Page 1

podium platform voor schoolbestuurders in het primair onderwijs

2 jaargang 3 _ december 2013

Partners bij uitstek: school en gemeente Onderdompeling in het Engels De meldcode bijt niet‌ Soepel naar het vo met OSO


inhoud

december 2013

Partners bij uitstek: school en gemeente Het primair onderwijs en de gemeenten hebben een gemeenschappelijk belang: het welzijn van kinderen. Toch verloopt de samenwerking niet altijd soepel. VNGdirectievoorzitter Jantine Kriens en Rinda den Besten inventariseren hoe de barrières geslecht kunnen worden.

Pagina 6

Onderdompeling in het Engels Tweetalig onderwijs op de basisschool is een goede ontwikkeling, vindt hoogleraar Rick de Graaff. Kinderen hebben het vermogen twee, zelfs drie talen tegelijk te leren. Het is volgens De Graaff wel belangrijk de extra taal of talen op een natuurlijke manier in te bedden in het lesprogramma.

Pagina 12

podium is een platform van en voor leden van de PO-Raad waar meningen, ideeën, problemen en oplossingen uit de onderwijspraktijk aan bod komen. De PO-Raad onderschrijft niet noodzakelijk de in het blad verkondigde meningen. Overname van artikelen alleen na overleg met de hoofdredactie. Hoofdredacteur: Marc Mathies. Eindredacteur: Marijke Nijboer. Redactieraad: Elise van Bockhorst, Corine van Helvoirt, Gertjan van Midden, Onika Pinkus, Gitta Snijders, Pien Verwilligen. Grafische vormgeving: Thoben Offset Nijmegen. Redactieadres: podium@poraad.nl

2 

podium _ december 2013


De meldcode bijt niet… Het basisonderwijs kan een belangrijke rol spelen bij voorkomen en melden van kindermishandeling. Maar de meeste scholen hebben nog geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. En scholen met een meldcode weten vaak niet goed hoe te handelen.

Pagina 16

Overstapservice Onderwijs: soepel naar het vo Het digitale systeem Overstapservice Onderwijs (OSO) helpt de leerkracht van groep 8 om het onderwijskundig rapport sneller samen te stellen. Hoofddoel: een zo soepel mogelijke overstap van de leerling naar het vo.

Pagina 22

verder in deze editie 4 Voorwoord Rinda den Besten over de ontwikkeling van kinderen.

34 Webpoll ‘Kinderen tot 4 jaar moeten in de eerste plaats gewoon lekker kunnen spelen. Ze hoeven niet te presteren’. Kunnen leren en spelen samengaan? Lees hoe de bezoekers van onze website stemden. Een onderwijsbestuurder en een algemeen directeur lichten hun standpunt toe.

38 Column Joël Voordewind, Tweede Kamerlid voor de ChristenUnie, reageert op onze stelling. podium _ december 2013

3 


Het gaat om de ontwikkeling van kinderen Een paar weken geleden ging ik naar Den Haag, naar de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), op de koffie bij Jantine Kriens. Jantine is nu voorzitter van de VNG-directieraad, maar wij kennen elkaar al jaren. En al jaren vinden we elkaar in onze doelstellingen: het welzijn en de ontwikkeling van kinderen. Jantine Kriens had al een hele carrière achter de rug in het onderwijs, toen ze in 2002 gemeenteraadslid werd in Rotterdam. Ik kwam op hetzelfde moment voor dezelfde partij in de gemeenteraad van Utrecht. Vier jaar later werden we allebei wethouder. En dit jaar hebben we beiden een nieuwe functie buiten de politiek aanvaard. Jantine bij de VNG en ik bij de PO-Raad. Nu spraken we elkaar voor de eerste keer vanuit onze nieuwe functies. Zeer tot mijn tevredenheid zitten we nog steeds op één lijn als het over onderwijs gaat.

4 

podium _ december 2013


Dat wil echter niet zeggen dat schoolbesturen en wethouders altijd op één lijn zitten. Jantine Kriens raadde in het gesprek schoolbesturen aan om koffie te gaan drinken bij de wethouder, en niet alleen wanneer zij subsidie nodig hebben. Je hebt elkaar hoe dan ook nodig! Zeker met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen en een nieuw collegeprogramma is het belangrijk dat u de lokale politieke partijen laat weten wat voor u en uw leerlingen belangrijk is. Dit voorjaar heeft de PO-Raad een handreiking gemaakt voor schoolbesturen in verband met de gemeenteraadsverkiezingen. Als u daar nog niet naar hebt gekeken, kan ik u dat zeker aanraden. Maar lees vooral ook onze ideeën over de langetermijnsamenwerking tussen school- en gemeentebesturen in deze podium. In het laatste nummer van dit kalenderjaar vindt u weer vier artikelen, een discussie en een politieke column voor schoolbestuurders in het primair onderwijs. Ik zie in dit nummer weer duidelijk waar het in onze sector altijd over gaat: het ontwikkelen van de mogelijkheden van de kinderen. Daar sprak ik met Jantine Kriens over, daar gaat het bij twee- (of drie-)talig onderwijs over, daarvoor moeten de leerling en de leraar zich veilig voelen, daarbij moeten we de overstap naar het voortgezet onderwijs zo vloeiend mogelijk maken en daarvoor moeten we vroeg naar de ontwikkelingen en eventuele achterstanden van kinderen kijken. In Nederland lijkt een toetsfobie te heersen. In discussies over toetsen hebben mensen vaak een beeld van een toets als beproeving. Mensen zien bankjes, in rijen los van elkaar, met zwetende en zwoegende kinderen, die bang zijn dat ze falen voor de toets. Zeker als we het over kleuters hebben, is dat beeld totaal niet van toepassing. Kinderen tot 4 jaar moeten wat mij betreft in de eerste plaats lekker kunnen spelen. Maar van dat spelen kunnen we veel leren over de ontwikkeling van het kind. Het is belangrijk dat we de ontwikkeling van leerlingen zo vroeg mogelijk volgen. Hoe beter we aansluiten bij de ontwikkeling, wensen en behoeften van een leerling, des te beter kan deze leerling haar of zijn talenten tot ontwikkeling laten komen. En dan is de ‘toets’ niet de afsluiting, maar eerder het begin van een nieuw leerproces voor de leerling. U bent op dit moment waarschijnlijk vooral bezig met de afsluiting van het kalenderjaar. Ook dat is weer het begin van een nieuw jaar. Ik wens u prettige kerstdagen en een gezond en leerzaam 2014, voor u, uw collega’s, medewerkers en uw leerlingen. Rinda den Besten, voorzitter PO-Raad

podium _ december 2013

5 


Gemeente en onderwijs: partners bij uitstek

6 

podium _ december 2013

Foto’s: Hans Roggen


‘Jullie leerlingen zijn onze burgers’ Het primair onderwijs en de gemeenten hebben een gemeenschappelijk belang: het welzijn van kinderen. Toch verloopt de samenwerking tussen schoolbesturen en gemeenten niet altijd soepel. Jantine Kriens (voorzitter VNG-directieraad) en Rinda den Besten (voorzitter PO-Raad) inventariseren voor podium hoe barrières geslecht kunnen worden. TEKST LISET TE BLANKESTIJN

