Page 1

yourstory wat de game betekent voor de verhalen van jongeren

Afstudeeronderzoek Femmeke Riezebosch 2014


Drommen mensen gaan voorbij Hun dromen liggen op de straat Weggewaaid als oude kranten Waar geen zinnig woord in staat Losse woorden losse flarden Sporen van vervlogen hoop Scherven van gebroken harten Als in een caleidoscoop Vertel mij het verhaal Dat alles samenbindt Vertel mij het verhaal Dat liefde overwint Vertel mij het verhaal En welke rol ik speel En maak mij heel Hou van me hou van me In hemelsnaam Hou van me Is de rode draad verdwenen Ergens in de duisternis Waarom vragen naar de reden Als er toch geen antwoord is Als de zin blijft weggeborgen In een afgrond leeg en zwart Laat ons dansen tot de morgen Tot het licht wordt in ons hart Niets is er meer waar Alles is teveel Waar is het verhaal Wat is daarin mijn deel Vertel mij het verhaal Dat alles samenbindt Vertel mij het verhaal Dat liefde overwint Vertel mij het verhaal En welke rol ik speel En maak mij heel Hou van me hou van me In hemelsnaam Hou van me - Rikkert Zuiderveld


VOORWOORD

Onderwijskunde kan zo nu en dan best saai zijn. Begrijp me niet verkeerd, het wetenschappelijk onderzoeksgebied is erg interessant, maar wanneer de verworven inzichten toegepast moeten worden in de school komt er vaak behoorlijk wat bureaucratische rompslomp, gerammel aan vastgeroeste systemen en gewoontes, verandermanagement en een confrontatie met de grenzen van tijd en geld aan te pas. Een uitdaging of een moodkiller, de lezer mag kiezen. Voor mij was het in ieder geval de reden op zoek te gaan naar een afstudeerproject wat niet direct binnen de muren van een schoolgebouw uitgevoerd wordt. Een project waarin innovatie niet geremd wordt door een log systeem. "Dat kan niet" is een zinnetje wat ik Johan ter Beek nooit heb horen zeggen. Met een goed idee kan heel veel. Johans ideeĂŤn bleken behoorlijk goed in elkaar te zitten en worden ongeveer rond de publicatiedatum van dit onderzoeksrapport voor het eerst uitgevoerd, binnen een school nog wel. Het was geweldig mijn onderzoek rond dit project van Beeqgamification te richten. Elk onderwerp wat met het spel YourStory te maken had was ongewoon vernieuwend en relevant. Het literatuuronderzoek maakte mijn kijk op de werkelijkheid gedetailleerder en leerde me die vooral meer te verwoorden. Ik vond het inspirerend om een kijkje te nemen in de keuken van een innovator en ook te zien hoe iemand zijn goed beargumenteerde levensvisie behoorlijk radicaal in de praktijk brengt. Niet minder waardevol was het proces dat mij van fladderend studentje een semiserieuze onderzoeker maakte. Ik heb mijn grootste angst met betrekking tot mijn studieloopbaan overwonnen; mijn angst voor een afstudeeronderzoek. Hiervoor ben ik mijn afstudeerbegeleider Jan Marten Praamsma erg dankbaar, hij heeft me met veel geduld voor mijn terugkerende paniek geleerd hoe onderzoek doen werkt en me vakkundig door het proces heen geloodst. Ik hoop dat Johan gediend is met dit onderzoek en dat het ook andere onderzoekers naar dit onderwerp of geĂŻnteresseerden tot nut zal zijn.


Inhoud Voorwoord..................................................................................................................................2 Inleiding ......................................................................................................................................5

WAT IS DE THEORIE ACHTER YOURSTORY, EN HOE SLUIT DIE AAN BIJ DE WERKELIJKHEID?

In theorie ....................................................................................................................................8 Samenvatting ..............................................................................................................................9 Narratieve theologie................................................................................................................ 10 Het verhaal van Wright ........................................................................................................... 12 Het verhaal voor seculiere leerlingen...................................................................................... 18 Monastieke leefregel ............................................................................................................... 20 Gamification ............................................................................................................................ 27

WELK EFFECT MOET EEN TESTINSTRUMENT VOOR YOURSTORY METEN?

Samenvatting ........................................................................................................................... 32 Richting onderzoek .................................................................................................................. 33 Welk beoogd effect moet de test meten? .............................................................................. 33 Welke andere verhalen zijn er en in welk verhaal zitten leerlingen waarschijnlijk nu? ......... 34 Het verhaal van Campbell ....................................................................................................... 34 Anti-verhaal ............................................................................................................................. 39 Het verhaal van generatie Y jongeren ..................................................................................... 41 Representativiteit midi-verhaal volgens Motivaction ............................................................. 43


Conclusie ................................................................................................................................. 47

HOE ZIET EEN TESTINSTRUMENT OM HET EFFECT VAN YOURSTORY TE METEN ERUIT?

Samenvatting ........................................................................................................................... 49 Aan welke voorwaarden moet de test voldoen? .................................................................... 50 Het ontwerpproces.................................................................................................................. 50 YourStory Test 1.0 ................................................................................................................... 52 Testcontrole aanpak ................................................................................................................ 53 Bevindingen testcontrole ........................................................................................................ 54 Conclusies: door te voeren wijzigingen ................................................................................... 54 Hoe kan deze test worden gebruikt? ...................................................................................... 58 Conclusie ................................................................................................................................. 59 Discussie .................................................................................................................................. 60 Bibliografie............................................................................................................................... 62


INLEIDING

Ergens in een land hier ver, ver vandaan woonde eens een eenvoudige leraar. Elke dag stapte hij op zijn fiets, trapte naar de school, en vertelde zijn studenten wat ze moesten weten. Elke dag stapte hij op zijn fiets, trapte terug naar huis en verdween daar in zijn studeerkamer tussen de boeken. Altijd op zoek naar nieuwe lessen die hij zijn leerlingen kon leren, hij was een ijverig man snap je. Zo ging het dag in dag uit, voor wel tientallen jaren. Tot hij op een zekere dag een bijzonder boek vond. Het lag tussen wat paperassen op zijn schrijftafel, een raadsel hoe het daar terecht gekomen was. Het was dik en zwaar, en oogde belangrijk. De kaft voelde stijf bij het openen, zijn ogen haakten aan de zinnen... ....pas dagen later werd de eenvoudige leraar weer gezien. Wat er in die dagen is gebeurd weet niemand. Men weet alleen dat de leraar niet meer dezelfde was. Na zijn lessen fietste hij niet naar huis, hij racete, om zo snel mogelijk bij een haastig op bol.com bestelde toren boeken over gamification te zijn. Met een boek in de ene en zijn telefoon in de andere hand sprak hij met programmeurs, softwareontwikkelaars, creatieve breinen, kerken, journalisten en maatschappelijke organisaties. Hij rende van hot naar her met steeds dat ene vreemde woord op zijn lippen. YourStory. Trouwens, een nieuwsgierige sprookjesverteller heeft recent een glimp op weten te vangen van het raadselachtige boek. Hij kon net de naam van de schrijver ontrafelen. N.T. Wright ofzoiets. Nouja, wat dat voor snoeshaan moet wezen?

Dit onderzoek gaat over verhalen. Sprookjes, mythes, religieuze verhalen, verhalen die je vertelt over jezelf of over de wereld. Het "narratieve" is een uitdrukking die de laatste jaren veel terugkomt, in marketing, in theologie en zelfs in de psychologie (Ganzevoort, 2011). Verhalen geven betekenis en verbinden mensen in een dialoog. Een groot liefhebber van verhalen is Johan ter Beek. Hij is eigenaar van het bedrijf Beeqgamification en ontwierp het spel YourStory. Zoals de naam al doet vermoeden heeft ook dit spel iets te maken met verhalen. Het spel heeft de structuur van een platform met zeven verschillende maatschappelijke en levenbeschouwelijke gebieden. Maatschappelijke organisaties, overheden, kerken, scholen en bedrijven kunnen missies toevoegen aan elk gebied. De spelers die kunnen variĂŤren van bovenbouwleerlingen tot volwassenen wereldwijd voeren de missies uit en zijn op die manier bezig met karakterbuilding. Ter Beek is behalve gamebouwer ook theoloog en godsdienstleraar. Hij wil zijn spel gaan gebruiken binnen de lessen levensbeschouwing op het Griftlandcollege in Soest waar hij werkt. Het spel gaat gespeeld worden door leerlingen uit de bovenbouw van de HAVO en het VWO. Het doel is in dit geval de identiteitsontwikkeling van de leerlingen.

Waarom is dit spel een interessant onderwerp voor een onderzoek? Binnen het onderwijs is men altijd op zoek naar vernieuwing. Vernieuwingen die anticiperen op veranderingen in generaties, de maatschappij of de politiek. Maar ook vernieuwingen


gebaseerd op nieuwe ontdekkingen in het onderzoek naar de meest effectieve methoden van leren. Een onderzoeksgebied wat betrekkelijk nieuw is en zijn weg naar de onderwijspraktijk nog nauwelijks heeft gevonden is 'gamification'; het toevoegen van gameelementen aan de werkelijkheid. Gamification kan mensen stimuleren extreem te presteren en brengen tot effectieve samenwerking. De techniek is ook toepasbaar op het onderwijs (simpelweg het toevoegen van game-elementen in de onderwijspraktijk). Het spelen van een 'serious game' is in potentie het ultieme activerende leren. Toch is er nog weinig ervaring met gamification in het onderwijs, YourStory is als casus dus zeer interessant. Voor het maken van het spel YourStory is Ter Beek erg geĂŻnspireerd door de theoloog N.T. Wright. Deze theoloog publiceert pas sinds de jaren negentig, is vrij progessief en is actief betrokken bij de 'third quest for the historical Jesus'. Zijn onderzoek wordt gezien als baanbrekend. Binnen het godsdienstonderwijs is er altijd de vraag naar in hoeverre je niet gelovige leerlingen de christelijke theologie al dan niet wervend kunt voorschotelen zonder dat je het gevaar loopt misbruik te maken van je machtspositie als docent. De ideeĂŤn van Wright hebben de potentie interessant nieuw licht op deze zaak te werpen, aangezien hij uitgaat van de narratieve aanpak. Een aanpak die zich nauwelijks richt op waarheid versus leugen maar op verhalen die in dialoog met elkaar zijn.

Welk onderzoek is er al gedaan? Ter Beek is al langer dan een jaar bezig met het ontwikkelen van de game. Op dit moment is de game technisch gezien af, maar nog niet gelanceerd. Het onderzoek wat al naar YourStory is gedaan is een onderzoek van twee studenten Godsdienst Pastoraal Werk aan de Christelijke Hogeschool Ede in 20131. Zij voerden een pilot uit waarin zij onderzochten of YourStory geschikt is om gebruikt te worden voor discipelschapstraining. Ter Beek zelf heeft vanzelfsprekend ook veel onderzoek gedaan, en hier vooral over geschreven in blogs op zijn website. Er is echter nog geen officieel document verschenen waarin hij de theorie achter YourStory blootlegt. Ook is er nog geen onderzoek gedaan naar de effecten van het spel aangezien het nog maar net bestaat.

Welk onderzoek is nog nodig? Ter Beek wil erg graag weten of zijn spel effect heeft. Hier zal mijn onderzoek zich dan ook op richten. Aangezien het spel rond de publicatiedatum pas gelanceerd wordt is de looptijd van dit onderzoek te vroeg om een echte pilot te kunnen draaien met het spel zelf en een begin- en eindmeting uit te voeren. Daarom richt ik me op het ontwerpen van een

1

http://www.beeqgamification.com/wp-content/uploads/2013/03/Afstudeerproject-MaaikeMirjam.pdf


testinstrument. Ter Beek zelf of een vervolgonderzoeker kan dit instrument gebruiken om een effectmeting uit te voeren. Om dit testinstrument goed te kunnen ontwerpen heb ik een groot deel van mijn onderzoek besteed aan het in kaart brengen van de theorie achter YourStory. Een volgende onderzoeker zal dit niet meer hoeven doen en kan zich direct en dus intensiever richten op het onderzoek naar YourStory in de praktijk. Ik richt me vooral op YourStory voor leerlingen tussen de 14 en 18 jaar. Dit is de doelgroep die Ter Beek het spel voor het eerst gaat laten spelen en die het meest relevant is voor de onderwijscontext. Om een effect van een spel over worldview te kunnen meten is het belangrijk te weten hoe de worldview van jongeren er nu uit ziet en op welke manier dit verschilt van hoe Johan zou willen dat hun worldview er na het spelen van YourStory uit zou zien. Ook op deze vraag heb ik in mijn onderzoek geprobeerd antwoorden te vinden.

Hoe is dit onderzoeksverslag opgebouwd? Dit verslag bestaat uit drie delen. In het eerste deel doe ik verslag van het literatuuronderzoek naar de achtergrond van YourStory. Ik beantwoord de vraag "Wat is de theorie achter YourStory en hoe sluit die aan bij de werkelijkheid?". Ter Beek spreekt over "het verhaal waar je een rol in speelt" en dit verhaal diep ik uit. In het tweede deel zoom ik in op de worldview van de doelgroep. Ik inventariseer welke verhalen er zijn waar leerlingen in kunnen leven, en welke van die verhalen onder jongeren het meest vertegenwoordigd is. Dat verhaal vergelijk ik met het "grote verhaal" van Ter Beek. Ik beantwoord in dit deel de vraag "Welk effect moet een testinstrument voor YourStory meten?" Het derde deel doet verslag van het ontwerpproces van het testinstrument. Ik verantwoord de keuzes die ik tijdens dat proces gemaakt heb en doe verslag van het onderzoek in de praktijk. De vraag die ik daarbij beantwoord is "Hoe ziet een testinstrument om het effect van YourStory te meten eruit?" Elk deel van dit verslag begint met een samenvatting waarin de lezer een overzicht krijgt van de onderwerpen die in het deel aan de orde komen.


IN THEORIE WAT IS DE THEORIE ACHTER YOURSTORY EN HOE SLUIT DIE AAN BIJ DE WERKELIJKHEID?


SAMENVATTING YourStory, jouw verhaal. In eerste instantie een vreemde naam voor een spel dat draait om identiteitsontwikkeling. Wat heeft een verhaal met persoonsvorming te maken? In het denken van Ter Beek draait alles om het verhaal. Het grote verhaal. Ter Beek is narratief theoloog. Een manier van theologie bedrijven die in deze postmoderne cultuur aan populariteit wint. Deze aanpak legt de nadruk op de verhalende structuur van de Bijbel, religie en zelfs de maatschappij. Door het vertellen van verhalen kun je greep krijgen op de werkelijkheid, op een totaal andere manier dan de natuurwetenschap dat doet. Op een minder technische en meer betekenisgevende manier. Een van de bekendste narratief theologen is Nicholas Thomas Wright. Hij is de grootste inspiratiebron van Ter Beek. Een groot deel van zijn theologie neemt Ter Beek een op een over. Wright laat in zijn boeken zien wat het ‘grote verhaal’ is van de Bijbel, een verhaal over een ritme van verbanning uit en terugkeer naar het beloofde land. Het beloofde land is een land van creatie, het omliggende gebied waarin men in ballingschap leeft is een land van destructie. De terugreis naar het land van creatie, dat Jezus het ‘koninkrijk’ noemt, uit zich in een bepaalde levensstijl. Christenen van alle eeuwen zijn op allerlei manieren bezig met deze reis. Ter Beek heeft zich vooral verdiept in de manier waarop de monastieke tradities dat deden. Deze tradities leefden vaak volgens een leefregel. Na studie van deze leefwijzen schreef Ter Beek zijn eigen regel. Die behelst zeven gebieden. De gebieden die ook terugkomen in YourStory. Het grote verhaal van de wereld is niet alleen een verhaal voor religieuzen. Iedereen speelt een rol in het verhaal. Iedereen heeft ook een notie van hoe het verhaal ongeveer gaat. Mensen hebben ergens het gevoel in ballingschap te zijn en weten onbewust hoe die terugreis naar het koninkrijk er ongeveer uit ziet. Ter Beek gelooft dat wanneer leerlingen oefenen met de regels die bij (de reis naar) het koninkrijk horen ze meer gaan ontdekken wat het verhaal is, en welke rol ze willen spelen. Ze kunnen bewust kiezen om bij het land van creatie te horen, en creators te worden. Echt mens. Dit is volgens hem identiteitsontwikkeling. Dat oefenen gaat volgens Ter Beek het best door middel van een game. Ter Beek gelooft dat interactie tussen mensen het beste op een spelende manier vorm krijgt, omdat in spel de meeste ruimte is voor creativiteit. Onderzoek naar games leidde tot kennis over technieken en principes die mensen het meest kunnen motiveren (zelfs tot verslavend aan toe). Ter Beek probeert deze technieken en principes in zijn game YourStory toe te passen.

“EEN VERHAAL HEEFT VELE ETHISCHE UITWERKINGEN, HET KAN ONS ONTMASKEREN, CONFRONTEREN MET DE ANDER, WIJZEN OP ONZE BEPERKINGEN OF GEWOONWEG BEMOEDIGEN. HET KARAKTER ONTVANGT ZIJN STABILITEIT EN EENHEID DOOR MIDDEL VAN HET VERHAAL. WE VINDEN EN VORMEN ONZE IDENTITEIT DOOR MIDDEL VAN VERHALEN.” (NULLENS)


NARRATIEVE THEOLOGIE

Ruard Ganzevoort legt in zijn artikel “Narratieve benaderingen in de praktische theologie” uit wat Narratieve theologie precies is: “Narratieve theologie is een benadering binnen alle theologische disciplines die nadruk legt op de verhalende structuur van de Bijbel, de geschiedenis en de hedendaagse religie.” (Ganzevoort, 2011)

Alles is een verhaal De narratieve aanpak richt zich niet alleen op geschreven verhalen, en zeker niet alleen op filosofie en theologie. Behalve het schrift kan ook het menselijk handelen worden gelezen als tekst. De handelingen vormen een verhaal. “Handelingen bestaan uit de betekenisvolle communicatie van een auteur met een publiek.” (Ganzevoort, 2011) Net zoals bij een tekst kan een toeschouwer onafhankelijk van de auteur en de oorspronkelijke situatie de handelingen naar eigen inzicht interpreteren. Ganzevoort heeft het hier over alle mogelijk denkbare handelingen. Ter Beek legt ook het verband met rituelen. Hij ziet de dagelijkse ritmes als ontwaken, drie keer eten met tussendoor werken en slapen als rituelen vol symboliek. Ook deze rituelen vertellen een verhaal.

Verhaalstructuur De narratieve aanpak beweegt weg van “kennis als de directe representatie van een objectieve externe werkelijkheid en zien kennis, discours en handeling als sociale constructies, interpretaties van de wereld en het zelf waarmee we proberen betekenis te zien in die werkelijkheid terwijl we ons tegelijkertijd verbinden met anderen die het ‘publiek’ van onze verhalen vormen.” (Ganzevoort, 2011) Een verhaal is op een bepaalde manier opgebouwd. Er zit veel tussen de historische werkelijkheid en het verhaal wat erover verteld wordt. De verteller kan gebruik maken van structureren, perspectieven, een bepaalde toon en een rolverdeling. Hij structureert fictionele of werkelijke gebeurtenissen in een tijdsverloop, kiest een perspectief waar vanuit hij vertelt, hij kiest een toon, grappig of agressief, en deelt personages uit het verhaal rollen toe. De zielepoot, de held of de wijze. Door dit rangschikken van elementen uit de werkelijkheid ontstaan patronen van causaliteit, wenselijkheid, ontwikkeling en betekenis. De verteller legt uit wat de oorzaak is van gebeurtenissen en hoe ze elkaar beïnvloeden, wat wenselijk is en welke betekenis de gebeurtenissen hebben. Een verhaal heeft altijd een publiek. Het is niet een opzichzelfstaande weergave van gebeurtenissen maar een deel van een dialoog. De verteller wil een relatie met zijn publiek tot stand brengen, onderhouden, veranderen of beëindigen. Wanneer je een verhaal bestudeert wil je niet weten wat de feiten zijn die genoemd worden in het verhaal, maar wat de verteller wil bereiken bij zijn publiek. Wat wil de verteller bereiken met het juist zo vertellen van juist dit verhaal? Scheppen “In een narratieve benadering gelden verhalen niet als representatief maar als performatief” (Ganzevoort, 2011). Door het rangschikken wat aan verhalen vertellen te pas komt is een verhaal geen representatie van de werkelijkheid. De verhalenverteller drukt een stempel op de werkelijkheid. Door te rangschikken interpreteert hij hoe de werkelijkheid in elkaar zit. Daarmee creëert hij een werkelijkheid. Creatie, een van de favoriete woorden van Ter Beek.


