Issuu on Google+


Dit boek is uitgegeven door Uitgeverij Uquilair B.V., die actief is op het gebied van spoorwegen en modelspoor en uitgever is van het tijdschrift Rail Magazine. Een opgave van eerdere publicaties staat achterin het boek.

Colofon Basis lay-out: Alex Wouters, Uitgeverij Uquilair B.V. Lay-out en eindrealisatie: Henk de Jager en Arjan Ligtenbarg Omslagontwerp: Rudolf Klomp Zetwerk: Arjan Ligtenbarg, Winterswijk Lithografie: Fra-pant, ’s-Hertogenbosch Druk: D. PROVO PRESS & SERVICE, Vosselaar (B) Eerste druk, © 2002 Uitgeverij Uquilair B.V. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. All rights reserved. No part of this book may be reproduced or utilized in any form or by any means, electronic or mechanical, including photocopying, recording, or by any information storage and retrieval system without prior written permission from the publisher.

Foto voorzijde omslag boven: De Coolsingel, hoek Van Oldenbarnevelt­ straat in Rotterdam, circa 1900. Ansichtkaart, Uitgeverij J.G. Vlieger Tekening voorzijde omslag midden: Een tram met geheel open Winter­ thur­locomotief en de kleine Beijnes­rijtuigen waarmee de RTM de dienst op Rotterdam ­ Delfshaven aanving. Tekening B.P. Koster Foto voorzijde omslag onder: De Koemarkt in Schiedam, circa 1900. Ansichtkaart, Uitgeverij Gebr. Kalse Foto schutblad voorin: In 1851 schilderde Charles Rochussen (1814 ­ 1894) dit paneeltje van 18 x 32 cm. Onder een zwaarbewolkte lucht, in een schraal middagzonnetje, nadert uit Rotterdam over het enkelspoor een breedspoortrein van de HIJSM ­op weg naar Schiedam­ de dub­ bele kraanbrug over de Delfshavensche Schie. Hoewel voor dubbelspoor gebouwd, was slechts één spoor in gebruik. Op de hoge seinpaal of semafoor ­onderdeel van de optische telegraaf waarmee van wachtpost tot wachtpost berichten werden doorgegeven­ zijn de bovenste schijven in verticale stand gedraaid terwijl de onderste twee in horizontale stand rusten. Zo werd de komst van een trein aangekondigd. De wachter met witte vlag in zijn hand, zichtbaar tussen de torens rechts, heeft volgens voorschrift 15 minuten tevoren de brug dichtgedraaid en de ruitvormige seinen aan weerszijden geven aan dat de brug veilig kan wor­ den bereden. In de dienstregeling van 1851 moest deze handeling twaalf keer per dag worden verricht voor de zes treinen in elke richting. Als er geen trein in aantocht was diende de brug open te zijn voor de scheepvaart. Verzameling Het Nederlands Spoorwegmuseum

ISBN 90-71513-44-0 Silhouetten bladzijde 3: Boven een stoomtram uit de beginjaren, met rijtuigen afkomstig van het paardentrambedrijf. Onder een stoomtram uit 1891, nu met een ”gesloten” locomotief, een klein rijtuig (voorzien van stangen) en een Beijnes­rijtuig met middenbalkon. Tekeningen B.P. Koster Foto bladzijde 6: Machinist Teunis van Geelen is gestopt op de wis­ selplaats na de eerste bocht van de Mathenesserdijk om te wachten op de tegenligger uit Schiedam. De loc, ontdaan van de condensor op het dak, voert tussen de heldere koplampen nog het rode licht. Daaronder de slang van de vacuümrem, innig verstrengeld met de slang van de stoomverwar­ ming. Het middenbalkon­rijtuig AB 80 lijkt hier op twee­assige trucks te rusten maar dat is gezichtsbedrog. De uitsteeksels zijn geen aspotten maar de veerhanden van het éénassige draaistel. Najaar 1902. Fotograaf onbekend Tekening bladzijde 8: De dubbele kraanbrug over de Delfshavensche Schie. Uit: Waterbouwkunde XIV-3, 1888 Schutblad achterin: Een selectie van tramkaartjes, gebruikt bij de stoomtram. Verzameling R.G. Klomp Schutblad achterin: Advertenties (Rotterdamsche Tramweg Maat­ schappij): Dagblad van Zuidholland en ’s Gravenhage, 23 april 1892 en (Stoomdrukkerij), De Locomotief, 1 november 1882 Foto achterzijde omslag: Hendrik Ferdinand Guichart (1844­1922). Portret uit 1920 door Floris Arntzenius (1864­1925). Verzameling Museum Stichting RTM Tekening achterzijde omslag: Winterthur­locomotief 1 met de in 1891 aangebrachte houten frontschermen en fabrieksplaat. Tekening B.P. Koster


