Page 1

1

Zinsleer Nederlands 2

ZOLO

Open Hoger Onderwijs Academiejaar 2009-2010

Lectoren: Pieter Van Haute en Daan Debuysere

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


2

INHOUD

2

INLEIDING

3

DOELEN

4

ZINSLEER

5

1

5

EEN TERREINVERKENNING 1.1 SITUERING VAN HET BEGRIP „SYNTAXIS‟ ( LEERPLAN) 1.2 SOORTEN ZINNEN 1.2.1 mededelende zin 1.2.2 vragende zin 1.2.3 bevelende zin 1.2.4 uitroepende zin 1.2.5 besluit 1.3 ONDERSCHIKKING EN NEVENSCHIKKING ( LEERPLAN)

2

TAALSYSTEMATIEK: DE BOUW VAN EEN ZIN 2.1 ZINSDELEN HERKENNEN 2.2 ONDERWERP EN GEZEGDE 2.2.1 Het onderwerp 2.2.2 Het gezegde 2.3 ZINNEN MET EEN WERKWOORDELIJK GEZEGDE 2.3.1 De persoonsvorm 2.3.2 De soorten aanvullingen bij het werkwoordelijk gezegde 2.3.3 Overige zinsdelen 2.3.4 Valentie 2.4 ZINNEN MET EEN NAAMWOORDELIJK GEZEGDE 2.5 STAPPENPLAN BIJ HET ONTLEDEN VAN ZINNEN

Nederlands 2zOLO

zinsleer

5 5 5 5 6 6 6 7 10 10 13 13 17 17 17 19 25 31 35 37

2009-2010


3

Inleiding

In deze cursus zinsleer behandelen we vooral de leerstof van de basisschool. Die kan je ook vinden in het leerplan „Taalbeschouwing, taalsystematiek voor de verschillende leerjarenâ€&#x;. Toch gaan we hier nog een stap verder. Voor lessen taalsystematiek is het immers van het grootste belang dat je meer weet dan de leerlingen, zodat je hen hun grootste twijfels kan wegnemen. Doorheen de cursus vind je oefeningen met een oplossingensleutel.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


4

Doelen

Na het bestuderen van dit deel moet je in staat zijn om de volgende taalkundige onderdelen te benoemen: 

nevenschikking/onderschikking

 

onderwerp gezegde: werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde

 

voorwerpen: lijdend, meewerkend, voorzetselvoorwerp bepalingen: bijwoordelijke

aanvullingen: werkwoordelijke en niet-werkwoordelijke

Je moet ook de benoeming die jij hebt gekozen kunnen verantwoorden (bijv. zinvolle argumenten kunnen aangeven waarom je iets als lijdend voorwerp en niet als naamwoordelijk gezegde benoemt). Daarnaast kan je ook het begrip “valentie” verklaren en de valentie van een werkwoord bepalen. Je zal in het leerplan „Taalbeschouwing‟ lezen dat er in de basisschool niet tot in detail wordt benoemd. Toch heb je die achtergrond nodig om een les taalbeschouwing naar behoren te laten verlopen.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


5

Dit deel sluit aan bij het deelleerplan taalbeschouwing.

1

Een terreinverkenning Situering van het begrip ‘syntaxis’ ( leerplan)

1.1

Als we iemand iets willen vertellen, mondeling of schriftelijk, dan combineren we losse woorden tot grotere gehelen: woordgroepen en zinnen. Die combinaties van woorden zijn niet volledig vrij, maar aan heel wat regels onderworpen. Als moedertaalsprekers van het Nederlands weten we bijvoorbeeld dat zin (1) correct is, maar zin (2) grammaticaal fout (symbool *): (1) JK Rowling heeft al vier boeken over Harry Potter geschreven. (2) *Geschreven al vier boeken heeft JK Rowling Harry Potter over.

De zinsleer of syntaxis (cf. leerplan) bestudeert de bouw van zinnen en probeert daarvoor regels op te stellen.

1.2

Soorten zinnen

We onderscheiden vier soorten zinnen: mededelende, vragende, bevelende en uitroepende. 1.2.1

mededelende zin We gaan uit van twee voorbeeldzinnen: (1) Jan rijdt met zijn fiets naar school. (2) Nederlands is een schitterend vak.

In een mededelende zin staat het vervoegde werkwoord (= de persoonsvorm of pv) op de tweede plaats (= 2e zinsdeel: rijdt en is). Normaal daalt de toonhoogte of intonatie op het einde van een mededelende zin. 1.2.2

vragende zin In vragende zinnen stijgt de toonhoogte of intonatie op het einde van de zin. De zin eindigt met een vraagteken. We onderscheiden twee soorten vragende zinnen: een ja/nee-vraag en een vraagwoordvraag.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


6

1.2.2.1 ja/nee-vraag Rijdt Jan met de fiets naar school?

Bovenstaande zin is een ja/nee-vraag. Je kan namelijk ja of nee als antwoord geven. Het vervoegde werkwoord of de pv staat op de eerste plaats (= eerste zinsdeel). Zoâ€&#x;n omkering van de pv van de tweede plaats (waar hij meestal staat, cf. mededelende zin) naar de eerste noemen we inversie. 1.2.2.2 vraagwoordvraag Wie rijdt met de fiets naar school?

De voorbeeldzin is een vraagwoordvraag. De pv staat hier op de tweede plaats (= tweede zinsdeel), achter het vraagwoord wie. 1.2.3

bevelende zin Neem die fiets! Rij erop!

Bevelende zinnen bevatten meestal een gebiedende wijs (synoniem: imperatief) en eindigen vaak op een uitroepteken. De pv staat meestal op de eerste plaats. 1.2.4

uitroepende zin Kijk, hij rijdt op de fiets!

Uitroepende zinnen worden met veel nadruk en hard uitgesproken. In geschreven taal eindigen ze met een uitroepteken. Het kunnen mededelende, vragende of bevelende zinnen zijn. Ze drukken gewoonlijk waardering of afkeuring uit en het zijn vaak elliptische zinnen.

1.2.5

besluit We kunnen de soorten zinnen schematisch als volgt voorstellen:

mededelende zin vraagzin bevelende zin uitroepende zin

Nederlands 2zOLO

drukt uit mededeling, gedachte Vraag Bevel sterke emotie, uitroep

zinsleer

intonatie dalend stijgend vlak vlak

gevolgd door . punt / ; puntkomma ? vraagteken ! of . !

2009-2010


7

 oefening Noteer bij elke zin of hij mededelend, vragend, bevelend of uitroepend is. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ik heb vanavond heel wat werk. Kom voor het bord! Eet jij ‟s middags op school? Wat een mooie auto! Morgen komt de Sint langs. Eindelijk eens een vrije dag!

sleutel 1. 2. 3. 4. 5. 6.

1.3

mededelend bevelend vragend uitroepend mededelend uitroepend

Onderschikking en nevenschikking ( leerplan)

Enkele voorbeeldzinnen: (1) Ik maak elke dag het eten klaar en ik doe de boodschappen. (2) Tom is gisteren naar huis gegaan, omdat hij zich niet goed voelde. (3) Ik apprecieer mijn collega‟s, want het zijn sympathieke mensen. (3) Toen Roodkapje zich omdraaide, zag ze de boze wolf.

