Issuu on Google+

Pancratius in drie eeuwen Koos Linders


VAN ZANGVERENIGING TOT “KONINKLIJK HEERLENS MANNENKOOR”

1899: Gezicht op Heerlen vanaf Huize Bergrust, vroeger bekend als het Sanatorium

De eerste kennismaking met de geschiedenis van welk fenomeen dan ook, gebeurt via een blik op het uiterlijk. En dat uiterlijk van “Pancratius” is, zeker in de beginperiode, ongemeen boeiend: streng kijkende mannen, in geklede pakken net vadermoordenaars en allen voorzien van martiale, indrukwekkende snorren, kijken de lezer van documenten en gedenkboeken op iedere pagina aan. Vervolgens krijgt deze lezer de indruk dat hij het straatnamenboek van Heerlen aan het bestuderen is: Waszinkstraat, Heselleplein, Honigmanstraat, Van Itersonstraat, Romboutsstraat, Dr. C. Meulemanstraat, De Weverstraat: al deze hier genoemde “straatnamen” hebben in de geschiedenis van Pancratius een rol gespeeld als beschermheer, voorzitter, erevoorzitter of leden van erecomités bij gelegenheid van huldigingen van Pancratius. De hier beschreven geschiedenis van het K.H.M. “St.-Pancratius” is van de hand van een relatief jong Pancratiaantje, dat argeloos deze geschiedenis ingedoken is. Wat hij las was een reeks namen van bestuursleden, hele lijsten van zangers en een ontelbaar aantal concoursen, waaraan het koor in de loop van zijn 125-jarig bestaan deelgenomen heeft. Hij las van saamhorigheid en conflicten over de kleinste zaken, van de plaats die het koor in de geschiedenis van Heerlen veroverd heeft.

Heerlen rond 1870

Limburg.” Zo beschreef een Hollandse toerist Heerlen in 1886. Inderdaad, het was een dorp van hooguit 6000 inwoners. Petroleumlampen als verlichting, geen waterleiding, maar openbare putten, het gemeentebestuur vergaderde in een zaaltje boven het brandspuitenhuis, men werkte vooral in de landbouw. Maar... Heerlen had ambities om een stad, een centrum in de regio te worden. Arnold Schunck vestigde zijn weverij en stoffenwinkel in Heerlen. Preusser kreeg zijn speldenfabriek, “Gambrinus” was de eerste Heerlense bierbrouwerij die op stoom overging en in 1867 werden de eerste patiënten opgenomen in het opvanghuis voor ouden-van-dagen, gesticht door Petrus Joseph Savelberg. Onder de bezielende leiding van broeder Aloysius werd Heerlen zelfs een Kneippkuuroord!

“... Heerlen, mogelijk het fraaiste dorp van geheel

Kultuur was er nog weinig. Er was een harmonie

Von Ranckes ideaal om de geschiedenis te beschrijven “wie es wirklich gewesen ist” zal in deze kolommen niet gehaald worden. Alle beschrijving is een selectie, een interpretatie.

20


(St.-Cecilia), de schutterij “Sint-Sebastianus”, er was de kermis, er waren processies, maar dat was het wel. In 1877 zou daar verandering in komen. Van “Les Amis Réunis” naar “Heerlense Zangvereeniging St.-Pancratius” Er was al een Jonggezellengezelschap, waarvan alleen ongehuwde jongemannen lid mochten zijn, dat zich onder leiding van Jos. Kessels aan de zangkust wijdde. Op 3 maart 1877 werd een tweede vereniging opgericht, de Zangsociëteit “Les Amis Réunis”, vermoedelijk een gezelschap van wat bedaagdere heren, gezeten burgers, die onder leiding van ene heer Smeets uit Valkenburg eveneens de zangkunst op een hoog plan wilden beoefenen, zoals de statuten aangeven: “Het doel van het gezelschap is de beoefening en voortplanting der toonkunst”. Een jaar later smolten de twee verenigingen samen (15 oktober 1878) en behielden de naam “Les Amis Réunis” én hun dirigent, die echter vrij spoedig opgevolgd werd door Jos. Kessels, de dirigent

Oranje Nassaustraat 1908

van het voormalige Jonggezellengezelschap. In de Limburger Koerier stond al snel een oproep om op 29 december 1878 deel te nemen aan een vergadering in café Starmans: “Daar het tot den bloei van dit gezelschap veel zoude bijdragen en de ontwikkeling der zo schoone toonkunst zou bevorderen, wordt hiermede aan alle zangliefhebbers van Heerlen eene oproeping gedaan om zich aan dit gezelschap te willen bedeelen en zich in de op Zondag te houden vergadering te willen aangeven en dan zoodoende bij beoefening der zangkunst de ware eendracht oprecht te houden en den schoonen naam Les Amis Réunis in den vollen zin des woords eer aan te doen.” Een jaar later schonk Baron de Loë de vereniging een vaandel, dat tot 1952 dienst heeft gedaan. Bij die gelegenheid werd de naam van de vereniging veranderd in “Heerlense Zangvereeniging St.Pancratius”, de patroonheilige van kerk en dorp. Voortvarend ging men met 48 zangers aan de slag en in 1880 achtte men zichzelf rijp tot deelname aan een internationaal concours in Keulen. Men had besloten in de tweede afdeling uit te komen, maar omdat daar geen andere deelnemers voor waren, besloot men in jeugdige overmoed in de eerste afdeling uit te komen.

Het oude Raadhuis, een ontwerp van J. Kayser uit 1877

Het werd een drama. “Kessel”-Musik”, schreven de recensies, daarbij verwijzend naar de naam van de dirigent. Diens broer, M. Kessels, schreef een boekje met als titel “Naar ‘t concours” (augustus 1880), waarin hij op humoristische wijze de afgang beschreef. De enige medaille die het koor ontving was de herinneringsmedaille: “Men zwoer wraak op al wat Pruis was en zou ooit een der Jury’s in Heerlen komen, zijn leven was verbeurd.” 21


Kessels vertrok als dirigent en werd, na een korte onderbreking, opgevolgd door A. Sassen, die het koor door de perikelen van het begin heen hielp en in 1886 op een concours in Valkenburg met de Zangvereniging een “eervolle vermelding” in de wacht sleepte. Pas in 1902 kon er wraak genomen worden op het échec in Keulen: tijdens een internationale zangwedstrijd te Duisburg keerde de Zangvereeniging met een tweede, een derde en een tweede ereprijs naar huis. De archieven en gedenkboeken van het koor staan bol van de behaalde prijzen en successen en het zou langdradig worden om ze allemaal op te noemen. We zullen volstaan met de belangrijkste te vermelden en met die, waar een goed verhaal aan vast zit. Een kroniekje 1896 De Zangvereeniging, bestaande uit 50 leden, neemt deel aan een zangwedstrijd in Malmedy en behaalt de vierde prijs. Heerlen bereidt de zangers een grote ontvangst.

1901 Naar “het hol van de leeuw”, Maastricht, concours georganiseerd door de “Staar’: 3e prijs, 10 deelnemende verenigingen! 1902 Duisburg, 2e en 2e ereprijs in de “Ausländische Klasse”, 3e prijs in de “Internationale Klasse”, uit 13 deelnemers. 1904 De “zaalkwestie”: een aantal leden wil van repetitiezaal veranderen. Dit was des te pijnlijk, omdat de zaalhouder tevens bestuurslid van St.-Pancratius was. Wanneer het bestuur tóch besluit om van zaal te veranderen, ontstaat er een splitsing in de gelederen. Het betrokken bestuurslid neemt ontslag en de familie Emonds treedt toe tot het bestuur (zie elders in dit nummer). De burgemeester stelt een nieuwe zaal ter beschikking, maar enkele leden splitsen zich af en vormen het “Heerlensch Mannenkoor”, dat al na enkele jaren ter ziele is. 1910

1897 Een 6e prijsje in Aken, maar een nieuwe repetitiezaal: zaal Merckebach.

22

Pancratius geeft in dit jaar 6 grote concerten(!), waarvan één samen met de Belgische wonderkinderen Laura (14) en Raoul (8) Bacot, virtuozen op


de viool. 1913 Koningin Wilhelmina en prins Hendrik brengen een bezoek aan de Vroedvrouwenschool aan de Akerstraat. Pancratius brengt het koninklijk paar een aubade. Deze gebeurtenis is het eerste contact tussen het koninklijk huis en Pancratius. 1914 Pancratius geeft nog enkele concerten voor de oorlog uitbreekt. De mobilisatie roept verschillende leden onder de wapenen, de overgebleven zangers kwamen nauwelijks naar de repetities, de concerten werden slecht bezocht. Het repetitilokaal wordt door het Militair Gezag in beslag genomen voor het corps Militaire Wielrijders. De vleugel wordt buiten de deur gezet en aan de elementen prijs gegeven. Pas in 1923 roept voorzitter Hennen het bestuur weer bij elkaar, geleidelijk beginnen de repetities weer en in november 1923 wordt het eerste concert gegeven. In de periode die nu volgt, is Pancratius druk bezig met het exploiteren van de schouwburg en alle activiteiten vinden dan ook plaats in dat kader plaats. 1934 Pancratius was al over de grens geweest (België en Duitsland), maar nu werd het serieus: het koor vertrok naar Zwitzerland, naar Genève, waar het in augustus onder leiding van dirigent Paul Pfeiffer deelnam aan een het “Concours International de Musique” met gezelschappen uit Italië, Frank-

rijk, Nederland en de Verenigde Staten. Pancratius kwam in de eerste klasse en won daar de eerste prijs. Daarnaast ontving het koor een speciale prijs uit handen van president Lebrun van Frankrijk: een fraaie Sèvres-vaas! Het concours werd afgesloten met een “grand concert de soir”. De Tribune de Genève bericht als volgt over Pancratius: “... La Societé chorale de St.-Pancrace, à Heerlen (Hollande), forte de leurs concours, toute l’admiration du public.” Het jaarverslag van Pancratius vermeldt dat “... 20.000 toehoorders toeluisterden en zeer onder de indruk kwamen van hun machtig en sonoor zingen.” 1936 Henri Heydendael wordt dirigent van het koor. Met voortvarendheid pakt hij de zaken aan en wijdt al zijn zorgen aan repertoirevernieuwing, waarbij aan de moderne werken een ruime plaats wordt toebemeten. Zijn aanpak heeft succes: in 1938 behaalt het koor op een wedstrijd in Leuven de eerste plaats in de categorie “Uitmuntendheid”. 1938 Op 24 oktober wordt bij Koninklijk Besluit vastgesteld, dat Pancratius het predikaat “koninklijk” mag gaan voeren. De oorlogsdreiging wordt meer en meer tastbaar. De dirigent en 15 procent van de leden van het koor worden onder de wapenen geroepen. Eerste tenor Wout Vroomans wordt plaatsvervangend dirigent: er worden in dit jaar nog 48 repetities gehouden, Pancratius blijft springlevend.