Identiteit Ook psychologie en didactiek kun je op een narratieve wijze benaderen. Bijvoorbeeld als het gaat om identiteitsontwikkeling. Net als dat het menselijk handelen geïnterpreteerd kan worden als een verhaal kan ook identiteit gezien worden als narratieve structuur. Wanneer iemand reflecteert beschrijft hij zijn identiteit. Deze beschrijving is een verhaal dat iemand over zichzelf vertelt. In de woorden van Ganzevoort: “Identiteit is niet een wezenskenmerk dat ontdekt moet worden, maar het verhaal dat iemand over zichzelf vertelt voor een bepaald publiek.” (Ganzevoort, 2011) Patrick Nullens baseert zich op Stanley Hauerwas als hij hierover schrijft: “Een verhaal heeft vele ethische uitwerkingen, het kan ons ontmaskeren, confronteren met de ander, wijzen op onze beperkingen of gewoonweg bemoedigen. Het karakter ontvangt zijn stabiliteit en eenheid door middel van het verhaal. We vinden en vormen onze identiteit door middel van verhalen.” (Nullens, 2006) Het doel van Ter Beek met YourStory voor zijn leerlingen is identiteitsontwikkeling. Dit is wat Ter Beek bedoelt met identiteitsontwikkeling. Leerlingen leren een verhaal te vertellen over hoe de wereld in elkaar zit en wat hun rol daarin is. Dit leren ze onder andere door zich in het gebied ‘YourStory’ te verdiepen in andere spirituele verhalen. Gemeenschap Waar de modernistische manieren van denken een volk als het Nederlandse strikt in zuilen verdeelde en het liberale postmoderne denken de gemeenschap verstrooide en maakte tot los ronddwarrelende individuen, is de narratieve aanpak weer op zoek naar verbinding. Verhalen worden verteld in tradities en vormen een dialoog. Nullens citeert Hauerwas, die zegt: “Het beleven van het verhaal is geen individuele aangelegenheid. Zij die leven vanuit het verhaal van Jezus creëren een nieuwe gemeenschap (a story formed community). Het verhaal bindt mensen samen en schenkt een gemeenschappelijke oriëntatie. (…) Het gaat dus om een voortdurende wisselwerking, een gesprek waarbij men de eigen verhalen identificeert met de Bijbelse verhalen.”

Narratieve aanpak en postmodernisme De klassieke, modernistische manier om de werkelijkheid te interpreteren is de logischparadigmatische. Deze is overtuigend door argumenten en waarheid. Hij overstijgt het plaatsgebondene en individuele en doet absolute en algemene uitspraken. De narratieve aanpak heeft een andere overtuigingskracht namelijk de gelijkenis met het leven zelf. Deze aanpak lokaliseert de ervaring in tijd en plaats en focust op het individuele. In een postmoderne tijd waarin mensen uitgaan van persoonlijke ervaring en weinig meer kunnen met een algemene waarheid waar zij zich aan moeten conformeren spreekt de narratieve aanpak erg aan. In tegenstelling tot wat de individualistische liberale theologie doet richt de narratieve theologie zich op de gemeenschap. De verhalen, de traditie en daarmee de dialoog staan centraal. Dit past goed bij de post-postmoderne trend om zich weer te organiseren in en committeren aan communities.


HET VERHAAL VAN WRIGHT

“Unlocking the Bibles grand narrative” is de ondertitel van een boek van Tom Wright. Wright is een narratief theoloog die heeft geprobeerd het grote verhaal van de Bijbel te vertellen. Niet het verhaal van losse versjes in losse hoofdstukjes, maar het grote samenhangende verhaal van de wereld en haar schepper. Waarom de narratieve aanpak? Waarom Wright zo aangetrokken is tot de narratieve benadering beschrijft hij in zijn boek ‘eenvoudig christelijk’: "Het menselijk brein, inclusief geest, voorstellingsvermogen, geheugen, wil, persoonlijkheid en de duizend andere dingen waaraan wij denken als onderscheiden mogelijkheden maar die allemaal op hun eigen manier samenhangen als functies van dat brein en zijn relatie tot de rest van ons leven, onze persoonlijke identiteit is enorm complex. We zouden moeten verwachten dat de rest van de wereld en onze relatie ermee ten minste zo complex is als wij zijn. Als er een God is, moesten we verwachten dat zo'n wezen weer ten minste net zo complex is." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 52) "We eren en vieren onze complexiteit en onze eenvoud door continu vijf dingen te doen. We vertellen verhalen. We voeren rituelen uit. We scheppen schoonheid. We werken in gemeenschappen. We denken onze geloofsovertuigingen. (...) Op talloze manieren, klein en groot, bestaan onze hoogst gecompliceerde levens uit het samenspel van deze dingen. De diverse elementen van het leven knopen ze allemaal samen in een altijd veranderd caleidoscopisch patroon. (...) Binnen die complexiteit moeten we voorzichtig zijn met hoe we het woord 'waarheid' gebruiken." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 53) Wright zegt wel dat er iets als waarheid is. Dit wordt vooral duidelijk bij de belangrijke gebeurtenissen in het leven: "Het moment van geboorte; het moment van sterven; de vreugde van liefde; de ontdekking van roeping; de aanvang van levensbedreigende ziekte; de overweldigende pijn en woede die ons soms onderuithalen. Op zulke momenten verzamelen zich al de veelvuldige gecompliceerdheden van ons mens-zijn tot één groot uitroepteken, of één groot vraagteken, een vreugdekreet of een schreeuw van pijn. (...) Plotseling lijkt de rijke harmonie van ons genetisch pakket unisono te zingen, en hartstochtelijk te zeggen: Dit is het." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 53) "En het lijkt mij (…) dat dit iets, dat zoveel uitmaakt, een diepere en ander soort 'waarheid' is. Wat meer is, als het een ander soort waarheid is, kunnen we verwachten dat we een ander soort kennis nodig hebben om het te vatten." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 52)


Wat is het grote verhaal van de Bijbel dan? “GA UIT UW LAND EN UIT UW MAAGSCHAP EN UIT UWS VADERS HUIS NAAR HET LAND, DAT IK U WIJZEN ZAL. IK ZAL U TOT EEN GROOT VOLK MAKEN, EN U ZEGENEN, EN UW NAAM GROOT MAKEN, EN GIJ ZULT TOT EEN ZEGEN ZIJN. IK ZAL ZEGENEN WIE U ZEGENEN, EN WIE U VERVLOEKT ZAL IK VERVLOEKEN, EN MET U ZULLEN ALLE GESLACHTEN DES AARDBODEMS GEZEGEND WORDEN.” GEN 12: 2,3 NBG

Het verhaal wat Wright uit de Bijbel filtert als 'grote verhaal van de wereld' neemt Ter Beek over. Hij vertelt een versimpelde versie na in het boekje Baboesjka, en een nog kortere samenvatting in het eerste hoofdstuk van 'Heerlijk eenvoudig', het boekje waarin hij zijn ‘monastieke’ leefregel beschrijft. Het hoofdstuk noemt hij 'de verteller'. In het spel heet het gebied YourStory. Geheel trouw aan de narratieve aanpak zal Ter Beek, in dialoog als hij is met de verhalen van Wright, zijn eigen elementen toegevoegd hebben aan zijn navertelling.

Tekening van de zoon van Ter Beek. “Wij staan op deze weg: de weg tussen schepping en herschepping, tussen opstanding en de eeuwigheid.” (Beek, 2012) Hij begint met het verhaal van de verloren zoon. Dat verhaal gaat volgens Ter Beek over broers, een erfenis, over weggaan, over een ver land, verlies, vergeving en thuiskomst. In de Bijbel staan veel meer verhalen over die onderwerpen, vooral in het boek genesis. De verhalen draaien om vaders, zonen, broers, erfenissen en familie. (Beek, Heerlijk eenvoudig, 2011, p. 19)


Vergelijk het verhaal van de verloren zoon met het verhaal van Jakob en Esau. Ook hier twee broers die strijden om de gunst van hun vader en de erfenis. De jongste broer die vertrekt naar een ver land, na een lange reis weer thuiskomt en zich verzoent met zijn broer. Of een nog ouder verhaal, het verhaal van Kain en Abel. Weer twee broers die strijden om de gunst van hun ‘vader’. Kain die vertrekt naar een ver land. Het grote verhaal van de Bijbel is volgens Ter Beek een ritme van ballingschap uit en terugreis naar het beloofde land. Hij vertelt het verhaal als narratief theoloog het liefst na als spannend verhaal. In dit document past een schematische versie beter: Adam en Eva wonen in Gods goede schepping, de tuin, het eerste beloofde land. Ze houden zich niet aan een wet en moeten in ballingschap. (Engelen bewaken de weg terug naar de levensboom.) Iedereen leeft in ballingschap. Er zijn twee soorten mensen; de landbouwers/imperialisten en de herders. De landbouwers vestigen zich en vergroten hun macht door cultivering, de herders reizen rond als gasten van de aarde. Waar die twee elkaar ontmoeten legt de herder het altijd af tegen de macht van de stedenbouwer. Een herder, Abram, wordt geroepen een volk te vormen en terug te keren naar het beloofde land. God wil door Abram zijn nakomelingen zegenen en door het volk de rest van de wereld. (gen 12:2,3) In dat beloofde land noemt God het volk zijn zoon en krijgen ze een wet die Israël leert hoe het beloofde land een beloofd land blijft. Het volk Israël komt toch weer in ballingschap terecht. (Oorzaak: overtreden van de wet en zelf imperiale macht nastreven. Maar ook: de imperiale macht van Nebukadnessar en Babylon is te sterk.) God roept een nieuwe herder als zoon, namelijk Jezus. Deze zoon identificeert zich met Israël. Hij is hun vertegenwoordiger. Hij gaat veertig dagen in de woestijn net als Israël veertig jaar in de woestijn was. Hij laat zich dopen in de Jordaan zoals Israël door de Jordaan ging naar het beloofde land. Deze herder geeft weer een wet aan Israël die duidelijk maakt hoe het beloofde land eruit ziet, namelijk de zaligsprekingen. “Gelukkig zijn de nomaden, de herders die niet streven naar de macht van de landbouwer-stedenbouwerimperiumbouwer.” (Beek, Heerlijk eenvoudig, 2011, p. 27) Zij worden namelijk gezegend door God. Jezus leeft die wet na. Tot in perfectie, ook deze herder legt het af tegen imperiale macht en komt in de ballingschap van de dood. Als vertegenwoordiger van Israël. Jezus komt terug uit de ballingschap van de dood in het leven. (Engelen bewaken de weg naar het graf.) Hiermee wordt duidelijk dat God inderdaad de nederigen/barmhartigen/vredestichters zegent. Als vertegenwoordiger van Israël is ook het volk gered. Iedereen mag zich aansluiten bij dit volk van herders, en God zal door dit volk de hele wereld zegenen (gen 12:2,3). Om deze thuiskomst uit de ballingschap te vieren stelde Jezus het avondmaal in, het feest wat oorspronkelijk de bevrijding uit de ballingschap van Egypte symboliseerde.

Nieuwe schepping en Brian McLaren Het verhaal van Ter Beek heeft als metafoor ‘de reis’. Een ander centraal woord in het grote verhaal van de wereld is ‘schepping’. Net als Ter Beek heeft ook Brian McLaren een verhaal geschreven gebaseerd op het grote verhaal, in het boek ‘The story we find ourselves in’ (McLaren, 2008). McLaren baseert zich daarbij ook op de theologie van Wright. In dit verhaal


wordt de rol van ‘schepping’ duidelijker. Het verhaal van Ter Beek uit het boekje ‘Heerlijk eenvoudig’ laat nog open hoe die toekomstplannen (de wereld die gezegend wordt door God door middel van het vernieuwde volk rond Jezus) er precies uit zien. Het scheppingverhaal van McLaren gaat hier dieper op in. Het verhaal begint met de schepping. Eerst was er God. Hij was aan het zijn. Toen verzon hij het concept ‘scheppen’ en ging dat uitvoeren. Scheppen doe je vanuit een idee, een bedoeling. Chaos is zonder patroon, zonder idee en bedoeling. God schept orde in de chaos, een proces dat voort blijft duren. Het proces is na Adam en Eva niet op pauze gezet om pas bij de “wederkomst” weer voortgezet te worden, maar is continu gaande op allerlei manieren, hierna genoemd. God schept mensen met het doel om te relateren aan hem en de rest van de schepping. Net als God zijn ook mensen scheppende wezens. De intellectuele en technologische ontwikkeling ging echter sneller dan de morele ontwikkeling. Mensen werden meer onafhankelijk van God en verloren hun connectie met God. Daardoor scheidde de mens zich af van Gods verhaal. Het verhaal van goedheid en leven wisselde hij in voor een verhaal van competitie en conflict. Van scheppende wezens naar wezens gefocust op vernietiging en chaos. Concreet leidt dit tot vernietiging van het milieu, onderdrukken van anderen, etnische scheidingen, inhaligheid, etc. Het antieke Joodse beeld van de wereld is niet dualistisch maar monistisch. Het bovennatuurlijke en natuurlijke zijn geen twee verschillende werelden (zoals bijvoorbeeld bij Plato). Het verval van de schepping leidde tot een chaotische wereld met conflict. Dit betekent niet dat het goede verdween uit de wereld (want waar zou het heen gegaan moeten zijn?) maar dat het goede in het gedrang kwam. McLaren noemt dit een crisis. In het volgende gedeelte vertelt McLaren hoe Abraham geroepen werd om een zegen te zijn voor de volken, om het “crisis response team” te joinen. Net als in het verhaal van Ter Beek. Ook hij benadrukt de daaropvolgende cirkelbeweging van afdwalen/ballingschap, berouw en terugkeren, die in de hele joodse geschiedenis terug komt. Tot zover had het volk wanneer de cirkelbeweging bij het punt ‘berouw’ was altijd een politieke ‘verlosser’ gekend. Een Mozes, een richter of een David. Die liet nu op zich wachten en daar ging het volk op verschillende manieren mee om. De tollenaars, zoals ze in de Bijbel genoemd werden, gaven de hoop voor een Messias op en gingen samenwerken met de vijand. De Zeloten probeerden zichzelf te verlossen door zelf te vechten. De Farizeeën veronderstelden dat ze nog te zondig waren waardoor God hen geen Messias stuurde, ze probeerden de wet nog beter te onderhouden. De Essenen ontvluchtten de samenleving en trokken zich terug in de woestijn. Dan komt Jezus om die cirkel te doorbreken. Hij kondigt geen politieke maar een spirituele revolutie aan. Een revolutie van geweldloosheid, compassie en zelfopoffering. Deze revolutie bereikt zijn hoogtepunt in de volledige zelfopoffering en het volkomen lijden aan het kruis en in zijn dood. Dan blijkt dat deze revolutie sterker is dan vernietiging en chaos, competitie en conflict. Hij staat weer op. Verlossend lijden absorbeert geweld. Na Jezus ‘vertrek’ stuurt hij zijn Geest. Die helpt het volk om deel te worden van de missie, het eerder genoemde ‘crisis response team’. Een groep die de wereld ingezonden wordt om vrede, liefde, vreugde, hoop en geloof te brengen. Om weer te scheppen. Om mee te helpen de nieuwe schepping waar te maken. “The church is a community of people who are


learning to live the way everyone will live in the future.” (McLaren, 2008, p. 150) In Ter Beeks woorden: “De kerk is een voorproefje van die volmaakte nieuwe schepping. De kerk en het leven van een christen mag een proefabonnement zijn op die nieuwe wereld.” (Beek, Waarom hemels leven op aarde begint, 2011)

Laatste episode Het verhaal is dus nog niet af. De laatste episode moet nog komen. Om uit te leggen hoe dit in elkaar zit haalt Ter Beek in een blog een voorbeeld aan van Wright. “De theoloog N.T. Wright vertelt het volgende verhaal: stel dat er een onbekende symfonie van Beethoven wordt gevonden die nooit is afgemaakt. Er zijn slechts vier van de vijf delen gevonden. Hoe zou het vijfde deel hebben geklonken? Zou het heel nieuwe muziek zijn, met nieuwe thema’s? Een enorme stijlbreuk met de voorgaande vier delen? Zeker niet! Als een deskundige de opdracht zou krijgen deel vijf te schrijven dan zou hij zich een jaar opsluiten met de eerste vier delen en het overige werk van Beethoven. Hij zou de thema’s opnieuw terug laten komen, maar op een nieuwe manier. Wij leven in deel vijf van het verhaal van God en deze wereld. Adam, de val, de verkiezing van Israël en de komst van de Messias zijn de eerste vier delen. De vroege kerk en het schrijven van het Nieuwe Testament is de opening van deel vijf. Als we willen weten waartoe we hier op aarde zijn en wat een onze missie is als kerk, dan moeten we intensief leven met de eerste vier delen en het begin van deel vijf. In de geschiedenis van de kerk en het christendom zijn er veel melodieën en thema’s te horen die dissonant zijn met de voorgaande vier delen. Als een volgeling van Jezus echter gaat improviseren op basis van de vier voorgaande delen dan ontstaat er echt leven zoals God dat heeft bedoeld. (…) Onze lifestyle vloeit voor uit verbinding met het grote verhaal.” (Beek, Waarom hemels leven op aarde begint, 2011) Echt mens zijn “Echt leven zoals God dat heeft bedoeld”. Ter Beek refereert hier aan wat Wright zegt over ‘echt mens zijn’. Dit is het doel van mensen die leven in de laatste episode van het verhaal, echt mens worden. Dit ‘echt mens zijn’ is wat Ter Beek voor ogen heeft met identiteitsontwikkeling voor zijn leerlingen. Waar Ter Beek vertelde over het beloofde land en het land van ballingschap spreekt ook Wright over twee werelden. De nieuwe wereld en de huidige. De nieuwe schepping is met Jezus gekomen. Hij vergelijkt die met de hemel. Deze hemel is niet boven de aarde, maar ligt in de toekomst. Vanuit die nieuwe schepping roept Jezus ons hem te volgen naar Gods nieuwe wereld. De nieuwe wereld waar we werkelijk mens kunnen zijn, écht mens. De roep van Jezus is te vergelijken met een wegwijzer: “Het is de stem van Jezus die ons roept hem te volgen naar Gods nieuwe wereld, de wereld waarin de aanwijzingen, wegwijzers en echo's van de huidige wereld veranderen in de werkelijkheid van de komende." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 193) In de nieuwe wereld zijn, een nieuwe schepping zijn, weer een mens zijn naar Gods beeld, en dus, echt mens. “Omdat je gemaakt bent naar Gods beeld maakt verering je meer werkelijk mens. Wanneer je in liefde en dankbaarheid opziet naar de God naar wiens beeld je werd gemaakt, groei je inderdaad. Je ontdekt meer van wat het betekent om volledig te leven.” (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 133)


Hoe kun je die roep van Jezus volgen? Hoe kun je meer echt mens zijn en hoe ziet een echt mens er concreet uit? Elk mens hoort vaag in de verte Jezus’ stem als een echo, daarover later meer, maar hij wordt heel duidelijk en helder in de Bergrede. Daarin laat Jezus zien hoe er geleefd wordt in het koninkrijk, de nieuwe schepping. Het is een lange lijst van ‘regels’ die volgens Wright moeten worden opgevat “als wegwijzers naar een manier van leven waarin hemel en aarde overlappen, waarin Gods toekomst het heden binnenbreekt, waarin we ontdekken hoe echte menselijkheid eruitziet en voelt in de praktijk." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 193) Concreet gaat het daarbij om karakter. “En ook niet zomaar een willekeurig soort karakter, maar een heel specifiek soort: het soort dat Jezus ons voorhield en voordeed - het karakter dat bestaat uit geduld, nederigheid, en bovenal een overvloedige, zichzelf opofferende liefde." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 63) "Jezus zegt (...): 'Nu ik hier ben, betekent het (de bergrede) de geboorte van Gods nieuwe wereld; en wie dat eenmaal beseft, zal zien dat dit de gewoonten van het hart zijn waarmee je hier en nu op die nieuwe wereld kunt anticiperen.' (...) Deze gedragregels zijn de tekens van het leven, de taal van het leven, het leven van de nieuwe schepping, het leven van het nieuwe verbond, het leven dat Jezus met zich mee brengt." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 126) Een echt mens is iemand met de bergrede in zijn karakter.

Wat is de invloed van de rol die wij spelen in dit verhaal? Heeft de manier waarop wij leven invloed op in welke mate of in welke tijd de laatste episode van het verhaal (het nieuwe koninkrijk) aanbreekt, en hoe? Anders geformuleerd: wat is precies de invloed van de ‘rol’ die wij spelen in het verhaal? Ter Beek zegt op zijn blog: “De mens mag nu in Jezus’ stijl participeren in het verlossende werk van God om deze wereld te herscheppen.” Hij lijkt te zeggen dat dat participeren een significante invloed heeft: “God wil koning zijn over heel de schepping en Hij is bezig deze wereld te transformeren. Daartoe gebruikt Hij zijn volk, de alternatieve mensheid rondom Jezus, de Messias, die het ware, transformerende verhaal kent: Jezus volgen, een alternatieve mensheid vormen en participeren in het verhaal van God: de transformatie van de wereld.” (Beek, 2012) Wij hebben dus ‘invloed’ maar toch was het verhaal nog niet af. Hoe zit dat? Ter Beek zegt: “De komende eeuw is reeds begonnen terwijl de oude eeuw nog doorgaat.” (Beek, 2012) In een discussie over zijn boek Baboesjka zegt hij: “Met Wright zeg ik dat ALLE profetie en apocalyptische woorden van Jezus hun vervulling en doorgang hebben gevonden binnen de Bijbelhistorische horizon. Baboesjka mist dus geen eschatologie, het IS in zijn geheel eschatologie.” (het eerder genoemde ‘voortdurende scheppen’) “Er is nieuwe schepping. Gods Koninkrijk is er reeds. Wij hoeven ‘slechts’ onze plaats te vinden in het Bijbelse verhaal.”


