__MAIN_TEXT__

Page 1

CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE & WAARDENSTELLING Binnenstad & Centrumschil Meppel Vastgesteld

Algemene hoofdstukken


CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE EN WAARDENSTELLING MEPPEL Binnenstad & Centrumschil Meppel 1. Algemene hoofdstukken

Flexus AWC 2013 vastgesteld door de gemeenteraad op 24 april 2014


Colofon Opdrachtgever: Gemeente Meppel dhr. ing. F. Smit, mevr. ing. A. van Koeverden Uitvoering/Research:

Flexus Architectuur Welstand Cultuurhistorie Provenierssingel 15A 3033 ED Rotterdam www.flexusawc.nl ir. Hugo J. van Velzen drs. ing. Marcel R. van Winsen ir. Rowin van der Leeden Thijs van der Kooij Lisa Mosch Rotterdam, juli 2013 ISBN/EAN 978-94-91438-02-8 NUR 648 De cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling ‘Meppel binnenstad en Centrumschil’ bestaat uit vier hoofdstukken en is in twee boekwerken vormgegeven.

4

Flexus AWC

Achtergrondafbeelding kaft: Luchtfoto van het centrum van Meppel, gemaakt tussen 1925 en 1967. <fotoarchief Stichting Oud Meppel> Afbeelding vorige pagina: Gemeenteraad, ca. 1948 - 1952. Bijeenkomst van de gemeenteraad in de raadszaal van het voormalige Stadhuis dat tussen Hoofdstraat en Akkerstraat was gesitueerd; tegenwoordig Kunsthuis De Secretarie. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


Voorwoord De mensen die in de gemeente Meppel wonen zijn zeer tevreden en trots op hun stad, dorp of woonkern. Maar wat maakt Meppel nu zo aantrekkelijk? De antwoorden die je dan krijgt zijn heel divers, maar er zit ook een rode draad in: de cultuurhistorie. De afgelopen jaren zijn we druk doende om die cultuurhistorie een gezicht te geven. Via de Binnenstadsvisie, Beeldkwaliteitsplannen of recent de Structuurvisie maken we onze cultuurhistorie concreet om die vervolgens te verankeren in bestemmingsplannen en beleidsvisies. Dat is verre van eenvoudig, want de cultuurhistorie zit niet alleen in het landschap, gebouwen, mooie straten of buurten, maar vooral ook in de inwoners zelf. In gesprekken met bewoners, de historische verenigingen, Drents Archief en provinciale adviseurs zijn we al heel veel over onze gemeente te weten gekomen. Ik vind het een geweldig inspirerend proces. Wat ik als Meppeler gewoon vind, maakt mensen van buiten onze grenzen vaak laaiend enthousiast. Er is nog heel veel om trots op te zijn. En het nodigt uit om de lelijke plekken die we ook hebben, op een verantwoorde manier op te pakken.

Deze historische verkenning van onze binnenstad en centrumschil is een eerste aanzet tot een verdere verdieping van onze kennis over de cultuurhistorische waarden van onze gemeente. Het zegt niet alleen veel over onze gebouwen, straten en buurten, maar indirect ook hoe wij willen wonen en met elkaar samen willen leven. In het jaar dat Meppel stil staat bij het feit dat we 200 jaar geleden stadsrechten kregen, wordt naast die stedelijke voorzieningen het dorpse karakter zeer gewaardeerd. Kleinschaligheid, naoberschap, geborgenheid, het elkaar nog kennen, het maakt allemaal onderdeel uit van de gemeente waarin we het prettig vinden om te leven. Ik nodig u uit om deze verkenning aandachtig door te nemen. Het is een objectieve analyse en waardestelling van onze binnenstad en centrumschil. Net als ik zult u vaak verrast worden door de beschrijvingen van gebieden waar we als Meppelers als vertrouwd aan voorbij gaan. En natuurlijk hoor ik dan graag wat u ervan vindt en hoe u denkt dat we onze gemeente verder moeten ontwikkelen. We spreken elkaar. Ton Dohle, wethouder ruimtelijke ordening

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

5


Legenda Gebiedsindeling en periodisering De gebiedsbeschrijving van de Binnenstad en Centrumschil van Meppel is verdeeld over zeventien gebieden. De begrenzing van de historische binnenstad is gerelateerd aan de bebouwingsgrenzen van Meppel rond 1850. De overige zestien gebieden vormen de zogenaamde Centrumschil. De gebiedsindeling is het resultaat van een nauwkeurig onderzoek naar ruimtelijke, stedenbouwkundige en architectonische coherentie. Deze opdeling loopt echter niet parallel met de periodisering van de totstandkoming van de verschillende gebieden. Dit komt doordat enkele gebieden die samen een ruimtelijke eenheid vormen in verschillende perioden tot stand kunnen zijn gekomen.

Gebieden 1

Historische binnenstad

2

Zuideinde, Stationsweg

3

Voorstraat, Woldstraat

4

Het Vledder

5

Koninginnebuurt, Brocades, Kraton

6

Weerdstraat, Oude Boazstraat e.o.

7

Wilhelminapark

8

Oude Indische buurt

9

Schuttevaerstraat, Concordiastraat

De kleuren geven de periodisering aan, terwijl de beschreven gebieden zijn weergegeven middels een grenslijn en nummering.

10 Indische buurt West 11 Comm. de Vos van Steenwijklaan 12 Zeeheldenbuurt Oost 13 Prinses Beatrixplantsoen 14 Jeruzalembuurt e.o. 15 Burgemeester Mackaystraat e.o. 16 â&#x20AC;&#x2DC;t Meugien, Prins Hendrikkade 17 Rechteren

6

Flexus AWC Flexus AWC


Leeswijzer

te worden ondergebracht onder de algemene aanbevelingen.

De cultuurhistorische verkenning ‘Meppel Binnenstad en Centrumschil’ bestaat uit twee delen: de zogenaamde ‘Algemene hoofdstukken’ (hoofdstuk 1 t/m 3 + bijlagen) en de ‘Gebiedsbeschrijvingen’ (hoofdstuk 4), waarvan de pagina’s doorlopend genummerd zijn. In hoofdstuk 1 worden de achtergronden en de grondslagen van de cultuurhistorische verkenning kort uiteengezet: de achtergronden voor de opdracht, de uitgangspunten van het onderzoek, de doelstellingen, de aan de analyse ten grondslag liggende vooronderstellingen (de ‘bril’ waardoor een cultuurhistorisch waardevolle omgeving wordt geanalyseerd en gewaardeerd) en de methoden van onderzoek. Hoofdstuk 2 is het samenvattende hoofdstuk voor de snelle lezer, waarin de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden die geconstateerd zijn in hoofdstuk 4 op een algemene waarderingskaart in vier waarderingsschalen in beeld worden gebracht: gebieden van topkwaliteit, hoge kwaliteit, middenkwaliteit en basiskwaliteit. Deze cultuurhistorische waarderingskaart is dermate overkoepelend en belangrijk voor het beleid dat ervoor gekozen is om deze vooraan in het rapport een plek te geven. Hoofdstuk 2 is ook het samenvattende beleidshoofdstuk van dit rapport. Vanuit de hier opgenomen ‘kadertekst 1’ met hierin het beleidskader dat gehanteerd wordt voor de verschillende gebieden wordt verwezen naar bijlage 2, waar een uitvoeringsdocument opgenomen is waarin de algemene ruimtelijke en cultuurhistorische beleidsaanbevelingen gegeven worden op vier deelaspecten: stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing/architectuur en instrumenten (= hoe de bescherming van de cultuurhistorische en historischruimtelijke waarden gestalte kan worden gegeven). Aanvullend op de algemene beleidsaanbevelingen per waarderingsniveau zijn aanvullende aanbevelingen geformuleerd per deelgebied, die te specifiek zijn om

In hoofdstuk 3 worden de vorm van de stad en de cultuurhistorisch van belang zijnde overkoepelende ruimtelijke aspecten beschreven die belangrijk zijn voor het ruimtelijk beleid op hoofdlijnen. Deze kennis kan immers niet gedestilleerd worden uit de gebiedsbeschrijvingen in hoofdstuk 4 die elk gebied op zichzelf behandelen. Tevens wordt in hoofdstuk 3 een zeer beknopt overzicht geboden van de algemene historisch-geografische, maatschappelijke, sociaaleconomische en politieke factoren die ten grondslag hebben gelegen aan de ruimtelijke vorm van Meppel Binnenstad en Centrumschil als geheel. Ook dit op het overkoepelende schaalniveau. In hoofdstuk 4 worden de 17 gebieden waaruit de Binnenstad en de Centrumschil bestaan beschreven en geïllustreerd. Elke gebiedsbeschrijving bestaat uit een overzicht van de historische achtergronden van het gebied en een (historisch-)ruimtelijke analyse op de drie schaalniveaus stedenbouw, openbare ruimte en bebouwing/architectuur. Elke gebiedsbeschrijving wordt afgesloten met een cultuurhistorische waardering van het gebied en de verschillende deelaspecten daarin. In de hoofdstukken zijn kaderteksten opgenomen die specifieke onderwerpen behandelen, danwel nader ingaan op de in het hoofdstuk behandelde materie. Als aanvulling op de voorliggende cultuurhistorische verkenning is de cultuurhistorische verkenning ‘Meppel Uitbreidingswijken en Buitengebied’ opgesteld. Hierin wordt in hoofdstuk 3 de algemene ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente Meppel, inclusief haar landelijk gebied beschreven, als overkoepelende achtergrond voor de gebiedsbeschrijvingen uit beide cultuurhistorische verkenningen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

7


Inhoudsopgave Deel 1 - Algemene hoofdstukken

8

Voorwoord

5

Leeswijzer

7

34

12

3.2 Vormende determinanten van de stads plattegrond en hun ruimtelijke resultanten A Geomorfologie en natuurlijk landschap B&C Prestedelijke ontginnings- en infrastructuur en agrarische verkavelingsstructuren D (Pre)stedelijke en stadsvormende artefacten E Ontworpen en autonome structuren & wet- en regelgeving F Functionele en sociaal-economische structuren.

34 37 41

1 Inleiding

11

1.1 Situatieschets en opgave 1.2 Definities, doelstellingen en uitgangspunten van onderzoek 1.2.1 Definities: wat zijn cultuurhistorische waarden? 1.2.2 Doelstellingen en focus van dit onderzoek 1.2.3 Uitgangspunten van onderzoek 1.2.4 Methoden van onderzoek

12

12 13 14 15

Kadertekst 2: De dynamische waterstructuur in en om Meppel Kadertekst 3: Het Uitbreidingsplan van Meppel van stadsarchitect Monsma

47

2 Cultuurhistorische waarden en aanbevelingen

17

Bijlagen

61

Bijlage 1: Begrippenlijst

62

Bijlage 2: Uitvoeringsdocument

66

2.1 Cultuurhistorische hoofdstructuur van Meppel Binnenstad en Centrumschil, waardenkaart & aanbevelingen 2.2 Gebieden van topkwaliteit 2.3 Gebieden van hoge kwaliteit 2.4 Gebieden van middenkwaliteit 2.5 Gebieden van basiskwaliteit

19 19 20 20 21

Kadertekst 1: Beleidskader gebiedswaarderingen

22

3 Hoofdprincipes van de Binnenstad en Centrumschil

25

3.1. Ruimtelijke karakteristieken van de Binnenstad en Centrumschil in kort bestek 3.1.1 De Binnenstad voor 1945 3.1.2 De Binnenstad na 1945 3.1.3 Centrumschil

27 27 31 33

Flexus AWC

43 44

57


Deel 2 - Gebiedsbeschrijvingen 4 Gebiedsbeschrijvingen 4.1 Binnenstad Inleiding Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering Kadertekst 4: De saneringslocaties nader beschreven Kadertekst 5: Gesloten bouwblokken en historische binnenterreinen Kadertekst 6: HiĂŤrarchie openbare ruimten Kadertekst 7: Pleinen Kadertekst 8: Water Kadertekst 9: Winkelpuien Kadertekst 10: Historische diversiteit versus (post) moderne diversiteit Kadertekst 11: Bouwhistorische verwachting 4.2 Zuideinde / Stationsweg Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering 4.3 Voorstraat / Woldstraat Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

87 89 91 117 147 159 163 169 179 187 191 195 201 209 215 223

4.4 Het Vledder Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

231 241

4.5 Koninginnebuurt / Brocades / Kraton Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

247 261

4.6 Weerdstraat / Oude Boazstraat Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

269 281

4.7 Wilhelminapark Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Kadertekst 12: Leonard Antonij Springer Ruimtelijke beschrijving en waardering

289 295 297

4.8 Oude Indische buurt Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

303 307

4.9 Schuttevaerstraat/Concordiastraat Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

313 323

4.10 Indische buurt west Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

331 337

4.11 Commissaris de Vos van Steenwijklaan Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

343 349

4.12 Zeeheldenbuurt oost Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

357 361

4.13 Prinses Beatrixplantsoen Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

367 375

4.14 Jeruzalembuurt Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

381 391

4.15 Burgemeester Mackaystraat Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

401 409

4.16 â&#x20AC;&#x2DC;t Meugien & Prins Hendrikkade Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

415 425

4.17 Rechteren Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Ruimtelijke beschrijving en waardering

431 435

Bijlage 1: Begrippenlijst

439

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

9


10

Flexus AWC


1 Inleiding

Binnenstad en Centrumschil


1.1

Situatieschets en opgave

De gemeente Meppel heeft medio 2011 cultuurhistorisch en ruimtelijk onderzoeks- en adviesbureau FlexusAWC uit Rotterdam gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de cultuurhistorische waarden van Meppel Binnenstad en Centrumschil. Hiermee wordt invulling gegeven aan de nieuwe wetgeving zoals vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening, waarin is opgenomen dat gemeenten bij het maken van bestemmingsplannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Dat kan natuurlijk alleen maar als ter voorbereiding op het bestemmingsplan deze waarden ook geïnventariseerd en geanalyseerd worden. De onderzoeksresultaten worden in dit rapport gepresenteerd en zullen worden gebruikt als onderlegger voor de te actualiseren bestemmingsplannen en voor een aanscherping van het erfgoedbeleid. Tevens kan het als onderlegger dienen voor aanvullend instrumentarium om de cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten van de historische Binnenstad en de Centrumschil te versterken, zoals gericht beleid voor nieuwbouw in kwetsbaar historisch weefsel, of aanbevelingen voor een meer bij de cultuurhistorische kwaliteiten van een gebied passende openbare inrichting. Dit rapport is voor de gemeentelijke diensten een werkdocument en zal tevens door de gemeenteraad worden vastgesteld als beleidsnota. Maar deze studie is niet alleen bedoeld voor de gemeentelijke diensten. Aangezien de inwoners van Meppel de eerste belanghebbenden zijn bij een woon- en werkomgeving met een hoge ruimtelijke kwaliteit, waar cultuurhistorie een belangrijke bijdrage levert aan de identiteit van de stad, is deze studie 12

Flexus AWC

evenzogoed bedoeld voor de Meppelers en geïnteresseerden in de stad en het landschap. Uiteindelijk zijn zíj het die de stad in eerste instantie vorm (moeten) geven en voor wie de kennis wat waardevol en karakteristiek is aan Meppel of wat juist niet, van groot belang is. Een juiste omgang met cultuurhistorie en díe ruimtelijke kwaliteiten die geworteld zijn in de specifieke geschiedenis van een plek, tilt een stad, dorp of landschap uit boven een ‘nette’ omgeving en geeft geschiedenis en identiteit, en dus diepgang aan een plek. Dit verhoogt niet alleen de belevingswaarde en het woongenot van een omgeving, maar ook de economische en recreatieve waarde. Aangezien de cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten van veel buurten en wijken van Meppel hoog zijn, heeft de stad veel te verliezen. Een studie als deze moet bijdragen aan een beter begrip van de ruimtelijke essenties van deze plekken.

1.2 Definities, doelstellingen, uitgangspunten en methoden van onderzoek 1.2.1 Definities: wat zijn cultuurhistorische waarden? Onder cultuurhistorische waarden van een gebied worden verstaan: de zichtbare en onzichtbare (bovengrondse én ondergrondse) historische objecten en structuren, die bepalend zijn voor de afleesbaarheid van de geschiedenis en/of een waardevolle bijdrage leveren aan het karakter en de identiteit van een gebied. Monumenten als kerken en historische boerderijen vertegenwoordigen evidente cultuurhistorische waarden, maar ook de historische ‘morfologie’, dat wil zeggen de historische vorm van een nederzetting of een landelijk gebied en díe histori-


1

Ouderdom én de mate waarin bepaalde objecten, ruimtelijke vormen en typologieën kenmerkend zijn voor een plek of voor de latere ontwikkeling van die plek spelen een belangrijke rol in de waardering. Doorgaans geldt: hoe ouder het object, structuur, bouwspoor of archeologisch artefact, hoe waardevoller. Maar dat wil niet zeggen dat minder oude gebouwen of structuren niet evenééns (zeer) waardevol kunnen zijn, bijvoorbeeld 19de eeuwse fabrieksgebouwen of naoorlogse wederopbouwarchitectuur. Hierbij spelen dan vaker de esthetiek van het object een rol, de zeldzaamheid of de constatering dat het object of structuur (bijvoorbeeld een park) een prominente rol heeft gespeeld in een karakteristieke periode van de ontwikkelingsgeschiedenis van de stad, buurt of wijk. 1.2.2 Doelstellingen en focus van dit onderzoek Deze cultuurhistorische analyse heeft zich vooral

ten doel gesteld om cultuurhistorie én de ruimtelijke kwaliteiten en potenties van Meppel en zijn verschillende deelgebieden in samenhang met elkaar te onderzoeken, om zodoende gestalte te geven aan de op rijksniveau gewenste ‘planologische monumentenzorg’, dat wil zetten dat cultuurhistorie en monumentenzorg niet een geïsoleerd bestaan leiden naast ruimtelijke ordening, stedenbouw en welstand, maar dat ruimtelijke ordening en het sturen op ruimtelijke kwaliteit van de gebouwde omgeving en het landelijke gebied geïntegreerd plaatsvindt met cultuurhistorie en monumentenzorg. Niet het redden van enkele historische plekken en gebouwen temidden van een sterk transformerend en moderniserend landschap is het uitgangpunt, maar de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen laten inspireren en gebruik laten maken van de geschiedenis van de plek. Concreet gesteld is het daarom de hoofddoelstelling van deze analyse om de cultuurhistorische én de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de Binnenstad en Centrumschil van Meppel naar boven te halen, teneinde hiermee ruimtelijke ontwikkelingen zó te kunnen sturen dat er rekening gehouden wordt met de historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische waarden van de diverse buurten en wijken en deze waarden ook een inspiratie vormen voor nieuwe ontwikkelingen, ontwerpen en ingrepen. De ruimtelijke vorm van de Binnenstad en Centrumschil en de geschiedenis ervan is dus de eerste focus van deze analyse en waardering. Hiervoor is gekozen omdat met deze specifieke kennis de sturingsmogelijkheden voor de gemeente bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de kern van Meppel, zoals nieuwbouw of herstructurering van een gebied, worden vergroot. Bij nieuw- of verbouw in het centrum van

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

13

INLEIDING

sche elementen die de vorm bepalen, zijn van groot belang voor het in kaart brengen van het totaal aan cultuurhistorische waarden van een gebied. Historische ontginnings- en verkavelingsstructuren, waterlopen, dijken, kades, stratenpatronen, historische perceelsindelingen en straatprofielen, de verhouding tussen onbebouwd en bebouwd erf, de karakteristieke plaatsing van gebouwen op het erf, het historische kappenlandschap, de architectuur van de individuele bebouwing, en bijvoorbeeld historische ontsluitingen maken onderdeel uit van de cultuurhistorische karakteristieken van een omgeving. Ook de monumentale groenstructuren, bijvoorbeeld historische parken, tuinen en bomen, alsmede de ondergrondse (archeologische) objecten en structuren vormen onderdeel van de cultuurhistorische waarden van een omgeving.


Meppel is het natuurlijk van belang om te weten welke monumenten daar staan en wat de geschiedenis is van de plek, maar voor de concrete ontwerp- en bouwopgave is het toch vooral de vraag wat de historisch-stedenbouwkundige structuur en de beeldbepalende historische karakteristieken van de architectuur zijn van deze plek, zodat hier rekening mee gehouden kan worden in het ontwerp. Dat betekent dat in deze gebiedsgerichte benadering de historisch-ruimtelijke gebiedskwaliteiten het onderwerp van deze studie zijn en dat een bespreking en waardering van concrete historische objecten en artefacten – de monumenten, bouwhistorische en archeologische resten – niet wordt meegenomen in deze verkenning. In deze studie wordt in de tekst soms kort ingegaan op monumenten en karakteristieke panden en erven waar dit noodzakelijk wordt geacht, maar voor de uitvoerige omschrijving ervan en het gemeentelijk beleid verwijzen wij naar de documentatie en beschrijvingen van deze panden en het van toepassing zijnde objectgerichte monumentenbeleid met de Rijks- en Provinciale monumenten en naar de welstandsnota van de gemeente. Ook archeologie komt in de studie niet aan bod. Voor de archeologische waarden verwijzen wij naar het gemeentelijk beleid en de van toepassing zijnde Archeologische beleids- & advieskaart. Ook bouwhistorie is in het onderzoek voor deze verkenning niet meegenomen. In verband met de te verwachten hoge bouwhistorische waarden die zich bevinden in de panden in de Binnenstad, wordt in hoofdstuk 4, in kadertekst 11 van de gebiedsbeschrijving ‘Binnenstad’ hier niettemin kort aandacht aan besteed, en wordt in hoofdstuk 2 geadviseerd systematisch bouwhistorisch onderzoek te doen.

14

Flexus AWC

1.2.3 Uitgangspunten van onderzoek De historische en wetenschappelijke waarden van historische elementen en structuren en hun ruimtelijkvisuele kwaliteiten op zichzelf en in samenhang met elkaar zijn de uitgangspunten geweest bij de analyse en waardering van de cultuurhistorische waarden. Voor alle vooroorlogse gebieden wordt hierbij de nadruk gelegd op de elementen en karakteristieken uit de gehele periode van de Middeleeuwen tot de tweede helft van de 20ste eeuw. Voor de Binnenstad geldt dat vanaf het ontstaan van de eerste nederzetting in de Middeleeuwen tot aan de industriële bloei van Meppel rond het einde van de 19de - en begin 20ste eeuw de vormende krachten en de hieruit resulterende ruimtelijke en (stede-)bouwkundige principes in grote lijnen consistent en samenhangend zijn geweest (maar wel dynamisch), die derhalve één bepaald stadstype in het leven hebben geroepen met heel specifieke kenmerken, die sterk afwijkt van wat in de perioden daarna aan stedelijke weefsels is verwezenlijkt. Onder bepaalde cultuurhistorici leeft de opvatting dat de ontwikkeling van een historische nederzetting, een stad of dorp, nooit een afsluitend moment heeft gekend, en dus dat elke moderne ingreep in principe ook thuis hoort in een bepaald stads- of dorpstype, omdat continue ontwikkeling juist kenmerkend zou zijn voor steden en dorpen. In dit onderzoek wordt de visie gehanteerd dat in een nederzetting van vóór de Industriële Revolutie de zogenaamde ‘vormende determinanten’ (díe maatschappelijke, politieke, economische, demografische en sociale krachten die de historische stad ruimtelijk hebben gevormd) één voor één en op verschillende tijdstippen, grofweg tussen 1850 en 1950, zijn afgesloten, en dat alle ruimtelijke ontwikkelin-


1

Voor preïndustrieel stedelijk weefsel, zoals in de Binnenstad, kan worden geconstateerd dat de ingrepen in het historisch weefsel vanaf het eind van de 19de eeuw, maar vooral vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw tot aan de dag van vandaag zich in veel gevallen moeizaam verhouden tot het samenspel van historische karakteristieken die de aanleiding zijn geweest voor de waardering van historisch stedelijk weefsel als een waardevol stuk cultuurhistorisch erfgoed. Door de transformaties uit de 20ste en 21ste eeuw te toetsen aan de in hoofdstuk 4 beschreven karakteristieken is het mogelijk deze ingrepen vanuit cultuurhistorisch en ruimtelijk-historisch oogpunt te waarderen. Dit heeft zijn weerslag gekregen op de cultuurhistorische waardenkaart in hoofdstuk 2 en de daar geformuleerde aanbevelingen. 1.2.4 Methoden van onderzoek Voor deze analyse is gebruik gemaakt van een combinatie van veldonderzoek (opname van de verschillende gebieden), historisch-kartografisch onderzoek, onderzoek naar primaire bronnen (historisch fotomateriaal en historische gemeentelijke beleidsstukken

en ruimtelijke plannen), hedendaagse gemeentelijke beleidsstukken (bestemmingsplannen, welstandsnota) en secundaire literatuur (historische onderzoeken). O.a. de boekwerken en onderzoeken die mede samengesteld zijn door de provinciaal historicus dr. M.A.W. Gerding waren hierbij een onmisbare hulp. Er is tevens gebruik gemaakt van websites, om ontbrekende informatie op te zoeken en in te vullen, waarbij de website van de Stichting Oud Meppel een onmisbare bron bleek te zijn. Veel oude foto’s zijn door de Stichting ter beschikking gesteld ten behoeve van opname in deze verkenning. Voor het onderzoek zijn ook verschillende archieven geraadpleegd. Het archief van de gemeente verschafte informatie over specifieke ruimtelijke plannen uit het verleden en over correspondentie van het college en stukken van de gemeenteraad. Ook het Drents Archief is bezocht om ruimtelijke plannen en documenten over de ruimtelijke ontwikkeling van Meppel naar boven te halen. Het Drents Plateau was zeer welwillend in het verschaffen van informatie over specifieke monumentale gebouwen en gebouwcomplexen. Wij bedanken drs. Marieke van der Heide hiervoor. Bij de gebiedsanalyses is gebruik gemaakt van historische atlassen en van kaartmateriaal van het Kadaster, ontsloten via www.watwaswaar.nl. Dit betreft kadastrale minuutplannen, topografische militaire kaarten (bonnebladen) en topografische kaarten. Waar mogelijk, is bij de foto’s en illustraties de bron c.q. fotograaf/illustrator opgenomen. Foto’s zonder bronvermelding zijn gemaakt door Flexus AWC in 2012. Het overzicht van de geraadpleegde literatuur is per hoofdstuk, onder het kopje ‘Bronnen’ opgenomen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

15

INLEIDING

gen daarná weliswaar hebben plaatsgevonden op het grondgebied van een historische stad of dorp, maar niet behoren tot het type ervan. Dat houdt uitdrukkelijk niet in dat er geen ontwikkelingen meer kunnen worden toegestaan in historische steden of dorpen, maar wel dat – wanneer het de intentie is het historische stads- of dorpstype als zodanig herkenbaar en beleefbaar door te geven aan volgende generaties – het noodzakelijk is een verbond te sluiten tussen de cultuurhistorische waarden en ruimtelijk-historische karakteristieken van de stad of het dorp in kwestie en de noodzakelijke nieuwe ontwikkelingen en transformaties.


16

Flexus AWC


2 Cultuurhistorische waarden en aanbevelingen Binnenstad en Centrumschil


Legenda

Gebieden 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17

18

Historische binnenstad Zuideinde, Stationsweg Voorstraat, Woldstraat Het Vledder Koninginnebuurt, Brocades, Kraton Weerdstraat, Oude Boazstraat e.o. Wilhelminapark Oude Indische buurt Schuttevaerstraat, Concordiastraat Indische buurt West Comm. de Vos van Steenwijklaan Zeeheldenbuurt Oost Prinses Beatrixplantsoen Jeruzalembuurt e.o. Burgemeester Mackaystraat e.o. â&#x20AC;&#x2DC;t Meugien, Prins Hendrikkade Rechteren

Flexus AWC Flexus AWC


2 Cultuurhistorische waarderingskaart binnenstad en centrumschil <Flexus AWC>

2.1

Cultuurhistorische hoofdstructuur van Meppel binnenstad en Centrumschil, waardenkaart & aanbevelingen

De cultuurhistorische waardering van de verschillende deelgebieden waar de Meppeler binnenstad en Centrumschil uit bestaat, zoals beschreven in hoofdstuk 4, is ingetekend op een samenvattende cultuurhistorische waarderingskaart. Samenvattend wil hier zeggen dat elk deelgebied als geheel is gewaardeerd, als somma van de verschillende aspecten waar cultuurhistorische kwaliteiten uit bestaan. Er worden vier waarderingsniveaus onderscheiden: top-, hoog-, midden- en basiskwaliteit. Deze waarderingsniveaus onderscheiden zich van elkaar op grond van de dichtheid van historische objecten en structuren, het historische en maatschappelijk belang ervan, de gaafheid en zeldzaamheid van de historische objecten en structuren, alsmede de gaafheid van het bebouwingsbeeld en de ruimtelijke kwaliteit ervan. Wat betreft de niet-zichtbare cultuurhistorie: de archeologische waarden. Deze zijn niet meegenomen in de cultuurhistorische waardenkaart, die zich louter uitspreekt over de bovengrondse waarden. Ook een specifieke waardering van gebouwde objecten (monumentale en karakteristieke panden en openbare ruimte-elementen) ontbreekt, evenals bouwhistorie. Een bouwhistorische waardenkaart, zeker voor het gebied van de binnenstad, wordt sterk aanbevolen. 2.2

Gebieden van topkwaliteit

In deze categorie zijn gebieden opgenomen waar de cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke karakteristieken, objecten en structuren op zichzelf en in samenhang met elkaar een buitengewone historische

waarde vertegenwoordigen voor de (ontwikkelings) geschiedenis van Meppel, Drenthe of zelfs Nederland als geheel, een hoge ruimtelijke kwaliteit hebben, samenhangend zijn en waar de historie van de plek nog goed kan worden ervaren. In het geval van de historische binnenstad zijn de ruimtelijke samenhang en de ruimtelijke kwaliteit sterk aangetast, maar is de betekenis van het gebied voor de geschiedenis van Meppel zó groot, en zijn de waarden van meerdere objecten en deelgebieden zo hoog, dat dit gebied toch ingedeeld is in de categorie topkwaliteit. Het gaat om de volgende gebieden: - Binnenstad (gebied 1) - Zuideinde/Stationsweg (gebied 2) - Wilhelminapark (gebied 7) De bovenstaande waardering kent de beleidsmatige vertaling zoals weergegeven in het schema in kadertekst 1 op blz 22. N.B. In gebied 1 (de Binnenstad) is de bovenstaande beleidsmatige vertaling van toepassing voor de gebieden waar het preïndustrieel stadsweefsel overwegend aanwezig is. Zie ‘hoofdstuk 4, gebiedsbeschrijving 1: Binnenstad’ voor de kaart waarop de locaties aangegeven zijn waar het preïndustrieel stadsweefsel overwegend aanwezig is. Op deze kaart zijn ook de naoorlogse transformatiegebieden in de binnenstad te vinden. Voor deze transformatiegebieden is specifiek ander beleid van toepassing. Hier geldt: ‘Waar mogelijk, op de schaalniveaus stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing (typologie, ontsluitingstypen, massaopbouw, hoofdvormen) en architectuur aansluiten op de historisch-ruimtelijke en

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

19

CULTUURHISTORISCHE WAARDEN EN AANBEVELINGEN


cultuurhistorische karakteristieken van het preĂŻndustrieel stadsweefsel van de historische binnenstad. Een nauwkeurig opgestelde set van richtlijnen in de welstandsnota Meppel en de voorschriften van het bestemmingsplan zullen de ondergrens hierin bepalen.

- -

Voor de concrete vertaling van de beleidsuitgangspunten, ook op het niveau van de gebieden specifiek, zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2 van deze cultuurhistorische verkenning.

Voor de concrete vertaling van de beleidsuitgangspunten, ook op het niveau van de gebieden specifiek, zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2 van deze cultuurhistorische verkenning.

2.3

2.4 Gebieden van middenkwaliteit

Gebieden van hoge kwaliteit

In deze categorie zijn gebieden opgenomen waar de cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke karakteristieken, objecten en structuren op zichzelf en in samenhang met elkaar een aanmerkelijke historische waarde vertegenwoordigen voor de (ontwikkelings-) geschiedenis van Meppel of Drenthe, een redelijk hoge ruimtelijke kwaliteit hebben, nog grotendeels samenhangend zijn en waar de historie van de plek nog goed kan worden ervaren. Deze gebieden zijn van minder groot belang dan de gebieden van topkwaliteit, omdat de ontwikkelingsgeschiedenis minder specifiek is, de historische objecten en structuren minder uitzonderlijk en van een geringere ruimtelijke kwaliteit zijn, maar die niettemin toch nog altijd een prominente rol spelen in het historisch-ruimtelijk beeld van de stad als geheel. Het gaat om de volgende gebieden: - Voorstraat / Woldstraat (gebied 3) - Koninginnebuurt (gebied 5) - Weerdstraat e.o. (gebied 6) - Oude Indische buurt (gebied 8) - Indische buurt West (gebied 10) 20

Flexus AWC

Prinses Beatrixplantsoen (gebied 13) Jeruzalembuurt (gebied 14)

De bovenstaande waardering kent de beleidsmatige vertaling zoals weergegeven in het schema in kadertekst 1 op blz 22.

In deze categorie is een aantal gebieden opgenomen waar de dichtheid aan cultuurhistorisch waardevolle elementen over het algemeen minder hoog en de waarde ervan minder groot zijn, omdat de kwaliteiten van het stedenbouwkundig ontwerp, de inrichting van de openbare ruimte en de uitwerking van de architectuur eerder een gemiddelde representeren, dan dat zij als bijzondere representanten van de ontstaansperiode kunnen worden gezien. In deze categorie vallen ook buurten waar de historischruimtelijke kwaliteiten in meer of mindere mate door afwijkende of gebiedsvreemde ingrepen zijn aangetast. Deze buurten hebben daarentegen toch weer niet zĂł weinig historisch-ruimtelijke kwaliteiten, noch zijn de waarden dusdanig aangetast dat deze geen aanknopingspunten meer bieden voor behoud en herstel, dat de buurt een basisniveau zou moeten hebben. Het gaat om de volgende gebieden: - Schuttevaerstraat / Concordiastraat (gebied 9) - Commissaris De Vos van Steenwijklaan


2 -

(gebied 11) Zeeheldenbuurt Oost (gebied 12)

De bovenstaande waardering kent de beleidsmatige vertaling zoals weergegeven in het schema in kadertekst 1 op blz 23. Voor de concrete vertaling van de beleidsuitgangspunten, ook op het niveau van de gebieden specifiek, zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2 van deze cultuurhistorische verkenning.

In deze categorie is een aantal gebieden aangegeven waar geen of nauwelijks cultuurhistorische en historisch-ruimtelijke waarden voorkomen, of waar deze waarden in het bebouwingsbeeld of in de ruimtelijke structuur sterk zijn aangetast of vervangen door ‘gebiedsvreemde’ ingrepen. Het betreft hier de volgende gebieden: - Vledder (gebied 4) - Burgemeester Mackaystraat en omgeving (gebied 15) - ’t Meugien (gebied 16) - Rechteren (gebied 17) De bovenstaande waardering kent de beleidsmatige vertaling zoals weergegeven in het schema in kadertekst 1 op blz 23. Voor de concrete vertaling van de beleidsuitgangspunten, ook op het niveau van de gebieden specifiek, zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2 van deze cultuurhistorische verkenning.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

21

CULTUURHISTORISCHE WAARDEN EN AANBEVELINGEN

2.5 Gebieden van basiskwaliteit


Kadertekst 1 Beleidskader gebiedswaarderingen Aanbeveling

Topkwaliteit

Hoge kwaliteit

1 Het ruimtelijk beleid van de historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische karakteristieken, op het niveau Bescherming, behoud en herstel van de gebieden als geheel, de waardevolle ensembles, objecten en structuren in deze gebieden is primair gericht op:

Bescherming, behoud en herstel

2 Voor de verschillende deelgebieden kan apart beleid ontwikkeld worden: 3 Bij een verstoring van de als waardevol aangegeven gebieden, ensembles, objecten en structuren wordt gestreefd naar:

Ja Herstel historisch-ruimtelijke karakteristieken op de waardevolle locaties; interpretatie van de historisch-ruimtelijke karakteristieken op de vanuit cultuurhistorische oogpunt minder waardevolle locaties. Gericht op bescherming, behoud en herstel, op alle schaalniveaus.

Ja Herstel historisch-ruimtelijke karakteristieken.

Maximaal gericht op bescherming, 4 Het ruimtelijk instrumentarium (bestemmingsplannen, welstandsnota, monumentenbeleid) wordt ingezet op een wijze waarbij alle schaalniveaus (stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing (typologie, behoud en herstel, op alle schaalniveaus. ontsluitingstypen, massaopbouw, hoofdvormen)) in nauwe samenhang met elkaar beschouwd worden:

5 Vormgeving nieuwe architectuur:

In sterke samenhang met de omgeving.

In sterke samenhang met de omgeving. Wanneer er sprake is van een bijzondere, stedelijke functie, of de locatie zich op een perifere locatie in het gebied bevindt, of de locatie een afwijkende geschiedenis heeft, is een meer eigenzinnige architectuur mogelijk.

6 Voorzijde en achterzijde van de stedelijke ruimten, structuren en objecten:

Vormgeving van beide zijden is cultuurhistorisch van belang. Aan beide zijden in gelijke mate rekening houden met, en aansluiten op historisch-ruimtelijke karakteristieken. Niet of zeer beperkt.

Vormgeving van de achterzijde is cultuurhistorisch minder van belang dan de voorzijde, maar blijft een punt van aandacht.

8 Beleidshorizon (per oktober 2012):

Actualisatie en uitbreiding van monumenten- en stadsbeeldbeleid is gewenst. Voor afwijkingen van het bestemmingsplan (binnen- en buitenplans) worden op bescherming, behoud en herstel gespecificeerde beleidsregels ontworpen.

Actualisatie en uitbreiding van monumenten- en stadsbeeldbeleid is gewenst. Voor afwijkingen van het bestemmingsplan (binnen- en buitenplans) worden op bescherming, behoud en herstel gespecificeerde beleidsregels ontworpen.

9 Uitwerking beleid:

Zie bijlage 2 van deze CHV.

Zie bijlage 2 van deze CHV.

7 Aanvullende mogelijkheden op de mogelijkheden binnen het vergunningsvrij bouwen (voor aanbouwen, bijgebouwen, opbouwen, dakkapellen en gevelwijzigingen):

22

Flexus AWC

Aanvullende mogelijkheden indien rekening gehouden wordt met de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de omgeving.


i Middenkwaliteit

Basiskwaliteit

2 Voor de verschillende deelgebieden kan apart beleid ontwikkeld worden: 3 Bij een verstoring van de als waardevol aangegeven gebieden, ensembles, objecten en structuren wordt gestreefd naar:

Ja Ja Ruimte voor ontwikkeling met oog voor de essenties Cultuurhistorische elementen gebruiken van de historisch-ruimtelijke karakteristieken en het als ankerpunt bij nieuwe ontwerpen. verhaal van de plek.

4 Het ruimtelijk instrumentarium (bestemmingsplannen, welstandsnota, monumentenbeleid) wordt ingezet op een wijze waarbij alle schaalniveaus (stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing (typologie, ontsluitingstypen, massaopbouw, hoofdvormen)) in nauwe samenhang met elkaar beschouwd worden:

Gericht op regulier beleid/instandhouding met flexibliteit voor kleine aanpassingen; behoud voor wat betreft de historisch-ruimtelijke kernkarakteristieken en de waardevolle ensembles, objecten en structuren.

Gericht op regulier beleid, met ruimte voor transformaties.

5 Vormgeving nieuwe architectuur:

In samenhang met de omgeving op hoofdlijnen. Wanneer er sprake is van een bijzondere, stedelijke functie, of de locatie zich op een perifere locatie in het gebied bevindt, of de locatie een afwijkende geschiedenis heeft, is een eigenzinnige architectuur mogelijk.

De noodzaak tot samenhang met de omgeving dient per geval bekeken te worden.

6 Voorzijde en achterzijde van de stedelijke ruimten, structuren en objecten:

Regulier planologische beleid tav voor- en achterzijde is van toepassing (aan de achterzijde minder sturing tav transformaties).

Regulier planologische beleid tav voor- en achterzijde is van toepassing (aan de achterzijde minder sturing tav transformaties).

7 Aanvullende mogelijkheden op de mogelijkheden binnen het vergunningsvrij bouwen (voor aanbouwen, bijgebouwen, opbouwen, dakkapellen en gevelwijzigingen):

Aanvullende mogelijkheden indien de historischruimtelijke kernkwaliteiten niet worden aangetast.

Regulier planologisch beleid is van toepassing.

8 Beleidshorizon (per oktober 2012):

Actualisatie en uitbreiding van monumentenen stadsbeeldbeleid is eventueel gewenst voor specifieke deelgebieden, ensembles, objecten en structuren.

Actualisatie en uitbreiding van monumentenen stadsbeeldbeleid is eventueel gewenst voor specifieke objecten.

9 Uitwerking beleid:

Zie bijlage 2 van deze CHV.

Zie bijlage 2 van deze CHV.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

BELEIDSKADER GEBIEDSWAARDERINGEN

Behoud, met mogelijkheden voor transformatie.

23

KADERTEKST 1

Aanbeveling

1 Het ruimtelijk beleid van de historisch-ruimtelijke en cultuurhistorische karakteristieken, op het niveau Behoud van de gebieden als geheel, de waardevolle ensembles, objecten en structuren in deze gebieden is primair gericht op:


24

Flexus AWC


3 Hoofdprincipes van de Binnenstad en Centrumschil


26

Flexus AWC


3 Meppeler Sluis, foto gemaakt rond 1900. Deze was aan de stadszijde toen voorzien van een draaibrug voor voetgangers. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Inleiding

Binnenstad

Dit hoofdstuk verschaft een algemeen beeld van de voornaamste kwaliteiten en ruimtelijke basispatronen van de Binnenstad en de Centrumschil. Er is sprake van twee globale analyses. In de eerste analyse in paragraaf 3.1. worden de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de Binnenstad en de Centrumschil op de allergrootste hoofdlijnen beschreven. In de tweede analyse in paragraaf 3.2. wordt ingegaan op díe algemene factoren en processen die in de loop van de eeuwen de Binnenstad en Centrumschil ruimtelijk hebben vormgegeven (ook wel ‘vormende determinanten’ genoemd).

3.1.1 De Binnenstad voor 1945

3.1.

Ruimtelijke karakteristieken van de Binnenstad en Centrumschil in kort bestek.

De plattegrond van de Binnenstad en Centrumschil van Meppel is een samenstel van stadsweefsels die op hoofdlijnen dateren uit de periode vóór 1850 (de Binnenstad), alsmede van stadsuitbreidingen uit de periode 1830 - 1960 (de Centrumschil). Omdat beide slechts begrepen kunnen worden vanuit hun eigen ontstaansvoorwaarden, worden de Binnenstad en de Centrumschil in de onderstaande teksten apart beschreven. De Binnenstad heeft sterke wijzigingen ondergaan, zeker gedurende de periode na de Tweede Wereldoorlog. Vandaar dat er voor gekozen is ook hier een onderscheid te maken tussen de periode voor en na 1945.

De historische stadsvorm van Meppel is tot stand gekomen onder invloed van de agrarische kavel- en ontginningsstructuur, de oude landverbindingswegen en de vanouds aanwezige waterstructuur, maar ook als gevolg van bewust ingrijpen van het lokaal bestuur (zie voor een nauwkeuriger beschrijving, onder 3.2 ‘vormende determinanten’). De stedenbouwkundige structuur van de historische binnenstad van Meppel kende in tegenstelling tot veel andere Nederlandse historische steden van het lage land een zeer ingewikkeld samenspel van rationele regelmaat en ‘landschappelijke’ onregelmatigheid met een uiterst boeiend stedenbouwkundig patroon als gevolg. De voornaamste historisch-ruimtelijke kenmerken van de historische binnenstad zijn c.q. waren: 1 De Binnenstad heeft meerdere kenmerken van een verstedelijkt dorp. De historische wegendriehoek en meerdere onregelmatige, gebogen en op de agrarische verkaveling en het slotenpatroon teruggaande perceelgrenzen wijzen hierop. Hiernaast zijn er regelmatige(r) verkavelingen uit de periode van de 17de – 19de eeuw aanwezig. 2 Er is daarbij sprake van een tot een gesloten stadsweefsel gegroeide lintstructuur, waarbij eenzijdige bebouwingsstroken en onvolledige (= niet aan alle kanten en op alle kavels dichtbebouwde) bouwblokken deel uitmaken van het stedelijk weefsel zonder dat dit leidt tot een ‘open stadsstructuur’. Deze

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

27

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL


28

Flexus AWC


Kadastrale Minuut 1823 Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

29

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL

3


30

Flexus AWC


3

◄◄

Een weergave op hoofdlijnen van de structuur van wegen (primaire en secundaire structuur: straten/grachten, en tertiaire structuur: sloppen en stegen) in de historische binnenstad zoals aanwezig in 1823. Voor meer informatie over deze historische structuren, zie hoofdstuk 3, gebiedsbeschrijving binnenstad. <Flexus AWC>

Een weergave op hoofdlijnen van de verkeersstructuur in de binnenstad en de Centrumschil zoals rond 2011 georganiseerd is. Duidelijk zichtbaar is de van de historische primaire, secundaire en tertiaire structuur afwijkende hierarchie die geintroduceerd is door de introductie van de auto en het autovrije voetgangersgebied in de binnenstad. <Flexus AWC>

groei langs lintachtige structuren – typisch voor een verstedelijkt dorp – heeft vooral aan de randen van de oude historische (binnen)stad tot een niet-volledig dichtgegroeide stedelijke structuur geleid. Dit laatste houdt ook verband met het gegeven dat Meppel nooit omgeven is geweest met een tot sterke verdichting nopende verdedigingswal. 3 Er is sprake van een historisch stedelijk patroon dat uitsluitend bestaat uit een aaneenschakeling van individuele stadshuizen, elk individueel en direct ontsloten vanaf de straat, onderdak biedend aan één huishouden, waarbij incidenteel een bijzonder gebouw met een afwijkende niet-woonfunctie aan dit patroon van individuele stadshuizen accenten verleent, zonder dat er een sterk contrast met deze ‘’bulk’’ aan stadshuizen ontstaat en zonder dat het systeem van (grotendeels) gesloten straatwanden doorbroken wordt. Meer specifiek ingaand op de water- en wegenstructuur kan het volgende geconstateerd worden: 1 Door het noodzakelijkerwijs bouwen op hoger gelegen gronden in de directe nabijheid van dynamische iets lager gelegen veenstromen is een kavelstructuur ontstaan die niet één op één een relatie heeft met de structuur van het aanwezige water. Mede als gevolg hiervan was er sprake van een hoofdstructuur van wegen die niet direct gekoppeld was aan het water, en waarbij de wegen het water soms eerder kruisten dan volgden. 2 Gevolg hiervan was dat het water op opvallend uiteenlopende wijze en met verschillende doorsnedeprofielen vervlochten was in het stadsweefsel. Relatief veel water grensde niet of slechts aan één

kant aan een openbare kade. De situering van de achterkanten van bebouwing in het water kwam hierbij regelmatig voor. Juist dit type resulteerde door zijn afwijking van het gewone straat- en grachtprofiel en zijn afwisseling met gebruikelijker waterprofielen in een grote mate van eigenheid en ruimtelijke spanning. Deze is ten gevolge van de dempingen in de 20ste eeuw niet meer ervaarbaar. 3 Hiernaast was er in het vooroorlogse Meppel relatief vaak sprake van krommingen en onregelmatigheden in het straat- en grachtenbeloop. Deze krommingen en onregelmatigheden zijn in het wegenbeloop en de kavelstructuur van de huidige binnenstadsplattegrond nog goed afleesbaar.

3.1.2 De Binnenstad na 1945 De originele structuur van de Binnenstad is nog herkenbaar aanwezig, maar deze heeft sterke wijzigingen ondergaan als gevolg van de dempingen van waterstructuren (dit overigens al in aanvang tijdens het Interbellum), sloop van bebouwing en de realisatie van een cityring c.q. binnenringweg in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Vervolgens werd er een volledig nieuw en afwijkend stedenbouwkundig patroon gesuperponeerd over de oude structuur. Dit heeft op vier niveaus grote veranderingen teweeg gebracht, die afbreuk doet aan de historisch-ruimtelijke karakteristieken van het gebied: 1 Straatprofiel. Was de oude verkeersstructuur berekend op voetgangers, kar, rij- en praam, de nieuwe is ontworpen voor het gemotoriseerde

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

31

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL


32

Flexus AWC

Flexus AWC


3 Schematische groeikaart van Meppel, in rood de contourlijn van het (binnen)stadsgebied uit 1823. <Flexus AWC>

verkeer, met bredere straatprofielen en een opdeling van verkeerssoorten, waardoor de ruimtelijke beslotenheid van het stadsweefsel op veel plaatsen verdwenen is. 2 Rooilijn. Het gebrek aan ruimtelijke beslotenheid wordt nog versterkt door het gegeven dat op sommige plaatsen geen sprake meer is van gesloten of semi-gesloten straatwanden, maar van een aaneenrijging van solitaire, sterk van elkaar in uitdrukking afwijkende objecten die niet in één rooilijn geplaatst zijn, waardoor een onrustig driedimensionaal totaalbeeld ontstaat. 3 Bouwblokstructuur. Naast deze verandering in straatprofiel en rooilijn is door de ligging van de cityring het vanzelfsprekende private karakter van de kern van de bouwblokken op veel plaatsen teniet gedaan en zijn hier openbare (parkeer)gebieden voor in de plaats gekomen, waardoor de beslotenheid en intimiteit van het achtergebied onder druk is komen te staan. 4 Bebouwing. Ook heeft er een sterke schaalvergroting plaatsgevonden door de nieuwe bebouwing. Was de oude kavelstructuur beperkt in breedte en hoogte, de nieuwe kavelbreedtes en gebouwhoogtes van kantoren en appartementsblokken overschrijden de historische maatvoeringen in aanzienlijke mate, waardoor de samenhang die de bebouwing voorheen vertoonde in sterke mate is aangetast.

1 Watercontour: De hoofdvorm van de Binnenstad en de Centrumschil is in de huidige situatie scherp begrensd. De grens wordt o.a. gevormd door de watercontour van Wold Aa, Mallegat, Nieuwe Haven en Meppeler Diep en Reest in het noorden, westen en zuiden. 2 Spoorlijnbegrenzing: de spoorlijn Zwolle – Leeuwarden vormt in het oosten de strakke begrenzing van het gebied. 3 Oude historische linten en uitvalswegen bepalen nog altijd de hoofdstructuur van de Centrumschil. Een enkele keer is daar een nieuwe hoofdstructuur aan toegevoegd, zoals de Stationsweg. De historische uitvalswegen zijn in Meppel niet altijd als zodanig helder van de achterliggende buurten en straten te onderscheiden; de ruimtelijke structuur is vaak niet wezenlijk anders. 4 Een stedenbouwkundige opzet en een bebouwingsbeeld voornamelijk uit de late-19de eeuw en de eerste decennia van de 20ste eeuw. Hierbij is sprake van individuele geschakelde stadswoningen (of minimaal gescheiden door een smal pad naar het achtergebied) in min of meer gesloten bouwblokken, villa’s, twee onder één kappers en geschakelde rijenwoningen in meer halfopen bouwblokken.

3.1.3 Centrumschil

5 Een duidelijk verschil noord – zuid. Wordt het zuidelijk gedeelte op hoofdlijnen gekenmerkt door een meer historische verkaveling, het westelijk en noordelijk deel bestaat voornamelijk uit tuinstadverkavelingen (rijenwoningen met voor- en achtertuin).

De Centrumschil wordt op hoofdlijnen gekenmerkt door:

6 Binnenstad en Centrumschil gaan ruimtelijk heel geleidelijk en zonder grote ruimtelijke breuken

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

33

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL


in elkaar over. Hierdoor vertonen de twee hoofdgebieden van deze studie onderling een sterke ruimtelijke samenhang. Ook in de Centrumschil domineert de woonfunctie, die ook hier grotendeels is georganiseerd in individuele – grote en kleine - panden voor één huishouden, elk individueel ontsloten vanaf de straat, maar niet altijd direct aan de straat. In afwijking van de Binnenstad zijn voorgebieden tussen bebouwing en straat in de vorm van stoepen of tuinen in de Centrumschil wel veel gebruikelijker met als gevolg een groener en meer residentieel ruimtelijk beeld. 8 Meer dan de Binnenstad, is de massa van individuele woonhuizen in de Centrumschil doorregen met bijzondere historische gebouwen in de vorm van fabrieken en grote institutionele functies uit het eind van de 19de en begin van de 20ste eeuw. Doorgaans zijn deze bijzondere functies aan de kant van de openbare ruimte stedenbouwkundig én architectonisch sterk met het omliggende weefsel verweven en vormen hiermee nauwelijks een contrast. 9 Ook de Centrumschil heeft in de naoorlogse periode ruimtelijke veranderingen doorstaan, maar is toch nog voor het grootste deel intact, dit in tegenstelling tot de Binnenstad waar grootschalige transformatieprocessen plaatsgevonden hebben.

3.2.

Vormende determinanten van de stadsplattegrond en hun ruimtelijke resultanten

Om de stadsvorm van Meppel goed te kunnen begrijpen is een korte analyse noodzakelijk van de processen, factoren, (pre)stedelijke structuren en artefacten die over een lange tijd en op complexe wijze op elkaar hebben ingewerkt en een ‘gelaagde’ en unieke stadsplattegrond hebben achtergelaten: de zogenaamde ‘vormende determinanten’. Voor het ontstaan en de ontwikkeling van de stadsplattegrond zijn vooral de volgende vormdeterminanten van belang: A geomorfologie en natuurlijk landschap B prestedelijke ontginnings- en infrastructuur C agrarische verkavelingsstructuren D (pre)stedelijke en stadsvormende artefacten E ontworpen en autonome structuren & wet- en regelgeving F functionele en sociaal-economische structuren. Deze vormdeterminanten worden in het onderstaande per onderdeel beknopt behandeld, waarbij -indien noodzakelijk- een onderscheid gemaakt wordt tussen de Binnenstad en de Centrumschil.   A Geomorfologie en natuurlijk landschap: De fysische gesteldheid van de bodem. In eerste instantie is de plattegrond van een historische stad terug te voeren op de kenmerken en gebruiksmogelijkheden van het onderliggende natuurlijke landschap.

34

Flexus AWC


3

De zandrug bestaat uit middelhoge (bij Oosterboer) en lage (bij Meppel) podzolgronden. In de stroomdalen van de Wold Aa, de Reest en het Meppeler Diep komen vanouds venige beekdalgronden voor. In het westen van de gemeente is sprake van niet uitgeveend laagveen op veenmosveen of zeggeveen. Ondanks de aanwezigheid van de zandrug varieert het reliëf van Meppel slechts gering (ca. 0,0 mtr tot 1,7 mtr N.A.P.). De hoogste gronden zijn gelegen in de omgeving van Oosterboer en de Rumt. Het betreft hier in hoofdzaak oude esgronden. De laagstgelegen delen zijn gesitueerd in het westelijke laagveengebied.

De plaatsnaam Meppel Meppel heeft haar ontstaan en ontwikkeling te danken aan het water. De etymologische betekenis van de naam Meppel lijkt, ofschoon deze niet geheel opgehelderd is, aan te sluiten op de waterrijkheid van de plek. Herkenbare elementen zijn maple, mapl, mapol, mappul, mapul-treo, mapeltreow, mapuld(e) = ahorn, esdoorn en lo = bos. Uit Mapuldr, Mapuldrin = esdoornen zou Mep(p)lin, Meplin, Meppel zijn ontstaan. Bij lo(o) moet men eerder denken aan natte, moerassige plaats, moerasweide. De naamgeving lijkt dus te wijzen op ‘de moerasweide met de esdoornen’ Bron <http://www.encyclopediedrenthe.nl/Meppel>

Wanneer we de kaart met de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente leggen naast de landschapskaart valt op dat de eerste bewoning zich zeker tot het begin van de zeventiende eeuw bevond op het zandige gedeelte van het grondpakket binnen de gemeente. Men hield eenvoudigweg de voeten graag droog. In een latere fase vond uitbreiding plaats op lager gelegen gedeelten van de gemeente, zoals het gebied rondom de Olde Aa (huidige Grote Oever). Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

35

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL

Het natuurlijk landschap van Meppel en omgeving wordt om te beginnen gekenmerkt door een lage ligging direct aan de rand van het uitgestrekte Drents Plateau. Op de locatie van het huidige Meppel ligt een lage zandrug, in feite een lint van kleine zandeilandjes die dwars door de gemeente loopt, die wordt omsloten door pleistocene smeltwaterdalen die door de eeuwen heen zijn opgevuld met moerasveen. Diverse riviertjes liepen en lopen vanaf het Drents Plateau naar het waterrijke gebied van Meppel om vervolgens via het riviertje de Sethe (nu het Meppeler Diep) af te wateren op het Zwarte Water en de Zuiderzee, in de vroege Middeleeuwen Almere geheten.


36

Flexus AWC


3 Kaart van Meppel met het gebied ten oosten hiervan. <Franse kaart ‘O44 Meppel’, 1811, vervaardigd door J.J.DeNayer>

Natuurlijke waterwegen: natuurlijke grenzen en vormend voor de stadsplattegrond De natuurlijke waterwegen in Meppel hebben een aanmerkelijke invloed gehad op de vorm van de stadsplattegrond. De natuurlijke wateren waren per definitie onregelmatig en op meerdere plekken gekromd. Dit is in de stadsplattegrond goed terug te vinden. Zo is de bochtige (Olde) Aa in de huidige Grote Oever en Eendrachtsstraat terug te vinden. Deze voormalige levensader van Meppel is bovendien bepalend geweest voor het gekromde stratenverloop ter linker en ter rechterzijde van het water, zoals de vorm van de Hagendwarsstraat en de Grote Oeverstraat en het Bleekerseiland laten zien (de eersten zijn beiden goed zichtbaar op de oude kadastrale minuutplannen maar ten gevolge van de naoorlogse saneringsoperatie niet meer aanwezig). Ook de Reest, de Oude Vaart en in veel mindere mate de Wold Aa zijn bepalend geweest voor de stadsplattegrond, echter in een latere fase dan de wateren die door de Binnenstad stromen. De grote landschappelijke waarde van de Reest heeft, in combinatie met de nabijheid van de chique Stationsweg, geresulteerd in de ontwikkeling van een recreatief stadspark gekoppeld aan een villapark. De excentrische ligging van de Oude Vaart ten opzichte van de historische bebouwingskern is de reden dat deze belangrijke waterweg niet eerder dan in de 20ste eeuw betrokken is geraakt bij de ontwikkeling van de stadsplattegrond. De westelijke ligging van deze watergang in de nabijheid van het Meppeler Diep, in combinatie met de industriële opkomst van Meppel vanaf de tweede helft van de 19de eeuw is de reden geweest dat deze waterweg tot een belangrijke haven is ontwikkeld en het omliggende stedelijk

weefsel een sterk gemengd karakter heeft gekregen, waar industrie en woningbouw door elkaar staan en meerdere incidentele stedenbouwkundige fragmenten tegen elkaar aan zijn geschoven. De invloed van de Wold Aa op de stadsplattegrond is beperkt gebleven, omdat deze ten opzichte van de Binnenstad excentrisch gelegen was en bovendien in de jaren ´40 van de 20ste eeuw rechtgetrokken is. De Wold Aa vormt nu, als moderne singel, de noordelijke begrenzing van de Centrumschil. Voor meer informatie over de dynamische waterstructuur in en om Meppel, zie kadertekst 1: ‘Dynamische waterstructuur’ aan het einde van dit hoofdstuk.   B & C Prestedelijke ontginnings- en infrastructuur & agrarische verkavelingsstructuren Vanzelfsprekend heeft de wisselwerking tussen de mens en het landschap een sterke rol gespeeld bij het ontstaan van de stadsplattegrond. Wanneer we de Franse militaire kaarten uit de jaren ’10 van de 19de eeuw bestuderen, dan valt op dat Meppel aan de westelijke rand ligt van een gebied met overwegend bouw- en weiland dat verdeeld is in individuele blokvormige verkavelingen omringd door houtwallen, en waarin verspreid in het landschap kleine groepen van boerderijen zijn gelegen. Dit natte gebied aan de zuidwestelijke rand van het hoger gelegen Drentse Plateau, waar vele riviertjes samenkwamen, werd veel later ontgonnen dan de hogere keileem- en dekzandlandschappen van het Drents Plateau, mede omdat het natte karakter nog versterkt werd door het feit dat zelfs de Zuiderzee hier nog zijn invloed deed gelden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

37

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL


In tegenstelling tot de hogere gebieden van midden Drenthe, is hier de ontginning pas in de Volle Middeleeuwen van start gegaan, waarbij in het Reestdal door de boeren essen (es = gemeenschappelijk bewerkt omheind akkercomplex) werden aangelegd op de dekzandkoppen aan de flanken van het beekdal. De essen van midden Drenthe waren erg groot en gaven een heel dorp voedsel. Dat lag in het Reestdal anders. Daar waren de essen veel kleiner (hooguit 10 ha.) en ze lagen ook niet in de buurt van een dorp, maar van een klein gehucht, dat hooguit uit drie tot vijf boerderijen bestond. Men spreekt dan ook van esgehuchten. In tegenstelling tot de dorpen op het Drents Plateau is hier ook geen sprake van grote omwalde akkercomplexen temidden van onontgonnen wilde gronden en heidevelden, maar van kleine essen in een uitgebreid landschap van min of meer vierkante percelen weiland, die elk met een houtwal werden omringd en die niet werden samengevat in een grotere eenheid. De vele watertjes en beken zorgden voor de ontwatering. De boerderijen in een dergelijk esgehucht hadden ruime erven en stonden op een afstand van elkaar, vaak onregelmatig ten opzichte van elkaar gepositioneerd. Vanuit verschillende kanten leidden paden of wegen naar het gehucht, die niet zelden in een driehoekige vorm bij elkaar kwamen. Ook Meppel is vermoedelijk een van oorsprong in de Volle Middeleeuwen ontstaan esgehucht op een dekzandkop temidden van uitgestrekte natte landen. Rond ca. 1300 is hier sprake van zes erven: Evesingehus (Eefsinge), Anekingehus (Enekinge), Woltingehus (Woltinge), Severdingehus (Severdinge), Dincstadinchus (Dingstede) en Dincstadincvene (Dinxterveen). Hiervan vormden de eerste drie de eigenlijke kern van Meppel. Daarbij was er tevens 38

Flexus AWC

sprake van een ridderhofstede Vledderinge, het latere Regteren. Prestedelijke agrarische verbindingswegen en paden zijn ook nu nog in de plattegrond van Meppel aan te wijzen. De drie wegen (Kruisstraat, Woldstraat en Hoofdstraat) verbonden in de Volle of Late Middeleeuwen de prille nederzetting van Meppel met het omliggende gebied. De bebouwing langs deze wegen is geleidelijk verdicht tot een stedelijke structuur van gesloten bebouwingswanden. Niet alleen het netwerk van wegen, maar ook de agrarische verkavelingsstructuur is hierbij uiteindelijk bepalend geweest voor de stadsplattegrond (zie hierna). Ook de huidige Commissaris de Vos van Steenwijklaan zowel als het Zuideinde, de Weerdstraat en de Molenstraat/Noordeinde, feitelijk liggend in het verlengde van de wegendriehoek, zijn prestedelijke uitvalswegen van de Middeleeuwse nederzetting Meppel. Ook deze oude wegen zijn sterk vormend geweest voor de tot in de 20ste eeuw ontwikkelde stadsplattegrond. Deze straten vormen sinds de stedelijke ontwikkeling de centrale ontsluitingsstructuren van de buurten die eromheen zijn ontwikkeld. Kavels en erven: de historische binnenstad Bij een nadere bestudering van de historische stadsplattegrond valt op dat in Meppel, in tegenstelling tot veel andere Nederlandse historische steden, veelvuldig sprake was en is van zeer onregelmatige en sterk van de context afwijkende kavels. Vooral kavels met afwijkende krommingen springen op de Kadastrale Minuut van 1823 sterk in het oog, zoals in het bouwblok tussen de Vledderstraat, de Woldstraat en de Grote Kerkstraat, maar ook in het bouwblok tussen de Hagenstraat en de Grote Akkerstraat en het


3 Ook komen er in enkele bouwblokken kavels naast elkaar voor die een identieke kromming hebben, die niet verklaard kan worden uit een richtingwijziging van de straat waar de kavels op zijn georiënteerd. Deze krommingen zijn naar alle waarschijnlijkheid terug te voeren op landschappelijke elementen of de agrarische verkaveling die hier als onderlegger gediend heeft voor het hierop zich ontwikkelende stedelijk weefsel. Mogelijk zijn de vele krommingen van de kavels terug te voeren op de watertjes en riviertjes die precies op deze natte, lage plek samenkwamen of ter afwatering zijn gegraven. Ook de forse diepte van vele kavels in sommige bouwblokken langs de randen van de toenmalige stad, zoals die ten westen van de Olde Aa, wijzen op een rechtstreekse link met de agrarische voorgeschiedenis van het terrein. In veel bouwblokken zijn de (zeer) diepe kavels tot in de 20ste eeuw als (moes)tuin of boomgaard gebruikt. Zeker het bouwblok tussen huidige Keizersgracht en Prinsenplein/Prinsengracht getuigt van dit gebruik. Op een aantal locaties is een weg of straat gerealiseerd op de plek van oudere kavelscheidende sloten. De op de Kadastrale Minuut van 1823 getekende rondlopende sloot en de in het verlengde liggende weg ter plaatse van de huidige Grote Akkerstraat is hiervan een voorbeeld. Ook de op deze kaart getekende Stinksloot, gelegen ter plaatse van de huidige Brouwersstraat, zowel als de aan de overzijde van de Hoofdstraat in het verlengde van Brouwersstraat ter plaatse van de huidige Kromme Elleboog getekende waterloop, lijken te wijzen op een oudere agrarische kavelstructuur. De Poele is eveneens een oude agra-

rische sloot die geresulteerd heeft in een kromming en onregelmatigheid in de stadsplattegrond, en die in grote mate het beloop van de huidige Noteboomstraat bepaald heeft. Maar lang niet alle verkavelingen in de historische stad van Meppel zijn onregelmatig. Langs de 17de en 18de eeuwse structuren, zoals de Zuideindigersloot, maar ook al langs delen van de 15de eeuwse Wetering, en zelfs in het bouwblok tussen het Katteneind (Hoofdstraat) en de Nieuwe Markt (Groenmarkt) of het bouwblok tussen de Kruisweg (Hoofdstraat) en de Wheem komen zeer regelmatige verkavelingen voor, met een vergelijkbare richting, breedte en diepte. Het is waarschijnlijk dat deze in één verkavelingsactie zijn ontstaan. Op enkele plekken langs de hoofdwegen c.q. primaire structuren liggen de kavelgrenzen van tegenoverliggende percelen aan de beide zijden van de straat in elkaars verlengde. Dit is vaak een aanwijzing dat deze teruggaan op een (agrarische) verkaveling, waarover later de straat werd aangelegd. Zo zijn er percelen aan beide zijden van de Woldstraat die kunnen worden gezien als behorende tot één prestedelijke verkavelingseenheid. Het valt voorts op dat de kavels die gekoppeld zijn aan het water gemiddeld iets kleiner en onregelmatiger zijn dan die gekoppeld zijn aan landwegen. Dat houdt verband met het gegeven dat achter het water vaak niet de hoofdwegen, maar secundaire structuren lopen (voor meer informatie aangaande de hiërarchie in de wegenstructuur, zie hoofdstuk 4, gebiedsbeschrijving 1, Binnenstad). Vooral langs de Grote Oeverstraat en de Hagendwarsstraat is dat goed te zien. Hier waren de kavels op meerdere plek-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

39

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL

bouwblok tussen de Woldstraat en de Touwstraat. Deze afwijkende structuren werken dan vaak door in een hele bundel buurverkavelingen.


40

Flexus AWC


3 Kadastrale minuut 1823 van Meppel met hierin weergegeven enkele ‘landschappelijke’ krommingen in de stedenbouwkundige layout <bewerking Flexus AWC>

ken ook zeer klein, als gevolg van de vele sloppen met kleine arbeiderswoningen, die hier geconcentreerd voorkwamen. Deze zijn allemaal niet meer aanwezig ten gevolge van de saneringsoperatie uit de tweede helft van de 20ste eeuw. Opvallend aan de oostzijde van de bebouwingskern zijn de grote ontspannen bouwblokken. Ook hier waren stegen aanwezig, maar van een heel ander type. De stegen ontsloten hier de - waarschijnlijk toen nog groene - kavels op de ruime binnenterreinen. Ook deze stegen zijn niet meer aanwezig. De Centrumschil Ook hier heeft de agrarische verkavelingsstructuur, zeker in de periode tot aan het Interbellum een beslissende rol gespeeld. De buurt Woldstraat/Voorstraat, en de Oude Indische buurt zijn nog binnen de oorspronkelijke agrarische verkavelingsstructuur gerealiseerd. Ook de richtingen van de deelverkavelingen in de Koninginnebuurt/Brocades en de Kraton volgen de verkavelingen die hier vanouds aanwezig waren (zie voor meer informatie hieromtrent de gebiedsbeschrijvingen van deze wijken in hoofdstuk 4). De hierna gerealiseerde buurten hebben een meer ontworpen stedenbouwkundige structuur. Tijdens het Interbellum was de wetgeving en politieke stemming zodanig gewijzigd dat er grootschaliger onteigeningen plaats konden vinden ten behoeve van stadsuitbreiding, waardoor de agrarische verkavelingsstructuur en de hiermee samenvallende eigendomsgrenzen minder bepalend werden.

D Prestedelijke en stadsvormende artefacten Behalve het natuurlijke en agrarische landschap van

vóór de ontwikkeling van de stad, zijn ook bepaalde gebouwen, complexen, of andere door de mens gemaakte structuren vormend geweest voor (delen) van de stadsplattegrond en de ruimtelijke opbouw. Dit zijn structuren (bijvoorbeeld grachten), gebouwen of complexen die een zodanige omvang of betekenis hebben voor de stad, dat deze een ‘afdruk’ op het omliggende weefsel hebben nagelaten. Water De in de Middeleeuwen gegraven Wetering is een lange periode (zeker tot aan het begin van de 17de eeuw) de begrenzing geweest voor de stadsgroei richting het zuiden, en is tevens bepalend geweest voor enkele aan het water parallelle structuren en vooral voor het ontstaan van twee centrale marktpleinen in de stad. De Zuideindigersloot/Hoogeveense vaart (huidige Keizersgracht/Herengracht) vormde lange tijd de zuidbegrenzing van de stadskern. Aan het einde van de 19de en begin van de 20ste eeuw is hier sprake geweest van de transformatie van een water met asymmetrisch profiel (ene zijde straat, andere zijde overtuinen) naar één met een symmetrisch grachtprofiel. De 19de en vroeg 20ste uitleg van de Koninginnebuurt is haaks op dit water georiënteerd. De Zuideindigersloot is hiermee bepalend geweest voor de ruimtelijke layout van deze buurt. Het Mallegat heeft geen nadrukkelijke invloed gehad op de stedelijke structuur ter plaatse. Als gevolg van haar ligging in de hoek van de stad waar de havenactiviteiten zich het sterkst ontwikkelden, is hier nooit een sterke stedenbouwkundige structuur ontwikkeld, waardoor meerdere sterke transformaties in de stedenbouwkundige structuur hebben kunnen plaatsvinden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

41

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL


Spoorbaan De aanleg van de spoorwegen in de periode 1867 - 1870 heeft zijn invloed gehad op de huidige stadsplattegrond. Als direct gevolg van de plaatsing van het stationsgebouw ontstond in het zuiden van de gemeente de representatieve Stationsstraat. Deze op het station gerichte as is bepalend geweest voor de stedelijke structuur ter weerszijden (Koninginnebuurt en Wilhelminapark). Trambaan In aansluiting op de spoorwegen functioneerden in de periode van globaal 1908 tot 1934 twee tramlijnen, waarvan met name de tramlijn Meppel – Hijkersmilde gevolgen voor de stadsplattegrond gehad heeft. Deze tramlijn, die oorspronkelijk met een wijde boog om de stad van station naar de Galgenkampsbrug over de Drentsche Hoofdvaart liep, heeft de noordbegrenzing van enkele stadsuitbreidingen bepaald en is uiteindelijk in het Uitbreidingsplan van gemeentearchitect Monsma uit 1928 de centrale ontsluitingsas geworden van de noordelijke stadsuitleg van de Centrumschil. Deze ontsluitingas is in 1934 middels de Burgemeester Knoppersbrug over de Hoogeveense Vaart met de evenwijdig aan de spoorbaan lopende Parallelweg gekoppeld, waardoor een noordwestzuidoostroute ontstond buiten de Binnenstad om. Wegen De ontwikkeling van bepaalde gebieden binnen de Centrumschil is tevens sterk beïnvloed door eerder aangelegde weginfratructuur: • Het zuidelijk deel van het Zuideinde betreft een verbindingsweg die als gevolg van de aanleg van de Staphorsterstraatweg naar Staphorst en Zwolle tot stand gekomen is. De straatweg functioneerde volledig in het jaar 1839. De langs de 42

Flexus AWC

straatweg geleidelijk aangroeiende bebouwing vormde de eerste aanzet tot meer geplande stadsuitbreiding in het zuidelijk deel van de Centrumschil vanaf het midden van de negentiende eeuw. De Bekinkbaan werd op de locatie van het buurtje de Kraton gerealiseerd in de jaren ’70 van de 20ste eeuw. Deze hoofdverkeersbaan heeft de onderliggende historische lagen volledig vervangen. De nieuwe invullingen zijn sterk gerelateerd aan deze verkeersinfrastructuur.

Losse historische fragmenten De havezate Vledderinghe was in oorsprong gelegen op een zandrug tussen moerassige gronden. Haar oorsprong ligt in ieder geval vóór 1414, en haar positie is medebepalend geweest voor de stadsplattegrond van het noordelijke deel van de centrumschil. Tussen Vledderinghe, dat in latere tijden de benaming Rechteren droeg, en de historische bebouwingskern liep een pad, het zogenaamde Jufferenpad. Dit pad heeft een rol gespeeld bij de layout van de Voorstraatbuurt en de Indische Buurt West en de Oude Indische Buurt. Het tracé van het pad loopt nu precies op de ontmoeting van de achtererven van de bebouwing aan de Soembastraat met die aan de Voorstraat. Rechteren zelf werd gedurende de 20ste eeuw omgevormd en uitgebouwd tot vleesfabriek en was in deze periode nog als historisch complex aanwezig tussen de vooroorlogse en naoorlogse stadsuitbreidingen van de Centrumschil. Eind jaren zeventig werd het complex aangekocht en met uitzondering van een villa gesloopt, waarna een bejaardenwoningcomplex met geheel eigen en afwijkende stedenbouwkundige structuur op de locatie gerealiseerd is.


E Ontworpen en autonome structuren & weten regelgeving

proces van rooilijnregulatie heeft plaatsgevonden, zeker ter plaatse van de hoofdstraten.

Hoewel vaak wordt verondersteld dat historische, en dan vooral middeleeuwse bebouwingskernen organisch gegroeid zijn met minimale regelgeving, is dat toch niet het geval. Er zijn wel degelijk straten planmatig aangelegd – maar ook was regelgeving op velerlei terreinen van het bouwen al in de 14de eeuw gemeengoed. Hierbij moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen planmatig aangelegde straten en pleinen (in de zin van in één keer doelbewust ontworpen en gereguleerd bebouwd, onder overheidstoezicht) en regelgeving (‘keuren’) omtrent het bouwen.

Uit de literatuur zijn wel een aantal duidelijke gevallen van ingrijpen van het stadsbestuur uit de periode vóór 1850 bekend die betekenis gehad hebben voor de vormgeving van de historische (binnen)stad: • De bebouwing ten westen van de (Olde) Aa, aan de Grote Oeverstraat zoals aanwezig tot globaal de vijftiger jaren van de 20ste eeuw en de noordbebouwing van het Bleekerseiland: deze zijn tot stand gekomen na het in 1622 door Meppel in erfpacht verkrijgen van een deel van de Domeinmaten (de uitgestrekte landerijen ten westen van de Olde Aa) van het Landschap Drenthe. • De Putstoel: dit kleine pleintje op de kop van de Kruisweg gelegen bij de Hoge- of Holtenbrug over de Aa was het gevolg van een meningsverschil tussen het noordelijk en zuidelijk stadsdeel over de plaats waar markt gehouden werd. De Putstoel is in haar originele vorm niet meer aanwezig. • De Wheeme: deze pastoriegrond is in 1796 door het gemeentebestuur geconfisceerd en omgevormd tot marktruimte. De markt werd vervolgens in 1863 vergroot. • De Groenmarkt: in 1818 werd de Muzelaarshof (huidige Groenmarkt) in het gebied dat bekend stond als Wevershoek, van de Gereformeerde Kerk gehuurd en omgevormd tot marktruimte. • Kerkplein/Hoge Tin: nog meer ruimte kwam voor de markt beschikbaar toen bij de nieuwe begrafeniswet van 1825 begraven in de kom van de gemeente verboden werd. Het kerkplein werd omgevormd tot marktruimte. • De gracht ter plaatse van de Keizers- en Herengracht: deze is ontstaan halverwege de negen-

Er kan van worden uitgegaan dat de oudste straten van Meppel organisch zijn gegroeid of op particulier initiatief zijn aangelegd en later gereguleerd door de overheid. Maar er zijn ook stegen en straten die min of meer planmatig tot stand zijn gekomen, als onderdeel van een stadsuitbreiding. Mogelijk is dit het geval bij de Wevershoek die gedurende de 17de eeuw tot stand kwam, waarvan in ieder geval de rechte rooilijnen en regelmatiger kavelstructuur op de kadastrale minuut van 1832 opvallen. De ruimtelijke verschillen tussen organisch gegroeide en planmatig aangelegde straten zijn echter lang niet altijd even evident. Beide typen waren vaak zo recht mogelijk, maar onregelmatigheden konden wel degelijk voorkomen. Grofweg vanaf de 16de eeuw nam in Nederland de invloed van de overheid op de vorm van de stadsplattegrond toe, in het bijzonder ten aanzien van het rechttrekken van rooilijnen. Het is niet nader onderzocht, maar wel waarschijnlijk dat ook in Meppel dit

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

43

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL

3


tiende eeuw in het verlengde van het omvormen van de Zuideindigersloot aldaar tot scheepvaartkanaal. Is de Keizersgracht op de kadastrale minuut van 1832 al zichtbaar, de Herengracht is in zijn huidige vorm pas veel later tot stand gekomen. Aan de Keizersgracht werden woningen teruggeplaatst in verband met de noodzaak de Zuideindigersloot te verbreden voor het kanaal. In de periode na 1850 vonden met een aanloop in het begin van de 20ste eeuw dempingen plaats van belangrijke watergangen in de Binnenstad. Ter plaatse van deze watergangen zijn wegen gerealiseerd. In de periode vanaf de jaren ’50 van de 20ste eeuw tot in de jaren ’80 is een verkeersbinnenring ten behoeve van het autoverkeer in de Binnenstad gerealiseerd. Langs deze binnenring bevonden zich een groot aantal saneringslocaties. Op deze locaties is veel nieuwbouw gerealiseerd. Zie voor meer informatie over de saneringsoperatie, hoofdstuk 4, gebiedsbeschrijving 1: Binnenstad. Planmatige aanleg van de Centrumschil De Centrumschil is grotendeels, maar vooral vanaf de jaren ‘30 van de 20ste eeuw op basis van een planmatige aanleg tot stand gekomen. Tijdens het Interbellum was de wetgeving en politieke stemming zodanig gewijzigd dat er grootschaliger onteigeningen plaats konden vinden ten behoeve van stadsuitbreiding, waardoor de agrarische verkavelingsstructuur en de hiermee samenvallende eigendomsgrenzen minder bepalend werden. Voor de Centrumschil van Meppel zijn twee plannen bepalend geweest: 1. Het Uitbreidingsplan van gemeentearchitect Monsma, dat in 1928 door de gemeenteraad goedgekeurd werd, werd voor, tijdens en kort na de Tweede 44

Flexus AWC

Wereldoorlog – met uitzondering van het meest noordelijke en het westelijke deel en delen van de geplande wijk Ezinge– uitgevoerd. Het plan van Monsma wordt nader toegelicht in kadertekst 3, aansluitend op dit hoofdstuk. 2. Het ‘Uitbreidingsplan in hoofdzaak Meppel’ dat zijn oorsprong had in 1943 en in 1958 bestendigd werd in het ´Plan in hoofdzaak Meppel´, kwam tot stand kwam met advisering van het adviesbureau van ir. Roosenburg te Den Haag. Met name het noordelijk gedeelte van de Centrumschil is tot stand gekomen op basis van dit Uitbreidingsplan. Een toelichting op dit plan is opgenomen in de Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Uitbreidingswijken en Buitengebied Meppel.

F Functionele en sociaal-economische structuren De functionele en sociaal-economische patronen, dat wil zeggen de verdeling van (economische en maatschappelijke) functies en welvaart over de stad, is eveneens een bijzonder sturende factor in het ontstaan van de stadsplattegrond geweest. De sociaal-economische patronen zijn in de historische Binnenstad en Centrumschil van Meppel vooral zichtbaar in de volgende stedelijke ruimten: 1. In de Hoofdstraat en de hier direct aan grenzende zijstraten bleef zeker tot ver in de 19de eeuw het welvarende gedeelte van de bevolking gehuisvest. Hier waren vanouds representatieve functies aanwezig: de kerk, de pastorie, het stadhuis. Later in de 19de eeuw werd hier bijvoorbeeld het politiebureau/kantongerecht gevestigd. Dit heeft zich voor


3 2. Vanaf de 17de eeuw vond uitbreiding plaats aan de zuidoostzijde met de eenvoudige Wevershoek, met eenvoudige huisjes. 3. Vanaf de 19de eeuw ontstonden in het zuidelijk deel van de Centrumschil van de gemeente de welvarender woonwijken in de nabijheid van het station en het park. Aansluitend aan deze wijken ontstonden de wijken voor de kleine middenstand. In het noordelijk deel van de Centrumschil werden vanaf de jaren â&#x20AC;&#x2122;30 van de 20ste eeuw kleine middenstandswijken en sociale woningbouwbuurten gebouwd. Wat betreft de verdeling van de verschillende functies over de stad en de daarmee verband hangende stedenbouwkundige structuren, kan het volgende worden opgemerkt: 1. De belangrijkste stedelijke functies (o.a. hoofdkerk, stadhuis, waag) bevonden zicn vanouds aan de Hoofdstraat en in de hiernaast liggende zijstraten en pleinen. Vanaf de 19de eeuw werden nieuwe representatieve functies vooral gevestigd in het zuidelijk gedeelte van de Centrumschil. 2. Grofweg vanaf de 17de eeuw ontstonden aan de westzijde van de stad de watergerelateerde nijverheidsfuncties. In 1832 bevonden zich bijvoorbeeld twee werven bij de samenkomst van de Zuideindigersloot en de (Olde) Aa (Stoombootkade en Harm Smeengekade). Een derde werf lag bij de samenkomst van het Mallegat en de Drentse Hoofdvaart). Van deze vroege nijverheidsstructuur is nu niet veel meer over; slechts de molens en havenbekkens ge-

tuigen hier nog van. 3. De meeste pakhuizen bevonden zich op percelen of aan straten die aansloten op een vaarweg (Aa, Wetering, Stinksloot). In 1832 was de situatie als volgt: enkele lagen aan de Kruisweg (Kruisstraat), de Paapensteeg (Grote Kerkstraat, Prinsenplein) en in de wijk die werd begrensd door de Stinksloot (Brouwersstraat), Katteneinde (Hoofdstraat), Kerkhofsdiep (Hogetin) en Aa (Kleine Oever). Bekend is dat de Olde Aa ter plaatse van de Grote Oeverstraat aan het einde van de 19de eeuw omzoomd was met graanpakhuizen. 4. De achtergebieden aan de waterstructuren riepen eigen functies op. De noordzijde van de huidige Keizersgracht ter plaatse van het huidige Zuideindigerpad, is bijvoorbeeld lange tijd achterzijde van de bebouwing aan de Stinksloot geweest. Bekend is dat op deze locatie vanaf 1776 tot 1956 een leerlooijerij gevestigd was. 5. In veel gevallen blijkt een etymologische duiding te kloppen en blijkt de naamgeving van een locatie iets te vertellen over een hier in het verleden gevestigde functie. Achter de huizen aan de zuidkant van het Bleekerseiland was bijvoorbeeld lange tijd een bleekveld aanwezig. Het schiereiland dankt hieraan zijn naam. Ook de naam Touwstraat (op de kadastrale minuut van 1832 Touwbaan genoemd) wijst op een eerder gevestigde functie. Hier was oorspronkelijk een lijnbaan (ook touwbaan genoemd) gevestigd. Deze hoek van de stad was trouwens ook bekend als Jodenhoek. Hier bevond zich de Joodse synagoge, het badhuis, de Joodse school. Van de gebouwen die herinneren aan de aanwezigheid van joodse burgers is er helaas geen meer over.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

45

HOOFDPRINCIPES VAN DE BINNENSTAD EN CENTRUMSCHIL

wat betreft de Hoofdstraat vertaald in een continue bebouwingswand en vrij hoge bebouwing.


â&#x2014;&#x201E;

46

Flexus AWC

Waterkaarten <Flexus AWC>


i

Wat de waterstructuren in de gemeente Meppel betreft is steeds sprake geweest van een wisselwerking tussen het natuurlijk geomorfologisch gegeven en menselijk ingrijpen. Gelijk opgaand met het ontginnen van het drassige laaggelegen gebied rond Meppel dat waarschijnlijk zijn aanvang nam in de 11de eeuw begon de mens zijn greep op de bestaande waterlopen te verstevigen. Dit geschiedde ten behoeve van de ontwatering van het land, maar ook om de bestaande waterwegen aan te passen aan het vervoer over water. Ook werden hiervoor nieuwe waterwegen gegraven. Het reguleren van de waterstanden om de waterwegen bevaarbaar te houden (middels schutten en schutsluizen) en waarbij tegelijkertijd toch het omliggende land droog bleef was hierbij een blijvend punt van zorg en conflict. Voor een beeld van de locatie van de bestaande waterstromen, zie de linker illustratie op de naastgelegen pagina. Een bijzonder voorbeeld van menselijk ingrijpen betreft de waterstructuur ten noordwesten van Meppel. Het laag gelegen oude veengebied van Kolderveen en Nijeveen ten noordwesten van Meppel kent al eeuwenlang een stelsel van vaarten (griften genaamd) en dwarsvaarten. De griften hier, aangelegd vanaf de 13de of 14de eeuw, zijn de oudste veenkanalen van Drenthe, noodzakelijk voor de ontwatering van het veen en voor het transport van de gewonnen turf. Tot in de 20ste eeuw vond hier het meeste trans-

port – van goederen en personen - over water plaats. De griften waterden uit op de rivier de Sethe c.q. het later als Meppeler Diep benoemde water. Eén van de dwarsvaarten, plaatselijk bekend als ‘de Waterleiding’, is aangelegd in het tracé van een al lang verdwenen veenstroompje, de Hesselter Aa. In ditzelfde tracé kwam in 1870 een primitieve kano uit het veen te voorschijn. Deze kano bleek volgens C14-datering zo’n 2500 jaar oud. Om zichzelf en vooral ook landbouwgronden tegen water te beschermen werden er in het gebied rond Meppel ook al vroeg dijken aangelegd. Dit was geen luxe omdat de waterwegen in directe verbinding stonden met de Zuiderzee en hiermee zeker bij stormvloed overstromingsgevaar dreigde. In het veenontginningsgebied van Kolderveen en Nijeveen droegen twee dijken bij aan de waterbeheersing. De ene dijk lag op het bebouwingslint Kolderveen-Nijeveen-Veendijk. De naam ‘Veendijk’ (gelegen in de gemeente Westerveld) zegt in dit opzicht genoeg. De tweede dijk lag zuidelijker, vlakbij het Meppeler Diep en de Havelter Aa, en staat nog steeds bekend onder de naam Zomerdijk. Plaatselijk is deze dijk nog steeds als een lichte verhoging in het landschap herkenbaar, zoals nabij het sluisrestant in de Kolderveense Westergrift. Zoals al eerder vermeld was ook de blijvende bevaarbaarheid van het water een punt van zorg. Een niet gering punt omdat het grootste gedeelte van de oorspronkelijke stromen

rond Meppel slecht bevaarbaar was door ondiepten en een onregelmatig verloop, en de bevaarbaarheid van het water een voorwaarde vormde voor het transport van goederen. De mens begon al vroeg met het uitdiepen en verbreden van bestaande stromen en met het graven van nieuwe kanalen.

DE DYNAMISCHE WATERSTRUCTUUR IN EN OM MEPPEL

Menselijk ingrijpen

Waterdynamiek tot 1850 De continue actieve aanpassingen van de mens hebben geresulteerd in een dynamisch waterlandschap dat zijn invloed heeft gehad op de stadsvorm van het huidige Meppel en de layout van haar omgeving. In de omgeving van Meppel zelf hebben in de periode tot globaal 1850 de volgende ingrepen plaatsgevonden: - De eerder genoemde griftenstructuur ten noordwesten van Meppel. Deze dateert als veenontginningsstructuur vanaf de 13de of 14de eeuw. - De Wetering. De eerste vermelding van de naam Wetering is in een archiefstuk uit 1426, opgesteld door de Etstoel, het Drentse gerechtshof, maar de Wetering is vermoedelijk al veel ouder. De Wetering schijnt in de oudste vorm tussen Meppel en Rogat gelopen te hebben en was een gegraven vaarweg, zoals de naam feitelijk al aangeeft. De Wetering is aangelegd om de ontwateringssituatie van de aanliggende gebieden ten oosten van Meppel te verbeteren en was toen nog een ondiep kanaal, die nog gemakkelijk met wagens

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

47

KADERTEKST 2

Kadertekst 2 De dynamische waterstructuur in en om Meppel


â&#x2014;&#x201E;

48

Flexus AWC

Waterkaarten <Flexus AWC>


i - De Richte Graven. In de dertiende en veertiende eeuw was Meppel over de Sethe, het latere Meppelerdiep, voor grotere schepen veelal niet bereikbaar. De schepen konden niet verder komen dan Dingstede. Vanaf daar zat de rivier vol bochten (zogenoemde ‘rakken’) en ondiepten die werden veroorzaakt door hoog gelegen ijzeroerplaten, die tot in de negentiende eeuw problemen voor de scheepvaart zouden opleveren. Verder stroomopwaarts zorgden de Havelter Aa, de Wold Aa, het Oude Diep en de Reest voor een zeer onregelmatige watertoevoer. Perioden waarin deze waterlopen buiten hun oevers traden werden afgewisseld met perioden waarin de beddingen droog stonden. De grilligheid in de watervoering werd nog versterkt doordat het gebied rond Meppel – zij het in geringe mate – onder invloed stond van eb en vloed. Door het graven van een kanaal van Dingstede naar Hesselingen, de zogenaamde Richte Graven, is getracht Meppel voor de scheepvaart bereikbaar te maken. De oudste vermelding van deze vaarweg dateert van 1438. In 1628 is de Richte Graven, die in verval was geraakt, opnieuw uitgegraven. In het terrein is deze middeleeuwse vaarweg nog te zien en op de topografische kaart wordt hij aangeduid als Oude Diep. Van

- Oude Leisloot. Deze ten noorden van Meppel gelegen en gegraven watergang werd al in de middeleeuwen gebruikt en stond toen onder de namen Zwarte Grift, Zwarte Graven en Heslersloot bekend. De Swarte Grift, voor het eerst vermeld in 1428, vervulde niet zozeer een rol in transport, maar had een belangrijke rol bij de afwatering van het Ruinerwold. - Oude Vaart (ook bekend als Oude Smildervaart). Veel kanaliseringen vonden plaats tijdens de zeventiende en achttiende eeuw en waren het directe gevolg van het aan snee brengen van de turf in de veengebieden van west- en zuidoost Drenthe. O.a. aan de noordzijde van het gebied rond Meppel had dit zijn gevolgen. Men maakte in eerste instantie gebruik van twee in het verlengde van elkaar liggende stroompjes, de Havelter Aa en de Lake. De Havelter Aa werd omstreeks 1650 vanaf Nijentap tot Meppel rechtgetrokken, toen naast de oude waterloop een geheel nieuwe vaarweg ´De Oude Vaart´ werd aangelegd ter verbetering van de vaarroute naar de vanaf 1613 aan snee gebrachte ‘Dieverder- en Leggeler Smildeveenen’ in het noorden. Op de kaart van Drenthe van Cornelis Pijnacker uit 1634 is de aanpassing van de vaarrou-

te nog niet te zien, maar op een topografische kaart van het gebied uit 1840 wordt de oude waterloop nog aangegeven met Oude Diep en de nieuwe met Oude Vaart. De nieuwe vaart werd ook benoemd als Smildervaart. DE DYNAMISCHE WATERSTRUCTUUR IN EN OM MEPPEL

de genoemde rakken in het Meppeler diep resteren nu nog twee restanten: dat van het Vrouwenrak en het Korterak, twee namen die we al in de 17de eeuw tegenkomen.

- Nieuwe Smildervaart. In de 18e eeuw voldeed de oude Smildervaart niet meer. Men ging vanaf het laatste kwart van de 18de eeuw over tot het aan snee brengen van de zogenaamde ‘Kloostervenen’ ten westen en zuidwesten van Assen. De Smildervaart was geleidelijk in onbruik geraakt en zeer slecht onderhouden en men besloot tot aanleg van een nieuwe meer practische vaarroute. Tussen 1769 en 1780 werd de nieuwe Smildervaart ofwel Drentsche Hoofdvaart aangelegd van Meppel naar Assen. - Hoogeveense Vaart (Echtinger Stroom). De Wetering werd in de 17de eeuw uitgediept en verlengd ten behoeve van het transport van turf uit de gebieden van de Hoge Echtense Venen bij Hoogeveen. Deze Hoogeveense Vaart werd vervolgens halverwege de 19de eeuw nogmaals uitgediept door de Drentsche Kanaal Maatschappij ten behoeve van het aan snee brengen van de veenmassa’s in Zuidoost Drenthe. In deze fase werden in de binnenstad van Meppel de nodige aanpassingen aan de waterlopen gedaan. Alle hierboven weergegeven door de mens aangelegde waterstructuren hebben – naast

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

49

KADERTEKST 2

en vee overgestoken kon worden. De oorsprong van de Wetering is vermoedelijk niet een natuurlijk waterloopje geweest; er zijn in het stroomverloop geen beekdalafzettingen aangetroffen.


â&#x2014;&#x201E;

50

Flexus AWC

Waterkaarten <Flexus AWC>


i Het water en haar invloed op de stadsvorm van Meppel (op hoofdlijnen)

- De ontginning van de Hoge Echtense venen en het uitdiepen van de Wetering bracht verandering in Meppel met zich mee. Om Roelof van Echten, initiatiefnemer en mede-exploitant van de eerdergenoemde venen en de Hoogeveense Vaart te dwarsbomen, bouwde Meppel een sluis op de locatie van de huidige Meppelersluis. Meppel behield hiermee controle op de waterstanden (en hiermee bevaarbaarheid van het kanaal) en de sluisgelden die een forse inkomstenbron waren in verband met de grote hoeveelheden turf die de gemeente passeerden.

Ook binnen de nauwere omgeving van Meppel is sprake geweest van een wijziging van de waterlopen en een voortdurend ingrijpen van de mens. Aan het begin van de 17de eeuw was de waterstaatkundige situatie als volgt: ten noorden van Meppel kwamen de Havelter Aa en de Wold Aa samen. Tezamen stroomden deze waterlopen in zuidelijke richting als (Olde) Aa via de huidige Eendrachtstraat, Grote Oever, Kleine Oever, Bleekerseiland en Sluisgracht naar het Meppelerdiep. Uit oostelijke richting sloot hier de Wetering op aan. Vanaf de Tipbrug volgde de Wetering de Prinsengracht, het Prinsenplein, de Prinsenstraat en de Weteringstraat tot in de Aa. De Reest had in de 17de eeuw al ongeveer zijn huidige loop, maar omdat de bebouwing van Meppel niet zuidelijker reikte dan de toenmalige Wetering, stroomde de Reest niet door, maar ver zuidelijk langs de toenmalige nederzetting. Zeker is dat de stadsvorm van Meppel aan het begin van de 17de eeuw bepaald werd door de van noord naar zuid stromende Aa

Vanaf de 17de eeuw tot in de 20ste eeuw vonden de volgende wijzigingen (op hoofdlijnen) in de waterstructuur plaats:

- Direct resultaat van de aanleg van de sluis was wateroverlast voor de landerijen ten noorden en ten oosten van Meppel. Niet alleen het water in de Hoogeveense Vaart werd door de sluis opgestuwd, maar ook dat van de Havelter Aa (ook Oude Vaart genoemd) raakte soms buiten haar oevers. Aanvankelijk probeerde men met de verveners uit Hoogeveen een regeling te treffen over het op gezette tijden open houden van de sluis, wat uiteindelijk

niet lukte. In 1662 namen Havelte, Kolderveen, Nijeveen, Haakswold, Meppel, Oosterboer, Schiphorst en Broekhuizen het initiatief om ten westen van Meppel een nieuwe doorgraving te realiseren vanaf de samenkomst van de Havelter Aa en de Wold Aa tot aan het Meppelerdiep, dus buiten de Meppeler sluis om. Een deel van die doorgraving is nu nog bekend als het Mallegat. In de doorgraving werd een schut geplaatst om de waterstand te reguleren. Tevens werd hierdoor voorkomen dat de Meppeler sluis overbodig zou worden. Het water van de Hoogeveense Vaart en de Havelter Aa zou immers buiten de Meppeler Sluis om naar het Meppelerdiep kunnen afvloeien. De ontwatering van met name de Haveltermade en het westelijk deel van Ruinerwold werd hierdoor sterk verbeterd, maar de schippers die langs de Havelter Aa Meppel kwamen binnenvaren, kregen vaak te kampen met een te lage waterstand. Het laat zich raden dat dit veel problemen tussen boeren en schippers opleverde, alvorens Ridderschap en Eigenerfden een reglement afkondigden en een door de Drost beĂŤdigd schutwachter aanstelden om aan de malversaties rond het gebruik van het schut een eind te maken.

DE DYNAMISCHE WATERSTRUCTUUR IN EN OM MEPPEL

en de zuidelijk langs de nederzetting lopende Wetering. De Aa was op dit moment al aan beide zijden bebouwd. De aansluiting van de Wetering op de Aa was een belangrijke locatie in de nederzetting omdat hier, achter de kerk, regelmatig weekmarkt gehouden werd.

- De vernieuwing van de Hoogeveense Vaart door de in 1850 opgerichte Drentsche Kanaal Maatschappij (DKM) die de veenontginning in Oost-Drenthe continueerde en verder uitbouwde had grote gevolgen voor de stadsplattegrond van

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

51

KADERTEKST 2

de natuurlijke waterstromen â&#x20AC;&#x201C; hun invloed gehad op de uitleg van het landschap en de daar aanwezige verkavelingen. Hiernaast heeft de aangelegde waterinfrastructuur soms ook invloed gehad op de wegstructuren, zoals o.a. de Wetering aantoont met de zich hierlangs bevindende weg richting Rogat, en de weg over de Staphorster Stouwe (dijk langs het Meppels Diep) via Hesselingen naar het zuiden.


â&#x2014;&#x201E;

52

Flexus AWC

Waterkaarten. <Flexus AWC>


i

- In dezelfde periode vonden ook korte kanalisaties ten behoeve van het scheepvaartverkeer plaats ten behoeve van het opheffen van bochten in de routes van Drentsche Hoofdvaart en Meppelerdiep nabij de stad Meppel ten behoeve van de scheepvaart naar het noorden. - De vernieuwing van de Meppeler Sluis en verbetering van de hoofdroutes door Meppel namen de zorg over de staat van de waterwegen niet weg. De discussie over het op peil houden van met name de Hoogeveense Vaart boven de Meppelersluis hield aan. De gebrekkige wateraanvoer en het in de vaarten deponeren van vuilnis vormden de belangrijkste oorzaken van de steeds weer voorkomende verstoppingen. In droge tijden vloeide veel van het uit de Hoogeveense Vaart aangevoerde water via de (Olde) Aa naar de Wold Aa weg. De DKM, exploitant van het kanaal heeft verschillende malen geprobeerd een stuitschut bovenstrooms geplaatst te krij-

gen, dat alleen in droge tijden behoefde te functioneren. Omstreeks 1852 ging met het plaatsen van het Prinsenschut in de (Olde) Aa deze wens in vervulling. Toch betekent dit niet dat Meppel in deze periode nooit wateroverlast heeft gehad. Vanuit de Zuiderzee kon bij een stormvloed het water hoog opgestuwd worden. De gebrekkige bedijking langs de Zuiderzee en het Meppelerdiep bezweek dan onder de verhoogde waterdruk, zodat ook de straten van Meppel blank kwamen te staan. Vooral tijdens de overstroming van 1825 werd in Meppel de nodige materiële schade aangericht.

DE DYNAMISCHE WATERSTRUCTUUR IN EN OM MEPPEL

gerealiseerd ‘door eenen gewezen timmerwerf en pakhuis, gelegen tusschen de Meppelersluis en de Brouwersstraat’ waarmee ook de noord-zuidroute via de Aa gestroomlijnd werd (route langs de huidige Stoombootkade) waarmee in feite het Bleekerseiland ontstond. Het Bleekerseiland bleef niet lang een eiland. De noordzijde van het Bleekerseiland en het Haventje, ter plaatse van de huidige Havenstraat werden al in de tachtiger jaren van de 19de eeuw gedempt.