In elk van de bovenstaande zinnen staan twee vervoegde werkwoorden of persoonsvormen (= pv‟s). In zin (1) zijn dit maak en doe. Telkens worden twee enkelvoudige zinnen (die elk een pv hebben) met een voegwoord aan elkaar gekoppeld tot een samengestelde zin (met 2 pv‟s). In zin (1) is het voegwoord en. Samengestelde zinnen kunnen in twee categorieën onderverdeeld worden: er is ofwel een nevenschikkend ofwel een onderschikkend zinsverband. Als twee gelijkwaardige zinnen aan elkaar geschakeld worden, spreekt men van nevenschikking. Nevengeschikte zinnen worden aan elkaar gevoegd met een nevenschikkend voegwoord (en, maar, want, of, …) of gewoon een komma. Typisch voor een nevenschikkend zinsverband is dat het onderwerp en de pv (= het vervoegde werkwoord) direct naast elkaar staan, cf. zin (1) ik (onderwerp) staat naast doe (pv), in zin (3) staat het (onderwerp) naast zijn

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


8

(pv). Hoe je het onderwerp en de pv in een zin zoekt, komt verder in deze cursus aan bod. In zinnen (2) en (4) zijn beide delen van de samengestelde zin niet gelijkwaardig. Een van de enkelvoudige zinnen is telkens minder belangrijk of ondergeschikt aan de andere. We spreken van een onderschikkend zinsverband. In dit geval heb je altijd een hoofdzin en een bijzin. Ondergeschikte zinnen (= bijzinnen) worden ingeleid door een onderschikkend voegwoord (omdat, zodat, opdat, als, toen, terwijl, …). Typisch voor onderschikking is dat het onderwerp en de pv in principe niet naast elkaar staan. In zin (2) geeft de omdat-zin de reden aan van wat er in de andere zin gebeurt. De zinnen staan dus niet gelijkwaardig naast elkaar, maar de omdat-zin is ondergeschikt aan de andere. Proef: hij (= onderwerp) en voelde (= pv) staan niet naast elkaar. Voorbeelden van nevenschikkende en onderschikkende voegwoorden vind je in het leerplan bij de verklarende woordenlijst ( leerplan).

 oefening Bepaal het zinsverband (nevenschikking of onderschikking). Onderlijn de eventuele bijzin. 1. Ik kom naar je feestje, maar ik kan niet lang blijven. 2. Je moet hard studeren, zodat je betere resultaten behaalt. 3. Wil je koffie of wil je thee? 4. Ik denk dat ik vanavond maar eens vroeg ga slapen. 5. Hij weet nog niet of hij dit jaar wel vakantie zal hebben. 6. Wil je het licht uitdoen als je straks buitengaat? 7. Omdat ik veel pijn had, ging ik naar de dokter. 8. Ik kan nu niet langskomen, want ik heb veel te veel werk.

sleutel 1. Ik kom naar je feestje, maar ik kan niet lang blijven. nevenschikking: ik (onderwerp) en kan (vervoegd werkwoord of persoonsvorm) staan naast elkaar 2. Je moet hard studeren, zodat je betere resultaten behaalt. onderschikking: je (onderwerp) en behaalt (pv) staan niet naast elkaar 3. Wil je koffie of wil je thee?

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


9

nevenschikking: wil (pv) en je (onderwerp) staan twee keer naast elkaar 4. Ik denk dat ik vanavond maar eens vroeg ga slapen. onderschikking: ik (onderwerp) en ga (pv) staan niet naast elkaar 5. Hij weet nog niet of hij dit jaar wel vakantie zal hebben. onderschikking: hij (onderwerp) en zal staan niet naast elkaar 6. Wil je het licht uitdoen als je straks buitengaat? onderschikking: je (onderwerp) en buitengaat (pv) staan niet naast elkaar 7. Omdat ik veel pijn had, ging ik naar de dokter. onderschikking: ik (onderwerp) en had (pv) staan niet naast elkaar 8. Ik kan nu niet langskomen, want ik heb veel te veel werk. nevenschikking: ik (onderwerp) en heb (pv) staan naast elkaar

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


10

2

Taalsystematiek: de bouw van een zin 2.1

Zinsdelen herkennen

Elke zin is opgebouwd uit een aantal zinsdelen: Voorbeelden: (1) Nederlands | is | een taal. || (2) De onderwijswetten | zijn | nog niet | zo oud. || (3) Jongens | houden | van ruwe spelletjes. || (4) Leerlingen | hebben | een lastig leven. || (5) De stoel in de tuin | was | blauw | geverfd. ||

(6) | Dat Jan onze jongste zoon is |, | is | daarmee | duidelijk | voor iedereen. || Uit bovenstaande voorbeelden leren we dat een zinsdeel uit één woord (vb. Nederlands), een woordgroep (vb. de stoel in de tuin) of uit een zin (vb. dat Jan onze jongste zoon is) kan bestaan. Zinsdelen kan je herkennen door de verplaatsingsproef toe te passen: als je een woord of een groep woorden gemakkelijk kan verplaatsen, dan heb je te maken met een apart zinsdeel. Voorbeeld: Ik ga elke avond om 5 uur naar huis.

-Verplaats het 1e woord ik: Ga ik elke avond om 5 uur naar huis? Elke avond ga ik om 5 uur naar huis. Elke avond om 5 uur ga ik naar huis.  ik kan gemakkelijk verplaatst worden  ik is een zinsdeel

-Verplaats het 2e woord ga: Ga ik elke avond om 5 uur naar huis? Elke avond ga ik om 5 uur naar huis. Elke avond om 5 uur ga ik naar huis.  ga kan gemakkelijk verplaatst worden  ga is een zinsdeel

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


11

-Verplaats het 3e woord elke: *Elke ga ik avond om 5 uur naar huis. *Ik elke ga avond om 5 uur naar huis. *Ik ga avond elke om 5 uur naar huis. elke kan niet verplaatst worden: elke is geen zinsdeel (maar een zinsdeelstuk)

-Verplaats het 4e woord avond: *Avond ga ik elke om 5 uur naar huis. *Ik avond ga elke om 5 uur naar huis. *Ik ga elke om 5 uur avond naar huis. avond kan niet verplaatst worden: avond is geen zinsdeel

-Verplaats het 3e en 4e woord samen, elke avond: Elke avond ga ik om 5 uur naar huis. Om 5 uur ga ik elke avond naar huis. Naar huis ga ik om 5 uur elke avond. elke avond kan gemakkelijk verplaatst worden: elke avond is een zinsdeel Opmerking! Geen zinsdelen zijn:  de aanspreking (vb.: Jan, gaan we fietsen?)  het tussenwerpsel (vb.: hoor, ach, hm, foei, enz.)  het voegwoord tussen twee zinnen (vb.: dus, maar, want, en, of, noch)

 oefeningen Oefening 1: Verdeel elke zin in zinsdelen door de verplaatsingsproef toe te passen. Baken elk zinsdeel af met een |. Op het einde van de zin zet je ||. 1. 2. 3. 4. 5.

Ik heb thuis twee honden. Mijn man slaapt als een roos. De jongen brengt de brief naar de post. De firma koopt nooit in het buitenland. JK Rowling heeft al vier boeken over Harry Potter geschreven.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


12

sleutel 1. 2. 3. 4. 5.

Ik | heb | thuis | twee honden.|| Mijn man | slaapt | als een roos.|| De jongen | brengt | de brief | naar de post.|| De firma | koopt | nooit | in het buitenland.|| JK Rowling | heeft | al | vier boeken over Harry Potter| geschreven.||

Opmerking: Uit de oplossing van zin 5 blijkt dat de verplaatsingsproef niet waterdicht is. Je kan immers vier boeken en over Harry Potter afzonderlijk voorop plaatsen. Toch gaat het hier om ĂŠĂŠn langer zinsdeel; over Harry Potter is immers een specificatie bij boeken (vier Harry Potter-boeken). Het omgekeerde probleem doet zich voor bij kleine bijwoordjes zoals al. Je kan dit woordje maar moeilijk voorop plaatsen zonder dat de grammaticaliteit van de zin verloren gaat. Toch is al een afzonderlijk zinsdeel. Met de verplaatsingsproef moet je dus voorzichtig omspringen. Oefening 2: Verdeel elke zin in zinsdelen door de verplaatsingsproef toe te passen. Baken elk zinsdeel af met een |. Op het einde van de zin zet je ||. Jip liep in de tuin en hij verveelde zich. Maar kijk, wat zag hij daar? Een klein gaatje in de heg. Wat zou er aan de andere kant van de heg zijn? Een paleis? Een hek? Een ridder? Hij ging op de grond zitten en keek door het gaatje. En wat zag hij? Een klein neusje. En een klein mondje. En twee blauwe oogjes. Daar zat een meisje. Zij was net zo groot als Jip. Annie M.G.SCHMIDT, Jip en Janneke spelen samen