Dit is lastig te begrijpen, net als het traditionele probleem van het “reeds, maar nog niet”. Ik interpreteer het samengevat als volgt. De nieuwe schepping is al gekomen en het kwaad is al overwonnen. Het nieuwe koninkrijk is dus al werkelijk. Jezusvolgers kunnen meedoen met het koninkrijk. Meespélen, om een favoriet concept van Ter Beek toe te voegen. Meescheppen. "Als wij onze plaats vinden in Gods verhaal dan doen we mee aan schepping." (Beek, Heerlijk eenvoudig, p. 55)

HET VERHAAL VOOR SECULIERE LEERLINGEN Alle mensen vertellen verhalen. Altijd al. Joseph Campbell legt in zijn boek ‘The hero with a thousand faces’ uit dat alle mythes, sprookjes, religieuze verhalen en legendes in essentie hetzelfde zijn, dezelfde verhaalstructuur hebben. Nog steeds heeft elke Hollywood film precies dezelfde opbouw. Ter Beek en Wright geloven eigenlijk dat dit gemeenschappelijke verhaal waar is. En dat de versie ervan die ook in details het meest juist is, het joodschristelijke verhaal is. Het vorige hoofdstuk roept de vraag op hoe Ter Beek het voor zich ziet dat niet christelijke leerlingen gaan ontdekken dat zij een rol spelen in het ‘grote verhaal’ zoals verwoord door Wright. Maar misschien hoeven ze het verhaal niet zo goed te kennen als een christelijk persoon het kent. Misschien is het genoeg om te verwachten dat het verhaal van de wereld het verhaal is van een Hollywood film, of welke specifieke verhalen leerlingen dan ook vertellen. Op zijn minst komen ze via die verhalen het grote verhaal op het spoor. Dat is precies wat Wright denkt. Hij gelooft dat elk mens de echo hoort van een stem. “De ongrijpbare maar suggestieve klank van iemand die spreekt net om de hoek, buiten zicht." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 9) Deze stem spreekt over vier onderwerpen. - het verlangen naar gerechtigheid - de zoektocht naar spiritualiteit - de honger naar relaties - de vreugde in schoonheid Zelf besteedde hij het grootste deel van zijn leven aan de studie van Jezus, en die studie duwde hem in de richting van deze vier thema’s. Maar niet alleen hij werd die richting opgeduwd. In de cultuur ziet hij hetzelfde gebeuren. "En op dat punt ontdekte ik dat de zaken waar mijn studie van Jezus me heen wezen - de echo's van een stem - ook behoren tot de zaken waar de postmoderne, postchristelijke, en nu steeds meer postseculiere wereld niet aan kan ontsnappen als vragen, vreemde richtingwijzers die over het landschap van onze hedendaagse cultuur heen het onbekende in wijzen." (Wright, Eenvoudig christelijk, 2007, p. 11) De stem uit het vorige hoofdstuk die concreet werd in de Bergrede hoort elk mens dus vaag als een echo. Deze stem roept iedereen in dezelfde richting. Namelijk, de richting van de vier eerder genoemde thema’s. Iedereen wil gerechtigheid, iedereen heeft een neiging naar spiritueel leven, iedereen wil goede relaties en iedereen vindt vreugde in schoonheid.


Toch zijn deze vier thema’s allemaal vreselijk bezoedeld. Mensen voeren oorlog, spiritualiteit werd in de verlichting ridicuul gemaakt, relaties gaan kapot en mensen verdrinken in een weergaloos mooie zee. Deze tegenstelling is ook iets wat iedereen continu ervaart. Men voelt de drang tot de vier thema’s, maar is niet in staat ze te verwerkelijken. Hier kan ook de verbinding gelegd worden met Ter Beeks verhaal over ballingschap uit het beloofde land. De echo’s die ik ook onafgebroken hoor heb ik zelf altijd ‘heimwee naar het paradijs’ genoemd. Iets wat diep in ons zit, in onze genen, een herinnering van onze ziel naar een tijd waarin we waren zoals we hadden moeten zijn, een tijd waarin we echt mens waren. Alle mensen zijn in ballingschap, en beseffen dat op een bepaalde manier ook. Alle mensen willen naar het beloofde land, wat een Miss America ‘worldpeace’ zou noemen, of Frodo ‘the shire’. Rob Bell is een theoloog die Ter Beek niet zozeer inspireert (daarvoor steunen zijn denkbeelden te weinig op origineel onderzoek) als wel zijn gedachten verwoordt. Ook hij is geïnspireerd door Wright. Over wat Wright de echo van een stem noemt zegt Bell in zijn filmpje ‘rhytm’: "When I think of God, I hear a song. It's a song that moves me, and it has a melody and it has a groove. It has a certain rhythm. And people have heard this song for thousands and thousands of years across continents and cultures and time periods. People have heard this song and they found it captivating; and they've wanted to hear more. Now there have always been people who say there is no song and who deny the music, but the song keeps playing." (Bell) Ook Bell zegt dus dat iedereen de stem hoort. Maar daar blijft het niet bij. Volgens Bell is het een lied wat iedereen zingt. De vraag is niet óf je zingt maar of je in de juiste toonsoort zingt. Met ‘in de juiste toonsoort zingen’ bedoelt hij wat Wright bedoelt met ‘echt mens zijn’. Jezus heeft laten zien welke toonsoort dat is: “He came to show us reality at its most raw. He came to show us how things are. I mean Jesus is like God and taking on flesh and blood, and so in his generosity and in his compassion, that’s what God’s like. In his telling of the truth that’s what God’s like. In his love and forgiveness and sacrifice that’s what God’s like. That’s who God is. That’s how the song goes. (…) God is generous. So when I’m selfish and stingy and I refuse to give, I’m essentially out of tune with the song. Later, in one of John’s letters, he says that God is love; unrestrained, unconditional love. So when you see somebody sacrifice themselves for another, for the wellbeing of somebody else, it’s like they’re playing in the right key. That’s why it’s so inspiring and powerful; they’re in tune with the song." (Bell) Maar ook zonder dat je heel erg veel weet over Jezus kun je in de juiste toonsoort zingen, in andere woorden, ook zonder dat je heel erg veel weet over Jezus kun je ‘echt mens’ worden: “I mean there are people who talk as if they know everything about being a Christian, and yet they can seem way out of tune. And then there are others who would say they don’t know much at all about the Christian faith and yet they can seem very in tune with the song. I met lots of people who struggle with what it means to have a relationship with God, but they haven’t lost faith and love and hope and truth and compassion and justice and generosity. (…) And an infinite massive kind of invisible God, that’s hard to get our minds around; but truth, love, grace, mercy, justice, compassion, the way that Jesus lived, I can see that. I can understand that. I can relate to that. I can play that song.


So may you come to see that the song is written on your heart, and as you live in tune with the song, in tune with the creator of universe. May you realize that you are in relationship with the living God.”

MONASTIEKE LEEFREGEL Tot zover hebben we ontdekt dat de narratieve aanpak een manier is van theologie bedrijven die aansluit bij de postmoderne cultuur. Wright heeft het grote verhaal van de Bijbel verwoord en dat verhaal heeft Ter Beek grotendeels overgenomen. Dit verhaal is niet alleen een verhaal voor christenen maar een verhaal voor iedereen. We leven in de laatste episode van het verhaal, en dat betekent dat we echt mens kunnen worden, dat we kunnen leven zoals in de komende wereld iedereen leeft. Om met Wright te spreken: “een begin maken om in het hier en nu de gewoonten van hart en leven in praktijk te brengen die overeenkomen met hoe de dingen in Gods koninkrijk eruit zien.” (Wright, Goed leven, 2012, p. 124) Maar hoe doe je dat dan precies? Om dat te weten te komen is Ter Beek diep in de kerkgeschiedenis gedoken. Hij heeft voornamelijk een studie gemaakt van de monastieke tradities. Deze tradities hebben meestal een leefregel opgesteld waarin ze beschrijven hoe het christelijke leven eruit zou moeten zien. Ter Beek heeft uit deze tradities zeven eigen regels gefilterd. Dit zijn ook de gebieden waarop je kunt trainen bij YourStory. Naam in de game YourStory YourTribe YourRhytm YourLife YourSoul YourPassion YourWorld

Betekenis Levensbeschouwing Gemeenschap Ritme Aarde en voedsel Spiritualiteit Compassie Sociale gerechtigheid

Ter Beek is voornamelijk geïnspireerd door Benedictus en de schrijvers die op Benedictus voortbouwen. Door de gemeenschap Renovare, opgericht door Richard Foster en door Shane Claiborne. Ook door vele anderen, maar de verschillende tradities kennen veel overlap en bouwen op elkaar voort. In grote lijnen gaat het om dezelfde onderwerpen. Ter Beek heeft de zeven onderwerpen elk omschreven in het boekje ‘heerlijk eenvoudig’. De eerste ‘YourStory’, in het hoofdstuk ‘de verteller’ is al beschreven in de vorige hoofdstukken. De volgende zes licht ik hier kort toe. De doelgroep van het boekje is christelijk en de verschillende gebieden worden dus vanuit christelijk perspectief beschreven. Na elke omschrijving maak ik de koppeling met een seculier publiek.

YourTribe - Gemeenschap Ter Beek begint bij het onderwerp gemeenschap weer bij het verhaal van Wright. Doordat Wright heel erg redeneert vanuit het Joodse denken ligt er in zijn theologie de nadruk op een meer collectivistische manier van geloven. Het verhaal gaat met betrekking tot dit onderwerp als volgt. Babel probeert een eenheid te worden door een machtig bouwwerk te


maken. Israel wordt een eenheid door het doen van recht en door het naleven van Gods wet. Behalve de wetten die gaan over recht doen en het zorgen voor de zwakken waren er ook wetten die de scheiding bevorderden tussen Israël en de omringende volken. De reden daarvan is volgens Ter Beek omdat de Griekse machten een programma van hellenisering loslieten op overwonnen volken. Jezus probeert die scheidingswetten om te draaien. De wetten over recht gelden nog en worden zelfs radicaler, maar de wetten die een scheiding brengen schaft hij af. Op die manier kan nu iedereen bij het volk van God horen. Het volk waar de wet wordt nageleefd, een volk dat één is. Dit nieuwe volk noemt Ter Beek een familie met een nieuwe identiteit. De broers en zussen dienen elkaar, houden van elkaar en zorgen voor elkaar. Wanneer ze zwak zijn steunen ze op de zorg of het geloof van de anderen. Diversiteit en naastenliefde zijn belangrijk. Concreet is dat volk verdeeld in allerlei kleine volkjes, allerlei verschillende gemeentes. Ook leerlingen vormen volkjes, gemeenschappen of tribes. Ook zij vinden de groepen waar ze deel van uit maken zoals familie en vrienden belangrijk. Ze besteden veel tijd en energie aan hun tribe. Ze helpen elkaar en steunen op elkaar. Dit is onderdeel van ‘echt mens’ zijn en daarom een gebied waarop de leerlingen moeten trainen. Leerlingen moeten wel verder kijken dan hun eigen tribe, en ontdekken dat het 'volk' groter is dan hun eigen 'stam'. Diversiteit is niet voor niets een van de kernbegrippen. Over de verhouding tussen de tribes en het 'grote volk' schrijft Shane Claiborne in het boek 'hoe Jezus de wereld op zijn kop zet' het volgende: "Geweld is altijd geworteld in een kortzichtig begrip van gemeenschap, of het nu gaat om nationalisme of om straatbendes. We hebben een diepe behoefte aan mensen waarmee we samen kunnen vechten, rouwen en feestvieren. Bij mij in de buurt hebben kinderen het over hun 'fam', waarmee ze de mensen in hun groepje bedoelen, voor wie ze door het vuur zouden gaan. Graffitischilderingen en oorlogsmonumenten helpen ons herinneren aan onze stamgenoten die er niet meer zijn. Martin Luther King ervoer deze kortzichtigheid in zowel de getto's als de Vietnamoorlog en droomde van de dag dat ons blikveld breder zou zijn dan alleen onze 'fam' of ons land: “We zijn gebonden aan geloften van trouw die breder en dieper zijn dan nationalisme... Deze roep om een wereldwijd bondgenootschap dat de zorg voor onze naaste uittilt boven onze stam, ras, klasse en natie, is in feite een roep om een allesomvattende en onvoorwaardelijke liefde voor iedereen.'" (Claiborne, 2009)

YourRhytm - Ritme God heeft ritme in de wereld gebracht. Al in de schepping maakt hij een ritme van dag en nacht, zomer en winter. Aan dit ritme van jaren, seizoenen en dagen ontlenen wij onze vakanties en feesten. Onze feesten hebben een symbolische lading, ze vertellen ons wie we zijn, waarom we leven en wat we mogen doen. Dit ritme hebben we nodig om plaats te geven aan al onze ervaringen. Ervaringen van vreugde, bevrijding, nieuw leven en liefde. Maar ook ervaringen van dood, pijn, verlies en gevangenschap. (Beek, Heerlijk eenvoudig, pp. 43-49) Deze ideeën over dat alles een plaats heeft in de tijd komen van Benedictus. Zijn ideeën komen verderop uitvoeriger aan bod. Anselm Grün is ook geïnspireerd door Benedictus en werkt zijn lessen over ritme en rituelen heel concreet uit. In zijn boek 'leven met hart en ziel' beschrijft hij persoonlijke rituelen. Hij volgt de loop van het jaar, de seizoenen, de maanden, de verschillende levensfasen (van jeugd tot ouderdom) en de jaarfeesten zoals advent, kerst


en pasen. Bij alle gelegenheden benadrukt hij de diepere symboliek en geeft hij voorbeelden van mogelijke rituelen voor je dagelijkse leven. Volgens Ter Beek zijn deze rituelen met hun symboliek erg belangrijk. Hij noemt in een gesprek een voorbeeld van een ritueel bij het naar bed gaan. Wanneer je de deken over je heen trekt, stel je dan voor dat de deken de hand van God is die deze nacht op je rust.

YourLife - Aarde en voedsel Het huidige dominante verhaal van deze wereld is dat van de consumptiemaatschappij. Volgens Ter Beek moeten we terug naar Gods verhaal en dat is het verhaal van de schepping. De laatste episode van het grote verhaal van de wereld betekent niet dat alle mensen verlost worden uit de aarde en naar de hemel gebracht worden, maar dat de aarde herschapen wordt. Het gebied aarde en voedsel focust hierop. "We leven van de schepping en zijn samen een nieuwe schepping, en dat vieren we met elkaar bij de maaltijd." Die maaltijd is een feestje, maar moet je wel goed doen. Het is belangrijk om mee te gaan met het ritme dat God in de schepping heeft gelegd. Eet bijvoorbeeld in de winter de dingen die groeien in de winter, en in de zomer wat groeit in de zomer. Het is niet goed voor de aarde (en dus destructief) om sinaasappels uit Brazilië te laten overvliegen. Je steunt de schepping (creatief) om voedsel te consumeren wat direct in jouw buurt groeit. Meescheppen betekent ook dat je zorgt voor het klimaat. Je kunt bewust omgaan met hoeveel energie je verbruikt, wel of niet op vliegvakantie gaan, meewerken aan natuurbeheer.

YourSoul - Spiritualiteit Spiritualiteit heeft in eerste instantie nog helemaal niets met bovennatuurlijke dingen te maken volgens Ter Beek. “Een spiritueel mens ziet de hele werkelijkheid door het oog van de Schepper en wordt mede-schepper. Een niet-spiritueel mens is niet per definitie iemand die zegt ‘niet gelovig te zijn’, maar iemand die wil verwoesten, doden, degenereren.” Ter Beek citeert bijna letterlijk een regel uit het filmpje van Rob Bell, over hoe je als schepper in tune bent met Gods spirituele lied. Spiritualiteit is volgens Ter Beek non-dualistisch. De hemel is niet een andere plek, maar een andere dimensie van de hele werkelijkheid. Om die andere dimensie te kunnen vatten heb je vooral je verbeelding nodig. Je kunt God niet letterlijk zien en vaak ook niet voelen, maar je kunt je verbeelding en creativiteit zo prikkelen dat je het voor je ziet. Niet alleen God kun je zien met de ogen van je geloof, je kunt je ook een verbeelding maken van de wereld en hoe die eruit zou moeten zien, van de mens zoals God die bedoeld zou moeten hebben, van gerechtigheid. “We moeten een nieuwe wereld kunnen schilderen om er vervolgens aan te kunnen werken.” Er zijn een aantal manieren die je helpen om je verbeelding te kunnen gebruiken. Belangrijk is om de verbeelding te prikkelen en tegelijkertijd onbehulpzame prikkels te verminderen. Manieren om de verbeelding te prikkelen zijn schilderen, het bewonderen van beeldende kunst, genieten van muziek, je huis op een mooie creatieve manier inrichten, of op ontdekkingsreis gaan in de natuur. Andere prikkels kun je verminderen door meer bewust gebruik te maken van internet en telefoons en meer tijd te nemen voor gebed, stilte of gesprekken. Je kunt af en toe naar een klooster gaan, meditatieve liederen zingen, de hoeveelheid uptempo/prikkelliederen verminderen en regelmatig tien minuten letterlijk stil zijn. Ook het bidden van liturgische gebeden op vaste tijden op een dag brengt rust.


Door alle prikkels uit de wereld te verminderen en door je vervolgens zelf een ‘goed leven’ voor te stellen kun je in kleine stapjes steeds meer mede-schepper zijn. (Beek, Heerlijk eenvoudig, 2011)

YourPassion - Compassie Het grote verhaal gaat om een terugreis naar het beloofde land, een terugreis naar het koninkrijk der hemelen. Ter Beek legt in het hoofdstuk ‘het kind’ uit wat hij bedoelt met hemel en hel. Hij bedoelt niet dat de hel en de hemel twee aparte plekken zijn weg van deze wereld. Het koninkrijk der hemelen is een hemels koninkrijk op aarde. Als Jezus zegt dat het koninkrijk bijna gekomen is denken de discipelen dat Jezus nu eindelijk de macht gaat grijpen in Jeruzalem. Ze reizen richting Jeruzalem en terwijl ze dat doen gebeuren er allerlei dingen waardoor Jezus duidelijk maakt dat hij het over een ander koninkrijk heeft. Geen imperiale macht, maar het koninkrijk van de herders. Een van de dingen die gebeuren is dat Jezus de kinderen uitnodigt om bij hem te komen. Dit is een andere metafoor voor het karakter van het koninkrijk: ‘het kind’. Een kind probeert geen macht te krijgen en staat onderaan de maatschappelijke ladder. Het kind legt het net als de herder altijd af tegen macht. Wanneer Jezus het heeft over wie er bij het koninkrijk der hemelen mogen horen noemt hij hen die omkijken naar de onaanzienlijken, de vreemdelingen, naakten, zieken en gevangenen. Hen die onderaan de maatschappelijke ladder staan. Het kind. Jezus identificeert zich in dezelfde tekst met die onaanzienlijken. Dit koninkrijk breekt niet pas over vijftig, honderd, of duizend jaar aan, maar is er nu. Door om te zien naar het kind hoor je bij het koninkrijk. Jezus kun je ontmoeten door het kind te ontmoeten. Het beloofde land is op de plek waar mensen omzien naar het kind. Je kunt in elk mens dat je tegenkomt het kind ontmoeten. Dat besef leidt tot een ontvankelijke en gastvrije houding. Kook voor anderen, bezoek eenzamen en gevangenen, geef hulp. Een van Ter Beeks inspirators die dat heel letterlijk heeft gedaan is Claiborne. Hij schrijft in ‘Hoe jezus de wereld op zijn kop zet’: “Op een avond zei mijn vriend Chris tegen me: ‘Ik heb Moeder Theresa gelezen.’ Meteen voelde ik de bui al hangen. Hij vervolgde: ‘Ze zegt dat we de armen niet kunnen begrijpen voordat we leren begrijpen hoe het is om arm te zijn. Dus vannacht gaan we op straat slapen.’” Claiborne en zijn vrienden gaan de straat op en hij schrijft indrukwekkende verhalen over de mensen die hij daar ontmoet. Bijvoorbeeld: “We ontmoetten zelfs een klein meisje van zeven dat dakloos was en we vroegen haar wat ze later als ze groot was wilde worden. Na een bedachtzame stilte antwoordde ze: ‘Ik wil de baas zijn van een groentewinkel.’ We vroegen haar waarom en ze zei: ‘Zodat ik eten kan uitdelen aan iedereen die honger heeft.’ Moeder Teresa zei altijd: ‘In de arme ontmoeten we Jezus in zijn meest verontrustende vermomming.’ Nu wist ik wat ze bedoelde.” (Claiborne, 2009) Later ging Claiborne stagelopen bij Moeder Teresa zelf en omschreef zijn ervaringen zo: “Als ik stervenden in de ogen keek, voelde het alsof ik God ontmoette. Het was alsof ik het allerheiligste in de tempel betrad – gewijd, mystiek. Het voelde alsof ik mijn schoenen uit moest doen. Ik begreep wat Dorothy Day bedoelde toen ze zei: ‘De echte atheïst is degene die Gods beeld niet ziet in de “minsten van dezen.’” Hier beschrijft hij hoe je - wat Ter Beek


het kind noemt - ontmoet in een stervende. Maar we ontmoeten het kind niet alleen, wie bij het koninkrijk hoort wordt als een kind. Claiborne beschrijft hoe iemand het kind in hem ontmoette: “Keer op keer fluisterden de stervenden en de lepralijders het mystieke woord namaste in mijn oor. We hebben daar in het Westen niet echt een betekenis voor. Ze legden me uit dat namaste betekent: ‘Ik eer de Heilige die in je leeft.’ Ik wist dat ik God in hun ogen kon zien. Was het mogelijk dat ik een christen begon te worden, dat ze in mijn ogen een glimp van het beeld van mijn Geliefde konden opvangen?” (Claiborne, 2009)

YourWorld - Sociale gerechtigheid Volgens Ter Beek is er in de wereld een ritme van crisis en oordeel. Regelmatig worden we geconfronteerd met machten, dit is de crisis. Die crisis vraagt een oordeel van ons. We kunnen kiezen tussen de smalle weg en de brede weg. De brede weg is de weg van geweld en macht, de smalle die van zorg voor het kind. Israel werd geconfronteerd met de crisis van een Romeins rijk dat macht over hen wilde, hoe zouden ze reageren? Zoals de Zeloten, die met geweld de Romeinse overheersing wilde verbreken? Jezus koos voor de weg van het kruis, de herder die het aflegde tegen Romeinse macht. God liet zien dat deze rechte weg niet zinloos was door Jezus weer op te wekken. Voor welke crisis staan we nu? Het verhaal van de herder versus de stedenbouwer was al duidelijk. Stedenbouwers maken imperiums zoals die van Rome. Nu is er ook een imperium, het Westers imperium. Al vele herders (slaven in kolonies, seksslaven en kleine boertjes) hebben het afgelegd tegen deze brute macht. Hoe reageren we op deze crisis, hoe oordelen we? We kunnen kiezen voor de brede weg, de weg van activisme en verzet. Kolencentrales opblazen, banden van auto's lek prikken, financiële centra bombarderen. Of de smalle weg. Zorgen voor de kinderen, de herders, niet gevoelig zijn voor een drang naar macht, ook niet een revolutionaire macht. Door het zorgen voor de kinderen zullen we niet de wereld redden. Misschien zullen we het zelfs afleggen tegen de macht en sterven, net als Jezus, of als Martin Luther King en Bonhoeffer. Maar uiteindelijk zal God laten zien dat deze rechte weg niet zinloos is door de dood weer te vernietigen en de kinderen allemaal te redden. De ultieme rechtzetting. "Aan het eind van de reis zal de Rechter alles rechtzetten, de dood vernietigen en alle tranen van de gezichten wissen." (Beek, Heerlijk eenvoudig, p. 85)

Benedictus Bij het formuleren van de leefregel is Ter Beek erg geïnspireerd door Benedictus. Zijn leefregel is van belang voor elk gebied van de regel van Ter Beek, maar vooral voor die van Ritme en Spiritualiteit. In 'Een levensregel voor beginners' beschrijft Wil Derkse hoe de orderegel van Benedictus toegepast zou kunnen worden in het modern leven. De principes die de regel doortrekken licht hij uit. Derkse vat de spiritualiteit van Benedictus samen met de zin “Heel aandachtig luisteren en van harte en daadwerkelijk respons geven.” In deze zin zijn de woorden ‘aandacht’ en ‘respons’ het belangrijkst. Dit kan op veel verschillende manieren toegepast worden.