- Rond 1900 werd de Spoorhaven aangelegd naast de Hoogeveense Vaart, ten oosten van de spoorlijn Meppel – Leeuwarden en gekoppeld aan een rangeerspoor bij het station. De Spoorhaven is ca. 1948 weer gedempt. - In 1928 werd – mede door de schaalvergroting van de scheepvaart noodzakelijk geworden – de Nieuwe Haven (ook wel Buitenhaven genoemd) gegraven; tegelijkertijd werd hier de noordverbinding met de Drentsche Hoofdvaart gedempt. Rond dezelfde periode kwam de Schuttevaerhaven tot stand. - In 1930 werd in het kader van een opknapbeurt van de bruggen en sluizen bij de Hoogeveense Vaart de bouw van een nieuwe Meppelersluis met duikers afgerond. Hierdoor kon de zogenaamde ‘Lei-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

53

KADERTEKST 2

Meppel. Behalve het doortrekken van de vaart was het noodzakelijk aanzienlijke verbeteringen aan het bestaande traject aan te brengen. Dat gold tevens voor het deel van de vaart dat in de bebouwde kom van Meppel lag, waarbij ingezet werd op twee trajecten, het bestaande traject via de ‘Hoofdgracht’ (de loop van de oude Wetering) en een nieuwe over de Zuideindigersloot (ook wel Katteneindigersloot genoemd). Wanneer een schipper uit de richting Hoogeveen door Meppel het Meppelerdiep op wilde varen, ontmoette hij op zijn weg via de ‘Hoofdgracht’ verschillende obstakels zoals een schutsluis, een vernauwde vaarweg, ophaalbruggen, en een fiks aantal scherpe bochten die flink wat manoevreren opleverden. Het traject via Herengracht, Galmanspad en Harm Smeengekade was toen immers nog niet in gebruik. Hier lag al wel de Zuideindiger sloot, maar deze was niet diep en breed genoeg om als vaarweg te dienen voor de wat grotere schepen, en bovendien lag ter hoogte van de huidige Tipbrug een vaste brug die de doorvaart verhinderde. Na flink wat getouwtrek kwamen de gemeente en de DKM tot een overeenkomst, werden gronden langs de Zuideindigersloot aangekocht en werd deze aanzienlijk verbreed, en werd de Meppeler sluis aan de DKM overgedragen en vernieuwd (deze overdracht is in 1874 overigens weer teruggedraaid door terugkoop door de gemeente). Ook werden verbeteringen aangebracht in het traject via de ‘Hoofdgracht’ en werd een doorgraving


ding’ van Galmanspad naar de Reest (met stuw) worden gedempt en werden enkele brugjes in de Oude Boazstraat en Kastanjelaan opgeruimd. De Leiding was ooit als parallelkanaal of overlaat aangelegd, waarmee het overtollige water uit de Hoogeveense Vaart rechtstreeks in de Reest kon worden geleid, zonder de Meppelersluis te hoeven passeren. Vanaf de 20ste eeuw resulteerden de rationalisering en kanalisering van de waterstructuur, de toegenomen grootte van de schepen, en het opkomend verkeer op het land in dempingen: - In 1917 werd door de gemeenteraad besloten het Kerkhofsdiep (laatste deel van de Wetering op de locatie van de aansluiting met de (Olde) Aa) naast de kerk tot en met de huidige Prinsenstraat te dempen ten behoeve van het scheppen van meer marktruimte. Een jaar later dempte men nog een gedeelte in oostelijke richting, waardoor het Prinsenplein ontstond. De Drentsche Kanaal Maatschappij eiste in verband met het vervallen van de vaarroute via de oude Wetering dat de situatie op het Zuiderkanaal (de Keizersgracht) zou verbeteren en dat er daar o.a. een verbreding gerealiseerd werd. Hiervoor was het nodig van drie huizen de gevels terug te zetten hetgeen geschiedde. De eigenaardige knik in de rooilijn van de Keizersgracht getuigt hier nog steeds van.

54

Flexus AWC

- In 1932 was de slechte toestand van het Prinsenschut in de Wold Aa aanleiding tot de discussie of niet ook dit gedeelte van de Wold Aa gedempt moest worden. Voor de scheepvaart was de Wold Aa van ondergeschikt belang geworden vanwege de aanleg van de Nieuwe Haven en de verbinding via het Mallegat. Besloten werd de verbinding van de Wold Aa met de Grote Oever te dempen en zo ontstond de Eendrachtstraat. Vanaf 1933 telde Meppel dus drie doodlopende grachtarmen, waarlangs voornamelijk pakhuizen lagen: de Grote Oever/Kleine Oever tot aan de Kruisstraat, als zijtak hiervan het resterende deel van het Kerkhofsdiep en het resterende deel van de Prinsengracht. - In 1938 werd oostelijk van eerdere dempingen nog een gedeelte van de Prinsengracht gedempt. - In 1946 ging de gemeenteraad akkoord met een voorstel het Kerkhofsdiep zo spoedig mogelijk en de Grote Oever vanaf 1 juni 1951 te dempen. Het duurde uiteindelijk tot 6 oktober 1952 voordat de Grote Oever en het Kerkhofsdiep voor scheepvaart werden afgesloten. Met uitzondering van een klein gedeelte van de Prinsengracht dat in 1967 nog gedempt zou worden, ontstond zo de situatie die nu nog bestaat, en die nog slechts op onderdelen doet herinneren aan de waterstad die het centrum van Meppel ooit geweest is.

Ook buiten het centrum, in de Centrumschil en daarbuiten hebben binnen de gemeentegrenzen gedurende de 20ste eeuw flinke ingrepen plaatsgevonden. Op hoofdlijnen zijn dit de volgende wijzigingen/gebeurtenissen: - De Wold Aa is rechtgetrokken bij de realisatie van de Zeeheldenbuurt in het noordelijk deel van de Schil begin jaren ‘50. Hier is het oude verloop van het riviertje niet meer afleesbaar. - Bij de aanleg van de wijk Haveltermade begin jaren ‘50 is de Oude Vaart c.q. Smildervaart opgenomen als centrale structuur in de wijk. Het verloop noordelijker van Haveltermade is echter niet meer afleesbaar omdat de aanleg van industrieterrein Noord I en II hier de restanten van de Oude Vaart op Smilde opgeslokt heeft. - In 1953 werd de Reest bij Meppel verbreed door de provincie, met financiële steun van de gemeente, en werd een verbindingskanaal tussen de Hoogeveense Vaart en de Reest in gebruik genomen. - De wateroverlast bleef ook in de periode na de Tweede Wereldoorlog nog een tijd aanhouden. Eind 50er en begin 60er jaren waren er nog aanzienlijke wateroverlastproblemen. Er ontstonden voor Meppel telkens overstromingen en bijna-overstromingen, waarbij die van december 1960 het ergste was.


i DE DYNAMISCHE WATERSTRUCTUUR IN EN OM MEPPEL

- In 1965 werd door Provinciale Staten besloten tot de omlegging van de Hoogeveense Vaart ten zuiden van Meppel. In 1967 werd hiermee begonnen, en het werk was in 1988 gereed. De Omgelegde Hoogeveense Vaart was niet alleen bedoeld voor de vermindering van de wateroverlastproblemen te Meppel, maar was ook voor de grotere beroepsvaart van eminent belang.

Bronnen: <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 1: M.Top, Meppel in de Middeleeuwen, Boom Meppel, 1991> <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 2: drs. T. Hofland, De ruimtelijke ontwikkeling, Boom Meppel, 1991> <Gerding, dr. M.A.W. e.a., De cultuurhistorie van de stadsrandzone Meppel Reestdal, Drents Plateau, 2009> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Stichting Historie in Perspectief, Meppel, 2001> <Stichting Drents Plateau, dr. M.A.W. Gerding e.a., Het Erfgoed van de gemeente Meppel, Assen 2005>

- Aan de wateroverlast in Meppel kwam definitief een einde met de realisatie van het gemaal Zedemuden bij Zwartsluis dat in 1973 in gebruik werd genomen (officiele ingebruikname mei 1974). We kunnen constateren dat de wijzigingen gedurende de opeenvolgende eeuwen enorm geweest zijn en het overgrote deel van het nu nog aanwezige waterlandschap door mensenhand gevormd is. Alleen de Reest is â&#x20AC;&#x201C; hoewel ook haar loop op enkele locaties is gewijzigd â&#x20AC;&#x201C; nog duidelijk als laaglandrivier met haar meanderend karakter in het stadslandschap aanwezig. Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

55

KADERTEKST 2

- In 1962 werd in het kader van de voortgaande wateroverlast besloten de Oude Vaart eerder af te buigen naar de Drentsche Hoofdvaart en de benedenloop van de Drentsche Hoofdvaart te verbreden, zodat dit water niet meer via het Mallegat werd geloosd. Daardoor ontstond minder opstuwing tegen de vaste brug in de Ceintuurbaan. De afbuiging kwam in 1965 gereed.


56

Oosterboerschool (1916) aan de Oosterboerweg in 1976 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

▲ ▲

Dirk Monsma, directeur gemeentewerken <foto uit kwartaalblad Oud Meppel, jaargang 22 (2000), nummer 1>

▲ ▲

Vledderschool (1908). Geheel inks staat Monsma, met aan zijn zijde aannemer Dragt en architect Hulsbergen <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Zuiderschool (1929) in de Schoolstraat <foto uit kwartaalblad Oud Meppel, jaargang 22 (2000), nummer 1>


De ruimtelijke ontwikkeling van Meppel heeft gedurende de 20ste eeuw de invloed ondergaan van twee grote ontwerpplannen die nog lange tijd na hun concipiëren de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente aangestuurd hebben. Het eerste plan betrof het Uitbreidingsplan van Meppel van stadsarchitect Monsma, dat in het verlengde van de wetgeving voortvloeiend uit de Woningwet van 1902 tot stand kwam. Het plan passeerde in 1928 de gemeenteraad en heeft de ruimtelijke ontwikkeling van een groot deel van de Centrumschil en enkele gebieden daarbuiten (Ezinge en de Watertorenbuurt) tot in de jaren ’40 bepaald. Het tweede plan betrof het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaken’ uit 1943 van de stedenbouwkundigen en architecten Roosenburg en Luyt, dat weliswaar in eerste instantie niet officieel vastgesteld werd, maar wel de onderlegger vormde voor de nadere uitwerking van de plannen in de binnenstad en een substantieel deel van de naoorlogse uitbreidingsgebieden van de gemeente in de Centrumschil en daarbuiten. Het ‘Uitbreidingsplan in Hoofdzaken’ van Roosenburg en Luyt wordt behandeld in een kadertekst in de ‘Algemene hoofdstukken‘ van de ‘Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Uitbreidingswijken en Buitengebied Meppel’. Dirk Monsma Dirk Monsma (Harlingen 1865 - Meppel 1930) is in de dertig jaar dat hij werkzaam was in Meppel betrokken geweest bij veel verande-

ringen binnen de gemeente. Hij werd in september 1865 in Harlingen geboren. Op jeugdige leeftijd trad hij in dienst als opzichter bij deze gemeente. In zijn vrije tijd vergaarde hij de kennis die hij in zijn latere leven nodig zou hebben: bouwkunde. Na in 1891 een diploma verworven te hebben van de Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst Afdeeling Leeuwarden werd Monsma in 1898 als opvolger van S.H. van der Veen als gemeenteopzichter in Meppel benoemd. Toen hij werd aangesteld was het gemeentelijk bouwbureau nog van zeer beperkte omvang. Monsma verrichtte zijn werkzaamheden gewoon in een kantoortje in zijn woonhuis in de Wilhelminastraat, op de hoek met de Emmastraat. Toen hij later naar de Stationsweg (nummer 42) verhuisde, werd het kantoor verplaatst naar het Wheemgebouw. Daar was veel meer ruimte. De later ontstane dienst Gemeentewerken is nog vele jaren in dit gebouw gehuisvest geweest. In de loop der jaren breidden de bemoeienissen van de gemeente Meppel met de ruimtelijke ordening zich uit en ontstond de dienst Gemeentewerken. Daarmee veranderde ook de functie van Monsma. Van gemeenteopzichter werd hij gemeentearchitect en van gemeentearchitect werd hij directeur Gemeentewerken en der Gemeentelijke Reiniging. Naast bovengenoemde taken was hij ook leraar aan de Burgerlijke Avondschool in bouwkundig tekenen en directeur van de Gemeentelijke Telefoon tot die aan de rijksoverheid werd overgedragen. Naast zijn werk

bekleedde hij ook nog een aantal bestuursfuncties: hij was bestuurslid van de Meppeler Bouwvereeniging en van de Catharina Ambachtschool.

HET UITBREIDINGSPLAN VAN MEPPEL VAN STADSARCHITECT MONSMA

Inleiding

i

Gerealiseerde werken Als directeur van Gemeentewerken was Monsma belast met de verzorging van het uiterlijk van Meppel, zijn stedelijke uitbreiding, het beoordelen van de ingekomen bouwplannen en bouwaanvragen. Ook was hij betrokken bij het ontwerp van tal van gemeentelijke bouw- en waterwerken. In dat kader fungeerde hij daadwerkelijk als stadsarchitect. Hij ontwierp zelf talrijke gemeentelijke gebouwen, waaronder scholen, huizen en bruggen. Ook grachten en straten nam hij onder handen, waaronder de vernieuwing van bestrating in de hoofdstraten van Meppel en de transformatie van de Heren-, Keizersen Prinsengracht waar tuintjes voor de woningen verwijderd werden en een grachtenprofiel met stenen beschoeiing aan het water gerealiseerd werd. Het eerste gebouw dat Monsma in Meppel realiseerde was de door hem ontworpen en in 1908 gebouwde Vledderschool. De school, waar veel inwoners van Meppel onderwijs hebben genoten, bleek al snel te klein. In 1914 bouwde Monsma er nog eens vier lokalen bij. Hierna volgden nog vele ontwerpen voor scholen: uitbreiding van de Rijks-HBS (1912), verbouwing van de Noorderschool aan het Noordeinde (1916), bouw van de Rijkskweekschool voor onderwijzers(-essen) aan de Herengracht, de Oosterboerschool

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

57

KADERTEKST 3

Kadertekst 3 Het Uitbreidingsplan van Meppel van stadsarchitect Monsma


58

Flexus AWC

â&#x2013;˛

Voormalig transformatorhuis met kelder en bovenwoning in neo-hollandse renaissancestijl, in 1940. Het gebouw is gebouwd in 1921 naar ontwerp van D. Monsma. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

â&#x2014;&#x201E;

Kaart Uitbreidingsplan Monsma, 1928 <archief gemeente Meppel>


i

Als directeur Gemeentewerken was Monsma ook betrokken bij de totstandkoming van het Wilhelminapark, de aanleg van de nieuwe Buitenhaven (1928), de totstandkoming van het Prinsenplein door demping van het water aldaar, de bouw van de nieuwe Meppeler sluis en van drie bruggen: de Zuiderbrug (1913), en Emma- en Sluisbrug (1929). Tot ca. 1907 bouwde Monsma ook voor particulieren. Als directeur van Gemeentewerken was Monsma verantwoordelijk voor het uitbreidingsplan van de gemeente dat uiteindelijk in juni 1928 door de Gemeenteraad werd

Literatuur: <Rinsema, Thijs, ‘Dirk Monsma. Een architect aan het begin van de 20e eeuw’, kwartaalblad Oud Meppel, jrg. 22 (2000), nr. 1> <Bijdrage Bertus Schut in kwartaalblad Oud Meppel, jrg. 3 (1981), nr. 1, p.15>

Het Uitbreidingsplan van Meppel uit 1928 Het Uitbreidingsplan van 1928 was bedoeld als richtsnoer voor toekomstige stelselmatige bebouwing binnen de toenmalige grenzen van de gemeente; het grondgebied van de gemeente Meppel was toen aanmerkelijk geringer. Het plan bevatte een aantal nieuwe woonwijken, twee bedrijventerreinen, plantsoenen langs de Wold Aa en de Reest en twee sportterreinen en heeft tot ver in de jaren ’40 de planuitleg van de gemeente bepaald.

Een deel van de geprojecteerde gebieden is conform het plan ingevuld, waaronder de Indische buurt (Ambonstraat, Timorstraat, Soembastraat en omgeving) en de Zeeheldenbuurt Oost. Een deel is uiteindelijk gewijzigd uitgevoerd, zoals het Vledder en Ezinge, en een deel is geheel niet overeenkomstig de plannen ontwikkeld. Wat dit laatste betreft vallen vooral de geplande woonwijk in het westelijk deel van de gemeente met centraal kerkgebouw tussen de Drentsche Hoofdvaart en de Zomerdijk op, en de locatie van de huidige Jeruzalembuurt (tussen Woldkade en Ceintuurbaan/Jufferenpad). Op de laatste locatie was een sportpark gedacht.

HET UITBREIDINGSPLAN VAN MEPPEL VAN STADSARCHITECT MONSMA

Monsma heeft niet alleen scholen gerealiseerd. Het Gemeentehuis in de Hoofdstraat werd uitgebreid met een nieuwe Raadzaal en het gedeelte aan de Grote Akkerstraat. Een bijzonder werk in zijn oeuvre is het indrukwekkende pand in neo-Hollandse renaissancestijl op de hoek Kleine Oever, Kerkplein, gebouwd in 1921. Het pand heeft tegenwoordig de status van rijksmonument. Het was oorspronkelijk een transformatorhuis met bovenwoning (Meppel had niet veel eerder stroom gekregen).

vastgesteld. We kunnen vaststellen dat het plan de bekroning vormde op zijn werk, en dat hiermee voor de eerste keer de uitbreidingen van de gemeente op grote lijnen in hun samenhang vastgelegd werden. Niet lang nadat het uitbreidingsplan was aangenomen werd Dirk Monsma ziek. Tijdens zijn ziekte werd zijn werk geleidelijk aan overgenomen door J. Dekker, die Monsma na zijn overlijden in januari 1930 opvolgde als directeur van Gemeentewerken. De bouw van de nieuwe Meppeler sluis en de Sluisbrug waren de laatste werken die Monsma voor de gemeente Meppel heeft uitgevoerd. Hij overleed voordat deze projecten geheel gereed waren gekomen.

Het plan bevatte een aantal nieuwe hoofdontsluitingsroutes die de planuitleg van de Centrumschil in sterke mate bepaald hebben. Opvallend zijn de Ceintuurbaan/ Knopperslaan ter ontsluiting van het noordelijk stadsdeel, de Commissaris de Vos van Steenwijklaan richting de brug over de Wold Aa bij Tweeloo en naar Ruinerwold, en het wegtracé Kastanjelaan – Schuttevaerstraat Prins Hendrikstraat tot over de Bult dat een verbinding legde tussen het zuidelijk en het westelijk deel van de stad. Alle drie de routes zijn uiteindelijk gerealiseerd, met uitzondering van de verkeersroute in het verlengde van de Prins Hendrikstraat tot over de Bult en Drentsche Hoofdvaart. Ter verlevendiging van het stadsbeeld waren in het uitbreidingsplan aan de noordzijde langs de Wold Aa en aan de zuidzijde langs de Reest, evenals op verschillende plaatsen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

59

KADERTEKST 3

aan de Oosterboerweg (1916) en de Zuiderschool in de Prinses Marijkestraat (1929). Het werk van Monsma onderging hierbij geleidelijk de invloed van het Zakelijk Expressionisme, een stroming in de architectuur, opgekomen in de jaren ´20 als reactie op de Amsterdamse School. Kenmerkend was de versobering van bouwvormen en verzakelijking van plastische vormgeving.


tussen de bebouwing, plantsoenen ontworpen. Een groot deel hiervan is – met uitzondering van de strook langs de Wold Aa – gerealiseerd. Het uitbreidingsplan van Meppel kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Toen de gemeenteraad de plannen behandelde stelde men voor ten behoeve van het doorgaande autoverkeer Zwolle – Groningen – Leeuwarden dat in die tijd nog door de Hoofdstraat zijn weg moest vinden en over de Steenwijkerstraatweg richting het noorden, de route om te leggen. Aanbevolen werd een weg aan te leggen vanaf de Zwolsche straatweg in het zuiden tot bij de spoorbrug over de Reest, in rechte lijn langs het station en over de Parallelweg en vervolgens over de Hoogeveensche Vaart langs de spoorlijn naar Friesland, waardoor aangesloten kon worden op de latere Ceintuurbaan en vanaf hier over de Drentse Hoofdvaart met een koppeling aan de doorgaande weg noordelijk langs de Drentse Hoofdvaart naar Groningen en Leeuwarden. Deze oplossing werd uiteindelijk niet opgenomen op de definitieve plankaart. De redenen hiervoor zijn onduidelijk. Delen van de route werden gerealiseerd, waaronder de bouw van de Burgemeester Knoppersbrug (rond 1935 in gebruik genomen), maar pas veel later zou deze koppeling volledig gerealiseerd worden met de aanleg van de Reestlaan tijdens de jaren ‘60. Deze vormde toen niet meer een onderdeel van de route Zwolle – Groningen/Leeuwarden, want het rijks- en provinciale wegennet had dit probleem toen al opgelost. 60

Flexus AWC

Er werd uiteindelijk ook een nieuw onderdeel aan het plan toegevoegd, te weten het gebied ten oosten van het spoor, ten zuiden van de Hoogeveensche Vaart, op de plaats van de huidige wijk Ezinge. Monsma ging er in eerste instantie van uit dat dit gebied nimmer geschikt zou zijn voor woningbouw. Nadat het uitbreidingsplan in concept gereed was, kwam echter het verzoek bij de gemeente binnen om dit terrein voor woningbouw te bestemmen en daarop een straat aan te leggen. Om het voorgestelde bouwplan niet als een op zichzelf staand deel uit te voeren werd het uitbreidingsplan aangepast. Er werden nieuwe straten in dit stadsdeel ontworpen met plaats voor woningbouw, en een strook grond grenzend aan de bestaande Parallelweg ten oosten van het spoor werd bestemd voor industrie. Tussen de woningblokken werd een terrein bestemd voor kinderspeelplaats (6000 m2), en een openbaar plantsoen. Het plan is uiteindelijk niet volgens tekening uitgevoerd, maar vormde wel de aanzet voor de latere wijk Ezinge.


i Bijlagen

Binnenstad en Centrumschil


Bijlage 1: Begrippenlijst Adagium: credo, motto, traditionele stelregel. Amsterdamse Schoolstijl: architectuurstijl die opkwam in de jaren ‘10 en ‘20 van de 20ste eeuw in Amsterdam, met uitgesproken expressieve baksteenarchitectuur. De Amsterdamse Schoolstijl kwam op als reactie tegen de 19de eeuwse neostijlen en het Rationalisme van architect Berlage. Appartementtengebouw/Flat: groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/ flatjes genoemd. Architectuureenheid (ensemble): architectonisch geheel. Er is sprake van een architectuureenheid wanneer meerdere bouweenheden volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven. Als architectuureenheid wordt gerekend: a. geschakelde en/of gestapelde woningen die volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven, bijvoorbeeld een blok rijtjeswoningen; b. meerdere (los van elkaar staande) gebouwen die volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven, bijvoorbeeld twee gespiegelde bouwblokken aan weerszijden van een straat. Authentiek: overeenstemmend met het oorspronkelijke; origineel; eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

62

Flexus AWC

Boerderij: gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie. Het woonhuis wordt hierbij gerekend. Bouwblok: geschakelde bebouwing in een gesloten of halfgesloten vorm. Bouwwerk: algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten. Chaletstijl: is een romantiserende bouwstijl uit globaal het begin van de 20ste eeuw die veel werd toegepast bij villa’s, boerderijen en sommige openbare gebouwen. De romantische gevoelens voor het chalet kwamen voort uit het feit dat rijkere mensen naar Zwitserland trokken als toeristische bestemming en daar geconfronteerd werden met wat zij zagen als “onbedorven bergvolkeren”. Hoewel de stijl dus gebaseerd is op het chalet, is de interpretatie van de bouwkundige kenmerken hiervan dermate vrij, dat een gebouw in chaletstijl nauwelijks aan een chalet doet denken. Wel komen er bepaalde elementen uit de chaletbouw in de gebouwen voor. De stijl wordt vaak gekenmerkt door de toepassing van asymmetrie, expressieve dakvlakken met ruime overstekken, cremewitte stucvlakken in combinatie met baksteenmetselwerk, horizontale geglazuurde baksteenbanden in het gevelmetselwerk, baksteenbogen in een afwijkende kleur, en bovenramen van schuiframen met een rasterwerkroedenverdeling. Eclecticisme: is het combineren in een enkel

bouwwerk van elementen van verschillende stijlen of stromingen. In de 19de-eeuwse architectuur bestond er geen dominante, allesomvattende stijl. Door de bloei van de wetenschap en de kunstgeschiedenis ontstond er een stimulans om oude stijlen te doen herleven, wat resulteerde in historiserende vormgeving. De techniek had een enorme ontwikkeling doorgemaakt maar dat vertaalde zich desondanks niet naar een nieuwe vormgeving. Men kon immers kiezen uit de complete architectonische erfenis. Zo ontstonden verscheidene neostijlen, zoals o.a. Neogotiek. Neoromaans en Neoclassicisme. Waar men daar echter nog probeerde zoveel mogelijk historisch stijlgetrouw te werken, werd dit in de periode 1850-1900 geleidelijk aan losgelaten en ontstond het Eclecticisme als architectuurstijl. Een eclectisch bouwwerk heeft bijvoorbeeld kenmerken uit verschillende neostijlen in zich, die zijn gecombineerd tot een nieuw geheel. Ensemble: zie architectuureenheid. Galerij: gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Interbellum: een interbellum (van het Latijn inter, ‘tussen’ en bellum, ‘oorlog’) is een periode tussen twee oorlogen. Specifiek


i

Karakteristiek pand: door de gemeente aangewezen gebouw met uitzonderlijke architectonische kwaliteit die (nog) geen mo-

wet 1988, of volgens de Monumentenverordening van de gemeente en/of provincie.

Mansardekap: een dak met aan één of meerdere zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak.

Neo-classicisme: is een architectuurstijl, waarin de architectuur van de klassieke oudheid werd nagestreefd. Het Neo-classicisme uitte zich in de bouwkunst o.a. door de toepassing van klassieke maatverhoudingen (de compositie), en de toepassing van klassieke bouwelementen, zoals kroonlijsten, zuilen, pilasters, frontons e.d. Het Neo-classicisme is een stroming die gedurende de 18de en 19de eeuw in Nederland opgeld deed.

Modernisme: is een architectuurstijl die vanaf de jaren ‘20 van de 20ste eeuw invloed had op het architectuurbeeld in Nederland, en kan binnen de Nederlandse context in eerste instantie onderscheiden worden in het vooroorlogs en het naoorlogs Modernisme. Opgekomen in het verlengde van de Rationalistische architectuurstroming ontstonden voor de Tweede Wereldoorlog vanaf de jaren ‘20 stromingen zoals ‘de Stijl’, ‘Het Nieuwe Bouwen of Nieuwe Zakelijkheid c.q. Functionalisme’, die gebruik makend van nieuwe bouwtechnieken streefden naar verdere rationalisatie van het bouwen en de realisatie van meer abstracte, van ornament ontdane geometrische bouwvormen. In zijn algemeenheid wordt het vooroorlogs Modernisme gekenmerkt door het ontbreken van het schuine dak, omdat deze als bouwtechnisch achterhaald beschouwd werd, en naar mening van de Modernen afbreuk deed aan de na te streven geometrische vormentaal. Het naoorlogs Modernisme dat globaal opgeld deed in de periode 1945 - 1970 zette deze tendens voort, maar met een grotere variatie aan vormen en materialen, hetgeen soms resulteerde in een vriendelijker uitstraling. Monument: aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumenten-

Neo-renaissancestijl: is een 19de-eeuwse bouwstijl waarin werd teruggegrepen op motieven uit de renaissancebouwkunst. Daartoe behoren onder andere de trapgevels, speklagen, de kenmerkende horizontale lijnen die de gevel in ‘vlakken’ verdelen, blokken, diamantkopmotieven en kruiskozijnen. In Nederland kwam de stijl op omstreeks 1875, toen werd gezocht naar een nationale bouwstijl. Oorspronkelijk: origineel, vorm, authentiek.

BEGRIPPENLIJST

Jugendstil c.q. Art nouveau: is een architectuurstijl die globaal in de periode 1900 - 1918 opgeld deed, en ontstond als reactie op de 19de eeuwse neostijlen en het Eclecticisme. Er ontstond een nieuwe stijl, met vormen bestaande uit gestileerde plantaardige motieven. De eerste voorbeelden van deze stijl werden in Belgie gerealiseerd, op basis van theorieën ontwikkeld in Engeland. De Jugendstil resulteerde in complex vormgegeven gebouwen met een rijke en gedecoreerde gevelarchitectuur. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verstoorde het positieve geloof in de vooruitgang en markeerde tevens het einde van de Jugendstil. Lint(bebouwing): langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.

nument is. Ter bescherming van deze bebouwing is het welstandsniveau intensief.

aanvankelijke

Oriëntatie: de hoofdrichting van een gebouw. Orthogonaal: rechthoekig. Ornament: versieringselement, dienend om een gebouw op te luisteren. Functionele gebouwelementen (zoals kozijnen, daklijsten

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

63

BIJLAGE 1

wordt met Interbellum de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bedoeld. De architectuur uit de periode van het Interbellum werd met name gekenmerkt door de architectuur van de Amsterdamse School en het Zakelijk Expressionisme. Klauwstuk: een klauwstuk is een vorm van een vleugelstuk, een versiering van zandsteen die is aangebracht naast een hals- of trapgevel. Het klauwstuk is waarschijnlijk vernoemd naar de poten van een leeuw of adelaar, die tijdens de Amsterdamse Renaissance werden verwerkt in de getrapte opbouw van een gevel.


64

enz.) worden op zichzelf niet tot ornamenten gerekend wel de er op aangebrachte versieringen. Detailleringen die tot een specifieke stijl behoren kunnen wel tot ornamentiek gerekend worden.

combinatie met een meer romantische en asymmetrische compositie, veelal toepassing van natuursteen voor het hele gevelvlak met soms een rustica-motief bij de plint van het gebouw.

Overgangsstijl: is een architectuurstijl uit globaal de periode 1900-1914, met nog navolging tot in de jaren ‘20. De Overgangsstijl was een reactie op de te uitbundig geachte Jugendstil en het te sober geachte Rationalisme. De stijl werd gekenmerkt door toepassing van internationale stijlelementen en bestond feitelijk uit drie stromingen: de ‘Chaletstijl’, ‘Americana’, en ‘Um 1800’. Niettemin werden ook onderling weer stijlelementen gemengd toegepast, waardoor een preciese indeling vaak moeilijk te maken is. Zie voor een beschrijving van de romantiserende Chaletstijl, onder ‘Chaletstijl’. Een meer conservatieve, serieuze variant vormde de Heroriëntatie- of Um 1800- stijl (ofwel nieuw historiserende stijl). Deze stelde de Lodewijk XVI-stijl als ideaalbeeld (in het discours benoemd als de laatste ‘echte’ stijl). De Um 1800-stroming wordt o.a. gekenmerkt door de toepassing van strenge symmetrie, classicistische vormgevingsmotieven, donkerkleurig baksteenwerk, de ingehouden toepassing van sobere baksteenornamentiek, en bovenramen van schuiframen met een rasterwerkroedenverdeling. Americana werd sterk beïnvloed door de architectuur van de Amerikaanse architecten H.H. Richardson en L.H. Sullivan. Deze stroming werd o.a. gekenmerkt door een menging van neo-romaanse motieven in

Pinakel: Een pinakel (Latijn: pinna:andere vorm) of fioel is een in de Gotiek en Neogotiek toegepast element, en is een slanke torenvormige beëindiging en bestaat uit een voet, schacht of lijf met daarop een spits of kepel. De kepel wordt bekroond met een kruisbloem of finaal.

Flexus AWC

Plint: een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw of een duidelijk te onderscheiden onderste horizontale laag van een gebouw. Portiek: gemeenschappelijk trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur. Profilering: zichtbare maatvoering, verhouding en reliëf van een kozijn of kroonlijst. Rationalisme: Het rationalisme is een architectuurstijl die globaal van 1900 - 1920 van grote invloed is geweest op de Nederlandse architectuur. Het Rationalisme was een reactie op de neostijlen van de 19de eeuw, het Eclecticisme, de Jugendstil en het Expressionisme. Deze stromingen dreven op hartstocht, terwijl de architecten van het Rationalisme vertrouwden op de rede. Voorman van de stroming binnen Nederland was H.P. Berlage. De architectuur van het Rati-

onalisme wordt gekenmerkt door rationele sobere baksteenarchitectuur, toepassing van vanzelfsprekende logische draagconstructies en gebruik van proportieschema’s in de compositie van gevels en plattegronden. Hiernaast stond een functionele en logische indeling van het gebouw centraal, met een veelal asymmetrische plattegrond en gevelopstand tot gevolg. Het Rationalisme heeft mede ten grondslag gelegen aan het latere Modernisme. Reliëf: het in geringe mate uitsteken of inspringen van gevelelementen ten opzichte van het gevelvlak, zoals bij kozijnen, negges, sierranden. Rooilijn: lijn, die historisch vastgelegd is, en/of die het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft, waarbinnen gebouwd mag worden. Schilddak: dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Situering: plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Stijl: architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. Tent-, punt- of piramidedak: dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.


i Textuur: de waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Wolfdak/wolfeinden: meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).

Traditionalisme: Deze architectuurstroming met sobere baksteenarchitectuur waarin eenvoud het uitgangspunt vormde, kwam al tot ontwikkeling in de vooroorlogse periode gedurende de jaren ’20 en zou haar stempel drukken op de Nederlandse woningbouwtraditie tot globaal halverwege de jaren ’50 van de 20ste eeuw. Met name vanaf de jaren ‘30 stond zij bekend als ‘de Delftse School’, omdat zij sterk beïnvloed werd door theorieën van de Delftse hoogleraar Grandpré Molière. De Delftse School zette zich af tegen het expressionisme van de Amsterdamse School omdat deze naar haar zin te decoratief was. Ook het Zakelijke Expressionisme was voor haar te weinig gerelateerd aan de pretentieloze ambachtelijkheid die naar haar mening - veelal door een religieus maatschappijbeeld beïnvloed - nagestreefd zou moeten worden.

Zadeldak: een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Zakelijk Expresionisme: is een architectuurstijl, opgekomen rond 1925 als reactie op de te uitbundig geachte Amsterdamse School. De plastische vormgeving die gebruikelijk was in de Amsterdamse School (torenelementen, de uitbundige toepassing van mansardekappen, de toepassing van ladderramen, uitkragende lineaire bakgoten, metselwerkpatronen en -ornamentiek) werd hiermee bij woonhuisarchitectuur verder verzakelijkt. Met name vanaf de jaren ´30 van de twintigste eeuw vormden ook meer kubische bouwvormen onderdeel van het repertoire van het Zakelijk Expressionisme.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

65

BIJLAGE 1

BEGRIPPENLIJST

Windvaan: deze bestaat meestal uit een metalen plaatje dat vrij beweegbaar is om een verticale as. Aan de ene zijde van de as heeft het plaatje een groter oppervlak, aan de andere zijde doorgaans een spits: het wijzende deel. Het wordt op een hoge plek geplaatst en kan door de winddruk in de wind draaien en zodoende de windrichting aanwijzen. Ter verfraaiing krijgt het plaatje vaak een vorm, meestal die van een haan; een dergelijke windwijzer wordt wel windhaan genoemd. Maar ook andere afbeeldingen komen als windwijzer voor.


Bijlage 2: Uitvoeringsdocument Topgebied: Aanbevelingen algemeen STEDENBOUW

1 2 3

4

5 6 7 8

9

Stedenbouwkundige hoofdopzet Behoud stedenbouwkundige hoofdopzet van de buurt (= stratenpatroon, ruimtelijke opbouw bouwblokken, verhouding bebouwd-onbebouwd, ontsluiting buurt, ontsluitingsprincipes bebouwing en ontsluitingsprincipes achtergebieden, groene ruimten en plantsoenen). Behoud locatiespecifieke rooilijnen, ook binnen één en dezelfde openbare ruimte. Met nieuwbouw nauw aansluiten op deze specifieke rooilijnen. Bij nieuwbouw ter plaatse van naoorlogse verstoorde rooilijnen: herstel van de historische rooilijnen (niet voortbouwen op verstoringen). Behoud van de doorsnedeprofielen (=breedte van de straat in relatie tot de hoogte van de bebouwing, diepte & type van de overgang gebouw-openbare ruimte) van de verschillende openbare ruimten in dit gebied, inclusief de locatiespecifieke profielen binnen dezelfde openbare ruimten. Aansluiten met nieuwbouw bij deze (locatiespecifieke) profielen. Bij nieuwbouw ter plaatse van naoorlogse verstoorde doorsnedeprofielen: herstel van de historische profielen (niet voortbouwen op verstoringen). Bij (vervangende) nieuwbouw: oorspronkelijke perceelsmaatvoeringen van de diverse locaties behouden. Binnenterreinen en aan- en uitbouwen Achtertuinen en –erven zo min mogelijk bebouwen (max 30% bebouwen); geen nieuwe semi-openbare of openbare binnenterreinen. Geen parkeren op achtererf. Bij (vervangende) nieuwbouw of verbouw: geen hoofdontsluitingen van het gebouw aan de achterzijde, behalve ten behoeve van wonen boven winkels. Bij niet volledig gesloten bouwblokken (tussenruimten tussen panden): tussenruimten niet bebouwen. Eventuele scheidingsconstructies terugleggen achter de voorgevelrooilijn. Deze vormgeven in overeenstemming met de architectuur van het hoofdvolume. Bij verkoop van woningen/appartementen binnen bestaande en nieuwe grotere woongebouwen en architectuureenheden: stimuleren dat aan- en uitbouwen en bijgebouwen privaatrechtelijk gereguleerd worden en de maatvoeringen en vormgeving zorgvuldig worden afgestemd op de ruimtelijke kwaliteiten van de achtergebieden. privaatrechtelijk gereguleerd worden en de maatvoeringen en vormgeving zorgvuldig worden afgestemd op de ruimtelijke kwaliteiten van de achtergebieden. Geen aan- uit- of bijgebouwen voor de voorgevelrooilijn. OPENBARE RUIMTE + OVERGANGSGEBIEDEN

10

Inrichting openbare ruimte(incl. inrichtingsprofiel) Herinrichting van de openbare ruimte op basis van cultuurhistorisch onderzoek naar de ruimtelijke karakteristieken. Dit geldt voor de inrichting van straten, pleinen, plantsoenen, parken en kades.

11

Erfafscheidingen Erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: aansluiten bij de vormgeving en kleurstelling van erfafscheidingen uit de totstandkomingsperiode van de bebouwing in de buurt.

12 13 14

Nastreven van eenduidige erfafscheidingen voor architectuureenheden, op grond van één ontwerp. Hierover afspraken maken met woningcorporaties of VVE’s. Hoogte erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: maximaal 1 meter. Bij voorkeur metalen hekwerken of hagen. Openbare plantsoenen niet bebouwen.

15

Voorerven Niet parkeren op het voorerf.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

66

Flexus AWC


i BEBOUWING/ARCHITECTUUR

16 17 18 19 20

Bestaande bouw Behoud en herstel van de bebouwing en de kenmerkende architectonische kwaliteiten van de bebouwing in deze buurt. Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting ) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; Behoud en herstel van de doorsnedeprofielen van de bebouwing (hoogte, nok- en goothoogte, kapvorm en - helling). Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; regelen in de welstandsnota Bij architectuureenheden: geen aanpassingen van de architectuur die de woningen/appartementen individualiseren, regelen in de welstandsnota. Ingrepen in het dakvlak dienen in overeenstemming te zijn met de oorspronkelijke architectonische uitgangspunten van het gebouw (dakkappellen, dakramen, schoorstenen). Maatvoering en vormgeving dakkapellen op voor- en zijdakvlakken: regelen in welstandsnota en afstemmen op architectuur(eenheid).

22 23 24

Nieuwbouw Bij (vervangende) nieuwbouw: geen gestapelde appartementen, tenzij vormgegeven in de gebouwtypologieën die cultuurhistorisch kenmerkend zijn voor de buurt. Begane grondwoningen in appartementgebouwen afzonderlijk ontsluiten vanaf de straat. (Hoofd)Entrees aan voorzijde. Bij (vervangende) nieuwbouw: nok- en goothoogte afstemmen op de historische nok- en goothoogte van het straatprofiel waar in gebouwd wordt. Bij (vervangende) nieuwbouw: alle gebouwen afdekken met een kap, waarvan de kaphelling en het kaptype in overeenstemming is met wat cultuurhistorisch dominant is in deze buurt.

25

Nieuwe architectuur ontwerpen in sterke samenhang met de omgeving.

21

INSTRUMENTEN

28 29 30 31 32 33

UITVOERINGSDOCUMENT

27

Herinventarisatie van het gebied in relatie tot karakteristieke en monumentale panden en eventueel aanwijzing van gemeentelijke monumenten, om sloop van niet monumenten en verbouwingen van gevels en kappen te kunnen reguleren. Opstellen van een conserverend bestemmingsplan voor deze gebieden. Gebruik maken van de dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd stadsgezicht' voor het beschermde stadsgezicht. Aanduiding ´Cultuurhistorisch gebied - Topklasse en Hoog´ in het bestemmingsplan opnemen. Onderzoeken van opname van de aanduiding ´Gevellijn´ voor specifieke gebieden waar de gevelrooilijn cultuurhistorisch van belang is. Aanpassen welstandsnota op de gebiedsbeschrijvingen en de aanbevelingen van deze cultuurhistorische verkenning. Sloopregeling op grond van aantasting van het beschermd stadsgezicht in het bestemmingsplan opnemen. Geen toepassing geven aan de planologische mogelijkheden voor afwijking van het bestemmingsplan uit de BOR, bijlage II, artikel 4. (=kruimelgevallen), tenzij de cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteit worden gerespecteerd. Beleidsregels opstellen voor toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van de Wabo, art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1˚ (binnenplanse afwijking), waarbij cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied gerespecteerd worden. Gebieden van zeer hoge cultuurhistorische waarde: Bijzonder welstandsregime. Een set nauwkeurige gebiedscriteria in de welstandsnota opnemen. Beleidsregels vaststellen voor projectbesluiten (richtlijnen ruimtelijke onderbouwing). De richtlijnen ruimtelijke onderbouwing geven gespecificeerd de cultuurhistorische aspecten aan die in een ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Deze cultuurhistorische aspecten bevinden zich in ieder geval op de schaalniveaus archeologie, stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

67

BIJLAGE 2

26


Topgebied: Aanbevelingen specifiek Algemene aanbevelingen topgebieden (uitgezonderd de binnenstad) Voor de algemene aanbevelingen, zie het schema op de voorgaande bladzijden. Aanbevelingen topgebieden, per gebied n.b. Het nummer vóór de onderstaande aanbeveling is het nummer van de algemene aanbeveling waar deze specifieke aanbeveling een aanvulling op, of een vervanging van is. Zuideinde / Stationsweg 10 [aanvullend] Op lange termijn herinrichting van de openbare ruimte van de Stationsstraat conform het karakter van een laan (verdichting bomenrijen, geen gescheiden verkeers- en parkeerstroken, uniforme en monochrome bestrating, veel ruimte voor wandelaars. 10 [aanvullend] De ruimtelijke representativiteit van het Stationsplein herstellen, mede op basis van cultuurhistorische gegevens; herplaatsing van de hier ooit aanwezige fontein onderzoeken. Busstation meer ruimtelijk afscheiden. 10 [aanvullend] Lantaarnpalen: deze meer in overeenstemming met de cultuurhistorische karakteristieken van de buurt. Dit kan een moderne variant zijn, zoals die in de binnenstad is toegepast. 21 [vervangend] Bij (vervangende) nieuwbouw uitsluitend gebruik van de drie historische bebouwingstypologieën elk op de geëigende locatie: historische stadswoning, geschakeld herenhuis en villa (voor karakteristieken van de drie typen: zie onder gebiedsbeschrijving ‘Bebouwing’). 26 [aanvullend] Molenstomp plaatsen op de lijst van gemeentelijke monumenten of karakteristieke panden, en haalbaarheid voor herstel onderzoeken. 68

Flexus AWC

Wilhelminapark 1-4, 21 [aanvullend] Bij herontwikkeling van de locatie Uilenborgh: aansluiting zoeken bij de villa-architectuur in het park 10 [aanvullend] Lantaarnpalen: deze meer in overeenstemming met de cultuurhistorische karakteristieken van de buurt. Aanbevelingen topgebied binnenstad n.b. De binnenstad heeft zodanig specifieke ruimtelijke kwaliteiten en kenmerken dat de algemene aanbevelingen zoals die voor de andere topgebieden gelden, hier minder op aansluiten. Daarom zijn de onderstaande aanbevelingen niet aanvullend op de algemene aanbevelingen voor topgebieden, maar komen zij in plaats hiervan en zijn alleen van toepassing op de binnenstad. De onderstaande nummering is dus geen verwijzing naar de nummering van de aanbevelingen zoals opgenomen in het schema voor topgebieden. De aanbevelingen onder de nummers 1 t/m 69 zijn onverkort van toepassing voor het pre-industriele stadsweefsel. De aanbevelingen onder de nummers 70 t/m 71 zijn van toepassing voor de naoorlogse saneringsgebieden. Binnenstad: Stedenbouw Stadspatroon en landschap 1 Grote zorgvuldigheid in de omgang met nog aanwezige historische waterstructuren en relatie tussen stadsvorm en water bestendigen. 2 Eventueel aanwezige hoogte-accidentatie met cultuurhistorische achtergrond behouden. Stadspatroon en stadsbeeld 3 Opstellen van een conserverend bestemmingsplan


i

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

UITVOERINGSDOCUMENT

parcellering opnemen die de 7,0 meter niet overschrijdt (hiermee beeld van pandsgewijze invulling nastreven). 12 De bebouwing uitvoeren met een zodanige hoogtemaat dat aansluiting gevonden wordt bij de meest karakteristieke (gemiddeld voorkomende) historische pandhoogte in de specifieke straat, steeg, plein of gracht waar het bouwvolume gerealiseerd wordt. Het uitgangspunt hierbij is twee lagen plus kap, waarbij de bovenste laag als woonverdieping kan worden uitgevoerd. 13 Originele rooilijnen handhaven en niet terugleggen. Ook bij nieuwbouw handhaving van de (onregelmatigheden in de) oorspronkelijke rooilijn. Bij nieuwbouw rekening houden met de karakteristieken van historische rooilijnen op alle schaalniveaus. 14 Waar de originele rooilijnen aangetast zijn: op termijn streven naar transformatie van bovengenoemde verstoringen naar de originele situatie. 15 Geen semi-openbare of openbare binnenterreinen toepassen; ter plaatse van een binnenterrein geen gebouwontsluitingen aan de achterzijde, behalve ten behoeve van wonen boven winkels. Direct aan de achtergevel van een woning/appartement privétuinen verplicht stellen. 16 Grootschalige aanbouwen en bijgebouwen voorzien van kappen. 17 Bij niet volledig gesloten bouwblokken: niet bebouwde delen met passend gedetailleerde tuinmuren, hekken of hagen dichtzetten. 18 Semi-openbare tuinen en hoven voorzien van muur en/of hekwerk met een expliciet vormgegeven toegang. 19 Ter plaatse van de bebouwingsstrook in de binnenstad die oorspronkelijk een aan het water gelegen achtergevel en of erf had: de - nu aan de openbare straat gelegen - achterkanten handhaven of vormgeven volgens historische principes van achtergevels, waarbij rekening gehouden wordt met het gegeven dat deze gevels nu grenzen aan het openbaar gebied. 20 Hiërarchie binnen het stratenpatroon in een pri69

BIJLAGE 2

voor die locaties in de binnenstad waar het preindustrieel stadsweefsel aanwezig is. 4 Opstellen van nauwkeurige randvoorwaarden voor in het binnenstadsgebied te realiseren nieuwbouwprojecten; hierop dienen alle planinstrumenten ingericht te zijn: toetsingskader bestemmingsplan, welstandsnota, randvoorwaarden voor binnen- en buitenplanse ontheffingen. Een verfijning in aansturing kan eventueel bereikt worden door het opstellen van een nauwgezet beeldkwaliteitplan voor het binnenstadsgebied. 5 Gaaf, historisch straten- en stegenpatroon met de daarbij behorende profielen behouden. 6 Ook voor wijzigingen en onderhoud aan bestaande bebouwing is behoud van de architectonische en cultuurhistorische kwaliteiten op alle schaalniveaus gewenst. Zorgvuldig welstandsbeleid wordt aanbevolen. 7 Uitgangspunten gesloten bouwblok behouden, versterken en bij nieuwe ontwikkelingen toepassen, behalve bij de oorspronkelijke bebouwingsstroken. 8 Oorspronkelijke fijnmazige verkaveling van de diverse locaties behouden en versterken. 9 Op termijn herstel van, dan wel aansluiten bij de oorspronkelijke, in de periode 1940-2000 verstoorde parcellering op locaties die in ruimtelijk-historisch opzicht van groot belang zijn voor de waarden van het historisch stadsgezicht en waar sprake is van een verstoring van de historische karakteristiek: Groenmarkt, Prinsenplein, Hoogetin (en aansluiting op Grote Oever – Kleine Oever). 10 De parcellering van de diverse nieuwbouwlocaties dient aan te sluiten bij de historische maatvoering. De breedte van een als één geheel herkenbaar bouwvolume dient aan te sluiten op de meest karakteristieke (gemiddeld voorkomende) historische pandbreedte in de specifieke straat of steeg waar het bouwvolume gerealiseerd wordt. 11 Waar sprake is van een kavelstructuur met een breedte groter dan 7,0 meter, in de gevelarchitectuur een


maire, secundaire en tertiaire historische ontsluitingsstructuur en de daarmee samenhangende kavelstructuur en bebouwingskarakteristieken behouden, versterken en bij nieuwe ontwikkelingen toepassen (voor uitleg primaire, secundaire, tertiaire structuur: zie hoofdstuk 4, kadertekst 6). 21 Bij primaire en secundaire structuur streven naar functiemenging met kleinschalige bedrijvigheid en kleinschalige centrumfuncties langs deze structuren. Schaalvergroting hierbij beperken en aan maximale oppervlakken en doorbraakpercentages binden. Doorbraak van panden zoveel mogelijk beperken en aan voorwaarden verbinden, o.a. van bouwhistorisch onderzoek bij panden met een bouwhistorische verwachting. 22 Bij transformaties aansturen op stedenbouwkundige en architectonische oplossingen die aansluiten bij de bebouwingskarakteristieken van de structuur (primair, secundair, tertiair) waar de ingreep plaatsvindt. 23 Handhaven en openbaar houden van eventueel aanwezige stegen, waar nog aanwezig, ook in het kernwinkelgebied. Stegen dienen open gehouden te worden en niet bij winkels te worden getrokken. 24 Met bebouwing aansluiten bij de historische gebouwtypologieën.

70

het volume. Regelen in de welstandsnota.

Binnenstad: Openbare ruimte

Pleinen 29 Algemene en specifieke karakteristieken van historische pleinen behouden en versterken. 30 Preïndustriële verkavelingsstructuur langs pleinen behouden en versterken. 31 Locatiespecifieke historische doorsnedeprofielen en rooilijnen van pleinen bij verbouw, nieuwbouw of sloop/ nieuwbouw behouden en versterken. 32 Behoud van de bestaande bebouwing uit de periode voor de Tweede Wereldoorlog rondom het plein gaat vóór vernieuwing. 33 In geval van noodzakelijke vervanging van bebouwing aan een pleinruimte niet kiezen voor grootschalige of monumentale oplossingen, maar juist voor een reeks van kleinschalige bouweenheden die in maat en schaal aansluiten op de omgeving en waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de primaire, secundaire en tertiaire structuur. Waar sprake is van een grote kavelbreedte, uitgaan van een gevelparcelleringsmaat van maximaal 5 tot 7,0 meter. 34 Met de kaprichting aansluiten op de historische kavelrichtingen van de locatie. 35 Behoud van gezichtsbepalende zichtlijnen op historische of bijzondere gebouwen.

Straten 25 Algemene karakteristieken van historische straten behouden en versterken. 26 Behoud van gezichtsbepalende zichtlijnen op historische bebouwing of bijzondere gebouwen. 27 Locatiespecifieke profielen en rooilijnen van straten en stegen bij verbouw, nieuwbouw of sloop-nieuwbouw behouden en versterken. 28 Gebouwen sluiten met hun voorgevel direct aan op de voorgevelrooilijn, zonder arcades of inspringingen van

Openbare inrichting 36 Het openbaar gebied is de bindende schakel tussen bebouwing, straten en functies. Eenduidige materiaal- en profielkeuze en eenvormige inrichting van de straten en stegen versterkt de herkenbaarheid en samenhang van de binnenstad als geheel. 37 Toepassing van straatprofielen die gebaseerd zijn op een historische profilering (opdeling in 3 zones, met aanduiding van voormalige stoepenzones). 38 De toepassing van gebakken klinkers met sobere

Flexus AWC


i

Water 45 Voor alle ruimten met water geldt: behoud van de historische en lokatiespecifieke waterprofielen, inclusief de historische karakteristieken van de bebouwing. Met nieuwbouw aansluiten op deze historische en lokatiespecifieke waterprofielen. 46 Op de locaties waar de historische waterstructuur niet meer aanwezig is, en waar het hierna volgende nog niet gebeurd is: onderzoeken of er mogelijkheden zijn op deze locaties de oorspronkelijke historische waterstructuur opnieuw herkenbaar/afleesbaar te maken. 47 Keizersgracht/Heerengracht en Prinsengracht/ Gasgracht: de waterstructuur op lange termijn, gekoppeld

Binnenstad: Bebouwing (historisch stadsweefsel) Algemeen 48 Waar de historische bebouwing nog aanwezig is, geldt: behoud gaat vóór vernieuwen. Dit houdt o.a. in dat verlies van waardevolle karakteristieke historische gevels en bouwhistorisch erfgoed voorkomen dient te worden. 49 Inzetten van afzonderlijk instrumentarium voor het behoud van bouwhistorisch en architectonisch erfgoed naast de reguliere bescherming (met aanwijzing van monumenten) is wenselijk. Typologie en massa-opbouw 50 Nieuwbouw: de realisatie van grootschalige bouwblokken in de binnenstad vermijden. 51 Nieuwbouw: aansluiten bij de historische gebouwtypologieën die als portaalhuis (diephuis of langshuis) uitgevoerd zijn. 52 Bestaande bouw en nieuwbouw: Het principe dat woningen uitsluitend een individuele en directe ontsluiting vanaf de straat kennen aanhouden. Bij gestapelde appartementen heeft de realisatie van een binnentrap voor de bovenwoning(en) de voorkeur; hiermee worden eigen woningentrees aan de straat gerealiseerd. Een uitzondering op bovenstaande regel kan de toepassing van een portiekontsluiting voor bovenwoningen zijn. De realisatie van woningentrees voor de begane grondwoningen vanaf de straat is bij deze portiekoplossing een uitgangspunt. 53 Bestaande bouw en nieuwbouw: De toepassing van een galerijontsluiting is zeer ongewenst in de historische binnenstad. 54 Bestaande bouw en nieuwbouw: Appartementen in geschakelde portaalhuizen zijn mogelijk, niet meer dan 2 geschakelde portaalhuizen (max breedte per portaalhuis Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

UITVOERINGSDOCUMENT

Openbare inrichting waterstructuur 42 Een zorgvuldige omgang met de inrichting van de kades, waar sprake is van een historisch doorsnedeprofiel (stoepenzone-rijweg-overslagzone- kaderand) en historische bestratingsmaterialen en patronen, waarbij de strook direct langs het water een recreatieve, aan de scheepvaart gerelateerde betekenis krijgt of blijft houden. 43 Een zorgvuldige omgang met de historische bruggen in de binnenstad. 44 Behoud van het historisch sluiscomplex.

aan de oude Hoogeveense Vaart, als bevaarbare structuur -waar mogelijk- weer functioneel maken.

71

BIJLAGE 2

detaillering is het uitgangspunt. De bestratingsmaterialen en - kleuren dienen zich niet te verzelfstandigen ten opzichte van de gevelwanden. 39 Voor het gehele gebied van de binnenstad eenduidige bestratingsmaterialen en kleuren toepassen. 40 Beperken van het aantal verschillende typen inrichtingselementen (borden, palen, verkeerselementen etc.). Waar mogelijk kiezen voor geïntegreerde oplossingen. Een zo ‘leeg’ mogelijk straatbeeld heeft de voorkeur. 41 Straatverlichting: waar mogelijk kiezen voor hangende verlichtingsarmaturen aan gevelwanden of los opgehangen tussen twee gevels.


7,0 meter). Bij realisatie van meer dan twee geschakelde portaalhuizen: maximaal twee naast elkaar gelegen portaalhuizen identiek uitvoeren. Verschillen benadrukken in gevelarchitectuur en hoogte. 55 Bestaande bouw en nieuwbouw: De bebouwing uitvoeren met een zodanige hoogtemaat dat aansluiting gevonden wordt bij de meest karakteristieke (gemiddeld voorkomende) historische pandhoogte in de specifieke straat, steeg, plein of gracht waar het bouwvolume gerealiseerd wordt. Het uitgangspunt hierbij is twee lagen plus kap, waarbij de bovenste laag als woonverdieping kan worden uitgevoerd. 56 Bestaande bouw en nieuwbouw: Hiërarchie tussen hoofd- en bijgebouwen behouden en versterken. 57 Bestaande bouw: De achterbouwen achter reeds bestaande hoofdvolumes dienen qua vormgeving aan te sluiten op de historische principes voor achterbouwen. Uiten aanbouwen vanaf 2,5 meter vanaf de achtergevel van panden afdekken met een kap. Kappen 58 Bestaande bouw: Historische kappen en dakbedekking inventariseren en beschermen. 59 Bestaande bouw: Toepassen van een rode pankleur of blauwzwart/antraciete pankleur. 60 Nieuwbouw: Alle nieuwbouw is afgedekt met een volledige kap. 61 Bestaande bouw en nieuwbouw: Daken zijn gesloten van karakter. Geen dakopbouwen toepassen c.q. toevoegen. Ontwikkelen van specifiek beleid voor dakdoorbraken (loggia’s en dakterrassen). Gevelarchitectuur en vormgeving 62 Bestaande bouw en nieuwbouw (woon- en bedrijfsgebouwen): Zeer hoge eisen stellen aan de architectuur in de binnenstad waarbij niet wordt ingezet op diversiteit als een op zichzelf staand doel, maar juist wordt ingezet 72

Flexus AWC

op ‘eenheid in verscheidenheid’, het historische type van diversiteit. Historisch-architectonische principes zijn derhalve leidend (o.a. verticale geleding en open gevels, prominente gevelbeëindiging, spits silhouet (kappen), ranke gevels en vlakke detaillering. etc). Hier kunnen in beperkte mate moderne expressiemiddelen aan worden toegevoegd, mits dit de architectonische coherentie van de gevelwand waarin wordt gebouwd, en de coherentie van de binnenstad als geheel niet aantast. 63 Bestaande bouw en nieuwbouw: Het hiërarchische onderscheid tussen voor-, zij- en achtergevels voor bestaande en nieuwbouw in de stad is leidend. 64 Bestaande bouw: Reconstructie van geveltoppen is mogelijk, mits de originele geveltop uit historisch archiefmateriaal gereconstrueerd kan worden. 65 Bestaande bouw en nieuwbouw: Portieken dienen zich op een niet nadrukkelijke wijze te presenteren in de gevelwand (geen inhammen, luifels, verticale doorgaande raamstroken). 66 Bestaande bouw en nieuwbouw: Voor het verduidelijken van de meest essentiële historisch-architectonische principes in de binnenstad is een beeldkwaliteitplan of een nauwkeurig uitgewerkte welstandsparagraaf in de welstandsnota sterk aan te bevelen. Bijzondere bebouwing, aanvullend 67 Gebouwen met een bijzondere functie: uitwerken als een verbijzondering van, maar niet als een contrast met de historische context. Gebouwen plaatsen in de wand van de bouwblokstructuur. Vrijstaande plaatsing van bijzondere bebouwing vermijden, tenzij de functie en de locatie uit cultuurhistorisch of ruimtelijk gezichtspunt daar specifiek om vraagt. 68 In principe zijn de aanbevelingen zoals onder 48 t/m 50 en onder 55 t/m 66 ook voor bijzondere bebouwing van toepassing. 69 Bijzondere gebouwen op een historische wijze


i aansluiten op de openbare ruimte. Vermijden van a-historische overgangszones tussen gebouw en openbare ruimte (hellingbanen, arcades, etc). Binnenstad: Naoorlogse saneringsgebieden 70 Met een breed samengestelde projectgroep (Ruimtelijke ordening, Stedenbouw, Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Cultuurhistorie, Groen/Water) de strategischruimtelijke keuzes voor de verschillende saneringsgebieden in de binnenstad voor de langere termijn bepalen. Het centrale uitgangspunt hierbij is stadsweefselreparatie waar mogelijk, en waar dit niet realistisch is, aansluiten op het preindustriele weefsel middels het toepassen van oplossingen overeenkomstig de historisch-ruimtelijke karakteristieken van de binnenstad. De aanbevelingen onder de nummers 1 t/m 69 en de beschrijving van deze karakteristieken in hoofdstuk 4, gebiedsbeschrijving 1 Binnenstad vormen hierbij de leidraad van discussie en vaststelling van beleid.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

73

BIJLAGE 2

UITVOERINGSDOCUMENT

71 Nieuwbouw: Voor het verduidelijken van de meest essentiĂŤle historisch-architectonische principes in de binnenstad is een beeldkwaliteitplan of een nauwkeurig uitgewerkte welstandsparagraaf in de welstandsnota sterk aan te bevelen.


Gebied hoge kwaliteit: Aanbevelingen algemeen STEDENBOUW

1 2 3

4

5 6 7 8 9

Stedenbouwkundige hoofdopzet Behoud stedenbouwkundige hoofdopzet van de buurt (= stratenpatroon, ruimtelijke opbouw bouwblokken, verhouding bebouwd-onbebouwd, ontsluiting buurt, ontsluitingsprincipes bebouwing en ontsluitingsprincipes achtergebieden, groene ruimten en plantsoenen). Behoud locatiespecifieke rooilijnen, ook binnen één en dezelfde openbare ruimte. Met nieuwbouw nauw aansluiten op deze specifieke rooilijnen. Bij nieuwbouw ter plaatse van naoorlogse verstoorde rooilijnen: herstel van de historische rooilijnen (niet voortbouwen op verstoringen). Behoud van de doorsnedeprofielen (=breedte van de straat in relatie tot de hoogte van de bebouwing, diepte & type van de overgang gebouw-openbare ruimte) van de verschillende openbare ruimten in dit gebied, inclusief de locatiespecifieke profielen binnen dezelfde openbare ruimten. Aansluiten met nieuwbouw bij deze (locatiespecifieke) profielen. Bij nieuwbouw ter plaatse van naoorlogse verstoorde doorsnedeprofielen: herstel van de historische profielen (niet voortbouwen op verstoringen). Bij (vervangende) nieuwbouw: aansluiten bij de historische perceelsmaatvoeringen die in de buurt voorkomen. Binnenterreinen en aan- en uitbouwen Achtertuinen en –erven zo min mogelijk bebouwen (max 30% bebouwen); geen nieuwe semi-openbare of openbare binnenterreinen. Bij voorkeur ook geen parkeren op achtererf; indien toch noodzakelijk dan inbedden in een groen ontwerp. Bij (vervangende) nieuwbouw of verbouw: geen hoofdontsluitingen van het gebouw aan de achterzijde, behalve ten behoeve van wonen boven winkels. Bij niet volledig gesloten bouwblokken (tussenruimten tussen panden): geen of zeer ingekaderde mogelijkheden tot bebouwing buiten die van het vergunningsvrije bouwen. Eventuele scheidingsconstructies terugleggen achter de voorgevelrooilijn. Deze vormgeven in overeenstemming met de architectuur van het hoofdvolume. Bij verkoop van appartementen binnen grotere woongebouwen en architectuureenheden: stimuleren dat aan- en uitbouwen en bijgebouwen privaatrechtelijk gereguleerd worden en de maatvoeringen en vormgeving zorgvuldig worden afgestemd op de ruimtelijke kwaliteiten van de achtergebieden. Geen aan- uit- of bijgebouwen aan de voorzijde, behalve ten behoeve van erkers met een beperkte afmeting. OPENBARE RUIMTE + OVERGANGSGEBIEDEN

10

Inrichting openbare ruimte(incl. inrichtingsprofiel) Herinrichting van de openbare ruimte op basis van cultuurhistorisch onderzoek naar de ruimtelijke karakteristieken. Dit geldt voor de inrichting van straten, pleinen, plantsoenen, parken en kades.

11

Erfafscheidingen Erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: aansluiten bij de vormgeving en kleurstelling van erfafscheidingen uit de totstandkomingsperiode van de bebouwing in de buurt.

12 13 14

Nastreven van eenduidige erfafscheidingen voor architectuureenheden, op grond van één ontwerp. Hoogte erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: maximaal 1 meter. Openbare plantsoenen niet bebouwen.

15

Voorerven Niet parkeren op het voorerf.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

74

Flexus AWC


i BEBOUWING/ARCHITECTUUR

16 17 18 19 20

21 22 23 24 25

Bestaande bouw Behoud en herstel van de bebouwing en de kenmerkende architectonische kwaliteiten van de bebouwing in deze buurt. Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; Behoud en herstel van de doorsnedeprofielen van de bebouwing (hoogte, nok- en goothoogte, kapvorm en - helling). Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten, regelen in de welstandsnota; Bij architectuureenheden: geen aanpassingen van de architectuur die de woningen/appartementen individualiseren, regelen in de welstandsnota. Ingrepen in het dakvlak dienen in overeenstemming te zijn met de oorspronkelijke architectonische uitgangspunten van het gebouw (dakkappellen, dakramen, schoorstenen). Maatvoering en vormgeving dakkapellen op voor- en zijdakvlakken: regelen in welstandsnota en afstemmen op architectuur(eenheid). Nieuwbouw Bij (vervangende) nieuwbouw: geen gestapelde appartementen, tenzij vormgegeven in de gebouwtypologieën die cultuurhistorisch kenmerkend zijn voor de buurt. Begane grondwoningen in appartementgebouwen afzonderlijk ontsluiten vanaf de straat (Hoofd)Entrees aan voorzijde. Bij (vervangende) nieuwbouw: nok- en goothoogte afstemmen op de historische nok- en goothoogte van het straatprofiel waar in gebouwd wordt. Bij (vervangende) nieuwbouw: alle gebouwen afdekken met een kap, waarvan de kaphelling en het kaptype in overeenstemming is met wat cultuurhistorisch dominant is in deze buurt. Nieuwe architectuur ontwerpen in sterke samenhang met de omgeving. Wanneer er sprake is van een bijzondere stedelijke ruimte, de nieuwe ontwikkeling een bijzondere, stedelijke functie betreft, of de locatie een afwijkende geschiedenis heeft, is een meer eigenzinnige architectuur mogelijk. INSTRUMENTEN

28 29 30 31 32 33

UITVOERINGSDOCUMENT

27

Herinventarisatie van het gebied in relatie tot karakteristieke en monumentale panden en eventueel aanwijzing van gemeentelijke monumenten, om sloop van niet-monumenten en verbouwingen van gevels en kappen te kunnen reguleren. Opstellen van een conserverend bestemmingsplan voor deze gebieden. Aanduiding ´Cultuurhistorisch gebied - Topklasse en Hoog´ in het bestemmingsplan opnemen. Onderzoeken van opname van de aanduiding ´Gevellijn´ voor specifieke gebieden waar de gevelrooilijn cultuurhistorisch van belang is. Aanpassen welstandsnota op de gebiedsbeschrijvingen en de aanbevelingen van deze cultuurhistorische verkenning. N.v.t. Geen toepassing geven aan de planologische mogelijkheden voor afwijking van het bestemmingsplan uit de BOR, bijlage II, artikel 4. (=kruimelgevallen), tenzij de cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteit worden gerespecteerd. Beleidsregels opstellen voor toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van de Wabo, art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1˚ (binnenplanse afwijking), waarbij cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied gerespecteerd worden. Gebieden van hoge cultuurhistorische waarde:Bijzonder of Hoog welstandsregime. Een set nauwkeurige gebiedscriteria in de welstandsnota opnemen. Beleidsregels vaststellen voor projectbesluiten (richtlijnen ruimtelijke onderbouwing). De richtlijnen ruimtelijke onderbouwing geven gespecificeerd de cultuurhistorische aspecten aan die in een ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Deze cultuurhistorische aspecten bevinden zich in ieder geval op de schaalniveaus archeologie, stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

75

BIJLAGE 2

26


Gebied hoge kwaliteit: Aanbevelingen specifiek Algemene aanbevelingen gebieden hoge kwaliteit Voor de algemene aanbevelingen, zie het schema op de voorgaande bladzijden. Aanbevelingen gebieden hoge kwaliteit, per gebied n.b. Het nummer vóór de onderstaande aanbeveling is het nummer van de algemene aanbeveling waar deze specifieke aanbeveling een aanvulling op, of een vervanging van is. Voorstraat / Woldstraat 1 [vervangend] Borneohof: bij herontwikkeling van dit gebied meer aansluiting zoeken bij cultuurhistorische achtergronden van deze buurt 10 [aanvullend] Woldstraat: Op termijn onderzoeken van een mogelijke verbijzondering van de openbare inrichting van de Woldstraat tussen Javastraat - Vledderstraat/Noteboomstraat, waardoor deze ruimte, in aansluiting op het historische centrum de herinnering aan het hier ooit aanwezige marktveld oproept. 11/12 [aanvullend] Woldstraat: een stimuleringsbeleid voeren voor de introductie van samenhangende invulling van erfscheidingen op het voorerf (Twaalf Apostelen e.d.) 21 [vervangend] Woldstraat: gestapelde appartementen zijn mogelijk, mits met kleine korrel en hooguit twee lagen plus kap. Begane grondwoningen in appartementgebouwen afzonderlijk ontsluiten vanaf de straat. 25 [aanvullend] Woldstraat: topgevels maken onderdeel uit van het ontwerp; Voorstraat/Lombokstraat: vervangende nieuwbouw uitvoeren met individuele topgevels.

76

Flexus AWC

Koninginnebuurt 1 [aanvullend] Instandhouden asymetrische opbouw Catharinastraat. 10 [aanvullend] Dichtheid van bomen meer afstemmen op de historische situatie. 11 [aanvullend] Herstellen van de hekwerken voor de bijzondere gebouwen aan de Catharinastraat. 25 [aanvullend] Vervangende woningbouw uitvoeren met individuele topgevels. Geen gevelrepetitie over langere wanden. 26 [aanvullend] Inventarisatie van historische garages in de Koninginnebuurt is gewenst en deze eventueel plaatsen op gemeentelijke monumentenlijst. Weerdstraat e.o. 1 [aanvullend] Behoud zichtlijnen op de molen en de toren van de Grote Kerk vanuit de Barend Schuurmanstraat 4 [aanvullend] Behoud individuele en kleinschalige karakter van de bebouwing langs de Harm Smeengekade 10 [aanvullend] Weerdstraat: Dichtheid van bomen meer afstemmen op de historische situatie 10 [aanvullend] Lantaarnpalen: deze meer in overeenstemming met de cultuurhistorische karakteristieken van de buurt 16 [aanvullend] Barend Schuurmanstraat: stimuleren van herstel historische detaillering van kozijnen, deuren, daklijsten. 16 [aanvullend] Oude Boazstraat: restauratieve aanpak van de Oude Boazstraat is gewenst. 25 [aanvullend] (Vervangende) nieuwbouw aan de Weerdstraat en Weerddwarsstraat: uitvoeren met individuele topgevels. Geen gevelrepetitie over langere wanden.


i erfafscheidingen aanscherpen in combinatie met voorlichting over gebiedseigen schuttingen en erfafscheidingen. 13 [vervangend] Hoogte erfafscheidingen grenzend aan het openbaar gebied: maximaal 1 meter indien als groene haag uitgevoerd, maximaal 0,50 meter indien als transparant hekwerk (hout,metaal) uitgevoerd. Houten schuttingen niet toestaan. Dit realiseren in samenwerking met de woningcorporatie.

UITVOERINGSDOCUMENT

Indische buurt west 4 [aanvullend] Soembastraat: bij (vervangende) nieuwbouw: aansluiten bij de historische perceelsmaatvoeringen die in de buurt voorkomen. 10 [aanvullend] Herinrichten van het plantsoen Ambonstraat, zodat er meer transparantie ontstaat en de diverse inrichtingselementen (o.a. hekken) of toegevoegde elementen (o.a. elektrahuisjes) wat betreft locatie en uitstraling meer passen bij een buurtplantsoen uit de jaren ‘30. 16 [aanvullend] Beleid ontwikkelen om de detaillering van deze architectuur te behouden of met respect voor de architectuur te vervangen. Prinses Beatrixplantsoen Geen aanvullende / vervangende aanbevelingen. Jeruzalembuurt 1-4, 21 [aanvullend] Bij (vervangende) nieuwbouw: bouwen in de ‘footprint’ van de huidige bebouwing 11 [aanvullend] Handhavingsbeleid ten aanzien van Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

77

BIJLAGE 2

Oude Indische buurt 1 [aanvullend] Op termijn reparatie van de achterkanten en ‘koppen’ van de bebouwing ter plaatse van de in een latere periode geintroduceerde parkeergebieden; in de wijk reeds aanwezige originele tuinmuren gebruiken als inspiratie. 1 [aanvullend] Beter afleesbaar maken van de oorspronkelijke entree van de buurt ter plaatse van het kruispunt Burgemeester Knopperslaan – Ceintuurbaan. 10 [aanvullend] Lantaarnpalen: deze meer in overeenstemming met de cultuurhistorische karakteristieken van de buurt. 16 [aanvullend] Detaillering van deze architectuur behouden of met respect voor de architectuur regelen in de welstandsnota.


Gebied middenkwaliteit: Aanbevelingen algemeen

STEDENBOUW

1 2 3 4

Stedenbouwkundige hoofdopzet Behoud stedenbouwkundige hoofdopzet van de buurt (= stratenpatroon, ruimtelijke opbouw bouwblokken, verhouding bebouwd-onbebouwd, ontsluiting buurt, ontsluitingsprincipes bebouwing en ontsluitingsprincipes achtergebieden, groene ruimten en plantsoenen). Behoud locatiespecifieke rooilijnen. Met nieuwbouw aansluiten op de rooilijnen. Behoud van de doorsnedeprofielen (=breedte van de straat in relatie tot de hoogte van de bebouwing, diepte & type van de overgang gebouw-openbare ruimte) van de verschillende openbare ruimten in dit gebied. Aansluiten met nieuwbouw bij deze profielen. 4 Aansluiten bij de basisprincipes van de parcellering in de buurt. Bij (vervangende) nieuwbouw: aansluiten bij de historische perceelsmaatvoeringen die in de buurt voorkomen.

8

Binnenterreinen en aan- en uitbouwen Achtertuinen en - erven voor minstens 50% open houden. Geen nieuwe semi-openbare of openbare binnenterreinen. Bij voorkeur ook geen parkeren op achtererf; indien toch noodzakelijk dan inbedden in een groen ontwerp. Bij (vervangende) nieuwbouw of verbouw: geen hoofdontsluitingen van het gebouw aan de achterzijde, behalve ten behoeve van wonen boven winkels. Bij niet volledig gesloten bouwblokken (tussenruimten tussen panden): geen of zeer ingekaderde mogelijkheden tot bebouwing buiten die van het vergunningsvrije bouwen. Eventuele scheidingsconstructies terugleggen achter de voorgevelrooilijn. Deze vormgeven in overeenstemming met de architectuur van het hoofdvolume. Stimulering tbv het privaatrechtelijk reguleren van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op de achtererven bij verkoop van appartementen binnen grotere woongebouwen en architectuureenheden.

9

Geen aan- uit- of bijgebouwen aan de voorzijde, behalve ten behoeve van erkers met een beperkte afmeting.

5 6 7

OPENBARE RUIMTE + OVERGANGSGEBIEDEN

10

Inrichting openbare ruimte(incl. inrichtingsprofiel) Herinrichting openbare ruimte op basis van cultuurhistorisch onderzoek.

13 14

Erfafscheidingen Erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: In harmonie met de basisprincipes van de architectuur. Nastreven van eenduidige erfafscheidingen voor als cultuurhistorisch waardevol aangemerkte architectuureenheden, op grond van één ontwerp. Hierover afspraken maken met woningcorporaties of VVE’s. Hoogte erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: maximaal 1 meter. Openbare plantsoenen niet bebouwen, tenzij met kleine, het plantsoen of park ten dienste staande gebouwen.

15

Voorerven Bij voorkeur niet parkeren op het voorerf.

11 12

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

78

Flexus AWC


i BEBOUWING/ARCHITECTUUR

16 17 18 19 20

21 22 23 24 25

Bestaande bouw Nastreven van behoud van de bebouwing en de kenmerkende architectonische kwaliteiten van de bebouwing in de buurten van deze categorie. Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting of reactie) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; Behoud van de doorsnedeprofielen van de bebouwing (hoogte, nok- en goothoogte, kapvorm en - helling). Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting of reactie) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; regelen in de welstandsnota Bij als cultuurhistorisch waardevol aangemerkte architectuureenheden (rijks-, gemeentelijke- en provinciale monumenten en karakteristieke panden): geen aanpassingen van de architectuur die de woningen/appartementen individualiseren; regelen in de welstandsnota. Ingrepen in het dakvlak dienen in overeenstemming te zijn met de oorspronkelijke architectonische uitgangspunten van het gebouw (dakkapellen, dakramen, schoorstenen). Maatvoering en vormgeving dakkapellen op voor- en zijdakvlakken: regelen in welstandsnota en afstemmen op architectuur(eenheid). Nieuwbouw Bij (vervangende) nieuwbouw :geen gestapelde appartementen, tenzij vormgegeven in de gebouwtypologieën die cultuurhistorisch kenmerkend zijn voor de buurt. Begane grondwoningen in appartementgebouwen afzonderlijk ontsluiten vanaf de straat (Hoofd)Entrees aan voorzijde. Bij (vervangende) nieuwbouw: nok- en goothoogte afstemmen op de historische nok- en goothoogte van het straatprofiel waar in gebouwd wordt. Bij (vervangende) nieuwbouw: alle gebouwen afdekken met een kap. Nieuwe architectuur ontwerpen met respect en/of verwantschap (aansluiten of reactie) voor de kenmerkende architectonische historische kwaliteiten in deze buurt. INSTRUMENTEN

31 32 33

UITVOERINGSDOCUMENT

27 28 29 30

Herinventarisatie van het gebied in relatie tot karakteristieke en monumentale panden en eventueel aanwijzing van gemeentelijke monumenten, om sloop van niet-monumenten en verbouwingen van gevels en kappen te kunnen reguleren. Opstellen van een regulier bestemmingsplan voor deze gebieden. Aanpassen welstandsnota op de gebiedsbeschrijvingen en de aanbevelingen van deze cultuurhistorische verkenning. N.v.t. Beleidsregels opstellen voor de verschillende categorieën omgevingsvergunningaanvragen van de BOR, bijlage II, artikel 4, waarbij de cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied worden gerespecteerd. Beleidsregels opstellen voor toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van de Wabo, art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1˚ (binnenplanse afwijking), waarbij cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied gerespecteerd worden. Regulier welstandsregime. Attentie voor vermelding van specifieke beeldbepalende ensembles of objecten in de welstandsnota. Beleidsregels vaststellen voor projectbesluiten (richtlijnen ruimtelijke onderbouwing). De richtlijnen ruimtelijke onderbouwing geven gespecificeerd de cultuurhistorische aspecten aan die in een ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Deze cultuurhistorische aspecten bevinden zich in ieder geval op de schaalniveaus archeologie, stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

79

BIJLAGE 2

26


Gebied middenkwaliteit: Aanbevelingen specifiek Algemene aanbevelingen gebieden middenkwaliteit Voor de algemene aanbevelingen, zie het schema op de voorgaande bladzijden. Aanbevelingen gebieden middenkwaliteit, per gebied n.b. Het nummer vóór de onderstaande aanbeveling is het nummer van de algemene aanbeveling waar deze specifieke aanbeveling een aanvulling op, of een vervanging van is. Schuttevaerstraat / Concordiastraat 10 [aanvullend] Heraanleg groenstructuur rondom de Schuttevaerhaven die de relatie van kades met water ondersteunen. Commissaris De Vos van Steenwijklaan 2 [aanvullend] Bij nieuwbouw ter plaatse van naoorlogse verstoorde rooilijnen (oostzijde): herstel van de historische rooilijnen (niet voortbouwen op verstoringen). Westkant is gaaf/leidend. Zeeheldenbuurt Oost 16 [aanvullend] Beleid ontwikkelen om de detaillering van deze architectuur te behouden of met respect voor de architectuur te vervangen.

80

Flexus AWC


Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

81

BIJLAGE 2

UITVOERINGSDOCUMENT

i


Gebied basiskwaliteit: Aanbevelingen algemeen

STEDENBOUW

1 2 3 4

Stedenbouwkundige hoofdopzet Transformatie van de stedenbouwkundige hoofdopzet is mogelijk. Hierbij rekening houden met cultuurhistorische waarden en geschiedenis van de locaties. Transformatie van de rooilijnen is mogelijk. Hierbij rekening houden met cultuurhistorische waarden en geschiedenis van de locaties. Transformatie van de doorsnedeprofielen is mogelijk. Hierbij rekening houden met cultuurhistorische waarden en geschiedenis van de locaties. Transformatie van de parcellering is mogelijk. Hierbij rekening houden met cultuurhistorische waarden en geschiedenis van de locaties.

8

Binnenterreinen en aan- en uitbouwen Achtertuinen en - erven voor minstens 50% open houden. Geen nieuwe semi-openbare of openbare binnenterreinen. Bij voorkeur ook geen parkeren op achtererf. Bij (vervangende) nieuwbouw of verbouw: geen hoofdontsluitingen van het gebouw aan de achterzijde, behalve ten behoeve van wonen boven winkels. Bij niet volledig gesloten bouwblokken (tussenruimten tussen panden): geen of zeer ingekaderde mogelijkheden tot bebouwing buiten die van het vergunningsvrije bouwen. Eventuele scheidingsconstructies terugleggen achter de voorgevelrooilijn. Deze vormgeven in overeenstemming met de architectuur van het hoofdvolume. Stimulering tbv het privaatrechtelijk reguleren van aan- en uitbouwen en bijgebouwen op de achtererven bij verkoop van appartementen binnen grotere woongebouwen en architectuureenheden.

9

Geen aan- uit- of bijgebouwen aan de voorzijde, behalve ten behoeve van erkers met een beperkte afmeting.

5 6 7

OPENBARE RUIMTE + OVERGANGSGEBIEDEN

10

Inrichting openbare ruimte(incl. inrichtingsprofiel) Herinrichting openbare ruimte op basis van cultuurhistorisch onderzoek.

11 12 13 14

Erfafscheidingen Erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: In harmonie met de basisprincipes van de architectuur. Nastreven van eenduidige erfafscheidingen. Hoogte erfafscheidingen grenzend aan de openbare ruimte: maximaal 1 meter. Openbare plantsoenen niet bebouwen, tenzij met kleine, het plantsoen of park ten dienste staande gebouwen.

15

Voorerven Bij voorkeur niet parkeren op het voorerf.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

82

Flexus AWC


i BEBOUWING/ARCHITECTUUR

18 19 20

Bestaande bouw Nastreven van behoud van de bebouwing en de kenmerkende architectonische kwaliteiten van de bebouwing in de buurten van deze categorie. Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting of reactie) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; Behoud van de doorsnedeprofielen van de bebouwing (hoogte, nok- en goothoogte, kapvorm en - helling). Ondergeschikte delen: Verwantschap (aansluiting of reactie) zoeken met de kenmerkende historische kwaliteiten; regelen in de welstandsnota. N.v.t. Ingrepen in het dakvlak in overeenstemming met de oorspronkelijke architectonische uitgangspunten van het gebouw. Maatvoering en vormgeving dakkapellen op voor- en zijdakvlakken: regelen in welstandsnota en afstemmen op architectuur(eenheid).

21 22 23 24 25

Nieuwbouw Bij (vervangende) nieuwbouw :geen gestapelde appartementen. (Hoofd)Entrees aan voorzijde. Bij (vervangende) nieuwbouw: nok- en goothoogte afstemmen op de historische nok- en goothoogte van het straatprofiel waar in gebouwd wordt. Bij (vervangende) nieuwbouw: alle gebouwen afdekken met een kap. Nieuwe architectuur ontwerpen met respect en/of verwantschap (aansluiten of reactie) voor de kenmerkende architectonische historische kwaliteiten in deze buurt.

16 17

INSTRUMENTEN

32 33

UITVOERINGSDOCUMENT

31

Herinventarisatie van het gebied in relatie tot karakteristieke en monumentale panden. Opstellen van een regulier bestemmingsplan voor deze gebieden. Aanpassen welstandsnota op de gebiedsbeschrijvingen en de aanbevelingen van deze cultuurhistorische verkenning. N.v.t. Beleidsregels opstellen voor de verschillende categorieĂŤn omgevingsvergunningaanvragen van de BOR, bijlage II, artikel 4, waarbij de cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied worden gerespecteerd. Beleidsregels opstellen voor toepassing van afwijkingen van het bestemmingsplan op grond van de Wabo, art. 2.12, lid 1, sub a, onder 1Ë&#x161; (binnenplanse afwijking), waarbij cultuurhistorische waarden en de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied gerespecteerd worden. Regulier welstandsregime. Attentie voor vermelding van specifieke beeldbepalende ensembles of objecten in de welstandsnota. Beleidsregels vaststellen voor projectbesluiten (richtlijnen ruimtelijke onderbouwing). De richtlijnen ruimtelijke onderbouwing geven gespecificeerd de cultuurhistorische aspecten aan die in een ruimtelijke onderbouwing dienen te worden meegenomen. Deze cultuurhistorische aspecten bevinden zich in ieder geval op de schaalniveaus archeologie, stedenbouw, openbare ruimte, bebouwing en architectuur.

Deze aanbevelingen zijn in overleg met de Gemeente Meppel tot stand gekomen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

83

BIJLAGE 2

26 27 28 29 30


Gebied basiskwaliteit: Aanbevelingen specifiek Algemene aanbevelingen gebieden basiskwaliteit Voor de algemene aanbevelingen, zie het schema op de voorgaande bladzijde. Aanbevelingen gebieden basiskwaliteit, per gebied n.b. Het nummer vóór de onderstaande aanbeveling is het nummer van de algemene aanbeveling waar deze specifieke aanbeveling een aanvulling op, of een vervanging van is. Vledder Geen aanvullende / vervangende aanbevelingen Burg. Mackaystraat Geen aanvullende / vervangende aanbevelingen â&#x20AC;&#x2122;t Meugien Geen aanvullende / vervangende aanbevelingen Rechteren 1 [aanvullend] Villa Rechteren op termijn stedenbouwkundig en wat betreft openbare inrichting als entree laten functioneren van het woonbuurtje Rechteren, waar de villa van oorsprong ook toe behoorde. 26 [aanvullend] De cultuurhistorische betekenis van de locatie benadrukken door informatiebord c.q. kunstwerk die de geschiedenis van de locatie weergeeft.

84

Flexus AWC


Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

85

BIJLAGE 2

UITVOERINGSDOCUMENT

i


CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE & WAARDENSTELLING Binnenstad & Centrumschil Meppel Vastgesteld

Gebiedsbeschrijvingen


CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE EN WAARDENSTELLING MEPPEL Binnenstad & Centrumschil Meppel 2. Gebiedsbeschrijvingen

Flexus AWC 2013 vastgesteld door de gemeenteraad op 24 april 2014


Colofon Opdrachtgever: Gemeente Meppel dhr. ing. F. Smit, mevr. ing. A. van Koeverden Uitvoering/Research:

Flexus Architectuur Welstand Cultuurhistorie Provenierssingel 15A 3033 ED Rotterdam www.flexusawc.nl ir. Hugo J. van Velzen drs. ing. Marcel R. van Winsen ir. Rowin van der Leeden Thijs van der Kooij Lisa Mosch Rotterdam, juli 2013 ISBN/EAN 978-94-91438-02-8 NUR 648 De cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling â&#x20AC;&#x2DC;Meppel binnenstad en Centrumschilâ&#x20AC;&#x2122; bestaat uit vier hoofdstukken en is in twee boekwerken vormgegeven.

86

Flexus AWC

Achtergrondafbeelding kaft: Luchtfoto van het centrum van Meppel, gemaakt tussen 1925 en 1967. <fotoarchief Stichting Oud Meppel> Afbeelding vorige pagina: Centrum van Meppel rond 1965, gezien van de Meppeler toren op het Kerkplein. Centraal op de foto de Sluisgracht en de Meppeler sluis <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


4 Gebiedsbeschrijvingen Binnenstad en Centrumschil


88

Flexus AWC


4

1 Binnenstad Inleiding Deze gebiedsbeschrijving heeft in grote lijnen een identieke opbouw als de overige gebiedsbeschrijvingen uit deze cultuurhistorische verkenning. De eerste paragraaf behandelt de ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit van het gebied. De tweede paragraaf vormt de ruimtelijke beschrijving en waardering van het gebied. Het gebied is na de Tweede Wereldoorlog in sterke mate getransformeerd. Daarom is ervoor gekozen haar ontstaansgeschiedenis te beschrijven uitgaande van twee hoofdperioden. De eerste periode betreft de pre-industriële periode en de industriële periode met een uitloop tot 1945. De tweede periode betreft de periode na 1945. Op de naastliggende kaart zijn de door beide perioden gekenmerkte gebieden duidelijk onderscheiden weergegeven. Het eerste gebied is felrood weergegeven. De naoorlogse transformatiegebieden hebben een donkerrode kleur.

informatie te vinden is over specifieke onderwerpen betreffende de historische binnenstad. Vanuit deze gebiedsbeschrijving wordt naar deze kaderteksten verwezen. Kadertekst 11 gaat nadrukkelijk in op de bouwhistorische verwachting in panden in de Binnenstad. Tevens zijn een aantal kaarten in de gebiedsbeschrijving opgenomen die het nalopen van de structuurveranderingen in het stadsweefsel vergemakkelijken. Voor een uitgebreide beschrijving van de sociaaleconomische ontwikkeling van de (binnen)stad en haar relatie met de ruimtelijke groei van dit stadsdeel verwijzen wij naar het katern ‘De geschiedenis van Meppel’.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Eerste Hoofdstraat gefotografeerd richting Kerkhofsbrug, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De ruimtelijke beschrijving van het gebied is nauwkeuriger qua samenstelling dan de beschrijvingen van de andere gebieden uit deze cultuurhistorische verkenning. Deze precisie bleek noodzakelijk omdat het historisch stadsdeel complexer en fijnzinniger qua samenstelling is dan andere stadsdelen en hier bovendien meer transformatievraagstukken spelen. In de beschrijving zijn veel historische foto’s opgenomen om een beeld te geven van de rijke geschiedenis van de Binnenstad en ter inspiratie voor toekomstige handhaving en ontwikkeling. De gebiedsbeschrijving wordt beëindigd met een aantal zogenaamde kaderteksten waarin aanvullende Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

89

GEBIED 1


90

Flexus AWC


Ets van de Grote Kerk, 1780, naar Jac Versteegen <Gerding, drs. M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, Boom Meppel, 1991>

Ontstaansgeschiedenis van de binnenstad van Meppel, de pre-industriële en industriële periode tot 1945 De stad Meppel ontstond in de eerste occupatie-fase van Zuidwest-Drenthe, waarschijnlijk in de 10de eeuw – 11de eeuw na Christus, op een plek waar drie beken, afkomstig van het Drents plateau, bij elkaar komen. De Havelter Aa, de Wold Aa en de Reest verzamelen zich hier in het Meppeler Diep. De eerste bewoners waren boeren die zich op de hogere zandige delen tussen de genoemde riviertjes vestigden. Door ontginning van de woeste grond van de verschillende hoeven ontstond er een veelheid van verkavelingsrichtingen. Drie hoeven vormden de eigenlijke kern waaruit Meppel is ontstaan: Evesingehus (Eefsinge), Anekingehus (Enekinge), en Woltingehus (Woltinge). De stadsvorm kwam tot stand door opsplitsing van deze drie zeer grote erven in kleinere eenheden. Meppel kreeg in 1421 een eigen kerk en werd daarmee een zelfstandige kerkelijke eenheid (een kerspel). Een van de belangrijkste groeifactoren van Meppel was de turfvaart, die eeuwenlang het belang van de plaats heeft bepaald. Dat de Meppelers zelf ook actief de belangen van de turfvaart inzagen, bewijst het bestaan van de Wetering, een gegraven waterloop uit 1426 vanaf de Aa naar het oosten. Meppel groeide snel door en haar overheersende positie in Drenthe werd in 1460 bestendigd, toen de handelsplaats door de landsheer twee jaarmarkten werd gegund.

brugghe an der Zuderziede’, waarmee de toenmalige brug over de Wetering werd bedoeld. Gezien de plaatsaanduiding zal toen reeds aan de noord- of westkant van de dorpskern over de Aa een tweede brug hebben gelegen, vermoedelijk ter hoogte van de huidige kruising Grote Oever – Kruisstraat. De verbinding tussen deze twee bruggen vormde de as van de dorpskern, voor zover daar in 1414 al van gesproken kan worden. De parochiekerk kwam zowel langs de Wetering als langs de doorgaande noord-zuidverbinding te staan, bij de brug over de Wetering. Ook de Wheem, dit was de grond die door de ingezetenen aan de pastoor werd toegewezen om in zijn onderhoud te voorzien, kwam zeer centraal te liggen. Dit wijst erop dat de dorpskern zich pas nadien heeft ontwikkeld, omdat deze grond anders niet aan de kerk en de pastorie zou zijn toegewezen. Overigens is bekend dat toen er in het midden van de 15de eeuw armoede dreigde, de pastoor in 1454 door het uitgeven in erfpacht van een deel van het pastoorsgoed (wedeme) terrein beschikbaar stelde voor de bouw van keutersteden en huizen; dit kwam op gang na 1460. De markten werden in die periode gehouden in de tegenwoordige Kruisstraat, de Hoofdstraat en de Wheem, voor zover door de pastoor ter beschikking gesteld. Zo ontstond in de loop van de 15de eeuw een dorpscentrum ten noorden van de Wetering en ten oosten van de Aa. Daarbuiten lagen ten westen van de Olde Aa uitgestrekte landerijen, die ook wel de Domeinmaten werden genoemd.

Hoe de ruimtelijke situatie van de gemeente aan het begin van de 15de eeuw was, is nog steeds onduidelijk. De zeer schaarse 15de eeuwse bronnen geven weinig inzicht in het toenmalige wegen- en bewoningspatroon. In 1414 werd gesproken over ‘der

De verandering naar een stedelijke nederzetting die zich inzette in het begin van de 15de eeuw, had consequenties voor het ruimtelijk beeld van de stad. In het vroege begin van de Middeleeuwen bestond de bebouwing uit verspreid liggende boerderijen en ar-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

4

91

GEBIED 1

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit


Kadastrale Minuut 1823 92

Flexus AWC


4 beiderswoningen. Aan het eind van de Middeleeuwen was de schipperij en handel al flink op gang gekomen en zal het beeld zijn bepaald door woon- en pakhuizen. Door de functie als regionaal centrum werden goede verbindingen over wegen naar omliggende dorpen en buurtschappen noodzakelijk. Op het kruispunt van deze wegen ontstonden stedelijke bebouwingswanden. Aangenomen wordt dat de eerste stedelijke wanden ontwikkeld zijn op het kruispunt van de weg naar Zwartsluis, de weg naar Ruinerwold en de weg in zuidelijke richting De Wijk. Tot het einde van de 16de eeuw zal de bebouwing zich grotendeels in de driehoek Aa, Wetering en Kruisstraat/Touwbaan concentreren. Hierbij was niettemin toch sprake van een ontspannen uitleg; hoewel Meppel in functioneel en ruimtelijk opzicht zonder meer een stad was, is het nooit een versterkte stad geworden. Er zijn dan ook geen vestingwerken rond het stadscentrum gevonden, die de bebouwing kunstmatig in een beperkte pakking samenbalde. Aan het begin van de 17de eeuw concentreerde de bebouwing zich langs de noordzijde van de Hoogeveense Vaart en aan beide zijden van de Aa. Dit gebied wordt tegenwoordig min of meer begrensd door de Kleine Oever, Grote Oever, Kruisstraat, Noteboomstraat, Vledderstraat, Prinsenplein, Prinsenstraat en Kerkplein. De dichte stadsbebouwing, die sommige delen van het stadscentrum nog steeds kenmerkt, moet in die periode zijn ontstaan. De Domeinmaten, de uitgestrekte landerijen ten westen van de Olde Aa, ook wel Kinkhorstlanden genoemd naar de kleine burcht de Kinkhorst die hier in het eerste kwart van de 16de eeuw gebouwd was, waren in de periode daaraan voorafgaand al onder de invloedssfeer van Meppel gekomen. Deze kwamen in 1598 via huur en per 1622 als erfpacht in gebruik bij

het kerspel, met het doel er huizen te bouwen. Hier ontstond de bebouwing van de Grote Oever, Kleine Oever en Bleekerseiland. De begrenzing van de erfpachtgrond werd gevormd door de ‘oude haven’ (ter plaatse van de huidige Havenstraat), de toenmalige toegangsgracht naar de Kinkhorst, die gebruikt werd als winterligplaats voor schepen. Het Meppeler bestuur was niet bereid een tweede brug over de Aa aan te leggen, zodat de nieuwe bewoners genoodzaakt waren deze zelf te financieren. Ter hoogte van Hogetin en Hagenstraat werden twee bruggen aangelegd, die in de loop van de 18de eeuw werden opgeruimd of vervangen. Verder kende Meppel nog een brug over de Reest naar Hesselingen in het verlengde van de huidige Weerdstraat, de brug te Beugelen in de verbinding tussen Drenthe en Overijssel, de Stomme- of Beerenbrug in het Zuideinde en de brug in de Papensteeg (de huidige Grote Kerkstraat). Ten noorden en oosten van de nederzetting waren de moerassige gronden van de Vledderlanden nauwelijks begaanbaar. Op een natuurlijke hoogte ten noorden van de bebouwingskern bevond zich het landgoed Vledderinge, dat al vóór 1414 was gebouwd (ter hoogte van het huidige Rechteren). Via het zogenaamde Jufferenpad was het landgoed verbonden met het dorp.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Kadastrale minuutplan uit 1823 <Nationaal Archief>

Het ruimtelijke groeiproces van de historische kern was – in tegenstelling tot wat het bovenstaande suggereert – niet overdreven planmatig van karakter. Was de vroegste bebouwing hoofdzakelijk gesitueerd op de hogere, zandige delen (eilandjes) rond het knooppunt van waterwegen (Blekerseiland, Kerkplein, Groenmarkt), met het groeiende inwonertal strekte de bebouwing zich verder langs bestaande wegen en (voornamelijk) langs de Hoogeveense Vaart uit. Later, toen met name ook economische ac-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

93

GEBIED 1


94

Flexus AWC


4 tiviteiten steeds meer ruimte op gingen eisen, vond de stadsuitleg tevens nadrukkelijker plaats langs het wegenpatroon (17de/18de eeuw). Voorbeelden hiervan zijn de Kruisstraat, de Hoofdstraat, de Grote Kerkstraat, de Prinsengracht, en de meer in noordelijke richting gelegen Molenstraat, het Noordeinde en de Woldstraat. Ofschoon er geen sprake was van ruimtelijke planning in de moderne zin van het woord, was er wel degelijk sprake van overdacht ruimtelijk handelen. Hoewel de oude stad gekenmerkt werd door een grote vervlechting van wonen en werken, werden sterk hinder verwekkende bedrijven (leerlooierijen, bierbrouwerijen, weverijen en scheepstimmerbedrijven) langs de stadsrand gesitueerd. Bij het voortgaan van de stadsuitbreidingen kwamen deze bedrijven uiteindelijk echter toch tussen de stedelijke bebouwing te liggen en ontstond er een kwalitatieve geleding in de stad. De lagere standen woonden nabij de hinderverwekkende bedrijven, terwijl welgestelden vooral rond het Kerkplein gehuisvest waren. In de periode tot ongeveer 1800 breidde de kern van Meppel zich nauwelijks uit. Alleen het stuk tussen de toenmalige Wetering en de Zuideindigersloot (tegenwoordig het gedeelte tussen de Keizersgracht, Prinsengracht, Prinsenplein, Prinsenstraat, Weteringstraat, Stoombootkade en Zuideindigerpad) raakte bewoond. Met name enkele wevers vonden langs de Keizersgracht en op de locatie van het huidige Prinsenplein een geschikte woonplaats. Dit gedeelte van de stad werd dan ook wel de Wevershoek genoemd. Het gildehuis van de wevers bevond zich echter in de Hagenstraat, buiten dit gebied. Verder vond er bebouwing en verdichting langs de linten plaats, het Moleneinde, de Woldstraat en het Noordeinde. Een probleem waar Meppel voortdurend mee kampte

was het gebrek aan marktruimte. Aan het eind van de 18de eeuw werd de Wheem hiervoor definitief ingericht, welke ruimte in de tweede helft van de 19de eeuw nog verder vergroot werd. In 1818 werd besloten de zogenaamde Muzelaarshof in te richten als marktruimte. De ruimte werd Nieuwe Markt genoemd (later Groenmarkt). Met de begrafeniswet van 1825 kon ook het kerkhof naast de kerk tot marktplein worden bestemd. In de eerste helft van de 19de eeuw was er geen sprake van grote stadsuitbreiding, maar eerder van verdichting. Binnenterreinen en open gebleven stukken land werden toen volgebouwd. Een belangrijke ontwikkeling voor de ruimtelijke structuur van de Binnenstad vormde de rond 1850 gerealiseerde verbreding van de Zuideindigersloot en de hierop volgende (1905) aanpassingen van rooilijnen en wallekanten langs deze route (Heerengracht/Keizersgracht). In de tweede helft van de 19de eeuw nam de industrialisatie ook in Meppel toe, en begon de stad sterk te groeien. De oude historische kern werd binnenstad. De uitbreiding van de bebouwde kom kreeg na 1870 een impuls in zuidoostelijke richting als gevolg van de aanleg van het spoorwegstation. In een latere fase werden uitbreidingsmogelijkheden in noordelijke richting langs de uitvalsweg naar Ruinerwold gezocht. Na aanvankelijk niet-planmatige uitbreidingen gekend te hebben werd na 1928 binnen de contouren van een uitbreidingsplan van stadsarchitect Monsma verder uitgebreid, voornamelijk aan de zuidwest- en noordzijde. Ondanks de uitbreidingen uit de tweede helft van de 19de en begin 20ste eeuw ging de verdichting in het centrum ook gewoon verder. Met name in het gebied ten westen van de Grote Oever, tussen de Grote Oever en de Hoofdstraat en bij de Kromme Elleboog en

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

Groeikaart getekend over de kadastrale minuut uit 1823, in rood weergegeven de contourlijn van het (binnen) stadsgebied uit dat jaar <Flexus AWC>

95

GEBIED 1

â&#x2014;&#x201E;


96

Flexus AWC


4 Brouwersstraat leidde dat vaak tot slechte woonomstandigheden, waar de overheid niet op ingreep. Wel werd uitgebreid aandacht besteed aan de weg- en waterstructuren. De eerste helft van de twintigste eeuw werd voor wat betreft de Binnenstad gekenmerkt door een toenemende rationalisatie: veel grachten werden vanaf 1917 in aanzet gedempt (Bleekerseiland, Kerkhofsdiep, Prinsenplein, Wetering ter plaatse van de Marktstraat, Aa ter plaatse van de huidige Eendrachtsstraat), veelal ten behoeve van het wegverkeer of ten behoeve van vergroting van marktruimte. Dit laatste bleef een probleem. Voor de veemarkt werd uiteindelijk een oplossing gevonden op de Vledderlanden. Hier was in 1860 een gasfabriek gekomen (aan de latere Gasgracht) die in 1926 fors uitbreidde. Het drassige Vledderland hierachter was in gebruik als hooiland en in de winter als schaatsbaan. Op de laatste locatie werd de grote veemarkt geplaatst die tot in de jaren zeventig van de 20ste eeuw heeft gefunctioneerd. HISTORISCHE BINNENSTAD

Woldstraat, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Bronnen <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 1: Top, drs. M., Meppel in de Middeleeuwen, hfdstuk 2: Hofland, drs. T., De ruimtelijke ontwikkeling, hfdstuk 3: Boezen, drs. E.L. en Jagersma, drs. L.L, De economische ontwikkeling van Meppel van 1600 tot 1970, Boom Meppel, 1991> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

97

GEBIED 1

â&#x2014;&#x201E;


Kadastrale Minuut 1885 98

Flexus AWC


Kadastrale Minuut 1911 Cultuurhistorische inventaristatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


100

Flexus AWC


Zicht vanaf het Mallegat op de Grote Oever, 1964 - 1968 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De geschiedenis van de binnenstad van Meppel, van 1945 tot 1990

deeld, afgaand op de reacties in de Meppeler Courant uit die periode.