23


Pancratius 1903 Zilveren Jubileum

1940 Zo goed en zo kwaad ontplooit Pancratius nog activiteiten, maar de Kulturkammer dreigt... 1942 Wanneer aansluiting bij de Kulturkammer verplicht wordt, stopt het bestuur met de activiteiten en sluit de repetities. Pancratius verdwijnt letterlijk van het toneel. Maar niet voor lang! Een jubilerende zangvereniging In het vieren van feesten is Pancratius altijd goed geweest, zeker als het ging om jubilea. In 1891 werd met grote luister het 12 1/2-jarig jubileum gevierd met een groot festival, waar 36 verenigingen aan deelnamen. Dat was buitengewoon veel, want Heerlen telde in die tijd slechts vier muziekverenigingen. 32 Verenigingen kwam dus van buiten het dorp/de stad. In de Limburger Koerier van 16 mei 1891 komt de volgende advertentie voor: “Groot festival, te geven door ‘t Zanggezelschap St.-Pancratius op kermis-Zondag 1 juni a.s. ter gelegenheid van zijn 12 1/2 jarig bestaan onder medewerking van 28 muziek- en zanggezelschappen en Schutterij “St.-Sebastianus”, de Ruitersclub “Bucepholos” en Turnclub “Coriovallum”. Na afloop prachtig vuurwerk! Entree 1 Frank”. Een Frank in die tijd gold wisselend de Belgische 24

en de Duitse munt als betaalmiddel in deze contreien. De dag werd geopend met een ontvangst van de verenigingen ten stadhuize, waar de “erewijn” werd aangeboden. In het stadhuis werd door de feestgevende verenigingen de welkomstgroet “Sängergrüss” van C. Wilhelm uitgevoerd. De zangvereniging “St.-Cecilia” uit Schinnen bracht het zangstuk “Le Chemin de Fer, à l’honneur de Mr. H.L. C.H. Sarolea” ten gehore. Sarolea zelf was ook aanwezig, werd hartelijk door de aanwezigen toegejuicht en trakteerde de zangers na afloop op een glas wijn. In oktober 1903 werd het zilveren jubileum gevierd. Het jaarverslag vermeldt het volgende: “Het gebulder van 25 saluutschoten kondigde St.-Pancratius jubeldag aan. Tegen 10 ure werden de jubilarissen (het koor zelf natuurlijk én de oprichters Hubert Dassen en Henri Hoeppermans) afgehaald en ter kerke geleid, waar om half elf eene plechtige hoogmis, voor de levenden en overledenen leden der Vereeniging, werd opgedragen door den Hoog Eerw. Heer Deken Wimmers. Na de Consecratie hief St.-Pancratius het indrukwekkende koor “Israël” aan. Machtige accoorden golfden langs de nog niet geheel voltooide gewelven van het kerkgebouw. Eere onzen geachten, ijvervollen directeur, de heer Leon Hermans, die dit zware koorwerk na slechts enkele weken studie, aldus ter uitvoering bracht.” Ook nu weer: een jubileumconcert, met medewerking van het kwartet “Excelsior” van de Maastreechter Staar, violist Mous en pianist Hermans.


De journalist van de Limburger Koerier drukt zich slechts uit in superlatieven: “...heerlijk concert ... koninklijke kunst, koninklijke muziek ... een paar uurtjes van heerlijk, verheven genot ... het publiek ving in diepe stilte iedere klank, elke nuanceering van de lippen der zangers op ...oorverdovend handgeklap en gejuich ... boden het neusje van de zalm ... St.-Pancratius onthaalde ons op de heerlijkste nummers van haar overrijk program.” In 1928 werd het gouden jubileum gevierd, waaraan alle plaatselijke verenigingen deelnamen. Op 25 en 26 augustus van dat jaar vond een waar volksfeest plaats: ontvangst op het gemeentehuis, volksconcerten, de plechtige hoogmis, receptie in het “Grand hotel”, optocht en défilé, nog een volksconcert, cramignon op de Markt en tot slot een taptoe. Alle sprekers waren “diep getroffen”, roemden “de schone mannenzang, konden geen woorden vinden” en prezen de Zangvereeniging de hemel in. Alles ging goed, de Rode-Kruis-colonne hoefde geen dienst te doen, zo vermeldt het verslag van de huldiging. Afgesloten werd met een wens voor de “werkende leden” (de zangers, sic!): “Geheel Heerlen heeft Uwe Vereniging gevierd en gehuldigd, het 50-jarig bestaan Uwer Vereeniging heeft de Heerlensche bevolking willen vieren als een feestdag haar eigen, daardoor te kennen gevende hare tevredenheid over hetgeen hare Zangvereen. St. Pancratius tot heden presteerde en hooge verwachtingen te stellen voor de toekomst

der Vereeniging. Op U. leden, rust den plicht deze verwachtingen niet te beschamen. Zedelijk behoort gij St.-Pancratius hoog te blijven houden door uw gedrag binnen en buiten de Vereeniging en door ernstig en getrouw repetitiebezoek moet gij onder de kundige leiding van Uwen directeur, de Vereeniging ook op kunstgebied steeds hooger trachten op te voeren, dan pas kwijt ge U van een duren plicht U zelf opgelegd door het aanvaarden van het lidmaatschap, aangenamer plicht echter omdat hij voor Uzelf de zoete vruchten afwerpt, want dan zult gij U met trotsch er op kunnen beroepen lid te zijn van de “Heerlensche Zangvereeniging St.-Pancratius”. Het repetitiebezoek (Bestuurs)leden van het koor die zich beklagen over het matige repetitiebezoek mogen zich troosten met de gedachte dat alle verenigingen met dit euvel kampen en dat het een verschijnsel van alle tijden is. Het jaarverslag van 1911 bevat de volgende passage: “Mijne heeren, niemand kan ons wijsmaken dat hij in de week niet 2 uurtjes na negen uur kan afsplijten om te repeteeren, iemand die van goeden wil is, kan zijn werkzaamheden zoo inrichten, maar gewoonlijk is het van de wegblijvers laksheid, verregaande onverschilligheid en gemakzucht. De een zit lekker achter de kachel zijn pijpje te rooken, het is hem te lastig zich ter repetitie te begeven, een 2de moet kaartspelen, een 3de moet

Pancratius 1928 Gouden Jubileum

25


violist. Zijn oudste zoon, Hubert Jozef Arnold Hennen (1820-1901) was al op elfjarige leeftijd titulair organist van de Pancratiuskerk. Hij studeerde te Luik en Parijs, waar hij kennis maakte met Hector Berlioz. Arnold Hennen heeft ook een aantal composities nagelaten, maar waren zeker geen aanleiding om hem, zoals wel gebeurde, een “Hollandsch genie” te noemen.

De oude Schouwburg

biljarten, een 4de is zoo verwaand en zegt: “Ik heb geen repetitie noodig, ik ken het toch.” Een 5de moet bittertjes drinken of heeft er al zooveel op dat hij niet kan repeteeren, de 6de is het weer te slecht, de 7de is het weer te mooi, hij moet met het meisje wandelen. Neen mijne heeren, deze verdienen niet de naam van leden, maar wel van dieven der vereeniging, want zij steelen de vereeniging het geld af dat besteed wordt om hun degelijk onderricht in den zang te geven wat door hun wegblijven onnoodig wordt weggeworpen.”

De tweede zoon Louis Hubertus Antonius Joseph Hennen (1826-1878) volgde in 1843 zijn broer Arnold op als organist van de Pancratiuskerk. Naast muziek hadden ook architectuur en beeldhouwkunst zijn belangstelling. Hij was dirigent van de Heerlense fanfare “St.-Caecilia” en leermeester van onder andere J. Kessels, de tweede dirigent van de Zangvereeniging Sint-Pancratius. Mathieu Jozef Hubert Hennen (1828-1880) wordt van de drie wel beschouwd als de beste componist.

In datzelfde jaar nam Léon Hermans als dirigent afscheid van het koor, “wegens drukke werkzaamheden”. Insiders wisten te vertellen dat Hermans zeer ontevreden was over het repetitiebezoek en dat dit aan zijn beslissing wel degelijk had bijgedragen... De familie Hennen De muziekgeschiedenis van Heerlen en van het Pancratiuskoor is onlosmakelijk verbonden met de familie Hennen. Stamvader Henri Joseph (17821850) was van beroep klokkenbouwer en horlogemaker en in zijn vrije tijd een zeer verdienstelijk

26

Hubert en Henri Hennen stichters van de oude Schouwburg


De jongste zoon was Hubert Frederik Hennen (1830-1909), violist (o.a. in het operaorkest van Covent Garden te Londen, waar hij concertmeester werd) en componist. In 1871 keerde hij terug naar Heerlen waar de villa “Strijdhagenshof� kocht. De villa werd het familiehuis van de Hennens en trefpunt voor kunstliefhebbers. Dr. Poels was er een graag geziene gast.

Koninklijk bezoek 1927, links Pancratius

en exploitatie. De voortvarende president van Pancratius, Hubert Hennen, kreeg zijn bestuur zover om de beroemde Sixtijnse Kapel uit Rome uit te nodigen, wat gezien de kosten en de organisatie geen sinecure was. Twee uitvoeringen zou het koor geven: een in de middag en een in de avond. Het bisdom maakte bezwaar tegen een uitvoering in een kerkgebouw. Hennen, ook niet voor een gat te vangen, stelde voor om de nog niet voltooide schouwburg te huren en daar de concerten te geven. De uitvoeringen trokken veel aandacht, de zaal was mudvol en tot ver in de omtrek steeg de ster van Pancratius: een koor met een eigen schouwburg! Het bestuur had namelijk besloten om de schouwburg te huren en te exploiteren. Hennen werd voorzitter van een SchouwburgStichting die zich ten doel stelde de schouwburg met behulp van de gemeente Heerlen aan te kopen en te exploiteren.