De overheveling van het buiten­ onderhoud van schoolgebouwen van gemeenten naar schoolbesturen. Het zoeken naar een doorgaande lijn in de voor- en vroegschoolse educatie. En de vraag wie er gaat over het binnenklimaat van onze scholen: de paden van gemeenten en scholen kruisen elkaar nogal eens. Daarom trekken PO-Raad en VNG steeds meer met elkaar op. Daarbij is het een voordeel dat de voorzitters (allebei net wethouder-af en nog nieuw

op hun post) elkaar en elkaars habitat goed kennen. PO-Raad-voorzitter Rinda den Besten werkte lang als raadslid en wethouder in de gemeente Utrecht. Andersom heeft Jantine Kriens van de VNG, die onder andere landelijk projectleider was voor het onderwijskansen­ beleid, het onderwijs in haar vezels. ‘Het onderwijs is de belangrijkste overheidssector,’ vindt Kriens. ‘Elke euro moet goed worden besteed. Alles wat je nu fout doet heeft later een groot effect.’ podium _ december 2013

7 


Den Besten: ‘In Utrecht werken gemeente en onderwijs goed met elkaar samen, maar dat is niet overal zo.’

Wantrouwen Kriens proeft bij het onderwijs vaak een enorm wantrouwen jegens de overheid, maar ook tussen scholen onderling, vertelt ze. ‘De gemeente wil bijvoorbeeld dat een wijk samenwerkt tegen onderwijsachterstanden, terwijl scholen dan toch weer gaan concurreren. Dan denk ik: kijk nou eens naar wat er gebeurt in jullie wijk! De gemeente vertegenwoordigt de maatschappelijke omgeving, en is daarom voor een schoolbestuur een belangrijke partner.’ Met dat laatste is Den Besten het eens: ‘In de school komen overheid en onderwijs letterlijk

dichter bij elkaar. Maar de samenwerking is vaak nog een onontgonnen gebied. Soms hoor ik dat een gemeente iets organiseert over Passend onderwijs en de jeugdzorg, en het onderwijsveld niet komt opdagen. Andersom gebeurt hetzelfde.’

Landjepik Den Besten signaleert tussen gemeenten en schoolbesturen ook veel huiver voor landjepik. ‘Neem de huisvesting. Daar is veel aan de hand. Hoe gaan we om met renovatie en de verdeling van de kosten? En het buitenonderhoud: schoolbesturen worden daar vanaf 2015 verantwoordelijk voor, maar de gemeente houdt zorgplicht. Sommige schoolbesturen zijn boos, omdat ze zich met

Jantine Kriens: ‘Elke onderwijseuro moet goed worden besteed. Alles wat je nu fout doet heeft later een groot effect’ 8 

podium _ december 2013


achterstallig onderhoud geconfronteerd zien, en andersom zien gemeenten die het beter hebben gedaan die overheveling soms met lede ogen tegemoet omdat er een hap wordt genomen uit hun huisvestingsmiddelen. Er is een soort macroberekening uitgevoerd die de verhoudingen onnodig onder druk zet. Samen optrekken is geboden, maar soms willen scholen niet met de gemeente om tafel, want die hebben een ander belang, vrezen ze. “De gemeente wil geen geld uitgeven aan mijn gebouwen,” hoor je dan. Een vermeende tegenstelling die het gesprek belemmert. Echt jammer.’ Kriens: ‘Natuurlijk moet je rekening houden met de beperkte budgetten, maar welke wethouder wordt nou niet warm van een schoolbestuur dat meedenkt over het realiseren van een prachtig schoolgebouw, waarin kinderen zich zo goed mogelijk ontwikkelen? Het moet echter vanuit het onderwijs komen. De school moet laten zien welke omgeving nodig is om voor haar leerlingen het beste onderwijs te realiseren.’

Scharnier ‘In Nederland gaat het onderwijs over het concept, de inhoud, en daar hoort soms het schoolgebouw bij. Maar de gemeente moet daar dan wel de portemonnee voor willen trekken,’ zegt Den Besten. ‘Dat is geen handige verdeling.’ Maar haar suggestie om te ‘doordecentraliseren’ en alle budgetten naar de schoolbesturen over te hevelen, is ook geen oplossing voor de VNG. ‘Dit gaat de schoolstrijd voorbij. Het gaat erom dat we de verbinding leggen,’ vindt

Kriens, ‘en samen zorgen voor nabijheid, kwaliteit en diversiteit van onderwijs. Gemeentes moeten niet denken dat ze aan de top van een piramide staan. We moeten ons juist meer verdiepen in elkaars wereld. Er is een scharnier nodig, we moeten het gesprek weer oppakken. We hebben immers hetzelfde belang: jullie leerlingen zijn onze burgers.’

Rinda den Besten: ‘In de school komen overheid en onderwijs dicht bij elkaar, maar de samenwerking is vaak nog een onontgonnen gebied’ Regionale verbanden Hoe geef je zo’n scharnier vorm? De voorzitters zoeken de oplossing in het harmoniseren van regionale verbanden. Het primair onderwijs kent 76 samenwerkingsverbanden voor Passend onderwijs. Daarnaast kent de overheid 41 regionale verbanden voor onder andere jeugdbeleid. Kriens: ‘Als we die verbanden harmoniseren kunnen we zorgen voor synergie. Laat die samenwerkingsverbanden in gesprek gaan met het regioverband. Gewoon heel praktisch, weg van ideologie en principes, samen een ontwerp maken. Met als vraag: hoe richten we de komende vijftien jaar in onze regio, met onze populatie, het onderwijs in?’ Den Besten is podium _ december 2013

9 


Rinda den Besten: ‘We hadden die regionale samenwerkingsverbanden voor jeugdbeleid beter moeten afstemmen op de verbanden voor Passend onderwijs’

voor. ‘We hadden die regionale samenwerkingsverbanden voor jeugdbeleid beter moeten afstemmen op de verbanden voor Passend onderwijs. Een stad als Rotterdam vraagt om een andere aanpak dan een Limburgs krimpgebied. Neem het huisvestingsbeleid. Het verdelen van de huisvestingsmiddelen per dorp, dat werkt niet in krimpregio’s. Daar zie je dat de wethouder van het ene dorp niet wil dat het dorpsschooltje gaat sluiten, terwijl de wethouder van het dorp ernaast niet zit te wachten op kosten voor het bijbouwen van extra lokalen. Dat vraagt om een regionaal georiënteerde aanpak.’