De Tweede Wereldoorlog trok haar sporen in Meppel met een bomaanslag waarbij 34 huizen verwoest werden en de Remonstrantse kerk aan de Heerengracht met de grond gelijk werd gemaakt. Dit verdwijnen van 34 panden zou niet in verhouding staan tot de ingrepen uit de saneringsoperatie gedurende de periode 1945 – 1988, die een aanzienlijke transformatie van de ruimtelijke structuur van de Binnenstad tot gevolg had. Na de oorlog nam het college van burgemeester en wethouders de taak op zich de Binnenstad grondig te saneren. Doelstelling hierbij was het verbeteren van de vastgelopen verkeerssituatie, het scheppen van ruimte in de vrijwel geheel volgebouwde kern, het verplaatsen van bedrijven die niet in de Binnenstad thuishoorden en het verbeteren van het winkelklimaat in de stadskern. De opruiming van honderden krotten was hierbij de eerste taak waar het college zich voor gesteld zag. Er waren in de kern van Meppel al vanaf 1922 vele woningen op grond van de Woningwet onbewoonbaar verklaard, en desondanks waren in 1948 nog ongeveer 650 slechte woningen bewoond en stonden er 41 leeg. Geen enkele van de te slopen panden kwam op de monumentenlijst voor en de kavels van de pandjes waren naar de mening van de toenmalige plannenmakers te klein om als grondslag te dienen voor vervangende nieuwbouw.

Gelijk op met het raadsbesluit werden op uitnodiging van het college van Burgemeester en Wethouders door het architecten- en stedenbouwkundig bureau ir. Roosenburg (uitvoerend stedenbouwkundige ir. J.G.E. Luyt) uit Den Haag plannen gemaakt voor een nieuwe verkeersstructuur en hiermee samenhangende saneringsplannen voor de bebouwing van de Binnenstad. De plannen resulteerden in het Ontwerpsaneringsplan voor de Binnenstad. Dit plan werd niet officieel vastgesteld door de gemeenteraad om speculatie met grond te voorkomen, maar werd in 1952 wel officieel aanvaard. Het Ontwerpsaneringsplan vormde de onderlegger voor ingrepen op verschillende locaties die in de daaropvolgende jaren tot uitvoering gebracht werden. Vanaf 1952 tot globaal het midden van de jaren tachtig zouden het saneringsplan en de hieruit volgende stedenbouwkundige en architectonische invullingen en oplossingen voor de verkeersstructuur de norm blijven voor ingrepen in de Binnenstad, met een echo tot in de huidige tijd.

De eerste aanzet tot uitvoering van de plannen was de goedkeuring in 1946 van de gemeenteraad het Kerkhofsdiep zo spoedig mogelijk te dempen en de Grote Oever vanaf de datum van 1 juni 1951. Deze operatie werd in 1953 afgerond. Ofschoon een meerderheid van de raad hiermee akkoord was, werd het enthousiasme voor de sloopplannen niet breed ge-

Zie voor een beschrijving van de saneringslocaties kadertekst 4. De sanering De sanering ging op basis van het slechts in beperkte kring bekende Ontwerpsaneringsplan. Om te kunnen saneren dienden in de jaren ´50 en ´60 panden in eigendom verkregen te worden. De gemeente – nog niet met financiële middelen ondersteund door het Rijk – wilde in verband met de mogelijk hoge kosten niet onteigenen, hetgeen tijdens de saneringsperiode dan ook niet gebeurd is. De gemeente kocht panden aan, waarbij zij de toevallige mogelijkheden tot aankoop volgde. Hierdoor ontstonden soms adhoc op

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

101

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


Flexus AWC

102

Meppeler Courant, 1952

Meppeler Courant, 1955


â&#x2014;&#x201E;

Meppeler Courant, 1955 Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

103

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


Kleine Oever, 1954 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Panorama vanaf Meppeler toren richting Hagenstraat, 1952 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 104

Maatkade, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Panorama vanaf Meppeler toren richting Grote Oever, 1962 <fotoarchief Stichting Oud Meppel


â&#x2014;&#x201E;

â&#x2014;&#x201E;

Panorama centrum, rond 1962 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Panorama centrum, 1976 <fotoarchief Stichting Oud Meppel> Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

105

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


106

Flexus AWC


4 bestaat uit bebouwing met 2 tot 5 woonlagen. Het overgrote deel is complexmatig tot stand gekomen.

Stadskantoor, 1980, architect Maaskant <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

verschillende plaatsen in de Binnenstad lege plekken. Pas in 1967 kwam de eerste beschikking van het Ministerie van Volkshuisvesting, waarbij een rijksbijdrage van 80% in het vooruitzicht werd gesteld. Bij deze beschikking werd bepaald dat de 80% van de aankoopkosten van de panden pas werd uitbetaald, als zij reeds waren afgebroken. Dit had uiteraard een haastige afbraak tot gevolg. Ondanks het verspreide aankoopbeleid werd wél volgens een indeling in gebieden gepland. Er is in de Binnenstad en haar directe omgeving sprake geweest van 10 saneringsgebieden (de gebieden A t/m J). Zie voor meer informatie kadertekst 4. In de periode 1948-1988 zijn als gevolg van de sanering totaal 888 opstallen afgebroken. Van de 744 afgebroken woningen zijn 678 door de gemeente zelf neergehaald; door het Rijk en particulieren 66 woningen. In de saneringsgebieden zijn tot en met 1990 uiteindelijk 794 woningen gebouwd, waarvan 457 door woningcorporatie de Meppeler Woningstichting, iets meer dan 57%. Bijna 78% van de nieuwbouw

Het stadsbeeld De plannenmakers hadden uitgesproken ruimtelijke opvattingen die een rol speelden bij de uitwerking van de plannen. Deze lagen in het verlengde van de visie die moderne architecten tijdens de wederopbouwperiode hadden op historische binnensteden: openen van de Binnenstad voor het verkeer, de introductie van kantoren en winkelfuncties in het centrum, met geringe aandacht voor wonen in de Binnenstad en geen of zeer geringe aandacht voor de cultuurhistorische waarden. Nieuwe steden in binnen- en buitenland vormden de referentie. Zo werd voor het winkelapparaat – zeker voor de nieuwe winkels aan de gedempte Grote Oever oostzijde - verwezen naar de principes van de Lijnbaan in Rotterdam, waar sprake was van een expeditiestraat en een verkeersvrij voetgangersgebied. Het aanleggen van de de Hoofdstraatpromenade in 1973 lag in het verlengde van deze gedachte. Hiermee werd een gedeelte van het centrum autovrij gemaakt. Meppel stond hierin niet alleen; in andere steden in Nederland was sprake van vergelijkbare oplossingen.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Durox Prijsvraag, Blad Cobouw, 1967 <archief gemeente Meppel>

De briefwisselingen tussen het college van B en W en stedenbouwkundige Luyt illustreren dat het college er in die tijd níet anders over dacht. Bij de wens in 1957 om een 3-hoog flatgebouw aan de westzijde van de Grote Oever te willen realiseren, gaf het college te kennen de Rotterdamse architect Maaskant uit te willen nodigen ‘als definitieve en duidelijke breuk met het oude’. Maquettes of driedimensionale visualisaties van het Ontwerpsaneringsplan zijn niettemin onbekend. Het duidelijkst sprak de stedenbouwkundige Luyt zich uit in een brief uit 1962 toen hij op navraag van het college van B en W reageerde op

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

107

GEBIED 1


108

Flexus AWC


4 ◄◄

Uitsnede uit kaart ‘Plan in Hoofdzaak’, 1958 <archief gemeente Meppel>

Kaart binnenstadsgebied met hierin weergegeven de cityring zoals gerealiseerd <Flexus AWC>

de welstandsbeoordeling van een pand aan de toekomstig te dempen Heerengracht: ‘ik bericht u dat in de toekomst een wat forser schaal in de bebouwing langs de gedempte Hoogeveense Vaart nodig is. Het liefst zou ik een bebouwing zien met afwisselende hoogten, bijvoorbeeld een basishoogte van circa 10 meter (3 verdiepingen) met om de ongeveer 100 meter een gebouw tot een hoogte van circa 20 meter (7 verdiepingen). Dit zou inhouden dat tussen de Parallelweg en de Stoombootkade 10 tot 12 hogere gebouwen komen. Hiermee zou een fors en levendig stadsbeeld ontstaan voor deze in de toekomst belangrijke weg. Een wellicht gemakkelijker te realiseren maar veel minder aantrekkelijke oplossing zou zijn een uniforme bouwhoogte van ongeveer 12 meter (4 verdiepingen) vast te leggen’. Ook de resultaten van de – uiteindelijk niet gerealiseerde – Durox-prijsvraag uit 1967 wezen in de richting van hoge bebouwing, hier in combinatie met het opheffen van het principe van het gesloten bouwblok. Wat betreft de voorziene ruimtelijke opbouw ter plaatse van de nieuwe wegverkeersstructuur zijn de daarop betrekking hebbende stukken vooralsnog niet uit het gemeentearchief naar boven gekomen. Wel lijkt de basisgedachte van de ‘stadsboulevard’ een rol gespeeld te hebben bij de demping van de Grote Aa. Hier was een breed doorsnedeprofiel het uitgangspunt, met moderne bebouwing aan weerszijden en een groenstrook en parkeren in het midden. De verkeersstructuur Het verkeersvraagstuk was een majeure component in de saneringsplannen. Het is dan ook niet toevallig dat de saneringslocaties bij nadere beschouwing het patroon van de nieuwe grootstedelijke verkeersstructuur blijken te volgen, een gegeven dat twijfels oproept over de ‘verkrotting’ van alle opgekochte en gesloopte panden. De verkeersstructuur tekende

zich weliswaar nog niet in de allereerste schetsen, maar toch als snel als een kleine ‘cityring c.q. binnenring’ met uitvalswegen af. Dit principe van een centrum-autorondweg werd overigens ook in andere ‘komplannen’ voor historische binnensteden in Nederland geïntroduceerd (zie onder andere de plannen van Feuchtinger en Kuiper voor Utrecht), maar werd daar in tegenstelling tot in Meppel nooit volledig verwezenlijkt. Op een plankaart uit 1958 die zich in het gemeentelijk archief bevindt, genaamd ‘Plan in hoofdzaak Meppel’, werd het verkeersplan aangegeven. Hierop was de binnenring getekend als de route Eendrachtstraat – Grote Oever – Kleine Oever – Brouwersstraat – Kromme Elleboog – Marktstraat – Vledderstraat – Noteboomstraat. In het plan waren doorbraken vanaf de binnenring naar de omringende stadsdelen gedacht, bijvoorbeeld een koppeling van de Brouwersstraat naar de Oude Boazstraat, een koppeling van de Kromme Elleboog met de Catharinastraat, en een rigoureuze doorbraak vanaf de Soembastraat tot op de Wheem.

Historische Binnenstad HISTORISCHE BINNENSTAD

Voorlopig saneringsplan, opgesteld door Gemeentewerken, 1942 (uitsnede) <archief gemeente Meppel>

De plankaart van het Structuurplan Meppel uit de periode 1965 – 1969 ging hierin nog verder. Hierin was sprake van het dempen van alle grachten (Heerengracht/Keizersgracht en de Hoogeveense Vaart), waardoor ook deze stedelijke ruimten als verkeerswegen uitgevoerd konden worden. Ter plaatse van de Hoogeveense Vaart wilde men een verkeerstunnel realiseren die de Oosterboer direct onder de spoorbaan door met de Binnenstad moest gaan verbinden. Bij het opstellen van de voorlopige schets voor het structuurplan in 1971 werd op de doorbraak- en dempingsplannen voortgeborduurd. Uiteindelijk zijn de dempingsplannen niet verwezenlijkt in verband met hun buitensporigheid, toenemende protesten

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

109

GEBIED 1


Kaart 1948 110

Flexus AWC


Kaart saneringsplan 1964 Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

111

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


Kaart 1973 112

Flexus AWC


4

Het nieuwe structuurplan, gemaakt door bureau Vijn uit Oenkerk, werd in 1981 vastgesteld, en vond zijn concrete vertaling in het ´Beleidsplan Stadsvernieuwing´. In 1982 werd met de restauratie van de kademuren van de nog resterende grachten begonnen, mede gesubsidieerd door de provincie. Op dat moment was er al een alternatieve oplossing gerealiseerd voor de verbinding van de Oosterboer waar in 1978 de eerste woningen gereed kwamen met de Binnenstad. In 1976 was de ir. C.F. Bekinkbaan, een viaduct met een afrit aan het Oosteinde, aangelegd. Wat betreft de cityring en de sanering ging het proces

De verkeersbinnenring werd uiteindelijk toch afgemaakt. Het laatste tracé Marktstraat, Vledderstraat – Noteboomstraat – Eendrachtstraat was in 1987 gereed. Niet alle eerder gedachte koppelingen met de omringende woonbuurten werden echter gerealiseerd. Uiteindelijk niet gerealiseerd zijn de koppeling van de Brouwersstraat naar de Oude Boazstraat, de koppeling van de Kromme Elleboog met de Catharinastraat en de koppeling van de Wheem naar de Soembastraat (deze is meer bescheiden tot stand gekomen). In vervolg op deze ontwikkelingen in de jaren tachtig werden in de jaren negentig en de eerste tien jaar van de 21ste eeuw met name op Het Vledder plannen gemaakt voor herinrichting en nieuwbouw. In de Binnenstad zelf werden met name aan de Kromme Elleboog, de Grote Oever en de Eendrachtstraat/ Kruisstraat plannen gemaakt en soms gerealiseerd die qua bebouwingstypologie in het verlengde lagen van de eerder tijdens de jaren zestig tot en met tachtig gerealiseerde plannen.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Het vervolg van de saneringsoperatie gedurende de stadsvernieuwingsperiode In de Nota ‘Bouwen in de Binnenstad’ van oktober 1979, die opgesteld werd als onderlegger voor het nieuwe bestemmingsplan voor het Centrum klonk een nieuw geluid. Hierin werd gesteld dat de Binnenstad in een crisis verkeerde. De begrippen functieverlies, onleefbaarheid en ongezelligheid werden genoemd ter typering van de toenmalige Binnenstad, en het begrip ‘attractieve waarde’ werd geïntroduceerd. Dit laatste begrip vond volgens de nota zijn vertaling in de intimiteit van de bebouwing, aandacht voor het handhaven van het historisch gegroeide stratenpatroon en een verantwoorde aanpassing van nieuwe architectuur in de bestaande bebouwde omgeving. Er werd gesteld dat ‘pleinen vol blik’ van geparkeerde auto’s uit den boze waren. In vervolg op de nota werd door de burgemeester in 1980 gesteld dat ‘het behouden van de grachten het uitgangspunt is bij het binnenkort op te stellen structuurplan voor de Binnenstad’.

voort, ofschoon nu ingebed in uitgebreide inspraakprocedures. Een groot aantal stadsvernieuwingsprojecten werden in de periode vanaf het einde van de jaren zeventig tot in de jaren tachtig complexmatig gerealiseerd, waardoor het aantal appartementsgebouwen in de Binnenstad aanzienlijk toenam.

Bronnen <ter Heide, Roelof, Breken en Bouwen in Meppel 1945-1990, sanering en vernieuwing binnenstad , Meppel 1991 (uitgave door Krips Repro Meppel en Stichting Oud Meppel)> <dossier 686, 720, 767, 848, 849, 850, 889, archief gemeente Meppel> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

113

GEBIED 1

van de bevolking (o.a. in de actiegroep ‘Grachtwacht, opgericht in 1976’) en tegenwerking van Gedeputeerde Staten van Drenthe.


Kaart 1986 114

Flexus AWC


Kaart 2010 Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

115

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


Gebied 1 Historische binnenstad

Legenda

116

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Stedenbouw Stadspatroon en landschap De stadsplattegrond van de binnenstad van Meppel is in eerste instantie en ten gronde gevormd door de geomorfologische ondergrond en het onderliggende natuurlijke en door de mens gevormde landschap. Kennis hiervan is van belang bij het bepalen welk historisch stadstype het hier betreft. De waterstructuren in en om Meppel zijn sterk bepalend geweest voor de vorm van de stad. Meer informatie hierover is te vinden in het katern â&#x20AC;&#x2DC;Dynamische waterstructuurâ&#x20AC;&#x2122; in hoofdstuk 3 van deze Cultuurhistorische Verkenning. Transformaties/Aantastingen: De historische waterstructuur die mede vormend is geweest voor Meppel is in sterke mate gewijzigd, waardoor de relatie tussen stadsvorm en water in veel gevallen niet meer zichtbaar is. De accidentatie van de landschappelijke ondergrond is op veel plaatsen in verband met het uitvlakken van

Structuur van de binnenstadsplattegrond De historische binnenstad vormt een redelijk goed herkenbare afzonderlijke ruimtelijke eenheid binnen het stedelijk gebied van Meppel. De ruimtelijke structuur ervan wordt ook nog voor een deel bepaald door de op de kadastrale minuut van 1823 weergegeven plattegrond. De begrenzing hiervan is op de naastliggende kaart weergegeven met de gele lijn. Het stratenpatroon is zeker ten gevolge van de aanleg van de verkeersbinnenring en de saneringsoperatie uit de tweede helft van de 20ste eeuw sterk gewijzigd, maar is op de locaties waar het historisch stadsweefsel aanwezig is nog goed herkenbaar. Typerend voor de historische binnenstad is de dominantie van het stedenbouwkundig principe van het gesloten bouwblok in combinatie met de straat met gesloten gevelwanden als basis-ruimtetype. De toegangen tot de panden bevinden zich direct aan de openbare weg (hieronder wordt verstaan: straten, pleinen, stegen en grachten), de tuinen en erven zijn binnen het bouwblok gelegen en in de meeste gevallen vrijwel onzichtbaar vanaf de openbare weg.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Deze paragraaf licht in de deelparagrafen toe welke ruimtelijke elementen typerend zijn voor de historische binnenstad van Meppel. De beschreven historisch-ruimtelijke karakteristieken zijn gebaseerd op de bevindingen uit hoofdstuk 3 en de in vorige paragrafen beschreven ontwikkelingsgeschiedenis van de Binnenstad. De kaderteksten 5 en 6 waarnaar verwezen wordt in de navolgende teksten geven alleen de historischstedenbouwkundige en historisch-architectonische principes van de Binnenstad weer.

hoogteverschillen niet meer zichtbaar. Voor aanbevelingen: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Een uitzondering op de laatstgenoemde punten zijn de bouwblokken die onvoltooid zijn, vooral ter plaatse van de uitvalswegen aan de rand van de Binnenstad, bebouwingsstroken die oorspronkelijk met de achterkanten aan het water gelegen waren, en locaties waar ten gevolge van de aanleg van de verkeersbinnenring de historische bouwblokstructuur opengebroken is.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

117

GEBIED 1

Ten geleide

4


118

Flexus AWC


Kaart met primaire, secundaire en tertiaire lineaire structuren, getekend over het kadastrale minuutplan uit 1823 <FlexusAWC>

â&#x2014;&#x201E;

Dezelfde kaart, maar zonder onderlegger weergegeven. Een aanzienlijk deel van de hier weergegeven lineaire structuren is niet meer aanwezig <FlexusAWC>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

119

GEBIED 1

â&#x2014;&#x201E;

HISTORISCHE BINNENSTAD

4


120

Flexus AWC


4 Het stratenpatroon wordt gekenmerkt door een hiërarchie van openbare ruimten, die in primaire, secundaire en tertiaire straten kunnen worden onderverdeeld. Voor meer informatie, zie kadertekst 5: Gesloten bouwblokken en historische binnenterreinen, en kadertekst 6: Hiërarchie openbare ruimten. Stadsstructuur: twee verschillende werelden. De structuur van het overgebleven historisch stadsweefsel in de binnenstad van Meppel is nog steeds samenhangend en waardevol. De locaties waar sprake is geweest van stadssanering en aanleg van een verkeersbinnenring worden echter gekenmerkt door een andere ruimtelijke karakteristiek dan het historisch stadsweefsel. Hiermee zijn binnen de omtrek van de historische binnenstad van Meppel twee gebieden te onderscheiden: de locaties waar sprake is van het historisch stadsweefsel en de locaties waar sprake is van stadsweefsel uit de periode na de Tweede Wereldoorlog. In hun verkavelingsprincipe, hun vormgeving, en voor wat betreft de organisatie van de openbare, semi-openbare en privéruimtes zijn beide gebieden sterk van elkaar afwijkend. Het historisch stadsweefsel voldoet aan de onder kadertekst 5 beschreven principes van ‘gesloten bouwblokken en historische binnenterreinen’. Hier is ook sprake van de onder kadertekst 6 beschreven ‘hiërarchie van openbare ruimten’, die in primaire, secundaire en tertiaire straten kunnen worden onderverdeeld. Van al deze principes is in de saneringsgebieden, die een aanzienlijk oppervlak van het binnenstadsgebied bestrijken, feitelijk geen sprake meer.

Transformaties/Aantastingen: In vergelijking met veel andere historische steden uit dezelfde ontstaansperiode is de binnenstad van Meppel klein en neemt het historisch hart ook ten opzichte van het totaal van de oppervlakte van de gemeente een bescheiden plaats in. De geringe oppervlakte van het historisch centrum, in combinatie met de grote omvang van de reeds bestaande moderne, van het historische stadsweefsel afwijkende gebieden en projecten, maakt de Binnenstad als historisch ensemble bijzonder kwetsbaar. Bij voortgaande modernisering van stadsstructuur en stadsbeeld komen de samenhang en de historiciteit van de Binnenstad ernstig in gevaar. Hierbij worden de historische karakteristieken op meerdere plaatsen overvleugeld door moderne stedenbouwkundige en architectonische verkavelings- en organisatieprincipes of zijn zelfs in het geheel niet meer herkenbaar. Wij benoemen hieronder de meest voorkomende problemen. Openbreken van het gesloten bouwblok. Tijdens de naoorlogse sanering van de Meppeler binnenstad zijn vele, zo niet de meeste historische bouwblokken geheel of gedeeltelijk afgebroken, aan één of meerdere zijden opengebroken, opengelegd voor openbaar gebruik (bijvoorbeeld parkeren) of volledig vervangen voor nieuwe bebouwing. Hierdoor zijn openbare binnengebieden ontstaan die oneigenlijk zijn voor het historisch stadsweefsel en wordt het verschil tussen voor- en achterkant van de bebouwing sterk gereduceerd. Een voorbeeld van zo’n gebied is de Kromme Elleboog en omgeving.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Luchtfoto, vermoedelijk uit 1926. Goed zichtbaar is de toepassing van de gesloten bouwblokstructuur; in het midden van de foto het gedempte trace van de Wetering ter plaatse van het nieuw gevormde Prinsenplein en van de Groenmarkt met de hierlangs liggende bebouwingsstrook. De bebouwing van de Grote Oeverstraat, Grote Akkerstraat, Hagenstraat en Hagendwarsstraat en de Maatkade is nog aanwezig; ook is het binnenterrein ter plaatse van de Kromme Elleboog nog niet opengebroken <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

‘Oplossen’ van de bebouwingsstroken. Er waren in Meppel meerdere historische bebouwingsstroken aanwezig. De achterzijde van dergelijke bebouwingsstroken hadden dezelfde ruimtelijke

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

121

GEBIED 1


122

Flexus AWC


4 karakteristieken als de achterzijde van de bebouwing in historische gesloten bouwblokken en waren zonder uitzondering oorspronkelijk met de achterzijde aan een waterstructuur gelegen. De kenmerkende achterkantsituaties aan waterstructuren zijn overal verdwenen ten gevolge van de dempingen die vanaf de jaren 20 van de 20ste eeuw plaatsgevonden hebben. Bijna al de bebouwingsstroken (langs Olde Aa, Wetering/Hoofdgracht en in de Woldstraat) zijn als gevolg van de saneringsoperaties uit de naoorlogse periode niet meer aanwezig. Hiermee is een karakteristiek cultuurhistorisch element uit de binnenstad van Meppel verdwenen. Nog slechts aan de Prinsenstraat, aan de huidige Kleine Akkerstraat, aan de Grote Akkerstraat en tussen Kerkplein en Weteringstraat resteren historische bebouwingsstroken. Voor meer informatie over bebouwingsstroken, zie kadertekst 5: Gesloten bouwblokken en historische binnenterreinen ‘Opheffen’ van de hiërarchie in de ruimtelijke structuur. De primaire en secundaire structuur is in Meppel nog grotendeels intact wat betreft structuur en bebouwingsbeeld. De bebouwing ter plaatse van de verkeersbinnenring en saneringsgebieden sluit echter niet of nauwelijks aan bij de bebouwingsprincipes die gelden ter plaatse van deze structuren. Hiernaast functioneert de primaire en secundaire structuur niet overal meer even goed in de zin van concentratie van kleinschalige bedrijvigheid en detailhandel of centrumfuncties. Hierbij valt vooral de invloed van de aanwijzing van een groot deel van het centrum als voetgangersgebied op, waardoor met name op deze locaties van een sterkere monofunctionaliteit (winkels) sprake is, in combinatie met grootschalige winkeloppervlakken. De tertiaire structuur is niet of nauwelijks meer in

Meppel aanwezig. Slechts op een enkele locatie bevindt zich nog een steeg. Veel van de stegen, en alle sloppen en historische woningen aan sloppen zijn in Meppel verdwenen als gevolg van de naoorlogse stadssanering. Hierdoor is deze vorm van wonen in de huidige tijd niet meer zichtbaar en beleefbaar. Ten gevolge van het wegvallen van de hiërarchische ruimtelijke en functionele variëteit wordt de leesbaarheid van de stad sterk verminderd, en ontstaat een vervlakking in ruimtelijke beleving. ‘Verwinkeling’ van de binnenkant van bouwblokken. Vooral tijdens de naoorlogse jaren zijn onder invloed van de ‘verwinkeling’ van de hoofdroutes binnenterreinen volgebouwd met een plat afgedekte, vaak grootschalige bebouwing (aanbouwen en bijgebouwen). Hierdoor is de groene invulling verdwenen en zijn de vaak monumentale achtergevels in veel gevallen deels aan het oog onttrokken, worden de specifieke cultuurhistorische karakteristieken van de binnenkant van bouwblokken, de resultante van eeuwenlang specifiek gebruik, vernietigd en worden de vormverschillen tussen de buitenkant en de binnenkant van de bouwblokken extremer en onhistorisch. Een voorbeeld hiervan is de achterbebouwing van de bouwblokken tussen Grote Kerkstraat en Vledderstraat en tussen Hoofdstraat en Touwstraat.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Een weergave op hoofdlijnen van de verkeersstructuur in de binnenstad en de Centrumschil. Duidelijk zichtbaar is de van de historische primaire, secundaire en tertiaire structuur afwijkende hierarchie die geintroduceerd is door de introductie van de auto en het autovrije voetgangersgebied in de binnenstad. <FlexusAWC>

Voor aanbevelingen: zie bijlage 2. Bronnen: <Cultuurhistorische inventarisatie en waardestelling historische binnenstad Kampen’, Flexus AWC, Rotterdam 2011> <Het systeem van de Nederlandse historische stad’. Promotieonderzoek TU Delft, vakgroep Urbanism. Marcel van Winsen & Hugo van Velzen. Lopend onderzoek>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

123

GEBIED 1


124

Flexus AWC


4 Openbare Ruimte Straten Het netwerk van straten en pleinen bepaalt grotendeels de identiteit van de historische binnenstad. Kenmerkend zijn het gedifferentieerd maar tegelijkertijd samenhangend bebouwingsbeeld en de wisselende, maar in zijn algemeenheid toch smalle straatprofielen, die (deels) hun eigenschappen ontlenen aan de plek die zij innemen in de hiërarchie van de primaire, secundaire en tertiaire structuur. Zie kadertekst 6, hiërarchie openbare ruimten voor meer informatie.

openbare ruimten verschillen van elkaar. Alle typen straten en pleinen kennen een snelle opeenvolging van smalle individuele, aaneengeschakelde panden, voornamelijk in de vorm van diephuizen, een enkele keer in de vorm van een langshuis (beiden zijn varianten van elkaar, zie voor meer informatie over bebouwingstypologieën onder de paragraaf ‘Bebouwing’). De breedte van percelen verschilt van elkaar, maar tussen woonhuizen niet meer dan een factor 2. Zowel aan de primaire als aan de secundaire structuur overheersen smalle kavels en bebouwing tussen de 5,50 en 7,00 meter.

De verscheidenheid in typen straten en openbare ruimten is groot: de meeste in Nederland voorkomende basistypen van historische openbare ruimtetypen komen in de historische binnenstad van Meppel voor: straten, pleinen en grachten (en in zeer beperkte mate nog een enkele steeg). De straten zijn op onderdelen gedifferentieerd: straten zijn soms kort, lang, breder, smaller, recht en krom, rooilijnen kunnen recht zijn, maar ook in- en uitzwenkend. Pleinen zijn er in meerdere varianten. Deze verscheidenheid levert hier een zeer boeiend ruimtelijk patroon op, maar toch vooral ook omdat de verschillende ruimtetypen op onderdelen van elkaar verschillen, maar zeer sterk aan elkaar verwant zijn en geruisloos in elkaar overlopen: ‘eenheid in verscheidenheid’ op stedenbouwkundig niveau.

Ontsluitingsprincipe van de panden Alle historische panden kennen uitsluitend een individuele en directe ontsluiting vanaf de straat, zonder dat daar andere gemeenschappelijke ontsluitingen op volgen zoals (voor)hoven, galerijen, portieken of corridors (hofjes zijn hierop een uitzondering, maar deze kwamen in Meppel niet voor). De panden grenzen ook alle direct aan de straat, plein, steeg of gracht, waarbij alleen privéstoepen een overgangszone vormden. Daar waar deze verdwenen zijn is daar geen overgangselement voor in de plaats gekomen. Overgangselementen als arcaden, portieken of galerijen aan de straat komen in Meppel van oudsher niet voor. Het overgangselement van de ondiepe voortuin aan de straat is een 19de eeuwse stijlfiguur, die vaak aan de primaire structuur, aan de buitenste randen van de Binnenstad voorkomt, bijvoorbeeld aan het Zuideinde en in de Woldstraat.

De organisatie van de bouwblokken, van de percelen, van de rooilijnen, van de individuele gebouwen, alsmede de ontsluitingstypen van gebouwen zijn voor al deze verschillende typen openbare ruimten aan elkaar gelijk. Slechts de profielen en de vorm van de

Transformaties/Aantastingen: Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw zijn verstoringen opgetreden in het totaalbeeld van het preindustriële gedeelte van de Binnenstad. Vooral gelijk op en in vervolg op de saneringsope-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

Grote Kerkstraat - hoek Wheem, foto genomen tussen 1900 en 1906. Deze foto is onder meer opgenomen in ‘Souvenir de Meppel’, door A. Huisman uitgegeven kort na de opening van zijn boekhandel in 1904 en waarschijnlijk het oudste fotoboek over Meppel <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

125

GEBIED 1


ratie is op enkele locaties de continue opeenvolging van in hoofdzaak smalle en individuele panden teniet gedaan en zijn grootschalige gebouwen gerealiseerd die zich qua maatvoering moeizaam verhouden tot de historische maatvoeringen. Hiernaast is ook het historische principe dat woningen uitsluitend een individuele en directe ontsluiting vanaf de straat kennen, zonder dat daar andere gemeenschappelijke ontsluitingen op volgen bij de nieuwbouwpanden uit de periode na 1945 vaak niet meer aanwezig. Gemeenschappelijke ontsluitingen van de tweede of derde orde (portieken, galerijen, ontsluitingshoven) van appartementcomplexen zijn sinds de jaren â&#x20AC;&#x2122;70 de norm geworden voor nieuwbouwen in de binnenstad van Meppel. Ten gevolge van het opheffen van de individuele en directe ontsluitingen wordt de relatie tussen de woningen en de openbare ruimte te abstract. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het pand hoek Groenmarkt - Prinsenplein waar zich geen voordeuren van woningen aan de straat meer bevinden. Ook in de nieuwere projecten gaat dit voor de historische binnenstad wezensvreemde proces voort. Voor aanbevelingen straten en ontsluitingsprincipe van panden: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Pleinen Meppel is zeker vanaf de 15de eeuw een belangrijke marktplaats voor de regio geweest. In de plattegrond/structuur van de stad uit zich dit in de aanwezigheid van een reeks marktpleinen. De regionale en bovenregionale marktfunctie stimuleerde de groei van de stad en is door de eeuwen heen van betekenis 126

Flexus AWC

gebleven voor de stedelijke economie. Met uitzondering van de pleinen hebben deze functies niet tot veranderingen in de gebouwde ruimtelijke structuur van de stad geleid. Wel werd de bereikbaarheid van de marktpleinen door het uitgraven van de waterlopen steeds verbeterd. De pleinen boden van oudsher ruimte aan bijzondere activiteiten in de stad zoals (jaar)markten en evenementen. Deze open plekken namen en nemen binnen de stedelijke structuur dan ook een bijzondere plaats in. De grondvorm van de pleinen in Meppel is in hoofdopzet aan minstens drie zijden gesloten en regelmatig, maar bij nadere bestudering zijn er ook onregelmatigheden te onderkennen. De verschillende pleinwanden beschrijven ten opzichte van elkaar onregelmatige hoeken, en de rooilijnen zwenken doorgaans licht naar binnen of buiten, zoals gebruikelijk bij de rooilijnen in de Meppeler binnenstad. In zijn algemeenheid zijn de pleinwanden regelmatig bebouwd zonder al te grote hoogteverschillen of schaalsprongen. De primaire toegangsstraten tot de pleinen bevinden zich vaak in de hoeken en niet midden in de wand, waardoor de grondvorm van de ruimtes zich sterker manifesteert en vanaf het plein niet direct naar buiten kan worden gekeken. Daardoor zijn zij vrij besloten. Door de marktfuncties bevonden zich op de pleinen vanouds geen obstakels. In Meppel zijn verschillende typen pleinen te vinden: een kerkplein, kadepleinen, een dempingsplein en een sloopplein. Zie kadertekst 7 voor een beschrijving van de verschillende pleinen die in Meppel aanwezig zijn. Voor aanbevelingen pleinen: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2.


4

Transformaties/Aantastingen: De privéstoep is nu uit het Meppeler straatbeeld verdwenen. Op dit moment is nog slechts sporadisch een stoep te vinden. De stoepen hebben in de brede straten eerst geleidelijk aan plaats gemaakt voor de 19de en 20ste eeuwse trottoirs, die een duidelijk en herkenbaar voetgangersgebied en verkeersrijbaan markeerden. Met de herinrichting van de openbare ruimte in het latere winkelgebied is de stadsvloer geëgaliseerd en is de herinnering aan de historische stoepenzone verder uitgewist. Waar nog historische stoepen aanwezig zijn, dienen deze aangemerkt te worden als waardevol cultuurhistorisch erfgoed. Voor aanbevelingen met betrekking tot stoepen: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Straatinrichting en stadsvloer De oudste geschiedenis van de straatinrichting in Meppel is vrij ongewis. Hoewel in de literatuur niet veel te vinden is over straatinrichting en inrichtingsplannen gedurende de 19de en 20ste eeuw, zal deze

De historische bestrating in Meppel is voor wat betreft het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw wel uit foto’s te herleiden. Deze bestond uit veldkeien voor het middendeel van de straat, aan beide zijden geflankeerd met een wandelstrook bestaande uit klinkers of afgevlakte natuursteen/veldkeien. Hiernaast bevonden zich de hoger gelegen privéstoepen die veelal met klinkers, maar in de chiquere gevallen met natuursteen bekleed waren. Het onderscheid tussen middenstraat en wandelstroken was vaak aangegeven met banden uit afgevlakte natuursteenkeien. Zowel de kleuren als de textuur van de klinkers en keien waren sterk verwant aan de materialen, kleuren en textuur van de aanpalende gevels en stoepen. Met name de toepassing van de grijze natuursteen keien resulteerde in een neutrale, maar als gevolg van het meer glimmende karakter en de geringe onregelmatigheid van de keien ook levendige aanblik.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Ook in Meppel kwamen privéstoepen in grote hoeveelheden voor, vooral langs de belangrijkste straten met de breedste profielen, bijvoorbeeld de Hoofdstraat/ Katteneinde, de Wildemanssteeg (de latere Woldstraat) en de Kruisweg, zoals historische foto’s en ook de kadastrale minuut van 1823 laten zien. In de smalste straten en stegen kwamen zij niet voor, omdat daar geen ruimte voor was. Stoepen hebben tot in de 20ste eeuw nog deel uitgemaakt van de openbare ruimte van de bredere straten.

niet wezenlijk anders zijn geweest dan in de andere historische steden in Nederland. Historische foto’s van verschillende locaties in de Meppeler binnenstad (zeker die van vóór en tijdens het Interbellum) laten ook hier een met gestandaardiseerde middelen sterk vormgegeven en gedecoreerde openbare ruimte zien, die eveneens opvalt door het rustige en ‘lege’ totaalbeeld, als gevolg van de geringe hoeveelheid inrichtingselementen (borden, palen, verkeerselementen etc. ontbreken nagenoeg geheel).

Transformaties/Aantastingen: Het beeld van de openbare ruimte is door de veranderde gebruikseisen gedurende de laatste eeuw sterk gewijzigd en vaak dichtgeslibt met allerhande inrichtingselementen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

127

GEBIED 1

Stoepen


128

Flexus AWC


4 ◄

Hoofdstraat, 1930, rechts het oude gemeentehuis <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Foto van rijwielhandel F. van Werven, Hoofdstraat, 1900. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het oude gemeentehuis in de Hoofdstraat, 2012

De Binnenstad kent in de huidige situatie slechts op een enkele locatie asfaltbestrating, een belangrijk gegeven in relatie tot het behoud en de versterking van de historische karakteristieken van de Binnenstad. Daarentegen is de keienbestrating nu overal uit het stadsbeeld verdwenen. De huidige stadsvloer is in het kernwinkelgebied niettemin qua indeling enigszins geënt op de historische. Hier is sprake van een doorsnedeprofiel in drieën, met een middenbaan bestaande uit klinkers, maar soms ook uit betonsteen, een goot van natuursteenbanden/betonbanden/klinkerbanden aan weerszijden daarvan, met daarnaast voetpaden van klinkers, halfsteens gelegd. De privéstoepen zijn bijna overal verdwenen. In de bestrating ontbreekt ook een verwijzing naar deze oorspronkelijke stoepenzone. Dit resulteert in een ongelukkige aansluiting van de bestrating op de historische panden, zoals bijvoorbeeld pijnlijk zichtbaar wordt bij bijvoorbeeld het oude stadhuisje aan de Hoofdstraat, waar de natuurstenen trap direct aansluit op de stadsvloer.

relatie heeft met de historische situatie door een detaillering met betontegels en –stenen en de toepassing van ruime trottoirs. Voor aanbevelingen straatinrichting en stadsvloer: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Hoofdstraat, gefotografeerd richting Kerkhofsbrug, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De kleur en de textuur van de klinkers (rood respectievelijk lichtgrijs) in het kernwinkelgebied heeft visuele verwantschap met die van de bakstenen gevels. Hierdoor ontbreekt het effect dat de panden gaan ‘zweven’ boven een autonome ontworpen stadsvloer, zoals soms voorkomt in kernwinkelgebieden in andere gemeenten. De kleur van de middenbaaninvulling is echter tamelijk flets en van eenzelfde uitstraling als de naastliggende voetpaden, waardoor het historische verschil tussen de middenbaan en de voetpaden niet meer uitgesproken aanwezig is. Buiten het kernwinkelgebied, en zeker langs de verkeersbinnenring is sprake van een stadsvloer die voornamelijk verkeerskundig ingericht is, en geen Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

129

GEBIED 1

◄◄


130

Flexus AWC


4 Water De ruime aanwezigheid van water heeft Meppel als ‘Poort van Drenthe’ welvarend gemaakt. In het preindustriële tijdperk was vervoer van goederen over water immers de meest eenvoudige wijze van transport, zeker wanneer het grote hoeveelheden betrof. Het in goede banen leiden van in oorsprong natuurlijke waterwegen en het uitbreiden van de waterstructuur met gegraven watergangen ten behoeve van de scheepvaart vormde dan ook – gekoppeld aan waterbeheersing – inzet van menselijke inspanning. Aan de waterstructuur in en rondom Meppel is – ten gevolge van verschillende factoren- veel gewijzigd. Zie voor een nadere beschrijving op structuurniveau hoofdstuk 3, kadertekst 2 ‘De dynamische waterstructuur in en om Meppel’. Water presenteerde zich kort voor 1850 op vier verschillende wijzen in de stadsplattegrond van Meppel: - Rivieroevers (zonder kades, met kades eenzijdig) - Grachten (zonder kades, met kades eenzijdig of met kades tweezijdig) - Waterinhammen/Havens - Afwateringssloten Juist door de bijzondere en zeer gevarieerde wijze waarop het water was opgenomen in het stadsweefsel, kende Meppel een voor het oosten van het land zeer boeiend stedelijk waterlandschap, wat in combinatie met de straten en stegen een stadsbeeld van grote schoonheid en ruimtelijke contrasten opleverde. Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen: Een groot deel van de wateren in Meppel zijn vanaf het eind van de 19de eeuw, maar vooral na de

Tweede Wereldoorlog gedempt en getransformeerd naar verkeersontsluitingsweg of nieuwe bebouwingsstrook. Als we voor het moment afzien van de discussie van nut en noodzaak van deze dempingen, moet niettemin worden geconstateerd dat dit vanuit cultuurhistorisch oogpunt gezien een zware aanslag op de historische binnenstad van Meppel is geweest, omdat op deze wijze waardevol historisch erfgoed – waar immers ook de wateren toe behoren – is verdwenen. Dit is nog betreurenswaardiger omdat hiermee de historische grondslag van Meppel, die bij uitstek het water was, voor een aanzienlijk deel onzichtbaar is gemaakt. De stadsstructuur van de binnenstad van Meppel is hierdoor voor een groot deel kunstmatig en ook onlogisch geworden. Dit is een gegeven dat ook bezoekers die niet op de hoogte zijn van de geschiedenis van de stad, niet zal ontgaan, maar dat tegelijkertijd zeer moeilijk kan worden gerepareerd. De aanslag op het historische stadsbeeld is zo mogelijk nog ernstiger geweest.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Kerkhofsdiep, 1895. Rechts de kerkhofsbrug, links het schip van de Grote Kerk <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Zie kadertekst 8 voor een beschrijving van de verschillende waterstructuren die in Meppel aanwezig waren en soms nog aanwezig/afleesbaar zijn in de binnenstadsstructuur. Voor aanbevelingen waterstructuren: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Watergerelateerde openbare ruimte-elementen Binnen de openbare ruimte nemen bruggen, kademuren, waterlopen en het groen een bijzondere plaats in in de ruimtelijke structuur van de Binnenstad. Deze vereisen dan ook aandacht.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

131

GEBIED 1


132

Flexus AWC


4

Emmabrug, ook wel bekend staand als de Tipbrug, 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Sluisbrug en Meppelersluis, 1935 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Kademuren Het ontstaan van Meppel hangt sterk samen met de aanwezigheid van waterlopen. Afgezien van de sloten waarop geen scheepvaartverkeer plaatvond, maakte het water hier altijd deel uit van de openbare ruimte. De waterlopen zijn op veel plaatsen gedempt, maar waar nog aanwezig nemen het water, de kades en het hierlangs geplaatste groen een belangrijke plaats in in de ruimtelijke structuur van de Binnenstad. Van betekenis is de relatie tussen de breedte van het water de gemetselde kademuren en de hoofdindeling van de kades in een strook direct langs het water, waarin bomen zijn geplaatst, alsmede een trottoir met stoepenzone direct langs de bebouwing. Transformaties/Aantastingen: De kades van de na de sanering resterende watergangen in de binnenstad van Meppel zijn in de periode van de jaren ‘80 van de 20ste eeuw vernieuwd, waarbij ook aanpassingen aan de kades plaatsgevonden hebben. Deze herinrichting heeft een positieve bijdrage geleverd aan de binnenstadsbeleving en de beleving van het water hierin. Bruggen De oudste vermelding van een brug in de stad Meppel dateert van 1414. Dit was een houten brug over de Wetering, nabij de kerk van Meppel. In 1496 wordt gesproken over een stenen brug alhier, wat voor die tijd bijzonder is. Later heette deze brug de Kerkhofsbrug. Een tweede middeleeuwse brug lag over het Oude Diep op de weg richting de Zomerdijk. Andere oude bruggen lagen er over de Reest (bij Hesselingen, reeds vóór 1517) en over de Wold Aa bij Tweelo (16de eeuw). Een typerend kenmerk van bruggen, zeker van hou-

ten exemplaren, is dat ze niet eeuwenlang meegaan, maar telkens weer vernieuwd of vervangen worden. Bruggen van ouder dan circa 90 jaar zijn dan ook niet meer te vinden in de gemeente. De oudste brug die in Meppel nog aanwezig is, is de Zuiderbrug, gebouwd in 1913. Twee andere ijzeren ophaalbruggen nabij het centrum van Meppel zijn de Sluisbrug en de in 2003 volledig gerestaureerde Emmabrug (ook wel Tipbrug genoemd). Beide zijn van hetzelfde type en dateren van circa 1929. Nu is het een rijksmonument, evenals de Zuiderbrug. In de Binnenstad zijn de bruggen traditioneel van vormgeving. Velen hiervan zijn van monumentale waarde zoals de Sluisbrug, de Zuiderbrug (beiden rijksmonument) en de Emmabrug (Tipbrug) (provinciaal monument). In de Binnenstad zijn de bruggen binnen de openbare ruimte een kenmerkend onderdeel van de stedelijke infrastructuur. Zij geven door hun vormgeving, maat en schaal cachet aan de openbare ruimte. Een zorgvuldige omgang met dit cultuurhistorisch erfgoed is vereist.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Zuideinde met Zuiderbrug, 1915 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Sluis De Meppeler Sluis, ten westen van de historische binnenstad gelegen, heeft een lange geschiedenis. Het waterstaatkundig kunstwerk werd aangelegd in 1634 ten behoeve van het turfvervoer uit de venen rond Hoogeveen. De sluis verving een stuitschut in de Wetering, waar de schepen niet doorkonden en de turf moest worden overgeladen. De sluis is in de 19de eeuw verbreed en in 1930 nogmaals vernieuwd. In de jaren 1980-1990 is bij de grootscheepse aanpak van de Hoogeveensevaart ook de sluis en haar omgeving opgeknapt. Dit heeft een positieve bijdrage geleverd aan de beleving van dit cultuurhistorisch belangrijke element.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

133

GEBIED 1

◄◄


134

Flexus AWC


4 Bebouwing en architectuur

gen en sloppen in geschakelde vorm zijn gebouwd, als rijenwoningen. Doorgaans waren dit woningen voor minder bedeelden.

Bebouwing: basistypologie Het bebouwingsbeeld in de historische Meppeler binnenstad is zeer afwisselend, maar heeft zich grotendeels ontwikkeld binnen de oorspronkelijke bebouwingsschaal, waarbij voor de historische bebouwing (grofweg vóór de jaren ’30 van de 20ste eeuw) kan worden aangemerkt dat alle bebouwing meerdere basisprincipes wat betreft typologie, ontsluitingstype, volumeopbouw, gevelcompositie, gemeen heeft. Een fenomeen dat de Meppeler binnenstad gemeen heeft met de andere historische binnensteden in Nederland. De historische waarde van de bebouwing is groot, wat onder andere blijkt uit het grote aantal beschermde monumenten. Een monumentenlijst van de in de Binnenstad aanwezige panden is als bijlage bijgevoegd. Diep- en langshuizen De Binnenstad is vanaf haar ontstaan in de Middeleeuwen tot zeker begin 20ste eeuw opgebouwd geweest uit kleine bouweenheden, dat wil zeggen individuele woonhuizen of bedrijfspanden, elk gebouwd voor één of hooguit enkele huishoudens of bedrijfjes. Deze individuele, maar wel direct aan elkaar geschakelde panden hadden elk een eigen ontsluiting aan een straat, plein, gracht of steeg en bestonden hoofdzakelijk uit diephuizen (korte zijde langs de straat, en nok haaks op de straat) en langshuizen (brede zijde aan de straat, en nok evenwijdig aan de straat). Ook kwamen panden voor waarvan de kavels zo ondiep waren dat de panden niet méér in de breedte dan in de diepte waren ontwikkeld. Deze panden met een min of meer vierkant grondplan hadden vaak een kap evenwijdig aan de straat en konden in de armere ste-

Het portaalhuis Het woonhuis – en daarmee de overgrote bulk van de bebouwing – is vanaf de Middeleeuwen tot aan het begin van de 20ste eeuw overheerst geweest door het basistype van het zgn. ‘portaalhuis’. Dit basistype is inheems in grote delen van West-Europa, en heeft in Nederland tot in de 20ste eeuw in vele varianten de ontwikkeling van de historische stad bepaald. Kenmerkend voor een portaalhuis is de enkelvoudige, langgerekte vorm, die in oorsprong is ontstaan door het achter elkaar plaatsen van een reeks gebinten of ‘portalen’, de basis-houtconstructie, Deze portalen zijn in de loop der eeuwen verdwenen, maar de hoofdvorm van het huis is daarentegen tot in de 20ste eeuw onveranderd gebleven met enkele variaties in verband met specifieke functies, zoals bijvoorbeeld in Meppel de agrarische, waarvan de nog resterende stadsboerderijen in de Binnenstad van getuigen (zie o.a. Bleekerseiland 15 en Woldstraat 69). Het enkelvoudige diephuis en het langshuis zijn de beste voorbeelden van portaalhuizen, waarvan vooral de eerste de bulk van de bebouwing in Meppel uitmaakt. Kenmerkend voor het portaalhuis is dat het plastisch geheel gesloten is (geen atria, balkonnen etc.), geheel en direct wordt ontsloten vanaf de straat zonder aanvullende interne gemeenschappelijke ontsluitingsstructuren, en is afgedekt met een steile kap. In de 19de en begin 20ste eeuw verschijnen er varianten op de oorspronkelijke zadel- en schilddaken, maar deze laten verder het basistype van het portaalhuis ongemoeid.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

De Wheem, gefotografeerd richting Grote Kerkstraat, 1915 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

135

GEBIED 1


De aanbouwen, bijgebouwen en uitbouwen die aan de achterkant aan de hoofdvolumes werden opgetrokken, hebben gedurende de gehele geschiedenis van de historische stad tot aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw een zeer grote vormverwantschap gehad met de hoofdgebouwen. Ook deze waren in veel gevallen van het type portaalhuis. Aan- en uitbouwen met lessenaarsdaken waren daadwerkelijk een ander type, maar sloten niettemin vanzelfsprekend aan op de vormtaal van het hoofdvolume. Eenheid in verscheidenheid De lange traditie en de trage ontwikkeling van het portaalhuis, alsmede de belangrijke verweving van dit type met vele typen bijzondere bebouwing (zie hierna) ligt er mede aan ten grondslag dat ook de architectuur vanaf de Middeleeuwen tot laat in de 19de eeuw slechts geleidelijk is geëvolueerd. Dat betekent dat de historische binnenstad voor het allergrootste gedeelte bestaat uit woon-winkel-bedrijfsbebouwing, waarin de architectuur slechts op onderdelen van elkaar verschilt. Dit resulteert in het zo typerende principe van ‘eenheid in verscheidenheid’. Dit wellicht voor de historische binnenstad meest essentiële ruimtelijke principe is een welbekend begrip dat feitelijk het historische type van ‘diversiteit’ aanduidt. Zie voor een nadere uitleg kadertekst 10. Binnen het type van de ‘historische diversiteit’ delen gebouwen uit vrijwel alle tijdvakken tussen het eind van de Middeleeuwen tot de 20ste eeuw (en in veel gevallen zelfs van vóór de tweede helft van de 20ste eeuw) zeer veel gemeenschappelijke basisprincipes, die de straatwanden en de stad als geheel een opvallende samenhang geven. Zo hebben alle gebouwen van vóór de tweede helft van de 20ste eeuw, in welke stijl zij ook zijn ontworpen, een expliciete gevelbe136

Flexus AWC

ëindiging, een zeer open voorgevel (veel geopend geveloppervlak in relatie tot muurwerk), gevelopeningen die behalve een open karakter, ook deels gesloten zijn als gevolg van de toepassing van kozijnén raamhout, een verfijnd reliëf in meerdere lagen, een opvallende verschaling van gevelelementen van het grootste schaalniveau (dakrand) tot het kleinste (op ‘duimniveau’), een hiërarchisch onderscheid tussen voor-, zij- en achtergevels, een specifieke hiërarchische (vaak op symmetrische compositie gerichte) opbouw binnen de grotendeels verticaal gelede gevels. etc. etc. Winkelpanden Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw zijn een aanzienlijk aantal winkelruimten toegevoegd aan de binnenstad van Meppel. Hiervoor werden woonpanden omgebouwd tot een pand met een winkel op de begane grond, maar werden ook nieuwe panden toegevoegd met winkels op de begane grond met hierboven woningen. De hoofdvorm, de ontsluitingstypologie en architectuurtaal van deze panden en winkelpuien bleven nog wél sterk aansluiten bij de historische vormen en typologieën. Kappen en expliciete gevelbeëindigingen werden bijvoorbeeld zonder uitzondering toegepast, en de winkelpuien waren vormgegeven volgens de principes zoals omschreven in kadertekst 9. In Meppel zijn meerdere voorbeelden van fraaie winkelpuien en panden uit deze periode te vinden, zoals bijvoorbeeld het pand op de hoek van de Hoofdstraat en Groenmarktstraat en het pand op de hoek van het Kerkplein en Kleine Akkerstraat. Transformaties en aantastingen: Bulk In de landen om ons heen is globaal vanaf de 17de eeuw, maar vooral vanaf de 18de eeuw het gestapelde appartementencomplex ontwikkeld om de groei-


4 In Meppel vond pas vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw een schaalvergroting plaats van de winkelpanden, zoals de Hema aan de Hoofdstraat (hiervoor werden toen de panden Hoofdstraat 33 en 35 samengevoegd), of het pand Hoofdstraat 72. Deze panden staan verder af van de historische typologieën dan de winkelpanden uit het einde van de 19de eeuw. Ook de architectuurtaal van (winkel)panden ging na de oorlog sterk afwijken van wat er in alle tijdvakken daarvoor in de hoofdstraten was neergezet. Waren winkelpanden in alle tijdvakken voor het tweede helft van de 20ste eeuw (op een enkel vroeg20ste eeuws modern winkelpand na) tevens woonhuis en zagen zij er ook precies uit als woonhuizen, vooral vanaf de jaren ’60 werden winkelpanden in zijn gehéél als winkel ontworpen, met glas en kunststof vanaf het maaiveld tot het dak, zoals bijvoorbeeld het pand Hoofdstraat 19-21. Ook de winkelpuien in het kernwinkelgebied hebben vooral vanaf de Tweede Wereldoorlog volledig gebroken met de historische traditie van winkelpuien (zie kadertekst 9). Hierdoor is op begane grondniveau het architectonisch beeld sterk verarmd. Dit alles draagt in aanzienlijke mate bij aan het fenomeen van het ‘verwinkelen’ van de belangrijkste historische assen van Meppel, dat wil zeggen dat de winkelfunctie hier het historische beeld op meerdere niveaus, alsmede de historische mix van functies verdringt.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

Ook op andere aspecten is bij deze en andere nieuwbouwen vaak sprake van afwijking van de oorspronkelijke historische bebouwingsprincipes. Zo ontbreekt vaak een expliciete gevelbeëindiging, zijn de voorgevels vaak relatief gesloten, zijn de gevelopeningen alléén maar open (niet meer deels gesloten als gevolg van de toepassing van kozijn- én raamhout), ontbreekt er zeer vaak een meerlagig verfijnd reliëf in de gevel, net als gevelelementen op meerdere schaalniveaus, is er geen hiërarchisch onderscheid meer tussen voor-, zij- en achtergevels etc.

Er zijn vele projecten te benoemen waarin bovenstaande van het historische principe afwijkende vormgeving en organisatie zich voordoet. Het project Keyserstroom op de hoek van de Eendrachtstraat – Noteboomstraat is hiervan o.a. een sprekend voorbeeld.

137

GEBIED 1

ende stadsbevolking te kunnen huisvesten, maar dat is in Nederland pas vanaf het begin van de 20ste eeuw gebeurd, en in historische binnensteden eigenlijk pas goed vanaf de jaren ’70 van de 20ste eeuw op grote schaal toegepast. Deze ‘verappartementering’ is in feite wezensvreemd aan de Nederlandse historische binnenstad en heeft behalve de introductie van weinig passende typologieën, ook een schaalbreuk betekend met de omgeving alsmede een breuk met de traditie van een meer geleidelijk evoluerende architectuur. De visuele en ruimtelijke samenhang van de historische steden hebben daar sterk onder geleden. In de binnenstad van Meppel liet de introductie van de typologie van appartementenblokken op zich wachten tot de jaren ‘70 en ‘80 van de 20ste eeuw. Deze appartementenblokken wijken zonder uitzondering op vele punten af van de bebouwingstypologieën uit alle voorgaande tijdperken. Zij zijn voorzien van ontsluitingen van de tweede (gemeenschappelijke portieken) en soms derde orde (galerijen). Ook ontbreekt veelal een smalle parcellering en benadrukken zij met hun gevel de repetitie en grootschaligheid van het programma en de breedte van de kavel waarop zij gebouwd zijn.


138

Flexus AWC


4 Bijzondere bebouwing De Nederlandse historische steden zijn zeker tot aan het einde van de 19de eeuw opgebouwd geweest uit een zee van kleine gebouwen, de ‘bulk’ van individuele, vanaf de lineaire structuren ontsloten woon- en bedrijfspanden volgens de typologie van het portaalhuis die het overgrote deel van de stadsbebouwing vormde. De historische binnenstad van Meppel onttrok zich niet aan dit algemene principe. In de historische, pre-industriële stad weken gebouwen alléén af van de bulk van gewone woon- en bedrijfspanden wanneer zij een bijzondere functie hadden. Panden met een gewone woon- of bedrijfsfunctie verbijzonderden zich zelden van de context. Dat recht was in het stadstype van de historische stad steevast voorbehouden aan ‘bijzondere gebouwen’. ‘Bijzondere gebouwen’ zijn gebouwen met een bijzondere functie, dat wil zeggen een niet-woon- of bedrijfsfunctie, maar bijvoorbeeld gebouwen van handel, stadsbestuur of religie, zoals een stadhuis of een kerk. Bijzondere gebouwen waren doorgaans groter dan woongebouwen, waren vaak rijker uitgevoerd, en hadden in het geval van bijvoobeeld kerken ook een heel specifieke hoofdvorm, maar in zijn algemeenheid kan toch worden vastgesteld dat bijzondere gebouwen niet sterk afwijkend waren van de stedenbouwkundige en architectonische principes van de historische stad, zoals die ook golden voor gewone woon- en bedrijfspanden. De gewone woonhuizen en bijzondere gebouwen deelden daarbij tot in de 20ste eeuw de belangrijkste vormgevingsprincipes met elkaar, zoals het spitse silhouet (afsluiting met een kap), de expliciete beëindi-

ging van gevels, de open gevels en verticale vensters, de tracering van vensters (geen gevelopeningen als ‘open gaten’), het expressieve reliëf in de gevels, de zogenaamde ‘hiërarchie in gevelelementen’, het gebruik van slechts enkele materialen (natuursteen, baksteen en hout), decoratie als expressiemiddel en zo meer. Al met al waren historische bijzondere gebouwen en –complexen in de historische stad weliswaar een verbijzondering, maar niet een contrast ten opzichte van de bulk aan woon- en bedrijfspanden. Ook in Meppel vertonen de bijzondere gebouwen een sterke architectonische verwantschap met de bulk van de gewone woonhuizen, zoals bij het oude stadhuis (dat overigens eerst als woonhuis gebouwd was) in de Hoofdstraat te constateren is. Veel bijzondere gebouwen zijn te beschouwen als een uitvergroot of langgerekt ‘portaalhuis’, zoals het Wheemgebouw, of juist een samenstelling van meerdere geschakelde portaalhuizen. In de meeste gevallen zijn ze op een stedenbouwkundig niet-verbijzonderde wijze opgenomen in het stadsweefsel, en voegen zij zich in de bebouwingswanden. Ook de Grote Kerk van Meppel voldoet deels aan dit principe. Ofschoon aan de west- en zuidzijde bijzonder en vrij gelegen, voegt de hoofdgevel van de kerk zich in de straatwand van de Hoofdstraat/Katteneinde.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Kerkplein, Hogetin, luchtfoto uit vermoedelijk 1947. De Olde Aa is nog niet gedempt en de bebouwing aldaar nog niet gesaneerd <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Naast de meer ‘traditionele’ bijzondere gebouwen zijn in de loop van 19de en de 20ste eeuw specifieke gebouwen voor destijds nieuwe functies toegevoegd aan het historisch weefsel. In de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw, zeker tot aan de jaren ‘30 werden deze bijzondere functies, zoals het kantongerecht/politiebureau aan de Hagenstraat, de fabrieken (bijvoorbeeld Kruisstraat 6, schoenenfabriek

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

139

GEBIED 1


140

Flexus AWC


4 van Wolff, sigarenfabriekje Woldstraat 71), scholen, en grotere pakhuizen (bijvoorbeeld pakhuis Kromme Elleboog) vrij geruisloos in het weefsel opgenomen en namen grotendeels de historisch-stedenbouwkundige en historisch-architectonische principes van de Binnenstad over, zij het in iets gewijzigde vorm. In veel gevallen werden de straatgevels van bijvoorbeeld bedrijven en fabrieken aan het eind van de 19de en begin van de 20ste eeuw zoveel mogelijk afgestemd op de traditionele woonhuisarchitectuur van de omliggende panden en werd er gestreefd naar een representatief gevelfront. De nieuwe functies zijn overigens niet alleen in de historische binnenstad gerealiseerd, maar vanzelfsprekend ook in de stadsuitbreidingen uit het eind van de 19de, begin 20ste eeuw. Enkele voorbeelden daar zijn: het hoofdpostkantoor aan het Zuideinde, het oude kantongerecht aan de Catharinastraat, de Zuivelfabriek Meppeler Melkinrichting H en T (Gebr) Kingma, aan de Catharinastraat, het pakhuisje Wilhelminastraat 88/Julianastraat, het garagebedrijf voor automobielen G. Greve en Zn, Noordeinde/hoek Mallegat. Transformaties/Aantastingen: Bijzondere bebouwing In sommige gevallen al in de eerste helft van de 20ste eeuw, maar op grote schaal zijn pas in de tweede helft van de 20ste eeuw bijzondere gebouwen een geheel ‘eigen leven’ gaan leiden in de Binnenstad, zoals het stadskantoor uit 1973 en het nieuwe stadhuis uit 2005. Deze gebouwen verzelfstandigen zich vaak geheel van de historische context, stedenbouwkundig en architectonisch. In enkele gevallen zijn naoorlogse gebouwen of complexen niet opgenomen in de wand van bouwblokken, maar hebben een losse, verbijzonderde plaatsing die feitelijk niet overeenkomt met het maatschappelijk belang van de functies. Enkele voorbeelden hiervan

zijn de supermarkt aan de Grote Oever/Putstoel/Grote Akkerstraat en het oude belastingkantoor (huidige functie is makelaarskantoor) aan de Grote Oever. Dakenlandschap Het historische dakenlandschap behoort tot één van de belangrijkste stedenbouwkundige karakteristieken van de binnenstad van Meppel, omdat de aaneengeschakelde stadspanden zich hier letterlijk van elkaar losmaken door middel van de spits toelopende kappen waardoor de individualiteit van de panden ook op het niveau van het dakenlandschap sterk benadrukt wordt, zoals de gevel dat doet op het niveau van de straat. Het landschap bestaat uit steile kappen tussen de 45 en 60 graden, vaak behorend tot het type van het zadel- of schilddak, waardoor de bouwmassa’s op ‘spitse’ wijze worden afgesloten. De daken vertonen subtiele variaties ten opzichte van elkaar, maar contrasteren nauwelijks qua vorm en type. Dit zorgt voor een grote eenheid en samenhang, maar ook voor een zekere diversiteit, door de vele verdraaiingen van de kappen, de verschillende hoogtes, kleuren etc. Ook het historisch kappenlandschap kent dus het principe van ‘eenheid in verscheidenheid’, vergelijkbaar met historische gevelarchitectuur. Vrijwel het gehele nog resterende gedeelte van de historische binnenstad (m.u.v. de saneringslocaties) bezit nog een gaaf historisch dakenlandschap, althans voor wat betreft de hoofdvolumes aan de straat.

HISTORISCHE BINNENSTAD

Panoramafoto vanaf de Grote Kerk genomen richting Sluisgracht, 1965 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Transformaties/Aantastingen: Dakenlandschap Opmerkelijk is dat op plekken waar tijdens en na de saneringsoperatie ruimte gegeven is voor een eigentijdse architectuur met plat afgedekte bouwmassa’s

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

141

GEBIED 1


142

Flexus AWC


4 de samenhang binnen het stedenbouwkundig weefsel en het dakenlandschap is verdwenen. In de praktijk betekent dit dat in het dakenlandschap met spitse volumes ‘gaten’ vallen, dat hier de structuur van het dakenlandschap zijn coherentie en verfijning heeft verloren, en dat de individualiteit van de bebouwing op sommige plekken niet meer in het dakenlandschap kan worden afgelezen. Voor de achteraanbouwen speelt een zelfde problematiek. Dit met name in de achtergebieden van de Hoofdstraat, waar uitbouwen van bestaande winkels voorzien zijn van platte daken. Was de keuze voor een plat dak gedurende de 19de eeuw geen groot probleem omdat het uitzonderlijk was, in de tweede helft van de 20ste eeuw en in onze huidige tijd is het platte dak zozeer de norm geworden dat het onbelemmerd toelaten van het platte dak uiteindelijk het totaalbeeld zal gaan beheersen. Voorbeelden hiervan zijn complexen aan de Weteringdwarsstraat en het Prinsenplein (woningbouwcomplexen). Hiernaast is op enkele plaatsen middels setbacks (= terugliggende bovenste verdieping) een gekunstelde poging gedaan de harde hoofdvorm van de kubische volumes te verzachten. Deze ontwikkelingen hebben in veel gevallen geresulteerd in een hoekig en afwijkend silhouet, die het gekartelde, spitse en individuele daklandschap van de historische binnenstad aantast. De nieuwe kapvormen uit de 19de eeuw daarentegen, zoals mansardekappen, zijn veel minder schadelijk in het historisch kappenlandschap omdat zij nog zoveel overeenkomsten hebben met de traditionele kappen en eveneens spits toelopende, afzonderlijke volumes die de individualiteit van de panden benadrukken.

Een andere veel voorkomende transformatie is de vervanging van historische door moderne dakbedekking. Het is niet uitzonderlijk dat historische panden nog hun Oudhollandse, 17de of 18de eeuwse golfpannen bezitten. Dit rijke bouwhistorisch erfgoed is erg kwetsbaar en wordt vaak onoordeelkundig weggehaald en vervangen door moderne pannen. Eenzelfde aantasting is aanwezig met betrekking tot de kleur dakpan. In Meppel is ter plaatse van de ‘bulk’ een rijke menging aanwezig tussen rood- en blauwzwart bepande daken. Deze menging is soms aanwezig per pand, maar is soms ook structuurloos (beide pankleuren op één zijde van een dak toegepast). Dit laatste kan gezien worden als een ernstige aantasting van het historische stadsgezicht. Voor aanbevelingen bebouwing: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Bronnen: <Wiecher Ponne, Oud Meppel, jrg. 20, no 1. 1998> <ter Heide, R, Breken en Bouwen in Meppel 1945 - 1990, sanering en vernieuwing binnenstad Meppel 1991, uitgave door Krips Repro Meppel en Stichting Oud Meppel> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Stichting Historie in Perspectief, Meppel 2001> <Ponne, W.J., Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, Meppel 1999> <Gerding, dr. M.A.W., het Erfgoed van de gemeente Meppel, Stichting Drents Plateau, Assen, 2005> <Het systeem van de Nederlandse historische stad’. Promotieonderzoek TU Delft, vakgroep Urbanism. Marcel van Winsen & Hugo van Velzen. Lopend onderzoek> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HISTORISCHE BINNENSTAD

Grote Kerkstraat, Wetering en Prinsengracht, 1900 1910. De locatie van deze foto bevindt zich ter plaatse van het huidige Prinsenplein, en is alleen nog maar herleidbaar vanuit de oude kadastrale minuutplannen. Op de foto is goed zichtbaar het belang van de schuine kap voor het historisch stadsbeeld <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

143

GEBIED 1


Waardering De historische binnenstad is de kern en het oudste historische gedeelte van de gemeente. Zij is de ontstaansbron en de identiteitsdrager van de gemeente Meppel. De cultuurhistorische waarden van dit gebied hebben derhalve topkwaliteit. Dat wil zeggen dat de historischmaatschappelijke, historisch stedenbouwkundige en historisch architectonische waarden zeer hoog zijn. Ook de zeldzaamheidswaarden zijn zeer hoog. Niet gesteld kan worden dat het gebied gaaf is, in tegendeel. Er hebben op de saneringslocaties aanzienlijke transformaties plaatsgevonden die niet of nauwelijks een relatie hebben met de in de Binnenstad tijdens de voorafgaande periode geldende vormgevingsprincipes. De cultuurhistorische waarden van de historische binnenstad zijn zeer hoog, met als aantekening dat: • het nog resterend pre-industrieel weefsel hierin een zwaarwegend aandeel heeft • de op de saneringslocaties gerealiseerde bebouwing een cultuurhistorische basiswaardering kent. Deze is weinig specifiek en heeft geen of nauwelijks bijzondere waarde, en heeft op veel locaties geen of slechts een zeer beperkte relatie met de bestaande historische context.

144

Flexus AWC

De historisch-maatschappelijke waarden zijn zeer hoog. De Binnenstad is de locatie binnen de gemeente, waar alle belangrijke gebeurtenissen tijdens het pre-industriële tijdperk hebben plaatsgevonden en die zodoende een rijke geschiedenis kent. Ondanks de vele naoorlogse saneringslocaties is deze rijke geschiedenis nog goed herleidbaar. De historisch-stedenbouwkundige waarden van de Binnenstad zijn zeer hoog, omdat deze stedenbouwkundige structuur een hoge ruimtelijke kwaliteit heeft en uit de ruimtelijke constellatie de wordingsgeschiedenis van Meppel nog goed afleesbaar is. Bovendien is voor wat betreft het pre-industriële weefsel sprake van een hoge stedenbouwkundige en architectonische samenhang. De op de saneringslocaties gerealiseerde gebouwcomplexen en openbare ruimten zjin hiervan sterk afwijkend en hebben een historisch-stedenbouwkundige basiskwaliteit. De historisch-architectonische waarden zijn zeer hoog voor wat betreft het resterend historisch stadsweefsel. Voor wat betreft de saneringslocaties zijn de historisch-architectonische waarden gemiddeld of laag.


4 De zeldzaamheidswaarde van het binnenstadsweefsel is zeer hoog. Het pre-industrieel weefsel hier is zeer zeldzaam, gezien de sterke ontwikkeling en groei die Meppel in de 19de en 20ste eeuw heeft doorgemaakt, waardoor het historisch stadsweefsel nog maar een klein gedeelte uitmaakt van de totale gebouwde omgeving.

Aanbevelingen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

145

GEBIED 1

HISTORISCHE BINNENSTAD

Voor de beleidsuitgangspunten voor het gebied Binnenstad, zie onder gebieden met een cultuurhistorische waardering â&#x20AC;&#x2DC;Topâ&#x20AC;&#x2122; in hoofdstuk 2. Voor de specifieke aanbevelingen voor dit gebied wordt verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.


Panorama, 1962 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄ 146

Panorama, 1926 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Saneringsgebied A <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel 1945-1990>


Er is in de periode 1948 – 1988 tevens

sprake geweest van een aantal saneringsgebieden die zich buiten de binnenstad van de gemeente bevonden. Deze worden bij de betreffende gebiedsbeschrijvingen van deze cultuurhistorische verkenning besproken: - Saneringsgebied B, omvattende De Kraton en omgeving (gebied 5) - Saneringsgebied D, bestaande uit drie gebieden: o Kortestraat – Lindestraat – Wilhelminastraat (gebied 5) o Galmanspad – Oude Boazstraat – Weerddwarsstraat (gebied 6) o Westeinde (gebied 9) - Saneringsgebied J, voormalig complex Dengerink aan het Jufferenpad 1 en 3 (gebied 17)

uitplaatsen van de bedrijven in dit stadsgebied werden op ‘de Bult’ tussen Buitenhaven en Meppelerdiep de nodige gronden gekocht, en werd de daar gevestigde voetbalvereniging ‘Alcides’ verplaatst naar sportpark ‘Ezinge’. Ten behoeve van de bewoners die het liefst in de buurt van de Meppeler toren bleven wonen werd het gebied direct westelijk van de Grote Oeverstraat, in de volksmond ‘het Meugien’ (zie hiervoor ook gebiedsbeschrijving 16 uit deze CHV) genoemd, aangekocht en bouwrijp gemaakt. Tussen 1949 en 1953 werden hier 119 woningwetwoningen door de Meppeler Woningstichting gebouwd. In het jaar 1952 werd met de demping van de (Olde) Aa begonnen en de nieuwe wegen en riolering kwamen in 1953 gereed.

Saneringsgebied A ‘Rond de Meppeler Toren’, omsloten door Bleekerseiland – Brouwersstraat – Hoofdstraat – Kruisstraat – Molenstraat – Mallegat – Prins Hendrikkade – Kinkhorststraat – Havenstraat

Er verdwenen in de periode 1948 tot en met 1988 221 woningen, 39 woningen met winkels (waaronder kruideniers/snoepwinkeltjes, bakkers, slagers, textielwinkels), 32 woningen (waaronder 7 boerderijen, 3 timmerwerkplaatsen, 2 cafe’s, 2 logementen, 1 weverij, 2 ververijen) en 86 opstallen zonder woning (waaronder o.a. een scheepswerf, pakhuizen, een drukkerij, een schoensmeerfabriekje); een totaal van 378 opstallen. Vele bedrijven werden uitgekocht, zoals een graan- en veevoerhandelaar, een huiden- en wolhandel, een tassenfabriek, een smederij- en constructiewerkplaats, een groothandel in electrische goederen, en zo meer. Ook verdwenen schoolgebouwen, waaronder de Akkerschool aan de Grote Akkerstraat, vele jaren de grootste school van Meppel. In de periode 1948 – 1988 zijn totaal (excl.

Na de bevrijding bevonden zich in dit gebied de meeste slechte woningen, vele winkeltjes, bedrijfjes, pakhuizen enzovoort, meestal gelegen aan zeer smalle straten en stegen. In 1947 werd het principebesluit genomen om, na een wachttijd van vijf jaar, de (Olde) Aa vanaf het Bleekerseiland tot aan de Kruisstraat te dempen. Deze termijn kon door de bedrijven die afhankelijk waren van aanvoer vanaf het water gebruikt worden om uit te zien naar nieuwe vestigingsmogelijkheden buiten de Binnenstad. Ten behoeve van het

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

147

KADERTEKST 4

Om een nauwkeuriger beeld te krijgen van de saneringslocaties (de donkerrode scherven in de gebiedskaart van gebied 1, Binnenstad), is gebruik gemaakt van de indeling en tekst uit het boek ‘Breken en Bouwen in Meppel 1945-1990, van de auteur Roelof ter Heide’. De gebieden zijn tot aan het jaar 1990 beschreven. Het betreft de volgende gebieden: - Saneringsgebied A, omsloten door Bleekerseiland – Brouwersstraat – Hoofdstraat – Kruisstraat – Molenstraat – Mallegat – Prins Hendrikkade – Kinkhorststraat – Havenstraat - Saneringsgebied C, omsloten door Brouwersstraat – Kromme Elleboog – Prinsenplein – Prinsengracht – Hoogeveense Vaart en Stoombootkade - Saneringsgebied E, omvattende de verbetering van de verkeerssituatie Vledderstraat, Woldstraat (Nieuwstraat), doorbraak Soembastraat – Wheem (Synagogestraat), bebouwing Woldstraat - Saneringsgebied F, doorbraak Noteboomstraat – Eendrachtsstraat, aanleg Slotplantsoen, bebouwing hoek Noteboomstraat – Voorstraat en Javaplein – Voorstraat - Saneringsgebied G, parkeerterrein Koekoeksteeg (straat) en verbreding Eendrachtsstraat (Molenstraat – Eendrachtsstraat – Mallegat) - Saneringsgebied H, omgeving Prinsenplein – Marktstraat en Vledderstraat - Saneringsgebied I, omgeving Gasgracht

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

i

Kadertekst 4 De saneringslocaties nader beschreven


Saneringsgebied C <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 148

Kleine Oever, 1936 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Kleine Oever, 1990 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>


i

Aan het Kerkplein was het de bedoeling de panden aan de noord- en zuidzijde van het plein te kopen en af te breken en er werden reeds diverse panden gekocht. Dit was nodig voor de bouw van een nieuw gemeentehuis, later multifunctioneel centrum op deze locatie. Toen de plannen niet doorgingen - er werd gekozen voor een locatie aan de westzijde van de Grote Oever - werden panden weer doorverkocht aan particulieren. Veel panden zijn uiteindelijk in oude stijl gerestaureerd waardoor de intimiteit van het Kerkplein behouden is gebleven. Ook het pand Kleine Oever 11, het huidige Drukkerijmuseum Meppel, werd niet afgebroken. Hiermee bleef dit pakhuis, dat gebouwd is tussen 1880 en 1885, behouden.

Dit saneringsgebied bestaat uit een westelijk en een oostelijk gebied.

Naast de sloop van de panden had de ge-

Saneringsgebied C, omsloten door Brouwersstraat – Kromme Elleboog – Prinsenplein – Prinsengracht – Hoogeveense Vaart - Stoombootkade

In het bestemmingsplan voor de Binnenstad uit 1971 was het westelijk deel van gebied C: Stoombootkade – Brouwersstraat – Hoofdstraat – Gracht (westelijk gebiedsdeel) opgenomen; er was een doorbraak gepland over de te dempen gracht naar de Weerddwarsstraat ten behoeve van de verkeersontsluiting richting Koedijkslanden. Gedeputeerde Staten onthielden in 1972 echter hun goedkeuring aan dit gedeelte van het bestemmingsplan. Omdat er geen geldend bestemmingsplan van toepassing was en het Rijk geen rijksbijdragen in het vooruitzicht stelde, werden verdere pogingen tot aankoop van panden door de gemeente gestaakt. Pas in 1984, toen het gemeentebestuur besloot de

grachten niet te dempen en er een structuurplan voor de Binnenstad tot stand kwam, was het Rijk bereid rijksbijdragen in het vooruitzicht te stellen en startte de gemeente weer onderhandelingen met grondeigenaren. In de periode 1971-1984 werden op de locatie 16 woningen, 4 woningen/winkels/bedrijfjes, enkele kantoren, loodsen en pakhuizen afgebroken. Het zwaartepunt van de afbraak lag in 1984. Direct hierna werd met de nieuwbouw van het complex ‘de Looijerij/ Craenenborgh’ met 38 woningwetwoningen en 45 premieverhuurwoningen begonnen (opdrachtgevers Meppeler Woningstichting en Bedrijfsfonds Sociaal Fonds Bouwnijverheid, architecten Wouda en v.d. Schaaf). Gelijk op met de realisatie van het complex werd een nieuwe wandelverbinding gerealiseerd langs het water van Zuiderbrug naar Stoombootkade, het Zuideindigerpad. In een latere fase is een fietsbrug aangelegd over het water richting Oude Boazstraat ten behoeve van het fietsverkeer vanuit de Koedijkslanden.

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

meente ook de transformatie van de stedelijke structuur op het oog. De rooilijnen van de Weteringdwarsstraat werden gewijzigd, waarbij een autopleintje gerealiseerd werd achter het Kerkplein. De rooilijn van de Brouwersstraat werd aan de noordzijde plaatselijk teruggelegd, waardoor een continue breed straatprofiel ontstond. De Kleine en Grote Oever vormden nieuwe stedelijke ruimtes die – voorzien van parkeerhavens en bomen – een voltrekt ander totaalbeeld opleverden dan het oorspronkelijke.

Naast deze institutionele initiatieven hebben ook particulieren een bijdrage geleverd aan de nieuwbouw in het westelijk gelegen gebied, met name langs de Brouwersstraat, die ook sterk veranderde. Er zijn uiteindelijk aan de noordzijde van de Brouwersstraat slechts twee panden gehandhaafd gebleven (de nummers 7, 19) en aan de Stoombootkade één pand (nummer 10). In het oostelijk deel van het saneringsgebied,

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

149

KADERTEKST 4

het Meugien) 225 woningen in het saneringsgebied gebouwd, in de vorm van complexen, waarvan 8 pas in de periode na 1983. De bekendste projecten zijn de Swaenenborgh (47 woningen/winkels/bioscoop, opdrachtgever H.S.H.B. Amsterdam, architect Zondag Hoogeveen, 1983-1984) en het complex Bleekerseiland 2 tot en met 10 (55 woningen, opdrachtgever Meppeler Woningstichting, architect Visman en Koezen Meppel, 19851987). Verder zijn o.a. een Rooms Katholieke Kerk (architect P. Starmans Utrecht), een belastingkantoor, een R.K. Lagere School (architect J. Fransen), een Amrobank (architect Kirsten en Oord Kampen), een supermarkt AH, en een stadskantoor (architect Maaskant Rotterdam) gerealiseerd.


Flexus AWC

◄ ◄

150

Stoombootkade, 1925 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Stoombootkade, 1990 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>


i

Hiernaast was sprake van de uitbreiding en nieuwbouw van drukkerij Boom. Naast de overleggen ten behoeve van aankoop van panden van particulieren trad de gemeente ook in nauw overleg met de C.V. Boom, drukkerij/uitgeverij die in het gebied gevestigd was, en hier wilde uitbreiden. Men kwam tot overeenstemming door middel van een akte van ruiling, waarbij o.a. gronden van Boom aan de Hoofdstraat in eigendom overgingen

In de zuidwand van de Groenmarkt en het Prinsenplein verrees ook andere nieuwbouw, zoals een gereformeerd Jeugdcentrum, en op de hoek van Groenmarkt en Prinsenplein een appartementencomplex met winkel en 16 etagewoningen (opdrachtgever B.V. Domaine Maarn, architecten H. Wouda en G. van de Schaaf Meppel, 1980). Aan de Keizersgracht werd het complex Keizershof met 10 appartementswoningen gebouwd, op het terrein van een voormalige steenhouwerij (architecten H. Wouda en G. van de Schaaf Meppel, 1987) Het Ontwerpsaneringsplan hield rekening met het slopen van panden aan de zuidzijde van de Grote Kerkstraat, opdat de Groenmarkt groter kon worden. Uiteindelijk werd door de verandering in de gebiedsvisie gedurende de jaren ‘70 de afbraak beperkt tot de panden Grote Kerkstraat 26 tot en met 32. De nieuwe eigenaar van Grote Kerkstraat 24 heeft het pand hierop voorzien van een passende eindgevel. Uitgaande van de plannen de Prinsen- en Keizersgracht te dempen, was de gemeente ook van zins de bebouwing tussen de twee grachten in de sanering te betrekken en te vervangen door nieuwbouw. Zij heeft hier echter geen aankoopbeleid gevoerd, en met de verandering van denken in de jaren ‘70 werd

er hoe dan ook afgezien van de plannen. In 1966 was de situatie wel anders, toen in het kader van een Durox-prijsvraag (de firma opende een fabriek op het industrieterrein ‘Oevers’ en vierde dat met een prijsvraag) veertien plannen ingediend werden voor de locatie. Ook een wegverbinding en doorbraak , zoals gedacht in het Ontwerpsaneringsplan kwam het niet van. De gemeente kocht hiervoor nog wel enkele panden aan. Uitvoering zou pas plaatsvinden als de gracht zou zijn gedempt. Na het wegvallen van het besluit tot dempen was het plan van de baan.

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

In de periode 1948-1988 werden in dit oostelijk deel 100 woningen afgebroken, waarvoor 113 woningen (veelal appartementen) zijn teruggebouwd (3 keer complexmatig, 1 keer particulier).

naar de gemeente en Boom gronden op het binnenterrein verkreeg. Boom breidde haar locatie aanzienlijk uit, uiteindelijk ook in de zuidwand van de Groenmarkt.

Saneringsgebied E, omvattende verbetering verkeerssituatie Vledderstraat, Woldstraat (Nieuwstraat), doorbraak Soembastraat – Wheem (Synagogestraat), bebouwing Woldstraat In het saneringsgebied E zijn in combinatie met de locatie hoek Woldstraat-Burgemeester Knopperslaan (voor een nauwkeuriger beschrijving zie gebiedsbeschrijving 4 van deze CHV) uiteindelijk in de periode 1948 – 1988 38 woningen afgebroken en 17 woningen teruggebouwd, waarvan het grootste gedeelte in een complex op de hoek Woldstraat-Burgemeester Knopperslaan. Hiernaast is winkelnieuwbouw, winkeluitbreiding (van de Hema) en een supermarkt gerealiseerd. Naast de wens de situatie voor de winkels ter plaatse te verbeteren, wilde de gemeente een nieuwe verbinding maken van de Soembastraat naar de Wheem (de latere Synagogestraat), waarmee het verkeer in de

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

151

KADERTEKST 4

het gebied Hoofdstraat – Grote Kerkstraat/ Prinsengracht – Keizersgracht, werd een doorbraak als onderdeel van de binnenring voor het verkeer gerealiseerd in het verlengde van de Brouwersstraat uitmondend op de Groenmarkt. Tevens was een doorbraak naar de Marktstraat vanuit het binnenterrein gedacht. Deze is echter pas in een latere fase gerealiseerd. In het binnenterrein waarin het straatje de Kromme Elleboog lag, werden de woningen gesloopt. Slechts enkele panden waaronder twee pakhuizen bleven gespaard. De riolerings- en bestratingswerkzaamheden kwamen in twee fasen gereed. In 1963 was het gedeelte van de Groenmarkt naar de Kromme Elleboog gereed; de grote doorbraak naar de Brouwersstraat kwam in 1971 tot stand. Aan weerszijden van de binnenring kwamen uiteindelijk in het binnenterrein twee parkeerplaatsen tot stand.


Touwstraat, 1990 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

◄ ◄

Touwstraat, 1956 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄ 152

Saneringsgebied E <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Saneringsgebied F <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>


i

Saneringsgebied F, omvattende de doorbraak Noteboomstraat , aanleg Slotplantsoen, Bebouwing hoek Noteboomstraat – Voorstraat en Javaplein Voorstraat In het saneringsgebied F werden 36 woningen afgebroken en er kwamen 28 nieuwe woningen voor in de plaats, de laatste door de realisatie van twee woningbouwcomplexen. Hiernaast werd een plantsoen gerealiseerd (het Slotplantsoen) en werd het Javaplein heringericht. Aanleiding voor de plannen was ook hier tweeërlei. Enerzijds wilde de gemeente woningen die in vervallen staat waren slopen, zoals o.a. in de in het gebied aanwezige steeg Krakerij. Anderzijds waren er in het

Het Slotplantsoen is uiteindelijk gerealiseerd op de locatie van de tuin van de bekende bankier Jan Slot (1864-1958) die in het saneringsgebied opstallen en grond met een niet gering oppervlak van 2.537 m2 bezat. Het meest markante onderdeel van zijn eigendom vormde een grote en mooie ommuurde tuin met zware bomen behorend bij zijn woonhuis die gelegen was op de hoek van de Touwstraat en de Noteboomstraat (het schuine gedeelte). De gemeente kocht de opstallen en de tuin in 1958 aan van de erven Slot. Alle opstallen werden in 1959 afgebroken. Voor de verkeersdoorbraak Noteboomstraat – Eendrachtstraat werden o.a. achtertuinen aangekocht, panden aangekocht en onderhandelingen gevoerd met de Noord Nederlandse Drukkerij die gronden en panden op de locatie bezat. Aanvullend werden aan de oostzijde van het plangebied woningen op de kop van het bouwblok Soembastraat – Noteboomstraat – Voorstraat gesloopt en werd de rooilijn teruggelegd bij de bouw van een nieuw complex, waardoor de Noteboomstraat de vereiste breedte kon krijgen. Een blok appartementen met vergelijkbare architectuur werd aan het Javaplein gerealiseerd (arch. Visman en Koezen Meppel).

In het Slotplantsoen werd in 1970 een monument geplaatst ter nagedachtenis aan de joodse stadsgenoten die tijdens de Tweede Wereldoorlog waren weggevoerd en nimmer zijn teruggekeerd. De herinrichting van het Slotplantsoen en de aanleg van de nieuwe weg naar de Eendrachtstraat (die de naam Noteboomstraat kreeg) kwam in 1987 gereed. Saneringsgebied G, omvattende parkeerterrein Koekoeksteeg (straat) en verbreding Eendrachtstraat (Molenstraat – Eendrachtstraat – Mallegat)

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

Een belangrijke aankoop van de gemeente in dit gebied was het voormalige joodse bezit aan de Touwstraat en Noteboomstraat, o.a. de synagoge uit 1865, een kosterswoning, het joods badhuis. Ook het oude Jodensteegje van Woldstraat naar Touwstraat en Jodenkerksteegje van Touwstraat naar Noteboomstraat moest eraan geloven. In 1967 kwam de verbinding Soembastraat/Noteboomstraat – Slotplantsoen – Wheem tot stand; als herinnering aan de joodse aanwezigheid in Meppel werd de straat Synagogestraat genoemd.

kader van de wens de ‘binnenverkeersring’ voor autoverkeer te realiseren plannen om een doorbraak te maken vanuit de Noteboomstraat richting Eendrachtsstraat. Al in 1960 ging de gemeente over tot aankoop van opstallen en grond.

In totaal zijn in dit gebied in de periode 1948 tot en met 1988 12 woningen (waarvan 4 een combinatie woonhuis/winkel) afgebroken en nog 3 andere opstallen; er is geen nieuwbouw gepleegd op van gemeente afkomstige grond. Aanleiding voor de sanering vormde de wens de Eendrachtstraat aan de westzijde te verbreden en parkeerruimte voor ongeveer 90 auto’s te scheppen op de locatie die Kifhoek werd genoemd, in de nabijheid van het stadswinkelcentrum in de Molen- en Kruisstraat. Een kleine ijzeren brug werd verplaatst, de kademuren van het Mallegat werden gerestaureerd en er werd een wandelverbinding gemaakt aan de noordoever van het Mallegat langs het daar toen nog aanwezige Armhuis van de Nederlands Hervormde Diaconie. De vaste brug over het Mallegat tussen het Noordeinde en de Molenstraat werd verbreed en iets verschoven, zodat het verkeer beter naar de Grote Oever kon doorstromen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

153

KADERTEKST 4

Woldstraat naar de Hoofdstraat ontlast zou worden en deze straat onderdeel uit kon maken van het winkelvoetgangersgebied.


Hoek Prinsengracht/Marktstraat, 1990 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄

154

Saneringsgebied G <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Hoek Prinsengracht/Marktstraat, 1956 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>


i

In dit saneringsgebied zijn in de periode 1948 tot en met 1988 26 woningen afgebroken, waarvan 1 woning/winkeltje en 2 met een werkplaats. Hiervoor kwamen 28 appartementen in 1 woningbouwcomplex in de plaats. Door uitplaatsing van de Huishoud- en Industrieschool gevestigd op de hoek Prinsengracht/Marktstraat naar Koedijkslanden kwamen de gebouwen leeg en werden de opstallen aan het Prinsenplein door het Rijk afgebroken. Hiernaast werden nog enkele panden en een gebouw van de Doopsgezinde kerk uit 1879 afgebroken. Er werd een fors appartementengebouw op deze kenmerkende hoek gebouwd, met hierin een supermarkt, 28 woningen/appartementen, een Doopsgezinde kerk met bijruimten en hierachter 44 parkeerplaatsen en 9 tijdelijke parkeerplaatsen (opdrachtgever: Meppeler Woningstichting, architect Kl. van de Berg, IJsselmuiden). Het pand werd in 1988 opgeleverd.

De Vledderstraat liep voor de oorlog verder door achter de gasfabriek, toegang gevend tot de ijsbaan van Het Vledder en uitkomend op de Gasgracht. In de volksmond heette dat ‘het Achterumme’. Na uitvoering van het bestemmingsplan in 1940 en 1941 verviel het laatste gedeelte van de Vledderstraat. Op de hoek van de Vledderstraat – Marktstraat bevonden zich na de bevrijding nog drie woningen die –in eigendom bij de Christelijk Gereformeerde Kerk – door diezelfde kerk zijn afgebroken ten behoeve van uitbreiding van het kerkgebouw.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

Saneringsgebied H, omvattende omgeving Prinsenplein – Marktstraat en Vledderstraat.

Uitgaande van het streven om meer en in verschillende delen van de stad verspreide parkeerplaatsen aan te leggen realiseerde de gemeente in 1988 een parkeerterrein aan de Vledderstraat met ongeveer 51 vaste en 25 tijdelijke parkeerplaatsen. Hiervoor zijn meerdere panden afgebroken.

155

KADERTEKST 4

In het gebied is de naam Koekoeksteeg gehandhaafd gebleven. De naam Koekoek zou zijn ontstaan omdat hier, voordat het Mallegat werd gegraven, een weg toegang gaf tot een weiland, genaamd de Koekoek. De sanering heeft geduurd van 1961 tot 1987, met het zwaartepunt in de jaren ‘60 tot en met ‘70.


Tipbrug met kantoorgebouw, 1980 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

◄ ◄

Tipbrug met Gasgracht, 1910 <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄ 156

Saneringsgebied H <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>

Saneringsgebied I <Ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel>


i

Op de hoek van de Gasgracht en de Marktstraat werden verschillende opstallen gekocht door de Nutsspaarbank (huidige SNSbank), en werd in 1966 een bankgebouw met 4 bovenwoningen gebouwd met aansluitend een klein parkeerterrein.

Bebouwing hoek Gasgracht â&#x20AC;&#x201C; Mr. W. Doornbosstraat: op de hoek van de Gasgracht en de Mr. W. Doornbosstraat zijn een aantal opstallen aangekocht en afgebroken. Hier zijn in 1988 twee woningen teruggebouwd.

DE SANERINGSLOCAITES NADER BESCHREVEN

De sanering van dit gebied werd in sterke mate gekenmerkt door het verdwijnen van de Gasfabriek en invulling van de locaties van dit complex en van de naastliggende bebouwingsstroken. In dit gebied gingen 19 woningen door afbraak verloren en 1 door verbouwing. Er kwamen 7 nieuwe woningen voor in de plaats, waarvan 5 op door particulieren verworven grond.

Gasgracht 10: ten behoeve van het stichten van een groot kantoorgebouw voor de Centrale Werkplaats werden door de gemeente aan de Gasgracht negen woningen gekocht en gesloopt. In 1962 werd de bouwvergunning verleend. Het gebouw is hierop door meerdere organisaties gebruikt.

De vroegere ovens van de gasfabriek, Gasgracht 4, waren na de omschakeling van steenkolengas op aardgas in 1955 overbodig, behalve die gedeelten die in gebruik waren bij het gemeentelijk water- en electriciteitsbedrijf. In 1957 werd het gebouw Gasgracht 4 verbouwd tot brandweerkazerne (begane grond) en kantoren en dienstruimten ten behoeve van de organisatie Bescherming Bevolking (verdiepingen). Na inkrimping van de Bescherming Bevolking werden de bovenverdiepingen in 1963 verbouwd tot kantoor van de Dienst Gemeentewerken. Deze dienst heeft het kantoor in 1990 verlaten en werd verhuisd naar het stadskantoor aan de Grote Oever.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

157

KADERTEKST 4

Saneringsgebied I, omvattende omgeving Gasgracht


â&#x2014;&#x201E;

158

Flexus AWC

Groenmarkt en Kerkhofsdiep, 1905 - 1915, rechts de achterzijde van de bebouwingsstrook aan de Grote Kerkstraat <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


Het historische gesloten bouwblok is de resultante van de eigendomsstructuur en de typische groeiprocessen van de historische stad in alle eeuwen van zijn ontwikkeling tot aan de 20ste eeuw. Deze was gebaseerd op individueel eigendom van bescheiden stadskavels, die individueel of in kleine geschakelde eenheden door ambachtslui en eigenbouwers werden bebouwd. De aan elkaar geschakelde bebouwing stond direct aan de straat, steeg, plein of gracht en sloot zonder bijzondere hoekoplossingen aan op soortgelijke kavels aan de zij- en achterstraten. Private kavels met individuele ontsluiting In de historische binnenstad van Meppel zijn de betrekkelijk kleine private kavels aan de buitenzijde (straatzijde) bebouwd met gebouwen van doorgaans één of twee lagen met kap. De hoofdontsluiting van de bebouwing bevindt zich direct aan de daar langs lopende openbare ruimten zonder dat daar nog aanvullende of ‘diepere’ ontsluitende structuren achter liggen, zoals gemeenschappelijke hoven, waar vandaan trappen of galerijen worden ontsloten. Juist die directe ontsluiting van elk individueel pand vanaf de straat (ook wel ‘ontsluiting van de eerste orde’ genoemd) zorgt voor de openbaarheid van vrijwel alle gemeenschappelijke ontsluitingsstructuren in de Binnenstad.

De kern van het gesloten bouwblok De kern van het gesloten bouwblok is in de Nederlandse historische stad van oorsprong open van karakter – met uitzondering van de zeer krappe bouwblokken die vaak maar weinig ruimte lieten tussen de achtergevels – en was altijd opgedeeld in private erven, die werden gebruikt als (moes)tuin, boomgaard of erf. Semi-openbare ruimten kwamen hier niet voor, met uitzondering van de omsloten (woon)hof, die een afgesloten enclave vormde in het bouwblok. Dit laatste type is in Meppel echter nooit gerealiseerd. De achterzijde van de hoofdbebouwing vormt een aaneengesloten omranding van de kern van het bouwblok. Tegen de markante achtergevels werden vanouds vaak aan- en uitbouwen gerealiseerd, die dikwijls niet de gehele achtergevel over de volle breedte of hoogte dichtzetten, maar delen hiervan vrij lieten. Door deze individuele uit- en aanbouwen is de achterkant van de bouwblokken in díe zin afwijkend van de voorzijde, dat hier de rooilijn onregelmatig (‘gekarteld’) en informeel is. De achterkant van bouwblokken heeft in een historische stad derhalve een geheel eigen karakter, en is de rechtstreekse ruimtelijke vertaling van specifieke historische functies, die niet zozeer op publieke representatie en de kernfuncties van het wonen waren gericht, maar op privaat en het huishouden (en bedrijven) ondersteunend gebruik. De ruimtelijke vorm die die typen van historisch gebruik hebben opgeleverd is niet per definitie

van minder cultuurhistorisch belang dan de vorm die de functies aan straatzijde van de bouwblokken hebben opgeleverd. Hij is alleen ánders.