Daadwerkelijk aandacht hebben wanneer je met iemand praat, en antwoorden op wat diegene echt gezegd heeft. Aandacht hebben voor wat iedereen zegt in een vergadering. Aandacht hebben voor mooie natuur. “Dit aandachtig luisteren is erop gericht te horen wat de situatie van ons vraagt, om daarop vervolgens respons te geven.” Niet een antwoord wat je ook zou hebben gegeven wanneer je niet geluisterd had, maar iets dat aansluit bij de ander, of de taak. Dit impliceert een bepaalde vorm van nederigheid. Een leidinggevende heeft aandacht voor wat een ondergeschikte te zeggen heeft en laat zich daardoor beïnvloeden, maakt zijn respons daarvan afhankelijk. Een ander woord daarvoor is gehoorzamen. Aandachtig horen en je daardoor laten leiden. Het ritme wat Benedictus zo belangrijk vindt, is verbonden met die aandacht. Al hetgene wat aandacht vraagt krijgt die aandacht binnen een bepaalde plaats in de tijd. De dag is ingedeeld met een begin, midden en einde. Er is gedurende de dag plaats in de tijd nodig voor gemeenschap, maar ook voor eenzaamheid. Er is plaats nodig voor werk dat veel inspanning vraagt, werk dat minder inspanning vraagt, recreatie en spel en bezinning. Wanneer een bepaalde taak gedaan moet worden is het belangrijk direct zonder dralen daaraan te beginnen, en met volle aandacht. Tijdens die taak ben je niet bezig met dingen die eerder gebeurd zijn die dag, met de gedachte dat de taak binnenkort klaar is en met de dingen die komen na die taak. Na het afronden van de taak is al je aandacht gereserveerd voor het volgende wat komt, en dwaalt niet meer terug naar de zojuist afgeronde taak. “Mensen hebben behoefte aan oriëntatie en ‘leiding’ vanuit bronnen buiten zichzelf.” Benedictus is voorstander van de lectio divina, het langzaam lezen van een tekst tot je ergens blijft haken, daarop mediteren (herhalen), en daar weer respons op geven, gehoorzaam aan zijn. Weer de woorden aandacht en respons. “Zo’n dagelijks volgehouden contact met bronnen van waarde kan ook buiten de kloostermuren vruchtbaar en inspirerend zijn. De bronnen van waarde kunnen heel uiteenlopend zijn: teksten, afbeeldingen, muziek, de natuur… Je kunt er levenselan uit putten, levensoriëntaties in aantreffen, opgeroepen worden tot een andere levensinrichting. Cultivering van dit contact biedt horizonverruiming en schept de voorwaarden voor groei en wasdom.” Wil Derkse legt het verband met psalm 1. De enige manier om op de weg van de Heer te lopen is door geworteld te zijn in waterstromen. (Derkse, 2003, p. 63) De lectio divina is duidelijk geen systematische theologie. Hier kan de verbinding worden gelegd met ‘narratieve theologie’ die eerder besproken werd. “Een van de monniken heeft zich meer dan vijf decennia dagelijks beziggehouden met miniaturen en teksten van Hildegard van Bingen. (..) Pas na zijn tachtigste levensjaar had hij de ervaring dat er iets tot volle wasdom kwam dat ook voor vele anderen vruchtbaar was. En dat was bovendien geen bijdrage aan de wetenschap, maar het associatieve en horizon verruimende standpunt van de kunstenaar.” (Derkse, 2003, p. 67) Derkse stipt ook iets aan wat lijkt op de manier hoe Wright en Ter Beek over hel en hemel denken. In het gedeelte waar hij een mini-exegese doet van psalm 1: “En de weg van degenen die ‘recht varen’, de weg van de ‘Bewährten’ die zich op bronnen van waarde oriënteren? Ook daar geen beloning aan het eind. Vruchtbaarheid blijkt gaandeweg. Er staat slechts dat de Heer deze weg kent of, wat in het Hebreeuws synoniem is, dat de Heer deze weg liefheeft.” (Derkse, 2003, p. 68)


Vooral de quote drie alinea’s terug komt behoorlijk in de buurt van wat Ter Beek voor ogen heeft met het gebied spiritualiteit. Hij denkt dat het blootstellen van leerlingen aan spirituele bronnen de leerlingen verder helpt naar ‘echt mens’ worden. Ter Beek adopteerde de pijler ‘ritme’ om de aandacht die er automatisch bij komt kijken. Wanneer je leeft met de seizoenen schenk je aandacht aan een herfststorm, een strakblauwe hemel en de regen op het raam. Wanneer je beseft dat er plek in de tijd is voor doop, maar ook voor begraven dan schenk je aandacht aan zowel leven als de dood, je gaat er niet aan voorbij. Een zevende dag en principes uit het jubeljaar zijn belangrijk voor ruimte voor spiritualiteit en bezinning over bezit en economische systemen. (Beek, Heerlijk eenvoudig, 2011)

Samenvatting Waar zitten we ook alweer in het verhaal? We begonnen met het bestuderen van narratieve theologie, een verhaalgerichte manier van theologie bedrijven. N.T. Wright verwoordde het grote verhaal van de bijbel dat Ter Beek grotendeels overneemt. Het verhaal is niet alleen een verhaal voor christenen maar iedereen speelt een rol. In de laatste episode van het verhaal, in deze tijd, leren we om echt mens te kunnen worden. We oefenen met leven zoals in de komende wereld iedereen leeft, we leren scheppers te zijn. Hoe je echt mens kunt zijn en hoe je kunt leren echt schepper te worden vertellen de verschillende monastieke tradities ons. Zojuist hebben we de tradities bekeken die Ter Beek het meest inspireerden, en leerden we zijn eigen variant van een leefregel kennen. Ter Beek wil zijn leerlingen laten oefenen met de leefregel en hij kiest daarvoor de vorm van een spel. Maar waarom juist een spel? Het volgende hoofdstuk neemt een duik in de theorie over gamification.


GAMIFICATION Gamification is het toevoegen van game-elementen aan het dagelijks leven. Er zijn een aantal principes die een spel tot een spel maken. In de game-industrie is veel studie gedaan naar welke principes een game zo aantrekkelijk mogelijk maken. De richtlijnen die daaruit voort zijn gekomen kunnen worden toegepast in het dagelijks leven, waardoor die realiteit het karakter van een spel krijgt. Dat kan nuttig zijn want een spel heeft het in zich mensen op de toppen van hun kunnen te laten presteren. In het boek ‘beter dan echt’ legt Jane McGonical uit ‘hoe games ons gelukkiger, slimmer en socialer maken’. Ze beschrijft eerst wat gamification is, gaat in op gelukswetenschap en laat bovenal zien waarom games zo ongelofelijk krachtig zijn en aansluiten bij de diepste verlangens van mensen. Gamification is een compleet vakgebied, en het voert wat ver om het hier uitgebreid te behandelen. Wat het meest interessant is voor YourStory is het verband dat McGonical legt tussen gamification en het verbeteren van de wereld. In haar woorden: “Hoe extreem grote games de wereld kunnen veranderen”. Het verhaal van Wright zegt dat God door zijn volk de wereld wil zegenen. Het volk speelt dus een actieve rol bij het herscheppen van de wereld. McGonical bespreekt een krachtige tool die dat volk kan gebruiken. Games. Een goed voorbeeld van een game die gericht is op het scheppen van een betere wereld is de game 'spore'. Deze game kent vier stadia. In het eerste stadium sturen de spelers de ontwikkeling van een eencellige soort tot die uitgroeit tot sociale landdieren in het tweede stadium. In het derde verenigt het zich in stammen, in het vierde bouwt het technologisch geavanceerde beschavingen en het gaat in het laatste op verkenning de ruimte in. Spelers organiseren de arbeidsverdeling, wereldeconomie, de handel, militair ingrijpen, en zelfs zendingswerk of het koloniseren van andere planeten. Deze game geeft de speler de gelegenheid om de wereld te herscheppen. De laatste fase in de game is de opdracht: 'Jouw gameplay heeft je tot een echte schepper en beschermer van het leven op Aarde gemaakt. ' (McGonical, 2012, p. 384) De game laat spelers ervaren dat zij succesvol kunnen zijn in het scheppen van leven en daagt hen vervolgens uit dit ook in het ‘echt’ te gaan doen. Een belangrijke factor hierin is de verbeelding. Verandering is pas mogelijk als je je een verbeelding maakt van hoe het anders kan. Jane McGonical beschrijft vervolgens een game die zich richt op een toekomstscenario; de wereld zonder olie. In deze game bedenken spelers hoe de wereld eruit zou zien als er een olietekort ontstond. Ze omschrijven problemen die ze zouden tegenkomen in hun dagelijks leven, maar bedenken ook oplossingen. Waarom wilden de spelers deze serieuze game spelen, waarom speelden ze niet liever een puur feelgoodspel? McGonical zegt: "Door van een echt probleem een vrijwillige hindernis te maken, wekten we meer oprechte belangstelling, nieuwsgierigheid, motviatie, inspanning en optimisme dan op een andere manier mogelijk was geweest. Dat we in de context van een fictieve game ons echte gedrag kunnen veranderen, komt nu juist doordat er rond de beslissing tot verandering geen negatieve druk hangt. We worden enkel en alleen gemotiveerd door positieve stress en ons eigen verlangen om ons op bevredigendere, succesvollere, socialere en betekenisvollere manieren in een game te storten.” (McGonical, 2012, p. 396) Een belangrijke voorwaarde waar iets aan moet voldoen om een spel te kunnen zijn is dat het vrijwillig gespeeld wordt. Alleen dan kan het spel leuk zijn, en mensen tot hogere prestaties brengen. Krachtige eigenschappen van games zijn dat ze heel veel mensen kunnen laten samenwerken en dat ze sterk gebruik kunnen maken van de verbeeldingskracht.


McGonical illustreert dit door de vergelijking te trekken met het schaakspel. Wanneer je op een hoger level gaat schaken wordt je deel van de wereldwijde schaakcommunity die enorme stappen heeft genomen in het doordringen tot de geheimen en mogelijkheden, de strategieën en problemen van het spel. “De mogelijkhedenruimte die het schaken biedt is zo omvangrijk en complex dat één persoon het wel kan vergeten hem ooit volledig te kunnen begrijpen of verkennen, zelfs als hij of zij zich, zoals veel schakers doen, een leven wijdt aan het bestuderen ervan.” (McGonical, 2012, p. 399) Een multiplayer game verzamelt een massa individuen die samen meer kunnen bereiken dan alleen. “Als er genoeg mensen zijn die een game spelen, wordt het een grootschalig collaboratief onderzoek van een probleem, een extreem grootschalige test van mogelijk handelen binnen een specifieke mogelijkhedenruimte.” (McGonical, 2012, p. 400) In de game hiervoor beschreven was de verbeelding belangrijk. McGonical heeft zelf een test gedaan met een game die voorstellingsvermogen en collaboratie combineert. Superstruct. Een superstructuur is een structuur die je kunt bouwen aanvullend en gehecht aan reeds bestaande structuren. De spelers kregen de opdracht vijf bedreigingen voor de wereld (superdreigingen) te bestrijden door superstructuren te bedenken. De vijf dreigingen waren pandemieën, voedseltekort, oliecrisis, sabotage van de netwerksamenleving en een explosief stijgend aantal vluchtelingen. De beschrijving die McGonical geeft van een superstructuur maakt duidelijk dat Ter Beek probeert met YourStory een eigen superstructuur neer te zetten. Na de volgende omschrijving die ik ontleen aan McGonical leg ik het verband met YourStory. “Een superstructuur is een sterk op samenwerking gericht netwerk dat gebaseerd is op bestaande groepen en organisaties. Een superstructuur heeft vier definiërende kenmerken: 1) Een superstructuur verbindt twee of meer verschillende gemeenschappen die nog niet samenwerken. 2) Een superstructuur is ontworpen om een omvangrijk, complex probleem te helpen oplossen dat geen enkele bestaande organisatie in zijn eentje kan oplossen. 3) Een superstructuur benut de unieke middelen, vaardigheden en activiteiten van elk van zijn subgroepen. Iedere subgroep draagt iets anders bij en samen creëren ze een oplossing. 4) Een superstructuur is fundamenteel nieuw. Hij moet klinken als een idee dat nog niet eerder is geprobeerd.” (McGonical, 2012, p. 413) Deze kenmerken komen als volgt terug in YourStory: 1) Bestaande groepen en organisaties worden de ‘missiemakers’ die opdrachten toevoegen aan het spel. Spelers kunnen opdrachten van verschillende organisaties uitvoeren om verder te komen in het spel. Concreet kan dit bijvoorbeeld betekenen dat een wijkgemeente van de PKN in Utrecht Zuilen een missie toevoegt waarbij spelers een buurtfeest moeten organiseren. Gemeente Utrecht voegt een missie toe voor spelers in Zuilen om tuinen op te knappen. Uiteindelijk werken spelers die lid zijn van de PKN-kerk samen met andere spelers uit de wijk om Zuilen leuker te maken. Ook spelers die niet bij de PKN horen kunnen meedoen met de door de wijkgemeente gemaakte missies, en omgekeerd. 2) Het omvangrijke, complexe probleem uit kenmerk twee is bij YourStory het alomvattende probleem: hoe kunnen we de wereld beter maken, herscheppen? Dezelfde superdreigingen als uit superstruct vallen hieronder. Hoe zorgen we voor


voedsel, gezondheid, veiligheid, voldoende educatie en leefmiddelen en vooral een eerlijke verdeling hiervan. 3) YourStory wordt een netwerk van organisaties als missiemakers en al dan niet gegroepeerde mensen als spelers. Spelers kunnen kiezen welke missies ze willen doen en maken daarbij gebruik van hun eigen talenten en interesses. Een zeer belangrijk element is dat spelers door YourStory beter worden, ze trainen om meer en meer een schepper te worden. Ze benutten dus niet alleen hun kwaliteiten maar vergroten die ook. 4) Voor Nederland is YourStory voor zover we weten nieuw. Het is een ongoing spel wat mensen en organisaties uit het hele land (en op den duur wereldwijd) verbindt om samen na te denken over het herscheppen van de wereld en hen helpt hun rol daarin te vinden. In zekere zin is het ook niet nieuw omdat het lijkt op het spel Superstruct. Een twitteraar zei over Superstruct zelfs: “Dit is mijn favoriete toekomstvisie aller tijden, omdat het de eerste is waarvan ik het gevoel heb dat ik er een rol in kan spelen.” (McGonical, 2012, p. 420) Over wat een superstructuur is schrijft McGonical ook: “Iedere gemeenschap kan meedoen aan een superstructuur. Voorbeelden zijn: - Bedrijven - Gezinnen - Mensen die in hetzelfde gebouw of dezelfde buurt wonen - Branche- en vakorganisaties - Jaarlijkse congressen of festivals - Kerken - Lokale of landelijke overheden - Online gemeenschappen - Socialenetwerkgroepen - Fanclubs - Verenigingen - Teams” (McGonical, 2012, p. 414) Dit zijn precies de groepen die Ter Beek ook voor ogen heeft als missiemakers en deelnemers. Michiel de Ronde Wat belangrijk is om te bedenken bij het bestuderen van het concept superstructuur is dat er natuurlijk al superstructuren bestaan. Een voorbeeld is het kapitalisme. Ook in deze structuur werken mensen samen op oneindig veel vlakken om te komen tot innovatie, productie en rijkdom. Michiel de Ronde noemt deze superstructuur het benaderen van de samenleving vanuit het paradigma van een markt. De Ronde is lector aan het Lectoraat Sociale Innovatie en Duurzaamheid aan de Christelijke Hogeschool Ede en beschrijft in zijn artikel 'speelruimte; spiritualiteit tussen werken en moeten' verschillende paradigma's waar vanuit je de samenleving kunt bekijken. Je kunt de wereld en mensen benaderen als een machine met input en output, als een markt met onderhandelingen, ruilhandel en contracten of als een spel waarin spelers scheppende geesten zijn die samen met verbeeldingskracht bouwen aan de werkelijkheid. Volgens Ter Beek is het paradigma van de markt en de superstructuur van het kapitalisme verouderd en niet meer effectief, als hij dat ooit al was. Hij kiest bewust voor een


superstructuur die past bij het derde paradigma van de Ronde, die van het spel. Samenwerking is hier niet contractueel en competitief maar vrijwillig en creatief. Dit paradigma sluit naadloos aan bij het grote verhaal van Wright. Ter Beek past dit ook toe op zijn onderwijs. Zijn rol als docent is vergelijkbaar met de manier waarop De Ronde de rol van de manager omschrijft: “De manager die leiding geeft aan de homo ludens en de organisatie vorm wil geven als speelruimte voor betekenisgeving is degene die mogelijkheden schept en voorwaarden creëert die bijdragen aan het ontstaan van een gezamenlijke zin. Er is sprake van cocreatie (Wierdsma, 2003) waarbinnen door processen van narratief leren gemeenschappelijke betekenissen en motivaties ontstaan in het spanningsveld van feit en wens, realiteit en verlangen, plicht en plezier, kortom tussen moeten en willen. Naast zijn voorwaardenscheppende rol, is de manager ook voluit deelnemer aan dit proces. Hij ontwerpt als het ware het spelbord, structureert de spelmaterialen en formuleert de spelregels, maar doet dat in voortdurende wisselwerking met de (overige) spelers en met de uitdrukkelijke bedoeling het gezamenlijke werk als creatieve schepping te ondersteunen en te bevorderen.” (Ronde, 2009) In het vorige hoofdstuk kwam al terug bij het gebied 'YourSoul' hoe belangrijk de verbeeldingskracht is bij het herscheppen van de wereld. De manier om leerlingen zich een nieuwe werkelijkheid te laten verbeelden, om leerlingen te leren medescheppers te worden, om leerlingen te leren echt mens te worden en een creatieve rol te spelen in het grote verhaal van de wereld is door ze een spel te laten spelen. Ter Beek ontwierp het spelbord. Superstruct YourStory.


IN DE PRAKTIJK WELK EFFECT MOET EEN TESTINSTRUMENT VOOR YOURSTORY METEN?


SAMENVATTING Ter Beek gaat zijn spel YourStory voor het eerst laten spelen door zijn eigen leerlingen uit de bovenbouw van HAVO en VWO. Hij wil weten wat het effect van zijn spel is op de leerlingen, en kan daarom een testinstrument waarmee hij dat kan meten goed gebruiken. Dit testinstrument ga ik ontwerpen. Om dit goed te kunnen doen breng ik in kaart welk effect YourStory zou moeten hebben. Volgens Ter Beek is het belangrijkste gewenste resultaat dat leerlingen een rol gaan spelen in het grote verhaal (zoals omschreven door Wright). Om te kunnen weten wanneer dat het geval is, moet je ook weten wanneer dat niet het geval is. In welke andere verhalen kunnen leerlingen leven? Jospeh Campbell is mytholoog en beschrijft een monomythe, een oerverhaal. Na een uitgebreide studie van alle mythes, sprookjes en legendes die hij maar kon vinden destilleerde hij daaruit de kernpunten die in bijna elke mythe terugkomen. Hij noemde het verhaal ‘the hero’s journey’. De held uit het verhaal merkt dat er iets schort aan de gewone wereld. Hij gaat op reis, op zoek naar de oplossing, naar datgene wat de wereld gaat ‘redden’ of verbeteren. Tijdens zijn reis moet hij het kwade (de driften in zichzelf) overwinnen, geholpen door gidsen. Hij wordt een ander persoon en raakt op wat voor manier dan ook ‘verlicht’. Hij vindt de oplossing van het probleem van de wereld en neemt die mee terug, om de wereld tot zegen te zijn. Jonah Sachs is groot bewonderaar van Campbell en verwoordde wat het verhaal is wat mensen tegenwoordig veel te horen krijgen. De meeste verhalen die op ons af komen zijn van marketeers. Zij vertellen ‘anxiety stories’. Het bedrijf vertelt de consument dat hij of zij een geweldig probleem heeft. De consument schrikt, maar gelukkig komt het bedrijf met een oplossing. Door het kopen van een product wordt het probleem verleden tijd. Volgens Sachs stimuleert dit verhaal mensen om juist toe te geven aan hun angsten en driften in plaats van die te overwinnen. Te dik? Niet sporten maar Cola Light drinken. Sylvia Collins-Mayo deed met haar collega’s onderzoek naar de worldview van ‘generation Y’. De onderzoekers concludeerden dat jongeren wel spiritueel en betrokken waren maar dat deze betrokkenheid niet verder reikte dan hun eigen community. Ze noemden dit het ‘midi-narrative’. Het verhaal van Campbell lijkt op dat van Wright, de held of herder moet op reis gaan, zichzelf verliezen en op die reis iets vinden waar de wereld beter van kan worden. De verhalen gaan over de hele wereld en zijn meta. De ‘anxiety stories’ lijken op het midinarratief. Het is belangrijk om vooral niet uit je comfortzone te stappen en het goed te hebben in het veilige kringetje van familie en vrienden. De verhalen waar leerlingen in kunnen leven zijn dus opgesplitst in twee soorten, midiverhalen en metaverhalen. Onderzoeksbureau motivaction heeft onderzoek gedaan naar de verschillende ‘milieus’ waar jongeren van acht tot achttien jaar oud in kunnen leven. De milieus zijn verbonden met een wereldbeeld, waardoor ze eenvoudig te verdelen zijn in midimilieus en metamilieus. 33 procent van de leerlingen van veertien tot achttien jaar oud zit in een metamilieu. 67 procent heeft een midiwereldbeeld. Oudere jongeren zitten vaker in een metamilieu dan jongere jongeren. Er is dus een verband tussen het verbreden van je wereldbeeld en je identiteitsontwikkeling.