10 

podium _ december 2013

Schevenings Beraad herijken Begin jaren ‘90 gaf het Schevenings Beraad een mooie impuls om overheid en scholen dichter bij elkaar te brengen, herinnert Kriens zich. ‘Scholen en gemeenten stonden in de vechtstand. De VNG, de schoolbestuurlijke wereld en staatssecretaris Wallage voerden daarom overleg in het Schevenings Beraad Bestuurlijke Vernieuwing. Er kwam een gezamenlijke agenda. Toen is de basis gelegd voor de decentralisatie van het onderwijsbeleid, en voor een wettelijke verankering van het gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid. Dat was echt een doorbraak.’ ‘Zoiets hebben we nu ook nodig!’, reageert Den Besten enthousiast.


‘We moeten het Schevenings Beraad herijken naar de uitdagingen van nu, en samen een agenda vaststellen. Zoals we nu al samen optrekken voor een kwalitatief betere en efficiënt ingerichte voorschoolse educatie voor alle kinderen. Die is nu veel te versnipperd.’ De PO-Raad schreef daarover samen met de VNG, de Brancheorganisatie Kinderopvang en het platform voor maatschappelijke ontwikkeling MOgroep een pamflet. De boodschap: het optuigen van één integrale voorziening voor opvang, ontwikkeling en onderwijs van alle kinderen is een ­gezamenlijke verantwoordelijkheid. Den Besten: ‘Laat de kwaliteit leidend zijn! Niet de geldstromen of instituties.’

Jeugdzorg Den Besten: ‘Door Passend onderwijs en de decentralisatie van de jeugdzorg zullen we alleen maar meer met elkaar gaan samenwerken. Het gaat hier ook over budgetten in de scholen. Denk aan het schoolmaatschappelijk werk, het Zorgadviesteam, de GGD,

Jantine Kriens: ‘Welke wethouder wordt nou niet warm van een schoolbestuur dat meedenkt over het realiseren van een prachtig schoolgebouw?’

de wijkverpleegkundige.’ ‘Als we niet samenwerken lopen we het risico dat die jeugdbeleidstructuur buiten de scholen komt te liggen,’ vreest Kriens. ‘Terwijl bijvoorbeeld de Jeugd-GGZ ook voor het onderwijs ontzettend belangrijk is. Je wilt als school zo vroeg mogelijk weten of er een psychiatrische stoornis in het spel is. Daarom is er een naadloze aansluiting nodig tussen de Centra voor Jeugd en Gezin in de wijk en het Zorgadviesteam binnen de school. Den Besten: ‘Of huisvest hen binnen de scholen.’ Kriens vindt het een goed idee. ‘We proberen natuurlijk al jaren om kinderen langer in het reguliere onderwijs te houden. Maar dat lukt steeds niet omdat de specifieke expertise niet in de scholen is. Dus die moeten scholen binnenhalen, óf we moeten zorgen voor betere aansluiting. Dat is in het belang van de kinderen.’

Op de koffie De frontvrouwen van VNG en PO-Raad schetsen een mooi toekomstperspectief. Maar hoe gaan de mensen in het veld, van gemeenten en onderwijs, elkaar vinden? Wat kunnen schoolbestuurders nu al doen? Kriens: ‘Koffiedrinken bij de wethouder. En niet alleen wanneer je subsidie nodig hebt.’ En gemeenteraadsleden moeten bij de transitie van de jeugdzorg de basisscholen niet vergeten, vindt Den Besten. ‘School is vindplaats én werkplaats.’ Kriens: ‘Het basisonderwijs is het enige maatschappelijke instituut waar je als burger twee keer langskomt: als kind, én als ouder. De school is de spil in de wijk.’ n

podium _ december 2013

11 


Tweetalig onderwijs op de basisschool

Ondergedompeld in het Engels Tweetalig onderwijs op de basisschool is een goede ontwikkeling, meent Rick de Graaff, hoogleraar tweetalig onderwijs aan de Universiteit Utrecht. Kinderen hebben het vermogen twee, zelfs drie talen tegelijk te leren. Het is volgens De Graaff wel belangrijk de extra taal of talen op een natuurlijke manier in te bedden in het lesprogramma. TEKST MIRJAM JANSSEN

12 

podium _ december 2013

Vanaf volgend schooljaar beginnen twintig basisscholen met tweetalig onderwijs. De leerlingen krijgen dan 30 à 50 procent van de tijd les in het Engels. Engels als vak is natuurlijk niet nieuw in het basisonderwijs: vrijwel alle scholen geven Engels in groep 7 en 8, en al ruim duizend scholen geven vroeg vreemdetalenonderwijs (vvto): een of meer uren per week Engels vanaf de onderbouw, en soms ook Duits of Frans. Maar intensieve ‘onderdompeling’ van leerlingen in een andere taal dan het Nederlands is wel een nieuwe ontwikkeling. Het basisonderwijs volgt daarmee de trend in het voortgezet onderwijs, waar al 120 scholen voor tweetalig onderwijs bestaan. Het tweetalig onderwijs op basisscholen heeft voorlopig nog het karakter van een pilot. ‘Ik sta positief tegenover tweetalig onderwijs op de basisschool,’ zegt Rick de Graaff, die onlangs zijn oratie hield als hoogleraar tweetalig onderwijs. ‘Het is goed mogelijk een flink deel van


het onderwijs in een tweede taal aan te bieden. Uit onderzoek is gebleken dat aandacht voor een tweede taal niet ten koste van het Nederlands of van de andere vakken gaat. Het hoeft ook geen verzwaring van de les voor de kinderen te betekenen. Essentieel is een goede taaldidactiek in de Nederlandstalige en de Engelstalige lessen.’ Tweetalig onderwijs op basisscholen is het logische gevolg van een ontwikkeling van onderaf, zegt de hoogleraar, vanuit de behoeften van ouders en scholen. ‘Er is steeds meer expertise op de pabo’s en op de scholen. Bovendien is een landelijke standaard voor vvto ontwikkeld. Zo zijn er goede programma’s ontstaan voor Engels, wordt er veel expertise gedeeld en zijn er goede materialen ontwikkeld.’