GESLOTEN BOUWBLOKKEN EN HISTORISCHE BINNENTERREINEN

De binnenstad van Meppel wordt, zoals alle historische steden in Nederland, op stedenbouwkundig niveau gekenmerkt door de dominantie van het historische gesloten bouwblok als organiserend ruimtelijk principe.

i

De informaliteit en onregelmatigheid van de achtergevels aan de binnenterreinen levert juíst in combinatie met de traditionele architectuurvormen en historische materialen, ambachtelijke detaillering, iets minder strakke gevelafwerking én de aanwezigheid van groen, een van de stad afgekeerd, soms uiterst schilderachtig ruimtelijk beeld op. Hier vertegenwoordigt juist de intimiteit van de (halfbesloten) ruimten en de snelle en kleinschalige afwisseling van verschillende ruimtelijke vormen (bijvoorbeeld verschillende typen binnenplaatsen) een sterke cultuurhistorische én ruimtelijke waarde op zichzelf. Ondanks deze grote ruimtelijke diversiteit staat de vorm-, materiaal- en kleurverwantschap van de diverse achtergevels en uitbouwen ook hier garant voor een overtuigende 'eenheid in verscheidenheid', zoals die ook, maar in een andere vorm, aan de straatzijde te vinden is. In de pre-industriële periode werd de kern van bouwblokken soms (gedeeltelijk) dichtgebouwd met uitbouwen van de bedrijven die in de hoofdgebouwen gevestigd waren, maar dit beperkte zich hoofdzakelijk tot het eigen erf, en geschiedde op kleinschalige wijze met (bij)gebouwen voorzien van kappen. Soms verbonden smalle, steegachtige ruimten tussen de panden door, de aan de binnenzijde van het bouwblok gelegen privé-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

159

KADERTEKST 5

Kadertekst 5 Gesloten bouwblokken en historische binnenterreinen


â&#x2014;&#x201E;

160

Flexus AWC

Luchtfoto van o.a. Kerkplen en Hogetin en omgeving, uit vermoedelijk 1938, de historische bouwblokstructuur is duidelijk zichtbaar <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

In de Nederlandse historische stad waren niet álle bouwblokken volledig gesloten met een rand van bebouwing: vooral aan de randen van de stad kwamen nogal eens onvoltooide bouwblokken voor, dat wil zeggen bouwblokken met open, niet bebouwde kavels langs de straat, plein, steeg of gracht. Maar die onbebouwde bouwblokken waren wel aan de straatzijde met tuinmuren of hagen dichtgezet waarmee het private en afgesloten karakter van de binnenterreinen gewaarborgd werd. Dergelijke onbebouwde plekken die met tuinmuren of hagen waren dichtgezet zijn in de loop van de geschiedenis in de historische binnenstad van Meppel geheel verdwenen.

De bebouwing stond zo een eind van het water af, met de voorkant naar de parallel aan het water lopende weg, terwijl aan de achterzijde het achtererf aan het water grensde en niet genoeg ruimte meer liet voor nóg een andere bebouwingsstrook direct langs het water. Dit was het geval langs de (Olde) Aa, maar ook langs de Wetering (ook wel Hoofdgracht genoemd, de huidige Prinsenstraat), en het Kerkhofdiep, bij de achterkant van het bouwblok tussen het Kerkplein en de Kleine Akkerstraat, de achterkant van het bouwblok tussen de Hoofdstraat en de Grote Akker-

straat (deze wateren waren op de kaart van 1823 al gedempt) en op enkele andere locaties. Ook aan de uitvalswegen van de bebouwingskern was - in combinatie met sloten - sprake van een vergelijkbare opzet. Soms was de kaveldiepte zo beperkt, dat men het volledige grondoppervlak wel moest bebouwen.

GESLOTEN BOUWBLOKKEN EN HISTORISCHE BINNENTERREINEN

Als gevolg van de ‘doorsnijding’ van de binnenterreinen en bouwblokken met gangen en stegen was een historisch bouwblok in meerdere gevallen niet helemaal dicht en gesloten, maar als het ware ‘semi-permeabel’. Hierdoor werd de ‘formele structuur’ van openbare ruimten aangevuld met een complementaire ‘informele structuur’ van stegen en gangen. Beide – formele én informele structuur – vormden samen de structuur van de historische stad zoals we deze in Nederland kennen, en waren en zijn ook beide van even groot belang voor de historische beleving van de stad.

Bebouwingsstroken Ook konden er in de historische stad nog wel eens bebouwingsstroken voorkomen die geen bouwblokken vormden, maar waarbij één enkele strook bebouwing langs een straat of gracht met de achterkant direct aan een andere openbare ruimte grensde. Dit type kwam vrijwel uitsluitend voor in combinatie met water aan de achterzijde. Meppel kende opmerkelijk veel van dergelijke bebouwingsstroken met de open achterzijde langs het water, zeker in vergelijking met veel andere historische steden. Dat houdt verband met het gegeven dat Meppel zich vanaf het eind van de Middeleeuwen ontwikkelde van agrarisch dorp naar handelsstad, en de oevers langs het water, waarvan in deze delta voldoende aanwezig was, aantrekkelijke locaties vormden voor vestiging. De bebouwing werd daarbij in eerste instantie lang niet altijd op het water georiënteerd, maar juist op de weg, die op ‘perceelslengte’ van het water af lag.

Binnen de bebouwingskern was door de aanwezigheid van bebouwingsstroken soms over het water heen zicht op de achterkant van de bebouwing resulterend in een pittoresk totaalbeeld. Wanneer het water dan werd gedempt in de 19de en 20ste eeuw, kwamen de achterkanten langs de nieuwe straat te liggen. Deze achterkanten zijn lang, zo niet tot op de dag van vandaag, als achtergevels herkenbaar gebleven. Bronnen: <Cultuurhistorische inventarisatie en waardestelling historische binnenstad Kampen. Flexus AWC, Rotterdam 2011> <Het systeem van de Nederlandse historische stad’. Promotieonderzoek TU Delft, vakgroep Urbanism. Marcel van Winsen & Hugo van Velzen. Lopend onderzoek>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

161

KADERTEKST 5

erven met de openbare ruimte. Deze erven waren soms bebouwd. Ook kwamen stegen voor die dwars door het bouwblok heen een verbinding vormden tussen twee straten.


Woldstraat, 1904 - 1906 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄ 162

Hoofdstraat, 1900 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Kruisstraat, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

Kadertekst 6 Hiërarchie openbare ruimten

De afleesbaarheid tussen hoofd- en afgeleide straten aan de hand van de kavelgrootte en het straatprofiel zoals hierboven beschreven, is ook in Meppel aanwezig, maar minder helder dan in veel andere Nederlandse steden, waarschijnlijk ten gevolge van de geringe

Primaire structuur Hiertoe behoren de belangrijkste historische verbindings- en ontsluitingwegen, die de ‘ruimtelijke dragers’ vormen van de historische stad als geheel en de stad met het ommeland verbinden, alsook de belangrijkste marktpleinen en grachten. De primaire ruimten vormen vaak de ‘wieg’ van de stad, de oudste linten waarlangs de stad in eerste instantie is ontstaan en gegroeid en waarlangs de belangrijkste commerciële en stedelijke functies waren samengebracht. Het profiel van deze straten en stedelijke ruimten is in de Nederlandse historische steden vaak relatief breed met een hoge, aaneensluitende bebouwing van minstens twee en soms drie of meer lagen met kap. De kavels zijn smal en in bijna alle gevallen in de diepte, dus haaks op de straat ontwikkeld, net als de gebouwen, de kappen staan dus ook haaks op de weg en de bebouwing is individueel met wisselende hoogtes en breedtes. De rooilijnen zijn strak en aaneengesloten, maar zwenken over grotere lengten wel subtiel naar voren en achteren. De panden aan de primaire structuur worden elk individueel direct vanaf de straat ontsloten, zonder dat hier nog aanvullende gemeenschappelijke ontsluitingen op volgen. In Meppel behoren onder andere de Kruisweg zuidelijke aftakking en Katteneinde (de huidige Hoofdstraat) tot de primaire struc-

tuur, alsmede het Moleneind (huidige Molenstraat) en de Kruisweg noordelijke aftakking (huidige Touwstraat), de Wildemanssteeg (de huidige Woldstraat), de Nieuwe Weg (de huidige Prinsengracht), Paapensteeg (huidige Prinsenstraat en Grote Kerkstraat), de Groenmarkt, de Wheem, en het Zuideinde. De kenmerken zoals beschreven voor de primaire structuur in Meppel zijn in overeenstemming met de algemene kenmerken zoals hierboven aangegeven, met dat verschil dat hier vaak sprake is van bebouwing van twee lagen met kap, en dat ook zeer smalle straatprofielen bij de primaire structuur voorkwamen, zoals langs de Wildemanssteeg, die feitelijk geen steeg was, maar een volwaardige straat van de primaire structuur.

HIËRARCHIE OPENBARE RUIMTEN

De rangorde vertaalt zich hierbij in een specifiek doorsnedeprofiel, een daarbij behorende kavelgrootte en een passende architectonische expressie van de bebouwing. Algemeen gesteld is hier vaak het volgende van toepassing: hoe hoger de orde van de ontsluitende straat, plein of gracht is, hoe breder het straatprofiel, hoe breder en dieper - binnen marges - de kavels zijn en hoe belangrijker de architectonische uitstraling van de aanliggende panden (dit waren immers de duurste plekken in de stad). Ondanks de rangorde primair, secundair, tertiair, zijn de diverse openbare ruimten in hun elementaire ruimtelijke opzet wél sterk verwant aan elkaar, en gaan vaak bijna niet te onderscheiden, geruisloos in elkaar over (zeker als het overgangen tussen primaire en secundaire structuren betreft). Zij vormen ook één doorlopend en ononderbroken ruimtelijk systeem.

grootte van haar historische kern en haar ontspannen uitleg ten gevolge van het ontbreken van stadsmuren.

Het is opvallend voor een waterstad als Meppel, dat de primaire structuur niet in eerste instantie langs het water liep, zoals zo vaak het geval was bij gegraven grachten zoals we deze kennen uit steden als bijvoorbeeld Leiden en Amsterdam, maar dat deze vrijwel geheel over land liep. Dit houdt verband met het opmerkelijke feit dat de stad in eerste aanleg is gegroeid vanuit een agrarische nederzetting op hogere gronden, die pas aan het eind van de Middeleeuwen naar het water is ontwikkeld. Het voorgaande neemt niet weg dat ook het water tot de primaire structuur van de stad kon behoren, zoals met de (Olde) Aa (latere Kleine en Grote Oever) en de Wetering/ Hoofdgracht (latere Hogetin en Prinsenstraat en Prinsengracht) het geval was.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

163

KADERTEKST 6

Het stratenpatroon in Nederlandse historische steden, en ook in Meppel wordt gekenmerkt door een hiërarchie tussen hoofdstraten, grachten & pleinen, zijstraten en achterstraten & stegen, de zogenaamde primaire, secundaire en tertiaire structuur, die het gevolg is van de geleidelijke groei van het stadsweefsel en het verschil in economische druk binnen het stadsweefsel zelf.


Flexus AWC

â&#x2014;&#x201E;

â&#x2014;&#x201E;

164

Hagendwarsstraat, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Grote Oeverstraat, 1935 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i In Meppel behoren onder andere de Grote Oeverstraat, de Hagendwarsstraat (nu verdwenen), de Hagenstraat (nu vrijwel verdwenen), de Grote Akkerstraat (nu verdwenen, de huidige straat met deze naam is een hernoeming van de voormalige Kleine Akkerstraat), de Kleine Akkerstraat en de Vledderstraat tot deze secundaire structuur. Deze straten voldoen soms wel, maar soms ook niet aan bovengenoemde typering, met name wat betreft de oriëntatie van de panden, omdat er soms sprake is van aanliggende bebouwingsstroken; de achterkanten van de panden grenzen hier dan aan de straat. HIËRARCHIE OPENBARE RUIMTEN

In enkele gevallen kennen ook de meer ontwikkelde achterstraten een identieke ruimtelijke opbouw. In straten van de secundaire structuur komen in de Nederlandse historische steden over het algemeen vaker langshuizen met langskappen voor dan aan de primaire structuur.

Secundaire structuur Deze categorie stedelijke ruimten van de tweede orde bestaat uit de belangrijkste verbindings- en ontsluitingswegen op wijk- of buurtniveau. Zij zijn vaak direct aan de primaire structuur aangetakt, verbinden vaak primaire structuren met elkaar of met achterliggende secundaire structuren en vormen de belangrijkste zijstraten of parallel aan de primaire structuur lopende stedelijke ruimten. Het gebruik van deze ruimten was vaak minder belangrijk en commercieel dan die van primaire structuur, maar er konden nog wel incidenteel stedelijke functies aan gekoppeld zijn. Deze straten bezitten doorgaans een smaller dwarsprofiel en de kavels zijn minder diep. De individuele, aaneengesloten bebouwing bestaat in Meppel merendeels uit twee en soms uit één bouwlaag met kap en de architectuur is doorgaans qua voornaamheid van een identieke orde als aan de primaire structuur, met dat verschil dat de percelen/kavels wel iets smaller zijn. Bebouwing van drie lagen met kap zijn aan de secundaire structuur in Meppel niet voorkomend. Ook hier zijn de rooilijnen op de kortere of middellange afstanden strak (maar op

de lange afstand weer zwenkend) en worden alle panden direct vanaf de straat ontsloten, zonder dat hier nog aanvullende gemeenschappelijke ontsluitingen op volgen.

Brouwersstraat, 1913 - 1917 <fotoarchief Stichting Oud Meppel> Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

165

KADERTEKST 6

De ruimtelijke kenmerken van een dergelijke primaire structuur waren echter geheel anders dan die over land. De bebouwing was hier weliswaar sterk verdicht en hoog, maar de bebouwing stond vaak juist met de achterkant naar het water, de rooilijnen waren onregelmatig (zoals gebruikelijk bij achterkanten) en onbebouwde erven waren niet zeldzaam.


Touwstraat, Jodensteeg, 1959 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄

166

Steeg aan Grote Akkerstraat, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Steeg bij Kromme Elleboog, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

In dit stadsgedeelte bevonden zich ook vele sloppen, doodlopende woonsteegjes die vaak ontstaan waren vanuit één erf, en die kleine rijen(huur)woningen bevatten. Deze woningen waren vaak bewoond door de toen in Meppel veel voorkomende schippersgezinnen. Van deze stegen is ten gevolge van de naoorlogse saneringsoperatie geen exemplaar meer over.

Hoewel elk type steeg in de Nederlandse historische stad zijn eigen karakteristieken heeft, kan toch in zijn algemeenheid worden vastgesteld dat het dwarsprofiel van stegen in de regel (zeer) smal is, de bebouwing - als zij aanwezig is - vaak bestaat uit één laag plus kap, doorgaans met de nok evenwijdig aan de steeg, de percelen doorgaans ondiep zijn, en de bebouwing vaker onregelmatig is (behalve bij de gangstegen). Ook panden aan stegen worden elk individueel en direct vanaf de steeg ontsloten, zonder dat daar nog aanvullende gemeenschappelijke ontsluitingsstructuren op volgen. Vaak is vanuit de stegen zicht op de ‘achterkant’ van de stad mogelijk, dus op achtergevels en binnenterreinen. Ook is het muurwerk langs stegen vaak onregelmatig en toont sterker dan langs de primaire en secundaire structuur de ouderdom van de stad. De rooilijnen langs stegen zijn vaak recht of licht zwenkend, maar springen in de oorspronkelijke situatie zelden over grotere diepte terug, hoe smal de steeg ook is. Ook pleintjes zijn in de Nederlandse historische stad nooit langs stegen gelegen. Bijzondere functies bevinden zich zelden aan stegen.

Achterstraten Achterstraten worden soms gekenschetst door een andere ruimtelijke structuur. In achterstraten in de Nederlandse historische stad kan het straatprofiel juist soms heel breed zijn. De bebouwing langs de minder ontwikkelde achterstraten bestaat meestal uit één bouwlaag met kap en de panden worden vanaf de straat ontsloten. Van deze meer ontspannen achterstraten lijkt in Meppel gezien de kadastrale minuut uit 1823 - geen sprake geweest te zijn. Bron: <Cultuurhistorische inventarisatie en waardestelling historische binnenstad Kampen. Flexus AWC, Rotterdam 2011‘Het systeem van de Nederlandse historische stad’. Promotieonderzoek TU Delft, vakgroep Urbanism. Marcel van Winsen & Hugo van Velzen. Lopend onderzoek>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HIËRARCHIE OPENBARE RUIMTEN

Stegen Stegen verbinden in de Nederlandse historische steden vaak ruimten van de primaire of secundaire structuur met elkaar, door één bouwblok heen, zonder een vervolg te krijgen in een route op buurtniveau. Het zijn meestal ruimtelijke ‘incidenten’, maar kunnen, wanneer zij tussen twee belangrijke structuren lopen, wel een intensief gebruik en een intensieve bebouwing hebben. Deze laatste categorie zijn vaak stegen die volledig zijn bebouwd met panden die ook hun ontsluiting aan die steeg hebben. In Meppel kwam dit type steeg in een bijzondere variant voor tussen de Grote Oeverstraat en de (Olde) Aa. Het type van de zogenaamde ‘gangsteeg’ was hier veel voorkomend (steeg volledig omgeven door zijmuren van panden). De stegen hier verschaften panden die in de tweede lijn stonden achter de bebouwing aan de (Olde) Aa toch toegang tot dit water.

Naast deze gangen en sloppen die het westelijk stadsdeel kenmerkten, zijn op de kadastrale minuut van Meppel uit 1823 een ander type stegen getekend aan de oostzijde van de bebouwingskern. Hier in de ruime – met meer agrarische functies ingevulde – binnenterreinen. Hier was feitelijk sprake van weinig bebouwing aan de stegen. Ook deze stegen zijn niet meer aanwezig.

167

KADERTEKST 6

Tertiaire structuur Hiertoe behoren in de Nederlandse historische stad de minder ontwikkelde achterstraten en het netwerk van smalle stegen en sloppen.


Maatkade, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

Kerkplein met links nog het Kerkhofsdiep, 1912 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

168

◄ ◄

Kerkplein Hogetin, 1947 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Lapjesmarkt Kerkplein, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Putstoel, 1905-1915 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

Kadertekst 7 Pleinen

Het Kerkplein Het kerkplein te Meppel is op de voorgaande Nederlandse regel een uitzondering. Het kerkhof en de kerk bevonden zich feitelijk dichtbij het economisch hart van de stad omdat hier op de kruising van Wetering/ Hoofdgracht en Olde Aa aan de Hogetin veel goederen verlaad en verhandeld werden vanaf de schepen. Ook de aanwezigheid van water is hierin een bijzonder gegeven. Het plein zelf is bij de introductie in 1825 van de nieuwe begrafeniswet ontstaan. Deze wet verbood het begraven in de bebouwde kom van een gemeente, waarmee de ruimte van het kerkhof vrijkwam. Het kerkhof en de Hogetin, dat ook eigendom was van de kerk, ging tegen een vergoeding over naar de gemeente, waarop ook het kerkhof marktruimte werd. Het kerkplein is per 1917 verbreed door de demping van een gedeelte van het

Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen De volledige waterstructuur is verdwenen en niet meer herkenbaar; hierdoor is de originele situatie die bestond uit een rechthoekig en besloten kadeplein en een lineaire kadepleinruimte naast de kerk gewijzigd in een situatie met een aaneenschakeling van twee rechthoekige pleinen, waarbij één van de pleinen als terrassenplein functioneert en de ander als een annex/marktruimte in aansluiting op het winkelareaal aan de Hoofdstraat. In de noordwand is een doorzicht aanwezig naar de bebouwing van het Swaenenborgh uit de tweede helft van de 20ste eeuw, aan de Kleine Akkerstraat, die niet als storend ervaren wordt. B Het kadeplein Een kadeplein is een pleinachtige ruimte die direct aan het water gelegen is, en voor zijn functioneren ook afhankelijk was van aan- en afvoer over water. Kadepleinen ontstonden naast een rivier of gracht en zijn dan ook voornamelijk te vinden in de grachten- of havensteden. Een ka-

deplein was in veel gevallen in eerste aanzet vaak niet meer dan een (verbrede) straat langs het water, maar bij gebrek aan marktruimte elders, en aangespoord door een groeiende behoefte aan ruimte, werd de losplaats door sloop van aanliggende gebouwen soms vergroot tot een plein. Meppel kende vijf kadepleinen waarvan twee van oudere origine: - de Hogetin, - de Putstoel, - de Groenmarkt. - Kleine Oever - Stoombootkade De Hogetin en de Putstoel De Hogetin heeft een heel lange geschiedenis als overslagplaats en marktplaats voor goederen ter plaatse van de T-splitsing van (Olde) Aa en de Wetering/Hoofdgracht. Door deze koppeling aan twee watergangen was de plaats zeer geschikt om goederen aan en af te voeren en hiermee ook voor de handel een uitgelezen plek. Als gevolg van een langslepend conflict tussen het noordelijk stadsgedeelte en het zuidelijke, nieuwere deel van het kerspel werd in 1636 besloten de weekmarkt om beurten op de Hogetin of in de Kruisstraat te houden. Ten behoeve van het verbeteren van de waterbereikbaarheid van de Kruisstraat zijn toen bij de Holtenbrugge (de verbinding over de (Olde) Aa van Kruisstraat naar Molenstraat) twee huizen en een schuur gekocht en afgebroken. Daardoor kreeg men ruimte voor een smal pleintje, eigenlijk niet meer dan een brede straat. Het

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

PLEINEN

Een kerkplein is een plein dat ontstaan is in nauwe relatie tot de kerk waar het ruimtelijk mee verbonden is. Vaak is een kerkplein een voormalig kerkhof, dat in de 17de eeuw of later is omgevormd tot plein. Een kerkplein kan aan één kant van de kerk zijn gelegen, maar vaak ook staat de kerk in het midden van het plein, waardoor de ruimte minder eenvoudig als plein herkenbaar is (een zogenaamd ‘Kernplein’). De bebouwing rondom een kerkplein is opvallend vaak zeer eenvoudig, omdat dergelijke ruimten vaak geen onderdeel uitmaakten van het economisch hart van de stad.

Kerkhofdiep/de Wetering, ten behoeve van uitbreiding van het marktoppervlak. In 1952 is het plein nóg verder uitgebreid in verband met de verdere demping van de Wetering bij de grote dempingsoperatie van de Grote en Kleine Oever. Het Meppelse Kerkplein was feitelijk ook een kadeplein door haar ligging aan het Kerkhofdiep/de Wetering.

169

KADERTEKST 7

A Het kerkplein


Wetering tpv Groenmarkt, links de visafslag, 1900 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Luchtfoto centrum Meppel, 1924 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 170

Zuidwand van de Groenmarkt, 1929 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Groenmarkt, 1985 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

De westwand wordt nog bepaald door historische bebouwing aan de huidige Kleine Oever (voorheen Maatkade). Dit gaat ook op voor de oostwand. De noordwand wordt gekenmerkt door een winkelcomplex/appartementengebouw uit de tweede helft van de 20ste eeuw (het Swaenenborghcomplex). Deze wand is niet overeenkomstig de historische bebouwingskarakteristieken vormgegeven en verbreekt de continuïteit van het historisch weefsel. De begane grondverdieping van de noordwand is volledig dichtgezet en het trottoir is afgezoomd met een baksteen muur, waardoor deze gevel geen bijdrage meer levert aan de levendigheid aan de Hogetin. De functie van de huidige openbare ruimteinvulling is parkeren. Dit is op deze plek een magere invulling.

Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen, De Groenmarkt: De volledige waterstructuur is verdwenen en niet meer herkenbaar. Grenzend aan het water was een noordwand aanwezig die de achterzijde van een bebouwingsstrook aan

de huidige Grote Kerkstraat vormde; de westwand vormde eveneens een strook met eenzijdige bebouwing en achtererven aan het water langs het later gedempte Aardappelgat. De westwand is nu ingevuld met 19de eeuwse bebouwing en bebouwing uit het Interbellum die niet detoneert, en hier - met uitzondering van één erf - een voorkantsituatie geschapen heeft. Ook de noordwand is sterk gewijzigd ten opzichte van de situatie uit 1823. Hier is gedurende de jaren ‘70 van de 20ste eeuw een gedeelte van de wand gesloopt, waardoor een open en geschakelde relatie met het later ontstane Prinsenplein ontstaan is. De kop van de bebouwingsstrook is hierbij voorzien van een nieuwe eindgevel. De noordwand van de Groenmarkt is nu deels ingevuld met bebouwing met voorgevels waardoor zich hier op niet storende wijze een mix van achter- en voorkanten presenteert. De oostwand van het plein is uit de 20ste eeuw. Hier staat een appartementenblok met een aanzienlijk grotere hoogte en bredere parcellering dan de overige bebouwing.

PLEINEN

Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen, de Hogetin: De volledige waterstructuur is verdwenen en niet meer herkenbaar; hierdoor is de originele situatie met een kadeplein verdwenen.

De Groenmarkt De Groenmarkt is evenals de Wheem (zie verderop) een ruimte die eerst een groene functie had, in dit geval als hof. Zij is gelegen in de stadsuitbreiding uit de 18de eeuw. De hof was in de oorspronkelijke situatie een stuk tuingrond aan de zuidkant van de Wetering/Hoofdgracht en stond bekend als de Muzelaarshof, genoemd naar de familie Muzelaar, die al generaties het ambt van schoolmeester en koster vervulde. Het stuk grond was in 1818 in eigendom van de Gereformeerde (=Nederlands Hervormde) kerk. Het werd vervolgens door de gemeente van de Gereformeerde kerk in erfpacht verkregen en in verband met gebrek aan marktruimte omgevormd tot markt. De gemeentekas was slecht gevuld en de burgers van Meppel dienden naar draagkracht bij te dragen aan de aanleg. De marktruimte werd de Nieuwe Markt genoemd. De aanvoer van goederen over het water zal zeker bijgedragen hebben aan het goed functioneren. De markt werd in 1877 vergroot door de demping van het Aardappelgat (de wal verzakte hier, er was sprake van vervuild water, en er was slechts ruimte voor het neerleggen van één boot), na welke actie ook aan de westzijde van de markt een bebouwingswand ontstond.

De zuidwand is een combinatie van een representatief pand uit het midden van de 19de eeuw (Groenmarkt 2) en 20ste eeuwse bebouwing. De bebouwing uit de 20ste eeuw is plaatselijk teruggelegd ten opzichte van de rooilijn waardoor de wand in sterke mate verstoord wordt.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

171

KADERTEKST 7

werd aangeduid als Nieuwe Markt en stond later bekend als Putstoel. De Putstoel is in het kader van de naoorlogse sanering volledig van de kaart verdwenen. Nog slechts een straatnaam herinnert aan deze locatie. De Hogetin is echter nog aanwezig.


Prinsenplein, 1938 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Prinsenplein, 1980-1985 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 172

Prinsengracht, Wetering en Grote Kerkstraat, 1900-1905, <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Panorama Prinsenplein, 1984 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i Een dempingsplein ontstond na demping van een gedeelte van een rivier, gracht, beek of andere waterloop, of van laag gelegen drassige gronden. Een dergelijk plein werd aangelegd als de behoefte aan marktruimte groot was. De vorm werd bepaald door het gedempte water en is in de meeste gevallen langwerpig, doordat de demping veelal betrekking had op een rivier, beek, of gracht. Aan één of beide uiteinden van een dergelijk plein kan zich water bevinden. In principe is een dergelijk plein dus niet aan alle kanten gesloten. Zoals eerder vermeld zijn de Hogetin, het Kerkplein en ook de Groenmarkt (deels) dempingspleinen. Het Prinsenplein Het Prinsenplein is een dempingsplein dat pas in de periode 1917 -1938 door gefaseerde dempingen tot stand gekomen is. De motivatie voor demping betrof in eerste instantie de kosten van onderhoud van de kades van de Wetering/Hoofdgracht en de behoefte aan meer marktruimte. In 1918 werd de Wetering gedempt tot aan Prinsenplein 48. Bij de verdere demping in 1938 speelden verkeerskundige motieven een rol. Deze demping was al voorzien in het uitbreidingsplan

Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen, Het Prinsenplein: Het Prinsenplein is uiteindelijk ontstaan als gevolg van het verdwijnen van de waterstructuur en de sloop van panden aan de Papensteeg (de huidige Grote Kerkstraat; het betreft de bebouwingswand aan de zuidzijde van de Papensteeg). Deze bebouwingswand lag oorspronkelijk met de achtererven aan het water van de Wetering/Hoofdgracht.

op zichzelf beschouwd wel architectonische kwaliteiten. Door de schuine plaatsing van dit gebouw is een ruimteomsluitende suggestie aanwezig, die de pleinruimte op een positieve wijze bepaalt. In de zuidwand is een doorbraak gerealiseerd richting Kromme Elleboog. Deze is in relatie tot de beperkte maat niet hinderlijk.

De noordzijde van het Prinsenplein (oorspronkelijke bebouwingswand noordzijde Papensteeg) is voorzien van enkele nieuwbouwprojecten uit het laatste kwart van de 20ste eeuw. Met name het appartementenblok hoek Prinsenplein – Marktstraat detoneert qua hoogtemaatvoering, parcellering en vormgeving met de historische bebouwingskarakteristieken.

PLEINEN

C Het dempingsplein

van stadsarchitect Monsma uit 1927-1928. De Wetering werd gedempt tot aan de Gasgracht. Hiermee werd een nieuwe verkeerskundige verbinding naar de Marktstraat mogelijk. In 1968 verdween overigens nog een gedeelte van de Gasgracht, tot aan de Tipbrug. Deze demping is overigens weer uitgegraven in 2008.

De oostwand van het Prinsenplein wordt in sterke mate bepaald door het bankgebouw uit de jaren zestig gelegen op de hoek Marktstraat – Prinsengracht/Gasgracht. Het gebouw detoneert qua hoogtemaatvoering, parcellering en vormgeving met de historische bebouwingskarakteristiek, maar heeft Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

173

KADERTEKST 7

Ter plaatse van de zuidwand is een doorbraak gerealiseerd richting de Kromme Elleboog met een zodanige maatvoering dat het besloten karakter van de pleinruimte verstoord wordt.


Marktdag, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Panorama van de Wheem, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 174

Logement het wapen van Zwolle c.q. de oude pastorie, 1865 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Marktdag, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i De Wheem De Wheem is wel een heel bijzondere vorm van een sloopplein en eigenlijk pas vanaf de 19de eeuw als zodanig te benoemen. Het woord Wheem is afgeleid van ‘whedeme’, een oud woord voor de woning van de pastoor en later de predikant. De bijbehorende grond kreeg de naam ‘whedemehof’ of ook wel afgekort ‘whedeme’. Op de grond had de pastoor vee staan voor zijn levensonderhoud. De Whedeme was oorspronkelijk een stuk land grenzend aan de Hoofdstraat (de toenmalige Kruisweg). Al in het midden van de vijftiende eeuw stond er een pastorie op deze plek (zeker is vanaf 1454), toen nog een houten huis. Rond dezelfde periode gaf de toenmalige pastoor Homoet een gedeelte van de Wheemehof, een perceel aan de huidige Hoofdstraat, tussen Woldstraat (Wildemanssteeg) en Grote Kerkstraat (Papensteeg) in eeuwigdurende erfpacht uit ten behoeve van gebruik en de bouw van een huis door de toenmalige koper. Dit vormde de aanzet tot het dichtbouwen van de wand van de Hoofdstraat op deze plaats en de hierachter gelegen positie van de Wheem. In het begin van de 16de eeuw liet de pastoor Everhardus van Cralen een stenen huis

De Wheem was dus in oorsprong een zogenaamd marktveld, een tuin of weide behorend bij de pastorie van de kerk, waar met toestemming van de pastoor (en later de dominee) markt gehouden werd. De ingang van de Whedeme, die omringd was door sloten, bevond zich aan de Papensteeg (huidige Grote Kerkstraat), waar een tijdlang een schutting de tuin begrensde en een brug over de sloot lag die met een poort kon worden afgesloten. In 1736 stopte de toenmalige predikant met boeren, en in het kader van de toegenomen welvaart werd ter vergroting van het volume een nieuwe aanbouw tegen de oude pastorie aangebouwd. Aan het eind van de 18de eeuw, om precies te zijn in 1795 werd het land en de pastorie door het stadsbestuur toegeëigend. Hiervoor was een duidelijke aanleiding. In deze revolutionaire tijden weigerde de toenmalige rechtzinnige dominee Hein het Declaratoir van de Rechten van de Mens te ondertekenen. Hij werd door het kerspel afgezet en moest de pastorie ontruimen. De secularisatie, het vervreemden van kerkelijke goederen ten bate van de staat, bood het gemeentebestuur de mogelijkheid de Wheeme

en de daarbij behorende gronden te benutten voor het lenigen van de nood aan een marktruimte. Democratisch werd besloten de ruimte te bestraten en in te richten voor de botermarkt. De oude pastorie veranderde van functie en werd verbouwd tot stadsherberg. De westkamer werd eerst ingericht als waag en er werd een stalling voor paarden bijgebouwd. Later werd er een nieuw waaggebouw naast het pand gezet. De gebouwen stonden toen midden op het plein, een situatie die gehandhaafd bleef tot al deze gebouwen in 1864 werden afgebroken. In 1863 besloot het stadsbestuur onder druk van de aanhoudende vraag naar meer marktruimte tot vergroting van de Wheem door sloop van de randbebouwing en de bebouwing midden op het plein, waardoor een ruimere, maar ook meer formele pleinruimte ontstond, die meteen de naam Grote Markt kreeg. Bij deze ingreep is het huidige Wheemgebouw tot stand gekomen, die werd gebouwd als stadsherberg en als waag. Van de Wheem rond het jaar 1900 bestaan een aantal beschrijvingen. Hieruit blijkt dat het plein geplaveid was met veldkeien. Later zijn er diagonaal twee voetpaden van bakstenen in gelegd. In het midden stond een lantaarnpaal met drie armen, waarop een gaslantaarn prijkte. Vanaf 1864 tot ongeveer 1920 heeft het nieuwe Wheemgebouw dienst gedaan als Stadsherberg. Daarna werd het benut als Openbare Bibliotheek en Leeszaal. Na 1993 kwam het in particuliere handen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

PLEINEN

Een sloopplein is een pleintype dat ontstaan is na sloop van een gebouw of bouwblok, en dat daarna als plein is ingericht.

van 14 meter diep en 9 meter breed voor zichzelf op de Whedeme neerzetten. Waarschijnlijk was dit het eerste stenen woonhuis in Meppel (de Grote Kerk en de Meppeler toren zijn uiteraard ouder, het kasteel De Kinkhorst werd ongeveer gelijktijdig gebouwd). De fundaties van het huis bevinden zich nog onder de bestaande pleinvloer.

175

KADERTEKST 7

D Het sloopplein


De Wheem, 1900 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Wheem, 1985 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 176

De Wheem, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Wheem, 2004 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i Transformaties/Aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen, De Wheem: Het plein is vergroot tijdens de sloopoperatie in de tweede helft van de 19de eeuw, waarbij de oostwand voorzien is van een strakke rooilijn en het 19de eeuwse Wheemgebouw is gebouwd. De oude bebouwing midden op het plein is hierbij verwijderd. Ofschoon het Wheemgebouw breder is dan de gebruikelijke parcelleringsmaat in de Binnenstad, vormt deze geen aantasting, omdat het gebouw in haar vormgevingsprincipes, materiaal- en kleurgebruik nauw aansluit op de historische karakteristiek. De brede en monumentale maatvoering was hierbij een acceptabel uitgangspunt, omdat het gebouw als gemeenschapsgebouw met een openbare functie in gebruik was. De huidige commerciĂŤle functie sluit in die zin minder aan bij de uitstraling en betekenis van het monument.

De vormgevingsprincipes van deze invullingen sluiten niet aan bij de historische bebouwingskarakteristiek van de historische binnenstad. Aan de noordzijde van het plein is een van oorsprong kleinschaliger bebouwingswand ingevuld met een volledig pleinvullend appartementengebouw van vier lagen met kap. Deze detoneert qua hoogtemaatvoering, parcellering en vormgeving met de historische bebouwingskarakteristiek. Aan de noordzijde van het plein is een nieuwe straat (de Synagogestraat) gerealiseerd in 1967 in het kader van de saneringsoperatie. Voor aanbevelingen pleinen: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

177

KADERTEKST 7

PLEINEN

Aan beide zijden van het Wheemgebouw zijn nieuwe 20ste eeuwse glazen gevelinvullingen geĂŻntroduceerd waarmee resterende onregelmatigheden in de oostwand van de Wheem rechtgetrokken zijn.


Wetering gezien vanaf Kerkhofsbrug richting Groenmarkt, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

◄ ◄

◄ ◄ 178

De Grote Oever, 1927 <fotoarchief Stichting Oud Meppel, fotograaf A. van Gelder>

Mallegat, 1925. In de verte het NH Armenhuis <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

Kadertekst 8 Water

Transformaties en aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen, de Olde Aa: De situatie rond de Olde Aa is volledig gewijzigd als gevolg van de demping en de sloop van de bebouwing gedurende de vijftiger jaren van de 20ste eeuw. Dit heeft geleid tot een ingrijpende aantasting van de cultuurhistorische karakteristieken, de eigen identiteit en de ruimtelijke kwaliteit van de binnenstad van Meppel. De huidige Grote Oever is nauwelijks meer herleidbaar tot de situatie vóór de demping en sanering.

Gracht De gracht is hét internationale beeldmerk van de Nederlandse historische stad. De ‘klassieke’ Nederlandse gracht, symmetrisch van opbouw, met kades, bomen en bebouwing aan beide zijden, geeft een specifieke atmosfeer aan de historische stad door het contrast van de open, soms zelfs wijdse ruimte met de compacte en kleinschalige stedelijke bebouwing eromheen, in combinatie met de bomen en de spiegeling van licht, wolken en bebouwing in het water. De tweezijdige gracht is in essentie een variant van de straat. De bebouwing heeft precies dezelfde typologie als die aan de straat. Ook hier zijn strakke rooilijnen met plaatselijke onregelmatigheden, een opeenvolging van individuele panden (met hierbij dezelfde gevoeligheid voor schaalvergroting als in de straat), en een stoepenzone aanwezig. En ook hier bevindt zich in de meeste gevallen

representatieve bebouwing, ondanks het bedrijfsmatige karakter dat deze ruimten vaak hadden. Ofschoon de binnenstad van Meppel een groot aantal gegraven waterstructuren heeft gekend, de Wetering/het Kerkhofsdiep/de Hoogeveense Vaart, het Mallegat, de Zuideindigersloot/Keizersgracht-Heerengracht, is hier vóór de tweede helft van de 19de eeuw slechts op een aantal plaatsen een tweezijdig grachtenprofiel te vinden. In veel gevallen grensden aan één zijde achtergevels, achtererven en soms zelfs voortuinen (al dan niet als overtuin) aan het water. Dit gegeven is zeer kenmerkend voor Meppel, net als het voorkomen van veel verschillende soorten waterprofielen. De stad week daarin af van de meeste waterrijke steden in Nederland. De Wetering De Wetering (ook wel Hoofdgracht genoemd ter plaatse van de Binnenstad) was een in de Middeleeuwen gegraven waterloop die in de loop der tijd binnen de bebouwingskern plaatselijk werd voorzien van kades die soms noordelijk, en soms zuidelijk gelegen waren. Een ‘klassieke’ tweezijdige gracht is het nooit geworden, vermoedelijk omdat de Wetering langere tijd de zuidgrens van de bebouwingskern vormde, en de bebouwing hier in de vorm van een bebouwingsstrook in de late Middeleeuwen geleidelijk tot stand kwam, waarbij nog geen sprake was van plan-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WATER

De Olde Aa In Meppel vormde de (Olde) Aa ter plaatse van de Grote Oever een representatieve waterstructuur zoals hierboven beschreven. Langs deze watergang regen zich huizen, achterplaatsjes, winkelpanden, kleine fabrieken en pakhuizen aaneen tot een rijk panorama aan gevarieerde bebouwing. De bebouwing stond hier meestens direct in de waterlijn. In combinatie met het meanderend karakter van de Aa ontstond een uiterst

romantisch en ruimtelijk totaalbeeld.

179

KADERTEKST 8

Rivieroevers Kleinere riviertjes en beken, eigen aan steden op de overgang van hogere naar lagere gronden zoals Meppel, hebben geheel eigen stedelijke ruimtes voortgebracht. In tegenstelling tot de grachten gaat het hier om niet-gegraven waterstructuren die vaak vooral achter de bebouwing langs, door de binnenterreinen en langs achtererven stromen. Het feit dat zij tot de geomorfologische ‘ondergrond’ van de stad behoren en niet zijn aangelegd, al bij de vroege ontwikkeling van de stad betrokken zijn geweest en dus sterk door individuele bouwinitiatieven werden gevormd, verklaart hun ruimtelijke onregelmatigheid en de directe fysieke koppeling tussen water en bebouwing, althans op die plekken waar er van bebouwing sprake is. Waar nog aanwezig behoren zij tot de meest ‘uitheemse’ en vanuit de historische beleving meest spectaculaire historisch-stedelijke ruimtes die het Nederlandse urbane erfgoed rijk is, zoals nog aan de Binnendieze in Den Bosch goed is te zien.


Gasgracht - Oosteinde, 1886 - 1888 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Flexus AWC

Heerengracht - Keizersgracht met Zuiderbrug, 1934 - 1938, <fotoarchief Stichting Oud Mepel>

◄ ◄

180

◄ ◄

Heerengracht - Keizersgracht, 1900, nog met wallekanten en overtuinen <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Oosteinde, 1933 <fotoarchief Stichting Oud Meppel, fotograaf A. van Gelder>


i

Prinsengracht/Gasgracht Ook de Prinsengracht/Gasgracht presenteert zich nu als een tweezijdige gracht, maar was dit van origine niet. Op het kadastrale minuutplan uit 1823 is afleesbaar dat de noordzijde van het water erven gekend moet hebben met plaatselijk bebouwing, waarbij de erven mede ontsloten werden vanaf een noordelijk gelegen weg (de latere Vledderstraat). Aan de zuidzijde van het water be-

Mallegat Het Mallegat is eveneens een gegraven waterstructuur, uit de tweede helft van de 17de eeuw. Rond 1850 was hier sprake van een asymmetrisch profiel. Aan de zuidzijde - de locatie met de oudste bebouwing - was sprake van aaneengesloten achtererven aan de oever, net als bij de Olde Aa. Aan de noordzijde was sprake van een kade met hiervandaan ontsloten bebouwing. Hier bevond zich onder andere het armenhuis van de Nederlands Hervormde Diaconie (het gebouw was eerst als kazerne gebouwd). Transformaties en aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen: Samen met de demping van de Olde Aa heeft de demping van de Wetering, inclusief de Hogetin, tot de grootste aantasting van het stadsbeeld geleid. Deze demping is vanaf de jaren ‘20 tot de jaren ’50 van de 20ste eeuw gefaseerd uitgevoerd). Dit vooral omdat aan de Wetering meerdere centrale stadsruimten gekoppeld waren, zoals de Groenmarkt, de Grote Kerkstraat, de Hogetin, met een ongekend grote variëteit aan stadsprofielen tot gevolg. De Wetering stroomde langs pleinen, langs straten, langs de achterkant van bebouwing, kruiste centrale straten en bood uitzicht op meerdere monumenten en stadsgezichten. De Heerengracht/Keizersgracht en Prinsengracht ondergingen een grote wijziging aan

het begin van de 20ste eeuw. Pas na het rechttrekken en verbreden van het water ten behoeve van de turfvaart door de Drentse Kanaal Maatschappij zijn in de periode 19051910 door gemeentearchitect Monsma de tuinen ten noorden van de Keizersgracht verwijderd met hun hekjes, afdakjes en beplanting. Daarvoor in de plaats kwam een stenen beschoeiïng, en werden er aan beide zijden van het water kades aangelegd. De Heerengracht was hiermee als openbare ruimte een feit. Van de aan de zuidzijde gerealiseerde bebouwing is in een latere fase plaatselijk de rooilijn teruggezet. Een zelfde aanpak met het verwijderen van tuinen en aanleggen van een stenen beschoeiïng werd door Monsma aan het begin van de 20ste eeuw gevolgd langs de Prinsengracht. Op kadastrale plannen uit het Interbellum is afleesbaar dat de Prinsengracht/ Gasgracht tot aan de spoorbaan Zwolle-Leeuwarden inmiddels een symmetrisch grachtenprofiel gekregen had met kade, rijweg en bebouwing aan beide zijden van het water, met in het noordoostelijk deel aan de Gasgracht woningen voorzien van voortuinen. In 1823 was dit nog anders. Toen was plaatselijk nog sprake van overtuinen aan het water.

WATER

Keizersgracht/Heerengracht Ook de Keizersgracht/Heerengracht begon als een sloot, en vormde als Zuideindigersloot (ook wel Katteneindigersloot genoemd) een gegraven waterloop die langere tijd zuidgrens is geweest van de bebouwingskern. De gracht presenteert zich nu als een tweezijdige ‘klassieke’ gracht met kades en bebouwing symmetrisch aan beide zijden van het water, maar was in eerste aanleg niet als tweezijdige gracht aangelegd. De reeks regelmatige percelen aan de noordzijde van het water – het betreft hier een planmatige uitleg uit de 17de eeuw – liepen op de kadastrale minuut van 1823 door tot aan het water, zonder ontsluitende kade of weg, maar vermoedelijk zijn de percelen toch via een openbaar pad of via een erfdienstbaarheid ontsloten geweest. Aan de zuidzijde van de gracht is op het kadastrale minuutplan van 1823 al een weg aanwezig.

vond zich de weg naar de Wijk.

De Heerengracht/Keizersgracht is tijdens de saneringsperiode in de tweede helft van de 20ste eeuw niet gedempt, maar de situatie is tijdens deze periode wel gewijzigd. Het water wordt nog maar weinig gebruikt. De Keizersgracht heeft haar functie als vaarroute verloren bij de realisatie van de Omgelegde Hoogeveense Vaart (volledig gereed in 1988).

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

181

KADERTEKST 8

matige aanleg. Voor deze planmatige aanleg was ook minder noodzaak in Meppel, omdat de stad nooit is beperkt in haar groei door verdedigingswerken.


182

Flexus AWC


i

Havens Net als grachten zijn ook pre-industriële havens in veel Nederlandse historische steden te vinden. Ze zijn gegraven, maar daarentegen veel breder dan grachten. Net als grachten hadden havens naast de handels- , transport- en industriële functie tevens een functie als woongebied, en zelfs als recreatieve plek voor de stedelingen. Historische havens kennen in hoofdzaak twee soorten profielen. Ten eerste het profiel waarbij de waterkanten aan één of twee zijden van de haven bestaan uit onbebouwde erven voor opslag, werven en bedrijfsgebouwen. Ten tweede de havens met aaneengesloten bebouwing met kades, zoals grachten, maar dan breder. De eerste groep is door stadsverdichting op een enkele ◄

Beide bovenstaande pre-industriële haventypen heeft Meppel feitelijk nooit gekend. Wel kende Meppel kleine insteekhavens voor houtzagerijen, timmerbedrijven en scheepswerven. Hier bevonden zich vaak ook molens, die het hout moesten zagen. Op de kadastrale minuut van 1823 telde Meppel drie van dergelijke scheepstimmerhavens. De handel en overslag van goederen vond in Meppel echter niet plaats in deze ‘balkengaten’ maar vanaf de kades langs de waterlopen in de stad, of vanaf enkele sloten die haaks op het water lagen en die als kleine inhammen gebruikt werden. Als eerste echte haven van Meppel uit het industriële tijdperk kan de Stoombootkade (1880) genoemd worden die werd aangelegd ten behoeve van de grotere stoomschepen van de Drentsche Stoomboot Maatschappij, en die een doorgraving was bij het Bleekerseiland. Pas vanaf 1900 werden grotere havenbekkens voor de overslag van goederen aangelegd: de Spoorhaven (1900), de Nieuwe Haven of Buitenhaven (1928) en de Schuttevaerhaven (1929)/Balkengat. De eerste is inmiddels verdwenen. De laatste was naast de aanvoer van hout ten behoeve van een houthandel/zagerij ook voor een bouwmaterialenhandel in gebruik en wordt tegenwoordig vooral voor plezierjachten gebruikt. Al deze havens bevinden zich buiten het gebied

Zicht over schepen aan de Sluisgracht richting Stoombootkade en Meppeler toren, 1947 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

van de historische binnenstad. Transformaties en aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen: De Stoombootkade is nog steeds aanwezig, maar vormt niet meer een aanlegplaats met belang, zoals voorheen. De Spoorhaven is niet meer aanwezig. Deze is vermoedelijk kort na de Tweede Wereldoorlog gedempt. De Nieuwe Haven of Buitenhaven is nog steeds aanwezig, maar de functie is gedurende de periode na de Tweede Wereldoorlog sterk gewijzigd. Was hier eerst sprake van een ligplaats ten behoeve van vrachtvervoerende schepen, nu is sprake van een aanlegplaats voor overwegend de pleziervaart. Ook de functie van de Schuttevaerhaven/Balkengat is gewijzigd. Ook hier is sprake van een vergelijkbare ontwikkeling. In de jaren ’80 van de 20ste eeuw werd het belang van de Schuttevaerhaven voor de recreatievaart erkend. In 1985/1986 werden de kademuren van de Schuttevaerhaven gerenoveerd, waarbij dit Balkengat werd omgebouwd tot een jachthaven met drijvende steigers. WATER

De situatie aan beide zijden van het Mallegat is ingrijpend gewijzigd door saneringsoperaties na de Tweede Wereldoorlog.

uitzondering na uit het stadsbeeld van Nederlandse historische steden verdwenen en vervangen door de laatste categorie.

(Afwaterings)sloten Waterlopen met een louter ontwaterende functie bevonden zich in veel Nederlandse historische steden doorgaans als sloten achter de bebouwing, in de binnenterreinen, maar ook als sloten langs een straat of in de dun bebouwde agrarische randzone van de stad. Het waren dikwijls de restanten van de

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

183

KADERTEKST 8

Reden hiervoor is dat de Hoogeveense Vaart in het buitengebied op veel plaatsen voorzien is van vaste bruggen. Het water heeft hierdoor een doods aanzien gekregen. Gedurende de 20ste eeuw hebben aan de Prinsengracht/Gasgracht ingrijpende wijzigingen plaatsgevonden door het in fasen dempen van de waterstructuur aan de westzijde, en voor wat betreft het deel tussen Tipbrug en gasfabriek weer teruggraven en heropenen in 2008. Eveneens als voor het water van de Keizersgracht/Heerengracht geldt hier voor het resterende water dat het geen onderdeel meer uitmaakt van een scheepvaartroute.


oude agrarische verkaveling, die soms toch ook nog een functie voor bedrijven konden hebben. Zij dienden als afwatering van de binnenterreinen en als open riool, waren dikwijls onbeschoeid en zeer smal, hadden vaak een betrekkelijk recht beloop, beperkten zich slechts tot één of enkele binnenterreinen en waren langs een groot deel van de wallekanten onbebouwd. Zij vervulden in het stadsbeeld een zeer geringe rol, omdat zij deel uitmaakten van de ‘informele structuur’ en vanaf de openbare straat niet zichtbaar waren, of alleen bij de kruisingen met straten. Vrijwel overal zijn deze waters verdwenen, al vanaf de jaren ‘40 van de 19e eeuw. Zij waren vaak slecht doorspuibaar en speelden een niet onaanzienlijke rol in de cholera-epidemieën die de steden al vanaf de jaren ‘30 van de 19de eeuw teisterden. Uit volksgezondheidsoverwegingen werden zij gedempt, zoals de spranten in Dordrecht rond 1850 of de zijlen in Gouda na de aanleg van de riolering na 1872.

Flexus AWC

◄ ◄ 184

Stoombootkade, 1885 - 1890 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Buitenhaven met Pr Hendrikkade, 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Ook in Meppel zijn de nodige afwateringssloten aanwezig geweest in de kern van de bouwblokken. Op de kadastrale minuut van 1823 zijn vele hiervan nog weergegeven. Ook hier waren dit waarschijnlijk restanten van de oudere agrarische verkaveling vóórdat de stad zich uitbreidde over deze gronden. In tegenstelling tot veel andere steden waar deze sloten eveneens te vinden waren, speelden zij in Meppel een grotere rol in het stadsbeeld, omdat de bouwblokken in deze stad zo onregelmatig waren opgebouwd en niet langs alle zijden gesloten waren. De slo-


i

Haventje en Stinksloot Twee sloten die voor de scheepvaart van betekenis zijn geweest en die beiden een zijarm van de (Olde) Aa waren, verdienen tevens de aandacht. Dit betreft het Haventje (hiervoor al genoemd) en de Stinksloot. Hier speelde hygiëne evenals bij de andere sloten een rol bij de keuze voor demping. Het Haventje was een water dat liep van waar nu de Havenstraat ligt tot ongeveer de Kinkhorststraat; Het was de oorspronkelijke verbindingsvaart tussen de (Olde) Aa en de slotgrachten van het slot de Kinkhorst, en werd gebruikt als ligplaats voor schepen wanneer er geen plaats meer was in de grachten. Ook de Stinksloot (ter plaatse van de huidige Brouwersstraat) werd gebruikt om schepen af te meren.

Vaart. Een vertakking van de Poele kwam uit in een sloot die liep waar nu de Noteboomstraat te vinden is. Deze vertakking liep tevens (met een haakse hoek) achter de noordelijk gelegen bebouwing aan de Wildemanssteeg (de latere Woldstraat). Transformaties en aantastingen t.o.v. 1823: op hoofdlijnen: Het Haventje werd in 1883 gedempt. De Stinksloot werd uiteindelijk in verband met de beperkte doorstroming (de naam van de sloot zegt voldoende over de redenen) gedempt. Dit is vermoedelijk gebeurd na het ‘cholerajaar’ 1866. De Poele is omstreeks 1890 gedempt en op het tracé heeft de gemeente een straat aangelegd, toepasselijk Nieuwstraat genoemd. Op die wijze ontstonden de twee parallelle straten aan weerszijden van een smalle bebouwingsstrook, die na afbraak van deze strook tijdens de saneringsoperatie het brede stuk van de Woldstraat werd. Over het meer westelijke deel van de Poele is later de Noteboomstraat aangelegd. Het beloop van deze straat refereert nog enigszins aan de vroegere sloot. Zie gebiedsbeschrijving 3 voor meer informatie.

WATER

De Grote Akkerstraat Een sloot die waarschijnlijk onderdeel van een agrarische verkavelingsstructuur uitgemaakt heeft, waterde af op de (Olde) Aa ter plaatse van de latere Grote Akkerstraat. Deze straat liep vanaf de huidige Hagenstraat in noordelijke richting met een bocht naar links richting Aa, om in de Hagendwarsstraat uit te komen (ter hoogte van de huidige Grote Oever). In het verlengde van de Grote Akkerstraat bevond zich de Korte Akkerstraat die doorliep richting de Grote Kerk. Ook hier bevond zich de sloot (deze is op de kadastrale minuut uit 1823 niet meer aangegeven en was toen verdwenen), die vermoedelijk aansloot op de zogenaamde Kerksloot die de scheiding vormde tussen de kerkegrond en de percelen aan de Hagenstraat. Een kleine rest van de Kerksloot is nog zichtbaar op de kadastrale minuut uit 1823. Deze ringsloot was vermoedelijk onderdeel van een oude ontginningsstructuur. De sloot is nu niet meer aanwezig. Op de kadastrale minuut van 1823 is duidelijk te zien dat de sloot zijn afdruk in het stedelijk weefsel had achtergelaten, zoals de gekromde bebouwingswand aan de noordzijde van de huidige Kleine Akkerstraat, maar ook aan het beloop van de huidige Grote Akkerstraat zelf en de parcellering in het toenmalige binnenterrein tus-

sen de Hagendwarsstraat, Hagenstraat en Hoofdstraat is dit af te lezen. Als gevolg van de naoorlogse stadssanering en de bouw van winkelcentrum Swaenenborgh, zijn deze restanten van de prestedelijke slotenstructuur weggevaagd. Zelfs de gekromde wand van de Kleine Akkerstraat is niet teruggekomen in de nieuwbouw van Swaenenborgh. Alleen aan het feit dat oostzijde van de huidige Grote Akkerstraat nog deels bestaat uit de achterkanten van bebouwing is nog af te lezen dat hier ooit water heeft gelopen.

De Poele Ook in het voormalige buitengebied van Meppel lagen meerdere sloten. Een bekend exemplaar is ‘De Poele’, een sterk vervuilde sloot die liep van het Jufferenpad naar de samenvloeiing van de Wold Aa en de Oude Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

185

KADERTEKST 8

ten zijn nu allemaal gedempt, maar zij hebben nog wel hier en daar hun sporen in de verkaveling en het stadsweefsel nagelaten, zoals de Havenstraat, die is aangelegd op het tracé van zo’n sloot, of de knik in de verkaveling aan de zuidzijde van het Prinsenplein.


Hoofdstraat 85 e.v., 1936 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄ ◄

◄ ◄ ◄

Flexus AWC

◄ ◄ 186

Hoofdstraat 49 - 57, 1938 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Zuideinde 24 - 28, 1918 Hoofdstraat, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel> <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Hoofdstraat, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


i

Kadertekst 9 Winkelpuien

Pas in de tweede helft van de 20ste eeuw komen allerlei varianten van de abstracte pui in zwang waarbij als constante in alle naoorlogse stijlwisselingen het loslaten van bovenstaande principes kan worden geconstateerd, zoals het loslaten van de verdeling van de pui in horizontale en verticale stroken, de beëindiging van de pui aan de bovenzijde, en de pui als gevelbreed frame dat niet in een ander stenen frame gevat is. Dat betekent dat er met moderne pui-invullingen een sterke verticale tweedeling ontstaat tussen pui en bovenbouw en een gebrek aan samenhang in de gevel die er voorheen nooit is geweest. Een totale gevelwand kan als gevolg van een dergelijke ontwikkeling als geheel verrommelen en een ‘geamputeerde’ indruk maken. Dit vormt een ernstige aantasting van de grote samenhang binnen de historische gevelarchitectuur. Drie foto’s van de Hoofdstraat, 1980, 1985, 1990 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Een andere constante in de compositie van de Nederlandse pui is de grote mate van ar-

Met al deze principes sloot de pui naadloos aan op de bovenbouw, waar dezelfde principes op van toepassing waren, zoals de complexe compositie in horizontale en verticale vlakken, het verfijnd spel van licht en schaduw door het subtiele reliëf en de expliciete afsluiting van de gevel aan de bovenzijde.

WINKELPUIEN

Het gegeven dat de pui was onderverdeeld in vakken en stroken, is eveneens een rode draad die in alle historische puien uit diverse perioden tot aan de jaren ’30 van de 20ste eeuw kan worden teruggevonden. Dit drukte zich in horizontale zin uit in zijvakken en een entreepartij, gescheiden door middel van stijlen en pilasters; in verticale zin in een opdeling in een een voet waar de pui op staat (borstwering), een middenstrook met vensters en deuren, en een bovenstrook met een dubbele expliciete beëindiging door middel van een strook bovenlichten én een waterslag/kroonlijst.

chitectonische verfijning, de zekere mate van decoratie en het verfijnde reliëf tussen pui en glas als ook in de constructie van de pui zelf (profielen). Door dit verfijnde reliëf ontstaat een subtiel spel van licht en schaduw, die de gevel een aangename complexiteit verleent.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

187

KADERTEKST 9

Puien zijn doorheen de geschiedenis vaak aangepast aan de eisen en stilistische wensen van de tijd, maar niettemin bleven puien uit alle perioden vóór de tweede helft van de 20ste eeuw in essentie overtuigend aansluiten op de kernprincipes van de architectuur van de gevels uit de verschillende stijlperioden. Zo is kenmerkend voor de Nederlandse puien dat deze een (vrijwel) gevelbreed, ‘autonoom’ houten frame zijn onder de bovenliggende gevel, en doorgaans niet een houten frame omvat ín een stenen frame, zoals in veel landen om ons heen met een natuursteenbouwtraditie wél het geval was. De Nederlandse houten pui drukt hiermee het dragen van het bovenliggende gevelvlak uit, hetgeen vaak ook werkelijk het geval was, vanaf de 19de eeuw daarin geholpen door toegevoegde ijzeren en stalen elementen.


188

Flexus AWC


Alle fotoâ&#x20AC;&#x2122;s op beide paginaâ&#x20AC;&#x2122;s, Meppeler winkelgebied 2011 - 2012 <Flexus AWC> Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

189

KADERTEKST 9

WINKELPUIEN

i


Alle foto’s op beide pagina’s, 2011 - 2012 <Flexus AWC>

190

Flexus AWC


Het begrip ‘historische diversiteit’ verhoudt zich tegengesteld tot het ‘(post)moderne type van diversiteit’ waarin sterk de nadruk gelegd wordt op de uniciteit van het ontwerp, een (sterk) contrast van een gebouw met zijn directe omgeving en omliggende gebouwen en op verscheidenheid zonder vormverwantschap met de omgeving. Vormgevers trachten vaak het (post)moderne type diversiteit te mengen met historische diversiteit, in de veronderstelling dat het in beide gevallen om diversiteit gaat en dus beide hetzelfde zijn. Wanneer echter een type diversiteit die niet op eenheid berust wordt gemengd met een type diversiteit waarvan samenhang wel een pijler is, zal de laatste vanuit de aard der zaak op termijn geen stand houden.

Bij de invulling met nieuwe winkelpuien is vaak sprake van hetzelfde probleem. Door de ‘verwinkeling’ vanaf het midden van de 20ste eeuw, waarin onderpuien geen of nauwelijks meer relatie hebben met de historische karakteristieken van de bovenbouw van de panden, is behalve tussen gebouwen, ook de eenheid in het gevelbeeld binnen dezelfde panden sterk afgenomen, met name in het kernwinkelgebied.

HISTORISCHE DIVERSITEIT VERSUS (POST)MODERNE DIVERSITEIT

In architectuurdiscussies wordt het begrip ‘diversiteit’ vaak gebruikt, zeker in relatie tot de historische binnenstad, waar de verscheidenheid van architectuur en de verschillen in hoogte, breedte, kapvorm en gevelafsluiting tussen panden bijna spreekwoordelijk zijn geworden. ‘Diversiteit’ wordt in de discussie vaak als containerbegrip gehanteerd, zonder dat onderkend wordt dat er verschillende typen van diversiteit bestaan. Met name in de historische binnensteden is er sprake van een specifiek type diversiteit, die te benoemen is als ‘historische diversiteit’, waarbij sprake is van ‘eenheid in verscheidenheid’, dat wil zeggen dat de diverse bouwstijlen en bouwperioden op onderdelen van elkaar verschillen, maar doorheen alle eeuwen (tot aan het eerste kwart van de 20ste eeuw) ook zoveel basisprincipes met elkaar gemeen hadden, dat er een sterk samenhangend beeld ontstond.

i

Aantastingen, Transformaties: Moderne diversiteit versus historische diversiteit In Meppel zijn meerdere voorbeelden van het bovenstaande principe te benoemen. Dit wordt voor wat betreft de invulling van de saneringsgebieden vanaf de jaren ’50 tot aan nu des te pijnlijker, omdat tussen de verschillende architecturen (die overigens soms van goede kwaliteit zijn) die op deze locaties geïntroduceerd zijn ook weinig of geen onderlinge relatie bestaat, bijvoorbeeld voor wat betreft hoofdvorm, gevelcompositie/ hoofdprincipes van de gevelindeling, de materialisering, en kleurstellingen, waardoor het totaalbeeld van deze omgevingen zeer onsamenhangend is. Bron: <Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling historische binnenstad Kampen, Flexus AWC, Rotterdam 2011> <Het systeem van de Nederlandse historische stad’, Promotieonderzoek TU Delft, vakgroep Urbanism, Marcel van Winsen & Hugo van Velzen, lopend onderzoek> Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

191

KADERTEKST 10

Kadertekst 10 Historische diversiteit versus (post)moderne diversiteit


Alle foto’s op beide pagina’s, 2011 - 2012 <Flexus AWC>

192

Flexus AWC


Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

193

KADERTEKST 10

HISTORISCHE DIVERSITEIT VERSUS (POST)MODERNE DIVERSITEIT

i


194

Flexus AWC


i

In een onderzoek, uitgevoerd door Stichting Drents Plateau in januari 2005 in het kader van de studie ‘Het Erfgoed van Meppel’, heeft een voorlopige bouwhistorische inventarisatie plaatsgevonden van de bebouwing in de Binnenstad. De integrale tekst (op enkele plaatsen geredigeerd) en de pandlijsten die resulteerden uit het onderzoek zijn hieronder opgenomen ter ondersteuning van toekomstig bouwhistorisch onderzoek in de binnenstad van Meppel. Methodiek. De onderzoekers van Drents Plateau gaven duidelijk aan wat hun methodiek bij de inventarisatie geweest was en benoemden de volgende punten: 1. Relatie van het onderzoek met het Monumenten Inventarisatie Project. ‘Zoals in veel oude binnensteden, bleken in Meppel erg veel panden een voorgevel te hebben die jonger is dan de rest van het gebouw. Als het metselwerk van de zijgevels zichtbaar was, waardoor een schatting van ◄

Entreeportaal Mariakerk <M. Krooshof>

de ouderdom daarvan gemaakt kon worden, was de voorgezette voorgevel een van de meest gebruikte argumenten om een bouwtijd vóór 1850 te vermoeden. Daarbij is het jaartal 1850 als grens aangehouden, omdat vanaf dat jaar beschikt kan worden over de gegevens van het Monumenten Inventarisatie Project en het Monumenten Selectie Project’ (beiden Projecten betreft bebouwing van na 1850). ‘Vastgesteld is dat op de MIP-lijst veel panden voorkomen die ook in de (uit ons onderzoek resulterende, red.) ‘bouwhistorische’ selectie zijn opgenomen. Op het eerste gezicht lijkt dat verwarrend, vooral omdat in de MIP-lijst een datering van na 1850 genoemd wordt. Bij het Monumenten Inventarisatie Project is echter met een ander oog naar de panden gekeken. De gebouwen zijn meestal gedateerd op grond van architectuurhistorische kenmerken van de gevels, die vaak 19e of 20e eeuws zijn (en die voor de oudere casco’s geplaatst zijn, red). Bij de bouwhistorische inventarisatie is juist naar andere kenmerken gekeken, die zich niet in de voorgevels, maar in andere delen van het gebouw voordeden. Overigens komen in de MIP-lijst ook opmerkingen voor die wijzen op een oudere kern van het beschreven pand’. 2. Opnamesystematiek. ‘In enkele gevallen kon met zekerheid vastgesteld worden dat de zijgevels ouder dan 1850 zijn. Dat kon op grond van het baksteenformaat of de toepassing van klezoren,

kwart bakstenen, die in principe alleen vóór ca. 1735 gebruikt werden. De hoogte van de begane grond kan ook een belangrijke aanwijzing zijn. Is die beduidend hoger dan de bouwlagen erboven, dan kan dat wijzen op een hoge ouderdom, zeker in combinatie met een vernieuwde voorgevel. De steilte van de kap is ook zo’n aanwijzing. In principe geldt: hoe steiler, des te ouder. Als een huis links en rechts een smalle doorgang naar de achterkant heeft, kan dat erop wijzen dat het om een oude huisplaats gaat. De oudste huizen in een stad hadden oorspronkelijk een dak van riet of stro. Het regenwater moest aan de zijkanten eraf kunnen druipen. Na het verharden van het dak bleef de ruimte om het huis vaak gehandhaafd. Er is bij de analyse en opname niet alleen gebruik gemaakt van visuele inspectie. De kadastrale minuut van 1832 is tevens gebruikt als analyse-instrument.’

BOUWHISTORISCHE VERWACHTING

In de oude kern van Meppel is de informatie over de bewoningsgeschiedenis niet alleen ondergronds als archeologische schat te vinden, maar ook bovengronds in de aanwezige bebouwing. Het is daarom van belang bij ontwikkelingsplannen in de oude kern, waar relevant, tevens een inpandig bouwhistorisch onderzoek uit te laten voeren. De resultaten van dit onderzoek kunnen worden gebruikt in het karterend/waarderend onderzoek dat eventueel daarna plaatsvindt.

Resultaten van het onderzoek. Als resultaat van het onderzoek zijn door de onderzoekers lijsten samengesteld van panden waar bouwhistorische verwachting een rol speelt. Zij gaven aan dat het wenselijk is dat bij een verbouwing of sloopaanvraag als voorwaarde wordt gesteld dat minimaal een bouwhistorische verkenning van 1 à 2 uur plaatsvindt. Dat betekent niet dat er in die panden niets zou mogen worden verbouwd, maar wel dat verrassingen op die manier kunnen worden voorkomen en op zijn minst een goede vorm van documentatie bewaard blijft. Wanneer een verkenning als resultaat

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

195

KADERTEKST 11

Kadertekst 11 Bouwhistorische verwachting


oplevert dat het pand waardevol bouwhistorisch materiaal bevat, kan een bouwhistorische opname volgen. Daartoe behoort ook archiefonderzoek. De uiteindelijke resultaten daarvan kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de stadsgeschiedenis van Meppel.

Hoofdstraat 50. Op een datering voor 1850 wijzen de hoofdvorm van de gevel en de aard van het metselwerk.

De onderzochte panden zijn onderverdeeld in: Categorie 1: Panden waarvan zeker is dat ze voor 1850 zijn gebouwd Categorie 2a: Panden waarvan het vermoeden bestaat dat ze voor 1850 zijn gebouwd, en/of waar factoren wijzen op een hoge mate van bouwhistorische waarde Categorie 2b: Panden waarvan het vermoeden bestaat dat ze voor 1850 zijn gebouwd, en waarvan de bouwhistorische waarde zich niet per direct zich aandient. Voor al deze panden zou de bovenstaande voorwaarde voor onderzoek dringend gewenst zijn. In alle categorieën bevinden zich rijks- en provinciale monumenten.

Hoofdstraat 58. Hoekverbanden met klezoren zeker voor ca. 1735 en steilte van de kap wijzen op een bouwjaar voor 1850.

Categorie 1: panden die zeker voor 1850 zijn gebouwd Hoofdstraat 22. Een classicistisch gebouw uit 1831 met kroonlijst en met een fronton bekroonde voorgevel. Door het 18e eeuws metselwerk en de osendrop (druipstreek) is een bouwperiode van 1850 aannemelijk. Hoofdstraat 30. Met glas-in-lood ramen. De hoekverbanden met klezoren zijn zeker voor ca. 1735. Nader onderzoek gewenst. 196

Flexus AWC

Hoofdstraat 52. Nederlands hervormde kerk uit de vijftiende eeuw.

Hogetin 3: Onder meer duidelijk door de kelders en de uitvoering van de kelderlichten en de ankers in de voorgevel. Ook met een steen , ‘A0 1633’ in de zijgevel. Kruisstraat 12. Door de architectuur van de gevel (stilistische aspecten) en de hoofdvorm van de gevel. Kruisstraat 15. Door de hoofdvorm en de architectuur van de gevel (stilistische aspecten) duidelijk een pand van voor 1850. Kruisstraat 28. Door de aard van het metselwerk (metselverband, kleur van de steen, formaat van de baksteen) en door de eierlijst. Prinsengracht 1. Door de hoekverbanden met klezoren zeker voor ca. 1735.

kalkmortel voor 1850 te dateren. Prinsenplein 50. Een deel van de voorgevel heeft 18e eeuws metselwerk en er zijn ook hier klezoren gebruikt. Woldstraat 8. Hoekverbanden met klezoren en dus voor ca 1735. Ook door de sierankers en de ankers in de zijgevels voor 1850 te dateren. Woldstraat 17. Door de hoofdvorm van de gevel en de aard van het metselwerk (metselverband, kleur van de steen en het formaat van de baksteen) voor 1850. Prioriteit nader onderzoek. Woldstraat 20-22: Door de hoofdvorm van de gevel (8 a 9 meter breed), het venstertype, de osendrop aan de linker- en rechterzijde duidelijk voor 1850 gebouwd. Bij de panden op deze lijst is het evident, dat bij afbraak of ingrijpende wijziging een bouwhistorische verkenning plaats moet vinden. Categorie 2a: panden die waarschijnlijk voor 1850 zijn gebouwd

Prinsengracht 12. Door de hoekverbanden met klezoren zeker voor ca. 1735.

Bij onderstaande panden zijn er vaak sterke aanwijzingen, dat (delen van) de panden voor 1850 zijn gebouwd. Voor al deze panden is nader onderzoek gewenst.

Prinsenplein 48. Voorgevel is waarschijnlijk 18e eeuws. Ook door het metselwerk en de

Hoofdstraat 1. Vermoedelijk voor 1850 gebouwd vanwege de kelder en de uitvoering


i Hoofdstraat 20. Waarschijnlijk ouder dan 1850 door de grote hoogte van de begane grond, de vervangen voorgevel en het 18e eeuwse metselwerk aan de voorgevel. Hoofdstraat 30. De voorgevel is vervangen, maar de zijgevels zijn ouder dan 1850. Door de steilte van de kap en de hoekverbanden met klezoren (van voor ca 1735) voor 1850 gebouwd. Hoofdstraat 36. De kap lijkt verwijderd. Hoofdstraat 37a. De schuifvensters met toognagels wijzen op een datering voor 1850. Hoofdstraat 62. De voorgevel is duidelijk eind 19e eeuws en de zijgevels zijn gepleisterd. Hoofdstraat 78. Door de grote hoogte van de begane grond en het voorgezet voorhuis waarschijnlijk te dateren voor 1850. De hoekpanden aan de Brouwersstraat zijn erin opgenomen. Kruisstraat 4-6. Door de hoekverbanden met klezoren in nummer 4 kan dit samengestelde pand van voor 1850 dateren. Kruisstraat 7. De voorgevel is vervangen, maar de zijgevels zijn ouder. Door de steilte

Molenstraat 21: Ouder dan 1850 (waarschijnlijk) door hoofdvorm van de gevel.

Kruisstraat 9. Het pand is nu achter plaatmateriaal weggewerkt, maar de dwarskap wijst op een bouwperiode voor 1850.

Molenstraat 25: De voorgevel is vervangen, maar de linker zijgevel is ouder dan 1850. De huisjes achter dit pand moeten onderzocht worden.

Kruisstraat 11. De onderzijde van het pand toont ouder metselwerk met daggenstreep, terwijl ook de dwarskap wijst op een bouw van voor 1850.

Molenstraat 47-45-43. Door de hoofdvorm van de gevels ouder dan 1850. De relatie met de panden op het kadastrale minuut van 1832 moet worden onderzocht.

Kruisstraat 17. Van voor 1850 door osendrop aan de linkerzijde, de grote hoogte van de begane grond, de zijgevels (de voorgevel is vervangen) en de ankers in de zijgevels.

Prinsengracht 22. De aard van het metselwerk is 18e-eeuws.

Kruisstraat 26: Situatie lijkt op die van kadastrale minuut van 1832 en dus waarschijnlijk ouder dan 1850. Kruisstraat 28: Ouder dan 1850 door aard metselwerk (metselverband, kleur van de steen en formaat van de baksteen) en de eierlijst. Kruisstraat 30. De kadastrale minuut van 1832 geeft aanleiding tot nader onderzoek. Dus prioriteit nader onderzoek. Molenstraat 7-9-11. Molenstraat 17-19. Ouder dan 1850, door osendrop aan linker- en rechterzijde. Samenvoeging van twee oorspronkelijke panden.

BOUWHISTORISCHE VERWACHTING

Hoofdstraat 3. Vormt samen een geheel met Hoofdstraat 1 en is dus een gemeentelijk monument.

van de kap en de oude schuifvensters met toognagels waarschijnlijk voor 1850 gebouwd.

Prinsenplein 11-13: De voorgevel van nummer 11 is vervangen, maar de zijgevel is ouder dan 1850. De dichtzetting van de boog in de zijgevel wijst hier ook op. Het gaat waarschijnlijk om de samenvoeging van twee panden. Prinsenplein 21: In verband met gelijke grootte met nummer 23 waarschijnlijk ouder dan voorgevel laat zien. Niet te traceren op de kadastrale minuut van 1832. Prinsenplein 23: De top is vernieuwd, maar de voorgevel heeft restanten van klezoren aan de onderzijde, die van voor 1850 dateren. Niet te traceren op kadasterkaart van 1832. Woldstraat 6. Bouwnaad in de gevel aan de Wheem wijst op bouwjaar voor 1850. Het voorste gedeelte van de gevel stamt wat ar-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

197

KADERTEKST 11

van de kelderlichten en de steilte van de kap.


chitectuur betreft uit de tweede helft van de 19e eeuw, maar is mogelijk van binnen ouder. Woldstraat 18. De hoofdvorm van de gevel en de vlechtingen in de voorgevel duiden op een bouw voor 1850. Woldstraat 25-27: Winkel. De grote hoogte van de begane grond en de dwarskap wijzen op een bouwjaar voor 1850. Woldstraat 26-28. De voorgevel is vervangen, maar de zijgevels zijn ouder. Onder meer door de ankers in de zijgevels als ouder dan 1850 te dateren. Woldstraat 30. De voorgevel is vervangen, maar de zijgevels zijn veel ouder. Op een datering voor 1850 wijzen o.a. de lagere achterbouw, de opzet in een voor- en achterhuis en de kelder. Woldstraat 32. Ook hier is de voorgevel vervangen en zijn de zijgevels ouder. Ankers in de zijgevels. Woldstraat 35. De grote hoogte van de begane grond kan wijzen op bouw voor 1850. Woldstraat 40. Voor 1850 wijzen de aanwijzingen voor verhoging van het pand, de oudere zijgevels en de ankers in de zijgevels. Prioiteit nader onderzoek. Woldstraat 44. De steilte van de kap, de ankers en de grote hoogte van de begane grond 198

Flexus AWC

wijzen op een datering voor 1850. Woldstraat 45. De steilte van de kap kan wijzen op een bouwtijd voor 1850. Woldstraat 46 (samen met 44 â&#x20AC;&#x2DC;Eleveldâ&#x20AC;&#x2122;). Wellicht gebouwd voor 1850 vanwege de grote hoogte van de begane grond, de oudere zijgevels en het oudere metselwerk in de rechter zijgevel. Woldstraat 47. De opzet in een voor- en achterhuis wijst op een bouw voor 1850. Het betreft in totaal 39 panden. Een aantal van deze panden worden hier uitgelicht, omdat er vermoedens bestaan dat zij gebouwd zijn voor 1850 of dat zij een aantal belangwekkende oudere bouwelementen bevatten. Daarbij gaat het meestal om een ouder achtergedeelte. Juist de panden op deze lijst verdienen nader onderzoek. De meeste panden bevinden zich in de Kruisstraat, de Molenstraat, het Prinsenplein en de Woldstraat. De zuidkant van het Kerkplein is waarschijnlijk voor het grootste deel vernieuwd, maar de westkant (in samenhang met de Hoogetin) en de noordkant kunnen waardevolle delen bevatten. Zoals bij alle geselecteerde panden het geval is, zal ook hier nader onderzoek verricht moeten worden. Categorie 2b Het onderscheid tussen categorie 2a waarvoor het gewenst is dat er nader onderzoek wordt verricht en categorie 2b waarvoor de

prioriteit voor nader onderzoek niet geldt, is gradueel. Alertheid voor bouwhistorische kenmerken bij verbouwingen is gewenst. Tot de categorie 2b behoren de panden: Bleekerseiland 1 Bleekerseiland 3-5 Bleekerseiland 7 Bleekerseiland 9 Bleekerseiland 11 Bleekerseiland 19 Groenmarkt 2 Grote Kerkstraat 1 Grote Kerkstraat 2 Grote Kerkstraat 3 Grote Kerkstraat 4 Grote Kerkstraat 6 Grote Kerkstraat 7 Grote Kerkstraat 9 Grote Kerkstraat 11 Grote Kerkstraat 14 Grote Kerkstraat 15 Grote Kerkstraat 16 Grote Kerkstraat 17 Grote Kerkstraat 18 Grote Kerkstraat 19 Grote Kerkstraat 20 Grote Kerkstraat 21-23 Grote Kerkstraat 22 Grote Kerkstraat 24 Hoofdstraat 4 Hoofdstraat 5 Hoofdstraat 7 Hoofdstraat 8 Hoofdstraat 9 Hoofdstraat 10 Hoofdstraat 11


i Woldstraat 24 Woldstraat 34-36 Woldstraat 49 Zuideinde 19 De onderzoekers gaven aanvullend aan dat het ook mogelijk is dat buiten de Binnenstad gebouwen van voor 1850 staan. Op grond van bestudering van de kadastrale minuut van 1823 lijkt het echter niet of nauwelijks het geval. Wel is het mogelijk dat onder de huizen aan de Keizersgracht, de Heerengracht en de Sluisgracht meer belangwekkende exemplaren schuil gaan dan in de selectie aangegeven is. In de meeste gevallen lijken de huizen in de genoemde straten jonger te zijn, maar op grond van de kadastrale minuut moet het niet onmogelijk geacht woren dat in een aantal huizen restanten van oudere bebouwing bewaard is gebleven. De genoemde straten zouden daarom in hun geheel voor bescherming in aanmerking kunnen komen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

BOUWHISTORISCHE VERWACHTING

Kerkplein 10 Kerkplein 14 Kerkplein 15 Kerkplein 17 Kerkplein 18 Kerkplein 19 Kerkplein 20 Kleine Akkerstraat 17 Kleine Oever 14 Kruisstraat 2 Molenstraat 15 Molenstraat 22 Molenstraat 23 Molenstraat 26 Molenstraat 49 Molenstraat 51 Molenstraat 53 Prinsengracht 3 Prinsengracht 4 Prinsengracht 5 Prinsengracht 6 Prinsengracht 10 Prinsengracht 12 Prinsenplein 5 Prinsenplein 25 Prinsenplein 44 Prinsenplein 46 Prinsenstraat 1 Sluisgracht 7 Sluisgracht 10 Sluisgracht 21-22 Woldstraat 8a Woldstraat 8 Woldstraat 16 Woldstraat 19 Woldstraat 21 Woldstraat 23

199

KADERTEKST 11

Hoofdstraat 13 Hoofdstraat 15 Hoofdstraat 18 Hoofdstraat 23 Hoofdstraat 24 Hoofdstraat 25-27 Hoofdstraat 26 Hoofdstraat 28 Hoofdstraat 29 Hoofdstraat 31 Hoofdstraat 34 Hoofdstraat 38 Hoofdstraat 41 Hoofdstraat 42 Hoofdstraat 43 Hoofdstraat 53 Hoofdstraat 55 Hoofdstraat 56 Hoofdstraat 57 Hoofdstraat 59 Hoofdstraat 60 Hoofdstraat 64 Hoofdstraat 70 Hoofdstraat 74 Hoofdstraat 76 Hoofdstraat 83 Hoofdstraat 84 Hoofdstraat 113 Hoofdstraat 115 Keizersgracht 10 Keizersgracht 37-38-39 Kerkplein 1 Kerkplein 2 Kerkplein 3 Kerkplein 6 Kerkplein 8 Kerkplein 9


200

Flexus AWC


2 Zuideinde / Stationsweg

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het Zuideinde en de Stationsweg hebben ieder – ofschoon hier samenvallend in één gebied – een andere ontstaansgeschiedenis. Niettemin tonen zij beiden de welvaart die het resultaat was van de hernieuwde economische en industriele groei in de tweede helft van de 19de eeuw. Het Zuideinde Het Zuideinde - oorspronkelijk Katteneinde geheten, en liggend in het verlengde van de toenmalig Tweede Hoofdstraat - vormde, aan de zuidzijde van de Zuideindiger sloot gelegen, oorspronkelijk een uitvalsweg van Meppel richting Staphorst. Deze route verliep voor de eerste helft van de 19de eeuw vanuit de stadskern via de Beerebrug (toen een draaibrug, gelegen op de locatie van de huidige Zuiderbrug), via de haaks op het Katteneinde aansluitende Weertdijk (de latere Weerdstraat) via de Eekmolenbrug over de Reest. Het belang van deze route nam af toen Koning Willem I in 1822 zijn plan aankondigde een rijksstraatweg Zwolle – Meppel – Assen – Groningen te realiseren. Aan het einde van de achttiende eeuw was onder het Franse bewind een hiërarchisch systeem van wegen (route impériales) geintroduceerd. Tot die tijd was voornamelijk sprake van onverharde zandwegen. De introductie van dit nieuwe systeem resulteerde in verharding van de belangrijkste hoofdroutes in ons land, en de nieuwe koning continueerde met dit besluit het eerder ingezette beleid. Ofschoon het eerst de intentie was bij Meppel naar het zuiden de route over Zwartsluis en Hasselt te nemen, werd op lang aandringen van Meppel besloten

de weg naar Zwolle over Rouveen en Staphorst aan te leggen, in het verlengde van het bestaande Katteneinde naar het zuiden; deze route was korter. Bovendien resulteerde dit in een route over de Hoofdstraat, dwars door het stadje, wat economisch van belang was. Gevolg van deze keuze was dat het Katteneinde naar het zuiden verlengd moest worden tot aan de Reest alwaar een nieuwe houten brug (eerst Reestbrug, later Werkhorstbrug genaamd) gebouwd werd (1829), op de grens van Drenthe en Overijssel. In 1839 was de volledige straatweg functioneel, en kon men naar de beste mogelijkheden van de tijd over een verharde weg met de diligence Meppel aandoen. Het gedeelte weg tussen het oude Katteneinde (huidige noordelijk gedeelte van het Zuideinde) en de brug over de Reest werd Staphorsterweg genoemd, en werd een aantrekkelijke vestigingsplaats voor diegenen die zich een woning buiten de dichtbebouwde stadskern konden veroorloven. Meer richting het centrum vond vestiging van het postkantoor (1907), winkelruimte en zeker één hotel plaats. Ook werd hier al in 1866 de Rooms-katholieke Sint Stephanuskerk gebouwd die aanvankelijk geheel Zuidwest-Drenthe als parochie had. De Staphorsterweg was in zijn oorspronkelijke opbouw een typische rijksstraatweg. Foto’s uit de periode rond 1900 tonen een met veldkeien verharde weg, aan beide zijden omzoomd door (eike)bomen. Met name aan het eerste gedeelte van de weg tot aan de Stationsweg en aan de westzijde van de weg vanaf de Stationsweg tot aan de Werkhorstbrug verschenen de eerste riante woningen van notabelen. Rond 1885 waren deze kavels grotendeels bebouwd.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Zuideinde bij Ogterop, 1905 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

201

GEBIED 2

◄◄


202

Flexus AWC


4

Stationsweg en Wilhelminapark, kadastrale kaart 1911

◄◄

Zuideinde 1923, gefotografeerd in de richting van de binnenstad. In de verte de toren van de Rooms-katholieke Sint Stephanuskerk <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Werkhorstbrug, 1902 richting Meppel gefotografeerd. De grenssteen rechts van de brug is goed zichtbaar. Rechts de locatie van het latere Wilhelminapark <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De oostzijde van de weg in aansluiting op het latere Wilhelminapark volgde al snel, zoals de kadastrale minuut van 1911 laat zien. Scholen Een opvallende ontwikkeling langs het nieuwe Zuideinde was de vestiging van scholen. De aanleg van de straatweg en uitbreiding van de stad aan deze zijde viel samen met een periode van introductie van verschillende vormen van onderwijs. O.a. het Zuideinde bleek evenals de parallel lopende achterstraat (Prins Hendrikstraat, later Catharinastraat) een representatieve en gewilde locatie, met de vestiging van twee scholen aan het Zuideinde tot gevolg. De Rijks Hogere Burgerschool, al eerder gestart aan de Heerengracht, verhuisde in 1882 naar een nieuw groot gebouw aan het Zuideinde (het gebouw is in de huidig situatie een bedrijfsverzamelgebouw). Ook de Rijkslandbouw Winterschool vond een plek aan het Zuideinde. Het uit 1894 stammende hotel-cafe-restaurant Het Wapen van Meppel werd in 1910 aangekocht en om-

gezet in een schoolgebouw (het huidige gebouw van scholengemeenschap Stad en Esch). Stationsweg De huidige Stationsweg heeft haar ontstaan te danken aan de introductie van de spoorwegen. Na eerdere vergeefse initiatieven tot aanleg van een spoorlijn van Zwolle naar Groningen werd op 1 oktober 1867 de spoorlijn Meppel-Zwolle geopend. Op dezelfde dag werd de eerste steen gelegd voor het stationsgebouw, dat naar plannen van K.H. van Brederode in neo-classicistische stijl werd opgetrokken. Op 15 januari 1868 werd de lijn Meppel – Heerenveen geopend en op 1 mei 1870 de lijn Meppel – Groningen. Het nieuwgebouwde station en het hiervoor liggende plein werd op drie manieren met het centrum van Meppel verbonden. De meest representatieve verbinding werd gevormd door de in 1875 aangelegde Stationsweg, die het station verbond met het Zuideinde. De benaming ‘Stationsweg’ werd in die tijd overigens ook gegeven aan de Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Stationsweg en het Wilhelminapark, kadastrale minuut 1885

203

GEBIED 2

◄◄


204

Flexus AWC


4

◄◄

Stationsweg, jaren ‘30 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Stationsweg 1912, gefotografeerd vanaf de kruising met de Catharinastraat richting Ogterop <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Stationsweg 1935, na de herinrichting <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

weg die tegenwoordig Parallelweg heet; wij hanteren in het navolgende de naam ‘Stationsweg’ voor de weg die in de huidige situatie zo genoemd wordt. Ook langs deze weg, die de ruimtelijke opbouw van een met grote bomen omzoomde brede laan had, vestigden zich de beter gesitueerden van Meppel. Aan de noordzijde in veelal vrijstaande villlabebouwing. De Stationsweg was in aanzet oorspronkelijk slechts voorzien van een smalle, met natuursteenkeien verharde straatweg met aan beide zijden zand/grind stroken en lange bomenrijen. Van trottoirs was nog geen sprake. In 1929 werden in het kader van een herinrichtingsplan, ontworpen door tuinarchitect Leonard Springer, ontwerper van het Wilhelminapark, trottoirs geintroduceerd, en werd besloten de bestaande bomen te rooien en de laan te voorzien van acacia bomenrijen en ligusterhagen ter weerszijden van de rijweg. De bomenrijen op hun beurt werden weer verwijderd in 1968. De Stationsweg was door haar gunstige ligging behalve bij de beter gesitueerden tevens in trek bij bedrijven, zoals de tabaksfabriek De Eendracht, fa. Jakobs, die zich rond de eeuwwisseling aan deze weg vestigden. Ook de Nederlandse Bank opende hier een gebouw. De meest bekende firma vormde het chemische bedrijf Brocades & Stheeman. Zij bouwde in 1901 haar eerste fabrieksgebouw, het zogenaamde ‘gebouw 1900’ aan de Stationsweg (1901). In de periode daaropvolgend werden meerdere bedrijven door dit succesvolle bedrijf overgenomen met als gevolg dat Brocades voortdurend bleef uitbreiden en daardoor ruimtelijk een steeds dominantere positie ging innemen aan de Stationsweg. Na sluiting van de fabriek zijn aan de Stationsweg op het terrein van Brocades & Stheeman in 1998 drie appartementengebouwen gerealiseerd.

Het Stationsplein De Stationsweg werd aan de oostzijde beëindigd met het Stationsplein. Dit plein ontleende zijn herkenbaarheid niet zozeer aan de aanwezigheid van een duidelijk afgebakende ruimte (er was meer sprake van een wegkruising), maar eerder aan het representatieve stationsgebouw. Hiervoor bevond zich een ruim plantsoen met bomen, struiken, gras en een fontein. Deze zogenoemde Borgerfontein, ontworpen door Meppeler architecten (Otten en Janzen), was in 1897 door de Meppeler burgerij ter gelegenheid van het 25-jarig ambtsjubileum van burgemeester Borger aangeboden. Het Stationsplein trok vanzelfsprekend functies aan die bij een station pasten. Zo werd in 1908 op de hoek van de Emmastraat en de Stationsweg (de huidige Parallelweg), direct tegenover het station hotel – restaurant Neuf gerealiseerd, dat lange tijd in de tuin voorzien was van een muziektent. Ten zuiden van het Stationsplein bevond zich ter plaatse van de huidige Leonard Springerlaan het tram-emplacement. Hier bevond zich het eindpunt van de vanaf 1908 rijdende lijndienst van de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) naar Balkbrug en de vanaf 1916 rijdende tram naar Hijkersmilde van de Nederlandse Tramweg Maatschappij (NTM). Het tramemplacement heeft gefunctioneerd tot in de jaren dertig (de NTM stopte in 1933; de DSM stopte met het personenvervoer in 1934). Toen werd hier de Leonard Springerlaan aangelegd.

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Stationsweg, 1912, vanaf Catharinastraat richting hotel Ogterop <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

In 1954 werd het Stationsplein gereconstrueerd; tijdens de ingreep werd o.a. de fontein verwijderd en werden abri’s voor buspassagiers geintroduceerd. Alleen het vrouwenbeeldje en de op de fontein aangebrachte herdenkingsplaat werden bewaard en herplaatst.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

205

GEBIED 2

◄◄


Kruispunt Zuideinde/Ogterop Aan de westzijde van de Stationsweg bevond zich de T-splitsing met het Zuideinde. Deze werd in aanvang gekenmerkt door een in het midden geplaatst rond plantsoen, oorspronkelijk voorzien van een drie-armige gaslantaarn. De villabebouwing die de Stationsweg hier beëindigde was losstaand, waarmee zowel de openbare inrichting alswel de bebouwing aan de oostzijde aansloot bij wat men in de negentiende eeuw als een chique representatieve wegkruising in een villapark beschouwde. De kop van de Stationsweg werd hier gedomineerd door de aanwezigheid van het ‘Stations Koffyhuis Billard’ Ogterop dat in 1868 door Gerhardus Bernardus Ogterop gebouwd werd, en dat de basis zou vormen voor het latere theater Ogterop. Links van ‘het Stations Koffyhuis’ bevond zich het (lage) pand van de Buitensociëteit. Dit in begin jaren 1880 door de weduwe Ogterop gebouwde pand zou na 1884, toen de heren van de Buitensociëteit hun eigen ‘Tivoli’ aan de Stationsweg bouwden, worden verbouwd en verhoogd. Ogterop zou een lange geschiedenis in Meppel opbouwen. Achter het gebouw van het Stations Koffyhuis waar toen al vele bijeenkomsten gehouden werden, en achter het oorspronkelijke gebouw van de Buitensociëteit werd in 1886 de schouwburgzaal gebouwd, die in de periode 1971 – 1975 werd geïntegreerd in het vernieuwde schouwburgcomplex. Bij deze laatste ingreep moesten de panden op Zuideinde nrs. 70 t/m 74 wijken voor de nieuwe voorgevel van de schouwburg, waardoor de originele gevels van de Buitensociëteit en het Stations Koffyhuis uit het Meppeler straatbeeld verdwenen. In een latere fase zou de situatie op de T-splitsing nog sterker wijzigen door het in 2004 nieuw gecreëerde plein en de geveldecoratie voor het theater. De gemeenschappelijke ontspanning was niet alleen 206

Flexus AWC

te vinden op de koppen van de Stationsweg. Bij de kruising met de toenmalige Prins Hendrikstraat (de latere Catharinastraat) bevond zich in een vrijstaande villa sociëteit Tivoli, daterend uit 1883. Het betrof niet alleen een sociëteit voor leden maar bevatte ook een café en restaurant. De sociëteit was in eerste instantie voorzien van een tuin met muziektent, maar de tuin werd in een latere fase voorzien van tennisbanen. In de jaren ´10 van de 20ste eeuw waren deze nog niet voorzien van gravel maar voorzien van een stenen bestrating. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het gebouw in gebruik bij de Duitse bezetter. Het werd in 1944 door de geallieerden met een gerichte bom vernietigd. Begin jaren zestig verscheen op de locatie een geheel ander gebouwencomplex met twee haaks geplaatste appartementenblokjes, een sociëteit en een caférestaurant. Overigens, niet alleen Tivoli werd slachtoffer van het oorlogsgeweld, ook een gereedstaande trein werd in 1945, vlak voor het beëindigen van de oorlog onder vuur genomen met flinke schade aan het stationsgebouw en het spoorwegemplacement tot gevolg. Architectonische rijkdom Het Zuideinde en de Stationsweg worden gekenmerkt door de aanwezigheid van architectuur uit de tweede helft van de 19de eeuw tot na 1900 en hier is –zeker ook als gevolg van de gefortuneerdheid van de opdrachtgevers- sprake van een grote architectonische en monumentale rijkdom in neorenaissancestijl, chaletstijl of jugendstil, dan wel in mengvormen daarvan. Zeker ook de layout van de Stationsweg en grote delen van het Zuideinde waar sprake is van ruime voortuinen resulteerde in een luisterrijk groen totaalbeeld, dat ook in de periode van ontstaan indruk gemaakt moet hebben.


4 Bijzonder cultuurhistorisch element Zowel het Zuideinde als de Stationsweg zijn ontstaan in het buitengebied van Meppel, in aansluiting op de natte weilanden in de nabijheid van de Reest, de zgn. Reestlanden. Een herinnering aan deze landelijke ligging vormt de achtkantige molenromp achter het huidige pand Zuideinde 73. Dit is wat rest van korenmolen ’t Fortuin II’ die in 1865 na brand de ‘Fortuin I’ verving, die hier in 1849 gebouwd was. Beide molens waren bovenkruiers met stelling. De Fortuin II, in 1892 voorzien van aangebouwd ketelhuis met een stoommachine die dienst deed bij te weinig wind, werd in 1924 definitief als windmolen stilgezet. Een brand in 1930 betekende het definitieve einde van de bovenbouw van de molen.

207

GEBIED 2

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Bronnen <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, Meppel 1999> <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 2: drs. T. Hofland, De ruimtelijke ontwikkeling, Boom Meppel, 1991> <http://www.dbnl.org/tekst/sten009monu07_01/ sten009monu07_01_0056.php, bron: Ronald Stenvert, Sabine Broekhoven, Saskia van Ginkel-Meester, Chris Kolman en Redmer Alma, Monumenten in Nederland. Drenthe. Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist / Waanders Uitgevers, Zwolle 2001> <MIP-inventarisatie Meppel> <http://www.wegenwiki.nl/A32_(Nederland)> <http: //www.molendatabase.org> <http://www.oudmeppel.nl>


Gebied 2 Zuideinde / Stationsweg

Legenda

208

Flexus AWC


Het Zuideinde en de Stationsweg zijn twee haaks op elkaar staande hoofdstraten met een sterk lineair beloop en een ruimtelijk (stedenbouwkundig én architectonisch) coherent karakter, maar met hoofdzakelijk asymmetrische profielen tussen beide zijden van de straten (zie hieronder). Het gebied is wat betreft stedenbouwkundige opzet in vier (nauw verwante) delen te onderscheiden: Zuideinde tussen de Weerdstraat en Ogterop, het Zuideinde tussen Ogterop en Wilhelminapark (niet het park maar de entreestraat), het Zuideinde tussen het Wilhelminapark en de Reest, en tenslotte de Stationsweg. Het Zuideinde vanaf de Weerdstraat tot Ogterop ligt in het directe verlengde van het oudere historische stadsdeel en gaat er stedenbouwkundig en zelfs architectonisch (vrijwel) naadloos in over, maar met enkele verschillen: de westwand kent een preïndustrieel profiel met aaneengesloten stadshuizen direct grenzend aan de straat, van het in essentie preïndustriele type (voor een typering van preindustriële historische stadshuizen zie onder bebouwing), maar de westzijde is daarentegen opgebouwd uit 19de eeuwse herenhuizen (voor een typering van herenhuizen, zie onder bebouwing) en zelfs enkele villa’s op de hoek met de Stationsweg. De kavels en de bebouwing zijn hoofdzakelijk smal en diep en zijn in die zin een voortzetting van het preïndustriele verkavelingspatroon. In het gedeelte van het Zuideinde tussen Ogterop en het Wilhelminapark zet de herenhuisachtige bebouwing zoals in de oostwand van het bovenbeschreven deel zich voort, maar hier aan beide zijden van de straat. Het profiel is hier symmetrisch. Alle bebouwing heeft een herenhuisachtig karakter (voortui-

nen), al dan niet in de vorm van geschakelde blokjes van 2 woningen. Deze stedenbouwkundige opzet gaat in het zuidelijkste deel van het Zuideinde geruisloos over in een opzet met villa’s, al is het profiel hier weer asymmetrisch, vanwege de uitzonderlijk grote kavels aan de westzijde. Omdat de profielen zo geleidelijk in elkaar overgaan, met van deel tot deel kleine wijzigingen, is het Zuideinde van noord tot zuid ruimtelijk zeer coherent, afgezien van de moderne ingrepen. Zuideinde en Stationsweg sluiten eveneens zonder ruimtelijke incoherenties op elkaar aan, al suggereert Ogterop vanaf de verte een breuk. De Stationsweg heeft een verkaveling, een organisatie van de bebouwing op de kavel en bebouwingstypologieën die sterk gelijken op die van het Zuideinde ten zuiden van Ogterop. Ook hier staan voornamelijk individuele herenhuizen met voortuin (al dan niet geschakeld) en een enkele villa. Het profiel is hier asymmetrisch omdat de voortuinen aan de noordzijde veel dieper zijn dan die aan de zuidzijde van de straat. In zijn algemeenheid vormt de bebouwing in deze buurt samen met de achterliggende bebouwing van achter- en zijstraten bouwblokken, die als gevolg van de paden en ruimten tussen de individuele gebouwen wel semi-transparant is. De rooilijnen zijn in zijn algemeenheid regelmatig en betrekkelijk recht, behalve daar waar naoorlogse gebouwen en complexen zijn verrezen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

209

GEBIED 2

Ruimtelijke beschrijving en waardering


210

Flexus AWC


4

◄◄

Pand aan de noordzijde van de Stationsweg

Pand aan het Zuideinde, vlakbij de T-kruising met de Stationsweg

Zuideinde (midden)

Openbare ruimte De profielen van het Zuideinde zijn ontspannen en groen, als gevolg van de voortuinen met hagen aan één of aan beide zijden. Gezien de betrekkelijke smalte van de straat zijn bomen slechts incidenteel mogelijk. Dit komt niet meer overeen met het vroegere laanachtige karakter. De Stationsweg is daarentegen zo breed dat bomen aan beide zijde mogelijk zijn. Karakteristiek zijn de giet- en smeedijzeren hekwerken tussen tuinen en voetpad (hier en daar komen ook muurtjes voor) en de groene hagen tussen de tuinen. Op enkele plaatsen is het voorerf verhard en /of in gebruik als parkeerplaats; dit doorbreekt de kenmerkende historisch-ruimtelijke structuur. De bomen hebben altijd deel uit gemaakt van deze ruimte, omdat het was geconcipieerd als een ‘laan’, een doorgaans lineaire ruimte waarlangs al dan niet (chique) bebouwing was gesitueerd, en die behalve als verkeersweg tevens was bedoeld als recreatieve ‘wandeling’ onder lommerrijk geboomte. In de 19de en begin 20ste eeuw was de inrichting hier ook op afgestemd: brede onverharde wandelpaden aan weerszijden van de bestrate rijbaan, met rijen bomen midden op de wandelpaden. De wandelpaden en de rijweg gingen zonder niveauverschil en zonder band direct in elkaar over, zodat de suggestie van één onverdeelde, door natuur gedomineerde ruimte werd versterkt. Bij de herinrichting eind jaren ‘20 werden weliswaar trottoirs geintroduceerd, maar werden deze weer verzacht door de hier geplaatste ligusterhagen. De huidige inrichting waarin voortgebouwd wordt op de herinrichting uit de jaren ‘20 laat het laanprincipe te beperkt tot uitdrukking komen door de benadrukking van de verschillende verkeersstroken middels

de sterk contrasterende kleuren, en door het slechts zeer beperkt toepassen van bomen, waardoor de Stationsweg zich in eerste instantie als verkeersweg presenteert. Ook de huidige lantaarnpalen zijn niet afgestemd op het statige karakter van deze in zijn soort vrij zeldzame 19de eeuwse Stationsweg. Dat geldt overigens ook voor het Zuideinde.