Van de zoons van Frederik Hennen hebben vooral Hubert en Henri met het Pancratiuskoor te maken gehad. Hubert, de oudste van de twee was van 1909 tot 1927 president van het koor. De eerste Heerlense schouwburg Het jaar 1925 is voor Pancratius een belangrijk jaar geweest. Al heel lang was het de gewoonte om niet alleen concerten te geven, maar ook toneelgezelschappen naar Heerlen te halen. Een goede accommodatie was er niet, behoudens zaal Dircx van het gelijknamige hotel. Er was wel begonnen met de bouw van een heuse schouwburg aan de Klompstraat, maar de gemeente Heerlen moest nog altijd beslissen over subsidie

Bongerd 1902

27


Ontvangst ten stadhuize Sint-Pancratius bij zijn Gouden Jubileum in 1928

Het probleem van het te klein geworden repetitielokaal was meteen opgelost: Pancratius zou voortaan in de schouwburg repeteren. Pancratius contracteerde vele beroemde gezelschappen op het gebied van muziek, toneel en ballet: het Regensburger Domchor met zijn Domspatzen, de Wiener Sängerknaben, de Italiaanse Opera, Jo Vincent, Rosa Spier etc. Familie Hennen vervolg Na zijn dood in 1927 werd Hubert Hennen door zijn broer Henri opgevolgd, die tot 1936 president van het koor zou blijven. Met onverminderde energie zette hij de exploitatie van de schouwburg aan de Klompstraat voort. In 1928, bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van het koor zei burgemeester Van Grunsven over

de schouwburg het volgende: “Alleen mocht ik hier nog mijne bijzondere waardering uitspreken voor hetgeen door Uwe Vereeniging voor de burgerij is bereikt bij het exploiteren van den Schouwburg. Het zal U interesseren wanneer ik zeg, dat de zoogenaamde Schouwburg-kwestie in een zodanig stadium verkeert, dat zeer spoedig aan de onzekerheid dienaangaande een einde komt.” En inderdaad, in 1930 werd de gerestaureerde schouwburg officieel geopend en nam de gemeente Heerlen de exploitatie ter hand. Charles Marie Anton Hennen (1861-1953) tenslotte is wel de bekendste (nationaal en internationaal) van de zonen van Frederik. In 1910 opende hij voor 34 leerlingen de muziekschool van Heerlen, waarbij hij geassisteerd werd door Jos Smeets jr. uit Valkenburg (van 1911 tot 1923 dirigent van het Pancratiuskoor) en zijn dochter Maria Hennen. In 1914 presenteerde de school zich met een uitvoering van de operette “Repelsteeltje” waarvoor Charles Hennen de ouverture en enkele muzikale intermezzi had geschreven. Charles Hennen heeft niet veel composities nagelaten. Interessant om te vermelden is het lied “De Berghwerker” uit de operette “Repelsteeltje”: de tekst is geschreven door de in Heerlen geboren Vlaamse dichter Henri Dautzenberg.

Kerkplein 1915

28


Hennen en Pancratius: een duo waaruit voor Heerlen en de streek op cultureel gebied machtig veel moois is voortgekomen. Van Liedertafel naar toonkunst Ik herinner me dat ik zo’n 25 jaar geleden, tegen kerst, bij platenzaak Roeks in Heerlen een kerstplaat wilde kopen. Mevrouw Roeks gaf me advies: “Een kerstplaat? Dan móet U de Maastreechter Staar nemen. Dát is de echte kerstsfeer. Pancratius is wel goed, maar te modern.” Kennelijk stond de Staar voor het authentieke kerstgevoel van gezelligheid, warmte, kindje in de kribbe en Glühwein, Pancratius voor moderniteit zonder veel gevoel... Mevrouw Roeks zou genoten hebben van onze kerstconcerten: warmte en gezelligheid én vernieuwd repertoire. In deze periode zijn het vooral de dirigenten Hermans, Smeets en Heydendael geweest, die hard gewerkt hebben aan niveau en kwaliteit van het koor, dat zijn bestaan begon in de periode dat de zogenaamde “Liedertafel” uiterst populair waren. Het eerste concert dat Les Amis Réunis organiseerde, werd aangekondigd onder het opschrift: “Wo man singt da lass dich nieder Böse Menschen haben keine Lieder.” De Liedertafel uit de negentiende eeuw hadden gezelligheid en het samen liederen zingen rond de tafel de prioriteit. Stevige mannenkoren waren het,

Emmaplein 1925

die ook regelmatig de keel moesten smeren om het repertoire aan te kunnen: “Niemals ist zum Heimatlande Frohe Rückkehr mir beschieden, Einsam auf der fremden Erde Werd’ ich sterben, unbeweint.” Al snel werkte Les Amis Réunis zich op uit deze Liedertafelkunst. De “schoone toonkunst”, dat wilden ze en daarom stonden op het programma van het eerste concert werken van Bach en Orlando di Lasso gebroederlijk naast de “Lieder”. De Duitse Heimatlieder bleven echter prevaleren. Pas onder de directie van Heydendael gaat hier echt verandering in komen, maar daarover meer in een volgende nummer.

29


Presidenten / Praesides in deze periode

1878-1880: 1880-1883: 1883-1887: 1887-1890: 1890-1892: 1892-1898:

H. Vreuls J. Schmitz J. Alsdorf A. van der Velden L. Merckelbach V. Roosen

1909-1927: 1927-1936: 1936-1941: 1941-1945: 1947-1949:

Hub Hennen Henri Hennen J. Emonds O. Timmers H. van Hoorn

Dirigenten in deze periode

J. Kessels

L. Hermans

A. Stassen

J. Smeets

1878-1879: Smeets, muziekleraar uit Valkenburg 1879-1880: J. Kessels, Heerlen, later Kapelmeester in BelgiĂŤ en Inspecteur Kapelmeester in het Amerikaanse leger. 1880-1882: P. Otten, Klimmen 1882-1893: A. Stassen, Heerlen, tevoren assistent-dirigent van het koor 1893-1897: V. Nijpels, laureaat van het Conservatoire te Luik 30

V. Nijpels

R. Geyr

P. Peiffer

1897-1911: L. Hermans, Nuth 1911-1923: J. Smeets, Valkenburg, leraar en later directeur van de Heerlense muziekschool. 1923-1924: R. Geyr, MĂźnchen-Gladbach 1924-1936: P. Pfeiffer, Aken 1936- 1970: Heyendael, Maastricht Koos Linders


EEN HERRIJZEND KOOR van onderduiken naar internationale successen

1947: Koninklijk Heerlens Mannenkoor St.-Pancratius

Herstel Na de bevrijding van Zuid-Nederland bleek Pancratius nog springlevend te zijn. Kon men in 1944 nog slechts tweemaal repeteren, vanaf begin 1945 vonden de repetities weer regelmatig plaats. Op 28 januari 1945 kwamen alle leden weer bijeen in een algemene ledenvergadering, kozen een nieuw bestuur en begonnen aan een opmaat wat het aantal leden betreft: eind 1945 bedroeg dat 130! Toen de capitulatie bekend was, werd de repetitie op 4 mei 1945 voortgezet op het Marktplein van Heerlen waar Pancratius als eerste Heerlense vereniging, waarschijnlijk als eerste vereniging in heel Nederland, in vrijheid het “Wilhelmus” aan kon heffen. In 1946 en 1947 werden vele concerten gegeven, ieder jaar dertien. 1947 betekende een belangrijk jaar voor de vereniging: de naam “Koninklijke Zangvereniging St.-Pancratius Heerlen” werd veranderd in de naam, die het koor nog steeds draagt: “Koninklijk Heerlens Mannenkoor St.-Pancratius”. De naam die onlosmakelijk aan deze periode is 24

verbonden, is de naam van dirigent Henri Heydendael. Henri Heydendael Heydendael (1906-1994) werd geboren te Heer en studeerde aan het conservatorium te Luik. Van 1926 tot 1951 was hij organist van de Onze-LieveVrouwekerk te Maastricht en enige jaren dirigent van de “Mastreechter Staar”. Van 1936 tot 1970 was hij dirigent van het “Koninklijk Heerlens Mannenkoor St.-Pancratius”.Van 1935 tot 1951 was hij docent aan het muzieklyceum te Maastricht, de voorloper van het conservatorium. Van 1951-1971 was hij directeur van de muziekschool Heerlen. Onder zijn leiding werd het solfège-onderwijs gemoderniseerd, een schoolorkest opgericht en werden diverse vormen van ensemblelessen geïntroduceerd. Heydendael componeerde “voor de praktijk”: missen, orgelwerken, werken voor mannenkoor en orkest en toneelmuziek. Van Dijk in zijn “Panorama van drie eeuwen mu-


ziek in Limburg” zegt over hem: “Zijn muzikale stijl verenigt elementen van de Franse romantiek en het impressionisme in zich, maar kenmerkt zich, met name in de na 1940 geschreven werken, ook door progressieve harmoniek die aan de muziek van Langlais, Alain en (de vroege) Messiaen herinnert.”

het vermenigvuldigen van notenmateriaal, het arrangeren der repetities, het heen- en weerreizen, het absent zijn in de huiselijke kring ...Het enige doel is de zuivere schoonheid te bewonderen, te ondergaan en uit te dragen, om het even of het composities betreft over vreugde of rouw, liefde of haat, en of ze zinnelijk of vroom, bacchanaal of hymnisch van inslag is”, aldus Heydendael in1953.