Onderwijstijd goed besteden De meeste scholen beginnen al vanaf groep 1 met Engels, maar in de praktijk zijn volgens De Graaff verschillende afwegingen mogelijk. ‘Het gaat er in de eerste plaats om dat onderwijstijd goed wordt besteed. Stel dat een school pas in een hogere groep begint met Engels, maar intensief lesgeeft, dan kan dat dezelfde resultaten opleveren als een school die eerder is begonnen met minder uren. Wanneer je precies wilt beginnen, hangt ook af van de praktische omstandigheden in de school. Het gaat er vooral ook om dat het team eraan toe is.’ De Graaff denkt wel dat het effectief is om vroeg met Engels te beginnen. ‘Juist in de onderbouw is Engels goed in de gewone lesstof te integreren. Je kunt kringgesprekken in het Engels voeren,

Rick de Graaff, hoogleraar tweetalig onderwijs aan de Universiteit Utrecht: ‘Aandacht voor een tweede taal gaat niet ten koste van het Nederlands of van de andere vakken’

liedjes zingen en verhaaltjes vertellen.’ De Graaff adviseert scholen vooral veel natuurlijke situaties te creëren waarin het Engels wordt gebruikt. Pas in de bovenbouw gaat lezen en schrijven in deze taal een rol spelen. Eigenlijk kunt je alle vakken, behalve Nederlands, in het Engels geven, zegt de hoogleraar. ‘Uit ervaringen in het buitenland blijkt dat het zelfs mogelijk is rekenen in een tweede taal te geven. In de praktijk kiezen scholen waarschijnlijk vooral vakken waarmee ze de woordenschat van de leerlingen thematisch kunnen vergroten, zoals aardrijkskunde en geschiedenis.’ podium _ december 2013

13 


Soepel schakelen Onderwijs in een vreemde taal vergt veel van de leerkrachten. Ze moeten niet alleen uitleg kunnen geven in het Engels, maar ook soepel naar alledaagse gespreksonderwerpen kunnen omschakelen en het klassenmanagement in het Engels kunnen uitvoeren. ‘Leerkrachten moeten een grote taalvaardigheid hebben in het Engels en een goede taaldidactiek. Steeds meer pabo’s bieden minors aan in het Engels. Maar toch zal de taalbeheersing van nog lang niet iedereen voldoende zijn.’

‘Leerlingen met een anderstalige achtergrond hebben bij het leren van Engels nu eens geen achterstand’ Uit een onderzoek van SLO (Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling) in 2011 bleek dat meer dan de helft van de leerkrachten tijdens hun opleiding geen scholing in het Engels heeft gehad. En degenen die wel Engels hebben gehad, twijfelen vaak of zij voldoende vakdidactische kennis hebben. Daar staat tegenover dat de meerderheid positief tegenover

14 

podium _ december 2013

deze taal staat: ze vinden het leuk en belangrijk om Engels te geven. De Graaff: ‘De invoering van Engels in het onderwijs is een ontwikkelslag voor het team. Je moet er echt alleen aan beginnen als je erin kunt en wilt investeren.’ Anderstalige of meertalige leerlingen kunnen net als Nederlandstalige kinderen vvto of tweetalig onderwijs volgen. De Graaff: ‘Voor de taalontwikkeling van kinderen is het geen punt om meer talen tegelijk te leren. Je hoeft niet met Engels te wachten tot ze verder met het Nederlands zijn. Mits er ook heel gericht wordt gewerkt aan het Nederlands van de leerlingen. We zien juist dat leerlingen met een anderstalige achtergrond bij het leren van Engels nu eens geen achterstand hebben ten opzichte van de Nederlandse kinderen. Dat is prettig voor hen. En het gaat hen vaak goed af, omdat ze al meer gewend zijn aan het leren van een andere taal. Als leerlingen een goed ontwikkelde thuistaal hebben, hebben ze juist een goede basis om andere talen te leren, of dat nu gaat om Nederlands of Engels.’ In Friesland geven inmiddels 44 basisscholen zelfs onderwijs in drie talen. Ze hanteren een duidelijke indeling in Friese, Nederlandse en Engelse dagdelen. Of ze geven bepaalde vakken in een bepaalde taal. De Graaff: ‘Het kan allemaal, als je het maar goed ­organiseert.’ n


Drietalig onderwijs Op zes van de negen basisscholen van Stichting Radius in Franekeradeel krijgen de leerlingen les in Nederlands, Fries en Engels. ‘Voor Nederlands volgen we het reguliere programma, voor Fries gaan we uit van de achtergrond van de leerlingen’, vertelt algemeen directeur Henk Hueting. ‘In de stad Franeker zijn minder kinderen die thuis Fries spreken dan in de regio. In de stad richten we ons vooral op de Friese cultuur, erbuiten meer op lezen en schrijven.’ Voor Engels doen de scholen van Stichting Radius ook mee aan internationaliseringstrajecten, waarvoor de leerlingen intensief Engelse les krijgen. ‘We nemen ze ook mee op reis naar andere landen en leerlingen uit andere landen komen bij hen logeren. Verder proberen we het Engels zoveel mogelijk te integreren in andere vakken. De leerkrachten worden ondersteund door een native speaker die let op het idioom en de uitspraak. De Engelse taal valt makkelijk bij Friestalige kinderen. Dat komt omdat er sprake is van taalverwantschap, vermoed ik. Maar ik kan dat niet wetenschappelijk bewijzen.’

podium _ december 2013

15 


Zijn basisscholen weifelachtig bij vermoedens van kindermishandeling ?