RICHTING ONDERZOEK In de voorgaande hoofdstukken is op een zo breed mogelijke manier beschreven wat de theorie achter het spel YourStory is. Nu is het tijd om in te zoomen. Behalve gameontwikkelaar is Ter Beek ook godsdienstleraar. Hij wil zijn spel YourStory gaan gebruiken om identiteitsontwikkeling bij leerlingen te bevorderen als onderdeel van zijn lessen. In deze vorm is Ter Beek dus zelf een van de organisaties die missies toevoegt aan de superstruct YourStory. Tegelijk kan hij met zijn eigen leerlingen uittesten of YourStory werkt. Deze ‘test’ zal uitgevoerd worden door leerlingen uit de bovenbouw van HAVO en VWO, van het Griftlandcollege in Soest. Helaas is het in dit onderzoek niet mogelijk een uitgebreide test te organiseren inclusief begin- en eindmeting. Het spel komt pas uit als de looptijd van dit onderzoek voorbij is. Het is wel mogelijk om een testinstrument te ontwerpen waarmee op een eenvoudige wijze het effect van YourStory getest kan worden. Dit is dan ook de focus van dit onderzoek. Om zo’n testinstrument goed te kunnen ontwerpen moeten we weten welk effect Ter Beek precies beoogt bij deze specifieke doelgroep en welk effect dus gemeten moet worden.

WELK BEOOGD EFFECT MOET DE TEST METEN? Het doel van YourStory is identiteitsontwikkeling. Onder identiteitsontwikkeling verstaat Ter Beek het volgende. Leerlingen leren om een verhaal te vertellen over hoe de wereld in elkaar zit, en wat daarin hun rol is. Ze hebben hun identiteit het meest gevonden wanneer ze uitkomen bij de rol van schepper. Leerlingen die hun identiteit nog helemaal niet ontwikkeld hebben zitten meestal in een ander verhaal. Dat kan onbewust zijn of bewust. Participant zijn in een destructief verhaal is de bodem, een niet ontwikkelde identiteit. Leerlingen zetten een stap vooruit wanneer ze door YourStory meer gaan verlangen naar het goede verhaal. Ze stellen hun eigen verhaal ter discussie en ontdekken een ander verhaal waarnaar ze gaan verlangen. Sommige leerlingen leven al behoorlijk in het juiste verhaal. Zij zetten een stap vooruit wanneer ze zich door YourStory bewust worden van het feit dat het goede wat ze doen onderdeel is van het scheppende verhaal. Ze leefden al in het grote verhaal en hadden daarin soms de rol van schepper, nu worden ze zich daar ook bewust van. De laatste stap die gemaakt kan worden is het nog meer willen groeien in de rol van schepper. Een leerling leeft in het juiste verhaal en weet dat hij regelmatig de rol van schepper inneemt. Hij verlangt er vervolgens naar om die rol nog meer en vaker in te nemen. In hoeverre dat verlangen aanwezig is, wordt volgens Ter Beek zichtbaar door welk gedrag leerlingen vertonen. Het is belangrijker welk verhaal ze uitleven dan welk verhaal ze vertellen. Wanneer ze in het grote verhaal leven en daarin de rol van schepper willen spelen vertonen ze dit gedrag:


Ze ervaren een compassie met mensen in nood, hebben een houding van verwondering en verlangen naar schoonheid, ze verlangen naar heelheid op het gebied van de natuur, ze verlangen naar rechtvaardigheid in de samenleving, ze verlangen naar eenheid in de mensheid, ze verlangen naar balans in hun leven en ze verlangen naar Jezus als de held in het verhaal. Aangezien je niet kunt verwachten dat leerlingen direct meester zijn op elk gebied is YourStory geslaagd wanneer het spel leerlingen aanzet tot groei op dit gebied.

WELKE ANDERE VERHALEN ZIJN ER EN IN WELK VERHAAL ZITTEN LEERLINGEN WAARSCHIJNLIJK NU? Om te weten of leerlingen in het ‘grote verhaal’ leven moet je erachter komen in welke andere verhalen ze zouden kunnen leven. Wat is de beginsituatie van leerlingen, vanuit welke verhalen moeten zij groeien naar het grote verhaal? Welke verhalen zijn er überhaupt? En welke daarvan is onder jongeren het meest dominant?

HET VERHAAL VAN CAMPBELL Hoe het grote verhaal van de wereld eruit ziet volgens Wright weten we nu. Maar hij is niet de enige die een “oerverhaal” ontdekte. Mythologie is een vakgebied dat sprookjes, mythes, folktales en religieuze verhalen bestudeert en analyseert. Veel mythologen zijn op zoek naar de patronen, motieven en symbolen van de verhalen. Zo ook Joseph Campbell (1904-1987), een Amerikaanse hoogleraar in de mythologie. Hij bestudeerde patronen in de narratieve elementen van mythen en kwam tot de overtuiging dat er een “monomythe” bestond. Elke mythe is volgens hem een variatie van deze oermythe. De monomythe gaat als volgt. De roeping naar het avontuur Het verhaal begint met de roeping van de held. De held is tot die tijd in zijn normale omgeving zijn gewone leven aan het leiden tot hij door een bode geroepen wordt om op weg te gaan naar het onbekende. “The familiar life horizon has been outgrown; the old concepts, ideals, and emotional patterns no longer fit; the time for the passing of a threshold is at hand." (Campbell, 1949, p. 51) Het negeren van de roeping Vaak gebeurt het dat de ‘held’ weigert gehoor te geven aan de roeping. Hij durft niet, vertrouwt niet in zijn eigen kunnen, of denkt andere verplichtingen te hebben. “Walled in boredom, hard work, or ‘culture’, the subject loses the power of significant affirmative action and becomes a victim to be saved.” (Campbell, 1949, p. 59) Bovennatuurlijke hulp Als iemand zijn roeping niet negeert is de volgende stap in het verhaal dat hij bovennatuurlijke hulp krijgt. Deze krijgt de held van een beschermend figuur, bijvoorbeeld een oud dametje, of een wijze oude man. Deze mentor geeft de held voorwerpen die hem zullen helpen tijdens zijn quest. De gebeurtenis maakt duidelijk dat het lot met de held is. “The fantasy is a reassurance – a promise that the peace of Paradise, which was known first


within the mother womb, is not to be lost; that it supports the present and stand in the future as well as in the past” (Campbell, 1949, p. 72) De drempel overstappen Door de hulp en gidsing van personificaties van het lot durft de held door te gaan. Hij stapt de drempel over het avontuur in. Hij laat het bekende achter en start de gevaarlijke tocht door de wereld waarvan hij de regels niet kent. Op de drempel staat meestal een ‘threshold guardian’ die de bekende wereld scheidt van de gevaarlijke en donkere, onbekende wereld. “The adventure is always and everywhere a passage beyond the veil of the known into the unknown; the powers that watch at the boundary are dangerous; to deal with them is risky; yet for anyone with competence and courage the danger fades.” De maag van de walvis De maag van de walvis is een symbool van een baarmoeder, en wijst naar een soort wedergeboorte of transformatie van de held. Direct na het overstappen van de drempel wordt de held ingeslikt door het onbekende, hij lijkt te zijn gestorven. "the passage of the threshold is a form of self-annihilation. (..) instead of passing outward, beyond the confines of the visible world, the hero goes inward, to be born again." (Campbell, 1949, p. 91) De weg van beproevingen De held moet een reis maken en wordt tijdens die reis voortdurend getest. Deze testen vormen zijn educatie/transformatie. Hij wordt steeds geholpen door de adviezen, voorwerpen en 'secret agents' van de de bovennatuurlijke helper die hij ontmoette voor hij de drempel overstapte. Hier gaat verder wat bij het overstappen van de drempel begon. Een proces van "sterven aan jezelf". "Can the ego put itself to death? (...) The original departure into the land of trials represented only the beginning of the long and really perilous path of initiatory conquests and moments of illumination. Dragons have now to be slain and surprising barriers passed again, again, and again." (Campbell, p. 109)

De ontmoeting met de godin Op dit punt in het verhaal vindt de held een volmaakte liefde, vergelijkbaar met de liefde van een moeder naar haar kind. Wanneer de held een man is vindt hij de vrouw die hij compleet liefheeft, wanneer de held een vrouw is probeert doorgaans een onsterfelijk wezen haar hart te winnen. “The ultimate adventure, when all the barriers and ogres have been overcome, is commonly represented as a mystical marriage of the triumphant hero-soul with the Queen Goddess of the World.” (Campbell, p. 109) Vrouw als verleidster De held komt op zijn weg verleidingen tegen. ‘De vrouw’ is hiervoor de metafoor, ook al is de verleiding niet altijd een vrouw. Het gaat om dingen die de held gedreven door fysieke lust zouden kunnen afleiden van zijn (spirituele) queeste. “The seeker of the life beyond life must press beyond her, surpass the temptations of her call, and soar to the immaculate ether beyond.” (Campbell, p. 122) Confrontatie met de vader De held moet de confrontatie aangaan met de persoon die de ultieme macht heeft over zijn leven. In veel verhalen is dit de vader. De voorgaande stappen in het verhaal leidden allemaal naar dit moment. Campbell zegt dat de held dat doet “to open his soul beyond terror to such a degree that he will be ripe to understand how the sickening and insane


tragedies of this vast and ruthless cosmos are completely validated in the majesty of being.” Het komt er op neer dat hij bloot wordt gesteld aan groot gevaar. Doorgaans vermoordt de held de vader. Verheerlijking Op een bepaalde manier gaat de held fysiek dood en komt in een staat van goddelijke kennis. Vaak blijft de held even hangen in deze meestal prettige staat van rust na zijn moeilijke reis. Het ultieme geschenk De held bereikt het doel van zijn reis, hij krijgt waar hij naar op zoek was. Vaak is dit geschenk iets bovennatuurlijks zoals energie, vruchtbaarheid of verlichting. Niet terug willen reizen Het geschenk moet mee teruggenomen worden naar de gewone wereld waar de held vandaan komt. Maar daar heeft hij eerst nog even geen zin in. “The monomyth requires that the heros hall now begin the labor of bringing the runes of wisdom, the Golden Fleece, or his sleeping princess, back into the kingdom of humanity, where the boon may redound to the renewing of the community, the nation, the planet or the ten thousand worlds. But the responsibility has been frequently refused.” (Campbell, p. 193) De magische vlucht Soms kost het moeite om het geschenk terug mee naar huis te krijgen. De goden willen het bijvoorbeeld niet kwijt. De held moet dan ontsnappen. “If the hero’s wish to return to the world has been resented by the gods or demons, then the last stage of the mythological round becomes a lively, often comical, pursuit.” (Campbell, p. 197) Redding van buitenaf Het kan moeite kosten voor de held om terug te keren naar de wereld en hij heeft hulp en gidsen nodig. Soms komt die hulp uit de gewone wereld zelf. “’Who having cast off the world,’ we read, ‘would desire to return again? He would be only there.’ And yet, in so far as one is alive, life will call. Society is jealous of those who remain away from it, and will come knocking at the door.” Het overstappen van de drempel terug de gewone wereld in De verlichting of 'het ultieme geschenk' dat de held verkregen heeft moet ten dienste worden gesteld aan de gewone wereld. Maar die zit daar vaak niet eens op te wachten, gedreven door het obscene, door passie en niet geïnteresseerd in het transcendente. De held moet de wereld weer als reëel en relevant gaan zien. "The first problem of the returning hero is to accept as real, after an experience of the soul-satisfying vision of fulfillment, the passing joys and sorrows, banalities and noisy obscenities of life." Maar "The easy thing is to commit the whole community to the devil and retire again into the heavenly rock dwelling, close the door, and make it fast." (Campbell, 1949) Meester van twee werelden Deze fase heeft de held bereikt wanneer hij zich comfortabel voelt in zowel de spirituele wereld als de materiele wereld. "Freedom to pass back and forth across the world division, from the perspective of the apparitions of time to that of the causal deep and back—not contaminating the principles of the one with those of the other, yet permitting the mind to know the one by virtue of the other—is the talent of the master." (Campbell, 1949)


Vrijheid om te leven De held is door zijn reis zo los gekomen van zijn hang naar het leven en angst voor de dood dat hij juist vrij wordt om te leven. Hij is niet bang voor verlies en niet uit op winst maar leeft nu, hij ís.

Kort samengevat is de monomythe als volgt. De held merkt dat de gewone wereld niet alles is, dat er iets aan schort. Hij gaat op reis, op zoek naar de oplossing, hetgene wat de wereld gaat “redden” of verbeteren. Tijdens zijn reis moet hij het kwade (in zichzelf) overwinnen, geholpen door gidsen, en wordt hij een ander persoon, hij raakt op wat voor manier dan ook “verlicht”. Hij vindt de oplossing van het probleem van de wereld en neemt die mee terug, om de wereld tot zegen te zijn. Campbell heeft de onderdelen uit de monomythe verzameld als meest voorkomende onderdelen in alle mythes van alle tijden. Mythes die de tand des tijds dus ook hebben doorstaan. Dat betekent dat dit een ijzersterk verhaal is, een verhaal wat mensen willen horen en willen doorvertellen. Films die gebaseerd zijn op de oermythe zoals Campbell hem vertelt, zoals 'The Matrix', 'Star Wars' en 'The lord of the rings' zijn kaskrakers. Het boek van Campbell wordt zelfs de bijbel van Hollywood genoemd.

Jonah Sachs Jonah Sachs onderschrijft dit. Plotseling werd hij gezien als marketingdeskundige toen hij twee commercials maakte voor duurzaamheidsinstanties die insloegen als een bom. Het ene filmpje was een persiflage van Star Wars, ‘grocerey store wars’ en het andere een persiflage van The Matrix. Eerst wist hij niet waarom ze zo succesvol waren tot hij erachter kwam dat de makers van beide films geïnspireerd waren door Campbell. Hij schreef een boek genaamd ‘winning the story wars’ waarin hij betoogt dat mensen weer verhalen nodig hebben. Volgens hem zijn mensen sinds de opkomst van massamedia hun verhalen kwijtgeraakt. Vroeger deelde men verhalen via de orale traditie, verhalen werden doorverteld als ze goed waren, en vergeten als ze niet belangrijk waren. Iedereen die wilde had een aandeel in dit proces. Mede door de komst van de massamedia en marketeers zorgde niet meer de kwaliteit van een verhaal voor zijn overlevingskans, maar het budget van de adverteerder die het verhaal wilde vertellen. Zo kwam er het verhaal bovendrijven van ‘consumeren’. Adverteerders vertelden hun publiek dat ze een groot probleem hadden en ernstig bedreigd werden. Gelukkig hadden zij de oplossing voor het probleem in de vorm van een product. Het verhaal van de consument is dat mensen door producten hun geluk, veiligheid en succes kunnen kopen. Volgens Sachs is er weer een nieuwe tijd aangebroken. Door de komst van internet is nu iedereen ‘broadcaster’. Iedereen kan, nu ook zonder groot budget, verhalen vertellen voor een oneindig groot publiek. De regels van de orale traditie gelden weer; als een verhaal goed is wordt het gedeeld via social media, als het slecht is genegeerd. Er is natuurlijk nog wel de concurrentie van de bedrijven die betalen om hun slechte verhalen aan de man te brengen. Daarom is het belangrijk dat iedereen weer goede verhalen gaat vertellen. Wat is volgens Sachs dat goede verhaal? Alles wat lijkt op het verhaal van Campbell. Een gewone man beseft dat de wereld beter zou moeten zijn dan die nu is. Hij krijgt de opdracht


om de wereld te verbeteren. Een helper (het merk) geeft hem tools om de obstakels op zijn gevaarlijke reis te overwinnen. Dit lukt, en de gewone man die inmiddels een held geworden is verbetert de wereld. Sachs zegt dat iedereen de held wil zijn in zijn persoonlijke mythe, zijn persoonlijke queeste. Een bedrijf dat volgens hem goed op dit verhaal inspeelt is Apple. Hun slogan is niet angstgedreven maar spoort aan tot heldendaden, think different! Apple helpt je om de held te worden in je eigen verhaal door je tools te geven waarmee je de obstakels op je reis kunt overwinnen: bovennatuurlijk goede laptops, touchscreens zo gevoelig dat je je al swipend God voelt. Hetzelfde geldt voor Armstrong met zijn armbandje ‘livestrong’ en Nike met de slogan ‘just do it’.

Apple advertentie 'think different'. Control klik voor het filmpje.

Volgens Sachs is dit verhaal zo sterk, appelleert het zo aan de identiteit van mensen dat de marketingverhalen die deze insteek kiezen altijd zullen winnen van de angstgedreven verhalen. (Sachs, 2012) Het verhaal van Campbell lijkt verdacht veel op dat van Wright. Wright zegt ook dat mensen voelen dat de wereld niet helemaal is zoals hij zou moeten zijn, ze hebben het onbestemde gevoel dat er ‘meer’ is. Ook zij moeten een held worden in het grote verhaal van de wereld, een reis maken waarin ze leren om een ander (verlicht) persoon te worden, een meer scheppend persoon. Ze worden daarbij geholpen door de heilige Geest. Ook in het christelijke verhaal is sprake van een wedergeboorte, een waardering van zowel het materiele als het spirituele, een confrontatie met en erkenning van het lijden, een proces van sterven van het ego, etc. Ook wat Wright zegt over het doel van verhalen is vergelijkbaar met wat Campbell zegt: “The whole sense of the ubiquitous myth of the hero's passage is that it shall serve as a general pattern for men and women, wherever they may stand along the scale. Therefore it is formulated in the broadest terms. The individual has only to discover his own position with reference to this general human formula, and let it then assist him past his restricting


walls. Who and where are his ogres? Those are the reflections of the unsolved enigmas of his own humanity. What are his ideals? Those are the symptoms of his grasp of life.” (Campbell, 1949, p. 121) Wright legt overigens ook de nadruk op dat de held in eerste instantie een eenvoudig persoon is, zoals Ter Beek het noemt “de herder”. Dit thema komt ook terug in de mythologie. Uitvergroot zelfs wanneer er sprake is van het archetype van de antiheld. De held die in eerste instantie helemaal geen typische heldeneigenschappen heeft. Hij is niet moedig, niet sterk of zelfs egoïstisch. Maar aan het begin van de monomythe is de held over het algemeen sowieso nog niet heldhaftig, hij moet overgehaald worden om de drempel over te stappen en krijgt dan pas zijn ‘training’.