Bebouwing en architectuur De bebouwing langs het Zuideinde en de Stationsweg bestaat uit drie typologieën, die in grote lijnen hun eigen plek hebben in de stadsplattegrond, maar met overlapgebieden. De preïndustriële historische stadswoning (die ook ná de overgang naar het industriële tijdperk nog vaak werd gebruikt, maar als afgeleide vorm) is een eenvoudig rechthoekig volume, direct en zonder overgang (behalve een privéstoep) grenzend aan en ontsloten vanaf de straat, vaak dwars op de richting van de straat gelegen en aaneengebouwd met de buurpanden in een min of meer regelmatige rooilijn. Het geheel was doorgaans afgedekt met een kap, had een representatieve voorgevel met een duidelijke afsluiting en een representatieve entree en grote open, staande vensters. De zijgevels zijn zichtbaar eenvoudiger afgewerkt dan de voorgevels. Dit type staat met name langs de westwand van het Zuideinde ten noorden van Ogterop. Het 19de, begin 20ste eeuwse herenhuis is in hoofdvorm, ontsluiting, en gevelarchitectuur hier nagenoeg aan gelijk, maar is niet geschakeld aan andere woningen, tenzij aan één of twee in een blokje van twee of drie woningen. De ruimte tussen de woningen of korte blokjes is doorgaans zeer gering. Het gebouw is niet direct aan de straat gebouwd, maar is hiervan gescheiden door een voortuin. Deze woningen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Representatieve gevelwand zuidzijde Stationsweg

211

GEBIED 2

◄◄


domineren zowel aan het Zuideinde (behalve genoemde oostwand), als aan de Stationsweg. De villa tenslotte betreft meestal één woning, heeft vaak een samengesteld grondplan van rechthoeken of veelhoeken, en een samengestelde kapvorm. Dit type staat vrij op een ruimere kavel, op een afstand van de weg en van de buurpercelen. De ontsluiting ligt niet perse aan de voorzijde. De architectuur van dit type is ‘alzijdig’, dat wil zeggen representatief aan alle zijden. Dit type komt vooral voor langs het uiterste zuiden van het Zuideinde, het uiterste oosten van de Stationsweg en op de kruising van Zuideinde en Stationsweg. Vooral hier zijn zij zeer gezichtsbepalend.

212

Flexus AWC

Transformaties en aantastingen Op een aantal locaties en aspecten hebben ontwikkelingen plaatsgevonden die de kwaliteiten van het gebied hebben aangetast. Deze zijn in het voorgaande al ter sprake gekomen: sommige voortuinen langs de Stationsweg zijn als parkeerplaats in gebruik of volledig verhard, naoorlogse nieuwbouw breekt met de stedenbouwkundige en architectonische kernkarakteristieken van deze omgeving (terugleggen rooilijn, schaalvergroting, appartementcomplexen), en de openbare inrichting van de Stationsweg past niet bij de cultuurhistorische opzet van deze laan. Aan het Stationsplein is een kantoorgebouw gerealiseerd dat met zijn vormgeving in sterke mate afwijkt van de architectonische kernkarakteristieken van de omgeving.


4 Appartementencomplex aan de Stationsweg. ter plaatse van de vroegere Brocadeslocatie

Waardering Het Zuideinde en de Stationsweg maken deel uit van het door het Rijk aangewezen beschermde stadsgezicht ‘Oud Zuid’. De cultuurhistorische waarden van dit gebied hebben derhalve topkwaliteit. Dat wil zeggen dat de historisch-maatschappelijke, historischstedenbouwkundige en historisch-architectonische waarden zeer hoog zijn. Ook de zeldzaamheidswaarden zijn zeer hoog en het gebied is bovendien nog betrekkelijk gaaf. Deze twee straten en het park ‘vormen samen een gave ruimtelijke weerspiegeling van de 19e en begin 20e-eeuwse ontwikkelingen zoals die in meer steden rondom de nieuwe spoorwegstations plaatsvonden: de verbinding van de bestaande stad met het station werd aangelegd als stadsuitbreiding, vaak met woon- en recreatiegebieden die aan de behoeften van de groeiende burgerij tegemoetkwamen; de heersende ontwerpstijlen werden gebruikt voor zowel bebouwing als inrichting van de openbare ruimte. Daarmee ontstond een sterke ruimtelijke eenheid, waarbinnen een staalkaart van bouwstijlen uit die tijd goed tot zijn recht komt. In Meppel is dit alles nog steeds in hoge mate gaaf en herkenbaar aanwezig.’ <bron: Toelichting op de aanwijzing Beschermd stadsgezicht Oud Zuid> De Stationsweg is in zijn type als representatieve verbindingslaan tussen stad en station nog goed bewaard gebleven, ondanks de incidentele aantastingen van de bebouwing en de beperkt passende openbare inrichting. De stedenbouwkundige eenheid van zowel de Stati-

onsweg als het Zuideinde is redelijk bewaard gebleven, als gevolg van de dominantie van historische (19de en begin 20ste eeuwse) typologieën, net zo goed als de architectonische coherentie.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Top’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Top’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZUIDEINDE / STATIONSWEG

Zuideinde (zuiden)

213

GEBIED 2

◄◄


214

Flexus AWC


3 Voorstraat / Woldstraat

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het gebied Voorstraat/Woldstraat is in een periode van dertig jaar (1890 – 1919) tot stand gekomen. Het is evenals de Koninginnebuurt en de Oude Boazstraat die in globaal dezelfde periode tot stand kwamen, een voorbeeld van kleinschalige arbeiderswoningbouw uit het eind van de 19de - begin 20ste eeuw. De Ruinerwoldseweg is hierop een uitzondering; hier was sprake van iets representatiever bebouwing. De Voorstraatbuurt Aan het eind van de 19de – begin 20ste eeuw was in Meppel nog geen sprake van planmatige uitleg middels een grootschalig vastgesteld plan. Particulier grondeigendom en initiatief had grote invloed op de planvorming. De kavelstructuur van de weilanden ten noorden van de bebouwingskern van Meppel, en de hier aanwezige landschappelijke elementen, zoals weergegeven op de kadastrale minuut van 1885, hebben dan ook grote invloed gehad op de layout van de Voorstraatbuurt. Aan de zuidoostzijde van het te bebouwen gebied bevond zich in het verlengde van de Wildemansstege (de huidige Woldstraat), de straatweg naar Ruinerwold, de Ruinerwoldseweg (vanaf het tweede kwart van de 20ste eeuw ook Woldstraat geheten). Deze uitvalsweg van Meppel naar Tweelo was op dat moment nog slechts summier bebouwd. Aan de westzijde werd de locatie van de Voorstraatbuurt begrensd door het zogenaamde ´Jufferenpad´, een voetpad dat vanuit Meppel in rechte lijn door de weilanden liep naar het terrein van het in de weilanden gelegen Rechteren. Een kenmerkend landschap-

pelijk element betrof ‘de Poele’, een sloot die liep van het Jufferenpad naar de samenvloeiing van de Wold Aa en de Oude Vaart, en die water uit enkele sloten in de Oosterboer afvoerde. Een vertakking van de Poele kwam uit in een sloot die liep waar nu de Noteboomstraat te vinden is. Deze vertakking liep tevens (met een haakse hoek) achter de bebouwing langs die zich aan de noordzijde van de Ruinerwoldseweg bevond. In 1890 werd besloten de Poele te dempen. De eigenaar van het te bebouwen weiland achter de sloot, de Meppeler familie Nieuwenhuis, sloot een contract af met de gemeente, dat goedgekeurd werd door Gedeputeerde Staten van Drenthe. In dit contract werd afgesproken dat de grond ter plaatse van de Poele aan de gemeente Meppel geschonken werd, inclusief een strook grond hierlangs en nog een klein stuk land. De gemeente kon hiermee op de nieuw verworven grond een weg aanleggen achter de bestaande huizen aan de Ruinerwoldseweg langs, waardoor de verbinding van de Wildemanssteeg en Nooteboomstraat met de weg naar Ruinerwold aanzienlijk werd verbeterd. Deze weg werd de Nieuwe Weg (later Nieuwstraat) genoemd en is in 1894 door de gemeente aangelegd. Gevolg was dat de smalle bebouwing ten noorden van de Ruinerwoldseweg zowel aan de voor- als aan de achterzijde aan een straat kwam te liggen.

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Veemarkt Woldstraat 19301935, de foto is waarschijnlijk genomen vanaf de bovenverdieping van cafe Chiostro <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De grondeigenaar kreeg het recht van uitweg op de aan te leggen Nieuwe Weg ten dienste van zijn land (dat zo’n 12.780m2 betrof), waarop hij zoveel uitwegen mocht maken als hij verkoos. Hiermee werd het mogelijk om percelen te verkopen voor woningbouw door particulieren.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

215

GEBIED 3


216

Flexus AWC


4

Fragment van een kaart uit 1902 ten dienste van de brandweer. Hierop is te zien dat de Voorstraat oorspronkelijk afboog naar de Nieuwstraat, waar later de Lombokstraat zou komen. <Johannes Nieuwenhuis, Aanleg Voorstraat, deel Woldstraat en de Indische Buurt, kwartaalblad Stichting Oud Meppel 30-3, 2008>

In de daaropvolgende jaren werd gebruik gemaakt van dit recht. De groeiende bevolking van Meppel vroeg om meer woningen. De grondeigenaar legde de Voorstraat aan, die oorspronkelijk met een haakse bocht naar de Ruinerwoldse weg liep. Hierdoor konden er drie rijen huizen worden gebouwd, één aan de Woldstraat en twee aan de Voorstraat. De huizen aan de noordwestzijde van de Voorstraat grensden met hun achtergebied aan het Jufferenpad, de begrenzing van het bouwland. Dit pad is verwijderd bij de aanleg van achtertuinen van bebouwing aan de latere Soembastraat. De verkoop van bouwterreinen aan de Voorstraat begon in 1894. Erg hard liep het niet, want in 1903 was pas ca. 5.000m2 verkocht. Niettemin werd de Voorstraat verlengd om meer bouwpercelen te verkrijgen en de aftakking naar de Ruinerwoldseweg werd de huidige Lombokstraat. Vanaf circa 1905 begon de vraag naar bouwgrond aan te trekken, en in 1911 werd het laatste bouwterrein van ca. 700m2 om niet aan de gemeente overgedragen voor het aanleggen van het Javaplein. Ook gingen toen de straten over naar de gemeente. We kunnen constateren dat het Voorstraatbuurtje op traditionele wijze verkaveld is in een waar mogelijk gesloten bouwblokstructuur met een hoge dichtheid als gevolg. In totaal werden 62 percelen gerealiseerd. Aan de Voorstraat werden kleinere percelen uitgegeven dan aan de Ruinerwoldseweg. De meeste percelen zijn aan particulieren verkocht die er een eigen woning op bouwden. Niettemin waren er ook enkele kopers die een woning bouwden als geldbelegging ten behoeve van latere verkoop. Het resultaat was een gevarieerde buurt met zelfs een boerderij.

De eerste projecten van de Meppeler Bouwvereniging Naast deze kleinschalige bouw diende zich ook een nieuw fenomeen aan. De in 1908 opgerichte Meppeler bouwvereniging (later als Meppeler Woningstichting bekend en nog later als Woonconcept actief), opgericht ter verbetering van de volkshuisvesting, maakte plannen om in het buurtje haar eerste complex arbeiderswoningen te bouwen. Al in 1909 werd een verzoek aan de gemeente gedaan om een financieel voorschot, om met huizenbouw te kunnen beginnen. Er werd een plan gemaakt op een perceel (12.070 m2) op de noordoostelijke punt van het gebied ter plaatse van perceel A66. Het plan was om de Voorstraat door te trekken met aan weerszijden een bouwblok genaamd 1 en 2. De Javastraat zou dan de verbindingsweg met de Ruinerwoldseweg worden. Verder werd tussen bouwblok nummer 2 en de Ruinerwoldseweg een derde bouwblok gepland. Het plan werd op 15 juli 1910 door de gemeenteraad goedgekeurd en de grond voor de bouwblokken 1 en 2 werd gekocht. Bouwblok 3, gelegen aan de Ruinerwoldseweg, bleef voorlopig eigendom van de grondeigenaar. Aan de Javastraat, het Javaplein, de Sumatrastraat en de Borneostraat werden de eerste huizen van de Bouwvereniging gerealiseerd. Twee en half jaar later kon de Bouwvereniging beginnen met bouwblok 3 en op 1 maart 1913 werd het perceel (3.520m2) ten behoeve van de bouw van de Twaalf Apostelen gekocht voor de somma van fl. 6.406,-. De realisatie van de complexjes bleek een succes, en kreeg haar vervolg met de realisatie van de Oude Indische Buurt ten noorden van de de tramlijn van Meppel naar Hijkersmilde. Deze werd in 1916 geopend en langs de noordoostkant van de Voorstraatbuurt aangelegd. De tramlijn werd bestraat en deze straat werd Balistraat genoemd. Later is dit een deel van de Ceintuurbaan geworden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Kadasterkaart van 1832 waarop de percelen A66 en A67 te zien zijn waarop de latere Voorstraatbuurt tot stand kwam. Op het perceel A65 is later de Oude Indische buurt tot stand gekomen. De hoofdletters A tonen de loop van het Jufferenpad. De hoofdletters B tonen het verloop van de Poele. Helemaal bovenaan het terrein van Rechteren. <Johannes Nieuwenhuis, Aanleg Voorstraat, deel Woldstraat en de Indische Buurt, kwartaalblad Stichting Oud Meppel 30-3, 2008>

217

GEBIED 3

◄◄


218

Flexus AWC


4

Voorstraat 1985 - 1986 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Ruinerwoldseweg Het zuidelijk deel van de Ruinerwoldseweg is met lintbebouwing op particuliere kavels, gelijk op met de Voorstraatbuurt tot stand gekomen. Het zuidelijk deel van de Ruinerwoldseweg ter hoogte van de huidige nummers 50 tot en met 76, dat eigenlijk niet in het gebied gelegen is maar tot de historische binnenstad behoort, heeft niettemin een waarschijnlijk lange geschiedenis achter de rug. De locatie werd eeuwenlang Het Klooster genoemd. De oorsprong van deze naam is niet met zekerheid te geven. Misschien heeft het te maken met het feit dat in Meppel lang geleden, in ieder geval voor 1475, een termijnhuis of dependance van een Gronings Dominicanenklooster heeft gestaan, een uitvalsbasis voor bedeltochten door de monniken, en dat termijnhuis zou wel eens op deze plek hebben kunnen staan. Feit is dat op de kop van de smalle bebouwingsstrook die als restant van de eerdere verkaveling omgeven was door de Ruinerwoldseweg/Woldstraat en de Nieuwstraat een café gelegen heeft met de naam Chiostro, verwijzend naar dit ‘Klooster’. Dit café is, tezamen met de overige bebouwing in 1963-1964 tijdens de naoorlogse saneringsperiode afgebroken. Toen ontstond hier het brede gedeelte van de Woldstraat en verdween de naam Nieuwstraat. Op de Ruinerwoldseweg werd overigens lange tijd veemarkt gehouden. Tijdens het eerste kwart van de twintigste eeuw was sprake van een lange bomenrij in het midden van de straat, met plaatselijk een tweede bomenrij, waardoor het totaalbeeld groen en luisterrijk was. Op de kop, voor café Chiostro, waren vaste hekken geplaatst voor de rundermarkt. Toen de markt zich later beperkte tot varkens en schapen werden de hekken verwijderd en rond 1930 werd ook de centrale bomenrij gekapt om meer ruimte te ma-

ken voor het opkomende autoverkeer. Toen ontstond het brede deel van de huidige Woldstraat. De Ruinerwoldseweg was in aanvang niet voorzien van trottoirs. Deze straatweg was aan het begin van de 20ste eeuw over de volle breedte verhard met natuursteenkeien tot aan de aanliggende erven. Ook bij het rooien van de bomen rond 1930 werd niet tot een ingrijpende herinrichting overgegaan, waardoor het beeld van een marktveld lange tijd gebleven is. Pas na de Tweede Wereldoorlog werden trottoirs geintroduceerd. De overige straten in het gebied waren vermoedelijk in aanvang al wel voorzien van een wegdek en smalle trottoirs. Het Javaplein was in ieder geval tot in de jaren vijftig in het midden voorzien van een smal plantsoentje met straatlantaarn. Hetzelfde tijdperk, verschil in uitwerking De bebouwing in de Voorstraatbuurt en aan de Ruinerwoldseweg werd gekenmerkt door de architectonische opvattingen uit de periode van het eind 19de, begin 20ste eeuw, waarin voor de eenvoudiger woningbouw veelal gebruik gemaakt werd van neorenaissance-stijlelementen. De Voorstraat is hiervan een representant, ofschoon hier toch sprake was van een kenmerkende karakteristiek door de pronte topgevelarchitectuur van de eenvoudige woningen. Waar niettemin representatiever architectuur gewenst werd, voegde men op ecclectische wijze andere stijlelementen toe. Aan de Ruinerwoldseweg met zijn duurdere kavels zijn hiervan dan ook voorbeelden te vinden. De Twaalf Apostelen vormden op het bovenstaande principe een nieuwe aanvulling omdat hier – in navolging van het eerdere complex van de Meppeler Bouwvereniging – sprake was van een meer coherente toepassing van de Overgangsstijl die de twintiger jaren van de 20ste eeuw gekenmerkt heeft.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

◄◄

Borneostraat 1950 - 1960 met in de verte zicht op de bebouwing aan de latere Ceintuurbaan. Ter weerszijden van de straat het later gesloopte bouwblok 1 en 2 van de Meppeler Bouwvereniging <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

219

GEBIED 3


220

Flexus AWC


4

◄◄

Woldstraat 1926, het brede gedeelte van de toen nog lommerrijke Woldstraat, links de palen met stangen voor de veemarkt <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Bronnen <Ponne, Wiecher, Beelden van Vroeger, Meppeler Courant, 26 september 2011> <Nieuwenhuis, Johannes, Aanleg Voorstraat, deel Woldstraat en de Indische Buurt, kwartaalblad Stichting Oud Meppel 30-3, 2008>. <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hoofdstuk 2: drs. T. Hofland, De ruimtelijke ontwikkeling Meppel, Boom Meppel, 1991>. <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <http://www.oudmeppel.nl>

De Twaalf Apostelen 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Café Chiostro op de kop van de bebouwingsstrook tussen Nieuwstraat en Wildemansstege, 1905 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Woldstraat 1954, gezien vanaf de Ceintuurbaan richting stad <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

221

GEBIED 3

◄◄


Gebied 3 Voorstraat / Woldstraat

Legenda

222

Flexus AWC


De Voorstraat/ Woldstraat is een kleine buurt, gesitueerd tussen de Ceintuurbaan, het brede stuk van de Woldstraat tot aan de kruising met de Notenboomstraat (de zuidelijke bebouwingswand van de Woldstraat wordt nog grotendeels tot deze buurt gerekend), de Noteboomstraat, en het achterpad tussen de achtertuinen van de bebouwing aan de Voorstraat en de Soembastraat. De Soembastraat zelf wordt niet tot deze buurt gerekend, omdat deze een andere stedenbouwkundige structuur heeft en een andere ontstaansgeschiedenis. De buurt bestaat slechts uit vier straten, de randstraten als Ceintuurbaan en Noteboomstraat niet meegerekend, waarvan de Woldstraat de belangrijkste structurerende as vormt. Het buurtje kan gerekend worden tot de oudste uitleggebieden van Meppel uit het industriële tijdperk, dus eind 19de - begin 20ste eeuw, waar ook de Koninginnebuurt en de Weerdstraat/Boazstraat toe behoren. De stedenbouwkundige en architectonische signatuur van deze buurt is dan ook sterk gelijkend op deze twee andere buurten. Niet de gehele buurt heeft echter deze karakteristiek; de woningen rondom de Borneohof zijn gebouwd in de jaren ’80 van de 20ste eeuw, op de plaats van woningen uit het begin van de 20ste eeuw. Deze laagbouwwoningen zijn gegroepeerd rondom een woonerf en hebben dus een volledig afwijkende stedenbouwkundige opzet. Vooral de Voorstraat en de Lombokstraat zijn nog zeer intact en coherent, de Woldstraat is langs de noordwand nog coherent, maar langs de zuidwand niet meer. De Javastraat is sterk verbrokkeld en onsamenhangend. De bebouwing tussen de Woldstraat, Javastraat en

Soembastraat is geordend in gesloten bouwblokken, met af en toe een onbebouwde kavel waar tussendoor zicht op de achterterreinen mogelijk is. De bebouwing langs de noordkant van de Woldstraat tussen de Javastraat en de Ceintuurbaan in, de zogenaamde Twaalf Apostelen, vormen nu geen gesloten bouwblok meer met de achterliggende bebouwing van de Borneohof. De bebouwing langs de zuidkant van de Woldstraat sluit aan de achterzijde aan op de bedrijfsbebouwing langs de Marktstraat en vormt op zichzelf staande blokjes die niet in een groter geheel is geordend. De straten zijn alle recht en regelmatig, net als de rooilijnen. De profielen van de Voorstraat en Lombokstraat zijn uiterst smal (5 à 6 meter) en enigszins krap, maar als gevolg van de geringe hoogte van de bebouwing (één laag plus kap) en de toepassing van topgevels waarbij de ruimte tussen de kappen licht doorlaat, oogt de straat niet donker en benauwd. De gevelwanden zijn hier – zoals gebruikelijk is voor Meppelse woonbuurten uit het eind van de 19de, begin 20ste eeuw – opgebouwd uit individuele woningen in blokjes van twee of drie geschakeld, met een klein pad tussen de blokjes in, of uit individuele woningen met paden aan beide zijden. Deze twee straten kennen in het geheel geen voortuinen, waardoor het geheel vrij stedelijk oogt, ondanks de geringe bouwhoogte. De Woldstraat is aanzienlijk breder, mede omdat het een geschiedenis heeft gehad als veemarkt en als uitvalsweg naar Ruinerwold, maar de bebouwing is nauwelijks hoger dan in de Voorstraat en Lombokstraat. De bebouwing is hier eveneens geschakeld in kleine blokjes van twee of drie woningen, maar de tussenruimte tussen de blokjes is rianter. De Woldstraat bestaat hier feitelijk uit twee delen: het gedeelte tussen de Noteboomstraat en de Lombokstraat heeft geen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

223

GEBIED 3

Ruimtelijke beschrijving en waardering


224

Flexus AWC


4

◄◄

Woldstraat

Borneohof

voortuinen en de bebouwing is ook vaker aaneengeschakeld. Dit is het gedeelte dat (althans de zuidzijde van de straat) nog op de kadastrale minuut van 1822 staat afgebeeld en derhalve tot de historische stad gerekend kan worden. In dit gedeelte heeft ook in het midden van de huidige straat een zeer smalle bebouwingsstrook gelegen die eveneens al op de kadastrale Minuut staat afgebeeld en die na de oorlog is weggesaneerd. Het gedeelte tussen de Lombokstraat en de Ceintuurbaan heeft kleine voortuinen, een eind-19de – begin 20ste eeuwse typologie. De bebouwing verschilt typologisch niet of nauwelijks van de bebouwing in de Voorstraat, afgezien van de nieuwe, begin 21ste eeuwse appartementen aan de zuidzijde van de straat en het naoorlogse functionalistische woningblok op de hoek van de Woldstraat en Ceintuurbaan. Van de oorspronkelijke opzet van de Javastraat, die geheel binnen het stedenbouwkundige en bebouwingstypologie van de Voorstraat en Lombokstraat paste, is nog maar een klein stuk over, de westwand tussen de Voorstraat en de Woldstraat. De oostwand van de straat en de daar achterliggende buurt van de voormalige Borneostraat is geheel gesloopt en vervangen met laagbouwwoningen rondom een woonerf, waarbij voor- en achterkanten elkaar afwisselen. Dit levert een wat rommelig beeld op. Met de sloop van de oostwand heeft de Javastraat een asymmetrisch profiel en een onrustige ruimtelijke afwikkeling gekregen.

Openbare ruimte De Woldstraat heeft nu een profiel van een normale stadsstraat met een rijbaan in het midden, parkeerstroken met bomen aan beide kanten en brede trottoirs aan beide zijden. Ten opzichte van de histori-

sche, vooroorlogse inrichting van deze straat, die behalve de functie van veemarkt ook een belangrijke regionale verbindingsfunctie had richting Ruinerwold, is dit inrichtingsprofiel een aanzienlijke verarming. Opvallend waren vooral de bomen, die zo dicht op elkaar waren geplant dat een continue strook aan lommerijk geboomte de gehele weg het karakter van een laan gaf. In het eerste brede stuk van de Woldstraat was dit nog een enkele rij bomen in het midden van de weg, mogelijk om beschutting te bieden aan de veemarkt, maar meer richting de rand van de stad ging deze aanplant over in een dubbele rij bomen, eveneens dicht op elkaar in een rij gezet. Dit deel van de straatweg naar Ruinerwold had het karakter van een chique laan. Nu zijn de bomen op zo’n afstand van elkaar geplaatst dat het groen niet het beeld van de straat kan gaan beheersen. In de Voorstraat en Lombokstraat is er in het geheel geen sprake van groenaanplant, tenzij in de vorm van individuele struiken tegen de gevels aan. Langs de Javastraat en de Ceintuurbaan beheersen de voortuinen en de groenstrook met bomen van de Borneohof de straat. Deze zijn hier vrij essentieel om de onevenwichtigheid van het profiel te compenseren.

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Woldstraat, straatprofiel

Bebouwing en architectuur Kenmerkend aan deze buurt is de aaneenschakeling van arbeiders- en middenstandswoningen uit het eind van de 19de en begin 20ste eeuw, waarbij die aan de Voorstraat, Lombokstraat en Javastraat voor arbeiders en kleine middenstand bedoeld waren en een geringe breedtemaat hebben (3-4 meter), en die aan de Woldstraat veelal voor de meer gegoede middenstand zijn gebouwd en een slag groter zijn. Vrijwel alle historische panden van voor de jaren ’30 van de 20ste eeuw zijn slechts één laag plus kap,

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

225

GEBIED 3


meestal een volledig zadeldak, maar soms ook een mansardekap of een schijnkap (vier dakschilden met een platte afdekking). De woningen zijn vaak gescheiden van elkaar door een smal tussenpad, maar direct geschakelde woningen komen ook voor, veelal in blokjes van twee. De tussenpaden tussen de woningen en blokjes, alsmede de topgevels versterken de individualiteit van de woningen in hoge mate. Er komen ook panden voor met de kaprichting evenwijdig aan de straat, maar deze hebben vaak kleinere dakkapellen, waardoor ook deze panden zich naadloos voegen in het ritme van topgevels en individualiteit. Aan de Voorstraat, Lombokstraat en Javastraat overheersen de meer ‘doorsnee’ topgevels, langs de Woldstraat staat veel meer vindingrijke en ‘experimentele’ architectuur (op het gebied van topgevels). Het complexje van de Twaalf Apostelen aan de Woldstraat, het eerste woningbouwproject van de Meppeler Bouwvereniging uit 1919, verdient aparte vermelding, omdat het van bijzondere waarde is, zowel architectonisch als cultuurhistorisch, als een van de eerste sociale woningbouwprojecten van Meppel. Het complexje 226

Flexus AWC

bestaat uit twaalf woningen, twee-aan-twee geschakeld, nog in de architectuurtraditie van het einde van de 19de eeuw, begin 20ste eeuw gebouwd, maar met enkele voor die dagen bijzondere ontwerpkeuzen. Zo zijn de voordeuren van deze opmerkelijke twee-onder-een-kappers samengebracht in een terugliggend portiek met ronde toog en zijn de blokjes met twee topgevels in een Overgangsstijl gesierd die in het midden worden verbonden met een dakschild evenwijdig aan de straat, waarin zich twee kleine sierlijke dakkapellen bevinden. De architectonische articulatie die ontstaat door het verschil tussen de wit gekeimde dakverdieping en de schoon metselwerk begane grondlaag brengt een grote verfijning aan in deze architectuur. Elke woning heeft een riante voortuin, die bij de bouw werden afgeschermd van de weg met een fraai gietijzeren sierhek. Deze hekken zijn nu geïndividualiseerd. Langs de nu afgebroken Borneostraat heeft enigszins gelijkende architectuur gestaan, hoewel minder specifiek ontworpen. Bijzondere vermelding verdient bovendien nog de 19de eeuwse stadsboerderij op de hoek van de Wold- met de


4 Lombokstraat met op de andere hoek het bijzondere pand dat ooit een sigarenfabriekje huisvestte. Beide panden zijn aan de buitenzijde nog grotendeels intact.

Transformaties en aantastingen ◄

Twaalf Apostelen, Woldstraat

De buurt is in zijn algemeenheid nog goed herkenbaar als een historische buurt uit het eind van de 19de – begin 20ste eeuw met een historische uitvalsweg, maar hij is niet ongeschonden de tweede helft van de 20ste eeuw doorgekomen. Begin jaren ’70 zijn door de Meppeler Woningstichting 57 woningen uit 1910 aan de Javastraat, het Javaplein, de Sumatrastraat en de Borneostraat afgebroken en korte tijd later vervangen door 39 moderne laagbouwwoningen rondom een woonerf. Hoewel het verzorgde architectuur betreft, is de coherentie van dit deel van de buurt hierdoor, zowel stedenbouwkundig als architectonisch, sterk aangetast. In vervolg hierop werd in de jaren tachtig aan het Javaplein nog een nieuw complexje woningen gebouwd. Na de oorlog was veel bebouwing langs de Woldstraat opgenomen in de saneringsplannen van de gemeente, die gedeeltelijk doorgang hebben gevonden. Zo is er een strook historische bebouwing in het midden van de huidige Woldstraat in de jaren ’60 afgebroken waardoor de straat hier aanzienlijk verbreed werd. Met deze sloop zijn ook de laatste herinneringen aan de ondersteunende functies van de veemarkt verdwenen, zoals het café Chiostro. Met het verdwijnen van de veemarkt is ook de lommerrijke boombeplanting verdwenen en heeft de Woldstraat nu het karakter van een gewone verkeersstraat waarlangs gewoond wordt. In de jaren ‘70 werden in de zuidwand van de Woldstraat, net buiten de gebiedsgrens van het hier be-

schreven gebied de panden Woldstraat 68 t/m 74 gesloopt voor de stichting van een supermarkt. Deze is inmiddels vervangen door een appartementencomplex. De architectuur van dit recent gerealiseerde complex verhoudt zich harmonischer tot de omgeving, maar de typologie en schaal van deze bebouwing vervreemdt zich weer in sterke mate van de buurt. De Voorstraat en Lombokstraat zijn nog grotendeels intact, maar de Voorstraat kent wel enkele gaten in de bebouwing en wat rommelige gevelwandinvullingen.

Waardering De cultuurhistorische waarden van deze buurt zijn hoog, met als aantekening dat: • de Woldstraat hierin een zwaarwegend aandeel heeft • de Borneohof afbreuk doet aan de cultuurhistorische waarde

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

19e eeuwse stadsboerderij, Woldstraat, hoek Lombokstraat

De historisch-maatschappelijke waarden zijn hoog. Het betreft hier één van de eerste uitbreidingswijken van Meppel, langs een historisch uitvalslint die behalve als weg ook een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Meppel als veemarkt voordat het vee naar de hallen aan de Marktstraat werden verplaatst. Er heeft niettemin veel sloop plaatsgevonden in de buurt en de herinneringen aan de veemarkt en het oude uitvalslint zijn nagenoeg verdwenen. Dit tast de historisch-maatschappelijke waarde enigszins aan. De historisch-stedenbouwkundige waarden van de buurt zijn gemiddeld, omdat de steden-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

227

GEBIED 3

◄◄


228

Flexus AWC


4 bouwkundige structuur op essentiële punten aangetast is door de sloop-nieuwbouw rondom de Borneostraat, maar vooral door de sloop van de bebouwingsstrook in het noorden van de Woldstraat en de sloop van bebouwingswanden voor grootschaliger nieuwbouw eveneens langs de Woldstraat. Ook de stedenbouwkundige waarden van de Voorstraat en Lombokstraat zijn gemiddeld, vanwege het krappe profiel, zeker vergeleken met vergelijkbare straten als de Wilhelmina-, Emma- en Weerdstraat. Toch getuigt de ruimtelijke opzet van de buurt nog voldoende van een uitbreidingswijk voor arbeiders en de kleine middenstand uit het begin van de 20ste eeuw, en is er op de meeste plekken in de buurt nog voldoende stedenbouwkundige en architectonische samenhang te vinden om te kunnen spreken van gemiddelde historisch-stedenbouwkundige waarden. De historisch-architectonische waarden zijn hoog voor wat betreft de Woldstraat, omdat zich daar meerdere architectonisch onderscheidende woningen en sociale woningbouwprojecten bevinden die een fraai voorbeeld zijn van de architectonische expressie van woningbouw voor de arbeiders en kleinere middenstand in Meppel, uit eind 19de- begin van de 20ste eeuw. Ook zijn hier nog voorbeelden te vinden van pre-industriële architectuur, die verbonden is aan de historische binnenstad van Meppel. In de Voorstraat en Lombokstraat zijn de historisch-architectonische waarden gemiddeld, omdat de architectuur vergeleken met verwante architectuur uit dezelfde periode in de Wilhelminastraat, Emmastraat en Weerdstraat van iets eenvoudiger signatuur is en minder gaaf

bewaard is gebleven. Het geheel geeft nog wel een redelijk beeld van kleine middenstandswoningen uit het eind van de 19de- begin 20ste eeuw. De zeldzaamheidswaarde van de buurt is gemiddeld, evenals de gaafheid.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

VOORSTRAAT / WOLDSTRAAT

Voorstraat

229

GEBIED 3


230

Flexus AWC


4

4 Het Vledder Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit

IJspret op Het Vledder, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het Vledder is een direct tegen de stadskern van Meppel gelegen gebied dat langere tijd als overloopgebied gefunctioneerd heeft voor grootschaliger functies in de Binnenstad. Het Vledder is nu (2012) in herontwikkeling. De Vledderlanden De Vledderlanden waren oorspronkelijk laaggelegen weilanden ten noorden van de Hoogeveense Vaart en ten oosten van de toenmalige Ruinerwoldseweg (de latere Woldstraat), in de nabijheid van de oude kern van Meppel. Zij stonden door hun laaggelegen ligging regelmatig onder water. Het natte en drassige Vledderland werd in de zomer gebruikt als hooiland en in de winter als het vroor, als schaatsbaan. Dit laatste was in ieder geval al het geval aan het begin van de 20ste eeuw. Het complex bestond dan uit een drietal stukken, de zogenaamde binnenbaan die door de Meppeler Ijsclub werd geëxploiteerd, de buitenbaan die voor ieder vrij toegankelijk was, en een gedeelte dat ten oosten van de trambaan Meppel – Hijkersmilde lag, en dat meestal als ijshockeyterrein door de jeugd gebruikt werd. De trambaan (geïntroduceerd in 1916, op de locatie van de later rond 1934 aangelegde burgemeester Knopperslaan) was overigens niet de eerste doorsnijding van de Vledderlanden. In 1868 werd de spoorlijn Meppel – Heerenveen al door het gebied aangelegd. De Gasfabriek De Vledderlanden werden al sinds 1861 gedomineerd door de Meppeler gasfabriek, die in de zuidwesthoek van het gebied gelegen was (feitelijk onderdeel uit-

makend van gebied 1 van deze cultuurhistorische verkenning). Stadsgas ten behoeve van koken en woonhuis- en straatverlichting ging van start in de 19e eeuw. In 1861 werden in Assen en Meppel gasfabrieken opgericht, twee jaar later gevolgd door die in Coevorden. Het zouden de enige van Drenthe blijven. Vanaf 1857 werd, na initiatieven van gemeenteraadsleden om op particulier initiatief een ‘fabrijk van lichtgaz’ op te richten, door het college van B en W nagedacht over een gemeentelijke gasfabriek in Meppel, en vanaf het begin stond vast dat die aan het water zou moeten komen te liggen. Hoe moest de jaarlijkse hoeveelheid te vergassen steenkool (in 1860 geschat op 5.000 mud) anders dan over het water worden aangevoerd? Daarom werd in 1858 contact gezocht met de Drentsche Kanaal Maatschappij en het verzoek gedaan een stuk grond te mogen kopen dat gelegen was aan de Hoogeveense Vaart (nu Gasgracht). De onderhandelingen slaagden, en de ligging van de fabriek werd zo gekozen dat de voorzijde aan de Vledderstraat kwam te liggen en de achterzijde aan het water van de Hoogeveense Vaart. Op die manier was men in staat de aanvoer van steenkool en de afvoer van sintels zo efficiënt mogelijk te laten verlopen. De nieuwe fabriek kwam ook naast de oude school van meester Hummel te liggen. Het schooltje van meester Hummel was voorheen een school voor de gegoede burgerij die het normale lagere schoolonderwijs voor hun kinderen niet goed genoeg achtten. De gemeentelijke gasfabriek bevond zich hiermee op de hoek van de Gasgracht en de Grote Kerkstraat, later omgedoopt in Marktstraat. Het terrein werd ontsloten vanaf de Vledderstraat.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Luchtfoto, centrum Meppel oost met zicht op een deel van de Vledderlanden, de Gasgracht, de Gasfabriek, de Vledderschool en de Vledderstraat, 1927 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

231

GEBIED 4

◄◄


232

Flexus AWC


4 ◄

Vledder, uitsnede uit het Uitbreidingsplan 1928; introductie van de Burgemeester Knopperslaan ter plaatse van het tramtrace <dossier 696, archief gemeente Meppel>

◄◄

Vledder, studie Gemeentewerken, 1935; introductie van de Marktstraat, en verwijdering van de (verlengde) Vledderstraat; de Veemarkt is gepland op het driehoekige middenterrein <dossier 696, archief gemeente Meppel>

Vledder, uitsnede uit het Uitbreidingsplan Zwart, 1942; de veemarkt heeft haar definitieve locatie gekregen, maar de markthallen zijn nog niet gebouwd <dossier 696, archief gemeente Meppel>

Dit was een reeds bestaande weg. Op de kadastrale minuut uit 1823 wordt de straat al weergegeven ten noorden van de kavels aan de Hoogeveense Vaart, en als begrenzing van de Vledderlanden. Het terrein van de gasfabriek werd zo intensief gebruikt dat de gashouders al rond 1911 aan de noordzijde van de Vledderstraat op de Vledderlanden stonden. Deze vormden hiermee een van de eerste gebouwde forse objecten in het gebied. De behoefte aan gas bleef lange tijd groot. In 1926 vond een forse uitbouw van de fabriek plaats en kreeg het fabrieksterrein een omvang van 8.200 m2. Zo kwam er onder meer een nieuwe kolenbunker en een cokestransportinrichting. Ook kwam er een toonzaal. Aan de belangrijke positie van de gasfabriek kwam een einde door de komst van het aardgas in 1955. De gasovens werden gesloopt, al deden drie stoomketels nog tot 1967 dienst voor de stadsgebouwenverwarming. In 1957 werd het gebouw Gasgracht 4 verbouwd tot brandweerkazerne (op de begane grond) en kantoren en dienstruimten voor de Bescherming bevolking. In 1968 volgde de sloop van het grootste aantal gebouwen van de gasfabriek (voor meer informatie, zie de kadertekst 4 van de gebiedsbeschrijving Binnenstad, saneringsgebieden H en I). In het kader van het herontwikkeling van Het Vledder werd de haalbaarheid onderzocht van het herbestemmen van het complex, en werd deze omgevormd tot bedrijfsruimte. Ook het schooltje van meester Hummel is gespaard gebleven en vormt nog steeds onderdeel van het complex. De ruimtelijke situatie rondom de gasfabriek die wijzigde ten gevolge van het dempen van de Wetering/Hoogeveense Vaart in 1967 werd in 2008 bij de Gasgracht weer hersteld door het opengraven van dit gedeelte van het water.

De Vledderschool Een ander groot object dat aan het begin van de 20ste eeuw op de Vledderlanden gerealiseerd werd, was de in 1908 gebouwde Vledderschool, ontworpen door stadsarchitect Monsma. De school was voor het lager gemeentelijk onderwijs bedoeld, en was anno 1909 de modernste lagere school van Drenthe. Met tien lokalen en 322 leerlingen was het ook de grootste school van Meppel. In 1913 werd de school uitgebreid met nog eens vier lokalen. In 1914 waren er in totaal 513 leerlingen. Het gebouw is momenteel nog steeds opvallend aanwezig in het gebied en in gebruik als het Cultureel Centrum Meppel. Het Uitbreidingsplan Monsma en de hierop volgende plannen In 1928 werd het Uitbreidingsplan van Meppel van stadsarchitect Monsma door de gemeenteraad aangenomen. Een van de kenmerkende verkeersonderdelen van dit plan vormde de over de Vledderlanden aangelegde Burgemeester Knopperslaan. Monsma had tevens een bebouwingsplan opgenomen voor de gehele Vledderlanden. In het plan werd uitgegaan van een doorbraak vanaf de Grote Kerkstraat, waarbij de bebouwing aan de noordzijde van de Prinsengracht gesloopt werd en een gedeelte van de gracht werd gedempt, waardoor het Prinsenplein ontstond. De verbindingsstraat tussen de Prinsengracht en de Vledderstraat werd in het plan verbreed en verlengd; hiermee ontstond een ontsluitingsweg voor de op de Vledderlanden te ontwikkelen wijk. De plannen voor Het Vledder kwamen nauwelijks tot ontwikkeling. Het Prinsenplein werd in vervolg op de plannen gerealiseerd, maar van een verbindingsstraat en verdere bebouwing op de Vledderlanden kwam het voorlopig nog niet.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Vledderlanden, vermoedelijk rond 1927; duidelijk zichtbaar de Vledderstraat met de Vledderschool en Gasfabriek en het tramtrace van de NTM <dossier 696, archief gemeente Meppel>

233

GEBIED 4

◄◄


234

Flexus AWC


4

◄◄

De markt op het Vledder, jaren ‘50 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Een impressie van de bedrijvigheid in de buurt van de in 1954 pas geopende Markthallen aan de Marktstraat. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Marktstraat met rechts de Markthallen, 1958 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

In 1935 stelde Gemeentewerken een plan tot herziening van het Uitbreidingsplan voor de Vledderlanden op dat de onderlegger op hoofdlijnen zou vormen voor de latere invulling van het gebied. In dit plan was reeds sprake van het huidige stratenplan, met een rationeler oplossing voor de verbindingsstraat, de huidige Marktstraat, die nu aansloot op de Burgemeester Knopperslaan. Hiernaast werd een doorbraak gepland tussen de Woldstraat en Marktstraat in het verlengde van de Javastraat. De hoekoplossing ter plaatse van de aansluiting Prinsenplein/Gasgracht werd uit het oude plan in het nieuwe plan overgenomen. Een belangrijk uitgangspunt was de verlengde Vledderstraat te verwijderen, hetgeen uiteindelijk, inclusief de hieraan liggende woonbebouwing, ook gebeurd is. De Vledderlanden werden een gebied waar vele vaak grootschaliger stedelijke functies een plaats kregen. Naast de veemarkt, een busremise en woningen, een gemeentelijk badhuis, een school en een hotel die in de jaren dertig en veertig gerealiseerd werden aan de Dirk Jakobstraat, Het Vledder en de Marktstraat, vonden uiteindelijk ook de lijn- en bodediensten hier hun plaats. De veemarkt De veemarkt, één van de nieuwe onderdelen uit het wijzigingsplan uit 1935, bleek al snel onderwerp van een stevig meningsverschil tussen enerzijds de inspecteur voor de Volkshuisvesting voor Friesland en Drenthe en de directeur Gemeentewerken van Meppel. De laatste wenste de markt op Het Vledder gerealiseerd te zien; de inspecteur opteerde voor een locatie naast de spoorbaan. Het gemeentebestuur liet hierop een aantal variantlocaties voor de markt onderzoeken (waaronder ook een locatie bij Rechteren), maar uiteindelijk koos de gemeenteraad in

1937 toch definitief voor Het Vledder. In de daarop volgende jaren vonden nog andere kleine wijzigingen van het wijzigingsplan plaats. Vlak voor de oorlog werd de veemarkt op Het Vledder geplaatst. De realisatie van een veemarktterrein was een absolute noodzakelijkheid vanwege de overbevolkte marktterreinen in de Binnenstad. Het Vledder werd opgehoogd, en er werd een groot driehoekig parkeerterrein bij de markt aangelegd met een laadheuvel voor de aan- en afvoer van de beesten. De markt zelf was in eerste instantie een grote ommuurde marktplaats in de open lucht voor 3.200 biggen, 1.360 varkens/schapen en lammeren, en 450 koeien/paarden. De locatie bleek een gelukkige keuze, en in 1953 werd op de locatie van de markt een overdekte markthal met een oppervlakte van 4.800 m2 gebouwd ten behoeve van de biggenmarkt. Deze werd in 1954 geopend. Door de verschillende epidemieën van varkenspest werd deze markt keer op keer gesloten en liep de varkenshandel op een einde. Het teruglopen van de marktactiviteiten uit de jaren ’60 resulteerde in het deels herbestemmen van de locatie. Aan het eind van de jaren ’60 werd op de hoek van Het Vledder en Burgemeester Knopperslaan het marktterrein naast de markthallen gebruikt voor de bouw van Sporthal Het Vledder. De markthallen hebben niettemin ook nog een tijd gefunctioneerd, tot in de jaren zeventig ten behoeve van de markt, en hiernaast voor andere evenementen, zoals onder andere de Middenstandsbeurs, paardensportspringwedstrijden, de tentoonstelling Energie en Kracht (1960), de Meppeldagen (o.a. 1965), de Meppeler Markt Tentoonstelling (Memato 1965), de vogeltjesmarkt en de Consumentenbeurs (1985). Zowel de sporthal als de markthallen worden vanaf 2011 gesloopt ten behoeve van de herinrichting van Het Vledder.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Panorama omgeving markthallen, 1954 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

235

GEBIED 4

◄◄


236

Flexus AWC


4

◄◄

Het busstation van de Drentse Autobus Onderneming (DABO) aan de Marktstraat, 1950 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het bodeterrein op Het Vledder, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel> Het Finagebouw. Woningen Woldstraat 108 t/m 134; boven woningen Meppeler Woning Stichting, onder benzinestation. In de volksmond bekend als de “hunkerbunker”, 1960 <fotoarchief Stichting Oud Meppel

Het bodeterrein De centrale open ruimte van Het Vledder zelf werd in de naoorlogse periode gebruikt voor tijdelijke functies zoals openluchtevenementen en het circus. Hiernaast was op de locatie lange tijd sprake van het gebruik door lijn- en bodediensten. Met het opbloeien van nijverheid en industrie in de tweede helft van de 19de eeuw groeide het belang van het goederenvervoer door middel van lijn- en bodediensten met paard en wagen en later autotractie. De lijndiensten reden door geheel Nederland. Daarnaast waren er de bodediensten, die als regionale vervoersdiensten zorgden voor het vervoer binnen een straal van ongeveer vijfentwintig kilometer rondom de gemeente. Zij verrichtten hun diensten op bepaalde dagen van de week en stonden overal in Meppel opgesteld, o.a. aan het Noordeinde, de Wheem, maar ook op het Kerkplein, de Grote Kerkstraat, de Woldstraat en de Groenmarkt. Hierbij werd weinig rekening gehouden met de verkeerssituatie. Deze situatie bleek onhoudbaar en dus werden door de gemeente Meppel vanaf 1943 plannen gemaakt om te komen tot een speciaal bodeterrein. Vanaf 1948 werden de Groenmarkt en het Prinsenplein hiervoor aangewezen, maar dit bleek al snel een foutieve keus. Een jaar later werd het bodeterrein daarom verplaatst naar de centrale driehoekige ruimte van het Vledder, waar ook een houten bodehuis werd gebouwd. Vanaf 1971 verdween het goederenvervoer uit het centrum van Meppel en werd een bodecentrum aan de Industrieweg – Oliemolenweg gebouwd. Het bodehuis werd gesloopt. De DABO Vanaf de jaren ’20 van de twintigste eeuw concurreerden bus en vrachtauto met de tramwegmaatschappijen van de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-

Maatschappij (DSM) en de Nederlandse Tramweg Maatschappij (NTM) die op Meppel reden. Een van de concurrenten was de Lambers Auto Bus Onderneming (LABO) die vanaf 1927 via Zuidwolde naar Hoogeveen reed. De onderneming groeide en had vroeg in de jaren ’30 een busstation en kantoor op de hoek Groenmarkt – Prinsenstraat. Deze locatie bleek te klein en rond 1940 werd een grote garage/ werkplaats voorzien van kantoren, wachtruimte en bedrijfswoning voor de inmiddels als Drentsche Auto Bus Onderneming bekend staande organisatie gerealiseerd op de hoek van de Marktstraat en de Dirk Jakobstraat. De DABO werd na een fusie met EDS in 1962 DVM en na latere fusies VEONN en ten slotte Arriva. De busremise en annexen zijn in 1991/1992 afgebroken. Op de locatie werd een supermarkt met bovenwoningen gerealiseerd. Het gemeentelijk badhuis Direct naast de DABO-remise, op de tegenoverliggende hoek van de Dirk Jakobsstraat en Marktstraat bevond zich het gemeentelijk badhuis. Dit gebouw werd in 1945 gerealiseerd ter vervanging van het badhuis in de Catharinastraat. Deze was geopend in 1902, maar was in 1940 zo beperkt voorzien van de toen moderne douches dat door de algemene ledenvergadering van de particuliere vereniging besloten werd het badhuis te sluiten zo gauw de gemeente de plannen voor een nieuw badhuis gereed had. Het gemeentelijk badhuis werd dichtbij de gasfabriek gerealiseerd en hiermee dichtbij de toen al in Meppel aanwezige stadsverwarming. Het badhuis werd na sluiting kantoor voor de gemeente en werd door de RENDO (het gasbedrijf) gebruikt voor de verbruiksadministratie en de Energieservice, waarna het nog een tijdje gebruikt is door de gemeente. Het pand is in 2006 gesloopt.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Ingang en zijkant van het Badhuis op de hoek van Marktstraat en Dirk Jakobsstraat, ontworpen door Gemeentewerken, 1950 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

237

GEBIED 4

◄◄


238

Flexus AWC


4 Toekomstige ontwikkelingen De gemeente Meppel heeft de intentie Het Vledder te herontwikkelen en nadrukkelijker onderdeel van het centrumgebied te maken. Het initiatief vloeit voort uit de Ontwikkelingsvisie Meppel 2030, Masterplan Het Vledder en de Stedenbouwkundige Visie Het Vledder. De ontwikkeling behelst woningbouw, gecombineerd met een plein, aangevuld met supermarkten, horeca en bioscoop, maatschappelijke voorzieningen en lichte bedrijvigheid. Een deel van het plan is momenteel (2012) al in uitvoering. Bronnen <Bakker, Dirk, Mijmeringen op het voormalige RENDO-terrein, kwartaalblad Oud Meppel, 2005 27-3, blz 26-29> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Ponne, W.J., Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, Meppel 1999> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Stichting Historie in Perspectief, Meppel, 2001> <Poortman, J., Meppel door de eeuwen heen, Koninklijke Uitgeverij J.A. Boom en zoon, Meppel, 1967> <Gerding, dr. M.A.W., Het erfgoed van de gemeente Meppel, blz 41, Stichting Drents Plateau, Assen 2005> <ter Heide, Roelof, Breken en Bouwen in Meppel 1945-1990, sanering en vernieuwing binnenstad , Meppel 1991 (uitgave door Krips Repro Meppel en Stichting Oud Meppel)> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Luchtfoto van Meppel gemaakt in de jaren tachtig van de 20e eeuw, horizontaal in het midden van de foto de Marktstraat, op de achtergrond de Knopperslaan, kaalslag Marktstraat hoek Gasgracht, de oude DABO/ remise is nog aanwezig, evenals het gemeentelijk badhuis, de Gasgracht is nog niet teruggebracht, 1986 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

239

GEBIED 4

â&#x2014;&#x201E;


Gebied 4 Het Vledder

Legenda

240

Flexus AWC


Het gebied dat in de meeste beleidsstukken met ‘Het Vledder’ wordt aangeduid, wordt omsloten door de Gasgracht/Prinsengracht, de Marktstraat en de Burgemeester Knopperslaan, maar in deze cultuurhistorische verkenning wordt tevens het bouwblok tussen de Vledderstraat, Woldstraat en Burgemeester Knopperslaan bij Het Vledder betrokken, waarbij de grens achter de percelen van de Woldstraat wordt getrokken. Deze keuze is gemaakt omdat dit gedeelte op de kadastrale Minuut van 1823 buiten de historische binnenstad valt en deels soortgelijke grootschalige en zeer diverse invullingen heeft (gekend) als Het Vledder. Door het gebied lopen twee centrale straten: de Marktstraat en de Vledderstraat. De Vledderstraat is een historische verbinding tussen ‘Het Vledder’ en de Binnenstad, meer in het bijzonder de Woldstraat. De haaks hierop staande Marktstraat is al in de jaren ’20 geprojecteerd, maar pas rond 1940 aangelegd. Het Vledder is nu grotendeels kaalgeslagen terrein dat op dit ogenblik wordt ontwikkeld als uitbreiding van de Binnenstad, waar zal worden gewoond en waar een bioscoop, horeca en uitbreiding van de supermarkt zal komen. Het geheel zal in een stedenbouwkundig plan worden gegoten waar cultuurhistorie slechts een bescheiden rol speelt, omdat er weinig cultuurhistorische artefacten in het gebied te vinden zijn. Archeologisch onderzoek van het gebied heeft aangegeven dat het gebied een lage archeologische waarde heeft. Meerdere randen van het gebied zijn niettemin (nog) bebouwd met oudere en soms zelfs historische bebouwing. In het zuidwesten, tegen het Prinsenplein aan, staat het laatste restant van de oude Gasfabriek, die hier vanaf de jaren ’60 van de 19de eeuw

heeft gestaan, Het Vledder voor een belangrijk deel in beslag nam en die krap een eeuw later grotendeels werd gesloopt. Aan de westzijde, langs de Marktstraat, staan de Markthallen, een karakteristiek complex dat in 1953 is gebouwd. In het noorden van de Marktstraat staat een sportcomplex. Beide gebouwen zullen in het kader van de nieuwe wijk Het Vledder worden gesloopt. In het noorden van het gebied staat woningbouw uit de jaren ‘50. De bebouwing in het oosten van het terrein is recentelijk gesloopt. Aan de noordwestkant van de Marktstraat staat de moderne bibliotheek die diep in het binnenterrein steekt. Het binnenterrein tussen de Markt- ,Vledderen Woldstraat is voor een belangrijk deel dichtgeslibt door de uitbreiding van de Vledderschool en de bibliotheek c.q. ‘De Plataan’. De noordoostwand van dit blok, langs de Javastraat, is stedenbouwkundig en architectonisch sterk verbrokkeld. In het zuiden ligt langs de Gasgracht een karakteristieke historische grachtenwand, met individuele geschakelde panden in de rooilijn. De panden stammen weliswaar vrijwel alle uit het begin van de 20ste eeuw, maar bouwen niettemin voort op de preïndustriële stedenbouwkundige principes van een Nederlands grachtenprofiel van een gracht met kades en bomen. Dit restant geeft nog goed aan wat hier de historische situatie is geweest. Van gesloten bouwblokken is hier nergens in het gebied meer sprake. De Vledderstraat is een historische straat, die al deels bebouwd was op de kadastrale minuut van 1823, en geleidelijk aan tot een volwaardige straat met een preindustreel profiel is uitgegroeid. De straat liep in de 19de eeuw verder door over het terrein van de latere Gasfabriek. Dit ‘verlengde’ deel van de Vledderstraat is echter in de eerste helft van de 20ste eeuw verwijderd. Als gevolg van grootschalige ingrepen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

HET VLEDDER

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

241

GEBIED 4

Ruimtelijke beschrijving en waardering


242

Flexus AWC


4

◄◄

Marktstraat, met rechts de Markthallen

Nieuwbouwwoningen Het Vledder

voor, maar ook na de Tweede Wereldoorlog is van de ruimtelijke coherentie van de resterende straat niet veel meer over. De voormalige school en de Gereformeerde kerk hebben al voor de oorlog de noordwand sterk getransformeerd, terwijl de zuidwand in sloopacties in de stadsvernieuwingsjaren is neergehaald. Er is geen bebouwing voor in de plaats gekomen en het gat is inclusief grote delen van het voormalige binnenterrein van het bouwblok parkeerterrein geworden voor bewoners en voor consumenten van een aangrenzende supermarkt. Ook voor deze plek zijn nieuwbouwplannen.

de voorzijde nog grotendeels intact, maar de achtervleugels zijn verdwenen in een kolossale nieuwbouw. De Markthallen uit 1953 hebben een karakteristieke hoofdvorm en silhouet en zijn ook architectonisch een boeiend voorbeeld van een jaren ’50 marktgebouw. De woningen in het gebied dateren eveneens grotendeels uit de jaren ’50. Het zijn met name tweeonder-een-kappers, van een verzorgde, maar niet bijzondere architectuur.

Openbare ruimte

Het gebied is dermate getransformeerd, vooral na de oorlog, dat de historische en zelfs 20ste eeuwse hoofdstructuur op Het Vledder zelf volledig onherkenbaar geworden is. De structuur rondom de Vledderstraat is eveneens sterk aangetast. Het bouwblok tussen de Woldstraat, de Javastraat, Marktstraat en Vledderstraat is in delen nog intact of hersteld.

De openbare ruimte van Het Vledder is nu functioneel ingericht, als parkeerterrein. Ook de andere stedelijke ruimten in dit gebied zijn functioneel ingericht.

Bebouwing en architectuur ◄

Vledderstraat, Vledderschool

Het gebied is wat betreft bebouwing te divers en te zeer kaalgeslagen om te kunnen spreken van kenmerkende bebouwingstypologieën en karakteristieke architectuur. Alleen de Vledderstraat heeft nog overblijfselen van de historische straat die het eens was, met kleinschalige historische panden. Dat wil niet zeggen dat er geen waardevolle of karakteristieke gebouwen staan. Hiervan zijn er enkele, maar deze hebben alle een bijzondere functie gehad. Het restant van de Gasfabriek – het voormalige stokerijgebouw is de belangrijk en cultuurhistorisch waardevol, net als de voormalige Hummelschool, die gedeeltelijk in de Gasfabriek is opgenomen geweest. Eveneens waardevol is de Vledderschool (1909) van de toenmalige gemeentearchitect Monsma. Dit monumentale gebouw in een neorenaissance-stijl is aan

Aantastingen en transformaties

Waardering De cultuurhistorische waardering van deze buurt is van basisniveau, omdat vrijwel alle historische objecten en structuren zijn verdwenen, gaan verdwijnen of sterk zijn aangetast. HET VLEDDER

Gasgracht, met gebouw Gasfabriek en oude school van meester Hummel

De historisch-maatschappelijke en historischstedenbouwkundige waardering van dit gebied zijn eveneens van basisniveau, om bovenstaande reden. Bepaalde gebouwen in dit gebied hebben wél een hoge historisch-maatschappelijke waardering, omdat zij voor de ontwikkelingsgeschiedenis van Meppel van bijzonder belang zijn: de

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

243

GEBIED 4

◄◄


244

Flexus AWC


4 resterende bebouwing van de Gasfabriek geldt als belangrijk cultuurhistorisch erfgoed. Dit gebouw heeft nu een andere bestemming. De markthal is eveneens te beschouwen als belangrijk Meppels erfgoed, aangezien het een belangrijke getuigenis is van het veemarktverleden van Meppel, dat voor vele eeuwen zo dominant geweest is in de stad. De hallen hebben daarbij een geheel eigen architectonische karakteristiek, die als industrieel erfgoed een waardevolle bijdrage zou kunnen vormen aan de nieuw te ontwikkelen buurt het Vledder.

Aanbevelingen

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

245

GEBIED 4

HET VLEDDER

Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.


246

Flexus AWC


5 Koninginnebuurt / Brocades / Kraton

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Door de industrialisatie die in de tweede helft van de 19e eeuw behoorlijk groot is geweest, kwam de trek vanaf het platteland naar Meppel op gang, een proces vergelijkbaar met vele andere gemeenten in ons land. Door de bevolkingstoename ontstond er een voortschrijdende verdichting in het bestaande stadsgedeelte en een toenemende vraag naar woningen in het buitengebied, met onder andere de Koninginnebuurt als gevolg. De buurt is geleidelijk tot stand gekomen in het laatste kwart van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw. Haar groei startte al kort voor het ontstaan van de Voorstraatbuurt aan de noordoostzijde van de Meppeler stadskern. De Koninginnebuurt vormde in vergelijking met deze buurt een aantrekkelijker bouwlocatie, niet in het minst omdat hier met de eerdere totstandkoming van het station en de Stationsweg sprake was van een representatiever omgeving. De buurt werd aan de oostzijde begrensd door de reeds eerder aangelegde Stationsweg (pas globaal vanaf de jaren tien van de 20ste eeuw als Parallelweg benoemd) en de spoorbaan naar Leeuwarden. Aan de noordzijde bevond zich de bebouwing aan de Heerengracht en de weg naar de Wijk (het latere Oosteinde) die al vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw tot stand gekomen was. De westzijde van de buurt werd begrensd door de voor het grootste gedeelte al volgebouwde kavels aan het Zuideinde. De layout van de buurt De grondeigendommen op de locatie hebben zeker hun invloed gehad op de layout van de buurt. Op de

kadastrale minuut van 1885 is af te lezen dat de Wilhelminastraat in het hart van een grote driehoekige agrarische kavel tot stand kwam, vermoedelijk op initiatief van deze grondeigenaar, en dat de oostzijde van de al eerder tot stand gekomen Prins Hendrikstraat (de latere Catharinastraat) (al op de kadastrale minuut van 1885 weergegeven) tevens grote kavels betrof met tezamen een driehoekige hoofdvorm, die hier als het ware uitnodigde grote openbare gebouwen (kantongerecht, scholen) en een straat (de Julianastraat) te realiseren.

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Luchtfoto van de Koninginnebuurt, vermoedelijk uit 1925. Rechtsonder de Parallelweg, linksonder de Stationsweg <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Hoewel de beschikbare literatuur over de buurt hierover geen aanwijzing bevat, lijkt de Emmastraat een direct gevolg van een planningsingreep vanuit de gemeentelijke overheid geweest te zijn. Deze straat vormde en vormt nog steeds de directe verbinding tussen het station en de Tipbrug c.q. de Binnenstad, en is qua locatie niet herleidbaar vanuit eerdere grondeigendommen op de locatie. Het buurtje de Kraton, dat al in de periode 1870 - 1880 tot stand gekomen was, vormde vermoedelijk bij het aanleggen van de Emmastraat een referentiepunt, omdat de knik in de straat door de zuidwestelijke hoekpunt van deze rechthoekige kavelstructuur bepaald werd. Op deze knik werd uiteindelijk de Johannes Calvijnschool gebouwd. De Emmastraat was in eerste instantie voor wat betreft het zuidelijk deel van de straat een weg door open veld achterlangs de reeds eerder gerealiseerde oostwandbebouwing aan de Wilhelminastraat. Deze route werd toen het Zwartewegje genoemd.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

247

GEBIED 5

â&#x2014;&#x201E;


248

Flexus AWC


4 ◄

Kadastrale kaart, 1911 <Gemeente Meppel>

De Koninginnebuurt bestond na realisatie uit vier ruimtelijke elementen: - lange straatwanden aan de Wilhelminastraat, Emmastraat, Julianastraat en westzijde van de Prins Hendrikstraat (latere Catharinastraat), gevuld met overwegend kleinschalige woonbebouwing op smalle kavels, - een lineaire strook met grote monumentale openbare gebouwen ter plaatse van de oostzijde van de Prins Hendrikstraat en in de Julianastraat, - de Kraton als een compacte volksbuurt met een practisch vierkant grondplan in de noordoosthoek van het gebied, - en enkele losse en soms amorfe terreinen met grootschalige fabrieksbebouwing in de zuidoosthoek van het gebied, hier gekoppeld aan de Parallelweg en Stationsweg. Volkshuisvesting; Woningen Emmastraat en Wilhelminastraat De woningen die in de Emmastraat, Wilhelminastraat en Prins Hendrikstraat voor 1910 op basis van particuliere initiatieven tot stand kwamen, waren woonhuizen voor arbeiders, schippers en ambachtslieden die zich dit konden veroorloven. Ze waren zeker niet voor iedereen betaalbaar. Naast particuliere woningbouwinitiatieven kwam in het gebied ook de bouw van eenvoudige woningen door verenigingen op gang; dit al voor de invoering van de Woningwet van 1902. De vereniging Hulp in Lijden bouwde in 1886 voor haar leden 23 woningen aan de Wilhelminastraat. Deze vereniging was in 1838 opgericht om de aangesloten arbeiders een uitkering te geven tijdens ziekte, bij te dragen in begrafeniskosten en weduwen te steunen. Contributies, giften en inkomsten van donateurs vormden het kapitaal van het fonds. De woningen in de Wilhelmina-

straat werden door loting verdeeld onder de leden. Het straatbeeld van de Emma- en Wilhelminastraat (over de Prins Hendrikstraat/Catharinastraat later) was rond 1900 anders dan we dit nu kennen : huizen met een smalle stoep voor de deur en voorperceeltjes voor de woning. Foto’s uit 1900 van de Wilhelminastraat tonen zelfs bomen aan twee zijden van de straat, en er zijn gaslantaarns voor de straatverlichting. Foto´s uit de jaren ‘20 van de 20ste eeuw laten een gewijzigde straatinrichting zien. Aan beide zijden van de straat bevinden zich nu trottoirs en de bomen zijn verdwenen. De oorlog was niet zonder gevolgen voor de buurt. Het complex van Hulp in Lijden werd in januari 1945 gedeeltelijk verwoest door een bomaanslag uit een aangeschoten geallieerd vliegtuig, waarbij ook de naastgelegen Remonstrantsekerk aan de Heerengracht vernietigd werd. Er vielen 16 doden, en er werden 34 huizen met de grond gelijk gemaakt. Uiteindelijk werden 12 woningen aan beide zijden van de Wilhelminastraat niet herbouwd. Op een gedeelte van de grond waarop 6 woningen hadden gestaan, werden door derden weer 6 woningen gebouwd. Ook de Remonstrantse Kerk aan de Heerengracht werd volgens een nieuw ontwerp herbouwd. Na de Tweede Wereldoorlog besloot de vereniging Hulp in Lijden tot verkoop van de onroerende goederen.

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Kadastrale kaart, 1885 <Gemeente Meppel>

De naoorlogse saneringsperiode had zijn gevolgen voor de Wilhelminastraat. Tijdens de naoorlogse saneringsperiode werd besloten het gebied Kortestraat, Lindestraat (beiden zijstraten van de Wilhelminastraat) en de Wilhelminastraat zelf onderdeel te maken van het saneringsplan (ze vormden onderdeel van saneringsgebied D). De kleine woningen en grond aan de Korte- en Lindestraat werd in de pe-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

249

GEBIED 5

◄◄


250

Flexus AWC


4 ◄

Prins Hendrikstraat/Catharinastraat 1920, inkijk richting Hoogeveensevaart. Rechts het gebouw van het Kantongerecht met verderop de Wilhelminaschool <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Julianastraat 1924, met zicht op de hervormde MULOschool <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Emmastraat 1900, inkijk richting Hoogeveensevaart <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

riode 1971-1983 aangekocht. Hier vond nieuwbouw plaats met uitzondering van de locatie Kortestraat 1 t/m 11 waar de woningen bleven staan. Om een betere toegang tot het gesaneerde gebiedje te verkrijgen werden de panden Wilhelminastraat 34 en 36 afgebroken. In totaal werden voor de sanering 29 woningen afgebroken. Prins Hendrikstraat/Catharinastraat en Julianastraat: Scholen en andere openbare functies De Prins Hendrikstraat had al vanaf het begin een meer formele en stadse aanleg dan de later aangelegde Wilhelmina- en Emmastraat. De twee straatwanden waren heel anders qua invulling. Aan de westzijde was sprake van een doorgaande bebouwingswand met bebouwing met een even eenvoudige signatuur als aan de Emma- en Wilhelminastraat. Aan de oostzijde daarentegen werden grote monumentale gebouwen gerealiseerd. Er was bovendien vanaf het begin sprake van een trottoir aan beide zijden van de weg en er waren geen tuinen/voorgebieden voor de westelijke gevelwand aanwezig. In vervolg op de invoering van de landelijke leerplicht (1901) werden in de buurt veel scholen gerealiseerd, waarvan twee ter plaatse van de oostwand van de Prins Hendrikstraat. Vanaf de Heerengracht bestond de oostwand uit de Wilhelminaschool (de tweede Nederlands Hervormde School, er was al een hervormde lagere school aan de Brouwersstraat), met hiernaast het kleuterschooltje) (1911), het gebouw van het Kantongerecht en Ontvangkamer der directe belastingen met de naastgelegen conciërgewoning (1910) (vervanging van het gebouw aan de Hagenstraat), en het gebouw van de Ambachtschool (1921). Het waren allen min of meer vrijstaande gebouwen voorzien van een voorgebied met een tuin en afscheidend hekwerk.

Deze grote openbare functies hadden een statuur die vestiging aan een belangrijke hoofdroute voor de hand liggend maakte, maar hiervan is duidelijk geen sprake geweest. De beschikbare literatuur over de ruimtelijke ontwikkeling van Meppel in deze tijdsperiode geeft hierop geen antwoord. Mogelijk dat financiële motieven en lagere grondkosten een rol gespeeld hebben. De oprichting van de Ambachtschool was in ieder geval geen vanzelfsprekende zaak. Deze werd mede mogelijk gemaakt door een subsidie van tienduizend gulden van de familie De Visser. De school werd gebouwd op grond van dezelfde familie. Zij deed daarop aan de gemeente een verzoek de school Catharinaschool te noemen en de naam van de straat te veranderen in Catharinastraat (Catharina was de echtgenote van wijlen ds. De Visser, die van 1859 tot 1877 predikant van de hervormde kerk in Meppel was geweest), hetgeen ook geschiedde. Pragmatisch besloot de gemeente hierop de naam Prins Hendrikstraat opnieuw te gebruiken bij de ontsluiting van het woongebied vanaf het Bleekerseiland naar de Buitenhaven.

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Wilhelminastraat tussen 1900 en 1913 gefotografeerd. Links de entree naar de Kortestraat en iets verderop de toegang tot de Lindestraat <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Elders in de Koninginnebuurt werden overigens meer scholen gerealiseerd. Aan de Julianastraat werd de Hervormde ULO (na 1969 MAVO) gebouwd, die in 1923 in gebruik werd genomen en tot 1980 dienst heeft gedaan, waarna op deze plaats de Vrije School voor basisonderwijs opgericht werd, en in de Emmastraat werd in 1926 de Johannes Calvijnschool gebouwd, een school voor Gereformeerd lager onderwijs. De oostelijke bebouwingswand aan de Catharinastraat is met de jaren sterk gewijzigd door de vervanging van het schoolgebouw van de Wilhelminaschool in 1930 met een nieuw gebouw, en het aanbouwen van een gymnastieklokaal aan deze school.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

251

GEBIED 5

◄◄


252

Flexus AWC


4 ◄

Brocades&Stheeman aan de Wilhelminastraat, 1948. Op de voorgrond resten van huizen in afbraak <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De fabriek van van Werven aan de Parallelweg, 1933 <fotoarchief Stichting Oud Meppel, Andries van Gelder>

De Ambachtschool werd in 1955 uitgebreid met twee zijvleugels aan de achterzijde. De school verhuisde in 1965 naar de hoek van de Werkhorst en de Randweg, waarna het gebouw aan de Catharinastraat verbouwd is tot woonappartementen. Het gebouw van het Kantongerecht heeft inmiddels ook een andere functie. In de bebouwingswand aan de westzijde van de Catharinastraat bevonden zich ook twee opvallende gebouwen. Eén daarvan was de zuivelfabriek van de gebroeders Kingma, later meer bekend onder de naam Roomboterfabriek H. & T. Kingma. De fabriek vestigde zich in de straat in 1889. De boterfabriek was een van de oudste zuivelfabrieken van de provincie. In 1912 werd aanmerkelijk uitgebreid met een nieuw bedrijfspand. Tot ca. 1920 floreerden de zaken, daarna ging het minder en in 1942 werd de firma geliquideerd. De bedrijfspanden in de Catharinastraat werden in de jaren 1950 verkocht en kregen diverse bestemmingen. In ca 2008 is het hoofdpand verbouwd tot appartementencomplex. Direct naast de zuivelfabriek bevond zich vanaf 1902 het gemeentelijk badhuis waar men een stort- of kuipbad kon nemen. Het betrof een particulier initiatief dat met subsidie van de gemeente functioneerde. Het gebouw heeft tot 1947 als badhuis gefunctioneerd. Het gebouw aan de Catharinastraat was toen sterk verouderd; het had te weinig douches. De gemeente bouwde hierop een eigen Badhuis op de hoek Marktstraat - Dirk Jacobstraat. Een ander opvallend gebouw is niet ver van de Catharinastraat te vinden. Aan de Julianastraat, achter de tennisvelden van Tivoli, bevindt zich de zaalkerk van de Vrije Evangelische Gemeente die in 1924 werd gebouwd.

De Parallelweg en de hier gevestigde fabrieken De Parallelweg was van een heel andere orde dan de voorgaande besproken straten, en kwam in eerste instantie tot stand als een van de verbindingsroutes naar het nieuwe stationsgebouw uit de zestig-/ zeventiger jaren van de 19de eeuw. De weg heette niet toevallig Stationsweg (evenals de huidige oostwest liggende Stationsweg, die deze naam behouden heeft), en was rond 1910 niet meer dan een smalle weg met hierop een tramrails, en een dubbele bomenrij. Het tramspoor betrof de Dedemsvaartsche Stoomtramweg-Maatschappij (DSM) die vanaf 1908 een lijndienst vanaf Meppel Stationsplein naar Balkbrug via Rogat onderhield. In 1916 kwam hier een tramlijn bij van de Nederlandse Tramweg Maatschappij die een verbinding op Hijkersmilde exploiteerde en die, gebruik makend van een andere spoorbreedte ook op de Parallelweg ingepast moest worden. Gevolg hiervan was dat er zich uiteindelijk drie spoorlijnen ten oosten van de bebouwingswand aan de Parallelweg bevonden: twee tramsporen en één treinspoor. De tram naar Rogat sloeg bij de Hoogeveensevaart rechtsaf en passeerde hier de spoorlijn. De tram naar Hijkersmilde had een eigen brug, naast de spoorbrug, over de Hoogeveense Vaart naar het noorden. De twee tramlijnen functioneerden tot in de jaren ‘30. De NTM stopte in 1933; de DSM stopte uiteindelijk in 1939 ten gevolge van het rendabeler bus- en vrachtwagenvervoer. In dezelfde periode veranderde de Parallelweg van een betrekkelijk eenvoudige verbindingsweg in een doorgangsroute. In vervolg op het Uitbreidingsplan van Meppel uit 1928 werd in 1935 de Burgemeester Knoppersbrug geopend naar de nieuw aangelegde Burgemeester Knopperslaan en Ceintuurbaan. Hiermee ontstond een koppeling met de uitbreidingswij-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Luchtfoto Brocapharm 1958. Aan de onderzijde van het fabriekscomplex de Emmmastraat, links boven de Stationsweg en rechts de Wilhelminastraat met daaraan het begin jaren ‘50 gerealiseerde nieuwe laboratorium. Rechts onder de kinderwagenfabriek van M. van Werven <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

253

GEBIED 5

◄◄


254

Flexus AWC


4 ken ten noorden van de Binnenstad, en de nieuwe rijksweg Meppel – Smilde. Aan de zuidzijde van het Stationsplein, op de locatie van de Leonard Springerlaan was op dat moment echter nog geen verbindingsbrug over de Reest naar het zuiden. Deze zou pas na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd worden. De Parallelweg, in de nabijheid van het station, bleek een uitstekende locatie voor vestiging van fabrieken. De bekendste hiervan vormden wel de rijwielfabriek De Germaan (fa. F. en J. van Werven), en de kinderwagenfabriek van Van Werven. De rijwielfabriek De Germaan (fa. F. en J. van Werven), uitgegroeid van smederij tot fietsenfabriek, vestigde zich omstreeks 1912 aan de Parallelweg, nadat men eerst in de Binnenstad op diverse plaatsen, waaronder de Hoofdstraat en de Groenmarkt, had gewerkt. De fabriek werd daarna gestaag uitgebreid en was een van de belangrijkste werkgevers in die tijd in Meppel met o.a. export naar het voormalige Nederlands Indië. Ook de kinderwagenfabriek was gevestigd in het pand aan de Groenmarkt, maar kon daar ook niet uitbreiden waarop men in 1923 een fabriek aan de Kratonstraat bouwde. Ook de kinderwagens van Van Werven hadden een goede naam. Van Werven was hofleverancier; na de geboorte van prinses Beatrix in 1938 leverde hij de kinderwagen. In de zestiger jaren fuseerde De Germaan met Fongers Groningen en werd het pand verkocht aan de Meppeler Machinefabriek. Beide grote fabrieken (de fiets- en kinderwagenfabriek) werden in 1972 afgebroken. Brocades & Stheeman De geschiedenis van De Germaan werd nog ruimschoots overtroffen door een firma die zich in eerste instantie aan de oost-west gerichte Stationsweg ves-

tigde: de firma Brocades & Stheeman. Deze firma werd in 1871 als chemicaliënfabriek Brocades opgericht. W. Brocades, de grondlegger, was afkomstig uit Amsterdam en al voor 1800 in Meppel gevestigd als apotheker aan de Wildemansstege (de huidige Woldstraat). Hij maakte hier verschillende preparaten op grote schaal aan en verkocht ze aan andere apothekers. In 1814 werd het bedrijf overgenomen door E.P. Stheeman en ging het verder als Brocades – Stheeman. Vooral aan het eind van de 19e eeuw gingen de zaken voorspoedig en schakelde men als eerste farmaceutische industrie over op een min of meer fabrieksmatige productie. In 1894 kwam de eerste stoommachine in gebruik, en werd de ruimte aan de Woldstraat te klein, waarop in 1900 aan de Stationsweg een terrein werd aangekocht. In 1905 kreeg de firma koninklijke goedkeuring. Vanaf 1900 werden vele regionaal werkende apotheken en farmaceutische bedrijven overgenomen. Hoogtepunt daarbij was de in 1927 tot stand gekomen overname van de N.V. Koninklijke Pharmaceutische Handelsvereniging in Amsterdam. Brocades zou via verschillende fusies onderdeel gaan uitmaken van de latere koninklijke Gist-Brocades.

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Panorama C.F. Bekinkbaan 1977, links de Hogeveensevaart en Burgemeenster Knoppersbrug. Boven het spoor de uitbreidingswijk Ezinge. De grote woningbouwcomplexen zijn ter plaatse van de Kraton nog niet gerealiseerd. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De ontstuimige groei die de firma vanaf het jaar 1900 doormaakte, resulteerde in een voortdurend proces van uitbreiding. Na de realisatie van het eerste ‘Gebouw 1900’ aan de Stationsweg, verrezen steeds nieuwe gebouwen op het industrieterrein tussen Stationsweg, Emmastraat en Wilhelminastraat. Een van de bureaus die regelmatig werd belast met bouwopdrachten voor Gist-Brocades was het bureau van architect G. Otten, o.a. één van de pleitbezorgers voor het Wilhelminapark. Door branden verdwenen er overigens ook regelma-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

255

GEBIED 5


256

Flexus AWC


4

De Kratonstraat, 1956 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Saneringsplan Koninginnebuurt <Breken en Bouwen in Meppel>

tig gebouwen. De uitbreidingen resulteerden soms ook in uitbreiding van het terrein zelf ten koste van woningen. Aan de Wilhelminastraat moesten woningen wijken voor het eerste nieuwe gebouw na de Tweede Wereldoorlog, waarin o.a. het laboratorium en de pillenmakerij werden gevestigd. In 1991 werd de Meppeler fabriek overgenomen door het Japanse bedrijf Yamanouchi Pharmaceutical Co., en verhuisde zij naar een nieuw industrieterrein (industrieterrein Noord I) in Meppel. De oude fabrieksgebouwen werden gesloopt en vervangen door appartementen aan de zijde van de Stationsweg. Aan de Wilhelminastraat en Emmastraat werden eengezinswoningen gerealiseerd. De Kraton/Bekinkbaan De Kraton, met woningen aan de Kratonstraat, Kratondwarsstraat, het Vliegenpad en enkele woningen aan de Parallelweg, was al vroeg in de periode 1870-1880 tot stand gekomen. De rechthoekige verkaveling waarbinnen het buurtje totstand gekomen was, lijkt te wijzen op vermoedelijk één grondeigendom. De naam Kraton werd ontleend aan de Oost-Indische naam van een versterkte nederzetting, waarin de vorst met zijn gevolg verblijf hield. De status van de Kraton in Meppel was echter bepaald niet vorstelijk, het betrof hier kleine arbeiderswoningen, soms aan stegen zonder noemenswaardige buitenruimte. Tevens waren rug aan rugwoningen aanwezig. De compacte woonsituatie resulteerde wel in een hechte sociale buurtstructuur. De buurt is nu niet meer aanwezig. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Kraton betrokken in het ontwerp-saneringsplan (het buurtje vormde toen saneringsgebied B). Het gemeentebestuur had hiervoor twee redenen. Men wilde de slechte en vooral kleine

woningen aankopen en slopen en de huurders in de nieuwbouw in de stad huisvesten, en hiernaast ruimte verschaffen voor kleine bedrijven en expeditiebedrijven, omdat de gemeente in die tijd (men wachtte al lange tijd op een grenswijziging met Staphorst) geen ander terrein voor dergelijke bedrijven beschikbaar had. In de periode 1950-1970 werden onderhands en soms ook op veilingen, woningen gekocht en werden met de huurders regelingen getroffen om betere woningen te betrekken. De afbraak begon in 1958 en was omstreeks 1972 voltooid. Na de sloop zijn uiteindelijk geen bedrijven op de locatie gekomen. In 1971/1972 opperde de Nederlandse Spoorwegen plannen voor een viaduct over de spoorlijnen, in vervolg op eerder afgeblazen gemeentelijke plannen een tunnel onder het spoor te realiseren. Deze had ter plaatse van de gedempte Hoogeveense Vaart moeten komen, hetgeen niet gebeurde in verband met protesten. De plannen vielen in goede aarde bij zowel Rijk, provincie en gemeente, en men ontwikkelde gezamenlijk een plan. Het viaduct werd in 1976 officieel in gebruik genomen en kreeg de naam van ir. C.F. Bekink, destijds hoofdingenieur-directeur van de Provinciale Waterstaat te Assen, verantwoordelijk (i.s.m. de Nederlandse Spoorwegen) voor het plan. Meppel werd hiermee verlost van lange wachttijden voor het verkeer bij de spoorwegovergang in de Hoogeveenseweg. Hiermee verkortte de reistijd naar o.a. de nieuwe wijk Oosterboer en het ziekenhuis aanzienlijk. In vervolg op de aanleg van het spoorviaduct werd het Oosteinde verbreed en in het verlengde hiervan werd de bestaande hefbrug, de Burgemeester Knoppersbrug, vervangen door een vaste brugconstructie.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Saneringsplan Kraton <Breken en Bouwen in Meppel>

257

GEBIED 5

◄◄


Ten behoeve van de aanleg van de C.F. Bekinkbaan moesten in de omgeving van de Kraton nog meer panden aangekocht worden. Het ging o.a. om woningen, de rijwielfabriek van voorheen F. en J. van Werven (De Germaan), en de kinderwagen- en carosseriefabriek G. van Werven. De aankoop van deze complexen vond plaats in de jaren 1971/1974. Na afbraak van de fabrieken en aanleg van de C.F. Bekinkbaan was bij herinrichting ruimte aanwezig voor nieuwe woningbouw. Na afbraak van naastliggende panden werden 74 huurappartementen in diverse bouwlagen gerealiseerd. Het complex ´De Germaan´ kwam in 1987 gereed. Ook op de hoek van het Oosteinde-Parallelweg werd een woningbouwcomplex gerealiseerd. Een projectontwikkelaar kocht op deze hoek panden (waaronder garagebedrijf en café Lommers dat op de hoek gelegen was). Bouwplannen lagen hier lange tijd stil in verband met strenge geluidshindernormen. Gedeputeerde Staten verleenden geen medewerking aan een wijziging van de bestemming. In 1983 besloot het bestuur van de Boaz-woningstichting tot verkoop van woningbezit in de Oude Boazstraat en Barend Schuurmanstraat en men wilde met de vrijgekomen gelden elders een nieuw plan ontwikkelen. Het oog viel op de hoek Oosteinde – Parallelweg en men wist de braak liggende grond te kopen en het lukte nu wel om de nodige goedkeuringen te krijgen. Eind 1989 kwamen 20 appartementen met daaronder kantoren ten behoeve van verhuur op deze hoek gereed. Ook op de hoek van de afrit van de C.F. Bekinkbaan – Oosteinde werd een appartementencomplex gerealiseerd. Tevens werden aan de oostzijde van de spoorbaan, in verband met de aanleg van de C.F. Bekinkbaan woningen gerealiseerd, waarop hier in het kader van deze gebiedsbeschrijving niet nader ingegaan zal worden. 258

Flexus AWC

Een beperkt palet van stijlen De gebouwen in de Koninginnebuurt hebben de stijlkenmerken van de periode van totstandkoming van de buurt die zich uitstrekt van globaal 1885 tot 1925. De kleinschalige woonbebouwing uit deze periode is - evenals bij het Voorstraatbuurtje - gerealiseerd in pronte topgevelarchitectuur met overwegend neorenaissance stijlkenmerken. De woningen die qua schaal bij elkaar passen, tonen een grote mate van verscheidenheid in de detaillering van de topgevels. In- en uitzwenkende klauwstukken, pinakels, metselmozaiek, geglazuurde tegeltableaus en smeedijzeren windvanen geven elk huis een eigen identiteit. Naast deze neo-renaissancearchitectuur die op hoofdlijnen de eenvoudige bebouwing kenmerkt, en die ook de architectuur van een enkel monumentaal gebouw bepaalt (het gebouw van het Kantongerecht aan de Catharinastraat) was/is voor wat betreft de openbare gebouwen soms sprake van een ecclecticistischer architectuuropvatting, en architectuur in Overgangsstijl (bijvoorbeeld de inmiddels vervangen Wilhelminaschool aan de Catharinastraat en de Ambachtschool in de Catharinastraat). Tevens zijn er een aantal kenmerkende gebouwen te vinden in de Expressionistische en Zakelijk Expressionistische stijl (bijvoorbeeld het gebouw van de Vrije Evangelische Gemeente aan de Julianastraat, en de Johannes Calvijnschool aan de Emmastraat). De architectuur uit de naoorlogse periode sluit niet aan op het architectuurbeeld van de periode van het ontstaan van de buurt.


4

259

GEBIED 5

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Bronnen <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 2: drs. T. Hofland, De ruimtelijke ontwikkeling, Boom Meppel, 1991> <MIP-inventarisatie Meppel> <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, Meppel 1999> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Kruiger, drs. J.B.T. e.a., Architectuur en stedebouw in Drenthe, 1850-1940, Waanders uitgeverij Zwolle, Rijksdienst voor de Monumentenzorg Zeist, 1991> <Jansen, Herman, Het Badhuis in de Catharinastraat, kwartaalblad Oud Meppel, 1987 09-3, blz 43-59> <ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel 19451990, Krips Repro Meppel/Stichting Oud Meppel, Meppel 1991> <http://www.oudmeppel.nl>


Gebied 5 Koninginnebuurt / Brocades / Kraton

Legenda

260

Flexus AWC


Ingeklemd tussen het Zuideinde, de Stationsweg, de Heerengracht en de Parallelweg ligt de Koninginnebuurt, waar Brocades en Kraton deel van uitmaken. De hoofdstuctuur van deze buurt wordt gedragen door drie min of meer noord-zuid gerichte straten, lopend van de Stationsweg/Parallelweg naar de Heerengracht: de Emma-, Wilhelmina- en Catharinastraat. Er zijn slechts drie originele afgeleide straten, de Juliana-, Korte- en Lindestraat. De Brocadesstraat is in de jaren ’90 van de 20ste eeuw aangelegd op het terrein van de voormalige farmaceutische fabriek Brocades. Van deze straten is alleen de Julianastraat een verbindingstraat; de andere straten lopen dood. De hoofdstraten hebben een vrij regelmatige en betrekkelijk onverstoorde structuur, maar de afgeleide straten niet, en de structuur van de binnenterreinen ook niet. In principe heeft deze buurt een stedenbouwkundige structuur van hoofdstraten en zijstraten die gesloten binnenterreinen omsluiten, zoals gebruikelijk in de 19de-begin 20ste eeuw, maar deze structuur is op meerdere locaties (sterk) aangetast of nooit voltooid. Dit houdt enerzijds verband met de particulier gestuurde, weinig planmatige totstandkoming van de buurt (ondanks het feit dat de Woningwet uit 1901 al uitbreidingsplannen voorschreef), en anderzijds met het feit dat de buurt vanouds een gemengd woon- en industriegebied was, waarbij de industrie na de laatste wereldoorlog is vertrokken of weggesaneerd en gaten in het weefsel heeft achtergelaten. Dit proces heeft geresulteerd in een buurt die feitelijk uit drie deelbuurten bestaat en uit meerdere kleinere ‘scherven’ (sterk van het omliggende weefsel afwijkende lokaties). Naast de nog intacte delen van de

Koninginnebuurt ligt in het noordoosten de ‘Kraton’, nu voornamelijk voorzien van woningbouw met bedrijfsruimte op de begane grond, rondom de rondgaande lus van de ingenieur C.F. Bekinkbaan, maar vóór de sanering in de jaren ’60 een 19de eeuwse arbeidersbuurt met hiernaast de lokatie van de fabrieken van Van Werven. Van dit buurtje is echter niets meer over. Brocades is kleiner dan Kraton en in de jaren ’90 gebouwd ter plaatse van het gat dat de oude farmaceutische fabriek Brocades had achtergelaten. Het ligt ingeklemd tussen de Emma- en Wilhelminastraat en sluit naadloos aan op de rooilijnen en de profielen van deze historische straten. Maar de binnenkern van dit gebied is voornamelijk een ontsluitingsstraat voor parkeren, carports en bergingen en heeft dientengevolge de ruimtelijke opzet van een buitenwijk uit de jaren ’70 en ’80. Het vormt samen met het grootschalige appartementencomplex Oranjestein een modern en deels gebiedsvreemd implantaat in deze 19de eeuwse omgeving. Vormen de Wilhelmina- en Catharinastraat nog twee redelijk coherente straten met doorlopende straatwanden en samenhangende bebouwing, het gebied er tussen in, rondom de Julianastraat, de Lindestraat en Kortestraat is sterk getransformeerd, op de meest uiteenlopende wijzen. Het gebied tussen de Heerengracht en de Julianastraat is ingevuld met diverse laat 20ste eeuwse woningbouwprojecten en een enkele school in een min of meer open verkaveling – voor zover de ruimte dat toeliet – en in het gebied tussen de Julianastraat en de Stationsweg liggen nog altijd de historische tennisbanen van de voormalige sociëteit Tivoli. Van de drie meest beeldbepalende en historische straten in dit gebied – de Wilhelmina-, Emma- en Catharinastraat, heeft de laatste het meest onregel-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

261

GEBIED 5

Ruimtelijke beschrijving en waardering


262

Flexus AWC


4 matige profiel, omdat hier vanaf het begin van de 20ste eeuw meerdere grootschalige, institutionele gebouwen zijn gevestigd (enkele scholen en een kantongerecht), die afwijken door hun schaal en terugplaatsing van de rooilijn.

Openbare ruimte ◄

Julianastraat

◄◄

Emmastraat

Emmastraat

De profielen van de Emmastraat, Wilhelminastraat en Catharinastraat zijn redelijk gelijkaardig en sluiten nauw aan op de profielen van een historische stad vóór 1850: vrijstaande of geschakelde individuele woningen van één laag plus kap direct aan de straat, elk individueel ontsloten vanaf de straat, een centrale rijbaan en een tussengebied tussen rijbaan en woningrijen. De straten zijn weliswaar smal, maar de woningen zijn laag, waardoor de straten toch nog voldoende open en ruimtelijk zijn. In tegenstelling tot straatprofielen in de historische stad maken bomen hier vanouds wél deel uit van de straataankleding, zij het dat zij klein zijn en niet overal en regelmatig geplaatst. Ook op historische foto’s uit het begin van de 20ste eeuw zijn deze bomen op meerdere stukken straat te zien. Deze kleine bomen zijn niet ongebruikelijk voor dit soort smalle, kleinmiddenstandsstraten uit het eind van de 19de, begin 20ste eeuw. Op historische foto’s zijn zelfs – eveneens niet overal – privéstoepen te zien, vooral in de Wilhelminastraat, zoals die ook in historische steden vóór 1850 voorkwamen. Deze privéstoepen zijn nu geheel verdwenen. Het profiel van het zuidelijk deel van de Emmastraat onderscheidt zich van de andere twee straten door de kleine voortuinen. In het noordelijk deel komen deze weer niet voor. De grote institutionele gebouwen langs de Catherina- en Wilhelminastraat die teruggeplaatst zijn van

de rooilijn, waren niettemin stedenbouwkundig aan de omgeving verankerd, omdat zij van de openbare ruimte waren gescheiden door middel van een hoog sierhekwerk, die wél op rooilijn stond, waardoor de straat zonder ruimtelijke onderbreking door kon lopen. Deze sierhekwerken zijn op enkele plekken nog wel, en op enkele plekken niet meer aanwezig. De moderne invullingen hebben vaak terugspringende en onregelmatige rooilijnen, die de ruimtelijke samenhang vaak verbrokkelen.

Bebouwing en architectuur Kenmerkend aan deze buurt is de aaneenschakeling van kleine-middenstandswoningen voornamelijk in neorenaissancestijl uit het eind van de 19de en begin 20ste eeuw met een smalle breedtemaat (3-4 meter) en slechts één verdieping met kap, naar de straat doorgaans uitgevoerd met uitgesproken vormgegeven topgevels. De woningen zijn vaak gescheiden van elkaar door een smal tussenpad, maar direct geschakelde woningen komen ook voor, veelal in blokjes van twee woningen. De tussenpaden tussen de woningen en blokjes ter ontsluiting van het achtererf, alsmede de topgevels versterken de individualiteit van de woningen in hoge mate. Er komen ook panden voor met de kaprichting evenwijdig aan de straat, maar deze hebben vaak kleinere dakkapellen, waardoor ook deze panden zich naadloos voegen in het ritme van topgevels en individualiteit. Het kleinschalige en individuele wonen direct aan de straat is hier derhalve sterk dominant, en verleent deze kleine middenstandsbuurt een hoge mate van aantrekkelijkheid. De grote institutionele gebouwen uit de late 19de en begin 20ste eeuw, vooral langs de Catharinastraat, breken met deze kleinschaligheid – vermoedelijk zijn

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Wilhelminastraat

263

GEBIED 5

◄◄


zij daarom naar achteren geplaatst – maar zijn door middel van bepaalde ontwerpmiddelen toch weer aan de ruimtelijke kenmerken van deze buurt gebonden. Vooral het gelijke materiaalgebruik, verwante stijlkenmerken en het gebruik van kappen koppelt deze gebouwen aan de buurt. De oorspronkelijke fabrieksgebouwen zijn grotendeels gesloopt, maar er rest toch nog wel het een en ander. Vooral de fabriek van Kingma aan de Catharinastraat springt nog in het oog. Niet alleen dít bedrijfsgebouw, maar ook historische foto’s van andere bedrijfsgebouwen laten zien hoezeer er moeite werd gedaan de voorgevels van deze industriecomplexen stedenbouwkundig en architectonisch op de omgeving te laten aansluiten. Het verschil met woonhuizen is soms niet uit te maken.

Transformaties en aantastingen De nieuwe Kratonbuurt is geheel afwijkend ontworpen van de rest van deze wijk en is er ook ruimtelijk niet mee verbonden. Stedenbouwkundig noch architectonisch zijn er 264

Flexus AWC

veel kwaliteiten in deze buurt aanwezig. De nieuwbouw op het voormalige Brocades-terrein sluit in de Wilhelminastraat zowel als de Emmastraat qua maatvoering op acceptabele wijze aan op de bestaande bebouwing, maar breekt in het binnengebied volledig met de stedenbouwkundige structuur van de buurt. Het gehele project heeft een te projectmatige uitstraling door de lange blokmaten en horizontaliteit van de bebouwing. De strakke rooilijnen in deze buurt worden daarentegen wél weer gerespecteerd, wat bij veel eerdere nieuwbouwprojecten vanaf de jaren ’60 niet is gebeurd (zoals in het noorden van de Wilhelminastraat). De sanering van de Lindestraat en Kortestraat heeft een vrijwel volledige nieuwe structuur en modern architectuurbeeld opgeleverd, en de samenhang met de buurt is verloren gegaan. Iets soortgelijks geldt voor de saneringen langs de Julianastraat. De meeste nieuwe invullingen in het binnengebied tussen Wilhelmina- en Catharinastraat hebben een autonoom karakter. De oude Julianaschool is gesloopt en vervangen door een modern antroposofisch


4 Lindestraat

gebouw. De voormalige heldere aansluiting van de oude school op de openbare ruimte is daardoor aangetast. Een groot deel van de individuele historische woonbebouwing langs de drie hoofdstraten en ook langs de Julianastraat is nog goeddeels intact en goed verzorgd. Vrijwel alle schoolgebouwen zijn bewaard gebleven, net als enkele historische fabrieksgebouwen. Deze gebouwen geven de buurt meer cachet dan verwacht zou worden van een dergelijke kleine-middenstandswijk.

Waardering De cultuurhistorische waarden van deze buurt – uitgezonderd Kraton – zijn hoog, met als aantekening dat: • De nieuwbouwen aan de Kortestraat en Lindestraat, en ter plaatse van Brocades in meer- en mindere mate afbreuk doen aan deze waarde. De historisch-maatschappelijke waarden zijn hoog omdat de buurt de fase van de uitbreiding van Meppel in het industriële tijdvak met arbeiders- en kleine middenstandswijken het beste representeert. De buurt heeft ook een hoge historisch-maatschappelijke waarde omdat hierbij niet alleen sprake was van een woonwijk, maar het hier tevens de vestigingsplek betrof van enkele voor de industriële geschiedenis van Meppel essentiële bedrijven: Brocades, zuivelfabriek Kingma, kinderwagenfabriek M. van Werven, en rijwielfabriek ‘De Germaan’, alsmede van voor de stad belangrijke instellingen, zoals het Kantongerecht en meerdere scholen.

Van deze menging van wonen, bedrijvigheid en institutionele gebouwen getuigen ook nog altijd enkele historische garages, waarvan die aan de Emmastraat wel bijzondere vermelding verdienen. De buurt heeft ook hoge historisch - stedenbouwkundige waarden. Deze bestaan uit het heldere stratenbeloop en duidelijke en betrekkelijk riante doorsnedeprofielen, in combinatie met de voor Meppel zo kenmerkende aaneenschakeling van kleinschalige en individuele woningen van doorgaans één laag plus kap achter karakteristieke top- en lijstgevels, geschakeld in kleine blokjes met tussenpaden. Ook de historische menging van functies en bebouwingstypen, waarbij de stedenbouwkundige samenhang niettemin op grote lijnen intact is gebleven, en het sterk samenhangende architectuurbeeld resulteert in een ensemblekwaliteit met een hoge stedenbouwkundige waarde. Eveneens van hoge stedenbouwkundige waarde is het subtiele verschil in ruimtelijke opzet tussen de drie hoofdstraten: het meer groene karakter van de Emmastraat in verband met de aanwezigheid van voortuinen, het meer historisch-stedelijke karakter van de Wilhelminastraat en het meer gemengde en institutionele karakter van de Catharinastraat. De naadloze en vanzelfsprekende aansluiting van deze straten met enerzijds de Heerengracht en anderzijds de Stationsweg is eveneens een belangrijke stedenbouwkundige kwaliteit.

