN 978-90-5931-797-0; paperback; 248 pagina’s; € 25,-.


Barend van der Meulen snapt wel waarom het profiel van de excellente wetenschapper zo’n managementsucces is. ‘Maar’, zegt hij, ‘dit profiel verschraalt het onderzoek.’ Auteur Liesbeth Jongkind

D

e Nederlandse universiteiten hebben de afgelopen twintig jaar hun onderzoek en hun personeelsbeleid steeds meer rond het profiel van de excellente wetenschapper georganiseerd, constateert

Barend van der Meulen, hoofd ­Science System Assessment (SciSA) bij het Rathenau Instituut. Hij erkent dat dit een handige manier is om de boel te organiseren: het reduceert de onzekerheid van bestuurders en

Interview

Excellente eenheids­worst van jonge onderzoekers. Maar het is volgens hem een fictie om te denken dat je zo de excellente van de minder excellente wetenschappers scheidt. “Het is niet zo dat ­mensen die aan het profiel voldoen [ > ]

Paradox van een profiel Profiel van de hedendaagse topwetenschapper: een ­onorthodoxe denker die zich ­netjes voegt naar de criteria van het wetenschapsbeleid. Wetenschap is mensenwerk. En wetenschapsbeleid is daarmee voor een groot deel personeelsbeleid. Eind jaren negentig komt er in Nederland opeens aandacht voor de individuele wetenschapper. Na jaren van programmering, concentratie en instituutsvorming bedenken universi­ teiten, minister Hermans en NWO de Vernieuwingsimpuls: een fonds voor individuele onderzoekers met onor­ thodoxe ideeën. De uitwerking van die Vernieuwingsimpuls verraadt hoe een academische loopbaan geacht wordt eruit te zien: VENI, VIDI, VICI. Ik kwam, ik zag, ik overwon – met behulp van beurzen voor de begin­ nende onderzoeker (veni), de ervaren (vidi) en de gevorderde (vici). Later komt er nog een Rubicon-subsidie voor wetenschappers die net gepro­ moveerd zijn. Dankzij deze subsidie

kunnen zij ervaring opdoen bij een buitenlands topinstituut. Dergelijke ervaring is een groot pluspunt. Het past namelijk bij het profiel van een topwetenschapper-in-de-dop. Om te voldoen aan de eisen voor een veni-subsidie, moet je niet alleen jong en onorthodox zijn, je moet ook passen in het profiel van een goede onderzoeker. Dat wil zeggen: je moet voldoende wetenschappelijke publicaties op je naam hebben staan, een overtuigend voorstel op papier hebben gezet – en je moet bovenal in staat zijn om je onderzoeksvoorstel goed te verdedigen voor een panel van hoogleraren. De Vernieuwingsimpuls wordt een succes en breidt zich steeds verder uit. Het fonds groeit, net als het aantal aanvragers. Daarmee verschuift de aandacht van de onorthodoxe onderzoeker naar de talentvolle wetenschapper. Daar zijn er immers veel meer van. De waarde van een veni-, vidi-, of vici-beurs voor de managers van onderzoeksinstituten en universiteiten neemt ook toe:

de reputatie van een instelling gaat mede afhangen van het aantal van dergelijke beurzen dat zij weet binnen te halen. Onderzoeksgroepen en uni­ versiteiten gaan zich daarom steeds meer bemoeien met de aanvragen. Zij creëren aanstellingen waarin talenten de tijd krijgen om hun voorstel uit te werken, en zij verzorgen zelfs trainin­ gen waarin onderzoekers leren hoe zij zich kunnen aanpassen aan de criteria van de procedure. Het universitair personeelsbeleid functioneert inmiddels vrijwel volledig rondom het profiel van ‘de ­excellente wetenschapper’. Dat is dus niet langer de onorthodoxe onderzoeker die voor vernieuwing zorgt, maar de talentvolle wetenschapper die keurig binnen de academische gepla­ veide loopbanen blijft. Want zo’n loopbaan levert publicaties, citaties en bovengemiddeld veel Europees onderzoeks­geld op. Daarmee scoort de onderzoeker en scoort de universi­ teit. Maar het leidt wel tot standaardi­ sering van de wetenschapper. (red.)

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

25


Interview vervolg

[ < ] flutwetenschappers zijn. Maar dat zijn veel mensen die niet aan het profiel voldoen ook niet.” Die excellente wetenschapper die niet in het profiel past, hoe ziet die eruit? Dat weten we dus niet. En de onderzoekers die wel in dat profiel passen? Dat zijn mensen die veel publiceren, veel geciteerd worden, en iedere stap in het academische carrièrepad afleggen binnen de daarvoor vastgestelde maximale tijd. Maak dat eens wat concreter. Jonge, intelligente, talentvolle, keihard werkende mannen en vrouwen met managementkwaliteiten, die erg goed zijn in het schrijven van onderzoeksaanvragen. Dat profiel klinkt niet zo heel gek, eigenlijk. Het heeft praktische kanten, inderdaad. Als je vindt dat

objectief meetbare wetenschappelijke output de enige maat moet zijn voor kwaliteit, excellentie en talent, dan kun je door publicaties, citaties en geld te tellen het talent van het individu bepalen. Het subjectieve oordeel van een collega, een peer, is dan niet relevant meer. Hoeveel succes heeft dat profiel? Veel. De mensen die aan dit p ­ rofiel voldoen, halen bijvoorbeeld veel Europees onderzoeksgeld binnen. Dat is gunstig voor het individu, voor de onderzoeksgroep en voor de universiteit. Wat is er dan mis met dat pro­ fiel? Wat er mis is met elk profiel: als je de boel zo organiseert dat je steeds dezelfde specifieke prestaties beloont, worden andere kwaliteiten verwaarloosd. Zoals? Goed onderwijs geven. Of strategisch onderzoek doen. Mensen

‘We richten alle wetenschappers af tot standaardwetenschappers met een standaard carrière die zich beperkt tot de universiteiten’ met ondernemerszin of met een groot netwerk buiten de wetenschap hebben daar geen voordeel van bij hun wetenschappelijke carrière. En soms ronduit nadeel. We richten alle wetenschappers af tot standaardwetenschappers met een standaard carrière die zich beperkt tot de universiteiten. De consequentie: minder diversiteit in

Toekenning Vernieuwingsimpuls Science System Assessment heeft de toekenning van de veni-, vidi- en vici-subsidies per universiteit in kaart gebracht. Gegevens die steeds meer gaan meespelen als (officieuze) maat voor succes. 2000-2001

2002-2010 VENI

Aantal

Relatieve ­toekenning

Aantal

VIDI

Relatieve toekenning

1.063

Aantal 659

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Aantal

Relatieve toekenning

Totaal

96

LEI*

11

1,26

123

1,62

81

1,72

24

1,40

UU

14

0,94

192

1,20

106

1,07

41

1,14

RUG

6

0,59

89

0,83

66

0,99

21

0,87

EUR

4

0,80

68

0,81

52

1,00

15

0,80

UM

4

0,74

63

0,90

28

0,64

10

0,64

UvA*

15

1,31

145

1,24

85

1,17

30

1,14

VU

11

1,28

100

0,98

47

0,74

19

0,83

RU

10

1,27

98

1,05

63

1,09

15

0,72

TiU

6

2,31

25

0,75

16

0,77

8

1,06

TUD

3

0,35

66

0,84

42

0,86

16

0,90

TU/e

4

0,82

31

0,61

28

0,89

23

2,03

UT

5

1,12

27

0,53

26

0,82

12

1,05

WUR

3

0,94

36

0,90

19

0,77

5

0,56

Uit: ‘De Nederlandse Universiteiten: feiten en cijfers 2012’. Voor de volledige publicatie zie: http://www.rathenau.nl/publicaties/feiten-en-cijfers-de-nederlandse-universiteiten.html

26

VICI

Relatieve toekenning

239


de universitaire onderzoekswereld en minder interactie van onderzoekers met de wereld daarbuiten. Dat moet je niet willen voor een kennisproducerende instelling. We doen nu niet alleen individuele onderzoekers die niet in het profiel passen tekort, maar óók de universiteit. En óók de wetenschap als pluriform, creatief, zichzelf telkens vernieuwend systeem. En óók de maatschappij als medefinancier van die wetenschap en als grootverbruiker van de onderzoeksresultaten. Dus? Het profiel van de e­ xcellente wetenschapper belemmert de individuele onderzoeker, verschraalt het onderzoek en reduceert de maatschappelijke functie van de ­universiteiten tot het in stand ­houden van zichzelf.

strategisch. En dat dus tot minder publicaties en citaties leidt, maar wel onderzoeksgeld opbrengt.

geeft ze een ongemakkelijk gevoel. Ik hoor steeds meer geluiden dat het wringt.