16 

podium _ december 2013


De meldcode bijt niet… Het basisonderwijs kan een belangrijke rol spelen bij voorkomen en melden van kindermishandeling. Maar de meeste scholen hebben nog geen meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. En scholen met een meldcode weten vaak niet goed hoe te handelen. TEKST IRENE HEMELS

Gemiddeld één kind per klas van 27 is slachtoffer van verwaarlozing, fysieke mishandeling of seksueel misbruik1. Elke basisschool heeft er dus vele malen per jaar mee te maken. Sinds 1 juli moeten scholen een meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling hebben, waarin met een stappenplan is vastgelegd hoe de school hiermee omgaat. Ook moet al het onderwijspersoneel getraind zijn in het signaleren hiervan. De Inspectie van het Onderwijs neemt de meldcode nu al mee in haar reguliere toezicht en gaat vanaf juli 2015 over op handhaving. Uit een meting, uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), blijkt dat scholen ver achterblijven met de invoering van de meldcode. Het aantal scholen met een meldcode is nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van eind 2012: in juli beschikte slechts veertig procent 1 Zie http://www.jeugdinspecties. nl/_database/documenten/Meldcode%20 stap%200.pdf podium _ december 2013

17 


hierover. Meer dan de helft van deze scholen vindt zichzelf onvoldoende toegerust om goed om te gaan met vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling. Daarnaast constateert het Samenwerkend toezicht Jeugd (STJ) in het rapport ‘Meldcode: stap 0’ een gebrekkige signalering. Scholen kennen de risicofactoren wel, maar vinden het lastig om daarop stappen te ondernemen.

Melden of niet? Neem zomaar een basisschool uit het westen van het land. Vier jaar geleden stelde deze school, die niet bij naam genoemd wil worden, de eerste aandachtfunctionaris aan; iemand die de zorg rond een (mogelijke) melding coördineert. Inmiddels zijn er drie aandachtfunctionarissen en hebben alle leerkrachten een online scholingsprogramma gevolgd over de meldcode. De meldcode is officieel aan het team gepresenteerd tijdens een studiedag. Ondanks al deze voorbereidingen vindt de school de praktijk rond het melden lastig. November 2013 deed de school haar eerste melding van kindermishandeling bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De intern begeleider: ‘In mei 2012 kwam een nieuwe jongen in groep 6. Een teruggetrokken jongen met soms clownesk gedrag en veel leerachterstand. Van zijn oude school hoorden we niets over zijn thuissituatie, van het AMK vernamen we dat het gezin bekend was vanwege huiselijk geweld en een straatverbod van de vader. Gaandeweg kwamen er 18 

podium _ december 2013

Esther Deursen: ‘Scholen moeten zekerder van zichzelf zijn. Een beetje drammen mag best’. signalen van ruzies en huiselijk geweld. De moeder was vaak afwezig en de kinderen maakten thuis veel ruzie.’ De school vond het moeilijk om te bepalen of er moest worden gemeld. ‘We bespraken de ernst van het geweld met elkaar, ook in het zorgteam. Een melding is toch wel heftig. Doe je het te snel, dan kun je de situatie onbedoeld erger maken doordat de vertrouwensband met de ouders wordt verbroken. Als wij


alleen al suggereren dat ouders contact zouden kunnen opnemen met het schoolmaatschappelijk werk of Bureau Jeugdzorg, reageren zij vaak met: die pakken je kind af!’

Moeizame samenwerking Ook de samenwerking met andere organisaties verloopt moeizaam. De ib’er: ‘Toen wij het AMK belden voor advies was het korte antwoord: bedankt, maar het dossier is gesloten. Dan weet je even niet meer wat je moet doen.’ Ook tijdens een groot zorgoverleg in het kader van 1Gezin1Plan kon zij haar zorgen niet delen. ‘Ik was compleet verbijsterd. Je voelt een zware last. Ondanks alle goede bedoelingen en meldcodes blijf je afhankelijk van anderen.’ In deze zaak kwam het uiteindelijk niet tot een melding, omdat de moeder de kinderen van school haalde. Slechts eenmaal eerder kwam het op deze school tot een bijna-melding, vanwege verwaarlozing. ‘We hebben twee jaar geprobeerd een band op te bouwen met de bewuste moeder. Hoe meer ik met haar ging praten, hoe meer zij dat als bedreigend ervoer.’

Sta op je strepen Het hierboven geschetste beeld komt Esther Deursen, programmadirecteur Samenwerkend Toezicht Jeugd (STJ), bekend voor. Zij ziet vaker voorbeelden van een slechte overdracht tussen scholen en moeizame contacten met hulpverlenende instanties. Deursen vindt dat scholen zich te snel uit het veld laten slaan. ‘Scholen moeten zekerder van zichzelf zijn en dat ook uitstralen.

Meer op hun strepen staan. Neem geen genoegen met een opmerking als ‘u bent de eerste die dit meldt’ of: ‘het valt wel mee’. Een beetje drammen mag best. Als je je zorgen maakt over een kind, ben je in mijn ogen verplicht om actie te ondernemen. Scholen zijn de belangrijkste vindplaats. Niemand die op een dag zoveel kinderen zo langdurig ziet als de leerkracht. Zij ziet het als een kind zonder ontbijt op school komt, als een kind geen winterjas heeft of geregeld blauwe plekken heeft. In het primair onderwijs zien de leerkrachten ook nog redelijk veel ouders. Dat biedt veel kansen om juist vroegtijdig met hen in gesprek te gaan.’

Intern begeleider: ‘Een melding is toch wel heftig. Doe je het te snel, dan kun je de situatie onbedoeld erger maken’ De jongeren zelf zijn het daar grotendeels mee eens, zo blijkt uit een onderzoek van Jongeren Taskforce Kindermishandeling. 54% van de geraadpleegde jongeren vindt dat leerkrachten de aangewezen personen zijn om te signaleren of iemand wordt mishandeld.

Zorgen delen Zorgen worden niet vaak en niet snel genoeg gedeeld. Bij een verhuizing informeert de oude school de nieuwe podium _ december 2013

19 


niet over vermoedens van een onveilige gezinssituatie. Deursen: ‘Een niet-pluisgevoel moet je direct bespreken met collega’s en binnen het zorgteam. Binnen drie weken kun je al een eind zijn. Voordat je het weet ben je drie maanden verder. Dat is voor een kind in een onveilige situatie een heel lange periode. Het onderwijs wacht te lang met opschalen. Dat vind ik zorgelijk. Scholen moeten zich realiseren dat zij een belangrijke schakel zijn in de veiligheid van het kind.’

Intern begeleider: ‘Hoe meer ik met de moeder ging praten, hoe meer zij dat als bedreigend ervoer’

20 

podium _ december 2013

Saskia Huisman, teammanager AMK Amsterdam, bevestigt het beeld dat scholen zich soms onvoldoende gehoord voelen. ‘Helaas moet ik erkennen dat het niet altijd goed gaat, maar een school moet het daar dan niet bij laten zitten. Vaak zijn de zorgen van scholen vaag en weinig concreet. Ze hebben dan een bepaald gevoel waar wij niet altijd iets mee kunnen. Ik zie grote verschillen in hoe scholen omgaan met hun zorgen. Er zijn basisscholen die ons jaarlijks vele malen raadplegen voor advies, maar er zijn ook scholen die te lang zelf doormodderen en pas bij escalaties aan de bel trekken.’ Haar advies: ‘Wacht niet totdat je tegen een melding aan zit. Wij kunnen heel goed meedenken over de aanpak en adviseren over hoe je een gesprek kunt aangaan met ouders.’