Pancratius heeft veel aan deze dirigent te danken. Nog steeds worden er werken ten uitvoer gebracht die door hem getoonzet of gearrangeerd zijn. Veel concertreizen zijn onder zijn leiding gemaakt: Frankrijk, Engeland, Italië, Duitsland, USA, Canada, België, Israël en Zwitserland. Heydendael had een program, dat alle stijlen omvatte van de Nederlandse, Italiaanse en Spaanse school, Duitse romantiek tot contemporaine muziek. Britten, Bartok, Schönberg, Milhaud, Suk, Strawinsky, Monteverdi, Monnikendam: het kon niet op. De “edele jongens van de Zangvereeniging” werden zangers in dienst van cultuur, de cultuur van mannenkoorzang: “Eens vond men het een genoegen om rond te tafel liederen te zingen... maar ach, waarom zouden wij al die minder deugdzaam lijkende praktijken uit de kinderschoenentijd nog eens gaan oprakelen? Dwalingen en misvattingen vindt men heus niet alleen bij musicerende mensen en zingende mannen! Laten wij liever het edele voor ogen houden, laten we liever onze gedachten richten op de zending, op het essentiële dat wekelijks honderd mannen bij elkaar brengt. Het streven van ... Pancratius is doordrongen van slechts één hoofdgedachte: de schone voortbrengselen der koorkunst te verspreiden en zichzelf er door te verrijken en te verheffen. En al het doen en laten is hierop afgestemd: het opsporen van onbekende composities,

Henri Heydendael

In 1938 zette Heydendael de toon op het “concours” te Leuven: met “Psaume 121” van Darius Milhaud klopte het koor onder zijn leiding het hele zangersveld en nam het de enige eerste prijs in de hoogste klasse, de afdeling “Uitmuntendheid” mee naar huis. De missionaris Heydendael zag in het mannenkoor de mogelijkheid dit te verheffen tot een fenomeen. Fris en voortvarend pakte hij de zaken aan en wijdde al zijn zorgen aan repertoire-vernieuwing, waarbij aan moderne werken een ruime plaats werd toebedeeld. Het repertoire dat hij opbouwde, werd een voorbeeld voor het totale mannenkoorwezen dat de genadeslag toebracht aan de oude Liedertafelmuziek. Tot in de oudste muziek groef hij.

25


In 1950 werd het koor uitgenodigd om deel te nemen aan een muziekfestival, georganiseerd door de “International Society for Contemporary Music”. Op dit festival kon Heydendael samen met Pancratius breed uitpakken met de nieuwe richting waarin het koor geslagen was. Het kritische Wenen kende niet genoeg superlatieven om het optreden te beschrijven:

Stationsstraat 1949

Vond hij de compositie belangrijk en geschikt voor zijn doel, dan verscheen er een polyfoon werk op het repertoire. Namen van de grote componisten uit de polyfonie werden bij Pancratius gemeengoed: Josquin, Monteverdi, Palestrina, Lassus. Hij bracht een schifting aan in de romantische koorwerken. Alleen wat “geschikt” was voor het doel werd meegenomen. Schumann, Schubert, Dvorak, Grieg, zij overleefden het. Met operakoren had hij niet veel. Uit hun context gelicht, zonder de atmosfeer van het theater en zonder een goed orkest meende hij niet die kwaliteit te bieden die hij wilde. Een enkele keer gaf hij toe aan de wensen van het koor en kwam er een operakoor op het repertoire, waarin de “heren zangers” eens even lekker konden uithalen. Maar: ook dit uithalen moest verantwoord gebeuren!

“Pancratius wuszte durch seinen schönen, warmen vortrag und durch sein brillantes Stimmen-material den ausverkauften Saal so zu begeistern, dasz er das Podium nicht verlassen konnte und eine Reihe Zugaben machen muszte. Sowohl der architectonische Aufbau der polyphonischen Kompositionen, als auch der glänzende Interpretation der schwersten modernen Werke bewiesen dasz diese Auffhrung unter der meisterhaften Leitung von Henri Heydendael ein vokaler Höhepunkt des konzertjahres war. Viele bekantte Fachleute aus der Wiener Musikwelt waren anwesend und ihr Urteil war einstimmig: eine offenbarung.”, aldus de Wiener Herold van 1 mei 1950.

Honingmanstraat 1955

Pancratius had, in de woorden van het Koninklijk Nederlands Zangersverbond, richting gegeven aan een nieuwe stroming in de mannenzang, had “een culturele zending vervuld”:

Station 1955

De modernen en de eigentijdsen kregen de aandacht die zij verdienden: Poulenc, Debussy. Ravel, Hindemith, Kodaly, Niël, namen die nog steeds het repertoire van Pancratius sieren. Ook werk van Heydendael zelf mag niet onvermeld blijven: zijn “Burleska”, de “Missa Cathedralis”, een modernklassieke polyfone mis. 26

“Pancratius heeft de Nederlandse mannenzang in Wenen op excellente wijze hooggehouden. Zij heeft in Oostenrijk bewondering gewekt voor het peil, waarop de mannenzang in Nederland staat en de overtuiging is daar gevestigd, dat ook in Oostenrijk de vernieuwing een gebiedende eis is. Pancratius heeft een culturele zending vervuld en dat op voortreffelijke wijze.” De bevestiging van deze ontwikkeling vond plaats


“De uitvoering van mijn werk was volmaakt. Het koor is van zeldzame homogeniteit en zong mijn drinklied, dat lang niet gemakkelijk is op werkelijk sublieme wijze. De slotscéne was niet te overtreffen. De overige nummers werden eveneens prachtig gezongen. Het zijn prachtige werken. Vooral “Het geluk” van Monninkendam vind ik prachtig, evenals de Copla’s van Van Hemel.”

Feestelijk opening Glaspaleis 2 juni 1935

in 1952 te Parijs, waar het koor door de International Society for Contemporary Music opnieuw werd uitgenodigd om op te treden. En weer werd het een daverend succes. Er was veel gerepeteerd en na de generale repetitie kon Heydendael verklaren dat “het er in zat”. En het zat er in. Heydendael werd onderscheiden met “les palmes académiques”, het bestuur van Pancratius tekende het Gouden boek bij het graf van de onbekende soldaat, Pancratius kreeg de zilveren legpenning van de stad Parijs, maar het hoogtepunt kwam toch wel met de uitspraak van Francis Poulenc, wiens “Chanson à Boire” door het koor ten gehore gebracht werd: “L’exécution de ma composition était parfaite. La chorale est d’une homogénéité exceptionelle et a chanté ma “Chanson à Boire” qui n’est pas facile, d’une manière grandiose. La finale surtout était insurpassable. Les autres oeuvres, surtout les oeuvres néerlandaises, etaient superbes. Ce sont de très belles oeuvres. Je trouve “Le Bonheur” de Monnikendam particulièrement beau, ainsi que “Les Copla’s” de van Hemel.”

Heydendael was precies de man naar de aard van de Fransen. Geen daverende fortissimo’s, maar getemperde forti, raffinement en een goed in de hand gehouden tempo, die aan zijn interpretaties juist de door de Fransen zo gewenste distinctie gaven. Nog steeds zingt het K.H.M. St.-Pancratius door Heydendael gearrangeerde werken om zo de naam in ere te houden van de man, die veel voor het koor betekend heeft. In 1970 droeg Heydendael de dirigeerstok over aan Eric Hermans, die daardoor een erfenis in handen kreeg van een van de belangrijkste vernieuwers van het mannenkoorrepertoire. Interludium: Een koninklijk zangkoor, een koninklijk kroniekje Juni 1913 Pancratius brengt het koninklijk paar, koningin Wilhelmina en prins Hendrik, een aubade, wanneer zij de vroedvrouwenschool in Heerlen bezoeken. Juli 1927 Wederom brengt het koor de koninklijke familie een aubade, wanneer zij Heerlen bezoeken.

27


Juni 1967 Het erelid Janssen ontmoet koningin Juliana op een receptie ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van spaarbanken in Nederland. Hare Majesteit: “Ja, Montreal! ... Wat heeft uw koor daar buitengewoon en prachtig gezongen en wat heeft het daar een enorm succes gehad!” Het erelid: “Ik stond perplex!!”

Het nieuwe raadhuis

24 oktober 1938 Koningin Wilhelmina verleent aan de zangvereniging Pancratius het predikaat “koninklijk”.

Voeg daarbij de optredens op koninginnedagen, tijdens oranjefeesten en op ambassades tijdens de buitenlandse reizen en het mag geen verwondering heten dat in het insigne van Pancratius twee brede banen oranje zitten en het kroontje prominent aanwezig is.

Maart 1945 Koningin Wilhelmina bezoekt het bevrijde Heerlen: Pancratius is van de partij en zingt Hare Majesteit toe. April 1948 Prinses Juliana bezoekt de Mijnstreek en is aanwezig bij de officiële opening van het nieuwe raadhuis van Heerlen. Ook Pancratius is aanwezig en brengt een muzikale hulde. April 1950 Koningin Juliana en prins Bernhard brengen een officieel bezoek aan Limburg. Bij de ontvangst in Heerlen werd wederom door Pancratius in de hal gezongen. Oktober 1954 De Commissaris van de Koningin, dr F. Houben, deelt tijdens het galaconcert ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het K.H.M. St.- Pancratius mede, dat Koningin Juliana het beschermvrouwschap van het koor had aanvaard. Mei 1967 Pancratius zingt Koningin Juliana en prins Bernhard toe op de Nederlandse dag tijdens de Wereldtentoonstelling te Montreal, Canada. 28

1945: Koningin Wilhelmina bezoekt het bevrijde Heerlen

Vervolg van ons feuilleton: de repetities Schreven we vorige aflevering van de geschiedenis van Pancratius over het repetitiebezoek in de loop der jaren, nu vermelden we de discipline. In 1966 schrijft ene P.K. in “De Stem” over de discipline tijdens de optredens. Deze discipline is voorbeeldig, maar dan gaat hij verder over de repetities: “Vrienden-zangers, mag ik hier nog even aan vastknopen, dat het vereist is eenzelfde discipline ten opzichte van de dirigent betrachten op de repetitie? Wij hebben een groot repertoire. Dit moet worden bijgehouden en uitgebreid. Wij hebben maar één repetitie in de week. Door de vakantie


van het heerlens Mannenkoor, dat onder leiding van zijn dirigent doelbewust naar een vernieuwing, naar een verantwoorde modernisering van het repertoire streeft”, zo schreef “De Stem” in 1953.