Waarom veranderen we dat pro­ fiel dan niet? Dat gebeurt pas als de universiteiten getriggerd worden om het te veranderen. B ­ ijvoorbeeld doordat de mensen die in het p ­ rofiel passen liever ergens anders gaan werken dan op de universiteit. Of als er extra financiering komt voor onderzoek dat minder fundamenteel wetenschappelijk is en meer

En zolang dat niet gebeurt? Zolang leiden activiteiten die buiten het profiel vallen, zoals een paar jaar onderzoek doen in het bedrijfsleven, tot het definitief verlaten van het academische carrièrepad. Slechts zeer weinig hoogleraren zijn bereid tegen het officiële aanstellingsbeleid in te gaan, en de ruimte die ze hebben om dat te doen wordt steeds kleiner. Dat

Zijn er ook alternatieven? Ja hoor. Het is niet overal zo en het is in Nederland ook niet altijd zo geweest. Het zou goed zijn als de universiteiten weer meer ruimte bieden voor afwijkende carrièrepaden, en ik zou het toejuichen als meer i­ ndividuele hoogleraren de bravoure hadden om zulke mogelijkheden voor hun medewerkers te creëren.

Geniaal, maar past niet in het profiel Moderne onderzoekers staan continu onder tijdsdruk, hun onderzoeksprojec­ ten duren maximaal vier jaar en wie de wetenschap verlaat kan nooit meer terug. Zou Albert Einstein (1879-1955) het gered hebben in ons wetenschapssys­ teem? Hij kon na zijn afstuderen op zijn eenentwintigste geen baan in de weten­ schap krijgen en werkte acht jaar op het Zwitserse Octrooibureau, waarnaast hij onderzoek deed en zelfs promoveerde. Pas drie jaar na zijn promotie kreeg hij alsnog een universitaire aanstelling.

Ook Gregor Mendel (1822-1884), de grondlegger van de moderne genetica, zou moeite met het tempo hebben gehad. Hij ging op zijn achttiende studeren, maar verliet na drie jaar de universiteit om priester te worden. Acht jaar later stuurde zijn abt hem terug. Na twee jaar ging hij opnieuw het klooster in en deed daar zeven jaar onderzoek naar het kruisen van erwtenplanten. Zijn beroemde artikel hierover werd drie jaar later gepubliceerd en in de eerste 35 jaar na verschijning ongeveer drie keer geciteerd. (LJ)

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

27


Achtergrond

‘In een serie als Crime Scene I­ nvestigation krijgt forensische profilering zelfs glamourrandjes’

Gefascineerd Een goed daderprofiel maakt de jacht op een misdadiger een stuk efficiënter, leren we uit romans en films. Vooral als er een DNA-spoor is. Maar zelfs in fictie wordt dat niet meer helemaal geloofd. Auteur Frans Meulenberg

M

enselijke monsters fascineren. We raken niet uitgepraat, -gekeken en -geschreven over Jack the Ripper of de nog steeds vrij rondlopende moordenaar van Marianne Vaatstra. Gretige nieuwsgierigheid en rudimentaire angst gaan daarbij hand in hand. Die fascinatie is ook de drijfveer voor het lezen over en kijken naar fictieve slachters. In al die gevallen vragen mensen zich af: wat is dat voor beest? Wie doet zoiets? We huiveren voor gruwelijkheden; tegelijkertijd v ­ inden we ze mateloos intrigerend. Om dichter in de buurt te komen van de moordenaar – bij voorkeur niet als slachtoffer – kiezen we daarom voor fictie: een thriller of spannende film. In dit genre draait het vaak om het verkrijgen van inzicht in de psychologie van de dader en het gebruik van onderzoekstechnieken. Dat maakt deze fictie een bron van kennis. Niet alleen omdat we en passant van alles leren over de laatste wetenschappelijke technieken om daderprofielen op te stellen. Vooral ook omdat deze verhalen ons iets duidelijk maken over de aannames en angsten van onze eigen cultuur.

Klassieker Een psychologisch daderprofiel is een klassieker, die iets zegt over het karakter, de denkwijze, leefstijl en het milieu van de onbekende crimineel. De recherche hoopt hem zo gerichter te kunnen zoeken en dus geen tijd

28

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

te verliezen aan het natrekken van verdachten die niet ­passen in dat profiel. Dit type daderprofiel beïnvloedt ook ons denken. Er bestaan bijvoorbeeld uitgebreide daderprofielen van loverboys. Bijna negentig procent daarvan is een allochtone Nederlander, waarvan bijna veertig procent van Marokkaanse afkomst. Dit daderprofiel voedt en bevestigt onze culturele angst dat loverboys altijd Marokkanen zijn.

Vak Het maken van een psychologisch daderprofiel is een vak, zegt men. Neem Joseph O’Loughlin, klinisch ­psycholoog in de thrillers van Michael Robotham. De hoofdinspecteur noemt O’Loughlin ‘de Professor’ vanwege diens vermogen daderprofielen op te stellen, zoals dit profiel uit De verdenking: Een man van in de dertig of veertig. Hij woont alleen, op zichzelf, maar omringd door mensen die komen en gaan – het kan in een pension of caravanpark zijn. Misschien heeft hij een vriendin of vrouw. Hij is bovengemiddeld intelligent. Hij is lichamelijk sterk, maar mentaal nog sterker. Hij wordt niet zo hevig door seksueel verlangen of woede verteerd dat hij de controle verliest. Hij kan zijn emoties in bedwang houden. Hij is zich bewust van de gerechtelijke kanten. Hij wil niet gepakt worden. Het is iemand die erin is geslaagd


door de dader verschillende gebieden van zijn leven gescheiden te houden en ze volledig van elkaar te isoleren. Zijn vriendin, familie en collega’s hebben geen flauwe notie wat er in zijn geest omgaat.

Hoezo een helder daderprofiel? Het is allemaal zo weinig specifiek dat het eerder een horoscoop lijkt.

Seriemoordenaar

De beroemde thriller The Silence of the Lambs volgt een andere aanpak. De FBI is naarstig op zoek naar een seriemoordenaar die zijn slachtoffers vilt voor hij ze in de rivier dumpt. Inspecteur Clarice Starling (Jodie F ­ oster) krijgt de opdracht een daderprofiel op te stellen. Zij doet dit in een curieuze samenwerking met een andere gevaarlijke psychopaat, Hannibal Lecter, die het liefst de lever opeet van zijn slachtoffers, “met peulerwtjes en een lekker glaasje Chianti”. Lecters inzicht in de persoonlijkheid van de dader is die gevaarlijke samenwerking waard. Met het beschikbaar komen van DNA-technieken verdwijnt dit klassieke fantaseren over het karakter van de dader in de thrillerliteratuur naar de achtergrond. In 1990 introduceert Patricia Cornwell haar hoofdpersoon Kay Scarpetta, in de roman Fataal weekend. Daarin vertelt Scarpetta over de recente, belangwekkende mogelijk­ heden van DNA-onderzoek:

‘Verhalen over daderprofielen leren ons iets over de aan­ names en angsten van onze eigen cultuur’

Maar nu konden we door middel van DNA-­onderzoek het profiel van de man bepalen. Deze methode was pas geïntroduceerd en bood de belangwekkende mogelijk­heid de moordenaar als enig mogelijke dader te identi­ficeren, zolang de politie hem maar eerst in ­handen kreeg en hij geen identieke tweelingbroer had.

Sindsdien is genetica hot en DNA sexy én onfeilbaar, zo lijkt het. Media vertellen succesverhaal op succesverhaal: onopgeloste moordzaken worden alsnog opgelost, schuldig verklaarde moordenaars blijken onschuldig en vice versa.

Imago

In een serie als Crime Scene Investigation krijgt forensische profilering zelfs glamourrandjes. Het CSI-team is jong, goed gekleed, specialistisch, nauwgezet, vindingrijk, betrokken en betrouwbaar. Hun imago is clean en zuiver – al heeft iedereen zo zijn eigen sores in het privéleven. De serie toont veel gadgets, gelardeerd met zelfs nog-niet-uitgevonden technologie. De kijker wordt getrakteerd op uitgebreide technische discussies, op grafische beelden van de weg die een kogel aflegt, leert wat je kunt opmaken uit een patroon van bloedspatten en wordt overstelpt met informatie over methoden om bewijsmateriaal te achterhalen.

Grenzeloos vertrouwen Mede door dit soort fictieve beelden lijkt het publieke vertrouwen in DNA-bepaling schier grenzeloos. Maar in werkelijkheid zijn er genoeg gevallen waarbij geen DNAspoor te vinden is of hooguit beschadigd DNA. Dat maakt matching problematischer dan het publiek beseft. Bovendien: ook DNA behoeft interpretatie, zoals in de [ > ]

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

29


Achtergrond vervolg

‘De richting­ gevende waarde van een dader­ profiel is vaak gering’

[ < ] ‘Puttense moordzaak’ die nu bekend staat als een grote gerechtelijke dwaling. De stewardess Christel Ambrosius werd in 1994 dood aangetroffen in Putten. Het belangrijkste spoor – één grote spermadruppel op Christels been – viel niet te herleiden tot de verdachten. Toch volgde een veroordeling op basis van de zogenaamde sleeptheorie: het sperma zou dateren van een eerder vrijwillig seksueel contact tussen Christel en een onbekende man. Het aangetroffen DNA bleek niet afdoende om verdachten vrij te pleiten. Kortom, ook zo’n schijnbaar eenduidig DNA-spoor is in meerdere verhalen over de ware toedracht in te passen.