Ja, ze zitten goed. Het is lekker zacht. Maar Janneke is wel een tikje angstig. Nu staat de kameel op. Oei, wat is hij nou hoog. Jip houdt zich vast aan een pluk haar. En Janneke houdt zich ook met allebei haar handjes vast. De kameel heeft gelukkig overal grote plukken haar. Erg slordig. Hij moest nodig eens gekamd worden. Annie M.G.SCHMIDT, In Artis

Arces vergat even zijn ellende bij het uitzicht dat zich voor hem ontvouwde. Boven op een tafelberg, onneembaar hoog, lag een stad. Hiermee vergeleken lag Clusium maar op een molshoop. Toch was er iets mis met deze vesting. Toen hij een eind de helling was afgestrompeld, zag hij het duidelijk. Deze stad was dood. Hedwig VAN DE VELDE, Het spoor van de vleugelgod

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


13

sleutel Jip | liep | in de tuin | en | hij | verveelde | zich.|| Maar | kijk|, | wat | zag | hij | daar?|| Een klein gaatje | in de heg.|| Wat | zou | er | aan de andere kant van de heg | zijn?|| Een paleis?|| Een hek?|| Een ridder?|| Hij | ging | op de grond | zitten | en | keek | door het gaatje.|| En | wat | zag | hij?|| Een klein neusje.|| En | een klein mondje.|| En | twee blauwe oogjes.|| Daar | zat | een meisje.|| Zij | was | net zo groot als Jip.|| Annie M.G.SCHMIDT, Jip en Janneke spelen samen Ja,| ze | zitten | goed.|| Het | is | lekker zacht.|| Maar | Janneke | is | wel | een tikje angstig.|| Nu | staat | de kameel | op.|| Oei,| wat | is | hij | nou | hoog.|| Jip | houdt | zich | vast | aan een pluk haar.|| En | Janneke | houdt | zich | ook | met allebei haar handjes | vast.|| De kameel | heeft | gelukkig | overal | grote plukken haar.|| Erg slordig.|| Hij | moest | nodig | eens | gekamd |worden.|| Annie M.G.SCHMIDT, In Artis

Arces | vergat | even | zijn ellende | bij het uitzicht dat zich voor hem ontvouwde.|| Boven op een tafelberg,| onneembaar hoog,| lag | een stad.|| Hiermee vergeleken | lag | Clusium | maar op een molshoop.|| Toch | was | er | iets | mis | met deze vesting.|| Toen hij een eind de helling was afgestrompeld,| zag | hij | het | duidelijk.|| Deze stad | was | dood.|| Hedwig VAN DE VELDE, Het spoor van de vleugelgod

2.2

Onderwerp en gezegde

We vertrekken van een voorbeeldzin: De leerlingen van de vijfde klas maakten na de wandeling een tekening van everzwijnen.

Eerste vraag: „Over wie wordt er iets gezegd?‟ (antwoord = het onderwerp) Tweede vraag: „Wat wordt ervan gezegd?‟(antwoord = het gezegde).

Een zin bestaat uit een onderwerp en een gezegde. 2.2.1

Het onderwerp Het onderwerp in een zin kan je op verschillende manieren vinden. Methode 1: wie/wat-vraag: Het onderwerp is dat zinsdeel dat we als antwoord krijgen als we „wie‟ of „wat‟ voor het werkwoord plaatsen.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


14

Voorbeeld: Gisteren rinkelde de telefoon de hele tijd.

 Wat rinkelde? de telefoon Ik nam de telefoon op.

 Wie nam op? ik De methode van de wie/wat-vraag is niet waterdicht, zoals uit het tweede voorbeeld blijkt: moet je een vraag stellen met wie of met wat? Met wat kan hier ook, maar levert het lijdend voorwerp (en niet het onderwerp) als resultaat op. Methode 2: de getalsproef: het onderwerp is dat zinsdeel dat samen met de pv verandert als we het in het enkelvoud of meervoud zetten. In onderstaand voorbeeld verandert niet alleen komt in komen, maar ook jongen in jongens. Voorbeeld: Onze jongen komt morgen logeren. (enkelvoud) Onze jongens komen morgen logeren. (meervoud)

(De zinnen Onze jongen komen morgen logeren en Onze jongens komt morgen logeren zijn allebei ongrammaticaal.) Het onderwerp staat meestal net voor of net achter de pv, maar dat hoeft niet. Kijk bijv. naar de volgende zin: Jammer genoeg heeft deze winter griep veel slachtoffers gemaakt.

 Wat heeft slachtoffers gemaakt?  griep Dus: griep is onderwerp, niet deze winter! Een onderwerp kan echter nooit loskomen van de pv als het gaat om zulke kleine woordjes als ie, ze, het, we, je (= de onbeklemtoonde persoonlijke voornaamwoorden). Vergelijk: Komen morgen onze jongens logeren?

(onze jongens = onderwerp, gescheiden van komen (pv) door het woordje morgen) Met: *Komen morgen ze logeren?

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


15

(ze = onderwerp, gescheiden door het woordje morgen‟ van komen (pv) vormt een grammaticaal foutieve zin, zie asterisk)

 oefening Oefening 1: Onderstreep in volgende zinnen het onderwerp. Alle zinsdelen die geen onderwerp zijn, noemen we gezegde. We gaan dadelijk in op het gezegde (zie §2.2.2.)

1. 2. 3. 4. 5. 6.

Morgen komt Jan naar huis. Piet en Mieke gaan regelmatig samen op stap. Ik woon al 10 jaar in Gent. Frankrijk is een prachtig land met veel mooie landschappen. In die streken zie je regelmatig een wolf. Gisteren heeft mijn broer Mark een meisje aan de haak geslagen.

sleutel 1. Morgen komt Jan naar huis. want: Wie komt morgen naar huis? (methode 1: wie/wat-vraag: Jan is het onderwerp) of: Komen Jan en Piet morgen naar huis? (methode 2: getalsproef: onderwerp én pv veranderen allebei van enkelvoud naar meervoud) 2. Piet en Mieke gaan regelmatig samen op stap. want: Gaan Piet en Mieke regelmatig samen op stap? of: Piet gaat regelmatig op stap. (getalsproef) 3. Ik woon al 10 jaar in Gent. want: Woon ik al 10 jaar in Gent? of: Els en ik wonen al 10 jaar in Gent. 4. Frankrijk is een prachtig land met veel mooie landschappen. want: Is Frankrijk een prachtig land met veel mooie landschappen? of: Frankrijk en Duitsland zijn prachtige landen met veel mooie landschappen. 5. In die streken zie je regelmatig een wolf. want: Zie je in die streken regelmatig een wolf? of: In die streken zien jij en ik regelmatig een wolf. 6. Gisteren heeft mijn broer Mark een meisje aan de haak geslagen.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


16

want: Heeft mijn broer Mark gisteren een meisje aan de haak geslagen? of: Hebben mijn broer Mark en ik gisteren een meisje aan de haak geslagen? Oefening 2: Onderstreep in elke zin het onderwerp.

sleutel 1. In Los Angeles heeft “The lord of the rings: The return of the king” zijn favorietenrol waargemaakt. want: In Los Angeles hebben “Scream” en “The lord of the rings: The return of the king” hun favorietenrol waargemaakt. (methode 2: getalsproef) 2. Het derde deel van de Tolkien-trilogie was 11 keer genomineerd voor de Academy Awards en won evenveel Oscars. want: Het derde deel van de Tolkien-trilogie en het tweede deel waren … 3. Met deze 11 trofeeën evenaart “The lord of the rings” het record van “Ben Hur” (1959) en “Titanic” (1997). want: “The lord of the rings” en de film “Seven” evenaren … 4. Op de 76e Oscaruitreiking won Sofia Coppola als eerste vrouw de Oscar voor beste scenario (“Lost in translation”). want: Wie won … ? Sofia Coppola (methode 1) of: Sofia Coppola en x wonnen … (methode 2)

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


17

5. De Oscars voor de beste acteurs gingen naar de Zuid-Afrikaanse Charlize Theron en enigszinds verrassend naar Sean Penn. want: Wat ging naar … ? de Oscars voor de beste acteurs (methode 1) of: De Oscar voor de beste acteur ging … (methode 2) 2.2.2

Het gezegde

Wat is het?