Sneller doorpakken Een school moet vooral heldere afwegingen maken bij vermoedens van kindermishandeling, benadrukken Deursen en Huisman. Dat vereist een proactieve houding van schoolbesturen. Deursen: ‘Als sturing ontbreekt, blijven leerkrachten hangen in: ‘’we hebben het zo druk’’, of ‘’voor een moeilijk gesprek heb ik geen tijd’’. Zorg dat teams hierover met elkaar in gesprek blijven en dat medewerkers geschoold zijn in het voeren van moeilijke gesprekken. Zorgen over de veiligheid van een kind moeten niet te lang binnen de school blijven. Nu wordt vaak pas met de meldcode in de hand contact gelegd met andere organisaties. Dat moet echt sneller.’ PO-Raad-adviseur Corine van Helvoirt plaatst hierbij een kanttekening. ‘Onderwijsmensen voelen zich lang niet altijd voldoende competent om dit soort moeilijke oudergesprekken te voeren. Elke school zou gebruik moeten kunnen maken van schoolmaatschappelijk werk om zich hierbij te laten ondersteunen. Wat ons betreft is dit een belangrijk agendapunt voor het Op Overeenstemming Gericht Overleg (OOGO) met de gemeenten in het kader van Passend onderwijs.’ De school die onbekend wil blijven, heeft geleerd van haar ervaring.

Saskia Huisman: ‘ ‘Wacht niet totdat je tegen een melding aan zit. Wij kunnen heel goed meedenken over de aanpak’ De ib’er: ‘We maken ons zorgen, daar komt onze betrokkenheid vandaan, maar we hebben te lang voor hulpverlener willen doorgaan. Anderen zijn daarin meer deskundig. We zijn ons bewuster geworden van de stappen die we kunnen zetten en nemen ons voor om zaken niet te lang op hun beloop te laten.’ n

podium _ december 2013

21 


22 

podium _ december 2013


Digitaal dossier helpt bij ‘zachte landing’ in het vo

Overstapservice Onderwijs Voor elke leerling die de overstap maakt naar het voort­­ gezet onderwijs moet de basisschool een onderwijs­kundig rapport aanleveren. Het digitale systeem Over­stap­service Onderwijs (OSO) helpt de leerkracht om dit rapport sneller samen te stellen en zorgt voor een soepele overdracht. Hoofddoel: een zo vloeiend mogelijke overstap van de leerling naar het vo. TEKST SUSAN DE BOER

De overstap naar het voortgezet onderwijs is spannend voor een kind. De juf of meester van groep 8 kent hem door en door, maar op de nieuwe school moet hij elk uur naar een andere leraar in een ander lokaal. Het onderwijskundig rapport, dat de basisschool over hem meegeeft, helpt de vo-school om zo

goed mogelijk aan te sluiten op zijn niveau, en hem zo een ‘zachte landing’ te bezorgen. Veel basisscholen stellen dat rapport nog handmatig samen; een tijdrovende klus. ‘Onze directeur zet de leerlinggegevens vanuit Esis in het onderwijskundig rapport,’ vertelt Han Stevens, podium _ december 2013

23 


leerkracht groep 8 op basisschool Zonzeel in Terheijden. ‘En ik vul na de Cito Eindtoets de laatste details in.’ Hij schat dat hij per ‘standaard’ leerling een kwartier bezig is. ‘Maar het invullen van de gegevens van een zorgleerling kost tussen de 30 en de 45 minuten.’

Jessica van Dam: ‘Veel basisscholen printen de gegevens uit het digitaal leerling­ volgsysteem nog uit en versturen ze per post’ Vaak verloopt de overdracht nog omslachtiger, zegt Jessica van Dam van Schoolinfo. ‘Veel basisscholen gebruiken wel een digitaal leerlingvolgsysteem, maar die gegevens printen ze uit en versturen ze per post. Op de vo-school tikt een administratief medewerker alles weer over in hun administratiesysteem. Dan loop je kans dat gegevens per ongeluk fout worden ingevoerd.’ Het nieuwe systeem Overstapservice Onderwijs (OSO) zorgt ervoor dat de administratieve kant van de overdracht minder tijdrovend wordt. Het (digitale) aanleveren van de data verloopt aanzienlijk sneller.

Regionale aanpak Overstapservice Onderwijs is een initiatief van PO-Raad en VO-raad en wordt bekostigd door het Ministerie van OCW. 24 

podium _ december 2013

Het systeem, dat is gestart in het najaar van 2012, is ontwikkeld door de Stichting Schoolinfo, samen met Kennisnet en leveranciers van software voor leerlingenadministratie. ‘We spelen hiermee in op de wens van het veld om een betere overdracht te realiseren,’ zegt Joandi Hartendorp, projectleider OSO. ‘De softwareleveranciers hebben in hun systeem een functionaliteit ingebouwd die transport van de gegevens mogelijk maakt.’ De overdracht vindt plaats via een eenmalige en beveiligde verbinding, die mogelijk wordt gemaakt door de instal-

Han Stevens: ‘De extra tijd die OSO oplevert, kan ik mooi inzetten in de klas.’


latie van een zogenaamd certificaat in het leerlingadministratiesysteem van de betrokken scholen. De leerkrachten en administratief medewerkers doorlopen een kwalificatietraject. Het streven is dat in het voorjaar van 2014 zeker 2000 scholen voor po en vo met het systeem werken. Basisschool Zonzeel overweegt om OSO te gaan gebruiken. Stevens: ‘Op een kleine school als die van ons heb je als leerkracht veel extra taken. De extra tijd die OSO oplevert, kan ik mooi inzetten in de klas.’ Momenteel geeft Schoolinfo overal in het land presentaties over OSO. Van Dam: ‘We sturen op een regionale aanpak. Het is natuurlijk niet handig als een school de enige in de regio is die ermee werkt. Daarom geven we vaak presentaties aan samenwerkingsverbanden en samenwerkende besturen in een regio.’ Dit najaar worden er pilots georganiseerd.

