Page 1

jaargang 124 editie 11 november 2017

11

TANDTECHNISCH LABORATORIUM

jaargang 124 | editie 11 | november 2017 | 124: 529-604

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Stijging vrouwelijke tandartsen

40%

30%

20%

10%

Jaar ‘80

‘82

‘86

‘90

‘92

‘94

‘96

‘98

‘00

‘02

‘04

‘06

‘08

‘10

‘12

‘14

‘16

w w w. n tv t. n l

2017-11-03 woman product -zirconium bridge1 4C.indd 1 Prelum_NTvT17-11_omslag_5mm.indd

12/10/2017 11:26:24

17-10-17 11:27


TIJD OM OVER TE STAPPEN?

KIES UW ENDO OPLOSSING

Roterend Prestatie en veelzijdigheid

Reciprook Eenvoud en veiligheid

ProgliderTM

WaveOne® Gold Glider

Protaper NextTM

WaveOne® Gold X1

ANT-OVERSTAPSERVICE Maak nu gebruik van de handige ANT-overstapservice. Wij regelen alle praktische zaken voor u om zonder zorgen over te stappen. Ga naar de website of stuur een WhatsApp.

WWW.ANT-OVERSTAPSERVICE.NL OF APP UW E-MAILADRES NAAR 06 83 77 07 24 Prelum_NTvT17-11_omslag_5mm.indd 2

X2

Primary Specifieke obturatie-oplossingen

Specifieke obturatie-oplossingen

www.chooseyourendosolution.com

7314_DS-PRE_Adv_Choose_NL.indd 1

17-10-17 11:27 06-10-17 15:12


Inhoud

Musculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en tandheelkunde studenten in Nederland   581

Redactioneel  531 Deze maand…  532 Nieuws

Ferme vrouwen met ­specialisme  534 Personalia  537

j.j.m. bruers, l.e.c.m. trommelen, p. hawi, h.s. brand

Onderzoek en wetenschap

Serie: Hora est Mondzorg en mondgezondheidgerelateerde levens­ kwaliteit van kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen  589

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Eerste vrouwelijke lector pro­­the­ tische tandheelkunde: Jans Gretha Schuiringa (1887-1975)  541

d. niesten

r. de raat Excerpten

Vrouwen en werk, met een ­speciale blik naar artsen en ­tandartsen  549

De overdracht van Streptococcus mutans van moeder op kind  597

a. van doorne-huiskes

Breukbestendigheid van ­zirkoniumdioxide abutments  599

Mondzorg door vrouwen: hoe gaat dat in de praktijk?  557

Media

Primair syndroom van Sjögren  601

k. jerković-ćosić

Biomarkers bij orofaciale pijn  601

Een vrouw aan de stoel is heel gewoon. De beroepsuitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland  563

Kennistoets

Kennistoets 11-2017 (ID-nummer KRT/KRM: 2873780)  603

j.j.m. bruers, b.a.f.m. van dam

Feminisering: maakt het ­verschil?  575 m. van essen, d.d. van bergen, j.i. stoker

KRT maakt optimale mondzorg zichtbaar

Het tijdschrift is opgenomen in medline/PubMed en geaccrediteerd door de begeleidingscommissie Q-keurmerk van de Nederlandse Vereniging van Tandartsen per 1 januari 2005.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 529

529

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Dr. Julian Webber BDS, MS - Endodontic Specialist

Gilbert Rota Technology Expert R&D Dentsply Sirona

Dr. Sarah Attal MSc.DDS - Endodontic Specialist

Partner Partners voor een betere forEndo a better future toekomst While Dentsply Sirona Endodontics is our new name, our core strengths remain steadfastly unchanged. Dentsply Sirona is onze nieuwe naam, maar onze belangrijkste troeven blijven ongewijzigd. Swiss Onze heritage, endodontic excellence and passion for innovation Zwitserse erfenis, endodontische topkwaliteit en passie voor innovatie via through partnership — these continue to drive the excellence of topkwaliteit our brand. van ons werk. partnerschappen – deze waarden blijven de motor voor de It is partnership among our internal specialist practitioners, Door nauwe samenwerking vanteams onze and interne teams met specialistische behandelaars en and the passion each individual feels for endodontics, that makes our innovation de passie voor endodontie die wij alleen voelen: dat zorgt ervoor dat ons innovatieproces van process world-class, deeply emotional and richly human.

de wereldklasse is, intens emotioneel en zeer menselijk.

Together, we are redesigning the future of endo - to make it easier, vinden we de each toekomst endodontie opnieuw uit – gemakkelijker, faster Samen and safer - because smilevan is ade victory.

sneller en veiliger voor de patiënt – omdat elke glimlach een overwinning is.

dentsplysirona.com

DENTSPLYSIRONA.COM

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 530 7289_DS-PRE_Adv_PartnerForABetterFuture.indd 1

17-10-17 09:50 07-08-17 13:21


E.C.M. Bouvy-Berends

Redactioneel

Vrouwen in de tandheelkunde: de mythen voorbij

Foto: Milette Raats

Op 3 mei 1968 stond ik in een zwart mantelpakje in de Kliniek voor Kaakchirurgie van het Stads- en Academisch Ziekenhuis Utrecht voor mijn mondelinge examen bij professor J.W.A. Tjebbes. Samen met 69 mannelijke en 5 vrouwelijke tandheelkunde­studenten was ik in 1962 aangekomen in Utrecht. In 1968, het jaar van mijn afstuderen, stond de wereld in brand. De Vietnamoorlog woedde in alle hevigheid, Martin Luther King werd op 4 april vermoord, in Parijs kwamen studenten in opstand. En ik studeerde met 2 weken vertraging af, omdat de wortelstift van mijn gegoten opbouw 2 mm tekort was. Als jonge vrouwelijke tandarts werd ik welwillend toegelaten tot de professie. In de woorden van Broekman in 1966 in dit tijdschrift: “bij beschouwingen over toekomstige ontwikkelingen van ons vak zullen wij de vrouw meer in ons denken moeten betrekken”. We deden nog voor spek en bonen mee. In het jaar 2000 sprak het Nederlandsch Tandheelkundig Genootschap in haar voorjaarsvergadering over ‘De zorg in het nieuwe millennium: de tandarts is een vrouw’. In de voordrachten klonk zorg over feminisering in de tandheelkunde. Pauline van Meurs, hoogleraar Bestuur van de gezondheidszorg aan de Erasmus Universi-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

13:21

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 531

teit Rotterdam, haalde die dag echter fel uit naar de tandartsen, die volgens haar behoorlijk achter de feiten aanliepen. In 2014 zette het genootschap het thema nogmaals op de agenda. Nu werd onder leiding van emeritus hoogleraar Sociologie Anneke van Doorne-Huiskes stevig gediscussieerd, op basis van gepresenteerde feiten. De dominantie van de vrouwen in de tandheelkunde leek onafwendbaar. Er was steeds meer bekend over de verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen, zoals over hun taakopvatting en beroepsuitoefening. Op de opleidingen tandheelkunde was inmiddels meer dan de helft van de studenten vrouw. Het is duidelijk dat de man-vrouwverhouding van de beroepsgroep de komende jaren nog meer zal veranderen.

Feminisering van het tandarts­ beroep Wat betekent de massale entree van vrouwen in het tandartsberoep voor de mondzorg van de toekomst? Is er minder ambitie tot het ondernemerschap en wat betekent dit voor de organisatie van de mondzorg. Gaan er andere praktijkvormen ontstaan? In deze editie van het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde wordt de groeiende participatie van vrouwen in de mondzorg onder de loep genomen. Reina de Raat schetst een indringend beeld van de eigenzinnige, eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde in Nederland, mejuffrouw Jans Gretha Schuiringa, die niet ontkwam aan het vrouwbeeld van haar tijd (1887-1975) en de strijd met haar mannelijke collega’s moest aanbinden. Volgens Mineke van Essen ligt de genderdiscussie van de jaren 1950 en 1960, waarin mensen als Buytendijk (dé autoriteit op het gebied van de vrouwelijke psyche) vrouwen nog als wezenlijk anders dan mannen neerzetten, ver achter ons. Anneke van Doorne-Huiskes neemt vervolgens het voortouw in het discours van deze editie: de diversiteit aan patiënten vraagt om vrouwen én mannen in de medische en tandheelkundige professies. Het beroep van tandarts moet aantrekke-

531

lijk blijven voor een verscheidenheid aan studenten. We zijn de mythen voorbij, een aantal stereotyperingen zijn al doorgeprikt: vrouwelijke tandartsen worden zakelijker en onze jonge mannelijke collega’s willen ook in deeltijd werken. Daar wijst Katarina Jerković-Ćocić ons fijntjes op in haar betoog over de samenwerking tussen mondhygiënisten en vrouwelijke tandartsen. Josef Bruers en Brigitte van Dam leggen met de gegevens uit het Project Peilstations van het KNMT een stevige basis voor nadere reflectie op het thema. Het lijkt daarbij minder van belang de sekseverschillen te doorgronden. Mineke van Essen vult dat aan met de uitkomsten van een dit jaar gehouden digitale enquête onder mannelijke en vrouwelijke tandartsen. Zij vond vooral veel overeenkomsten tussen mannen en vrouwen. Zijn er dan geen verschillen? Het onderzoek van Bruers en Brand over musculoskelettale aandoeningen laat een genuanceerd beeld zien van de fysieke belasting in de opleiding en de beroepspraktijk en onderstreept het belang van ergonomie in het tandheelkundig curriculum.

Interview met vrouwelijke ­specialisten Het was mijn persoonlijke wens vrouwen vanuit de 2 tandheelkundig specialismen voor het voetlicht te plaatsen: in een voor het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde uniek dubbelinterview toont Ellen Van Cann, mka-chirurg, haar onverschrokkenheid op de wijze waarop zij in een door mannen gedomineerde wereld aan het werk is gegaan. Lotte Veldhuijzen van Zanten, orthodontist en voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten, voert met hart en ziel haar eigen orthodontiepraktijk. Deze ‘vrouweneditie’ kwam tot stand onder de bezielende leiding van een jonge mannelijke hoofdredacteur. Met veel genoegen mocht ik uw gastredacteur zijn. Ik wens u veel leesplezier. Elinor Bouvy-Berends, voormalig tandarts-gehandicaptenzorg

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Deze maand….

In cijfers

8.773 tandartsen van 64 jaar of jonger waren er in januari 2013. Van deze actieve beroepsgroep is 65% man en 35% vrouw. Deze aandelen waren in 2000 79 versus 21%. In 2013 was in de leeftijdsgroep tot en met 29 jaar het aandeel vrouwelijke tandartsen 66%, bij de ingeschreven studenten in 2016 is dit 63%. Dit lijkt te suggereren dat in de jonge leeftijdsgroepen het aandeel vrouwen – en mannen – binnen de tandheelkunde zich stabiliseert. pag. 552 171% was de toename van het aantal vrouwlijke tandartsen sinds 1996. Het aantal mannelijke tandartsen is sindsdien afgenomen met 7%. De toenamen van het aantal vrouwen leidde uiteindelijk tot een algemene toename van het aantal tandartsen met bijna 26%. pag. 565 80% van de tandartsen die deelnamen aan het onderzoek gaf aan in de afgelopen 12 maanden last te hebben gehad van musculoskelettale klachten. Daarbij werden vooral nek (42%), schouders (48%) en onderrug (46%) genoemd. De klachten van vrouwen verschilden niet significant van die van mannen. Ook tandheelkunde­ studenten noemden in de meeste gevallen nek (58%), schouders (55%) en onderrug (64%), alsook bovenrug (47%). Met uitzondering van onderrug, werden deze klachten vaker door vrouwelijke dan door mannelijke tandartsstudenten genoemd. Tandartsstudenten zeiden vaker klachten te hebben gehad aan nek, schouders, polsen en/of handen, bovenrug en onderrug, terwijl tandartsen relatief meer klachten hadden gehad aan ellebogen. pag. 585

In citaten

“Tekenend voor haar karakter was dat zij bij haar benoeming eiste gebruik te kunnen maken van het recht om een openbare les te houden, zoals De Groot zelf als lector mondheelkunde in 1919 had gedaan.De Groot was echter van mening dat Schuiringa dat niet ook hoefde te doen, omdat hij het al gedaan had. In de ogen van De Groot was een tandarts strikt genomen geen academicus en kon daarom geen openbare les geven. Schuiringa vond daarentegen dat zij op gelijke voet stond met elke andere wetenschapper die een lectoraat toebedeeld kreeg. Zij hield daarom voet bij stuk en ondanks de weerzin van De Groot, hield zij op 3 februari 1921 haar openbare les...” Lees meer op pag. 543 “Vrouwelijke tandartsen lijken veel overeenkomsten te vertonen met mondhygiënisten in hun manier van communiceren met patiënten. Dit komt voornamelijk doordat de meeste mondhygiënisten ook vrouwen zijn, maar misschien ook omdat het beroep mondhygiënist gericht is op de voorlichting en gedragsverandering waarbij communicatieve vaardigheden een grote rol spelen. Deze overeenkomsten kunnen positief uitwerken op de gezamenlijke visie over benadering van patiënten en kunnen daardoor belangrijk zijn voor de samenwerking tussen vrouwelijke tandartsen en mondhygiënisten.” Lees meer op pag. 559 “Gaan vrouwen op een andere manier met hun praktijkmedewerkers om dan mannen? Zijn mannen meer sturend, vrouwen meer ondersteunend, of meer geneigd tot delegeren? De deelnemers moesten voor items als ‘ik neem snel de leiding’, of ‘ik pleeg ook bij belangrijke zaken echt wederzijds overleg’ zichzelf scoren op een 5-puntenschaal. Vrouwelijke tandartsen scoorden zichzelf niet significant anders dan hun mannelijke collega’s. Lees meer op pag. 577 “Het hebben van eigen dentitie had in het algemeen een positief effect op de levenskwaliteit. De thema’s trots en prestatie, intactheid en gevoel van controle kwamen het vaakst voor bij de meest kwetsbaren (ZZP 4-6). Deze groep vergeleek zichzelf met leeftijdgenoten die veelal edentaat waren en waardeerden hun gebitsstatus vanuit het perspectief van hun afnemende gezondheid. In het algemeen maakte het mannen minder uit of ze de eigen dentitie hadden dan vrouwen, ongeacht de mate van kwetsbaarheid. Geconcludeerd kon worden dat de levenskwaliteit van kwetsbare ouderen in het algemeen positief beïnvloed wordt door het hebben van de eigen dentitie en dat deze invloed groter lijkt bij de meest kwetsbaren. Het behoud van de eigen dentitie draagt bij aan een positief zelfbeeld en eigenwaarde.” Lees meer op pag. 589

C

M

Y

CM

MY

CY

CMY

K

Reageren op de inhoud van deze editie? Log in op de website en zet uw reactie onder het desbetreffende artikel. Of: mail naar lezerspost@ntvt.nl.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 532

532

124 | november 2017

17-10-17 09:50


NL_ART ADVHARMONIZE_popart CMYK.pdf

1

31/08/17

15:41

IEDERE GLIMLACH IS EEN KUNSTWERK

C

M

Y

CM

MY

CY

CMY

K

ERVAAR HARMONIZE™, DE NIEUWE GENERATIE COMPOSIET MET ADAPTIVE RESPONSE TECHNOLOGY.

Harmonize is ART, Adaptive Response Technology, een systeem van nanovulstofdelen die het mogelijk maken om natuurgetrouwe restauraties te verwezenlijken, EASIER THAN EVER BEFORE. Door een betere blending en verhoogde structurele integratie zullen restauraties eindelijk BUITENGEWOON STERK en VAN ONGEËVENAARDE ESTHETIEK ZIJN. Wetenschap en schoonheid komen eindelijk tezamen.

www.KerrDental.com Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 533

17-10-17 09:50


Ni euws

Interview

Ferme vrouwen met specialisme Orthodontist Lotte Veldhuijzen van Zanten, mka-­ chirurg Ellen Van Cann en gastredacteur Elinor ­Bouvy-Berends ontmoeten elkaar tijdens een diner in Kasteel de Vanenburg te Putten. Sinds 17 jaar runt Lotte, nonchalant opgestoken grijsblond haar, stoere sneakers en stralende ogen, haar praktijk in Zwolle. Met een praktijkmanager, 9 assistenten en waarnemende orthodontisten wordt de halve regio bediend; op 1 dag ziet Lotte minstens 80 patiënten. Daarnaast is zij voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Orthodontisten (NVvO). Ellen, klein, frêle, gezicht vol sproetjes, werkt fulltime in het UMC Utrecht en 1 dag per week in het Diakonessenhuis in Zeist. In dit unieke dubbelinterview met beide vrouwen spreken zij over hun specialismen, over de keuzes die ze hebben gemaakt en waarom, en over de positie van vrouwen binnen hun vakgebied. Tijdens het diner in de serre van het kasteel, praten we over hoe ze het vak in zijn gerold. Voor zowel Ellen als Lotte was tandheelkunde hun tweede studiekeuze nadat ze waren uitgeloot voor geneeskunde. Ellen begon aan civiele techniek in Delft, maar na een week wist ze zeker dat haar hart bij geneeskunde lag. “Mijn vader is gaan rondbellen en daarna ben ik halsoverkop alsnog naar ­Amsterdam vertrokken om tandheelkunde te gaan studeren”. In haar derde jaar werd ze voor geneeskunde in­geloot en besloot beide studies te combineren. Vrij­ stellingen kreeg ze niet, maar het eerste jaar geneeskunde was voor 90 procent herhaling van de stof die ze al bij tandheelkunde had gehad. Ze werd lid van het corps en speelde elke dag minstens 2 uur piano op niveau. Lotte hoort haar met stijgende verbazing aan. “Hoe kreeg je dat allemaal voor elkaar?” Ellen: “Ik volgde alleen verplichte practica, 1 of 2 avonden per week was ik bij mijn dispuut. En als ik studeerde in de UB ging ik in de pauzes met vriendinnen shoppen. Ik studeerde vaak ’s nachts, want ik had voldoende aan 3 tot 6 uur slaap. En met een vol schema word je vanzelf heel efficiënt”.

Zou je dit zo weer doen? Ellen: “Ja, ik zou het weer zo doen. Want die combinatie heeft ertoe geleid dat ik kaakchirurg ben geworden. Dat vind ik nog steeds het mooiste beroep dat er is. In kaak­

“Ik opereer liever, want dan zie je sneller resultaat” Ellen Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 534

chirurgie komt alles bij elkaar wat ik interessant vind: orthopedie, plastische chirurgie, tandheelkunde, neurologie, oogheelkunde, interne geneeskunde, dermatologie, implantologie. In het gelaat en de schedel zitten zoveel functies die de kwaliteit van het leven bepalen, zoals kauwen, slikken, ademhalen. Als een van die dingen niet meer lukt, heeft dat een enorme impact. En esthetiek speelt ook een belangrijke rol in ons vak, want wat wij chirurgisch doen, springt in het gezicht - letterlijk en figuurlijk. Andere chirurgen opereren vaak wat onder de kleren zit”. Lotte werd tot 3 keer toe uitgeloot voor geneeskunde. Na een jaar in de Verenigde Staten ging ze economie studeren in Amsterdam. De stad vond ze geweldig, maar de studie niet boeiend. “Toen kreeg ik een brief dat er nog plek was bij tandheelkunde. De eerste jaren voelde ik me senang, maar naarmate de studie vorderde vond ik het steeds minder leuk worden. Naast de studie was ik actief lid van het studentencorps en speel tot op de dag van vandaag dwarsfluit in een ensemble. In het derde jaar kwam er patiëntenzorg bij en toen vroeg ik me serieus af: wil ik wel tandarts worden? Ik vond die practica helemaal niks en overwoog te stoppen. Maar mijn vader vond dat ik de studie gewoon moest afmaken. Tijdens mijn stage bij kaakchirurgie opperde iemand: waarom ga je niet orthodontie doen? Ondertussen had ik bijgedragen aan een onderzoek naar relaps bij orthodontisch-chirurgische behandelingen, en mijn extra-curriculaire activiteiten aan mijn CV toegevoegd. Vervolgens werd ik meteen ­aangenomen, door Birte Prahl.” “Al in die eerste week dat ik bij orthodontie rondliep dacht ik: hier voel ik me thuis! De doelgroep, vooral ­kinderen, is leuk. Ze zijn niet angstig, maar juist blij dat ze een beugel krijgen. Ze komen regelmatig terug en zo bouw je een band met ze op. Daarnaast ben je bezig met zowel functionele verbetering als esthetiek. Je kunt iemand zo blij maken door een paar tanden recht te zetten en met een stralende glimlach de deur uit te laten lopen”. Ellen: “Ik vond orthodontie een prachtig vak, maar het paste niet bij mij. Wanneer ik na 2 weken een patiënt terugzag werd ik zenuwachtig als ik geen verbetering zag. Ik opereer liever, want dan zie je sneller resultaat”.

Hebben jullie je moeten ‘bewijzen’ in het ­specialisme? Ellen: “Zeker de helft van mijn patiënten is oncologisch. Daarnaast doe ik reguliere kaakchirurgische ingrepen en trauma. Vandaag heb ik in Zeist poliklinisch werk gedaan. In Zeist werk ik uitsluitend met vrouwelijke assistenten, daar trek ik een witte jas aan zodat duidelijk is wie de dokter is. Ondanks dat ik me voorstel als kaakchirurg

534

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Ni euws

Foto: Wout Jan Balhuizen

Kaakchirurg Ellen van Cann (l) en orthodontist Lotte Veldhuijzen van Zanten (r).

vragen sommige mensen aan mij: wanneer komt de kaakchirurg nou?” Ze lacht: “In hun hoofd heeft zich een beeld gevormd van een enorme man met heel grote handen die in hun mond gaat werken. Ze kunnen zich moeilijk voorstellen dat ik die kaakchirurg ben.” Lotte: “Na mijn studie zou ik partner worden in een maatschap met 3 oudere mannen. Daar ben ik maar een maand gebleven. Het verschil tussen hen en mij was op diverse terreinen te groot. Toen ben ik in Zwolle een eigen praktijk gestart. Dat alles heeft mij, naast een druk gezin, veel energie en inspiratie gegeven”.

“Vroeg of laat moet je laten zien dat jij de baas bent” Lotte

lingen zijn ingrijpend en met hen heb ik dan ook emotioneel beladen gesprekken”.

Team en leiderschap Kaakchirurgie, een echte mannenwereld? “Toen ik begon, wist ik niet dat er vrouwelijke kaak­ chirurgen waren. Tot ik coschappen gingen lopen op het AMC en daar collega Margo Houwing zag. Dat was een eyeopener. Daarnaast had je Joke Kwakman, en dat was het dan. Ikzelf zag de mannenwereld niet als een obstakel. Maar sommige vriendinnen zeiden: dat gaat je nooit lukken in die mannenwereld”. Inmiddels zijn er 30 vrouwelijke kaakchirurgen op 250 mannelijke collega’s in Nederland. In het Diakonessen­huis werkt Ellen met uitsluitend vrouwelijke assistenten, in Utrecht met een gemengd team. Maakt dat verschil? Ellen: “Nee, wat vooral verschilt, is de setting en de patiënten. In Zeist werk ik in een klein team, in een klein ziekenhuis. De patiënten daar zijn banger voor het weghalen van een verstandskies dan de patiënten in het UMC voor het weghalen van een halve kaak. Oncologiepatiënten vormen een totaal andere groep. De behande-

Lotte: “Als orthodontist ga je voornamelijk met pubers om. Het werkt niet als je hun botweg een behandelplan oplegt. Ze moeten het ook een beetje voor jou willen doen. Die empathie over en weer, dat ligt vrouwen doorgaans toch beter dan mannen. Hetzelfde geldt voor de samenwerking met mijn team. Ik sta niet echt boven mijn ­assistenten, ik ben 1 van hen”. “Maar het kan ook tegen je werken. Vroeg of laat moet je laten zien dat jij de baas bent. Op een kleurencursus met mijn team bleek het hele team blauw-groen te zijn, dus houden zoals het is en harmonie. Ik bleek geel te zijn, voor innovatie en verandering, maar dat hield het team weer tegen. We hadden te weinig rood in het team: mensen die duidelijk het voortouw nemen. Daarom heb ik rode polo’s gekocht: op die van mij staat: ‘Boss’ op de rug, bij de rest ‘Crew’. Als er een knoop moet worden doorgehakt, draai ik me om en zeg: ‘Maar ik ben nog altijd de baas.’ Het is een grap, maar met een serieuze ondertoon”.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

535

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 535

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Ni euws

Verliest het beroep aan status als er meer ­vrouwen komen? Lotte: “Ik heb zelf niks met aanzien en status. ik vind het belangrijker dat we de kwaliteit van het vak hooghouden. Dat we goede orthodontie leveren in Nederland. Dat is tevens mijn drijfveer als voorzitter van de NVvO. Kwaliteit heeft niets met gender te maken”. Ellen: ”Klopt, en kwaliteit hangt af van competenties. Chirurgen, man of vrouw, genieten nog altijd veel aanzien. Waarschijnlijk omdat wij in andere mensen snijden. Dat is een grote verantwoordelijkheid. Ik vind het nog steeds bijzonder het vertrouwen van patiënten te krijgen. Soms zeggen ze al na 5 minuten: ik vertrouw helemaal op u, het komt goed. Ze leggen hun lot in de handen van de chirurg”. Uit onderzoek blijkt dat, vergeleken met mannelijke collega’s, vrouwelijke tandartsen zich onzekerder voelen bij complexe behandelingen, zich minder snel competent achten, vaker collega’s consulteren en liever in team­ verband werken. Lotte: “Ik denk dat vrouwen zich minder snel overschatten. Dat vind ik positief. Het is niet verkeerd om kritisch naar jezelf te kijken en aan een collega te vragen: ‘Help mij met deze patiënt, want ik weet het niet.’ Daar hebben vooral mannen moeite mee, denk ik. Een jonge mannelijke collega belt me wel eens op voor advies. En mijn man, die als kaakchirurg werkt en tevens collega is van Ellen, en ik hebben in de regio een maandelijkse intervisiegroep opgezet voor kaakchirurgen en orthodontisten. Dat werkt heel goed”. Ellen: “Chirurgen moeten in een fractie van een seconde de juiste beslissingen kunnen nemen - soms gaat het om leven en dood. Daardoor hebben we de neiging om veel beslissingen alleen te nemen. Ik ben ook een goede beslisser - als het moet in een split second - maar bij minder levensbedreigende zaken denk ik ook: kunnen we niet eens samen die casus bespreken? Dat is geen zwakte, maar komt de zorg ten goede”.

Hoe ziet het vak er over 10 jaar uit? Wordt de consument dan goed bediend door de mond­ zorgverleners? Lotte: “We hebben van oudsher een heel goede mondzorg in Nederland. Kinderen zitten tot hun achttiende in de basiszorg, orthodontie in de aanvullende zorg, die tot een paar jaar terug behapbaar was. Maar langzamerhand is die premie enorm gestegen en de vergoeding flink gedaald. Voor een steeds grotere groep kinderen wordt orthodontie onbetaalbaar. Dan krijg je een tweedeling, zoals je ook in bijvoorbeeld Italië ziet. Daar kan alleen de elite zich een orthodontische behandeling veroorloven. Aan het gebit van iemand kun je zien tot welke sociale klasse hij behoort. Dat vind ik een zeer onwenselijke situatie”. Ellen: “Bijna alle kaakchirurgische zorg wordt vergoed door de verzekering. Ook over 10 jaar. Daar maak ik me geen zorgen over. Wél over de mondzorg in het algemeen. Tot 20 jaar geleden, in de tijd van het ziekenfonds, ging bijna iedereen met regelmaat naar de tandarts. Door verandering van het ziektekostenstelsel is dat nu minder vanzelfsprekend en zien we steeds vaker jonge mensen met totaal vervallen gebitten. Die geven ook niet het juiste voorbeeld aan hun kinderen. Ik kan me goed voorstellen dat mensen een ander ziektekostenstelsel willen”.

Als je morgen verboden wordt orthodontist dan wel kaakchirurg te zijn: wat had je dan willen worden? “Als ik geen kaakchirurg was geworden, zou ik jurist of journalist willen zijn. Sowieso een beroep met mensen om me heen”, antwoordt Ellen. Lotte: “Ik was dan iets creatiefs gaan doen. Fotograaf, of schilder of… een klein hotelletje runnen samen met mijn zoon Tom”. Ze denkt na: “Eigenlijk komt dat voort uit dezelfde passie: samen met je team iedere dag iets moois neerzetten waar mensen heel blij van worden”.

Zouden jullie het jammer vinden als tandheel­ kunde een vrouwenberoep zou worden? “Ja”, zeggen ze eensgezind. Lotte lacht: “Op de congressen is het met mannen wel zo gezellig. En in het bestuur van de NVvO zitten zowel mannen als vrouwen. Die mix is prettig, we komen zo met elkaar tot uitgebalanceerde beslissingen”. Ellen vult aan: “De accreditatiecommissie, waar ik voorzitter van ben, bestaat ook uit mannen en vrouwen, dat functioneert het beste”.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 536

536

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Ni euws

Personalia

Erik Vermaire en Marjolijn Oomens ­ontvangen auteursprijzen NTvT Op vrijdag 22 september 2017 werden tijdens de NTvT Auteursdag in het Gemeentemuseum in Den Haag 2 auteurs in het zonnetje gezet vanwege hun publicatie in het NTvT. De Publicatieprijs 2016 en de Debuutprijs 2017, beschikbaar gesteld door de aan het NTvT gelieerde Stichting Bevordering Tandheelkundige Kennis, werden door directeur-voorzitter van de NTvT BV, prof. dr. Paul van der Stelt, uitgereikt. Eerst werd de Publicatieprijs 2016 aan dr. Erik Vermaire over­ handigd. Hij won de gegraveerde penning en cheque van € 2.500,00 voor zijn artikel ‘Een economische evaluatie van 2 cariëspreventieve strategieën vergeleken met standaardzorg’ (Ned Tijdschr Tandheelkd 2015; 122: 392-401). Zijn medeauteurs waren C. van Loveren, W.B.F. Brouwer en M. Krol. De jury, onder voorzitterschap van dr. Cees M. Kreulen, vond de aanpak van het beschreven onderzoek origineel en prees de auteurs dat zij niet alleen het gezondheidseffect van de preventieve maat­ regelen hadden beoordeeld, maar dat zij dit effect in relatie brachten met de kosten op patiëntniveau. “Omdat de kosten van mondzorg onderwerp blijven van maatschappelijke debat, is het voor de transparantie van belang om bij nieuwe behandelingen te kunnen aangeven of het geld goed wordt geïnvesteerd. En daarmee had dit onderzoek meteen

Paul van der Stelt overhandigt de cheques aan Debuutprijswinnares Marjolijn Oomens en haar begeleider en medeauteur Jaques Baart van het ACTA/VUmc.

Publicatieprijswinnaar Erik Vermaire ontvangt Penning en cheque van Paul van der Stelt.

een tweede doel, namelijk het NOCTP (‘non-operative caries treatment program’) te introduceren als onconventionele, potentiële strategie om de preventie bij de jeugd te verbeteren”, aldus het judicium. Volgens de jury laat dit onderzoek zien “…dat de beoordeling van een nieuwe techniek op meer moet berusten dan alleen de gezondheidseffecten. En dat een calculatie van de tandheelkundige kosten bovendien niet alleen gebaseerd kan zijn op een vaststelling van de ‘verkoopprijs’...”. Vervolgens mocht Marjolijn Oomens de Debuutprijs 2017 in ontvangst nemen. Zij ontving een oorkonde en een cheque van € 1.500,00 voor haar artikel ‘Gevaar van algehele anesthesie en sedatie bij ouderen’ (Ned Tijdschr Tandheelkd 2015; 122: 674679). Zij schreef dit samen met L.H.D. Booij en J.A. Baart. Tevens nam Jacques Baart namens de afdeling Mondziekten, Kaak- en Aangezichtschirurgie van het ACTA/VUmc, van waaruit Oomens het artikel schreef, ook een cheque van € 1.500,00 in ontvangst. Oomens artikel werd door de jury, onder leiding van mr. drs. Jeroen Craandijk, uit 49 artikelen van debuterende auteurs (jaar­ gangen 2015 en 2016) verkozen, omdat “…naast de tandheelkundige en medische relevantie het artikel een heldere opzet heeft, goed leesbaar is, een heldere vraagstelling heeft en duidelijke conclusies en aanbevelingen geeft. Daarnaast is het belang voor de toepassing in de praktijk groot vanwege de onomkeerbare gevolgen van de mogelijke complicaties bij algehele anesthesie”.

Winnaars van ACTA Posterprijs 2017 ­ontvangen NTvT Op woensdag 27 september 2017 reikte hoofdredacteur dr. C.P. Bots aan de winnaars van de ACTA Evidencebased Posterprijs een jaar­ abonnement op het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde uit. Elk jaar sluiten de nieuwe eerstejaars bachelorstudenten van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) hun eerste onderwijsblok af met het presenteren van op literatuuronderzoek gebaseerde posters. De posters worden gepresenteerd tijdens de zogenoemde ‘Postermarkt’ en een deskundige jury beoordeelt deze posters voor de jaarlijkse uitreiking van de ACTA Evidencebased Posterprijs voor eerstejaarsstudenten. De jury verkoos dit jaar Lotte de Smit, Beatrice Verdoorn, Joshua van Wely en Eveline Willems tot winnaars met hun poster over peri-implantitis.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 537

Hoofdredacteur Casper Bots omringt door de eerstejaarsstudenten die de ACTA Posterprijs wonnen.

537

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Het adres voor geaccrediteerde nascholing binnen de tandheelkunde! Wij bieden een uitgebreid programma voor het

We bespreken graag de mogelijkheden voor

gehele tandheelkundige team. Ons programma

nascholing bij u in de praktijk of op een locatie

bevat leergangen, cursusdagen, workshops en

naar keuze.

symposia.

9 november 2017

Nascholingscursus radiologie

23 november 2017

Wat is angst; algemene principes en basisstrategieën

24 nov. & 15 dec. 2017

Stralingshygiënisch geschoold Beroepsbeoefenaar – Conebeam CT, deels online

23 maart 2018

Basiscursus reanimatie met AED

8 juni 2018

Parodontale chirurgie in de algemene praktijk

* Tetric EvoFlow® is het best verkochte vloeibare

In ons aanbod:

Heeft u vragen over ons aanbod of een specifieke cursus, neem dan contact op met een van onze cursuscoördinatoren. Kijk op onze website: www.acta-de.nl voor meer informatie over onze producten en diensten. Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam, T 020 - 5980 308, ade@acta.nl

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 538

17-10-17 09:50


Tetric Evo-Flowables

Succesvol

No. 1

met de

*

% 3 3 r a a p Bes

: u onlinclaervivadent.com n l e t s e B s.ivo lowable

* Tetric EvoFlow® is het best verkochte vloeibare vulcomposiet in Europa (2007 – 2016)

f tetricevo

TE

NTED

O

GY

o enci Aess TE

CH N OL

OR

AT

GI

IL

C H N OL IG O

TE

®

E

PA

o enci erin Aess voc H T INIT

I

Tetric EvoFlow® Tetric EvoFlow® Bulk Fill

www.ivoclarvivadent.com

www.ivoclarvivadent.nl

Manufacturer, Sales & Distribution: Ivoclar Vivadent AG Bendererstr. 2 | 9494 Schaan | Liechtenstein Tel. +423 235 35 35 | Fax +423 235 33 60

Representative Office Benelux: Ivoclar Vivadent B.V. De Fruittuinen 32 | 2132 NZ Hoofddorp | The Netherlands Tel. +31 23 529 37 91 | Fax +31 23 555 45 04

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 539

17-10-17 09:50


suspensie voor dentaal gebruik voor in de praktijk

Fluoridelak met uitgebreide klinische documentatie tegen cariës* 37% reductie in dmfs en 43% reductie in DMFS1 *op basis van de recente Cochrane Review, 2013

YOUR PARTNER IN ORAL HEALTH Duraphat 50 mg/ml, suspensie voor dentaal gebruik Samenstelling: 1 ml suspensie bevat 50 mg natriumfluoride (5% m/v) overeenkomend met 22,6 mg fluoride (2,26% m/v), gesuspendeerd in een alcoholische oplossing van natuurlijke harsen. Verder bevat Duraphat 50 mg/ml de hulpstoffen: Ethanol 96%, Witte bijenwas (E901), Shellak (E904), Colofonium, Mastiek, Saccharine (E954) en Frambozenextract. Farmaceutische vorm: Suspensie voor dentaal gebruik. Indicaties: Ter preventie van cariës bij kinderen en volwassenen als onderdeel van een uitgebreid preventieprogramma. Ter: preventie van recidiverende (of marginale) cariës, preventie van de progressie van cariës, preventie van ontkalking rondom orthodontische hulpmiddelen, preventie van cariës in pits en fissuren (occlusale cariës). Voor desensitisatie van overgevoelige elementen als onderdeel van een behandelregime dat tevens het dagelijks gebruik van een geschikte soort tandpasta omvat. Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor (één van) de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen, Ulcerende gingivitis, Stomatitis, Asthma bronchiale. Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik: De applicatie van Duraphat op het ganse gebit mag niet uitgevoerd worden bij patiënten met een lege maag. Er mag geen hoge dosis van andere fluoridepreparaten, zoals fluoridegels, worden gebruikt op dezelfde dag van de Duraphat applicatie. Toediening van fluoridesupplementen stoppen gedurende een aantal dagen na Duraphat applicatie. De verpakking (tube) van dit geneesmiddel bevat latex rubber. Dit kan aanleiding geven tot ernstige allergische reacties. Bijwerkingen: In zeer zelden optredende gevallen kunnen onderstaande bijwerkingen bij hiervoor gevoelige personen optreden. Indien nodig kan de suspensie makkelijk uit de mond verwijderd worden door te poetsen en te spoelen. Maagdarmstelselaandoeningen: zeer zelden (< 1/10.000): nausea, braken, mondulceraties, stomatitis. Huid- en onderhuidaandoeningen: zeer zelden (< 1/10.000): lipoedeem, angio-oedeem, huidirritatie. Tand- en tandvleesaandoeningen: zeer zelden (< 1/10.000): etterende gingivitis. Ademhalingsstelsel-, borstkas- en mediastinumaandoeningen: zeer zelden (< 1/10.000): astma. Registratiehouder:Colgate-Palmolive (UK) Ltd., Guildford Business Park Middleton Road, Guildford, Surrey GU2 8JZ Verenigd Koninkrijk. Voor inlichtingen en correspondentie: Colgate-Palmolive Nederland B.V., Leeuwenveldseweg 3F, 1382 LV Weesp, Nederland. Registratienummer en afleverstatus: Duraphat 50 mg/ml, suspensie voor dentaal gebruik: RVG 10942. UR (uitsluitend recept).

Duraphat® 50 mg/ml, suspensie voor dentaal gebruik. 1 ml suspensie bevat 50 mg natriumfluoride overeenkomend met 22,6 mg fluoride. Referentie: 1. Marinho VCC et al.: Fluoride varnishes for preventing dental caries in children and adolescents (Review). The Cochrane Library 2013, Issue 7

Colgate_Duraphat-varnish-NL.indd540 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd

09/06/15 15.12 17-10-17 09:50


R. de Raat

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheel­ kunde: mej. Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) Als eerste vrouwelijke lector in de prothetische tandheelkunde aan het Tandheelkundig Instituut in Utrecht moest Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) zich een plaats veroveren in een vakgebied dat sterk in ontwikkeling was. Het is onmiskenbaar dat zij een grote bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van het tandheel­kundig onderwijs en meer specifiek aan het vakgebied Tandheelkundige Chirurgische Prothetiek. Zeer toegewijd aan haar patiënten zette zij zich steeds in voor betere behandelingsmogelijkheden. Echter, haar strijdbare karakter leverde van tijd tot tijd veel weerstand op bij zowel haar collega’s, de curatoren van de medische faculteit en de studenten. Nadat in 1947 de tandheelkunde het ius promovendi had verkregen, voelde zij zich, nadat ze werd gepasseerd bij de benoemingen van de hoogleraren, niet erkend. Archiefonderzoek toont dat haar persoonlijkheid hierbij een grote rol heeft gespeeld. Raat R de. Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde: mej. Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 541-547 doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17150

15.12

Inleiding

Afb. 1. Mej. J. G. Schuiringa voor haar kast met de door haar verzamelde

Tijdens de internationale conferentie van de Vereniging voor Vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO) in augustus 1926 te Amsterdam, gaven verschillende geleerde vrouwen een lezing over hun beroep en het academische leven. Onder hen was Jans Gretha Schuiringa (1887-1995 intermezzo 1), de eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde in Nederland (afb. 1), met een verhaal over de vrouw in de tandheelkunde (De Tijd, 1926). Zij liet haar toehoorders weten dat van de 708 tandartsen er 132 vrouwelijke collegae waren (18,6%). Dit in tegenstelling tot de medici, van wie slechts 5% vrouw was (Mulder en De Jong, 2002). Schuiringa vond dat vrouwelijke tandartsen niet ontevreden mochten zijn, want zij hadden evenveel kans om een praktijk te verwerven als de mannelijke collegae. Schuringa’s stellige mening was dat vrouwen die tandarts wilden worden over een doorzettingsvermogen en technische talenten moesten beschikken. Deze kwaliteiten, die Schuiringa zelf in ruimte mate bezat, zouden haar leven sterk beïnvloeden, in positieve en negatieve zin. Zij zou haar leven lang strijden voor wat in haar ogen het goede was. Of, zoals ze in een interview aangaf, “strijden voor alles wat bijdraagt aan het heil van de medemens” (Haarlems Dagblad, 1953). Dat haar na de Tweede Wereldoorlog geen hoogleraarschap in de prothetische tandheelkunde werd gegund, raakte Schuiringa diep (Schuiringa, 1976). Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Een vrouw die zich ogenschijnlijk haar hele leven inzette voor het Tandheelkundig Instituut

onderwijscollectie (1953) (Bron: Universiteitsmuseum Utrecht).

