Page 1

Joop van der Horst, Het einde van de standaardtaal. Een wisseling van Europese taalcultuur.

Hoofdstuk 5 tot en met 8. Hoofdstuk 5 Het begin van het einde. De vragen die bij dit hoofdstuk werden gesteld: 1. Johannes Schmidt presenteert de Wellen-theorie in 1872 hierin verwerpt hij de stamboom, ontworpen door August Schleicher in 1860, van de Indo-Europese talen. Waarom is de stamboom niet langer bruikbaar? Antwoord; er is sprake van een continuüm. 2. De standaarduitspraak krijgt een steeds grotere rol, men verkiest steeds vaker de eigen taal boven het Latijn en het Frans. Waarom werd in Engeland de voorkeur gegeven aan het dialect van Londen en in Nederland de voorkeur gegeven aan het Hollandse dialect? Antwoord; het gaat om de welvaart van de stad. Wellen-theorie Johannes Schmidt (1843-1901) levert kritiek op de stamboom van de Indo-Europese talen, gecreëerd door August Schleicher. Deze stamboom is de samenvatting van een halve eeuw vergelijkende taalkunde. Decennia zorgvuldig en gedetailleerd werk werden hier op één bladzijde zichtbaar gemaakt. Toch loste deze stamboom niet alle problemen op. De vraag wat vroege en wat late vertakkingen zijn werd steeds moeilijker te beantwoorden. Dit is het punt dat Johannes Schmidt zich in de discussie mengt. Zijn conclusie is dat zolang men een stamboom gebruikt voor de Indo-Europese talen, het nooit zal lukken al deze feiten wetenschappelijk te verklaren. De Wellen-theorie is de voorstelling van het geheel als het resultaat van allerlei golfbewegingen, vanuit verschillende centra. Deze theorie kan goed verantwoorden dat geografisch bijeenliggende talen en taalgroepen vaak overeenkomsten vertonen. Een belangrijk punt hierbij is dat hij het taallandschap als een continuüm beschouwd. De Slavische talen vormen volgens Schmidt een stukje van het continuüm van oost naar west en men moet niet proberen om ze uit dat continuüm los te maken.


Dialecten In het begin van de 19e eeuw komt er enige belangstelling voor dialecten. Hiervoor zijn drie mogelijk verklaringen te geven: 1. Er is op gewezen dat het iets van de Romantiek is om belangstelling te hebben voor alles wat oeroud is en onder het volk leeft. Interesse voor dialecten sluit daar goed bij aan; 2. Het gaat om de grote en snelle veranderingen van die tijd: industriële verstedelijking, stoomtreinen telegraaf , et cetera. Het leven werd in korte tijd zo anders dat men graag nog eens terug keek naar hoe het vroeger was, het gemoedelijke leven op het platteland. 3. Men gaat uit van het besef dat door de groeiende industrie en de trek naar de steden het gebruik van dialecten erg afnam. Als men daar nog wat van wilde optekenen en bewaren, dan was het zaak dat snel te doen. Misschien was er weldra geen dialect meer over. Daarnaast is het van belang dat men zich al vrij vroeg in de 19 e eeuw bezig gaat houden met de ‘correcte’ uitspraak. Wie iets een beschaafde en correcte uitspraak noemt, wijst daar indirect andere manieren van uitspreken af. De anderen uitspraken worden dan dialect genoemd. Enquêtes Men kreeg meer de behoefte om de dialectgrenzen op kaart vast te leggen. Dit gebeurde in 1876 op een geheel nieuwe wijze, aan de hand van enquêtes. Georg Wenker stuurt een schriftelijke enquête rond in heel Duitsland. Er werd gevraagd om zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven hoe men bepaalde klanken, constructies en woorden in zijn of haar eigen dialect zou zeggen. De variatie in de antwoorden bleek enorm te zijn. Vervolgens ging Wenker deze informatie op kaart tekenen. Na Wenker werden er ook in andere landen dialectenquêtes gehouden. Hieruit bleek dat er geen dialect grenzen te vinden zijn, dialecten hebben geen grenzen. Er is sprake van een continuüm. De enquêtes maakten duidelijk dat de visie op het dialect grondig moest worden bijgesteld. Overweging Schmidts en Wenkers theorieën vestigen de eerste tekenen van een andere visie op taal. Namelijk taal als een continuüm, waarbinnen zonder willekeur geen compartimenten zijn aan te brengen. Schmidt heeft het hierbij over het continuüm tussen talen en Wenker neigt meer naar het continuüm binnen één taal. Deze nieuwe visie op taal wordt theoretisch door de meeste taalkundigen wel erkend, maar in de praktijk van hun onderzoek is daarvan vaak weinig te merken, en houdt men toch nog vast aan de oudere compartimenterende visie. Een belangrijk aspect van de renaissance begint hier te wankelen, men begint afscheid te nemen van de renaissance. Er ontstaat een standaarduitspraak. Standaarduitspraak Vroeger verschilde de lokale taal van stad tot stad en van dorp tot dorp. Het werd volstrekt normaal gevonden en de kwestie had weinig belang. Een heel verschil dus met de geschreven taal, daar bestond tegen het einde van de 18 e eeuw een duidelijke standaard en een gefixeerde spelling. Het contrast met de eindeloze variatie van de spreektaal was enorm. Als er bij het spreken verstaanbaarheidproblemen rezen, schakelde de elite over op het Frans.