Het oude postkantoor

vervallen dan nog de repetities, terwijl koning voetbal nog wel eens knabbelt aan de tijdsduur van onze woensdagse repetitieavond. Daarom is het noodzakelijk dat de resterende repetitietijd wordt uitgebuit. Praat niet als de dirigent zijn intenties geeft, ook al spreekt hij tot een andere partij dan de Uwe, meestal kunt U daaruit lering trekken. Ook dan moeten wij vanaf het begin tot het einde alléén aandacht hebben voor de dirigent, anders is de concentratie niet volledig en zal de studie daar zeker onder leiden. Vrienden-zangers, behoudt Uw vrije zelfdiscipline op het concert en voert ze in even sterke mate door op de repetitieavond.”

Jaap Vranken componeerde “Lentevreugde”. De Limburgse componiste Andrée Bonhomme, leerlinge van Darius Milhaud en docente aan de muziekscholen van Heerlen en Maastricht, componeerde in opdracht van het Koninklijk Nederlands Zangersverbond een koorwerk met tenorsolo en begeleiding van klein orkest, “Le Tombeau d‘Antar” genaamd, dat zij opdroeg aan Pancratius. Tijdens het eeuwfeest van het Koninklijk Nederlands Zangersverbond hield Pancratius dit werk ten doop, dat een ovationeel applaus kreeg.

1958:Twentse Bank, White Cars en De Gruijter

Niet alleen over de grenzen In de jaren ’50, ’60 en ’70 wordt er veel gereisd en viert het koor internationale successen tot in andere continenten toe. Maar ook op het thuisfront wordt hard gewerkt aan kwaliteitsverbetering en treedt het koor meerdere malen per jaar op in Heerlen en elders in Nederland. Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan droegen drie Nederlandse componisten een werk aan het koor op: “In deze vererende opdrachten mag men een artistieke erkenning zien voor het baanbrekend werk

Marius Monnikendam componeerde voor Pancratius het werk “La ballade des pendus”, een werk voor mannenkoor met begeleiding van zes koperblazers en slagwerk op tekst van Francois Villon, een Frans dichter, die in Parijs leefde van 14311489 en meermalen tot de doodstraf aan de galg werd veroordeeld: “Gij mensenbroeders die ons overleeft, gedenkt ons zacht, gedenkt ons niet vilein, want juist als u erbarmen met ons heeft zal God ook jegens u genadig zijn.

29


U ziet ons hier gehangen per dozijn: Ons vlees, tot ons gespijsd tot aan de strot Is sedert lang verteerd, vergaan, verrot. Wij beendren worden ook tot stof gewreven. Dat niemand lacht om ons zo droevig lot; Bidt slechts tot God dat Hij het ons vergeve!” Ook hier was na afloop sprake van een staande ovatie voor componist en uitvoerenden. De bekende muziekcriticus Wouter Paap schreef over deze uitvoeringen in het Nederlands Zangersblad als volgt: “Het Koninklijk Heerlens Mannenkoor heeft ... de nieuwe werken van Andrée Bonhomme en Marius Monnikendam, elk in zijn eigen sfeer, met verbeeldingsvermogen, met grote technische beheersing, en pakkende klankverscheidenheid vertolkt. Het is geen wonder, dat de componisten, die bij de première aanwezig waren, zich zeer ingenomen toonden met de welbegrepen en toegewijde manier, waarop hun muziek tot de zeer talrijke toehoorders werd gebracht.” Vóór de oorlog hield Pancratius zich bezig met de exploitatie van de schouwburg. Echter, deze was te klein geworden. In maart 1961 concerteerde het koor voor de laatste maal in de oude schouwburg en schreef De Stem dat “...de machtige contouren van de nieuwe schouwburg aan ‘t Loon hun schaduwen reeds vooruit wierpen”. In november van dat jaar was de nieuwe schouwburg gereed en wederom was het Pancratius dat als een der eersten in de nieuwe schouwburg een concert gaf. De gebroeders Hennen, zo van belang

30

geweest voor het koor, kregen een plaquette in de nieuwe schouwburg en op het Eikenderveld werd naar hen een straat genoemd. Naarmate de internationale successen toenamen werd de band met de eigen streek nog hechter. Het werd een voorecht om lid van Pancratius te mogen zijn, niet alleen om mee op reis te mogen, maar ook om in de eigen streek te concerteren, van prestigieuze concerten tot de carnavalsbals die het koor vele jaren in de toen nog bestaande etablissementen “Neerlandia” en “Limburgia” in Heerlen organiseerde. Pancratius ging door met het organiseren van concerten en nodigde daarvoor bekende buitenlandse koren als de Berner Liedertafel uit Zwitserland en de Kölner Chorgemeinschaft uit. Enkele andere hoogtepunten uit deze periode: in 1958 zong Pancratius op het derde Wereldmuziekconcours te Kerkrade, in 1965 werkte het koor mee aan het “energieconcert” in Heerlen (in datzelfde jaar wordt de geleidelijke sluiting van de mijnen aangekondigd) en in 1973 wordt de Carmina Burana uitgevoerd, samen met de Venlose Oratoriumvereniging, het Kinderkoor uit Epen en het Limburgs Symfonie Orkest. Vanaf 1955 verschijnen er regelmatig grammofoonplaten van het koor op de markt. Bij de verschijning van de eerste LP schreef “De Maasbode”, een landelijke krant: “Evenals andere Nederlandse mannenkoren is “Pancratius” een zangersgemeenschap die louter uit liefhebberij wekelijks bijeenkomt en koorzang


1978: Koninklijk Heerlens Mannenkoor “St.-Pancratius” 100 jaar

beoefent. ... enkele koren, waaronder ook “Pancratius”, hebben hierin een hoogte bereikt welke veelal tot het niveau van beroepskoorzang opstijgt.” Zo’n elf platen waren er uiteindelijk in omloop, waaronder 3 LP’s met “beroemde koorwerken”, Perosi’s “Messa da Requiem”, de kerstplaat “Gloria in excelsis Deo” en de LP “hoogtepunten van het kerkelijk jaar”. De LP’s werden nationaal en internationaal uitstekend verkocht, in de jaren 1972 en 1973 zelfs zo’n 15.000!

sporen van zijn illustere voorganger: “Ik denk dat we de vroeger ingeslagen weg moeten blijven volgen, dat Pancratius op de eerste plaats trouw moet blijven aan de betere koormuziek of dat nu Gregoriaans of eigentijdse muziek is. ... Wij zullen deze koers met zorg moeten bepalen; we zullen ons programma moeten blijven vernieuwen zonder toe te geven aan grillen en modeverschijnselen en daarbij bedenken, dat kwaliteit de beste garantie biedt voor een lange levensduur, ook in de muziek!”

Een nieuwe dirigent: Eric Hermans Na al enige tijd als tweede dirigent onder Henri Heydendael gewerkt te hebben, wordt Eric Hermans in 1970 eerste dirigent van Pancratius. Hermans, oud-Pancratiaan, was bekend met het koor en studeerde bij Henri Heydendael. Het is dus niet verwonderlijk dat onder zijn directie het koor kwalitatief tot grote hoogten steeg, zoals onder andere tijdens de concertreis naar Israël duidelijk naar voren kwam. Hermans plaatste zichzelf uitdrukkelijk in de voet-

Eric Hermans

31


Slechts 10 jaar is Eric Hermans dirigent van Pancratius geweest. In 1981 vertrok hij om zich volledig aan zijn werk in Maastricht te kunnen wijden. Zoals al gesproken werd van een “periode Heydendael”, zo werd ook gesproken over “de periode Hermans”. Zijn opvolger werd de 24-jarige Michel Havenith, die voor de welhaast onmogelijk opgave stond om Heydendael en Hermans op te volgen. Hoe goed ook onderlegd en voorbereid, het klikte niet erg tussen koor en dirigent. Een jaar later werd hij opgevolgd door de huidige dirigent Hans Luesink. 100 jaar K.H.M. St.-Pancratius In 1978 viert het koor het 100-jarig bestaan. De nieuwe jubileumplaat verschijnt, er is een expositie in de foyer van de stadsschouwburg ingericht, er wordt een pontificale hoogmis opgedragen in de Pancratiuskerk en op 11 oktober van dat jaar vindt het galaconcert plaats, waarbij de Carmina Burana uitgevoerd wordt.

Erepenning in zilver van de stad Heerlen

land, de vele initiatieven met betrekking tot de organisatie van schouwburgvoorstellingen in het verleden, het op uitzonderlijke en zeer bijzondere wijze voorzien in bepaalde maatschappelijke behoeften en het vieren van het eeuwfeest.”

Tijdens de ontvangst in het stadhuis reikte burgemeester Reijnen de erepenning in zilver van de stad Heerlen aan het koor uit. Bepaald een unieke onderscheiding, omdat de erepenning van Heerlen nog nooit aan een vereniging was uitgereikt. Er waren vier overwegingen die het college tot de toekenning had doen besluiten:

Het K.H.M. St.-Pancratius stond vanaf dat moment voor de taak om niet alleen een volgende eeuw vol te gaan maken, maar ook om een niveau te handhaven dat uniek was.

“de uitzonderlijke prestaties in binnen- en buiten-

Koos Linders

32

In een laatste aflevering van deze geschiedenis zullen we bezien, in hoeverre dat gelukt is.


GESCHIEDENIS VAN PANCRATIUS: DE LAATSTE 25 JAAR een kroniek van een 125-jarige

Galaconcert april 1984 te Oslo in de zaal waar de Nobelprijzen worden uitgereikt

Enkele hoogtepunten

1988

De reizen zullen in het laatste nummer van deze jaargang besproken worden.

Pancratius neemt deel aan het eerste internationale korenfestival te Boedapest en behaalt daar de zilveren onderscheiding in de hoogste categorie. Oprichting van het “Damescomité”, partners van de “heren zangers” (door het damescomité altijd aangesproken met “lieve mannen”). Het comité zal met talrijke acties de zangers en het koor in hun activiteiten moreel en vooral financieel steunen.Viering van het 110-jarig bestaan.