Trendbreuk De meeste thrillers doen voorkomen dat DNA niet liegt. In thrillerland zijn echter voortekenen te ontdekken van een trendbreuk. In Doodkalm bijvoorbeeld van ­Stuart McBride is een jonge prostituée vermoord op een afwerkplaats in de rosse buurt van Glasgow. Het ­pleintje ligt vol met condooms. Inspecteur Logan krijgt de opdracht alle condooms te verzamelen en te laten analyseren. Het ergste vindt hij dat hij al die condooms moet brengen naar patholoog-anatoom Isobel MacAlister, zijn ex-partner die de bijnaam draagt van ‘IJskoningin’. Isobel reageert cynisch: “Wat romantisch,” zei ze, “gebruikte condooms. Dat had je niet hoeven doen…” Ze voelde in de doos. “Het zijn er minstens honderd.”

Ploert

En in de thriller Linda van de Zweedse auteur Leif ­Persson, voorheen hoogleraar criminologie, is hoofdpersoon inspecteur Evert Bäckström een bierdrinkende, dikke, racistisch, luie, arrogante en onbetrouwbare seksistische ploert. Hij doet geen enkele moeite de moordzaak op te lossen, maar roept alleen voortdurend

30

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

drie dingen: ‘Wattenstaafje!’, ‘Wangslijmvlies’, en ‘DNA afnemen’. Het inzetten van DNA-technieken is voor deze inspecteur een manier om verder niet te hoeven denken, suggereert de schrijver. In een strafzaak kan een DNA-spoor de doorslag geven. Maar vooral achteraf: als er een plausibele verdachte is wiens DNA voor honderd procent overeenkomt met het aangetroffen spoor. Het ideaal dat op grond van aangetroffen DNA een duidelijk profiel is op te stellen van een nog onbekende dader, is nog ver buiten bereik. Al komt dit ideaal met kleine stapjes dichterbij; zo is het sinds vorig jaar mogelijk om uit DNA de oogkleur te bepalen. Toch blijft omzichtigheid geboden bij forensische dader­profilering op basis van DNA-sporen. De richtinggevende waarde van een daderprofiel is vaak gering. Op z’n best vernauwt een dergelijk profiel de groep waar­ binnen moet worden gezocht.

Aannemelijkheden Forensische profilering is geen eenduidige zaak. Een deskundige kan zich enkel uiten in termen van aannemelijkheden, waarschijnlijkheden en onwaarschijnlijkheden. Zeker wanneer het reconstructies betreft – bijvoorbeeld als de moord dateert van maanden geleden. En iets helemaal uitsluiten is nagenoeg ­onmogelijk. Het probleem is dat deze wetenschappelijke nuanceringen botsen met de verlangens van het publiek en de rechter, die eenduidigheid willen. Of, zoals een forensisch psycholoog het onlangs in een radio-interview stelde: “Ik ben geen boekhouder, maar die exactheid wordt wel van mij verwacht.” Thrillers voeden de publieke opinie dat DNA dé sleutel is tot de oplossing van elke misdaad. De plots van thrillers beïnvloeden de publieke opinie – en omgekeerd. Dat de nuancering hierbij vaak verloren gaat, is de prijs die we betalen voor het lezen van een spannend boek of het bekijken van een spannende film.


Dit is hoe we de dood ontleden

Einde Dossier

mensen vallen uiteen in vingerafdrukken bloedwaarden kleuterjaren in hoe vaak en dan met wie dit alles opgeteld en gedeeld door hoeveel groente hoeveel fruit tekenen de contouren van de oneindige mens machines vellen hun oordeel ze geven folders mee je kunt weer gaan maar veel blijft onbeschreven zoals roekeloos dansen met een aanlokkelijke vreemde je hart op slag aan iemand geven alles in één keer opeten dit leg je vast stopt het in glazen potten stuurt het naar de rekenkamer als antwoord krijg je drie pillen precies in jouw maat 

Lotte Asveld

Lotte Asveld is dichter en senior onderzoeker van het Rathenau Instituut

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

31


Wim van Vierssen Prof. dr. Wim van Vierssen is biofysicus, ecoloog en directeur van KWR Water­ cycle Research Institute. Het bestuur van het Rathenau Instituut benoemde hem tot bijzonder hoogleraar Science System Assessment van het water-gere­ lateerde onderzoek aan de Technische Universiteit Delft. Begin dit jaar hield hij zijn oratie. De volledige oratie is te downloaden: http://www.kwrwater.nl/ uploadedFiles/Website_KWR/RC-map/ Nieuws/Oratie_van%20vierssen.pdf.

Waterwereld snakt naar Wim van Vierssen wil als bijzonder hoog­ leraar verkennen wat het vakgebied Science System Assessment kan betekenen voor de versnipperde waterwereld. Een bewerking van zijn oratie. auteur Wim van Vierssen

N

ederland móet wel verstand van water hebben. Zonder topwetenschap op het gebied van water houden we hier geen droge voeten en zullen er tekorten ontstaan aan schoon zoetwater. Het is dus maar goed dat tal van onderzoekers en kennisinstituten actief zijn op dit terrein. Als bijzonder hoogleraar Science System Assessment van het water-gerelateerde onderzoek ga ik namens het R ­ athenau Instituut de inrichting van het kennissysteem rond water onderzoeken. Met als doel om uiteindelijk meer te kunnen zeggen over manieren waarop onderzoek op het gebied van water effectief georganiseerd kan worden. ‘Water’ is door demissionair minister Verhagen a­ angewezen als één van de negen topsectoren. Dit suggereert dat deze ­sector economisch van groot belang zou zijn voor Nederland. Dat is erg betrekkelijk. Van de negen topgebieden is water in economisch opzicht het minst omvangrijk; met een toe­ gevoegde waarde van 0,4% van het BNP en 0,3 mld euro aan private onderzoeksinvesteringen is de sector een kleine speler. Troostrijk is wel dat Nederland ten opzichte van de andere topsectoren een relatief goede concurrentiepositie inneemt.

Versnipperd Wat behoort nu eigenlijk allemaal tot het vakgebied van het water(beheer)? Onder waterbeheer versta ik de activiteiten

32

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

op het beleidsveld ‘droge voeten en veiligheid’, ook wel de wereld van de deltatechnologie genoemd. Maar ook de ‘watergebruikscyclus’ behoort hiertoe. Dat laatste domein houdt zich bezig met drinkwaterproductie, afvalwaterbeheer en distributie en inzameling van water. Deze wereld wordt ook wel die van de watertechnologie genoemd. Met name deze wereld kent erg veel, vaak kleinere, spelers. In Nederland hebben we het aantal drinkwaterbedrijven, waterschappen en gemeentes over de jaren heen al behoorlijk teruggebracht. Alleen al aan waterschappen en drinkwater­ bedrijven zijn we in een halve eeuw teruggegaan van meer dan een paar duizend organisaties naar 35. Maar in Europa is het beeld nog steeds dat van een versnipperde sector. Mijn eigen inschatting is dat de Europese Unie één water-gerela­ teerde organisatie op iedere vijfduizend inwoners telt. In Nederland is dat aantal inmiddels een kleine half miljoen, maar vijftig jaar geleden lag het gemiddelde bij ons op het Europese niveau van nu. We zien die erfenis terug in onze kennisinfrastructuur rond water, die nog steeds zeer verschillende spelers kent.