ANTI-VERHAAL Er is dus een dominant verhaal, verwoord door Campbell. Er is een verhaal verwoord door Wright wat er erg op lijkt. Is er ook een dominant anti-verhaal? Het meest dominante verhaal wat ik kon vinden wat nauwelijks waarden deelt met dat van Campbell of Wright is het ‘foute’ marketingverhaal wat Jonah Sachs beschrijft. Het is hiervoor al kort genoemd, maar aangezien het verhaal sterk aanwezig is in onze cultuur diep ik het nog iets uit. In de eerste wereldoorlog werd een groot deel van de Amerikaanse industrie ten dienst gesteld aan de “war effort”. Na de oorlog dreigde er een tekort aan vraag te ontstaan, de oorlog had voor een bloeiende industrie gezorgd, maar wat moest Amerika nu produceren? De overheid richtte zich tot de marketeers en vroeg hen ervoor te zorgen dat de economie bleef draaien. President Herbert Hoover zei bijvoorbeeld: “You have taken over the job of creating desire and have transformed people into constantly moving happiness machines – machines which have become the key to economic progress.” (Sachs, 2012, p. 65) Sachs beschrijft ook iets als een myth-gap. Hij stelt dat rond die tijd de traditionele mythes om verschillende redenen niet meer voldeden aan de vraag naar betekenisgeving. Aangemoedigd door de politieke leiders sprongen de marketeers in die myth-gap. De formule voor een succesvolle mythe, ook omschreven door Campbell en Wright, ontrafelden de marketeers feilloos. “Providing symbolic thinking. Story, explanation, meaning and ritual.” Explanation: “Every new product launch, from liquid dish soap to the iPad, has been a new practical explanation of how to live an ever-changing modern life.” Meaning: “Even our take-out coffee container is a signifier of meaning and belonging. Looking at the cup, we know what tribe we are part of – Starbucks paper cup? Mainstream good lifers or aspiring to it. Reusable steel travel cup? Eco-conscious and responsible.” Ritual: “Shopping has become the single ritual we universally share.” (Sachs, 2012, p. 66) Amerika schakelde over naar de hyperconsumptiemodus, gedreven door een nieuwe mythe. De puriteinse waarden van hard werk en zuinigheid werden verpletterd en ingeruild voor leningen, consumptie en diepe persoonlijke relaties met merken. Het tekort aan vraag voor productie was niet de enige reden dat consumptie werd gestimuleerd. Rond de tijd van de wereldoorlogen kwam de psychologie van Freud op. Hij


concludeerde dat mensen gevaarlijk, barbaars en donker zijn, dat ze gedreven worden door agressieve en seksuele driften. “Culture has to call up every possible reinforcement to erect barriers against the aggressive instincts of men”, zei hij. (Sachs, 2012, p. 86) Volgens Campbell hadden mythes die functie. Alle mythes gingen volgens hem over “the maturation of the individual from dependency to adulthood through maturity and then to the exit; and then how to relate to this society and how to relate this society to the world of nature and the cosmos.” Kort gezegd, mythes helpen mensen volwassen te worden. Ze zijn een gids voor het egoïstische, bange kind om een volwassen, wijze en waardevolle burger te worden. De meeste helden uit sprookjes en verhalen zijn niet voor niets adolescenten die leren om volwassen te worden. Maar de marketeers leek het te hoog gegrepen om mensen mythes te vertellen die ze hielpen volwassen te worden. De oorlog had juist bewezen dat die agressieve driften nauwelijks te beteugelen waren. Er was een andere mythe nodig die marketing kon gebruiken om de maatschappij in de hand te houden. De mythe van schaarste. “Inadequacy stories encourage immature emotions like greed, vanity, and insecurity by telling us that we are somehow incomplete. These stories then offer to remove the discomfort of those emotions with a simple purchase or association with a brand.” De mythe van schaarste speelt in op de drie donkere driften, hebzucht, angst en lust. De mythe wakkert deze driften aan, “create anxiety”. In de traditionele mythe zou de held de verleiding om toe te geven aan deze gevoelens weerstaan. De held weet dat niets driften als ijdelheid, hebzucht en lust kan bevredigen. Ze moeten worden overwonnen. De mythe van schaarste voorziet echter in een instant oplossing, “introduce the magic solution”. Het bedrijf geeft de consument de mogelijkheid het zojuist aangewakkerde verlangen te sussen door het consumeren van een product wat daar perfect geschikt voor is. Het is niet nodig de reis van de held te gaan en jezelf te overwinnen. Je kunt veilig thuis blijven en shoppen. Traditionele mythe:

driften

niet toegeven aan driften

volwassen worden

product kopen waarmee drift bevredigd lijkt te worden

eeuwig kind en nieuwe driften

Mythe van schaarste:

driften

Het fundament voor een stabiele wereld is de burger die al shoppend zijn gevaarlijke driften sust en op die manier getemd wordt door de marketeer. De belangrijkste queeste van de burger is "te consumeren". De reis van de held vindt plaats in het veilig gebied van de supermarkt, waar niemand gevaar loopt. De hedendaagse mythen vertellen ons dat we het moeilijke proces van volwassen worden niet meer hoeven te doorlopen maar dat we adolescenten mogen blijven die wachten tot iemand ze vertelt wat ze willen en ze dat gelijk ook voorschotelt. "(This is) the dark art of marketing which emphasizes the act of consumption as the highest human purpose.” (Sachs, 2012, p. 83)


Hoe verhoudt dit consumptieverhaal zich tot de andere verhalen? Een van de elementen uit het verhaal van Campbell is ‘de vrouw als verleidster’. Zij representeert de driften in de mens waar de held niet aan toe mag geven. Dit element wordt omgedraaid in het consumptieverhaal. De “held” uit het consumptieverhaal moet juist toegeven aan zijn driften, daardoor gesust worden en een klein kind blijven. De held moet niet op reis gaan, zoals bij Wright, en proberen iets bij te dragen aan de wereld. Als hij dat zou proberen zou hij falen en alleen maar dingen kapot maken. Thuis op de bank is de plaats van de consument.

HET VERHAAL VAN GENERATIE Y JONGEREN Een vergelijking tussen het verhaal van Wright en het verhaal van jongeren nu maken de onderzoekers Cray, Collins-Mayo, Mayo en Savage in het boek 'making sense of generation Y'. Ze onderzoeken de worldview van jongeren, generatie Y. Wright zegt dat worldviews uitgedrukt worden in verhalen, symbolen, en rituelen. "Stories address fundamental existential questions such as 'who are we?', 'Where are we?', 'What is wrong (with the world)?', 'What is the solution?', and 'where are we in the story?'. (Wright, 1992, p. 123) De onderzoekers kiezen ervoor om de verhalen van jongeren te onderzoeken door te kijken naar films en soaps, hun rituelen door te focussen op muziek en uitgaan, hun symbolen door op advertentieplaatjes en culturele iconen in te zoomen. Wat ontdekten de onderzoekers over in welk verhaal jongeren leven? "This world, and all life in it, is meaningful as it is.' Het narratief van de jongeren noemen de onderzoekers midi. Het is geen meta-narratief, omdat het geen verhaal is op grote schaal over hoe de wereld in elkaar zit, zoals de verhalen van Wright of Campbell. Het verhaal werkt niet toe naar een bepaald grootschalig doel, zoals bijvoorbeeld het verhaal van de verlichting toewerkt naar maatschappelijke vooruitgang. Het verhaal vindt op kleinere schaal plaats, maar niet zo klein dat het individualistisch is, niet mini. Het is nog steeds een gemeenschappelijk verhaal maar op kleine schaal. Ik, mijn vrienden en mijn familie. Het doel van het verhaal is happy zijn. Ik vertaal het woord niet omdat het in het engels zowel 'gelukkig' als 'blij' betekent en dat is precies waar jongeren beiden op focussen, wat ze volgens de onderzoekers zelfs nauwelijks onderscheiden. Happiness kan bereikt worden door menselijke relaties en plezier maken, en is “the ideal”. “The actual” is anders. Het leven van de jongeren kent moeilijkheden die een obstakel vormen om het ideaal happiness te bereiken. Hun verhaal geeft op de volgende manier antwoord op de vragen van Wright. Who are we? Jongeren hebben een beeld van hun ideale zelf, de meest happy zelf. De ideale zelf is sterk, authentiek en knap. Sterk zijn betekent voor jezelf op kunnen komen, de situatie in de hand hebben. Het is belangrijk om zelfverzekerd en niet pretentieus of fake te zijn. Bij films identificeren jongeren zich met personages bij wie het slecht gaat. Hier komt de actual self naar voren. Door deze personages beseffen ze dat ze niet de enige zijn met problemen.


Where are we? De ‘actual’ wereld heeft problemen, maar niet zo heel veel. Over het algemeen is het leven wel ok. Als de wereld wel problematisch lijkt is er altijd de mogelijkheid om hulp in te roepen. Als je dat niet doet is het je eigen schuld dat de wereld naar lijkt. Een ideale wereld bestaat in films, en die worden dan ook gebruikt om even uit de actual world te ontsnappen naar de ideal world. Die ideal world, de film dus, moet een goed verhaal hebben, goede productiekwaliteit hebben en authentiek zijn (niet té ver van de realiteit afstaan). Soapseries, die meer een afspiegeling zijn van de actual world helpen jongeren te reflecteren op situatie, “Wat zou ik doen als ik in de schoenen van het personage stond?”, “hoe zou ik mijn resources gebruiken?”. Daarmee zijn ze behulpzaam bij het bereiken van de ideal world. What is the problem (of the world) and what is the solution? Het probleem is alles wat een obstakel vormt om happiness te bereiken. Kindermisbruik, overspel, huiselijk geweld, rivaliteit en geweld tussen jongens, geestesziekte, drugsmisbruik, tienerzwangerschappen, faillissementen, euthanasie en racisme. De twee belangrijkste oplossingen die jongeren aandragen zijn zelfvertrouwen en een ondersteunende familie. Zelfvertrouwen betekent dat je verantwoordelijkheid moet nemen voor je eigen happiness. “The solution to the problem was strong individuals working out their own salvation.” (Sylvia Collins-Mayo, 2006, p. 71) Familiebanden zijn de enige waar je echt op kunt vertrouwen. Ze betekenen de enige bron van onvoorwaardelijke support. Er bestaan ook vriendschappen en romantische relaties, maar die zijn niet zo betrouwbaar. Samengevat gaat het verhaal als volgt: Het doel is happy zijn. Om dat te worden moet de jongeren zichzelf zijn en in verbondenheid leven met de mensen om hem heen, zijn vrienden en familie. Soms is het leven moeilijk, maar gelukkig heeft de jongere hulpmiddelen die hem kunnen helpen om die moeilijkheden te overwinnen en toch bij het happiness ideaal te komen, zoals familie en goede vrienden. Als iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt om die hulpmiddelen te gebruiken zijn we uiteindelijk samen één en blij.

Wat is het verschil tussen dit verhaal en het verhaal van Ter Beek/Wright? Een belangrijk verschil zit hem op het gebied van ‘tribe’. De jongeren vinden hun eigen tribe van onschatbare waarde, familie is het allerbelangrijkste. Maar ze kijken niet veel verder buiten hun tribe. Ter Beek vindt het heel belangrijk dat ze dat wel doen, echte eenheid betekent volgens hem ‘eenheid in diversiteit’. Ook mensen buiten je eigen tribe horen erbij en mogen jouw hulp en steun verwachten. Het is zelfs belangrijk mensen die anders zijn dan jij toe te voegen aan je eigen tribe. Jongeren vinden dat zij verantwoordelijk zijn voor het oplossen van hun eigen problemen en die van hun familie. De problemen van mensen buiten hun tribe liggen buiten hun gezichtsveld, ze zullen zich daarvoor niet inspannen. Het gebied YourWorld focust juist op globale problematiek. Oneerlijke handel, slavernij en verdeling van goederen. Ook voor de gebieden YourLife en YourPassion geldt dat jongeren er in principe wel geïnteresseerd in zijn, maar vooral wanneer het gaat om hun directe omgeving. Milieuvervuiling is vooral relevant wanneer het park waarin zij willen chillen vol ligt met afval. Collins-Mayo en collega's schrijven hier niet veel over, maar een onderzoek over de rol van duurzaamheid bij jongeren van onderzoeksbureau Motivaction sluit hier naadloos bij


aan en gaat er dieper op in. Een citaat uit het mentalityprofiel van de enthousiaste verkenner: “Enthousiaste verkenners maken zich redelijk veel zorgen wanneer ze aan de toekomst denken, vooral over de persoonlijke gevolgen van veranderingen door het verdwijnen van natuur, luchtvervuiling en overstromingen in de directe omgeving. Met name nationale problemen, dichtbij het eigen leefgebied, gaan Enthousiaste Verkenners aan het hart. Natuur wordt door deze groep vooral gezien als een plek waar zij hun hobby’s kunnen uitoefenen, als recreatiemogelijkheid. Stel je voor dat je straks niet meer buiten kunt sporten of zwemmen! Wat ze zelf kunnen doen om dit te voorkomen weten Enthousiaste Verkenners eigenlijk niet zo goed” (Motivaction, Young Mentality en duurzaamheid, p. 37) Jongeren zijn volgens de onderzoekers bezig met spiritualiteit, maar op een zeer holistische manier. Spiritualiteit doortrekt het hele leven, het is niet nodig je daarvoor te laven aan religieuze bronnen. Het grootste verschil wat z’n uitwerking heeft in elk gebied van YourStory is dat Ter Beeks verhaal zich op metaniveau afspeelt en het verhaal van de jongeren op midiniveau.

Hoe verhoudt dit verhaal zich tot het antiverhaal van Sachs? Jonah Sachs spreekt niet expliciet over de schaal waarop het consumptieverhaal zich afspeelt maar zelf kun je bedenken dat wanneer het verhaal gaat om het bevredigen van de driften, dit niet veel verder gaat dan het individu en zijn directe omgeving. In dat opzicht komt het overeen met het midiverhaal van de jongeren. Het volgende hoofdstuk geeft meer inzicht in hoe het midiverhaal zich concreet uit volgens Motivaction, en dan blijkt dat waarden uit het consumptieverhaal erg overeenkomen met waarden uit het midiverhaal. Spullen, merkkleding, status, veiligheid, entertainment, uiterlijk en genot zijn in beide verhalen belangrijk. Het onderzoek laat ook zien dat vooral jongere kinderen leven in het midiverhaal. Naarmate jongeren meer volwassen worden is de kans groter dat ze richting een metaverhaal gaan. Het consumptieverhaal ziet graag dat jongeren onvolwassen blijven en een midiwereldbeeld behouden.

REPRESENTATIVITEIT MIDI-VERHAAL VOLGENS MOTIVACTION Motivaction is een onderzoeksbureau wat uitgebreid onderzoek gedaan heeft naar de milieus waar mensen, en meer gespecialiseerd jongeren, zich in bevinden. Ze hebben jongeren verdeeld in zes milieus. De milieus zijn ingedeeld op basis van in hoeverre ze statusgericht en exploratiegericht zijn. De milieus die het meest open staan voor het concept ‘verder kijken dan je neus lang is’, in andere woorden, voor een meta-verhaal (i.p.v. een midiverhaal) zijn de ‘eigenzinnige idealisten’ en de ‘enthousiaste verkenners’. Deze milieus zijn namelijk het meest exploratief. Vooral de kenmerken van de eigenzinnige idealisten (die ook zeer ongevoelig voor status zijn) komen dan ook het meest overeen met de gebieden van YourStory. De onderstaande tabellen bieden een verdeling van de milieus op grond van of ze bij het midi-verhaal of het meta-verhaal passen, met daarbij een quote uit het motivaction-onderzoek die illustreert waarom ze in de bewuste categorie geplaatst zijn. (Motivaction, 2006)


Midi-verhaal Honkvaste gemakzoekers

Sociale aanpassers

Erkenningszoekers

Extraverte statuszoekers

“De Honkvaste gemakzoekers nestelen zich het liefst lekker thuis voor de buis, samen met pa en ma, broer en zus of hun beste vriend(innet)je. (…) Deze jongeren zijn weinig maatschappelijk betrokken en hebben weinig oog voor het verbeteren van de wereld.” (p. 25) “De Sociale Aanpasser is een typische ‘people’s person’: ze hebben het liefst veel mensen om zich heen, zowel vrienden als familie. Vriendschap vinden ze het allerbelangrijkste op de wereld. Ze houden wel van veiligheid: de Sociale Aanpassers voelen zich het meest op hun gemak in hun eigen buurt of thuis; go with the flow is hun motto. (…) Een van hun idealen is gezond leven. Ze maken zich verder niet zo druk over de toestand in de wereld, het milieu en andere maatschappelijke onderwerpen. Hun vrienden en de wereld om hen heen vragen al genoeg van hun aandacht.” (p. 33) “De Erkenningzoekers zijn de meest individualistische jongeren. Ze gaan lekker hun eigen gang, maar denken er wel steeds aan wat anderen van hen vinden. Ze vinden het bijvoorbeeld belangrijk hoe ze eruit zien en welke spullen ze hebben. Meestal zijn ze niet zo happy met zichzelf. In tegenstelling tot de sociale Aanpassers hebben zij juist niet zoveel vrienden en besteden ze minder tijd met hun familie. (…) De Erkenningzoekers zijn vaak maatschappelijk betrokken. Daarbij laten ze zich vooral beïnvloeden door dingen die ze van anderen of in de media horen. De dreiging van terroristische aanslagen baart deze groep ook het meest zorgen.” (p. 37) (Ingedeeld bij midi, maar eigenlijk meer een mini-profiel. De maatschappelijke interesse lijkt vooral voort te komen uit globale problemen die hen individueel zouden kunnen raken.) “Extraverte Statuszoekers zijn supersociale types met een hedonistische inslag. Uiterlijk, vrienden, feesten en uitgaan is waar het allemaal om draait. Ze hechten vooral veel waarde aan materiële status en hebben best een hoge dunk van zichzelf (…) ‘No worries’! De Extraverte Statuszoeker maakt zich niet zo gauw zorgen. Niet over problemen in de maatschappij of over natuur en milieu. Het enige waar ze zich misschien een klein beetje druk om maken is de vraag of ze later wel een goede baan zullen krijgen om hun huidige levensstijl door te kunnen zetten.” (p. 41)


Meta-verhaal Enthousiaste verkenners

Eigenzinnige idealisten

“De Enthousiaste Verkenners hebben een positieve, enthousiaste levensinstelling en zijn behoorlijk actieve types. Ze vinden alles leuk om te doen, zijn nieuwsgierig en zoeken steeds weer naar iets nieuws. (…) Deze groep houdt zich veel bezig met allerlei maatschappelijke issues. Natuur en milieu vinden ze bijvoorbeeld erg belangrijk en ook over andere maatschappelijke onderwerpen maken ze zich zorgen. Ze vertellen graag aan anderen wat ze daarvan vinden.” (p. 29) Als er één ding is waar Eigenzinnige Idealisten allergisch voor zijn is het wel burgerlijkheid. Ze zijn nieuwsgierig, bijvoorbeeld naar andere leefstijlen en culturen, en willen later bijvoorbeeld veel reizen maken. Bovendien zijn ze behoorlijk idealistisch ingesteld; het zijn de ‘wereldverbeteraars in de dop’. Waar ze behalve burgerlijkheid ook tegen zijn is commercie. Merkkleding is dan ook niet aan hen besteed. Deze jongeren hebben sterk de behoefte om zich (creatief) te uiten, ook aan de buitenkant. Het zijn ook de jongeren die samen een actie op touw zetten tegen de walvisvangst of om te voorkomen dat een asielzoekersgezin uit de buurt het land wordt uitgezet. Ze zetten zich vaker in voor goede doelen of mengen zich in politieke discussies. De maatschappelijke betrokkenheid van de Eigenzinnige Idealisten betreft vooral het milieu en de natuur. Van andere dingen, zoals het vinden van een goede baan, of ze later trouwen en kinderen kunnen krijgen, en dat alles duurder wordt, liggen ze niet echt wakker. Ze maken zich dus minder zorgen om hun ‘eigen hachje’ dan om wat er in de wereld gebeurt.

Het onderzoek van Motivaction laat ook drie modellen zien die aangeven hoe de populatie jongeren over de verschillende milieus verdeeld is. Model één gaat over alle jongeren van acht tot achttien, model twee over de jongeren van acht tot dertien en model drie van veertien tot achttien. Opvallend om te zien is dat het wereldbeeld van de jongeren lijkt te verbreden wanneer zij ouder worden. In het model van acht- tot dertienjarigen is de groep sociale aanpassers en honkvaste gemakzoekers het grootst. In het model van oudere jongeren is het milieu eigenzinnige idealisten het grootst. Blijkbaar gaat het verbreden van je wereldbeeld en durf om te exploreren gelijk op met je identiteitsontwikkeling, en is Ter Beek niet heel onrealistisch bezig als hij zich ten doel stelt jongeren bewust te maken van een groter en meer meta verhaal. De doelgroep voor YourStory in dit onderzoek is leerlingen van 4-5 havo en 4-6 VWO. Zij vallen in de 14-18 categorie. Dit betekent dat het deel van de leerlingen dat in een milieu zit dat hoort bij een meta-verhaal ongeveer 33 procent bedraagt.


Generation Y + Motivaction = Wanneer je de conclusies van de onderzoekers van het boek ‘Making sense of generation Y’ vergelijkt met de conclusies van Motivaction kom je erachter dat ongeveer 67 procent van de jongeren tussen de veertien en achttien jaar oud leeft in een midiverhaal. Een verhaal dat gaat over de wereld van de jongere zelf, zijn familie en zijn vrienden. 33 procent heeft ook affiniteit met een metaverhaal, wat verder reikt dan hun eigen community. Zij zouden de drempel naar de bovennatuurlijke wereld zoals beschreven door Campbell wel over durven stappen.

CONCLUSIE Tussen alle verhalen kan ik maar een echt belangrijk verschil ontdekken. Midi versus meta. Kijkt de ‘held’ in het verhaal verder dan zijn directe omgeving, heeft hij door dat hij deel uitmaakt van een grote wereld en dat hij verantwoordelijkheid draagt over die wereld. Joseph Campbell schrijft hierover: “The only myth that is going to be worth thinking about now and in the immediate future is one that is talking about the planet, and not the city, and not these people, but the planet, and everybody on it. That’s my main thought for what the future myth is going to be… Until that gets going, you don’t have anything.” (Joseph Campbell, 1988 , p. 41) Er zijn dus meerdere dominante verhalen waar leerlingen in kunnen leven. Het grootste verschil tussen die verhalen is of ze zich op metaniveau of midiniveau afspelen. Het ‘grote verhaal’ van Ter Beek en Wright speelt zich op metaniveau af. Uit het onderzoek van de britten en Motivaction blijkt dat de meeste jongeren in een midiverhaal zitten. De bedoeling is dus dat jongeren van een midiverhaal naar een metaverhaal gaan. Hun wereldbeeld wordt verbreed. Het uiteindelijke effect wat YourStory zou moeten hebben wijst hier ook naar: “Ze ervaren een compassie met mensen in nood, hebben een houding van verwondering en verlangen naar schoonheid, ze verlangen naar heelheid op het gebied van de natuur, ze verlangen naar rechtvaardigheid in de samenleving, ze verlangen naar eenheid in de mensheid, ze verlangen naar balans in hun leven en ze verlangen naar Jezus als de held in het verhaal.” Dit gaat bijna allemaal over dingen die niet direct met de jongeren zelf maar met de wereld om de jongeren heen te maken hebben. Dit geeft meteen een sleutel naar hoe de test opgebouwd zou kunnen zijn. Ter Beek maakt heel concreet hoe het leven in het grote verhaal eruit ziet door de zeven gebieden te formuleren. Deze gebieden wijzen elk naar een meta-verhaal op een heel concrete manier. Ik denk dat het interessant is te testen op de zeven gebieden die Ter Beek zelf formuleert en de scores te verdelen op een schaal van mini naar meta. Hebben de verlangens van jongeren over de zeven onderwerpen alleen betrekking op zichzelf? Hebben ze alleen betrekking op zichzelf, familie en vrienden? Of hebben ze betrekking op de hele wereld?