In het begin van de twintigste eeuw steeg het aantal vrouwen dat ging studeren, maar algemeen geaccepteerd was het niet. Volgens enkele bekende hoogleraren zou “ …de wetenschap door het overheerschende gevoelsleven onzuiver gemaakte vrouwelijke denken slechts schade ondervinden” (De Indische Courant,1925). F.A.F.C. Went, hoogleraar botanie (1863-1935), betoogde ruim 10 jaar na het afstuderen van Schuiringa, dat 70% van de universitair geschoolde vrouwen in het huwelijk zou treden en hij vroeg zich daarbij af of de universiteit wel de beste leerschool was voor een zo groot aantal aanstaande huisvrouwen (De Indische ­Courant, 1925). Ook binnen de tandheelkundige wereld waren gezaghebbende tandmeesters van mening dat vrouwen misschien wel tandmeester konden worden, maar zeker niet geschikt waren voor het beoefenen van de wetenschap als zodanig. Het opstel ‘De vrouw en de studie der tandheelkunde’ van C. Witthaus (1886-1950) uit 1899 is daar een welbekend voorbeeld van.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

541

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 541

te Utrecht, haar studenten wetenschappelijk wilde scholen en zelf een reeks publicaties op haar naam had staan? In dit artikel wordt aan de hand van verschillende opmerkelijke momenten uit haar carrière een indruk gegeven van Schuiringa als persoon.

Studententijd

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Intermezzo 1. Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) 9 juli 1887

Geboren in Balmahuizen, provincie Groningen, als oudste dochter in een gezin met 7 kinderen. Haar vader was herenboer van een familieboerderij.

1899

Woonachtig in een pleeggezin in Groningen om onderwijs te volgen aan de Hogere Burgerschool (HBS). Na het behalen van haar diploma volgde zij een privéopleiding bij een tandarts.

1909

Behalen van theoretisch tandheelkundig examen bij een geneeskundige commissie van de Universiteit Groningen. Voor haar praktische examen diende ze naar Utrecht af te reizen. Daar kwam zij in een jaar met 30 tandheelkundestudenten, van wie er 8 vrouw waren.

27 juni 1913

Behalen van tandartsdiploma (afb. 2). Jans Schuiringa was een van de eersten die, na de wetswijziging van 1913, de ­titel ­tandarts mocht gebruiken. Hierna was ze werkzaam als assistent orthodontie en als assistent prothetiek op het ­Tandheelkundig Instituut.

1920

Aanstelling als lector prothetische tandheelkunde aan het Tandheelkundig Instituut te Utrecht.

3 februari 1921

Openbare les ‘Belangrijke factoren uit de ontwikkelingsgeschiedenis der prothetische tandheelkunde’ wegens lectoraat.

1924-1932

Lid van het hoofdbestuur van de Vereniging voor vrouwen met een Academische Opleiding (VVAO). Tevens sloot Schuiringa zich aan en raakte zelfs actief betrokken bij de oprichting van de Nederlandse tak van de serviceclub de Soroptimisten, die zich vooral inzette voor de rechten van de vrouw.

1927

Kritisch artikel over de stand van zaken in het tandheelkundig onderwijs in Tijdschrift voor Tandheelkunde.

1929

Voorstel stop op de behandeling van tandheelkundig chirurgische prothetiek-patiënten.

1936

Affaire Van Dorssen: studenten eisten aftreden van Schuiringa.

1945-1946

Plaatsvervangend directeur Tandheelkundig Instituut.

Juni 1957

Afscheid en pensionering.

1 augustus 1975

Overleden in Utrecht, begraven In Niehove ( Groningen).

Voor Jans Schuiringa was de studententijd een relatief rustige periode. Zij had haar theoretische examen al in Groningen afgelegd en hoefde alleen nog het praktisch onderwijs te volgen. Schuiringa werd omringd door een groep vrouwen die van mening was dat door hard te werken de kritiek op hun aanwezigheid in de academische wereld wel zou verstommen (Schreuder et al, 1993). Ze sloot zich aan bij de Utrechtsche Vrouwelijke Studenten Vereeniging, (UVSV) en dit lidmaatschap moet haar sterk hebben beïnvloed in haar visie op de verhoudingen tussen man en vrouw in de academische wereld. Net voor haar komst bij de UVSV was de latere juriste Clara Wichmann afgestudeerd en afgetreden als praeses. Wichmann was al tijdens haar studie actief in de strijd voor gelijke rechten van man en vrouw en haar feministische ideeën zullen zeker een stempel op de vereniging hebben gedrukt. De situatie binnen het Tandheelkundig Instituut veranderde gedurende de studententijd van Schuiringa drastisch. De grondlegger van het instituut, dr. Theodore Dentz, was net met pensioen gegaan en werd opgevolgd door lector-directeur John E. Grevers (1855-1933). Grevers regeerde met ijzeren hand. Hij separeerde de vrouwelijke studenten van de mannen. De mannen mochten niet in de kamer komen waar de vrouwen practica hadden, zodat zij elkaar niet zouden afleidden. Tevens werd Grevers willekeur verweten bij het examineren, want hij bepaalde aan de hand van zijn eigen criteria wie wel en niet werd toegelaten voor een examen. Grevers’ beleid resulteerde in 1910 in een opstand onder de studenten, waarbij zij weigerden nog langer colleges te volgen. Ook Schuiringa moet hieraan hebben deelgenomen, omdat uit de bronnen blijkt dat slechts 1 student, J. van Veen, om religieuze redenen niet deelnam aan deze staking (Van Wiggen, 1987). Zij maak-

te bij deze gelegenheid ongetwijfeld kennis met een man waarmee ze later nog veel te maken zou krijgen, namelijk Charles F. L. Nord (1887-1978). Hij leidde als student de staking en vond het onderwijs in de tandheelkunde ver beneden peil. Een standpunt dat hij ook in zijn latere leven, als voorzitter van de Nederlandse Maatschappij tot Bevordering der Tandheelkunde (NMT) en als hoofredacteur van het Tijdschrift voor Tandheelkunde (TvT, nu NTvT), bleef innemen. Opvallend is dat Jans Schuiringa in haar memoires ‘Naar de erkenning’ (1976) met geen woord rept over de studentenstaking en over Nord.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

542

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 542

Aanstelling als lector Na het behalen van het tandartsdiploma op 27 juni 1913 bleef Schuiringa verbonden aan het Tandheelkundig Instituut als assistent orthodontie bij lector J.A.W. van Loon (1876-1940) en als assistent prothetiek bij I.J.E. de Vries. Nadat De Vries in 1918 ontslag nam vanwege onenigheid over de invulling van het prothetisch onderwijs, werd Schuiringa gevraagd de onderwijstaken prothetische tandheelkunde waar te nemen. Hoewel Grevers de curatoren van de medische faculteit had laten weten Schuiringa niet geschikt te achten voor deze functie, was zijn invloed beperkt van­wege zijn op handen zijnde pensioen. Lector Van Loon sprak bij de curatoren juist de waardering uit voor zijn assistent Schuiringa. Hij liet de keus aan de curatoren, maar gaf aan dat als Schuiringa niet zou worden aangesteld, hij haar wilde behouden als assistent orthodontie (Van Loon, 1918). Bij de definitieve invulling van het lectoraat, 2 jaar later, werd opnieuw getwijfeld aan Schuiringa. Op 24 juli 1920 ontving de toenmalige directeur van het Tandheelkundig Instituut, de kno-arts Hendrik de Groot (1881-1931), een brief waarin de curatoren van de

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Afb. 3. Een gipsafgietsel van een patiënt met Lupus vulgaris uit de verzameling van J.G Schuiringa (1952-1957) (Bron: Collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

tandarts J.W. Switters (1884-1930) aangesteld als lector conserverende tandheelkunde. Omdat hij kostwinner was, verdiende hij 500 gulden meer. Schuiringa vond dit onrechtvaardig. De vele brieven die zij naar de curatoren stuurde kregen aanvankelijk geen gevolg. Pas toen zij een brief schreef aan het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OK&W) en dreigde met ontslag als haar salaris niet gelijk gesteld werd met dat van haar mannelijke collega, kreeg ze haar zin en werd haar inkomen verhoogd naar 6.500 gulden per jaar (Van de Broek, 1925).

Jaren 1920: Schuiringa laat haar tanden zien

­ edische faculteit stelden dat “…docenten van een superieure m betekenis niet te verkrijgen zijn. De benoeming van Schuiringa is daarom doeltreffend…” Haar aanstelling als lector prothetische tandheelkunde werd daarmee een feit (Curatoren medische faculteit, 1920). Tekenend voor haar karakter was dat zij bij haar benoeming eiste gebruik te kunnen maken van het recht om een openbare les te houden, zoals De Groot zelf als lector mondheelkunde in 1919 had gedaan. De Groot was echter van mening dat Schuiringa dat niet ook hoefde te doen, omdat hij het al gedaan had (Schuiringa, 1976). In de ogen van De Groot was een tandarts strikt genomen geen academicus en kon daarom geen openbare les geven. Schuiringa vond daarentegen dat zij op gelijke voet stond met elke andere wetenschapper die een lectoraat toebedeeld kreeg. Zij hield daarom voet bij stuk en ondanks de weerzin van De Groot, hield zij op 3 februari 1921 haar openbare les (Schuiringa, 1921). Haar voordracht gaf een historisch overzicht van de prothetiek. Voor de toekomst voorzag zij voor tandartsen een zwaartepunt op het gebied van mondhygiëne. Een gaaf gebit noemde zij toen nog een illusie. Ook in de jaren daarna moest Schuiringa zich noodgedwongen strijdbaar opstellen. Tegelijk met haar was

In de jaren 1920 was er in het Tandheelkundig Instituut te weinig ruimte voor het groeiend aantal studenten en ook ontbrak het aan genoeg hulpmiddelen om goed onderwijs te geven. Toen Schuiringa in 1927 werd gevraagd een artikel te schrijven voor het Tijdschrift voor Tandheelkunde ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het tandheelkundig onderwijs, reageerde ze venijnig dat er niets te vieren viel. Toch schreef ze het artikel, getiteld ‘Een Herdenking’, waarin zij een metafoor gaf voor het onderwijs als was zij te vergelijken met een woestijn waar de vermoeide docenten doorheen trekken als leiders van een karavaan en die ook nog eens belast waren met het doen van wetenschappelijke waarnemingen (Schuiringa, 1927). In het tandheelkundig onderwijs kwam volgens Schuiringa herhaaldelijk een fata morgana op; men beloofde veel, maar het bleek telkens een luchtspiegeling. In een volgende editie van het TvT diende Charles Nord, op dat moment al voorzitter van de NMT en hoofdredacteur van het TvT, Schuiringa van repliek. Hij betoogde, met dezelfde metaforen, dat Schuiringa alleen achter zou blijven in de woestijn, … want een groot leger marcheert rustig door... (Nord, 1927). Daarmee doelde hij op de studenten die toch wel hun pad zouden gaan vinden. Nord stelde dat Schuiringa “door de boomen het bosch niet meer ziet en - boomziek geworden - er voortdurend onnoodig tegen één aanloopt” (Nord, 1927). In zijn ogen ‘jammerde’ Schuiringa teveel en was ze te weinig opbouwend. Nord en Schuiringa bleken in hun opvatting diametraal tegenover elkaar te staan. Al vroeg in haar loopbaan had Schuiringa interesse in de tandheelkundige chirurgische prothetiek (TCP) (afb. 3).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

543

Afb. 2. Tandartsdiploma van Jans Gretha Schuiringa 1913. Het woord tandmeester is doorgestreept en vervangen voor tandarts (Bron: Collectie Universiteitsmuseum Utrecht).

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 543

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Van Dorssen beklaagde zich erover dat zijn zoon al 2 jaar lang de dure studie tandheelkunde volgde, maar om weinig transparante redenen niet werd toegelaten tot het derde jaar. Om de eigenschappen van materialen te leren kennen, moesten studenten een aantal werkstukken met verschillende soorten metaal maken. De beoordeling van deze werkstukken lag bij lector Bakker die het propedeutische onderwijs verzorgde, maar Schuiringa wilde mee beslissen. Haar eisen lagen veel hoger dan die van Bakker. Volgens vader Van Dorssen werden de studentenwerkstukken te willekeurig beoordeeld en mochten er daardoor te weinig studenten door naar het derde jaar. Evenals in 1910 mengde Charles Afb. 4. Foto uit 1930 van de lectoren van het Tandheelkundig Instituut Utrecht: (v.l.n.r.) J.W.A. Tjebbes, dr. J.A.W. Nord zich in dit conflict. In een brief van Loon, P.J.J. Coebergh en mej. J.G. Schuiringa (Bron: collectie Universiteitsmuseum Utrecht). aan de minister verwoordde hij zijn commentaar. Zijn schrijven alsmede Dat er voor mensen met kaak- en aangezichtsdefecten in de brief van vader dr. Van Dorssen werden door Nord, als Nederland nauwelijks expertise was om tandheelkundig hoofdredacteur, in het TvT gepubliceerd (Nord, 1936). behandeld te worden, ervoer zij als onrechtvaardig. Schui- Nord onderschreef de slechte situatie in het tandheelkunringa zag het als haar taak de belangen van deze mensen te dig onderwijs. Hij pleitte onder andere voor een krachtige behartigen en hen prothetisch te behandelen. Echter, toen leiding voor het Tandheelkundig Instituut en vond dat een zij in 1929 terugkeerde na een ziekteperiode werd haar ge- docent niet tegelijk als examinator mocht optreden. sommeerd haar werkzaamheden met de TCP-patiënten te Naast deze publicatie, die zeer negatief was over Schuistaken. Deze maatregel was het gevolg van de opdracht van ringa, werden tandheelkundestudenten via een anoniem de curatoren van de medische faculteit dat het Instituut pamflet opgeroepen te staken, maar daar kwam het uiteinmeer zelfvoorzienend moest worden (Tandheelkundig In- delijk niet toe (afb. 5) (Anoniem, 1936). Nadat de affaire stituut, 1928). Men probeerde verschillende manieren te ook de landelijke pers haalde, waarin de oorzaken werden bedenken om goedkoper te werken. De prothetische tand- gezien in de slechte omstandigheden in het tandheelkunheelkunde en zeker de chirurgische prothetiek leek een dig onderwijs, de grote hoeveelheid studenten en de slechte makkelijke keuze omdat het vaak zeer arbeidsintensieve onderlinge verstandhouding tussen de lectoren, vroeg de en bovendien kostbare behandelingen waren vanwege de minister advies aan hoogleraar histologie J. Boeke. Hij oorgebruikte materialen. Dankzij haar vasthoudendheid en deelde vervolgens dat het allemaal wel mee viel. De ontstadoorzettingsvermogen lukte het Schuiringa de beslissing ne situatie werd uiteindelijk eerder geweten aan de enorme ongedaan te maken (Schuiringa, 1976). toename van het aantal studenten en de beperkte perso In diezelfde periode was een verhuizing van het Tand- nele bezetting. De felheid van de aanval van Nord tegen heelkundig Instituut naar een ruimer gebouw op handen. het slechte onderwijs keerde zich tegen hem. Er werd hem De door haar collega B.R. Bakker gemaakte ruimtelijke in- opruiend gedrag verweten. In zijn proefschrift van 1987 bedeling was voor Schuiringa aanleiding hem te verwijten dat toogde Van Wiggen dat dit conflict vooral een uiting was hij, zonder dat hij daarvoor de ervaring had, zich bemoeide van de discours tussen tandartsen zoals Nord, die zich op met de indeling van alle ruimtes voor de prothetische tand- een meer wetenschappelijk manier wilden onderscheiden, heelkunde. Dit zette bij Schuiringa zoveel kwaad bloed, dat en tandartsen als Schuiringa, die stelden dat de technische Bakker zich niet meer op haar afdeling mocht begeven (De handvaardigheid van wezenlijk belang was voor het goed Maar, 1977). uitoefenen van de tandheelkunde (Van Wiggen, 1987). Voor Schuiringa liep de zaak Van Dorssen met een Jaren 1930: techniek versus wetenschap ­sisser af, maar uit verslagen van het Tandheelkundig InMeermalen had Schuiringa zich uitgelaten over het in haar stituut uit de jaren 1930 komt duidelijk naar voren dat ogen beperkte niveau van de studenten (afb. 4). In 1936 Schuiringa het niveau van de studenten bedenkelijk vond leidde Schuiringa’s opstelling tot een affaire waarbij zij in (Tandheelkundig Instituut, 1930-1936; Tandheelkundig opspraak kwam. De aanleiding was een brief van dr. G. van Instituut, 1937). Het is dus niet ondenkbaar dat de verDorssen aan minister Slotemaker de Bruine van OK&W. meende aantijgingen van vader Van Dorssen terecht waren.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 544

544

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

De geschetste gesprekken tussen de studenten en Schuiringa in de brief van Van Dorssen passen bij de in de notulen opgetekende geuite denkbeelden en soms morsige uitspraken van Schuiringa (Tandheelkundig Instituut, 19301936; Nord, 1936). In een periode waarin de oorlogsdreiging de overhand kreeg, leek het conflict snel vergeten, maar het zou toch nog een staartje krijgen in de naoorlogse periode.

De oorlogsjaren 1940-45 Tot op heden is er geen gedegen onderzoek verricht naar de situatie op het Tandheelkundig Instituut en het onderwijs ge- Afb. 5. Pamflet oproep tot staking van studenten (1936) (Bron: collectie Universiteitsmuseum Utrecht). durende de Tweede Wereldoorlog, alsmede over de rol van Schuiringa in deze periode. ties van ouders van studenten uit, waaronder een brief van Bekend is dat ze na de oorlog werd geridderd in de Orde boze ouder Kruisheer aan de minister van OK&W (Kruisvan Oranje-Nassau vanwege haar inzet en dat zij door heer, 1945). tijdsgenoten vanwege haar opstelling in de oorlogsjaren Om Schuiringa en Tjebbes te ontlasten werden 3 tandalom werd geprezen. In deze moeilijke jaren heeft ze zich artsen aangesteld door de medische faculteit, waaronder de steeds daadkrachtig getoond. Haar vastberadenheid om in heer A. Van Nieuwenhoven Helbach, met wie Schuiringa Utrecht te blijven, hoewel haar anders was gesommeerd, een slechte verstandhouding had (De Maar, 1977). Tevens en haar doortastendheid door de materialen en het inven- adviseerde de medische faculteit op 17 januari 1946 de taris van het Tandheelkundig Instituut zo veel mogelijk minister dat er zo spoedig mogelijk moest worden overgeveilig te stellen, bevestigen haar karaktereigenschappen. gaan tot het benoemen van een nieuwe directeur, die volIn haar huis in de Parkstraat te Utrecht werd de brandspi- doende tijd ter beschikking had en vooral voldoende tact ritus onder de bloemkool begraven, het kunsthars onder de zou bezitten. Vanwege zijn enorme verdiensten binnen de rozenstruik en het goud, ingepakt in gips, naast de vijver tandheelkunde en zijn sociale vaardigheden werd tandarts (De Boer, 1953). P.H. Buisman uit Tiel hiervoor voorgesteld en vervolgens benoemd (intermezzo 2) (Kenswil et al, 1946). De naoorlogse jaren 1945-1957 Binnen de naoorlogse reorganisatie van het tandheelNa de Tweede Wereldoorlog heerste er volledige chaos kundig onderwijs was het recht tot promoveren verleend op het Tandheelkundig Instituut. Door het ontslag van 3 en daarmee was de academische status van de tandheellectoren door de zuiveringscommissie, waren alleen lector kunde een feit geworden. Voor Schuiringa moet dit ongeJ.W.A. Tjebbes (1903-1997) en Schuiringa over. Omdat de twijfeld de hoop hebben gegeven hoogleraar te worden. arts Tjebbes lector mondheelkunde was geworden en voor- Echter, directeur Buisman werd hoogleraar Prothetiek. al de kaakchirurgie beoefende, viel het tandheelkundige Hoewel Schuiringa het anders ervaren zal hebben, valt op onderwijs onder de verantwoordelijkheid van Schuiringa. Intermezzo 2. P.H. Buisman Met haar benoeming als plaatsvervangend directeur van P.H. Buisman werd in 1910 tandarts en vestigde zich in Tiel. Hij het Tandheelkundig Instituut, kreeg ze te maken met tal was actief voor het Nederlandsch Tandheelkundig Genootschap van problemen: een tekort aan docenten, een toevloed van en in de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de studenten (waaronder degenen die gedurende de oorlogstandheelkunde. Bovenal was hij met grote frequentie auteur in het jaren hun studie hadden moeten afbreken) en het tekort Tijdschrift voor Tandheelkunde. Vanaf 1922 zat hij in de redactie van aan materialen. Er ontstonden zogenaamde particuliere dat tijdschrift en was van 1942 tot 1966 hoofdredacteur. stoomcursussen tandheelkunde, waarna de praktische In 1946 werd Buisman vanwege zijn enorme verdiensten binnen examens afgelegd dienden te worden via de Universiteit de tandheelkunde en zijn sociale vaardigheden de meest geschikte Utrecht. Schuiringa was hiervan absoluut geen voorstankandidaat bevonden voor het hoogleraarschap prothetische der. In haar ogen waren de normale 4 jaren voor de studie ­tandheelkunde en tijdelijk voor de functie van directeur van het tandheelkunde al veel te kort en was het niet de bedoeling Tandheelkundig Instituut. In 1949 werd deze laatste taak over­ om halverwege de opleiding in te stappen, ook al had men genomen door dr. H.M.J. Scheffer. het theoretische gedeelte met goed gevolg afgerond. Haar weigering hieraan mee te werken, lokte vooral felle reac-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 545

545

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

te maken uit de brieven van het college van curatoren van de medische faculteit aan Jhr. de Ranitz over de benoeming van hoogleraren, dat de curatoren zich veel moeite hebben gegeven deze kwestie zorgvuldig te behandelen. Diverse mensen werden geraadpleegd, waaronder M. Hut, die in 1948 was benoemd tot hoogleraar kaakchirurgie in Groningen. Hij meende dat Schuiringa wel degelijk professorabel was. Hoewel bekend was dat zij slecht lesgaf, vond hij dit geen bezwaar voor een professoraat (De Ranitz, 1947). De curatoren van de medische faculteit oordeelden echter dat Schuiringa niet benoemd kon worden, omdat de medische faculteit haar wetenschappelijk werk niet hoog aansloeg en vond dat Schuiringa niet geschikt was voor teamwork (Des Tombe, 1948a). Schuiringa accepteerde de afwijzing aanvankelijk niet en eiste bovendien dat haar opdracht als lector prothetische tandheelkunde gewijzigd zou worden in lector partiële en totale prothesen (Des Tombe 1948b). De brief van 2 assistenten die het voor Schuiringa opnamen, werd door de curatoren ter zijde gelegd omdat curatoren geen verantwoording hoefden af te leggen aan assistenten (Stork en Van Putten, 1948; Des Tombe, 1949a). Niet langer had Schuiringa het gezag dat ze voor de Tweede Wereldoorlog bezat en meer en meer werd ze door de curatoren afgeschilderd als iemand die haar klaagzang uitstortte. In augustus 1949 werd de situatie onhoudbaar en schreef de tandheelkundige sectie een zeer lange brief met hierin een lange lijst van klachten over Schuiringa’s gedrag. Zo weigerde zij hoogleraren te begroeten en bezocht zij geen docentenvergaderingen meer. Het geduld van de curatoren raakte op en zij verzochten haar om zelf ontslag te nemen, met behoud van haar jaarloon (Buisman, 1949; Des Tombe, 1949b). Dit verzoek werd door haar met kracht afgewezen (Schuiringa, 1950). Schuiringa bleef en wijdde zich de laatste 7 jaar van haar werkzame leven aan het vakgebied waarin ze als enige in Nederland excelleerde: de tandheelkundige chirurgische prothetiek (afb. 3). Bij haar afscheid in juni 1957 sprak prof. J.W.A. Tjebbes Jans Schuiringa toe. In een getypte versie van zijn toespraak, vol met doorhalingen en strepen schreef hij: “U hebt het onderwijs en het behartigen van de belangen van uw afdeling vaak moeilijk gevonden en het is zelden geweest, dat wij u echt blij en optimistisch en vrolijk gezien hebben. U heeft het leven altijd ernstig en zwaar opgevat en heeft hier altijd uiting aan gegeven” (Tjebbes, 1957).

toren van de Rijksuniversiteit Utrecht haar op een leeftijd van 58 jaar een leerstoel hadden gegund. Na een leven lang strijden, tekende ze haar eigen belevenissen op in haar memoires getiteld ‘Naar de erkenning’ (Schuiringa, 1976). Op 1 augustus 1975 stierf zij in Utrecht. Literatuur * Anoniem. Pamflet oproep tot staking. 1936. Universiteitsmuseum Utrecht. * Boer M de. Toespraak mej. Schuiringa op papier, Do-3-28. 27 juni 1953. Universiteitsmuseum Utrecht. * Broek AJW van de. Brief ‘jaarwedde mej. Schuiringa’ aan minister van OK&W. 7 december 1925. Het Utrechts Archief. * Buisman PH, et al. Brief aan de heer J.H. des Tombe. 8 augustus 1949. Het Utrechts Archief. * Curatoren medische faculteit (Rijksuniversiteit Utrecht). Brief aan H. de Groot. 24 juli 1920. Universiteitsmuseum Utrecht. * De Indische Courant. Vrouwenbeweging. XVII. De Studeerende vrouw. Soerabaia: 03-01-1925. http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:0102 77680:mpeg21:a0173. * De Tijd (godsdienstig-staatkundig dagblad). CONGRESSEN. Internationaal Congres voor academisch gevormde vrouwen. ‘s-Hertogenbosch: 31-07-1926. * Haarlems Dagblad. Schuiringa jubileert. Haarlem 26-06-1953. Geraadpleegd: http://nha.courant.nu/issue/HD/1953-06-26/edition/ null/page/2?query=. * Kenswil R, Nieuwenhoven Helbach A van, Molen MR van der. Brief aan minister van OK&W. 17 januari 1946. Universiteitsmuseum Utrecht. * Kruisheer CL. Brief aan ministerie van OK&W, nr. 5823. 11 december 1945. Het Utrechts Archief. * Loon JAW van. Brief aan het college van curatoren der Rijksuniversiteit te Utrecht. 10 juli 1918. Het Utrechts Archief. * Maar FER de (red). 1877-1977 Van tandmeesters en tandartsen; 100 jaar tandheelkundig onderwijs in Nederland. Amsterdam: ‘T Koggeschip, 1977. * Mulder W, Jong E de. Vrouwen in de heelkunde. Een cultuurhistorische beschouwing. Overveen/Alphen aan de Rijn: Belvédere/Medidact 2002. * Nord ChFL. Redactioneel gedeelte. Fata Morgana. Tijdschr Tandheelkd 1927; 34: 861-867. * Nord ChFL. Beroepsbelangen [inclusief brief van Van Dorsen]. Tijdschr Tandheelkd 1936; 43: 1226-1243. * Ranitz CJA de. Brief aan Mr J.H. des Tombe, secretaris van het college van Curatoren. 6 november 1947. Het Utrechts Archief. * Schuiringa JG. Enkele belangrijke factoren uit de ontwikkelingsgeschie-

Slot

denis der prothetische tandheelkunde. Openbare les. Utrecht: 1921.

Jans Schuiringa was een vrouw van controversen: enerzijds gedreven, betrokken en vastberaden, anderzijds iemand waarmee het moeilijk samenwerken was, nors en verongelijkt. De grote nadruk die zij op het vakmanschap legde veroorzaakte veel wrevel tussen de lectoren onderling en later ook tussen haar en de studenten. Na de Tweede Wereldoorlog wilde iedereen binnen de Universiteit vernieuwing en het oude achter zich laten. Schuiringa paste niet meer in die nieuwe start. Zelfs als ze een sociaalvaardige vrouw was geweest, valt het nog te betwijfelen of de cura-

* Schuiringa JG. De Herdenking. Tijdschr Tandheelkd 1927; 34: 809-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

546

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 546

813. * Schuiringa JG. Naar de erkenning: gevarieerde bijzonderheden uit een halve eeuw ontwikkeling in oorlogs- en vredestijd van de tandheelkundige chirurgische prothetiek temidden van het groeiende tandheelkundige onderwijs aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Utrecht: J.G. Schuiringafonds 1976. * Schreuder A, Teeuwen N, Wilde I de., Een verbond van gestudeerde vrouwen: 75 jaar Nederlandse Vereniging van vrouwen met een academische opleiding 1918-1993. Hilversum: Verloren, 1993.

124 | november 2017

17-10-17 09:50


De Raat: Eerste vrouwelijke lector prothetische tandheelkunde

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

* Stork JH, Putten ACLM van. Brief aan het college van curatoren der

Summary

Rijksuniversiteit. 29 juni 1949. Het Utrechts Archief. * Tandheelkundig Instituut. Notulen lectorenvergadering 17 mei 1928. Universiteitsmuseum Utrecht. * Tandheelkundig Instituut. Notulen lectoren vergaderingen 1930-1936. Universiteitsmuseum Utrecht. * Tandheelkundig Instituut. Verslag van de besprekingen van de voorzit-

First woman lecturer in prosthetic dentistry: Miss J.G. Schuiringa (1887-1975) As the first woman lecturer in prosthetic dentistry at the Dental Institute of the University of Utrecht, Jans Gretha Schuiringa (1887-1975) had to win a position in a rapidly developing field. She undeniably made a significant

ter en de secretaris van het College van Curatoren der Rijksuniversiteit

contribution to the development of dental education and more specifically to

Utrecht betreffende het tandheelkundig Instituut te Utrecht met de

the field of dental surgical prosthetics. Her dedication to her patients led her

lectoren: B.R.Bakker, Mej. J.G. Schuiringa, P.J.J. Coebergh (Directeur),

to strive continuously for better methods of treatment. From time to time,

dr. J.A.W. Van Loon, Dr. J.W.A. Tjebbes en de heren Ch. Nord, J. San-

however, her militant character provoked resistance from her colleagues,

ders en C Verloop Pzn, 1937. Universiteitsmuseum Utrecht.

curators of the medical faculty and students. After dentistry had obtained the

* Tombe JH des. Brief aan Jhr. CJA de Ranitz. 14 oktober 1948a. Het Utrechts Archief. * Tombe JH des. Brief â&#x20AC;&#x2DC;reorganisatie tandheelkundig onderwijsâ&#x20AC;&#x2122; aan

ius promovendi in 1947, she was passed over for a professorship and felt, as a result, that she was not properly acknowledged. Archival research shows that her personality played a major role in her rejection.

minister van OK&W van de secretaris van de curatoren van de Rijksuniversiteit Utrecht. 21 december 1948b. Het Utrechts Archief. * Tombe JH des. Brief van secretaris curatoren aan voorzitter H. Berkelbach vd Sprenkel. 23 juli 1949a. Het Utrechts Archief. * Tombe JH des. Brief aan faculteit der geneeskunde der Rijksuniversiteit Utrecht. 15 december 1949b. Het Utrechts Archief. * Tjebbes JWA. Uitgeschreven toespraak bij vertrek Mej. Schuiringa. juni 1957. Universiteitsmuseum Utrecht.

Bron R. de Raat Uit het Universiteitsmuseum van de Universiteit Utrecht Datum van acceptatie: 8 september 2017 Adres: mw. R. de Raat, Universiteitsmuseum, Lange Nieuwstraat 10, 63512 PN Utrecht r.deraat@uu.nl

* Wiggen GJ van. In meer eerbare banen. De ontwikkeling van het tandheelkundig beroep in Nederland van 1865-1940. Amsterdam: Rodopi 1987. * Witthaus C. De vrouw en de studie der tandheelkunde. Tijdschr Tandheelkd 1899; 6: 38-81.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 547

547

124 | november 2017

17-10-17 09:50


LE

ADER

rth

E

in

O

odontic

C

LEARN TO

TREAT

PATIENTS THAT NEED

ORTHO

with a predictable

step-by-step system

Free SmileStream Software

COMPREHENSIVE 2-YEAR ORTHODONTIC COURSE The world’s leader in orthodontic training for GPs Over 7,000 graduates from 40 worldwide locations Full support for the rest of your career Lifetime Free Retake Policy Progressive’s full orthodontic system will provide you all the tools you need to offer quality orthodontics in your practice. With the most comprehensive training in the industry and step-by-step treatment planning, you can always feel confident your cases will finish with the results your patients deserve. Designed with lifetime support and a Lifetime Free Retake Policy, we will help you succeed throughout your orthodontic career.

JOIN OUR NEW SERIES IN 2018:

April 20-23th

Amsterdam

FREE INTRO SEMINAR INTRO TO COMPREHENSIVE ORTHODONTICS

Get a day’s worth of free orthodontic education (with NO obligation) Computer ceph tracings and model predictions Appliances and wire Cases to show the basics of diagnosis Treatment selection and alternatives Intro to diagnosis software

RSVP TO A FREE INTRO CLASS!

Amsterdam

March 10th

Call us at 0800 022 3359 (Holland) or 0800 767 220 (Belgium) to reserve your seat today! http://posortho.smilestream.com/pos-ortho

Anuncio A4 Dentistry Today Jul17 548 cs6.indd 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd

29/6/17 16:30 17-10-17 09:50


A. van Doorne-Huiskes

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Vrouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen De verschillen tussen mannen en vrouwen in deelname aan de arbeidsmarkt en het onderwijs worden kleiner: in 2015 had 71% van alle vrouwen van 20 tot 65 jaar een betaalde baan (tegenover 82% van de mannen) en uit de Emancipatiemonitor 2016 blijkt dat vrouwen vaker deelnemen aan het hoger onderwijs dan mannen. In de geneeskundestudie heeft dit laatste zich vertaald in het feit dat 68% van de instroom in 2015 vrouw was. En als gevolg hiervan is het aandeel vrouwelijke artsen gegroeid. Uit cijfers van 2013 bleek dat van de actieve tandartsen 65% man is en 35% vrouw. Ook hier een duidelijke opmars van vrouwen. De uitingen dat geneeskunde dan wel tandheelkunde feminiseren, zijn onjuist want er zijn nog steeds meer mannelijke artsen. Zo is de manvrouwverhouding onder medisch specialisten momenteel 60:40. Vastgesteld kan worden dat de medische en tandheelkundige professies een gemêleerd en divers publiek bedienen. Juist om die reden dienen de medische beroepsgroepen plaats te bieden aan mannen én vrouwen, aan mensen (m/v) van Nederlandse en van een migranten herkomst. Doorne-Huiskes A van. Vrouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 549-554 Doi: https://doi.org/105177/ntvt.2017.11.17143

Inleiding Dit artikel geeft eerst een algemeen beeld van de ontwikkelingen die zich in de beroepsarbeid van vrouwen in Nederland hebben voorgedaan: een kort overzicht van aantallen werkende vrouwen in vergelijking met mannen, van de omvang van hun werkweek en van de Nederlandse situatie in vergelijking met die in Europa. Belangrijk voor de bijdrage van vrouwen aan de arbeidsmarkt is hoe zij het in het onderwijs doen. De toename van goed opgeleide vrouwen is een van de meest opvallende ontwikkelingen in het emancipatieproces van de afgelopen decennia. Betekent dit dat vrouwen zo langzamerhand ook beter door-

Over de auteur Anneke van Doorne-Huiskes is sinds 2006 emeritus hoogleraar Sociologie (Universiteit Utrecht; Erasmus Universiteit Rotterdam). Naast haar universitaire baan was zij van 1987 tot 2010 werkzaam als partner in het mede door haar opgerichte onderzoeks- en adviesbureau VanDoorneHuiskes en partners. Zij was tot 2014 onder meer lid van de Raad van Toezicht ING Nederland, Raad van Toezicht Kennisinstituut Deltares en van de Raad van Toezicht Scholengemeenschap Schoonoord te Zeist. Van 2002 tot 2012 was zij lid van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling. Thans verricht zij op vrijwillige basis werkzaamheden voor de Nederlandse Vrouwenraad (NVR).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

16:30

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 549

Afb. 1. Poster uit de jaren 1980.

dringen tot hoge en beleidsbepalende functies? Of zijn ze vooral als professionals aan het werk? Hoe vergaat het vrouwen in de medische professies en in het bijzonder in de tandheelkunde? Daar zijn interessante ontwikkelingen gaande: in deze beroepen is het aantal vrouwen stevig toegenomen. “Dokter wordt een vrouwenberoep” is een uitspraak die meestal meer omvat dan een neutrale constatering alleen. Hier wordt in dit artikel dieper op ingegaan. Net als op de uitspraak dat tandheelkunde ’vervrouwelijkt’. Oudere tandartsen zijn overwegend man, jongere overwegend vrouw. Het artikel sluit af met enkele conclusies en met een pleidooi om zowel het ‘kapitaal’ van vrouwen als dat van mannen goed te gebruiken.

Vrouwen en werk: enkele feiten en ontwikkelingen Eind 2016 kwam de Emancipatormonitor 2016 uit, de negende op rij sinds de eerste monitor verscheen in 2000 (SCP/CBS, 2016). Om de 2 jaar wordt hierin de stand van de emancipatie van vrouwen in Nederland weergegeven. Betaalde arbeid is in alle monitoren een belangrijk punt van aandacht. De meest actuele cijfers geven aan dat vrouwen 47% van de totale beroepsbevolking uitmaken. De beroepsbevolking omvat mensen tussen 20 en 65 jaar die een baan hebben, dan wel die daadwerkelijk op zoek zijn naar werk en direct inzetbaar zijn. Van alle vrouwen van 20 tot 65 jaar had in 2015 71% een betaalde baan. Bij mannen is dit 82%. De verschillen tussen mannen en vrouwen in deelname aan de arbeidsmarkt worden langzaam kleiner. In arbeidsduur per week is er echter nog wel een opvallend onderscheid. In 2015 hadden vrouwen een werkweek van gemiddeld 26,6 uur en mannen van gemiddeld 37,7 uur. Werken in deeltijd is het kenmerk van de Nederlandse arbeidsmarkt, zeker als naar het gedrag van vrouwen wordt gekeken. In 2015 had 73% van de wer-

549

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Doorne-Huiskes: V  rouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen

Vrouwen Totale beroepsbevolking

Mannen

100%

100%

Minder dan 12 uur

10%

4%

12-19 uur

13%

3%

20-27 uur

27%

4%

28-34 uur

23%

9%

35 uur en meer

27%

79%

Gem. duur per week

26,6

37,7

Tabel 1. Werkzame beroepsbevolking van 20-65 jaar naar wekelijkse ­arbeidsduur in 2015, (Emancipatiemonitor 2016).

kende vrouwen een deeltijdbaan (minder dan 35 uur per week) terwijl 21% van de mannen in deeltijd werkte. Dat zijn zowel voor mannen als voor vrouwen de hoogste cijfers binnen de Europese Unie (EU). Het gemiddeld aandeel vrouwelijke deeltijdwerkers binnen de EU is 31,5% en het aandeel mannelijke deeltijdwerkers is 8,2%. Duitsland volgt met 47% vrouwelijke deeltijdwerkers, Oostenrijk komt ook in die buurt en België telt zo’n 41% vrouwen in deeltijdbanen. Wanneer iets preciezer wordt gekeken naar werkende vrouwen en mannen in Nederland, dan ontstaat het volgende beeld (tab. 1). Waarom zo veel vrouwen in Nederland een deeltijdbaan hebben, is een interessante vraag. In dit artikel kan daar niet al te diep op worden ingegaan. Het heeft in ieder geval te maken met het feit dat in Nederland 2 voltijdse inkomens in de meeste huishoudens - nog - niet nodig zijn om toch een redelijk welvaartspeil te bereiken. Ook is het ‘zelf zorgen’ voor kinderen een belangrijke waarde. Veel vrouwen gebruiken de deeltijdstrategie om arbeid en zorg op een prettige wijze te combineren. De voorzieningen in Nederland op het punt van kinderopvang sluiten daar als het ware bij aan. Als ouders gebruikmaken van kinder­ opvang, doen zij dit vaak niet meer dan 2 dagen per week. Scholen doen een veelvuldig beroep op ouders – moeders – om de helpende hand te bieden bij speciale momenten in de klas. Voltijd werkende moeders hebben vaak moeite om uit te leggen waarom ze een volledige baan hebben. Deeltijdarbeid is daarmee niet alleen een feit dat in uren wordt

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

een belangrijke voorspeller van het aantal uren dat men werkt per week. Hoe hoger opgeleid, des te groter vaak de (deeltijd)baan. Een belangrijk gevolg van veel vrouwen in deeltijdbanen is dat het met de economische zelfstandigheid van vrouwen in Nederland nog niet echt opschiet. In 2015 verdiende 54% van de vrouwen en 74% van de mannen van 20 tot 65 jaar via betaald werk meer dan het bijstandsniveau van een alleenstaande, netto € 920. Zolang vrouwen partners hebben, is dat niet heel problematisch. Maar maatschappelijke kwetsbaarheid dreigt bij echtscheiding en bij de stand van het eigen pensioen later. Ook de bereikbaarheid van hoge functies wordt negatief beïnvloed door de voorkeur voor deeltijdbanen. Met vrouwen in topfuncties vlot het dan ook niet zo erg, al verschilt dit per sector. In het bedrijfsleven en in de academische wereld werken weinig vrouwen op de hoogste echelons. Bij de overheid gaat het beter. Met de groei van 28 naar ruim 30% vrouwelijke topambtenaren heeft de centrale overheid haar streefcijfer bereikt, zo constateerde de Emancipatiemonitor 2016.