1978 Viering van het 100-jarig bestaan (zie vorige nummer van “De Stem”). 1987 Het koor verzorgt voor het eerst de viering van Allerheiligen/Allerzielen in de Bernardinuskapel aan de Akerstraat. Sindsdien worden er in het Bernardinuscollege regelmatig studiedagen georganiseerd ter voorbereiding van concerten, reizen of bijzondere uitvoeringen. 30

1990 Op uitnodiging van de Limburgse bond voor muziekgezelschappen verleent het koor medewerking aan de première van de tweede symfonie “Relevations” van de Limburgse componist Hardy


Mertens. In datzelfde jaar vindt de première plaats van een nieuwe vierstemmige mis, de “Messe für Männerchor in B-dur” van Joseph Gabriël von Rheinberger (Tongeren, rechtstreeks uitgezonden door de BRT; Maastricht, in het kader van de Heiligdomsvaart). 1991 Deelname aan het mannenkoorproject van het KRO radioprogramma “Zin in muziek” waarvoor Pancratius met 15 andere gerenommeerde mannenkoren wordt uitgekozen. In datzelfde jaar behaalt Pancratius in het Staargebouw te Maastricht de titel “Limburgs koor van het jaar, categorie mannenkoren”, tijdens de finale van het Limburgs korenfestival van het VNK.

1994 Eerste cd-opname. 1997 Eerste prijs tijdens het korenfestival in Apeldoorn. Opnieuw “Limburgs koor van het jaar”. 1998 Viering van het 120-jarig bestaan, bezoek van het Ossonoba-koor uit Faro, Portugal, Cantus ex Corde, het Sloveens koor en de dansgroep van Ton Kropivsek en Les Croques-Nots uit Aix-en-Provence. Pancratius betrekt de nieuwe repetitieruimte in “Oppidom”. 1999

Pancratius maakt grote indruk met “Haec Dies”, de “Boerecharleston”, “Ecce Oculi”, “The Ballad of Little Musgrave and Lady Barnard”. Deze prestatie is des te opvallender, gezien de opbouwfase waarin het koor volgens de dirigent zich bevindt. 1992 Pancratius neemt als medeafgevaardigde van de provincie Limburg deel aan de culturele manifestatie bij gelegenheid van de opening van het nieuwe gebouw van de Staten Generaal in Den Haag. 1993 Deelname aan het Wereld Muziek Concours d.m.v. een concert met het Conservatoriumorkest van Maastricht.

Vanaf dit jaar begint Pancratius aan een nieuw, jaarlijks terugkerend evenement: het Oranjeconcert. Deze concerten vinden plaats in mei en worden door het koor verzorgd in samenwerking met het conservatorium van Maastricht, waarbij het de bedoeling is om jong talent de mogelijkheid te bieden om toneelervaring op te doen. De eerste concerten zijn operaconcerten, waarbij studenten van het Conservatorium de solistengedeeltes voor hun rekening nemen. Het Oranjeconcert van 2002 heeft een noviteit in die zin, dat een landelijke bekende musicus wordt uitgenodigd om het koor te begeleiden, nl. de pianist Jan Vayne. Samen met hem presenteert het koor een selectie van Amerikaanse muziek. De Big Band van het conservatorium verzorgt het programma

31


gestaan uit zijn graf, de repetitie van het koor:

Villa dr. Widdershoven 1921

na de pauze. In 2003 verzorgt Pancratius bij gelegenheid van het Oranjeconcert de wereldpremière van de suite “To Remember” van Jean Lambrechts.

“Eindelijk begonnen jullie te zingen: “When shadows darken, light the poets say”. Als schaduwen donkerder worden dan moet, volgens de dichter, het licht sterker en mooier worden. Ik was verbaasd en dacht: bij dit koor, dat in mijn tijd zoveel licht verspreidde, gaat zo dadelijk het licht uit. Sommige zangers luisterden niet en probeerden in hun eentje het einde van de zinnen te halen, die ze kennelijk niet beheersten. Sommigen zongen alleen maar noten achter elkaar. En die dirigent van jullie moet wel over engelengeduld beschikken. Wat moet die man sommige dingen vaak herhalen!”

2001

Gelukkig eindigt zijn geestrijke beschouwing in “De Stem” positief:

Optreden van Pancratius ter gelegenheid van het bezoek van kroonprins Willem-Alexander en Maxima aan Maastricht.

“De discipline in het koor is zeer matig, maar er zijn zoveel positieve krachten aanwezig dat “SintPancratius” nooit zal vergaan.”

2003 Viering van het 125-jarig bestaan van het Koninklijk Heerlen Mannenkoor Sint Pancratius. Feuilleton deel drie de repetities en de uitvoeringen Het is niet alles goud wat er blinkt in de geschiedenis van het Koninklijk Heerlens Mannenkoor Sint-Pancratius. In 1997 bezoekt een “geest”, opDe “witte boerderij”, voormalig hoofdkantoor DSM

Niet alleen vanuit de spirituele wereld, maar ook uit die van vlees en bloed, nog wel vanuit de bassen, klinkt een kritisch geluid: “Van ons eigen Pancratius heb ik de indruk dat er een aantal leden zijn die slechts naar de repetities komen om “gezellig” te ouwehoeren. Anderen weten weer niet, of willen niet weten wat koormuziek inhoudt en moeten zonodig de solist uithangen. ... met name de bariton- en de eerste tenorpartij zijn hiermee meer dan rijkelijk bedeeld (let op, hier spreekt een bas! K.L.). Iedereen zou eens een keer op de eerste rij moeten zitten om te kunnen horen wat er achter hem wordt gepresteerd. ... Gezellenhuis “Ons Thuis”, later hotel “Terminus”

32

De vertolking van sommige werken is soms bizar.


Een fraai voorbeeld hiervan is “La pastorella” van Schubert. Dit prachtige lied gaat over een herderinnetje dat op liefdevolle wijze haar kudde hoedt. Bij ons wordt zij door sommige “solisten” afgeschilderd als een soort manwijf of dikke Bertha op zevenmijls laarzen die met de staf van Wodan in haar knuisten en Heimat-lieder brallend over de alpenwiesen banjert aldoende onrust en paniek onder haar kudde zaaiend... Ik wil hiermede een pleidooi houden voor meer respect en aandacht voor de dirigent ... en voor minder egoïsme en meer saamhorigheid in de zang zodat wij ... tijdens concerten niet afgaan als een kanon maar beschaafd en hoogstaand zullen musiceren.” Opmerkingen als deze houden de “heren zangers” levend en de stemmen gesmeerd. Ook in de periode, waarin deze geschriften “De Stem” bereiken, behaalt Pancratius markante successen. Misschien wel dankzij deze kritische geesten van vlees en bloed...

Spoorsingel omstreeks 1960

Dohle”, een “Cantate voor Mannenkoor en Orkest” uitgevoerd in samenwerking met het Harmonieorkest “Concordia Treebeek” uit Brunssum. Mertens had, na overleg met dirigent Hans Luesink, zelf de tekst geschreven, omdat, zo zegt hij zelf: “... in de diverse teksten (die hij in de 12 EG-landen gevonden had, K.L.) de rode draad voor het thema ontbrak en het dan eigenlijk een verzameling liederen zou worden zonder enige tekstuele samenhang.”

Composities in opdracht van Sint-Pancratius Vermeldden wij al eerder composities van Marius Monnikendam, Andrée Bonhomme en Jaap Vranken, aan deze reeks componisten kunnen wij nu toevoegen Matti Niël, Hardy Mertens en Jean Lambrechts. In 1956 componeert de Limburgse musicus Matti Niël “Ecce Oculi”, de introïtus uit de mis van Pancratiusdag, in opdracht van de burgerij van Heerlen bij gelegenheid van het vijftigjarig bestaan van het Koninklijk Heerlens Mannenkoor Sint-Pancratius. In 1992 wordt Hardy Mertens’ “Gedanken einer

Raadhuisplein 1960

De centrale gedachte van de cantate luidde, dat de eenwording van Europa een puur politieke beslissing was, dwars tegen de natuurwetten van het culturele verleden indruisend:

33


recensent dient kwalitatieve en pedagogische eigenschappen aan te wenden om een recensie dié waarde te geven, die ervan behoort uit te gaan.” In 1991 componeert Mertens, in opdracht van Alex Emonds, gewaardeerd zanger van het koor, een nieuw, uitdagend en modern stuk: “Mutilation”, “verminking”. Het stuk vertelt hoe een Boeddhistische monnik een beeld uit hout snijdt en het daarna in het vuur gooit. Aan de verwonderde omstanders legt de monnik uit dat hierdoor weer warmte ontstaat waaraan andere zich weer kunnen warmen. De tekst van Mutilation ontdekt Mertens tijdens een TV-documentaire: “I saw the priest I saw the statue I saw the priest moulding his statue to perfection

Omslag programmaboekje, ontwerp Henk Noestheden

“Wer wird Kapitän auf diesem neuen Schiff? Eine Lilie aus dem See wird im Meer verenden. Ein botanischer Garten, Voller Pracht in herrlichem Farbenreichtum, wird völlig entwurzelt. Unsere Geschichte ist nicht die Gleiche. Wie kan unsere Zukunft denn eins sein? Fragen kommen immer näher. Antworten entfernen sich stets mehr. Die Entdeckung des Neuen. Der Verlust vom Vergangenen. Der Verlust von meinem Ich. Die Dohle äugt vom Turm hinaus.”

I saw the priest I saw the flames I saw the priest burning his statue without objection I felt the burning question I felt the moulding answer Yesterday I felt like praying, today I just feel the cold.”

De recensenten in het Limburgs Dagblad en De Limburger sabelen het stuk neer: “ongeloofwaardig”, “banaal koorwerk”, “slecht stuk”. De recensies betroffen vooral de inhoud van de cantate: een pessimistische visie op de eenwording van Europa. Over de uitvoering geen enkel woord. De voorzitter van de VNK-Limburg, de heer P. van Dooren, is dan ook vernietigend in zijn commentaar op de recensies: “Een dergelijke recensie werkt niet bevorderlijk, doet ernstig afbreuk in velerlei zin, tast de waarde aan van het gemeenschappelijk musiceren, samenwerken en streven naar vernieuwingen. Een goede 34

Hardy Mertens

Mutilation wordt tijdens concerten en concoursen, tot in het buitenland toe, met zeer veel succes uit-


gevoerd. In 2001 zal de uitvoering van “Mutilation” bijdragen aan het succes van het koor tijdens het festival voor religieuze muziek in Praag.