Vanaf het begin van de 19e eeuw gaat dit veranderen, in Engeland gaat de voorkeur uit naar het dialect van Londen en in Nederland gaat deze voorkeur uit naar het dialect van de Hollandse steden. Zulke uitspraken hebben weinig of niks te maken met de kwaliteit van de uitspraak, die was zo goed of slecht als iedere andere. Het is een kwestie van de economische en culturele invloed. Essentieel is het feit dat de voorkeuren kwamen en dat de meningen meer en meer gelijk gingen lopen. Mensen bleven ondanks dat toch nog lang hun dialect spreken, of iets ertussen in. Het dialect werd meer en meer afgekeurd, dat was iets nieuws. Het verplichte basisonderwijs speelt hier zeker een rol bij, al is er vrijwel niks bekend over uitspraaklessen. Wel werd men op het toneel op de uitspraak gewezen. De normuitspraak krijgt zodra ze waargenomen wordt ook een naam. In het Nederlands gebeurt dit voor het eerst in 1896, waar in een tijdschrift de term Algemeen Beschaaft Nederlands valt. Frankrijk De revolutionaire regering over woord in 1790 wat de consequenties zouden moeten zijn van de leuze ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’. Het gelijkheidsideaal zou ook qua taal moeten gelden. Henri Grégoire kreeg de opdracht om uit te zoeken of er sprake was van gelijkheid betreft de taal. Hij stuurde in 1791 een vragenlijst rond, de uitkomst van deze vragenlijst was verrassend. Van de op dat moment 25 miljoen inwoners, spraken er 6 miljoen helemaal geen Frans. Vervolgens waren er nog eens 6 miljoen die slechts een paar woorden Frans spraken. Er bleken maar 3 miljoen mensen te zijn die het Frans, het Parijse Frans, beheersten en die mensen woonden in en rondom Parijs. Overgangsverschijnsel De neiging tot standaardiseren hoort thuis bij wat de renaissance al vier- of vijfhonderd jaar deed. In principe werd de lijn van de voorgaande eeuwen dus gewoon doorgetrokken. Na de standaardisering van de geschreven taal was de standaardisering van de gesproken taal aan de beurt. Toch zit er een vernieuwing in, de renaissancebemoeienis met taal had zich altijd exclusief gericht op de geschreven taal. De aandacht voor de gesproken taal is een breuk met de voorgaande vier of vijf eeuwen. Het is alsof langs de ene lijn de renaissancevisie op de taal nog sterk doorwerkt (standaardisering) , maar langs de andere lijn afscheid wordt genomen van de renaissance en de gerichtheid op de geschreven taal. Het gaat hier om een zogenaamd hybridisch verschijnsel, de ontwikkeling bestaat uit verschillende elementen, duidelijke oude en nieuwe componenten. Dan is ook aan te nemen dat dit verschijnsel ook zal ophouden met bestaan. Dit is dan ook precies wat er de laatste tijd gebeurt. De gesproken taal behoudt haar positie of breidt deze uit, maar de normatieve ingesteldheid is eraan ontvallen. Einde van de normuitspraak. Het Latijn Zonder kennis van het Latijn was er geen hogere ontwikkeling mogelijk . Later begint het monopolie van het Latijn voor wetenschappelijke boeken doorbroken te worden. In het begin gebeurt dit nog weinig, in de 17e eeuw al meer, het is in de 19e eeuw dat de rol van het Latijn als taal van de wetenschap is uitgespeeld. Al die tijd bleef kennis van het Latijn een voorwaarde om aan een universiteit te kunnen studeren. Anders kon je geen wetenschappelijke boeken lezen en de colleges niet volgen. Het gebruik van het Latijn nam wel af, in de 17 e eeuw werd hier en daar al een college in de eigen taal gegeven. In 1733 werd het Latijn aan de universiteit van Halle afgeschaft, dit gebeurt in Nederland pas rond 1835. In de jaren 1860 tot 1880 veranderde er ook veel in het middelbaar onderwijs. Er werd een wet (de Wet op het Middelbaar Onderwijs van 1863 de hbs ) opgericht die