Vrouwen en onderwijs

uitgedrukt, maar ook een norm: moeders horen ‘eigenlijk’ niet voltijd te werken. Wanneer ouders meer dan 3 dagen per week van kinderopvang gebruik maken, dan vraagt dat om nadere uitleg. Arbeidspatronen, de beschikbare kinderopvang en andere zorgfaciliteiten en maatschappelijke normen sluiten sterk op elkaar aan, ze beïnvloeden elkaar wederzijds en houden elkaar als het ware in stand. Zo is bijvoorbeeld ouderschapsverlof nog voor een flink deel onbetaald en vaderschapsverlof bij voortduring in discussie. Overigens blijkt het opleidingsniveau van vrouwen

De grote inhaalslag die vrouwen in het onderwijs hebben gemaakt, is een van de belangrijkste wapenfeiten in de emancipatie van vrouwen sinds de jaren 1970, toen een emancipatiebeleid zich ontwikkelde. Onderwijs is in het emancipatiestreven van een niet tot nauwelijks te overschatten betekenis. Dit geldt in Nederland, maar zeker ook wereldwijd. Wordt iets preciezer naar de situatie van nu gekeken, in termen van onderwijsprestaties van mannen en vrouwen, dan geeft de Emancipatiemonitor 2016 hierover belangwekkende informatie (SCP/CBS, 2016). Bij de Centrale Eindtoets van het basisonderwijs is in de totaalscore van jongens en meisjes nauwelijks verschil. Meisjes van autochtoon Nederlandse, Turkse en Surinaamse herkomst scoren 1% hoger dan de jongens. Bij de overige herkomstgroepen blijkt geen verschil. In het voortgezet onderwijs doen meisjes het iets ‘beter’ dan jongens. Er zijn meer meisjes dan jongens in het derde leerjaar van het vwo en meer jongens dan meisjes in het vmbo. Dit geldt ook voor meisjes en jongens met een migrantenachtergrond. Op het mbo volgen meisjes relatief vaker dan jongens de hogere niveaus. Hetzelfde geldt voor het hoger onderwijs. Vrouwen nemen daaraan niet alleen vaker deel dan mannen, ze sluiten dit onderwijs ook vaker succesvol en sneller af. Een voorbeeld: van degenen die na het vwo in 2007/08 met een voltijdstudie in het wetenschappelijk onderwijs (wo) begonnen, had 69% van de vrouwen en 52% van de mannen na 7 jaar een bachelor- of masterdiploma op zak. Wat betreft het aantal promoties: in 2014/2015 was 49% van de nieuw gepromoveerden vrouw. Het aandeel vrouwen in de academische promoties vertoont een consistent stijgende lijn over het laatste decennium. Wat ook stijgt is het aandeel meisjes – op het totaal aan meisjes - dat het profiel Natuur en Techniek

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

550

68% geneeskundestudenten is vrouw

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 550

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Doorne-Huiskes: V  rouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

vrouw man

Vrouwen in de medische en tandheel­ kundige professies

In 2015 stroomden in Nederland 2.113 studenten in het eerste jaar van geneeskunde. Van hen was 68% vrouw. Dit was een fractie meer 140 dan in 2011, toen vrouwen 67% van het totaal aantal studenten uitmaakten (Vereniging 130 van Nederlandse Vrouwelijke Artsen/VNVA, 2017). Aantallen vrouwelijke studenten heb120 ben natuurlijk effect op het aandeel vrouwen 110 bij de afgestudeerde artsen. Zo is het totale aandeel van vrouwen onder alle artsen toege100 nomen van 32% in 2005 naar 46% in 2016. 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 Wellicht tegen de algemene beeldvorming in: er zijn nog steeds meer mannelijke artsen, Afb. 2. Groei geregistreerde specialisten naar geslacht, 1 januari 2010 t/m 2016 (Capacimaar het aandeel vrouwelijke artsen groeit wel teitsorgaan, 2016a). met een zekere snelheid. Als voorbeeld laat afbeelding 2 zien dat het aantal vrouwelijke specialisten kiest in het vwo. Was dit in het schooljaar 2005/2006 sterker toeneemt dan het aantal mannelijke specialisten. 19%, in 2015/2016 was dit 27%. Het profiel Natuur De man-vrouwverhouding onder medisch specialisen Gezondheid trok in 2015/2016 31% meisjes (VHTO, ten was in 2010 67% man tegen 33% vrouw. Inmiddels 2017). In het beroepsonderwijs is het aandeel vrouwen in is dit een verhouding 60:40. Daar zal het niet bij blijven: de sectoren techniek, ict en techniek en natuur en tech- de uitstroom uit het beroep van medisch specialist wordt niek kleiner. Van alle vrouwen in het wetenschappelijk gedomineerd door mannen, bij de instroom neemt juist onderwijs – met een totale vertegenwoordiging van 52% het aantal vrouwen toe (Capaciteitsorgaan Deelapport 1, vrouwen – heeft 26% voor een natuurwetenschappelijke 2016a). Vrouwen en mannen zijn niet evenredig over de of technische opleidingen gekozen. verschillende specialismen verdeeld. Klinische genetica telt de meeste vrouwen (80% van Vrouwen in gezichtsbepalende en leidinggeven­ alle genetici is vrouw), gevolgd door klinische geriatrie, de functies spoedeisende geneeskunde, kindergeneeskunde, revalidaDe grote inhaalslag van vrouwen in het onderwijs heeft tiegeneeskunde, obstetrie en gynaecologie, radiotherapie, binnen de Nederlandse samenleving niet primair tot ge- reumatologie, ziekenhuisfarmacie en ten slotte iets meer volg gehad dat ze nu ook in groten getale gezichtsbepa- dan 50% vrouwen bij dermatologie en venerologie. Het is lende posities innemen. Een blik op de politieke arena van de verwachting dat zeer binnenkort de psychiatrie als elfde dit moment maakt dat duidelijk: mannen voeren nadruk- specialisme aan deze lijst kan worden toegevoegd. Veel kelijk de boventoon en het aandeel vrouwelijke Kamer­ meer mannen tellen (nog) de specialismen cardio-thoracaleden is de afgelopen jaren iets afgenomen. Wel betekent le chirurgie, orthopedie en neurochirurgie, bijna 90% is deze inhaalslag een stevige toename van vrouwen in de man (afb. 3) (Capaciteitsorgaan Deelrapport 1, 2016a). hooggeschoolde beroepen, zoals rechters, advocaten, be- Tabel 2 geeft een beeld van de voorkeuren van manneleidsmedewerkers bij overheden, aio’s aan universiteiten. lijke en vrouwelijke basisartsen voor vervolgopleidingen. Ook is er een toename, zij het aarzelender, van vrouwelijke De voorkeuren voor vervolgopleidingen blijken niet heel accountants en financieel specialisten. Daarnaast is in de sterk uiteen te lopen. In vergelijking met 2012 spreken nu medische en tandheelkundige professies het aandeel van meer mannen dan toen een voorkeur uit voor huisartsenvrouwen toegenomen. Kenmerkend voor dit type professi- geneeskunde (Van der Velde en Wieringa, 2016). Cardionele functies is dat ze vooral gericht zijn op de inhoud. In ologie is sinds 2012 bij mannen uit de top 5 verdwenen. de regel kennen ze geen zware eindverantwoordelijkheid, Bij vrouwen is dat gynaecologie/verloskunde. Geslacht wel een grote mate van professionele, vakinhoudelijke ver- als determinant van voorkeuren voor specialismen heeft antwoordelijkheid. Niet onbelangrijk in de Nederlandse Mannen Vrouwen context, is dat dit soort functies goed in 3 tot 4 dagen per Huisartsgeneeskunde 16,2% Huisartsgeneeskunde 25,4% week kan worden verricht. Het wordt tijd dieper in de te gaan op de medische en tandheelkundige beroepen. Maar Interne geneeskunde 12,9% Interne geneeskunde 9,7% eerst nog een blik op een poster uit de jaren 1980 (afb. 1), Algemene chirurgie 10,4% Kindergeneeskunde 8,6% die in het kader van een project beroepenvoorlichting werd Orthopedie 7,5% Algemene chirurgie 5,2% gelanceerd door de Vereniging van Vrouwen met Hogere Anesthesiologie 7,1% Anesthesiologie 4,9% Opleiding (VVAO). Relatief veel vrouwen hebben sindsdien aan de studie tandheelkunde gedacht. Velen van hen heb- Tabel 2. De 5 vervolgopleidingen met het grootste voorkeurspercentage naar geslacht (2016) (Van der Velde en Wierenga. 2016). ben deze ook voltooid en in praktijk gebracht. Relatieve toename aantal specialisten t.o.v. 2010

150

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 551

551

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Doorne-Huiskes: V  rouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Hoe staat het in de mondzorg? Volgens de cijfers over sekse en leeftijd van tandartsen uit de KNMT-tandartsadministratie waren er 8.773 tandartsen van 64 jaar of jonger per januari 2013 (KNMT-tandartsadministratie, 2013). Van deze actieve beroepsgroep was 65% man en 35% vrouw. Deze aandelen waren in 2000 79 versus 21%. Vrouwen zijn dus duidelijk in opmars bina e e e ie cie gie trie gie die gie ie ie ie tic iatr und und und log rap log r r a e o a l e u u i p r nen de tandheelkunde. Dit blijkt o m ro n e k k k h ir ir o to ge e ge ees ees ees aec ioth ma sfar ne yc ch ch rth e i e e n ps uro o n n n l h d u ook wanneer naar de verdeling v h u y e e e a c a e h g g r g g r c n is isc ne er ra en ie e tie en in klin nde d k o l van mannen en vrouwen over a vrouw k n lid h rie zie log ki -t se o io ei va stet man t de verschillende leeftijdsgroed e d a r r oe ob ca rm e sp pen wordt gekeken. Afbeelding 4 d geeft daarvan een beeld. Afb. 3. Verdeling geregistreerde specialisten naar geslacht per specialisme, 1 januari 2016 (Capaciteitsorgaan, Afbeelding 5 toont het aantal 2016a). ingeschreven studenten tandheelkunde in 2016. Wanneer in de literatuur veel aandacht gekregen (Vergouw et al, deze tabel naast afbeelding 4 wordt gehouden, dan lijken 2015). Zo wordt gesproken over een sterkere interesse de cijfers uit afbeelding 5 te suggereren dat in de jonge voor sociale specialismen, zoals huisartsengeneeskunde, leeftijdsgroepen het aandeel vrouwen – en mannen – binkindergeneeskunde en psychiatrie bij vrouwen, terwijl nen de tandheelkunde zich stabiliseert. Was in 2013 in de mannen een grotere voorkeur uitspreken voor medisch- leeftijdsgroep tot en met 29 jaar het aandeel vrouwelijke technische specialismen als heelkunde of interne genees- tandartsen 66%, bij de ingeschreven studenten in 2016 is kunde (Heiligers, 2012; Soethout et al, 2014). Vergouw dit 63%. Ook tandheelkunde ‘feminiseert’, maar dit proces en medeonderzoekers (2015) verwijzen in dit verband gaat niet in de richting van een volledige ‘overname’ van het naar motivatieverschillen tussen mannen en vrouwen. beroep door vrouwen. Vrouwen zouden meer intrinsiek geïnteresseerd zijn, dat Bij tandheelkundig specialisten is sprake van een gewil zeggen vooral gaan voor de inhoud van hun vak, voor mengd beeld. In 2016 zijn er 294 mondziekten-, kaak persoonlijke betrokkenheid bij het werk. Mannen zouden en aangezichtschirurgen (mka-chirurgen) werkzaam. een meer extrinsieke motivatie laten zien: salaris, status, Het aandeel vrouwen onder hen is 12%. Mka-chirurgie innovatie en het toepassen van techniek (Lugtenberg et al, is vooralsnog een mannenberoep, al zijn er in de jongere 2006; Heiligers, 2012). Ook zouden vrouwen masculiene leeftijdscategorieën steeds meer vrouwen die voor dit bewerkculturen met weinig vrouwelijke rolmodellen willen roep kiezen. Zo is van de 41- tot 45-jarigen 12,5% vrouw vermijden, zoals die bij heelkunde worden gepercipieerd. en van de 36- tot 40-jarigen 28% (Capaciteitsorgaan, Masculiene culturen gaan ook vaak gepaard met minder 2016b). Bij de orthodontie is het beeld anders. In 2016 flexibele werkomstandigheden (Fitzgerald et al, 2013). zijn 343 specialisten orthodontie werkzaam, onder hen Vrouwen houden in de regel ook meer dan mannen re- 34% vrouw. Ruim 60% van de mannen is ouder dan 50 kening met de vraag of hun beroep zich met gezinsver- jaar, bij de vrouwen is dit 33%. Dit laatste komt uiteraard antwoordelijkheid laat combineren. Te verwachten is overeen met de verdeling van mannen en vrouwen over de dat dergelijke seksespecifieke af- en overwegingen in de verschillende leeftijdsgroepen: rond 45% in de groep tot toekomst aan relevantie zullen inboeten. Vergouw et al 50 jaar is vrouw. In de oudere leeftijdscategorie is gemid(2015) verwijzen hierbij naar een onderzoek dat aangeeft deld 20% van de orthodontisten vrouw. dat in landen met een hogere emancipatiegraad en sterke- Het gemiddeld aantal gewerkte dagdelen per week re stimulering van gendergelijkheid – Zweden bijvoorbeeld blijkt tussen mannen en vrouwen niet veel te verschillen. – sekseverschillen in specialisatievoorkeuren niet worden Mannelijke mka-chirurgen werken gemiddeld 8,3 dagdewaargenomen. Vermeldenswaard is nog de gemiddelde len per week, hun vrouwelijke collega’s 8,2 dagdelen. Bij omvang van de werkweek van artsen. Daarin doen zich orthodontie zijn de verschillen iets groter: mannen 8,3 enige, maar betrekkelijk geringe verschillen voor tussen dagdelen per week, vrouwen 7,8 dagdelen. In 2013 was dit mannen en vrouwen. Bij de specialisten in loondienst was voor orthodontie respectievelijk 8,6 en 7,4. Vrouwen zijn in 2014 de zogenaamde deeltijdfactor 0,93 voor mannen dus iets meer uren gaan werken, mannen iets minder. en 0,88 voor vrouwen. De gemiddelde werkweekomvang In alle gevallen is het zo dat gemiddeld genomen vrouwas 0,91. Mannelijke specialisten zaten daar iets boven, welijke tandartsen en specialisten niet alleen maar ‘kleine vrouwelijke zaten er iets onder. baantjes’ bezetten. Hun bijdrage aan de beroepsuitoefe-

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 552

552

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Doorne-Huiskes: V  rouwen en werk, met een speciale blik naar artsen en tandartsen

34%

66%

t/m 29 jaar

48%

52%

30 - 39 jaar

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

59%

79%

21%

40 - 49 jaar

50 - 59 jaar

87%

13%

60 - 65 jaar

Afb. 4. Mannelijke en vrouwelijke tandartsen naar leeftijd (KNMT-tandartsadministratie, 2013).

ning, uitgedrukt in uren per week, is substantieel. Deze constatering is van belang, wanneer nog kort iets wordt gezegd over dokter als vrouwenberoep.

(Tand)arts wordt een vrouwenberoep De termen ‘feminisering’ en ‘dokter wordt een vrouwenberoep’ worden met een zekere regelmaat gebruikt als het om de medische professies gaat. Uit de cijfers blijkt dat dit een ietwat overdreven constatering is. Zeker, er is een stevige toename van vrouwen in de medische professies, maar van een ‘vrouwenberoep’ is – nog – geen sprake. Zoals eerder in dit artikel opgemerkt, is de kwalificatie ‘vrouwenberoep’ zelden alleen maar een feitelijke, cijfermatige constatering. Dit begrip kent meerdere lagen. Als eerste een laag van getallen, van een cijfermatige constatering. Daaronder een laag die een zekere waarschuwing, verontrusting bevat. Die tweede laag brengt de overdrijving met zich mee die we hierboven noemden. Gevoed door een bepaalde verontrusting wordt de toename van vrouwen als het ware hoger gepercipieerd dan die in feite is. De verontrusting die wordt geuit, heeft te maken met angst voor verlies aan status van het beroep. De associaties zijn simpel: meer mannen in een bepaalde professie betekent meer maatschappelijke status. Meer vrouwen leidt tot status-

masterstudenten tandheelkunde

% vrouw % man

100

verlies. En mogelijk tot legitimiteitsverlies, een discussie die bijvoorbeeld in de rechterlijke macht gaande is. Aan de deskundigheid van vrouwen als groep beroepsbeoefenaren wordt in de regel niet getwijfeld. Allerwege wordt erkend dat vrouwen, zeker ook in de medische en tandheelkundige professies kwaliteit, waardevolle inzichten en kennis inbrengen en dat zij in de aanpak en benadering van patiënten niet voor mannen onderdoen, mogelijk soms integendeel. De verontrusting komt meer voort uit bestaande beelden, stereotyperingen, uitingen van ‘oud denken’. Professionals brengen niet alleen kennis in en empathie, maar ook autoriteit en gezag. Autoriteit en gezag – althans in de wereld van werk en beroep – zijn van oudsher categorieën die met mannen worden geassocieerd. Historisch gezien wordt vrouwen gezag toegekend in de binnenwereld van huis en gezin. In de buitenwereld van werk en beroep is dat minder vanzelfsprekend, zelfs nu nog in de eenentwintigste eeuw. Vrouwelijk leiderschap en autoriteit is met meer ambivalenties omgeven dan mannelijk leiderschap. Eagly (2007) constateerde dat de rol van leider en die van vrouw in het publieke domein meer contradicties kent, dan wanneer het om mannen gaat. Juist die soms wat haperende associaties tussen vrouwen en gezagvol optreden werkt de genoemde verontrusting betreffende statusverlies in de hand. Soms komt daar ook de perceptie bij dat vrouwen de status van het beroep omlaag brengen, omdat ze het vooral ‘in kleine baantjes’ zouden uitoefenen. De cijfers die in dit artikel zijn gepresenteerd weerspreken dat beeld van kleine baantjes.

80 60

Tot slot

40

De medische en tandheelkundige professies zijn belangrijke vakken, waarmee een gemêleerd en divers publiek wordt bediend. Juist vanwege die diversiteit aan patiënten is het van belang dat vrouwen en mannen tot de beroepsgroep blijven behoren. Als keuzen van mannen voor bepaalde studies zich door overwegingen van ‘vrouwenberoepen’ en ‘daar hoor ik niet bij’ laten leiden, dan deugt er iets niet. Daar komt bij dat dergelijke overwegingen een

20 0

Rijksuniversiteit Groningen

Radboud Universiteit Nijmegen

ACTA

Afb. 5. Ingeschreven studenten tandheelkunde absoluut en naar aandeel vrouwen (meetmoment oktober 2016) (Universitaire masters, 2016).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 553

553

124 | november 2017

17-10-17 09:50


 rouwen en werk, met een speciale blik naar Van Doorne-Huiskes: V artsen en tandartsen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

zichzelf versterkend proces van segregatie teweegbrengen. Dat is jammer en onnodig. Het is aan de beroepsgroep zelf om het vak van (tand)arts aantrekkelijk te houden voor een diversiteit aan studenten: vrouwen en mannen, mensen met een Nederlandse en met een migrantenachtergrond. Juist dan wordt het kapitaal dat in de samenleving aanwezig is optimaal ingezet en wordt aan het beroep van dokter/tandarts de maatschappelijk status toegekend die het verdient.

Summary Women and work, with a specific focus on doctors and dentists The differences between men and women in their participation in the labour force and education are diminishing: in 2015, 71% of all women between the ages of 20 and 65 had a paid job (in comparison with 82% of men) and the Emancipation monitor 2016 reveals that women more often receive higher education than men. In the study of medicine, this expresses itself in the fact that 68% of new students in 2015 were women. As a consequence the number of women doctors is increasing. The numbers for 2013 show

Literatuur

that 65% of active dentists are men and 35% women. They, too, indicate an

* Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2016. Deel rapport 1 Medische

obvious increase of women. Statements that medicine, including dentistry,

specialismen, Spoedeisende geneeskunde, Ziekenhuisgeneeskunde,

is feminising are incorrect because there are still more male doctors than

Klinisch technologische specialismen. Utrecht: Capaciteitsorgaan,

female. The male-female ratio among medical specialists is 60:40 at the

2016a.

moment. It can be concluded that the medical and dental professions serve

* Capaciteitsorgaan. Capaciteitsplan 2016. Deelrapport 3 Tandheelkundige Specialisten. Utrecht: Capaciteitsorgaan, 2016b. * Eagly AH. Female leadership advantage and disadvantage: resolving

a well-educated and diverse public. It is precisely for this reason, that the medical and dental professions should offer positions to men and women and to people (m/f) with a Dutch and an immigrant background.

the contradictions. Psychology of Women Quarterly 2007; 31: 1-12. * Fitzgerald JE, Tang SW, Ravindra P, Maxwell-Armstrong CA. Gender-re-

Bron

lated perceptions of careers in surgery among new medical graduates:

A. van Doorne-Huiskes

results of a cross-sectional study. Am J Surg 2013; 206: 112-119.

Emeritus hoogleraar Sociologie van de Universiteit Utrecht

* Heiligers PJ. Gender differences in medical studentsâ&#x20AC;&#x2122; motives and career choice. BMC Med Educ 2012; 12: 82.

Datum van acceptatie: 28 september 2017 doorne.huiskes@wxs.nl

* KNMT-tandartsadministratie. Peilstations. Sekse en leeftijd van tandartsen. Nederlands Tandartsenblad 2013; 15: 29. * Lugtenberg M, Heiligers PJM, Hingstman L. Artsen en hun carrièrewensen: een literatuurverkenning. Utrecht: NIVEL, 2005. * Portegijs W, Brakel M van den (red.). Emancipatiemonitor 2016. Den

Dankwoord De auteur dankt Ronald Batenburg (NIVEL) en Ineke Bloemendaal (Carity B.V.) voor hun hulp bij het zoeken naar relevante gegevens betreffende beroepsuitoefening artsen en tandartsen.

Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau/Centraal Bureau voor de Statistiek, 2016. * Soethout, MBM, Cate ThJ ten, Wal OThJ. Beroepsvoorkeuren van studenten geneeskunde. Ned Tijdschr Geneeskd 2014; 158: A6655. * Universitaire masters. Aantal ingeschreven studenten. Meetmoment oktober 2016http://universitairemasters.nl/aantal-studenten/gezondheidszorg/. * Velde F van der, Wierenga M. Loopbaanwensen van basisartsen. KIWA, 2016. http://www.publicatiesarbeidsmarktzorgenwelzijn.nl/loopbanen-enloopbaanwensen-van-basisartsen/ * Vergouw D, Heiligers PJ, Batenburg RS. De Keuzemonitor Geneeskunde: een nationaal en longitudinaal meetinstrument voor het volgen van specialisatievoorkeuren en het ondersteunen van specialisatiekeuzen van geneeskundestudenten in Nederland. Utrecht: NIVEL, 2015. * VHTO. Meisjes en vrouwen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. Cijfers VWO. Geraadpleegd op: https://www.vhto.nl/cijfers-onderzoek/cijfers/cijfers-vwo/ (2017). * Vereniging van Nederlandse Vrouwelijke Artsen(VNVA). Feiten en cijfers. Geraadpleegd op: http://www.vnva.nl/media-2/feiten-en-cijfers (2017).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 554

554

124 | november 2017

17-10-17 09:50

AZ_C


PE RS LUC HT | A FZU I G I N G | B E E LDVO R M I N G | TA N DV E R ZO RG I N G | H YG I Ë N E

Digitale competentie voor een betere diagnostiek.

VistaPano S, VistaIntra en VistaScan Mini View: doordachte digitale röntgencompetentie. Vertrouw op een compleet systeem voor een uitstekende beeldkwaliteit. Röntgenapparaten en fosforplaatscanners van Dürr Dental garanderen u optimale diagnosemogelijkheden, maximaal comfort en de allerhoogste efficiëntie. Meer op www.duerrdental.com

DÜRR DENTAL BENELUX, Molenheidebaan 97, B-3191 Hever, Tel. +32 15 616 271, info@durr.be

AZ_Combi_VistaPano_VistaIntra_VSMiniView_210x297_nl_RZ.indd 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 555

08.02.17 13:37 17-10-17 09:50


KAN LISTERINE DE MONDHYGIËNE HELPEN VERBETEREN? ®

Ja, significant. Een meta-analyse met meer dan 5.000 proefpersonen levert het bewijs.1

Zo werkt LISTERINE : ®

2

· LISTERINE met 4 essentiële oliën helpt ®

TOT

· MEER

TANDPLAKVRIJE · TANDOPPERVLAKKEN * 1

biofilmvormende bacteriën die achterblijven na het mechanisch reinigen van de mondholte te bestrijden. De essentiële oliën dringen diep in de biofilm door en helpen de structuur ervan te vernietigen. Daardoor wordt de biofilm losgemaakt, ook op plaatsen waar de tandenborstel en tandzijde maar moeilijk kunnen geraken.

* bij 2.325 proefpersonen die naast de mechanische tandreiniging met LISTERINE® spoelden.

Tandenpoetsen, interdentaal reinigen en spoelen. Omdat 3-maal beter werkt. Meer over de resultaten van de baanbrekende meta-analyse vindt u bij Araujo MWB et al., JADA 2015; 146 (8): 610-622. 2 Geldt voor Listerine met 4 essentiële oliën.

1

www.listerineprofessional.nl LIS_IMC_AZ_NL-NL.indd 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 556

22.09.17 17-10-17 10:05 09:50


K. Jerković–Ćosić

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Mondzorg door vrouwen: hoe gaat dat in de praktijk?

?

Met een toenemende groep vrouwelijke tandartsen verandert mogelijk de samenwerking tussen tandartsen en mondhygiënisten. Om de eventuele veranderingen in de samenwerking tussen vrouwelijke tandarts en een mondhygiënist ten opzichte van een mannelijke tandarts en een mondhygiënist te achterhalen, worden 2 aspecten bediscussieerd: de behandel- en beroeps­visie en de communicatiestijlen. Vrouwelijke tandartsen lijken meer preventief te zijn georiënteerd, meer mensgericht en lijken hierin dus meer op de groep vrouwelijke mondhygiënisten. De communicatiestijl van vrouwelijke tandartsen komt ook overeen met die van hun vrouwelijke collega’s mondhygiënisten; elkaars wensen en verwachtingen lijken vaker met elkaar te zijn afgestemd waardoor een optimale samenwerking tussen beide een grotere kans heeft. Deze preventieve gerichtheid en overeenstemming in communicatiestijl bieden kansen voor meer interprofessionele samenwerking tussen tandarts en mondhygiënist. Maar betekent dit echt een betere samenwerking en hoe zit het met de samen­werking met de mannelijke tandartsen en mondhygiënisten?

- hebt u kennisgenomen van de wijze waarop mannen en vrouwen in tandheelkundige zorg samenwerken; - kent u de invloed van behandel- en beroepsvisie en van de communicatiestijl op die samenwerking.

Terwijl sommige medisch specialistische beroepen nog steeds gedomineerd worden door mannen, verandert de samenstelling van de groep artsen en tandartsen drastisch. Bruers en Van Dam (2017) vermelden in dit thema dat momenteel ongeveer 40% van de Nederlandse tandartsen een vrouw is en als de trend zich doorzet, dit aantal snel boven de 50% zal uitkomen. De gevolgen van deze trends betreffen niet alleen de beroepsgroep tandartsen en de bedrijfsvoering in de tandheelkunde, maar ook de samenwerking met de aanpalende beroepen in de mondzorg, zoals de mondhygiënisten. De beroepsgroep mondhygiënisten wordt nog steeds gedomineerd door vrouwen (97%) en de samenstelling in deze groep verandert erg langzaam. Op dit moment is ongeveer 7-10% van de studenten mondzorgkunde een man. Door de ingezette veranderingen in samenstelling bij de beroepsgroep tandartsen is het koppel tandarts-mondhygiënist in de praktijk steeds vaker een vrouw-vrouw koppel. Het is mogelijk dat de samenwerking tussen vrouwen anders verloopt in vergelijking met een meer traditioneel man-vrouw koppel. Het is bekend dat geslacht de perceptie van macht in werkrelaties beïnvloedt; mannen hebben vaker een hiërarchische relatie met vrouwen (Batalha et al, 2007). Verschillende communicatiestijlen van mannen en vrouwen kunnen tot nodige spanning in werksituaties zorgen. Man-

nen nemen vaker beslissingen op basis van denken. Logica, consistentie en objectiviteit zijn hierbij belangrijk. Deze aspecten lijken echter minder van invloed te zijn in de aanwezigheid van vrouwen; mannen blijken meer risico’s te nemen in de nabijheid van aantrekkelijke vrouwen. Vrouwen nemen vaker beslissingen op basis van gevoel waarbij persoonlijke waarden, behoud van harmonie, sympathie en tact een grote rol spelen (Morris, 2000). In de samenwerking zullen de vrouwelijke tandartsen zich mogelijk minder laten beïnvloeden door autoriteit en autonomie maar vaker door hun behoefte aan coöperatie en harmonie. Daarnaast laat onderzoek ook zien dat vrouwen, ondanks een groot absoluut aandeel in de beroepsgroep, zich niet vaak wagen aan leidende posities in de beroepsgroep of wetenschap. Toonaangevende en prominente posities binnen tandheelkunde worden overwegend door mannen bekleed (Whelton en Wardman, 2015). Een onderzoek naar de veranderingen in de samenwerking tussen vrouwelijke artsen en verpleegkundigen liet zien dat vrouwelijke artsen soms juist moeite hadden met hun leidende rol omdat ze tegelijkertijd ook vriendinnen met verpleegkundigen wilden worden (Gjerberg en Kjolsrod, 2001). Zij ervaarden minder ondersteuning van vrouwelijke verpleegkundigen en probeerden dit te bereiken door extra vriendschappelijk met elkaar om te gaan en steun te bieden bij persoonlijke problemen van verpleegkundigen. Verpleegkundigen, aan de andere kant, beoordeelden hun werkrelatie met mannelijke en vrouwelijke artsen als gelijk (Zelek en Philips, 2003). Een ander onderzoek toonde aan dat ook de Advanced Nurse Practitioners (ANP) hun samenwerking met vrouwelijke en mannelijke artsen gelijk beoordeelden. Dit betekent dat de ervaring van hun werkrelatie meer afhankelijk is van hun professionele verantwoordelijkheden en minder van de verschillen of overeenkomsten in geslacht. Het lijkt erop dat juist de vrouwelijke artsen meer gevolgen van de veranderende samenstelling in hun beroepsgroep ervaren en dat deze weinig tot geen uitwerking heeft op hun collega’s verpleegkundigen. Dit kan mogelijk betekenen dat ook de vrouwelijke tandartsen zelf meer moeite ervaren in de samenwerking met andere vrouwen dan hun vrouwelijke collega’s, de mondhygiënisten en assistenten.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

557

Jerković-Ćosić K. Mondzorg door vrouwen: hoe gaat dat in de praktijk? Ned Tijdschrif Tandheelkd 2017; 124: 557-561 doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17129

Inleiding

10:05

Leerdoelen Na het lezen van dit artikel:

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 557

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Jerković-Ćosić: Mondzorg door vrouwen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Een andere aanname is dat vrouwen in werksituaties juist harder tegen elkaar kunnen zijn. Biernat en Fuegen (2001) identificeerden in hun onderzoek 4 verschillende scenario’s: 1. vrouwen zien elkaar mogelijk als concurrenten of indringers, 2. vrouwen ondermijnen competenties van assertieve vrouwen om te compenseren voor eigen gebrek aan assertiviteit, 3. vrouwen vrezen voor hun eigen geloofwaardigheid in nabijheid van andere vrouwen, en 4. vrouwen beoordelen andere vrouwen veel strenger omdat ze vinden dat vrouwen aan hogere eisen moeten voldoen om succesvol te zijn. Een of meer van dergelijke gedragingen komen vaker voor als vrouwen een gelijke functie hebben binnen een organisatie en kunnen dus vaker gezien worden tussen meerdere vrouwelijke tandartsen in een praktijk of tussen de verschillende mondhygiënisten in de praktijk. Waarschijnlijk zijn ze minder prominent aanwezig in de relatie tussen vrouwelijke tandartsen en mondhygiënisten. Gallagher et al (2007) beweerden dat vrouwelijke tandartsen een positievere invloed hebben op de samenwerking in het algemeen en uit een ander onderzoek bleek dat vrouwelijke studenten in de gezondheidszorg meer openstaan voor teamwerk en samenwerking (Wilhelmsson et al, 2011). Tot op heden is er geen gericht onderzoek gedaan naar de samenwerking tussen tandartsen en mondhygië-

Ongeveer 15 jaar geleden hadden Nederlandse vrouwelijke tandartsen een verschillende visie op het beroep en het behandelen van patiënten in vergelijking met mannen (Bruers et al, 2003; Bruers et al, 2004). Deze bevindingen kwamen overeen met die uit andere landen. Verschillende onderzoekers beweren dat voor vrouwelijke tandartsen het aspect zorg erg belangrijk is en dat ze meer mensgericht zijn (Scarbecz et al, 2002; Kfouri et al, 2012). Vrouwelijke tandartsen beschouwen preventieve tandheelkunde vaker als wetenschap (Khami et al, 2012). Ook verwijzen vrouwelijke tandartsen vaker door naar andere mondzorg specialisten dan hun mannelijke collega’s (McKay en Quinonez, 2012). Vergeleken met vrouwen vinden mannen de zakelijke kant van tandheelkunde en het onderne-

merschap belangrijker (Scarbecz et al, 2002; Kfouri et al, 2012). Riley et al (2011) rapporteerden dat vrouwelijke tandartsen bij kinderen vaker fluoride voor thuisgebruik adviseerden en de mannelijke tandartsen vaker tijdens een controle of consult een fluoridebehandeling toepasten. Vrouwelijke tandartsen adviseerden aan volwassenen ook vaker fluoride voor thuisgebruik, restaureerden approximale cariës later, gebruikten meer preventieve maatregelen voordat ze restauratief ingrepen en besteedden in het algemeen meer aandacht aan de individuele preventieve maatregelen tegen cariës. Mannen grepen eerder restauratief in bij glazuurlaesies (McKay en Quinonez, 2012). Het aantal procedures en het inkomen per patiënt was in deze onderzoeken vergelijkbaar. Onder de fulltime werkende vrouwelijke en mannelijke tandartsen waren geen verschillen aangetroffen in het aantal behandelde patiënten per week (Riley et al, 2011). Del Agila et al (2005) vonden ook dat vrouwelijke en mannelijke tandartsen ongeveer evenveel (be)handelingen en inkomen per patiënt hadden. Mochten er verschillen in inkomen zijn, dan waren deze gerelateerd aan het feit dat vrouwelijke tandartsen voor complexe, meestal duurdere behandelingen vaker naar de specialist verwezen (Atchison et al, 2002). Een mogelijke verklaring voor een meer preventieve gerichtheid van vrouwelijke tandartsen is de relatief jonge leeftijd van de vrouwelijke tandartsen. Preventieve tandheelkunde en een meer niet-restauratieve aanpak van cariës hebben in de laatste jaren steeds meer aandacht gekregen binnen het tandheelkunde-onderwijs. Doordat vrouwelijke tandartsen overwegend jonger zijn dan hun mannelijke collega’s is het mogelijk dat de preventieve aanpak van de vrouwelijke tandartsen veeleer gerelateerd is aan hun recente opleiding. Correctie voor de leeftijd van de tandarts is hier dus op zijn plaats. Het lijkt erop dat vrouwelijke tandartsen wat betreft oriëntatie en handelen meer preventiegericht zijn dan hun mannelijke collega’s. Deze behandelvisie past goed bij het beroepsprofiel en de behandelvisie van de mondhygiënist. De overeenkomsten in de behandelvisie tussen vrouwelijke tandartsen en mondhygiënisten kunnen bevorderlijk zijn voor de samenwerking tussen beide beroepsgroepen. Het lijkt aannemelijk dat in een dergelijke samenwerking een optimale mate van preventieve zorg wordt opgenomen in de behandelvisie van de praktijk, wat positief kan zijn voor de werktevredenheid van de mondhygiënist en voor de mondgezondheid van de patiënt. Een minder prominente preventieve oriëntatie bij mannelijke tandartsen kan als effect hebben dat mannelijke tandartsen de complete preventieve zorg aan de mondhygiënist overlaten. Dit kan in sommige gevallen overigens naar tevredenheid van de mondhygiënist verlopen omdat deze volledige vrijheid en verantwoordelijkheid ervaart voor de preventieve zorg van haar patiënten. Vrouwelijke tandartsen lijken een deel van de preventieve zorg voor eigen rekening te nemen. Door de grotere betrokkenheid van vrouwelijke tandartsen in de preventieve zorg is er moge-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

558

Vrouwelijke tandartsen wellicht meer preventiegericht nisten in relatie tot het geslacht van deze mondzorgverleners. Wel is er onderzoek beschikbaar over verschillende beroepsaspecten van vrouwelijke tandartsen en andere verschillen tussen vrouwen en mannen in hun werkrelaties, waarvan de resultaten een indruk kunnen geven van de samenwerking tussen beiden. Om de samenwerking tussen vrouwelijke tandartsen en mondhygiënisten beter te begrijpen, worden in dit artikel 2 aspecten belicht die de samenwerking kunnen beïnvloeden: de behandel- en beroepsvisie van de tandartsen en de communicatiestijlen.

Behandel- en beroepsvisie van tandartsen

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 558

124 | november 2017

17-10-17 09:50


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

lijk meer contact en overleg met de mondhygiënist. In dit geval ontstaat er meer kans voor interprofessionele samenwerking tussen de vrouwelijke tandarts en de mondhygiënist, terwijl de mannelijke tandarts en de mondhygiënist meer naast elkaar werken. Nogmaals, hierbij moet ook rekening worden gehouden met de relatief hoge leeftijd van de Nederlandse mannelijke tandartsen. Jonge mannelijke tandartsen blijken beter op de hoogte te zijn van de mogelijkheden voor een samenwerking met mondhygiënisten en werken vaker samen met mondhygiënisten.