Wat er over het onderwerp wordt gezegd in bovenstaande zinnen, benoemen we als het gezegde.

Soorten gezegdes

Waaruit bestaat het gezegde? De actuele Nederlandse (school)grammatica‟s onderscheiden verschillende soorten gezegdes: 

Wanneer een gezegde zegt wat het onderwerp doet, of wat ermee gebeurt, dan bevat het een WERKWOORDELIJK GEZEGDE.

Wanneer een gezegde zegt wat of hoe het onderwerp is, dan bevat het een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE.

2.3

Zinnen met een werkwoordelijk gezegde

Het werkwoordelijk gezegde (WWG) bestaat uit:

2.3.1

een persoonsvorm

al dan niet gecombineerd met een (niet-)werkwoordelijke aanvulling

De persoonsvorm Je kan de persoonsvorm of pv taalsystematisch aan de volgende kenmerken herkennen: 

staat op de eerste zinsplaats in een ja/nee-vraag

is een werkwoordsvorm die kan veranderen van getal (enkelvoud naar meervoud of omgekeerd)

In de volgende voorbeelden zijn de onderstreepte woorden pv‟s. (1) Hij gaat elke avond om 5 uur naar huis.

 want: Gaat hij elke avond om 5 uur naar huis? (pv „gaat‟ staat op eerste zinsplaats)

(2) Zij verdienen niet genoeg met 1500 euro netto per maand.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


18

 want: Verdienen zij niet genoeg met 1500 euro netto per maand? (3) Hij heeft haar gisteren ten huwelijk gevraagd.

 want: Heeft hij haar gisteren ten huwelijk gevraagd? (4) Jij moet elke avond naar het voetbalveld gaan kijken?

 want: Moet jij elke avond naar het voetbalveld gaan kijken?

 oefening Onderstreep de persoonsvorm (pv) in de volgende zinnen. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Ik heb een hekel aan kaas. Deze oefening vind ik erg gemakkelijk. Ik houd erg veel van chocolade. Dit reepje chocolade kan er nog wel bij. Ze moet al haar huiswerk nog maken. Op de skipistes lag er erg veel sneeuw. Er lagen drie sneeuwvlokjes op haar jas. Hij heeft alle hoop opgegeven.

sleutel Je vindt de pv door de zin vragend te maken. De pv is dan het eerste zinsdeel. 1. Ik heb een hekel aan kaas. want: Heb ik een hekel aan kaas? 2. Deze oefening vind ik erg gemakkelijk. want: Vind ik deze oefening erg gemakkelijk? 3. Ik houd erg veel van chocolade. want: Hou ik erg veel van chocolade? 4. Dit reepje chocolade kan er nog wel bij. want: Kan dit reepje chocolade er bij mij nog wel bij? 5. Ze moet al haar huiswerk nog maken. want: Moet ze al haar huiswerk nog maken? 6. Op de skipistes lag er erg veel sneeuw. want: Lag er op de skipistes erg veel sneeuw? 7. Er lagen drie sneeuwvlokjes op haar jas. want: Lagen er drie sneeuwvlokjes op haar jas? 8. Hij heeft alle hoop opgegeven. want: Heeft hij alle hoop opgegeven? Opmerking: In zin 2 is erg gemakkelijk gezegde bij het lijdend voorwerp (deze oefening).

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


19

Een werkwoord kan verschillende functies hebben: het kan zelfstandig werkwoord, hulpwerkwoord of koppelwerkwoord zijn (zie cursus woordleer). De laatste twee hebben als term niets te zoeken in de basisschool, hoewel je hun functie wel nodig hebt om een onderscheid te maken tussen het naamwoordelijk en het werkwoordelijk gezegde.

Je kan je echter beperken tot volgend onderscheid:

2.3.2

het werkwoordelijk gezegde verwoordt wat het onderwerp doet,

het naamwoordelijk gezegde verwoordt wat het onderwerp is.

De soorten aanvullingen bij het werkwoordelijk gezegde Een persoonsvorm kan in een zin nog bijkomende assistentie krijgen van een werkwoordelijke aanvulling (= “werkwoordelijke rest”) of een niet-werkwoordelijke aanvulling (= “niet-werkwoordelijke rest”).

2.3.2.1 werkwoordelijke aanvulling De persoonsvorm heeft niet altijd een eigen betekenis. De pv krijgt soms hulp van een ander werkwoord dat wel een eigen betekenis heeft. De pv wordt dan aangevuld door een werkwoordelijke aanvulling of ook vaak werkwoordelijke rest genoemd.

Deze aanvulling kan gebeuren onder de vorm van een voltooid deelwoord (vb. gespeeld, nagedacht, beloofd, …), onder de vorm van één of meer infinitieven (vb. spelen, nadenken, beloven, …) of (om) te + infinitief, of een combinatie van een voltooid deelwoord met één of meer infinitieven. Pv‟s die aangevuld worden door een werkwoordelijke aanvulling noemen we hulpwerkwoorden.

Bekijk

in

onderstaande

zinnen

telkens

de

soort

werkwoordelijke aanvulling (telkens onderstreept).

(1) Ben je elke avond om 11 uur naar huis gegaan?

 voltooid deelwoord als werkwoordelijke aanvulling (2) Kan jij niet genoeg verdienen met 1500 euro netto per maand?

 infinitief als werkwoordelijke aanvulling (3) Heeft hij jou gisteren ten huwelijk gevraagd?

 voltooid deelwoord als werkwoordelijke aanvulling

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


20

(4) Moet jij nu echt elke avond naar het voetbalveld gaan kijken?

 infinitief + infinitief als werkwoordelijke aanvulling (5) Zit je hier lang te werken?  te + infinitief als werkwoordelijke aanvulling (6) Ik zou al lang een veel betere baan gehad kunnen hebben.  combinatie van één voltooid deelwoord en twee infinitieven

De persoonsvormgen zijn hier: ben, kan, heeft, moet, zit en zou. Ze hebben op zich geen echte betekenis, maar helpen een ander werkwoord om zich te vervoegen (cf. de term “hulpwerkwoord”).

 oefening Onderstreep in de volgende zinnen de werkwoordelijke aanvulling en bepaal of ze voltooid deelwoord, infinitief of (om) te + infinitief is. 1. Ik heb een boek van Hugo Claus ontleend in de bibliotheek. 2. Ze heeft de tas op haar rug gedragen. 3. Het is te vroeg om te beslissen. 4. De peren zijn op de vloer gevallen. 5. Lien wil elke morgen met de trein naar het werk gaan. 6. Ik ga elke avond met de kinderen spelen in het park. 7. Hij zal nog veel moeten leren zwijgen. 8. Hij heeft de dief horen weglopen. 9. Alsjeblieft, tracht in het vervolg op tijd te komen. 10. Wie heeft hier dit feestje georganiseerd?

sleutel 1. Ik heb een boek van Hugo Claus ontleend in de bibliotheek. voltooid deelwoord 2. Ze heeft de tas op haar rug gedragen. voltooid deelwoord 3. Het is te vroeg om te beslissen. om te + infinitief 4. De peren zijn op de vloer gevallen. voltooid deelwoord 5. Lien wil elke morgen met de trein naar het werk gaan. infinitief

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


21

6. Ik ga elke avond met de kinderen spelen in het park. infinitief 7. Hij zal nog veel moeten leren zwijgen. infinitief + infinitief + infinitief 8. Hij heeft de dief horen weglopen. infinitief + infinitief 9. Alsjeblieft, tracht in het vervolg op tijd te komen. te + infinitief 10. Wie heeft hier dit feestje georganiseerd? voltooid deelwoord

2.3.2.1.1. ondoordringbaarheid van de werkwoordelijke eindgroep De werkwoordelijke rest is in het Algemeen Nederlands ondoordringbaar. Dit wil zeggen dat de werkwoorden op het einde van een zin samen moeten staan, een niet-werkwoord mag niet tussen twee werkwoorden in staan. Vlamingen hebben echter nogal eens de neiging (onder invloed van hun dialect) tegen deze regel te zondigen.