Kennisinfrastructuur

Ik wil hier laten zien hoe het speelveld rond wateronder­ zoek de afgelopen jaren vorm heeft gekregen. De spelers die ik zal noemen vertegenwoordigen meer dan negentig procent van de relevante kennisinfrastructuur op het gebied van de watergebruikscyclus. Ik onderscheid vier speelvelden en twee dimensies. Een eerste dimensie betreft de soort inspiratiebron: is die ingegeven door nieuwsgierigheid van de onderzoeker, of komt de inspiratie voort uit een e­ rvaren maatschappelijke behoefte aan toepassingen? De tweede dimensie verdeelt onderzoekers in hen die denken vanuit de praktijk, en hen die denken vanuit theorie. Zo ontstaat een matrix met vier cellen. Links bovenin de figuur combineert DWSI (Dutch Water


DWSI

onderzoekt trends in wetenschap en samenleving rond waterbeheer

Stowa, Rioned, publieke organisaties, gericht op doorontwikkeling van kennis rond waterbeheer

in sp i

Wetsus

commercieel, verricht op doorbraken gericht onderzoek rond watertechnologie

o e

Delft Urban Water

universitair, gericht op ontwikkeling van het wetenschappelijke vakgebied watervraagstukken

KWR

uit t

ie at

id

g

he

in ss pa

g

rig ie

tie ra

nieuw s

vanuit de praktijk Denkend

In sp ir

Denkend vanuit theorie

Het speelveld rond wateronderzoek: de kennisinfrastructuur rond watertechnologie

verbindende ambities Sector Intelligence) praktisch denken met nieuwsgierigheidsgedreven onderzoek. Deze organisatie, een denktank van ruim twintig institutionele spelers uit de watersector, houdt zich bezig met watergerelateerde scenario’s en toekomst­ verkenningen. Dit gebeurt dus door en voor de sector. Links onderin vinden we de natuurlijke niche voor het universitaire onderzoek (Delft Urban Water). Het combineert theoretische slagkracht met wetenschappelijke nieuwsgierigheid. De vraagsturing voltrekt zich op basis van zuiver wetenschappelijke argumenten; wetenschappelijke collega’s beoordelen het belang van de resultaten. Rechts onderin organiseert Wetsus, het centre of excellence for sustainable watertechnology, het nieuwsgierigheids­ gedreven, praktisch georiënteerde onderzoek. Onderzoek dat tot revolutionaire en nieuwe praktische toepassingen moet leiden. Commerciële bedrijven bepalen hier de onderzoeksvragen; de markt bepaalt of de resultaten relevant zijn. In het domein rechtsboven organiseren instellingen als KWR, Stowa en Rioned praktisch geïnspireerd onderzoek voor publieke eindgebruikers. Hun onderzoek wordt uiteindelijk afgerekend op de tevredenheid van de klanten, dus burgers en publieke (nuts)bedrijven zoals waterleidingbedrijven. Het zijn de instellingen uit deze vier velden die mijns

‘De technisch-wetenschappe­ lijke spelers en de meer maatschappelijke spelers in de waterwereld zouden samen een innovatiecontract moeten afsluiten’

inziens de komende jaren in nauwe samenwerking met elkaar het veld moeten doorontwikkelen. Zij zullen een slimme organi­s­atie van het veld voor hun rekening moeten nemen. Eigenlijk zouden de technisch-wetenschappelijke spelers in de waterwereld en de meer maatschappelijke spelers samen een innovatiecontract moeten afsluiten. Anders gezegd: ze zouden met elkaar een nieuw sociaal contract moeten aangaan, met als doel een duurzame samenleving tot stand te helpen brengen tegen acceptabele innovatiekosten.

Smeerolie Samenwerken is de smeerolie van zo’n systeem. En samenwerken gebeurt nu eenmaal tussen mensen. De echte opgave ligt dus in het vervangen van pijlen in theoretische schema’s door samenwerking tussen mensen met verbindende ambities, maar uit verschillende werelden. Dan komen er heel verschillende drijfveren, soorten belangen, kennis, beoordelings- en verrekeningsmethoden bij elkaar. Samenwerken valt dus niet mee, en de vraag is hoe wij dat in de waterwereld kunnen bevorderen. Van oudsher had de overheid een dominante rol in de waterwereld. Langzamerhand zijn we over aan het gaan naar een onderzoeksmodel waarin de oorspronkelijk g­ escheiden werelden van overheid, bedrijfsleven en wetenschap in elkaar gaan overlopen. Soms ontstaan die nieuwe v ­ ormen van samenwerking vanzelf, vaak ook onder druk van de omstandigheden. Die druk is er, gezien de urgentie van de wateragenda. Het lijkt mij dan ook een kwestie van tijd voordat de grote, gevestigde kennisinstellingen opengebroken worden en er nieuwe verbanden gaan ontstaan. Gezien de breedte van het veld en de breedte aan kennisvragen zal dat waarschijnlijk leiden tot een kennissysteem met een nog grotere institutionele diversiteit. Maar vermoedelijk – en hopelijk – wél met meer onderling contact tussen de personen die binnen die verschillende instituties werken.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

33


De zeepkist van Flux

Wanneer moeten politici vooral niet luisteren Auteur Pieter van den Brand

Politici bepalen beleid

Visie gaat voor wetenschap

Integraal luisteren is de opdracht

Politici moeten nooit luisteren

“Niets is zeker en zelfs dat niet, zei Multatuli. Voor een wetenschapper is dit vanzelfsprekend, maar voor een politicus een bron van ergernis. De politicus wil graag dat de wetenschap met klare antwoorden komt op politieke vragen, ter ondersteuning van beleid of een politiek standpunt. Maar wetenschap is nooit ‘af’ en er zal altijd sprake zijn van onzekerheid. De waarde van de wetenschap in de politiek zit hem dus maar deels in het aanleveren van feiten, maar ligt er vooral in om de kwaliteit van het politieke debat en dus, wellicht, het resulterende beleid te verhogen. Wetenschappers moeten een actieve rol spelen om het wetenschappelijke proces te laten zien, zodat het voor politici makkelijker wordt met onzekerheid om te gaan. Het zijn namelijk de politici en zeker niet de wetenschappers die moeten bepalen in hoeverre er genoeg zekerheid is om beleid te bouwen.”

“Het antwoord is eenvoudig: als politici niets vinden, moeten ze niet op wetenschappers leunen of zich achter wetenschappelijk onderzoek verschui­len. Als je een visie hebt, kun je als politicus van wetenschappelijk inzicht profiteren. Het is echter een zwaktebod als politici de wetenschap puur gebruiken om de eigen standpunten te ondersteunen. Wetenschappers moeten zich er ook niet voor laten lenen om vooraf bepaalde meningen te onderbouwen. Ze moeten objectief, onafhankelijk en transparant zijn. Nooit en te nimmer mogen ze bewust manipuleren. De wetenschap heeft zich in dat opzicht de afgelopen tijd geen goede dienst bewezen, getuige de vele fraudegevallen die aan het licht zijn gekomen. Wetenschappers zijn natuurlijk ook maar mensen. Ze hebben zelf idealen en opvattingen. Geen enkele wetenschapper mag pretenderen de waarheid te verkondigen. Onderzoek wordt meer door normen en waarden gedreven dan wetenschappers zelf toegeven. Ik durf dat te stellen, want ik heb zelf wetenschappelijk onderzoek gedaan in de vorm van een proefschrift over het stelsel van ruimtelijke planning in ons land.”

“Het is essentieel dat beleid zoveel mogelijk op feiten wordt gebaseerd. Politici zullen moeten toetsen of feiten ook echt feiten zijn. Het komt voor dat wetenschappelijke resultaten beïnvloed zijn door de eigen voorkeuren van wetenschappers. Ook is niet uit te sluiten dat analyses niet waterdicht zijn. Gevaarlijk wordt het dus als politici niet goed luisteren of blindvaren op wetenschappelijke analyses. Integraal luisteren is bovendien de opdracht. Politici moeten niet winkelen in wetenschappelijk inzichten en alleen naar die feiten luisteren die overeenkomen met de eigen visie. Wetenschappelijke analyses belichten bovendien vaak maar een deel van het hele verhaal. Bijna altijd zijn er relevante aspecten die niet in kaart gebracht kunnen worden. Bij een onderzoek naar de kosten en baten van winkelopenstelling op zondag moeten politici bijvoorbeeld meewegen of ze dat vanuit ethisch standpunt verantwoord vinden. Politici zullen daar toch inschattingen van moeten maken om tot een totaalafweging te komen.”

“Politici moeten nooit, dus in geen enkel geval, luisteren naar wetenschappers. Want naar mijn weten zou het dan helemaal een zooitje worden hier in Nederland. Hoe vaak hebben wetenschappers het niet mis? Neem die fantastische deeltjesversneller. Het onderzoek luisterde zo nauw dat ze er maar net achter konden komen dat er een foutje was gemaakt. Nee, er zou er een dijk op doorbreken staan en de wetenschap moet eerst een oplossing vinden … dan gaat het geheid mis. Of in elk geval jaren duren. Vaak buitelen wetenschappers met hun grote ego’s over elkaar heen, omdat ze gelijk willen hebben. Dan heb ik het nog niet over al die flutonderzoeken van wetenschappers die bijvoorbeeld ontdekt hebben dat de mannelijke penis van een normale Nederlandse man steeds een stukkie kleiner wordt … God, wat ben ik dan blij dat iedereen altijd tegen mij zegt dat ik niet normaal ben en dit gelukkig op mij niet van toepassing is.”

Appy Sluijs, universitair docent Universiteit Utrecht, lid De Jonge Akademie KNAW

Co Verdaas, gedeputeerde ruimtelijke ordening in ­Gelderland

34

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Elbert Dijkgraaf, Tweede Kamerlid (SGP) en hoogleraar economie aan de Erasmus­ universiteit

Henk Bres, Hagenees en mediapersoonlijkheid, vertolkte onder meer in Het Lagerhuis ‘de stem van het volk’


naar wetenschappers?