Verschillende communicatiestijlen van mannen en vrouwen beïnvloeden de werkrelaties. Zo concludeerden McKay en Quinonez (2012) dat vrouwelijke tandartsen meer empathie tonen en dat ze over betere communicatieve vaardigheden beschikken. Hannah et al (2009) beweerden dat vrouwelijke tandartsen over betere sociale vaardigheden beschikken, expressiever en sensitiever reageren, verbaal vaardiger zijn en beter kunnen inspelen op de behoeften van de patiënt. Deze kenmerken zijn niet specifiek geldend voor de beroepsgroep tandartsen maar worden overigens in het algemeen vaker aan vrouwen toegeschreven. Al deze aspecten werden in het verleden als redenen genoemd waarom bijvoorbeeld beroepen als mondhygiënist en verpleegkundige, vrouwelijke beroepen moesten zijn. De vraag is of tandheelkunde ‘softer’ is geworden door de komst van de vele vrouwelijke tandartsen of dat de focus van tandheelkunde is verschoven naar het ‘softe’ aspect van preventie en gedragsverandering, hetgeen meer vrouwen in de tandheelkunde heeft getrokken. Vrouwelijke tandartsen lijken dus veel overeenkomsten te vertonen

met mondhygiënisten in hun manier van communiceren met patiënten. Dit komt voornamelijk doordat de meeste mondhygiënisten ook vrouwen zijn, maar misschien ook omdat het beroep mondhygiënist gericht is op de voorlichting en gedragsverandering waarbij communicatieve vaardigheden een grote rol spelen. Deze overeenkomsten kunnen positief uitwerken op de gezamenlijke visie over benadering van patiënten en kunnen daardoor belangrijk zijn voor de samenwerking tussen vrouwelijke tandartsen en mondhygiënisten. In een onderzoek naar de communicatiestijlen tussen de Nederlandse tandartsen en tandartsassistenten vonden Gorter et al (2005) dat vrouwelijke tandartsen vaker een vriendelijke, zorgzame interactiestijl hadden met hun assistenten. De verschillen in geslacht werden juist benadrukt in de communicatiestijl van mannelijke tandartsen. In deze samenwerking was de hiërarchische rol van de tandarts belangrijk: mannen hadden vaker een hiërarchische relatie met hun vrouwelijke collega’s. De beleving en ervaring van dergelijke hiërarchische relaties tussen mannelijke tandartsen en mondhygiënisten is ook gevonden in een ander Nederlands onderzoek (Jerković-Ćosić, 2012). In dat kwalitatieve onderzoek naar de uitwerking van taakherschikking werden tandartsen en mondhygiënisten bevraagd over hun communicatie en ervaringen ten aanzien van de taakverdeling en verantwoordelijkheden. In 6 mondzorgpraktijken werden de koppels tandarts-mondhygiënist apart van elkaar geïnterviewd; 2 vrouw-vrouw, 2 man-vrouw en 2 man-man koppels. Bij de 4 koppels van gelijk geslacht werd een overwegend collegiale relatie en geen hiërarchische relatie tussen werkgever en werknemer waargenomen. Een hiërarchische relatie tussen werkgever

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

559

Beeld: Shutterstock

Jerković-Ćosić: Mondzorg door vrouwen

Communicatiestijlen

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 559

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Jerković-Ćosić: Mondzorg door vrouwen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

en werknemer was prominent aanwezig in de gemengde koppels bestaande uit een mannelijke tandarts en een vrouwelijke mondhygiënist. Een andere, opvallende bevinding in dit onderzoek betrof de open communicatie tussen de vrouwelijke koppels; beide mondzorgverleners gaven aan dat ze heldere werkafspraken hadden, waarbij elkaars wensen en verwachtingen duidelijk waren en dat de mondhygiënist erg betrokken was bij de zorgplanning. Bij de 2 mannelijke koppels was er ook sprake van heldere afspraken en duidelijkheid over ieders wensen en verwachtingen en werden deze zakelijk

Conclusie

Samenwerking vrouwelijke tandarts en mondhygiënist: hoge mate van werktevredenheid naar ieders tevredenheid afgestemd. Bij de 2 gemengde koppels, man (tandarts) - vrouw (mondhygiënist), was er sprake van onduidelijkheid over wensen en verwachtingen. Beide betrokkenen gaven aan wensen en verwachtingen van elkaar te hebben die ze nooit hadden geverifieerd. Beide deden uitspraken als: “Ik heb het nooit uitgesproken maar ik ga er vanuit dat hij/zij dit weet”. Uiteraard betrof dit een kleinschalig kwalitatief onderzoek, maar het gaf wel aan dat in de samenwerking tussen mannen en vrouwen wensen en verwachtingen niet voldoende werden afgestemd en gecommuniceerd of anders werden geïnterpreteerd waardoor op den duur ontevredenheid kon ontstaan bij betrokkenen. Dit is op zich geen nieuws. Communicatie tussen mannen en vrouwen is al decennia lang onderwerp van vele onderzoeken, waarbij steeds naar voren kwam hoe verschillend beide geslachten zijn in hun manier van communiceren. In hetzelfde onderzoek werd een hoge mate van werktevredenheid gemeten bij vrouwelijke mondhygiënisten die bij vrouwelijke tandartsen werkzaam waren. Deze mondhygiënisten meldden dat ze wisten waar ze aan toe waren, hadden hun toekomstambities met de tandartsen besproken en voelden zich gewaardeerd en verantwoordelijk voor hun takenpakket. De taken en verantwoordelijkheden werden in overleg met elkaar verdeeld. Vrouwelijke tandartsen wisten goed te benoemen wat de sterke punten van hun mondhygiënisten waren en besteedden meer tijd aan de begeleiding van de (pas afgestudeerde) mondhygiënist ten opzichte van mannelijke tandartsen. Samenvattend bleek uit dit onderzoek dat vrouwelijke tandartsen een betere werkrelatie met mondhygiënisten hadden en mede hierdoor bereid waren de werkverdeling met de mondhygiënist goed af te stemmen. De 2 mannelijke mondhygiënisten in het onderzoek hadden ambities om hun takenpakket uit te breiden, maar ervaarden minder kansen om zich in deze richting te ontwikkelen. Beiden hadden hun praktijk kort na het onderzoek verlaten voor een andere baan.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 560

Op basis van de verschillen in de behandel- en beroepsvisie en in de communicatiestijlen van vrouwelijke en mannelijke tandartsen lijkt het erop dat een vrouwelijke tandarts een betere samenwerking met de mondhygiënist kan bereiken in vergelijking met haar mannelijke collega. Een groot deel van deze samenwerking hangt af van de communicatiestijl van vrouwen waarbij elkaars wensen en verwachtingen zijn afgestemd. Een ander belangrijk aspect is de preventieve oriëntatie van vrouwelijke tandartsen. Deze biedt kansen voor meer interprofessionele samenwerking met de mondhygiënist. Echter, de preventieve oriëntatie van vrouwelijke tandartsen is sterk gerelateerd aan de jonge leeftijd van de vrouwelijke tandartsen. Dit betekent dat er ook grote kansen zijn voor een interprofessionele samenwerking van mondhygiënisten met jonge mannelijke tandartsen. Grote traditionele verschillen tussen vrouwen en mannen lijken langzaam te vervagen. Mannen gaan ook vaker parttime werken. Vooral jonge mannen hebben voorkeur voor een deeltijdbaan. Onder de mannen in de leeftijd tot 25 jaar werkte in 2013 46% parttime (CBS, 2013). Daarnaast worden vrouwen steeds zakelijker. Deze ontwikkelingen zullen waarschijnlijk meer balans brengen in de soms grote verschillen in de bedrijfsvoering en de uitvoering van het beroep tandarts tussen vrouwelijke en mannelijke tandartsen. Verder kan de veranderende instroomregeling voor de studie tandheelkunde al voor een evenwichtige verdeling zorgen tussen het aantal vrouwelijke en mannelijke studenten. Waar vroeger vooral goed gedisciplineerde meisjes die gemiddeld achtten haalden direct toegelaten werden tot de opleiding, is er nu sprake van decentrale selectie waar de kandidaat een kans krijgt om eigen motivatie en competenties te laten zien. In dit artikel zijn enkele verschillen in de samenwerking tussen mannen en vrouwen aangestipt, meer onderzoek is nodig om de samenwerkingsmechanismen tussen tandartsen en mondhygiënisten te begrijpen. In relatie met een groeiend aantal vrouwen in de tandheelkunde zou hier extra aandacht moeten komen voor de werkrelaties tussen vrouwelijke tandartsen en vrouwelijke mondhygiënisten en het mogelijke effect van de leeftijd van beide mondzorgverleners. Literatuur * Aguila MA del, Leggott PJ, Robertson PB, Porterfield DL, Felber GD. Practice patterns among male and female general dentists in a Washington State population. J Am Dent Assoc 2005; 136: 790-796. * Atchison KA, Bibb CA, Lefever KH, Mito RS, Lin S, Engelhardt R. Gender differences in career and practice patterns of PGD-trained dentists. J Dent Educ 2002; 66: 1358-1367. * Batalha L, Akrami N, Ekkehammar B. Outgroup favoritism: the role of power perception, gender, and conservatism. Curr Res Soc Psychol 2007; 13: 39-49. * Biernat M, Fuegen K. Shifting standards and the evaluation of competence: complexity in gender-based judgment and decision making. J Soc Issues 2001; 57: 707-724.

560

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Jerković-Ćosić: Mondzorg door vrouwen

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

* Bruers JJ, Rossum GM van, Felling AJ, Truin GJ, Hof MA van’t. Business

Summary

orientation and the willingness to distribute dental tasks of Dutch dentists. Int Dent J 2003; 53:255-263. * Bruers JJ, Felling AJ, Truin GJ, Hof MA van’t, Rossum GM van. Patient

Dental care by women: how does that work in (the) practice? With a growing number of female dentists, changes in the collaboration

orientation and professional orientation of Dutch dentists. Commu-

between dentists and dental hygienists are possible. To assess the possible

nity Dent Oral Epidemiol 2004; 32: 115-124.

consequences of these changes in dentistry for cooperation with dental

* Bruers JJ, Dam BAFM van. Een vrouw aan de stoel is heel gewoon. De

hygienists, two important aspects are discussed: differences in vision with

beroepsuitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland. Ned

respect to treatment and the profession and differences in communication

Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 000-000.

styles. Female dentists seem to be more prevention-orientated and people-

* Gallagher JE, Patel R, Donaldson N, Wilson NH. The emerging dental

orientated and are therefore more like the group of female dental hygienists.

workforce: why dentistry? A quantitative study of final year dental stu-

The communication style of female dentists is also consistent with the style of

dents’ views on their professional career. BMC Oral Health 2007; 7: 7.

their female colleague hygienists; wishes and expectations are more aligned

* Gjerberg E, Kjølsrød L. The doctor-nurse relationship: how easy is it

with each other, which makes optimal cooperation more likely. This focus on

to be a female doctor co-operating with a female nurse? Soc Sci Med

prevention and the consistency in communication styles offer opportunities

2001; 52: 189-202.

for inter-professional collaboration between dentists and dental hygienists.

* Gorter RC, Freeman R. Dentist-assistant communication style: perceived gender differences in The Netherlands and Northern Ireland.

Does this actually mean better collaboration, however, and what about the cooperation between male dentists and female dental hygienists?

Community Dent Oral Epidemiol 2005; 33: 131-140. * Hannah A, Lim BT, Ayers KM. Emotional intelligence and clinical in-

Bron

terview performance of dental students. J Dent Educ 2009; 73:1107-

K. Jerković-Ćosić

1117.

Uit de Hogeschool Utrecht, Kenniscentrum Gezond en Duurzaam Leven,

* Jerković-Ćosić K. The relation between profession development and job

Lectoraat Innovaties in de Preventieve Zorg

(re)design; The case of dental hygiene in the Netherlands. Rijksuniver-

Datum van acceptatie: 30 augustus 2017

siteit Groningen, 2012. Academisch proefschrift.

Adres: mw. dr. K. Jerković-Ćosić, Hogeschool Utrecht, Heidelberglaan 7,

* Kfouri MG, Moyses SJ, Moyses ST. Women’s motivation to become dentists in Brazil. J Dent Educ 2013;77: 810-806.

3584 CS Utrecht katarina.jerkovic@hu.nl

* Khami M, Murtomaa H, Razeghi S, Virtanen JI. Attitude towards preventive dentistry among Iranian senior dental students. J Dent (Tehran) 2012; 9: 189-195. * McKay JC, Quiñonez CR. The feminization of dentistry: implications for the profession. J Can Dent Assoc 2012; 78: c1. * Morris DO. Personality types of dental school applicants. Eur J Dent Educ 2000; 4: 100-107. * Riley JL, Gordan VV, Rouisse KM, McClelland J, Gilbert GH. Differences in male and female dentists’ practice patterns regarding diagnosis and treatment of dental caries. J Am Dent Assoc 2011; 142: 429-440. * Scarbecz M, Ross JA. Gender differences in first-year dental students’ motivation to attend dental school. J Dent Educ 2002; 66: 952-961. * Whelton H, Wardman MJ. The landscape for woman leaders in dental education, research, and practice. J Dent Educ 2015; 79: S7-S12. * Wilhelmsson M, Ponzer S, Dahlgren L-O, Timpka T, Faresjö T. Are female students in general and nursing students more ready for teamwork and interprofessional collaboration in healthcare? BMC Med Educ 2011; 11: 15. * Zelek B, Phillips SP. Gender and power: Nurses and doctors in Canada. Int J Equity Health 2003; 2: 1.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 561

561

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Bestel onze starterskit T 085 401 38 58

Maak kennis Steeds meer tandartsen vinden de weg naar Spring! Laat ook uw patiĂŤnten proďŹ teren van betaalbare tandtechniek.

Spring Dental B.V. T 085 401 38 58

info@springdental.nl

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 562 1720811-3 Spring algemeen 210x297mm.indd 1

www.springdental.nl

17-10-17 09:50 12-04-17 13:44


J.J.M. Bruers, B.A.F.M. van Dam

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Een vrouw aan de stoel is heel gewoon. De beroeps­uitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland Vrouwen vormen 40% van de actieve beroepsgroep van tandartsen in Nederland. Op grond van de opleidingsinstroom kan worden verwacht dat hun aandeel verder zal toenemen tot ruim de helft. Uit de literatuur blijken verschillen tussen man en vrouw wat betreft voorkeuren voor werksetting en omvang van de werkweek. Ook in de feitelijke zorgverlening verschillen zij van elkaar. De gepresenteerde gegevens tonen de opmars van vrouwen en onderzoeksgegevens bevestigen de veronderstelde verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen. Vrouwen zijn minder vaak praktijkhouder, vrouwelijke praktijkhouders werken vaker samen met collega’s en hebben een kortere werkweek. In de patiënt­ behandeling lijken vrouwen iets meer individueel gericht te zijn en oog te hebben voor de algemene gezondheid. Waardetheorieën in de literatuur bieden verklaringen voor deze sekseverschillen. De voorkeur van vrouwen voor samenwerking past in elk geval in de algemene ontwikkeling naar werken in teamverband.

Vandaag de dag kijkt niemand meer op van een vrouwelijke arts in de spreekkamer en een vrouwelijke tandarts aan de stoel. In de afgelopen decennia hebben vrouwen een snelle opmars gemaakt in allerlei beroepen die ooit mannenbolwerken waren. Zelfs zo snel dat zij de mannen inhalen: inmiddels zijn om en nabij 7 van de 10 eerstejaarsstudenten aan de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde vrouw (Universitairebachelors.nl, 2016). Als deze trend doorzet, betekent dit dat binnen 10 jaar de helft of meer van de (tand)artsen vrouw zal zijn. Ook in andere landen tekent deze trend zich af (Diringer et al, 2013; Pacey, 2014; Whelton en Wardman, 2015). Er is divers onderzoek gedaan naar de (mogelijke) gevolgen van deze feminisering voor de omvang en de aard van de zorgverlening. Daarbij ligt doorgaans de focus op verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft de werksetting, de omvang van de werkweek en de aard van de zorgverlening. Zo komt in het algemeen naar voren dat vrouwelijke tandartsen in vergelijking met hun mannelijke collega’s een kortere werkweek hebben (Van Dam en Van Rossum, 1994; Van Dam en Van Rossum, 1998, Murray, 2002; Del Aguila et al, 2005; Ayers et al, 2008; McKay en Quiñonez, 2012; Reynolds et al, 2015). Dit geldt overigens ook voor huisartsen (Wagenvoort en Lagro-Janssen, 2010; Van Hassel et al, 2015). Bovendien blijkt dit verschil verband te houden met het feit dat vrouwen meer dan mannen moeten balanceren tussen de belangen van werk en

gezin (Kuthy et al, 2013). Vooral de zorg voor (jonge) kinderen lijkt feitelijk de bepalende factor voor verschillen in de omvang van de werkweek (Pallavi en Rajkumar, 2011; Diringer et al, 2013). Daardoor, denk aan zwangerschap en bevallingsverlof, hebben vrouwen ook vaker en langer carrièreonderbrekingen (Newton et al, 2001; Ayers et al, 2008; Rajeh et al, 2014). Overigens ervaren meer vrouwen dan mannen de zorg voor kinderen als belastend (Gorter et al, 2001). Echter, Nguyen et al (2015) toonden aan dat ook bij mannen in de afgelopen 15 jaar een groeiende voorkeur lijkt te bestaan voor een kortere werkweek. Onderzoek laat verder zien dat vrouwelijke tandartsen minder vaak dan mannen kiezen voor het praktijkhouderschap en er meer de voorkeur aan geven actief te zijn als praktijkmedewerker of in een dienstverband (Ayers et al, 2008; Riley et al, 2011; Pallavi en Rajkumar, 2011; McKay en Quiñonez, 2012; Diringer et al, 2013). Ook vrouwelijke huisartsen prefereren vaker het werken in dienst van een andere huisarts (HIDHA) dan hun mannelijke collega’s (Van Hassel et al, 2015; Van Hassel et al, 2016). Diverse onderzoeken tonen aan dat vrouwelijke tandartsen bovendien vaker kiezen voor werken in een groepspraktijk (Pallavi en Rajkumar, 2011). Bij vrouwelijke huisartsen is dat eveneens het geval (Wagenvoort en Lagro-Janssen, 2010). Voorts zijn er aanwijzingen dat bij (tand)artsen sprake is van een ondervertegenwoordiging van vrouwen binnen bepaalde specialisaties. Hetzelfde geldt voor academische functies. Vrouwen ambiëren deze ook minder vaak dan mannen (Wagenvoort en Lagro-Janssen, 2010; Pallavi en Rajkumar, 2011; McKay en Quiñonez, 2012). Zo laten vrouwelijke huisartsen, medisch specialisten en sociaal geneeskundigen in opleiding weten dat zij veel meer dan mannen belang hechten aan mogelijkheden voor deeltijdwerk, aan hun privé- en gezinsomstandigheden en aan de mogelijkheid om te werken conform kantoortijden. Om-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

563

Bruers JJM, Dam BAFM. Een vrouw aan de stoel is heel gewoon. De beroeps­ uitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 563-569 doi: https://10.5177/ntvt.2017.11.17130

Inleiding

13:44

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 563

124 | november 2017

17-10-17 09:50


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

Materiaal en methoden

100% 90% 80% 70% 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0%

Voor deze bijdrage is gebruikgemaakt van de registratiegegevens in de tandartsenadministratie van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (KNMT). Hierin worden alle in Nederland geregis­ treerde tandartsen (leden en niet-leden) opgenomen, voor zover bij de KNMT bekend zijn. Daarnaast worden onderzoeksgegevens gepresenteerd die zijn verzameld via het 1996 1998 2000 2002 2004 2006 2008 2010 2012 2014 2016 Project Peilstations van de KNMT, waarmee sinds 1995 periodiek, bij steekproetandartsen mka-chirurgen (i.o) orthodontisten (i.o) ven van tandartsen, informatie wordt Afb. 1. Percentage vrouwen in de populatie tandartsen, mka-chirurgen (i.o.) en orthodontisten verkregen over hun beroepsuitoefening (i.o.) van 64 jaar of jonger met een bekend woon- en/of werkadres in Nederland in de periode (Bruers et al, 2014). Meer specifiek be1996 – 2016 (Bron: (K)NMT-tand­artsenbestand). treft het hier het tweejaarlijkse onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering (OTP), gekeerd zeggen mannen meer waarde te hechten aan car- dat ingaat op verschillende organisatorische aspecten van rièremogelijkheden binnen het vakgebied, aan advies of de tandartspraktijk. Bijvoorbeeld de omvang en samenstimulans van anderen en aan het salaris (Wagenvoort en stelling van het tandheelkundig team, de inrichting van de Lagro-Janssen, 2010). Bij tandartsen blijkt dat een verdere praktijk, de omvang van het patiëntenbestand, de organiopleiding bij vrouwen vaak ook conflicteert met gezinsta- satie van de zorg, de wachttijden, de werkdruk en de omken (McKay en Quiñonez, 2012). vang van de werkweek van tandartsen. De gepresenteerde Tot slot blijken verschillen tussen mannelijke en gegevens zijn in het voorjaar van 2014 verzameld bij een vrouwelijke tandartsen ook in de feitelijke zorgverlening. groep van 592 (44%) tandartsen, onder wie 471 praktijkVrouwelijke tandartsen hebben een andere visie op de houders en 121 niet-praktijkhouders. De hiertoe samenpraktijkvoering en maken, in vergelijking met mannen, in gestelde schriftelijke vragenlijst bestond uit voornamelijk een aantal opzichten andere behandelkeuzes (Daalmans et gestructureerde vragen met gesloten antwoordcategorieën al, 2004; Van Dam et al, 2009). Uit recent onderzoek, ge- en werd op papier toegestuurd aan een steekproef van baseerd op gegevens uit Amerikaanse tandartspraktijken, 1.358 tandartsen. Beantwoording daarvan kon ook elekkomt bijvoorbeeld naar voren dat vrouwen in vergelijking tronisch plaatsvinden via de webversie van de vragenlijst met mannen naar verhouding minder verrichtingen uitvoe- (Den Boer en Bruers, 2014a; Den Boer en Bruers, 2014b). ren op het gebied van de endodontologie, implantologie en Bij gelegenheid komen in het OTP ook zorginhoudelijparodontale chirurgie (Gilbert et al, 2015). ke onderwerpen aan de orde. Laatstelijk in een extra editie die is uitgevoerd in het najaar van 2015 n % vrouw n % vrouw bij een groep van 516 (45%) tandartsen Geregistreerde differentiatie*, namelijk: 626 30,2% (praktijkhouders en niet-praktijkhouders), waarin is ingegaan op verschillende Pedodontoloog 51 86,3% aspecten van consultatie en preventieve Tandarts gehandicaptenzorg 22 77,3% behandeling. De voor dit onderzoek saTandarts angstbegeleiding 16 62,5% mengestelde schriftelijke vragenlijst, ook Tandarts voor orthodontie 10 60,0% bestaande uit voornamelijk gestructuMFP-tandarts 31 48,4% reerde vragen met gesloten antwoordcateEndodontoloog 68 45,6% gorieën, werd toegestuurd aan steek­proef Gnatholoog 42 38,1% van 1.136 tandartsen. Zij konden de vraGerodontoloog 11 36,4% gen desgewenst via een webversie elekParodontoloog 82 25,6% tronisch beantwoorden (Van Dam en Bruers, 2016). Ook uitkomsten van dit Restauratief tandarts 32 18,8% onderzoek worden hier besproken. Implantoloog 316 8,5% Geen geregistreerde differentiatie

8.030

40,3%

Totaal

8.656

39,6%

* dubbelregistraties komen voor Tabel 1. Totaal aantal geregistreerde gedifferentieerde tandartsen van 64 jaar of jonger met een bekend woon- en/of werkadres in Nederland in 2016 en proportie vrouwen per differentiatie * (Bron: KNMT-tandartsenbestand / Opgaven wetenschappelijke verenigingen).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 564

564

Resultaten Afbeelding 1 laat zien dat de proportie vrouwen in de beroepsgroep van tandartsen in de afgelopen 2 decennia is toegenomen van ruim 18% tot bijna 40%. De beroepsgroepen van tandartsspecialisten

124 | november 2017

17-10-17 09:50


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

1996

zoek Tandheelkundige Praktijkvoering (OTP) 2014. Hieruit blijkt dat vrouwelijke tandartsen, in vergelijking met hun mannelijke collega’s, minder vaak werkzaam zijn in een eigen praktijk (64% tegen 86% / p < 0,00). Als vrouwelijke tandartsen een eigen praktijk hebben, werken ze daarbinnen naar verhouding vaker dan mannen samen met andere tandartsen (55% tegen 38% / p < 0.00). Wat betreft de wijze waarop nietpraktijkhoudende tandartsen werkzaam zijn, is er daarentegen geen verschil tussen mannen en vrouwen.

2016

1.265 3.427 5.229 5.622

vrouw man Afb. 2. Het aantal mannelijke en vrouwelijke tandartsen van 64 jaar of jonger met een bekend woon- en/of werkadres in Nederland over de periode in 1996 en in 2016 (Bron: (K)NMT-tand­ artsenbestand).

laten een vergelijkbare ontwikkeling zien (toename met ongeveer 20 procentpunten), zij het dat het ‘beginpunt’ in 1996 voor de mka-chirurgen met 2% aanmerkelijk lager lag. Veelzeggend voor deze ontwikkeling is het feit dat sinds 1996 het aantal mannelijke tandartsen is afgenomen met 7% en dat aantal vrouwelijke tandartsen in dezelfde periode toenam met ruim 171%. Uiteindelijk leidde dit tot een algemene toename van het aantal tandartsen met bijna 26% (afb. 2). Bij deze inhaalslag geldt dat vrouwelijke tandartsen steeds gemiddeld jonger zijn dan hun mannelijke collega’s. In 2000 lag de gemiddelde leeftijd op 39,5 jaar voor vrouwen versus 46,0 jaar voor mannen (p = 0,00), in 2006 op 40,2 jaar versus 48,3 jaar (p = 0,00) en in 2016 op 40,5 jaar versus 49,5 jaar (p = 0.00). Werkzaamheid

In 2016 was bij de KNMT van 626 tandartsen bekend dat zij bij een wetenschappelijke vereniging stonden geregis­ treerd als gedifferentieerd tandarts. Van hen was 30% vrouw. Uit tabel 1 blijkt dat de proportie vrouwen per tandheelkundig deelgebied sterk varieert, van ruim 86% bij de pedodontologen tot ruim 8% bij de implantologen. Tabel 2 toont enkele uitkomsten van het Onder-

Tijdsbesteding praktijkhouders

Vrouwelijke praktijkhouders zijn per week gemiddeld minder uren werkzaam in de praktijk dan mannelijke praktijkhouders (36, 1 tegen 42,5 uren / p < 0,00). Dat verschil zit vooral in het minder aantal stoeluren per week dat vrouwelijke praktijkhouders maken (tab. 3). Overigens manifesteert het verschil in tijdsbesteding tussen vrouwelijke en mannelijke praktijkhouders zich in alle leeftijdsgroepen. Verder lijken vrouwelijke tandartsen gemiddeld per maand wat meer tijd te besteden aan het volgen van bij- en nascholing (6,9 tegen 5,8 uren / p < 0,05) en hebben zij in 2013 minder vakantiedagen opgenomen (28,9 tegen 32,3 / p < 0,01) dan hun mannelijke collega’s (tab. 3). Tijdsbesteding niet-praktijkhouders

Tabel 3 laat zien dat het aantal uren per week dat vrouwelijke en mannelijke niet-praktijkhoudende tandartsen werkzaam zijn niet noemenswaardig van elkaar verschilt. Onder de jongere niet-praktijkhoudende tandartsen blijkt dat er wel sprake is van enig verschil: vrouwen zijn in deze groep per week gemiddeld minder uren werkzaam dan mannen. Wat betreft de tijd die wordt besteed aan professionele activiteiten zoals bij- en nascholing zijn de verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke niet-praktijkhoudende Man (n=415)

Vrouw (n=182)

Totaal (n=597)

Ja

Praktijkhouder **

86%

64%

79%

Nee

14%

36%

21%

Man (n=342)

Vrouw (n=104)

Totaal (n=446)

Geen mede-praktijkhouder, geen praktijkmedewerkers

Samenwerking met collega’s door praktijkhouder **

62%

45%

58%

Geen mede-praktijkhouder, 1+ praktijkmedewerkers

28%

31%

29%

1+ mede-praktijkhouders, geen praktijkmedewerkers

6%

14%

8%

1+ mede-praktijkhouders, 1+ praktijkmedewerkers

4%

Werkzaamheid van niet-praktijkhouders **

Man (n=44)

10% Vrouw (n=63)

5% Totaal (n=107)

Via overeenkomst van opdracht (VAR-wuo)

75%

73%

74%

In loondienst

20%

25%

23%

5%

2%

3%

Waarneming ter tijdelijke vervanging ** p< 0,01

Tabel 2. Wijze van beroepsuitoefening in 2014, naar sekse (Bron: Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering, 2014).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 565

565

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

tandartsen klein (tab. 3). Alleen geldt dat vrouwelijke tandartsen in dienstverband in 2013 gemiddeld meer vakantiedagen hebben opgenomen (31,9 tegen 26,8 / p < 0,01).

hun algemene gezondheid (92% tegen 81% / p < 0,01), maar verklaart dan weer een kleiner deel van hen regelmatig contact op te nemen met de huisarts vanwege verdachte signalen in of rondom de mond bij een patiënt (26% tegen 36% / p < 0,05). Verder geven naar verhouding meer vrouwelijke tandartsen aan dat zij hun patiënten bij (vrijwel) ieder bezoek wijzen op gevolgen van onvoldoende zelfzorg: 65% tegen 49% van de mannelijke tandartsen (p < 0,01).

Instrumentarium in de praktijk

Als wordt bezien of er verschillen bestaan tussen vrouwelijke en mannelijke praktijkhoudende tandartsen met betrekking tot de aanwezigheid van bepaald (digitaal) instrumentarium in de praktijk, dan blijkt er alleen onderscheid te zijn wat betreft apparatuur voor het maken van digitale afdrukken. Die apparatuur is in de praktijken van vrouwelijke praktijkhouders in minder gevallen aanwezig dan in die van hun mannelijke collega’s (6% tegen 18% / p < 0,05). Vrouwelijke praktijkhouders beschikken iets vaker over digitale röntgenapparatuur (91% tegen 87% / p < 0,05), ze hebben iets minder vaak röntgenapparatuur voor het maken van panoramische röntgenopnamen (41% tegen 45% / p < 0,05). Ook hebben vrouwelijke praktijkhoudende tandartsen net iets minder vaak CAD-CAM apparatuur (CEREC) (6% tegen 13% / p < 0,05) maar weer net iets vaker een microscoop voor de behandeling van patiënten (29% tegen 24% / p < 0,05). Patiëntbehandeling

Ten aanzien van de patiëntbehandeling van tandartsen in de algemene praktijk op het gebied van periodieke controle, vroegsignalering rondom de algemene gezondheid en (mond)gezondheidsvoorlichting is er sprake van enig verschil tussen vrouwelijke en mannelijke tandartsen, althans op basis van door hen zelf verklaard gedrag (tab. 4). Zo geven vrouwelijke tandartsen vaker dan hun mannelijke collega’s aan dat zij voor alle of voor een deel van hun patiënten een op het individu afgestemde termijn hanteren voor de periodieke controles (81% tegen 72% / p < 0,05). Ook blijkt dat zij in meer gevallen tijdens een periodieke controle bij patiënten informeren naar (veranderingen in)

Discussie De in dit artikel gepresenteerde gegevens over de beroepsuitoefening van vrouwelijke tandartsen zijn in overeenstemming met inzichten en ontwikkelingen die in de literatuur worden beschreven (Reynolds et al, 2015; McKay en Quiñonez, 2012; Diringer et al, 2013). Niet alleen blijken vrouwelijke tandartsen in Nederland zich te onderscheiden van hun mannelijke collega’s wat betreft werkomstandigheden, ook zijn er aanwijzingen dat vrouwen in de verlening van zorg aan patiënten andere accenten leggen dan mannen. Het feit dat vrouwen minder vaak kiezen voor het praktijkhouderschap, meer lijken te opteren voor het uitoefenen van het beroep in samenwerking met collega’s en gemiddeld minder uren werken, is in overeenstemming met theorieën die ervan uitgaan dat het belang dat men aan bepaalde arbeidswaarden toekent, leidt tot andere voorkeuren in het werk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen intrinsieke waarden (aard van het werk, mate van autonomie) extrinsieke waarden (inkomen, prestige), sociale waarden (anderen kunnen helpen) en waarden die te maken hebben met de balans tussen werk en vrije tijd. Denk bijvoorbeeld aan de combinatie van zorg- en werktaken, die voor vrouwen sterker speelt dan voor mannen (Jolly et al, 2014). Onderzoek in Duitsland laat zien dat sekseverschillen inderdaad kunnen worden verklaard vanuit het feit dat vrouwen aan sociale waarden van het werk meer en aan extrinsieke waarden minder belang hechten dan mannen (Busch, 2011). Praktijkhouders

Aantal declarabele uren (stoeluren) per week ** Aantal niet-declarabele uren per week Totaal aantal uren per week **

Aantal uren per maand bij- en nascholing *

Niet-praktijkhouders

Man

Vrouw

Totaal

Man

Vrouw

Totaal

(n=332-336)

(n=107-108)

(n=440-444)

(n=38-40)

(n=57-59)

(n=95-99)

33,2

27,3

31,7

31,6

29,7

30,5

9,3

8,8

9,2

3,9

4,1

4,0

42,5

36,1

40,9

35,6

33,8

34,5

5,8

6,9

6,1

3,8

4,8

4,4

Aantal uren per maand gestructureerd intercollegiaal overleg

1,9

2,2

2,0

1,3

1,4

1,4

Aantal uren per maand lezen van vakliteratuur

5,2

5,7

5,3

4,1

3,8

3,9

Totaal aantal uren per maand professionele activiteiten

12,8

14,7

13,3

9,2

10,0

9,7

Aantal dagen vakantie in 2013 *#

32,3

28,9

31,5

26,8

31,9

29,8

Aantal dagen ziekteverlof in 2013

2,9

5,8

3,6

6,5

8,1

7,4

* p < 0,05 (praktijkhouders); # p < 0,05 (niet-praktijkhouders); ** p < 0,01 variatie n wegens ‘missing values’ (geen waarneming, geen antwoord e.d.) Tabel 3. Tijdsbesteding van praktijkhoudende en niet-praktijkhoudende tandartsentandartsen in 2014, naar sekse (Bron: Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering, 2014).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 566

566

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Deze waardentheorie biedt ook aanknopingspunten voor de geconstateerde verschillen in de verlening van zorg. De scheve verdeling van vrouwen en mannen binnen de mka-chirurgie en verschillende tandheelkundige differentiaties kan te maken hebben met een andere beoordeling van intrinsieke waarden. Alhoewel niet direct gerelateerd aan tandheelkunde, blijkt uit een Amerikaans overzichts­ artikel naar de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de wetenschap dat vrouwen, bij gelijke kennis en vaardigheden op gebied van wiskunde en wetenschap, zich in hun beroepskeuze meer richten op mensgeoriënteerde en mannen meer op objectgeoriënteerde werkterreinen (Ceci et al, 2009). Als verklaringsgrond wordt er daarbij op gewezen dat carrièredoelen nauw zijn verweven met cultuur en socialisatie (Morgan et al, 2013). Of dit ook een verklaring is voor de specifieke sekseverdeling binnen de verschillende tandheelkundige deelgebieden is niet duidelijk, maar wel denkbaar. Vrouwen kiezen naar verhouding in meer gevallen voor zorg aan kinderen, gehandicapten en mensen met angst: patiëntgroepen waarbij sociale waarden wellicht meer een rol spelen. De opkomst van vrouwen in de tandheelkundige zorgverlening houdt gelijke tred met die van vrouwen binnen de gehele gezondheidszorg. Daar heeft dat geleid tot een discussie over de ‘wenselijkheid‘ van een grotere vertegenwoordiging van vrouwen in medische beroepen. Hoogleraar medische onderwijskunde Croiset stelde 10 jaar geleden aan de orde dat daarmee de status van het beroep gaat dalen, waardoor het volgens de zogenoemde ‘Wet van Sullerot’ steeds onaantrekkelijker wordt voor mannen (Koelewijn, 2007). Bovendien verschillen in het algemeen de kwaliteiten en interesses van mannen en vrouwen en zou het daarom voor de ontwikkeling van het vak (onderzoek en innovatie)

wenselijk zijn als er een zeker evenwicht bestaat tussen mannen en vrouwen die dit beroep uitoefenen. Dit zou ook gelden voor de uitvoering van managementtaken, die vrouwen minder zouden ambiëren. Verder zou de keuzevrijheid van patiënten voor een mannelijke of een vrouwelijke (tand) arts in het gedrang kunnen komen. Croiset’s pleidooi voor positieve discriminatie van mannen wakkerde echter een discussie aan (De Rond, 2011). Tegenstanders betoogden dat een efficiëntere organisatie van de zorg, meer evenwichtige verdeling van taken tussen en benutting van specifieke kwaliteiten van mannen en vrouwen veel problemen zouden kunnen ondervangen (Sijthoff, 2010). Of en in hoeverre dit alles geldt voor de tandheelkunde, is vooralsnog onbekend. Tot slot wordt de keuzevrijheid van de patiënt voor een vrouwelijke of mannelijke arts genoemd in verband met feminisering. Bij (huis)artsen is dat een aantal jaren geleden wel een punt gebleken (Van den Brink-Muinen, 2008), maar de sekse van de (tand)arts lijkt tegenwoordig voor de meeste patiënten niet van doorslaggevend belang te zijn. De kwaliteit van en de persoonlijke band met de zorgverlener zijn belangrijker (RegioPeil, 2017). Met de blik op de toekomst geldt dat geneigdheid tot samenwerken bij vrouwelijke tandartsen aansluit bij de bredere ontwikkeling naar meer samenwerking binnen de gezondheidszorg. Ook binnen de mondzorg wordt het werken in teamverband steeds meer gemeengoed (Bruers et al, 2014). Verder is er sprake van een langzame groei van het aantal tandartspraktijken dat deel uitmaakt van ketens (Gosselink, 2013). Dit heeft te maken met de keuze van oudere tandartsen, die het aantrekkelijk vinden om hun praktijk over te dragen en geleidelijk zonder de lasten van het ondernemerschap kunnen afbouwen naar hun pensioen. Maar niet onwaarschijnlijk is dat ook de voorkeur Man (n=301-309)

Hanteren van een op het individu afgestemde controletermijn voor alle of een deel van

Vrouw (n=159-161)

Totaal (n=460-470)

72%

81%

75%

81%

92%

85%

87%

86%

87%

36%

26%

32%

64%

59%

63%

49%

65%

54%

27%

34%

29%

28%

25%

27%

de patiënten * Bij alle patiënten bij een periodieke controle informeren naar (veranderingen in) hun algemene gezondheid ** Bij alle patiënten bij een periodieke controle letten op signalen in de mond en/of het hoofd-halsgebied die kunnen wijzen op een algemene aandoening Regelmatig contact opnemen met de huisarts vanwege verdachte signalen in of rondom de mond bij een patiënt * In de afgelopen zes maanden één of meer patiënten hebben verwezen voor nader onder­ zoek, na waarneming van iets dat zou kunnen wijzen op een algemene ­aandoening Als daarvoor aanleiding is, bij (vrijwel) ieder bezoek van patiënten de gevolgen onder de aandacht brengen van onvoldoende zelfzorg ** Als daarvoor aanleiding is, bij (vrijwel) ieder bezoek van patiënten de gevolgen onder de aandacht brengen van slechte voedingsgewoonten Als daarvoor aanleiding is, bij (vrijwel) ieder bezoek van patiënten de gevolgen onder de aandacht brengen van roken * p < 0,05; ** p < 0,01 variatie n wegens ‘missing values’ (geen waarneming, geen antwoord e.d.) Tabel 4. Enkele aspecten van de patiëntbehandeling van tandartsen in de algemene praktijk met betrekking tot periodieke controle, vroegsignalering algemene gezondheid en (mond)gezondheidsvoorlichting in 2015, naar sekse (Bron: Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering, 2015).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 567

567

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

van jonge (vrouwelijke) tandartsen om niet te kiezen voor het praktijkhouderschap deze ontwikkeling stimuleert. De ketens lijken althans geen problemen te hebben om voldoende (jonge) tandartsen te werven voor hun praktijken. Aansluitend op maatschappelijke ontwikkelingen kan eveneens als positief punt worden genoemd dat vrouwen in de verlening van zorg meer gericht zijn op communicatie dan mannen (Van den Brink-Muinen, 2008). Dit kwam ook enigszins naar voren uit het hier gepresenteerde onderzoek. Dat vrouwen zich bij de verlening van (tandheelkundige) zorg wat meer dan mannen lijken te richten op de communicatieve aspecten sluit aan bij de bredere maatschappelijke trend dat patiënten zich in toenemende mate bewust zijn van wettelijk recht op begrijpelijke informatie over hun (mond)gezondheid en over voorgestelde behandelingen én dat ook meer en meer verlangen. Resumerend kan worden gesteld dat het beroep van tandarts in de afgelopen jaren is gefeminiseerd en dat die ontwikkeling zich in de toekomst zal doorzetten. Het feit dat vrouwen en mannen in de uitoefening van het beroep en de verlening van zorg over het geheel genomen op een aantal punten verschillen, dan wel andere accenten leggen, maakt het interessant om de gevolgen hiervan nader te bestuderen. Daarbij gaat het dan niet primair om het doorgronden van sekseverschillen in de beroepsuitoefening van tandartsen. Veel meer is er behoefte aan kennis om te kunnen borgen dat tandheelkundige zorg in Nederland voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk blijft, dat die zorg patiëntgericht is en wordt verleend door vrouwelijke en mannelijke tandartsen samen, met als oogmerk een zo goed mogelijke mondgezondheid voor de Nederlandse bevolking.

