Page 1

Innovation through tradition

BELASTINGREGIME VAN FINANCIËLE PRODUCTEN

aangehouden door een Belgische vennootschap

Antwerpen | Brussel | Hasselt | Luik | Meise | Namen | Sint-Mar tens-Latem | Waregem


INHOUDSTAFEL

DE BELASTBARE GRONDSLAG VAN VENNOOTSCHAPPEN

6

HET TARIEF VAN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING

8

DE AFTREK VAN DE « DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN » (DBI)

11

DE NOTIONELE INTERESTAFTREK (OF AFTREK VOOR RISICOKAPITAAL)

14

DE ROERENDE VOORHEFFING OP FINANCIËLE INKOMSTEN

16

DE TAKS OP BEURSVERRICHTINGEN (TOB)

18

CONCLUSIE

20


INLEIDING Elke vennootschap die over overtollige liquiditeiten beschikt, heeft er belang bij om ze te investeren. Hiervoor dient de bestuurder van de vennootschap rekening te houden met verschillende parameters. Naast de louter financiële parameters (korte- of langetermijnbelegging, activiteitssectoren, geografische zones, beursgenoteerde bedrijven of private equity, …), zijn de fiscale parameters eveneens zeer belangrijk. De Belgische fiscale wetgeving is over het algemeen complex. Het belastingregime van financiële producten die worden aangehouden door een vennootschap vormt geen uitzondering hierop; er zijn tal van valkuilen voor diegene die zich er blindelings aan waagt. In deze brochure vindt u een aantal “beleggingstools”. Zonder tot in het kleinste detail te treden, is het doel ervan om onaangename verrassingen op fiscaal vlak te vermijden voor u. Onze financiële en fiscale specialisten staan te uwer beschikking om u concreet advies te verstrekken over de keuze van financiële producten.


De

BELASTBARE GRONDSLAG Vennootschappen zijn belastbaar op het totale bedrag van de winst, met inbegrip van de uitgekeerde dividenden.Om die reden bevat de belastingaangifte de volgende 3 elementen: de jaarlijkse aangroei van de reserves, de verworpen uitgaven (d.w.z. fiscaal niet aftrekbaar) en de uitgekeerde dividenden.

6


Financiële producten (interesten, dividenden, meerwaarden) maken, behoudens uitzonderingen, deel uit van de winst van de vennootschap. Tot deze belastbare financiële producten behoren met name de meerwaarden op obligaties, op vastgoedcertificaten, op kasbons, op deelbewijzen van beveks (met uitzondering van de meerwaarden op deelbewijzen van zogenaamde DBIbeveks, die quasi volledig vrijgesteld zijn), … De minderwaarden op deze financiële activa zijn fiscaal aftrekbaar, met uitzondering van de minderwaarden op

deelbewijzen van beveks (ongeacht of het distributie- of kapitalisatiebeveks zijn) en GVV’s. Hoe zit het met aandelen? De meerwaarden op aandelen ondergaan een bijzonder belastingregime (cf. infra, forfaitaire belasting). De minderwaarden op aandelen zijn daarentegen niet aftrekbaar (behalve ten belope van het verlies aan gestort kapitaal vertegenwoordigd door de aandelen bij vereffening van de vennootschap-emittent).

7


Het TARIEF van de VENNOOT-

SCHAPSBELASTING Het basistarief: Het tarief van de vennootschapsbelasting is vastgelegd op 29,58% (aanvullende crisisbijdrage inbegrepen) voor 2018 en 2019, en 25% vanaf 2020.

• vennootschappen waarvan de aandelen of deelbewijzen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, voor ten minste de helft in het bezit zijn van een of meer andere vennootschappen.

Het verlaagde tarief: KMO’s 1 genieten van een verlaagd belastingtarief van 20,4% op de eerste schrijf van 100.000 euro van het fiscaal resultaat voor 2018 en 2019, en van 20% in 2020. Boven deze 100.000 euro zijn de KMO’s onderworpen aan het normale tarief van de vennootschapsbelasting.

De eerste uitsluiting heeft als gevolg dat alle aandelen van vennootschappen of deelbewijzen van beveks en van gemeenschappelijke beleggingsfondsen (GBF’s) het voordeel van het verlaagde tarief kunnen doen verliezen. Obligaties, kasbons, termijnrekeningen, …, vormen geen bedreiging voor het verlaagde tarief.