Fout zijn dus: (1) *Ik zou er niet meer kunnen aan wennen.

(aan is geen werkwoord, staat tussen kunnen en wennen) (2) *Als ik er moet mee naar huis gaan, duurt het veel te lang.

(mee en naar huis staan tussen moet en gaan)

Correct is wel: (1) Ik zou er niet meer aan kunnen wennen. (2) Als ik ermee naar huis moet gaan, duurt het veel te lang.

 oefening Ga na of in de volgende zinnen de werkwoordelijke eindgroep ondoordringbaar werd gehouden of niet, en verbeter indien nodig.

1. AIDS is geen ziekte waar je zomaar aan kunt sterven. 2. Een EHBO-cursus is een cursus waar velen zich zullen voor interesseren.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


22

3. Dat is een onderwerp waar je veel kunt over vertellen. 4. Ik vrees dat we er niet in zullen slagen. 5. Hij benadrukte dat er met veel factoren moet rekening gehouden worden. 6. Hij heeft nooit willen afstand doen van zijn vier kinderen. 7. Hij zei dat hij er geen aandacht had aan geschonken. sleutel Tussen twee of meer werkwoorden op het einde van de zin mag geen enkel niet-werkwoord staan. 1. correct 2. Een EHBO-cursus is een cursus waar velen zich voor zullen interesseren. 3. Dat is een onderwerp waar je veelt over kunt vertellen. 4. correct 5. Hij benadrukte dat er met veel factoren rekening gehouden moet worden. [rekening is geen werkwoord maar een zelfst. naamwoord] 6. Hij heeft nooit afstand willen doen van zijn vier kinderen. 7. Hij zei dat hij er geen aandacht aan had geschonken.

2.3.2.1.2. slechts 1 voltooid deelwoord mogelijk als werkwoordelijke aanvulling In tegenstelling tot de infinitieven is er in correct Algemeen Nederlands meestal maar één voltooid deelwoord mogelijk. Dialectisch gebruik laat hier wel eens twee of meer voltooid deelwoorden zien. Vooral geworden en geweest zijn nogal eens overbodig in de standaardtaal. Let op in passieve zinnen (zie woordleer). Vergelijk: (1) *Hij is opgebeld geworden. (2) *Hij is opgebeld geweest. (3) *Hij is opgebeld geweest geworden. (4) Hij is opgebeld. (correct!)

 oefening Verbeter zo nodig de zin op het aantal voltooid deelwoorden.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


23

1. Mijn vader is nu ook op brugpensioen gesteld geworden. 2. Zijn er nog besparingsmaatregelen genomen geworden? 3. Hij is in zijn bewegingsruimte beperkt. 4. De piano is door de pianist zelf bespeeld geworden. 5. Er zijn dit jaar al meer dan 30 000 cursisten ingeschreven geweest geworden. 6. Het is me niet duidelijk waarom er door die benoeming niet eerder een signaal is gegeven.

sleutel 1. Mijn vader is nu ook op brugpensioen gesteld geworden. 2. Zijn er nog besparingsmaatregelen genomen geworden? 3. correct 4. De piano is door de pianist zelf bespeeld geworden. 5. Er zijn dit jaar al meer dan 30 000 cursisten ingeschreven geweest geworden. 6. correct

2.3.2.2 niet-werkwoordelijke aanvulling Pvâ€&#x;s kunnen ook een niet-werkwoordelijke rest (of aanvulling) krijgen. De aanvulling is dan geen werkwoord, maar iets anders. Er zijn verschillende soorten niet-werkwoordelijke rest: 1. het eerste stuk van een scheidbaar samengesteld werkwoord: vb.: We kwamen pas om negen uur aan (aankomen = scheidbaar ww)

2. het niet-werkwoordelijk deel van een werkwoordelijke uitdrukking: vb.: Mijn dochtertje eet weer met lange tanden.

(uitdrukking: met lange tanden eten) 3. het wederkerig en wederkerend voornaamwoord: vb.: Hij wast zich elke morgen met zeep. vb.: We plagen elkaar.

4. Er bij een hoofdtelwoord: vb.: Ik heb er drie.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


24

 oefening Onderstreep de niet-werkwoordelijke rest(en) in onderstaande zinnen. 1. Mijn man wast altijd de borden en de glazen af. 2. Ze plagen elkaar zo graag. 3. Hij kan zich niet verdedigen 4. De wolf was steeds op zijn hoede. 5. Hij wast zich elke dag met zeep. 6. Vorige week heb ik er twintig gekocht. 7. Bel me morgen nog eens op. 8. Er lagen er zeven in de kast. sleutel 1. Mijn man wast altijd de borden en de glazen af. 2. Ze plagen elkaar zo graag. 3. Hij kan zich niet verdedigen 4. De wolf was steeds op zijn hoede. 5. Hij wast zich elke dag met zeep. 6. Vorige week heb ik er twintig gekocht. 7. Bel me morgen nog eens op. 8. Er lagen er zeven in de kast.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


25

2.3.3

Overige zinsdelen - De VOORWERPEN (lijdend, meewerkend en voorzetselvoorwerp) zijn direct betrokken bij de gebeurtenis die het werkwoordelijk gezegde (met name de pv) uitdrukt, en maken er een onmisbaar deel van uit. - De BEPALINGEN bieden bijkomende informatie. Het gaat hierbij om de verschillende zgn. bijwoordelijke bepalingen (van tijd, middel, richting, enz.).

Hierna gaan we eerst in op de voorwerpen. Onder 2.3.3.2. geven we een overzicht van de bijwoordelijke bepalingen. 2.3.3.1 De voorwerpen Een werkwoord kan om een noodzakelijk voorwerp vragen. Dat kan een lijdend voorwerp, een meewerkend voorwerp of een voorzetselvoorwerp zijn. Hieronder werken we elk voorwerp verder uit.

2.3.3.1.1. Het lijdend voorwerp (direct object) Bijvoorbeeld: Ik lees een boek. Ik heb gisteren jouw broer gezien.

Het lijdend voorwerp is een IETS- of IEMAND-deel bij een zelfstandig werkwoord. Zie ook de verklarende woordenlijst in het leerplan. Hier heeft men het erover dat sommige werkwoorden een lijdend voorwerp vereisen (zie woordleer: overgankelijke werkwoorden) Andere werkwoorden hebben geen lijdend voorwerp (onovergankelijke werkwoorden). Het lijdend voorwerp (lv) vind je door wie of wat voor het werkwoord en het onderwerp te plaatsen. Wat je dan als antwoord krijgt, is het lijdend voorwerp. Bijvoorbeeld: (1) Ik nam de hoorn op.

ďƒ¨ Wat nam ik op? de hoorn (is lijdend voorwerp) (2) Ik heb de man gezien.

ďƒ¨ Wie heb ik gezien? de man (3) Ik heb haar gisteren opgebeld.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


26

 Wie heb ik opgebeld? haar (4) De jongens hebben ons in het café gezien.