* Daalmans MT, Vissia MS, Kuijpers-Jagtman AM, Lagro-Janssen ALM. Hoe denken tandheelkundestudenten over hun toekomstige beroepsuitoefening? Ned Tijdschr Tandheelkd 2004; 111: 477-481. * Dam BAFM van, Rossum BAFM van. Vrouwelijke tandartsen. Wijze van beroepsuitoefening. Ned Tijdschr Tandheelkd 1994; 101: 273-278. * Dam BAFM van, Rossum GMJM van. Beroepsuitoefening van vrouwelijke tandartsen in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 1998; 105: 392-396. * Dam BAFM van, Boer JCL den, Bruers JJM. Werksituatie en toekomstplannen van recent afgestudeerde tandartsen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2009; 116: 499-506. * Dam BAFM van, Bruers JJM. Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering najaar 2015. Algemene gezondheid: preventie in de tandartspraktijk (tabellenrapport 16.02). Nieuwegein, KNMT, 2016. Intern rapport. * Diringer J, Phipps K, Carcel B. Critical trends affecting the future of dentistry: Assesing the shifting landscape. San Luis Obispo, 2013. American Dental Association. * Gilbert GH, Gordan VV, Korelitz JJ, Fellows JL, Meyerowitz C, Oates TW, Rindal DB, Gregory RJ. Provision of specific dental procedures by general dentists in the National Dental Practice-Based Research Network: questionnaire findings. BMC Oral Health 2015; 11. * Gorter RC, Eijkman MAJ, Brake JHM ten. Werkdruk en gezondheid bij tandartsen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2001; 108: 54-58. * Gosselink K. Voorzichtige groei dentale ketens. Nederlands tandartsenblad 2013; 21: 28-31. * Hassel DTP van, Kasteleijn A, Kenens RJ. Cijfers uit de registratie van huisartsen. Peiling 2014. Utrecht: Nivel, 2015. * Hassel DTP van, Velden LD van der, Batenburg R. Veranderingen in de loopbanen van huisartsen. Huisarts en wetenschap 2016; 59: 6-8. * Jolly S, Griffith KA, DeCastro R, Stewart A, Ubel P, Jagsi R. Gender differences in time spent on parenting and domestic responsibilities by

Literatuur * Aguila MA del, Leggott PJ, Robertson PB, Poterfield DL, Felber GD. Practice patterns among male and female genereal dentists in a Washington State population. J Am Dent Assoc 2005; 136: 790-796.

high-achieving young physician-researchers. Ann Intern Med 2014; 160: 344-353. * Koelewijn J. Bij gelijke geschiktheid liever een jongen. NRC, 25 april 2007.

* Ayers KMS, Murray Thomson W, Rich AM, Nweton T. Gender differences

* Kuthy RA, Jennings AD, McQuistan MR, Marshall TA, Qian F. Influence

in dentists’ working practices and job satisfaction. J Dent 2008; 36:

of minor children and contribution to household income on work

343-350. * Boer JCL den, Bruers JJM. Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering: Praktijksituatie en werkdruk van praktijkhoudende tandartsen in 2014. Nieuwegein, KNMT, 2014a. Intern rapport. * Boer JCL den, Bruers JJM. Onderzoek Tandheelkundige Praktijkvoering: Werksituatie van niet-praktijkhoudende tandartsen in 2014. Nieuwegein, KNMT, 2014b. Intern rapport. * Brink-Muinen A van den. Sekseverschillen en de communicatie tussen huisarts en patiënt. Bijblijven 2008; 2: 7-13. * Bruers JJM, Boer JCL, Dam BAFM van. Project Peilstations: monitor van de tandheelkundige beroepsuitoefening in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2014; 121: 345-352.

hours of female dentists. J Public Health Dent 2013; 73:245-251. * McKay JC, Quiñonez CR. The feminization of dentistry: implications for the profession. J Can Dent Assoc 2012; 78: c1. * Morgan SL, Gelbgiser D, Weeden KA. Feeding the pipeline: Gender, occupational plans, and college major selection. Soc Sci Res 2013; 42: 989-1005. * Murray JJ. Better opportunities for women dentists: a review of the contribution of women dentists to the workforce. Br Dent J 2002; 192: 191-196. * Newton JT, Buck D, Gibbons DE. Workforce planning in dentistry: the impact of shorter and more varied career patterns. Community Dent Health 2001; 18: 236-241.

* Busch A. Determinants of Occupational Gender Segregation: Work

* Nguyen M, Reynolds JC, McKernanSC, Kuthy RA. Changes in the hours

Values and Gender (A)Typical Occupational Preferences of Adoles-

worked per week by Iowa dentists, 1997-2013. Iowa, 2015. The Uni-

cents. Bielefeld, DFG Research Center. SFB 882 Working Paper Series 2011; 2. * Ceci, SJ, Williams WM, Barnett SM. Women’s underrepresentation in science: sociocultural and biological considerations. Psychol Bull 2009; 135: 218-261.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 568

versity of Iowa Public Policy Centre. Fourth in a series of issue briefs. * Pacey L. Have women changed the dental workforce? Br Dent J 2014; 216: 4-5. * Pallavi SK, Rajkumar GC. Professional practice among woman dentist. J Int Soc Prev Community Dent 2011; 1: 14-19.

568

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Bruers e.a.: E en vrouw aan de stoel is heel gewoon

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

* Rajeh, M, Hovey R, Esfandiari, S. An Inquiry into Female Dentists’ Pro-

Summary

fessional Lives and Concerns. Open J Soc Sciences 2014; 2: 121-129. * Reynolds JC, McKernan SC, Kuthy RA. Changes in Iowa dentist work-

A woman at the chair is nothing out of the ordinary. Dental

force composition, 1997-2013. Iowa, 2015. The University of Iowa

­practice by female dentists in the Netherlands.

Public Policy Centre. First in a series of issue briefs.

Women currently make up 40% of the dentist population in the Netherlands.

* RegioPeil. 15 procent verandert van dokter als het om voorkeur M/V

On the basis of enrolment in educational programmes their share can be

gaat. http://www.regiopeil.nl/regiopeil-2/15-procent-verandert-

expected to grow to more than half. The literature shows gender differences

dokter-als-om-voorkeur-mv-gaat/; 2017.

in preferences regarding work setting and duration of the working week. Men

* Riley JL, Gordan VV, Rouisse KM, McClelland J, Gilbert GH. Differences

and women also differ from each other with respect to the way dental care

in male and female dentists’ practice patterns regarding diagnosis and

is provided. The presented data demonstrate an increase in the number of

treatment of dental caries: findings from The Dental Practice-Based

women working in dentistry and research data have confirmed the presumed

Research Network. J Am Dent Assoc 2011; 142: 429-440.

differences between male and female dentists. Women are less likely to be

* Rond M de. Vrouwen en mannen in de geneeskunde: de balans slaat

the owner of a practice, women who do own a practice are more likely to

door. KNMG, 2011. https://www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-

collaborate with colleagues and have a shorter working week. With regard

nieuws/artikel/lotte-heeft-meer-kans-dan-peter.htm

to providing dental care, women seem to be slightly more orientated to

* Sijthoff S. Het skalpel snijdt aan twee kanten. De vrouwelijke specialist in opkomst. Groene Amsterdammer 2010; 31. * Wagenvoort H, Lagro-Janssen T. Feiten en cijfers over (aanstaande) artsen m/v. Nijmegen: UMC St Radboud, 2010.

the individual patient and are more likely to pay attention to the patient’s general health. Theories about work values provide explanations for these gender differences. Women’s preference for collaboration accords with the general development in dental care to work in teams.

* Whelton H, Wardman MJ. The Landscape for woman leaders in dental education, research, and practice. J Dent Educ 2015; 79: S1 –S12.

Bron J.J.M. Bruers, B.A.F.M. van Dam Uit de afdeling Sociale Tandheelkunde van het Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (ACTA) en de afdeling Onderzoek & Informatievoorziening van de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde KNMT in Nieuwegein. Datum van acceptatie: 25 september 2017 Adres: prof. dr. J.J.M. Bruers, ACTA, Gustav Mahler laan 3004, 1081 LA Amsterdam j.bruers@acta.nl

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 569

569

124 | november 2017

17-10-17 09:50


For better, safer, faster dental care We provide innovative products on which you can build your practice, and proven solutions that make each procedure as effective, safe and fast as it can be. Everything we do is about helping you move dental care forward, for the benefit of your patients and practice. WWW.DENTSPLYSIRONA.COM

6330_DENT_Advs_Algemeen1_210x297.indd 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 570

Clinical Procedures Preventive Restorative Orthodontics Endodontics Implants Prosthetics Platform Technologies CAD/CAM Imaging Systems Treatment Centers Instruments

08-07-16 17-10-17 08:32 09:50


Productnieuws

Waterpik® Ultra Professional Waterflosser Makkelijk en Effectief

Meer te weten komen

Naast bewezen effectief is de Waterpik® Waterflosser ook

Probeer het zelf. Neem contact op met Waterpik en plan een

­makkelijk in gebruik. Neem de Waterpik Ultra Professional

Lunch & Learn. Tijdens de Lunch & Learn-sessie krijgt u meer

Waterflosser als voorbeeld. Deze compact en eigentijds vorm­

inzicht in: de voor- en nadelen van de verschillende interdentale

gegeven Waterflosser is de meest geavanceerde ooit. Het

hulpmiddelen, klinische studies en de effectiviteit van de Water­

beschikt over een drukregelaar met een aan-uitknop op de

flosser. Ook kunt u de Waterpik Waterflosser zelf uitproberen. Wij

ergonomische handgreep, een LED-informatiescherm en in

nemen een heerlijke lunch mee voor het hele team en een gratis

­totaal zeven Waterflossertips die zijn ontworpen voor verschil-

Waterpik Waterflosser.

lende patiëntenbehoeften. De krachtige pulserende waterstraal zorgt voor een maximale

Voor meer informatie:

plaqueverwijdering in de flosstand en in de hydropulserende

Waterpik International Inc.

massagestand worden het tandvlees en de bloedsomloop

Stationsplein 62

­gestimuleerd. De handige timer van 1 minuut met een interval

3743 KM BAARN

van 30 seconden garandeert grondige reiniging van alle zones.

+31 (0) 35 - 695 14 43 www.waterpik.nl/nl/professioneel info@waterpik.nl

Geschikt voor iedereen Verder kan de Waterflosser worden gebruikt door al uw patiënten, of ze nu een orthodontische, implantaat, periodontische of endodontische behandeling ondergaan. In feite is de Waterpik­ Waterflosser bewezen maximaal 5 keer effectiever in het ver­ wijderen van plaque rondom beugels dan poetsen alleen1 en 2 keer effectiever dan flosdraad voor het verbeteren van de gezondheid van het tandvlees rond implantaten2.

1 Sharma NC, Lyle DM, Qaqish JG, Galustians J, Schuller R. Am J Ortho Dentofacial Orthop 2008; 133(4):565-571. 2 Magnuson B, et al. Comparison of the effect of two interdental cleaning devices around implants on the reduction of bleeding: A 30-day randomized clinical trial. Compend of Contin Ed in Dent 2013; 34 (Special Issue 8): 2-7.

On1™-Concept: combineert het beste van twee werelden Restauratief gebruiksgemak

Restauratieve flexibiliteit

Het plaatsen van de afdrukcoping of prothetische componenten

De On1 Basis is beschikbaar in twee hoogtes, voor een optimaal

wordt makkelijker, aangezien de On1-basis de conische connec-

esthetisch resultaat op korte en lange termijn.

tie op tissue-level brengt. Kies tussen cementeren of verschroeven Chirurgische flexibiliteit

Afhankelijk van de indicatie of de klinische voorkeur kunt u voor

Het On1-concept is toepasbaar op de conische connectie: No-

een gecementeerde of geschroefde definitieve restauratie kiezen.

belActive, NobelParallel en NobelReplace CC. IOS workflow (Intra Oral Scannable) Onverstoorde aanhechting van het zachte weefsel

Het gebruik van het On1 IOS-healingkapje laat toe om zowel

De aanhechting van het zachte weefsel blijft onverstoord voor

digitaal als klassiek af te drukken.

een optimale genezing. Vanaf het moment van de implantaatplaatsing wordt het On1-abutment niet meer losgeschroefd en

Geleverd met de passende On1 Clinical Screw. Vraag de On1-

kan het eveneens fungeren als healing abutment in combinatie

brochure op met alle referenties voor de componenten van dit

met een cover screw.

prothetische gamma.

Meer informatie Nobel Biocare: nobelbiocare.com/on1 030-635 49 49

IOS-kapje

On1 Basis

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

08:32

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 571

On1 Healing

On1 tijdelijk/definitief abutment

571

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Productnieuws

Enamel Plus HRi Function – ideaal voor molaarrestauraties Enamel Plus HRi Function is het nieuwe composiet van fabrikant

Enamel Plus HRi Func-

Micerium voor restauraties in het posterieure gebied.

tion wordt als laatste laag over het dentine-

Enamel Plus HRi Function is het enige molaarcomposiet met

oppervlak aangebracht.

mechanische en functionele eigenschappen die vergelijkbaar zijn

Afhankelijk van de leef-

met goud en sterk lijken op die van natuurlijk glazuur. Op basis

tijd van de patiënt en de

van deze eigenschappen wordt het composiet vooral aanbevo-

dikte van de resterende

len bij patiënten met een parafunctie of CMD-problematiek. In

natuurlijke glazuurlaag

tegenstelling tot zeer harde composieten en keramiek herstelt

zijn drie verschillende

Enamel Plus HRi Function de functie op minimaal-invasieve

composietkleuren ver-

wijze, met inachtneming van het neuromusculaire systeem.

krijgbaar.

Hierdoor wordt de occlusale stabiliteit respectievelijk behouden of hersteld.

Het product is verkrijgbaar via de vakhandel.

Enamel Plus HRi Function wordt zowel in directe als indirecte

Contactinformatie voor Nederland:

technieken toegepast. De eveneens uitstekende esthetische

Loser & Co

kenmerken zorgen voor optimale integratie met het natuurlijke

www.loser.eu

glazuur en maken het product tot het ideale molaarcomposiet in

mbezemer@loser.eu

de restauratieve tandheelkunde.

mobiel: 06 - 23 2106 27

Harmonize: sterk, makkelijk en esthetisch Harmonize™ staat voor adaptive response technology, met een

nanopartikeltjes:

systeemconcept van nanovulstofdeeltjes die het mogelijk maken

- Verhoogde sterkte, dankzij een grotere hoeveelheid vulstof

om natuurgetrouwe restauraties te verwezenlijken, op een

(81% geladen).

manier die eenvoudiger is dan ooit. Met dit nieuwe art concept zal men in staat zijn een betere blendingcapaciteit en verhoogde

Sterkere verbinding tussen kunsthars en vulstof, voor goede en

structurele integratie te verkrijgen, wat buitengewone sterkte en

bestendige resultaten.

ongeëvenaarde esthetiekoplevert. Ongeëvenaarde esthetiek Gemakkelijker verwerkbaar

Ervaar de natuurgetrouwe esthetische resultaten die het gevolg

Ervaar hoe gemakkelijk u anatomie kunt modelleren met dit

zijn van gecontroleerde grootte, vormgeving en configuratie van

composiet dankzij de combinatie van de unieke sferische art

Harmonize’s art nanovulstofdeeltjes:

nanopartikeltjes en de rheologic modifier van Harmonize:

- Lichtdiffusie en reflectie zoals in natuurlijk glazuur.

- Adaptieve viscositeit gedurende het aanbrengen, afhankelijk

- Een verhoogd kameleon-effect voor betere blending.

van de druk die wordt uitgeoefend met het instrument. Inlichtingen: Minimaal klevend en niet wegzakkend, zodat geen bijkomende

Kerr Benelux

handelingen nodig zijn.

info.benelux@kerrdental.com +32 4 374 08 10

Buitengewone sterkte

www.kerrdental.com.

Reken op duurzame restauraties, dankzij het solide versterkte vulstofconcept gecreëerd door de interactie van Harmonize’s art De rubriek Productnieuws is ontstaan vanuit de gedachte om naast weten­schappelijke informatie die het NTvT biedt, ook nieuws te brengen over ­innoverende industrieën en dienstverleners op tandheelkundig gebied. De uitvoering van deze rubriek is opgedragen aan Prelum Uitgevers en geschiedt buiten verantwoordelijkheid van de NTvT-redactie. Inzendingen (eventueel vergezeld van een digitale afbeelding in een hoge resolutie) kunnen ­worden ­geadresseerd aan: Prelum Uitgevers, Secretariaat Productnieuws NTvT, Postbus 545, 3990 GH Houten. E-mail: ntvt-productinfo@prelum.nl. De uitgever behoudt zich het recht voor inzendingen te bewerken, in te korten of te weigeren.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 572

572

124 | november 2017

17-10-17 09:50

425.1


Een prachtige bestemming voor uw gouden kronen!

Doet uw praktijk mee aan het Gouden Kronen Plan?

Wilt u de gouden kronen uit uw tandartspraktijk een mooie bestemming geven? Doe dan mee met het Gouden Kronen Plan. Dan gaat de opbrengst naar het Rode Kruis Prinses Margriet Fonds en helpt u projecten te ďŹ nancieren die mensen in kwetsbare gebieden beter beschermen tegen de gevolgen van natuurrampen. Bijvoorbeeld in Mali, waar droogte en overstromingen voorkomen. Het Rode Kruis helpt families zich hier beter op voor te bereiden en de uitbraak van ziektes door vervuild drinkwater te voorkomen. Elke kroon helpt mee levens te redden.

mede mogelijk gemaakt door

Meld uw praktijk aan op

www.rodekruis.nl/goudenkronen

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

425.181-02-GoudenKronen-A4-advertentie-wtk.indd 1 Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 573

573

124 | november 2017

27/06/16 17-10-17 15:53 09:50


De meeste implantaten zijn hetzelfde

Een sterke kern voor het beste fundament.

TOT NU! AnyRidge® implantaat systeem AnyRidge® is een uniek implantaat systeem met vele chirurgische als prothetische voordelen. De behandeling verloopt hierdoor makkelijker, sneller en meer voorspelbaar. Dit is van enorm toegevoegde waarde voor zowel behandelaars als patiënten. D1

051838_4816

info@dental4.nl www.dental4.nl

Visays Core voor een betrouwbare hechtverbinding met alle gangbare één- of meerstaps bondingsystemen. www.kettenbach.com

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 574

D2

D3

D4

This example shows a 3.3mm core diameter with 4 thread diameters (4.0, 4.5, 5.0, 5.5mm)

Core Diameter (mm)

Thread Diameter (mm)

Length (mm)

2.8

3.5

8.5, 10, 11.5, 13, 15

3.3

4.0, 4.5, 5.0, 5.5

7, 8.5, 10, 11.5, 13, 15

4.8

6.0, 6.5, 7.0, 7.5, 8.0

7, 8.5, 10, 11.5, 13

Ontdek de kracht op www.megagen.nl/anyridge

17-10-17 09:50


H.W. van Essen, D. D. van Bergen, J. I. Stoker

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Feminisering: maakt het verschil? In een verkennend onderzoek, door middel van digitale enquête, naar sekseverschillen onder 156 mannelijke en 98 vrouwelijke tandartsen in Nederland werden veel overeenkomsten tussen beide groepen gevonden. Mannen en vrouwen rapporteerden over het algemeen een goede gezondheid, gelijke percentages voor burn-out (circa 10%) en tevredenheid met hun beroepskeuze. Voor een groot deel ervaarden ze dezelfde onderdelen van hun werk als aantrekkelijk, waarbij de omgang met patiënten verreweg het hoogste scoorde. Ook gaven zij, zowel volgens zichzelf als volgens 122 assistenten en mondhygiënisten (die hierop in dit onderzoek ook werden bevraagd), op een vergelijkbare manier leiding en schatten hun leiderschapsgedrag gemiddeld hoger in dan assistenten en mondhygiënisten deden. Daarnaast was er een beperkt aantal binnen de steekproef significante sekseverschillen gevonden. Vrouwen voelden zich minder competent bij complexe ingrepen dan mannen en vonden chirurgische ingrepen en complexe restauratieve behandelingen minder aantrekkelijk. Zij consulteerden vaker collega’s en hun voorkeur voor werken in teamverband was groter. Essen HW van, Bergen DD van, Stoker JI. Feminisering: maakt het verschil? Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 575-579 Beeld: ACTA.

Doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17182

Inleiding Een halve eeuw geleden luidde de 64-jarige Utrechtse hoogleraar orthodontie R.W. Broekman in het Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde de noodklok: er waren in Nederland veel te weinig vrouwelijke tandartsen. Als er in de studiekeuze van meisjes niets veranderde, schreef hij, zou dat ook nog decennia zo blijven. Terwijl het percentage vrouwelijke studenten in andere vakken al een aantal

Over de auteur Dr. Mineke van Essen was van 1980 tot 2007 aangesteld bij de Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen, eerst als universitair hoofddocent Historische Pedagogiek, later ook als hoogleraar Genderstudies. Zij deed onder meer historiserend onderzoek naar de professionalisering van onderwijsgevenden en de positie van vrouwen binnen deze beroepsgroep, waarover zij zowel nationaal als internationaal veel publiceerde. In 2006 voltooide zij een monografie over de geschiedenis van de onderwijzersopleiding in Nederland. Na haar emeritaat in 2007 schreef zij onder andere een biografie van de Groningse hoogleraar orthopedagogiek Wilhelmina Bladergroen en redigeerde een 5-delige serie over grond­leggers van de Nederlandse gedragswetenschappen.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 575

jaren behoorlijk steeg – bij geneeskunde tot boven de 20 – bleef dat in de tandheelkunde nog steeds onder de 7. Van alle academische studies scoorde alleen economie nog lager. Het werd de hoogste tijd voor verandering, niet alleen vanwege het toenemende tekort aan tandartsen, maar ook omdat het beroep juist voor vrouwen uitermate geschikt was, aldus Broekman. Zijn argumenten ontleende hij aan een toenmalige autoriteit op het gebied van de vrouwelijke psyche, de eminente Utrechtse hoogleraar psychologie F.J.J. Buytendijk. Op gezag van zijn collega schreef Broekman dat vrouwen een uitgesproken voorkeur hadden voor beroepen die een persoonlijke omgang met mensen mogelijk maakten, een behoefte aan zorgende bezigheden, een grotere plichtsbetrachting en een zorgvuldige voorzichtigheid. Ze leken daarom “geschapen voor de uitoefening van de tandheelkundige praktijk”. Als bijkomend, maar niet onbelangrijk voordeel noemde Broekman hun gunstige uitwerking op vergaderingen, want “het streven naar overheersing en de hiermede samenhangende neiging tot agressie en verzet is bij de vrouw minder sterk aanwezig”. (Broekman, 1966). Feminisering zou volgens hem dus veel verschil maken, en dat in positieve zin. De realisering van zijn wens kostte de nodige tijd, maar

575

124 | november 2017

17-10-17 09:50


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Van Essen e.a.: Feminisering: maakt het verschil?

Leeftijd

<30

Mannen Vrouwen Totaal

30-39

40-49

50-59

60 en ouder

totaal

1 (0,6)

11 (7,1)

17 (10,9)

69 (44,2)

58 (37,2)

156 (59,4)

9 (9,2)

26 (26,5)

31 (31,6)

26 (26,5)

6 (6,1)

98 (39,6)

10 (3,9)

37 (14,5)

48 (18,9)

95 (37,4)

64 (25,2)

254 (100)

Tabel 1. Sekse en leeftijd van respondenten (aantal en percentage).

vanaf de jaren 1990 zette toch een geleidelijke toename van vrouwelijke tandartsen in. Op dit moment bedraagt het percentage vrouwen binnen de actieve beroepsgroep van tandartsen ruim 40 en dat zal de komende jaren nog gaan stijgen (https://www.staatvandemondzorg.nl). Broekman kan tevreden zijn. Maar maakt deze ontwikkeling ook verschil voor de beroepsuitoefening? Doen vrouwen het beter, zoals Broekman toch impliciet suggereerde, of juist slechter, zoals sommige voorgangers van Broekman meenden? (bijvoorbeeld Margadant, 1920). Zijn er eigenlijk verschillen tussen de wijze waarop mannen en vrouwen hun beroep uitoefenen, en leggen vrouwen andere accenten? Een verzoek van ACTA Dental Education aan de eerste auteur van dit artikel om voor een nascholingscursus een lezing te houden over feminisering vormde de aanleiding voor een verkennend onderzoek naar de actuele stand van zaken. Daarvoor ontwikkelden de onderzoekers een digitale enquête, waarvan de uitkomsten in de lezing werden gebruikt. Voor dit themanummer bewerkten wij de tekst van deze lezing tot een artikel.

verschillen bij chirurgische en

ten zijn weergegeven in tabel 1. Deze weken niet opvallend af van die van de beroepsgroep (gegevens afkomstig van de KNMT). Met het oog op de leiderschapsvragen was een deel van de enquête ook toegezonden aan de assistenten (420) en de mondhygiënisten (1.530) uit beide adressenbestanden, wat leidde tot een respons van 60 tandartsassistenten (14%) en 62 meewerkende mondhygiënisten (4%). Deze uitkomsten werden vanwege het geringe aantal respondenten samengenomen in de analyse. De meeste uitkomsten zijn vormen van zelfrapportage. De respondenten moesten op een 5-puntenschaal aangeven in hoeverre ze het eens waren met een aantal stellingen, zoals: ‘ik besteed relatief veel tijd aan het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen.’ Bij de assistenten en mondhygiënisten was gevraagd om (eveneens anoniem) te rapporteren over het leiderschapsgedrag van hun eigen tandarts, bijvoorbeeld: ‘Mijn tandarts/leidinggevende zorgt ervoor dat ik me op mijn gemak voel’. Hun antwoorden vielen niet te herleiden tot die van de responderende tandartsen. De antwoorden werden in het programma SPSS statistisch geanalyseerd door middel van de t-toets voor onafhankelijke steekproeven. Gezien de relatief geringe respons zijn de vermelde uitkomsten niet per definitie representatief voor de totale beroepsgroep. Daarnaast vormt het verkennende karakter van de enquête reden voor terughoudendheid bij het opnemen van cijfermatige tabellen. Zowel significante verschillen als overeenkomsten tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen werden in dit artikel gemeld. In tabel 2 staan de scores op een aantal verschillende leiderschapsstijlen volgens tandartsen enerzijds en assistenten en mondhygiënisten anderzijds.

complexe restauratieve handelingen

Resultaten en comparatief perspectief

mate van patiëntgerichtheid en leidinggeven. Daar waar mogelijk en relevant waren de resultaten vergeleken met die uit ander onderzoek. Om beïnvloeding vooraf te vermijden werd de vragenlijst uitgegaan onder de neutrale ­titel ‘Het functioneren van tandartspraktijken’. Het invullen kon anoniem en duurde ongeveer 10 minuten. De vragenlijst was in het voorjaar van 2017 digitaal toegezonden aan het adressenbestand van tandartsen van respectievelijk Prelum (medische media en nascholing) en Acta Dental Education. Het betroffen in totaal 8.076 adressen, waarbij doublures niet waren uitgesloten. Sekse en leeftijd vielen binnen het totale bestand niet na te gaan. Er klikten 372 tandartsen de link aan, van wie 254 een ingevulde enquête instuurden, 156 mannen en 98 vrouwen. De leeftijdsopbouw en sekseverdeling van de responden-

Uit de antwoorden op de vragen over gezondheid en tevredenheid met het beroep vallen geen sekseverschillen te constateren. De respondenten rapporteerden over het algemeen een goede gezondheid, gelijke percentages voor burn-out (circa 10%) en tevredenheid met de huidige werkomstandigheden. Heel weinig tandartsen hadden, terugkijkend, liever een ander beroep gekozen. Het ontbreken van verschillen tussen mannen en vrouwen wat betreft burn-out wordt ondersteund door een internationaal literatuuronderzoek van Resh (2010), maar tegengesproken door onderzoek van Te Brake et al (2003), die voor Nederland bij mannelijke tandartsen meer burn-out vond dan bij vrouwelijke. Daarentegen wordt in een internationaal meta-onderzoek naar gezondheidsklachten bij tandartsen een Lets onderzoek aangehaald waarin burn-out juist bij vrouwelijke tandartsen meer voorkwam (De Ruijter et al, 2015).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

576

De enquête De enquête werd door de onderzoekers ontworpen op basis van een oriënterend onderzoek naar internationale literatuur over sekseverschillen onder tandartsen op het terrein van gezondheid en welbevinden, professionaliteit,

Meest opvallende man-vrouw­

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 576

124 | november 2017

17-10-17 09:50


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Van Essen e.a.: Feminisering: maakt het verschil?

Leiderschapsstijlen

Tandartsen (gemiddelde en standaard-deviatie) (n = 254)

Sociaal-ondersteunend (aandacht voor het

3,9** (,47)

welzijn van medewerkers) Sturend (gericht op taakuitvoering)

3,5**(,53)

Participatief (verantwoordelijkheden delegeren)

3,4* (,48)

Charismatisch (inspireren)

3,5 (,51)

Coachend (zorg dragen voor individuele

3,7*** (,40)

­ontwikkeling) * p < ,05 **p < ,01 ***p < ,001 Tabel 2. Leiderschapsgedrag.

Professionaliteit in het algemeen

De respondenten zijn bevraagd op 4 aspecten: het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen, actieve betrokkenheid bij beroepsgerichte organisaties, het zich competent voelen bij complexe ingrepen en de frequentie van consulteren van collega’s. Bij het bijhouden van nieuwe ontwikkelingen werden geen sekseverschillen gevonden, bij de overige aspecten wel. Mannen waren in kwantitatieve zin meer betrokken bij beroepsgerichte organisaties dan vrouwen (30 tegen 20%, het al dan niet hebben van thuiswonende kinderen lijkt geen rol te spelen), en zeiden zich competenter te voelen bij complexe ingrepen dan vrouwen (dit bleek het sterkst bij de mannen tussen 30 en 50 jaar), al bleek het sekseverschil kleiner naarmate vrouwen meer uren werken. Deze uitkomsten komen overeen met een eerder uitgevoerd onderzoek onder Nederlandse tandartsen door Bruers et al (2004). Collega’s consulteren, eveneens een aspect van professionaliteit, doen vrouwen in dit enquête­ onderzoek meer dan mannen. Deze uitkomst staat haaks op een Canadees onderzoek onder medici in het algemeen waarin vrouwen juist geïsoleerder opereren dan mannen (Wallace 2014). Bij Bruers at al (2004) is dit aspect niet uitgesplitst naar sekse.

Medewerkers (gemiddelde en standaard-deviatie) (n = 122)

‘anders’ zelf een aspect toe te voegen. Daarvan maakte 3,7 ** (,77) een kwart van de respondenten, verbazingwekkend veel 3,2** (,77) voor een open vraag in een dergelijke enquête, gebruik 3,3 * (,72) om een opmerking te maken 3,5 (,76) over de tijdrovende wet- en 3,4*** (,66) regelgeving en de grote administratieve rompslomp. De meest opvallende sekseverschillen zitten bij enerzijds chirurgische ingrepen en complexe restauratieve behandelingen (meer mannen dan vrouwen vinden dit aantrekkelijk in hun werk) en anderzijds werken in teamverband en kinderen op hun gemak stellen (dit vinden meer vrouwen dan mannen aantrekkelijk). Deze uitkomsten komen deels overeen met die uit eerder onderzoek. Ook Bruers et al (2004) vond voor Nederland dat chirurgische ingrepen en complexe behandelingen minder favoriet waren bij vrouwen. Geibel en Mayer (2016) rapporteerden recent eenzelfde uitkomst voor Duitsland. In een onderzoek naar de Nederlandse situatie constateerden Gorter et al (2006) dat patiëntenzorg voor vrouwen belangrijker is als voedingsbron voor satisfactie dan voor mannen, maar het in dit artikel beschreven onderzoek spreekt dat tegen. Weliswaar noemen meer vrouwen dan mannen de ook bij Gorter et al genoemde aspecten ‘kinderen op hun gemak stellen’ en ‘voorlichting en preventie’ aantrekkelijk, maar bij ’omgang met patiënten’ werden in dit enquêteonderzoek geen sekseverschillen gevonden. Leidinggeven

Welke onderdelen van hun beroep vinden tandartsen aantrekkelijk, en welke minder, of helemaal niet? De respondenten hadden de keuze uit 8 aspecten, waarvan ze er maximaal 3 mochten kiezen. Daarnaast mochten ze ook nog zelf een kenmerk van hun vak toevoegen (‘anders’), zowel bij de aantrekkelijke als de niet-aantrekkelijke onderdelen van hun werk. Met stip aan de top ging voor beide seksen de omgang met patiënten, bijna 90% van de respondenten gaf aan dit een zeer aantrekkelijke kant van het werk te vinden. Ook bij het item ‘vakkennis up-to-date houden’ kwam geen sekseverschil naar voren: meer dan een kwart van de respondenten labelde dit als een aantrekkelijk onderdeel. Het minst vaak als aantrekkelijk werden bij beide seksen ‘voorlichting en preventie’ en ‘bedrijfsvoering optimaliseren’ genoemd, onder de 20%. Voor de bedrijfsvoering werd dat lage percentage nog ondersteund door een hoog percentage bij de vraag naar de minder leuke kanten van het vak. Wat de geënquêteerden hiermee concreet bedoelden, kwam expliciet naar voren bij de mogelijkheid om onder

Gaan vrouwen op een andere manier met hun praktijkmedewerkers (assistenten en samenwerkende mondhygiënisten) om dan mannen? Zijn mannen meer sturend, vrouwen meer ondersteunend, of (wegens hun grotere voorkeur voor werken in teamverband) meer geneigd tot delegeren? Voor een antwoord daarop is gebruikgemaakt van een set vragen over leiderschapsstijlen (zie Stoker, 1999). De deelnemers moesten voor items als ‘ik neem snel de leiding’, of ‘ik pleeg ook bij belangrijke zaken echt wederzijds overleg’ zichzelf scoren op een 5-puntenschaal (van score 1 ‘in het geheel niet’ tot score 5 ‘in zeer sterke mate’). Er worden 5 leiderschapsstijlen onderscheiden, te weten sociaalondersteunend, sturend, participatief, charismatisch en coachend leiderschap (zie tab. 2 voor een omschrijving van de stijlen). Hoe scoorden de tandartsen uit de steekproef zichzelf op deze schalen? Zij achtten zich het best in sociaal-ondersteunend leiderschap en gaven zichzelf de laagste score op participatief leiderschap, dat wil zeggen verantwoordelijkheden delegeren. Vrouwelijke tandartsen scoorden zichzelf niet significant anders dan mannelijke, er vallen dus in dit opzicht geen sekseverschillen te melden. Onderzoek van Gorter en Freeman (2005) naar communicatiestijlen met assistenten door Nederlandse en Noord-Ierse tandart-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

577

Praktijkuitvoering

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 577

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Essen e.a.: Feminisering: maakt het verschil?

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

sen gaf wel sekseverschillen aan. Mannelijke tandartsen scoorden zichzelf gemiddeld hoger op ‘business leadership style’, vrouwen op ‘friendly leaderships style and professional interacting style’. Maar hoe kijken hun medewerkers (zowel assistenten als meewerkende mondhygiënisten) tegen het leiderschapsgedrag van hun eigen tandartsen aan? Nemen zij misschien wel sekseverschillen waar? Al rapporteerden zij niet aantoonbaar over dezelfde tandartsen als die uit de steekproef, ook in de waardering door de praktijkmedewerkers kwamen in dit onderzoek geen verschillen in leiderschapsgedrag tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen naar voren. Wel lieten de resultaten verschillen in gemiddelde beoordeling zien tussen enerzijds de tandartsen over zichzelf, anderzijds de assistenten en de meewerkende mondhygiënisten over hun eigen tandartsen: behalve bij charismatisch leiderschap waren de oordelen van de medewerkers over het leiderschapsgedrag van de tandartsen steeds lager dan die van de tandartsen zelf (tab. 2). Het grootste verschil deed zich voor bij coachend leiderschap, dus het zorg dragen voor de individuele ontwikkeling van de medewerkers. Dit is in leiderschapsonderzoek een bekend fenomeen: de leidinggevende denkt dat hij of zij medewerkers stimuleert om zich te ontwikkelen en bij te scholen, de medewerker ervaart dat minder (Stoker, 1999). Daarbij moet worden opgemerkt dat hoewel de verschillen in oordelen voor 4 van de 5 stijlen significant zijn, de discrepantie in scores tussen tandartsen zelf en praktijkmedewerkers gemiddeld iets lager is dan in ander, vergelijkbaar onderzoek (zie Bass en Yammarino, 1991; Stoker, 1999).

geven het oriënterende karakter van dit onderzoek en de wijze van steekproeftrekking moeten de uitkomsten met voorzichtigheid worden gehanteerd. Tussen de aangegeven verschillen valt samenhang te constateren. Jezelf competent vóelen is iets anders dan competent zíjn. Uit verschillend onderzoek blijkt dat mannen zichzelf vaker overschatten dan vrouwen, zoals bij leerprestaties of qua leiderschapsgedrag (Cole et al, 1999; Van der Kam et al, 2015). Dat laatste werd overigens in dit onderzoek niet teruggevonden. Overschatting leidt enerzijds tot professioneel zelfvertrouwen en dit zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor de grotere voorkeur van mannelijke tandartsen voor chirurgische ingrepen en complexe restauratieve behandelingen. Het overschatten van de eigen competenties heeft anderzijds ook nadelen, zoals een geringere neiging om anderen te consulteren, iets wat de vrouwelijke respondenten in dit onderzoek nu juist vaker zeggen te doen dan mannelijke. Een ander interessant,

Conclusie Er zijn in dit onderzoek vooral veel overeenkomsten tussen hoe mannelijke en vrouwelijke tandartsen hun beroep ervaren. Beide groepen zijn tevreden met hun werk en werkomstandigheden, rapporteren weinig last van burn-out gevoelens, en zijn tevreden met hun beroepskeuze. Ook ervaren ze voor een groot deel dezelfde onderdelen van hun werk als aantrekkelijk en niet aantrekkelijk en geven ze, volgens zichzelf en volgens anderen, op een vergelijkbare manier leiding. Ook de medewerkers ervaren geen sekseverschillen in leiderschapsgedrag. Bovendien zijn, in tegenstelling tot resultaten uit literatuuronderzoek, in deze steekproef geen significante sekseverschillen gevonden met betrekking tot de patiëntgerichtheid van de respondenten. Zowel mannelijke als vrouwelijke tandartsen zeggen de omgang met patiënten verreweg het meest aantrekkelijke aspect van hun beroepsuitoefening te vinden. Uit het onderzoek kwam een beperkt aantal verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke tandartsen naar voren. Vrouwen voelen zich minder competent bij complexe ingrepen dan mannen en vinden chirurgische ingrepen en complexe restauratieve behandelingen minder aantrekkelijk. Zij consulteren vaker dan mannen collega’s en hun voorkeur voor werken in teamverband is groter. Binnen de steekproef zijn deze uitkomsten statistisch significant. Ge-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 578

Vrouwelijke tandartsen scoorden ­zichzelf wat leiderschap betreft niet significant anders dan mannelijke maar wél sekseneutraal, verschil dat in het onderzoek naar voren kwam, is dat zowel de mannelijke als de vrouwelijke tandartsen hun leiderschapsgedrag gemiddeld hoger scoren dan de assistenten en mondhygiënisten; een resultaat dat in lijn is met ander onderzoek naar perceptieverschillen tussen leidinggevenden en medewerkers. Een wel heel bijzondere uitkomst tot slot: meer dan 20% van alle vrouwelijke tandartsen had een tandarts als ouder, hetzij alleen vader (13,3%) of moeder (5,1%), hetzij beide ouders (2%). Bij de mannen lag dit percentage stukken lager, op iets meer dan 8%, waaronder slechts 1 moeder. Tandartsen zelf lijken dus voor Broekmans pleidooi uit 1966 misschien wel de beste ambassadeurs te zijn geweest. Literatuur * Bass, BM, Yammarino, FJ. Congruence of self and others’ leadership ratings of naval officers for understanding successful performance. Applied Psychology 1991;40: 437-454. * Brake H te, Bloemendal E, Hoogstraten J. Gender differences in burnout among Dutch dentists. Community Dent Oral Epidemiol 2003; 31: 321-327. * Broekman RW. De vrouw in de tandheelkunde. Ned Tijdschr Tandheelkd 1966; 75: 226-231. * Bruers JJM, Felling AJA, Truin GJ, Hof MA van’t, Rossum GMJM. Patient orientation and professional orientation of Dutch dentists. Community Dent Oral Epidemiol 2004; 32; 115-124. * Cole DA, Martin J M, Peeke LA, Seroczynski AD, Fier J. Children’s Overand Underestimation of Academic Competence: A Longitudinal Study of Gender Differences, Depression, and Anxiety. Child Dev. 1999; 70: 459-473.