Zijn o.a. uitgesloten van het verlaagde tarief: • vennootschappen die aandelen of deelbewijzen aanhouden (geboekt als financiële vaste activa of geldbelegging) waarvan de beleggingswaarde meer bedraagt dan 50%, hetzij van de (gerevaloriseerde) waarde van het gestorte kapitaal, hetzij van het gestorte kapitaal verhoogd met de belaste reserves en de geboekte meerwaarden. Om te bepalen of de grens van 50% overschreden is, wordt er geen rekening gehouden met de aandelen of deelbewijzen die minstens 75% vertegenwoordigen van het gestorte kapitaal van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven.

Om van het verlaagde tarief te genieten, moeten KMO’s ook nog een minimumbezoldiging van 45.000 euro toekennen (of een bezoldiging gelijk aan of hoger dan het belastbaar inkomen van de vennootschap indien deze bezoldiging lager is dan 45.000 euro) aan ten minste één bedrijfsleider-natuurlijke persoon. Startende ondernemingen moeten niet voldoen aan deze voorwaarde gedurende de eerste 4 belastbare tijdperken sinds hun oprichting. Belasting van de meerwaarden op aandelen Het belastingregime van de gerealiseerde meerwaarden op aandelen is gebaseerd op de 3 voorwaarden die toelaten om te genieten van het DBI-regime (zie hierna, pagina 11).

Zoals bepaald in ar tikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen, dat wil zeggen vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die, op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende limieten overschrijden: 1

• jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50; • jaaromzet, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde: 9.000.000 euro; • balanstotaal: 4.500.000 euro.

8


9


De eerste voorwaarde is de taxatievoorwaarde van de uitkerende vennootschap. De tweede voorwaarde is de permanentievoorwaarde: de aandelen dienen gedurende minimum één jaar in volle eigendom te worden aangehouden. De derde voorwaarde is de participatievoorwaarde van 10% of met een aanschafwaarde van 2.500.000 euro in de vennootschap waarvan de aandelen worden aangehouden. Deze minimumparticipatie is vereist om te genieten van de vrijstelling van de meerwaarden op aandelen en geldt vanaf het aanslagjaar 2019 verbonden aan een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aanvangt op 1 januari 2018. De meerwaarde zal dus enkel vrijgesteld zijn indien deze drie voorwaarden vervuld zijn. Indien de taxatie- of de participatievoorwaarde niet vervuld is, zal de meerwaarde onderworpen zijn aan de normale vennootschapsbelasting (basistarief of verlaagd tarief). Indien de permanentievoorwaarde niet vervuld is, zal de meerwaarde worden belast tegen het tarief van 25,50% (of het verlaagd tarief van 20,40% indien mogelijk). Dit tarief wordt behouden tot in 2020 (d.w.z. het jaar vanaf wanneer het basistarief van de vennootschapsbelasting 25% wordt). Op termijn zullen de gerealiseerde meerwaarden op aandelen dus ofwel tegen 25% (of 20% voor KMO’s) worden belast, ofwel worden vrijgesteld. Er bestaan echter uitzonderingen. De gerealiseerde meerwaarden op de verkoop van deelbewijzen van « DBI »-beveks (zie infra, pagina 11, DBI-stelsel) of op de verkoop van deelbewijzen van een GVV kunnen, ongeacht de duur van het aanhouden of de participatiedrempel ervan, deels worden vrijgesteld. Voorwaarde is dan wel dat de meerwaarde wordt uitgesplitst tussen het deel ervan dat afkomstig is van goede inkomsten en het deel dat afkomstig is van slechte inkomsten (zie infra, pagina 11, DBI-stelsel). Het klassieke belastingregime (basistarief of verlaagd tarief) is daarentegen van toepassing op de gerealiseerde meerwaarden op: • • •

10

inschrijvingsrechten of warrants; in aandelen converteerbare obligaties; aandelenopties;

in aandelen terugbetaalbare obligaties.