HET TESTONTWERP HOE ZIET EEN TESTINSTRUMENT OM HET EFFECT VAN YOURSTORY TE METEN ERUIT?


SAMENVATTING

In het vorige hoofdstuk is geconcludeerd dat een testinstrument de overgang van een jongere van een mini of midi verhaal naar een meta verhaal zou moeten meten. Een andere eis waar de test aan moet voldoen is dat hij gemakkelijk en in korte tijd in te vullen moet zijn. Het is een bonus wanneer een leerling zelf ook inzicht verwerft door de test. Voor de gebieden life, passion, world en tribe is eenvoudig een verdeling te maken in een mini, midi en metahouding ten opzichte van het betreffende gebied. In het voorbeeld van het gebied ‘life’ maakt een minileerling zich alleen druk over zijn eigen lichaam en gezondheid, een midileerling ook over het landschap in Nederland en dat het park waar hij chillt schoon is, en is een metaleerling bezig met milieuproblematiek wereldwijd. Voor elk van de bovengenoemde gebieden zijn vragen opgesteld waar leerlingen een mini, midi en metaantwoord op kunnen geven. Voor de gebieden soul, story en rhytm is geen duidelijke verdeling te maken tussen mini, midi en meta. Om die reden kan het testinstrument alleen een intensiteit meten. De test is daarom verdeeld in twee delen, een wereldbeeld deel en een reflectiedeel. De test werd uitgetest bij 21 leerlingen verdeeld in zeven groepjes. Zij vulden de test in en werden daarna geïnterviewd. Uit de interviews kwam naar voren dat de test makkelijk in te vullen was, dat de leerlingen zich herkenden in de profielen waar ze op uit kwamen, maar dat vooral het reflectiedeel nog een flinke verbetering nodig had. Leerlingen verwoordden hun spiritualiteit op een andere manier dan in de test werd gedaan en scoorden daardoor iets lager dan zou moeten. Ook het bekijken van de vragenlijsten leverde aandachtspunten op die moesten worden meegenomen bij het herontwerp van de test. Alle punten die uit de interviews, de reactie van de opdrachtgever zelf en de vragenlijsten naar voren kwamen werden beoordeeld en al dan niet als wijzigingen doorgevoerd in de tweede versie van het testinstrument. Deze tweede versie is voor zover ik het nu onderzocht heb geschikt om langetermijneffecten van het spel YourStory te meten en te dienen als aanjager van een klassengesprek over de onderwerpen van het spel en reflectie bij de leerling.


AAN WELKE VOORWAARDEN MOET DE TEST VOLDOEN? Volgens de literatuur (Making sense of generation Y) leven jongeren voornamelijk in een midi-verhaal. Ter Beek hoopt dat YourStory eraan bijdraagt dat jongeren meer richting het meta verhaal gaan. Er moet worden getest of YourStory hier inderdaad invloed op heeft. Aan welke voorwaarden moet zo’n test voldoen? - De test moet een scheiding kunnen aanbrengen in midi- en metaverhalen - De test moet eenvoudig in te vullen zijn door leerlingen, liefst binnen een lesuur - Het is niet per se nodig voor dit onderzoek maar wel een meerwaarde als leerlingen zelf ook inzicht krijgen door het invullen van de test HET ONTWERPPROCES Het midi-denken en het meta-denken is niet bij alle gebieden van YourStory van toepassing, maar vooral bij your life, your world, your passion en yourtribe. Het onderstaande schema maakt duidelijk hoe je op een mini, een midi, en een meta manier om kunt gaan met elk gebied. Mini staat hier voor ‘alleen jij’, midi voor ‘jij en je directe omgeving/community’, meta voor ‘jij en de hele wereld’. Wanneer een leerling alleen betrokkenheid voelt bij zaken die zijn community direct aangaan of die erg tot de verbeelding spreken hoort dat bij het midi-wereldbeeld. Gebied Life Klimaat Gezondheid voedsel

Passion Zorg Gaven kwetsbaarhe id World Recht Fair economie

Tribe Eenheid Diversiteit vriendschap

Mini Ik maak me druk om mijn eigen lichaam, ik wil gezond zijn en slank.

Midi Ik maak me druk om mijn directe leefomgeving. Ik vind het jammer als we door klimaatverandering nooit meer sneeuwballen kunnen gooien, of als het park helemaal vervuild is. Ik maak me niet echt Ik maak me druk om druk om anderen. mijn eenzame opa en oma en om de zwerver in mijn straat.

Meta Ik maak me druk om de leefomgeving van andere mensen. Ik vind het erg als er door klimaatverandering meer vloedgolven en rampen komen in andere landen, en als de regenwouden gekapt worden. Ik maak me druk over asielzoekers en over arme kinderen in Afrika

Als ik maar genoeg Ik vind het belangrijk geld heb maakt het dat de economie in me verder niet uit. Nederland goed gaat en dat er weinig mensen naar de voedselbank moeten of werkloos zijn. Vriendschappen en Vriendschappen en familie zijn wel familie zijn belangrijk maar het superbelangrijk. Ik heb moet me niet teveel echt alles voor mijn kosten. beste vrienden en familie over.

Ik vind het belangrijk dat het geld in de wereld eerlijk verdeeld is. Als het nodig is wil ik best wat van mijn welvaart inleveren voor dat van mensen in ontwikkelingslanden. Vriendschappen zijn belangrijk. Ik vind het ook belangrijk dat je niet alleen maar omgaat met mensen die precies hetzelfde denken als jij.


De gebieden story, rhytm en soul zijn elk gebieden die reflectie op jezelf en de wereld bevorderen, maar ze zijn onafhankelijk van hoever je wereldbeeld reikt. Om die reden meet de test geen mini, midi, of metavariant van deze gebieden, maar een intensiteit. Hoe “reflectief” is de leerling? Wanneer de test een score zou moeten leveren op elk van de zeven gebieden zou hij te uitgebreid worden en te lang duren om in te vullen. Om die reden bestaat hij slechts uit twee delen, een wereldbeelddeel en een reflectiedeel. In het wereldbeelddeel worden de gebieden life, passion, world en tribe getest. In het reflectiedeel de gebieden story, rhytm en soul. Uit de test komen twee scores, een wereldbeeldscore en een reflectiescore. Bij elke score hoort een profiel, drie mogelijke profielen per deel. Het volgende schema geeft de profielen weer. Een leerling kan bijvoorbeeld R + >10 scoren, of G + >6. Wereldbeeld B Jij redt het allemaal prima alleen. Tenminste, je hebt heus wel vrienden, maar je vindt dat elk mens verantwoordelijk is voor zijn eigen geluk. Als je eenzaam bent moet je vrienden maken, als je arm bent een baan zoeken en als je lelijk bent sporten, gezond eten en make up gebruiken. Om maar iets te noemen. Zo doe jij het ook, jij vermaakt je prima op deze aardkluit en maakt je niet al te druk om de rest van de wereld. Het belangrijkste in het leven is volgens jou om vooral te genieten en niet al te moeilijk te doen. R Als iets voor jou belangrijk is dan zijn het wel je familie en vrienden. Gelukkig zijn is belangrijk maar dat kan niemand alleen. Jij vindt dat je voor de mensen dicht bij je moet zorgen, want zij zorgen weer voor jou. Daarom heb jij best wat voor een ander over. Je vindt het ook belangrijk dat het in Nederland goed gaat. De overheid moet zorgen dat hier niet te veel armen zijn, het landschap mooi en niet vervuild is en de sfeer gezellig blijft. Het is volgens jou niet zo belangrijk om je bezig te houden met wereldwijde issues, of problemen van mensen buiten jouw community. Die mensen hebben toch hun eigen vrienden en familie waar ze op terug kunnen vallen? Ze hebben jouw hulp niet nodig. G Voor jou is de hele wereld je achtertuin. Je vindt dat iedereen deel is van een groter geheel en beseft dat jouw acties invloed hebben op dat geheel. Je houdt van het leven en gelukkig zijn is belangrijk, maar dat stopt niet bij jou en je vrienden. Jij bent pas tevreden als iederéén het goed heeft. Daarom zoek je vaak naar wat jij er aan kunt doen om te zorgen dat deze wereld mooier wordt. Je zou willen dat rijkdom eerlijker verdeeld was, dat er voorzichtiger met het milieu werd omgegaan. En hoe mooi zou het zijn als geweld en onderdrukking stopte! Als het nodig is ben jij best bereid daar wat voor in te leveren.

Reflectie <6 Waarom je precies op deze manier in het leven staat weet je niet zo goed. Dit lijkt je gewoon wel ok, je keuzes maak je niet heel bewust. Je bent nogal nuchter en hebt niet per se zin om over allerlei levensvragen na te denken. Het leven is zoals het is, klaar.

>6

Dat jij zo in het leven staat is niet willekeurig. Jij neemt regelmatig de tijd om na te denken over wat je wil en waarom. Soms doe je dat zelf, schrijvend of wandelend in de natuur, en soms laat je je inspireren door indrukwekkende kunst, je favoriete muziek of mooie verhalen en interessante mensen.

> 10

Jouw levensvisie is niet bepaald uit de lucht komen vallen. Ze noemen jou ook wel de filosoof. Je neemt vaak de tijd om even stil te worden en na te denken over het leven. Jij viert nooit gewoon een feest en bekijkt nooit gewoon een film zonder je bewust te zijn van de diepere lading. Kunst vind je interessant omdat het je inspireert. Soms waag je je nog een stap verder, en zoek je inspiratie in heilige boeken of een gebed.


YOURSTORY TEST 1.0 Bij elk gebied van YourStory zijn minstens drie vragen of stellingen opgesteld. De meeste wereldbeeldvragen hebben drie mogelijke antwoorden, een mini, midi en meta antwoord. Daarnaast zijn er stellingen waar leerlingen bij kunnen aangeven of ze het er wel of niet mee eens zijn. Het reflectiedeel bestaat alleen uit stellingen. Achter elk antwoord op een vraag staat een letter die hoort bij het mini, midi of meta profiel. Deze letter is functioneel bij het berekenen van de score. B staat voor mini, R voor midi, G voor meta. Achter de reflectiestellingen staan stipjes. De stellingen met een stipje tellen indien aangevinkt als +1 voor de reflectiescore, de stellingen zonder stipje als -1. Daardoor is het mogelijk stellingen positief en negatief aan te bieden. Voorbeeld van een wereldbeeldvraag: Stel je voor: een vriend van je heeft een bijbaantje als afwasser in een bejaardentehuis bij jou in de buurt. Hij vertelt je dat veel ouderen die daar wonen erg eenzaam zijn en bijna nooit bezoek krijgen. Wat doe je? Je neemt je voor vaker op bezoek te gaan bij je eigen opa en oma Je zet met vrienden een actie op touw om als groep 1 x in de maand te gaan kaarten of theeleuten met de oudjes in het bejaardentehuis. Je zegt: â&#x20AC;&#x153;ach wat zieligâ&#x20AC;? en vraagt dan of je vriend zin heeft in een potje voetbal, want praten met oude mensen is niet echt je ding.

R G B

Voorbeeld van reflectiestellingen: Ik vind films niet alleen leuk omdat ze entertaining zijn maar ik vraag me ook vaak af . wat de boodschap van de filmmakers zou zijn geweest, wat ze nu eigenlijk willen zeggen met het verhaal. Voor mij zijn belangrijke feesten in het jaar zoals kerst, mijn verjaardag en oud en . nieuw ook wel momenten om even na te denken over waar ik sta in mijn leven en waar ik naar toe wil. De rest van de test is te bekijken in bijlage 1 van dit document.


TESTCONTROLE AANPAK Om erachter te komen of de test betrouwbare meetresultaten oplevert is het belangrijk hem uit te testen. Ik heb zeven groepjes van drie leerlingen om de beurt de test laten invullen en hun score laten berekenen. Aansluitend heb ik de leerlingen geïnterviewd. Ik heb ze gevraagd om een eerste reactie, of ze zich in de uitslag herkenden, in welke dingen ze zich vooral herkenden of juist vooral niet, of ze het leuk vonden wat er in het profiel over hen gezegd werd, hoe ze tegen de andere profielen aankeken en of de vragen duidelijk waren. Daarnaast heb ik ze gevraagd tijdens het invullen van de test een rondje te zetten achter vragen waarbij ze zich in geen van de antwoorden herkenden, en een vraagteken bij vragen die ze vaag vonden. Tijdens de interviews vroeg ik naar hun toelichting daarop. Ook heb ik tijdens het invullen de impulsieve reacties onthouden en daar tijdens de interviews op doorgevraagd. Veel leerlingen kwamen ook uit eigen beweging met opmerkingen over op welke manier ze zich wel of niet herkenden in de vragen of stellingen. Tijdens de testdag bleek al gauw dat mijn op de literatuur gebaseerde verwachtingen uitkwamen wat betreft het midiwereldbeeld van de leerlingen. De meeste leerlingen kwamen uit op het midiprofiel. Wat me verraste was de reflectie-uitslag. Bijna elke leerling scoorde het laagst reflectieve profiel en sommige leerlingen gaven aan zich daar niet helemaal in te herkennen. Ik had verwacht dat er iets meer leerlingen zouden zijn die het middelste reflectieprofiel zouden scoren. De tweede helft van de testdag ben ik in de interviews dan ook meer gaan focussen op de reflectievragen, om erachter te komen hoe de situatie precies zat. Bij verschillende groepjes heb ik de reflectiestellingen een voor een doorgenomen zodat ik door kon vragen op de stelling. Dit bracht verrassende inzichten. De interviews zijn in de vorm van een geluidsbestand te vinden in bijlage 2 van dit document. Behalve aan de leerlingen heb ik de test ook aan Ter Beek voorgelegd en zijn opmerkingen genoteerd. Na de testdag heb ik de vragenlijsten zelf bekeken. Ik heb de vragenlijsten verdeeld in twee groepen, de vragenlijsten met het midiprofiel als resultaat en de vragenlijsten met het metaprofiel als resultaat. Er was één vragenlijst die uitkwam op het miniprofiel, dit is te weinig om te kunnen dienen als vergelijkingsmateriaal, dus die heb ik genegeerd. Ik heb per vraag de antwoorden geturfd die leerlingen van het betreffende profiel gaven. Zo kwam ik erachter welk antwoord de meeste midileerlingen bij elke vraag invulden en welk antwoord de meeste metaleerlingen bij elke vraag invulden. Het schema hiervan is te vinden in bijlage 3. Over de antwoorden van de meta-leerlingen heb ik niet veel conclusies kunnen trekken omdat er maar drie vragenlijsten waren die uitkwamen op het metaprofiel. Ook heb ik de reflectiestellingen gesorteerd op volgorde van populariteit (aantal keer aangekruist). Het schema hiervan is te vinden in bijlage 4. Deze sortering leverde wel wat maar niet veel nieuwe inzichten op.


BEVINDINGEN TESTCONTROLE De resultaten uit de test komen heel erg overeen met de resultaten van de onderzoekers van ‘making sense of generation Y’. 17 van de 21 leerlingen komen uit op het midi-profiel. Ook wat de leerlingen zeggen over spiritualiteit komt overeen met de bevindingen van de generation Y onderzoekers. Wat de leerlingen zeggen over de natuur strookt met het onderzoek van Motivaction daarover. (Motivaction, Young Mentality en duurzaamheid) De leerlingen herkennen zich meestal in de profielen waar ze op uit komen. Er zijn echter leerlingen die uitkomen op het midiprofiel omdat ze vrienden en familie belangrijk vinden, maar die zich niet druk maken om midiproblemen. Er zijn ook leerlingen die uitkomen op het midiprofiel omdat uit hun handelen blijkt dat ze niet bezig zijn met globale problemen. Ze denken echter wel na over metaproblemen. Om die reden herkennen deze leerlingen zich niet helemaal in hun profielen. De leerlingen geven aan dat de test over het algemeen leuk is om in te vullen, de vragen makkelijk te begrijpen zijn en de verschillende antwoorden duidelijk. De grootste zwakte van de test zit in het reflectiedeel. De stellingen geven niet geheel de juiste resultaten. Bijna elke leerling komt uit op het minst spirituele profiel. Uit mondelinge vragen blijkt dat een aantal van hen toch iets spiritueler zijn. Leerlingen gebruiken alleen andere woorden. Ze komen bijvoorbeeld niet vaak “tot rust in de natuur” maar gaan wel de hond uitlaten als ze thuis alles even zat zijn. De manier voor leerlingen om even “stil te worden” is door muziek áán te zetten. In de volgende paragraaf beschrijf ik de bevindingen concreter en gedetailleerder en maak ik een afweging welke wijzigingen ik in test 2.0 door wil voeren.

CONCLUSIES: DOOR TE VOEREN WIJZIGINGEN Wat kun je na de interviews en het analyseren van de vragenlijst concluderen over hoe de test gewijzigd zou moeten worden? In deze paragraaf beschrijf ik de punten van aandacht die naar voren zijn gekomen en beoordeel ik die. Wanneer blijkt dat een wijziging doorgevoerd moet worden vraagt dit aandacht bij het herontwerpen van de test. Een puntsgewijs geordende lijst met aandachtspunten en een verslag van de concrete wijzigingen die daaruit voortkwamen zijn te bekijken in bijlage vijf en zes.

Wel of niet een extra profiel toevoegen? Leerlingen geven aan zich te herkennen in de profielen waar ze op uit komen. Sommige leerlingen zeggen zich niet in alles te herkennen. Deze redenen worden genoemd: -

De leerling komt uit op het midi-profiel, maar vind zelf dat hij wel een metawereldbeeld heeft. Hij denkt wel na over globale issues, maar komt uit op het midiprofiel omdat hij er niets mee dóet. Meestal doet de leerling er niets aan omdat hij vindt dat hij er niets aan kan doen, hij heeft geen invloed. Familie en vrienden


-

hebben prioriteit, daar moet je in eerste instantie je aandacht aan besteden. Als je dan nog tijd over hebt kun je je bezig houden met globale zaken, maar je blijft vrij machteloos. Het helpt volgens de leerling namelijk alleen als iedereen iets doet, en omdat dat nooit zo zal zijn, gaan zij het zelf ook niet doen. Het intellectuele wereldbeeld reikt dus verder dan het wereldbeeld dat blijkt uit zijn handelen. Sommige leerlingen komen uit op het midi-profiel omdat ze familie en vrienden inderdaad belangrijk vinden. Ze herkennen zich echter niet in het zich druk maken om midi-problemen, zoals vervuiling in het park, het tegengaan van werkloosheid in Nederland, etc.

In de testresultaten komt de tweede reden niet vaak terug. De meeste leerlingen met profiel R maken zich wel druk over midi-problemen. Dit blijkt uit de antwoorden bij vraag vier, vraag zes en vraag acht. Er zullen leerlingen zijn met een midi-profiel die zich niet druk maken om midi-problemen, maar de meeste leerlingen uit het onderzoek doen dat wel, het is dus geen reden om de profielomschrijving te veranderen. Er is uit de interviews een duidelijker verschil gebleken tussen leerlingen die nadenken over globale issues maar er niets mee doen, en leerlingen helemaal niet nadenken over globale issues. Dit verschil wordt niet weergegeven in de profielen. Als ik een extra profiel wil maken dat aangeeft dat de leerling intellectueel een meta-wereldbeeld heeft maar in de praktijk een midiwereldbeeld, dan wordt de test een stuk complexer en ook langer. Het is dan niet meer mogelijk te voldoen aan de voorwaarde “de test moet eenvoudig binnen een lesuur in te vullen zijn”. Daarnaast hecht Ter Beek de grootste waarde aan welk wereldbeeld blijkt uit het handelen van de leerlingen. Genuanceerdere resultaten zijn ook zichtbaar door te kijken hoe uitgesproken de scoreverdeling is. Heeft een leerling bijna alleen R gescoord of is de Rscore maar iets hoger dan de G-score? Ik kies er om die reden voor geen extra profiel toe te voegen.