578

124 | november 2017

17-10-17 09:50


Van Essen e.a.: Feminisering: maakt het verschil?

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

* Geibel MA, Mayer M. Gender-specific differences – first results from a

Summary

survey on dental surgery. Journal of Gender Studies 2016; 25: 1, 3-9. * Gorter RC, Brake JH te, Eijkman MA, Hoogstraten J. Job resources in Dutch dental practice. Int Dent J. 2006; 56: 22-28. * Gorter RC, Freeman R. Dentist-assistant communication style: per-

Feminisation: does it make a difference? In a digital orientating survey of gender differences among 156 male and 98 female dentists in the Netherlands, many similarities were found

ceived gender differences in The Netherlands and Northern Ireland.

between the two groups. Men and women generally report that they are

Community Dent Oral Epidemiol 2005; 33: 131-140.

in good health, experience comparable levels of burnout (about 10%) and

* Kam NA van der, Vegt GS van der, Janssen O, Stoker JI. Heroic or hubris-

are equally satisfied with their choice of profession. To a large extent, they

tic? A componential approach to the relationship between perceived

perceive the same aspects of their work as attractive, with ‘patient care’ as

transformational leadership and leader–member exchanges. European

by far the most attractive feature. According to the dentists as well as 122

Journal of Work and Organizational Psychology 2015; 24: 611-626

assistants and dental hygienists (who were also questioned in this survey),

* Margadant GD. De tandarts. Dordrecht: Morksz, 1920.

they have comparable leadership styles, while the dentists, on average,

* Resh P. Vrouwelijke tandartsen en hun burn-out. Een literatuuronder-

rate their leadership behaviour more highly than the assistants and dental

zoek (2010). Scriptie UMCG http://irs.ub.rug.nl/dbi/54d87bd1bbfcc. * Ruijter RAG de, Stegenga B, Schaub RMH, Reneman MF, Middel B.

hygienists do. In addition, a limited number of significant gender differences were found in the sample. Women feel less competent in conducting complex

Determinants of physical and mental health complaints in dentists: a

interventions than men, and they find surgical interventions and complex

systematic review. Community Dent Oral Epidemiol 2015; 43: 86-96.

restorative treatments less attractive aspects of their work. Women consult

* Stoker JI. Leidinggeven aan zelfsturende teams. Assen: van Gorcum,

colleagues more often and their preference for working in a team is greater.

1999. * Wallace JE. Gender and supportive Co-Worker Relations in the Medical Profession. Gender, Work and Organization 2014; 21: 1-17. * Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde

Bron H.W. van Essen1, D.D. van Bergen1, J.I. Stoker2 Uit 1de faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen en 2de faculteit

(KNMT). https://www.staatvandemondzorg.nl/werkers-in-de-mond-

Economie en Bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen

zorg/leeftijd-en-sekse-van-tandartsen.

Datum van acceptatie: 27 september 2017 Adres: mw prof. em. dr. H.W. van Essen, Nieuwenhuisgebouw, Grote Rozenstraat 38, 9712 TJ Groningen. h.w.van.essen@rug.nl Dankwoord Voor de realisering van de digitale enquête danken de onderzoekers ACTA Dental Education (subsidiëring en verspreiding), Prelum (verspreiding) en Atomos Applications (ontwerp en technische uitvoering).

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 579

579

124 | november 2017

17-10-17 09:50


DE TOEKOMST VOOR WEEFSELREGENERATIE IN DE TANDHEELKUNDE? MAAK KENNIS MET L-PRF: NU OOK MOGELIJK IN UW EIGEN PRAKTIJK!

De Intra-Spin bloedcentrifuge ©

Voor het genereren van de zogenaamde L-PRF blocks adviseren wij CERASORB® synthetische botregeneratiematerialen van Curasan.

Eenvoudig, veilig en patiëntvriendelijk. L-PRF is een revolutionaire methode om op een

zo natuurlijk mogelijke wijze het helingproces of botopbouw te bevorderen. Het bloed van de patiënt is hierbij de basis voor het genereren van lichaamseigen L-PRF membranen, plugs en blocks. Met de Intra-Spin© bloedcentrifuge haalt u deze verfijnde nieuwe techniek naar uw eigen praktijk. De Intra-Spin© bloedcentrifuge is uniek: binnen Europa betreft het de énige bloedcentrifuge waarbij óók de behandelmethode van de patiënt is goedgekeurd* voor gebruik in de eigen praktijk.

Meer informatie of advies? www.biocomp.eu | 073 684 7202 | info@biocomp.eu De Intra-Spin© bloedcentrifuge en alle CERASORB® botregeneratiematerialen zijn exclusief verkrijgbaar via BioComp. *De Intra-Spin© bloedcentrifuge is voorzien van het CE-keurmerk klasse II en goedgekeurd door het FDA.

kulzer.nl

Excl

usief -

verkr

ijgba

ar bi

j:

Nede

rland

Adjusan

®

» » »

Behandelsucces: Adjusan vermindert de pocketdiepte significant meer dan enkel SRP. Zekerheid: Adjusan kan ook in diepere parodontale pockets komen die normaliter moeilijk te bereiken zijn dankzij de initieel vloeiende consistentie. Comfort: Vanuit de plaats van toediening wordt doxycycline continu en in voldoende hoge concentratie afgegeven gedurende een periode van tenminste 12 dagen.

Giving a hand to oral health.

© 2017 Kulzer

Het lokale antibioticum voor moderne adjuvante behandeling van parodontitis:

GmbH. All Rights Reserved.

De pocket verkleiner.

Adjusan, 140 mg/g, gel voor peri-odontaal gebruik, werkzame stof: doxycycline. • Samenstelling: 1 voorgevulde cylinderpatroon bevat 260 mg Adjusan. Werkzame stof: 1 g Adjusan bevat 140 mg doxycycline equivalent aan 161,5 mg doxycyclinehyclaat. Hulpstoffen: Polyglycolide, Macrogol-DL-lactide/glycolide copolymeer (hoge viscositeit), Macrogol-DL-lactide/glycolide copolymeer (lage viscositeit). • Therapeutische indicaties: Voor de behandeling van chronische en agressieve periodontitis met een pocketdiepte van ≥ 5 mm bij volwassenen als aanvulling op conventionele niet-chirurgische behandeling van periodontitis. • Contra-indicaties: Overgevoeligheid voor doxycycline of voor één van de vermelde hulpstoffen of voor andere tetracycline-antibiotica; bij patiënten die worden behandeld met systemische antibiotica vóór of tijdens de behandeling van periodontitis; bij kinderen en adolescenten door stoornissen van de odontogenese; tijdens zwangerschap; bij patiënten met een hoger risico op de ontwikkeling van acute porfyrie; bij patiënten met ernstige leverfunctiestoornis. • Bijwerkingen: Soms: Zwelling van de gingiva, kauwgomachtige smaak. Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen: Overgevoeligheidsreacties. Onbekende frequentie: Urticaria, angioneurotisch oedeem, anafylaxie, allergische purpura. Binnen de groep tetracyclinen bestaat een volledige kruisallergie. • Dosering: De dosering van Adjusan varieert afhankelijk van de grootte, vorm en diepte van de peri-odontale pockets. • RVG-nummer 109573. • UR product conform de Nederlandse wetgeving. • Houder van de vergunning voor het in de handel brengen: Kulzer GmbH, Leipziger Strasse 2, 63450 Hanau, Germany. • Datum van eerste verlening van de vergunning: 19 september 2013.

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 580

17-10-17 09:51


J.J.M. Bruers, L.E.C.M. Trommelen, P. Hawi, H.S. Brand

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Musculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en tandheelkundestudenten in Nederland

Bruers JJM, Trommelen LECM, Hawi P, Brand HS. Musculoskelettale aandoeningen onder tandarts en studenten tandheelkunde in Nederland Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 581-587 doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17128

Inleiding Tandartsen hebben te maken met bijzondere arbeidsomstandigheden waardoor zij een risicogroep vormen voor beroepsgerelateerde gezondheidsproblemen, zoals burn-out, gehoorstoornissen en musculoskelettale aandoeningen (Leggat et al, 2007). Een musculoskelettale aandoening wordt door de Wereld Health Organisation gedefinieerd als een aandoening van de spieren, pezen, perifere zenuwen of vasculaire systeem die niet ontstaan is als gevolg van een ongeval (WHO, 1983). Musculoskelettale aandoeningen zijn vaak multicausaal. Herhalende werkzaamheden waarbij langdurig in dezelfde lichaamshouding wordt gewerkt spelen een belangrijke rol, in het bijzonder in combinatie met een ergonomisch onjuiste werkhouding en onvoldoende pauzes. Stress, leeftijd en algehele gezondheid kunnen eveneens een rol spelen bij het ontstaan van musculoskelettale aandoeningen, alsmede bij het herstel van deze gezondheidsproblemen (Wouters, 2002; Anghel et al, 2007; Chou en Shekelle, 2010). In een systematisch literatuuronderzoek naar musculoskelettale aandoeningen bij tandartsen en mondhygiënisten varieerde de prevalentie van pijnklachten ten gevolge hiervan tussen 64% en 93%. De rug (36%-60%) en de nek (20%-85%) veroorzaakten het meest frequent pijnklachten (Hayes et al, 2009). In 2002 rapporteerde 90% van

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 581

Leerdoelen Na het lezen van dit artikel bent u op de hoogte van - de prevalentie van musculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en tandheelkundestudenten; - en van de mogelijke verschillen in musculoskekettale ­aandoeningen tussen de geslachten.

de Nederlandse tandartsen muskuloskelettale klachten in rug, schouder, nek, knieën en/of bovenbenen (Hoevenaars, 2002). Deze aandoeningen vormen een serieus probleem voor tandartsen: ze kunnen leiden tot verminderde werktevredenheid, afname van het aantal productieve uren en toename van ziekteverzuim (Valachi en Valachi, 2003; Anghel et al, 2007; Morse et al, 2010). Tussen 1996 en 2000, nam het ziekteverzuim door musculoskelettale aandoeningen onder Nederlandse tandartsen toe met 39% (Wouters, 2002). Daarnaast is aangetoond dat de hoge psychische belasting van tandartsen het risico op het ontwikkelen van musculoskelettale aandoeningen verhoogt (Alexopoulos et al, 2004). Uiteindelijk kunnen deze aandoeningen zelfs leiden tot het beëindigen van het beroep (Valachi en Valachi, 2003; Anghel et al, 2007; Morse et al, 2010). Reeds tijdens de studie tandheelkunde loopt men risico op het ontwikkelen van musculoskelettale aandoeningen. In een recent onderzoek rapporteerde 93% van de stu-

Beeld: ACTA

In dit onderzoek werd de prevalentie van musculoskelettale klachten onder tandartsen en tandheelkundestudenten in Nederland geïnventariseerd door middel van 2 overeenkomstige web-enquêtes. Hieraan namen 196 (25% respons) tandartsen en 359 (40% respons) studenten deel. Van de tandartsen gaf 80% en van de studenten gaf 95% aan de afgelopen 12 maanden last te hebben gehad van spieren en gewrichten, waarbij vooral nek, schouders en onderrug werden genoemd. Studenten meldden daarnaast ook vaak klachten in de bovenrug. Door vrouwelijke studenten werden veel lichamelijke klachten vaker genoemd dan door de mannelijke studenten. Bij tandartsen werd daarentegen geen geslachtsverschil waargenomen, maar bleek ervaren stress een belangrijke risicofactor op het ontwikkelen van musculoskelettale klachten. Gezien de negatieve effecten op de beroepsuitoefening is nader onderzoek naar de preventie van musculoskelettale aandoeningen dringend gewenst, in het bijzonder wat betreft de doelmatigheid van (postacademisch) onderwijs en beroepsmatige voorlichting op dat gebied.

Afb. 2. Studenten tandheelkunde aan het werk in een ergonomisch belastende houding.

581

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Bruers e.a.: M usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

denten die in de kliniek werkzaam waren symptomen van musculoskelettale aandoeningen in 1 of meer lichaamsdelen (Khan en Chew, 2013). Deze aandoeningen zouden afhankelijk zijn van het geslacht. Vrouwelijke tandheelkundestudenten hadden ernstigere klachten aan nek en schouders, terwijl mannelijke studenten de hevigste klachten in de rug ervoeren (Rising et al, 2005). Er is dan ook gesuggereerd dat vrouwelijke tandartsen meer risico lopen op het ontwikkelen van musculoskelettale aandoeningen dan hun mannelijke collega’s (Leggat et al, 2007). Doel van het onderzoek was de incidentie van musculoskelettale aandoeningen te inventariseren onder mannen en vrouwen die in Nederland als tandarts werkzaam zijn, alsmede onder studenten tandheelkunde. Hierbij wordt aandacht besteed aan mogelijke risicofactoren voor het ontwikkelen van musculoskelettale aandoeningen.

proef getrokken van 817 tandartsen met een bekend emailadres. Begin februari 2015 werden deze tandartsen via een e-mail benaderd met het verzoek een web-enquête (NetQ) te beantwoorden over beroepsgerelateerde musculoskelettale klachten. Van hen bleken er 37 onbereikbaar (mailbox vol, onjuist e-mailadres, en dergelijke), waardoor uiteindelijk 780 tandartsen werden bereikt. Eind februari 2015 werd een eerste rappel verzonden aan degenen die tot op dat moment nog niet hadden gereageerd. Een tweede rappel ging eind maart 2015 uit en begin april werd de dataverzameling gesloten. Het onderzoek onder studenten werd eveneens uitgevoerd via een web-enquête (AdobeFormsCentral). Hiertoe werden in november 2014 alle 900 tandheelkundestudenten binnen ACTA benaderd. Half november werd een eerste rappel verstuurd en half december een tweede rappel, waarna begin januari de dataverzameling werd gesloten.

Materiaal en methoden Meetinstrument Dataverzameling

Het onderzoek onder tandartsen is uitgevoerd als onderdeel van het project ‘Peilstations’ van de KNMT (Bruers et al, 2014). Hiertoe werd uit de populatie van om en nabij 8.600 tandartsen van jonger dan 65 jaar met een bekend woon- en/of werkadres in Nederland een aselecte steekTandartsen

De vragenlijst die voor de tandartsen werd gebruikt, bestond uit een aantal items met betrekking tot algemene persoonskenmerken van tandartsen, zoals geslacht, leeftijd, lichaamsgewicht en -lengte, gezinssituatie en sportbeoefening. Voorts hadden enkele items betrekking op beroepsspecifieke zaken, zoals links- en/of rechtshandig-

Vrouw (n = 70-81) gemid.

sd

Man (n = 95-114) %

gemid.

sd

Totaal (n = 165-195) %

gemid.

sd 12,3

Leeftijd (in jaren)

*

40,9

10,7

51,1

11,7

46,8

Lichaamslengte (in cm)

*

171,0

6,3

182,8

6,5

177,7

8,7

Lichaamsgewicht (in kg)

*

66,5

9,2

82,6

9,2

75,6

12,2

BMI

*

22,7

2,9

24,7

11,6

23,8

2,8

%

Rechtshandig

85%

86%

86%

Regelmatige sportbeoefening

85%

86%

85%

Praktijkhouder

*

Aantal stoeluren

*

27,0

9,3

30,4

10,8

28,9

10,3

Aantal tandartsen in praktijk

*

3,0

4,3

1,9

2,7

2,4

3,5

Ervaren werkstress (schaal van 0 -24)

*

8,3

4,1

6,4

4,7

7,2

4,6

Tandheelkundestudenten

40%

70%

Vrouw (n = 248)

Man (n = 111)

gemid.

sd

Leeftijd (in jaren)

*

23,0

3,0

%

24,9

Lichaamslengte (in cm)

*

168,6

7,4

Lichaamsgewicht (in kg)

*

61,6

8,8

BMI

*

21,6

2,6

Rechtshandig Regelmatige sportbeoefening

*

Bachelor student Aantal (pre)klinische uren

gemid.

sd

Totaal (n = 359) %

gemid.

sd

5,5

23,6

182,3

7,4

172,8

9,8

77,6

10,2

66,5

11,9

23,4

2,8

22,2

2,8

%

4,1

89%

87%

89%

61%

73%

65%

48% 15,7

57%

7,1

38% 14,9

6,6

45% 15,5

6.9

Voldoende onderwijs

59%

54%

58%

Voldoende feedback in onderwijs

43%

54%

47%

Elders onderwijs/training gevolgd

11%

18%

14%

Bekend met preventieve technieken

42%

45%

43%

Strekoefeningen

37%

40%

38%

gemid. = gemiddelde/ sd = standaard deviatie / * statistisch significant verschil tussen vrouw en man (p < 0,05) Tabel 1. Persoons- en beroepskenmerken van tandartsen en tandheelkundestudenten, naar geslacht.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 582

582

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Bruers e.a.: M usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

heid, de instelmogelijkheden van de behandelstoel en verkregen scholing in ergonomie. Uit de ‘Standardized Nordic questionnaire’ werden de items wat betreft musculoskelettale klachten overgenomen (Kuorinka et al, 1987). Dit is een gevalideerde en internationaal erkende vragenlijst, die bestaat uit een aantal dichotome vragen (ja/nee) over 9 onderscheiden lichaamsdelen, te weten nek, schouders, ellebogen, polsen/handen, bovenrug, onderrug, heupen/ dijen, knieën, enkels/voeten. Per lichaamsdeel werd gevraagd of men tijdens de afgelopen 12 maanden hieraan pijn/ongemak had gehad, of men als gevolg daarvan afwezig was geweest van het werk en of men hieraan in de afgelopen 7 dagen pijn/ongemak had gehad. De vragenlijst voor de tandheelkundestudenten bevatte eveneens enkele items met betrekking tot algemene persoonskenmerken en kenmerken van hun onderwijs. Verder werden de items meegenomen uit de ‘Standardized

Nordic questionnaire’, zij het dat de studenten alleen werd gevraagd of men tijdens de afgelopen 12 maanden pijn/ ongemak had gehad aan de voornoemde lichaamsdelen.

nek

Om de resultaten van beide web-enquêtes met elkaar te kunnen vergelijken, werden de verzamelde gegevens van tandartsen en studenten bij elkaar gevoegd in 1 gegevensbestand. In de analyse van de gegevens werd de aandacht eerst gericht op de verdeling van de algemene en beroepsdan wel onderwijsspecifieke kenmerken. Vervolgens werd apart voor tandartsen en tandheelkundestudenten nagegaan of de ervaring met de verschillende musculoskelettale klachten differentieert naar geslacht. Voorts werd bezien of het voorkomen van deze klachten verschilt tussen tandartsen en studenten. Om na te gaan in hoeverre musculoskelettale klachten samenhangen met de verschillende alge-

*# tandartsen

man

Statistische analyse

schouders

studenten

#

tandartsen

studenten

40,2%

50,5%

man

47,4%

40,5%

vrouw 45,1%

61,7%

vrouw 49,3%

61,3%

totaal 42,3%

58,2%

totaal 48,2%

54,9%

ellebogen tandartsen man

*

polsen/handen

studenten

*

tandartsen

studenten

13,4%

4,5%

man

23,7%

32,4%

vrouw 7,0%

5,6%

vrouw 26,8%

35,9%

totaal 10,7%

5,3%

totaal 25,0%

34,8%

bovenrug tandartsen man

*#

onderrug

studenten

*

tandartsen

studenten

24,7%

36,9%

man

46,4%

63,1%

vrouw 29,6%

52,0%

vrouw 46,5%

64,1%

totaal 26,8%

47,4%

totaal 46,4%

63,8%

heupen tandartsen man

knieën

enkels/voeten studenten

tandartsen

tandartsen

studenten

studenten

14,4%

9,9%

man

5,2%

9,0%

man

16,5%

18,0%

vrouw 15,5%

9,7%

vrouw 9,9%

11,3%

vrouw 22,5%

19,8%

totaal 14,9%

9,7%

totaal

10,6%

totaal 19,0%

19,2%

7,1%

* verschil tussen tandartsen en tandartsstudenten is statistisch significant (p < 0,05) # verschil tussen vrouwen en mannen bij tandartsstudenten is statistisch significant (p < 0,05) Afb. 1. Pijn/ongemak in spieren en ledematen naar geslacht in de afgelopen 12 maanden.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 583

583

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Bruers e.a.: M usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

mene en beroeps- dan wel onderwijsspecifieke kenmerken, werd de somscore van het aantal van deze klachten dat in de afgelopen 12 maanden werd ervaren (Crohnbach’s Alpha = 0,55) bivariaat geanalyseerd. Vervolgens werden dezelfde klachten multivariaat geanalyseerd. Dit werd gedaan door middel van regressieanalyse, apart voor tandartsen en tandheelkundestudenten. Voorafgaand aan de multivariate regressie­analyses werd nagegaan of de verschillende algemene en beroeps- of onderwijsspecifieke kenmerken niet (sterk) samenhingen (check op collineariteit). In de multivariate regressieanalyses werden verschillende procedures toegepast (‘enter’, ‘forward’, ‘backward’ en ‘stepwise’), die sterk overeenkomstige resultaten lieten zien. Vervolgens werden als eindmodel de multivariate analyses herhaald met uitsluitend de kenmerken die in de eerdere analyses statistisch significante invloed vertoonden (p < 0,05). In de vraagstelling aan tandartsen is ook ingegaan op psychische werkbelasting. Onder meer is gebruikgemaakt van de ‘Perceived Stress Scale’ (PSS) van Cohen et al (1983), die bestaat uit een aantal Likert-type items. Op basis daarvan kon via een somscore de variabele ‘ervaren werkstress’ worden geconstrueerd. De betrouwbaarheidscoëfficiënt Crohnbach’s Alpha van deze variabele bedroeg 0,89, met mogelijke waarden uiteenlopend van 0 (helemaal geen stress) tot 24 (zeer veel stress).

groep respondenten te kenmerken als representatief voor alle ACTA-studenten.

Resultaten Respons en representativiteit

Van de 780 aangeschreven en bereikte tandartsen hadden er uiteindelijk 196 (25%) de vragenlijst beantwoord. Afgaande op de verdelingen naar enkele persoonskenmerken (leeftijd, geslacht, jaar en plaats van afstuderen en regio van vestiging) vormt deze groep respondenten een redelijk representatieve afspiegeling van de beoogde populatie tandartsen in Nederland. Van de 900 benaderde tandheelkundestudenten werd van 359 (40%) een beantwoorde vragenlijst terugontvangen. Afgaande op de verdeling naar studiejaar was deze

Onderzoeksgroep

Van de 196 tandartsen in dit onderzoek was 42% vrouw. De gemiddelde leeftijd bedroeg 46,8 (± 12,3), waarbij 34% 39 jaar of jonger was en 66% 41 jaar of ouder. De gemiddelde lichaamslengte van de tandartsen was 177,7 (± 8,7) cm en het gemiddelde lichaamsgewicht 75,6 (± 12,2) kg, terwijl de BMI-waarde op 23,9 (± 2,8) lag. Een BMI van 18,5 tot en met 25,0 duidt op een gezond gewicht. Verder gaven veruit de meesten (86%) aan rechtshandig te zijn en meldde 85% regelmatig aan sport te doen. Van de ondervraagde tandartsen was 58% praktijkhouder. Gemiddeld genomen maakten de tandartsen per week 28,9 (± 10,4) stoeluren en waren ze actief in een praktijk waar gemiddeld 2,4 (± 3,5) tandartsen werkten. De ervaren werkstress bedroeg gemiddeld 7,2 (± 4,6) op een schaal van 0 tot en met 24. Zoals tabel 1 laat zien, verschillen vrouwen en mannen op de meeste van deze persoons- en beroepskenmerken. Van de 359 tandheelkundestudenten in het onderzoek was 69% vrouw en 31% man. Hun gemiddelde leeftijd was 23,6 (± 4,1), waarbij 28% 21 jaar of jonger was, 50% 22 tot en met 25 jaar en 22% 26 jaar of ouder. Verder was 45% bachelor- en 55% masterstudent. De gemiddelde lichaamslengte van de studenten was 172,8 (±.9,8) cm en hun gemiddelde lichaamsgewicht 66,5 (± 11,9) kg, terwijl de BMI-waarde op 22,2 (± 2,8) lag. Veruit de meesten (89%) gaven aan rechtshandig te zijn en 65% zei regelmatig aan sport te doen. De tandheelkundestudenten maakten per week gemiddeld 15,5 (± 6,9) (pre)klinische uren. Verder stelde 58% dat zij voldoende onderwijs hadden gehad op het gebied van ergonomie en gaf 47% aan voldoende feedback over een juiste lichaamshouding te hebben gekregen in het praktisch onderwijs. Overigens zei 14% ook elders onderwijs/training te hebben gevolgd over ergonomie, gaf 43% aan bekend te zijn met preventieve technieken om musculoskelettale klachten te voorkomen

Bezigheden hebben moeten staken wegens klachten tijdens afgelopen 12 maanden Vrouw (n= 71)

Man (n=97)

Totaal (n= 168)

Last gehad van deze klachten in de afgelopen 7 dagen Vrouw (n= 71)

Man (n= 97)

Totaal (n= 168)

Nek

2,8%

8,3%

6,0%

21,1%

18,6%

19,6%

Schouders

7,0%

6,2%

6,6%

23,9%

18,6%

20,8%

Ellebogen

2,8%

2,1%

2,4%

2,8%

2,1%

2,4%

Polsen/handen

4,2%

4,1%

4,2%

11,3%

9,3%

10,1%

Bovenrug

2,8%

4,1%

3,6%

12,7%

10,3%

11,3%

Onderrug

7,0%

6,2%

6,6%

16,9%

18,6%

17,9%

Heupen

2,8%

5,2%

4,2%

4,2%

7,2%

6,0%

Knieën

2,8%

2,1%

2,4%

11,3%

6,2%

8,3%

Enkels/voeten 1+ klacht(en) Aantal klachten

1,4%

2,1%

1,8%

4,2%

1,0%

2,4%

33,8%

40,2%

37,5%

47,9%

43,3%

45,2%

0,2

0,2

0,2

1,1

0,9

1,0

Tabel 2. Tijdens de afgelopen 12 maanden hebben moeten staken van bezigheden als gevolg van en/of de afgelopen 7 dagen last hebben gehad van pijn/ ongemak in spieren en ledematen (musculoskelettale klachten) voor tandartsen, naar geslacht.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 584

584

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Bruers e.a.: M usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

en deed 38% regelmatig strekoefeningen. Alleen wat betreft leeftijd en lichaamskenmerken waren er verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke tandheelkundestudenten (tab. 1).

Relatie tussen musculoskelettale klachten en persoons- en

Musculoskelettale klachten

Uit afbeelding 1 blijkt dat 80% van de tandartsen in dit onderzoek aangaf in de afgelopen 12 maanden last te hebben gehad van musculoskelettale klachten. Daarbij werden vooral nek (42%), schouders (48%) en onderrug (46%) genoemd. Overigens maakten vrouwen in niet meer of minder gevallen melding van klachten dan mannen. Ook wat betreft het hebben moeten staken van bezigheden als gevolg van deze musculoskelettale klachten in de afgelopen 12 maanden en het in de afgelopen 7 dagen last hebben gehad van klachten, waren er geen significante verschillen aantoonbaar tussen vrouwelijke en mannelijke tandartsen (tab. 2). Van de tandheelkundestudenten gaf 95% aan in de afgelopen 12 maanden last te hebben gehad van pijn of ongemak in spieren of gewrichten. Ook zij noemden daarbij in de meeste gevallen nek (58%), schouders (55%) en onderrug (64%), alsook bovenrug (47%). Met uitzondering van onderrug, werden deze klachten vaker door vrouwelijke dan door mannelijke tandheelkundestudenten genoemd (afb. 1). Tussen tandartsen en tandheelkundestudenten kwamen eveneens verschillen naar voren. Zo meldden studenten vaker klachten te hebben gehad aan nek, schouders, polsen en/of handen, bovenrug en onderrug, terwijl tandartsen relatief meer klachten hadden gehad aan ellebogen.

beroepskenmerken

Het aantal musculoskelettale klachten waarmee tandartsen in de afgelopen 12 maanden te maken hebben gehad, bleek alleen samenhang te vertonen met ervaren werkstress: naarmate die werkstress hoger was, maakten tandartsen melding van meer klachten. Bij tandheelkundestudenten bleek al dat vrouwen meer klachten hadden. Naarmate studenten ouder waren nam ook het aantal klachten toe, terwijl studenten die zeiden strekoefeningen te doen eveneens meer klachten hadden. Uit de multivariate analyse bleek dat van deze bivariate samenhang geen sprake meer was als ook rekening werd gehouden met het geslachts- en leeftijdseffect.

Discussie

Tandartsen en studenten tandheelkunde ervaren een hoge incidentie aan musculoskelettale klachten. Hierbij worden vooral klachten ervaren van nek, schouders en onderrug. Bij studenten zijn deze incidentiecijfers zelfs hoger dan bij tandartsen. De studenten ervaren daarnaast ook frequent klachten van de bovenrug (afb. 1). Deze hogere cijfers voor tandheelkundestudenten suggereren dat het aanleren van een ergonomisch juiste werkhouding enige tijd kost. De incidentie en locaties van de musculoskelettale klachten van Nederlandse tandartsen zijn vergelijkbaar met die van hun beroepsgenoten in Griekenland en Australië (Alexopoulos et al, 2004, Leggat en Smith, 2006). Tandartsen in Polen rapporteren echter een afwijkend patroon aan musculoskelettale klachten. Zij ervaren minder frequent problemen van de onderrug, maar frequenter heup- en knieproblemen dan Tandartsen (n=165) Studenten (n=359) hun Nederlandse collega’s. Dit bèta sig. bèta sig afwijkende patroon wordt in Vrouw 0,053 0,495 0,156 0,003* verband gebracht met het feit dat Poolse tandartsen tandLeeftijd 0,076 0,327 0,108 0,041* heelkundige behandelingen Lichaamslengte 0,018 0,821 -0,076 0,149 vaker in staande houding verLichaamsgewicht 0,051 0,515 -0,076 0,149 richten (Kierklo et al, 2011). Rechtshandig -0,044 0,576 0,003 0,953 Verondersteld wordt dat Regelmatige sportbeoefening -0,043 0,576 -0,021 0,691 vrouwen door hun andere liErvaren stress 0,273 0,000* chaamsbouw gemiddeld een hoger risico hebben op het ontAantal stoeluren -0,019 0,803 wikkelen van musculoskelettale Praktijkhouder -0,053 0,495 klachten dan mannen (Leggat Aantal tandartsen in praktijk -0,099 0,205 et al, 2007). In overeenstemBachelor student -0,098 0,064 ming hiermee rapporteerden Aantal (pre)klinische uren 0,022 0,675 vrouwelijke Iraanse tandartsen Strekoefeningen 0,129 0,014* een hogere prevalentie van proVoldoende onderwijs -0,020 0,699 blemen aan handen en polsen dan hun mannelijke collega’s Voldoende feedback in onderwijs -0,065 0,218 (Rafie et al, 2015). In het huiElders onderwijs/training gevolgd 0,044 0,405 dige onderzoek werd bij vrouBekend met preventieve technieken -0,024 0,655 welijke tandartsen echter voor bèta = bèta coëfficiënt; sig. = tweezijdig significantie niveau voor t; * = significante verschillen geen enkel lichaamsdeel een Tabel 3. Resultaten van de bivariate lineaire regressieanalyse van persoonlijke (beroeps)kenmerken van tandartsen en significant hogere incidentie tandheelkundestudenten op de somscore van musculoskelettale klachten. van musculoskelettale klachten

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 585

585

124 | november 2017

17-10-17 09:51


T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

Bruers e.a.: M usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

Tandartsen (n= 165)

Vrouw Leeftijd Ervaren stress

Studenten (n= 359)

bèta

t

sig.

bèta

s.e.

sig.

0,188

3,540

0,000

0,148

2,794

0,005

0,273

3,596

0,000

R square

0,069

0,040

bèta = bèta-coëfficiënt t = t statistic (bèta-coëfficiënt gedeeld door standard error bèta-coëfficiënt) sig. = tweezijdig significantieniveau voor t Tabel 4. Resultaten van de multivariate lineaire regressieanalyse van persoonlijke (beroeps)kenmerken van tandartsen en tandheelkundestudenten op de somscore van musculoskelettale klachten.

waargenomen (afb. 1). Dit is in overeenstemming met onderzoek onder Griekse tandartsen, waar geslacht ook geen significante rol speelde in de prevalentie van musculoskelettale klachten (Alexopoulos et al, 2004). Wel rapporteerden vrouwelijke tandheelkundestudenten in Nederland significant meer musculoskelettale klachten dan mannelijke studenten (afb. 1), waarbij de incidentie van nek, schouders en bovenrug significant hoger ligt. Amerikaanse vrouwelijke tandheelkundestudenten vermeldden frequenter klachten aan nek en schouders, maar minder vaak van de onderrug dan mannelijke studenten (Rising et al 2005). Nader onderzoek is nodig naar waarom vrouwelijke studenten wel vaker musculoskelettale klachten vermelden dan hun mannelijke medestudenten, terwijl van dit geslachtsverschil geen sprake is bij afgestudeerde tandartsen. In dit onderzoek bleek de prevalentie van musculoskelettale klachten niet gecorreleerd aan de leeftijd van tandartsen, wat in overeenstemming is met eerdere onderzoeken onder tandartsen in Australië en Iran (Marshall et al, 1997; Chamani et al, 2012). In Griekenland nam de prevalentie bij tandartsen daarentegen wel significant toe met de leeftijd en in Polen werden musculoskelettale klachten vaker gerapporteerd door tandartsen met meer dan 20 jaar werkervaring dan door tandartsen met minder werkervaring (Alexopoulos et al, 2004; Kierklo et al, 2011). Ook onder Nederlandse tandheelkundestudenten neemt het risico op musculoskelettale klachten significant toe met de leeftijd en bijna significant met fase van de studie waarin de student zich bevindt (tab. 4). Bij een onderzoek onder 271 tandheelkundestudenten in Californië rapporteerde meer dan 70% van de hen chronische musculoskelettale klachten gedurende het derde studiejaar (Khan en Chew, 2013). Tijdens een ander onderzoek in de Verenigde Staten werden eveneens de hoogste aantallen klachten over nek, schouders en rug gemeld in het derde studiejaar tandheelkunde (Thornton et al, 2008). De stress die tandartsen ervaren bleek geassocieerd te zijn met een verhoogd risico op musculoskelettale klachten (tab. 4). Dit bevestigt het beeld uit ander onderzoek, dat psychische belasting van tandartsen van invloed is op het ontwikkelen van musculoskelettale aandoeningen (Alexopoulos et al, 2004). In het huidige onderzoek konden enkele relaties tus-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 586

sen musculoskelettale klachten en andere factoren niet worden bevestigd die in de literatuur eerder zijn genoemd. Zo rapporteerden linkshandige Turkse tandheelkundestudenten vaker nek- en schouderklachten dan rechtshandigen (Tezel et al, 2005), met als mogelijke verklaring dat tandheelkundige apparatuur gewoonlijk is ontworpen voor gebruik door rechtshandigen. Verder is gesuggereerd dat regelmatige sportbeoefening het risico op het ontwikkelen van musculoskelettale klachten kan verminderen (Valachi en Valachi, 2003). In dit onderzoek werd echter, net als in een onderzoek onder Braziliaanse tandheelkundestudenten, geen verband gevonden tussen sportbeoefening en musculoskelettale klachten (De Carvalho et al, 2009). De prevalentie van musculoskelettale klachten van Iraanse tandartsen bleek eveneens niet gerelateerd aan regelmatige lichaamsbeweging (Pourabbas et al, 2004). Weliswaar werd in het huidige onderzoek voor tandheelkundestudenten een bivariate relatie gevonden tussen strekoefeningen en musculoskelettale klachten (tab. 3), maar in het multivariate model was hiervan geen sprake meer. Mogelijk dat oudere en/of vrouwelijke studenten dergelijke strekoefeningen gaan verrichten als reactie op zich ontwikkelende musculoskelettale klachten. De hier beschreven uitkomsten zijn verzameld via 2 cross-sectionele metingen. Ofschoon kon worden vastgesteld dat de gegevens afkomstig waren van groepen tandartsen en tandheelkundestudenten die wat betreft een

80% tandartsen last van ­musculoskelettale klachten aantal algemene achtergrondkenmerken redelijk representatief zijn, bestaat altijd het risico dat aan het onderzoek vooral degenen hebben meegedaan die last hadden van musculoskelettale klachten. Gezien de overeenkomst met de uitkomsten van andere internationale onderzoeken lijkt dit risico beperkt, maar uit te sluiten is het niet. Desalniettemin kan samenvattend worden gesteld dat musculoskelettale aandoeningen geen uitzondering zijn onder tandartsen in Nederland en zeker niet onder degenen die voor dit beroep studeren. De suggestie van Hokwerda et al (2007) dat vrouwelijke tandartsen een verhoogd risico hebben op het ontwikkelen van musculoskettale klachten wordt door ons onderzoek niet ondersteund. Bij tandheelkundestudenten was het vrouwelijk geslacht wel geassocieerd met een verhoogd risico. Onder tandartsen is de ervaren stress echter een belangrijke risicofactor, onafhankelijk van het geslacht, Gezien de negatieve effecten op werktevredenheid, aantal productieve uren en ziekteverzuim (Valachi en Valachi, 2003; Anghel et al, 2007; Morse et al, 2010) is nader onderzoek naar preventie van musculoskelettale aandoeningen dringend gewenst. In dit verband benadrukken verschillende onderzoekers het belang van ergonomie in

586

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Bruers e.a.: M  usculoskelettale aandoeningen onder tandartsen en studenten

het tandheelkundig curriculum om het risico op musculoskelettale problemen te reduceren (Melis et al, 2004, Diaz-Caballero et al, 2010). Zo wordt aanbevolen de positie van de behandelstoel voor elke patiënt aan te passen, aangezien een juiste positie op de kans op musculoskelettale klachten zou verminderen (Valachi en Valachi, 2003). Slechts een kwart van de Nederlandse tandartsen (25,7%) meldt deze handeling bij elke patiënt uit te voeren. Daarnaast gaven veel Nederlandse tandheelkundestudenten aan (voldoende) onderwijs over ergonomie te hebben gehad. Gezien de hoge incidentie van musculoskelettale klachten onder vooral de studenten is er aanleiding om het voorgestelde onderzoek vooral te richten op de doelmatigheid van het (postacademisch) ergonomieonderwijs en de voorlichting over een juiste werkhouding.

T hem a: Vrouwen i n de tandheel kunde

letal symptoms in New South Wales dentists. Aust Dent J 1997; 42: 240-246. * Melis M, Abou-Atme YS, Cottogno L, Pittau R. Upper body musculoskeletal symptoms in Sardinian dental students. J Canad Dental Assoc 2004; 70: 306-310. * Morse T, Bruneau H, Dussetschleger J. Musculoskeletal disorders of the neck and shoulder in the dental professions. Work 2010; 35: 419-429. * Pourabbas R, Shakouri SK, Hajidizaji R. Prevalence and risk factors of musculoskeletal disorders among dentists in Tabriz. Med J Tabriz Univ Med Sci 2004; 38: 34-39. * Rafie F, Jam AZ, Shahravan A, Raoof M, Eskandarizadeh A. Prevalence of upper extremity musculoskeletal disorders in dentists: symptoms and risk factors. J Environ Public Health 2015; article ID 517346. * Rising DW, Bennett BC, Hursh K, Plesh O. Reports of body pain in a dental student population. J Am Dent Assoc 2005; 136: 81-86.

Literatuur * Alexopoulos EC, Stathi IC, Charizani F. Prevalence of musculoskeletal disorders in dentists. BMC Musculoskelet Disord 2004; 5: 16. * Anghel M, Argesanu V, Talpos-Niculescu C, Lungeanu D. Musculoske-

* Tezel A, Kavrut F, Tezel A, Kara C, Demir T, Kavrut R. Musculoskeletal disorders in left- and right-handed Turkish dental students. Int J Neurosci 2005; 115: 255-266. * Thornton LJ, Barr AE, Stuart-Buttle C, et al. Perceived musculoskeletal

letal disorders (MSDs)-consequences of prolonged static postures. J

symptoms among dental students in the clinic work environment.

Exp Med Surg Res 2007; 4: 167-172.

Ergonomics 2008; 51: 573-586.