bepaalde welke vakken moesten worden onderwezen. Er kwam een bepaald rangschikking van belangrijkheid, met wiskunde op de eerste plaats. Het taalonderwijs werd onderaan geplaatst, moedertaalonderwijs bestond toen nog niet. Dit bestaat vanaf 1863. Opvallender nog is de afwezigheid van het Latijn. Het is een bewuste keuze geweest om op het hbs geen klassieke talen te onderwijzen. Dat is ook het moment dat de Latijnse scholen, vanaf 1876 wordt dit het gymnasium genoemd, ontstaan. Tot ver in de 20 e eeuw bleef een gymnasiumdiploma een voorwaarde voor toelating tot een universiteit. In 1968 valt het Latijn definitief weg door de intreding van de Mammoetwet. Deze wet zorgde voor een grote herstructurering van het middelbaar onderwijs, waarbij hbs en gymnasium werden samengevoegd en er nieuwe schooltypes geĂŻntroduceerd werden (havo, mavo). Latijn wordt dan net als Grieks een keuzevak en is niet langer een voorwaarde voor een universitaire studie. Vanaf dan gaat het hard, binnen tien Ă twintig jaar werd het vak Latijn marginaal. Toch zijn er in die jaren ook enthousiaste verdedigers geweest, maar ze waren een slinkende minderheid, tegenover een steeds groter aantal tegenstanders. Met het Latijn en het Grieks verdween ook de bekendheid met de klassieke oudheid, de literatuur, de mythologie, de oude geschiedenis. Alles waar de renaissance zich vanaf 1300 aan had opgetrokken werd nu als onnutte ballast overboord gegooid. Twee golven De twee golven waarmee afscheid is genomen van het schoolvak Latijn rond 1860 en 1970 is niet iets specifieks geweest. Het is het algemene patroon waarmee afscheid wordt genomen van de renaissance. Wat in de jaren 1860-1900 veelal een bescheiden aanzet is, begint vanaf 1970 massaal zichtbaar te worden. En dat is waar we nu middenin zitten. Hoofdstuk 6; Hoorbare taal De vragen die bij dit hoofdstuk werden gesteld: 1. De schrijftaal is in de loop van de 17 e en 18e eeuw steeds formeler geworden en spreektaal is een grotere rol gaan spelen. Wat is het gevolg hiervan als we kijken naar de spelling? Antwoord: de spelling geeft de klanken beter weer. 2. Door de uitvinding van de fonograaf in 1877, wordt de taal een meer en meer een hoorbare taal. In hoeverre heeft dit invloed waarop men leest? Antwoord: men gaat anders lezen, namelijk steeds vluchtiger. De schrijftaal was in de loop van de 17 e en 18e eeuw steeds formeler geworden. Hoe meer regels en voorschriften er kwamen, hoe minder spontaan er geschreven werd. Voor speelse ingevingen bleef weinig ruimte over. Daar was niet iedereen even gelukkig mee, naarmate het keurslijf strakker werd nam de kritiek toe. Het is niet wenselijk dat de spreektaal zoveel verschilt van de schrijftaal. Echt nieuw geluid klinkt in 1855, als Taco Roorda stelt dat de spreektaal primair moet zijn, of dat de spreektaal primair is. Het primaat van de gesproken taal