Snel een document Beleidsondersteuner Martijn Redegeld heeft alle 56 scholen van de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs RVKO gekwalificeerd voor OSO. Hij is enthousiast. ‘Leerkrachten in groep 8 waren wel veertig uur bezig met het onderwijskundig rapport. Dat is nu teruggebracht tot een paar uurtjes.’ Hij merkt wel op dat niet alles wat in het onderwijskundig rapport staat, ook wordt ‘meegenomen’ in het OSO. ‘Zaken als werkhouding en motivatie staan er niet in. Je kunt dit wel toevoegen in een aparte bijlage.’ Redegeld erkent dat het lastig is om voor bijvoorbeeld ’werkhouding’ en ‘motivatie’ objectieve criteria

Martijn Redegeld: ‘Leerkrachten in groep 8 waren wel veertig uur bezig met het onderwijskundig rapport. Dat zijn nu een paar uurtjes’ te vinden. ‘Het is verstandig om uniformiteit te creëren in het onderwijs, dat bespaart iedereen tijd. Maar iedereen heeft ook een eigen visie en een eigen mening. Dat maakt het tot een uitdaging om iets te ontwikkelen waar de meesten zich in kunnen vinden.’ De medewerkers die moeten werken met het overstapdossier zullen er snel aan wennen, podium _ december 2013

25 


De Friese Plaatsingswijzer In Friesland hebben de scholen voor po en vo een eigen systematiek ontwikkeld voor advisering in groep 8 en plaatsing in het vo: De Friese Plaatsingswijzer. Marinus Giesing, coördinator leerlingenzorg van CSG Comenius in Leeuwarden en voorzitter van de provinciale werkgroep: ‘De Plaatsingswijzer is een bestand met toetsgegevens van begrijpend lezen, rekenen, spellen en technisch lezen in groep 6, 7 en midden groep 8. Daarop baseert de leerkracht van groep 8 het advies en de plaatsingscommissie van het voortgezet onderwijs het plaatsingsbesluit.’ Het systeem is zeer succesvol. Ook het Groningse onderwijsveld gaat ermee werken. ‘Dat komt doordat niet alleen de scores van de eindtoets zichtbaar en bepalend zijn, maar ook wat daaraan vooraf is gegaan. Dat vergemakkelijkt ook de gesprekken met de ouders. Je kunt laten zien waarom het ene onderwijsniveau geschikter is voor hun kind dan het andere.’ Ook de communicatie tussen het po en het vo is volgens hem sterk verbeterd. ‘Het gaat niet over een abstracte citoscore, maar over een meerjarig ontwikkelingsbeeld. Dat bevalt leerkrachten.’

26 

podium _ december 2013


denkt Redegeld. ‘Als je ze laat zien hoe snel je een document kunt maken, zien de meeste leerkrachten de voordelen ervan. Er is een goede handleiding en goede ondersteuning vanuit Schoolinfo.’

Passend onderwijs Leen van Duijn is coördinator a.i. bij het samenwerkingsverband De Langstraat (vo-vso) en daarnaast voorzitter van het College van Bestuur van het Willem van Oranje College, beide in Waalwijk. Hij ziet nog wel een paar verbeterpunten. ‘Het is bijvoorbeeld belangrijk wat er met het ontwikkelingsperspectief gebeurt, nu Passend onderwijs eraan komt. Als kinderen terechtkomen in het leerwegondersteunend onderwijs, is het handig als de gegevens meteen beschikbaar zijn.’ Daarnaast pleit hij voor een eenduidig advies mét onderbouwing. ‘Als we de onderbouwing niet kennen, kunnen we niet goed plaatsen. Het schriftelijke rapport bevat informatie over welk leerlingvolgsysteem is gebruikt, welke toetsresultaten er zijn, hoe groot de achterstand is bij taal en rekenen. Dat is relevant.’ Uit het voortgezet onderwijs komen echter ook enthousiaste geluiden. Het Rembrandt College in Veenendaal gaat het systeem invoeren in het schooljaar 2014-2015. ‘We gaan hierover regionaal afspraken maken met de basisscholen. De softwarepakketten zijn gelukkig allemaal geschikt,’ vertelt administrateur Emile Heikamp. ‘Nu moeten we vijftig gegevens invoeren. Straks nog

Leen van Duijn: ‘De onderbouwing moet goed zijn. Als we die niet kennen, kunnen we niet goed plaatsen’ maar vier: het burgerservicenummer, de geboortedatum en de voor- en achternaam. Dan haalt het systeem zelf de gegevens op. Je krijgt ook meer informatie dan nu, over toetsscores en belangrijke dossiers. Dat is wat ons betreft een mooie verbetering.’ n Voor meer informatie: http://www.overstapserviceonderwijs.nl

podium _ december 2013

27 


web poll

Kunnen spelen en presteren samengaan?

‘Kinderen tot 4 jaar moeten in de eerste plaats gewoon lekker kunnen spelen. Ze hoeven niet te presteren’ Leren en de ontwikkeling stimuleren: moet je daar al in de peutertijd mee beginnen? Dat bleek een prikkelende vraag: 330 mensen reageerden op de bovenstaande stelling. Van hen was 92% het hiermee eens en 8 % het hiermee oneens. Eens: ‘Spelend leren in een leerrijke omgeving is voor kleuters heel belangrijk,’ vindt een reageerder. Een volgende haakt in: ‘Kwalitatief goed spel is al een hele prestatie!’ Een ander wil de stelling graag bijstellen: ‘Kinderen tot 6 jaar moeten in eerste plaats lekker kunnen spelen. Ontdekken en leren spelen horen bij hun ontwikkelingsfase. Ieder mens volgt een vaste ontwikkelingslijn die gestuurd wordt vanuit rijping. Geef een kleuter dus de tijd om te ontdekken, ervaren, verkennen en verwonderen. Dan heeft een kind de ideale basis om over te gaan op het schoolse leren.’ Ze oogst bijval: ‘Helemaal eens. Stop de prestatiedruk op jonge kinderen! Leren door exploreren heeft meer effect dan moeten presteren. Jongeren aan het eind van de middelbare school krijgen al een burn-out. Is er al langlopend onderzoek gedaan naar de relatie tussen de prestatiedruk in het po en vo en jongeren die voor hun 20ste al last hebben van een burn-out? Geef jonge kinderen toch de tijd om zich te ontwikkelen!’ 28 

podium _ december 2013


Oneens: Maar er klinkt ook een ander geluid. ‘Natuurlijk moeten kinderen tot 4 jaar (en ouder) presteren,’ schrijft iemand. ‘We willen dat ze zelf fatsoenlijk leren eten, zich leren aankleden, niet voortdurend de aandacht opeisen, maar kunnen omgaan met uitgestelde aandacht, enzovoort. Sterker nog: kinderen willen ook presteren. Dat is een innerlijke drang. Maar, en daar gaat het fout, dat presteren moet wel passen bij hun leeftijd en de loop van hun autonome ontwikkeling. De stelling zou dan ook moeten zijn dat kinderen (ook degenen die ouder dan vier jaar zijn) niet zo argwanend benaderd moeten worden. We moeten niet meteen denken dat kinderen die niet voldoen aan de norm, achterstand hebben.’