* Bruers JJM, Boer JCL, van Dam BAFM. Project Peilstations: monitor van de tandheelkundige beroepsuitoefening in Nederland. Ned Tijdschr Tandheelkd 2014; 121: 345–352. * Chamani G, Reza Zarei M, Momenzadeh A, Safizadeh H, Rad M, Alahyari A. Prevalence of Musculoskeletal Disorders among Dentists in Kerman, Iran. J Musculoskeletal Pain 2012; 20: 202-207. * Chou R, Shekelle P. Will this patient develop persistent disabling low

* Valachi B, Valachi K. Mechanisms leading to musculoskeletal disorders in dentistry. J Am Dent Assoc 2003; 134: 1344-1350. * WHO. Identification and control of work-related diseases: report of a WHO expert committee. WHO Tech Rep Ser 1983; 7-71. * Wouters JAJ. Beroepsgebonden aandoeningen van het bewegingsapparaat. Een multicausaal probleem? Ned Tijdschr Tandheelkd 2002; 109: 227-232.

back pain? JAMA 2010; 303: 1295-1302. * Cohen S, Kamarck T, Mermelstein R. A Global Measure of Perceived

Summary

Stress. J of Health and Soc Beh 1983; 24: 385-396. * De Carvalho MV, Soriano EP, De França Caldas A jr, Campello RI, De

Musculoskeletal disorders among dentists and dental students

Miranda HF, Cavalcanti FI. Work-related musculoskeletal disorders

in the Netherlands

among Brazilian dental students. J Dent Educ 2009; 73: 624-630.

In this study, the prevalence of musculoskeletal symptoms among dentists

* Diaz-Caballero AJ, Gómez-Palencia IP, Díaz-Cárdenas S. Ergonomic

and dental students in the Netherlands was inventoried by means of 2

factors that cause the presence of pain muscle in students of dentistry.

corresponding web surveys. 196 (25% response) dentists and 359 (40%

Medicina Oral Patologia Oral y Cirugia Bucal 2010; 15 :e906-e911.

response) dental students participated. 80% of the dentists and 95% of

* Hayes MJ, Cockrell D, Smith DR. A systematic review of musculoske-

the dental students reported to have suffered from pain in muscles and

letal disorders among dental professionals. Int J Dent Hyg 2009; 7:

joints in the last 12 months. In particular, they mentioned complaints of

159-165.

the neck, the shoulders and the lower back. Dental students also frequently

* Hokwerda O, Wouters JAJ, Ruijter de RAG, Zijlstra-Shaw BDS. Ergonomic requirements for dental equipment. ESDE: 2007. * Khan SA, Chew KY. Effect of working characteristics and taught

reported complaints of the upper back. Many physical complaints were more common among females than male students. In contrast, no gender difference was observed for dentists, but regarding this group stress proved to be an

ergonomics on the prevalence of musculoskeletal disorders amongst

important risk factor for developing musculoskeletal complaints. Given the

dental students. BMC Musculoskelet Disord. 2013; 14: 118.

negative impact on the profession, further research into the prevention of

* Kierklo A, Kobus A, Jaworska M, Botuliński B. Work-related musculoskeletal disorders among dentists - a questionnaire survey. Ann Agric

musculoskeletal disorders is urgently needed, in particular about the efficiency of (postgraduate) education and occupational briefing in that domain.

Environ Med 2011; 18: 79-84. * Kuorinka I, Jonsson B, Kilbom A, et al. Standardised Nordic question-

Bron

naires for the analysis of musculoskeletal symptoms. Appl Ergon.

J.J.M. Bruers1, L.E.C.M. Trommelen1,2, P. Hawi1,2, H.S. Brand2

1987; 18: 233-237.

Uit de afdelingen 1Sociale Tandheelkunde en 2Orale Biochemie van het

* Leggat PA, Smith DR. Musculoskeletal disorders self-reported by dentists in Queensland, Australia. Aust Dent J 2006; 51: 324-327. * Leggat PA, Kedjarune U, Smith DR. Occupational health problems in modern dentistry: a review. Ind Health 2007; 45: 611-621.

Academisch Centrum Tandheelkunde Amsterdam (AC TA). Datum van acceptatie: 12 juni 2017 Adres: dr. H.S. Brand, ACTA, Gustav Mahlerlaan 3004, 1081 LA Amsterdam hbrand@acta.nl

* Marshall ED, Duncombe LM, Robinson RQ, Kilbreath SL. Musculoske-

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 587

587

124 | november 2017

17-10-17 09:51


De nieuwe norm in reiniging en desinfectie!

Betere hygiëne, meer capaciteit, meer zekerheid

Vrij van zorgen

GRATIS starterskit Miele ProCare Dent*

Na slechts één ingreep!

Het miniSKY systeem

Eenvoudig in gebruik. Blijft goed zitten. Gelukkige patiënten.

ec nn co

oss eo

Help uw tandeloze patiënt met miniSKY, zodat hij weer krachtig ergens in kan bijten!

t oppervlak (ocs® )

„De veilige en comfortabele prothesefixatie“

mini

Eenvoudig | Minimaal-invasieve implantatie met miniSKY implantaten – Vermijding van complexe botopbouw. Snel | Directe fixatie van de totale prothese door implantaatgedragen ondersteuning. Rendabel | Transgingivaal ingroeiproces bespaart een tweede ingreep. Meer informatie over de mogelijkheden van de prothesefixatie met het miniSKY systeem via telefoonnummer 0032-89468881.

Miele thermodesinfectoren overtuigen met perfecte reinigingsresultaten en een grote capaciteit. De nieuwe generatie staat garant voor maximale hygiëne en veiligheid tijdens de verwerking van uw kostbare instrumenten.  Krachtige gepatenteerde spoeltechniek door een frequentiegestuurde circulatiepomp met geïntegreerde verwarming  Optimale reiniging door verbeterde rekken en inzetten  Minder verbruik van water, energie en chemie door toepassing van specifieke programma‘s en EcoDry  Hoge betrouwbaarheid van het proces door nieuwe uitgebreide controlefuncties Voordelen waar u dagelijks plezier van heeft! Info: (0347) 37 88 84 www.miele-professional.nl

bredent medical GmbH & Co. KG | Weissenhorner Str. 2 | 89250 Senden | Germany * Bij aankoop van een Miele thermodesinfector.

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 588

17-10-17 09:51


D. Niesten

Onderzoek en wetenschap

Serie: Hora est. Mondzorg en mondgezondheid­ gerelateerde levenskwaliteit van kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen Kwetsbare ouderen gaan vaak niet meer naar een tandarts, terwijl hun mondverzorging en mondgezondheid achteruit gaan. Op basis van open interviews en vragenlijsten werd onderzocht waarom kwetsbare ouderen hun mondzorggedrag veranderen en met welke (kwetsbaarheids)factoren dit samenhangt. Deze factoren bleken vooral gerelateerd te zijn aan motivatie: zodra vermeende inspanningen niet langer opwogen tegen vermeende voordelen van tandartsbezoek en mondverzorging, gaven kwetsbare ouderen hun mondzorgroutines op en maakte het hen niet langer uit of ze gebits­elementen verloren. Voor het meten van de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit van kwetsbare ouderen schieten standaard vragenlijsten zoals de gevalideerde Geriatric Oral Health Assesment Index-NL tekort omdat deze geen persoonlijke context opleveren die nodig is om de scores te kunnen interpreteren. (Mond)zorgverleners zouden vanaf de levensfase voorafgaande aan de kwetsbaarheid moeten monitoren op specifieke factoren, waaronder chronische pijn of afnemende mobiliteit, motorische vaardigheden, cognitie, levenslust, energie en sociale steun, die de mondgezondheid en het mondzorggedrag van hun oudere patiënten negatief kunnen beïnvloeden. Niesten D. Serie: Hora est. Mondzorg en mondgezondheidgerelateerde levens­ kwaliteit van kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 589-592 doi: https://doi.org/10.5177/ntvt.2017.11.17168

Inleiding Onderzoek laat zien dat de mondgezondheid van veel kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen, zowel thuiswonend als in verzorgings- of verpleeghuizen, te wensen overlaat. Momenteel investeert het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in innovatieve en kosteneffectieve persoonsgerichte benaderingen om de mondgezondheid van kwetsbare ouderen te verbeteren. Daarvoor moet eerst onderzocht worden welke visie, houding en gedrag ten aanzien van mondzorg en mondgezondheid kwetsbare ouderen hebben en hoe deze aan kwetsbaarheid, mondgezondheid en levenskwaliteit zijn gerelateerd. Daarnaast is informatie nodig over de barrières voor mondverzorging en tandartsbezoek om de beschikbare middelen effectief in te kunnen zetten. De onderzoeksresultaten van het proefschrift geven in deze zaken inzicht.

Leerdoelen Na het lezen van dit artikel: - weet u waarom kwetsbare ouderen hun mondzorggedrag veranderen en met welke kwetsbaarheidsfactoren dit samenhangt.

Het promotieonderzoek Eerst is de invloed onderzocht van het hebben van de eigen dentitie op de levenskwaliteit van kwetsbare ouderen en welke rol kwetsbaarheid hierbij speelt. Hiervoor werd kwalitatief (thematisch) onderzoek uitgevoerd door middel van open (diepte-)interviews met 38 Nederlandse dentate ouderen in verzorgingshuizen of bij dagopvanglocaties in Oost-Nederland. Aanvullende gegevens werden verzameld over leeftijd, geslacht, woonsituatie, aanwezigheid van uitneembare gebitsprothesen, zelfgerapporteerde mondgezondheid, chronische ziekten en zorgzwaarte met behulp van de ZorgZwaartePakket (ZZP)-index, die het type en de intensiteit van de ontvangen zorg weergeeft. Gestreefd werd naar maximale variatie in leeftijd, geslacht en mate van kwetsbaarheid van deelnemers (ZZP-score 1 t/m 6, tab. 1). Er werden 7 thema’s geïdentificeerd met betrekking tot de relatie eigen dentitie en levenskwaliteit (tab. 2). Het hebben van eigen dentitie had in het algemeen een positief effect op de levenskwaliteit. De thema’s trots en prestatie, intactheid en gevoel van controle kwamen het vaakst voor bij de meest kwetsbaren (ZZP 4-6). Deze groep vergeleek zichzelf met leeftijdgenoten die veelal edentaat waren en waardeerden hun gebitsstatus vanuit het perspectief van hun afnemende gezondheid. In het algemeen maakte het mannen minder uit of ze de eigen dentitie hadden dan vrouwen, ongeacht de mate van kwetsbaarheid. Geconcludeerd kon worden dat de levenskwaliteit van kwetsbare ouderen in het algemeen positief beïnvloed wordt door het hebben van de eigen dentitie en dat deze invloed groter lijkt bij de meest kwetsbaren. Het behoud

“Je eigen tanden hebben, dat betekent een stukje zelfbehoud, je voelt je beter over jezelf. Het betekent dat je dat kleine stukje van je lichaam nog hebt, terwijl de rest uit elkaar valt.”

Op 23 juni 2017 promoveerde ir. Dominique Niesten aan de Radboud Universiteit in Nijmegen op haar proefschrift ‘Oral health care and oral health related quality of life of frail and care-dependent older people’. Promotor was prof. dr. N.H.J. Creugers en copromotoren waren dr. D.J. Witter en dr. E.M. Bronkhorst.

Uit interview met een 70-jarige vrouw met ziekte van Parkinson.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 589

589

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Onderz oek en wetensc hap

Serie: Hora est

ZZP

Begeleiding

Verzorging

Medische zorg Probleemgedrag

Zorg indicatie uren/wk

sociale redzaam- psycho-sociaal heid functioneren

persoonlijke zorg

mobiliteit

motorisch functioneren

1

+

0

+

+

0

0

0

3-5

2

+++

+

++

+

+

+

0

5,5-7,5

3

++++

++

++++

+++

++

+

0

9,5-11,5

4

++++

+++

++

+

+

+

+

11-13,5

5

+++++

++++

++++

++++

++

+

+

16,5-20

6

++++

+++

+++++

+++++

+++

++

0

16,5-20

0 = op dit aspect is geen zorg nodig; ++ = stimuleren/toezien; ++++ = hulp nodig; ++++++ = staf neemt de zorg over Tabel 1. Zorgtype en zorgzwaarte per ZZP (Zorgzwaartepakket) (Bron: Zorgzwaartepakketten V&V Enschede 2011 PJ/10/1657/imz).

van de eigen dentitie draagt bij aan een positief zelfbeeld en eigenwaarde. Vervolgens werd het verband tussen kwetsbaarheid en mondzorggedrag onderzocht om barrières en motiverende factoren met betrekking tot de eigen mondverzorging en professionele mondzorg te identificeren. Uit kwalitatieve analyses van open (diepte-)interviews met 51 dentate en edentate ouderen met verschillende gradaties van kwetsbaarheid, in verzorgingshuizen of bij dagopvanglocaties in Oost Nederland, kwamen 3 hoofd- en 5 subthema’s naar voren. Deze hoofdthema’s gaven aan dat kwetsbare ­ouderen: A. zolang mogelijk vasthouden aan vertrouwde mondverzorgingsroutines om een gevoel van eigenwaarde te behouden; B. tandartsbezoek en uiteindelijk ook de mondverzorgingsroutines opgeven bij ernstige gezondheidsklachten (vooral chronische pijn, gebrek aan levenslust en energie) vanwege: B1. weinig vertrouwen in het resultaat van eigen mondverzorging en van tandartsbezoek; B2. het bagatelliseren van mondgezondheid en de mondzorg; B3. een bewust gebruik van de beperkte energie voor andere prioriteiten dan mondzorg. C. belemmeringen voor mondzorg en tandartsbezoek ervaren zodra ze in een verzorgingshuis terechtkomen, in het bijzonder: C1. psychische belemmeringen zoals desoriëntatie; C2. sociale belemmeringen (de juiste hulp is er niet of men wil er niet om vragen). Uit de analyses kon worden geconcludeerd dat het type en de mate van kwetsbaarheid gerelateerd waren aan het mondzorggedrag. Een derde onderzoek had het vertalen en valideren van de Engelse versie van de Geriatrische Oral Health Assessment Index (GOHAI) ten doel. De GOHAI bestaat uit 12 vragen in 3 dimensies (fysiek functioneren, psychosociaal functioneren, pijn en ongemak) en is een van de meest gebruikte instrumenten voor het meten van de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit van ouderen. Na vertaling van de vragenlijst werd deze besproken door een panel van deskundigen, terugvertaald naar de originele versie, door

middel van een pilot getest en beoordeeld op cognitieve en conceptuele gelijkwaardigheid. De vertaalde GOHAI werd getest in 2 groepen cognitief gezonde mensen van 65 jaar en ouder: een zorgonafhankelijke groep (n = 109, gemiddelde leeftijd 73,1 ± 5,4 jaar) en een zorgafhankelijke groep (n = 118, gemiddelde leeftijd 85,6 ± 7,0 jaar). Geconcludeerd werd dat de betrouwbaarheid en validiteit van de GOHAI-NL voldoende is om de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit te meten van Nederlandse zorgafhankelijke en zorgonafhankelijke ouderen (intermezzo 1). In een vierde onderzoek werden de relaties tussen mondgezondheidgerelateerde factoren, algemene gezondheidgerelateerde factoren en mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit (uitgedrukt in GOHAI-scores) onderzocht onder zorgonafhankelijke deelnemers uit de tandheelkundepraktijk van het Radboudumc Nijmegen (n = 109) en onder zorgafhankelijke deelnemers uit verzorgingshuizen (n = 126). De verzamelde gegevens betroffen GOHAI-scores, leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, het aantal gebitselementen en occlusale eenheden, aanwezigheid van carieuze gebitselementen, aanwezigheid van uitneembare gebitsprothesen, klinisch vastgestelde en ervaren behandelnoodzaak en zelfgerapporteerde algemene gezondheid. Voor zorgafhankelijke deelnemers werden ook de ZZPindex en variabelen met betrekking tot specifieke gezondheidsdomeinen geïncludeerd: fysiek, mentaal en sociaal. Met meervoudige lineaire regressie-analyses werden de associaties met GOHAI-scores berekend. Voor zorgonafhankelijke deelnemers lieten regressiemodellen significante associaties (p ≤ 0,05) zien tussen hogere GOHAI-scores (indicatief voor een betere mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit) enerzijds en hogere leeftijd en afwezigheid van een klinisch vastgestelde behandelnoodzaak anderzijds; afwezigheid van uitneembare gebitsprothesen was bijna significant geassocieerd met hogere GOHAI-scores (p = 0,053). Voor zorgafhankelijke deelnemers was er alleen een significante associatie tussen hogere GOHAI-scores en afwezigheid van een klinisch vastgestelde behandelnoodzaak. De zelfgerapporteerde algemene gezondheid en de mate van zorgafhankelijkheid waren niet significant geassocieerd met GOHAI-scores. Wanneer deze variabelen werden vervangen door de variabelen van afzonderlijke gezondheidsdomeinen, was alleen een hogere mate van

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

590

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 590

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Onderz oek en wetensc hap

Serie: Hora est

Thema’s

Relatie tussen natuurlijke gebitselementen en levenskwaliteit

Trots en prestatie

Het hebben en het behouden hebben van natuurlijke gebitselementen geeft kwetsbare ouderen een gevoel dat ze iets gepresteerd hebben waar ze trots op zijn, zeker in vergelijking met leeftijdsgenoten zonder eigen dentitie. Vooral voor degenen voor wie de dagelijkse mondverzorging veel inspanning vergt, is het idee dat ze hiermee iets presteren van belang.

Intactheid

Mensen ervaren dat het hebben van natuurlijke gebitselementen bijdraagt aan een gevoel van waardigheid, zelfbehoud en lijfsbehoud, zeker tegen de achtergrond van een lichaam dat gaandeweg steeds minder goed functioneert. ‘Valse tanden’ (een gebitsprothese), horen niet bij je lichaam.

Controle

Door het gebit te kunnen blijven verzorgen, hebben kwetsbare ouderen een gevoel van controle, autonomie en onafhankelijkheid. Dit gevoel wordt versterkt wanneer ze controle over andere delen van hun lichaam kwijtraken.

Functionerende mond

Het belang van een mond die goed functioneert – vooral om te eten en te praten – is evident. De algemene overtuiging is dat eigen dentitie tot een betere functionaliteit leiden. Ook menselijke waardigheid speelt hierbij een rol. Deze wordt aangetast wanneer een oudere zijn gebitsprothese naast zijn bord moet leggen omdat hij anders niet kan eten of omdat het ‘kleppert’ als hij spreekt.

Uiterlijk

Ook op hoge leeftijd vinden mensen, vooral vrouwen, het belangrijk om er netjes en goed verzorgd uit te zien. De overheersende opvatting is dat de eigen, natuurlijke gebitselementen daar meer aan bijdragen dan een gebitsprothese, onder meer omdat een ‘perfect kunstgebit’ soms te sterk contrasteert met een verouderd gezicht.

Comfort

Natuurlijke gebitselementen dragen bij aan comfort, doordat ze geen of minder zorgen opleveren over het (kunnen) eten, spreken en over comfort en over uiterlijk. Ook de smaakbeleving is beter met natuurlijke gebitselementen.

Adaptatie, coping

Dat de gebitsstatus verslechtert, wordt in het algemeen door ouderen ervaren als iets dat onvermijdelijk is. Vooral de meest kwetsbaren kunnen zich gemakkelijk neerleggen bij een, in hun eigen beleving, matige of slechte mondgezondheid. Verschillende ‘jongere’ of licht kwetsbare mensen vinden het op dit moment belangrijk om hun eigen dentitie te behouden, maar verwachten dat ze het verlies ervan gemakkelijk kunnen accepteren naarmate ze ouder en kwetsbaarder worden.

Tabel 2. Zeven thema’s in de relatie tussen het hebben van natuurlijke gebitselementen en levenskwaliteit van kwetsbare ouderen.

sociale ondersteuning significant geassocieerd met hogere GOHAI-scores. De conclusie was dat in de groep zorgafhankelijke ouderen de mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit sterker gerelateerd is aan sociale ondersteuning dan aan mondgezondheid of aan algemene gezondheid. Ten slotte werd in een vijfde onderzoek getracht inzicht te krijgen in de factoren die samenhangen met ongunstig mondzorggedrag en in welke mate deze factoren gerelateerd zijn aan kwetsbaarheid. Bij een groep zorgafhankelijke 65-plussers in verzorgingshuizen (n = 126) met verschillende niveaus van zorgzwaarte werd onderzocht: 1. welke factoren (wel of niet aan kwetsbaarheid gerelateerd) geassocieerd zijn met: gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten (GTD), met veranderde gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten na zorgafhankelijkheid (GTD-Z), met de poetsfrequentie (PF) en met een veranderde poetsfrequentie na zorgafhankelijkheid (PF-Z). 2. of ongunstig mondzorggedrag gerelateerd is aan ongunstige mondgezondheidsuitkomsten. De 126 deelnemers ondergingen een klinisch mondonderzoek en beantwoordden vragen over algemene en mondgezondheid (inclusief mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit, psychologische, sociale en mondgezondheidgerelateerde gedragsfactoren), geslacht, leeftijd en sociaaleconomische status. De associaties tussen de af-

hankelijke variabelen (GTD, GTD-Z, PF, PF-Z) en de onafhankelijke factoren en mondgezondheidsuitkomsten werden geanalyseerd met behulp van bivariate analyses en binaire logistische regressieanalyses. Een lagere gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten (GTD) was vooral geassocieerd met niet-kwetsbaarheidgerelateerde factoren, in het bijzonder edentaat

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

591

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 591

Intermezzo 1. Statistiek bij validatie GOHAI-NL De interne consistentie van de vragenlijst werd bevestigd door Cronbach’s alfa’s van 0,86 in de zorgonafhankelijke en 0,80 in de zorgafhankelijke groep. In het algemeen waren item-totaalscore correlaties tussen de 0,4 en 0,7 in beide groepen. Item-dimensiescore- en dimensie-totaalscorecorrelaties waren respectievelijk tussen 0,30 en 0,78 en rond 0,7 voor de dimensies ‘fysiek functioneren’ en ‘­psychosociaal functioneren’, maar lager voor de dimensie ‘pijn en ongemak’: respectievelijk tussen 0,13 en 0,44 en rond de 0,45. De test-hertestcorrelatie van de totale GOHAI-score was 0,88 (intraclass correlation coefficients (ICCs) per item: 0,62-0,88) in de zorgonafhankelijke groep en 0,93 (ICCs per item: 0,64-0,91) in de zorgafhankelijke groep. GOHAI-scores waren statistisch significant gecorreleerd in de verwachte richting met de meeste mond­ gezondheidgerelateerde variabelen.

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Serie: Hora est

Onderz oek en wetensc hap

zijn (OR = 3,75; CI: 1,20-11,71; p = 0,023) en een lagere sociaaleconomische status (OR = 1,74, CI: 0,97-3,14; p = 0,065). Een afgenomen gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten na zorgafhankelijkheid (GTD-Z) werd vooral geassocieerd met faciliterende en behoeftegerelateerde factoren, in het bijzonder “moeite om bij de tandarts te komen” (OR = 4,98; CI: 1,85-13,36; p = 0,001) en met een klinisch vastgestelde behandelnoodzaak (OR = 3,23; Cl: 1,24-8,42; p = 0,016). Een lagere poetsfrequentie en een afgenomen poetsfrequentie na zorgafhankelijkheid (PF-Z) waren vooral geassocieerd met kwetsbaarheid en in het geval van PF-Z significant geassocieerd met “de moeite niet op kunnen brengen om te poetsen” (OR = 8,28; Cl: 1,44-47,56; p = 0,018) en met een grotere zorgzwaarte (OR = 4,14; CI: 1,05-16,36; p = 0,043). Mensen die minder gebruikmaakten van tandheelkundige diensten en minder vaak poetsten sinds ze zorgafhankelijk waren geworden, hadden een slechtere mondgezondheid en een lagere mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit dan mensen met een hogere gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten en hogere poetsfrequentie. Het bleek dus dat verminderd gebruik van mondzorg en verlaagde poetsfrequentie na de zorgafhankelijkheid gerelateerd zijn aan een aantal specifieke kwetsbaarheidgerelateerde factoren. (Mond)zorgverleners moeten derhalve alert zijn op deze factoren.

dere kunnen beïnvloeden en deze informatie met elkaar moeten uitwisselen. 2. Verbeter de communicatie met de oudere patiënt: wees alert op zaken die van invloed kunnen zijn voor het mondzorggedrag van de patiënt, zoals de hierboven beschreven kwetsbaarheidsgerelateerde factoren. Literatuur * Niesten D. Oral health care and oral health related quality of life of frail and care-dependent older people. Nijmegen: Radboud Universiteit, 2017. Academisch proefschrift. Summary A PhD completed. Oral health care and oral health-related quality of life of frail and care-dependent older people When older people become frail, they often give up making dental visits, while their oral health care and oral health deteriorate. Open interviews and questionnaires were used to explore why frail older people change their oral health care behaviour and which (frailty-related) factors contribute to this change. These are mainly motivation-related factors. There seems to be a turning point where frail older people discontinue their oral health care routines and stop caring whether or not they loose teeth, because the perceived efforts no longer outweigh the perceived benefits of making dental visits and upkeep of oral hygiene. The use of standard questionnaires such as the validated Geriatric Oral Health Assessment Index-NL to measure oral

Conclusies

health-related quality of life is limited, because they do not provide personal

Het perspectief op mondgezondheid en mondzorggedrag wordt beïnvloedt door de mate en het type kwetsbaarheid. Chronische pijn, gebrek aan energie en gebrek aan levenslust beïnvloeden mondzorggedrag hoofdzakelijk door verlaagde prioritering van en motivatie voor mondverzorging. Beperkingen in mobiliteit en motorische vaardigheden, cognitie, desoriëntatie en gebrek aan sociale steun vormen structurele belemmeringen voor mondzorggedrag die alleen met hulp van anderen overkomen kunnen worden. Opname in een verzorgingshuis versterkt de invloed van deze kwetsbaarheidsfactoren op mondzorggedrag. Er lijkt een kantelpunt te zijn waarop kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen hun mondverzorgingsroutines opgeven en het hen niet langer uitmaakt of ze gebitselementen verliezen omdat de inspanningen niet langer opwegen tegen de verwachte voordelen van tandartsbezoek en mondverzorging. Daarnaast zijn een lagere sociaal­ economische status en het hebben van volledige gebitsprothesen gerelateerd aan ongunstig mondzorggedrag. Ten slotte moet erop worden gewezen dat de GOHAIuitkomsten van verschillende populaties een zorgvuldige interpretatie behoeven in het licht van specifieke contextuele factoren die dergelijke populaties onderscheiden. Enkele praktische aanbevelingen voor de mondzorg­ lening aan van kwestbare ouderen zijn: 1. Monitor gedrag en bied persoonsgerichte mondzorg (mede op basis van orale kwetsbaarheid). Mond- en andere betrokken zorgverleners zouden al vanaf een prekwetsbare fase factoren moeten monitoren die de mondgezondheid en het mondzorggedrag van een ou-

context required to interpret the outcomes. From a pre-frail stage (oral)

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

592

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 592

care providers should monitor specific factors that might negatively affect oral health and oral health care behaviour, like chronic pain or diminished mobility, dexterity, cognition, will to live, energy and social support. Bron D. Niesten Uit de afdeling Tandheelkunde van het Radboudumc in Nijmegen. Datum van acceptatie: 2 oktober 2017 Adres: mw. dr. ir. D. Niesten, Radboudumc, Postbus 9101, 6500 HB Nijmegen dominique.niesten@radboudumc.nl

124 | november 2017

17-10-17 09:51


GRATIS WATERFLOSSER

*

Effectieve plakverwijdering Verwijdert tot 99,9% tandplak van de behandelde gebieden.1

Gezonder tandvlees

N EZE BEW IG

VEIL

Vermindert bloedend tandvlees tot 93% binnen 4 weken.1

Onmisbaar bij implantaten Tot 2x effectiever dan flosdraad voor het verbeteren van de gezondheid van het tandvlees rond implantaten.1

Superieure reiniging rondom beugels Tot 5x effectiever in het verwijderen van tandplak rondom beugels dan poetsen alleen.1

Meer weten? Plan een Lunch & Learn *Neem contact op met Waterpik® en plan een Lunch & Learn. Wij nemen een heerlijke lunch mee voor het hele team en een Waterpik® Waterflosser. Tijdens de Lunch & Learn krijgt u meer inzicht in:

LUNCH

LEER

PROBEER

• De voor- en nadelen van verschillende interdentale hulpmiddelen • Klinische studies • De effectiviteit en werking van de Waterflosser Ook kunt u de Waterpik® Waterflosser zelf uitproberen.

Contact

info@waterpik.nl of

+31 (0) 35 - 695 14 43

Ga naar www.waterpik.nl voor de details.

1

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 593

WATERFLOSSER

17-10-17 09:51


®

Handboek communicatie in de mondzorg

Distributed by ICX Implants B.V.

Het FAIRE Premium Implantaat

Effectieve gespreksvoering in de dagelijkse praktijk P

MAXIMALE KWALITEIT, FAIRE PRIJZEN, TRANSPARANTIE!

€ 49,50

®

WIJ OVERTUIGEN AL 14 JAAR MET STABIELE PRIJZEN VOOR EEN PREMIUM DUITS/ZWITSERS IMPLANTAATSYSTEEM! Redactie: A.J.E. Smith, A.J.M. Oomen en G.J. Truin • Paperback • 268 p. • in 24 uur leverbaar

Boodtlaan 10 · 1796 BE De Koog · Tel.: 0222 - 76 90 11 E-mail: info@icx-implants.nl · Web: www.icx-implants.nl

RAI CONGRESCENTRUM AMSTERDAM

VRIJDAG 2 FEBRUARI 2018

Martijn Moolenaar

Javier Tapia Guadix Dr. Marco Gresnigt

Dr. Sjoerd Smeekens

Schrijf u nu in voor deze praktische congresdag

www.restaureren2018.nl

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 594

17-10-17 09:51


Excerpten Restauratieve tandheelkunde

Klinische evaluatie van lithiumdisilicaat kronen in de zijdelingse delen Monolithisch lithiumdisilicaat is een veelgebruikt glaskeramiek waarmee indirecte restauraties in de zijdelingse delen kunnen worden gemaakt. Over de resultaten op lange termijn is echter weinig gepubliceerd. In dit onderzoek wordt de duurzaamheid geëvalueerd van lithiumdisilicaat kronen, geplaatst tussen 1997 en 2010. Bij de restauraties die zijn vervaardigd voor 2004 is gebruikgemaakt van IPS Empress II™ en vanaf 2004 van IPS e.max Press™ (beide van Ivoclar Vivadent). Alle restauraties zijn gemaakt door hetzelfde tandtechnische laboratorium. Ze zijn alle adhesief geplaatst door dezelfde behandelaar volgens een standaardprotocol. De evaluatie vond plaats in 2015 door middel van klinische inspectie en aan de hand van röntgenfoto’s. In de evaluatie zijn 13 patiënten met in totaal 87 restauraties opgenomen. Van deze 13 patiënten zijn er 12, met in totaal 74 restauraties, daadwerkelijk in de klinische evaluatie betrokken. Verloren gingen 13 restauraties: 4 als gevolg van cariës naast de restauratie, in 2 gevallen was de restauratie losgekomen en in 7 gevallen waren de restauraties zelf gebroken. Op basis van de gegevens van alle 13 patiënten is voor 3 momenten in de levensduur van de restauraties de overlevingskans uitgerekend. Na 5 jaar is de overleving 92%, na 10 jaar 85,5% en na 15 jaar 81,9%. Het onderzoek kent beperkingen door de retrospectieve opzet en het gegeven dat alle kronen zijn geplaatst door 1 behandelaar. Toch menen de onderzoekers te mogen concluderen dat monolithisch lithiumdisilicaat een goed breukbestendig en duurzaam toe te passen materiaal is, geschikt voor het maken van indirecte restauraties in de zijdelingse delen. F.E.L. Wolffensperger, M.S. Cune

dat glazuurlaesies niet worden meegenomen in officiële statistieken. Bovendien is de prevalentie van approximale glazuurlaesies aanzienlijk; bij Zweedse 16-jarigen is 80% van de approximale laesies beperkt tot het glazuur. Progressie van deze laesies voorkomen moet dan ook een belangrijke doelstelling zijn in de tandartspraktijk. In dit onderzoek stond de vraag centraal of meer approximale cariësprogressie werd gevonden in een groep adolescenten met of zonder een 3-jarig schoolgebonden fluoridelakprogramma. In totaal deden 758 13-jarigen mee aan een RCT-onderzoek naar de effectiviteit van fluoridelak op approximale cariësprogressie. Zij gebruikten allen fluoridehoudende tandpasta en bezochten regelmatig de tandarts. In de experimentele groep werd in verschillende frequenties, maar minimaal 2 keer per jaar, fluoridelak aangebracht in de cariësrisicogebieden. De approximale vlakken werden bij start en einde van het onderzoek beoordeeld op bitewingopnamen door speciaal hiervoor getrainde tandartsen. Beoordeling van de approximale vlakken vond plaats. De toename van approximale cariës voor adolescenten met een cariësvrij gebit aan het begin van het onderzoek bedroeg 0,13 vlakken in de experimentele groep en 0,79 vlakken in de controlegroep. Voor degenen die al carieuze laesies hadden bij de start, waren de uitkomsten respectievelijk 1,29 en 2,62 vlakken. De laatste 2 groepen hadden ook nog 0,34 en 0,70 vlakken die cariësprogressie vertoonden. Alle verschillen waren significant. Geconcludeerd werd dat het schoolgebonden fluoridelakprogramma nieuwe approximale laesies voor een belangrijk deel kon voorkomen en progressie van reeds bestaande laesies kon beperken. Een dergelijk programma lijkt een belangrijk wapen in de strijd tegen cariës in de kwetsbare adolescentieperiode. J.H.G. Poorterman Bron Skold UM. Approximal caries increment in relation to baseline approxi-

Bron

mal caries prevalence among adolescents in Sweden with and without

Breemer CRG van den, Vinkenborg C, Pelt H van, Edelhoff D, Cune MS. The

a school-based fluoride varnish programme. Community Dental health

clinical performance of monolithic lithium disilicate posterior restorations

2016; 33: 281-285.

after 5, 10, and 15 years: A retrospective case series. Int J Prosthodont 2017; 30: 62–65.

Prothetische tandheelkunde Cariologie

Minder approximale cariës na fluoridelakbehandeling

Excellente duurzaamheid van indirecte vrij-eindigende keramiek­adhesief­ frontbruggen

De cariësprevalentie onder kinderen en adolescenten is de laatste jaren sterk gedaald in Zweden en andere westerse landen. Desalniettemin blijft cariës een belangrijk gezondheidsprobleem. Nog steeds lijden 60-90% van schoolgaande kinderen en nagenoeg alle volwassenen aan deze infectieziekte. Verder wordt de prevalentie onderschat door-

Enkele onderzoeken hebben aangetoond dat vrij-eindigende metaal-porseleinadhesiefbruggen in het front en in de zijdelingse delen op een termijn van 10 tot 18 jaar uitstekende overlevingspercentages hadden van 84 tot zelfs 100. Dit onderzoek had als doelstelling over een ongeveer gelijke periode de duurzaamheid van indirecte vrij-eindigende keramiekadhesieffrontbruggen te bepalen.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

595

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 595

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Ex c erpten

Bij 10 mannen en 6 vrouwen met een gemiddelde leeftijd van 33,3 Âą 17,5 jaar ontbraken congenitaal of door trauma of extractie in totaal 16 maxillaire en 6 mandibulaire incisieven. De enkeltandsdiastemen werden prothetisch behandeld met indirecte vrij-eindigende keramiekadhesieffrontbruggen, bestaande uit een basisstructuur van glasvezelversterkt aluminiumoxide (14) of van zirkoniumdioxide (8). Het connectorgebied van de bruggen was 2 mm hoog en 3 mm breed. In de pijlerincisief werden 3 kleine glazuurpreparaties uitgevoerd, een groef in het palatinale of linguale vlak die verliep volgens de cervicale rand, een oppervlakkige ronde groef ter plaatse van het cingulum en een box van 2 x 1 x 0,5 mm palatinaal of linguaal van de incisale rand. Deze preparaties werden niet uitgevoerd om mechanische retentie te bieden, maar om de bevestiging van de bruggen te vergemakkelijken. Na zandstraling en bevestiging van de bruggen werden de 16 personen elk jaar opgeroepen om te beoordelen of de bruggen intact waren en goed functioneerden. De vervolgperiode van de 16 personen varieerde van 4 tot bijna 20 jaar. Geen enkele brug kwam los. Er deden zich slechts 2 problemen voor. Beide bestonden uit een fractuur in het connectorgebied van de basisstructuur van een maxillaire brug, 1 na 48 en 1 na 214 maanden. Deze bruggen werden vervangen en de nieuwe bruggen functioneerden verder probleemloos. Na 10 jaar en na 15 jaar bedroegen de overlevingspercentages beide 95,4, maar na 18 jaar reduceerde het overlevingspercentage tot 81,8. Zonder meer kan worden gesteld dat de duurzaamheid van deze indirecte vrij-eindigende keramiekadhesieffrontbruggen excellent was. Daarmee lijkt deze minimaal invasieve prothetische behandeling een prima alternatief voor de behandeling met een implantaat. C. de Baat

geselecteerd voor wie in de periode tot 2013 declaraties waren ingediend vanwege zowel temporomandibulaire disfunctie als depressie. Personen die eerst temporomandibulaire disfunctie en pas later depressie hadden gekregen en personen voor wie slechts 3 consulten voor temporomandibulaire disfunctie en depressie gezamenlijk waren gedeclareerd, werden geĂŤxcludeerd. Voor depressie werd onderscheid gemaakt tussen ernstige depressie, dysthymie en overige typen depressie. Dysthymie is het chronische type depressie dat zich kenmerkt door een gebrek aan plezier en genoegen in het leven. Binnen de geselecteerde populatie waren voor 1.804 personen declaraties ingediend vanwege temporomandibulaire disfunctie. Vervolgens werden aselect uit dezelfde populatie 200.000 personen zonder temporomandibulaire disfunctie gekozen. Beide groepen werden verkleind tot 2 even grote subgroepen waarin 10 confounders gelijk waren vertegenwoordigd. De confounders waren inkomen, leeftijd, geslacht en het totaal aantal gedeclareerde consulten voor achtereenvolgens mandibulafractuur, malocclusie en andere afwijkingen van de kaakgrootte, specifieke of gegeneraliseerde angststoornis, paniekstoornis, obsessieve dwangstoornis en een andere dan de al apart geregistreerde psychiatrische stoornissen. Dit leidde tot 2 subgroepen van elk 1.079 personen. Multipele regressieanalyse liet zien dat na correctie voor de 10 confounders de kans op temporomandibulaire disfunctie bij personen met dysthymie statistisch significant groter was dan bij personen met de 2 andere typen depressie. Het totaal aantal gedeclareerde consulten voor een specifieke angst- en paniekstoornis was statistisch significant positief gecorreleerd met temporomandibulaire disfunctie. Conclusie: dysthymie is een risico-indicator voor temporomandibulaire disfunctie. Aanbeveling: een psychiater toevoegen aan elk zorgteam voor temporomandibulaire disfunctie.

Bron

C. de Baat

Kern M. Fifteen-year survival of anterior all-ceramic cantilever resin-bonded fixed dental prostheses. J Dent 2017; 56: 133-135.

Bron Lin SL, Wu SL, Ko SY, Yen CY, Chiang WF, Yang JW. Temporal relationship between dysthymia and temporomandibular disorder: a population-based

Gnathologie

Dysthymie is een risico-indicator voor temporomandibulaire disfunctie

matched case-control study in Taiwan. BMC Oral Health 2017; 17: 50.