 Wie hebben de jongens gezien? ons Net zoals het onderwerp kan het lijdend voorwerp nooit met een voorzetsel beginnen of met een achterzetsel eindigen. Het bestaat vaak uit een zelfstandig naamwoord (zie (1) en (2) hierboven) of een persoonlijk voornaamwoord (zie (3) en (4) hierboven).

 oefening Onderstreep in volgende zinnen het lijdend voorwerp. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ik heb gisteren een gsm gekocht voor jou. De nota bespreekt het levensbreed leren. Heb je hem al gezien vandaag? De minister stelde haar nieuwe beleidsnota voor. Daar heb je degene die alles gezien heeft. In de les leren de kinderen de namen van de bloemen.

sleutel 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ik heb gisteren een gsm gekocht voor jou. De nota bespreekt het levensbreed leren. Heb je hem al gezien vandaag? De minister stelde haar nieuwe beleidsnota voor. Daar heb je degene die alles gezien heeft. In de les leren de kinderen de namen van de bloemen.

2.3.3.1.2. Het meewerkend voorwerp (indirect object) Bijvoorbeeld: Ik geef (aan) die knappe man een kus. Ik zal (voor) jou een kopje koffie zetten.

Het meewerkend voorwerp is het AAN/VOOR IEMAND-deel waarbij aan/voor kan wegvallen. Dit voorwerp „werkt mee‟ met het werkwoord. Het meewerkend voorwerp of mv is dat zinsdeel dat je als antwoord krijgt als je voor wie of aan wie voor het onderwerp en het werkwoord plaatst. Het is een zinsdeel dat kan of moet voorkomen naast het lijdend voorwerp en het is vaak een levend wezen. Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


27

Bijvoorbeeld: (1) Ik gaf hem wat vleesbrokjes.

 Aan wie gaf ik wat vleesbrokjes? hem (2) Ze kochten een boek voor hem.

 Voor wie kochten ze een boek? voor hem (3) Ze hebben hem gisteren een brief gestuurd.

 (Aan) wie hebben ze gisteren een brief gestuurd? (aan) hem Opgelet: Verwar het lijdend voorwerp en het meewerkend voorwerp niet! Soms weet je niet goed of een zinsdeel nu lijdend voorwerp is of meewerkend voorwerp. Bekijk volgende zinnen. (1) Ze geeft les aan haar dochter. (2) Hij schreef zijn vriend een smeekbrief.

Op het eerste gezicht zijn beide zinnen vrij gelijk gebouwd. In zin 1 is aan haar dochter het meewerkend voorwerp. In zin 2 is dit zijn vriend. Als je van het werkwoord een zelfstandig naamwoord maakt, wordt het duidelijker. Dan krijg je respectievelijk: (1) Het lesgeven aan haar dochter. (2) Het schrijven van een smeekbrief aan zijn vriend.

Door in beide zinnen het woordje aan (in andere gevallen soms voor) te gebruiken, wordt duidelijk wat het meewerkend voorwerp is. Deze proef kan je in de oefeningen toepassen.

 oefening Onderstreep in onderstaande zinnen het meewerkend voorwerp. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

Ik wens je een aangename dag. We geven onze beste klanten 10% korting. Vader heeft ons gevraagd wat we morgen doen. Hij heeft jou deze cd‟s gegeven. Wil je me dat eens teruggeven? Zoiets wens ik niemand toe. Ik zal het aan die vrouw vragen. Iemand die er niet in gelooft, kan je het niet verkopen.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


28

sleutel 1. Ik wens je een aangename dag. (aan jou) 2. We geven onze beste klanten 10% korting. (aan onze beste klanten) 3. Vader heeft ons gevraagd wat we morgen doen. (aan ons) 4. Hij heeft jou deze cd‟s gegeven. (aan jou) 5. Wil je me dat eens teruggeven? (aan mij) 6. Zoiets wens ik niemand toe. (aan niemand) 7. Ik zal het aan die vrouw vragen. 8. Iemand die er niet in gelooft, kan je het niet verkopen. (aan iemand)

2.3.3.1.3. Het voorzetselvoorwerp

Bijvoorbeeld: (1) Ik houd van bloemen. (2) Ze vertelt over haar skireis.

Het voorzetselvoorwerp is een zinsDEEL dat met een VAST VOORZETSEL begint. Betekenis van een vast voorzetsel: het is vast verbonden aan het werkwoord, d.w.z. dat het onvervangbaar én onweglaatbaar is. In zin (1) hoort het voorzetsel van vast bij het werkwoord houden: we zeggen altijd houden VAN iets of iemand en niet houden tegen/op/onder/naar. In zin (2) hoort het voorzetsel „over‟ vast bij het werkwoord „vertellen‟: we zeggen altijd vertellen OVER iets of iemand en niet vertellen op/in/naar. Een voorzetselvoorwerp of vv is een zinsdeel (nooit een zinsdeelstuk) dat begint met een vast voorzetsel (= één bepaald voorzetsel dat absoluut bij het werkwoord moet staan) en waarbij je het voorzetsel kunt vervangen door er + voorzetsel. Bijvoorbeeld: (1) Ik reken op jullie medewerking

 rekenen op is een vaste constructie; rekenen tegen of rekenen met niet  Ik reken erop dat jullie meewerken. (2) We hebben enorm genoten van deze film.

 genieten van is een vaste constructie; genieten op of genieten met niet  We hebben er enorm van genoten dat die film zo goed was.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


29

 oefening Onderstreep in elke zin het voorzetselvoorwerp. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Hij verlangde naar een goeie pint bier. Zij gelooft niet meer in Sinterklaas. Hij leed erg onder het verlies van zijn moeder. Ik wacht hier al 10 minuten op de trein. Ik zie erg op tegen dit functioneringsgesprek. Mijn akkoord hangt af van jouw voorstellen.

sleutel 1. Hij verlangde naar een goeie pint bier.  verlangen NAAR iets (vast voorzetsel bij het werkwoord)  Hij verlangde ernaar een goeie pint bier te krijgen. 2. Zij gelooft niet meer in Sinterklaas.  geloven IN iets/iemand  Zij gelooft er niet meer in. 3. Hij leed erg onder het verlies van zijn moeder.  lijden ONDER iets  Hij leed er erg onder dat hij zijn moeder verloor. 4. Ik wacht hier al 10 minuten op de trein.  wachten OP iets  Ik wacht er hier al 10 minuten op. 5. Ik zie erg op tegen dit functioneringsgesprek.  opzien TEGEN iets  Ik zie er erg tegen op. 6. Mijn akkoord hangt af van jouw voorstellen.  afhangen VAN iets  Mijn akkoord hangt ervan af.

2.3.3.2 De bijwoordelijke bepalingen We vertrekken weer van volgende voorbeeldzin: De kinderen maakten na hun wandeling een tekening van everzwijnen.

We krijgen hier nog bijkomende informatie, nl. wanneer?. Het gaat hier om een bepaling. Enkele kenmerken van bijwoordelijke bepalingen:  

ze zijn minder direct betrokken bij het werkwoord ze geven een verdere omschrijving of beperking aan

ze kunnen bijna altijd weggelaten worden

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


30

De bijwoordelijke bepaling is de vergaarbak onder zinsdelen: het aantal bijwoordelijke bepalingen in een zin is in principe onbeperkt. Naar inhoud kunnen we verschillende soorten bijwoordelijke bepalingen onderscheiden (tussen haakjes staat het hulpmiddel om ze te vinden). Onderstaande lijst kan nog verder aangevuld worden. bijwoordelijke bepaling van plaats ( waar?) We zijn overmorgen terug in België.

 Waar zijn we overmorgen terug? in België (bijw. bep. van plaats) bijwoordelijke bepaling van richting ( waarheen, waaruit, waarvandaan?) Hij reed recht het water in.

 Waarheen reed hij? het water in (bijw. bep. van richting) bijwoordelijke bepaling van tijd ( wanneer? / hoe lang?) Ik ga vanavond naar de bioscoop.

 Wanneer ga ik naar de bioscoop? vanavond (bijw. bep. van tijd) bijwoordelijke bepaling van oorzaak ( waardoor?) Ik kon die tegenligger niet zien door de dikke mist.

 Waardoor kon ik die tegenligger niet zien? door de dikke mist (bijw. bep. van oorzaak) bijwoordelijke bepaling van voorwaarde ( onder welke voorwaarde?) Met regelmatige studie zal je er geraken

 Onder welke voorwaarde zal ik er geraken? met regelmatige studie (bijw. bep. van voorwaarde) bijwoordelijke bepaling van toegeving ( ondanks wat?) Ondanks zijn harde inzet is haar zoon toch niet geslaagd.