Het reflectiedeel aanpassen Bijna elke leerling scoort het minst reflectieve profiel. In de interviews blijkt dat de leerlingen iets spiritueler zijn dan het profiel aangeeft. Dit komt voornamelijk door de manier waarop leerlingen spiritueel zijn en vooral de manier waarop zij dat verwoorden. De stellingen moeten dus op een andere manier verwoord worden. In de interviews geven leerlingen aan hoe dat concreet zou moeten gebeuren. Dit en het sorteren van de reflectievragen op populariteit levert de volgende aandachtspunten op. Bij de kerkvraag moet het woord ‘hoger’ vervangen worden door iets wat geen connotatie heeft met ‘hogere macht’. In ronde twee denkt een leerling dat je aan God moet denken als je in een kerk bent om de vraag aan te kunnen kruisen. Ik moet de zin “het gaat dan even om iets hogers” daarom weghalen en op een andere manier het idee van een ‘andere dimensie’ benadrukken. Elke leerling hecht zeer veel waarde aan muziek op een spirituele manier. Toch komt dit niet duidelijk terug in de antwoorden. Van alle stellingen scoort de muziekstelling het hoogst, maar deze vraag kan gelaagder. Er moeten meer vragen komen over de verschillende aspecten van de “spirituele kant” van muziek. Dit kan onder andere door de vraag over stil worden en kaarsjes aansteken aan te passen. Deze stelling scoort namelijk het slechtst. Leerlingen geven aan dat ze zich afsluiten en ‘stil worden’ door juist muziek aan te zetten. Ik kan een stelling hierover toevoegen en de kaarsjesstelling verwijderen. Om het reflectie-


element van stil worden nog wel terug te laten komen in de test haal ik uit de kaarsjesvraag het element ‘dagboek of blog bijhouden’ en maak hier een aparte stelling van. Een leerling noemt in ronde zeven ook “iets lekkers pakken” wanneer je alles even zat bent. Ik kies ervoor dit toch niet toe te voegen omdat het niet breed gedragen wordt onder de leerlingen. Er zijn in de test twee vragen over balans. Een daarvan blijkt in de interviews misleidend. Een leerling die die vraag aankruist is zich juist erg bewust van dat hij het te druk heeft en meer ontspanning in moet bouwen, hij is dus juist bezig met balans. Deze vraag verwijder ik. Bij de andere vraag kan ik de nadruk meer leggen op de afwisseling en ‘weekend’ vervangen door ‘vakantie’, omdat de meeste leerlingen na een weekend nog niet het gevoel hebben dat de balans dreigt door te slaan naar ‘te ontspannen’. Nog geen derde van de leerlingen kruist de natuurstelling aan terwijl de meeste leerlingen in de interviews aangeven dat ze het fijn vinden om naar buiten te gaan om uit te waaien of hun hoofd leeg te maken. Dat doen ze alleen niet terwijl ze van de natuur genieten, maar terwijl ze bijvoorbeeld gaan hardlopen of de hond uitlaten. Leerlingen geven als tip om dit ‘naar buiten gaan’ te noemen in plaats van ‘de natuur in’. Ik voeg een stelling toe waarin dit naar voren komt. Omdat er ook leerlingen zijn die wel specifiek van de natuur genieten laat ik de originele stelling ook staan maar vervang ik het ‘tot rust komen’ en ‘nadenken’ door ‘in de natuur lopen, chillen of sporten’. Ook voor de natuurliefhebbers is het namelijk een beetje raar om zonder doel naar buiten te gaan. Overig: Leerlingen geven aan dat ze mensen wel inspirerend vinden en dus als helden beschouwen maar ze willen niet per se hun leven kopiëren. Om die reden kan ik beter de frase “ik wil ook leven zoals zij dat doen” weglaten. De avondritueel vraag kan wat breder naar rituelen in het algemeen. Het kan geen kwaad wanneer er door deze wijzigingen wat meer stellingen zijn, dit geeft leerlingen een grotere kans hun eigen manier van reflectie en spiritualiteit terug te vinden in de vragen. Ook moet ik de benodigde score voor dit testdeel wat aanpassen, vooral omdat precies zes geen score oplevert en ook de wat meer spirituele leerlingen meestal het laagste profiel scoorden.

Is de test te moralistisch of normatief? Ter Beek merkt op dat de test vrij moralistisch is. Ik krijg zelf dat gevoel soms ook. Is dit daadwerkelijk zo en is het te voorkomen? Het belangrijkste voor een betrouwbare uitkomst van de test is dat leerlingen niet sociaal wenselijk gaan antwoorden. Dit kun je onder andere bereiken door juist niet alleen te meten op waarden, maar op concreet gedrag. Aan gedrag zit niet per definitie een waarde, waardoor een leerling invult wat hij daadwerkelijk dóet en niet wat hij denkt dat hij zou moeten doen. De test is pas normatief als iemand van tevoren een mening heeft over welk gedrag het goede gedrag zou zijn. Ik heb daar een mening over, en Ter Beek ook. Om die reden komt de test op ons wat normatief over. Uit de interviews blijkt echter dat de jongeren erg tevreden zijn over de profielen waar ze op uit komen, en dat ze de profielen die Ter Beek als ‘beste’ ziet helemaal niet beter vinden. Ze zijn meestal overtuigd midi, en krijgen niet het gevoel dat ze meta zouden moeten zijn. Ik denk dat de test dus niet erg normatief is maar het is belangrijk te controleren of er niet teveel houdingvragen zijn en te weinig gedragsvragen en dit waar nodig aan te passen. Ter Beek noemt ook dat ik niet consistent ben in het omkeren van vragen. Is het dan niet beter om het helemaal niet te doen? Tijdens het herontwerpen van de test blijkt echter dat de test het meest betrouwbaar blijft wanneer de omkeervragen erin blijven staan. Het geeft


de kans een stelling op meerdere manieren aan te bieden waardoor het resultaat betrouwbaarder is. Het is niet mogelijk het omkeren consistent door te voeren. Daarvoor zijn sommige stellingen te specifiek en de stellingenlijst te kort, het zou teveel opvallen dat het dezelfde stelling is. Bij de vraag over biologisch eten begrijpt hij niet direct het verband tussen de antwoorden en de corresponderende letter. Na nog eens naar de vraag gekeken te hebben lijkt het me correct een meer typisch midi antwoord toe te voegen (biologisch eten omdat de mensen om je heen dat ook doen). De reden dat ik ‘nooit biologisch eten’ als midi-antwoord beschouw is dat een minderheid van de mensen biologisch eet. Voegen naar ‘de rest’ is typisch midi.

Het wereldbeelddeel aanpassen Leerling: “dat (moeilijk doen) heeft niet zoveel te maken met vrienden en familie, die moeten gewoon altijd bij je terecht kunnen vind ik. Dan gaat het meer dus om die wereldrampen enzo, en bijvoorbeeld als je ma ergens moeilijk over doet, waar je helemaal geen zin in heb, niet zeuren, daar wordt je alleen maar gek van.” Interviewer: “Dus eigenlijk: jouw vrienden en familie mogen wel moeilijk bij jou doen, maar een kindje in afrika… dat is wel lullig voor hem maar die moet niet bij jóu komen, want dan is het wel moeilijk doen.” Leerling: “Nou ja, kijk ik snap het wel, maar wat kunnen we daar doen? Bij vrienden en familie kun je wel alles voor doen maar wat kun je voor kinderen in Afrika doen?”

Welke verbeterpunten met betrekking tot het wereldbeeld komen uit de interviews en het analyseren van de vragenlijsten? Behalve de vraag of er nog een extra profiel bij moet komen leveren de interviews nog wat kleinere verbeterpunten voor de profielen op. De leerlingen vinden de frase “ze hebben jouw hulp niet nodig” te sterk geformuleerd. Leerlingen zullen eerder zeggen dat ze er te weinig ruimte voor in hun hoofd en agenda’s hebben. De frase “niet moeilijk doen” spreekt leerlingen juist erg aan, je moet niet moeilijk doen. Dit zeggen ook de leerlingen die bij het midiprofiel passen (terwijl hij in het miniprofiel staat). Blijkbaar vinden leerlingen het niet moeilijk om voor hun familie en vrienden te zorgen en is iets pas moeilijk doen als het gaat over metazaken. Om die reden verwijder ik uit het midiprofiel de frase “ze hebben jouw hulp niet nodig” en voeg ik het concept “niet moeilijk doen” toe. De frase “je bent pas tevreden als iedereen het goed heeft” uit het metaprofiel vinden de leerlingen te extreem geformuleerd, die moet ik iets afzwakken. Bij vraag zeven staan twee antwoorden waarin de leerling op internet zou gaan zoeken. Leerlingen geven aan dat dat teveel is, ze gaan “echt niet” een hele internetzoekactie doen. Ik verwijder daarom uit het R-antwoord het ‘internet zoeken’. Een antwoord dat leerlingen zelf aandragen dat volgens hen beter zou zijn is iets in de trant van “Ik vind het wel naar maar kan er niets aan doen dus vergeet ik het na tien minuten weer.” Eén leerling neemt de vraag te letterlijk op, hij dacht na over hoe hij met kleding kopen omging als activiteit. De meeste leerlingen snappen wel het abstracte idee achter een antwoord, maar toch wil ik het


B-antwoord wijzigen. Het concept ‘emotieshoppen’ is voor veel leerlingen wel heel erg ver van hun bed. Dit antwoord wil ik vervangen door een antwoord als dat de leerlingen aandroegen. Geen enkele leerling vult het G-antwoord in bij deze vraag, terwijl ze wel fair trade eten kopen. Dat vind ik logisch aangezien je behoorlijk meta moet zijn om flink hogere bedragen te willen uitgeven. Ik kan de vraag wel iets laagdrempeliger maken door het stukje over ‘petitie’ te verwijderen. De situatie in vraag tien is een beetje overdreven merkt een leerling op. Aangezien de leerlingen toch goed kunnen inschatten hoe ze zouden reageren vind ik dit nog geen reden tot wijziging. Wat ik me wel afvraag is of de vraag niet vooral het confrontatievermijdende gedrag van leerlingen meet. Bijna geen van de midileerlingen kruisen het R-antwoord aan, de meesten kiezen voor B. Het lijkt alsof leerlingen graag gemiddeld willen zijn en niet uitgesproken, het eerder genoemde “niet moeilijk doen”. Om die reden zwak ik antwoord R iets af, en maak ik antwoord B juist iets sterker. Vraag een wordt volgens leerlingen duidelijker wanneer er in de vraagstelling iets staat over ‘avondeten’. In principe kan een feestelijke maaltijd ook ‘s middags zijn, daarom voeg ik tussen haakjes ‘avond’ toe. Wat opvalt bij de vragenlijstanalyse is dat de resultaten behoorlijk lijken te kloppen. De midileerlingen kruisen bijna altijd ook het midiantwoord aan, er zijn maar weinig vragen waar ook veel B of G gescoord wordt. De vragen waarbij dat wel het geval is zijn in voorgenoemde verbeterpunten aan de orde gekomen. Maar over het algemeen representeren de verschillende antwoorden het midi dan wel metaverhaal goed. De aangepaste vernieuwde test is te vinden in bijlage 7.

HOE KAN DEZE TEST WORDEN GEBRUIKT? Men kan het effect van YourStory testen door leerlingen de test te laten invullen voor zij beginnen met spelen en de scores te bewaren. Wanneer leerlingen het spel een tijd gespeeld hebben kunnen zij de test weer invullen, en is te zien of de scores veranderd zijn en hoe ze veranderd zijn. Dit zou vooral resultaat op moeten leveren bij het spelen van het spel gedurende langere tijd. Dankzij de ontwerpeis "eenvoudig in te vullen" is deze test niet gespecialiseerd genoeg om zeer subtiele nuances te meten. Toch is de test ook te gebruiken bij leerlingen die het spel slechts korte tijd spelen. De test kan dan voornamelijk dienen als hulpmiddel bij het reflecteren van leerlingen. Tijdens de interviews werd duidelijk dat alleen het invullen van de test al zorgde dat er een gesprek op gang kwam over de onderwerpen van YourStory. Leerlingen gingen bijvoorbeeld bij zichzelf na hoe spiritueel ze nu eigenlijk waren. Ze kunnen door het een tweede keer invullen van de test dus ook nadenken over of en hoe er iets is veranderd. De test is een uitstekend middel voor het aanjagen van een klassengesprek.


CONCLUSIE Wat is de theorie achter YourStory en hoe sluit die aan bij de werkelijkheid? YourStory gaat uit van een narratieve kijk op de werkelijkheid. Het spel is gebaseerd op de theologie van Wright die uit de Bijbel het "grote verhaal van de wereld" heeft gedestilleerd. In de laatste episode van dit verhaal kunnen mensen zich aansluiten bij een volk dat God gebruikt om de wereld te herscheppen. De zeven gebieden van YourStory zijn gebaseerd op leefregels van de monastieke tradities en leren je om je rol in het grote verhaal op zo'n goed mogelijke manier te manier te spelen. Games kunnen mensen extreem motiveren om hoge prestaties te leveren. Ze zijn erg geschikt voor samenwerken en samenbouwen aan een betere wereld. Aangezien het grote verhaal gaat over het vormen van een community die samen de wereld herscheppen zijn games dus erg geschikt om mensen te helpen te oefenen met de zeven gebieden. Welk effect moet een testinstrument voor YourStory meten? Behalve Wright zijn er meer mensen die hebben ontdekt dat er grote verhalen zijn waar mensen in leven. Joseph Campbell beschrijft de monomythe, de essentie van een mythe die hij 'the hero's journey' noemt. De gewone man verlaat zijn bekende comfortabele wereld en gaat de wildernis in, overwint daar zijn driften, raakt verlicht en neemt de verworven geschenken uit de onbekende wereld mee terug naar de gewone wereld om daar tot zegen te zijn. Jonah Sachs ontdekte het verhaal van de schaarste. Marketeers laten de consument ervaren dat hij een groot probleem heeft, een probleem wat inspeelt op de driften van de mens, lust, angst of hebzucht. Vervolgens bieden zij een product aan waardoor de klant toe kan geven aan zijn driften, die niet meer hoeft te overwinnen en een willoze consument kan blijven. Onderzoeker Collins-Mayo en haar collega's onderzochten de worldview van jongeren en ontdekten dat zij leven in een midi-verhaal. Een verhaal waarin geluk bereikt wordt door binnen de veilige wereld van familie en vrienden te blijven, voor hen te zorgen en van hen zorg te ontvangen. Een vergelijking van deze verhalen leidde tot de conclusie dat de verhalen op te delen zijn in twee soorten, een midiverhaal en een metaverhaal. Bij het midiverhaal kijkt de jongere alleen naar zichzelf, zijn vrienden en zijn familie. Bij het metaverhaal voelt de jongere zich ook betrokken bij de wereld buiten zijn eigen kring. Het grote verhaal van Wright is een metaverhaal. Het labelen van de verschillende motivaction mentalityprofielen als metaprofielen en midiprofielen leidde tot de conclusie dat ongeveer 67 procent van de jongeren een midiwereldbeeld heeft en 33 procent een metawereldbeeld. Wanneer Ter Beek als doel heeft dat leerlingen een rol gaan spelen in Wrights metaverhaal en betrokken raken bij het herscheppen van deze wereld dan zullen leerlingen door het spelen van YourStory een shift moeten maken van een midiverhaal naar een metaverhaal. Dit is het effect wat een testinstrument voor YourStory zou moeten meten. Hoe ziet een testinstrument om het effect van YourStory te meten eruit? Voor de gebieden Life, Passion, World en Tribe is een indeling te maken in een mate van betrokkenheid die overeenkomt met een midiwereldbeeld of juist met een metawereldbeeld. Voor de gebieden Soul, Story en Rhytm is dat niet mogelijk. De test heeft om die reden twee delen, een wereldbeelddeel en een reflectiedeel. Bij het wereldbeelddeel kunnen leerlingen na het invullen van de test uitkomen op een mini-, midi- of metaprofiel. Het reflectiedeel meet een intensiteit van reflectie.


Uit de evaluatie van de test door middel van interviews kwam de conclusie dat de test goed functioneerde maar dat vooral het reflectiedeel nog moest worden aangepast, leerlingen verwoordden spiritualiteit op een andere manier dan in de test werd gedaan en scoorden daardoor iets lager dan zou moeten. Ook leverden de interviews een lijst met kleinere wijzigingen op die doorgevoerd moesten worden. Deze punten varieerden van te extreem geformuleerde antwoorden tot antwoorden die misten of die onduidelijk waren.

DISCUSSIE Het eerste deel van het literatuuronderzoek wat voorafging aan het ontwerpen van de test is breed opgezet, en brengt de theorie achter YourStory overzichtelijk in kaart. Deze theorie kende de ontwerper van het spel zelf natuurlijk al wel, maar is nu ook inzichtelijk voor externe partijen en andere onderzoekers. In gesprekken met Ter Beek maakte hij duidelijk dat hij door zijn ervaring met lesgeven wel een idee had van de worldview van leerlingen, maar hij gaf nergens een concrete uiteenzetting van de te verwachten beginsituatie van spelers van YourStory. Het tweede deel van dit onderzoek vult dit gat in kennis op. De worldview van jongeren is door meerdere onderzoekers reeds beschreven, maar ik ken geen onderzoeken die eerder een overzicht van meerdere mogelijke worldviews gaven vanuit een narratief paradigma. Het testinstrument wat het resultaat is van dit onderzoek is geschikt om langetermijneffecten van het spel YourStory te meten. Aangezien het ontwerpen van een testinstrument het doel was van dit onderzoek en het daarmee ook is afgerond, is het logisch vervolgonderzoek het daadwerkelijke gebruik van de test. Het eerste nieuwe onderzoek naar YourStory zou het gebruiken van dit testinstrument voor het meten van een effect van YourStory moeten behelzen. Maar dit is niet genoeg. De test is namelijk niet erg geschikt voor het meten van kortetermijneffecten. Men kan ervan uitgaan dat YourStory op korte termijn slechts beperkte verandering tot gevolg heeft, gezien het gaat om identiteitsontwikkeling en het ontwikkelen van de worldview van de leerling, een proces wat tijd vraagt. Dankzij de ontwerpeis "eenvoudig in te vullen" is deze test niet gedetailleerd en gespecialiseerd genoeg om zeer subtiele nuances te meten. Hier ligt dan ook de werkelijke uitdaging voor nieuw onderzoek. Identiteitsontwikkeling en worldview is dermate complex dat een meetinstrument in de vorm van een eenvoudige "persoonlijkheidstest" niet genoeg is om ook details in effecten betrouwbaar weer te kunnen geven. Het zou goed zijn deze test te gebruiken in combinatie met andere onderzoeksmethodes. Een volgende onderzoeker kan een groter deel van zijn onderzoek besteden aan het daadwerkelijke praktijkonderzoek en het ontwikkelen van testmethodes dan in dit onderzoek mogelijk was, aangezien hij door het lezen van dit onderzoek direct inzicht krijgt in de theoretische kant van het onderwerp. Overige vragen Het onderwerp dat behandeld werd in deel twee van dit onderzoek, over de verschillende "narratieven" waar leerlingen in kunnen leven, wekte mijn nieuwsgierigheid. Het is niet per


se nodig voor YourStory maar het zou wel interessant zijn voor het godsdienstonderwijs in het algemeen (en de algemene dorst naar begrip) om dit onderwerp nog verder te exploreren. Om intensiever en vooral breder onderzoek te doen naar de verschillende "grote verhalen" die mensen vertellen, eventueel ook in andere culturen. Joseph Campbell vond de monomythe wereldwijd en in elke cultuur terug, maar zijn onderzoek stamt uit de tijd van de orale en geschreven traditie, inmiddels hebben we een shift gemaakt via de "broadcast era" naar de "netwerksamenleving" en zoals Sachs ook al aantoonde heeft dat invloed gehad op de inhoud van de verhalen die rond gaan. Ook is het interessant dieper in te gaan op de vraag wat een narratieve aanpak voor implicaties zou kunnen hebben voor het godsdienstonderwijs. Leidt een narratieve aanpak tot een andere houding van de docent, tot concrete werkvormen waarbij leerlingen aan de slag gaan met verhalen, of tot nog iets heel anders?


BIBLIOGRAFIE Beek, J. t. (2012, januari 16). Opgeroepen op maart 12, 2014, van http://baboesjka.wordpress.com/: http://baboesjka.wordpress.com/2012/01/16/de-weg-als-metafoor/ Beek, J. t. (2012, december 7). Opgeroepen op maart 12, 2014, van baboesjka.wordpress.com: http://baboesjka.wordpress.com/2012/12/07/emergingchurches-nl-free-e-book/ Beek, J. t. (2012, april 28). Opgeroepen op maart 2014, 12, van baboesjka.wordpress.com: http://baboesjka.wordpress.com/2012/04/28/is-god-groter-dan-de-hel/ Beek, J. t. (2011). Heerlijk eenvoudig. Amsterdam: Ark Media. Beek, J. t. (2011, Augustus). Waarom hemels leven op aarde begint. CV Koers . Bell, R. (Regisseur). Uit de serie Nooma: Rhytm [Film]. Campbell, J. (1949). The hero with a thousand faces. New York: Pantheon Press. Claiborne, S. (2009). Hoe Jezus de wereld op zijn kop zet. Amsterdam: Buijten en Schipperheijn . Derkse, W. (2003). Een levensregel voor beginners. Tielt: Uitgeverij Lannoo. Ganzevoort, R. (2011). Narratieve benaderingen in de praktische theologie . Humanistiek , 61-70. Joseph Campbell, B. M. (1988 ). The power of myth. Doubleday. McGonical, J. (2012). Beter dan echt. Amsterdam: Maven Publishing. McLaren, B. (2008). The story we find ourselves in. San Francisco: Jossey-Bass. De inhoud van dit boek heb ik voornamelijk bestudeerd vanuit de 'course outline' die erbij geschreven is. http://www.brianmclaren.net/archives/2006/11/course_outline_for_story_we_find_ourselves_in_40 1.html Motivaction, Y. Young Mentality en duurzaamheid. Motivaction en Youngworks. Motivaction, Y. (2006). Youngmentality. De verhalen achter de cijfers. Sanoma Uitgevers. Nullens, P. (2006). Verlangen naar het goede. Bouwstenen voor een christelijke ethiek. Zoetermeer: Boekencentrum. Ronde, M. d. (2009). Speelruimte. Spiritualiteit in het werk tussen willen en moeten. In E. v. Visser, Spiritualiteit werkt (pp. 58-68). Amsterdam: Uitgeverij Buijten & Schipperheijn. Sachs, J. (2012). Winning the storywars. boston: Harvard business review. Sylvia Collins-Mayo, G. C. (2006). Making sense of generation Y. London: Church House Publishing. Wright, N. T. (2007). Eenvoudig christelijk. Franeker: uitgeverij van wijnen. Wright, N. T. (2012). Goed leven. Franeker: Uitgeverij Van Wijnen. Wright, N. T. (1992). The new testament and the people of god: christian origins and the question of God. Fortress Press.


YourStory - wat de game betekent voor de verhalen van jongeren  

Rapportage afstudeeronderzoek van Femmeke Riezebosch naar de serious game YourStory - 2014

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you