Inhoud Voorwoord De kraanbrug over de Delfshavensche Schie

1. Wat vooraf ging

7 8

De trein De paardentram De voorgangers van de RTM-stoomtram Ontwikkeling van de stoomtramlocomotief Proefnemingen Proef bij de Haagsche Tramway

9 9 9 10 10 11 11

Proef bij de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij

13

Proef in Haarlem

15

2. Opening van de dienst Verder met de RTM Het rollend materieel in het begin Loc 3 uitgeleend voor wedstrijd Open rijtuigen Hendrik Ferdinand Guichart Directiewisseling Een nieuw eindpunt in Rotterdam Verlenging naar Schiedam Toentertijd: Iets over tijd en ontijd De remise in Delfshaven

3. Meer rollend materieel Nieuwe locomotieven van Winterthur Ook een locomotief van Krauss De Krauss-locomotief van de RTM Uitbreiding van het wagenpark Opening van de dienst naar Schiedam De rijtuigen 76-79 De Haarwerkfabriek Het rijtuig 80 Gesloten goederenwagens 1-3

4. De rijtuigfabriek van Boon in Rijswijk 5. De rijtuigen 81-83 Locomotief 9 De rijtuigen 8 en 15 Samenstelling van de trams

17 17 18 19 19 20 20 21 21 22 24 27 27 27 27 29 31 31 31 35 36

37 41 42 43 43

De tram in de krant

43

Sproeiwagens, sneeuwploegen, lorries en nog een goederenwagen

44

6. De exploitatie

45

Klassenmaatschappij

45

Verwarming

45

Verwarming met azijnzure soda

46

Nieuwe onderstellen

46

Het rijtuig 60

47

Verbetering van de open rijtuigen 57-59

48

Onderhoud van de locomotieven

49

Veranderingen in Delfshaven

53

Exploitatiegegevens locomotieven

54

Verbouwing van locomotief 8

54

Doorgaande remmen

54

Bouw van nieuwe rijtuigbakken door Werkspoor

55

Ook de RTM bouwt een nieuw rijtuig

56

Een nieuw werkterrein

57

Normaalspoor-rijtuigen op smalspoor

57

Het niet verbouwde materieel

58

Arbeiderstreinen

58

Nieuw eindpunt in Schiedam

59

Routekaart

64

7. Het einde van de stoomtram

67

De stoomtram verbannen uit Rotterdam

67

De Rotterdamsche Electrische Tramweg-Maatschappij

74

Natte voeten

74

Onder stroom

75

Overdracht van rollend materieel

75

De stoomtram ter ziele

76

Nieuw leven voor enkele rijtuigen

78

Overige normaalspoor-rijtuigen afgevoerd

80

Nog een lang leven voor twee rijtuigen

81

Gered en toch verloren

84

8. Naschrift Verantwoording

85 87


6


Voorwoord ”Rotterdam heeft geen memorie”. Met deze onthutsende bewering opent W.A. Wagener -een uitspraak aanhalend van Dr. R. Jacobsen, conrector van het Erasmiaans Gymnasium- zijn in 1963 verschenen boek ”RotteRdam onheRRoepelijk”. Voltooid verleden tijd is dan al bijna alles wat hij in dit kostelijke boek beschrijft en laat zien van zijn geboortestad in de 19e en begin 20e eeuw. Wat dan nog niet onder de slopershamer van het naar uitbreiding snakkende Rotterdam was gevallen, of vanwege de tijdgeest verdwenen, werd door het fatale bombardement op 14 mei 1940 weggevaagd. Wagener -opgegroeid in het westen van Rotterdam- kon uit eigen herinnering putten; hij had het allemaal nog zelf meegemaakt! Zijn vroegste belevenis beschrijft hij zo: ”Daar bracht ik, nog geen drie, voor het eerst mijn ouders in ongerustheid toen ik mijn omgeving begon te verkennen. Ik wist zelfs ongedeerd de Nieuwe Binnenweg met de gevaarlijke stoomtram te kruisen, voordat een politieagent mij opving en mij naar het bureau bracht...”. Verderop zingt hij de lof van ”die oude Mathenesserdijk bij De Hooge Boomen, met zijn hagen vol vlinders en glinsterende torretjes, zijn gillend stoomtrammetje beneden, zijn geur van gras, kamille en vlier, zijn immense rust, zijn adeldom als stoere muur die ons voor hoge vloeden beschermde...”