 Ondanks wat is haar zoon niet geslaagd? ondanks zijn harde inzet (bijw. bep. van toegeving) bijwoordelijke bepaling van wijze ( hoe?) Hij wees hem vriendelijk de deur.

 Hoe wees hij hem de deur? vriendelijk (bijw. bep. van wijze) bijwoordelijke bepaling van middel ( waarmee?) Ik zal dit betalen met een overschrijving.

 Waarmee zal ik dit betalen? met een overschrijving (bijw. bep. van middel)

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


31

 oefening Onderstreep de bijwoordelijke bepalingen in volgende zinnen en vermeld ook om welke soort bijwoordelijke bepaling het gaat. 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ik had vroeger konijntjes. Er lagen 7 dode kikkers in de vijver. Ik zit er al een hele tijd aan te denken. Ze gaat met de trein naar haar werk. Op mijn verjaardag schenk ik al mijn vrienden een Hoegaarden in. Precies om half zeven stoppen we met het feest, omdat Griet en Filip dan moeten vertrekken.

sleutel 1. Ik had vroeger konijntjes. (bijw. bep. van tijd: wanneer?) 2. Er lagen 7 dode kikkers in de vijver. (bijw. bep. van plaats: waar?) 3. Ik zit er al een hele tijd aan te denken. (bijw. bep. van tijd: hoe lang?) 4. Ze gaat met de trein naar haar werk. (bijw. bep. van middel; bijw. bep. van richting: waarheen?) 5. Op mijn verjaardag schenk ik al mijn vrienden een Hoegaarden in. (bijw. bepaling. van tijd: wanneer?) 6. Precies om half zeven stoppen we met het feest, omdat Griet en Filip dan moeten vertrekken. (2 x bijw. bep. van tijd: wanneer?)

2.3.4

Valentie Onder valentie verstaan we het vermogen of de kracht van het werkwoordelijk gezegde om verbindingen aan te gaan met andere zinsdelen. Het geeft aan hoeveel „medespelers‟ een een werkwoord normaal nodig heeft. Een predicaat (werkwoord) met een valentie van twee heeft dus twee „verplichte medespelers‟ (voorwerpen) nodig om een grammaticaal correcte zin te bouwen. Meestal zijn die medespelers onderwerp en lijdend voorwerp. Al naar gelang het aantal voorwerpen dat een WWG aan zich bindt, onderscheiden we volgende werkwoorden: − transitieve of overgankelijke werkwoorden (bivalent = valentie 2) Een werkwoord als beluisteren vereist buiten het onderwerp ook nog een lijdend voorwerp, vgl. (1a) *De dokter beluistert. (1b) De dokter beluistert mijn hartslag.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


32

− intransitieve of onovergankelijke werkwoorden (monovalent = valentie 1) Een werkwoord als luisteren duldt daarentegen geen lijdend voorwerp naast zich, enkel het onderwerp.Vgl.: (2a) *Klaas luistert het lied. wel: (2b) Klaas luistert naar het lied. (= “standaardrealisatie” van luisteren) (2b) Klaas luistert.

Dat intransitieve werkwoorden niet samengaan met een lijdend voorwerp, wil nog niet zeggen dat die werkwoorden niet samen met een zinsdeel dat geen voorzetselvoorwerp is, kunnen voorkomen. (3) Klaas luistert de hele middag. (vgl. met 2b: voorzetselvoorwerp naar het lied)

De hele middag heeft uiteraard een andere functie dan die van het lijdend voorwerp, met name bijwoordelijke bepaling van tijd. Er zijn transitieve werkwoorden waarbij het lijdend voorwerp onvermeld kan blijven. Een voorbeeld: (4a) Hij rookt als een ketter. (4b) Hij rookt sigaren.

In (4b) duidt het substantief sigaren expliciet aan waar de werking uitgedrukt door roken op gericht is: de dingen die gerookt worden. In (4a) daarentegen is impliciet wel duidelijk dat hij iets rookt, maar wat dat is, blijft onvermeld. Werkwoorden als roken, eten waarvan de werking altijd op iets gericht is, maar waarbij dat niet per se onder woorden hoeft te worden gebracht, heten pseudo-transitief. Een niet onder woorden gebracht lijdend voorwerp bij zo‟n werkwoord, zoals in 4a, heet een geïmpliceerd object. − ditransitieve werkwoorden (trivalente werkwoorden = valentie 3) Bij een werkwoord als vragen treedt naast het onderwerp en het lijdend voorwerp ook nog een indirect object (een meewerkend, belanghebbend voorwerp) op. Hoewel dit soort voorwerp kan worden weggelaten, beschouwt men de basisvalentie van volgende werkwoorden als trivalent: (aan) iemand iets vragen, antwoorden, meedelen (aan) iemand iets geven, schenken, betalen, verkopen (voor) iemand iets inschenken, bereiden, kopen vb: Hij geeft mij zijn boekentas. ond.

m.v.

Nederlands 2zOLO

l.v.

zinsleer

2009-2010


33

Wanneer het meewerkend voorwerp (aan iemand) of belanghebbend voorwerp (voor iemand) niet wordt gerealiseerd, is sprake van valentiereductie. Vergelijk: (5a) De onderwijzeres vertelde een spannend verhaal aan de kinderen. (5b) De onderwijzeres vertelde een spannend verhaal. (valentiereductie)

De basisvalentie kan ook worden uitgebreid, zo bijvoorbeeld wanneer een transitief werkwoord wordt aangevuld met een meewerkend of belanghebbend voorwerp: (6a) Mijn tante heeft het etentje betaald. (6b) Mijn tante heeft (aan) ons een etentje betaald. (= valentie-uitbreiding door middel van een indirect object)

Tip: Fixeer je bij het bepalen van de valentie niet op een bepaalde gebruik van het desbetreffende werkwoord, maar vraag je telkens af hoeveel zinsdelen dat werkwoord op basis van zijn betekenis standaard opeist. Je vult de potentiële zinsdelen algemeen/abstract in: „iemand‟, „iets‟ en „aan iemand‟. Bijvoorbeeld: vertellen, iemand vertelt iets aan iemand Als het meewerkend voorwerp wordt weggelaten, is er valentiereductie. OPMERKING: Bij pseudo-transitieve werkwoorden (zie hoger) is er ook sprake van valentiereductie. Immers, het LV wordt niet onder woorden gebracht en is geïmpliceerd object.  bv. Zij eet de hele dag door. = valentiereductie (pseudo-transitief)  Zij eet iedere dag een appel. (= transitief) Bij ditransitieve wwn. zorgt het onuitgedrukt blijven van het MV voor valentiereductie. di- in "ditransitief" staat voor twee en tri- in "trivalent" voor drie. "ditransitief" en "trivalent" zijn eigenlijk als synoniemen op te vatten: het werkwoord heeft in totaal 3 medespelers.  di-transitieve: naast het onderwerp zijn er nog twee medespelers in een transitieve (overgangelijke) zinsconstructie, met name het LV en het MV  tri- valent: de valentie (= het aantal medespelers) van het werkwoord is drie: O, LV en MV

 oefening Geef aan om welk soort werkwoord het gaat in onderstaande voorbeeldzinnen: een transitief, intransitief, ditransitief of pseudo-transitief? 1. Mieke woont in Brugge. 2. Ik hoor muziek. 3. Ze droeg die tas op haar rug. 4. Ze eet al de hele tijd. 5. Hij rust de hele dag door. 6. Mijn broer schildert. 7. Zijn vriend schrijft hem altijd mails.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