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Julianastraat, gebouw Vrije Evangelische Gemeente

De historisch-architectonische waarden van deze buurt zijn eveneens hoog, omdat de vooroorlogse architectuur van de Emma-, Wilhel-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

265

GEBIED 5

◄◄


266

Flexus AWC


4 ◄

Catharinastraat, Ambachtsschool

◄◄

Catharinastraat, Melkfabriek

Catharinastraat, Badhuisje

mina-, Catharina- en Julianastraat – in al zijn bescheidenheid – een hoge ontwerp- en afwerkingskwaliteit heeft, en er bovendien sprake is van een grote verscheidenheid aan gevelontwerpen bij woonhuizen en bij de institutionele gebouwen. De stedenbouwkundige opzet en het architectonische beeld van de buurt is grotendeels nog gaaf, maar met de nodige aantastingen. Veel van de (top)gevels in het gebied zijn in de loop van de jaren aangepast op een wijze die weinig recht doet aan de uitgangspunten van deze architectuur, en op het voormalige terrein van Brocades is een nieuwbouwproject verschenen dat breekt met veel stedenbouwkundige en architectonische kernkarakteristieken van deze buurt, waar de individualiteit van de woningen wel het voornaamste van is. Ook op enkele an-

dere locaties heeft sloop-nieuwbouw plaatsgevonden die weinig met de buurt te maken heeft. De Kraton is hiervan het beste voorbeeld. Hier is een situatie ontstaan die volledig afwijkt van de originele situatie. De zeldzaamheidswaarde van deze buurt is hoog, althans in Drents perspectief: de grote hoeveelheid topgevels is uniek voor Drenthe. Bovendien kan de integratie van wonen en werken in het gebied als zeldzaam beschouwd worden.

Aanbevelingen

KONINGINNEBUURT / BROCADES / KRATON

Catharinastraat, Kantongerecht

Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Julianastraat, Vrije Evangelische Gemeente

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

267

GEBIED 5

◄◄


268

Flexus AWC


6 Weerdstraat / Oude Boazstraat

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het gebied Weerdstraat/Oude Boazstraat heeft een langere en meer complexe bewoningsgeschiedenis dan veel andere gebieden uit de Centrumschil van Meppel. De stedelijke structuur is hier de resultante van prestedelijke elementen, de kaveleigendommen op de locatie, en de transformatie van de waterstructuur ter plaatse. Het buurtschap de Weert De Weerdstraat, of Weerdiek zoals oude Meppelers hem noemden, vormt de historische drager van het gebied Weerdstraat – Oude Boazstraat. De Weerdiek functioneerde als uitvalsweg richting Hesselingen, en in het verlengde hiervan richting Staphorsterstouwe en was hiermee de oude uitvalsweg van Meppel richting Staphorst. Deze route door de Hoofdstraat (toen Kruisweg c.q. Katteneinde geheten) naar het zuiden en over de Weerdiek naar het Oost-Zuidoosten werd al, hoe schematisch ook, weergegeven op de kaart van Pijnacker van 1634, zoals deze in het ‘Toneel des Aerdrijcks’ van Blaeu te vinden is. Hoewel de nieuwe route langs de Hoogeveensevaart en de Reggersbrug over de Reest in de Oosterboer zuid zeker na de jaren ‘70 van de 18de eeuw concurreerde met de oude route over de Weerdiek, is deze als belangrijke route in gebruik gebleven tot in de jaren ‘30 van de 19de eeuw. Toen kwam de veel snellere straatweg over het Zuideinde en de (toenmalig nieuwe) Staphorsterweg gereed en nam het belang van de oude wegen af. Om vanaf de Weerdiek in Hesselingen te komen moest de rivier de Reest overgestoken worden bij

het buurtschap de Weert via de Weertbrug, ook wel Eekmolenbrug genaamd. Aan het einde van de 19de eeuw was dit een houten ophaalbrug. Hiernaast bevond zich het kleine buurtschapje met als belangrijkste element de run- of eekmolen die in 1807 werd gebouwd als opvolger van een eerdere standerdmolen. De molen staat tegenwoordig bekend als molen de Weert. Deze is overigens een tijd niet functioneel geweest. Door gebrek aan opdrachten voor het malen van eikenschors voor de leerlooierij en het malen van graan (hier werd de molen vanaf 1862 ook voor ingericht) werd de molen in 1937 stilgelegd. Kort daarna werden de wiekenas en de bovenbouw verwijderd en resteerde nog slechts een molenstomp. Na jarenlange inspanningen van diverse groepen lukte het de Stichting Molen de Weert om de molen weer helemaal compleet te renoveren, waardoor deze sinds 1999 weer prominent op de locatie aanwezig is.

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Punt waar de Reest en Meppelerdiep samenkomen, 1920 <fotoarchief Oud Meppel>

Er zijn in de huidige situatie, behalve de provinciegrenspalen die begin jaren 2000 weer gerestaureerd en teruggezet zijn, geen elementen meer aanwezig die doen herinneren aan het feit dat de molen met de naastgelegen bebouwing ooit Staphorster grondgebied was. Dit is het geval geweest tot de grenscorrectie die inging per 1 juli 1961 (Staatsblad 51, wet van 23 februari 1961). Tot die datum fungeerde de Reest als grens tussen Meppeler en Staphorster grondgebied, met juist op deze locatie een uitzondering. De grens Drenthe – Overijssel liep hier namelijk vanaf de Reest vóór de oostelijk van de molen gelegen panden langs en boog dan af naar het noorden, achter de

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

269

GEBIED 6


270

Flexus AWC


4

◄◄

Weerdstraat ter hoogte van de Weerdwarsstraat, foto genomen richting Zuideinde, 1924 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Sportterrein met op de achtergrond de achtergevels van woningen aan de Weerdstraat, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Zwembad aan de Reest <Mensen, Meppel en omgeving>

huizen die nu aan de westzijde van de Kastanjelaan staan langs. Een verklaring voor dit gegeven wordt wel gezocht in het feit dat het woord ‘Weert’ etymologisch zou verwijzen naar ‘een door water omgeven stuk grond, c.q. een eiland’. Uitgaande van het principe dat de Reest als grens tussen beide provincies aangehouden werd, zou het mogelijk kunnen zijn dat de rivier oorspronkelijk (ook) ten zuiden en oosten van de molen gelopen heeft (de Reestarm Weerdstraat – Kastanjelaan), en dat deze tak van de rivier op termijn gedempt is. Geen onlogische gedachte. Iets vergelijkbaars is namelijk ook het geval geweest bij het Vrouwenrak waar door het graven van het Meppeler Diep de locatie waar scheepswerf ‘de Kaap’ gevestigd is oorspronkelijk Drents grondgebied bleef. De brug- en molenlocatie bij het buurtschap de Weert had voor de Meppelers aan het eind van de 19de eeuw, behalve het besef dat je hier de stad verliet, nog een andere betekenis. Hier bevond zich ten zuiden van de Weerdiek direct naast de Reest het eerste zwembad van Meppel. Met uitzicht op de molen kon men hier in een afgeschotte rivierkom naast de rivier baden. De helderheid van het Reestwater liet te wensen over, waardoor de Meppelers het bad karakteriseerden met ‘wit d’r in en broen d’r uut’. Het zwembad heeft gefunctioneerd totdat het overbodig was geworden. De opening van het schonere Parkzwembad in het Wilhelminapark in 1934 betekende het definitieve einde. De brede grasstrook naast de Reest bij de brug doet nog herinneren aan de breedtemaat van het ooit aanwezige zwembad. Aan de huidige brug is de oorspronkelijke situatie zeker niet meer af te lezen. De houten Eekmolenbrug werd in 1949 vervangen door een betonnen brug omdat de oude brug de toenemende verkeersstroom niet meer kon verwerken. Na de aanleg van

de woonwijk Koedijkslanden zou deze brug overigens opnieuw verbreed worden. De Weerdstraat De Weerdstaat zoals wij deze nu kennen is geleidelijk tot stand gekomen. Ten gevolge van de groei van de stad begon de bebouwing langs de Weerdiek geleidelijk vanaf het laatste kwart van de 19de eeuw vanaf het Zuideinde te groeien richting het buurtschap. De eerste bebouwing bevond zich aan de oneven zijde in de nabijheid van het Zuideinde. In deze periode moet nog vrij zicht geweest zijn vanaf de straat op de nabijgelegen en in 1866 ingewijde Rooms-katholieke Sint Stephanuskerk aan het Zuideinde. De bebouwing aan de even zijde tot aan het huidige kruispunt met de Prinses Margrietlaan/Kastanjelaan en aan de Weerddwarsstraat volgde tussen 1885 en 1911, waarna pas het zuidelijk deel tot aan het kruispunt gerealiseerd werd. De bebouwing van het kruispunt tot aan de brug volgde pas later, tijdens het Interbellum. De Weerdstraat had oorspronkelijk een landelijke uitstraling. Foto’s van de Weerdstraat uit 1914 tonen een straat zonder trottoirs, waar de huizen voorzien waren van een smal doorgaand stoepje. Verder een verharde weg, een bomenrij en gaslantaarnpalen. Oude foto’s laten zien dat deze situatie zonder trottoirs, met stoepen en bomenrij in ieder geval voor het eerste deel van de Weerdstraat nog tot 1940 gehandhaafd is gebleven. Foto’s uit 1960 (waarop het rooien van de grote bomen in de straat getoond wordt) laten zien dat er inmiddels een trottoir gerealiseerd was. In 1992 volgde nog een herinrichting van de straat. Aan de zuidzijde van de straat was al vroeg de hoofdingang aanwezig naar een achter de bebouwing gelegen sportterrein op het zogenaamde Stadsland,

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Weerdstraat, de oneven bebouwing ontbreekt nog, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

271

GEBIED 6

◄◄


272

Flexus AWC


◄◄

Kadastrale kaart, 1885 <Gemeente Meppel>

Kadastrale kaart, 1911, de Oude Boazstraat en Weerddwarsstraat zijn gerealiseerd <Gemeente Meppel>

Uitbreidingsplan Monsma, kaart, 1927 <Gemeente Meppel>

Kadastrale kaart, 1944, op de locatie van het sportterrein is woningbouw getekend die nooit gerealiseerd is, de scheepswerf en de Leiding zijn niet meer aanwezig <Gemeente Meppel>

gelegen tussen de Weerdstraat en de huidige Prinses Marijkestraat. De Meppeler voetbalclubs hebben jarenlang op dit sportterrein gespeeld. Hiernaast werden er ook atletiek- en korfbalwedstrijden georganiseerd en andere evenementen. De hoofdingang van het terrein bevindt zich tegenwoordig aan de zijde van de Prinses Marijkestraat.

af te laten naar het Meppeler Diep. Over de Leiding lagen in totaal vier bruggetjes. Een van de bruggen was aan het eind van het Galmanspad geplaatst en sloot aan op een pad dat de loop van de Leiding volgend, uiteindelijk aansloot op de bebouwing bij de Meppelersluis. Hiermee was middels het bruggetje bij de sluis een loopverbinding aanwezig naar de Sluisgracht aan de overkant.

Het Galmanspad, de Leiding, Oude Boazstraat, Barend Schuurmanstraat, Meester Harm Smeengekade Aan het eind van de 19de eeuw bevond zich ten noorden van de Weerdstraat het Galmanspad. Deze kwam tot stand omstreeks 1852, toen de vaarweg van de Hoogeveense Vaart via de bestaande Zuideindigersloot verbeterd werd en de Amsterdamse aannemer van publieke werken Galman de route van het Oosteinde naar de Meppelersluis verbreedde. Galman was een maatschappelijk zeer actief man, actief bij grote werken in het land, en indiener van meerdere plannen voor het overbruggen van het IJ te Amsterdam. Men heeft het naast de gracht gelegen pad naar hem vernoemd, een naam die heden nog altijd bestaat. Het Galmanspad vormde in eerste instantie geen verbinding tussen het Zuideinde en de Meppeler sluis. Tussen de sluis en het Galmanspad bevond zich een scheepstimmerwerf die hier vanaf het einde van de 18de eeuw gevestigd was en die pas in 1929 gesloten zou worden. Aan het einde van het Galmanspad, op de plek waar thans de Meester Harm Smeengekade begint, liep bovendien een kanaal, in de volksmond ‘de Leiding’ genoemd, dat met enkele bochten en via een stuw in de monding van de Reest terecht kwam. Deze Leiding, ongeveer vijf meter breed, was nodig om in bepaalde perioden water uit de Hoogeveensevaart en Olde Aa buiten de Meppelersluis om,

In 1896 kwamen in opdracht van de in 1894 door de Christelijke Vereniging van Nederlandse Patroons opgerichtte BOAZ Woningstichting, in aansluiting op de Leiding en de Weerdstraat woningen voor eigen arbeiders gereed ter weerszijden van een straat. Het complex behoort tot de oudste woningbouwcomplexen van Meppel. De richting van de straat was het directe resultaat van de richtingen van de begrenzing van de landschappelijke kavel op de locatie. Vanaf de Weerdstraat kon men toen wandelend door deze Oude Boazstraat via twee brugjes over de Leiding het Galmanspad bereiken. In 1925 besloot de BOAZ Woningstichting direct naast het eerste complex een tweede straat te realiseren met 22 woningen. Deze Nieuwe Boazstraat kreeg later de naam Barend Schuurmanstraat. De Leiding was toen nog aanwezig en vormde de begrenzing van de krappe bouwlocatie. In 1928 werd het Uitbreidingsplan voor Meppel van stadsarchitect Monsma aangenomen door de Raad. Onderdeel van dit plan betrof de verbinding van het zuidelijk stadsdeel met het westelijk stadsdeel via een brug bij de sluis over het Meppeler Diep. Om dit te realiseren diende de in aanzet al aanwezige Kastanjelaan opgewaardeerd te worden tot een doorgangsroute, en diende deze gekoppeld te worden aan de nieuw aan te leggen Prinses Margrietlaan zuide-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

273

GEBIED 6

◄◄

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

4


274

Flexus AWC


4

Panorama 1934, de Leiding is niet meer aanwezig en de Harm Smeengekade is volledig gerealiseerd <fotoarchief Oud Meppel>

lijk, en - over het water heen - Prins Hendrikstraat in noordelijke richting. Hierdoor werd de Weerdstraat, oorspronkelijk min of meer een solitaire uitvalsweg, nu een integraal onderdeel van het stratenstelsel van de gemeente. In het verlengde hiervan braken grote veranderingen aan voor de buurt, niet in het minst toen de gemeente in 1929 omvangrijke werken aanbesteedde voor het maken van de nieuwe Meppeler Sluis (40 x 5,80 mtr) met een nieuwe brug, en stroomduikers met ophaalwerk (1,50 x 2,00 mtr) aan weerszijden van de sluis. De brug werd hierbij gerealiseerd op een andere locatie dan waar zij eerst aanwezig was, namelijk aan de Meppeler Diep- in plaats van de stadskant, waardoor de brug nu de Kastanjelaan met de Prins Hendrikstraat verbond. Verder werd de Hoogeveense Vaart uitgediept. Toen de duikers naast de sluis in gebruik werden genomen verviel de functie van de Leiding en werd ‘werk met werk’ gemaakt, door de uitkomende specie(bagger) uit de uit te diepen Hoogeveense Vaart te gebruiken voor de demping van de Leiding. Na realisatie van de nieuwe sluis werd het mogelijk kavels langs de nieuw aangelegde Meester Harm Smeengekade langs de Hoogeveense Vaart uit te geven. Al in de twintiger jaren kwam hier op de nr 11 t/m 14 particuliere woningbouw tot stand, gelijk op met particuliere woningen aan de Kastanjelaan waar ook woningen verrezen (nr 1 t/m 9 en 10 t/m 16 en 20 t/m 22). In de dertiger jaren, na demping van de Leiding en aankoop en bouwrijpmaken van het terrrein van de helling van de scheepswerf, werd het mogelijk de Meester Harm Smeengekade te verlengen en te koppelen aan het Galmanspad, waarmee hier langs de Hoogeveense Vaart een verbinding naar het Zuid-

einde ontstond. De particuliere woningen Meester Harm Smeengekade 1 t/m 10 werden gebouwd, min of meer gelijk op met Kastanjelaan 11, 13 en 18. Voor het buurtje zuidelijk van het Galmanspad/Meester Harm Smeengekade had de demping van de Leiding ook gevolgen. In vervolg hierop werd het derde complex van de BOAZ Woningstichting gebouwd: in 1932 werd een vergunning afgegeven voor 4 woningen in de Oude Boazstraat en 16 woningen in de Barend Schuurmanstraat. Dit bracht het bezit van de stichting op een totaal van 87 woningen. De complexjes van de BOAZ Woningstichting hebben hierna nog aanzienlijke veranderingen ondergaan. Na de Tweede Wereldoorlog wilde het toenmalige bestuur van de stichting de woningen van het eerste complex verbeteren. In die tijd was het gemeentelijk plan om de Oude Boazstraat te gebruiken voor een wegverbinding tussen de Weerdstraat en Brouwersstraat (na demping van de Hoogeveense Vaart). Zou deze bredere straat er komen, dan zouden de woningen Oude Boazstraat 2 t/m 34 moeten worden gekocht en afgebroken. Om deze reden werd deze rij niet in de verbetering betrokken en bleven deze in de oude toestand. De woningen Kastanjelaan 2 en Oude Boazstraat 1 t/m 31 werden in 1956 grondig verbeterd. Ook het noordgedeelte van de Oude Boazstraat zou nog wijzigen, nu ten gevolge van de saneringsplannen van de gemeente (zie voor meer informatie hieronder). In 1983 nam het bestuur van de BOAZ Woningstichting het besluit om het woningbezit te verkopen vanwege de omstandigheid dat door de lage huren en de onderhoudstoestand van de woningen een verdere exploitatie niet langer verantwoord was, en konden de huurders de woningen tegen een betrekkelijk lage prijs kopen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Luchtfoto 1926, met rechts de Meppelersluis en de woningen aan de Barend Schuurmanstraat en Oude Boazstraat. De Leiding is nog aanwezig, evenals de oude Meppelersluis met een deel van de oude bebouwing aldaar. <fotoarchief Oud Meppel>

275

GEBIED 6


276

Flexus AWC


4

Barend Schuurmanstraat gezien vanaf de Kastanjelaan, 1956 <fotoarchief Oud Meppel>

Saneringsplan D <Breken en Bouwen in Meppel>

Het ontwerpsaneringsplan: veranderingen in het bouwblok Galmanspad – Zuideinde – Weerdstraat en aan het Galmanspad In het verlengde van het ontwerpsaneringsplan (het gebied was onderdeel van saneringsgebied D) werden de plannen voor de nieuwe wegverbinding gewijzigd; nu werd gedacht aan een koppeling van de Prinses Marijkestraat via de Weerddwarsstraat naar de Brouwersstraat. Ook deze optie verviel uiteindelijk. Ondanks deze planwijziging vonden toch ingrijpende transformaties plaats in het bouwblok dat ingeklemd was tussen het Galmanspad, het Zuideinde en de Weerdstraat, en niet in eerste instantie ten gevolge van het saneringsplan, maar ten gevolge van activiteiten van andere partijen dan de gemeente. De Rijksgebouwendienst wilde hier een postkantoor met gebouwen voor de technische dienst bouwen, en in vervolg hierop werden 13 woningen aan de Weerddwarsstraat 2 t/m 26 gekocht en afgebroken (19601967). Het postkantoor aan het Zuideinde 28 had ook ruimtegebrek en de uitbreiding hiervan had zijn gevolgen. Het Rijk kocht aan het Zuideinde de Rooms Katholieke pastorie en de Rooms Katholieke Kerk met toren (Heilige Stefanus Kerk) en het daarachter gelegen parochiehuis. Er werd een nieuwe kerk met pastorie gebouwd aan de Grote Oever. Bij afbraak van de Stefanuskerk in 1965 vloog de toren in brand. De toren met kerk had precies 100 jaar het straatbeeld aan het Zuideinde bepaald. Aan het Zuideinde werden ook enkele woningen/winkels gekocht en afgebroken. Voor de uitbreidingen van de PTT moesten ook nog 3 dienstwoningen op het binnenterrein worden afgebroken en voor een betere toegang vanaf de Weerdstraat verdwenen aan deze straat ook nog twee woningen. Voor de uitbreidingen ten behoeve

van de PTT werden uiteindelijk afgebroken: de kerk met toren, pastorie en parochiehuis, 2 woningen/ winkels en 18 woningen. De gemeentelijke activiteiten vonden met name plaats aan de Galmanspadzijde. In 1961 werd het herenhuis met garage en grote tuin Zuideinde 2 hoek Galmanspad gekocht van de eigenaar en in 1965 afgebroken. Hierdoor kon het Galmanspad (bij de Zuiderbrug 2meter breed) worden verbreed en werd later het naastliggende herenhuis uitgebreid en verbouwd. Aan het Galmanspad zelf werden meerdere panden aangekocht en afgebroken tussen 1965 en 1967, met een laatste aankoop en afbraak in 1986. Ook werden aan de Weerddwarsstraat meerdere woningen gekocht en afgebroken (1964-1977), en aan het einde van de Oude Boazstraat een rij van tien woningen gekocht en afgebroken (1959-1976). De grond zou later worden gebruikt voor een parkeerterreintje en woningbouw. Voor de sanering van het gehele gebied heeft de gemeente in totaal 31 woningen gekocht en afgebroken. In het verlengde van het saneringsplan werd nieuwbouw gerealiseerd aan het Galmanspad. In 1968 werd een Gewestelijk Arbeidsbureau gebouwd (1968), een drukkerij met uitbreidingen (1973-1979). Hiernaast zijn er aan het Galmanspad en de mr. Harm Smeengekade 8 eengezinswoningen gebouwd; deze waren in 1987 voor bewoning gereed.

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

◄◄

Kastanjelaan gezien richting Meppelersluis, prentbriefkaart, 1932 <fotoarchief Oud Meppel>

Ontwikkelingen laatste tijd In 1992 is een houten ophaalbrug gemaakt over de Hoogeveense Vaart naar het complex de Looijerij gelegen aan de noordzijde van de Hoogeveense Vaart. Hiermee werd de Oude Boazstraat opgenomen in een

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

277

GEBIED 6


fietsroute vanuit de Koedijkslanden naar de Binnenstad en omgekeerd. Doel hiermee was het fietsverkeer op het Zuideinde en de Sluisgracht te verminderen. Tegelijkertijd is een nieuwe voet- en fietsbrug over de Reest gemaakt in het verlengde van de Prins Bernhardsingel, uitkomende in ‘Koedijkslanden’. De bij realisatie van het saneringsplan gerealiseerde drukkerij aan het Galmanspad is gesloopt. In 2003 – 2004 werd het appartementencomplex De Hunenborgh op het terrein gerealiseerd. Een beperkt palet aan stijlen Het overgrote deel van de panden en complexen in het gebied Weerdstraat/Oude Boazstraat is in de periode van globaal 1885 tot 1930 tot stand gekomen, en ook hier geldt – evenals het geval is voor de Koninginnebuurt die rond dezelfde periode tot stand kwam - dat de kleinschalige woonbebouwing veelal gerealiseerd is in pronte topgevel/ architectuur met overwegend neorenaissance stijlelemen278

Flexus AWC

ten. De woningen aan de westzijde van de Weerddwarsstraat zijn hiervan een goed voorbeeld, maar ook aan de Weerdstraat zelf is deze architectuur te vinden. Een kenmerkend klein neorenaissancecomplex was het eerste woningbouwcomplex aan de Oude Boazstraat waar de topgevelarchitectuur alleen plaatselijk toegepast werd om de lange straatwand te geleden. In het oostelijk deel van de Weerdstraat zijn ook andere architectuurstijlen te vinden, geheel in lijn met de periode 1885 – 1915 waarin ook meer ecclecticistische stijlopvattingen en de Overgangsstijl herkenbaar zijn. Zo treffen we panden aan met chaletstijlelementen, en voorbeelden van overgangsarchitectuur. Dit gaat niet op voor het laatste westelijke gelegen gedeelte van de Weerdstraat en de Kastanjelaan waar typische Interbellumarchitectuur te vinden is: Zakelijk Expressionisme. Het kleine woningbouwcomplex aan de Barend Schuurmanstraat is hiervan een goed voorbeeld. Ook hier zijn, evenals bij het complex aan de Boazstraat topgeveltjes (hier voorzien van mansardekappen) toegepast om de lange straatwand te geleden.


4 Vogelvlucht van de Harm Smeengekade, 1946-1955 <fotoarchief Oud Meppel>

Bronnen <Wolde, Jan K. de, De oude grens tussen Meppel en Staphorst, kwartaalblad Oud Meppel, 1994, 16-1, blz 85-95> <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, 1999> <Russchen, Sake, Circussen op het sportterrein aan de Weerdstraat, kwartaalblad Oud Meppel, 2005, 273, blz 35> <Gerding, dr. M.A.W. e.a., De cultuurhistorie van de stadsrandzone Meppel Reestdal, Drents Plateau, 2009> <ter Heide, Roelof, Woningen BOAZ Woningstichting, kwartaalblad Oud Meppel, 1987, 09-3, blz 27-36> <ter Heide, Roelof, Galmanspad en omgeving, kwartaalblad Oud Meppel, 1995 17-1, blz 13-18> <Ter Heide, Roelof, Scheepswerf van Goor in de binnenstad, kwartaalblad Oud Meppel, 1994 15-4, blz 87-92> <ter Heide, R., Breken en bouwen in Meppel 19451990, Krips Repro Meppel/Stichting Oud Meppel 1991> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Stichting Historie in Perspectief, Meppel, 2001> <Stichting Drents Plateau, dr. M.A.W. Gerding e.a., Het Erfgoed van de gemeente Meppel, Assen 2005> <http://www.molendeweert.nl/> <http://stadsarchief.amsterdam.nl/archieven/archiefbank/overzicht/10059.nl.html> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Galmanspad richting molen de Vlijt, ansichtkaart, 1910 <fotoarchief Oud Meppel>

279

GEBIED 6

◄◄


Gebied 6 Weerdstraat / Oude Boazstraat

Legenda

280

Flexus AWC


De buurt bestaat uit drie delen, met elk een ander karakter. De Weerdstraat en het gebied tussen de Weerddwarsstraat en de Oude Boazstraat is een eind 19de-begin 20ste eeuws niet-planmatig tot stand gekomen woongebied voor de kleine middenstand, het buurtje tussen de Reest, de Meester Harm Smeengekade en de Barend Schuurmanstraat is een Interbellum-buurt, tussen de wereldoorlogen ontstaan als middenstandswijk, en tenslotte de buurt tussen de Weerdstraat, Weerddwarsstraat, Galmanspad en Zuideinde, een gebied zonder een duidelijke structuur en ingevuld met naoorlogse grootschalige functies. Centraal in de buurt ligt het knooppunt van de Weerdstraat, Kastanjelaan, Oude Boazstraat, Hesselingen en Prinses Margrietlaan. Alleen de Barend Schuurmanstraat komt hier niet op uit. Op dit knooppunt komen de verschillende gebieden uit de verschillende ontstaansperiodes samen. Opvallend is dat dit gegeven geen ruimtelijke breuk inhoudt: de verschillende buurten gaan geruisloos in elkaar over, dankzij het feit dat de ruimtelijke opzet van de buurten, inclusief die van de Prinses Margrietlaan, overlappende ruimtelijke en architectonische principes hebben. Deze vanzelfsprekende ruimtelijke overgang is kenmerkend voor de overgang van de 19de eeuwse stedenbouw naar die van het Interbellum. De Weerdstraat en de Kastanjelaan vormen samen de primaire structuur van de wijk, omdat zij de verbinding vormen tussen het Zuideinde en de westzijde van de Binnenstad. Ook de Weerdstraat naar Hesselingen is een belangrijke structuur. De Weerdstraat en de haaks hierop staande Weerd-

dwarsstraat en Oude Boazstraat hebben een typisch laat 19de eeuws-, begin 20ste eeuwse stedenbouwkundige opzet, met individuele geschakelde smalle woningen direct aan de straat (de Oude Boazstraat is opgezet als één project), in een min of meer gesloten bouwblok waarbij de hoeken van straten niet zijn bebouwd maar met tuinmuren dichtgezet. Het vervolg langs de Kastanjelaan kent de opzet van een primaire structuur uit het Interbellum en de jaren van na de oorlog: individuele kavels (soms twee-aan-twee geschakeld), die niettemin een regelmatige straatwand vormen. Opvallend is dat hier aan de noordzijde van de Kastanjelaan de kavels schuin op de weg zijn gelegd, in een gestaffeld patroon, waardoor de voorgevels zich extra naar de weg toe tonen. De hoeken van straten zijn vaak met (terugliggende) garages of schuren dichtgezet. De hoofdvorm van deze bouwblokken is dus gesloten, maar – geheel in de geest van die tijd – is er moeite gedaan om de nadelige hoeken van het volledig gesloten bouwblok te vermijden en ook de straatwand als geheel een meer open structuur te geven. Langs de Meester Harm Smeengekade is dit Interbellum-patroon van individuele vrijstaande woningen in een rij doorgezet. Deze woningen vormen een halftransparant bouwblok met de achterliggende geschakelde arbeiderswoningen langs de Barend Schuurmanstraat, waar de straat volledig wordt gevormd door één-en-hetzelfde woningbouwproject met identieke wanden aan beide zijden van de straat. De straat maakt een kleine knik in het noorden, precies op de plek waar vóór de jaren ’30 van de vorige eeuw de Leiding en het bijbehorende Galmanspad gelopen heeft, een waterloop vanaf de Hoogeveense Vaart naar de Reest, dwars door het noordelijk en oostelijk deel van deze buurt, die ook de Kastanjelaan kruiste. Het noordelijk deel van deze buurt heeft een onregel-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

281

GEBIED 6

Ruimtelijke beschrijving en waardering


282

Flexus AWC


◄◄

Meester Harm Smeengekade

Weerdstraat

Oude Boazstraat

Het oostelijk deel van de buurt, tussen Weerddwarsstraat en Zuideinde heeft een zeer onregelmatige structuur, deels als gevolg van sloop, o.a. van een deel van de Weerddwarsstraat ten behoeve van het toenmalige PTT-gebouw uit de eerste helft van de jaren ’60, en deels omdat dit gebied nooit een regelmatig en dicht bebouwingspatroon heeft gehad. Ook recente invullingen aan de Meester Harm Smeengekade hebben de nieuwe grootschaligheid versterkt.

Langs het meest westelijke deel van de Weerdstraat, de Weerdstraat naar Hesselingen, de Kastanjelaan, de Meester Harm Smeengekade en de Barend Schuurmanstraat komen profielen voor die kenmerkend zijn voor de Interbellumperiode: vrijstaande of in blokjes van twee geschakelde woningen met ondiepe voortuin, meestal één verdieping plus hoge kap, of twee verdiepingen met lage kap. De wat ruimere straatbreedtes, de voortuinen en de lage kapvoet geven deze straten extra lucht en ruimtelijkheid. Bomen in de openbare ruimte komen alleen voor langs de Kastanjelaan, de Weerdstraat naar Hessingen en de Meester Harm Smeengekade.

Openbare ruimte

Bebouwing en architectuur

De profielen van de Weerdstraat, Weerddwarsstraat en Oude Boazstraat zijn in opzet redelijk gelijkaardig – al is die van de Weerdstraat beduidend breder dan die van de andere straten – en sluiten nauw aan op de profielen van een historische stad vóór 1850: geschakelde individuele woningen van één laag plus kap direct aan de straat, elk individueel ontsloten vanaf de straat, een centrale rijbaan en een verharde zone tussen rijbaan en woningrijen. De straten zijn weliswaar smal, maar de woningen zijn laag, waardoor de straten toch nog voldoende open en ruimtelijk zijn. Door sloop van een woningrij aan de Weerddwarsstraat en de bouw van het grootschalige PTT-gebouw is niet zozeer het profiel als wel de schaal en het aanzien van deze straat aanzienlijk gewijzigd. In de Oude Boazstraat is de bebouwing aan de westzijde in de jaren ’50 opgehoogd, waardoor deze zeer smalle straat, die door de vele langskappen toch niet benauwd oogde, sindsdien een aanzienlijk krappere indruk maakt. Bomen komen alleen in de Weerdstraat voor, en in de gesaneerde gedeelten van de andere straten.

Kenmerkend aan de Weerdstraat, Weerddwarsstraat en Oude Boazstraat is de aaneenschakeling van kleine-middenstandswoningen uit het eind van de 19de en begin 20ste eeuw met een smalle breedtemaat (3-4 meter) en slechts één verdieping met kap, naar de straat doorgaans uitgevoerd met topgevels. In de Oude Boazstraat is er sprake van één groot woningbouwproject uit het begin van de 20ste eeuw, waar langskappen speels worden afgewisseld met top- c.q. trapgevels. Aan de westzijde is dit daklandschap door een ophoging van de gehele wand verdwenen. De woningen in deze buurt zijn vaak van elkaar gescheiden door een smal tussenpad – zoals gebruikelijk in Meppel voor woningen uit de 19de en begin 20ste eeuw – , maar direct geschakelde woningen komen ook voor, veelal in blokjes van twee woningen. De Oude Boazstraat en Barend Schuurmanstraat zijn hierop een uitzondering; deze zijn als gehele straatwanden uitgevoerd. De tussenpaden tussen de woningen en blokjes alsmede de topgevels versterken de individualiteit van de woningen in hoge mate. Er

matiger structuur, als gevolg van het feit dat de bebouwing lange tijd tot aan de Leiding gelopen heeft, en pas na de demping hiervan is doorgezet.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

283

GEBIED 6

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

4


komen ook panden voor met de kaprichting evenwijdig aan de straat, maar deze hebben vaak kleinere dakkapellen, waardoor ook deze panden zich naadloos voegen in het ritme van topgevels en individualiteit. Het kleinschalige en individuele wonen direct aan de straat is hier derhalve sterk dominant, en verleent deze kleine voormalige arbeiders- en kleine middenstandsbuurtbuurt een hoge mate van aantrekkelijkheid. De architectuur in deze 19de, begin 20ste eeuwse straten is vaak rijk, ondanks de bescheiden status van de oorspronkelijke bewoners. Zelfs de eenvoudige Oude Boazstraat wordt gedomineerd door opvallend rijke neorenaissance-architectuur. Baksteen, hout, staande ramen, decoratie en decoratieve geveltoppen en dakkapellen bepalen het beeld. De Kastanjelaan en de Meester Harm Smeengekade worden vooral gedomineerd door individuele, meestal vrijstaande in Zakelijk Expressionistische stijl tijdens het Interbellum gerealiseerde woningen op ruimere kavels, met voortuin en gericht op de straat. Hoge of bijzondere kapvormen vormen altijd een belangrijk onderdeel van de 284

Flexus AWC

beeldtaal van deze panden, net zo goed als decoratieve gevelelementen. In de Barend Schuurmanstraat is deze architectuur eveneens bepalend, maar hier gaat het om geschakelde woningen in ĂŠĂŠn project. De afwisseling van langskappen en geveltoppen is hier bijzonder ritmisch ingezet. De buurt kent enkele bijzondere gebouwen, die een aanmerkelijk belang hebben in de cultuurhistorische waarden van deze hoek van de stad. Dat is in eerste instantie de Weerdmolen uit 1807, langs de Reest. De historische houten bijgebouwen zijn helaas allemaal verdwenen. De molen is een Rijksmonument. Het andere rijksmonument is het sluizencomplex van de Meppelersluis, dat samen met de brug in 1929 is ontworpen en gebouwd.

Transformaties en aantastingen Het gebied heeft enkele transformaties ondergaan, vooral in het gebied tussen de Weerddwarsstraat, Weerdstraat, Galmanspad en Zuideinde. Dit gebied was voor de Twee-


4 Barend Schuurmanstraat

de Wereldoorlog niet helemaal tot ontwikkeling gekomen, maar vanaf de jaren ’60 werden er enkele grootschalige kantoren gebouwd, waarbij oude bebouwingswanden aan het Galmanspad en aan de Weerddwarsstraat moesten wijken. Hier is in de jaren ’60 het PTT gebouw verrezen en aan de gracht een kantoorgebouw. In de jaren ’90 verrees hier de Hunenborgh, een grootschalig appartementencomplex. De volumineuze bebouwing uit de jaren ’60 tot -2000 versnippert door haar grote maat en door haar ontsluitingstypologie de stedenbouwkundige structuur van de wijk en creëert ‘achterkanten’ die toch ontsluitingsruimte blijken te zijn. Ook wat betreft architectuurexpressie zoeken deze gebouwen geen enkele aansluiting bij de omgeving. De in de jaren ’50 opgehoogde bebouwingwand van de neorenaissance-woningrijtjes aan de Oude Boazstraat is reeds ter sprake gekomen. Dit is een ernstige aantasting van dit destijds toch betrekkelijk rijk uitgevoerde project geweest. De Barend Schuurmanstraat moet een straat geweest zijn met een hoogwaardig architectuurbeeld, maar de in de loop der tijd met goedkope materialen uitgevoerde renovatie van deuren, kozijnen, erkers, dakranden en dakkapellen heeft de architectuur geweld aan gedaan. In hoofdlijnen is deze architectuur nog intact, met name het ongeschonden daklandschap. Voor het overige hebben er weinig transformaties plaatsgevonden in dit gebied en is de buurt nog betrekkelijk intact gebleven.

Waardering De cultuurhistorische waarde van dit gebied is hoog, met als aantekening dat : • De nieuwbouwen aan het Galmanspad en de Weerddwarsstraat afbreuk doen aan deze waarde. De historisch-maatschappelijke waarde van het gebied is hoog, omdat de Weerdstraat vanaf de Middeleeuwen tot in de 20ste eeuw de centrale uitvalsweg vormde naar Staphorst. Deze route langs Hesselingen is nog steeds herkenbaar en de bebouwing ondersteunt de historiciteit van dit historische traject. De strook langs het Galmanspad, de Reest en de Aa heeft al vanaf de 17de eeuw een rol gespeeld in de industriële en scheepvaartgeschiedenis van Meppel. De molen getuigt daar nog van, net als het sluizencomplex; de scheepswerf is verdwenen.

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Hunenborgh, achtergevel

De historisch-stedenbouwkundige waarden van de buurt zijn hoog, omdat de buurt nog altijd goed de stedenbouwkundige wijze van uitleg van het eind van de 19de -, begin 20ste eeuw, alsmede die van het Interbellum weerspiegelt. Deze bestaat uit de combinatie van het heldere stratenbeloop en duidelijk doorsnedeprofielen, met de voor Meppel zo kenmerkende aaneenschakeling van kleinschalige en individuele woningen van doorgaans één laag plus kap (19de, begin 20ste eeuw) met top- of lijstgevel (Weerdstraat), of juist vrijstaande woningen of sociale woningbouwprojecten van één laag plus kap uit het Interbellum (Kastanjelaan, Meester Harm Smeengekade, Barend Schuur-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

285

GEBIED 6

◄◄


286

Flexus AWC


4 manstraat). De architectonische samenhang in de meeste straatwanden vertegenwoordigt eveneens een hoge stedenbouwkundige waarde. In zijn algemeenheid is het intieme karakter van de buurt, als gevolg van de inklemming tussen drie waterwegen en het Zuideinde, in combinatie met het relatief gave karakter en de kleinschalige historische en interbellumarchitectuur zeer zeldzaam en waardevol. De historisch-architectonische waarden van de buurt zijn hoog, omdat de vooroorlogse architectuur van de Weerdstraat, Barend Schuurmanstraat, de Kastanjelaan, de Oude Boazstraat, de Weerddwarsstraat en de Meester Harm Smeengekade – in al hun bescheidenheid – een hoge ontwerp- en afwerkingskwaliteit heeft. De Barend Schuurmanstraat en de nog bestaande historische oostwand van de Oude Boazstraat vertegenwoordigen een hoge emsemblewaarde. De architectuur is niet meer helemaal gaaf, maar herstel is mogelijk. Dat geldt ook voor de westwand van de Oude Boazstraat.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

WEERDSTRAAT / OUDE BOAZSTRAAT

Kastanjelaan

Zeldzaamheid: in Drenthe is een dergelijke buurt, die in het industriële tijdperk en het Interbellum is gegroeid tussen drie waterwegen in en langs een historische uitvalsweg, in al zijn intimiteit en coherentie zeldzaam.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

287

GEBIED 6


288

Flexus AWC


4

7 Wilhelminapark Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit

1930: Wilhelminapark, vijver. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WILHELMINAPARK

De totstandkoming van het nieuwe wandelpark De Reestlanden, het gebied ten zuiden van de Stationsweg tot aan de Reest kwam hiervoor rond 1907 in beeld, omdat hier meerdere doeleinden verenigd konden worden. De laaggelegen drassige weilanden liepen hier bij hoge waterstanden nog regelmatig onder, wat zo dicht bij de bebouwing van Zuideinde en Stationsweg als zeer ongezond werd ervaren. Een groep notabelen, waaronder architect Marten Otten, textielhandelaar Arend Dikkers, apotheker Jan Knoppers en ijzerhandelaar Leffert van Dijk, verenigd in de ‘commissie van het Wandelpark’, ontwikkelde het idee om hier voor de Meppeler bevolking een wandelpark aan te leggen, waarbij de grond van een uit te graven vijver gebruikt zou kunnen worden voor de ophoging van het terrein. De vijver kon dienen als bekken voor de voorheen regelmatig overstromende rivier De Reest. De financiering van het project zou geregeld kunnen worden door de uitgifte van bouwkavels direct rondom het parkterrein. De groep maakte een eerste plan, dat in de krant werd gepubliceerd. Het was een initiatief dat paste

binnen de ontwikkelingen van die tijd. In heel Nederland bouwde men villaparken in de hoop gegoede burgerij aan te trekken. In Groningen werd bijvoorbeeld het Stadspark aangelegd. In Zwolle had men al zijn villa’s rond de oude stad waarvan de wallen tot parken waren omgevormd. In Leeuwarden was dat al lang vóór 1900 gebeurd. De plannen vonden weerklank bij de gemeenteraad, en na een uitgebreid haalbaarheidsonderzoek met enkele schetsvoorstellen gaf het gemeentebestuur de opdracht aan de Haarlemse tuinarchitect Leonard A. Springer (1855-1940) om een ontwerp te maken. Springer had al vele werken op zijn naam staan, waaronder het Wilhelminapark in Breda, een park en villapark rondom een heel grote vijver, en werd geacht de opdracht op professionele wijze in te vullen. Hij maakte in 1908 zijn eerste representatieve ontwerp. In september 1913 had de gemeente alle benodigde grond in haar bezit en Springer had in datzelfde jaar zijn ontwerp aangepast aan de vorm van dit stuk grond. Ook op bestuurlijk niveau werden zaken geregeld. Rond diezelfde tijd kwam het besluit tot oprichting van een interprovinciaal waterschap. Deze was nodig om de Reest binnen zijn oevers te kunnen houden en de waterstand te kunnen reguleren. Springer tekende in mei 1914 het ontwerp dat de onderlegger zou vormen voor de huidige situatie van het park. Daarin was de vijver voor de helft verkleind en was op de andere helft een veld getekend, dat later werd gebruikt voor de aanleg van een hertenkamp. In 1914 begon men met de uitvoering van het eerste deel van het park: het gebied direct ten zuiden van de Stationsweg, tot aan de locatie van de huidige vijver. Er was toen al begonnen met de aanleg van 289

GEBIED 7

In de tweede helft van de 19de eeuw brak voor Meppel een periode van hernieuwde economische en industriële groei aan. In vervolg op de realisatie van het nieuwe station ontstond een stationsstraat haaks op de spoorbaan. De Stationsweg (1875) verbond het station met het Zuideinde en vormde in deze periode de nieuwe zuidelijke stadsrand, waar de economische groei van Meppel zich ruimtelijk vertaalde: het Zuideinde en de Stationsweg werden vestigingsplaats van de groeiende groep welgestelden. Vanuit de hogere en middenklasse was er niet alleen de roep om ruimte voor woningbouw, ook de behoefte aan een wandelpark deed zich gelden.


290

Flexus AWC


1914: nadere uitwerking van het ontwerp van Springer met hierop aangegeven de bouwlocaties (A t/m F).

◄◄

1895: molen ‘t Fortuin in de Reestlanden waar later het Wilhelminapark zou komen. De van een stookmachine voorziene molen brandde op 6 mei 1930 af. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

1919: nadere uitwerking van het zuidelijk deel van het park. De vijver is aanmerkelijk verkleind ten gunste van bouwkavels en groen. De Leonard Springerlaan is met bijhorende kavels is later aangelegd.

de Parklaan (vanaf de Stationsweg naar het zuiden) en de bouw van woningen daarlangs. De Parklaan, met een groene verlenging daarvan, zou de hoofdas vormen van het ontwerp. De uitvoering van het park werd onder gemeentelijk beheer gedaan en kostte vijf jaar. Er werd een tramlijn tot in het park doorgezet voor de aanvoer van zand. Pas in 1918 werd gestart met het uitgraven van de vijver door werklozen in het kader van de werkverschaffing. De grond uit de vijver werd gebruikt voor het ophogen van de parkgronden ten zuiden van de vijver. Tijdens de uitvoeringsperiode kwam Springer enkele malen kijken naar de vorderingen en paste hij zijn plan een aantal malen aan, daar het ontwerp niet exact gevolgd werd, waardoor de richting van enkele belangrijke zichtassen verschoven. Bovendien besloot de gemeente, vanwege de tegenvallende aanlegkosten, om delen van het park toch als bouwgrond uit te geven. Het eerste deel van het wandelpark werd op 8 juni 1919 officieel geopend. In oktober 1919 tekende Springer het zuidelijk deel van het park uit met paden en boomgroepen, alsmede het eiland en het latere hertenkampveld. In 1922 werden er herten uitgezet en in 1929 werd een muziektent gebouwd tussen de vijver en het hertenkamp. Op een stuk grond dat oorspronkelijk bestemd was voor de bouw van villa’s, maar niet was verkocht, werd een rozententoonstelling gehouden. Naar aanleiding daarvan werd de rozentuin aangelegd door de rozenvereniging ‘Nos jugunt Rosae’, vermoedelijk naar een ontwerp van Springer. Het wandelpark werd in eerste instantie tot ‘Stadspark’ gedoopt. Pas later, in 1930 werd het ter gelegenheid van de 50ste verjaardag van koningin Wilhelmina omgedoopt tot Wilhelminapark.

één geheel vormden, bleef de ontwerper betrokken bij de uitvoering en verdere inrichting van het gehele park. Hij adviseerde niet alleen bij de inrichting en aanplanting, maar ook bij de bebouwing rond en in het park. Zijn advisering was steeds gericht op het behouden dan wel herstellen van de symmetrie van het geheel. Op enkele extra bouwkavels westelijk van de hoofdas van het park reageerde hij bijvoorbeeld met het voorstel om dan oostelijk eveneens bouwkavels te projecteren. De verkoop hiervan liep echter niet; vervolgens werden deze op aanraden van Springer tijdelijk weer onderdeel van het park. Deze plekken zijn nog steeds onbebouwd. Ook de aanleg van de rozentuin resulteerde in het enigszins herstellen van de symmetrische compositie. Springer hechtte sterk aan het behouden van het landelijk karakter in park en villapark door de kavels voldoende ruim te maken. De bewoners langs de randen van het park werden verplicht ligusterhagen te planten als afscheiding van hun tuin, zodat een grotere eenvoud en eenheid ontstond. De inheemse ligusterhaag werd door Springer geassocieerd met landelijkheid. Springer bleef ook na realisatie van het park als adviseur bij de verdere inrichting van het gebied betrokken, precies zoals hij bij andere door hem ontworpen parken deed. Zo adviseerde hij bij de aanleg van het hertenkamp (1922), de muziektent (1929), het gemeentelijk Parkzwembad (1934) en bij de situering van een theekoepel (1914), die werd verplaatst vanaf de andere zijde van de Reest. Alleen bij de plaatsing van het Harm Smeenge-monument in het park in 1938 was hij niet betrokken. Dit element, maar vooral de achterliggende beplanting, onderbreekt de zichtlijn vanaf de Parklaan naar de vijver, en breekt derhalve met het concept van Springer.

Springers betrokkenheid en visie Omdat het villa- en wandelpark in Springers ontwerp

Meer recente onderzoeken bevestigen de nauwkeurigheid van Springers aanpak. Uit een analyse ge-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WILHELMINAPARK

1907: kaart behorend bij het voorstel van de “commissie van het wandelpark”.

291

GEBIED 7

◄◄

4


292

Flexus AWC


1920: Marten Ottenlaan in het Wilhelminapark <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Het parkzwembad, dat vlak voor de Tweede Wereldoorlog werd geopend <foto: Andries van Gelder>

1930: het Rosarium “Nos Jungunt Rosae” dat ter gelegenheid van de Nijlanto werd aangelegd. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Een overwegend Zakelijk Expressionistische bebouwingskarakteristiek De woningen direct grenzend aan het wandelpark stammen merendeels uit de jaren 1920-1930 en tonen een diversiteit aan bouwstijlen, met een overheersing van de Zakelijk Expressionistische stijl. Hierin onderscheidt het gebied zich van de Stationsweg/Het Zuideinde. Het zijn royale woningen met een voortuin en heggen als erfscheiding. Het deel oostelijk van het wandelpark is tussen ± 1930 en 1935 bebouwd. In de oorspronkelijke plannen van Springer waren hier geen woningen geprojecteerd, maar een groenstrook en zuidwestelijk een

Bronnen <Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van het beschermd stadsgezicht Oud-Zuid gemeente Meppel (Drenthe) ex artikel 35 Monumentenwet 1988, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 27-2-2009> <Gerding, dr. M.A.W. , Het erfgoed van de gemeente Meppel, Stichting Drents Plateau, Assen 2005> <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, Meppel, 1999> <Zijlstra, B.; Nederlandse tuinarchitectuur tussen 1850 en 1940 deel. 1 – Amsterdam Nederlandse Tuinenstichting, 1986> <Moes, C.; Leonard Antonij Springer 1855-1940. Tuinarchitect, dendroloog, verzamelaar, Uitgeverij de Hef, Rotterdam, 2002> <Albers, dr. L. en Guinee, ir. A. , Het Wilhelminapark, vroeger en in de toekomt; tijdschrift Groen, april 2003> <Voogd, Gerard H.G., Het Wilhelminapark, kwartaalblad Stichting Oud Meppel 05-1 en 05-4, 1983> <http://www.burohollema.nl> <http://library.wur.nl/tuin/> <http://library.wur.nl/speccol/intro.html> <http://www.encyclopediedrenthe.nl/Springer,%20 Leonard%20Antonij> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WILHELMINAPARK

1980: panden aan de Esdoornlaan <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

4

293

GEBIED 7

◄◄

maakt door mevrouw Albers en mevrouw Guinée blijkt dat Springer het park zeer nauwkeurig geconstrueerd heeft en weinig aan het toeval heeft overgelaten. Springers ontwerp voor het park kan worden vergeleken met een levensgrote kijkdoos, waarin op een betrekkelijk klein oppervlak sterk verschillende sferen te vinden zijn, zonder dat het park uiteenvalt. De bezoeker kan door het park wandelen en krijgt hierbij steeds andere uitzichten of ‘taferelen’ voorgetoverd. Het noordelijk gedeelte van het park is als een statig geometrisch flaneergebied vormgegeven met een duidelijk uitzicht op de vijver. Het langgerekte grasveld met de door bomenrijen en bankjes geflankeerde wandelpaden trekt als vanzelf de blik naar het grote spiegelende oppervlak van het water. Een groot bloemenperk in het midden op het gras maakt het geheel af. In het zuidelijk, meer romantisch vormgegeven deel van het park ging het Springer meer om de natuurbeleving. De wandelaars moesten hier kunnen dwalen. Daarom hier een slingerende waterloop als een natuurlijk beekje, gebrek aan overzicht, maar juist bochtige paden. Hier en daar bevinden zich uitkijkjes op de omgeving. Strategisch geplaatste solitaire bomen en boomgroepen vormen hierbij onderdeel van het repertoire.

bosachtig gedeelte. Dit zou het geheel afschermen tegen het spoorwegemplacement en de bijbehorende loodsen en dergelijke. De gemeente gaf echter na het verwijderen van het tramemplacement in dit gebied ruimte voor zowel particuliere als sociale woningbouw en ook werden de jeugdherberg Parkhoeve (1934, L. Springerlaan 14), de gemeentelijke kwekerij (naast de parkwachterswoning, 1920, Marten Ottenlaan 19) en het gemeentelijk Parkzwembad, een openluchtbad (1934) gebouwd. De laatste is inmiddels weer afgebroken.


294

Flexus AWC


i

Kadertekst 12 Leonard Antonij Springer

(Amsterdam, 24 januari 1855 - Haarlem, 28 september 1940)

Portretfoto van Leonard Antonij Springer.

Wilhelminapark Breda, vijver.

L.A. Springer, kopie van het ontwerp van A. Alphand in Ed. André voor het park Buttes Chaumont, Parijs (ca. 1880)

Springer maakte voor de parken en buitenplaatsen vaak gebruik van de ‘gemengde tuinstijl’, waarbij elementen van de romantische landschapsstijl gecombineerd werden met modernere of juist oudere stijlkenmerken. Binnen een romantische, landschappelijke aanleg kon hij moeiteloos een geometrisch aangelegde bloementuin situeren, geïnspireerd op de tuinkunst uit het verleden, zoals de renaissance-achtige, vierkante bloemvakken en de Lodewijk XIVe stijl, die bijna altijd te vinden is bij een huis of gebouw. Ook op grotere schaal is regelmatig sprake van een symmetrische ordening van romantisch-landschappelijk vormgegeven elementen. Dat geometrie ook binnen de meer grillige onderdelen van zijn ontwerpen een rol speelde, laten de voor Springer kenmerkende landschappelijk aangelegde paden zien die met elkaar een cirkelvormig, ovaal of ellipsvormig grondpatroon hebben. Springer had dit principe overgenomen uit o.a. de boeken van Andre, Meyer en Alphand et Ernouf, tuinarchitecten wier ontwerpen hij uitgebreid had bestudeerd. Het verloop van deze paden werd in zijn ontwerpen na 1890 wel logischer, dat wil zeggen dat een hij een pad alleen van richting liet veranderen als

een boom of ander obstakel daar aanleiding toe gaf. Springers grote dendrologische kennis resulteerde vaak in de toepassing van een rijke variatie met veel bijzondere uitheemse bomen en (bloeiende) heesters in zijn ontwerpen. Na 1920 heeft Springer meegeholpen een aantal verenigingen op te richten, zoals de Bond van Nederlandse Tuinarchitecten (1922), de Nederlandse Dendrologische Vereniging (1925) en een opleiding voor tuinarchitecten (1928). Springer heeft in de provincie Drenthe tevens andere ontwerpen gemaakt. Bij de buitenplaats Dickninge een bloementuin (1910) Schiphorst in De Wijk, een begraafplaats (1922) en het Van Heutszpark (1915) in Coevorden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

LEONARD ANTONIJ SPRINGER

geningen - dat hem niet beviel - werd hij in 1900 in Haarlem adviseur van de plantsoenen, gevolgd door een adviseurschap voor de gemeente Alkmaar in 1902. Daarnaast bleef hij zelfstandig tuinarchitect, gevestigd te Haarlem. Pas vanaf 1900 begonnen de ontwerpopdrachten toe te stromen, zowel van particulieren als van gemeenten.

295

KADERTEKST 12

Leonard Springer was een zoon van de Amsterdamse kunstschilder Cornelis Springer, die nu wordt beschouwd als een van de belangrijkste stadsgezichtschilders uit de Nederlandse romantische school van de 19de eeuw. In eerste instantie volgde de jonge Springer een opleiding tot boomkweker. Wat betreft tuinarchitectuur was hij een autodidact, maar kreeg door het winnen van internationale prijsvragen al vroeg enige landelijke bekendheid. Ook zijn eerste grote opdrachten wist hij via prijsvragen binnen te slepen. Deze opdrachten alleen verschaften hem niet voldoende inkomen om zijn gezin te onderhouden, en na een docentschap in Wa-


Gebied 7 Wilheminapark

Legenda

296

Flexus AWC


Het Wilhelminapark bestaat uit vrijstaande villa’s rondom een park, behalve in het zuiden, waar het park zonder aanpalende bebouwing grenst aan de Reest. Het gebied bestaat uit het park, de bebouwing rondom het park en de bebouwing langs de Leonard Springerlaan. De rondgaande weg in het park, met de straatnaam ‘Wilhelminapark’ en de Marten Ottenlaan in het verlengde daarvan, ontsluit als een cirkelweg het park, dat aan de ene zijde van de weg ligt, en de meeste bebouwing rondom het park aan de andere zijde. Alleen de bebouwing langs de entreepunten en langs de Leonard Springerlaan is niet geörienteerd op het park zelf. Deze is wel van dezelfde signatuur als de bebouwing in het centrale binnengebied van het park. Het parkgedeelte is door een niervormige vijver in een noord- en een zuiddeel gecompartimenteerd. De compositie van het park is een opmerkelijke combinatie van formele (‘barokke’) geometrische thema’s met een romantische, landschappelijke parkaanleg. Het noordelijk deel van het park kent een formelere opzet, rondom een ganzepoot-motief (een barokke figuur waarbij 3 of 5 wegen of paden vanuit één centraal punt in een zelfde hoek naar verschillende richtingen uitwaaieren). De diagonale paden takken in het zuiden naadloos aan op de rondgaande weg. Het centrale pad van de ganzepoot, dat uit twee evenwijdig aan elkaar lopende paden met een tussenliggende groene as bestaat, komt als centrale, statige as uit op de vijver, die tussen het noordelijk en het zuidelijk parkgedeelte in ligt. Tussen de westelijke ‘poot’ en de rondgaande weg ligt het Rosarium, met een eigen formele padenstructuur en opzet. In het park zelf staat geen bebouwing, afgezien van twee woongebouwen. Volgens de plannen van Leo-

nard Springer had de bebouwing, symmetrisch gespiegeld ten opzichte van de ganzepoot gerealiseerd moeten worden. De rondgaande slinger van het water is een thema uit de Romantiek, net als de toepassing van een vijver, die op deze centrale plek zowel het middel- als het hoogtepunt vormt van de gehele parkaanleg. Het parkdeel tussen de vijver en de Reest vormt samen met het parkdeel tussen de oostelijke waterloop en de bebouwing langs de Leonard Springerlaan het romantische deel van het park, met bochtige waterpartijen, onregelmatige plaatsing van bomen, slingerende paden, subtiele hoogteverschillen en onverwachte zichtassen en ruimtelijke verrassingen. Dit deel van het park is tevens voorzien van een aantal romantische elementen, zoals het hertenkamp dat hier reeds in 1922 aanwezig was. Ook staat er een theekoepel, die in 1955 in het park werd geplaatst. Deze koepel stond oorspronkelijk aan de overkant van de Reest, in de nabijheid van de Werkhorstbrug. Deze moest verwijderd worden ten gevolge van de aanpassing van de loop van het riviertje. Destijds is de koepel gekocht door leden van de Meppeler natuurbeschermingswacht. Het koepeltje is nu rijksmonument. De bebouwing rond het park bestaat uit vrijstaande villa’s en twee-onder-een-kappers, die op regelmatige afstand van elkaar en op regelmatige afstand van de weg zijn geordend. In al hun regelmaat vormen zij met de bebouwing aan de achterzijde – de Stationsweg, het Zuideinde en de Leonard Springerlaan, geordende, half transparante bouwblokken, waarvan de kavels riant zijn, maar niettemin alle slechts toegesneden op individuele woonhuizen of twee-ondereen-kappers. De kavels rond het park zijn alle dieper dan breed en hebben alle een min of meer vergelijkbaar oppervlak. De ontsluiting van de individuele

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WILHELMINAPARK

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

297

GEBIED 7

Ruimtelijke beschrijving en waardering


298

Flexus AWC


4

◄◄

Kenmerkende bebouwing Wilheminapark

Wilhelminapark

Kenmerkende bebouwing Marten Ottenlaan

kavels vindt direct plaats vanaf de straat, maar altijd via een voortuin.

Openbare ruimte Hoewel de typologie van de straten in het Wilhelminapark geruisloos overgaat in die van de direct aangrenzende 19de en begin 20ste eeuwse straten, heeft deze toch op onderdelen een eigen karakter. Slechts bij de entreepunten is er sprake van dubbelzijdige bebouwing. Elders in het park zijn de straten éénzijdig bebouwd, uiteraard om zo riant mogelijk zicht te hebben op het centrale park. Dit is het kernconcept van deze buurt. De bebouwing staat iets meer dan in de achterliggende Stationsweg uit elkaar (maar niet veel), waarmee de straten in het Wilhelminapark iets transparantere bebouwingswanden hebben. Dit effect wordt versterkt door het gegeven dat de kappen in het Wilhelminapark vaak al boven de eerste bouwlaag beginnen, waardoor er visueel veel ruimte ontstaat tussen de terugwijkende kappen en derhalve ook tussen de bebouwing als geheel. Een ander belangrijk ruimtelijk principe van deze buurt is de geleidelijke overgang van - of anders gezegd een sterke samenhang tussen - bebouwing en park. Dit is in het Wilhelminapark vormgegeven met drie middelen: groene voortuinen, de groene hagen als erfafscheiding, en groene bermen tussen rijweg en park of - plaatselijk - tussen erfafscheiding en rijweg. Waar voetpaden voorkomen, zijn deze in de meeste gevallen vrijliggend vormgegeven. De voetpaden in het park waren oorspronkelijk vermoedelijk voorzien van een grindafdekking. Het park is wat betreft opbouw al hierboven beschreven.

Bebouwing en architectuur De woningen zijn doorgaans groot van maat, zowel de villa’s als de twee-onder-een-kappers. Meer dan twee geschakelde woningen komen niet voor. Hoewel het geen regel is zonder uitzonderingen, kan toch gesteld worden dat het volume van de woongebouwen in deze buurt niet eenduidig van grondvorm is, maar is ‘samengesteld’, dat wil zeggen dat de hoofdvorm bestaat uit meerdere min of meer ‘in elkaar geschoven’ volumes, dat vooral in het daklandschap zichtbaar wordt. De volumes zijn vaak gelijkwaardig aan elkaar. Dit komt voort uit de villaarchitectuur zoals die in de 19de eeuw vooral in Engeland werd ontwikkeld en in het laatste kwart van de 19de eeuw ook in Nederland werd toegepast. Dit had tot in de jaren ’30 zijn weerklank. In het algemeen zijn de kappen een prominent onderdeel van de volumeopbouw en van de architectuur van de woningen in deze buurt, een middel dat in de eerste decennia van de 20ste eeuw, en zeker tijdens het Interbellum, vaak werd ingezet om het gebouw een zeer expressief karakter te geven, maar ook om het landelijk en huiselijk karakter van een woning te benadrukken. In het Wilhelminapark overheerst architectuur uit het Interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen, waarbij die van het zogenaamde Zakelijk Expressionisme de boventoon voert. Opmerkelijk genoeg komt er in het Wilhelminapark ook architectuur voor die meer in de 19de eeuwse classicistische traditie staat. Deze architectuur detoneert niet in het totaal door het overeenkomstige materiaal- en kleurgebruik, het gebruik van kappen, gelijkaardige opendichtverhoudingen en de gelijkaardige toepassing van traditionele architectuurafwerking (waterslagen, daklijsten etc.).

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

WILHELMINAPARK

Parklaan

299

GEBIED 7

◄◄


Aantastingen/transformaties In de loop van de jaren werd het park afgemaakt en werden ook nieuwe elementen toegevoegd, die overigens wel voortborduurden op de bestaande structuur. Het park was oorspronkelijk aangelegd met twee open verbindingen met de Reest. Vanwege de hoge waterstanden in de Reest werden die verbindingen versmald, vermoedelijk in 1950, toen een bocht in de Reest werd verlegd en het park er daardoor grond bij kreeg. Op de toegevoegde grond kwamen een zitplek en een speelplek met zandbak, naar ontwerp van G.R. Hollema (1919-1991) tuin- en landschapsarchitect uit Rolde, die ook in 1966 de gemeente adviseerde betreffende het herstel van het park. Hollema bleef hierbij werken in de stijl van Springer. Het Parkzwembad in de zuidoostelijke bebouwingshoek is rond 1975 gesloopt; op deze plek is in de jaren tachtig van de twintigste eeuw de Uilenborgh gebouwd, een gebouw met appartementen en kantoren. Hiervoor is ook de directe omgeving veranderd ten behoeve van parkeerfuncties. Daarmee is het oorspronkelijke bosachtige karakter van 300

Flexus AWC

deze uiterste hoek van het park vrijwel verdwenen. De structuur van het gebouw, de schaal en afmetingen, de typologie en de architectuur sluiten geen van alle aan op de kernkarakteristieken van het Wilhelminapark. De kassen van de gemeentekwekerij, naast de parkwachterswoning zijn gesloopt; ook de hier ooit gevestigde gemeentewerf is niet meer aanwezig. Op deze locatie worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. De L. Springerlaan is deels heringericht, waarbij langs de woningen de oude structuur is gehandhaafd en het rijgedeelte als een ventweg is gaan functioneren. Deze is door een groenstrook met bomenrij gescheiden van de hoofdweg die langs het stationsemplacement voert. Op enkele plekken zijn er de afgelopen decennia nieuwe woningen verrezen, die met hun enigszins povere uitvoering aan het geheel afbreuk doen, maar een ernstige aantasting is het niet. Een aantal wandelpaden en straten zijn geasfalteerd, hetgeen enige afbreuk doet aan het chique cachet van dit park.


4 Theekoepeltje Wilhelminapark

Waardering Het Wilhelminapark is onderdeel van het beschermd stadsgezicht Oud-Zuid en heeft derhalve een cultuurhistorische topkwaliteit. Het Wilhelminapark heeft een hoge historischmaatschappelijk waarde als redelijke gave representant van een op particulier initiatief ontwikkelde parkbuurt voor gegoede burgers en voor de Meppeler bevolking als geheel, zoals typisch is voor de periode 1850-1940. Het Wilhelminapark heeft historisch-stedenbouwkundig een hoge waarde omdat in deze buurt, ondanks bovenstaande wijzigingen, nog altijd een sterke samenhang aanwezig is tussen bebouwing en park zoals ook bedoeld in het oorspronkelijk ontwerp van Leonard Springer, als gevolg van de gerichte afstemming van stedenbouwkundige opzet, bouwstijlen, erfafscheidingen en landschapsontwerp op elkaar. Van waarde is ook dat het oorspronkelijke ontwerp van de hand is van de landelijk zeer bekende tuinarchitect Leonard Springer en deze aanleg ook nog goed herkenbaar is. Ook is de grote architectonische samenhang tussen de rondom het park staande bebouwing en de bebouwing is de ontsluitingsstraten – ondanks de stijlverschillen tussen de gebouwen – van hoge historische-stedenbouwkundige waarde. Er zijn geen specifieke ensemblewaarden aanwezig, meer dan de architectonische coherentie van de buurt.

van de architectuur in deze buurt in zijn algemeenheid van kwalitatief hoog niveau is. Gaafheid: Het park en de omringende bebouwing zijn in hun oorspronkelijk opzet zeer gaaf gebleven. De bebouwing is zowel in hoofdopzet als architectonische detaillering gaaf gebleven. Zeldzaamheid: Voor Drenthe kan een villapark uit het eind van de 19de, begin 20ste eeuw van een dergelijke omvang en allure als zeer zeldzaam worden beschouwd.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Top’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Top’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

WILHELMINAPARK

Kenmerkende bebouwing aan de Dr. E.J. Roelsemalaan

De historisch-architectonische waarden zijn hoog omdat het ontwerp- en afwerkingsniveau Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

301

GEBIED 7

◄◄


302

Flexus AWC


8 Oude Indische buurt

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Oude Indische buurt is het derde woningbouwproject van de in 1908 opgerichte Meppeler Bouwvereniging. Ofschoon de stedenbouwkundige layout van de buurt hierop lijkt te wijzen, is het plan niet op basis van een officieel uitbreidingsplan tot stand gekomen. De Woningwet van 1902 stelde weliswaar de verplichting dat elke gemeente met meer dan 10.000 inwoners een uitbreidingsplan moest opstellen, maar Meppel kreeg dit pas in 1928. Het gemeentebestuur, zo blijkt uit archiefstukken, achtte een officieel uitbreidingsplan lange tijd niet zinvol omdat op de voor uitbreiding in aanmerking komende gronden een bouwverbod van kracht was en zij zich dus geen zorgen hoefde te maken over ongewenste bouwinitiatieven. Bovendien werden er steeds deelplannen opgesteld en hierop werd tot 1918 steeds zonder problemen vrijstelling verleend door Gedeputeerde Staten. De Oude Indische buurt is op basis van zo´n deelplan tot stand gekomen. De geschiedenis van de Oude Indische buurt sluit nauw aan op de ontwikkeling van de zuidwestelijk hiervan gelegen Voorstraatbuurt waar de Meppeler Bouwvereniging al eerder twee complexen had gerealiseerd. Dit op grond die in eigendom was van de Meppeler famillie Nieuwenhuis. Een van deze complexen betrof de Twaalf Apostelen. Na de bouw van deze eerste complexen had men meer behoefte aan bouwgrond; er was een blijvende vraag naar goedkope arbeiderswoningen. De Bouwvereniging liet haar oog vallen op het grote perceel (22.670 m2) van Nieuwenhuis aan de overzijde van de tramlijn, die over de toenmalige Balistraat (de latere Ceintuurbaan) reed, bekend als het ‘ronde stuk’. Op 21 juli

1916 werd de koop gesloten voor fl 16.000,-. De woningbouwvereniging realiseerde in 1919 ten westen van de gedempte sloot langs de Ruinerwoldseweg haar derde en tot dan toe grootste bouwproject met 163 woningen en 3 winkelruimtes. Architect H.W. Hulsbergen, een Meppeler architect, vermoedelijk tevens architect van de eerste twee complexen, ontwierp het plan en maakte op originele wijze gebruik van de driehoekige vorm en ronde beëindiging van het grote perceel. Een schriftelijke motivering van het plan is niet bekend. De intenties van het plan zijn niettemin vanuit de layout goed afleesbaar. Architect Hulsbergen maakte het kruispunt Ruinerwoldseweg - Balistraat (huidige Ceintuurbaan), waar ook de Allee op uitkwam, de hoofdentree van de buurt. Hier werden de winkels gevestigd. De randen van de buurt werden gevormd door ontsluitingsstraten. Hier konden op termijn andere uitbreidingen van Meppel op aansluiten. De bestaande ontsluitingsstraat van het noordelijk aan het gebied grenzende Rechteren bleef gehandhaafd. Aan de Noordwestzijde werd het oude Jufferenpad, dat de oude loopverbinding vormde tussen Rechteren en de bebouwingskern van Meppel, gespaard, maar wel omgevormd tot rijweg. Het basispatroon werd in een blokverkaveling ontworpen, met waar mogelijk lange bebouwingswanden omdat deze het goedkoopst waren. Dat is ook de reden dat er geen sprake was van een volledig gesloten bouwblokstructuur, maar eerder van bouwblokken met een tuinmuuroplossing ter plaatse van

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

OUDE INDISCHE BUURT

Inkijk in de Bankastraat, briefkaart met poststempel 1926 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

303

GEBIED 8


304

Flexus AWC


4 ◄

Ansichtkaart uit de verzameling van mevrouw G.Post Danser, Balistraat rond 1920. De Balistraat werd later hernoemd tot Ceintuurbaan. Links de bebouwing van de Oude Indische Buurt, rechts het eerste project van de Meppeler Bouwvereniging <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Billitonplein 1961, met bloemenperkje en kinderen <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Doorsnede en plattegronden standaardwoningtype. <archief gemeente Meppel>

Gevelaanzichten <archief gemeente Meppel>

de hoeken. Dit was een goedkope oplossing die aan het eind van de 19de , begin 20ste eeuw voor eenvoudige woningbouwcomplexen gebruikelijk was geworden. In de noordhoek van het plan realiseerde Hulsbergen als resultaat van de min of meer symmetrische driehoekige layout een klein driehoekig pleintje. Ofschoon de verkaveling en architectuur lijkt te verwijzen naar de tuinwijken die elders in Nederland en Europa gerealiseerd werden, is hiervan toch geen sprake, omdat voortuinen ontbreken en ook de achtertuinen vrij krap zijn. Kennelijk was het uitgangspunt om een zo groot mogelijk aantal woningen op de locatie te ontwerpen. Ook de gevelarchitectuur van de woningblokjes was eenvoudig, en vormgegeven in de Overgangsstijl die de twintiger jaren van de 20ste eeuw gekenmerkt heeft. Het is opvallend dat er niet of nauwelijks mo-

numentale architectonische accenten gebruikt zijn op stedenbouwkundig belangrijke locaties, zoals de entree van de buurt op de zuidelijke punt. Dit was in deze tijdsperiode wel gebruikelijk. Alleen ter plaatse van de lange rijengevels zijn hier en daar kleine kapaccenten toegepast om de lengte van de gevelwanden te breken. Ook de gerealiseerde woningtypen waren eenvoudig, met een woonkamer en keuken op de begane grond en twee kleine afgescheiden slaapkamertjes op de zolder. Bronnen <Nieuwenhuis, Johannes, Aanleg Voorstraat, deel Woldstraat en de Indische Buurt, kwartaalblad Stichting Oud Meppel 30-3, 2008> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <http://www.oudmeppel.nl>

OUDE INDISCHE BUURT

Kruispunt Commissaris de Vos van Steenwijklaan, ter plaatse van de oorspronkelijke entree tot de wijk. Rechts de voormalige marechausseekazerne, 1930. Links op de foto een van de winkels bij de entree van de wijk. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

305

GEBIED 8

◄◄


Gebied 8 Oude Indische buurt

Legenda

306

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Openbare ruimte Doordat de bebouwing direct aan de straat ligt, voortuinen ontbreken en de straten vrij smal zijn, heeft de buurt een besloten karakter. Toch is het profiel zeker niet benauwend. Door consequente toepassing van lage bebouwing van één laag met kap, subtiele verspringingen in de gevels en onderbreking van de kappen met ‘topgeveltjes’ krijgt het profiel een speels en ruimtelijk karakter. Daar waar de Riouwstraat en de Bankastraat samenkomen is de beleving van de ruimte in nog grotere mate versterkt: er ontstaat een pleinachtige ruimte. Hetzelfde geldt voor de korte V-vormige Billitonstraat. Op oude foto’s is te zien dat de wijk, door het ontbreken van voortuinen en groenvoorzieningen, een stenig karakter had. De buurt was voorzien van doorlopende trottoirs aan weerszijden van de weg. Halverwege de Bankastraat wordt de rooilijn onderbroken door een enkel terugspringend blok, waardoor de voetgangerszone plaatselijk breder is. Bij herinrichting zijn de trottoirs verdwenen en is er meer groen gekomen. De straten zijn voorzien van parkeerplaatsen, afgewisseld met

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

OUDE INDISCHE BUURT

De Oude Indische buurt bestaat uit één samenhangend stedenbouwkundig plan. De ondiepe bouwblokken, smalle straten en zeer homogene bebouwing in combinatie met het typische stratenplan levert een op zichzelf staande coherente wijk op. De lengte van de woningblokken varieert. Aan de noordzijde zijn de bouwblokken afgesloten met haaks op de hoofdstraten staande bebouwing, georiënteerd op het Jufferenpad. De 22 woningen die de Oude Indische Buurt scheidt van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan behoren niet tot dit plan en vallen daarom buiten deze gebiedsbeschrijving. De woningen aan de Ceintuurbaan (2 t/m 40) completeren de begrenzing van het gebied. Het stratenbeloop binnen de buurt bestaat uit een V-vormige straat aan de noordkant (Billitonstraat) en een Y-vormige toegangsweg aan de zuidkant die zich splitst in twee uitwaaierende straten (Bankastraat en Riouwstraat). Deze opzet hangt samen met de typische vorm van het te bebouwen stuk land, dat min of meer ruitvormig was. Het plan is in hoofdlijnen symmetrisch van opzet, met de noord-zuid-as als denkbeeldige spiegellijn. De bouwblokken zijn afgeleid van het gesloten type, maar zijn dit niet. De hoeken aan de noordzijde zijn opengewerkt met hier tuinmuren voorzien van kenmerkende poortjes naar de achterpaden in het achtergebied. De spitse hoeken op de zuidzijde van de buurt zijn afwijkend vormgegeven. Hier liggen de ‘winkelhuizen’, later omgebouwd tot woningen. Twee van deze winkelhuizen liggen aan weerszijden van de voormalige toegangsstraat aan de zuidzijde, de derde op het punt waar de Bankastraat en de Riouwstraat samenkomen. Halverwege de Bankastraat verspringt de rooilijn

plaatselijk iets naar achteren, terwijl dit bij de - in opzet gespiegelde - Riouwstraat niet het geval is. Aan de zuidzijde, waar de twee hoofdstraten in Y-vorm samen komen, buigt de rooilijn mee, waarbij straat en bebouwing de richting van de denkbeeldige spiegellijn van het plan aannemen. Oorspronkelijk was hier de centrale toegang tot de buurt, als plein vormgegeven en aansluitend op de Ceintuurbaan, Woldstraat en Commissaris de Vos van Steenwijklaan. Later is deze toegang vernauwd en verlegd, en gereduceerd tot fiets- en voetgangersgebied. Hierdoor is de ‘poortwerking’ van de twee kopwoningen en de beleving van de symmetrie deels verloren gegaan.

307

GEBIED 8

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


308

Flexus AWC


4 Bankastraat

sierboompjes. Ter plaatse van de pleinachtige ruimten zijn kleine plantsoenen aangelegd. Bij de Billitonstraat is een speelplaats ingericht, omzoomd door lage begroeiing en geflankeerd met sierboompjes. In de Bankastraat en de Riouwstraat zijn twee woningblokjes gesloopt ten behoeve van extra parkeervoorzieningen. Dit laatste doet afbreuk aan het besloten karakter van de buurt.

Bebouwing en architectuur

Ceintuurbaan

De bebouwing in de buurt is zeer coherent doordat deze als geheel is ontworpen. De bebouwing - zonder uitzondering één laag met kap - bestaat hoofdzakelijk uit geschakelde arbeiderswoningen. Uitzondering vormen de drie vrijstaande winkelhuizen die op prominente hoeken staan, georiënteerd op de zuidelijke toegangsweg. De winkelhuizen zijn echter consequent uitgevoerd in dezelfde architectuur als de overige bebouwing. De bakstenen gevelarchitectuur van bescheiden expressie valt te rekenen tot de Overgangsarchitectuur. De langskappen, voorzien van goten op klossen, worden regelmatig onderbroken met geveltoppen, wat zorgt voor een prettig gevarieerd gevelbeeld. De geveltoppen, meestal ter plaatse van de entrees, zijn verschillend van breedte en zijn afwisselend afgedekt met een plat dak, dwarskap of combinaties hiervan, met uitkragende dakranden op klossen en doorlopende geprofileerde daklijsten. De laatste twee varianten onderscheiden zich bovendien door de geprofileerde aftimmering onder de uitkragende dakrand. Bij de arbeiderswoningen zijn er twee typen te onderscheiden: één met een zadeldak en één met schotdak, voorzien van daklijsten op de bovenste dakrand. Het verschil in kaphoogte werkt niet verstorend, met name door de gelijkaardige gevelarchitectuur. Door-

dat de variatie beperkt is tot enkele standaarden, blijft het geheel zeer samenhangend.

Transformaties en aantastingen Twee bouwblokken zijn gesloopt om plaats te maken voor parkeervoorzieningen. Hierdoor vallen behoorlijke gaten in de oorspronkelijk aaneengesloten gevelwanden in de Bankastraat en de Riouwstraat. De eenheid en beslotenheid die kenmerkend is voor de wijk is hierbij deels verloren gegaan. De oorspronkelijke trottoirs hebben plaatsgemaakt voor doorlopende bestrating tussen de gevelwanden, waardoor de strakke ‘omzoming’ van de bebouwing wegvalt. Ondanks de verschillende bestratingen (functiescheiding) en de inpassing van parkeervlakken en boompjes, is het oorspronkelijke stenige beeld redelijk overeind gebleven. In het zuiden van de buurt is de poortwerking en symmetrie die uitging van de toegangsweg met winkelhuizen aan weerszijden grotendeels verloren gegaan door aanleg van een plantsoen en het verleggen van de weg. Die buigt nu af naar de Commissaris de Vos van Steenwijklaan en is gereduceerd tot fiets- en voetpad. Desondanks is, over het geheel beschouwd, de karakteristiek van de buurt goed behouden gebleven. Op bebouwingsniveau is er sprake van renovaties waarbij deuren, kozijnen en dakkapellen zijn vervangen. De dakkapellen zijn hierbij niet vergroot en allen identiek uitgevoerd. Het oorspronkelijke daksilhouet is hierdoor niet aangetast. Voor het overige is de architectuur nog redelijk intact.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

OUDE INDISCHE BUURT

Commissaris de Vos van Steenwijklaan, ter plaatse van de oorspronkelijke entree tot de wijk

309

GEBIED 8

◄◄


310

Flexus AWC


4 Waardering De buurt heeft een hoge cultuurhistorische waarde. De historisch-maatschappelijke waarde is hoog: de Oude Indische buurt is de eerste grootschalige uitbreiding van Meppel op grond van de Woningwet 1901. Tevens is het de eerste buurt van Meppel volgens een coherent architectonisch-stedenbouwkundig totaalplan.

◄◄

Bankastraat, risalerend geveldeel

Billitonstraat, speelplaatsje

De historisch-stedenbouwkundige waarden zijn gemiddeld. Er zijn weinig bijzondere stedenbouwkundige figuren en de afstemming tussen architectuur en stedenbouw is bescheiden. De buurt heeft wel een hoge architectonische coherentie. Dit is een belangrijke stedenbouwkundige kwaliteit. De ensemblekwaliteiten zijn eveneens hoog: de gehele buurt kent dezelfde stedenbouwkundige figuren en de architectuur is doorheen de hele buurt identiek of sterk verwant.

tast. De gaafheid van het daklandschap is een belangrijke bijdrage aan de kwaliteiten van deze buurt.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

OUDE INDISCHE BUURT

Bankastraat, kop bebouwing

De historisch-architectonische kwaliteiten zijn gemiddeld: de architectuur is typisch voor het eerste decennium van de 20ste eeuw, maar is vrij basaal ontworpen. De gebruikelijke architectonische middelen uit die jaren, die deze architectuur zijn aantrekkelijkheid geven (vooral de kozijnen en deuren) zijn deels bewaard, maar ook deels weggerenoveerd. De buurt is als geheel op stedenbouwkundig niveau betrekkelijk gaaf gebleven. De gaafheid van de architectuur is met de vervanging van de kozijnen en deuren in zekere mate aangeCultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

311

GEBIED 8


312

Flexus AWC


9 Schuttevaerstraat / Concordiastraat

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De straatnamen in het gebied Schuttevaerstraat/ Concordiastraat verwijzen naar de betekenis van het gebied voor de (bouw)industrie en de scheepvaart die lange tijd de atmosfeer van dit gebied bepaald heeft. De buurt is tot op de dag van vandaag nauw verbonden met het water. De vereniging Schuttevaer betrof een in 1863 opgerichte landelijke belangenvereniging voor de binnenvaart die is ontstaan uit een aantal kleinere Drentse en Overijsselse belangenverenigingen voor binnenschippers, die in de tijd van aanleg van de Nieuwe Haven een zeer actieve afdeling in Meppel kende. De NV Concordia is een bouwmaterialenhandel die lange tijd in het gebied gevestigd is geweest en die mede haar stempel op de ontwikkeling van het gebied gedrukt heeft. De landschappelijke onderlegger en de historische waterstructuur Het gebied Schuttevaerstraat/Concordiastraat wordt aan de zuidzijde begrensd door een zijtak van het Meppeler Diep die van groot belang is geweest voor de ontwikkeling van de locatie. Op de kadastrale minuut uit 1823 heeft dit water zeker nog een andere vorm dan aan het begin van de 20ste eeuw waarbij het Vrouwenrak nog duidelijk zichtbaar aan de zuidzijde aanwezig is, en de zijtak van het Meppeler Diep zelf nog niet verbreed. Ook aan de noordzijde was nog een situatie aanwezig die aanzienlijk verschilt van de huidige situatie. Het Westeinde als weg bestond nog niet; er wordt zelfs geen jaagpad op de kaart aangegeven. Wel bevond zich bebouwing ter plaatse van de Meppelersluis en een balkengat/binnenhaven met hiernaast een houtzagerij. Een bal-

kengat betrof een haventje waarin het hout drijvend op het water, geborgen kon worden alvorens opgetast te worden op het land en bezaagd. Hout werd in de balkengaten binnengebracht als een houtvlot van door een dwarsbalk bijeengehouden stammen. Meppel telde diverse balkengaten, en bij de Meppelersluis bevond zich tot het begin van de twintigste eeuw dan ook een tarievenbord waarop de bedragen voor diverse houtvlotten waren aangebracht. In de periode 1823 - 1885 vonden wijzigingen plaats. Op de kadastrale minuut uit 1885 is aan de noordzijde het jaagpad (het latere Westeinde) getekend, en er bevindt zich de eerste bebouwing op het uiterste punt van het gebied, aan de Kaap. Ook is het Vrouwenrak afgesneden. Met de komst van de stoomboten werd eerst het water tussen het Westeinde en het Vrouwenrak verbreed, zodat de stoomboten daar konden keren: in het begin konden deze namelijk nog niet door de Meppelersluis de stad in varen. Aan de restanten van het Vrouwenrak werd veel later scheepswerf De Kaap gevestigd. De verbreding van de zijtak van het Meppeler Diep vond haar vervolg in de periode tussen 1885 en 1911, want op de kadastrale minuut uit 1911 is dit water langs het Westeinde over de volle lengte aan de zuidkant verbreed om de scheepvaart te verbeteren.

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Luchfoto, 1926, Links de Schuttevaerhaven met daarin een grote hoeveelheid houten balken. Rechtsonder de zijtak van het Meppeler Diep. Links de tuin van het Stadsziekenhuisje met de rij tbc-huisjes. De straten in de Schuttevaer/ Concordiabuurt zijn nog niet aangelegd. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Kaap In de jaren ´80 van de 19de eeuw vond al een andere belangrijke ingreep plaats: de verbreding en de doorgraving van het Meppeler Diep over de Bult naar het Noordeinde, waardoor er een betere verbinding met de Drentsche Hoofdvaart ontstond, en het Oude

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

313

GEBIED 9

â&#x2014;&#x201E;


314

Flexus AWC


4 <Nationaal Archief>

Kadastrale minuut 1885 <Archief Gemeente Meppel>

◄◄

Kadastrale minuut 1911 <Archief Gemeente Meppel>

Kadastrale minuut 1948 <Archief Gemeente Meppel>

Diep als doorvaarroute zijn betekenis verloor. Ongeveer gelijk op werden op de kop van deze laatste doorgraving de Kaapbruggen gerealiseerd die het Westeinde met de zuidpunt van de Bult en vanaf hier de westoever verbonden. Het land tussen het Oude Diep en de verbinding met de Drentsche Hoofdvaart was op dat moment nog in gebruik bij boerderij De Bult die aan het Oude Diep gelegen was. Uiteindelijk zou dit hele gebied het industrieterrein De Bult worden. De Kaap met zijn oude draaibruggetjes en brugwachtershuisje was een geliefd tref- en communicatiepunt voor de inwoners van Meppel. Er was ook wel wat te zien en te beleven. Aan het einde van de 19de eeuw en het eerste kwart van de 20 ste eeuw bevond zich aan de Oude Diepzijde van de landtong een kleine scheepswerf, en op de hoek van het Meppeler Diep en het Oude Diep bevond zich een café. Wie wilde wandelen deed een ´rondje om de Kaap´ en liep over het jaagpad naar het noorden richting Galenkampsbrug om daar weer terug te lopen naar de stad. Het Meppeler Diep lag tot 1961 toen Koedijkslanden onderdeel werd van Meppeler grondgebied in de provincie Overijssel. Vandaar dat in de omgeving van de Kaapbruggetjes grenspaaltjes te vinden waren die de grens tussen Drenthe en Overijssel aangaven. In 1986 werden de oude Kaapbruggen vervangen door moderne ophaalbruggen die een bredere doorvaart en door herplaatsing een ruimere zwaaikom voor de schepen boden. Ook werd de oude brugwachterswoning vervangen door een nieuw brugwachtershuisje en werd een loopbrugje over de ingang van de Schuttevaerhaven gemaakt. Bij het plaatsen van de nieuwe Kaapbruggen in 1986 is de grenspaal (zijde Drenthe) toen ook achteruit gezet.

De Schuttevaerhaven en de omringende bebouwing In de tweede helft van de jaren ´20 van de 20ste eeuw werd het Oude Diep omgevormd door de noordverbinding met de Drentsche Hoofdvaart te dempen, en werd de Nieuwe Haven (ook wel Buitenhaven genoemd) gegraven door het Oude Diep te verbreden. Deze werd in 1928 geopend. In het Uitbreidingsplan van Meppel uit 1928 werd over de Nieuwe Haven in het verlengde van de Prins Hendrikstraat een draaibrug gepland die over de Bult en de Drentse Hoofdvaart heen een verbinding zou vormen met de westelijke stadsuitbreiding. De uitbreiding noch de brug zijn er gekomen; de nieuwe Prins Hendrikstraat wel (voor een tekening van de Buitenhaven en positie van de brug, zie gebiedsbeschrijving ‘t Meugien). Rond dezelfde periode als de Nieuwe Haven kwam de Schuttevaerhaven tot stand; deze werd in 1929 geopend. De omtreksvorm van de Schuttevaerhaven werd aan de noordzijde bepaald door de daar aanwezige kaveleigendommen en -grenzen.

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Kadastrale minuut 1823

De Schuttevaerhaven werd op kaartmateriaal uit het jaar 1928 nog de Balkenhaven Timmer genoemd. Deze naam verwees naar de houtzagerij die zich naar alle waarschijnlijkheid al vanaf de jaren ’30 van de 19de eeuw naast de Meppeler Sluis bevond. Het terrein van de houtzagerij besloeg in de periode van de jaren ‘20-’30 van de 20ste eeuw inmiddels een grote kavel in het zuidoostelijk gedeelte van het gebied. De Schuttevaerhaven vormde als groot balkengat een goede aanvulling op het al aanwezige kleine balkengat. Niet alleen de houtzagerij had met de Schuttevaerhaven een goede toevoermogelijkheid. Naast de houtzagerij bevond zich aan de haven ook een bouwmaterialenhandel. De bedrijven zouden niet lang plezier hebben van de nieuwe situatie. Timmer had rond 1930 gro-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

315

GEBIED 9

◄◄


316

Flexus AWC


4 ◄

Panorama van Meppeler Diep, Buitenhaven, Schuttevaerhaven, Bult en Westeinde, 1928 <Fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Westeinde, De Kaap, 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De nieuwe Kaapbruggen. Deze waren in 1986 gereed, 1986 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

te loodsen staan in de nabijheid van de Meppeler Sluis. Deze moesten verwijderd worden in verband met het Uitbreidingsplan, waarvan de te realiseren Schuttevaerstraat onderdeel uitmaakte en die noodzakelijk was als verbinding tussen de Kastanjelaan en de Prins Hendrikstraat. Aan deze straat werd ook woonbebouwing gepland en de gemeente kocht hiertoe terreinen aan. In vervolg hierop verdwenen de timmerfabriek en de bouwmaterialenhandel, en vond een herschikking van de locatie plaats. De sterk expanderende bouwmaterialenhandel NV Concordia kocht in 1933 een deel van Timmer´s terrein aan, ten westen van het oude Balkengat, aan de zuidkant van de Schuttevaerhaven. Voorwaarde voor aankoop door Concordia was dat de gemeente een straat zou aanleggen van de Meppelersluis naar het terrein, de huidige Concordiastraat. Zo geschiedde; in 1934 was alles klaar en verhuisde het bedrijf van de Zomerdijk naar de nieuwe vestigingslocatie. Het oostelijk gedeelte van het voormalige terrein van Timmer, oostelijk van het oude Balkengat, werd hierop bebouwd. Met particuliere woningbouw door eigenbouwers en met bouwinvesteringen van lokale aannemers ontstond een nieuwe stadsbuurt. Nog voor de woningen aan de Concordiastraat tot stand kwamen, was eind jaren ’20, begin jaren ’30 de bebouwing aan het noordelijk deel van de Schuttevaerstraat en de Prins Hendrikstraat al gereed. De woningen aan het zuidelijk deel van de Schuttevaerstraat en aan de Concordiastraat volgden hierop, nadat een deel van het oude Balkengat gedempt was, en de Meppelersluis en de nieuwe Sluisbrug en de weg gereed waren. De Schuttevaerhaven was uiteindelijk voor een groot gedeelte omzoomd met achtererven van de omringende woonhuizen en een rondgaand pad. De aansluiting op het water werd daar een met gras

begroeide wallenkant. De noordzijde van de Schuttevaerhaven kreeg een bestemming als aanleghaven voor (woon)scheepjes. In de jaren ’80 van de 20ste eeuw werd het belang van de Schuttevaerhaven voor de recreatievaart erkend. In 1985/1986 werden de kademuren van de Schuttevaerhaven gerenoveerd, waarbij dit Balkengat werd omgebouwd tot een jachthaven met drijvende steigers. Aan het eind van de 20e eeuw vonden nog andere ingrijpende veranderingen plaats die hun effect zouden hebben op het aanzicht van de haven. Bouwmaterialenhandel NV Concordia verliet haar terrein en verhuisde terug naar een locatie aan de Zomerdijk. Hiermee kwam een grote bouwlocatie vrij. Het terrein werd bouwrijp gemaakt, een nieuwe damwand langs de kade van de haven werd aangebracht, en er werd een nieuwbouwproject met semi-vrijstaande geschakelde woningen aan de haven en eengezinsrijenwoningen aan de zuidkant van de verlengde Concordiastraat gerealiseerd. Aan het Westeinde veranderde de situatie eveneens. Ook hier werd een semi-vrijstaande geschakelde woningrij geintroduceerd.

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Foto Meppelersluis, 1908, nog voor de nieuwbouw van de sluis, de brug bevindt zich nog aan de stadskant <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het Westeinde Het Westeinde veranderde met de bovenstaande nieuwbouw definitief over de volle lengte in een woongebied, als sluitstuk van een historische ontwikkeling. Het gebied was in eerste instantie boerenland met hierlangs een jaagpad, dat met de tijd transformeerde tot een weg. Aan de sluiszijde bevond zich de houtzagerij. Vanaf de Kaap groeide met de tijd een strook kleinschalige bebouwing aan naar het oosten. De introductie van het Uitbreidingsplan uit 1928, de nieuwe Meppelersluis en Schuttevaerstraat resulteerde wel in een nieuwe bebouwingsstrook vanaf de

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

317

GEBIED 9

◄◄


318

Flexus AWC


4

◄◄

Schuttevaerstraat, ansichtkaart, 1938 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Prins Hendrikstraat, 1932 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

‘t Hofje, 1945, toen nog voorzien van stalen vensters en een groen plantsoen <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

sluis richting het westen. Concordia kwam hiermee halverwege de jaren ’30 tussen twee bebouwingswanden te liggen: in het westen de woonbebouwing aan de Kaap, in het oosten de woningen uit het late Interbellum. Het bedrijf heeft hierna de industriële ´buiten´atmosfeer van het gebied nog voor een lange periode gehandhaafd. De eigendomssituatie aan het Westeinde weerspiegelde feitelijk ook het ‘buitengaats’ liggen van het gebied. De zijtak van het Meppeler Diep en het Westeinde zelf waren tot 1965 in eigendom, beheer en onderhoud bij het Rijk. Pas in 1965 bracht een raadsbesluit hierin verandering. De akte van de overeenkomst werd in 1972 gepasseerd en pas vanaf toen werden het water en de weg eigendom van de gemeente Meppel. Hiermee werd het ‘domesticeren’ van het gebied min of meer juridisch bestendigd, in het verlengde van eerdere beslissingen, zoals het verwijderen van het draaibruggetje in het Westeinde over het oude Balkengat in 1948, en het realiseren van een dam aldaar, en de sloop van twee woningen in de periode 1961 – 1963 om de verkeerssituatie bij de Sluisbrug te verbeteren. De gemeente besloot in overleg met het Rijk het Westeinde in het saneringsplan op te nemen (het gebied werd gevoegd in saneringsgebied D). In totaal werden er in de periode 1961 - 1982 voor de sanering aan het Westeinde 23 woningen afgebroken, waarvoor geen nieuwe woningen werden teruggebouwd. In 1986 kwamen belangrijke verbeteringen tot stand. In vervolg op het eerdere kadeherstel aan de Sluisgracht tijdens de Grachtenreconstructie, 1e fase (1983) werd langs het gehele Westeinde de begroeide oever vervangen door een stalen damwand die verder in het water kwam te staan. Hierdoor werd het Westeinde zelf breder en konden er parkeerplaatsen

worden gemaakt. Ook werd een riolering aangelegd, zodat er niet meer op het Meppeler Diep geloosd behoefde te worden. Hiernaast werden er bomen geplant en werd de verlichting aanmerkelijk verbeterd. Verder werden in de jaren ’80 voorzieningen voor de beroepsscheepvaart en de recreatievaart gemaakt, waaronder drijvende steigers, een boothelling een kampeerterrein en toiletgebouw en een gebouw van de havenmeester op de westpunt bij de Kaap. De Meppelersluis De gemeente besteedde in 1929 omvangrijke werken aan voor het maken van de nieuwe Meppeler Sluis (40 x 5,80 mtr) met een nieuwe brug, en het maken van stroomduikers met ophaalwerk (1,50 x 2,00 mtr) aan weerszijden van de sluis. De brug werd hierbij gerealiseerd op een andere locatie dan waar zij eerst aanwezig was, namelijk aan de Meppeler Diepkant in plaats van de stadskant, waardoor deze de Kastanjelaan met de Prins Hendrikstraat kon verbinden. Aan de noordkant van de sluis werd evenals aan de overkant, aan de Meester Harm Smeengekade de oude bebouwing vervangen door nieuwe particuliere woningen, ook hier met voortuinen. Deze nieuwe bebouwing zette zich voort langs het Westeinde, zoals al eerder vermeld. Zo treffen we de situatie tegenwoordig op hoofdlijnen ook aan. Het enige opvallende nieuwe element is het nieuwe kantoortje (met apparatuurruimte) voor de sluis- en brugwachter dat in 2008 in gebruik genomen is. Molen ´De Vlijt´ (gebouwd in 1859) aan de nabije Sluisgracht, in 2001-2002 van een nieuwe bovenkant, stelling en wieken voorzien, herinnert hier nog als laatste element aan het ´industriële´ karakter dat dit uitloopgebied van Meppel tijdens de tweede helft van de 19de eeuw had.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Luchtfoto gemaakt door KLM aerocarto van de Westeinde en omgeving. Duidelijk zijn het Meppeler Diep, het Balkengat, de bouwmaterialenhandel Concordia en de huizen aan de Schuttevaerstraat en Prins Hendrikstraat te zien, 1950 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

319

GEBIED 9

◄◄


Het oude Stadsziekenhuis/het Hofje Een bijzonder onderdeel van het gebied Schuttevaerstraat/ Concordiastraat vormt ‘t Hofje dat in het uiterste noorden van het gebied ligt, direct ten zuiden van de bebouwing aan de Havenstraat. De geschiedenis van de locatie is nauw verbonden met het daar gevestigde stadsziekenhuisje. Wie het nu nog bestaande pand Havenstraat 1 goed bekijkt ziet in de gevel nog heel dun het woord ‘Stadsziekenhuis’ staan. In 1882 werden de eerste plannen geboren om een nieuw ziekenhuis in Meppel te stichten als vervanging van de oude ziekeninrichting aan de Hagenstraat. De plannen verkregen in 1895 uiteindelijk gemeentelijke goedkeuring waarna met de bouw kon worden begonnen op het terrein het ‘Vergun’, aan de Havenstraat. Het nieuwe stadsziekenhuis was in het bezit van een grote achtertuin die in het begin van de 20ste eeuw het buitenverblijf voor de in het ziekenhuis verblijvende tuberculose-patiënten vormde. Hiertoe waren in de tuin naar de zon toe draaibare huisjes geplaatst. Eind jaren ‘20 van de 20ste eeuw kwamen er steeds meer klachten over het bij-de-tijd zijn van het gebouw, en een raadsonderzoekscommissie concludeerde 320

Flexus AWC

in 1926 dat het gemeenteziekenhuisje voor toekomstig gebruik ongeschikt was, en dat plannen tot aanleg van de Prins Hendrikstraat met omliggende bebouwing achter het ziekenhuis een onaanvaardbare onrust zou geven. De commissie stelde dat een plaats als Meppel niet zonder een goed ziekenhuis kon, en pleitte voor een nieuw te bouwen ziekenhuis met ongeveer 25 bedden. Meppeler artsen sloten zich hierbij aan waarop met behulp van collectes in de kerk en met steun van buitenkerkse begunstigers een diaconessenhuis gesticht werd aan de oostzijde van de spoorbaan. Het nieuwe Diaconessenhuis werd op 3 mei 1937 geopend. Nog voordat dit gebouw geopend werd, werd al besloten de tuin van het oude ziekenhuis te bestemmen als bouwterrein. Hier werd ‘t Hofje gebouwd voor alleenstaande ouden van dagen met 20 woningen. Dit als kopie van precies een zelfde hofje in Groningen. ‘t Hofje werd gerealiseerd in dezelfde periode als de bejaardenwoningen van de Remonstrantse Kerk aan de Leonard Springerlaan. Het complexje is gerenoveerd, en wordt tegenwoordig vooral door jongeren bewoond.