List en bedrog worden niet geschuwd “De vraagstelling is zeer toepasselijk voor het klimaatdebat. Politici moeten namelijk hun oor alleen te luisteren leggen bij echte klimatologen die peer-reviewed publiceren. Wat niet altijd gebeurt. De tegenkrachten worden enorm onderschat. Vlak voor het internationale klimaatcongres in Kopenhagen eind 2010 werd bijvoorbeeld een onder­ mijnende pr-oorlog ingestoken door de fossiele industrie. Wetenschappers werden voor forse bedragen ingehuurd om de klimaatwetenschap te ondermijnen en twijfel te zaaien. List en bedrog worden niet geschuwd. Veel politici denken dat het over een verschil in wetenschap gaat, maar achter deze vorm van ‘wetenschap’ schuilen de gigantische financiële belangen van de fossiele industrie. Bijna alle klimaat­ wetenschappers zeggen dat er serieus iets aan de hand is met ons klimaat. Recent was ik in Bangladesh. Daar vragen politici van links tot rechts zich niet af of klimaatverandering bestaat, maar hoe ze de schade ervan kunnen beperken.” Liesbeth van ­Tongeren, Tweede Kamerlid ­(GroenLinks)

Alle politiek is arbitrair “Politici moeten vooral niet luisteren naar wetenschappers die de waarheid in pacht menen te hebben of – erger nog – de morele waarheid. Het politieke in een samenleving is nodig voor al die kwesties waarin waarheid en moraal tekort schieten. Die kwesties kunnen we beslechten door oorlog te voeren of door de vreedzame strijd te voeren die democratie heet. Doel van de democratie is de instandhouding van pluraliteit, opdat iedere burger zelf het ware, het goede en het schone kan zoeken. Zonder verschil heeft de democratie niet eens zin. Bij consensus verdwijnt de ­politiek. Alle politiek is arbitrair: bij twijfel is handelen geboden. Of de terugtocht, natuurlijk.” Paul Frissen, hoogleraar bestuurskunde en decaan/ bestuursvoorzitter ­Nederlandse School voor Openbaar Bestuur

Handelen op basis van politieke ­overtuiging

Altijd l­uisteren, maar eigen ­afweging maken

“Als wetenschappers het niet met elkaar eens zijn, wordt het voor politici erg moeilijk naar hen te luisteren. Regelmatig blijken bijvoorbeeld economen zeer te verschillen in opvatting over de aanpak van de financiële crisis. Wat kan een politicus dan anders doen dan de opvatting te kiezen die het dichtst staat bij zijn politieke overtuiging? Bovendien, ­wetenschappers kunnen problemen vaak goed analyseren, maar ze hebben zelden een echt recept voor de oplossing. Ik denk dat politici dus vooral moeten luisteren als het gaat om echte informatie: dit is het geval of dit is er aan de hand. Beleid zelf is zelden evidence based en als een wetenschapper zegt dat hij weet hoe het moet, zou ik als politicus heel kritisch luisteren naar het verhaal dat er dan komt.”

“De vraagstelling is niet goed geformuleerd. Politici moeten namelijk te allen tijde naar ­wetenschappers luisteren, maar vervolgens hun eigen politieke en bestuurlijke afweging maken. Als er een ernstige infectieziekte uitbreekt, stellen wij snel een team van wetenschappers samen dat vervolgens het ministerie adviseert over wat er aan de hand is en welke maatregelen men op grond van wetenschappelijke inzichten zou moeten treffen. De minister beslist zelf in hoeverre zij dit advies opvolgt. Wetenschappers kunnen nooit honderd procent zekerheid bieden. Dus moet er gewogen worden, een democratisch proces en dat hoort ook zo. Van belang is dat beide partijen respect hebben voor elkaars verantwoordelijkheden. Wetenschappers moeten geen politieke uitspraken doen. Ze moeten gegevens op een rij zetten en onzekerheden aangeven. De politiek moet niet op eigen houtje wetenschappelijke uitspraken gaan doen, maar zich tot het politiekbestuurlijke proces beperken. Beide partijen moeten hun beperkingen kennen.”

Paul Schnabel, directeur ­Sociaal en Cultureel ­Planbureau (SCP)

Roel Coutinho, directeur ­Centrum Infectieziekte­ bestrijding RIVM en hoogleraar epidemiologie Universiteit Utrecht

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

35


Profiel Auteur Rob Voorwinden

Onderzoeker Laurens Hessels

“ Ik wil weten wat de beste manier is om een Top­ consortium te managen” Eind dit jaar moeten er minstens tien Topconsortia voor Kennis en ­Innovatie (TKI) bestaan. Laurens Hessels van het Rathenau Instituut onderzoekt wat er bij de vorming van die TKI’s valt te leren van bestaande regieorganen op het gebied van wetenschap en innovatie. Het idee is dat een Topconsortium voor Kennis en Innovatie de onder­ zoeksinspanningen van wetenschappers, bedrijven en de overheid concentreert. Er zou bijvoorbeeld een TKI Nanotechnologie kunnen komen, waarin onderzoekers van universiteiten, kennisinstituten en bedrijven de handen ineen slaan. Dat vergroot de kans op innovaties en is goed voor de BV Nederland, vinden politiek en bedrijfsleven. Aangezien het plan zo nieuw is, moet nog uitgevonden worden hoe zo’n TKI er het beste uit kan zien, zegt Laurens Hessels van het Rathenau Instituut. Met name de vraag hoe zo’n consortium aangestuurd moet worden, ligt nog open. “Er zijn, grofweg, twee uitersten denkbaar: of je kiest voor een licht model, waarbij de coördinatie zich beperkt tot het verdelen van onderzoeksfinanciering en iedereen verder zijn eigen gang gaat. Of de keuze valt op een gestructureerde organisatie die intensieve samenwerking tussen onderzoekers bevordert.” Varianten Hessels wil graag weten welk model leidt tot het beste resultaat. Daar­ toe onderzoekt hij op dit moment twee varianten: Advanced ­Chemical Technologies for Sustainability (ACTS), een samenwerking tussen overheid, universiteiten en de chemische industrie. En het Netherlands Genomics Initiative (NGI), een vergelijkbare samenwerking op het gebied van de life sciences. ACTS is losjes opgezet. Hessels: “Met gezamenlijke onderzoeks­ programma’s kunnen onderzoekers meer geld uit het bedrijfsleven ­verzamelen voor onderzoek. Dat geld wordt vervolgens centraal ver­ deeld via open competitie; de onderzoekers gaan daarna zonder veel verdere sturing aan de slag.” Het NGI is meer topdown georganiseerd in de vorm van een aantal onderzoekscentra. “Per centrum is er een landelijk zwaartepunt op één universiteit. Met een directeur die zicht heeft op waarmee de verschil­ lende onderzoekers bezig zijn.” Welk model de voorkeur verdient, durft Hessels nog niet te zeggen. “Elk model heeft voor- en nadelen. Bij een hiërarchisch model hebben directeuren meer ruimte om zelf onderzoekers aan te stellen en met elkaar in contact te brengen, zodat kruisbestuiving kan ontstaan. Een meer open model biedt ruimte aan creatieve onderzoekers, die elk proberen het beste onderzoeksvoorstel te schrijven om geld binnen te halen. Die competitie is goed voor de kwaliteit van het onderzoek: alleen de beste voorstellen worden gehonoreerd.” Het Rathenau Instituut verzorgde afgelopen voorjaar twee workshops voor wetenschappers, bedrijven en beleidsmakers over coördinatie in de topsectoren. “Iedereen heeft het over de financiering van die TKI’s, maar aan de organisatorische invulling is nog niemand toegekomen”, zegt Hessels. “Het is spannend daarover mee te denken.”

36

Φ

Magazine no. 7 juni 2012


Rathenau Nieuws Auteur Rob Voorwinden

Van een app die gedachten kan lezen tot een zelftest voor wetenschappers: het jubileumjaar van het Rathenau Instituut, dat vorig jaar werd gevierd, ging niet ongemerkt voorbij.

Wetenschap dichterbij in jubileumjaar

‘D

ichterbij’ was het thema van het 25-jarig jubileum van het Rathenau Instituut. Want technologie en wetenschap komen steeds dichterbij: dichter bij politiek en beleid, dichter bij de maatschappij en dichter bij de burgers. Technologie nestelt zich in onze privésfeer en wetenschappers besteden steeds meer aandacht aan de bijdrage die de wetenschap kan leveren aan de samenleving. In alle jubileumactiviteiten werd aandacht besteed aan deze trends. Volkskrant-journalist Martijn van Calmthout nodigde tijdens de ‘Valorisatieparade’ wetenschappers uit een voorstel voor een krantenartikel over hun onderzoek te formuleren, en zo te werken aan het verspreiden en maatschappelijk toepasbaar maken van hun kennis. Van Calmthout toetste de voorstellen uit de zaal ter plekke aan journalistieke criteria als ‘actualiteit’ en ‘helderheid’. “Ik heb een boel mensen m ­ oeten teleurstellen, maar dat was ook de bedoeling: je leert het meest van wat niet lukt.”