34

8. Ik beloof het. 9. Laure heeft haar vriend aangeraden het niet te zeggen. sleutel 1. intransitief: in Brugge is een bijwoordelijke bepaling van plaats, geen lijdend voorwerp (opmerkelijk is dat deze bepaling niet kan wegvallen: *Mieke woont.) 2. transitief: muziek is lijdend voorwerp, het horen vereist dit voorwerp 3. transitief: tas is lijdend voorwerp (op haar rug is bijwoordelijke bepaling van plaats) 4. pseudo-transitief: eten roept noodzakelijkerwijs de gedachte op aan wat gegeten wordt (bv. snoepjes = ge誰mpliceerd object) 5. intransitief: de hele dag door is geen lijdend voorwerp, maar bijwoordelijke bepaling van tijd 6. pseudo-transitief: schilderen roept noodzakelijkerwijs de gedachte op aan wat gegeten wordt (bv. stillevens = ge誰mpliceerd object) 7. ditransitief: (aan) iemand iets schrijven, ook het meewerkend voorwerp (indirect object) wordt als een inherent complement van het 8. ditransitief: iemand iets beloven, maar hier valentiereductie (het meewerkend voorwerp, bv. jou, is niet gerealiseerd) 9. ditransitief: iemand iets aanraden (aan wie? Haar vriend is meewerkend voorwerp; wat? Het niet te zeggen is lijdend voorwerp; Laure = onderwerp)

SAMENGEVAT: valentie - transitieve werkwoorden eisen vanuit hun (inherente) betekenis een lijdend voorwerp op - intransitieve werkwoorden hebben geen lijdend voorwerp bij zich - vaak hebben intransitieve werkwoorden wel een voorzetselvoorwerp bij zich - intransitieve werkwoorden kunnen ook altijd aangevuld worden door allerlei bijwoordelijke bepalingen, vb. Klaas luisterde de hele namiddag vanuit zijn luie stoel Werkwoorden als bijvoorbeeld wachten en luisteren zijn in se intransitieve werkwoorden, aangezien zij niet met een lijdend voorwerp kunnen worden gerealiseerd. De "medespelers" zijn respectievelijk bij: een transitief werkwoord: O + LV een intransitief werkwoord: enkel O of O + VV een ditransitief werkwoord: O + LV + MW

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


35

Valt er iets weg van die "standaard(realisatie)" is er sprake van valentiereductie, zoals in hij geeft het boek. Je kan erbij denken "aan wie?" Het meewerkend voorwerp werd niet gerealiseerd, maar de betekenis van het werkwoord geven eist dit normaal gezien wel op.

2.4

Zinnen met een naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde (= NWG) is opgebouwd uit:  

een koppelwerkwoord (meestal persoonsvorm), een niet-werkwoordelijke aanvulling, het zogenaamde naamwoordelijk deel van het gezegde.

OPMERKING : De vroegere term „gezegde‟ wordt hier dus vervangen door „naamwoordelijk deel van het gezegde‟.

Wanneer een gezegde zegt wie/wat/hoe het onderwerp IS of WORDT, dan bevat het een NAAMWOORDELIJK GEZEGDE. Voorbeeld NWG: De wedstrijd werd een mislukking. Voorbeeld naamwoordelijk deel van het gezegde: Hij is de knapste jongen van de klas. Hij lijkt een beetje ziek.

In bovenstaande zin vormen werd en een mislukking samen het naamwoordelijk gezegde. Het woord werd is koppelwerkwoord, een mislukking noemen we het naamwoordelijk deel van het gezegde. In een naamwoordelijk gezegde staat altijd een koppelwerkwoord. De belangrijkste koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, heten, schijnen, lijken, blijken. Het naamwoordelijk deel van het gezegde (een mislukking) wordt door het koppelwerkwoord aan het onderwerp de wedstrijd gekoppeld: het zegt iets meer over dat onderwerp. Met welke proef kan je nagaan of je met een WWG (= werkwoordelijk gezegde) of een NWG (= naamwoordelijk gezegde) te maken hebt? Een zin bevat een NWG als er een koppelwerkwoord in staat. De zin moet grammaticaal correct blijven als je dat koppelwerkwoord vervangt door een vorm van zijn, blijven én worden. Voorbeeld:

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


36

(1) Ik ben ziek.

 NWG = ben ziek want: we kunnen zijn hier vervangen door worden en blijven: Ik word ziek en Ik blijf ziek zijn grammaticaal correcte zinnen. Het naamwoordelijk deel van het gezegde ziek zegt hoe het onderwerp ik is. (2) De schoolreis was voor de leerlingen heel vermoeiend.

 NWG = was heel vermoeiend want: we kunnen zijn hier vervangen door worden en blijven: De schoolreis werd voor de leerlingen heel vermoeiend en De schoolreis bleef voor de leerlingen heel vermoeiend zijn correct gebouwde zinnen. Het naamwoordelijk deel van het gezegde heel vermoeiend zegt hoe het onderwerp de schoolreis is/was.

 oefening Bevatten de volgende zinnen een WWG of een NWG? Noteer telkens het WWG of het NWG en motiveer je antwoord. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

De juf zit achteraan in de klas. De juf was heel streng. Ik ben benieuwd naar zijn reactie. Hij werd gisteren goed opgevangen. Ze moest de klas vegen. Jan Ceulemans was een uitstekend voetballer. Is ze gisteren bij jullie blijven slapen?

sleutel We hebben een NWG als de persoonsvorm een koppelwerkwoord is, anders een WWG. 1. WWG = zit (de pv „zit‟ is zelfstandig ww) 2. NWG = was heel streng (de zin bevat was als koppelwerkwoord: je kan vervangen door worden en blijven) 3. NWG = ben benieuwd (de zin bevat ben als koppelwerkwoord: je kan vervangen door worden en blijven) 4. WWG = werd opgevangen (geen NWG, want de zin bevat geen koppelwerkwoord: werd kan je niet vervangen door zijn én blijven; werd is hulpwerkwoord bij het zelfstandig ww opvangen)

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


37

5. WWG = moest vegen (de pv moest is hulpwerkwoord) 6. NWG = was een uitstekend voetballer (de zin bevat was als koppelwerkwoord: je kan vervangen door worden en blijven) 7. WWG = is blijven slapen (de zin bevat geen koppelwerkwoord: je kan niet vervangen door een vorm van worden én een vorm van blijven; zijn is hier hulpwerkwoord om het zelfstandig werkwoord slapen te vervoegen) SAMENGEVAT: NWG – WWG Hoe ga je na of het weldegelijk om een NWG gaat? Stel volgende 2 testvragen: (dit kan je zo ook eenvoudig aan de lln. uitleggen!) 1) Is het hoofdwerkwoord een koppelwerkwoord? 2) Gaat het om een toestand of een eigenschap of een kenmerk van het onderwerp? Als deze twee voorwaarden voldaan zijn, is het een NWG. Opgelet: Een plaats is geen toestand, eigenschap of kenmerk van het onderwerp, dus is de tweede voorwaarde niet voldaan. bv. Karel is in Spanje = WWG

(vgl. Karel is bakker = NWG)

Een andere moeilijkheid vormen zinnen met een voltooid deelwoord. Je gaat na of het "gezegde" van een werkwoord afkomstig is. bv. Lies is verliefd = NWG, want er bestaat geen werkwoord verlieven Het gaat hier bijgevolg om een koppelww. én om een toestand. bv. Lies is aangereden = WWG, want er bestaat een werkwoord aanrijden.

2.5

Stappenplan bij het ontleden van zinnen

Om zinnen correct te ontleden is het uitermate belangrijk de volgorde van onderstaande stappen te respecteren: 1. in zinsdelen verdelen (verplaatsingsproef) 2. WWG of NWG zoeken 3. pv 4. onderwerp (= O) 5. voorwerpen: lijdend voorwerp (= LV) meewerkend voorwerp (= MV) voorzetselvoorwerp (= VV)

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010


38

6. bijwoordelijke bepaling(en) (= BWB)

Let erop dat je alle voorgaande stappen doorloopt als je bijvoorbeeld enkel een bijwoordelijke bepaling moet opsporen.

Nederlands 2zOLO

zinsleer

2009-2010

zinsleer  

cursus zinseer

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you