Soldatenkerkhof Vladslo, inspriratiebron Jean Lambrechts

Hermans te hebben gefunctioneerd, verliet per 31 december 1980 Hans Luesink het Pancratiuskoor: nieuwe dirigent werd Michiel Havenith, die weldra (medio 1982) het koor verliet: het klikte niet tussen koor en dirigent. De toenmalige preses Jan van Dijk haalde Hans Luesink weer terug naar het koor. Over die tijd zegt deze laatste: “Van de 90 leden waren er 65 gebleven, en met die harde kern begonnen we opnieuw, en mijn strategie was: niet meteen de hele boel op zijn kop zetten (de oorzaak van de chaos?), maar eerst consolideren, inventariseren, sfeer maken, gaten opvullen, én gewone “möpjerre” zingen, drinkliederen voor aan de tap, want dat kon Pancratius nauwelijks.”

In 2003 componeert Jean Lambrechts ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van het koor de suite “To Remember”, die op 27 april 2003 met veel succes uitgevoerd wordt in de Stadsschouwburg van Heerlen (zie De Stem nr. 2, jaargang 55, juni 2003). De suite wordt nadien nogmaals, in verkorte vorm, op 5 juli 2003 uitgevoerd bij gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de parochie van de H.Moeder Anna te Heerlen. Het ligt in de bedoeling de suite binnen afzienbare tijd op cd vast te leggen. De laatste jaren De muzikale ontwikkeling van een koor staat of valt met de dirigent. De kronieken zijn ietwat duister over het begin van de jaren tachtig: dirigentenproblemen, organisatorische problemen, repetities liepen niet, koorleden die het koor verlieten. Er moest wat gebeuren. Na een vijftal jaren als tweede dirigent naast Eric

Ein feuriger Klatschmohn Gedanken II “To Remember”

In het tweede jaar na zijn aantreden als dirigent werd een LP opgenomen, zodat het koor weer “met pretenties” bezig kon zijn. De reizen naar Oslo

35


(1984) en Boedapest (1988), benevens de deelname aan toernooien in o.a. Rotterdam en Groningen brachten het koor weer terug aan de top. Zijn uitgangspunt: werken aan kwaliteit, recht vanuit het hart muziek maken, geen nootjes zingen: “Veel ensembles hebben misschien een betere techniek en een betere klank, maar er is geen die met meer liefde musiceert, met dat “innerlijk vuur”, dat enthousiasme en die toewijding die meer waard zijn dan alle techniek bij elkaar. De dirigent moet zijn ensemble leiden als een priester zijn koor bij het bezingen van de liefde. Hij moet zijn roede weggooien en het ensemble sparen.” En elders zegt hij: “Onze kunstuiting verdraagt geen halfslachtigheid. Kunst is puur, kunst is alles eisend en kunst is eerlijk in zijn uiting; is het dat niet, dan is het kitsch.” Om de kwaliteit van het koor te verhogen en de effectiviteit van de repetities te verbeteren, voert Hans Luesink de partijrepetities in en bevordert hij de koorscholing. Pancratius studeert van hoogtepunt naar hoogtepunt, of het nu reizen of bijzondere concerten zijn. Daartussen vinden regelmatige optredens in en buiten Heerlen plaats: kleinere concerten, kerstconcerten, opluisteren van kerkelijke vieringen etc. De grote bekroning van zijn inzet en die van het koor vindt plaats in 1991, wanneer Pancratius Limburgs koor van het jaar wordt. In een interview zegt

36

Martin Koekelkoren hierover: “Pancratius heeft een moeilijke tijd doorgemaakt en heeft nu getoond dit weer te boven te zijn.” Het streven van Pancratius om vernieuwend en gedurfd bezig te zijn, om aan repertoire uitbreiding te doen en om de kwaliteit hoog te houden, kwam steeds meer onder druk te staan van de “tijdgeest”. Vrijetijdsbesteding werd consumptiever, het verenigingleven minder aantrekkelijk geacht, de vergrijzing deed zich gelden, democratisering en individualisering trokken een zware wissel op de zo noodzakelijke discipline, het aantal leden liep terug. Ook binnen Pancratius werd de vraag naar de toekomst gesteld: “In welke richting zal St.-Pancratius zich in de toekomst ontwikkelen? Wordt het een kleiner koor, zoals sommigen zich wensen? Blijven doorgaan op de bekende weg? Maar dan hebben we nieuwe leden nodig. Of worden we, voor sommigen ondenkbaar, een gemengd koor?” Als ik de vraag stel “In welke richting zal het Koninklijk Heerlens Mannenkoor St.-Pancratius zich in de toekomst ontwikkelen?”, dan bedoel ik zeker een toekomst op langere termijn. Op korte tijd zal St.-Pancratius blijven wat het is: “een slecht gedisciplineerde groep, die als het echt erop aankomt, heel knap kan zingen”, aldus een van de leden in “De Stem”. De redactie haast zich hieraan toe te voegen: “Het


moge duidelijk zijn, dat de redactie het lang niet altijd eens hoeft te zijn met de stukken die in “De Stem” gepubliceerd worden.” Vooralsnog wil Pancratius, geïnspireerd door de successen uit het verleden, op de ingeslagen weg doorgaan. Het goede wordt bewaard: oranjeconcerten, kerstconcerten, optredens in de streek, reizen, deelname aan toernooien, cd-opnames. Er komen nieuwe initiatieven zoals het “midzomermuziekfestival” op het Pancratiusplein. Om dit te laten slagen is de medewerking van allen nodig, zoals de toenmalige preses van Pancratius in 1998 schreef:

“Een bestuur dat zijn zaakjes voor elkaar heeft en creatief is in de ontwikkeling van activiteiten, zet de dirigent aan tot groot werk, waardoor tevredenheid bij de leden ontstaat, die hun hobby maximaal kunnen beoefenen. Een kundig dirigent weet wat de leden willen en kunnen, kent de literatuur, zet de leden aan tot musiceren, waardoor het bestuur weer aangemoedigd wordt tot initiatieven. Ook bij Pancratius vindt deze kruisbestuiving plaats!” Zo zij het. Ad Multos Annos! Koos Linders

Presides vanaf 1948 1948-1966: J.C. Schlösser 1966-1979: E. Akkerman

1979-1992: J. van Dijk 1992-1998: J. Hautvast 1998-heden: P. Franken

Dirigenten uit deze periode

1936-1970: H. Heydendaal, 10e dirigent

1970-1981 E. Hermans, 11e dirgent

1981-1982: M. Havenith, 12e dirgent

1982-heden: H. Luesink, 13e dirgent

37


DE VAANDELS VAN HET KONINKLIJK HEERLENS MANNENKOOR “SINT-PANCRATIUS”

Uit: Gedenkboek 75-jarig bestaan 1953

foto Boncke 1953

Reeds spoedig na de oprichting van de vereniging deed zich de behoefte aan een vaandel gevoelen. Teneinde de nodige gelden te verkrijgen voor de aanschaffing werd een collecte langs de huizen gehouden. Toen men op deze wijze reeds enkele honderden francs bij elkaar gebracht had, kwam de heuglijke tijding, dat de HoogEd.Gebr. Heer Baron de Loë, destijds wonende op het Kasteel “Ter Worm”, de toezegging had gedaan een vaandel ten geschenke te zullen geven, voorzien van zijn familiewapen en het wapen der gemeente Heerlen. Aangenomen mag worden dat deze schenking plaats vond op voorspraak van de WelEerw. Heer Slenter, destijds kapelaan in de St.-Pancratiusparochie.

lange jaren zijne Harmonie, maar eene Zangvereeniging behoorde tot de vrome wenschen. Doch wat niet is, kan komen, en zoo ging het ook hier met de Zangvereeniging. Op zekeren dag werd de oprichting een voldongen feit. ‘t Ging aanvankelijk best, ‘t zaakje marcheerde naar wensch, zoodat al weldra gezongen werd, dat het ‘n lust was om te zien, ofschoon beschaafde ooren er soms malaria meenden van te krijgen. De “Regensburger-Liederkranz” bewees goede diensten en het Schäfers-Sonntagslied, die Kapelle, die Träne enz. ze moesten er ongenadig aan gelooven.

Op 15 maart 1879 werd het vaandel (drapeau) ingewijd, bij welke gelegenheid een feestconcert werd gegeven en het “Festlied zur Fahneweihe” werd uitgevoerd. Het gedicht werd gemaakt door Wnd. President Jac. Schmitz en getoonzet door Jos. Kessels, directeur der vereniging. Gedurende een reeks van jaren werd dit lied door de vereniging met enthousiasme gezongen. Interessant is het volgende fragment uit “Naar ‘t Concours”, een historisch verhaal in luimig gewaad van de oud-Heerlenaar M.J.H. Kessels:

Een vaandel of drapeau was, wat men steeds nog miste. Goede raad was echter niet duur. Men trok maar een paar stoute schoenen aan en met de inteekenlijst en den geldbuil werden de inwoners der gemeente bezocht. Heusch, men hard er succes mee en binnen enkele dagen was reeds meer dan driehonderd franken bijeen gebracht (ZuidLimburg, het Hertogdom van weleer, nu de adopté tegen wil en dank van Holland, nam volstrekt geene notitie van de Nederlandsche munt, maar telde op Belgische manier met franken, merken en centiemen).