AFTREK VAN DE « DEFINITIEF BELASTE INKOMSTEN » (DBI) Dividenden hebben normaal al belasting ondergaan bij de (Belgische of buitenlandse) vennootschappen die ze uitkeren. Om te vermijden dat ze opnieuw belast worden in de begunstigde vennootschap, wordt deze boekhoudkundige winst fiscaal beschouwd als een « definitief belast inkomen », dat volledig aftrekbaar is mits naleving van bepaalde voorwaarden. I. Minimumparticipatie Dividenden zijn slechts aftrekbaar voor zover de begunstigde vennootschap in het kapitaal van de uitkerende vennootschap een minimumparticipatie van 10% of waarvan de historische beleggingswaarde 2.500.000 euro bedraagt, aanhoudt op de datum van toekenning of van betaalbaarstelling van de dividenden. De participatie moet in volle eigendom worden aangehouden gedurende een ononderbroken periode van minstens één jaar. Deze aanhoudingsvoorwaarde zal als nageleefd worden beschouwd zelfs indien de termijn van één jaar slechts wordt bereikt na de toekenning of de betaalbaarstelling van het dividend. II. Belasting van de uitkerende vennootschap Ter herinnering, het DBI-stelsel heeft als doel om de dubbele belasting van de dividenden te vermijden. De uitkerende vennootschap dient dus te worden belast. Anderzijds zal het DBI-stelsel aan de begunstigde vennootschap worden geweigerd indien de dividenden die zij ontvangt, niet vooraf werden belast, omdat de uitkerende vennootschap niet onderworpen is aan de Belgische vennootschapsbelasting of aan een vergelijkbare buitenlandse belasting, of gevestigd is in een land waarvan de gemeenrechtelijke bepalingen aanzienlijk voordeliger zijn dan in België. De gemeenrechtelijke bepalingen worden verondersteld aanzienlijk voordeliger te zijn dan in België wanneer het ge-

meenrechtelijke nominale tarief van de belasting op de winst van de vennootschap lager is dan 15% of wanneer de daadwerkelijke fiscale last lager is dan 15%. Het belastingregime waaraan in de EU gevestigde vennootschappen onderworpen zijn, wordt verondersteld niet voordeliger te zijn dan het in België toepasselijke regime. Naast de naleving van bepaalde voorwaarden, bepaalt de wetgeving eveneens gevallen van uitsluiting van het genot van het DBI-stelsel, zoals bij dividenden toegekend door beleggingsvennootschappen, dividenden toegekend door gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV’s) (of buitenlandse vennootschappen met een gelijkaardig maatschappelijk doel), omdat ze, in België of in het buitenland, genieten van een belastingregime dat afwijkt van het normaal toepasselijke belastingregime. We nemen het voorbeeld van de Belgische beveks en de GVV’s. Hoewel ze onderworpen zijn aan de Belgische vennootschapsbelasting is de belastbare basis waarop dit gebeurt, zeer beperkt. Deze is immers louter het totaal van de ontvangen abnormale of goedgunstige voordelen, van de niet-aftrekbare uitgaven en kosten (andere dan waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen) en van het niet als beroepskosten aangemerkte financieringskostensurplus. Hun belastingregime wijkt dan ook af van het normaal toepasselijke belastingregime. In feite zijn de Belgische beveks en de GVV’s (quasi) vrijgesteld van belasting. De dividenden van deze vennootschappen kunnen dus niet genieten van het DBI-stelsel. Er bestaat echter een uitzondering op de uitsluiting van de winst van het DBI-stelsel. Het gaat om de goede inkomsten van DBI-beveks en GVV’s die als dividend worden uitgekeerd (of die deel uitmaken van de gerealiseerde meerwaarde bij verkoop van de deelbewijzen van een DBI-bevek of een GVV).

11


Goede inkomsten ontvangen door een DBI-bevek zijn de ontvangen dividenden van vennootschappen onderworpen aan een gewoon belastingregime of de meerwaarden op aandelen van vennootschappen onderworpen aan een gewoon belastingregime. Goede inkomsten van een GVV zijn (1) ontvangen dividenden van vennootschappen onderworpen aan een gewoon belastingregime, (2) al belaste buitenlandse onroerende inkomsten of (3) meerwaarden op aandelen in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen afkomstig zijn van inkomsten uit (1) en (2). In beide gevallen gaat het om vennootschappen die wettelijk verplicht zijn tot een jaarlijkse uitkering van minstens 90% (voor de zogenaamde DBI-beveks) of van minstens 80% (voor de GVV’s) van de inkomsten die ze hebben ontvangen, na aftrek van de vergoedingen, commissies en kosten. Tot slot laat het Wetboek der Inkomstenbelastingen de overdracht toe, naar latere aanslagjaren, van de aftrek van de DBI die niet konden worden afgetrokken bij afwezigheid van voldoende winst. Er bestaan echter uitzonderingen op de overdracht.