4 Bouwen in Meppel>

Zakelijk Expressionisme De architectuur van de particuliere woningen in het gebied wordt voor het overgrote gedeelte gekenmerkt door de Zakelijk Expressionistische stijlopvatting. Veel reguliere architectuur werd in de jaren â&#x20AC;&#x2122;30 in deze stijl gerealiseerd. Het naoorlogse project op het Concordiaterrein vormt met zijn laat 20ste eeuwse plastische architectuur hierop een uitzondering. Bronnen <Nefkens, Jan W.M., Restanten van kasteel de Kinkhorst gevonden, kwartaalblad Oud Meppel, 2002 244, blz 11-13> <Lakke, Arnold e.a., Concordia N.V. Bouwmaterialen en Houthandel, kwartaalblad Oud Meppel, 1996 174, blz 23-27> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Jansen, Herman, Stadsziekenhuis, kwartaalblad Oud Meppel, 1986, 08-3, pag 9-23> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Stichting Historie in Perspectief, Meppel, 2001> <Stichting Drents Plateau, Gerding, dr. M.A.W. e.a., Het Erfgoed van de gemeente Meppel, Assen 2005> <ter Heide, R, Breken en Bouwen in Meppel 19451990, sanering en vernieuwing binnenstad , Meppel 1991 (uitgave door Krips Repro Meppel en Stichting Oud Meppel)> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Saneringsplan <Breken en

321

GEBIED 9

â&#x2014;&#x201E;


Gebied 9 Schuttevaerstraat / Concordiastraat

Legenda

322

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Het gebied bestaat uit vier (kleine) delen: - het gedeelte dat geheel in de jaren ‘30 is bebouwd, langs de Schuttevaerstraat, het oostelijk deel van de Concordiastraat en de Prins Hendrikstraat (inclusief het Hofje), - het deel uit het begin van de 21ste eeuw, op het voormalige terrein van bouwmaterialenfabriek Concordia, - de meest westelijke punt van de ‘Concordia-landtong’, waar eind-19de eeuwse en Interbellum-

De oudere delen van de buurt zijn een menging van twee-onder-een-kappers en individuele vrijstaande woningen, waarbij alle woningen en twee-ondereen-kappers vrijstaand van elkaar zijn gebouwd, maar met een smalle tussenruimte ter breedte van een gang waar zich de ontsluiting van de achtererven bevindt, zoals overigens kenmerkend is voor heel Meppel. Alleen de woningen tussen de Concordiastraat, Westeinde en Schuttevaerstraat en de woningen tussen de Schuttevaerstraat, de Sluisgracht en Prins Hendrikstraat vormen volledige bouwblokken (waarbij woningen een binnenterrein, bestaande uit achtertuinen, aan alle kanten volledig omsluiten); de andere woningen zijn zelfstandige rijen en vormen geen bouwblokken waardoor de achterkanten aan de openbare ruimte of aan het water grenzen. De nieuwbouw op het voormalige terrein van Concordia is in drie stroken gebouwd, waarbij de koppen zijn opengelaten. Opmerkelijk zijn verder de twee punten van de ‘Kaap’, aan het eind van het Westeinde, die groen en onbebouwd is, en de kleine landtong aan het einde van de Prins Hendrikstraat, waar nu nog de laatste restanten (werkplaatsen) te vinden zijn van het vroege industriële verleden van deze buurt. Het Hofje tenslotte is een sociaal woningbouwproject uit de jaren ’30, dat een solitaire positie heeft en afgezonderd is van de Prins Hendrikstraat.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

De buurt ligt aan drie zijden ingeklemd door water: aan de westzijde door de Nieuwe Haven, aan de zuidzijde door de oostelijke zijtak van het Meppeler Diep en aan de oostzijde door de sluis en Sluisgracht. De rij bebouwing langs de Sluisgracht behoort niet tot dit gebied, maar wordt gerekend tot de historische binnenstad. De Schuttevaerhaven steekt vanaf de Nieuwe Haven in dit gebied en deelt het in twee helften. Hoewel de Schuttevaerhaven midden in het gebied ligt en de drie ontsluitingsstraten, Schuttevaerstraat, Prins Hendrikstraat en Concordiastraat de haven omsluiten, is de haven niettemin niet het stedenbouwkundige hart van deze buurt: slechts op twee plekken bevindt zich een openbare weg langs de haven, en langs het gehele water liggen de woningen met hun achtertuin naar de openbare weg en de haven gekeerd. Dit is een herinnering aan het industriële verleden, waarbij de woningen hun representatieve voorzijde niet naar het water, maar naar de nette ontsluitingsweg aan de andere kant hadden gekeerd. Deze opzet geeft deze haven nog altijd een sterk informele sfeer, die versterkt wordt door de boten van de jachthaven.

bebouwing langs het Westeinde overgaat in een parkje aan de kop van de landtong, - en uiteindelijk de noordelijke punt aan het einde van de Prins Hendrikstraat, ter plaatse van voormalig bouwmateriaalhandel Van der Kamp.

323

GEBIED 9

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


324

Flexus AWC


4

◄◄

Concordiastraat

Prins Hendrikstraat

Schuttevaerhaven, nieuwbouwwoningen

Openbare ruimte De straatprofielen van de vooroorlogse delen zijn kenmerkend voor het Interbellum in Meppel: blokjes individuele of twee geschakelde woningen van één of twee lagen plus (hoge) kap, in een regelmatige rooilijn en op gelijke afstand van elkaar geplaatst, waarbij een ondiepe voortuin een groene overgang vormt met de openbare ruimte. De ruime straatbreedtes, de voortuinen en de lage kapvoet geven deze straten extra lucht en ruimtelijkheid. Bomen staan doorgaans niet in de openbare ruimte, maar in de individuele voortuinen, waardoor ten gevolge van het ontbreken van een structurerende groenstructuur de samenhang in de buurt sterk afhankelijk wordt van de stedenbouwkundige en vooral ook de architectonische coherentie. Aangezien dit laatste in deze buurt erg hoog is, levert het gebrek aan openbaar groen geen problemen op. Daar waar vooral de achterkant van de woningen aan de openbare ruimte grenst – aan de Schuttevaershaven – is eenduidig openbaar groen echter belangrijk om de kwaliteit van de openbare ruimte te waarborgen. Op enkele plaatsen staan er ook bomen aan het water, maar het overgrote deel van de oevers wordt in beslag genomen door parkeerplaatsen. Aan het Westeinde daarentegen is de ruimtelijke kwaliteit wel hoog. Hier is een regelmatige rij bomen langs een looppad direct langs het water geplaatst, waardoor de verbinding tussen weg en water wordt versterkt.

Bebouwing en architectuur De vooroorlogse delen van de buurt bestaan vrijwel uitsluitend uit twee-onder-een-kappers en vrijstaande individuele woningen, waarbij de twee-onder-eenkappers voorzien zijn van twee lagen plus lage kap,

en de individuele woningen voorzien zijn van één laag plus hoge kap (van twee verdiepingen). Kappen spelen in de gehele buurt een prominente rol in de architectonische uitdrukking, en hebben bovendien een prominente stedenbouwkundige rol, omdat zij ruimte scheppen tussen de woningen en het profiel van de straat ruimer maken. De Zakelijk Expressionistische architectuur, die hier veruit overheersend is, is vrij plastisch, dat wil zeggen niet geheel vlak, maar met in- en uitspringende gebouw- of geveldelen, zoals erkers, balkonterrassen, vooruitspringende entreepartijen en zo meer. Bruine of rode baksteen als hoofdmateriaal en hout als toegevoegd materiaal in combinatie met de ambachtelijke afwerking, het gebruik van aardtinten en de kappen met dakpannen, verlenen de architectuur een vriendelijke uitdrukking. Opvallend aan delen van de buurt die in de vooroorlogse periode tot stand gekomen zijn, is dat er nergens over grote lengte sprake is van repetitie van architectuur. De buurt kent daarentegen een aangename ‘eenheid in verscheidenheid’, met een onregelmatige afwisseling tussen individuele woningen en twee-onder-een-kappers en tussen verschillende architectuurontwerpen. De kwaliteit van de architectuur in deze buurt is gemiddeld. De architectonische coherentie en de sterke vormverwantschap tussen de woningbouw verleent deze buurt niettemin een welgesteld karakter. Van de historische industriële bebouwing in dit gebied is helaas niets meer over, behalve een enkele loods op de uiterste zuidpunt van de Prins Hendrikkade. Hiernaast staat nog een zorgvuldig vormgegeven industriële hal uit de naoorlogse jaren met een geïntegreerde woning. Deze restanten van de geschiedenis van dit gebied kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de identiteit van het gebied als geheel.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Schuttevaerhaven

325

GEBIED 9

◄◄


326

Flexus AWC


4 Schuttevaerstraat

Transformaties en aantastingen

Waardering

De nieuwe bebouwing ter plaatse van het oude Concordiaterrein sluit aan bij de plasticiteit en ‘zachte’ uitdrukking van de interbellumarchitectuur, is (ten dele) eveneens vrijstaand, maar veel repetitiever. Vooral vanaf de Schuttevaerhaven valt deze repetitie van precies dezelfde woongebouwen in deze buurt enigszins uit de toon. Het gebouw van het Wellnesscentre Meppel aan de Prins Hendrikstraat is vanwege zijn afwijkende volume en architectuur niet meer in dit gebied ingedeeld, maar is ruimtelijk wel direct gekoppeld aan de Prins Hendrikstraat. Het gebouw poogt op geen enkele wijze aan te sluiten op de karakteristieken van de buurt en kan stedenbouwkundig zowel als architectonisch worden beschouwd als een inbreuk op de buurt. De renovatie van ’t Hofje, het eerste bejaardenwoningenproject van Meppel uit 1939, heeft aan dit complex in architectonisch opzicht veel schade berokkend. Ook de invulling van de hof met parkeerplaatsen is ten opzichte van de oorspronkelijke plantsoenachtige aanleg een sterke achteruitgang.

Het vooroorlogse deel van dit deelgebied heeft een gemiddelde cultuurhistorische waarde. De cultuurhistorische waarden van deze buurt zijn gemiddeld, met als aantekening dat: • binnen deze buurt de nieuwbouwen aan de Concordiastraat tussen Schuttevaer haven en Westeinde een cultuur historische basiswaardering heeft; deze zijn van recente datum • het gebouw van het Wellnesscentre Meppel niet bij het gebied ingedeeld is vanwege zijn afwijkende volume en architectuur; deze sluit niettemin direct aan op het gebied en doet afbreuk aan de kwaliteit van de buurt.

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Sluisbrug, met zicht op Schuttevaerstraat

Het gebied heeft een hoge historisch-maatschappelijke waarde. Het gebied is een goed voorbeeld van een interbellum-uitleg voor de gegoede middenstand, maar hiervan zijn er meerdere. Het gebied heeft niettemin een bijzondere betekenis in de ontwikkelingsgeschiedenis van Meppel. De Schuttevaerhaven heeft een rol gespeeld in de industriële geschiedenis van Meppel, en het Westeinde was al lange tijd een informeel recreatief gebied voor de Meppeler bevoking. De historisch-stedenbouwkundige waarde van deze buurt is basis. De stedenbouwkundige oplossingen zijn verantwoord en kenmerkend voor de ontstaanstijd, maar er is niet gestreefd naar een bijzonder stedenbouwkundig patroon, met monumentale accenten of bijzondere

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

327

GEBIED 9

◄◄


328

Flexus AWC


4 Westeinde

straatprofielen. Ook de ligging aan de Schuttevaerhaven is stedenbouwkundig niet uitgebuit. De architectonische samenhang tussen de interbellum-bebouwing is wel van een hoge historisch-stedenbouwkundige waarde. De historisch-architectonische waarden in deze buurt zijn gemiddeld, omdat de architectuur verzorgd is en karakteristiek voor interbellumarchitectuur in Meppel, maar er hoofdzakelijk sprake is van de sobere, zakelijke variant van het expressionisme van de jaren ’30. ‘t Hofje heeft een bijzondere betekenis voor Meppel, omdat het hier om een van de eerste complexmatig opgezette bejaardenwoningen van Meppel gaat. De opzet van ‘t Hofje is in essentie stedenbouwkundig en architectonisch van gemiddelde waarde. De renovatie heeft deze waarde echter sterk aangetast. De resterende industriële gebouwen langs de Prins Hendrikkade zijn van gemiddelde cultuurhistorische waarde. Deze zijn op zichzelf typologisch noch architectonisch van bijzondere waarde, maar vormen niettemin nog de laatste gebouwde verwijzingen van het industriële verleden van deze hoek van de stad.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

SCHUTTEVAERSTRAAT / CONCORDIASTRAAT

Industriehal zuidpunt Prins Hendrikkade

Gaafheid: Het vooroorlogse deel van deze buurt is zeer gaaf bewaard gebleven, zowel in hoofdopzet als in architectonische detaillering. Zeldzaamheid: een dergelijke Interbellumbuurt rondom een haven is een zeldzaamheid in Drenthe.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

329

GEBIED 9

◄◄


330

Flexus AWC


10

Indische buurt west

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Indische Buurt West is een stads tuindorp uit de jaren ’30. De buurt vormt tezamen met het Prinses Beatrixplantsoen de eerste buurt in Meppel die op basis van een coherent stedenbouwkundig plan met een formele planuitleg tot stand gekomen is. Wat dit laatste aspect betreft zijn zij de opvolgers van de Oude Indische Buurt. Deze buurt is echter in een keer gerealiseerd; bovendien was hier sprake van realisatie door een woningbouwvereniging. In de Indische Buurt West zijn de woningen gerealiseerd door particulieren en door lokale aannemers (als bouwinvesteringsobject), aangevuld met een enkel project van de Meppeler bouwvereniging aan de Floresstraat, Timorstraat en Noteboomstraat. De periode waarin de buurt tot stand kwam, is globaal van 1936 tot net na de Tweede Wereldoorlog, min of meer gelijk op met het Prinses Beatrixplantsoen. Een formele stedenbouwkundige structuur De basis voor het plan van de Indische Buurt West vormde het Uitbreidingsplan van Meppel van stadsarchitect Monsma dat in 1928 door de gemeenteraad aangenomen werd. Monsma had hierin een uitgesproken basislayout voor de buurt vastgelegd. Aan de noordzijde werd de buurt begrensd door de nieuw aan te leggen Ceintuurbaan die in de periode 1930 – 1935 tot stand kwam, en die als een soort van ringweg alle nieuwe uitbreidingen in het noorden van Meppel ontsloot en verbond met de zuidelijke en westelijke delen van de gemeente. Vanaf deze ringweg, die het reeds bestaande tracé van de tramlijn Meppel – Hoogersmilde volgde, werd een buurtont-

sluitingsweg (de huidige Pelikaanstraat) ontworpen die noord-zuid gekoppeld werd aan de Hoofdstraat, waarvoor ter plaatse van de Kruisstraat een pand gesloopt zou moeten worden. Een tweede buurtontsluitingsweg in het plan vormde de Soembastraat die, evenwijdig aan de Voorstraat, doodliep op de Noteboomstraat. Een koppeling aan de wegstructuur in de Voorstraatbuurt vond plaats ter hoogte van het Javaplein. Hiertoe introduceerde Monsma de latere Ambonstraat, met hieraan als vanzelfsprekende planfiguur, en als oplossing van de verschillende richtingen in het gebied, een groot driehoekig plantsoen. Met de toepassing van een centraal plantsoen stond de Indische Buurt West niet alleen. Ook in de nieuwe Beatrix- en Ezingebuurt introduceerde het Uitbreidingsplan plantsoenen, die in alle gevallen voorzien zouden moeten worden van een kinderspeelplaats. Uiteindelijk heeft de doorbraak naar de Kruisstraat om onbekende redenen niet plaatsgevonden. Vermoedelijk heeft de naoorlogse keuze de Hoofdstraat tot voetgangersgebied te bestemmen hierbij een rol gespeeld. Uiteindelijk is tijdens de saneringsperiode de Soembastraat wel doorgezet richting Binnenstad. Deze is toen middels de Synagogestraat verbonden met de Wheem. Op de plaats in de Indische Buurt West waar de Pelikaanstraat de Floresstraat had moeten kruisen, is later een woning gerealiseerd.

INDISCHE BUURT WEST

Soembastraat gezien in de richting van het Centrum. Uit een serie foto’s van de aardrijkskundeleraar en amateurfotograaf Andries van Gelder, 1934 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De formele structuur van de buurt is niet wezenlijk bepaald door de eigendomskavels in het vooraf hier aanwezige landelijk gebied. Eigenlijk is het voornamelijk de wens een formele stedenbouwkundige layout te realiseren en een functioneel ontsluitings-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

331

GEBIED 10


332

Flexus AWC


4

Ambonstraat, 1928, ansichtkaart <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Ambonstraat rond 1940 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Ambonstraat hoek Pelikaanstraat, 1936 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Pelikaanstraat, het pleintje ter plaatse van de kruising met de Ambonstraat was anno 1930 nog voorzien van een grasveldje, 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

wegenplan die bepalend geweest is voor het ontwerp. Dit was een typisch kenmerk van de periode van het Interbellum waarin gemeenten, in het verlengde van de Woningwet, in staat werden gesteld sterker te gaan sturen op het gebied van de stadsuitbreidingen. Alleen de eigenwijze knik in de Ceintuurbaan, op de kop van de Soembastraat en de positie van de reeds gerealiseerde buurten in de omgeving (Voorstraatbuurt, Oude Indische Buurt) was feitelijk het gevolg van de oorspronkelijke landelijke eigendomskavels. Het oorspronkelijke Jufferenpad naar Rechteren, die de Voorstraatbuurt begrensde verdween met de bouw van de woningen aan de Soembastraat. Ofschoon het stedenbouwkundig plan formeel vormgegeven is, was er geen sprake van een nadrukkelijke architectonische verbijzondering op bijzondere locaties in de stedenbouwkundige structuur (pleinen, kruisingen). Dit laatste vermoedelijk omdat de realisatie middels – veelal kleinschalige – particuliere initiatieven dit eenvoudigweg onmogelijk maakte. Wel werd ervoor

gekozen de meest monumentale bouwvolumes met grote twee-onder-een kappers aan de Ceintuurbaan te realiseren. Deze woningen zijn de enige woningen in de buurt die voorzien zijn van grijze gesmoorde pannen. De woningen van het woningencomplex van de Meppeler Bouwvereniging (nu Woonconcept) aan de Flores-, Timor- en Noteboomstraat hebben een prominenter locatie gekregen dan oorspronkelijk de bedoeling was, in verband met de naoorlogse doorbraak van de Noteboomstraat en de realisatie van het Slotplantsoen aldaar. Feitelijk bestond de buurt alleen uit woningbouw. De enige uitzondering hierop vormde een gebouw in gebruik bij een drukkerij op de hoek van de Timor- en Soembastraat.

INDISCHE BUURT WEST

◄◄

Uitsnede uit Uitbreidingsplan 1928 <Archief Gemeente Meppel>

Een woningbouwbuurt met voorzieningen voor kinderen De Indische Buurt West werd voorzien van de eerste kinderspeeltuin in Meppel. Deze bevond en bevindt zich nog steeds ter plaatse van het driehoekige plantsoen aan de Ambonstraat. De speeltuin werd in 1932 officieel door de gemeente aan het speeltuinbestuur, de ‘SpeeltuinvereniCultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

333

GEBIED 10

Kadastrale minuut 1911 <Archief Gemeente Meppel>


334

Flexus AWC


4 ◄

De Pelikaanstraat, 1935 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

De Floresstraat rond 1939 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Eendrachtsstraat, Ambonstraat, 1939 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

ging Meppel’ overgedragen. Ook werd de eerste Meppeler kleuterschool in 1934 in de buurt gebouwd aan de Pelikaanstraat. De kleuterschool was de opvolger van de bewaarschool. Tot die tijd waren in Meppel voor kleuters enkel particuliere bewaarscholen actief, de algemene bewaarschool in de Grote Oeverstraat en een hervormde bewaarschool in de Kroeshoek (ter plaatse van de huidige Weteringdwarsstraat). De gemeente wenste in de jaren ’30 niet tot stichting van een gemeentelijke kleuterschool over te gaan maar was bereid een particuliere school voor voorbereidend lager onderwijs met financiële middelen te ondersteunen waarop een ‘Vereeniging tot instandhouding van kleuterscholen te Meppel’ opgericht werd en kleuterscholen op particuliere basis ontstonden. Het schooltje werd in 1952 verrijkt met een uniek overdekt zandlokaal. Zakelijk Expressionisme De woningen in de buurt zijn practisch zonder uitzondering gerealiseerd in Zakelijk Expressionistische architectuur, de architectuurstijl die kenmerkend is geweest voor de periode van de jaren ’30. Hierdoor kent de buurt een coherent totaalbeeld. De architectuur is eenvoudig, met lichte uitzondering van de Soembastraat, waar de architectuur zich iets gevarieerder en rijker toont, mede door de veelvuldig voorkomende tweelingpanden met hun topgevels.

INDISCHE BUURT WEST

De eerste Meppeler kleuterschool - de opvolger van de bewaarschool - werd in 1934 gebouwd aan de Pelikaanstraat, 1960 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Bronnen <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, Uitgeverij Boom/Uitgeverij Ten Brink, 1999> <http://www.oudmeppel.nl> Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

335

GEBIED 10

◄◄


Gebied 10 Indische buurt west

Legenda

336

Flexus AWC


De Indische Buurt West is een woonbuurt die is aangelegd in de jaren ’30 met een geheel eigen en herkenbaar stedenbouwkundig grondplan, waarin motieven verwerkt zijn die kenmerkend zijn voor het Interbellum. In die jaren trachtten ontwerpers woningbouw te systematiseren en de stedenbouwkundige opzet van woonbuurten aan hogere standaarden van woonkwaliteit te laten voldoen, zoals voldoende lucht en ruimte. Ondanks het repetitieve karakter van de buurten werd door ontwerpers uitdrukkelijk getracht toch een zeker cachet aan de buurten te geven – ook voor lagere inkomensgroepen – onder andere door hierin eigentijdse interpretaties te verwerken van hoog gewaarde stedenbouwkundige thema’s uit historische steden, zoals besloten pleinen, plantsoenen, monumenten op assen, draaiingen van straten, beslotenheid van het straatbeeld, monumentale randen, en zo meer. Enkele elementen daarvan zijn ook in het ontwerp van deze buurt verwerkt. Indische Buurt West is een woonbuurt die ingeklemd ligt tussen de doorgaande straten van de Soembastraat, de Ceintuurbaan en de Noteboomstraat. Behalve langs de Noteboomstraat en een deel van de Eendrachtstraat zijn de randen van de buurt niet zomaar een voortzetting van het patroon van de buurt zelf, maar deze hebben een eigen uitdrukking. Dit is zeker het geval voor de rand langs de Ceintuurbaan. Hierlangs zijn de twee-ondereen-kappers en de villa’s te vinden die het gezicht van de buurt naar buiten moeten bepalen. Het hart van de buurt bestaat uit een driehoekig plantsoen (Ambonstraat), waaromheen eenvoudige rijenwoningen in korte blokjes van 4 woningen zijn gegroepeerd. In het gebied tussen de Ambonstraat en de Noteboomstraat liggen enkele straten met blokjes

van 2, 3 of 4 woningen. Een enkel blok is langer. De korte maat van de blokjes geeft de straatwanden een minder monotoon karakter en verleent aan de woningen meer individualiteit. Net als het plantsoen was ook het ruitvormige plein op de kruising van de Pelikaan- en Ambonstraat bedoeld als een monumentaal accent in de buurt. Dit is echter door de inconsequente hoekinvullingen niet geslaagd. Hoekverdraaiingen maken deel uit van het grondplan van deze buurt, maar het zijn er slechts enkele. De meeste straten zijn lineair uitgevoerd. De bouwblokken in de buurt zijn doorgaans langwerpig en relatief ondiep. De bouwblokken zijn aan alle kanten bebouwd, en vormen een interbellum-interpretatie van een gesloten bouwblok, d.w.z. wat betreft volledige omsluiting van het binnenterrein. De smalle ruimtes tussen de woonblokjes maakt deze bouwblokken semi-transparant. Opvallend is dat er geen monumentale of verbijzonderde hoekoplossingen in de buurt te vinden zijn, zoals zo vaak voorkomt in interbellumwijken. Gebouwen gaan meestal niet de hoek om. Er bevinden zich geen openbare of semi-openbare ruimten in het binnenterrein; alle binnenterreinen zijn opgedeeld in private tuinen. De enige uitzondering hierop vormde een collectieve ruimte achter het blok Noteboomstraat/ Floresstraat/ Timorstraat. Het is onduidelijk wanneer dit omgevormd is tot privétuinen. Een bijzonder element van de buurt is dat bij veel woningen het achtererf niet middels een lange gemeenschappelijke achtergang in het binnengebied bereikbaar is, maar dat deze middels door buren gedeelde gangen ontsloten worden, vanaf het voorerf. Alle woningen hebben ondiepe voortuinen en grenzen derhalve niet direct aan de straat, zij zijn alle wel individueel via de voortuin ontsloten vanaf de straat.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

INDISCHE BUURT WEST

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

337

GEBIED 10

Ruimtelijke beschrijving en waardering


338

Flexus AWC


4 Soembastraat

Opvallend is dat er nauwelijks hiërarchie zit tussen de straten; vrijwel alle straten hebben een soortgelijk profiel. De stedenbouwkundige en architectonische coherentie in de buurt is erg groot, met name door het feit dat er slechts een zeer beperkt aantal gebouwen uit verschillende bouwperioden voorkomen. Het plantsoen is als speelplaats vormgegeven. Bij de aanleg was dit plantsoen al een kinderspeelplaats.

Openbare ruimte

◄◄

Soembastraat, tweelingpanden met topgevels

De profielen van deze buurt zijn ontspannen en groen, als gevolg van de voortuinen met hagen aan beide zijden van de straten. Opvallend is dat het aantal bomen in de openbare ruimte vrij gering is; het groene karakter dat de buurt desondanks uitstraalt is voor een belangrijk deel toe te schrijven aan de vaak weelderig groene aankleding van de voortuinen. Voor het karakter van deze buurt is dit vrij essentieel.

Bebouwing en architectuur ◄

Ambonstraat

Niet alleen stedenbouwkundig, ook wat betreft bebouwingstypologie en architectuur is de buurt erg coherent. Geschakelde eengezinswoningen van één laag plus hoge kap, of twee lagen plus flauwe kap (schildkap) wisselen elkaar af. Twee lagen met een hoge kap komen niet voor, net zomin als één laag met een flauwe kap. Door deze consequente combinatie van het aantal lagen met een bepaalde hoogte en hellingshoek van de kap is de gemiddelde bebouwingshoogte in de buurt zeer gelijkmatig. Het prominente gebruik van volledige kappen (dus niet afgeplat aan de bovenzijde), meestal met oranje dakpannen, is één van de belangrijkste bebouwingskarakteristieken van deze buurt. Dit was een belang-

rijk architectonisch expressiemiddel van Interbellumarchitectuur; waarmee de huiselijkheid van de woongebouwen werd benadrukt. Hoewel de meeste woningen een kap parallel aan de straat hebben, zijn er ook straatwanden waar ‘dwarskappen’ (topgevels aan de straat) en ‘langskappen’ elkaar afwisselen, vooral in de Soembastraat. Elders in de buurt komt dit minder voor. De architectuur van de buurt is in zijn algemeenheid sober en opvallend zakelijk voor de periode van het Interbellum, en heeft zeer weinig verbijzonderde of expressieve architectonische elementen aan gevels of dak. Alleen de Soembastraat met o.a. haar tweelingpanden wijkt hiervan af. De architectuur is hier individueler, afwisselender en rijker uitgevoerd, hoewel in zijn algemeenheid nog steeds vrij zakelijk.

Transformaties en aantastingen De buurt kent weinig stedenbouwkundige aantastingen. Ook de architectuur is nog redelijk gaaf. Alleen het plantsoen is niet meer in oorspronkelijke staat. Aan de zuidzijde van de wijk bevindt zich ter plaatse van de saneringsdoorbraak bij de Noteboomstraat een gebouw van een drukkerij die qua ligging niet harmonieert met de structuur van de buurt. De nieuwe gebouwen doen qua architectuur geen zware afbreuk aan de buurt. Wel is ten gevolge van het particuliere bezit van de woningen op het gebied van de deuren en kozijnen het nodige gewijzigd, wat afbreuk doet aan de coherentie van de architectuureenheden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

INDISCHE BUURT WEST

Noteboomstraat

339

GEBIED 10

◄◄


340

Flexus AWC


4 Timorstraat

Waardering De historisch-maatschappelijke waarde is gemiddeld: de buurt is geen bijzondere representant van een voor Meppel belangwekkende maatschappelijke, economische, politieke of stedenbouwkundige ontwikkeling, maar illustreert wel hoe er gedacht werd over huisvesting van de kleine-middenstand en gegoede middenstand in het Interbellum. Deze plaats deelt zij met de andere buurten in Meppel uit deze periode. De historisch-stedenbouwkundige waarden zijn gemiddeld. Er zijn weinig bijzondere stedenbouwkundige figuren en de afstemming tussen architectuur en stedenbouw is niet uitgesproken. De buurt heeft wel een hoge architectonische coherentie. Dit is een belangrijke stedenbouwkundige kwaliteit. De ensemblekwaliteiten zijn hoog: de gehele buurt kent dezelfde stedenbouwkundige figuren en tegenoverliggende straatwanden hebben vaak dezelfde of sterk gelijkende architectuur. De historisch-architectonische kwaliteiten zijn gemiddeld: de architectuur is typisch voor het Interbellum, maar is vrij basaal ontworpen. De gebruikelijke architectonische middelen uit die jaren, die deze architectuur zijn aantrekkelijkheid geven (vooral de kozijnen en deuren) zijn deels bewaard, maar ook deels weggerenoveerd. De architectuur aan de Soembastraat is iets rijker uitgevoerd.

De buurt is als geheel op stedenbouwkundig niveau gaaf gebleven. De gaafheid van de architectuur is met de vervanging van de kozijnen en deuren enigszins aangetast. De buurt heeft - vanuit strikt cultuurhistorisch oogpunt bezien in vergelijking met buurten die in Nederland in dezelfde periode gerealiseerd zijn - een gemiddelde waarde. Zij is echter na heroverweging toch hoog gewaardeerd omdat zij vanuit Meppels perspectief - o.a. door de grootschalige planfiguur van het driehoekige plein ter plaatse van de Ambonstraat - als een stedenbouwkundig waardevol en daarmee maatschappelijk hoog gewaardeerd gebied beschouwd wordt.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

INDISCHE BUURT WEST

Ambonstraat

341

GEBIED 10

◄◄


342

Flexus AWC


11 Commissaris de Vos van Steenwijklaan

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Commissaris de Vos van Steenwijklaan is een van de oudste uitvalswegen van Meppel, de weg naar Tweeloo en Ruinerwold en heeft vele benamingen gekend: Woldweg, Woldstraat, Weg van Meppel naar Ruinerwold, Weg naar Ruinerwold, Straatweg naar Ruinerwold, Ruinerwoldsche weg. De hoofduitvalsweg naar Ruinerwold De Ruinerwoldseweg was al lange tijd de uitvalsroute vanuit Meppel naar het Noordoosten. Deze werd in de eerste helft van de 19de eeuw (1813) verhard, in dezelfde periode dat in het zuiden van de gemeente de Staphorsterweg aangelegd werd (1829). Beide wegen waren vanaf dat moment verharde straatwegen die het verkeer vanuit Meppel naar de directe en wijdere omgeving vereenvoudigden. Op de kadastrale minuut uit 1823 is te zien dat er in het eerste kwart van de 19de eeuw nog geen sprake was van bebouwing langs de weg, en ook in 1911 (zie de kadastrale minuut uit dat jaar) was er nog geen enkele bebouwing ten noorden van de huidige Ceintuurbaan te vinden. De enige uitzondering hierop vormde het niet aan de weg gelegen Rechteren. De weg maakte ter plaatse van de brug over de Wold Aa bij de Wolddijk oorspronkelijk een bocht. Bestudering van de kadastrale minuutplannen leert dat langs de westzijde van de straatweg in 1911 nog een sloot liep, de zogenaamde Poele, die tot halverwege de weg liep en die vanaf daar met een een bocht van 90 graden oostwaarts liep richting de Oosterboer. Deze sloot was daar bekend als Brandemaatsloot en verzorgde de ontwatering van een deel van de Oos-

terboer. Om in Tweeloo aan te komen moest men dus twee bruggen passeren. Eén over deze oosttak van de Poele ter hoogte van de huidige Blankensteinweg, en één over de Wold Aa. Groei in de tijd Het ontstaan van bebouwing langs de Ruinerwoldseweg, de latere Commissaris de Vos van Steenwijklaan startte vanaf de Binnenstad. De eerste bebouwing presenteerde zich ter hoogte van het kruispunt met de Ceintuurbaan, die overigens op dat moment als ringweg nog niet aanwezig was, maar een kort stuk straat was, Balistraat geheten, en gelegen ten zuidwesten van de Oude Indische Buurt die in 1919 gerealiseerd werd. Bij de aankoop in 1916 door de Meppeler Bouwvereniging van de agrarische kavel waarop deze buurt gebouwd werd, werd vergunning tot het dempen en rioleren van de Brandemaatsloot en de Poele verleend door Gedeputeerde Staten. Het is niet ondenkbaar dat de demping van de Poele gelijk met de realisatie van de Oude Indische Buurt heeft plaatsgevonden. In 1923 was op de locatie van de sloot in ieder geval een nieuw project met 22 woningwet-rijenwoningen van de Meppeler Bouwvereniging gebouwd die vóór de bebouwing van de Oude Indische Buurt aan de Ruinerwoldseweg geplaatst was, en waarvan de voortuinen waarschijnlijk op de plek van de voormalige sloot liggen. Aan de overzijde van de weg zag het ruimtelijk beeld er anders uit. Hier bevond zich in dat jaar al lintbebouwing met een verkaveling die het directe resultaat was van het splitsen van agrarische eigendommen langs de weg.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Comm. de Vos van Steenwijklaan, woningen Meppeler Woning Stichting (22 stuks). Briefkaart met titel “Ruinerwoldscheweg”, 1921 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

343

GEBIED 11

◄◄


344

Flexus AWC


4 ◄

Kaart 1948, kadastrale minuut; hierop een duidelijk beeld van de aan de wegen gerealiseerde bebouwing <Archief Gemeente Meppel>

◄◄◄

Kadastrale minuut 1911, met hierop aangegeven de Brandemaatsloot; zie ook de positie van de Allee, en het ontstaan van het kruispunt Burgemeester Knopperslaan - Ruinerwoldseweg <Archief Gemeente Meppel>

◄◄

Kaartuitsnede Uitbreidingsplan Monsma, 1928; goed zichtbaar is de opdeling van de agrarische kavels aan de oostzijde van de Ruinerwoldseweg <Archief Gemeente Meppel>

Deze bebouwing tussen Ceintuurbaan en Blankensteinweg bestond uit losstaande woonhuizen, maar ook uit stadsboerderijen (een hiervan is inmiddels gesloopt), en een marechausseekazerne (Commissaris de Vos van Steenwijklaan 6, in 1915 opgeleverd). Dit gebouw werd veel later eigendom van de Meppeler Woningstichting, en is in 1980 verbouwd. Na 1915 voegden zich hierbij een rijwielfabriek en een melkfabriek. Beiden zijn inmiddels gesloopt. In 1928 werd het Uitbreidingsplan van Meppel vastgesteld. Met de realisatie van dit plan groeide de Ruinerwoldseweg in belang. Door de aanleg van de Ceintuurbaan en de Burgemeester Knopperslaan werd de uitvalsweg gekoppeld aan de andere stadsdelen. De plankaart van het Uitbreidingsplan geeft een goed beeld van de ontwikkeling op dat moment. De westzijde van de Allee was op dat moment al bebouwd. Deze reeds bestaande weg leidde naar de oostkant van de spoorbaan Meppel – Leeuwarden middels een schuine oversteek over de spoorbaan. Ook de Blankensteinweg is op de plankaart – hier volledigbebouwd aangegeven, evenals een gedeelte van de oostzijde van de Ruinerwoldseweg tot voorbij deze straat. De aangroei van bebouwing was kennelijk voortvarend. Het betrof zonder uitzondering individuele bebouwing of tweelingpanden op eigen erf. Aan de zuidzijde van de Blankensteinweg is op de plankaart de Brandemaatsloot weergegeven die op dat moment nog aanwezig was. De huizen waren hier bereikbaar via bruggetjes. De Brandemaatsloot is later gedempt. Dit heeft pas plaatsgevonden na 1936; op kaarten uit dat jaar is de bewuste sloot nog getekend. Op de plankaart van het Uitbreidingsplan 1928 wordt ook voor de eerste keer het rechttrekken van de Rui-

nerwoldseweg weergegeven ter plaatse van de Wold Aa. Hiermee ontstond een maanvormige kavel. De plannen liepen vooruit op de opening en omvorming van de Ruinerwoldseweg in 1935. Toen werd de nieuwe weg van Meppel via Ruinerwold, Ruinen en Beilen naar Assen officieel geopend. De Ruinerwoldseweg die voorheen een veldkeienweg was met hiernaast zandstroken werd ontdaan van haar mooie bomenrijen, en werd voorzien van bestrating met klinkers en een trottoir. De weg kreeg de naam van de commissaris van de koningin mr. De Vos van Steenwijk. Deze liep ten noorden van de Wold Aa niet meer door Tweeloo. Het deel van de oude Ruinerwoldseweg vanuit het centrum van Meppel tot aan het kruispunt met de ook op dat moment aangelegde Knopperslaan werd omgedoopt tot Woldstraat. De oude bocht om de maanvormige kavel in het noorden kreeg de naam Wolddijk. Rond dezelfde tijd werd de bebouwing aan de westzijde van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan vanaf Blankensteinweg/Jufferenpad tot aan de Piet Heinstraat gerealiseerd.

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Kadastrale minuut 1885, in de weilanden de locatie Rechteren; de Allee was in dat jaar al aanwezig maar niet op deze kaart aangegeven omdat deze zich in een andere kaartsectie bevond <Archief Gemeente Meppel>

In 1943/1944 werden de door de dienst Gemeentewerken opgestelde Uitbreidingsplannen in Onderdelen ‘Zwart’ en ‘Rood’ vastgesteld. Het noordelijk gedeelte van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan maakte onderdeel uit van het Uitbreidingsplan ‘Rood’. De plankaart van het Uitbreidingsplan ‘Rood’ leert ons dat de bebouwing aan de westzijde van de weg in 1943/1944 tot voorbij de Piet Heinstraat gerealiseerd was, en aan de oostzijde tot om de hoek aan de Wolddijk, hetgeen bevestigd wordt door de kadastrale minuut uit 1948. Het plan geeft verder de positie van nog te realiseren bouwblokken aan de westzijde van de weg aan in aansluiting op de nieuwe rechtgetrokken Wold-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

345

GEBIED 11

◄◄


346

Flexus AWC


4

◄◄

Commissaris de Vos van Steenwijklaan: inkijk met in de verte het stokersgebouw van de gasfabriek. Links de ingang naar de Wolddijk, 1936 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De rijwielfabriek (fietsenfabriek) van Primarius aan de Comm. de Vos van Steenwijklaan, 1950-1952 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Allee, Allee 24 en 26, twee panden (de laatste is afgebroken in 1950). Op de achtergrond de in aanleg zijnde Burgemeester Knopperslaan, deze kwam in de plaats van de trambaan van de NTM (1917-1933), 1936 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

kade. Deze bebouwing werd uiteindelijk in de jaren ’50 gerealiseerd (drie kleinere blokken, 11 woningen totaal). Het laatste oost-west gerichte blok langs de Woldkade, behorend bij de Jeruzalembuurt, werd in het Airey-systeem gerealiseerd, in het vervolg van een aantal wijzigingsplannen uit de tweede helft van de jaren ’40 van het plan ‘Rood’ in het zogenaamde Uitbreidingsplan ‘Rechteren’. De kruising Burgemeester Knopperslaan – Commissaris de Vos van Steenwijklaan Een opmerkelijk en sterk transformerend onderdeel van het hier beschreven gebied vormde de kruising van de Burgemeester Knopperslaan met de Commissaris de Vos van Steenwijklaan. In 1912 was hier op de locatie nog niets anders aanwezig dan een knik in de Ruinerwoldseweg, met hierop aansluitend de Allee. Deze sloot in het verlengde van de toenmalige Balistraat (huidige Ceintuurbaan) aan op het kruispunt, en leidde naar een boerderij aan de oostzijde van het spoor. Ook de toegang tot de Oude Indische Buurt was hier te vinden. Met de introductie van de Ceintuurbaan in het Uitbreidingsplan uit 1928 ontstond een grote kruising die nog eens groter werd door de introductie van de Marktstraat die voor het eerst in 1935 in de plannen voor Het Vledder verscheen en die min of meer in het verlengde van de Allee gelegen was. De naoorlogse stedenbouwkundigen zagen hier de mogelijkheid een stedelijk kruispunt te realiseren, met als gevolg dat er in 1964 een wijziging van het Uitbreidingsplan ‘Zwart’ voorgelegd werd aan de raad, waarin aan beide zijden van het kruispunt nieuwbouwen gerealiseerd zouden worden. Aan de zuidzijde werd een bouwvolume van twee lagen op een plint

met een benzinestation voorgesteld, de latere zogenaamde ‘Finaflat’, ontworpen door het bureau van stedenbouwkundig adviseur van de gemeente, en architect ir. D. Roosenburg. Aan de noordzijde een flat van vijf lagen op een plint. Met name het bouwvolume aan de noordzijde resulteerde in een bezwaarschriftenprocedure met een direct aanwonende. Het plan is uiteindelijk niet gerealiseerd. Het bouwvolume aan de zuidzijde is uiteindelijk wel gerealiseerd, en is nu een provinciaal monument (voor een foto van het gebouw, zie gebiedsbeschrijving 4: Het Vledder). Het kruispunt zelf is tegenwoordig minder goed herkenbaar omdat de Allee in de tweede helft van de 20ste eeuw omgevormd is tot een doodlopende straat, en deze nu niet meer op het kruispunt uitkomt.

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Straatbeeld van de Commissaris De Vos van Steenwijklaan, toen nog met bomen. Rechts boerderij Ten Hoeve, links de woningen van de Meppeler Bouwvereniging. Van een briefkaart getiteld “Woldstraat”, 1923 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Een weerslag in de tijd De Commissaris de Vos van Steenwijklaan verschaft met het ontstaan van haar bebouwing vanaf de jaren ’20 van de 20ste eeuw tot aan haar laatste grote bebouwingsrij uit de jaren ’50 een goede doorsnede van de architectonische ontwikkelingen in de tijd. Vanaf de Binnenstad gezien rijgt zich architectuur in Overgangsstijl aaneen met Zakelijk Expressionistische architectuur, die verderop de laan een zakelijker vertaling vindt en uiteindelijk besloten wordt met de Airey-systeembouw uit de jaren ’50. Opvallend is de bebouwingsrij aan de oostzijde van de weg tussen het kruispunt met de Burgemeester Knopperslaan en de Blankensteinweg die met haar menging van stadsboerderijen en fabrieken een weerslag vormde van deze ontwikkelingsperiode van Meppel. Bronnen <dossier 696, 701, 736, archief gemeente Meppel> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

347

GEBIED 11

◄◄


Gebied 11 Commisaris de Vos van Steenwijklaan

Legenda

348

Flexus AWC


De oude uitvalsweg vanaf de historische binnenstad van Meppel naar Ruinerwold, die in de jaren ’30 de Commissaris de Vos van Steenwijklaan is gedoopt, is de hoofdas van het gebied dat hier beschreven wordt. De begrenzing van het gebied eindigt in het noorden op de overgang van de Woldkade naar de Wolddijk, loopt aan de oostzijde door tot de bebouwing aan de Burgemeester Mackaystraat en tot de jaren ’50 bebouwing halverwege de Allee. Aan de zuidzijde loopt de grens achter de bebouwing aan de Allee langs en deels over de Burgemeester Knopperslaan. In het westen ligt de grens achter de bebouwing aan de Commissaris de Vos van Steenwijklaan. Ook de bebouwing aan de Blankensteinweg (tot aan de Burgemeester Mackaystraat) behoort tot dit gebied. De lange Commissaris de Vos van Steenwijklaan is aan de westzijde meer coherent vormgegeven dan aan de oostzijde. De percelen hebben hier dezelfde, voor woningbouw ideale maatvoering, met enkel woningen, die op delen seriematig zijn uitgevoerd. Een opvallend complex hierin is het eerste seriematige woningbouwcomplex dat begin jaren ’20 gerealiseerd aan het zuidelijke deel van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, bestaande uit 22 woningen van de Meppeler Bouwvereniging. De percelen aan de oostzijde van de weg zijn verschillend van afmeting, zowel in diepte als in breedte. Hier zijn naast woningen ook andere gebouwtypes en functies te vinden, met name in het deel tussen de Burgemeester Knopperslaan en de Blankensteinweg. Het verschil wordt hier benadrukt door de diversiteit in bouwstijlen, bebouwingsschaal en verspringingen in de rooilijn.

Ook het noordelijke deel van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, ter hoogte van de Wolddijk, heeft twee gezichten. Homogene doorlopende bebouwing tegenover een meer onsamenhangend geheel op onregelmatige percelen in de bochtige loop van de Wolddijk. Hier is een meer open kavelstructuur, met ad hoc invulling, bestaande uit enkele woningen, een garage (heden ten dage in gebruik als bedrijfsruimte) die niet aan de straat maar op een groot verhard erf is gesitueerd en een als stadsweide ingericht driehoekig plantsoen. De bebouwing aan de buitenbocht van de Wolddijk daarentegen ligt in één vloeiende lijn met de bebouwing aan de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, waardoor dit deel, tot aan de Blankensteinweg, het meest coherente beeld aan deze zijde van de straat oplevert.

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

De Blankensteinweg zelf is ondanks het gevarieerde gevelbeeld ook zeer coherent, met aan weerszijde woningen uit de jaren ‘20, van vergelijkbare schaal en hoogte, en allen voorzien van een voortuintje. Dit geldt niet voor de Allee, waar de individuele woonhuizen uit de jaren ’10 en ‘20 aan de zuidzijde van de straat worden omringd door bebouwing van een andere typologie. Aan de noordzijde is in 2010 een veel hoger bouwblok van negen rijtjeswoningen gerealiseerd, en het oostelijk deel van de Allee bestaat uit strokenbouw uit de jaren ’50. De van origine landelijke Allee is daarmee een smeltkroes van stedenbouw en architectuur uit verschillende perioden geworden.

Openbare ruimte Oorspronkelijk had het zuidelijke deel van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan aan weerszijden een rij grote bomen, die dicht op elkaar stonden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

349

GEBIED 11

Ruimtelijke beschrijving en waardering


350

Flexus AWC


4 ◄

Commissaris de Vos van Steenwijklaan

◄◄

Wolddijk

Commissaris de Vos van Steenwijklaan

Dit gaf de laan een zekere monumentaliteit en benadrukte de bijzondere functie als uitvalsweg. Dit gegeven werd vooral ontleend aan de symmetrie en hoogte van de bomen en niet zozeer aan de bebouwingsranden. Heden ten dage is de monumentaliteit van de laan grotendeels verdwenen, doordat het aantal bomen sterk is afgenomen en de bomen kleiner zijn, maar vooral omdat ze nog maar aan één zijde van de straat staan. Niet alleen is de symmetrie hiermee verloren gegaan, tegelijkertijd wordt door het ontbreken van de bomen ook de ongelijkheid in de bebouwingswanden meer zichtbaar. Dit betekent echter niet dat het oorspronkelijke karakter van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan geheel verloren is gegaan. Het oorspronkelijke bebouwingsbeeld is grotendeels nog aanwezig. Andere dragers van het ruimtelijke beeld, zoals de bebouwingsschaal, de alom aanwezige voortuinen en de rechtlijnigheid van de straat zijn vrijwel onveranderd. Daar waar het voorerf verhard is, is deze visueel van de straat gescheiden door paaltjes, een hekwerk of onderscheidende bestrating. Afgezien van het groen op eigen erf zijn de groenvoorzieningen in het gebied beperkt. De voornaamste plaats betreft de binnenbocht van de Wolddijk, waar een relatief groot perceel is ingericht als stadsweide. Dit is een aardige referentie aan een eertijds landelijke ligging en in combinatie met de hoge bomen markeert het de oorspronkelijke loop van de Ruinerwoldseweg. Deze liep tot in de jaren ‘30 over de Wolddijk, en niet rechtdoor zoals de huidige Commissaris de Vos van Steenwijklaan. Wat dat betreft is het jammer dat de inrichting van de straat zelf door de haakse aansluiting en de afzetting met paaltjes het oorspronkelijke beloop juist niet markeert. Aan het zuidelijke uiteinde van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, waar deze aansluit op de

Burgemeester Knopperslaan, is een plantsoen ingericht op een deel van wat oorspronkelijk een verkeersplein was. Op dit verkeersplein kwamen ook de Woldstraat en de Ceintuurbaan uit, evenals de Bankastraat en zelfs de Allee sloot hier indirect op aan. Op een deel van het voormalige verkeersplein is in 1990 een bedrijfspand gebouwd, waardoor de Allee met een knik op de Burgemeester Knopperslaan aansluit, en hier uiteindelijk helemaal van afgesloten is met een groenstrook.

Bebouwing en architectuur De bebouwing aan de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, de Blankensteinweg en de Allee is voor een groot deel gerealiseerd in de periode 1910-1935. In de jaren ’50 is het laatste en meest noordelijke deel van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan bebouwd. De westzijde van deze laan en de Blankensteinweg zijn sindsdien onveranderd gebleven. Nieuwbouw heeft plaatsgevonden op enkele percelen aan de oostzijde van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan en recentelijk aan de Allee. Het bebouwingsbeeld aan de westzijde van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan is gevarieerd maar coherent. De bebouwing is aaneensluitend gebouwd en bestaat volledig uit woningen van één of twee bouwlagen met kap. Naast seriematige woningblokken met schilddak staan er vrijstaande panden en twee-onder-een-kappers met mansardekap, met de nokrichting respectievelijk dwars en evenwijdig aan de straat. De woningblokken in het meest noordelijke deel, tegenover de Wolddijk, zijn afgedekt met een zadeldak. Aan weerszijden van de aansluiting met de Piet Heinstraat staan hier twee panden van typische interbellum-architectuur met hoge kappen. De positie markeert de entree naar de achtergelegen inter-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Commissaris de Vos van Steenwijklaan

351

GEBIED 11

◄◄


352

Flexus AWC


4

◄◄

bellumbuurt. De woningblokken in het zuidelijke deel verspringen onderling in de rooilijn, maar door de horizontaliteit van kap en metselwerk en de toepassing van een doorlopende erfafscheiding als rechtlijnig en verbindend element aan de straat, onderstreept het geheel het lineaire straatbeeld.

Blankensteinweg

De oostzijde van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan is gevarieerder en minder coherent dan de westzijde. Naast de hier eveneens voorkomende vrijstaande woningen met mansardekap zijn hier meer andere vormen en typen te vinden. Het deel tussen de Burgemeester Knopperslaan en de Blankensteinweg is het meest divers. Naast vrijstaande pandjes in zogenaamde Overgangsstijl of Heroriëntatiestijl – waarvan enkele met karakteristieke gevelbeëindigingen, voorzien van attiek of boven de dakrand uitstekende opgemetselde hoekstukken met vormrijke natuurstenen dekplaten – staan hier gebouwtypen van andere schaal en architectuur, zoals een oude stadsboerderij en een neomodern kerkgebouw. Het zich in schaal, vorm en architectuur meest onderscheidende gebouw is het eveneens neomoderne gezondheidscentrum, gebouwd op de plek waar een melkfabriek heeft gestaan. Ten zuiden hiervan staat de voormalige marechausseekazerne, in 1915 gebouwd in Overgangsstijl en in 1980 verbouwd en voorzien van een extra verdieping op het centrale hoofdvolume.

Commissaris de Vos van Steenwijklaan: Kerk

Commissaris de Vos van Steenwijklaan: gezondheidscentrum

De bebouwing aan de Blankensteinweg is een mooi ensemble van panden van vergelijkbare schaal en periodisering, die zich van elkaar onderscheiden door de rijke diversiteit in gevelarchitectuur en dakvormen. De oudste bebouwing aan de Allee bestaat uit een twaalftal panden in Overgangsstijl, gebouwd rond

1915, die aan de zuidzijde van de straat met de bocht meelopen. Het stuk ten oosten hiervan, tot aan de Burgemeester Mackaystraat kwam pas rond 1950 tot ontwikkeling. Het straatprofiel van het westelijke deel van de Allee, met aan de zuidzijde de karakteristieke kleinschalige panden met mansardekappen, werd pas in 2010 gecomplementeerd met bebouwing aan de noordzijde, bestaande uit een blok van negen woningen onder één grote verhoogde mansardekap. De relatief grote schaal van dit blok zorgt ervoor dat de Allee een onevenwichtig profiel heeft gekregen. In hoofdvorm en architectuur wijkt dit blok sterk af van de overige bebouwing in de straat.

Transformaties en aantastingen

COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

Allee, rechts bebouwing uit 2010

In vergelijking met het historische beeld van een met hoge bomen geflankeerde uitvalsweg heeft de Commissaris de Vos van Steenwijklaan vanaf de jaren ’30 in zekere mate aan allure ingeboet. De lineariteit van de laan is echter niet verdwenen. Het beeld wordt overeind gehouden door de bebouwing die overwegend uit dezelfde periode stamt en nergens dusdanig onderbroken wordt dat de coherentie van de laan als geheel verloren gaat. Wel is er op perceelniveau sprake van aantastingen. De westzijde en oostzijde onderscheiden zich van elkaar doordat de westzijde enkel bestaat uit woningen op percelen van vergelijkbare afmeting, waar sinds de bouw geen enkel pand gesloopt is, terwijl de oostzijde wordt gekenmerkt door een diversiteit aan architectuur en bebouwingstypen op percelen van verschillende omvang. Hier is op meerdere plekken historische bebouwing verdwenen, waaronder een karakteristieke stadsboerderij, de Primarius Rijwielfabriek en de melkfabriek van DOMO. Op de plaats van de rijwielfabriek is een kerkgebouw verrezen en

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

353

GEBIED 11

◄◄


op de plek van de melkfabriek een gezondheidscentrum. Met name het gezondheidscentrum wijkt in architectuur, schaal en vormentaal af van de overige bebouwing in de buurt, alhoewel de schaal wel overeenkomt met de oorspronkelijke bebouwing. Het gat dat is ontstaan bij de sloop van de stadsboerderij op nummer 12 vormt een ongewenste discontinuĂŻteit in het straatbeeld. Het oorspronkelijke beloop van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan over de Wolddijk is door de inrichting van de straat ter hoogte van de aansluiting van beide straten niet meer duidelijk te herleiden. Het geheel versteende erf met garage (nu bedrijfsruimte), gelegen in de binnenbocht van de Wolddijk vormt een contrast met de aangrenzende groene stadsweide, die refereert aan de vroegere landelijkheid. Aan de Allee is door het contrast in schaal, architectuur en vormentaal van de bebouwing uit 1915 en 2010 een onevenwichtig straatbeeld ontstaan.

354

Flexus AWC

Waardering De cultuurhistorische waarde van dit gebied is gemiddeld, om de volgende redenen: De historisch-maatschappelijke waarde van het gebied is hoog, omdat de Commissaris de Vos van Steenwijklaan vanaf de Middeleeuwen tot in de 20ste eeuw de centrale uitvalsweg vormde naar Ruinerwold, deze route nog steeds herkenbaar is en de (enigszins) gevarieerde bebouwing de historiciteit van dit grotendeels historische traject ondersteunt. De historisch-stedenbouwkundige waarden van het gebied zijn gemiddeld, omdat het gebied enerzijds nog altijd goed de stedenbouwkundige wijze van uitleg van het eind van de 19de -, begin 20ste eeuw, alsmede die van het Interbellum weerspiegelt, maar anderzijds de straat als gevolg van de asymmetrische opzet enigszins onevenwichtig is, en ook de historische functies, passend bij een dergelijke historische uitvalsweg in de loop van de jaren vrijwel alle zijn gesloopt. Het heldere stratenbeloop en het gelijkmatige doorsnedeprofiel van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan, maar ook van de Blankensteinweg, dragen veel bij aan de kwaliteiten van het gebied. De openbare inrichting door middel van de enkele rij bomen doet ernstig afbreuk aan het laanachtig karakter dat de Commissaris de Vos van Steenwijklaan vroeger had. Ondanks het feit dat er in het gebied enkele gebouwen zijn gerealiseerd die sterk afwijken van de context, is de architectonische samenhang nog zo sterk, dat er gesproken kan worden van


4 Gaafheid: het gebied wordt gekenmerkt door delen die op stedenbouwkundig niveau gaaf gebleven zijn, zoals de Blankensteinweg en de westzijde van de Commissaris van Steenwijklaan. Er zijn echter ook onderdelen die - mede door de transformaties en hiermee geintroduceerde architectuur - als onsamenhangend bestempeld kunnen worden, zoals het zuidelijke deel van de oostwand van de Commissaris van Steenwijklaan.

Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2. COMMISSARIS DE VOS VAN STEENWIJKLAAN

De historisch-architectonische waarden van het gebied zijn gemiddeld, omdat de vooroorlogse architectuur van de Commissaris de Vos van Steenwijklaan en de Blankensteinweg typisch is voor de tijd waarin zij zijn gebouwd, maar architectonisch bescheiden zijn ontworpen en uitgewerkt. De meer recente nieuwbouw breekt sterk met het karakter van het gebied.

Aanbevelingen

Zeldzaamheid: een dergelijke voor de oorlog verstedelijkte uitvalsweg als de Commissaris de Vos van Steenwijklaan is op zichzelf niet zeer zeldzaam, maar representeert voor Meppel een zekere waarde.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

355

GEBIED 11

een gebied met een zeer coherent beeld, zowel stedenbouwkundig als architectonisch.


356

Flexus AWC


12

Zeeheldenbuurt oost

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Zeeheldenbuurt Oost is een typische interbellumbuurt met een tuinstadachtig karakter. De geschiedenis van de buurt. Het stratenplan van de Zeeheldenbuurt Oost wordt voor de eerste keer in het Uitbreidingsplan van Meppel uit 1928 weergegeven. De buurt is hierbij in aansluiting op de straten van de reeds gerealiseerde Oude Indische Buurt ontworpen. De Billitonstraat en Bankastraat zijn daarbij doorgezet in het uitbreidingsgebied (deze vormden de latere Jan van Galenstraat en Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat). De agrarische kavels die oorspronkelijk op de locatie aanwezig waren hebben geen betekenis gehad voor de planuitleg van de Zeeheldenbuurt Oost. Slechts de reeds aanwezige structuren in de omgeving, de Ruinerwoldseweg (de latere Commissaris de Vos van Steenwijklaan) en de conservenfabriek van de gebroeders Dengerink op Rechteren hebben hierop invloed gehad. De buurt werd gebouwd in de periode 1928 – 1936 middels particuliere initiatieven en initiatieven ontplooid door lokale aannemers. Alleen de randen van de buurt aan de west- en noordzijde zijn anders gerealiseerd dan de plantekening uit 1928 weergeeft. De aansluiting op Rechteren met een straat heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, waarschijnlijk in verband met grondeigendommen op Rechteren die niet verkregen konden worden. De aansluiting in het noorden van de buurt is sterk gewijzigd uitgevoerd ten gevolge van de naoorlogse plannen die hun weerslag vonden in het Uitbreidingsplan Rechteren uit 1948.

De aansluiting van de buurt op de Airey-woningen uit dit Uitbreidingsplan aan de noordzijde van de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat en westzijde van de Piet Heinstraat heeft plaatsgevonden met passtuklocaties waarop woningen gebouwd zijn uit de jaren ’50. Aan de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat zijn deze woningen weer vervangen in de jaren ’90. Zakelijk Expressionisme De buurt wordt gekenmerkt door bebouwing in Zakelijk Expressionistische stijl. De bebouwing aan de Michiel Adriaenszn de Ruyterstraat tussen het Jufferenpad en de Piet Heinstraat valt hierbij op door een aaneenrijgen van identieke asymmetrische twee-onder-een-kapwoningen aan beide zijden van de straat waardoor de straat een grote mate van eenheid gekregen heeft. Bronnen: <dossier 696, 701, 736, archief gemeente Meppel> <http://www.oudmeppel.nl>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZEEHELDENBUURT OOST

Foto uit de periode rond 1930 van het Jufferenpad. De wijk was nog in aanbouw, zoals op de foto duidelijk is te zien <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

357

GEBIED 12


358

Flexus AWC

De Piet Heinstraat net nadat de woningen aan deze straat zijn afgebouwd, 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Hoek Jufferenpad en Jan van Galenstraat, 1935 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Aantal panden in de bocht van de M.A. de Ruyterstraat, 1980; deze zijn inmiddels gesloopt en vervangen <fotoarchief Stichting Oud Meppel>


Kadastrale minuut 1911, de locatie van de latere Zeeheldenbuurt Oost; op dat moment was ook de Oude Indische Buurt nog niet gerealiseerd <Archief Gemeente Meppel>

Kaartuitsnede uit het Uitbreidingsplan 1928; goed zichtbaar het doorzetten van de Bilitonstraat en de Bankastraat <Archief Gemeente Meppel>

Uitsnede uit een studiekaart uit 1936 van de dienst Gemeentewerken naar een locatie van de veemarkt op Rechteren; hierop zijn de op dat moment gerealiseerde panden van de Zeeheldenbuurt Oost zichtbaar <Archief Gemeente Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

359

GEBIED 12

ZEEHELDENBUURT OOST

4


Gebied 12 Zeeheldenbuurt oost

Legenda

360

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Ten westen van de buurt ligt Rechteren, waar ten tijde van de aanleg van de Zeeheldenbuurt Oost de vleeswarenfabriek van de gebroeders Dengerink was gesitueerd. In de jaren ‘80 is het fabrieksterrein bebouwd, waarbij een verkavelingsprincipe is toegepast dat niet aansluit op de blokstructuur van de Zeeheldenbuurt Oost. De bebouwing aan de Jan van Galenstraat, die met de achterkant aan dit gebied grenst, vormt daarom geen gesloten of halfopen bouwblok. De westzijde van de Piet Heinstraat en de noordzijde van de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat is vergelijkbaar; daar werd de buurt beëindigd

Openbare ruimte De straatprofielen in de buurt zijn relatief ruim in relatie tot de bebouwing van overwegend één laag plus kap. Alle woningen hebben een voortuin, een contrast met de aangrenzende Oude Indische Buurt, waar de straten smaller zijn en zonder voortuinen. De lineaire bebouwing met hoge langskappen, de afwisseling met topgevels en dwarskappen (met name in het zuidelijke deel van de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat), in combinatie met de voortuinen, resulteren in een prettig coherent maar toch ook afwisselend beeld en een aangename straatruimte. De invulling van de openbare ruimte is in de loop van de jaren behoorlijk veranderd. Oorspronkelijk waren de straten in de buurt kaarsrecht en strak geordend, aan weerszijden voorzien van brede trottoirs met een rechte rij bomen. In de jaren ’70-’80 zijn alle straten in de buurt heringericht, waarbij elementen zijn toegepast die karakteristiek zijn voor het woonerf. Rechte straten hebben plaatsgemaakt voor een slingerende weg voor langzaam verkeer in één richting. Parkeerplaatsen met schuine insteek worden afgewisseld met kleine speelplekken, kleine plantsoentjes vullen de restruimtes. Het aantal bomen is verminderd. Het beeld van de lineair opgezette buurt is door de herinrichting beïnvloed, dit doet echter geen afbreuk aan de kwaliteit van de openbare ruimte.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

ZEEHELDENBUURT OOST

Deze interbellumbuurt uit de jaren ’30 van de vorige eeuw is pragmatisch van opzet. Het lineaire stratenbeloop sluit aan op de Oude Indische Buurt ten zuiden hiervan. Het Jufferenpad scheidt de twee buurten, terwijl de straten haaks hierop in noord-zuidelijke richting worden voortgezet. Dit zijn de Jan van Galenstraat, in het verlengde van de Billitonstraat, en de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat, die in het verlengde van de Bankastraat ligt en doorloopt tot aan de Woldkade. De derde straat in de Zeeheldenbuurt Oost is de Piet Heinstraat die in oost-westelijke richting loopt en de buurt ontsluit vanaf de Commissaris de Vos van Steenwijklaan. De Zeeheldenbuurt Oost is kleinschaliger en minder monumentaal van opzet dan de in dezelfde periode aangelegde Indische Buurt West. De bouwblokken zijn ondiep, met kleine tuinen. De straatprofielen zijn wel ruim, met voortuinen, maar pleinen en grote plantsoenen komen hier niet voor. Enige stedenbouwkundige expressie is gevonden in de iets explicietere bebouwing op de hoeken. De ruimte zit vooral aan de straatzijde.

door de toenmalige perceelsgrens. De bebouwing uit de jaren´50 ten noorden hiervan vormt een onderdeel van het uitbreidingsplan Rechteren en is georiënteerd op de Wold Aa. Door de afwijkende verkavelingsrichting bleef een driehoekige restruimte over tussen de nieuwe en de oude bebouwing, die is opgevuld met kleine woningblokjes en garageboxen.

361

GEBIED 12

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


362

Flexus AWC


4

◄◄

Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat

Jufferenpad

Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat

Bebouwing en architectuur Het bebouwingsbeeld van de buurt is coherent. Op twee vrijstaande woningen na is de buurt opgebouwd uit blokjes van twee tot zes geschakelde woningen. Het beeld wordt overheerst door bebouwing van één laag met hoge zadeldaken, afgedekt met rode pannen. De hoge kappen bestaan uit een woonverdieping en een zolderverdieping. Uitzondering zijn twee blokken van vier woningen in de Jan van Galenstraat, met aan de straatzijde twee lagen en een kap met een flauwe dakhelling, teneinde de nokhoogte gelijk te houden aan de omliggende bebouwing. De tweeonder-een-kapwoningen in het zuidelijke deel van de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat vallen op en zijn in hoofdopzet het meest nadrukkelijk vormgegeven, door de verdraaiing van de kap. In profiel levert dat een mooi gefragmenteerd straatbeeld op waarin dwarskappen en topgevels overheersen, terwijl de gevels in aanzicht uit twee delen bestaan: de ene woning met één laag en kap met de nokrichting parallel aan de straat, de andere woning uitgevoerd als topgevel met dwarskap. De topgevels van deze woningen ritmeren de straat, een middel dat elders (zie bijvoorbeeld de Barend Schuurmanstraat in de Weerdstraatbuurt) in Meppel ook ingezet is. De overige bebouwing in de buurt bestaat voornamelijk uit één laag met hoge kap evenwijdig aan de straat, voorzien van dakkapellen, sporadisch onderbroken door topgevels met steekkap. De kappen zijn dusdanig hoog dat er twee verdiepingen in ondergebracht zijn. De bebouwing aan het Jufferenpad is iets hoger en heeft als enige in de buurt ook een tweede rij, weliswaar zeer kleine, dakkapellen. In tegenstelling tot de bescheiden dakkapellen elders in de buurt bestaat de eerste rij dakkapellen aan het Jufferenpad

uit een aaneengeschakeld geheel. Dit is oorspronkelijk en betreft geen latere toevoeging. Voor een interbellumbuurt zijn de bakstenen gevels van de panden van relatief weinig ornamentiek voorzien. Op of nabij de hoeken van de bouwblokken is enige expressie gevonden in het toepassen van topgevels met een kap haaks op de overige bebouwing. De kopgevels zijn hier niet blind en worden soms iets benadrukt, bijvoorbeeld door kleine raampjes of door de beëindiging van het zadeldak met een wolfseind. De enige niet-interbellumwoningen in deze buurt zijn de twee woningblokken aan weerszijden van het meest noordelijke deel van de Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat, net voor de bocht naar de Woldkade. Deze bebouwing uit de jaren ’90 is in hoofdopzet vergelijkbaar met de naastliggende bebouwing uit de jaren ’30, maar is nog soberder uitgevoerd. De architectuur kan worden benoemd als niet-stijlgebonden woningbouw.

Transformaties en aantastingen ZEEHELDENBUURT OOST

Piet Heinstraat

De Zeeheldenbuurt Oost is in zijn stedenbouwkundige opzet onaangetast, maar het bebouwingsbeeld niet helemaal. Het gevelbeeld is gewijzigd doordat de oorspronkelijke kozijnen en deuren grotendeels zijn vervangen. Door de buurt heen kunnen rolluiken, zonweringen, moderne luifeltjes boven de voordeur en de variëteit aan kleurgebruik op kozijnen, deuren, dakkapellen en dakgootlijsten aangemerkt worden als aantasting of verrommeling van het gevelbeeld. Indien hier niet op wordt gestuurd komt de coherentie van het gevelbeeld en de ruimtelijke kwaliteit van de buurt in gevaar. Enkele dakkapellen zijn vervangen, waarbij opgemerkt moet worden dat de oorspronkelijke dakkapellen voorzien waren van een

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

363

GEBIED 12

◄◄


364

Flexus AWC


Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat, aansluiting op de Woldkade

overstekende dakrand, wat past bij de interbellumuitstraling, terwijl dit principe bij sommige nieuwe dakkapellen niet of in mindere mate is toegepast. De van oorsprong zeer kleine dakkapellen van de bovenste verdieping in de kap van de bebouwing aan het Jufferenpad zijn in enkele gevallen vervangen door te grote dakkappellen. De grootste transformatie heeft plaatsgevonden bij de herinrichting van het straatprofiel. De op langzaam verkeer ingerichte straten met speelplekken, plantsoentjes en schuinparkeerstroken leveren een afwisselender en voller beeld op dan de oorspronkelijke strak geordende lineaire profilering. De grote varieteit aan erfafscheidingen heeft hierbij geleid tot een soms rommelig totaalbeeld.

Waardering De buurt heeft een gemiddelde cultuurhistorische waarde. De historisch-maatschappelijke waarde is gemiddeld: de buurt is geen bijzondere representant van een voor Meppel belangwekkende maatschappelijke, economische, politieke of stedenbouwkundige ontwikkeling, maar illustreert wel hoe er gedacht werd over huisvesting van de kleine-middenstand en gegoede middenstand in het Interbellum. Deze plaats deelt zij met de andere wijken in Meppel uit deze periode. De historisch-stedenbouwkundige waarden zijn gemiddeld. Er zijn weinig bijzondere stedenbouwkundige figuren en de afstemming tussen architectuur en stedenbouw is minimaal. De buurt heeft wel een hoge architectonische

coherentie. Dit is een belangrijke stedenbouwkundige kwaliteit. De ensemblekwaliteiten zijn eveneens hoog: de gehele buurt kent dezelfde stedenbouwkundige figuren en tegenoverliggende straatwanden hebben vaak dezelfde of sterk gelijkende architectuur. De historisch-architectonische kwaliteiten zijn gemiddeld: de architectuur is typisch voor het Interbellum, maar is vrij basaal ontworpen. De gebruikelijke architectonische middelen uit die jaren, die deze architectuur zijn aantrekkelijkheid geven (vooral de kozijnen en deuren) zijn deels bewaard, maar ook deels weggerenoveerd. De architectuur aan de Michiel Adriaenszoon is iets rijker uitgevoerd, maar toch eveneens in zijn soort vrij sober. De buurt is als geheel op stedenbouwkundig niveau gaaf gebleven. De gaafheid van de architectuur is met de vervanging van de dakkapellen, kozijnen en deuren in zekere mate aangetast.

ZEEHELDENBUURT OOST

Michiel Adriaenszoon de Ruyterstraat

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Gemiddeld’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

365

GEBIED 12

◄◄

4


366

Flexus AWC


13

Prinses Beatrixplantsoen

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het Prinses Beatrixplantsoen en omgeving is een buurt die met de coherente ordening van grote tweeonder-een-kapwoningen rondom een groot plantsoen zijn gelijke in Meppel niet kent. Het beste is zij vergelijkbaar met de eveneens naar het streven van coherentie getuigende Indische Buurt West die gedurende dezelfde periode tot stand kwam. In tegenstelling tot deze buurt is de architectuur echter plastischer en vormt het plantsoen een uitgesprokener vormgegeven element. Het Stadsland De locatie waar nu het Prinses Beatrixplantsoen gelegen is, was ooit onbebouwd en werd toen ‘het Stadsland’ genoemd. Het terrein was al lange tijd in gebruik bij de inwoners van Meppel. Hier bevond zich achter de Rijks-HBS aan het Zuideinde aan het begin van de 20ste eeuw onder andere een voetbalveld, met een ingang aan de Weerdstraat. Ook vonden er al lange tijd feestelijkheden plaats. Toen bijvoorbeeld in 1867 de eerste steen voor het stationsgebouw werd gelegd, werd vanaf het Stadsland een luchtballon opgelaten en werd daar vuurwerk afgestoken. Ook circussen stonden hier met de circustenten en er werden muziekvoorstellingen gehouden. Het terrein werd ook gebruikt voor samenkomsten. Naast deze activiteiten was het ook de locatie van de paardenmarkt. Voor de Tweede Wereldoorlog werden er merries en veulens verhandeld, terwijl de koeienmarkt op de Woldstraat, de kippenmarkt op de Groenmarkt, de paardenmarkt op de Stationsweg en de boter eieren - schapen - varkens - en - biggenmarkt op de Wheem plaatsvond.

Ook grotere tentoonstellingen vonden op het Stadsland plaats. In 1912 werd de Tentoonstelling van Handel, Industrie en Landbouw gehouden, met veel bezoekers. Dat gold ook voor de in 1929 gehouden grote tentoonstelling voor nijverheid en landbouw, de Nijlanto, waar ook prins Hendrik kwam kijken. In 1935 werd de landbouwtentoonstellling ‘Eigen Land’ op het terrein gehouden. Hierbij werd ook de locatie van het voetbalveld benut. De manifestatie richtte zich met name op de voortbrengselen van de Drentse landbouw en (landbouw) industrie. Uiteraard speelden dieren daarbij een belangrijke rol. Hoogtepunten waren de talrijke keuringen en paardensportevenementen. Er was ook een tentoonstelling in een deel van de talrijke tenten die op de terreinen waren opgesteld. Verder waren er veel muzikale evenementen om de tentoonstellingbezoekers ook ‘s avonds te vermaken. Bekende Nederlandse artiesten traden toen in Meppel op.

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

Op zondag 13 oktober 1929 om 8.00 uur ‘s ochtends vloog de Duitse zeppelin ‘Graf Zeppelin’ (LZ-127) boven Meppel in het kader van een promotietocht over Nederland. De foto geeft een beeld van het Stadsland, het voetbalveld en de Weerdstraat. Links bevindt zich het zwembad aan de Reest. De Prinses Margrietlaan was nog niet aangelegd. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het sportterrein ten zuiden van de bebouwing aan de Weerdstraat maakte bij deze grote manifestaties onderdeel uit van het evenemententerrein, maar werd ook door de sporters flexibel gebruikt. Naast de Meppeler voetbalclubs die hier jarenlang gespeeld hebben, werden er ook atletiekwedstrijden en korfbalwedstrijden georganiseerd, en het terrein werd ook verhuurd aan de paardensportvereniging die er af en toe een concours hippique organiseerde. Toen het sportpark Ezinge gereed kwam en men daarheen verhuisde, kreeg het terrein de bestemming die het nog heeft: sportterrein voor de Mep-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

367

GEBIED 13


368

Flexus AWC


4

Prentbriefkaart van het Prinses Beatrixplantsoen, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Rechterzijde woningen Prinses Margrietlaan 19, 21 en gedeelte 23, 1937 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

peler scholieren. De hoofdingang bevindt zich tegenwoordig aan de zijde van de Prinses Marijkestraat. Het plan Monsma: de Beatrixplantsoenbuurt komt tot stand In vervolg op de Woningwet van 1901 werd elke Nederlandse gemeente met meer dan 10.000 inwoners verplicht een uitbreidingsplan op te stellen. In Meppel werd pas in 1927 door de directeur Gemeentewerken D. Monsma een dergelijk plan opgesteld. Onderdeel van het plan was een stadsuitbreiding ter plaatse van het huidige Prinses Beatrixplantsoen en omstreken, met een verbinding via de nieuw aan te leggen Kastanjelaan richting de nieuwe uitbreidingsgebieden in het westen van de gemeente. Monsma hield in het plan al rekening met het centrale plantsoen dat in eerste instantie als kinderspeelplaats gedacht was; een opzet die hij ook aanhield bij de Indische Buurt West en de Ezingebuurt die ook onderdeel uitmaakten van het Uitbreidingsplan. Hij trachtte in zijn plan enigszins aan te sluiten op de richtingen van de aanwezige agrarische kavels, met een niet orthogonale layout van het plantsoen als gevolg. Niettemin overschrijft het plan ook de agrarische onderlegger op onderdelen, hetgeen wijst op de kennelijke mogelijkheid grond te verkrijgen en waarschijnlijk ook op de wens op stedenbouwkundig ruimtelijk niveau visuele effecten te bewerkstelligen. In het plan werd het bestaande sportterrein bij de Weerdstraat belangrijk verruimd en langs twee zijden door een straat begrensd (de huidige Prinses Margrietlaan en Prinses Marijkestraat). Ter verlevendiging van het stadsbeeld waren in het Uitbreidingsplan aan o.a. de zuidzijde langs de Reest,ter plaatse van de huidige Prins Bernhardsingel, evenals op verschillende plaatsen tussen de bebouwing, plantsoenen ontworpen, welke naast het bestaande wandel-

park (het eerder gerealiseerde Wilhelminapark), de bewoners van de gehele gemeente gelegenheid zou geven om van de natuur te genieten. De zwem- en badinrichting langs de Reest, in aansluiting op de Weerdstraat bleef gehandhaafd. Monsma zelf bouwde in 1929 achter de rijks-HBS aan het Zuideinde een schoolgebouw dat oorspronkelijk dienst deed als lagere school en dat met haar architectuur de toon zette voor de buurt. De architectuur van het gebouw toont de invloed van de Nieuwe Haagse School. Het gebouw is nu in gebruik bij de Rijksscholengemeenschap Meppel. In vervolg op het grote Uitbreidingsplan ontstond in 1936 onenigheid met een eigenaar van een grote kavel aan het Zuideinde in verband met de realisatie van de verbindingsweg van het Prinses Beatrixplantsoen naar het Zuideinde (de huidige Prinses Irenelaan). Mede in vervolg hierop vond in 1937 een partiële wijziging plaats van het Uitbreidingsplan. In dit wijzigingsplan was –in afwijking van de eerdere plannen- ook nieuwe bebouwing getekend op het sportterrein achter de Weerdstraat, met tevens een ontsluitingsweg naar de Weerdstraat. Deze bebouwing is uiteindelijk niet gerealiseerd. Het conflict met de grondeigenaar duurde voort tot het einde van de jaren dertig, waarna men tot overeenstemming kwam en hiermee ook het verloop van de latere Prinses Irenelaan vastlag.

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

Een genoeglijk samenzijn op de Tentoonstelling van Handel, Industrie en Landbouw op het Stadsland die van 6 tot 22 juli 1912 werd gehouden, 1912 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

In 1939-1940 werd begonnen met de aanleg van het grote middenplantsoen. Vermoedelijk was men toen al enigszins gevorderd met de omliggende bebouwing in de buurt die met particulier initiatief tot stand kwam, en die aansloot op de reeds eerder gerealiseerde bebouwing aan de Kastanjelaan. Het particulier initiatief betrof aan het plantsoen en omstreken

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

369

GEBIED 13

◄◄


370

Flexus AWC

Kaart archief gemeente, 1937. Hierop is aangegeven de herschikking van de Prinses Irenelaan langs de Reest in het zuiden en de mogelijke woningbouw ter plaatse van het sportterrein.

◄◄

Kaart, 1928, Uitbreidingsplan Meppel <Gemeente Meppel>

Kadastrale kaart, 1911 <Gemeente Meppel>

Kadastrale kaart, 1948 <Gemeente Meppel>


Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

371

GEBIED 13

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

4


veelal bouwinvesteringen van lokale aannemers die in dit betere stadsgedeelte in de meest voorkomende gevallen grote twee-onder-een-kapwoningen realiseerden. Door de toepassing van gesmoorde donkere dakpannen, grote dakvlakken en de grote, sterk op elkaar lijkende bouwvolumes in het ruime groen verkreeg het geheel – in tegenstelling tot de Kastanjelaan waar meer individuele panden van kleinere afmeting met rode daken voorkwamen- een streng en voornaam karakter. Het plantsoen werd ontworpen door Jan Johan Boot, werkzaam bij Gemeentewerken van de gemeente Meppel, die tevens architect was van de Jeugdherberg aan de Marten Ottenlaan. Het plantsoen werd ruim vormgegeven, voorzien van een vijver, een rondgaand pad, gras en boombeplanting en zitbankjes. Het strakke karakter van het geheel sloot aan bij de omringende architectuur, mede door de symmetrische vormgeving. Het plantsoen heette oorspronkelijk Reestplantsoen, maar kreeg zeker al voor de Tweede Wereldoorlog de benaming Prinses Beatrixplantsoen; deze naam staat al vermeld op 372

Flexus AWC

een in het bouwarchief van de gemeente Meppel aangetroffen bouwdossier. De buurt kwam niet in één keer tot stand. De randen van de buurt, langs de Prins Bernhardsingel en langs de Prinses Irenelaan werden pas tijdens de jaren vijftig en zestig bebouwd. De grootschaliger complexen in de buurt bevinden zich dan ook in deze randen. Latere wijzigingen en aanvullingen In 1953 vond een verbreding en rechttrekken van de Reest bij Meppel plaats, die door de provincie werd uitgevoerd, met financiële steun van de gemeente Meppel. In deze periode werden ten gevolge van deze aanpassing de plantsoenen aan de zuid- en oostzijde van de buurt anders van vorm, en in vervolg hierop werd de Prinses Irenelaan aangelegd en verbonden met het Zuideinde. In 1960 kwam het Hervormde bejaardencentrum Irene (beter bekend als Irenehuis) gereed op een locatie aan de zuidzijde van de buurt die in eerste instantie bedoeld geweest was voor bebouwing, vergelijkbaar met het type bebouwing dat aan het Prinses Beatrixplantsoen te vinden


4 Foto van het Irenehuis aan de Prinses Irenelaan net na de voltooiing, 1960 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

is. Aan de overzijde van de Prinses Irenelaan werden flats voor zelfstandig wonende bejaarden met service vanuit het tegenoverliggende Irenehuis gerealiseerd. Het Irenehuis was de opvolger van het Armenhuis van de Ned. herv. Diaconie aan het Mallegat. Toen het Irenehuis werd gebouwd, was er voor dit verouderde gebouw geen bestemming meer en werd het afgebroken. Het Irenehuis is in de loop van de tijd uitgebreid en getransformeerd. In 1995 kwam de Prins Bernhardflat met aanleunwoningen tot stand, die tegen het Irenehuis aangebouwd werd. In 2004 vond afbraak van een deel van het Irenehuis plaats in verband met nieuwbouw. In de periode 2006-2008 werd deze nieuwbouw en de renovatie van het gehandhaafde deel gerealiseerd. Ook op een andere locatie langs de Reest werd een meer publieke functie gerealiseerd. In 1961 werd aan de Prins Bernhardsingel noordzijde de kleuterschool Het Waterhoentje in gebruik genomen. Toen in 1980 het basisonderwijs geintegreerd werd in het lager onderwijs, is deze school afgebroken. Op de vrijgekomen grond werden appartementen gebouwd.

eerder gerealiseerde architectuur en getuigen van een mix van Traditionalistische en Modernistische gebouwen en stijlelementen. Alleen de flatbebouwing aan de Prinses Irenelaan en de zich ernaast bevindende woonhuizen, tot stand gekomen in de jaren ´60, getuigden van een strikt modernistische stijlesthetiek. Bronnen <Gerding, dr. M.A.W., Het erfgoed van de gemeente Meppel, Stichting Drents Plateau, Assen 2005> <Ponne, W.J. en Rinsema, T.J., Meppel in de twintigste eeuw, uitgeverij Boom, Meppel 1999> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <Kruiger, drs. J.B.T. e.a., Architectuur en stedebouw in Drenthe, 1850-1940, Waanders uitgeverij Zwolle, Rijksdienst voor de Monumentenzorg Zeist, 1991> <http://www.oudmeppel.nl> PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

Voetbalwedstrijd op het MSCveld aan de Weerdstraat. Op de achtergrond is een deel van de schoolgebouwen aan de Prinses Marijkestraat te zien; de Rijks-HBS en de Zuiderschool, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Sterk verzakelijkt Zakelijk Expressionisme De architectuur van de particuliere woningen in het gebied wordt voor het overgrote deel bepaald door architectuur van het Zakelijk Expressionisme. Deze stijl bepaalde de reguliere architectuur van de jaren ’30 in sterke mate. Dat hierbij van een zakelijke variant sprake is, wordt duidelijk wanneer we de architectuur in het Prinses Beatrixplantsoen vergelijken met die aan de nabije Kastanjelaan. De architectuur in de Beatrixplantsoenbuurt onderscheidt zich door het ontbreken van sterk decoratieve motieven, glas in lood en rollaagdetaillering in het metselwerk. De naoorlogse woonhuizen en complexen in de Beatrixplantsoenbuurt sluiten moeiteloos aan op de Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

373

GEBIED 13

◄◄


Gebied 13 Prinses Beatrixplantsoen

Legenda

374

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Openbare ruimte Behalve rond het plantsoen zijn alle straten in de buurt tweezijdig bebouwd. De woningen hebben zonder uitzondering een indirecte relatie met de straat, als gevolg van de aanwezigheid van voortuinen. Deze vormen een groene overgang met de straat, die toch niet zó diep is dat de relatie met de straat geheel verloren gaat. De erfafscheidingen bestaan in de meeste gevallen uit lage tuinmuurtjes, die de overgang van privé naar publiek domein een formeel karakter geeft, en tevens sterk bijdraagt aan de samenhang van het ruimtelijk beeld in deze buurt. Het plantsoen is volledig groen vormgegeven, zonder water en zonder verharde gedeelten, afgezien van de paden. Het plantsoen is afgescheiden van de rijweg met een rondlopende stoep, die op zíjn beurt is afgescheiden van het plantsoen met een laag, onopgesmukt hekwerkje. De planuitleg van het plantsoen is vrij functioneel, bestaande uit een assenkruis, waarbij één van de assen zich verbreedt tot een rechthoek, waarbinnen zich een ‘halterachtige’ figuur bevindt van een bloembed.

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

De buurt is gegroepeerd rondom het Prinses Beatrixplantsoen, dat een min of meer rechthoekig grondplan heeft en waarvan ook het plantsoenontwerp min of meer rechthoekig en functioneel is. Het kleine buurtje bestaat uit een rondgaande weg rondom het plantsoen, met vijf uitgaande straten, die behalve één, niet in elkaars verlengde liggen. Elke hoek van het plantsoen (behalve één) heeft derhalve maar één uitgaande weg, die haaks ligt op de richting van de weg in de tegenoverliggende hoek. Dit geeft aan het plantsoen een grote mate van ruimtelijke beslotenheid, ondanks de vrijstaande bebouwing. Buiten het plantsoen en omliggende bebouwing bestaat het buurtje nog uit de uitgaande straten Oranjelaan, Prinses Margrietlaan, Prinses Irenelaan alsmede de bebouwing langs de Prins Bernhardsingel. Niet de hele buurt stamt uit het eind van de jaren ’30/begin jaren ‘40. Na de oorlog is het bouwblok tussen het Prinses Beatrixplantsoen en de Oranjesingel/Prins Bernhardsingel verder afgemaakt en ingevuld met individuele villa’s in een stijl die het midden houdt tussen Traditionalisme en naoorlogs Functionalisme (zie hierna). Ook de Prinses Irenelaan valt er buiten. Deze heeft een wederopbouw-signatuur. Vrijwel de gehele buurt bestaat uit riante twee-onder-een-kappers, die op regelmatige afstand van elkaar en op regelmatige afstand van de weg zijn gesitueerd. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de situatie in het Wilhelminapark vormen de meeste tweeonder-een-kappers geen coherent bouwblok met de achterliggende bebouwing. Alleen bij de woningen tussen het Prinses Beatrixplantsoen, de Oranjelaan, en Prins Bernhardsingel is dat het geval. Verder is er alleen sprake van doorgaande coherente bebouwing aan de voorzijde. Niettemin zijn de achterliggende

gebieden vrijwel niet te zien vanaf de straten die tot deze buurt behoren. De kavels hebben alle een min of meer vergelijkbaar oppervlak. De ontsluiting van alle individuele kavels vindt direct plaats vanaf de straat.

Bebouwing en architectuur De twee-aan-twee geschakelde woningen zijn doorgaans groot van maat. Op enkele plekken komen, met name op hoekpercelen, individuele villa’s voor.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

375

GEBIED 13

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


376

Flexus AWC


4 ◄

Prinses Beatrixplantsoen

◄◄

Prinses Irenelaan

Prins Bernhardsingel

De twee-onder-een-kappers zijn vaak eenvoudige carrévormige volumes met aan elke zijkant een garage of zij-achteruitbouw, waardoor de doorzichten tussen de woningen ook grotendeels worden dichtgezet, maar alleen op begane grondniveau. De voordeur ligt doorgaans aan de straat, maar bij de villa’s soms ook wel aan de zijkant van het gebouw. In zijn algemeen zijn de kappen prominent onderdeel van de volumeopbouw en van de architectuur van de woningen in deze buurt, een middel dat in de eerste decennia van de 20ste eeuw, en zeker tijdens het Interbellum, vaak werd ingezet om het gebouw een zeer expressief karakter te geven, maar ook om het gebouw een air van luxe en huiselijkheid (benadrukken van de connotatie ‘beschutting’) te verlenen. De kappen lopen alle smal toe (dus geen afgeplatte kappen, zoals in de 19de eeuw vaak voorkwam). De jaren ’50 woningen langs de Prins Bernhardsingel en de Oranjestraat hebben minder prominente kappen die ook een flauwere hellingshoek hebben, precies zoals past bij de jaren ’50. De jaren ‘60-flat aan de Prinses Irenestraat heeft een plat dak. In het Prinses Beatrixplantsoen overheerst architectuur die zakelijker uitgevoerd, voortborduurt op de architectuur uit het Interbellum, maar ook architectuur uit de jaren ’50 komt voor, met name langs de Oranjelaan en de Prins Bernhardsingel. Architectuur uit deze twee perioden verhoudt zich zeer goed tot elkaar, als gevolg van overeenkomstig materiaal- en kleurgebruik, het gebruik van kappen, gelijkaardige toepassing van traditionele architectuurafwerking (waterslagen, daklijsten etc.). In de verzakelijkte Interbellumarchitectuur ligt de nadruk op horizontaliteit, die vaak versterkt wordt door de expressieve witte dakrand. Plastiek is een belangrijk onderdeel van de expressie van gebouwen uit deze periode. Voor de expressieve

plastiek worden functionele elementen als balkonnen, erkers, terrassen, luifels, sterk overhuivende dakranden en schoorstenen gebruikt. Elk plastisch element vormt visueel een volmaakte eenheid met het gebouw. Vensters zijn nooit gaten in de gevel, maar hebben een vensterindeling met houten of stalen stijlen, kalven, regels en roedes, die in veel gevallen de belangrijkste ornamentiek van de gevels vormt. Gevels hebben aan de bovenzijde een duidelijk ontworpen beëindiging, vaak in de vorm van een ver naar voren springende dakrand. Baksteen (in donkerrode en bruine tinten) is het hoofdmateriaal voor de gevel, dakpannen voor het dak. Hout is toegevoegd materiaal voor kleine geveldelen. Natuursteen(achtig beton) wordt gebruikt als decoratief accent, bijvoorbeeld als muurafdekker of als hoekblok van een entreepartij. Alle elementen zijn in aardkleuren uitgevoerd. De detaillering is ambachtelijk en zeer zorgvuldig. Het hout is fraai en decoratief gesneden, zoals van luifels en vooral van voordeuren. De jaren ’50-architectuur in de buurt wijkt op meerdere onderdelen hiervan af, met name de kappen zijn geen architectonisch statement meer en de gevelindeling, venstervormen en afwerking zijn zakelijker.

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

Prinses Beatrixplantsoen

Aantastingen/transformaties Het originele, eind jaren ‘30 en in de jaren ’40 en ’50 bebouwde Prinses Beatrixplantsoen is in zijn geheel nog gaaf. De randen van de wijk, die pas later zijn bebouwd, zijn daarentegen van een geheel andere signatuur, maat en schaal dan die waarmee deze buurt is opgebouwd. Het Irenehuis en de tegenoverliggende woonflat zijn vanaf de jaren ’60 grootschalige invullingen geweest in dit gebied. Deze liggen echter min

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

377

GEBIED 13

◄◄


378

Flexus AWC


4 ◄

Prinses Margrietlaan

of meer in het park, en verstoren de structuur van de buurt niet sterk. Ook de latere transformatie en verbouwingen van het Irenehuis zijn ten gevolge van de perifere ligging niet verstorend. Hetzelfde gaat op voor de nieuwbouw ter plaatse van de kleuterschool Het Waterhoentje.

Waardering De cultuurhistorische waarde van dit gebied is hoog. De historisch-maatschappelijke waarde van het gebied is gemiddeld. Het betreft de laatste uitbreiding van het grote villagebied in het zuiden van het Meppelse binnenstedelijke gebied, waar ook het Wilhelminapark toe behoort, het grootste aaneengesloten villagebied van Drenthe. De historisch-stedenbouwkundige waarde is hoog, omdat de buurt een fraaie representant is van een villabuurt in de overgangsperiode tussen het meer expressionistische Interbellum uit de jaren ’20 en ’30 en de zakelijke opzet van buurten met vrijstaande woningen uit de naoorlogse jaren. Bijzonder is ook de nauwe verwevenheid van de inrichting van de openbare ruimte en het orthogonale park en de gehele orthogonale opzet van de buurt. In combinatie met de grote bouwvolumes voorzien van de hoge kappen ontstaat een statig totaalbeeld. De architectonische coherentie van de buurt is hoog, met uitzondering van de laat-20ste eeuwse bebouwing tussen de Prinses Irenelaan en de Prins Bernhardsingel. Het wederopbouw-ap-

partementenblok langs de Prinses Irenelaan sluit eveneens niet aan op de historisch-architectonische karakteristieken van deze buurt, maar deze detoneert door zijn situering in het groen en de sterke gerichtheid van de gevel op de groene buitenruimte niet in deze buurt. Voor de overige gebouwen aldaar is hetzelfde van toepassing. De historisch-architectonische waarde is hoog vanwege de betrekkelijk hoge kwaliteit van de Zakelijk-expressionistische architectuur en de geringe aantasting daarvan. De ensemblekwaliteiten van de buurt zijn hoog, omdat het grootste deel van de Interbellumbebouwing alleen op kleine onderdelen van elkaar verschilt. De zeldzaamheidswaarde van de buurt is gemiddeld, de figuur van een monumentaal plantsoen met coherente bebouwing eromheen is voor de periode van het Interbellum niet uitzonderlijk.

PRINSES BEATRIXPLANTSOEN

Prins Bernhardsingel

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

379

GEBIED 13

◄◄


380

Flexus AWC


14

Jeruzalembuurt

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Jeruzalembuurt maakte deel uit van het Uitbreidingsplan in Hoofdzaken van 1943, dat samengesteld was door het architecten- en stedenbouwkundig bureau van ir. D. Roosenburg uit Den Haag, een bureau dat de gemeente vanaf 1938 adviseerde. In de periode voor de Tweede Wereldoorlog waren al verscheidene plannen voor de locatie gemaakt. In het Uitbreidingsplan van stadsarchitect Monsma uit 1928 werd dit gebied ten westen van Rechteren, tussen de Ceintuurbaan en de meanderende Wold Aa, bestemd voor een parkachtige invulling met een sportpark met voetbalveld en korfbalvelden. Ten oosten van Rechteren was een uitleg van straten en bouwblokken getekend, die ook deels gerealiseerd is (de Zeeheldenbuurt Oost). Het park en het sportpark in het westelijk deel is niet gerealiseerd. Voor de laatste functie kwam een locatie ten zuidoosten van Ezinge in zicht. In 1936 werd gestudeerd op de mogelijkheid op de locatie de veemarkt te plaatsen omdat de ruimte hiertoe in de Binnenstad meer en meer ontbrak. Dit ging uiteindelijk niet door omdat men uiteindelijk koos voor de plaatsing van het veemarktterrein op Het Vledder. Het uitbreidingsplan dat uiteindelijk als onderlegger voor het gebied (globaal omzoomd door de Ceintuurbaan, Wold Aa, de Commissaris de Vos van Steenwijklaan en de Jan van Galenstraat) zou gelden, stamde weliswaar uit 1943, maar werd hierna nog meerdere malen gewijzigd. Het betrof wijzigingen die betrekking hadden op de specifieke vormgeving van de Airey-woningen in de wijk (o.a. hellingshoek dak),

de introductie van een complex bejaardenwoningen (op deze locatie was eerst een bijzondere functie gepland), de introductie van een Apostolische Kerk, een school, en de aansluiting van het plan op de bebouwing aan de Michiel Adriaenszn de Ruyterstraat, en de introductie van duplexwoningen aan de Ceintuurbaan. Het definitief ontwerp van het gewijzigde ‘Uitbreidingsplan in Onderdelen Regteren’ kwam in 1949 ter stemming in de Raad. Het plan hanteerde volgens de gebruikelijke uitgangspunten van het Nieuwe Bouwen het strokenbouwprincipe. Het ging op een intelligente wijze om met het probleem dat aangesloten moest worden op de midden in het plangebied gelegen locatie van het oude ‘Rechteren’, c.q. het fabrieksterrein van de gebroeders Dengerink. Ten noorden hiervan en langs de Ceintuurbaan werd een oost-west verkavelingsrichting aangehouden waardoor lange zichtlijnen benadrukt werden. Waar meer ruimte op de locatie aanwezig was, plande men een noordzuidverkaveling waardoor binnengebieden ontstonden met tuinen met gelijkmatige bezonning. De straatprofielen werden hierbij intiem opgevat. Door een knik in de lengterichting te introduceren werden lange zichtlijnen gebroken. De plaatsing van groen diende deze ‘verkorting’ extra te benadrukken. Tegelijkertijd met de behandeling van het plan in de raad waren de plannen voor de Haveltermade al bekend, en door de ontwerpers werd de te formeren Witte de Withstraat, in aansluiting op de Soembastraat, al gezien als een belangrijke ontsluitingsweg van deze uitbreidingswijk aan de noordzijde van

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Bouw van de Jeruzalembuurt, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

381

GEBIED 14


382

Flexus AWC


4

◄◄

Hoek Ceintuurbaan - Witte de Withstraat, met zicht op de hier gebouwde duplexwoningen, jaren vijftig <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Wateroverlast 1960, vogelvlucht Jeruzalembuurt <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Rechterenschool, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

de Wold Aa. Niet toevallig werden de openbare functies in het Uitbreidingsplan Regteren aan de oostzijde langs deze weg gepositioneerd. In de jaren ’50 werd hier het kerkgebouw van de Apostolische Gemeenschap gebouwd in de traditionalistische stijl. Ten zuiden hiervan werd het schoolgebouw voor Voortgezet Lager Onderwijs (VGLO) in 1955 gerealiseerd in een functionalistische stijl met schoollokalen voorzien van expressieve lessenaarsdaken. Beiden waren gelegen aan weerszijden van een in oost-west richting lopende nieuwe weg, in het verlengde van de nieuwe Karel Doormanstraat, die de naam Jufferenpad kreeg; een naam die verwees naar het historische Jufferenpad dat vroeger de locatie Rechteren met Meppel verbond. Ofschoon in een eerder Plan in Hoofdzaak uit 1939 dat ir. Roosenburg voor de gemeente maakte nog sprake was van een inbedding van het kronkelige verloop van de Wold Aa omzoomd door een romantische parkinvulling c.q. plantsoen, was hiervan in het naoorlogse plan geen sprake meer. De Wold Aa werd in het definitieve plan rechtgetrokken en voorzien van een rationele groeninvulling. Hiermee werd de oorspronkelijke loop van deze rivier uitgewist. Niets in de huidige situatie doet hier nog aan herinneren. Het plan zoals in 1949 goedgekeurd door de gemeenteraad, is gerealiseerd met uitzondering van een strook woonbebouwing tussen de fabriek van Dengerink op ‘Rechteren’ en de jaren ’30 bebouwing aan de Jan van Galenstraat. De reden voor het afzien van dit bouwplan is onbekend. Aan de westzijde van het gebied was een terrein van de rioolwaterzuivering aanwezig.

Binnen het stedenbouwkundig plan werden verschillende woningen c.q. woningtypen gerealiseerd in drie complexen: - Een complex Aireywoningen (arch: J.F. Berghoef & Zwiers, Aalsmeer). - Een complex bejaardenwoningen (arch: R. de Vries, Den Haag). - Een complex Duplexwoningen aan de Ceintuurbaan (1950 gerealiseerd, 1999 gesloopt). De Duplexwoning betrof een nieuwe woonvorm die opkwam na de Tweede Wereldoorlog en een direct gevolg was van de heersende woningnood. Het was een woonvorm die ontstond uit de praktijk van het ‘inwonen’. Relatief ruime eengezinswoningen van twee bouwlagen waren tijdelijk gesplitst in een apart bewoonbare beneden- en bovenverdieping. Zo konden twee gezinnen worden ondergebracht in één woning. Na de woningnood zou één gezin de woning gaan bewonen. Het complex Airey-woningen De Airey-woningen die het grootste deel van de wijkbebouwing vormden (het betreft systeembouw, 110 grote en 14 kleine woningen met schuurtjes) werden in 1949 gebouwd in opdracht van de Meppeler Woningstichting, opvolger van de Meppeler Bouwvereniging (architecten: Berghoef en Zwiers). Vanwege de witte huizen kreeg de wijk de bijnaam Jeruzalem. Het waren de eerste woningen die na de Tweede Wereldoorlog in Meppel werden gebouwd. De buurt bestond uit strokenbouw, variërend in lengte van 4 tot en met 14 eengezinswoningen. Aan de voorzijde van de woningen bevond zich een klein tuintje, aan de achterzijde een langgerekte tuin waarin zich een geschakeld schuurtje bevond. De voortuinen waren als gemeenschappelijk groen behandeld, zonder afscheidingen, hoofdzakelijk bestaande uit door de gemeen-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Witte de Withstraat, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

383

GEBIED 14

◄◄


384

Flexus AWC


4 telijke plantsoenendienst onderhouden gazons met enkele heesters en borders. Woningtype A was gelegen aan de Woldkade en de M.A. de Ruyterstraat, woningtype B aan de Karel Doormanstraat, Witte de Withstraat, Trompstraat en de Evertsenstraat. Het woningencomplex is nu een provinciaal monument.