“Het schoone dorp Heerlen, gelegen in de heerlijke landouwen van Zuid-Limburg, bezat reeds

De president, een zeer achtbaar en nobel man, was, zooals men zegt, een kraan van een kerel, die niet 31


voor ‘n kleintje vervaard was. Hij had den slag van Königgrätz en meer vechtpartijen van den oorlog 1866 der Pruisen tegen Oostenrijk medegemaakt en had dus voor menig warm vuur gestaan. Als hij over die eerste zündnagelgeweerproef begon, kon hij soms zoo enthousiastisch worden, dat hij verhalen deed, die den toehoorder als in werkelijkheid den oorlog der Deutschen Brüder voor oogen tooverde. Men verbeeldde zich kanonnen te hooren, het geratel der nieuwe achterlaadgeweren, het gekets der officieren-revolvers; men zag de cavalerie aanvallen, hoorde den looppas der vluchtenden, ja alles werd zoo natuurlijk weergegeven, dat het niet ongevaarlijk was zulke voorstelling bij te wonen. Wij herinneren ons dergelijke levendige wedergave, quasi voorloopers der Kinematograaf, die echter gepaard gingen van onverwachtsche uit- en aanvallen van infanterie en cavalerie, waarbij menigeen van het auditorium dan een stomp, douw of houw opdeed. Dit laatste om aan het verhaal meer kracht bij te zetten en de werkelijkheid meer nabij te komen, zoodat men van den oorlog steeds grooter antipathie kreeg. Het moet erkend worden dat onze praeses met zoo’n vuur en begeestering bezield was, als men zelden iemand aantrof; daarbij wat het eene flinke figuur en verschijning, begaafd met

32

goede zangerstem en redenaarstalent, zoodat hij als voorzitter van onze Zangverein de right man on the right place was. Was de repetitie den een of anderen keer maar slapjes, zat er een geen fut in de zangers, onze praeses behoefde maar een commando of avontuur uit zijn veldtocht te verhalen en er kwam leven in de brouwerij. Doch wij dwalen af, wij wilden mededeelen, dat de president het werk der vaandelcollecte niet aan zijne ondergeschikten alleen overliet. Neen, hij voor zich zelf koos juist de zwaarste taak, die, waarvoor ‘t meeste moed en beleid noodig was en wel den aanval op het versterkte punt, het kasteel van den in de gemeente wonende baron, die, naar gelang hij werd aangepakt, vrijgevig of ongenaakbaar was. Dit was volgens den praeses de vesting, die zich vrijwillig zou overgeven of oninneembaar zoude zijn. Onze praeses, uitgerust met de noodige aanvalkennis, daarbij met het onweerstaanbare overredingsgeschut, toog op zekeren dag, het hoofd fier omhoog als steeds, in groot tenue op het doel af. ‘s Avonds was eene bizondere vergadering op order van den praeses belegd en niemand der zangers mankeerde op het appèl. “Der Klösh”, die als altijd de eerste nieuwtjes wist, vertelde al geheim-


zinnig dat het der praeses heden goed was gelukt, doch der Hub deed alsof hij er meer van wist, maar niets wilde loslaten. Der Harie, die uit z’n aard steeds zeer veelwetend deed en met met zijn blauwen bril een meer geleerden aan- en uitkijk had, was van mening, dat het bij den baron misgeloopen was. Doch eene andere figuur van beteekenis uit de aanwezigen geboood ieder den mond te houden, daar ze er allen niets van wisten; hij wilde voor zes wachtmeesters (groote borrels) wedden, dat de baron minstens “twintig stuk” had gegeven (een “stuk” beteekende een vijffrankenstuk). Akerstraat 1896

Dat gaf opeens van alle kanten uitroep van “wedden, wedden”. In plaats van den mond te houden, gingen nu de tongen los en een Poolsche landdag zou geen beter voorbeeld zijn geweest. Er werden zelfs van alle kanten verwijtingen gedaan van “wat weet jij er van” en er zou bepaald voor menigen “wachtmeester” zijn gewed en nog erger als juist de deur niet open ging en de held van den dag binnen trad. Onmiddellijk absolute stilte. Aller blikken op één punt gericht, op den mond van den binnentredende. Deze ging open, natuurlijk de mond en daar klonk het: “Hurah, joengens, ‘t is gelukt, darum stimmt an: Dies ist der Tag de Herrn”, en daar klonk het Schäferssonntagslied zooals “noch nie”. Toen het laatste accoord ten einde was, ging de praeses met heel “wichtiger Miene” voort in zijn zeer melodieus Rijnlandssch dialect: “Van morjen was ik mit ‘t joede bein ‘t eerst uit ‘t bed jestapt en zei tejen miene frouw heute oder nie, trok mijn besten anzug an, dronk jemoedlich miene kaffee en overlegde mijnen plan vom attakieren. Nun mit Gott en ik trok de kirkhofsbruk ab. ‘t Erst noch an de “Bruk” effes in (‘t bekende café),

Wilhelminaplein 1896

33


nam een beetje couragewasser en toen gings tot in de “Zwaan”, waar ik de courage ein klein wenig aanvulde en weiter direct “auf dem Ziel los” langs der Geer (Geerstraat) naar ‘t kasteel. Toen ik beim “Baats” voorbij ging, dacht ik: neem hier nummer drie, alle joete dinge in drie, want courage was noodig voor zoo’n attaque.Met drie flinke wachtmeesters trok ik nu het veld door en in minder dan 12 minuten had mij reeds de groote jachthond van den baron bijna een lap uit mijn kuit jehapt, als ik niet zoo’n goede laarzen aan had.

het doel van uw bezoek, ‘t is voor het vaandel. Ja, Gnädiger Herr Baron, zei ik. Ik denk nu is het tijd. Jetz los mit der attaque, doch de baron zei: Hoor eens, eene bijdrage geef ik niet ..., ik denk dat nun eine jranate d’r in schlägt, maar hij zegt: Ik zal je het nieuwe vaandel heelemaal schenken, ga maar naar huis en zeg aan uwe vereeniging dat ik haar binnen een paar weken het vaandel zal zenden. Het reeds opgehaalde geld kunnen de zangers op mijn gezondheid opdrinken. Met gespannen aandacht en in diepe stilte was dit verhaal aangehoord, maar dien laatsten volzin brak er een overweldigend “hoerah” los. De geheele buurt schrok er van, men dacht slechts aan een aardbeving, De dikke kasteleines kwam buiten adem, vol schrik naar boven, zij geloofde niet anders, dan dat het huis zou invallen en dreigde met uitwerpen van ‘t heele “gedoen” als ‘t ooit nog eens gebeurde. Ze kwam niet eerder tot bedaren en herstelde niet eerder van den schrik als toen ze hoorde wat er eigenlijk gaande was. Aan het en-

Saroleastraat 1915

Ik trok de “klingel” en eenige momenten er na zat ik im wachtkamertje van ‘t kasteel. Nou, ik moet zeggen ik zat daar daar in ‘t geheel niet op mijn gemak en dacht bij me zelven: had ik hier nog maar ‘n joede wachtmeester, doch “Jotdank” der Herr Baron liet me niet veel tijd tot denken, daar kwam hij al binnen. Ik had mij eene zeer lange attakkierrede ausgezeichnet heel van buiten geleerd. Alles krachtige woorden gelijk achtenveertig-pondige granaten, die op zijn jemoed moesten “platsen” en hem jeheel moesten “zerschmetten”. ‘t Eerst natuurlijk zou ik met klein geweervuur beginnen, daarna erst het zwaar geschut en dan met een hoerah sturm-jeloopen. Ik begon dan ook “Juten morgen Herr Baron”, doch hij viel mij al dadelijk in de rede en zei: Ja, ja, ik ben al op de hoogte van

34

Stationsstraat 1904

thousiasme kwam echter bijna geen bedaren, en heden weet ik nog niet of het was tengevolge van het geschenk van het nieuwe vaandel, of, dat de driehonderd franks op de gezondheid van den baron konden worden verteerd.


Om weer wat orde in de gelederen te brengen, liet de praeses het schoone toepasselijke lied aanheffen “Brüder, lasst uns trinken, lasst uns lustig sein”. Dit lied werd tot laat in den nacht zoo goed, praktisch en krachtig uitgevoerd, dat aan het verzoek van den praeses om no. 18, het schoone drinklied van Mendelssohn te zingen “So lang man nüchtern ist”, door geen tweetal der zangers meer kon worden voldaan van wege de heeschheid. Ieder zong op z’n eigen houtje, der Klösh hield ‘t meest van Isermans lied “Maikäferlein hat sich betrunken”, der Hub, die erg onder de pantoffel stond, lallerde aanhoudend Mendelssohns “Schlafe Liebchen”, der Harrie, die slecht van memorie scheen te zijn, zong bij oneindige herhaling “Ich trink das erste Glas”, terwijl de praeses niet van zijn geliefdkoost “Es braust ein Ruf wie Donner-hall” af te brengen was. Eindelijk, ja eindelijk hoorde men zachtjes hier en daar het Bardenchor “Stum schläft der Sänger” en uit enkele richtingen op donkere wege “Steh’ ich in finsterer Mitter-nacht”, tot dat de dag zelfs reeds gloorde. Daar het in den winter was, had de nachtwaker daarenboven dien nacht verscheidene buitenkansjes. Het was natuurlijk eene zeer gewichtige gebeurtenis, die was voorgevallen en kort na deze “finstere Mitternacht” ontving men waarlijk een prachtig vaandel.” Op het Feestconcert van 19 oktober 1903, te gelegenheid van het Zilveren Jubileum vond de onthulling der “Schleife” plaats, aangeboden door de Jonge Dames van Heerlen (Met “Schleife” zijn bedoeld de zwaar zijden geborduurde gedenklinten, welke tot het gouden jubileum het vaandel sierden).Voorts werd toen namens de burgerij aangeboden een zilveren lauwerkrans, te bevesigen aan

het vaandel. In een krantenverslag lezen we dienaangaande o.m. het volgende: “Door een zevental jongedames werd aan de jubileerende Vereeniging een vaandelstrik aangeboden. Een prachtige strik van witte zijde, met goud bestikt, de grote gebeurtenis van deze dag herinnerend. De aanbieding geschiedde door Mej. Christine Jongen met ‘n keurige “Anrede” zoo “schneidig” uitgesproken, alsof dit dagelijks werk voor haar was.” Bij het 50-jarig bestaan in 1928 werd het vaandel versierd met een gouden lauwerkrans, geschonken door de burgerij. Sedert 1934 wordt het vaandel als de vereniging uittrekt geflankeerd door twee kleinere vlaggen: een oranjevlag, waarop het wapen van Heerlen en het opschrift “ Zangvereniging St. Pancratius” zijn aangebracht, benevens een rood-wit-blauwe vlag. De oranjevlag is door de heer Henri Hennen in 1934 aan de vereniging geschonken bij gelegenheid van de reis naar Genève. Toen de vereniging heer roemrijke concertreis naar Parijs maakt, zijn de echtgenoten van de leden op het idee gekomen om de vereniging een nieuw vaandel aan te bieden. Dit vaandel werd vervaardigd door de heer L. Capiau te Roermond naar een ontwerp van de Heerlense kunstenaar Eugène Quanjel. De inwijding vond plaats door Zijne Hoogwaardig Excellentie Mgr. Feltin, Aartsbisschop van Parijs en wel in de Cathédrale de Notre Dame op 28 april 1952. Leden van Pancratius: blijf uw vaandel trouw! Th. J.

35


Pancratius in drie eeuwen