12


13


De NOTIONELE INTERESTAFTREK (of AFTREK voor RISICOKAPITAAL) Om aan te moedigen dat vennootschappen zich financieren door gebruik te maken van hun eigen vermogen (in plaats van leningen aan te gaan waarvan de interesten in principe altijd aftrekbaar zijn), heeft de regering, door de wet van 22 juni 2005, besloten om een aftrek in de vennootschapsbelasting toe te kennen die geconcretiseerd wordt door de fictieve bepaling van een (notionele) interestlast. Deze aftrek kwam vroeger overeen met een percentage van het “gecorrigeerd” eigen vermogen. Voortaan komt deze interestlast overeen met de toename van het eigen vermogen ten opzichte van zijn gemiddelde tijdens de 5 voorgaande jaren. Om die reden spreekt men nu van « incrementeel vermogen ». Concreet, om de aftrek voor risicokapitaal voor een belastbaar tijdperk te bepalen, is het in aanmerking te nemen risicokapitaal gelijk aan een vijfde van het positieve verschil tussen: • het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap aan het begin van het belastbare tijdperk, en

• de boekwaarde van de elementen die als investeringen worden beschouwd en die, door hun aard, niet bestemd zijn om periodiek belastbare inkomsten voort te brengen. Voor deze laatste twee activa zijn er dus 2 voorwaarden die moeten worden nageleefd: 1/ een abstracte voorwaarde: het moet gaan om een actief dat, door zijn aard, niet bestemd is om periodiek belastbare inkomsten voort te brengen. We denken hier aan edelmetalen, kunstwerken, …We merken op dat meerwaarden geen periodiek inkomen zijn. 2/ een concrete voorwaarde: het actief moet worden aangeschaft als investering. Het gaat om een passief aangehouden actief, zonder rechtstreeks of onrechtstreeks te dienen voor de uitoefening van een economische activiteit uitgeoefend door de vennootschap, zoals een commerciële, landbouw- of industriële activiteit, of de uitoefening van een vrij beroep. Kapitalisatiebeveks vallen onder deze uitsluitingscategorie, aangezien ze geen periodieke inkomsten voortbrengen.

• het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal dat overeenstemt met het bedrag van het eigen vermogen van de vennootschap aan het begin van het vijfde voorgaande belastbare tijdperk.

Distributiebeveks worden daarentegen niet door deze uitsluiting beoogd, maar ze zullen echter worden uitgesloten indien ze kunnen genieten van het DBI-stelsel.

De jaarlijkse bedragen van risicokapitaal moeten worden verminderd met de eventuele financiële elementen hieronder aan het begin van het betrokken belastbare tijdperk:

Klassieke obligaties maken daarentegen geen deel uit van de uitsluitingsgevallen.

• de fiscale nettowaarde van de eigen aandelen en deelbewijzen en van de financiële vaste activa; • de fiscale nettowaarde van de aandelen of deelbewijzen (met name die van de distributiebeveks) waarvan de eventuele inkomsten kunnen worden afgetrokken van de winst als DBI; • de inbreng van kapitaal door een verbonden vennootschap wanneer hij, rechtstreeks of onrechtstreeks, zijn oorsprong vindt in leningen onderschreven door een verbonden vennootschap waarbij deze de intresten als kosten aftrekt;

14

Hoe zit het met obligaties die geen periodieke inkomsten voortbrengen, zoals “zero bonds”? Als antwoord op een parlementaire vraag heeft de Minister van Financiën verklaard dat onder de activa die geacht worden periodiek belastbare inkomsten voort te brengen, worden gerangschikt: • de effecten waarvan de inkomsten worden gekapitaliseerd; • en de effecten die geen aanleiding geven tot een periodieke uitbetaling van inkomsten en die zijn uitgegeven met een disconto dat overeenstemt met de tot op de vervaldag gekapitaliseerde interesten.


Bijgevolg zouden zero bonds ook niet worden beoogd door de voornoemde uitsluiting. Andere investeringen hebben eveneens geen enkele negatieve impact op de berekening van het bedrag van de notionele interesten. Het gaat om individuele aandelen die als thesauriebeleggingen worden geboekt, kasbons, … Na bepaling van het jaarlijkse bedrag van risicokapitaal, wordt het bedrag van dit kapitaal verkregen door het te vermenigvuldigen met een jaarlijks bepaalde rentevoet. Het spreekt voor zich dat het bedrag van de aftrek voor risicokapitaal sterk wordt beïnvloed door het niveau van de rentevoeten. De aldus bepaalde rentevoet mag niet hoger zijn dan 3%. Hij wordt vermeerderd met 0,5% voor KMO’s. De notionele interestaftrek wordt op de winst toegepast onmiddellijk na de DBI-aftrek, maar vóór de recuperatie van vorige verliezen. Sinds 2012 kunnen vennootschappen die weinig winst maken, het niet-gebruikte deel van de notionele interestaftrek niet integraal overdragen. Vanaf dat jaar is de overdraagbaarheid immers gewoon afgeschaft voor de nieuwe “aftrek”, en de bestaande “stock” van de niet-gebruikte aftrekken op 31 december 2011 is aftrekbaar gedurende 7 jaar, maar beperkt tot 60% van de belastbare grondslag per jaar voor wat 1 miljoen euro overschrijdt. De resterende 40% wordt overgedragen naar latere jaren.