Gnathologie

Temporomandibulaire disfunctie en pijnlijke comorbiditeiten

Hoewel depressie algemeen wordt beschouwd als risicoindicator voor temporomandibulaire disfunctie, ontbreekt gedegen bewijs voor deze stellingname. Daarom was de doelstelling van dit onderzoek een wetenschappelijke onderbouwing te geven voor de mogelijke relatie tussen depressie en temporomandibulaire disfunctie. Sinds 1996 worden in Taiwan door de nationale zorgverzekeraar alle zorgdeclaraties van de ruim 23 miljoen inwoners digitaal geregistreerd. In 2005 werd een representatieve steekproef getrokken van bijna 1 miljoen thuiswonende personen. Uit deze steekproef werd de populatie

Temporomandibulaire disfunctie komt vaak tegelijkertijd voor met hoofdpijn, disfunctie van de cervicale wervelkolom en fibromyalgie. Onbekend is of er (causaliteits) relaties zijn. In dit onderzoek was de doelstelling meer te weten te komen over de relaties tussen temporomandibulaire disfunctie en deze 3 comorbiditeiten, de klinische implicaties daarvan en de pijnmechanismen. De onderzoeksstrategie was een niet-systematisch literatuuronderzoek met 19 trefwoorden in de elektronische literatuurbestanden PubMed, Cochrane Library en EMBASE.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

596

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 596

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Ex c erpten

De relevantie van de gevonden artikelen werd bepaald door titels en samenvattingen te beoordelen. Onderzoeken naar de relaties van temporomandibulaire disfunctie met de 3 comorbiditeiten moesten voldoen aan kwaliteitscriteria. Voor de relatie met hoofdpijn waren deze: transversaal, casuscontrole-, cohort- of gerandomiseerd gecontroleerd klinisch onderzoek, diagnostiek van hoofdpijn volgens de International Classification of Headache Disorders en diagnostiek van temporomandibulaire disfunctie met gevalideerde meetinstrumenten of criteria. Voor de relatie met disfunctie van de cervicale wervelkolom was dit een beoordeling van de gehele cervicale regio met behulp van een gevalideerde en betrouwbare methode. Voor de relatie met fibromyalgie waren deze: diagnostiek van temporomandibulaire disfunctie met gevalideerde criteria en diagnostiek van fibromyalgie volgens de criteria van de American College of Rheumatology. Bestudering van alle met de kwaliteitscriteria geselecteerde onderzoeken leidde tot de volgende conclusies. Temporomandibulaire disfunctie en primaire hoofdpijn verlopen via gemeenschappelijke zenuwbanen en hebben dezelfde wijze van sensitisatie van het centrale zenuwstelsel. De potentiële causaliteitsrelatie is echter nog onduidelijk. Bij temporomandibulaire disfunctie en disfunctie van de cervicale wervelkolom komen de zenuwbanen van de nervus trigeminus en van de sensorische zenuwbanen van de wervelkolom samen en is de sensitisatie van het centrale zenuwstelsel identiek. Temporomandibulaire disfunctie en fibromyalgie hebben beide een tekortschietende pijninhibitie vanuit de hersenen. Hoogstwaarschijnlijk is de causaliteitsrelatie eenzijdig: fibromyalgie is een risicofactor voor temporomandibulaire disfunctie. Uit de resultaten van dit onderzoek moge duidelijk zijn dat er tussen temporomandibulaire disfunctie en de 3 comorbiditeiten (causaliteits)relaties bestaan en dat ze daarom een multidisciplinaire benadering verdienen.

6 maanden zonder tanden, II. baby’s van 7 tot en met 18 maanden met 1-5 tanden en III. baby’s van 19 tot en met 30 maanden met 6-8 melktanden. Er werd navraag gedaan naar het schoonhouden van de gingiva bij de kinderen. Bij moeder en kind werden speekselmonsters afgenomen, waarna Streptococcus mutans werden geïsoleerd. Na enting en incubatie werden door middel van genetische analyse de verschillende genotypen van Streptococcus mutans bepaald. Met de toename van de kinderleeftijd nam het aantal Streptococcus mutans significant toe. In groep I werd bij 30% van de kinderen Streptococcus mutans aangetoond. In groep III was dat 100%. Een significante relatie werd gevonden tussen het aantal tanden en het aantal bacteriën bij peuters (ρ = 0,755; p < 0,001). Kinderen bij wie de gingiva werd schoongeveegd met een gaasje hadden significant minder bacteriën. Kinderen die borstvoeding hadden gekregen, hadden minder bacteriën dan die flesvoeding hadden gekregen (p < 0,001). Een significant groter aantal Streptococcus mutans werd aangetroffen wanneer moeder en kind een lepel of eten met het kind deelden. Kussen op de mond was niet significant. Uit de genetische analyse bleek dat 17 Streptococcus mutans-groepen sterk verwant of identiek waren en bacteriën met een grote mate van overeenkomst (77,27%) vertoonden. De conclusie is dat de aanwezigheid van Streptococcus mutans met hetzelfde genotype bij moeder en kind mogelijks is door een verticale overdacht. Voedingsgewoonte, het schoonhouden van de gingiva en het aantal doorgebroken tanden kan van invloed zijn op het aantal Streptococcus mutans. De overdracht en het verminderen van kolonisatie van bacteriën in de kindermond zou daarom aandacht moeten krijgen.

C. de Baat

Bron

D.L. Gambon

Damle SG, Yadav R, Garg S, et al. Transmission of mutans streptococci in Bron

mother-child pairs. Indian J Med Res 2016; 144: 264-270.

Costa YM, Conti PCR, de Faria FAC, Bonjardim LR. Temporomandibular disorders and painful comorbidities: clinical association and underlying mechanisms. Oral Surg Oral Med Oral Pathol Oral Radiol 2017; 123: 288-297.

Sociale tandheelkunde

Etnische verschillen in cariëservaring bij 6-jarige Nederlandse kinderen

Kindertandheelkunde

Cariës is geassocieerd met bepaalde cariësvormende bacteriën, waarbij de aanwezigheid van Streptococcus mutans een risicofactor vormt. Het doel van dit onderzoek was de overdracht van de Streptococcus mutans van moeder op kind via genetische analyse te evalueren. Voor het onderzoek werden 30 moeders en hun baby’s verdeeld in 3 leeftijdsgroepen: I. baby’s van 0 tot en met

Cariës is nog steeds een groot gezondheidsprobleem met een prevalentie tussen de 60% en de 90% onder schoolkinderen wereldwijd. Dit leidt niet alleen tot een aan verlaagde mondgezondheid gerelateerde kwaliteit van leven bij deze schoolkinderen en hun ouders, maar beïnvloedt ook de ontwikkeling van de betrokken kinderen. Om deze reden is een reductie in de prevalentie van cariës, toch een te voorkomen ziekte, bijzonder wenselijk. Het doel van dit onderzoek was de potentiële verschillen op te sporen in cariësprevalentie tussen verschillende etnische groepen en van oorsprong Nederlandse kinderen, alsmede de invloed

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

597

De overdracht van Streptococcus mutans van moeder op kind

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 597

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Ex c erpten

van sociaaleconomische status en door ouders gerapporteerd mondgezondheidsgedrag. Als onderdeel van een grotere prospectieve cohortstudie, namen in dit onderzoek ruim 4.300 kinderen uit 7 verschillende etnische groepen deel waarvan gegevens bekend waren over hun cariëservaring. De dmft-score werd bepaald op de leeftijd van 6 jaar. Analyses werden gedaan tussen kinderen met en zonder cariës, maar ook tussen kinderen zonder cariës, met milde cariës (dmft 1-3) en met ernstige cariës (dmft >3). Vergeleken met kinderen van Nederlandse oorsprong hadden kinderen van Surinaams-Hindoestaanse, Surinaams-Creoolse, Turkse, Marokkaanse en Kaapverdische achtergrond meer kans op cariës. Significant meer kans op ernstige cariës werd gevonden voor de kinderen van Surinaams-Hindoestaanse, Turkse en Marokkaanse afkomst. Het gezinsinkomen en opleidingsniveau van de moeder kon voor 43% de relatie tussen etniciteit en cariëservaring verklaren, terwijl het door de ouders gerapporteerde mondgezondheidsgedrag geen invloed leek te hebben. Geconcludeerd werd dat behoorlijke verschillen in cariëservaring bestaan tussen kinderen uit verschillende etnische groepen, die niet volledig kunnen worden verklaard door sociale ongelijkheden. J.H.G. Poorterman

een meer gereduceerd botniveau worden waargenomen, gemiddeld 0,9 mm. Een progressie van marginaal botverlies van meer dan 2 mm na 10 jaar kwam significant vaker voor bij rokers (7% vs 0%). Een marginaal botverlies van 1-2 mm kwam bij 29% van de rokers voor tegen 19% bij niet-rokers. Marginaal botverlies minder dan 1 mm werd gevonden bij 69% van de rookgroep en bij 81% van de niet-rokers. Gecorrigeerd voor alle eerder genoemde factoren was het marginale botverlies bij rokers significant groter: gemiddeld 0,36 mm. De conclusie was dat rokers bij aanvang van het onderzoek al een meer gereduceerd marginaal botniveau hadden en dat dit na 10 jaar significant was toegenomen ten opzichte van niet-rokers. Daarmee kan worden aangenomen dat roken een serieuze risicofactor is voor het voortschrijden van marginaal botverlies. J.H.G. Poorterman Bron Bahrami G, Væth M, Kirkevang LL, Wenzel A, Isidor F. The impact of smoking on marginal bone loss in a 10-year prospective longitudinal study. Community Dent Oral Epidemiol 2017; 45: 59–65.

Sociale tandheelkunde

Mondholtekanker in relatie tot seksueel gedrag

Bron

Marginale parodontitis is een ontstekingsreactie in de parodontale steunweefsels resulterend in afbraak van de betrokken weefsels. Het wordt beschouwd als een multifactoriële ziekte waar factoren als leeftijd en roken een belangrijke rol spelen. Intraoraal wordt dit proces beïnvloed door de aanwezigheid van kronen en apicale parodontitis. Het doel van dit 10-jarig prospectief longitudinaal onderzoek was het bepalen van de rol van roken op het voorkomen van marginaal botverlies. Bij aanvang van het onderzoek bedroeg het aantal participanten 616, met een gemiddelde leeftijd van 42 jaar. Na 10 jaar was nog 49% beschikbaar en bereid mee te doen aan het vervolg. In beide gevallen werd een mondonderzoek verricht en een volledige röntgenstatus gemaakt. Botverlies werd gemeten in mm. Leeftijd, geslacht, rookgewoontes, aantal elementen, het voorkomen van apicale parodontitis, aanwezigheid van kronen en initieel marginaal botverlies werden bepaald. Exclusiecriterium was een verandering van rookgewoonte gedurende deze 10 jaar. Multipel regressieanalyse werd gebruikt om het verband te bepalen tussen roken en marginaal botverlies. Bij de start van het onderzoek kon bij rokers reeds

Orale tumoren zijn meestal plaveiselcelcarcinomen. Ze kunnen worden onderverdeeld in orofaryngeale en mondholte tumoren. In de laatste 10 jaar is in de westerse wereld een toename te bespeuren van orofaryngeale tumoren, terwijl de prevalentie van mondholtetumoren stabiel blijft of wellicht iets afneemt. De orofaryngeale tumoren lijken een relatie te hebben met de aanwezigheid van het human papillomavirus (HPV), terwijl deze relatie met mondholte tumoren veel minder duidelijk is. Het doel van dit systematisch literatuuronderzoek was het verband te onderzoeken tussen het voorkomen van orale tumoren en seksueel gedrag. Op basis van bestaande richtlijnen zijn zowel observatie- als interventie-onderzoeken geïncludeerd die in hun resultaten melding maken van een associatie tussen het voorkomen van orale tumoren en seksueel gedrag. De kwaliteit van de onderzoeken werd door 2 onafhankelijke beoordelaars bepaald. Van de 513 beschikbare artikelen, voldeden 21 artikelen over 20 onderzoeken aan de inclusiecriteria. De 2 cohortonderzoeken waren van gemiddelde kwaliteit, de 18 case-controlonderzoeken werden als zwak beoordeeld. De onderzoeken verschilden aanzienlijk in opzet, methodologie en gerapporteerde aspecten van seksueel gedrag. Een kwantitatieve meta-analyse bleek niet mogelijk. De resultaten lieten een diffuus beeld zien. In het algemeen werd een verhoogd risico gevonden op orale tumoren bij het hebben van meer seksuele partners en het praktiseren van orale seks. In 2 andere onderzoeken werd dit verband juist ontkracht. In 2 onderzoeken was een verhoogd risico te zien bij homoseksuele relaties en 1 vond

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

598

Tas JT van der, Kragt L, Veerkamp JJ, Jaddoe VW, Moll HA, Ongkosuwito EM, Elfrink ME, Wolvius EB. Ethnic disparities in dental caries among six-yearold children in the Netherlands. Caries Res 2016; 50: 489.

Sociale tandheelkunde

Roken en marginaal botverlies

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 598

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Ex c erpten

een verhoogd risico bij mannen die een partner hadden met baarmoederhalskanker. Incidentele relaties die gevonden werden in samenhang met het voorkomen van orale tumoren waren: jongere leeftijd waarop voor het eerst geslachtsgemeenschap plaatsvond, aantal partners waarmee orale seks werd bedreven, het bedrijven van orale-anale seks en het aantal partners waarmee dat plaatsvond. Geconcludeerd werd dat het huidige bewijs voor seksueel gedrag als risicofactor voor orale tumoren gelimiteerd en inconsistent is. Het lijkt erop dat het aantal seksuele partners en het bedrijven van orale seks als grootste risicofactor kunnen worden bestempeld. J.H.G. Poorterman Bron Chancellor JA, Ioannides SJ, Elwood JM. Oral and oropharyngeal cancer and the role of sexual behaviour: a systematic review. Community Dent Oral Epidemiol 2017; 45: 20–34.

Sociale tandheelkunde

Depressie moeder leidt tot cariës kind Depressiviteit is een veel voorkomende ziekte wereldwijd, met een hoge impact op het alledaagse leven en gekarakteriseerd door verdriet, verlies van interesse en plezier, schuldgevoel, laat zelfbeeld, verstoord slaap- en eetgedrag, moeheid en concentratieverlies. Depressiviteit is gerelateerd aan stress en kan het voorkomen van een chronische ziekte versterken. Het doel van dit onderzoek was het bestuderen van de relatie tussen depressie van de moeder en het voorkomen van cariës bij het kind in een cohort van adolescente moeders. In dit cross-sectioneel onderzoek werd een cohort van 538 moeder-kindcombinaties bestudeerd. Op de leeftijd van 24-26 maanden werd de mondgezondheid van kinderen en hun moeders bepaald. De mate van depressiviteit van de moeder werd vastgesteld met het MINI-interview. De uitkomst van de cariëservaring werd gedichotomiseerd: dmfs ≥ 1 en dmfs ≥ 3. Op de data werd regressie analyse toegepast. De prevalentie van cariës bij deze kinderen was 15%, met een gemiddelde dmfs-score van 1,12. Depressie kwam voor bij 32,6% van de moeders. Een interactie tussen de gebitsgezondheid van het kind en de depressiviteit van de moeder werd gevonden. Na regressie, bleek dat kinderen van moeders met een depressie maar zonder cariëservaring een hogere cariësprevalentie hadden. Wellicht dat moeders in deze situatie het cariësrisico slecht inschatten omdat zij zelf geen cariës problemen hebben. Geconcludeerd werd dat depressiviteit van jonge moeders een negatieve impact kan hebben op de mondgezondheid van hun kind.

Leão Goettems M, Tavares Pinheiro R, Demarco FF. Maternal Depression Increases Childhood Dental Caries: A Cohort Study in Brazil. Car Res 2017, 51: 17-25.

Implantologie

Breukbestendigheid van zirkoniumdioxide abutments In dit in vitro-onderzoek werd de belastbaarheid van rechte en gehoekte titanium en zirkoniumdioxide implantaat­ opbouwen bij 3-delige frontimplantaatbruggen onderzocht. In totaal werden 4 testgroepen van ieder 8 specimen gemaakt. Er werden 64 titanium implantaten met een diameter van 3,7 mm en een taps toelopende interne connectie geplaatst in modellen van de maxilla op de posities van gebitselementen 21 en 12. In de groepen 1 en 2 werden de implantaten op de ideale prothetische posities geplaatst met titanium en zirkoniumdioxide abutments. In de groepen 3 en 4 werden de implantaten in gecompromitteerde posities geplaatst, waardoor gehoekte opbouwen (15˚) nodig waren. De driedelige implantaatbruggen werden vervaardigd van lithiumdisilicaat en gecementeerd met composietcement. De implantaatbruggen werden gethermocycled (6.000 cycli 5 tot 55˚ Celsius) en mechanisch, cyclisch belast (600.000 cycli met 50 N). Vervolgens werden de nog intacte implantaatbruggen getest op breuksterkte. Hierbij werd een kracht onder een hoek van 30 graden uitgeoefend op de pontic ter hoogte van het cingulum. Alle opbouwen hadden de thermische en cyclische belasting succesvol doorstaan. In alle gevallen begaven de implantaatbruggen het eerder dan de opbouwen. De hoogste breuksterkte werd gevonden bij rechte opbouwen. Alle implantaatbruggen braken homogeen bij de connectoren. Gemiddeld braken de implantaatbruggen bij de rechte titanium abutments bij een kracht van 539 N, bij de rechte zirkoniumoxide abutments bij een kracht van 542 N, bij de gehoekte titanium abutments bij een kracht van 524 N en bij de gehoekte zirkoniumoxide abutments bij een kracht van 528 N. De verschillen waren niet statistisch significant. Uit verschillende onderzoeken bleek de gemiddelde uitgeoefende kracht in de anterieure regio 206 N te zijn met fysiologisch maximum van 290 N. Geconcludeerd werd dat het gebruik van gehoekte zirkoniumoxide implantaatopbouwen ter compensatie van niet ideaal geplaatste implantaten geen klinisch relevante afbreuk doet aan de breuksterkte van anterieure 3-delige lithiumdisilicaat implantaatbruggen. M.S. Cune Bron

J.H.G. Poorterman

Saker S, El-Shahat S, Ghazy M. Fracture resistance of straight and angulated zirconia implant abutments supporting anterior three-unit lithium

Bron

disilicate fixed dental prostheses. Int J Oral Maxillofac Implants 2016; 31:

Dos Santos Pinto G, de Ávila Quevedo L, Britto Correa M, Sousa Azevedo M,

1240-1246.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

599

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 599

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Verwacht in november! Infectiepreventie van A tot Z voor de mondzorgpraktijk 3e herziene editie De basis voor deze herziene uitgave van Infectiepreventie van A tot Z is de KNMT richtlijn infectiepreventie in mondzorgpraktijken (2016). In deze geactualiseerde editie worden onderwerpen behandeld als algemene infectieleer, specifieke infecties in de mondzorg, maar ook komen toegepaste onderwerpen aan bod zoals infectiepreventie bij behandelingen, reconditioneren, onderhoud, en het controleren van de waterkwaliteit van behandelunits. Tevens wordt de eenvoud en logica van de maatregelen benadrukt. Ieder hoofdstuk begint met een samenvatting, gevolgd door een casus. Uitgebreide fotoreportages ondersteunen de tekst. Achterin is een woordenlijst opgenomen met verklaringen voor de gebruikte begrippen en vaktermen. Infectiepreventie van A tot Z voor de mondzorgpraktijk geeft tandartsassistenten basiskennis over infectiepreventie en praktische uitwerkingen. Het is een leerboek voor tandartsassistenten in opleiding en een opfrisboek voor herintredende tandartsassistenten. Andere medewerkers van mondzorgpraktijken kunnen het boek gebruiken als overzichtelijk naslagwerk.

€ 39,90 Auteur: Dorothé Voet en Maria de Vries • Paperback • 224 p.

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 600

17-10-17 09:51


Media Academisch proefschrift

W.W.I. Kalk

Primair syndroom van Sjögren

K. Delli Primary Sjögren’s Syndrome: towards a new era in diagnosis, ­treatment and e-patient education Groningen: Rijksuniversiteit ­Groningen, 2017 255 bl. geïll. ISBN 978 90 367 9789 4. E-book 978 90 367 9788 7

Achter de ingetogen kaft van dit proefschrift van Konstantina Delli gaat een pronkjuweel schuil. Grote expertise en gedegen multidisciplinair onderzoek siert elke bladzijde van dit omvangrijke werk (255 pagina’s), dat een absolute aanrader is voor iedereen die zich bezighoudt met diagnostiek en therapie bij patiënten met het primair syndroom Sjögren (pSS). Aangezien statistisch in elke tandartspraktijk minstens 1 Sjögren-patiënt voorkomt (prevalentie pSS 60,9 op elke 100.000 inwoners), is het ook voor tandartsen-algemeen practici uiterst nuttig. In de algemene inleiding worden de epidemiologie, pathogenese, diagnostiek en actuele behandelopties van het pSS overzichtelijk uiteengezet. Dan volgt een overzichtsartikel over xerostomie, dat de 3 meest voorkomende oorzaken van subjectieve monddroogheid behandelt: syndroom van Sjögren, medicatie en radiotherapie. Een zeer geschikt handvat bij het duiden van xerostomie in de dagelijkse praktijk en hoe hiermee om te gaan. Vervolgens gaat de auteur in op de klinische toepasbaarheid van echografie als

B. Stegenga

Boek

Biomarkers bij orofaciale pijn

J.-P. Goulet, A.M. Velly (eds.) Orofacial pain biomarkers. New York: Springer, 2017 155 bl., geïll. € 109,99 ISBN 987 3 662 53992 7 (hardcover)

Hoewel met betrekking tot de kennis over pijn afgelopen decennia aanzienlijke stappen zijn gezet, is er ten aanzien van behandelstrategieën van chronische pijnen in het orofaciale gebied nog veel te winnen. Dit is vooral toe te schrijven aan het subjectieve karakter van pijn en de vele facetten die daarop van invloed zijn. Biomarkers kunnen in potentie bijdragen aan meer objectieve, valide en betrouwbare pijndiagnostiek en ook aan het vaststellen en beïnvloeden van risicofactoren en mechanismen die een rol spelen bij chronische orofaciale pijn. Dit boek biedt een waardevol overzicht van de stand van zaken van en toekomstige richtingen voor pijnbiomarkeronderzoek en voor mogelijke klinische toepassingen daarvan. De 12 hoofdstukken die zijn ingedeeld in 4 grote thema’s. In de inleidende 4 hoofdstukken wordt ingegaan op de classificatie van orofaciale pijn, de invloed van co-morbiditeiten op de expressie van biomarkers en neurobiologische achtergronden. De kern van het boek wordt gevormd door de volgende 4 hoofdstukken,

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 601

non-­invasieve techniek bij diagnostiek en monitoring van pSS, aan de hand van een meta-analyse van de literatuur en een gedegen klinisch onderzoek (als drieluik). Een fraaie toegift is het artikel over de voor- en nadelen van het parotisversus lipbiopt bij pSS-patiënten. Tevens zocht Delli naar een behandeling op maat met selectieve B-celdepletie en vroeg zij zich af hoe op basis van een parotisbiopt vooraf kan worden vastgesteld wat het effect van deze therapie zal zijn. Aanvullend adviseert Delli consensusrichtlijnen te formuleren voor gestandaardiseerde histopathologische beoordelingen van (parotis)biopten. Tot slot analyseert Delli de wisselende kwaliteit van de beschikbare patiëntinformatie op internet-fora en op YouTube. Dit proefschrift is plezierig en vlot geschreven. Ingewikkelde onderwerpen worden op leesbare wijze uiteengezet. Kan echografie van de parotis het biopt vervangen? ‘Ja en nee’ is haar antwoord. Wilt u hier het fijne van weten, dan zult u dit voortreffelijke proefschrift ter hand moeten nemen.

601

waarin achtereenvolgens (neurofysiologische) markers voor neuropathische pijnbeelden, biomarkers die van betekenis kunnen zijn bij spier- en kaakgewrichtspijn en genetische biomarkers aan de orde komen. Dan volgen hoofdstukken gewijd aan de wijze waarop biomarkers kunnen worden vastgesteld in serum, synoviale vloeistof en speeksel, en aan methodologische aspecten. Toekomstig onderzoek en klinische toepassingen vinden hun basis in het vaststellen van markers die een rol spelen bij dysregulatie van het centrale zenuwstelsel, het hypothalamushypofyse-bijnierschors systeem en het sympathische adrenomedullaire systeem, en in het onderkennen van factoren die deze systemen beïnvloeden, inclusief psychosociale factoren. Dit boek is compact geschreven door vooraanstaande auteurs, goed leesbaar en goed gedocumenteerd. Het is geschikt voor geïnteresseerden in de klinische implicaties van ­theoretische achtergronden van orofaciale­ pijnen, alsook in de richtingen waarin het wetenschappelijke onderzoek zich in dit veld de komende jaren gaat ontwikkelen.

124 | november 2017

17-10-17 09:51


de

mpel

tijkste

r, prak

de Afzen

4 17078r

Do hu e u id w ig vo e aa ord nb ee ie l m di ng et en !*

ing

teken

me

Hand

um Klantn Datum

1 1 1

ond tch B E l a Tot d h Bon c t E r Self ivato t c a Cure es Dual wastj k e i t a Applik er k prim e i m Kera rimer p l a Meta r prime m u i n Zirco ing Glaz

1 2 1 2 1

n e e l l a t f ie l b u t s l a u ! n n e f l l a e n t a s V e b U d n o b a r u t u F n og

Futurabond® U

ALL YOU NEED IS ‘U’ • Duaal-hardend universieel adhesief • Zelf-ets, selectieve ets of total-ets – U als gebruiker heeft de vrije keuze! • Buitengewoon veelzijdig toepasbaar – voor directe of indirecte restauraties – volledig compatibel met alle lichthardende, duaalhardende en zelfhardende composieten – zonder extra activator – betrouwbare hechting aan verschillende materialen zoals metaal, zirconium of aluminimum oxide maar ook aan silicaat keramiek – zonder extra primer • In één laag aanbrengen – maar 35 seconden totale verwerkingstijd

* Alle actuele aanbiedingen vindt u onder www.voco.dental of neem contact op met uw lokale VOCO dental Consultant.

Meer informatie: Mobile 06-13559033 · info@voco.com

VOCO GmbH · Anton-Flettner-Straße 1-3 · 27472 Cuxhaven · Duitsland · Tel. +49 4721 719-0 · www.voco.dental

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 602 VOCO_NTvT_1117_Futurabond U_210x297.indd 1

17-10-17 09:51 05.10.2017 18:01:12


Kennistoets 11-2017 (ID-nummer KRT/KRM: 287380) De kennistoets is voorbehouden aan abonnees en kan online op de website

De kennistoets wordt

www.ntvt.nl worden ingevuld. Direct na het inloggen kan men de kennistoets

gegarandeerd door

vinden via het menu ‘Kennistoets’ of via het kennistoetsicoontje bij het des­

t

betreffende kennistoetsartikel. De correcte stellingen en het resultaat van de

*

hebben gekozen, ontvangen per e-mail een op naam gesteld certificaat.

01:12

de begeleidingscommissie KRT maakt optimale mondzorg zichtbaar

Q-keurmerk.

toets zijn meteen te zien. Inzenders die minstens 7 van de 9 stellingen correct

Bij het artikel van Jerković-Ćosić K. Mondzorg door vrouwen: hoe gaat dat in de praktijk? Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 557-561.

1

Welke stelling is onjuist? Mannen nemen vaker beslissingen op basis van logica, ­consistentie en objectiviteit. Vrouwen nemen vaker beslissingen op basis van intuïtie, geloof in eigen kunnen, zekerheid. Ondanks hun grote aandeel in de beroepsgroep bekleden ­relatief weinig vrouwelijke tandartsen een leidende rol. Verpleegkundigen beoordelen hun samenwerking met ­mannelijke en vrouwelijke artsen als gelijk.

2

3

Welke stelling is onjuist? Samenwerking tussen vrouwen op gelijk niveau (bijvoorbeeld tandarts-tandarts) kan moeizaam verlopen: omdat ze elkaar als mogelijke concurrenten zien. omdat ze competenties van assertieve vrouwen ondermijnen om te compenseren voor gemis aan assertiviteit. omdat ze vrezen voor hun eigen geloofwaardigheid in ­nabijheid van andere vrouwen. omdat vrouwen voor zichzelf veel strenger zijn dan voor andere vrouwen. A. Een mogelijke verklaring voor de uit onderzoek gebleken grotere gerichtheid op preventieve zorg door vrouwelijke tandartsen in vergelijking met hun mannelijke collega’s, is de leeftijdsopbouw van de beroepsgroep. B. Uit een klein kwalitatief onderzoek naar communicatiestijlen van tandartsen en mondhygiënisten bleek dat door de hiërarchische samenwerking tussen mannelijke tandartsen en vrouwelijke mondhygiënisten, de mondhygiënisten zich in hun ontwikkeling en ambitie geremd voelden. A en B zijn juist. A is juist en B is onjuist. A is onjuist en B is juist. A en B zijn onjuist.

Bij het artikel van Bruers JJM, Trommelen LECM, Hawi P, Brand HS. Musculoskelettale aandoeningen onder tandarts en tandheelkundestudenten in Nederland. Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 581-587.

4

A. Volgens de World Health Organisation wordt een musculoskelettale aandoening gedefinieerd als een aandoening van de spieren, pezen, perifere zenuwen of het vasculaire systeem, die is ontstaan door overbelasting.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 603

B. Musculoskelettale aandoeningen zijn vaak multicausaal. Herhalende werkzaamheden, langdurig werken in dezelfde lichaamshouding, onjuiste ergonomie, stress, leeftijd en gebrekkige gezondheid kunnen oorzaken zijn. A en B zijn juist. A is juist en B is onjuist. A is onjuist en B is juist. A en B zijn onjuist.

5

In het onderhavige onderzoek was het percentage tandartsen dat rapporteerde de laatste 12 maanden last te hebben gehad van musculoskelettale klachten: 42%. 58%. 64%. 80%.

6

Welke stelling is juist? Tandartsen in het onderhavige onderzoek hebben vaker last van musculoskelettale klachten dan tandheelkundestudenten. Vrouwelijke tandartsen hadden in het onderhavige onderzoek meer musculoskelettale klachten dan mannelijke tandartsen. Tandartsen hadden vooral musculoskelettale klachten aan nek, schouders en onderrug. Er werd geen verband gevonden tussen de hoogte van de werkstress en de melding van musculoskelettale klachten.

Bij het artikel van Niesten D. Mondzorg en mondgezondheidgerelateerde levenskwaliteit van kwetsbare en zorgafhankelijke ouderen. Ned Tijdschr Tandheelkd 2017; 124: 589-592.

7

Welke stelling is juist? Een zwakke mondgezondheid heeft geen invloed op de levenskwaliteit maar kan wel de kwetsbaarheid verhogen. De waardering van een gezonde mond staat los van kwetsbaarheid en zorgafhankelijkheid. Het hebben van eigen dentitie heeft in het algemeen een positief effect op de levenskwaliteit. Het belang van het hebben van eigen dentitie is voor mannen en vrouwen gelijk.

Vraag 8 en 9 staan op pagina 604.

603

124 | november 2017

17-10-17 09:51


Vervolg Kennistoets 11-2017 8

9

In de relatie tussen kwetsbaarheid en mondzorg­ gedrag zullen kwetsbare ouderen veelal: snel hun vertrouwde mondzorgroutines loslaten. bij ernstige gezondheidsklachten hun mondgezondheid en de mondzorg bagatelliseren. bij ernstige gezondheidsklachten hun beperkte energie aan de verkeerde dingen besteden. bij ernstige gezondheidsklachten eerst de mond­ verzorgingsroutines opgeven en pas veel later het tandartsbezoek. Welke stelling is juist? Bij zorgonafhankelijke deelnemers aan het onderzoek bestaat een significante relatie tussen hogere scores voor levenskwaliteit en de afwezigheid van behandelnoodzaak. Bij zorgafhankelijke deelnemers waren hogere scores voor levenskwaliteit significant geassocieerd met de zelfgerapporteerde algemene gezondheid. Een lagere gebruiksfrequentie van tandheelkundige diensten was vooral significant geassocieerd met kwetsbaarheidgerelateerde factoren. Een lagere poetsfrequentie was vooral geassocieerd met niet-kwetsbaarheidgerelateerde factoren.

Beknopte richtlijnen voor het inzenden van kopij Voorwaarden voor het schrijven van een artikel Geadviseerd wordt de volledige richtlijnen voor een tevoren te bepalen rubriek goed door te nemen. Deze zijn te vinden op de website van het tijdschrift (www.ntvt.nl) onder de rubriek ‘Auteurs’ en kunnen worden gedownload. De rubrieken zijn: Medisch, Casuïstiek, Stellingname, ­Media (o.a. boekbesprekingen) en Onderzoek en wetenschap. Per rubriek wordt een voorbeeld getoond. Indien gewenst kan een medewerker van het redactiebureau de richtlijnen per e-mail toezenden (redactie@ntvt.nl). Inzenden van kopij in Editiorial Manager Auteurs dienen hun manuscript aan te leveren met behulp van ons redactievolgsysteem Editorial Manager™, dat via internet bereikbaar is op het adres www.editorialmanager.com/ntvt/. Registreren Een nieuwe gebruiker dient zich met de knop ‘Register’ in Editorial Manager® te registreren. Het systeem genereert automatisch een gebruikersnaam en een wachtwoord die per e-mail worden verzonden. Inloggen Inloggen kan door op de knop ‘Login’ te klikken en ­gebruikersnaam en wachtwoord op te geven. Daarna met de knop functie (‘role’) invullen (author).

Colofon Uitgave Dit tijdschrift verschijnt 11 keer per jaar en is eigendom van en wordt uitgegeven door de Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde B.V. NEDERLANDS TIJDSCHRIFT VOOR TANDHEELKUNDE Directie Prof. dr. P.F. van der Stelt, voorzitter − Mr. dr. A.P.R. Tolmeijer, penningmeester − Drs. A. Bitter­ mann-ter Pelkwijk, vice-voorzitter/secretaris Raad van Commissarissen Prof. dr. F.K.L. Spijkervet, voorzitter − Dr. A.C. Meijering, secretaris − Dr. W.E.R. Berkhout − Mr. drs. J. Craandijk − Dr. C.M. Kreulen − Dr. B.A.C. Loomans − Dr. J.G.J.H. Schols Redactie Dr. C.P. Bots, hoofdredacteur − Drs. L.M. van der Poel − Drs. J.S. van der Vos (bureau­ redacteuren) − Dr. H.S. Brand − Prof. dr. M.A.J. Eijkman − Drs. D.D. Kerkdijk − Dr. G.J.C. Kramer − Drs. S.L. Liem − Drs. A.M. van Luijk − Dr. W.J. van der Meer − Dr. J.H.G. Poorterman − Prof. dr. B. Stegenga − Prof. dr. G.J. Truin − Dr. J.H. Vermaire − Dr. J.G.A.M. de Visscher − Prof. dr. L. van Zeghbroeck Nieuws: staat onder redactie van J.S. van der Vos; nieuwsberichten@ntvt.nl. Excerpten; staat onder redactie van dr. J.H.G. Poorterman; redactie@ntvt.nl Lezerspost; lezerspost@ntvt.nl Adres van de redactie Redactie NTvT, postbus 83, 3990 DB Houten Telefoon: 030−3031350 E−mail: redactie@ntvt.nl Internet: www.ntvt.nl 2017 Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde B.V. Het tijdschrift is opgenomen in MEDLINE

©

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde B.V. en de uitgever zijn niet aansprakelijk voor de inhoud van de onder auteursnaam opgenomen artikelen of van de advertenties. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de redactie en de uitgever. Uitgever Prelum Uitgevers B.V. Drs. IJ.J.B. Theunissen – Drs. E.B.M.J. Blomme De Molen 37, postbus 545, 3990 GH Houten Telefoon: 030-63 55 060; Fax: 030-63 55 069; Internet: www.prelum.nl. Abonnementen Aanmeldingen via www.ntvt.nl, via de knop ‘Abonneren’, of via de afdeling Klantenservice van Prelum. Telefoon: 030-6355060. Fax: 0306355069. E-mail: ntvt-klanten­service@ prelum.nl. Internet: www.prelum.nl. Vanwege de aard van de uitgave wordt de abonnee geacht het abonnement in het kader van zijn beroeps- of bedrijfsuitoefening te ontvangen (met uitzondering van studenten en gepensioneerden). Mocht dit anders zijn, dan is de abonnee gehouden dit binnen 1 maand na ontvangst van de bevestiging van het abonne-

ment per e−mail, telefonisch of schriftelijk aan de uitgever door te geven. Het abonnement kan op elk gewenst moment ingaan en wordt stilzwijgend met telkens 1 jaar verlengd tot wederopzegging, tenzij 3 maanden voor de vervaldatum schriftelijk is opgezegd bij Prelum. Een abonnement wordt eenmaal per jaar bij voorfacturering voor het aankomende jaar berekend. Prelum legt de gegevens van abonnees vast voor uitvoering van de (abonnements)overeenkomst. De gegevens kunnen door de uitgeverij worden gebruikt om u te informeren over relevante producten en diensten, tenzij u te kennen heeft gegeven hier bezwaar tegen te hebben. Adreswijziging Adresgegevens kunnen door de abonnee worden aangepast op www.ntvt.nl, via de knop ‘mijn NTvT’. Of door een e-mail te sturen naar ntvtklantenservice@prelum.nl onder vermelding van naam, nieuwe en oude adresggegevens. Tot slot kunnen wijzigingen worden doorgegeven door de adresdrager van het tijdschrift te corrigeren en retour te zenden naar Prelum, afdeling Klantenservice, postbus 545, 3990 GH te Houten. Nieuwsbrief Abonnees kunnen op verzoek gratis de e-mailnieuwsbrief maandelijks ontvangen. Aan­ melding kan via de knop ‘mijn NTvT’, zie Toegang en instellingen in het menu ‘Uw ­gegevens; Persoonlijk’. Of stuur een e-mail naar ntvt-nieuwsbrief@prelum.nl onder ­vermelding van naam en adresgegevens. Abonnementsvormen en −prijzen Jaarabonnement (incl. verzend− en administratiekosten): − tandartsen, mondhygiënisten, specialisten: € 176,89 (excl. BTW), € 187,50 (incl. 6% BTW); − gepensioneerde tandartsen*: € 88,45 (excl. BTW), € 93,75 (incl. 6% BTW); − buitenland woonachtigen: € 188,21 (excl. BTW), € 199,50 (incl. 6% BTW); − studenten tandheelkunde en mondzorgkunde (BA)*: € 28,07 (excl. BTW), € 29,75 (incl. 6% BTW). − studenten tandheelkunde (MA)*: gratis, zie www.ntvt.nl/masterabonnement. − losse afleveringen: € 18,87 (excl. BTW), € 20,00 (incl. 6% BTW). * Kortingstarieven gelden niet voor buiten Nederland woonachtige abonnees. Prijs­ wijzigingen voorbehouden. Leveringen en diensten geschieden volgens de Algemene Voorwaarden van Prelum Uitgevers b.v., gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Utrecht op 3 november 2016 onder dossiernummer 30237451. Een exemplaar van deze voorwaarden zal op verzoek worden toegezonden. De voorwaarden zijn tevens raadpleegbaar via www.prelum.nl. Advertentieverkoop Harry Velthuis, accountmanager, Prelum, De Molen 37, Postbus 545, 3990 GH Houten. Telefoon: 06−531 55 262. E−mail: velthuis@prelum.nl. Erik de Klein, medewerker mediaorder Telefoon: 030−63 55 060. Fax: 030−63 55 069 E−mail: ntvt−mediaorder@prelum.nl. Geldend advertentietarief 1 januari 2017. ISSN 0028−2200

Gebruikersgegevens Persoonlijke gegevens zijn na de eerste keer inloggen te wijzigen met de knop ‘Update my Information’ in het hoofdmenu.

Nederlands Tijdschrift voor Tandheelkunde

Prelum_NTvT17-11_binnen.indd 604

604

124 | november 2017

17-10-17 09:51


TIJD OM OVER TE STAPPEN?

KIES UW ENDO OPLOSSING

Roterend Prestatie en veelzijdigheid

Reciprook Eenvoud en veiligheid

ProgliderTM

WaveOne® Gold Glider

Protaper NextTM

WaveOne® Gold X1

ANT-OVERSTAPSERVICE Maak nu gebruik van de handige ANT-overstapservice. Wij regelen alle praktische zaken voor u om zonder zorgen over te stappen. Ga naar de website of stuur een WhatsApp.

WWW.ANT-OVERSTAPSERVICE.NL OF APP UW E-MAILADRES NAAR 06 83 77 07 24 Prelum_NTvT17-11_omslag_5mm.indd 2

X2

Primary Specifieke obturatie-oplossingen

Specifieke obturatie-oplossingen

www.chooseyourendosolution.com

7314_DS-PRE_Adv_Choose_NL.indd 1

17-10-17 11:27 06-10-17 15:12


jaargang 124 editie 11 november 2017

11

TANDTECHNISCH LABORATORIUM

jaargang 124 | editie 11 | november 2017 | 124: 529-604

Thema: Vrouwen in de tandheelkunde

Stijging vrouwelijke tandartsen

40%

30%

20%

10%

Jaar ‘80

‘82

‘86

‘90

‘92

‘94

‘96

‘98

‘00

‘02

‘04

‘06

‘08

‘10

‘12

‘14

‘16

w w w. n tv t. n l

2017-11-03 woman product -zirconium bridge1 4C.indd 1 Prelum_NTvT17-11_omslag_5mm.indd

12/10/2017 11:26:24

17-10-17 11:27

NTvT uitgave 11 inkijkexemplaar  
NTvT uitgave 11 inkijkexemplaar