Borstvoeding Ter gelegenheid van het jubileum verscheen een serie weblogs over intieme technologie: van oktober 2011 tot en met februari 2012 werden daar wekelijks bijdragen op geplaatst over de techniek die ons steeds meer op – en onder – de huid gaat zitten. De onderwerpen varieerden van borstvoeding tot de film Avatar. Voorjaar 2011 waren de weblogs meer dan tienduizend keer gelezen. De documentairezender Holland Doc 24 zond een week lang films uit over de relatie tussen mens en technologie en in samenwerking met nrc.next organiseerde het Rathenau Instituut een wedstrijd ‘Ontwerp je eigen intieme technologie’. Daarbij werden deelnemers uitgedaagd na te denken over welke technologie nèt iets te dichtbij zou komen. De winnaar bedacht een gedachten-lees-app: een programmaatje dat helpt om zichtbaar gedrag te vertalen naar onderliggende gedachten en emoties. In samenwerking met De Jonge Akademie ontwierp het Rathenau Instituut een zelftest voor wetenschappers. Met die test – de ‘Relevantiewijzer’ – kunnen wetenschappers achterhalen in hoeverre ze openstaan voor valorisatie, het verspreiden en toepasbaar maken van wetenschappelijke kennis.

Valorisatie De meeste deelnemers blijken in de categorie ‘liefhebber’ terecht te komen, zegt Petra van Alphen van het Rathenau Instituut. “De mensen die zo’n test invullen staan waarschijnlijk toch al positief ten opzichte van het toepasbaar maken van wetenschappelijke kennis. Toch is het zeker geen slechte uitkomst. Verder is het mooi dat we met deze jubileumactiviteit in contact zijn gekomen met veel individuele onderzoekers, die geïnteresseerd zijn geraakt in valorisatie. Die weten ons nu voortaan goed te vinden.”

Jubileumactiviteiten Ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum ontplooide het Rathenau Instituut de volgende activiteiten: themauitgave Flux, expositie en kalender foto’s Adrie Mouthaan over intieme technologie, startbijeenkomst ExtreemDichtbij, Relevantiewijzer www.rathenau.nl/ relevantiewijzer.html, nrc.next prijsvraag ‘Ontwerp je eigen intieme technologie’, Holland Doc 24 documen­ tairereeks over intieme technologie, weblog intieme technologie, Valorisatieparade, jubileumdiner ‘Kennis is Macht’ over evidence based policy.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

37


Reportage De techniek staat voor niets. Maar daarom hoeft die techniek nog niet altijd high tech te zijn. Soms voldoet low tech prima. Vier voorbeelden van effectieve, slimme en bijzondere, maar simpele techniek. In beeld gebracht met – heel low tech – een wegwerpcamera van het Kruidvat. Auteur Johan Nebbeling

Lekker low tech! 240 zou De roestvrijstalen installatie achterop zijn rode Volvo t dient apparaa het Maar komen. kunnen ken ingskeu uit een instell brandstof een ander doel: het is de vergasser die uit hout de om aan genereert waarop ‘Dutch John’ de auto laat rijden. Gewoon streven te tonen dat het kán. Maar ook als een statement dat zijn naar een meer zelfvoorzie­ nend leven onderstreept. De vriendelijke 48-jarige Brabander die alleen onder het pseudoniem Dutch John in de publiciteit wil, bewoont met zijn echtgenote een oude boerderij. Ze leven er van hun spaargeld en van wat ze verbouwen aan groenten en fruit. Energie wekken ze deels zelf op. “We zijn zelfvoorzie­ behoorlijk nend”, zegt hij. Finland Zijn liefde voor auto’s noemt hij ‘een zwakte’. Maar John zou John niet zijn als hij ook op dit gebied niet zelf­ voorzienend zou willen zijn. Dus toen hij hoorde over rijden op houtgas – vooral in Finland populair – was hij verkocht. “Het idee dat je op zo’n eenvoudige brand­ stof, uit je eigen tuin, kunt rijden, sprak me enorm aan.” onderzoek. “Op internet is aan hij de besteed uren Honderden en opstaan bouwde hij een vallen veel alles te vinden.” Met nders houtgasinstallatie, een apparaat dat de meeste Nederla alleen kennen uit de oorlogsverhalen van hun grootouders. er per En het werkt: zijn oude Volvo haalt makkelijk de 100 kilomet ”, “Kicken weg. er kilomet 100 zo hij tuft uur en op 20 kilo hout CO2 aan vindt hij. Bovendien, bezweert John, onttrekt zijn auto conclusie het milieu. “Ik ben als enige CO2-negatief.” Aan die pas. te rk rekenwe f creatie enig toe, hij komt, geeft

De houtgasauto

Grillig en moeite Een gedoe is het wel, rijden op houtgas. Het kost tijd of brandst als hout En . krijgen te gang op oces dingspr het verbran doet.” je wat weten echt moet “Je . is een grillig product ing ‘Dutch John’ zegt het zelf maar: voor grootschalige toepassdat Maar is rijden op houtgas niks. “De massa kan er niets mee. doet.” is voor mij net de uitdaging: iets doen wat niemand anders

38

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

De verdediging van onze kust vraagt permanente aandacht. Wind, golven en stromingen bedrei­ gen onze stranden, duinen en zeeweringen. En daarmee ons land. Maar die dreigende natuurkrachten kunnen ook worden ingezet om ons te beschermen. Dat is het idee achter de Zandmotor, een kunst­ matig ‘haakvormig’ schiereiland van 128 hectare voor de kust van Scheveningen. Rijkswaterstaat heeft het eiland gemaakt met zand dat tien kilo­ meter uit de kust uit de zeebodem is gehaald. Het eiland is zo aangelegd dat de wind, de golven en de stromingen dit zand in twintig jaar tijd geleidelijk zullen verspreiden over en langs de kust. Experiment Mense­ lijk ingrij­ pen in de vorm van zand­ suppletie (zand storten) is niet meer nodig. De onder­ houdsvrije Zand­ motor doet het allemaal zelf; met hulp van de natuur. Voorlopig nog een experiment, maar uniek in de wereld en waarschijnlijk ook geschikt voor veel andere kust­ gebieden op aarde.

De


De transportstep

Ottilie Mebius, verpleegkundig consulente dermatolo­ gie in het Groningse Martini Ziekenhuis, is er maar wat blij mee: de Esla-transportstep waarmee ze zich door het gebouw verplaatst. Uit hoofde van haar functie is het hele ziekenhuis – 580 bedden, 3.000 medewerkers – haar werkterrein. Dagelijks legt ze grote afstanden af. “En met deze step gaat dat een stuk sneller. Dat mandje is ook handig, daar doe ik mijn papieren in als ik op weg ben naar een patiënt.” Ottilie vroeg de step een half jaar geleden aan nadat ze na een knieoperatie onvoldoende herstelde door het vele lopen. Nu kan ze niet meer zonder haar step. “Ik vind steppen heerlijk en van mijn knie heb ik geen last meer. Wel krijg ik soms spierpijn. Dan moet ik even van been wisselen.” In de lange gangen zet ze er flink de vaart in, op de verpleegafdelingen rijdt ze stapvoets: “Ik wil geen ongelukken maken.”

Lange gangen Het Martini Ziekenhuis beschikt over ruim vijftig transportstepjes. Het ziekenhuis schafte ze aan bij van de nieuwbouw in 2008. De stepjes bewijzen opening de na Gooiker Step Trading in Hengelo uis. goede diensten in de lange gangen van het grote ziekenh gebruiken we vaak bij dermatologie. “Die l. zwachte een van n voorzie stepje haar heeft Ottilie aar.” herkenb Zo is mijn step altijd

Betreed via de draaideur natuurcafé La Porte in Driebergen en je wekt zelf de circa 10 watt elektriciteit op waar mee achter de bar je espresso wordt gemaakt. Een dynamo in de deur genereert de elektric iteit. Het etablissement op het stat ion van Drie­ bergen-Zeist had in 2008 de ‘wereldprimeur’ van de energieopwek­ kende draaideur, een ontwerp van archi­ tect Thomas Rau. “We zijn er trots op”, zegt bedie­ ningsmedewerkster Leonie Koevoets van La Porte. “Vooral in het begin kregen we geregeld mensen uit Japan of Denemarken over de vloer die onze draaideur kwa­ men bekijken.” Inmiddels zijn het personeel en de vaste bezoekers van La Porte aan de draai­deur gewend. Buiten­ lands bezoek meldt zich niet meer; producent Boon uit Edam deze vorm van human powered levert ener meldt het bedrijf dat zijn ener gy nu wereldwijd. Op zijn website bijna 10 miljoen kWh aan ener gieopwekkende deuren in totaal al giebesparing hebben gerealis De deur is oersterk en nog eerd. nooit kapotgegaan. Klachten ? Leonie zou het niet weten. “Alleen oudere bezoekers klagen wel eens: ze vinden de deur een beetje zwaa r draaien.”