15


De ROERENDE VOORHEFFING op FINANCIĂ‹LE INKOMSTEN Â

In tegenstelling tot de roerende voorheffing ten laste van natuurlijke personen, is de roerende voorheffing ten laste van vennootschappen niet bevrijdend. Het is een echt voorschot op de eindbelasting. Ze is dus verrekenbaar en eventueel terugbetaalbaar (als de eindbelasting lager is dan de voorheffing).

16


HET BASISTARIEF

VRIJSTELLINGEN

Het tarief van de roerende voorheffing is, behoudens uitzonderingen, vastgesteld op 30%, zowel voor interesten als voor dividenden.

De Belgische wetgeving voorziet een aantal vrijstellingen van roerende voorheffing (maar niet van belasting) voor Belgische vennootschappen die investeren in bepaalde financiële producten. Het voordeel van deze vrijstellingen is over het algemeen onderworpen aan een voorwaarde, zoals de ondertekening van een attest door de begunstigde vennootschap van de inkomsten, het aanhouden van een minimumparticipatie, … Zijn met name vrijgesteld: interesten van buitenlandse obligaties en van obligaties opgenomen in het X/N-systeem van de Nationale Bank van België en dividenden van buitenlandse vennootschappen (met inbegrip van buitenlandse beveks).

17


DE TAKS op BEURSVERRICHTINGEN (TOB)

18


Het tarief van deze taks hangt af van de aard van het financiële effect waarin de Belgische vennootschap investeert en van de uitgevoerde verrichting (verkoop, aankoop, terugkoop van aandelen). De tabel hieronder bevat de tarieven van de TOB op de meest klassieke producten.

Belegging

Inschrijving (primaire markt)

Terugkoop

Aankoop/verkoop op de beurs (secundaire markt)

Aandelen

NA

NA

0,35% (max. 1600 €)

Obligaties

NA

NA

0,12% (max. 1300 €)

Vastgoedcertificaten

NA

NA

0,35% (max. 1600 €)

Kapitalisatiebeveks niet-geregistreerd in België of in een ander land van de EER

NA

NA

0,35% (max. 1600 €)

Kapitalisatiebeveks niet-geregistreerd in België, maar wel in een land van de EER

NA

0,0%

0,12% (max. 1300 €)

Kapitalisatiebeveks geregistreerd in België

NA

1,32% (max. 4000 €)

1,32% (max. 4000 €)

Distributiebeveks geregistreerd in België of in een ander land van de EER

NA

0,0%

0,12% (max. 1300 €)

Distributiebeveks niet-geregistreerd in België of in een ander land van de EER

NA

NA

0,35% (max. 1600 €)

GBF’s geregistreerd in België of in een ander land van de EER

NA

0,0%

0,12% (max. 1300 €)

GBF’s nietgeregistreerd in België of in een ander land van de EER

NA

0,0%

0,35% (max. 1600 €)

19


CONCLUSIE

Het belastingregime van financiële producten aangehouden door een Belgische vennootschap staat haaks op het regime dat toepasselijk is op natuurlijke personen. In de vennootschapsbelasting is de toegepaste roerende voorheffing op de ontvangen inkomsten niet bevrijdend. Het is slechts een voorschot op de eindbelasting. In voorkomend geval, is ze terugbetaalbaar ! De belastingwetgeving voorziet eveneens verschillende gevallen van vrijstelling van roerende voorheffing, zonder dat er echter een vrijstelling van de vennootschapsbelasting is. Deze gevallen van vrijstelling beantwoorden voor het grootste deel aan de wil om bepaalde financiële investeringen in ons land aan te moedigen. De vrijstelling van roerende voorheffing laat vennootschappen toe om hun eindbelasting niet te prefinancieren en dus om, indien nodig, hun liquiditeiten te verbeteren.