. Hoewel nergens expliciet uitweidend over het stedelijke vervoer zet Wagener toch met twee rake streken de stoomtram van Rotterdam naar Schiedam op het doek. In latere publicaties, die helemaal zijn gewijd aan de geschiedenis van de tram in Rotterdam, is deze stoomtram ook niet beeldvullend beschreven. Daarom dit boek; deels ontstaan uit bewondering voor de pioniersgeest waarmee de Rotterdamsche Tramweg-Maatschappij in 1881 in de zich ontwikkelende stedelijke agglomeratie de stoomlocomotief introduceerde als trekkracht voor paardentrams; deels ook uit verwondering over het feit dat de lotgevallen van dit vurige Rotterdamse vervoermiddel van weleer nog niet eerder grondig waren verkend en op schrift gesteld. In het bijzonder is aandacht besteed aan het rollend materieel, waarover nog veel onduidelijkheid bestond. In de bijna veertig jaar, die sinds de verschijning van Wageners boek zijn verstreken, zijn de laatste ooggetuigen die nog zelf met het trammetje hadden gereisd ons ontvallen. Niemand kan nu meer uit eigen beleving vertellen hoe de wagentjes schudden en knarsten als het locomotiefje, zwaar puffend en kwalmend, in Delfshaven de tram door de steile boog van het Lage Erf naar de Havenstraat moest trekken. Om toch dit verhaal te kunnen vertellen is langdurig gespit in oude dagbladen, die welhaast op elke pagina een heldere kijk bieden op het toenmalige leven van alledag. Meer nog dan uit de officiële documenten -die natuurlijk niet zijn veronachtzaamd- komt het trammetje levensecht uit die krantenberichten naar voren. En meestal in ongunstige zin. Talloos zijn de ongelukken -waaronder vele met dodelijke afloop- die worden gemeld. Treffend blijkt dan hoe onwennig de mensen nog stonden tegenover dit nieuwerwetse vervoermiddel dat met een vaartje van toch niet meer dan 15 km/h door de straten raasde! Ook wordt duidelijk hoe snel ons verleden terugwijkt en de persoonlijke herinneringen van een eigen beleving grondig raken uitgewist. Kon, toen ik aan dit verhaal begon, het begin van het stoomtrambedrijf nog -zoveel dichterbij- worden gedateerd in de ”vorige eeuw” en het einde in eerste jaren van de ”lopende eeuw”; thans, bij het verschijnen van dit boek, passen deze aanduidingen niet meer en moeten we al veel afstandelijker spreken van de 19e en 20e eeuw. Kortgeleden hebben we ook afscheid moeten nemen van ons eeuwenlang vertrouwde betaalmiddel. Halfjes, centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes; de munten, waarmee eertijds de tramkaartjes werden betaald, zijn voorgoed verdwenen en wie proeft straks nog de waarde en betekenis ervan nu we alleen nog in euro’s rekenen? In het onderwerp vond ik aanleiding om ook in te gaan op de weinig bekende proeven met de straat- of tramwaylocomotiefjes, die voorafgingen aan de snelle opkomst van de stoomtram in Nederland na 1880. Voorts zijn -al schrijvende- enkele uitweidingen ontstaan over zaken die enig reliëf verlenen aan het hoofdmotief. Bij het totstandbrengen van dit relaas mocht ik de enthousiaste en vanzelfsprekende medewerking van velen ervaren. Aan hen allen zij hier dank gebracht. In het bijzonder gaat mijn erkentelijkheid uit naar de medewerkers van de gemeentelijke archieven van Rotterdam en Schiedam, die met hun behulpzame professionele inzet veel hebben bijgedragen om onbekende gegevens aan het licht te brengen. Niet genoeg te waarderen is voorts de hulp, die ik kreeg van de heren M.C.J. Broos te Roosendaal, B.P. Koster te Maassluis en M. van der Most te Arnhem. Zij hebben met grote vaardigheid gezorgd voor de fraaie tekeningen van sporensituaties, gebouwen en rollend materieel waardoor ook de documentaire waarde van deze geschiedschrijving is verzekerd. Tenslotte hoop ik met dit boek aan Rotterdam een stukje ”memorie” te hebben teruggegeven. Duiven, januari 2002

Mr. R.G. Klomp 7



Met de stoomtram van Coolsingel naar Koemarkt