Gevels Aireywoningen, type A en B, schetsontwerp, november 1947 <archief gemeente Meppel>

◄◄

Plattegrond Aireywoningen, type A, november 1947 <archief gemeente Meppel>

Plattegrond Aireywoningen, type B, november 1947 <archief gemeente Meppel>

Johannes Fake Berghoef De architect die zijn stempel op het complex gedrukt heeft (de gemeente noemt zijn naam nadrukkelijk in briefwisselingen) is prof. Johannes Fake Berghoef (1903-1994) die tezamen met prof. H.T. Zwiers een licentie had op het bouwen met het systeem Airey. Berghoef begon zijn studie aan de Technische Hogeschool te Delft in 1921, waarna hij zich als architect vestigde in Aalsmeer. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij, op initiatief van architect Van Tijen samen met de architecten Merkelbach, van Embden en van Tijen in de illegale Studiekring voor de Woningbouw. De hier verrichte studies zouden antwoord geven op het naoorlogse volkswoningbouwvraagstuk. In 1946 behaalde Berghoef zijn ingenieursdiploma en in 1947 volgde hij Grandpré Molière op als hoogleraar in de architectonische vormleer aan de Technische Universiteit Delft. Tijdens de wederopbouwperiode was Berghoef op twee fronten actief: zowel in herstel van wat was vernield als in het bouwen van nieuwe woningen. Hij heeft in zijn omvangrijke oeuvre (ongeveer 830 werken) steeds geprobeerd vanuit de traditie tot ontwerpoplossingen te komen. Dit ook binnen de systeembouw. Hij was hiervan geen enthousiast aanhanger, maar stelde zich op hetzelfde standpunt als de overheid, namelijk dat vanwege het grote tekort aan geschoolde bouwvakkers en ambachtslieden naar nieuwe bouwmethodes moest worden gezocht om de woningvoorraad snel op peil te brengen.

Het Airey-systeem Het bouwsysteem waarin de woningen gerealiseerd zijn is het Nemavo-Airey-systeem dat werd ontwikkeld door het Engelse prefab Montage-systeem Airey (1947-1964). De bewerking en omwerking van het Engelse systeem gebeurde in jarenlange samenwerking van de directeur van de Nederlandse Maatschappij voor Volkshuisvesting (Nemavo), de heer M. van Saane, met Berghoef, Zwiers en een grote schare technici van de Nemavo, de Vries Robbé en Betondak Arkel. Geleidelijk werd het N.-A systeem, dat eerst uiteindelijk voor eengezinswoningen was bestemd, ontwikkeld tot een montagebouwsysteem voor etagewoningen en zelfs woontorens. De architecten Berghoef, Zwiers en Klarenbeek ontwierpen bijna alle Airey-complexen in Nederland. Voor de bouw van de N.-A woningen werden veel betonnen elementen gebruikt. Met name de gevel van het systeem kent een innovatieve aanpak waarin architectuur en bouwtechniek samenvallen. De woningen zijn opgetrokken uit geprefabriceerde gewapend betonnen stijlen waartegen aan de buitenzijde gewapend betonnen panelen zijn bevestigd. Aan de binnenzijde van de stijlen bevinden zich houtwolcementplaten en een klamplaag van drijfsteen. De vloeren bestaan uit tralieliggers, met daar bovenop houten vloerdelen. Het dak bestaat vaak uit (traditionele) houten sporen met daarop dakbedekking. Op deze manier ontstond er een besparing op materialen en geschoolde arbeiders. Er is in meerdere gemeenten in Nederland geëxperimenteerd met het Airey-systeem. In Drenthe zijn alleen woningen gerealiseerd in Emmen, Meppel en Hoogeveen. De woningen in Emmen zijn inmiddels gesloopt. De woningen in Hoogeveen zijn bekleed met baksteen. Andere exemplaren in Drenthe zijn niet bekend.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Plankaart Rechteren, 1948 <archief gemeente Meppel>

385

GEBIED 14

◄◄


386

Flexus AWC


4 ◄

Karel Doormanstraat, jaren ‘40- ‘50 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Witte de Withstraat en brug over de Wold Aa, jaren ‘40‘50 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Bejaardenwoningen 1947 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De woningen in Meppel vormen hiermee de enige nog enigszins originele exemplaren in Drenthe. Het complex bejaardenwoningen Het complex is in 1947 in opdracht van de gemeente Meppel gerealiseerd en bestaat feitelijk uit 14 woningen + een gemeenschapsgebouw aan de Woldkade en Evertsenstraat en 6 elders gerealiseerde woningen in de vorm van een blokje met 4 woningen aan de Michiel Adriaenszn de Ruyterstraat en een blokje met 2 afwijkende woningen aan de Piet Heinstraat. De woningen werden - in een tijd van grote woningnood - gerealiseerd voor ouden van dagen en onvolledige gezinnen. Deze konden hiermee plaats maken voor gezinnen in de door hen bewoonde woningen. Het meest in het oog springend is het hofcomplex aan de Woldkade/Evertsenstraat. De twee andere woningblokjes werden elders in het plan opgenomen ten behoeve van de aansluiting van het nieuwe stedenbouwkundig plan op de zuidelijker gelegen bestaande bebouwing. Het hofcomplex is gerealiseerd op een terrein dat in het bestemmingsplan Regteren in eerste instantie bestemd was voor een bijzondere functie, maar uiteindelijk met deze woningen ingevuld is. De architect introduceerde een van de rest van de wijk afwijkende hofvorm, maar trachtte met de positionering van de woningblokken wel aan te sluiten op de richtingen van de overige woningblokken. Om de relatie met de Airey-woningblokken extra te benadrukken werden dezelfde dakhelling en hetzelfde materiaal van de dakbedekking gebruikt als bij de montagebouwwoningen. Anderzijds werd de klemtoon op de eigen groep gelegd door afwijkend materiaal en kleur van de gevel. De voor- en zijgevel van de woningblokjes waren opgebouwd uit roodgrijze baksteen. De gevel was ter plaatse van de verdieping aan de noordzijde

geheel wit geverfd. Ter plaatse van de slaapkamer, op de begane grond, bevatte ook de zuidgevel witte delen. De woningen hadden een flauw hellend zadeldak in twee helften en werden op traditionele wijze gebouwd. Het hofcomplex bestond uit drie woningblokken om een gemeenschappelijk binnengebied; een blok van zes, een blok van vijf en een blok van drie woningen. De woningen werden zo georiënteerd dat steeds het woongedeelte aan de meest bezonde kant was gelegd. Als consequentie hiervan keerde het kleinste blok zich van het binnenterrein af en had dus de tuinen aan de straat en de toegangen aan het binnengebied, zodat direct een te sterk ‘hofjesidee’ aan het plan ontnomen werd. In het midden van het terrein bij de oostelijke doorgang was dit kleinste blok afgesloten door een centraal punt waarin zich de centrale verwarmingskelder, de fietsenkelder en de centrale hal annex kantoortje voor stoker-conciërgeadministrateur bevonden. Bedoeling was dat de bewoners behalve de gemeenschappelijke hof ook een eigen tuintje tot hun beschikking hadden, zodat ze de vrijheid kregen contact te leggen of zich terug te trekken. In het oorspronkelijke plan werden de eigen tuintjes van het gemeenschappelijke gazon op het binnengebied afgescheiden door lage hagen. Om financiële redenen zijn deze hagen uiteindelijk weggelaten.

JERUZALEMBUURT

Trompstraat, jaren ‘40- ‘50 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Romke de Vries De architect van het complex bejaardenwoningen is ir. Romke Romke de Vries (1908-1997, Den Haag). Hij is één van de architecten die aan de volkshuisvestingsexperimenten (systeembouw, plattegronden) en scholenbouw uit de wederopbouwperiode een bijdrage geleverd heeft. Romke de Vries was afgestudeerd bij Berghoef (de architect van de Airey-woningen in

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

387

GEBIED 14

◄◄


388

Flexus AWC


4 Maquette

het bestemmingsplan Regteren), maar vanwege onenigheid met zijn begeleider (Berghoef was traditioneler in zijn architectonische opvattingen), verliep zijn afstuderen vrij moeizaam. Qua stijl moet Romke R. de Vries gerekend worden tot de naoorlogse modernisten. Binnen het naoorlogs modernisme was een grotere variatie aan vormen en materialen mogelijk, dan in het modernisme uit de vooroorlogse periode, hetgeen resulteerde in een vriendelijker uitstraling. In de architectuur van De Vries vond dit zijn vertaling in gevels uitgevoerd in baksteen, soms geschilderd, met grote ramen waardoor een sterke relatie tussen binnen en buiten ontstond. Maar ook het interieur was voor hem zeer belangrijk, zowel qua ruimtelijke werking als de aankleding. De bejaardenwoningen in Meppel getuigen van deze opvatting. Romke de Vries werkte o.a. samen met bekende namen als Aldo van Eyck en Jaap Bakema. Voor Drenthe heeft hij door zijn inspanning voor de woningbouw en scholenbouw ook zeer veel betekend. Het project in Meppel is niet het enige woningbouwcomplex voor bejaarden dat Romke de Vries gerealiseerd heeft. In 1953 ontwierp hij 22 woningen voor ouderen te Sassenheim.

Bronnen <http://www.provincialemonumentendrenthe.nl/ monumenten/jeruzalem-buurt.html> <archief stadskantoor gemeente Meppel, dossier 701 (1946-1963), Uitbreidingsplan in Onderdelen, Regteren etc.> <ir. R. de Vries, Bouw 1951, p 442 – 445, 21 woningen te Meppel> <http://books.google.co.uk/books?id=ilVIu2efLXEC &pg=PA28&lpg=PA28&dq=berghoef+airey&source= bl&ots=35eCYwRqjN&sig=Tt4DCNVXWdqjayYiRanV9 mNI-yQ&hl=en&sa=X&ei=9k9wT-_nBZGgOsTGvP0F &ved=0CEsQ6AEwBg#v=onepage&q=berghoef%20 airey&f=false> <http://zoeken.nai.nl/CIS/persoon/3718: Romke R. de Vries (1908-1997), Architect van de wederopbouw, Door: Anne Marie Boon, Richard van Hout en Alexander van der Wel m.m.v. Tjeerd Boersma en Michiel Kruidenier> <http://zoeken.nai.nl/CIS/object/735> <http://www.oudmeppel.nl>

JERUZALEMBUURT

Doorsnede en plattegrond van het complex bejaardenwoningen <R. de Vries, 21 woningen te Meppel, Bouw 1951, blz. 442-445>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

389

GEBIED 14

◄◄


Gebied 14 Jeruzalembuurt

Legenda

390

Flexus AWC


De Jeruzalembuurt is een typisch voorbeeld van een vroeg-naoorlogse systeembouwwijk die stedenbouwkundig is uitgelegd volgens een voor die tijd innovatieve strokenbouw. De wijk wordt in het zuiden begrensd door de Ceintuurbaan, in het noorden en westen door de Wold Aa en in het oosten door het gebied Rechteren. De bebouwing aan de Woldkade loopt door tot aan de Commissaris de Vos van Steenwijklaan. Centraal in de wijk ligt de Witte de Withstraat, die niet alleen de Zeeheldenbuurt Noord, maar ook de wijk Haveltermade ten noorden van de Wold Aa met het centrum van Meppel verbindt. De Witte de Withstraat wordt aan de oostzijde begrensd door een kerkgebouw en een schoolgebouw. De wijk bestaat overwegend uit geschakelde woningbouw van het zogenaamde Airey-systeem, gebouwd in 1949 in opdracht van de Meppeler Woningstichting. Het betreft 124 eengezinswoningen in stroken variërend in lengte van 4 tot 18 woningen, allen voorzien van voor- en achtertuin met geschakelde schuurtjes. De ruime stedenbouwkundige opzet met veel groen en diepe percelen in combinatie met de lage, kleinschalige bebouwing levert een open en ruimtelijk beeld op. Dit is het meest nadrukkelijk aan de Woldkade, waar de woningen uitkijken op de Wold Aa. Daar waar de blokken met de kopse kant naar de Woldkade zijn gericht, wijken deze iets uit elkaar, waardoor het binnenterrein geleidelijk aan breder wordt. Dit versterkt het ruimtelijk beeld. Naast de Airey-woningen zijn er drie andere typen woningen in dit gebied te vinden. Het eerste betreft een klein woningtype, oorspronkelijk bejaardenwoningen, van twee lagen aan de straatzijde en één laag aan de achterkant, met geringe verdiepingshoogte

en woningdiepte. Deze woningen liggen direct aan de straat en hebben een zeer kleine achtertuin. Ze zijn gesitueerd rondom gemeenschappelijk groen in het gebied ten westen van de Evertsenstraat. Tevens is er een blokje van vier van deze woningen te vinden op het binnenterrein van de bebouwing aan de M.A. de Ruyterstraat, tussen de Piet Heinstraat en de Woldkade in. De woningen zijn ontworpen door de architect Romke de Vries. Een afgeleide variant van dit basistype staat aan het eind van de Piet Heinstraat, een kleine twee-onder-een-kap, als inpassing tussen de jaren ´30 bebouwing aldaar en de strokenbouw aan de Woldkade. Tegenover dit blokje bevindt zich een blokje van twee woningen dat reeds rond 1950 is gerealiseerd, tegelijkertijd met de Airey-woningen, maar dat van een ander afwijkend woningtype is, identiek aan de woningen in het zuidelijke deel van de Burgemeester Mackaystraat en de Dokter M.A. Dhontstraat. Ze bestaan uit twee lagen met een schilddak en hebben een voortuin en een achtertuin met schuurtje. Het derde type ligt aan de Ceintuurbaan en is van een geheel andere orde. Oorspronkelijk stonden hier vijf blokken van vier en één blok van twee zogenaamde duplexwoningen, gebouwd in 1950. Deze zijn echter in 1999 gesloopt en vervangen door vrije sector koopwoningen. De nieuwe woningen vormen een aaneengeschakeld geheel op de begane grond, maar door de loskoppeling van de verdiepingen kan dit type beschouwd worden als geschakelde tweeonder-een-kap. In het ruime profiel van de Ceintuurbaan komt deze bebouwing goed tot zijn recht. De ritmiek van de bouwvolumes sluit enigszins aan op de jaren ´30 bebouwing aan de overzijde van de Ceintuurbaan, de verschillen in architectuur en kapconstructie zijn echter aanmerkelijk. De toepassing van een lessenaarsdak zorgt ervoor dat de bebou-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

391

GEBIED 14

Ruimtelijke beschrijving en waardering


392

Flexus AWC


4

◄◄

Evertsenstraat

Woldkade

Piet Heinstraat

wing aan de achterkant qua hoogte aansluit op de laagbouw van de achterliggende wijk. Over het geheel gezien is de Jeruzalembuurt zeer coherent door de consequente toepassing van strokenbouw van overwegend hetzelfde type (Airey), of het qua maatvoering vergelijkbaar type (bejaardenwoningen). Uitzondering is de afwijkende bebouwing aan de Ceintuurbaan, die daar echter qua maat en schaal goed is ingepast. De bebouwing ten westen van de Woldkade maakt ook onderdeel uit van dit gebied, maar kan volledig losstaand van de woonwijk gezien worden. De driehoek die verder begrensd wordt door de Wold Aa en de Ceintuurbaan was vroeger het terrein van de rioolwaterzuivering. Tegenwoordig is hier de OBS De Woldstroom gehuisvest. Dit schoolgebouw uit 1997 is in 2007 uitgebreid met een sportzaal en een peuterverblijf. Daarnaast is aan de Ceintuurbaan in 2011 in de nabijheid van de T-splitsing met de Eendrachtstraat en de waterloop van de Oude Vaart/Mallegat/ Wold Aa een appartementencomplex van 9 lagen hoog gerealiseerd. Aan de Witte de Withstraat bevinden zich nog steeds ‘bijzondere gebouwen’. Het kerkgebouw van de Apostolische Gemeenschap uit de jaren ’50 is hier in 2006 gesloopt en vervangen door nieuwbouw voor hetzelfde genootschap. Ten zuiden hiervan het is het schoolgebouw voor Voortgezet Lager Onderwijs (VGLO), tegenwoordig het onderkomen van de Rechterenschool (per 1 augustus 2012 Stad & Esch praktijkschool) in noordelijke richting uitgebreid, waarbij de verbindingsweg Karel Doormanstraat – Jufferenpad naar het noorden is omgeleid en sindsdien iets noordelijker uitkomt op de Witte de Withstraat.

Openbare ruimte Kenmerkend voor de wijk is het ruime, open karakter, als gevolg van kleinschalige strokenbouw met relatief diepe percelen en grote voortuinen. Het groen speelt een belangrijke rol. De Woldkade is hiervan het toonbeeld: de openheid en het groene karakter manifesteert zich hier door het brede profiel van de Wold Aa, met plantsoenen aan weerszijden, afwisselende boombeplanting daarin en lage bebouwing met ruime voortuinen. Ook de andere straten onderstrepen dit groene, open beeld, door de alom aanwezige voortuinen en open gazons. In de Trompstraat daarentegen overheersen de grote bomen. Elders in de wijk is de boomaanplant beperkt. Enkele exemplaren zijn aanzienlijk van formaat en daarmee beeldbepalend. Opvallend is de diversiteit in voortuinen en het effect hiervan op de ruimtebeleving. Oorspronkelijk waren de voortuinen een open gazon, met als enige accent twee lage paaltjes aan de straat als markering van het eigen tuinpad naar de voordeur. Een erfafscheiding was er niet, de perceelsgrens liep onzichtbaar over het gazon. Op een aantal plekken is dit nog steeds aanwezig. Echter, daar waar de voortuinen zijn omheind of zijn volgegroeid is deze openheid verloren gegaan. Volledig betegelde voortuinen doen afbreuk aan het groene karakter. Meermaals wordt de laatste woning in een rij aan de voor- en zijkant omringd door een groot gazon. De openheid is daar maximaal. Op de hoek van de Witte de Withstraat en de Karel Doormanstraat is in het gazon een speelplaats opgenomen, tevens de enige in de Jeruzalembuurt. De Airey-woningen hebben allen een tuin van redelijk formaat. De woningen tussen de Evertsenstraat en de Woldkade hebben daarentegen zeer kleine tuinen.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Witte de Withstraat

393

GEBIED 14

◄◄


394

Flexus AWC


4 ◄◄

School, Jufferenpad

Appartementencomplex, Ceintuurbaan

Dit betreft dan ook een ander woningtype, van oorsprong bejaardenwoningen. Ze zijn gelegen aan een gemeenschappelijk binnenterrein dat is ingericht als gazon. Het terrein wordt aan de noord- en zuidzijde van de straat afgeschermd met respectievelijk struiken en bomen en een haagbeplanting. Deze woningen liggen direct aan de straat en hebben als enige in de wijk geen voortuin. De overwegend aan twee zijden van laagbouw voorziene Ceintuurbaan heeft door het verder van de weg liggende schoolgebouw en het 9-laagse appartementencomplex tussen de Woldkade en de Wold Aa plaatselijk een ander karakter. Het schoolplein en aangrenzende plantsoen vormen een open ruimte, die langs de Ceintuurbaan door enkele bomen min of meer wordt beëindigd.

Bebouwing en architectuur

◄◄

Apostolische Gemeenschap

Naast de schoolgebouwen aan de Woldkade en Witte de Withstraat, het kerkgebouw aan laatstgenoemde straat en het 9-laagse appartementencomplex aan de Ceintuurbaan, bestaat de Zeeheldenbuurt Noord uit drie verschillende woningtypen. De hoofdmoot van de bebouwing bestaat uit de Airey-woningen, 124 in totaal, naar een ontwerp van J.F. Berghoef. De eengezinswoningen van twee verdiepingen op rechthoekige plattegrond zijn opgetrokken uit gewapend geprefabriceerde betonnen panelen, bevestigd op dito stijlen, en gedekt door een flauw hellend zadeldak met een mastgoot. De gevels worden geleed door staande en liggende gevelopeningen met betonnen omlijsting (de kunststofvensters zijn niet origineel; deze waren oorspronkelijk van donker staal). De met een lessenaardak afgedekte schuurtjes zijn eveneens opgetrokken uit gewapend betonnen stijlen en panelen. Dit bijzondere woningtype, in combinatie met de

kwaliteit van de groenaanleg en de situering van de woningblokken, is aanleiding geweest om deze buurt aan te wijzen als provinciaal monument. Het tweede type betreft een klein bakstenen woningtype uit dezelfde periode als de Airey-woningen. Dit type, ontworpen door Romke de Vries, bestaat uit twee lagen aan de straatzijde en één laag aan de achterzijde, een dubbel lessenaarsdak, afgedekt met bitumen, en een doorlopende vensterstrook tussen de in hoogte verspringende dakdelen. Deze oorspronkelijke bejaardenwoningen liggen direct aan de straat en hebben een heel klein achtertuintje. De voorgevels zijn zeer gesloten met twee kleine vensters op de begane grond en één venster op de verdieping. De laatste is uitgevoerd met een houten gevelbekleding onder het kozijn, in compositie een verticale strook vormend met de onderliggende voordeur. De achtergevels zijn voorzien van een pui met deur, een naastliggend raam en een buitenbank. Oude foto’s laten zien dat de architectuur van het complexje van Romke de Vries oorspronkelijk veel rijker is geweest dan nu het geval is: de gevels waren aan de bovenzijde in een lichte kleur gekeimd en de achtergevels waren voorzien van zogenaamde ‘televisieramen’, vensters met sterk uit het vlak stekende kozijnen. Vijftien van deze woningen liggen geschakeld in drie blokken aan weerszijden van een gemeenschappelijk binnenterrein aan de Woldkade en de Evertsenstraat. Centraal in de bebouwing aan de laatste straat is op de kop van één blok een gemeenschappelijk gebouw gesitueerd dat bestaat uit twee lagen met flauw hellend zadeldak en een zijaanbouw van één laag met plat dak. Nog zes woningen van dit type liggen tussen de Woldkade en de Piet Heinstraat. Aan de Ceintuurbaan ligt een heel ander woningtype, met neo-moderne gevelarchitectuur.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

School, Ceintuurbaan

395

GEBIED 14

◄◄


396

Flexus AWC


4 Transformaties en aantastingen De enige grote transformatie op stedenbouwkundig niveau heeft aan de Ceintuurbaan plaatsgevonden. Hier zijn de zogenaamde duplexwoningen uit 1950 gesloopt om ruimte te maken voor nieuwbouw. Deze nieuwbouw wijkt qua architectuur en vormentaal sterk af van de kleinschalige bebouwing in de achterliggende wijk. Echter, doordat deze nieuwbouw op de Ceintuurbaan is georiënteerd en aan de achterkant, naar de wijk toe, lager is uitgevoerd, doet het weinig afbreuk aan de coherentie van de wijk. In vormentaal is deze architectuur uitgesproken maar het sluit in kleurgebruik en plastiek goed aan op de overzijde, waardoor de Ceintuurbaan een evenwichtig profiel houdt. De stedenbouwkundige hoofdopzet van de wijk is verder onaangetast, met één uitzondering. Ten gevolge van de uitbreiding van de school aan de Witte de Withstraat in noordelijke richting heeft een omlegging van het Jufferenpad plaatsgevonden in noordelijke richting. De school is hier sterk versoberd door een renovatie waarbij de lessenaarsdaken zijn verwijderd en door utiliteitsbouwachtige uitbreidingen uit de jaren ’80, met een dozig karakter. De uitbreiding van het schoolgebouw heeft er voor gezorgd dat de bebouwing dichter aan de Witte de Withstraat is komen te liggen. Hier is, medebepaald door de beplanting, sprake van aantasting van de oorspronkelijke openheid. Het traditionalistische kerkgebouw van de Apostolische Gemeenschap op de naastliggende locatie is gesloopt en vervangen door een in 2006 gebouwd kerkgebouw in neo-modernistische stijl, waarbij de huidige inrichting van het terrein gedeeltelijk afbreuk doet aan het oorspronkelijke open en groene karakter van de straat. Op de plaats van de school en het appartementen-

complex op het voormalige rioolwaterzuiveringsterrein heeft weliswaar oudere bebouwing gestaan, maar deze locatie is in stedenbouwkundige opzet niet wezenlijk veranderd. Bovendien is dit gebied door de brede maatvoering van het op de Ceintuurbaan aansluitende deel van de Woldkade in ruimtelijke zin voldoende van het overige gebied van de Jeruzalembuurt gescheiden. De invloed van de nieuwbouw op de wijk is gering. De architectonische veranderingen in deze buurt zijn daarentegen opvallender. In 1984 zijn de Airey-woningen gerenoveerd, de plattegronden zijn gewijzigd en de vensters vervangen door kunststofkozijnen, waarbij de gevelopeningen zoveel mogelijk intact zijn gebleven; wel is de vierruits roedenverdeling verdwenen. Tevens zijn de kunststofkozijnen wit uitgevoerd, terwijl de originele stalen kozijnen een donkere kleur hadden. Voorts is de bitumineuze dakbedekking vervangen door dakpannen en zijn de smalle hoge schoorstenen verlaagd. In 2003 zijn de gevels van de Airey-woningen deels in andere kleuren geschilderd. De donkerblauw-grijze en wit geverfde vlakken contrasteren met de van oorsprong geheel grijze geveldelen. In 2012 worden deze vlakken weer verwijderd. De witgeschilderde delen van de gevels van de woningen van het bejaardencomplex zijn gereinigd waardoor de compositorische lichtheid van deze gevels teniet gedaan is. De aanpassingen aan het complex bejaardenwoningen van Romke de Vries heeft grotere gevolgen gehad voor de kwaliteit van de architectuur dan die van de Aireywoningen. De witte keimlaag van de bovengevels is verwijderd en de televisieramen zijn vervangen door gewone puien, waardoor de achitectuur veel van zijn expressie, lichtheid en speelsheid heeft verloren.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

Ceintuurbaan

397

GEBIED 14


Over het algemeen gezien is de wijk nog zeer coherent, alle Airey-woningen zijn nog aanwezig en zijn als ensemble waardevol. Wel moet opgemerkt worden dat de inrichting van het voorerf een belangrijke rol speelt in de ruimtelijke beleving en het open en groene karakter van de wijk. De van oorsprong als gazon uitgevoerde voortuinen zijn doorheen de wijk op veel plekken niet meer als zodanig aanwezig. Dit kan gezien worden als een aantasting. Een behoorlijk aantal voortuinen is omheind, dicht begroeid of grotendeels verhard. Ook zijn er voorerven ingericht als parkeerplaats.

398

Flexus AWC

Waardering De cultuurhistorische waarden van deze buurt zijn hoog, met als aantekening dat: • binnen deze buurt het rioolwaterzuiveringsterrein en de strook bebouwing langs de Ceintuurbaan een cultuurhistorische basiswaardering heeft; deze zijn van recente datum. De historisch-maatschappelijke waarde is hoog, omdat deze buurt als geen ander de Wederopbouwperiode representeert, waarin het de opgave was op goedkope wijze en met behulp van geïndustrialiseerde bouwtechnieken goedkope volkswoningbouw te realiseren, waarbij toch is gezocht naar middelen om ruimtelijke kwaliteit en woonkwaliteit in het plan in te bouwen. Het is ook het eerste project in Meppel waarin werd geëxperimenteerd met open (stroken)verkaveling. Geen enkele buurt in Meppel representeert de geest van de naoorlogse jaren zo goed als de Jeruzalembuurt. Deze buurt is ook de opmaat geweest voor andere naoorlogse woonwijken in Meppel. De waarde van deze buurt komt tot uitdrukking in het feit dat een groot deel van de buurt, namelijk de Airey-woningen, tot provinciaal monument zijn verklaard. Dit complex Aireywoningen is het enige nog grotendeels intacte complex Airey-woningen in Drenthe. Hoewel geen monument, zijn ook de bejaardenwoningen van Romke de Vries bijzonder. Het geheel is subtiel afgestemd op de Aireywoningen en is specifiek ontworpen voor één doelgroep: bejaarden, die in een toen experimentele, opnieuw geïnterpreteerde hofvorm werden gehuisvest.


4

De historisch-architectonische kwaliteiten zijn gemiddeld: de architectuur van de Airey-blokjes zijn typisch voor het Airey-systeem, waarbij vooral de systematisering en industralisering van het bouwen centraal stond, maar er niettemin is ontworpen aan enkele verbijzonderingen van de architectuur. De architectuur is hiermee niet rijk geworden, maar wel specifiek. De bejaardenwoningen zijn daarentegen van een hoger architectonisch niveau. De massa-opbouw

De buurt is als geheel op stedenbouwkundig niveau gaaf gebleven. De gaafheid van de architectuur is met de vervanging van de kozijnen en deuren in zekere mate aangetast.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Hoog’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

JERUZALEMBUURT

De ensemblekwaliteiten zijn hoog: de gehele buurt kent dezelfde stedenbouwkundige figuren en de architectuur van alle Airey-blokjes en die van de Romke de Vries-blokjes is identiek. De architectuur van de Romke de Vries-blokjes is in hoofdlijnen afgestemd op die van de Aireywoningen.

van de blokjes heeft een complexere vorm en de architectuur is met meer verbeeldingskracht uitgewerkt. Het complexje als geheel heeft een uiterst geslaagde, bij de toenmalige functie passende maat, schaal en architectonische uitdrukking. Het traditionele wonen in een bejaardenhofje is hier op een verrassende modernistische wijze vertaald.

399

GEBIED 14

De historisch-stedenbouwkundige waarden zijn gemiddeld: er zijn weinig verschillende typen blokjes en geen winkels, zoals bij veel Airey-complexen elders in het land, maar daarentegen zijn er wel weer zeer ruime straatprofielen, riante voortuinen en achtertuinen. Voor Airey-woningen is dit zeker bijzonder. De open kanten van de bouwstroken zijn niet opgelost, maar door middel van de knik in het stratenpatroon is er op subtiele wijze een verbijzondering in het verder vrij gelijkmatige patroon aangebracht. De bejaardenwoningen hebben de opzet van een gemeenschappelijke groene hof, die uitstekend aansluit op de open en groene opzet van de wijk. De hof heeft een kleine, intieme schaal, die goed correspondeert met de intimiteit en kleinschaligheid van de aangrenzende woningen.


400

Flexus AWC


15

Burgemeester Mackaystraat

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het gebied Burgemeester Mackaystraat e.o. wordt voornamelijk gekenmerkt door architectuur uit de wederopbouwperiode. Het betreft voor het overgrote deel woningwetwoningen die gerealiseerd zijn door de Meppeler Woningstichting in de directe nabijheid van de spoorlijn Meppel – Leeuwarden. Alleen de woningen aan de burgemeester Knopperslaan zijn woningen van particulieren. De totstandkoming van het gebied Het gebied Burgemeester Mackaystraat e.o. is tot stand gekomen na 1945. Een uitzondering hierop vormen de woningen aan de Burgemeester Knopperslaan. Deze woningen zijn in de periode 1936 – 1943 tot stand gekomen op basis van het Uitbreidingsplan van Meppel uit 1928 waarin de Burgemeester Knopperslaan als verbindingsweg tussen de Parallelweg en het noordwestelijk uitbreidingsgebied van de gemeente geïntroduceerd werd. De woningen aan de Burgemeester Mackaystraat e.o. zijn gerealiseerd op basis van een opeenvolging van plannen uit het Interbellum tot in de jaren ’40. Hierbij moet een onderscheid gemaakt worden tussen het zuidelijk deel, het gebied tot aan de Allee, en het gedeelte ten noorden van deze weg. De Allee was een bestaande weg die aan de noordzijde de zogenaamde ‘Vledderlanden’ begrensde en onder andere een boerderij die aan de oostzijde hiervan gelegen was, ontsloot (zie hiertoe o.a. de kadastrale minuut van 1832). De Vledderlanden waren natte weilanden die zich direct ten noordoosten van de oude stadskern bevonden.

Plannen voor het gebiedsdeel zuidelijk van de Allee. Het gebied dat zuidelijk van de Allee gelegen was, en dat omvat wordt door de Burgemeester Knopperslaan, de Burgemeester Mackaystraat en de Allee was vanouds onderdeel van de Vledderlanden. Deze weilanden werden al doorsneden met de spoorbaan Meppel - Heerenveen eind jaren ‘60 van de 19de eeuw, waarop de Allee van een overweg voorzien werd. Na de tweede doorsnijding in 1916 met de introductie van de trambaan Meppel – Hijkersmilde werd het meest oostelijk gelegen gedeelte van de Vledderlanden aan de noordoostkant van de trambaan en ten westen van de spoorbaan Meppel – Leeuwarden door de jeugd bij vriesweer gebruikt als ijshockeyterrein in het verlengde van de ‘s winters op de Vledderlanden aanwezige schaatsbaan. Met de introductie van het Uitbreidingsplan van Meppel in 1928 werd dit kleine gebiedje bestemd als locatie voor woningbouw met een klein middenplantsoen. Ook de latere Burgemeester Mackaystraat langs de spoorbaan werd op de plantekening geïntroduceerd; ook hierlangs was woningbouw gedacht. Voorlopig kwam het hier echter niet van bouwen. Wel werd in 1934 de Burgemeester Knopperslaan aangelegd.

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Burgemeester Mackaystraat vanaf de spoorwegovergang bij de Allee. Burgemeester Mackaystraat 17 t/m 39. Uiterst rechts zijn de verhoogde armseinen van het spoor te zien, 1951 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

In 1935 werd door Gemeentewerken een nieuw plan voor de bebouwing op de Vledderlanden gemaakt. Aanleiding voor het plan was de wens de Veemarkt naar de Vledderlanden te verplaatsen. Het gebiedje ingeklemd door de Burgemeester Knopperslaan en de Allee kreeg in dit nieuwe plan een bestemming als woningbouwlocatie en een stratenuitleg die over-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

401

GEBIED 15


402

Flexus AWC


Uitsnede van een kaart met een van de planvarianten van Gemeentewerken voor de veemarkt, 1935; hierop het voorstel met bebouwing voor het zuidelijk deel van de Mackaystraat, in aansluiting op de plankaart van het Uitbreidingsplan uit 1928 <dossier 696, archief gemeente Meppel>

Uitsnede uit de plankaart van het Uitbreidingsplan Zwart 1943; met hierop een nog ruime opzet van de bebouwing, de bebouwing aan de Burgemeester Knopperslaan is inmiddels deels tot stand gekomen <dossier 696, archief gemeente Meppel>

◄◄

Uitsnede uit de plankaart van het Uitbreidingsplan Rood 1943; met hierop een nog ruime opzet van de bebouwing in het noordelijk deel van de Mackaystraat <dossier 696, archief gemeente Meppel>

4

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Uitsnede van kaart van de Vledderlanden, waarschijnlijk rond 1927; goed zichtbaar het tramtrace van de NTM, de spoorbaan en de Allee <dossier 696, archief gemeente Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

403

GEBIED 15

◄◄


404

Flexus AWC


4

◄◄

Burgemeester Knopperslaan, bocht met rechts de ingang van de Burgemeester Mackaystraat, 1948 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Burgemeester Knopperslaan, woningen gebouwd in 1937, 1937 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

eenkomt met de uitleg die uiteindelijk na de Tweede Wereldoorlog gerealiseerd is. In 1936 werd nog in verband met twijfels over de juiste positie voor de veemarkt een variant onderzocht waarin deze naar dit gebiedje verplaatst werd, maar deze plannen werden gepasseerd door het besluit van de gemeenteraad in 1937 toch te kiezen voor de locatie aan de Marktstraat op Het Vledder. In de hierop volgende periode werden aan de Burgemeester Knopperslaan de eerste woningen gerealiseerd; hier op particulier initiatief. Van verdere bebouwing kwam het nog niet. Er vonden weer wijzigingen in de plannen plaats toen het architecten- en stedenbouwkundig bureau van ir. D. Roosenburg uit Den Haag als stedenbouwkundig adviseur door de gemeente aangetrokken werd. In 1943 werd het Uitbreidingsplan ‘Zwart’ vastgesteld waarin de Allee werd rechtgetrokken en voorzien van een smal middenplantsoen. De woningen in het plan werden nu, overeenkomstig het moderne adagium ‘licht en ruimte’ als losse woningblokjes op de plankaart getekend. Hierop werd in 1948, na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog een wijzigingsplan van het Uitbreidingsplan ‘Zwart’ vastgesteld. De planlayout zoals uiteindelijk gerealiseerd is, is hierop weergegeven. Het plan werd aanmerkelijk verzakelijkt. De wens meer woningen te realiseren tegen een lagere kostprijs zal hier zeker debet aan geweest zijn. De bloklengtes werden langer, er was sprake van bebouwingsstroken, en er was geen sprake meer van een halfopen bouwblokstructuur. De middenplantsoenstrook aan de Allee verdween ook uit de plannen. De bebouwing ten zuiden van de Allee, aan de Burgemeester Mackaystraat en de Dokter A.M. Dhontstraat met 47 woningwetwoningen werd door de Meppeler Woningstichting gerealiseerd in de periode 1948-1950.

Plannen voor het gebiedsdeel noordelijk van de Allee. Aan het gedeelte van de Burgemeester Mackaystraat ten noorden van de Allee hebben minder opeenvolgende plannen ten grondslag gelegen. Na het Uitbreidingsplan Monsma uit 1928 volgde het Uitbreidingsplan ‘Rood’ uit 1943/1944. In dit uitbreidingsplan was nog sprake van overwegend korte blokjes woningen (max 4 woningen), overeenkomstig de invullingen voor het zuidelijk deel van de Burgemeester Mackaystraat in het Uitbreidingsplan ‘Zwart’ uit dezelfde periode. Een wijzigingsplan van het Uitbreidingsplan ‘Rood’ resulteerde uiteindelijk in bebouwing met een grotere bloklengte dan op de plankaart uit 1943/1944 aangegeven is, overeenkomstig de oplossingen in het zuidelijk deel. In de periode 1949-1951 werden aan de Allee (met een blokje van 5 woningen), en ten noorden hiervan aan de Burgemeester Mackaystraat tot aan de Wolddijk 43 zogenaamde ‘Keerpunt’ woningen gebouwd, die zo goedkoop mogelijk werden uitgevoerd. Elders in Drenthe stonden deze woningen ook, in Meppel onder andere aan de J.H. van Linschotenstraat, Abel Tasmanstraat en de Cornelis Houtmanstraat.

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Foto aanleg Burgemeester Knopperslaan, 1934 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Wederopbouw De woningwetwoningen in het gebied (voor het overgrote deel de eerder genoemde ‘Keerpunt’woningen) zijn kenmerkend voor de woningbouwarchitectuur uit de periode van de wederopbouw, de periode na de Tweede Wereldoorlog waarin een grote vraag was naar grote aantallen woningen die tegen een lage kostprijs gerealiseerd konden worden. De woningen aan de Burgemeester Knopperslaan zijn overwegend in Zakelijk Expressionistische stijl uitgevoerd. De woningen aan Het Vledder getuigen overwegend van meer Traditionalistische stijlinvloeden.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

405

GEBIED 15


406

Flexus AWC


4 ◄

Woningwetwoningen Burgemeester Mackaystraat in noordelijke richting. Gedeelte van een complex van 47 woningwetwoningen (dr. Dhont- en Burgemeester Mackaystraat) van de Meppeler Woningstichting die in 1950 voor bewoning gereed kwamen, 1960 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

Aanleg van woningen aan de burgemeester Mackaystraat. Die naam was een hommage aan burgemeester Mackay die niet lang daarvoor Meppel had verlaten, 1950 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Het Vledder, oostkant van het plein, destijds dienstwoningen van de NND (drukkerij) en DVM (vervoersmaatschappij). Op de achtergrond de openbare MAVO-school, 1960 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Bronnen: <dossier 696, 701, 736, archief gemeente Meppel> <http://www.oudmeppel.nl>

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Dr. A.M. Dhontstraat, 1950 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

407

GEBIED 15

◄◄


Gebied 15 Burgemeester Mackaystraat

Legenda

408

Flexus AWC


Het gebied ‘Burgemeester Mackaystraat en omgeving’ bestaat in stedenbouwkundige hoofdopzet uit twee delen: de bebouwing aan de Burgemeester Knopperslaan, inclusief de aangrenzende bebouwing die met de voorzijde naar Het Vledder is gericht, en de strokenbouw aan de Burgemeester Mackaystraat en de Dokter A.M. Dhontstraat, inclusief het woningblok Allee 1 t/m 9. Het deel rondom de Burgemeester Knopperslaan is het eerst tot ontwikkeling gekomen. Deze weg werd begin jaren ’30 aangelegd op het traject van de opgeheven NTM-tram naar Smilde. De eerste woningen werden hier tussen globaal 1936 en 1941 gebouwd. Niet alle kavels werden direct bebouwd; tot in de jaren ’60 zijn hier panden gerealiseerd. De Burgemeester Knopperslaan heeft het brede profiel van een binnenstedelijke doorgaande weg. De schaal van de bebouwing past hier goed bij en de rode, nog gave kappen geven het profiel mede cachet. De bebouwing heeft een goede ritmiek die past bij de lengte van de weg: de woningrijen zijn lang, maar niet te lang. De percelen aan Het Vledder, die grenzen aan de kavels aan de Burgemeester Knopperslaan, zijn ook gefaseerd bebouwd, maar dateren grotendeels uit de vroege naoorlogse jaren. Het betreft voornamelijk vrijstaande panden en twee-onder-een-kappers van twee lagen plus kap, met vooren achtererf en een oprit naar de garage. Het Vledder bestond uit een eenzijdig bebouwd straatprofiel, het aangrenzende gebied met dezelfde naam is decennia lang in gebruik geweest als parkeerplaats, markt- en evenemententerrein. Met de nieuwbouw uit 2011 is daar definitief een einde aan gekomen en heeft de

straat Het Vledder een tweezijdig bebouwd profiel gekregen. De lange rij bebouwing aan de Burgemeester Mackaystraat is in twee fases gebouwd. Het betreft strokenbouw van twee lagen plus langskap, bestaande uit 3 tot 12 woningen per blok, voorzien van voortuin en achtertuin met schuurtje, bereikbaar via een achterpad. Uitzondering vormen de drie blokken van 2 woningen direct ten zuiden van de Blankensteinweg die vermoedelijk rond dezelfde periode gerealiseerd zijn: deze woningen hebben een eigen voor-, zij- en achtererf met garage en schuur. De bebouwing aan de Burgemeester Mackaystraat is georiënteerd op de spoordijk. Door de eenzijdige bebouwing is het stedenbouwkundige profiel redelijk ruim. De woningen hebben voortuinen en langs het spoor loopt een brede groenstrook. Door de deels dichte beplanting en het op een talud gelegen spoor is het uitzicht en de openheid beperkt. De beleving is daardoor heel anders dan bij de eenzijdige bebouwing aan de Woldkade, waar de weidsheid zich heel nadrukkelijk manifesteert.

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4

Op het binnenterrein ten noorden van de woningen aan de Allee bevindt zich een voormalig schoolgebouw, dat vanaf de Allee kan worden bereikt. Aangrenzend zijn op een kleine binnenplaats een aantal garageboxen gerealiseerd, die middels een smalle toegang tussen twee woningblokken vanaf de Burgemeester Mackaystraat ontsloten zijn. Halverwege de twee meest noordelijk gelegen woningblokken aan de Burgemeester Mackaystraat bevindt zich eveneens een toegang naar het achtergelegen binnenterrein, alwaar een bronsgieterij is gevestigd.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

409

GEBIED 15

Ruimtelijke beschrijving en waardering


410

Flexus AWC


4 ◄

Burgemeester Mackaystraat

◄◄

Burgemeester Mackaystraat

Burgemeester Mackaystraat

Openbare ruimte In hoofdlijnen zijn er – naast de binnenterreinen – vier verschillende typen van openbare ruimte te onderscheiden. De eerste is de Burgemeester Mackaystraat, eenzijdig bebouwd, grenzend aan het spoortalud, en hiervan gescheiden door een groenstrook. Deze met diverse struiken en bomen beplante strook in afwisselende dichtheid, levert een diffuus beeld op, waarbij het doorzicht sterk beïnvloedt wordt door de werking van de seizoenen. De ruime voortuinen zijn wisselend beplant of verhard en voorzien van lage erfscheidingen. Regelmatig zijn de oorspronkelijke paaltjes aan weerszijden van het pad naar de voordeur, op de grens van voortuin en trottoir nog aanwezig. Bij de oplevering bestonden de voortuinen enkel uit gazonnetjes met af en toe een boompje. De lange Burgemeester Mackaystraat heeft aan de bebouwingszijde een trottoir en aan de andere zijde een langsparkeerstrook. Dit zeer lineaire beeld wordt halverwege de straat tweemaal onderbroken door een plaatselijke vernauwing als gevolg van de in het straatprofiel geplaatste bomen. De Dokter M.A. Dhontstraat kan gezien worden als het tweede type. Het noordelijke deel van deze straat ligt parallel aan de Burgemeester Mackaystraat. Hier is de inrichting vergelijkbaar met de Burgemeester Mackaystraat, met dien verstande dat hier aan weerszijden van de straat bebouwing staat en aan twee kanten een langsparkeerstrook en een trottoir ligt. Opvallend is dat aan de oostzijde van dit deel van de straat de twee bouwblokken niet in dezelfde rooilijn liggen, waardoor het meest noordelijke blok diepere voortuinen heeft. Een verspringing in de voorgevelrooilijn komt elders in de buurt niet voor. De Dokter M.A. Dhontstraat knikt halverwege en sluit in het zuiden met een scherpe hoek aan op de Bur-

gemeester Mackaystraat. Dit heeft twee driehoekige ruimtes tot gevolg, waarvan één is ingericht als gazon met kinderspeelplaats en de ander, op de hoek van beide straten, als plantsoen. Het derde en vierde type openbare ruimte betreft de Burgemeester Knopperslaan en Het Vledder. De bebouwing is van gelijke aard, maar de ruimte waaraan deze grenst is zeer verschillend. De Burgemeester Knopperslaan is voor het grootste deel spiegelbeeldig van opzet, met vergelijkbare bebouwing aan weerszijden. De straat Het Vledder daarentegen grenst sinds 2011 aan de nieuwbouw die onderdeel uitmaakt van de herinrichting van gebied Het Vledder.

Bebouwing en architectuur Het overgrote deel van de bebouwing in deze buurt bestaat uit twee typen woningen: ruime vrijstaande panden en twee-onder-een-kappers aan de Burgemeester Knopperslaan en Het Vledder, en woningwetwoningen in strokenbouw aan de Burgemeester Mackaystraat, Dokter A.M. Dhontstraat en Allee. Uitzonderingen zijn de drie blokjes van twee woningen halverwege de Burgemeester Mackaystraat, een schoolgebouw en bronsgieterij op het binnenterrein achter dezelfde straat, en een bedrijfsgebouw aan de Burgemeester Knopperslaan 32. De percelen aan de Burgemeester Knopperslaan en Het Vledder zijn gefaseerd bebouwd. Naast de latere invullingen van de jaren ’50 en ’60 in een aan die tijd verwante stijl, bestaat het gros van de bebouwing aan de Burgemeester Knopperslaan en Het Vledder uit typische interbellumarchitectuur, gerealiseerd in de periode 1936-1941. De ruime opzet aan de Burgemeester Knopperslaan en de variëteit in vormgeving en bouwstijlen zorgt voor een afwisselend beeld, zonder dat de coherentie verloren gaat.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Burgemeester Mackaystraat

411

GEBIED 15

◄◄


Het consequent bouwen in dezelfde rooilijn draagt daaraan bij. De woningwetwoningen bestaan uit twee verschillende typen. Ten zuiden van de Allee, aan de Burgemeester Mackaystraat en de Dokter A.M. Dhontstraat staan 47 woningwetwoningen van de Meppeler Woningstichting, die in 1950 zijn opgeleverd. Vanaf globaal 1949 werden aan de Allee en ten noorden hiervan aan de Burgemeester Mackaystraat 43 zogenaamde â&#x20AC;&#x2DC;Keerpuntâ&#x20AC;&#x2122; woningen gebouwd. Beide typen zijn zeer vergelijkbaar en bestaan uit twee lagen plus flauwe langskap, uitgevoerd in strokenbouw. De blokken ten zuiden van de Allee zijn afgedekt met schilddaken, de blokken ten noorden hiervan met zadeldaken. De flauwe dakhelling is vrijwel hetzelfde en zijn in beide gevallen vrij van dakramen of dakkapellen. De gemetselde gevels zijn voorzien van houten delen. Tussen de blokken liggen de paden die de tuinen aan de achterzijde ontsluiten. Alleen bij de bebouwing

412

Flexus AWC


4

◄◄

Burgemeester Knopperslaan, beeld van de bebouwing

Dokter A. M. Dhontstraat

aan de westzijde van de Dokter A.M. Dhontstraat zijn de kopwoningen ter plaatse van de knik in de straat aaneengeschakeld met schuurtjes waarvan de kap doorloopt, zodat een poortje naar het achterpad wordt gevormd.

Transformaties en aantastingen In stedenbouwkundige zin is deze buurt niet aangetast. Wel moet opgemerkt worden dat met de nieuwbouw aan Het Vledder geen evenwichtig en coherent straatprofiel ontstaat. Door de open bouwblokken met van de bestaande bebouwing afwijkende woningtypes en de gedeeltelijke uitvoering als plein ontstaat daar een onsamenhangend straatbeeld. Op bebouwingsniveau hebben de nodige renovaties plaatsgevonden. De gevels van de 47 woningwetwoningen aan het zuidelijke deel van de Burgemeester Mackaystraat en aan de Dokter A.M. Dhontstraat zijn grondig aangepakt. De oorspronkelijke houten gevelbeplating is voor een groot deel vervangen door metselwerk en ook de schoorstenen zijn vernieuwd. Hierbij zijn de kozijnen op de tweede verdieping vervangen door kleinere exemplaren, uitgevoerd als bovenlichten. Bij de 43 woningwetwoningen ten noorden van de Allee zijn de schoorstenen grotendeels verwijderd, bij de kopgevels zijn ze verlaagd. In zijn algemeenheid hebben deze aanpassingen geleid tot een lichte verarming van de gevelarchitectuur.

Waardering De cultuurhistorische waarde van dit gebied is van basisniveau. De historisch-maatschappelijke waarde van het gebied is van basisniveau, omdat er geen ou-

dere structuren bewaard zijn gebleven en het gebied ook niet een bijzondere plek inneemt in de Meppelse geschiedenis. De historisch-stedenbouwkundige waarden van deze buurt zijn van basisniveau, omdat de stedenbouwkundige opzet weliswaar goed georganiseerd, maar niet bijzonder is. De historisch-architectonische waarden van deze buurt zijn gemiddeld, omdat de vooroorlogse architectuur van de Burgemeester Knopperslaan, geen zeldzaam uitgewerkte, maar wel een goed voorbeeld is van Zakelijk Expressionisme. De architectuur van de Burgemeester Mackaystraat en de Dokter A.M. Dhontstraat is zorgvuldig uitgewerkt, maar sober en weinig uitzonderlijk. Gaafheid: de buurt is nog vrijwel geheel gaaf

BURGERMEESTER MACKAYSTRAAT

Burgemeester Knopperslaan

Zeldzaamheid: een dergelijke voor- en naoorlogse modernistische strokenverkaveling is niet zeldzaam.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

413

GEBIED 15

◄◄


414

Flexus AWC


16 ‘t Meugien & Prins Hendrikkade

4

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit De Kinkhorst en Domeinmaten De vroegst bekende geschiedenis van het gebied ’t Meugien/Nieuwe Hoven hangt samen met de geschiedenis van de Kinkhorst. Deze kleine burcht heeft gestaan op de locatie waar zich nu het eind van de Kinkhorststraat bevindt. De Kinkhorst werd gebouwd door Roelof van Munster, de Drost van Drenthe. De Drost was de hoogste functionaris in Drenthe werkzaam op bestuurlijk en rechterlijk terrein, en rentmeester over de goederen van de landsheer, de bisschop van Utrecht. Van Munster kocht in 1509 de Domeinmaten waarop hij zijn versterking liet bouwen. De Domeinmaten betrof een uitgestrekt stuk land ten westen van de toen nog aan de westzijde onbebouwde (Olde) Aa (die gelegen was ter plaatse van de huidige Grote Oever), in de onmiddelijke nabijheid van Meppel. Er moet sprake geweest zijn van een verhoging in het verder drassige land, want de toponiem “horst” verwijst naar een relatief hoge ligging (ook wel: pol) in het landschap. Van Munster die van 1505 tot 1512 Drost van Drenthe was, had een duidelijk doel voor ogen. In de laatste jaren van zijn ambtsperiode streefde hij ernaar van Drenthe een onafhankelijk gebied te maken onder zijn leiding, en met de Kinkhorst beheerste van Munster de zuidwestelijke toegang tot Drenthe. De bisschop van Utrecht (de formele machthebber in Drenthe op dat moment) kwam echter tegen van Munster in het geweer en in 1512 werd hij uit Drenthe verdreven. De Kinkhorst werd ontmanteld. Hiermee was de rol van het kasteeltje echter nog niet

uitgespeeld. Karel van Egmont, de hertog van Gelre deed vanaf 1514 pogingen zijn macht uit te breiden in de noordelijke gewesten. In 1522 slaagde hij in zijn plan, waarmee definitief een eind kwam aan het bisschoppelijk gezag. Van Egmont liet de Kinkhorst herbouwen, en stelde Hendrik van Barneveld, een niet-Drent met de bijnaam Magere Hein als slotvoogd en schulte van Meppel aan. Van Egmont’s machtspositie was ook geen lang leven gegund. In 1536 verdreven troepen van Keizer Karel V de Geldersen uit Drenthe. De Kinkhorst speelde hierbij een belangrijke rol, omdat de Gelderse troepen op de Kinkhorst zich pas na een beleg van drie maanden overgaven. Wat er daarna met de Kinkhorst gebeurde, is niet bekend. Voor het laatst horen we over het complex in 1580, toen het zonder al te veel problemen door het Staatse leger veroverd werd op Spaanse troepen. Nadien raakte het in verval. Resten van het kasteel zijn blootgelegd in 2002 tijdens de bouw van het appartementencomplex aan de Prins Hendrikkade. Voor meer informatie verwijzen we naar de Archeologische beleids- & advieskaart van de gemeente.

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

De Lute Hagedoornstraat. Op de achtergrond zijn nog de woningen van de Grote Oever te zien, die later afgebroken zijn, 1953 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

De Domeinmaten, ook wel Kinkhorstlanden genoemd, werden vanaf 1598 door de Landschap Drenthe verhuurd aan het bestuur van Meppel. Deze wilde hiermee uitbreiding van het kerspel in die richting mogelijk maken, hetgeen geschiedde. In 1622 verkreeg men het erfpacht op de grond, en ontstond er bebouwing ten westen van de (Olde) Aa die in de navolgende twee eeuwen geleidelijk uitgroeide tot een straat (de Grote Oeverstraat) en kade (de Maatkade)

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

415

GEBIED 16


Kadastrale kaart 1823 <Nationaal Archief>

416

Flexus AWC

Kadastrale kaart 1885 <Archief Gemeente Meppel>


Uitsnede uit uitbreidingsplan Meppel, 1928 <Archief Gemeente Meppel>

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

417

GEBIED 16

Kadastrale kaart 1911 <Archief Gemeente Meppel>

â&#x20AC;&#x2DC;T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

4


418

Flexus AWC


4

◄◄

Het Meugien in aanbouw, 1949 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

L. Hagendoornstraat, Genomen vanaf de Grote Oeverstraat. Een gedeelte van de nieuwbouw is reeds gereed. Rechts een lange rij kleine woningen, 1955 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Nieuwe Hoven, 1952 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

voorzien van zijstegen, waarmee de situatie zoals we deze op de eerste kadastrale minuut van Meppel uit 1823 aantreffen verklaard is. De ontwikkeling van het gebied in de periode 1823 - 1911 Op de kadastrale minuut uit 1823 zien we het gebied met in het oosten de Meppeler bebouwing en in het zuiden de ‘Oude Haven’, een watertje dat vanaf de Aa het gebied instak, en dat ooit als toegangsgracht naar de Kinkhorst gediend heeft. Deze Oude Haven werd gebruikt als winterligplaats voor schepen en werd in 1883 gedempt. Hierop ontstond de Havenstraat waaraan zich geleidelijk bebouwing vormde. Op de kadastrale minuut uit 1823 is ook de Kinkhorststraat al duidelijk te onderscheiden die een toegangsweg was naar een korenmolen die zich in de buurt van de locatie van de verdwenen Kinkhorst bevond. Ook langs deze weg vormde zich gedurende de volgende honderd jaar bebouwing. Opvallend is de onregelmatige kavelvorm op de locatie die op de kadastrale minuut van 1911 nauwelijks meer te zien is, maar lijkt te verwijzen naar landschappelijke onregelmatigheden (verhogingen/reliëf) in het terrein. Op de hoek van de samenvloeiing van het Oude Diep en het Mallegat bevond zich een scheepswerf en boerderij. Het Oude Diep vormde overigens tot de jaren ´80 van de 19de eeuw de doorvaartroute voor de turfschepen tussen het Meppeler Diep en de Drentsche Hoofdvaart. In 1882 vond de doorgraving over de Bult naar het Noordeinde plaats, waardoor er een betere verbinding met de Drentse Hoofdvaart ontstond, en het Oude Diep als doorvaarroute zijn betekenis verloor. De verbinding tussen het Oude Diep en de Drentsche Hoofdvaart werd hierop gedempt zoals de kadastrale minuut van 1911 laat zien. Wel bleef

de koppeling aan het Mallegat gehandhaafd in verband met de waterafvoer aldaar. De jaren ’30: de Buitenhaven en het Uitbreidingsplan Monsma In 1928 werd de Buitenhaven geopend. Het initiatief tot aanleg werd al genomen in 1918. Het toenmalige raadslid Knoppers diende een voorstel in om boerderij de Bult, met grond tussen het Meppeler Diep en de Oude Diep aan te kopen opdat grenzend aan deze locatie een nieuwe haven gerealiseerd kon worden voor de grotere schepen van die tijd. De haven liet nog op zich wachten, maar de gemeente kocht de boerderij met andere landerijen daaromheen. In de tweede helft van de jaren ’20 kwam het pas tot aanleg. De Nieuwe Haven of Buitenhaven was nadrukkelijk opgenomen in het Uitbreidingsplan van Meppel dat in 1928 door de gemeenteraad aangenomen werd. De haven was feitelijk een plaatselijke verbreding aan de oostzijde van het Oude Diep. De haven werd voorzien van een lange aanpalende kade, de latere Prins Hendrikkade. De Bult werd in het plan tot industrieterrein bestemd, een toendertijd tamelijk nieuwe categorie. Over de Nieuwe Haven was vanaf de nieuwe kade een verbinding gepland met de westelijke stadsdelen middels een draaibrug naar de Bult. Langs de Prins Hendrikkade en in het achterliggende gebied met de weilanden die bij de Meppelers als ’t Meugien bekend stonden was woonbebouwing gepland. Op het terrein waar het huidige Meugien zich bevindt, was door stadsarchitect Monsma een patroon van straten getekend met in het midden een driehoekig plantsoen. De hiervandaan lopende straten takten aan op de Grote Oeverstraat, de Kinkhorststraat en de Havenstraat (die verlengd werd), en op de stegen die van-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

Mallegat en omgeving vanuit de lucht. Naast het Mallegat is een deel van de bebouwing te zien op de plek waar nu het Stadskantoor staat. Op de foto is te zien dat een deel van de oude bebouwing nog aanwezig is, doch ook al begonnen is met de sanering van de binnenstad van Meppel. Op de achtergrond is de Akkerschool zichtbaar. Jaren ‘60 <fotoarchief Stichting Oud Meppel

419

GEBIED 16

◄◄


420

Flexus AWC


4 ◄

Buitenhaven, Prins Hendrikkade, 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

◄◄

De Buitenhaven gefotografeerd vanaf een van de silo’s van de Landbouwbank op de hoek van Drentse Hoofdvaart en Noordeinde; toen CLM geheten, 1965 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Tekening Buitenhaven 1928, hierop aangegeven de positie van de gedachte draaibrug <Archief Gemeente Meppel>

uit de Molenstraat het gebied inliepen. De geplande woonbebouwing op het Meugien en langs de Prins Hendrikkade liet op zich wachten. Langs de Prins Hendrikkade vestigden zich vooral bedrijven die profiteerden van de nabijheid van de haven. Pas na het jaar 2000 zijn er aan de Prins Hendrikkade appartementswoningen gerealiseerd, en is de kade heringericht. De woningwetwoningen op ‘t Meugien Kort voor en direct na de Tweede Wereldoorlog werden plannen gemaakt die de situatie ingrijpend zouden wijzigen. In de gemeentelijke archieven bevinden zich tekeningen uit 1943 waarop de toekomstige bebouwing en layout van de straten van het huidige ’t Meugien al op hoofdlijnen geprojecteerd staat. Tijdens de naoorlogse saneringsperiode besloot de gemeente hier grond aan te kopen en goedkope woningen te realiseren voor de bewoners van de ten gevolge van de naoorlogse sanering te slopen woningen in de Binnenstad. O.a. bewoners uit het saneringsgebied A, het gebied ‘Rond de Meppeler toren’ (voor meer informatie, zie gebiedsbeschrijving van gebied 1, de Binnenstad) wilden het liefst in de buurt van de Meppeler toren blijven wonen. Voor de bouw van het buurtje werden bestaande oude woningen gesloopt. Ook de gronden van de scheepswerf op het terrein bij het Mallegat werden in 1948 aangekocht en de opstallen gesloopt. Het werd hiermee mogelijk om een brug aan te brengen over het Mallegat, in het verlengde van de Prins Hendrikkade. Tussen 1949 en 1953 werden 119 woningwetwoningen door de Meppeler Woningstichting gebouwd in de Havenstraat, Hovendwarsstraat, Nieuwe Hoven, Kinkhorststraat, Lute Hagedoornstraat en de Bloemendalstraat.

Om de nieuwe Lute Hagedoornstraat in het plan aan te sluiten op de toenmalig nog niet gesloopte Grote Oeverstraat moest een pand aldaar weggebroken worden. Hetzelfde geschiedde om de Hovendwarsstraat op de Kinkhorststraat aan te sluiten. De oude Havenstraat vond haar logisch vervolg in het plan. Tussen de Bloemendalstraat en het Mallegat was door stedenbouwkundig adviseur Luyt bij de aansluiting met de Molenstraat een groenstrook gepland die nog lange tijd op zich liet wachten. De Bloemendalstraat is hier uiteindelijk niet doorgezet. Het huidige stadskantoor staat min of meer op deze locatie in aansluiting op een plantsoen. Tijdens de bouw van de woningen werd de layout nog enigszins gewijzigd op instigatie van stedenbouwkundig adviseur Luyt. De straatbreedte van de Havenstraat en de Bloemendalstraat voldeed niet aan de breedten uit het ontwerpsaneringsplan dat hier 12 en 15 meter aangaf. Hiertoe zijn de woningen teruggezet en is er aan de westzijde van de Havenstraat en noordzijde van de Bloemendalstraat een groenstrook gerealiseerd, die uiteindelijk nu als privétuinen functioneert in verband met het uitblijven van de toen gedachte wegoplossingen.

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

Bloemendalstraat scheepstimmerwerf Worst van 1788 tot 1949, afgebroken 1949, 1920 <fotoarchief Stichting Oud Meppel?

De Woningstichting had een drukke tijd. O.a. de Aireywoningen in de Jeruzalembuurt en de Resedastraat in Ezinge waren zojuist gereed (1949) en de bouw van ’t Meugien ging ongeveer gelijk op met de realisatie van de woningen in de Burgemeester Mackaystraat en in de Zeeheldenbuurt. Ook stond het plan Haveltermade op stapel. Dat het woningbezit van de woningbouwvereniging flink toegenomen was in de periode sinds haar ontstaan in 1908 werd tastbaar toen in 1950 in ’t Meugien de duizendste woning van de vereniging opgeleverd werd. De nieuwe bewoners in ’t Meugien gingen van een

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

421

GEBIED 16

◄◄


422

Flexus AWC


4 Kaartmateriaal 1951 <Archief Gemeente Meppel>

huur van enkele guldens per week naar een huur van vele tientjes per maand. Dankzij financiële regelingen voor de bewoners is dit uiteindelijk toch gelukt. Traditionalisme De architectuur in de buurt was van een eenvoudige architectuur met een Traditionalistische karakteristiek. Deze architectuurstroming met, sobere baksteenarchitectuur waarin eenvoud het uitgangspunt vormde, kwam al tot ontwikkeling in de vooroorlogse periode gedurende de jaren ’20 en zou haar stempel drukken op de Nederlandse woningbouwtraditie tot globaal halverwege de jaren ’50. Met name vanaf de jaren ‘30 stond zij bekend als ‘de Delftse School’, omdat zij sterk beïnvloed werd door theorieën van de Delftse hoogleraar Grandpré Molière. De Delftse School zette zich af tegen het expressionisme van de Amsterdamse School omdat deze naar haar zin te decoratief was. Eenvoudige pretentieloze ambachtelijkheid bleef lange tijd het motief, ofschoon men niet afkerig was van technische vernieuwingen. Bij de woningen in ’t Meugien wordt, ondanks de noodzakelijke repetitie, de huiselijkheid van het complex benadrukt middels de bepande schuine daken, de schoorstenen, roedes in de ramen, en een enkel klein ornament.

Stichting Historie in Perspectief, Meppel, 2001> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <http://www.oudmeppel.nl>

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

Kaartmateriaal 1943 <Archief Gemeente Meppel>

Bronnen <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 1: M.Top, Meppel in de Middeleeuwen> <Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 2: drs. T. Hofland, De ruimtelijke ontwikkeling> <Nefkens, Jan W.M., Restanten van kasteel de Kinkhorst gevonden, kwartaalblad Oud Meppel, 2002 244, blz 11-13> <Rinsema, T.J., Meppel en het Water, Uitgeverij Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

423

GEBIED 16

◄◄


Gebied 16 â&#x20AC;&#x2DC;t Meugien & Prins Hendrikkade

Legenda

424

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Openbare ruimte De straatjes in ’t Meugien hebben opmerkelijk genoeg (sterk) wisselende profielen, waarin straten met aan beide zijden blokken direct aan de openbare ruimte, zonder voortuin, overheersen. Een asymmetrisch profiel, met aan één zijde voortuinen en de aan de andere niet, komt ook voor. De dieptes van de voortuinen lopen behoorlijk uiteen. De koppen van de blokken worden dán wél gebruikt voor dwarsparkeren, dán weer niet. Ook de boomaanplant is wisselend, variërend van een enkele boom tot een volledige rij. In zijn algemeenheid is de openbare ruimte niet ontworpen en ingericht om de kwaliteiten van de buurt zo maximaal mogelijk naar boven te halen. Langs de Prins Hendrikkade is de strook langs het water als wandelstrook ingericht, met een regelmatige bomenrij, bloembakken en een enkele bank. Er is veel aandacht besteed aan de bestratingsmaterialen. De strook voor het appartementencomplex kent geen openbare ruimte-elementen en is volledig leeg en abstract gelaten. Gevoegd bij het gebrek aan ont-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

De buurt bestaat uit twee delen: het sociale woningbouwbuurtje ’t Meugien of de Nieuwe Hoven en het gestapelde appartementencomplex De Kade, langs de Prins Hendrikkade. ‘T Meugien of de Nieuwe Hoven is een sociale woningbouwbuurt uit het eind van de jaren ’40, gebouwd op het terrein van een samenstel van (gedeeltelijk) bebouwde stegen, afgewisseld met landerijen en stadslandjes, waar tot aan de jaren ’70 geleidelijk aan de historische bebouwing is gesloopt en vervangen door een buurt bestaande uit 16 korte en langere blokken rijenwoningen van twee bouwlagen en flauwe kap, in een strokenverkaveling en met een stedenbouwkundige layout waarbij in oost-westrichting zowel in noord-zuidrichting een knik in het stratenpatroon is aangebracht. De lay-out heeft opmerkelijke onregelmatigheden: de blokjes verschillen in lengte, zijn verschoven ten opzichte van elkaar, en ook de rooilijnen kunnen soms plots terug- of vooruitspringen. De ontwerper heeft met minimale middelen, ondanks de strokenverkaveling, toch nog variatie, ruimtelijke spanning en beslotenheid willen aanbrengen in de opzet van de buurt. Dit is ten dele geslaagd, maar de poging wordt enigszins teniet gedaan door de open inkijk in de binnengebieden over de tuinmuren van de blokken heen, en de onregelmatige en zeer open knikken in de hoeken die blokken met elkaar maken. Het gestapelde appartementencomplex De Kade uit de periode 2004-2009 is langs de Prins Hendrikkade gebouwd op de plek van voormalige havengerelateerde bedrijven, die in de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn vertrokken. Dit project is ruimtelijk niet gerelateerd aan ’t Meugien, maar staat er als een wand voor. Het complex is zo’n 180 meter lang en

gemiddeld 5 lagen hoog en bestaat uit twee vleugels langs het water, en een half cirkelvormige, terugliggende hof in het midden van het complex. De ontsluiting is geregeld middels portieken en galerijen aan de achterzijde van het complex, waardoor de voorzijde langs het water, ook op maaiveldniveau weinig voordeuren heeft en de koppeling aan het water abstract is. Het complex is aan de achterzijde van de rest van de buurt gescheiden door middel van een groenstrook, die eveneens niet gekoppeld is aan het wonen op maaiveldniveau aan de achterzijde. Er gaat een wandelroute door het complex heen.

425

GEBIED 16

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


426

Flexus AWC


4 sluitingen en aan te openen geveldelen aan deze zijde kan geconcludeerd worden dat er nauwelijks een relatie ontstaat tussen de woningen en de openbare ruimte of het water.

Bebouwing en architectuur ◄

Nieuwe Hoven

De rijenwoningen van ’t Meugien zijn alle geschakeld onder één doorlopende kap zonder dakkapellen, en zijn ook in de gevelopzet nauwelijks geïndividualiseerd. De gevelopzet heeft elementen van de Delftse School, maar deze zijn nog slechts beperkt aanwezig. De architectuur is derhalve zeer sober en kent geen bijzondere waarden. Bij het nieuwe appartementencomplex langs de Prins Hendrikkade is getracht om een grootschalig complex te individualiseren, zowel in gevelopzet als op het niveau van het daklandschap, dat onregelmatig is en zowel kappen als opbouwen kent. De gevels zijn uitgevoerd in verschillende kleuren baksteen en verschillende gevelschema’s. Met deze opzet is een moderne interpretatie gegeven van herenhuizen en grachtenpanden, zoals in de grote historische steden in West-Nederland voorkomen. De schaal van dit project is dermate groot, zowel in de lengte als de hoogte, dat een relatie met de Meppeler maat en de ruimtelijke geschiedenis van Meppel ontbreken. Ook een relatie met de geschiedenis van de plek en met de achterliggende bebouwing ontbreekt. Dat betekent dat het gevaar reëel is dat project wordt ervaren als een wezensvreemd element. Voor wat betreft de verwijzingen naar grachtenpanden, die in deze schaal nooit in Meppel zijn voorgekomen, geldt hetzelfde. De poging om het geheel te individualiseren is gedeeltelijk geslaagd, maar de uitwerking is architectonisch dermate arm, dat dit plan niet de bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare ruimte, zoals die op deze locatie wenselijk zou zijn.

Transformaties en aantastingen Er heeft een flinke transformatie plaatsgevonden van het voormalige havengerelateerde bedrijfsgebied naar wonen aan het water langs de Prins Hendrikkade, die het karakter van deze hoek van de stad heeft veranderd. De kozijnrenovaties bij de rijenwoningen van ‘t Meugien hebben het aanzicht van de buurt in negatieve zin gewijzigd.

Waardering De cultuurhistorische waarden van deze buurt zijn basis, met als aantekening dat: • de ondergrondse archeologische ver- wachtingswaarden hoog zijn. • binnen deze buurt de appartementsbe- bouwing langs de Prins Hendrikkade geen relatie heeft met de geschiedenis van de plek en de relatie met de achter- liggende bebouwing ontbreekt; het project heeft een cultuurhistorische basiswaardering; het project is van recente datum.

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

Nieuwe Hoven

De historisch-maatschappelijke waarden van het gebied zijn gemiddeld. ‘T Meugien is een voorbeeld van een woonbuurt die direct na de oorlog werd ontworpen ten behoeve van uit de Binnenstad weggesaneerde bewoners die in de nabijheid van de Grote Oever woonden. De Buitenhaven was weliswaar de eerste grote haven van Meppel, maar deze lag perifeer en heeft geen grotere betekenis gehad, anders dan haar functie als haven.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

427

GEBIED 16

◄◄


428

Flexus AWC


4 De historisch-stedenbouwkundige waarden hebben een basiskwaliteit. De stedenbouwkundige opzet van het Meugien is in de basis middels strokenbouw gerealiseerd waarbij gestreefd is naar een zekere beslotenheid, maar is niet consequent uitgewerkt en telt nogal wat stedenbouwkundige onvolkomenheden.

Prins Hendrikkade

De historisch-architectonische waarden van de woningen van ‘t Meugien hebben een gemiddelde kwaliteit, maar in de huidige situatie is deze gemiddelde kwaliteit ten gevolge van renovaties niet meer herkenbaar. Gaafheid: afgezien van kozijnrenovaties is de Meugienbuurt redelijk gaaf gebleven. Zeldzaamheid: de buurt heeft geen hoge zeldzaamheidswaarde.

‘T MEUGIEN & PRINS HENDRIKKADE

Kinkhorststraat

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

429

GEBIED 16

◄◄


430

Flexus AWC


17

4

Rechteren

Ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische identiteit Het gebied Rechteren kent een lange geschiedenis. In 1259 zou al sprake geweest zijn van bewoning op de locatie, en in de 15e eeuw werd de havezate ‘Vledderinge’ die op de locatie stond, als pachterf van Sint Pieter beschreven. Het pachterf was gelegen in het noordoosten van Meppel op een zandrug tussen moerassige weidegronden en de Wold Aa, en was van alle Drentse havezaten de kleinste. Het boerderijachtige gebouw werd in 1466 verkocht aan Herman van den Clooster. Een dochter van hem trad in het huwelijk met Otto van Rechteren, die het huis de naam ‘Rechteren’ gaf. In 1796 werd Rechteren verkocht aan T. Braspot, die er een zeepziederij begon. Nadien hebben nog anderen het pand bewoond en gebruikt. Het terrein was in oorsprong aan drie zijden omgeven door water dat in verbinding stond met de Wold Aa. Het complex kwam omstreeks de eeuwwisseling in handen van de familie Struben, die het huis met annexen in 1901 en 1912 verbouwde en uitbreidde ten behoeve van een zeepziederij. De naam Struben was een bekende naam in Meppel. Ook de jeugd kende de naam: ‘men ging voetballen op Struben’, een weiland aan de stadskant van het complex. In 1907 werd familielid W. Struben opgenomen in de directie en hij bouwde een villa op het terrein. De villa ‘Avondrood’ geheten kwam omstreeks 1910 gereed en werd later ‘Rechteren’ genoemd, een naam die nu nog op de voorgevel staat. Rond deze tijd was nog slechts sprake van een tweezijdige begrenzing van het terrein met water, zoals op de kadastrale minuut van het gebied uit 1911 af te lezen is. In 1931 werd de zeepfabricage overgenomen door Unilever en over-

geplaatst naar Maarssen. In 1935 werd een gedeelte van het Struben-complex en in 1937 de rest van het terrein gekocht door de gebroeders Dengerink, slagerszonen, die hier een vleeswarenfabriek ontwikkelden. De vleeswarenfabriek ontwikkelde zich gunstig en de gebouwen werden diverse malen verbouwd en uitgebreid. Stadsuitbreiding Niettemin waren er ontwikkelingen die het handhaven van de vleeswarenfabriek op de locatie op termijn onmogelijk maakten. In de jaren ’30 bevond zich al een stadsuitbreiding ten zuiden van het complex, de Indische Buurt, die uit 1919 dateerde. In het uitbreidingsplan van stadsarchitect Monsma dat in 1928 de raad passeerde werd aan de oostzijde van het complex een stadsuitbreiding gepland die in de navolgende jaren gerealiseerd werd. In de jaren ’50 kregen deze stadsuitbreidingen hun vervolg. De Jeruzalembuurt en de Apostolische Kerk aan de Witte de Withstraat kwamen tot stand, en bij deze stadsuitbreiding werd de waterbegrenzing van het terrein, nog opgenomen in het plan Monsma, definitief verwijderd. Hiermee werd de laatste getuigenis van de historische landschappelijke inrichting uitgewist en werd Rechteren definitief opgenomen in de stedelijke uitleg. De toename van de omliggende woonbebouwing resulteerde, in combinatie met de uitbreiding van de vleeswarenfabriek, in steeds meer klachten van omwonenden. De verplaatsing van het bedrijf naar het industrieterrein ‘Groeneveld’ (thans Oevers C) was - mede door de hogere eisen van de Keuringsdien-

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

RECHTEREN

Villa Avondrood 1910 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

431

GEBIED 17


432

Flexus AWC


4

◄◄

Jufferenpad 1920 Jufferenpad vanuit het centrum richting Rechteren, brugje over de zogenaamde “Poele”. Op de achtergrond het complex van zeepfabriek Struben, plaatje uit een tijdschrift. <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

Rechteren 1910 - 1930 <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

1975, Opstallen en binnenplaats vleesfabriek Dengerink aan het Jufferenpad <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

sten - hiervan het gevolg. De gemeente kocht het complex in 1973, en verkocht de villa ‘Rechteren’ aan Jehovah’s Getuigen, die het pand als woning en vergaderruimte in gebruik heeft. In 1976 werden de bedrijfsgebouwen en een naast het terrein gelegen woning/winkel door de gemeente afgebroken, en voorlopig ingericht als parkeerterrein. Op de van Dengerink afkomstige grond en op een noordelijk hiervan gelegen terrein, dat reeds eigendom van de gemeente was, werd in opdracht van de Meppeler Woningstichting een plan gerealiseerd voor de bouw van 25 bejaardenwoningen (arch: Nijenhuis en Partners, Gieten) dat in 1978 voor verhuur gereed was.

van dit Jufferenpad komt echter niet overeen met de locatie van het oude Jufferenpad. Bronnen < ter Heide, Roelof, Breken en Bouwen in Meppel, 1945 – 1990, Krips Repro Meppel ea, Meppel, 1991> < Gerding, M.A.W. e.a., Geschiedenis van Meppel, hfdstuk 1: M.Top, Meppel in de Middeleeuwen , Boom Meppel, 1991> < Poortman, J., Meppel door de eeuwen heen, koninklijke uitgeverij J.A. Boom en zoon, Meppel, 1967> <Woonconcept Meppel e.a., Terugblik op Meppel 100 jaar Volkshuisvesting, Meppel, 2008> <http://www.oudmeppel.nl>

Het Jufferenpad Rechteren lag aan het begin van de 19de eeuw ver buiten de bebouwde kom en was bereikbaar via een pad, het zogenaamde ‘Jufferenpad’ dat van de Noteboomstraat in rechte lijn naar Rechteren liep. Over de herkomst van de naam ‘Jufferenpad’ is onduidelijkheid, maar R. ter Heide geeft in het boek ‘Breken en Bouwen in Meppel’ aan dat de dames (Juffers) van Rechteren via dit pad ter kerke in Meppel gingen, en dat dit gegeven resulteerde in deze naamgeving. Het pad werd ook wel een tijd het ‘Braspot’ naar een eigenaar van het terrein op Rechteren genoemd. Er was ook nog een ‘wegje’ van de Wolddijk (nu Commissaris de Vos van Steenwijklaan) in het verlengde van de Blankensteinweg, dat men het Rechterenswegje noemde. Het is bekend dat de inwoners van het nu verdwenen buurtschap Tweeloo gebruik maakten van beide paden om ter kerke te gaan. Toen de Meppeler Bouwvereniging in 1919 de Oude Indische Buurt ten zuiden van Rechteren realiseerde, heeft men het Rechterenswegje hernoemd als ‘Jufferenpad’, zodat deze oude naam behouden is gebleven. De locatie Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

RECHTEREN

Vogelvlucht van exportslachterij Dengerink aan het Jufferenpad (1950 - 1955) <fotoarchief Stichting Oud Meppel>

433

GEBIED 17

◄◄


Gebied 17 Rechteren

Legenda

434

Flexus AWC


Ruimtelijke beschrijving en waardering

Openbare ruimte Rechteren is in hoofdopzet ruim en groen, waarbij toch sprake is van een zekere beslotenheid. De seniorenwoningen ten noorden van het Jufferenpad liggen met ruime voortuinen aan de straat die Rechteren heet. Door de ontsluiting, de plantsoenen en de parkeervoorzieningen heeft deze buurt veel weg van een woonerf. De niet-lineaire verkaveling past bij dit ruimtelijke type. De bebouwing is aan alle zijden omringd met groen, waarbij de ruimtes tussen de verschillende blokken en de aangrenzende buurten gevuld zijn met plantsoenen. Als gevolg van het verkavelingsprincipe dat niet aansluit op de wijdere omgeving krijgt de buurt een naar binnen gekeerd en besloten karakter. De zuidelijke toegang naar dit buurtje, vanaf het Jufferenpad, heeft door de vormgeving als uitrit, en het smalle profiel met struiken en bomen aan weerszijden, een tunnelachtig effect, dat het achtergelegen buurtje nog beslotener maakt. Parkeren gebeurt in de wijk, daarnaast is aan het Jufferenpad een extra parkeerterrein gerealiseerd. Door het besloten karakter, de lage bebouwing en de veelal weelderige voortuinen heeft dit buurtje de uitstraling van een hofje in de stad.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

RECHTEREN

Het gebied Rechteren wordt in het westen begrensd door de bebouwing aan de Witte de Withstraat en het achterpad van de Airey-woningen aan dezelfde straat, in het noorden door het achterpad van de woningen aan de Woldkade, in het oosten door het achterpad van de woningen aan de Piet Heinstraat 7 t/m 11, en van de woningen aan de Jan van Galenstraat en in het zuiden door het Jufferenpad. Dit gebied ten noorden van het Jufferenpad (de naamgeving van dit pad is oud, maar het pad was oorspronkelijk anders gelegen) is in zijn huidige hoedanigheid in 1977 tot stand gekomen. Deze nieuwe stedenbouwkundige structuur refereert niet aan de oorsprong van het gebied als terrein van de voormalige Havenzathe Vledderinge. Ook het lange gebruik van het terrein als fabriekscomplex is niet meer af te lezen. De enige stille getuige van een geschiedenis die verder teruggaat dan 1977 is een voormalige dienstwoning van de hier ooit gevestigde zeepfabriek die in 1910 gebouwd werd. Dit pand is nu in gebruik als Koninkrijkszaal van Jehova’s Getuigen. Het overige deel van het voormalige fabrieksterrein is in 1978 ingevuld met 25 seniorenwoningen, volgens een woonerfachtige opzet, wat past bij die tijd. De woningen zijn geschakeld in kleine blokken van drie tot vijf woningen, van één laag met langskap, met verspringende rooilijn. Het blok aan de noordrand sluit met de achterkant netjes aan op de bebouwing aan de Woldkade. Dit is bepalend geweest voor de verkavelingsrichting van de buurt. De overige blokken hebben dezelfde richting of zijn 90 graden gedraaid. Door dit principe sluit het verkavelingspatroon niet aan op de aangrenzende jaren ’30 woonwijk ten oosten van Rechteren.

De woningen zijn met de voorkant georiënteerd op de binnenweg die door het buurtje slingert en deze aan de noord- en zuidzijde ontsluit. Ze hebben een voortuin c.q. voorerf en een gemeenschappelijk pad naar het achtererf. De woningen worden vanaf de voorzijde ontsloten. Opvallend is dat het voorerf in de meeste gevallen groter is dan het achtererf, waar de als uitbouw uitgevoerde bergingen het halve achtererf beslaan.

435

GEBIED 17

Stedenbouwkundige hoofdopzet

4


Bebouwing en architectuur De bebouwing in het gebied Rechteren is te verdelen in twee categorieën: woningbouw (seniorenwoningen) en een maatschappelijk gebouw (het oude woonhuis omgevormd tot kerkelijk centrum). De seniorenwoningen uit 1978 zijn gebouwd op het voormalige fabrieksterrein en bestaan uit één laag met in verhouding grote doorlopende kappen met de nok evenwijdig aan de straat. Van een uitgesproken stilistische opvatting is in de architectuur geen sprake; deze is dan ook het best te typeren als niet-stijlgebonden woningbouw. Opvallend is dat er aan de voorzijde geen dakkappelen of dakramen zijn, wat zorgt voor een coherent bebouwingsbeeld met gave kappen. De eenvoudige gevels zijn voorzien van houten geveldelen onder de dakgoot, geschilderd in een standaard kleurenpalet. De basis van het kerkgebouw in dit gebied, de Koninkrijkszaal van Jehova’s Getuigen, vormt de oorspronkelijke dienstwoning van de voormalige zeepfabriek uit 1910. Deze woning in zogenaamde Overgangsstijl, eertijds Villa Avondrood geheten en later Rechteren, is het enige overgebleven gebouw van het oorspronkelijk fabrieksterrein. 436

Flexus AWC

Het is in 1994 aan twee zijden uitgebreid met een voorportaal en bijzalen. Met deze eenlaagse uitbreiding in nietstijlgebonden architectuur is op geen enkele wijze aansluiting gezocht op het bestaande gebouw.

Transformaties en aantastingen Vanzelfsprekend is de overgang van fabrieksterrein naar woonbuurt een grote transformatie. Echter, uitgaande van de stedenbouwkundige opzet van het gebied Rechteren, zoals die na afbraak van het fabrieksterrein is ontstaan, hebben transformaties niet of nauwelijks plaatsgevonden. De buurt die uit seniorenwoningen bestaat, is zowel op stedenbouwkundig als op gebouwniveau onaangetast. Door verschillende verbouwingen en een uitbreiding van de voormalige dienstwoning aan het Jufferenpad is een versobering opgetreden. Dit doet afbreuk aan de uitstraling en kenmerkende architectuur van het pand, dat als uniek overblijfsel van het voormalige fabrieksterrein van cultuurhistorische waarde is. Bovendien staat het open en stenige karakter van het perceel in groot contrast met de achtergelegen groene en besloten buurt, waardoor het gebouw visueel losgekoppeld wordt van het terrein waartoe het ooit behoorde.


4

◄◄ ◄

Rechteren

Aanbouw villa Avondrood

Rechteren Rechteren

De cultuurhistorische waarde van deze buurt is van basisniveau, met als aantekening dat: • De ondergrondse archeologische verwach- tingswaarden hoog zijn. De historisch-maatschappelijke waarden van dit gebied zijn gemiddeld, omdat Rechteren enerzijds een lange geschiedenis heeft als locatie van de laatmiddeleeuws havezate Vledderinge en als vestigingsplaats van de Zeepfabriek van Struben, maar hier anderzijds vrijwel geen bovengrondse herinneringen meer van aanwezig zijn. Het gebied is geheel met moderne invullingen overschreven. De historisch-stedenbouwkundige waarden hebben een basiskwaliteit. Het moderne Rechteren is een voorbeeld van een woonbuurt voor ouderen zoals die in de jaren ’70 van de 20ste eeuw volgens het principe van het woonerf tot stand kwam, maar is hier geen uitzonderlijk voorbeeld van.

Gaafheid: de buurt is gaaf gebleven Zeldzaamheid: de buurt heeft geen hoge zeldzaamheidswaarde.

Aanbevelingen Voor de beleidsuitgangspunten voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie hoofdstuk 2. Voor de standaard-aanbevelingen voor gebieden met een cultuurhistorische waardering ‘Basis’: zie het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Voor specifieke, aanvullende aanbevelingen voor dit gebied wordt tevens verwezen naar het uitvoeringsdocument in bijlage 2. Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

RECHTEREN

◄◄

De historisch-architectonische waarden hebben eveneens een basiskwaliteit, omdat de architectuur van Rechteren geen bijzondere of karaktervolle uitwerking is van de stijlperiode van kleinschaligheid zoals die kenmerkend was voor het eind van de jaren ’70, begin jaren ’80.

437

GEBIED 17

Waardering


Bijlage 1: Begrippenlijst Adagium: credo, motto, traditionele stelregel. Amsterdamse Schoolstijl: architectuurstijl die opkwam in de jaren ‘10 en ‘20 van de 20ste eeuw in Amsterdam, met uitgesproken expressieve baksteenarchitectuur. De Amsterdamse Schoolstijl kwam op als reactie tegen de 19de eeuwse neostijlen en het Rationalisme van architect Berlage. Appartementtengebouw/Flat: groot gebouw met meerdere verdiepingen/woonlagen. De appartementen in de flat zijn meestal gelijkvloers en worden op hun beurt flat/ flatjes genoemd. Architectuureenheid (ensemble): architectonisch geheel. Er is sprake van een architectuureenheid wanneer meerdere bouweenheden volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven. Als architectuureenheid wordt gerekend: a. geschakelde en/of gestapelde woningen die volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven, bijvoorbeeld een blok rijtjeswoningen; b. meerdere (los van elkaar staande) gebouwen die volgens één architectonisch ontwerp zijn vormgegeven, bijvoorbeeld twee gespiegelde bouwblokken aan weerszijden van een straat. Authentiek: overeenstemmend met het oorspronkelijke; origineel; eigen kenmerken dragend, oorspronkelijk.

438

Flexus AWC

Boerderij: gebouw/gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie. Het woonhuis wordt hierbij gerekend. Bouwblok: geschakelde bebouwing in een gesloten of halfgesloten vorm. Bouwwerk: algemene benaming voor alle soorten gebouwde objecten. Chaletstijl: is een romantiserende bouwstijl uit globaal het begin van de 20ste eeuw die veel werd toegepast bij villa’s, boerderijen en sommige openbare gebouwen. De romantische gevoelens voor het chalet kwamen voort uit het feit dat rijkere mensen naar Zwitserland trokken als toeristische bestemming en daar geconfronteerd werden met wat zij zagen als “onbedorven bergvolkeren”. Hoewel de stijl dus gebaseerd is op het chalet, is de interpretatie van de bouwkundige kenmerken hiervan dermate vrij, dat een gebouw in chaletstijl nauwelijks aan een chalet doet denken. Wel komen er bepaalde elementen uit de chaletbouw in de gebouwen voor. De stijl wordt vaak gekenmerkt door de toepassing van asymmetrie, expressieve dakvlakken met ruime overstekken, cremewitte stucvlakken in combinatie met baksteenmetselwerk, horizontale geglazuurde baksteenbanden in het gevelmetselwerk, baksteenbogen in een afwijkende kleur, en bovenramen van schuiframen met een rasterwerkroedenverdeling. Eclecticisme: is het combineren in een enkel

bouwwerk van elementen van verschillende stijlen of stromingen. In de 19de-eeuwse architectuur bestond er geen dominante, allesomvattende stijl. Door de bloei van de wetenschap en de kunstgeschiedenis ontstond er een stimulans om oude stijlen te doen herleven, wat resulteerde in historiserende vormgeving. De techniek had een enorme ontwikkeling doorgemaakt maar dat vertaalde zich desondanks niet naar een nieuwe vormgeving. Men kon immers kiezen uit de complete architectonische erfenis. Zo ontstonden verscheidene neostijlen, zoals o.a. Neogotiek. Neoromaans en Neoclassicisme. Waar men daar echter nog probeerde zoveel mogelijk historisch stijlgetrouw te werken, werd dit in de periode 1850-1900 geleidelijk aan losgelaten en ontstond het Eclecticisme als architectuurstijl. Een eclectisch bouwwerk heeft bijvoorbeeld kenmerken uit verschillende neostijlen in zich, die zijn gecombineerd tot een nieuw geheel. Ensemble: zie architectuureenheid. Galerij: gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Interbellum: een interbellum (van het Latijn inter, ‘tussen’ en bellum, ‘oorlog’) is een periode tussen twee oorlogen. Specifiek


i

Karakteristiek pand: door de gemeente aangewezen gebouw met uitzonderlijke architectonische kwaliteit die (nog) geen mo-

wet 1988, of volgens de Monumentenverordening van de gemeente en/of provincie.

Mansardekap: een dak met aan één of meerdere zijden onder een stompe hoek geknikt of gebroken dakvlak.

Neo-classicisme: is een architectuurstijl, waarin de architectuur van de klassieke oudheid werd nagestreefd. Het Neo-classicisme uitte zich in de bouwkunst o.a. door de toepassing van klassieke maatverhoudingen (de compositie), en de toepassing van klassieke bouwelementen, zoals kroonlijsten, zuilen, pilasters, frontons e.d. Het Neo-classicisme is een stroming die gedurende de 18de en 19de eeuw in Nederland opgeld deed.

Modernisme: is een architectuurstijl die vanaf de jaren ‘20 van de 20ste eeuw invloed had op het architectuurbeeld in Nederland, en kan binnen de Nederlandse context in eerste instantie onderscheiden worden in het vooroorlogs en het naoorlogs Modernisme. Opgekomen in het verlengde van de Rationalistische architectuurstroming ontstonden voor de Tweede Wereldoorlog vanaf de jaren ‘20 stromingen zoals ‘de Stijl’, ‘Het Nieuwe Bouwen of Nieuwe Zakelijkheid c.q. Functionalisme’, die gebruik makend van nieuwe bouwtechnieken streefden naar verdere rationalisatie van het bouwen en de realisatie van meer abstracte, van ornament ontdane geometrische bouwvormen. In zijn algemeenheid wordt het vooroorlogs Modernisme gekenmerkt door het ontbreken van het schuine dak, omdat deze als bouwtechnisch achterhaald beschouwd werd, en naar mening van de Modernen afbreuk deed aan de na te streven geometrische vormentaal. Het naoorlogs Modernisme dat globaal opgeld deed in de periode 1945 - 1970 zette deze tendens voort, maar met een grotere variatie aan vormen en materialen, hetgeen soms resulteerde in een vriendelijker uitstraling. Monument: aangewezen onroerend goed als bedoeld in artikel 3 van de Monumenten-

Neo-renaissancestijl: is een 19de-eeuwse bouwstijl waarin werd teruggegrepen op motieven uit de renaissancebouwkunst. Daartoe behoren onder andere de trapgevels, speklagen, de kenmerkende horizontale lijnen die de gevel in ‘vlakken’ verdelen, blokken, diamantkopmotieven en kruiskozijnen. In Nederland kwam de stijl op omstreeks 1875, toen werd gezocht naar een nationale bouwstijl. Oorspronkelijk: origineel, vorm, authentiek.

BEGRIPPENLIJST

Jugendstil c.q. Art nouveau: is een architectuurstijl die globaal in de periode 1900 - 1918 opgeld deed, en ontstond als reactie op de 19de eeuwse neostijlen en het Eclecticisme. Er ontstond een nieuwe stijl, met vormen bestaande uit gestileerde plantaardige motieven. De eerste voorbeelden van deze stijl werden in Belgie gerealiseerd, op basis van theorieën ontwikkeld in Engeland. De Jugendstil resulteerde in complex vormgegeven gebouwen met een rijke en gedecoreerde gevelarchitectuur. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verstoorde het positieve geloof in de vooruitgang en markeerde tevens het einde van de Jugendstil. Lint(bebouwing): langgerekte lijn van (veelal vrijstaande) bebouwing langs een weg of waterverbinding.

nument is. Ter bescherming van deze bebouwing is het welstandsniveau intensief.

aanvankelijke

Oriëntatie: de hoofdrichting van een gebouw. Orthogonaal: rechthoekig. Ornament: versieringselement, dienend om een gebouw op te luisteren. Functionele gebouwelementen (zoals kozijnen, daklijsten

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

439

BIJLAGE 1

wordt met Interbellum de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog bedoeld. De architectuur uit de periode van het Interbellum werd met name gekenmerkt door de architectuur van de Amsterdamse School en het Zakelijk Expressionisme. Klauwstuk: een klauwstuk is een vorm van een vleugelstuk, een versiering van zandsteen die is aangebracht naast een hals- of trapgevel. Het klauwstuk is waarschijnlijk vernoemd naar de poten van een leeuw of adelaar, die tijdens de Amsterdamse Renaissance werden verwerkt in de getrapte opbouw van een gevel.


440

enz.) worden op zichzelf niet tot ornamenten gerekend wel de er op aangebrachte versieringen. Detailleringen die tot een specifieke stijl behoren kunnen wel tot ornamentiek gerekend worden.

combinatie met een meer romantische en asymmetrische compositie, veelal toepassing van natuursteen voor het hele gevelvlak met soms een rustica-motief bij de plint van het gebouw.

Overgangsstijl: is een architectuurstijl uit globaal de periode 1900-1914, met nog navolging tot in de jaren ‘20. De Overgangsstijl was een reactie op de te uitbundig geachte Jugendstil en het te sober geachte Rationalisme. De stijl werd gekenmerkt door toepassing van internationale stijlelementen en bestond feitelijk uit drie stromingen: de ‘Chaletstijl’, ‘Americana’, en ‘Um 1800’. Niettemin werden ook onderling weer stijlelementen gemengd toegepast, waardoor een preciese indeling vaak moeilijk te maken is. Zie voor een beschrijving van de romantiserende Chaletstijl, onder ‘Chaletstijl’. Een meer conservatieve, serieuze variant vormde de Heroriëntatie- of Um 1800- stijl (ofwel nieuw historiserende stijl). Deze stelde de Lodewijk XVI-stijl als ideaalbeeld (in het discours benoemd als de laatste ‘echte’ stijl). De Um 1800-stroming wordt o.a. gekenmerkt door de toepassing van strenge symmetrie, classicistische vormgevingsmotieven, donkerkleurig baksteenwerk, de ingehouden toepassing van sobere baksteenornamentiek, en bovenramen van schuiframen met een rasterwerkroedenverdeling. Americana werd sterk beïnvloed door de architectuur van de Amerikaanse architecten H.H. Richardson en L.H. Sullivan. Deze stroming werd o.a. gekenmerkt door een menging van neo-romaanse motieven in

Pinakel: Een pinakel (Latijn: pinna:andere vorm) of fioel is een in de Gotiek en Neogotiek toegepast element, en is een slanke torenvormige beëindiging en bestaat uit een voet, schacht of lijf met daarop een spits of kepel. De kepel wordt bekroond met een kruisbloem of finaal.

Flexus AWC

Plint: een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw of een duidelijk te onderscheiden onderste horizontale laag van een gebouw. Portiek: gemeenschappelijk trappenhuis en/of een terugspringende ruimte voor de straat- of toegangsdeur. Profilering: zichtbare maatvoering, verhouding en reliëf van een kozijn of kroonlijst. Rationalisme: Het rationalisme is een architectuurstijl die globaal van 1900 - 1920 van grote invloed is geweest op de Nederlandse architectuur. Het Rationalisme was een reactie op de neostijlen van de 19de eeuw, het Eclecticisme, de Jugendstil en het Expressionisme. Deze stromingen dreven op hartstocht, terwijl de architecten van het Rationalisme vertrouwden op de rede. Voorman van de stroming binnen Nederland was H.P. Berlage. De architectuur van het Rati-

onalisme wordt gekenmerkt door rationele sobere baksteenarchitectuur, toepassing van vanzelfsprekende logische draagconstructies en gebruik van proportieschema’s in de compositie van gevels en plattegronden. Hiernaast stond een functionele en logische indeling van het gebouw centraal, met een veelal asymmetrische plattegrond en gevelopstand tot gevolg. Het Rationalisme heeft mede ten grondslag gelegen aan het latere Modernisme. Reliëf: het in geringe mate uitsteken of inspringen van gevelelementen ten opzichte van het gevelvlak, zoals bij kozijnen, negges, sierranden. Rooilijn: lijn, die historisch vastgelegd is, en/of die het bestemmingsplan of bouwverordening aangeeft, waarbinnen gebouwd mag worden. Schilddak: dak, gevormd door twee driehoekige schilden aan de smalle en twee trapeziumvormige aan de lange zijde. Situering: plaats van het bouwwerk in zijn omgeving. Stijl: architectuur of vormgeving uit een bepaalde periode of van een bepaalde stroming. Tent-, punt- of piramidedak: dak gevormd door vier driehoekige dakschilden die in één punt bijeenkomen.


i Textuur: de waarneembare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Wolfdak/wolfeinden: meestal een zadeldak waarvan één of beide dakschilden op de kop een afgeknot dakschild heeft (wolfeind).

Traditionalisme: Deze architectuurstroming met sobere baksteenarchitectuur waarin eenvoud het uitgangspunt vormde, kwam al tot ontwikkeling in de vooroorlogse periode gedurende de jaren ’20 en zou haar stempel drukken op de Nederlandse woningbouwtraditie tot globaal halverwege de jaren ’50 van de 20ste eeuw. Met name vanaf de jaren ‘30 stond zij bekend als ‘de Delftse School’, omdat zij sterk beïnvloed werd door theorieën van de Delftse hoogleraar Grandpré Molière. De Delftse School zette zich af tegen het expressionisme van de Amsterdamse School omdat deze naar haar zin te decoratief was. Ook het Zakelijke Expressionisme was voor haar te weinig gerelateerd aan de pretentieloze ambachtelijkheid die naar haar mening - veelal door een religieus maatschappijbeeld beïnvloed - nagestreefd zou moeten worden.

Zadeldak: een dak dat aan twee zijden schuin is met een symmetrisch profiel. Zakelijk Expresionisme: is een architectuurstijl, opgekomen rond 1925 als reactie op de te uitbundig geachte Amsterdamse School. De plastische vormgeving die gebruikelijk was in de Amsterdamse School (torenelementen, de uitbundige toepassing van mansardekappen, de toepassing van ladderramen, uitkragende lineaire bakgoten, metselwerkpatronen en -ornamentiek) werd hiermee bij woonhuisarchitectuur verder verzakelijkt. Met name vanaf de jaren ´30 van de twintigste eeuw vormden ook meer kubische bouwvormen onderdeel van het repertoire van het Zakelijk Expressionisme.

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling binnenstad en centrumschil Meppel

441

BIJLAGE 1

BEGRIPPENLIJST

Windvaan: deze bestaat meestal uit een metalen plaatje dat vrij beweegbaar is om een verticale as. Aan de ene zijde van de as heeft het plaatje een groter oppervlak, aan de andere zijde doorgaans een spits: het wijzende deel. Het wordt op een hoge plek geplaatst en kan door de winddruk in de wind draaien en zodoende de windrichting aanwijzen. Ter verfraaiing krijgt het plaatje vaak een vorm, meestal die van een haan; een dergelijke windwijzer wordt wel windhaan genoemd. Maar ook andere afbeeldingen komen als windwijzer voor.

Profile for Provincie Drenthe

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling M  

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Meppel - Binnenstad & Centrumschil Meppel

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling M  

Cultuurhistorische inventarisatie en waardenstelling Meppel - Binnenstad & Centrumschil Meppel

Advertisement