Taco Roorda pleitte ervoor om alles wat in de gesproken taal niet voorkwam, voortaan ook niet te schrijven. De spreektaal is de levende taal en wat er in de schrijftaal niet mee overeenstemt, is dood, aldus Roorda. Daarmee wekte hij grote beroering op. Het werd de meeste revolutionaire theorie die ooit in het vak werd geopperd genoemd. Deze nieuwe waarheid had zijn gevolgen. Ze was zo anders dan wat eeuwenlang als waarheid had gegolden, dat ook andere oude ideeĂŤn aangepast of verwijdert moesten worden. Als de schrijftaal niet langer het voorbeeld is voor het spreken, maar de rollen worden omgedraaid, dan heeft dat consequenties voor de spelling. De spelling moet de uitspraak gaan volgen. Telefoon en grammofoon Rond 1876 en 1877 werden zowel de grammofoon (T. A. Edison) als de telefoon (A. G. Bell) uitgevonden. Daarmee kon ook gesproken taal worden vastgelegd. Iets wat tot dusver juist kenmerkend was voor de geschreven taal. Het primaat van de gesproken taal en haar bevrijding van de twee fundamentele beperkingen, die in de ruimte en die in de tijd, liggen in een duidelijk verband met elkaar. Taalwetenschap In de taalwetenschap is het nieuwe primaat van de gesproken taal hard aangekomen. Mede dankzij de nieuwe technische mogelijkheden doorging de fonetiek een enorme bloei. Het vak werd een serieuze wetenschap. Bell produceerde in 1867 een tekensysteem om spraakklanken te noteren, ontworpen om doven te leren spreken. De bestudering van spraakklanken maakte een heel precies fonetisch schrift noodzakelijk. Als gevolg werd er ook gekeken naar de gewone spelling, deze werd gezien als hulpeloos te kort schietend. Fonetici waren dan ook voorstanders voor een spellingverandering. Taalonderwijs Op school werd er traditioneel geen aandacht besteed aan de gesproken taal. Voorheen, in de middeleeuwse school, bestond moedertaalonderwijs nog niet en werden er ook geen moderne talen gedoceerd. Het taalonderwijs was toen bijna altijd in het Latijn. Het spreken raakte meer en meer op de achtergrond. Het primaat van de schrijftaal domineerde ook in het taalonderwijs. In het traditionele moedertaalonderwijs stond de grammaticale kennis en literatuur lezen voorop. (Grammatica- vertaalmethode) Later komt er steeds meer kritiek op de grammatica-vertaalmethode en wordt er meer aandacht besteed aan gesproken taal. Dit sloot goed aan bij de nieuwe technische ontwikkelingen, waardoor de fonetiek een grotere rol ging spelen. Toch bleven nog veel docenten vasthouden aan de grammatica-vertaalmethode. Twintigste eeuw De weerstand tegen de nieuwe lesmethodes is groot, en waar ze wel worden toegepast valt het tegen. Pas rond 1970 boeken ze meer succes. Grammatica, vertalen en het lezen van grote literatuur worden aangevuld met spreek- en luisteroefeningen. Hier en daar wordt de grammatica helemaal afgeschaft. Grammatica, ontleden en vertalen worden geassocieerd met ouderwets onderwijs, daarom kiest men ervoor om dit minder aan de orde te laten komen in het onderwijs. Een reden waarom het Latijn als schoolvak bijna niet kon overleven.