De energieopwekkende draaideur

Zandmotor

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

39


Gastcolumn

Tiziana Nespoli Deze column is een bewerking van het winnende blog dat Tiziana Nespoli schreef voor de blogwedstrijd over intieme technologie, die het Rathenau Instituut vorig jaar organiseerde ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan. Zie: www.intiemetechnologie.wordpress.com.

... dan mij aanvankelijk werd beloofd

W

at ik voel doet niet ter zake. Nauwkeurig gedoseerde supplementen en preventieve diagnoses zorgen ervoor dat het met mij goed gaat. Tegen de herfst slik ik een pil om de scherpe kantjes van het leven af te toppen. Tegen de lente schaf ik hem weer af. Ik heb een aardig leven en functioneer in allerlei aspecten naar behoren. Het vreugdevol verloop van mijn leven is opgeslagen in een database. Eens in de maand doe ik een life check-up waarin mijn levensfuncties nauwkeurig worden gemonitord en ik dwingende adviezen krijg over mijn levensstijl. Het is een prachtig systeem dat uitgaat van het recht op geluk en gezondheid.

kleding deden alarmbellen rinkelen bij te geringe lichamelijke activiteit; medicijnen verlichtten elke vorm van geestelijk lijden. En dankzij de verplichte prenatale screening kon desgewenst al vroegtijdig worden overgegaan tot medicalisatie en abortus. Nog belangrijker was de omslag in het denken over het recht op geluk en gezondheid, bewerkstelligd door de propaganda van overheden en bedrijven. Intensieve campagnes onderstreepten de begeerlijk­ heid van goed en gezond burgerschap. Geluk en gezondheid werden de norm, niet langer een recht maar de plicht van elke burger; wie er niet aan voldeed, was een paria. 

Al in de eerste jaren van de vorige eeuw werden de contouren van een dergelijk, goed doordacht ­systeem zichtbaar in zelfhulpgidsen op internet, antirookcampagnes of preventieve tests voor baarmoederhalskanker. Helaas sloegen sommigen alle goede adviezen in de wind. Gelukkig kwam men er telkens meer achter dat de maatschappij hogere eisen stelt aan het eigen functioneren. En dat het voor iedereen beter was dat onaangepast gedrag onmiddellijk gecorrigeerd kon worden met een behandelplan. Eerst nog vrijwillig. Dat werkte natuurlijk niet. De ommekeer kwam toen bleek dat een groot deel van de westerse bevolking zieker was dan gedacht: depressies, allergieën, hart- en vaatziekten en obesitas. Het waren vreselijke tijden. We stevenden af op de ondergang.

Mijn vriend en ik hebben sinds kort een zoon. Uiteraard is hij gezond. We zijn dan ook erg blij met hem. Wel vinden we het jammer dat het kindsysteem nogal wat van onze toch al beperkte tijd opslokt. Vooral nadat de lipase-test in de luier onverwacht een licht verontrustende uitslag gaf. Maar binnenkort komt vernieuwde vetarme babymelk op de markt die daar verbetering in zal brengen. Tot die tijd lijden wij onder de gebroken nachten. We hebben daarom onze dosis melatonine verhoogd om ons bioritme op peil te houden.

De redding kwam van de wetenschap. Die bleef onvermoeibaar doorbraken forceren, grotendeels gefinancierd door de industrie. Home care s­ ystems analyseerden urine in de toiletpot; sensoren in

40

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

Ja, we hebben het goed zo met z’n drieën. Goed, we hebben het druk en nauwelijks tijd voor elkaar. Maar we zijn gelukkig en gezond. Alleen heel af en toe mis ik ons intiem samenzijn. Onze ASIMO is toch wat killer in de omgang dan mij aanvankelijk werd beloofd.


Rathenau kort Auteur Rob Voorwinden

Doe de Technotest Hoe kansrijk of gevaarlijk is nanotech­ nologie? Zou u het willen weten als u een verhoogde genetische aanleg heeft voor kanker? Dat zijn enkele vragen die aan de orde komen in de Technotest, die te maken is op de site van het Rathenau Instituut. Op basis van multiple choice vragen kunt u achterhalen of u ambassadeur bent van nieuwe technologieën of dat u er juist sceptisch of bezorgd tegenover staat. De test is inmiddels ruim 1850 keer ­ingevuld. http://www.rathenau.nl/ technotest.html

politici en andere geïnteresseerden. Driekwart van hen vind Flux zo goed, dat ze zelfs bereid zijn voor het blad te betalen. Een eventuele digitale versie van Flux zou veel minder in de smaak vallen, melden de lezers. 77 Procent van hen is man, de gemiddelde leeftijd van de lezers is 57 jaar.

Dutchscience.org Hoeveel geld gaat er om in de Neder­ landse wetenschap en welke organisa­ ties zijn hierbij betrokken? Wie bepaalt welke onderzoekers of instituten geld ontvangen?

Flux scoort goed Website patiënten­ verhalen

Flux, het relatiemagazine van het Rathenau Instituut, scoort goed bij de lezers, blijkt uit een lezersonderzoek van eind vorig jaar. Ze geven het blad gemiddeld het rapportcijfer 7,9.

Het Rathenau Instituut en het Levens­ verhalenlab van de Universiteit Twente zijn op zoek naar ervaringen van zieken­ huispatiënten of hun familieleden. Patiënten en hun verwanten zien de processen in een ziekenhuis van een heel andere kant dan artsen of verpleegkundigen. Ze hebben daardoor een duidelijk (ander) beeld van de kwaliteit van de zorg. Alleen vertellen ze dat vaak niet aan het ziekenhuis. Dat is een gemiste kans om de kwaliteit van de zorg te verhogen. Om in die situatie verandering te brengen, beginnen het Rathenau Instituut en het Levensverhalenlab van de Universiteit Twente de website patiënten­ wetenbeter.nl. De site nodigt mensen uit om hun positieve en negatieve verhalen over hun ziekenhuisbezoek te delen. De verhalen, die tussen de tweehonderd en tweeduizend woorden lang mogen zijn, worden (anoniem) verwerkt tot een eindrapport met conclusies en aanbevelingen voor de zorgsector.

Vrijwel iedereen die het blad ontvangt leest het minstens een kwartier tot een half uur. Driekwart van de lezers vindt de onderwerpen die Flux behandelt interessant en de artikelen goed leesbaar, van de juiste lengte en met voldoende diepgang. Een reden voor ingrijpende inhou­delijke wijzigingen is er dan ook niet, aldus het onderzoeksbureau Pittige Teksten. Flux verschijnt twee keer per jaar en wordt gratis toegezonden aan wetenschappers, beleidsmakers, bestuurders,

Buitenlandse onderzoekers die het antwoord willen op deze vragen kunnen vanaf juni terecht op de website dutch­ science.org. De site is een Engelstalige versie van denederlandsewetenschap.nl, die een groot aantal feiten en cijfers over het Nederlandse wetenschapssysteem op een rijtje zet. “De feiten en cijfers waren uiteraard al wel openbaar beschikbaar”, zegt Jan van Steen van het Rathenau Instituut. “Maar op de websites staat alles nu overzichtelijk bij elkaar, zodat onderzoekers of andere geïnteresseerden er mee verder kunnen. Bijvoorbeeld om internationale vergelijkingen van wetenschapssystemen te maken.”

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

41


Rathenau kort vervolg Tweede nummer van VolTA Hoe kun je verantwoord innoveren? Dat is een van de centrale vragen in het Europese magazine VolTA over wetenschap, technologie en maatschappij. VolTA is een initiatief van vijftien Europese wetenschappelijke instituten, waaronder het Rathenau Instituut. Het tijdschrift VolTA is te downloaden via de site van het Rathenau Instituut, www.rathenau.nl

Feiten en ­cijfers Nederlandse ­universiteiten Het Rathenau Instituut laat de invloed van wetenschap en technologie op ons dagelijks leven zien en brengt de dynamiek ervan in kaart; door onafhankelijk onderzoek en debat.

Heb je als onderzoeker ervaring met valorisatie, ofwel: kennis geschikt of beschikbaar maken voor maatschappe­ lijke toepassing? Is die ervaring positief of negatief? Blog dan op de site van het Rathenau Instituut mee over dit onderwerp. “We willen de komende tijd gaan bijhouden wat valorisatie in de praktijk betekent voor onderzoekers en anderen die er nauw mee te maken hebben”, zegt Leonie van Drooge van het Rathenau Instituut. “Vragen, ervaringen, ergernissen: deel ze met ons. Geeft niet als je negatieve ervaringen hebt of misschien zelfs boos bent: blijf er in elk geval niet mee zitten.”

“Het Rathenau Instituut is er in 2011 goed in geslaagd op een aantal gebie­ den echt impact te hebben”, schrijft Sander Dekker, voorzitter van het Rathenau Instituut, in het jaarverslag 2011.