20

Er bestaan eveneens gevallen van belastingvrijstelling. Het DBI-stelsel, dat voortgekomen is uit de Europese moeder-dochterrichtlijn, is een uitstekend voorbeeld hiervan. De meeste gerealiseerde meerwaarden zijn belastbaar, terwijl de minderwaarden over het algemeen niet aftrekbaar zijn. Tot slot kunnen de kenmerken van een financieel product een (positieve of negatieve) invloed hebben op het bedrag van de belasting die in fine door de vennootschap zal worden betaald. We denken daarbij aan financiële producten die moeten worden uitgesloten van de berekeningsbasis van de notionele interesten. De keuze om in dit of dat financieel product te investeren vereist dus een grondige fiscale overpeinzing. Men dient niettemin in gedachten te houden dat een goed financieel product goed blijft, ongeacht zijn belastingregime.


21


Innovation through tradition

STEEDS AAN UW ZIJDE Wij hechten veel belang aan persoonlijke en discrete contacten. Puilaetco Dewaay heeft 8 kantoren verspreid over heel België (Brussel, Antwerpen, Hasselt, Luik, Meise, Namen, Sint-Martens-Latem en Waregem), waar u in alle rust met uw private banker kunt spreken. Indien gewenst, kan uw private banker u eveneens bij u thuis ontmoeten, wanneer het u past.

ANTWERPEN SINT-MARTENS-LATEM

H ASSELT

LUIK

WAREGEM

MEISE

BRUSSEL NAMEN

22


Dit document werd opgesteld door Puilaetco Dewaay Private Bankers NV, Herrmann-Debrouxlaan 46, 1160 Oudergem. De informatie in dit document is bestemd voor exclusief gebruik door de bestemmeling(en) en mag in geen geval gekopieerd, doorgegeven of verdeeld worden zonder de voorafgaande toestemming van Puilaetco Dewaay Private Bankers NV. De informatie in dit document werd verkregen van betrouwbaar geachte bronnen, maar het is echter onmogelijk om de nauwkeurigheid of de volledigheid ervan te garanderen. De uitgedrukte meningen kunnen op elk ogenblik zonder kennisgeving worden gewijzigd en kunnen verschillen van andere standpunten uitgedrukt in andere documenten. Wij hebben geen rekening gehouden met de persoonlijke situatie, noch met de beleggingsdoelstellingen en de financiële situatie van de bestemmeling(en) en dit document mag niet worden beschouwd als beleggings-, juridisch of fiscaal advies. Bijgevolg raden wij de cliënten ten zeerste aan om hun adviseurs te contacteren alvorens een beleggingsbeslissing te nemen op basis van de informatie in dit document. Dit document is geen, en mag niet worden beschouwd als, aanbod of verzoek tot aan- of verkoop. Copyright © Puilaetco Dewaay Private Bankers 2019. Alle rechten voorbehouden.

23


ONZE KANTOREN

Antwerpen

Meise

Waregem

Van Putlei 31 2018 Antwerpen Tel. : + 32 3 248 59 10

Nieuwelaan 224, bus 2 1860 Meise Tel. : +32 2 264 95 00

Franklin Rooseveltlaan 172-174 8790 Waregem Tel. : +32 56 62 51 30 Vanaf juni 2019:

Brussel

Namen

Herrmann-Debrouxlaan 46 1160 Brussel Tel. : +32 2 679 45 11

Boulevard de la Meuse 23 5100 Jambes Tel. : + 32 81 32 63 00

Waregem Business Park Vredestraat 53 8790 Waregem Tel. : +32 56 62 51 30

Hasselt

Sint-Martens-Latem

Luik

Lazarijstraat 156, bus 11 3500 Hasselt Tel. : + 32 11 28 48 90

Koperstraat 1E 9830 Sint-Martens-Latem Tel. : + 32 9 235 23 80

Bluepoint building Boulevard Emile de Laveleye, 191 4020 Luik Tel. : + 32 4 340 46 00

Copyright © Puilaetco Dewaay Private Bankers 2019. Alle rechten voorbehouden.

VOLG ONS OP Voor meer informatie, scan de QR code hierboven met uw smartphone.

Profile for Puilaetco Dewaay

Belastingregime van financiële producten  

Brochure over het belastingregime van financiële producten aangehouden door een Belgische vennootschap.

Belastingregime van financiële producten  

Brochure over het belastingregime van financiële producten aangehouden door een Belgische vennootschap.