Spelling Eeuwenlang ging het erom een vaste en uniforme spelling te hebben die wezenlijk een spelling voor lezers was en die weinig binding had met de gesproken taal. Vanaf 1870 gaat men de eisen stellen dat de spelling de klanken goed weergeeft. Ook nu loopt het streven in de verschillende landen van Europa gelijk. Overweging Er zijn tussen 1860 en 2000 veel geschiedenissen geschreven betreft de spelling en om deze te veranderen. Wat opvallend is, is dat deze zich altijd beperken tot één taal en deze nooit naast elkaar gelegd zijn. Alle voorstellen tot hervorming gaan dezelfde kant uit, namelijk de spelling dichter bij de uitspraak brengen. En ook leenwoorden zoveel mogelijk omspellen volgens de eigen spelingregels. Nergens krijgt men de indruk dat de pogingen tot vereenvoudiging ingegeven werden door problemen op school. De spelling werd nodeloos en moeilijk gevonden. Bij nader inzien bleek het fonetiseren van de spelling geen goed idee. In de eerste fase, 1860-1900, is de spelling moeilijk maar nog te onderwijzen, in de tweede fase, de tweede helft van de 20 e eeuw, lukt ook het onderwijzen niet meer. Schrijftaal Het primaat van de schrijftaal moest wijken voor het primaat van de gesproken taal. De schrijftaal raakte daarmee zijn monopolie kwijt. De verschillen tussen vóór 1860 en na 1860 zijn wat de schrijftaal betreft enorm. Overal schoof men op in de richting van de gesproken taal. De zinnen worden korter en de woordkeus verandert. E-mailtaal is de logische consequentie van wat rond 1860 in gang gezet werd. Geschreven taal Men ging van de ganzenveer naar de schrijfmachine, deze overgang was als men kijkt naar de manier van schrijven niet heel erg groot. Begin jaren ’80 was er wel een grote verandering, toen kwam de tekstverwerker in opmars. Heel de periode van de schrijfmachine bleef men namelijk schrijven met pen en inkt. De computer heeft niet enkel de schrijfmachine verdrongen voor zakelijk verkeer, hij heeft ook een einde gemaakt aan de handgeschreven brief. Men is hierdoor anders gaan schrijven, door de mogelijkheden die de tekstverwerker biedt (backspace functie, et cetera). Spreektaalgrammatica Ons beeld van taal wordt nog steeds zozeer gedomineerd door de geschreven taal, dat we ons niet of nauwelijks realiseren hoe de gesproken taal is. De eerste spreektaalgrammatica moet nog gemaakt worden. De wetenschap komt langzaam tot het inzicht dat de gesproken taal een eigen grammatica heeft, soms loopt deze parallel met de geschreven taal, soms is die helemaal anders. Zo klinkt iemand die improviseert beter dan iemand die alles uit zijn hoofd heeft geleerd, omdat de zinnen om te luisteren beter klinken. Lezen Het boek dat vanaf 1450 de volstrekte marktleider was, heeft op het laatst van de 20 e eeuw, voor het eerst in zijn bestaan, serieuze concurrentie gekregen door het internet. Men zegt vaak dat er sprake is van ‘ontlezing’, als men dan kijkt naar de omzet van een lezer is dat in principe te meten. Maar dit


heeft tot dusver bekend nog nooit iemand gedaan. Beter is als we zeggen dat de leesstromen zich verplaatsen. Het leestempo verandert, maar tegelijk scannen we een tekst, wanneer we van het scherm lezen, meer dan dat we woord voor woord in ons opnemen. Bij ‘full text’ lezen daalt het leestempo, en de schermlezer ontwikkelt nieuwe leestechnieken. Nu men anders is gaan lezer kan ook gezegd worden dat men anders is gaan schrijven. Schrijven De handgeschreven of zelfs de getypte brief is marginaal geworden; de telefoon heeft zijn domein erg vergroot, maar minstens zo omvangrijk is intussen het digitale verkeer. Het schrijven is op dit moment beslist niet op zijn retour. Wil men de renaissancecultuur een cultuur van schrijvers noemen, de periode die erop volgt lijkt daar voorlopig niet voor onder te doen.

Alfabetische ordening Alfabetisch opzoeken heeft reeds in aanzienlijke mate plaatsgemaakt voor intypen in de computer. En niet alleen voor het woordenboek, maar ook voor de encyclopedie, het telefoonboek et cetera. Dit zal zich ongetwijfeld nog doorzetten, het alfabetische woordenboek heeft zijn langste tijd gehad. De meeste mensen hebben het niet meer nodig en zullen het dus ook niet meer leren, het zal een historische vaardigheid worden. Begin en einde Men raakt er meer en meer van overtuigd dat de geschreven vorm helemaal niet fundamenteel is, en slechts een afgeleide van de uitspraak. De letters, de spelling, zijn maar iets bijkomstigs; praktisch en onmisbaar, maar niet fundamenteel. Het is de computer die de genadeslag toebrengt aan het alfabetisch ordenen. Toch kon dit alleen maar gebeuren doordat het alfabetisch ordenen als renaissancefenomeen tegen het einde van de 20 e eeuw al op sterven na dood was. Het verdwijnt niet door de computer, maar doordat men het geloof erin verloor, samen met heel de renaissancevisie op taal. Melville Dewey Melville werkte als assistent van de bibliothecaris, 1873-1876, toen al pleitte hij voor een fonetische spelling. Hij raakte geïnteresseerd in het probleem hoe je boeken het handigst kon ordenen. Daar geen bestaand systeem hem beviel, ontwierp hij er zelf een; de Dewey Decimal Classification. Dit systeem is gebaseerd op cijfers in de plaats van letters. Het werd een groot succes en al snel over ter wereld toegepast.

Sociolinguistiek  

ICT, het einde van de standaardtaal

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you