Science System Assessment

De Nederlandse universiteiten FEITEN EN CIJFERS 2012

Catherine Chiong Meza

Blog mee over valorisatie

Jaarverslag Rathenau Instituut

Inhoud Inleiding Wettelijk kader Karakterisering van de sector Karakterisering universiteiten Financiën Onderwijs Personeel Onderzoek Wetenschappelijke output Kwaliteitszorg Internationale activiteiten Valorisatie Universitaire Medische Centra

1. Inleiding 1 2 2 3 8 9 11 14 18 21 26 27 29

In het kennislandschap van Nederland vervullen universiteiten drie belangrijke rollen. Ten eerste fungeren zij als opleidingsinstituut voor de hoger opgeleiden van morgen. Vervolgens nemen de universiteiten - samen met de universitaire medische centra en hogescholen - veertig procent van het in Nederland uitgevoerde onderzoek voor hun rekening. Ten derde valoriseren zij de kennis die in dat onderzoek is vergaard en voor vele doeleinden kan worden gebruikt. Het functioneren van de universiteiten staat ook in politiek opzicht flink in de schijnwerpers, zowel binnen Nederland als in Europa. De commissie Veerman constateerde in haar rapport (Differentiëren in drievoud - Advies van de Commissie Toekomstbestendig Hoger Onderwijs Stelsel, april 2010) dat het huidige niveau hoog is, maar dat er veranderingen in het stelsel van hoger onderwijs nodig zijn om het bestendig te maken voor de toekomst. De overheid heeft op het rapport gereageerd met de Strategische Agenda Hoger Onderwijs, Onderzoek en Wetenschap (juli 2011). De boodschap van deze nota is dat het de ambitie is om Nederland toe te rusten voor een positie in de voorhoede van de kenniseconomieën door de ontwikkeling naar een hoger onderwijsstelsel van internationale allure, onderzoek van wereldklasse en versterking van de internationale positie van het bedrijfsleven. Kwaliteitsverbetering, diversiteit, profilering en valorisatie spelen een belangrijke rol in het versterken van de positie van het hoger onderwijs. Ook binnen Europa wordt de belangrijke rol van de universiteiten bij het verwezenlijken van deze ambitie onderkend, mede in de wereldwijde concurrentie tussen economieën (VS, China, en opkomende economieën), maar wordt tegelijk geconstateerd dat de potentie van de hoger onderwijsinstellingen in Europa onderbenut wordt. De Europese Commissie heeft hierover een moderniseringsagenda gepubliceerd (september 2011), gericht op onder andere een vergroting van het aantal afgestudeerden, verbetering van de kwaliteit en relevatie van het hoger onderwijs, het opleiden van meer onderzoekers, het versterken van de banden tussen onderwijs, onderzoek en bedrijven en het zorgen voor een efficiënt bestuur en financiering. Deze feiten en cijfers publicatie geeft tegen de achtergrond van de discussies over het stelsel van hoger onderwijs een overzicht van beschikbare informatie over en prestaties van de Nederlandse universiteiten en universitaire medische centra en hun internationale positie.

Hoeveel miljoenen aan bekostiging ont­ vangen de Nederlandse universiteiten? Hoeveel studenten en personeelsleden hebben deze instellingen, hoeveel promoties vinden er plaats en wat is de positie van de universiteiten op interna­ tionale ranglijsten? Dat – en heel veel meer – is te vinden in een nieuwe aflevering van de ­publica­tie Feiten en Cijfers: de Nederlandse ­Universiteiten van het Rathenau Instituut, die onlangs verschenen is. De publicatie maakt basisinformatie over het Nederlandse wetenschapssysteem inzichtelijk – een van de taken van het ­Rathenau Instituut – en is te down­loaden via de site van het Rathenau Instituut.

“Het boek Nier te koop, baarmoeder te huur heeft bijvoorbeeld geleid tot pittige politieke en maatschappelijke discussies. En het rapport Focus en Massa kwam op een goed moment, toen er in de Tweede Kamer en de ministeries hard werd gewerkt aan een nieuw beleid op het gebied van topsectoren.” Het jaarverslag is te binnenkort te ­downloaden van de site van het ­Rathenau Instituut.

Rijk geeft minder geld uit aan onderzoek De directe uitgaven aan wetenschappe­ lijk onderzoek van het Rijk gaan in de periode 2012-2016 omlaag. Wel stijgen, in de vorm van fiscale maat­ regelen, de indirecte uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek. Dat blijkt uit de cijfers van de ­Totale ­Onderzoek Financiering die het ­Rathenau Instituut dit voorjaar publiceerde. De daling blijkt nog groter dan berekend was na eenzelfde inventarisatie uit 2011. “In de vorige cijfers waren de gevolgen van het Regeerakkoord nog niet volledig doorberekend”, zegt Jan van Steen van het Rathenau Instituut. “Nu is het overzicht compleet.” Het onderzoeksrapport is te downloaden via de site van het Rathenau Instituut: www.rathenau.nl Rathenau Instituut

Tabel 6

9

De geschatte omvang van het onderzoek aan hoger onderwijsinstellingen binnen de Rijksbijdrage, met een vergelijking van het TOF-overzicht 2008-2014 en het TOF-overzicht 2009-2015 (in miljoenen euro’s)

2009

Het geschatte deel aan universitair onderzoek binnen de Rijksbijdrage Het geschatte onderzoeksdeel van de UMC’s binnen de Rijksbijdrage HBO-onderzoek binnen de OCW-begroting Totaal onderzoek hoger onderwijs

2010

2011

oud

nieuw

oud

nieuw

oud

nieuw

1.908,1

2.362,3

1.940,7

2.413,2

1.991,3

2.481,5

97,5

206,3

94,8

200,5

95,7

202,2

--

77,0

--

83,6

--

83,7

2.005,6

2.645,6

2.035,5

2.697,3

2.087,0

2.767,5

Noot: Op basis van een rekenmethodiek wordt een schatting gemaakt van het onderzoeksdeel in de rijksbijdrage voor de universiteiten en eveneens van het onderzoeksdeel in de rijksbijdrage voor de UMC’s. Daarnaast is de OCW-begroting gebruikt voor de berekening van het onderzoek aan de HBO-instellingen.

Rathenau Instituut

Let wel: hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat er meer onderzoek plaatsvindt in het hoger onderwijs; wel dat de onderzoeksuitgaven van de sector beter in kaart worden gebracht.

42

Φ

Magazine no. 7 juni 2012


Colofon Gratis abonnement Blijf op de hoogte van recente ontwikkelingen in wetenschap en maatschappij en abonneer u nu gratis op Flux. Flux is een uitgave van het Rathenau Instituut en verschijnt twee keer per jaar. Stuur een mail met uw naam en adresgegevens naar: flux@rathenau.nl. Redactieadres Postbus 95366 2509 CJ Den Haag Telefoon (070) 342 15 42 E-mail flux@rathenau.nl Hoofdredactie: Marjan Slob Eindredactie: Johan Nebbeling (NB Communicatie) Beeldredactie en productie: Clara Kemper Research en ondersteuning: Claartje Doorenbos Redactie Flux: Wouter Boon, Frans Brom, Rinie van Est, Ingrid Geesink, Barend van der Meulen Tekst: Lotte Asveld, Wouter Boon, Anniek van den Brand, Pieter van den Brand, Claartje Doorenbos, Ingrid Geesink, Arno van ’t Hoog, Liesbeth Jongkind, Frans Meulenberg, Johan Nebbeling, Tiziana Nespoli, Marjan Slob, Amanda Verdonk, Wim van Vierssen, Rob Voorwinden Illustraties: Cover: Judith Driessen; Max Beinema p. 18/43: Yvonne Kroese p. 20 Fotografie: Bob Bronshoff p. 35; Harry Cock pp. 3, 11; Frank van Dam p. 35; ForeverHaunted p. 13; Ruud Jonkers pp. 3, 15, 16, 17, 32; Johan Nebbeling pp. 38, 39; Ineke Oostveen p. 35; Jussi Puikkonen p. 34; Loes Schleedoorn p. 37; Robert Jan Stokman p. 2, 8, 25, 36; GettyImages p. 29; Hollandse Hoogte pp. 12, Image Select p. 18, Internet p. 4, 5, 6, 7, 25, 27, 28, 29, 30, 40, 41; Tinkstock p. 27 Artdirection & lay-out: Max Beinema Graphic Design Druk: Drukkerij Groen, Hoofddorp ISSN: 1 388 – 1605 Dit magazine is gedrukt op papier met het FSC-keurmerk. Alle rechten voorbehouden. Het in deze uitgave aanwezige materiaal mag noch geheel noch gedeeltelijk worden ­gereproduceerd zonder voorafgaande toestemming van het Rathenau Instituut. De in deze uitgave geuite meningen zijn niet noodzakelijkerwijs die van het Rathenau Instituut. Meent u recht te hebben op een vergoeding wegens auteursrechten dan kunt u zich bij de uitgever melden. Meer informatie Kijk op www.rathenau.nl voor het downloaden van rapporten en eerdere uitgaven van Flux Magazine.

Φ

Magazine no. 7 juni 2012

43



Flux 7 - Mijn profiel en ik