BEN ROODINK, VOORZITTER CVB STICHTING CHRISTELIJK ONDERWIJS HAAGLANDEN EN SPCP A.I:

‘Bij achterstand is het goed om de ontwikkeling te stimuleren’ ‘Ik vind het vanzelfsprekend dat kinderen tot vier jaar in de eerste plaats lekker spelen. Niettemin kunnen er redenen zijn om jonge kinderen in een setting te brengen waar zij zich spelenderwijs gaan ontwikkelen. Wij hebben een aantal peuterspeelzalen en we merken, met name in het centrum van Den Haag, dat sommige ouders vragen of de kinderen geen huiswerk kunnen meekrijgen. Hun idee is dat wanneer de kinderen ergens heen gaan, daar geleerd moet worden. In de peuterspeelzalen zetten wij programma’s in die erop zijn gericht om achterstand weg te werken. Datzelfde geldt voor onze groepen nul. Wij merken dat deze programma’s werken; de kinderen boeken vooruitgang. In deze speelzalen en groepen nul gaan het spelen en het stimuleren van de ontwikkeling samen. Daar waar er geen sprake is van achterstand ben ik voorstander van het gewoon lekker spelen, zonder de inzet van speciale programma’s.’

podium _ december 2013

29 


PETRA VAN HAREN, ALGEMEEN DIRECTEUR PCBO VOORST:

‘Wij werken opbrengstgericht met peuters’ ‘Opgroeien is een aanhoudend proces van ervaren en leren. Spel is voor jonge kinderen de natuurlijke vorm om allerlei ervaringen uit te proberen en zich daardoor te ontwikkelen. Kinderen tot vier jaar moeten daarom absoluut vooral lekker kunnen spelen. Maar daarbij moet de omgeving ruimte bieden, ­grenzen aangeven en eisen stellen en zo de ontwikkeling versterken en het begrippenkader vergroten. Die dingen heeft het kind later nodig om te kunnen presteren. Dit betekent samen spelen, spel met ontwikkeldoelen aanbieden en nadenken over wat ieder afzonderlijk kind nodig heeft om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Voor mij hoeft een kind voor het vierde jaar absoluut niet te presteren, maar het moet zichtbaar zijn dat het zich goed ontwikkelt, fysiek, cognitief en sociaal-emotioneel. De opvoeders moeten er alles aan doen om deze optimale ontwikkeling mogelijk te maken. Mits gekoppeld aan deze visie, ben ik zeker een voorstander van opbrengstgericht werken. Wij doen zelf mee met de pilot opbrengstgericht werken met peuters, en zien dat je met een hbo’er in de groep een heel andere dynamiek krijgt en echt een kwaliteitsslag maakt. Ieder kind dat zich optimaal ontwikkelt, zal optimaal kunnen presteren. In de schoolloopbaan en in het leven worden er prestaties gevraagd. Het is onze taak om kinderen hierop voor te bereiden. We mogen absoluut eisen stellen aan ontwikkelprestaties, maar dit betekent voor mij niet een kalendergestuurde toetscyclus waarbij vaste ijkpunten ieder kind voorschrijven wanneer welk ontwikkelniveau bereikt moet zijn.’ n

30 

podium _ december 2013


politiek

Joël Voordewind, Tweede Kamerlid voor de Christen­Unie, reageert op de stelling van onze webpoll: ‘Kinderen tot 4 jaar moeten in de eerste plaats gewoon lekker kunnen spelen. Ze hoeven niet te presteren’

We dreigen door te slaan De ChristenUnie is het eens met deze stelling. We dreigen door te slaan in onze resultaatgerichtheid, uniforme toetsing en de focus op cognitief denken. De PISA-ranglijst is een internationale benchmark waaraan geen school of politicus zich lijkt te kunnen onttrekken. Of het Nederlandse onderwijs het goed doet, meten we af aan een vergelijking met andere landen over een beperkt aantal vakken. Als  ‘we’ niet in de top 10 staan, is het aan de leer­fabrieken (lees: de scholen) om ons weer laten stijgen in de rankings. En zelfs de kleuterklas ontkomt er niet aan. De ChristenUnie is om meerdere redenen tegen een kleutertoets. Zo lijkt het alsof er onafhankelijke, neutrale kwaliteitseisen bestaan. De Citotoets meet niet alles wat scholen de leerlingen hebben meegegeven en kan dat ook niet, aangezien zij alleen uitgaat van meetbare resultaten. Brede vorming is heel belangrijk. Sociale ontwikkeling en leren samenwerken is bij kleuters misschien nog wel belangrijker dan leren rekenen. Het beheersingsdenken en de resultaatgerichtheid leiden er nu toe dat uniforme toetsen zelfs verplicht worden. Juist op de basisschool is er nog geen sprake van een uniform niveau. Juist op de basisschool ontdekken kinderen waar hun talenten liggen. Misschien ligt dat talent wel in de verpleging of de techniek. De focus op het cognitieve is zelfs in groep 8 vaak nog te groot. Prestatiedruk kan verlammend werken. Bij zowel de leerling als de docent. Opbrengstgericht werken is de norm in het onderwijs geworden. Daar is niets mis mee, zolang het positief werkt voor de ontwikkeling van kinderen. Wie anders dan de leerkracht kan dit het beste inschatten? Het is de professional in de klas die de ontwikkeling van een leerling het beste kan volgen. Natuurlijk ligt in de kleuterklas de basis voor taalontwikkeling, maar het is de leerkracht die het beste weet hoe een kind uitgedaagd kan worden. Kinderen zijn niet uniform. Gelukkig maar! Laat kinderen gewoon kind zijn. n Joël Voordewind

podium _ december 2013

31 


goed onderwijs voor elk kind


Podium 2, jaargang 3  

podium is het digitale tijdschrift van de PO-Raad. podium is een platform van en voor de leden van de PO-Raad waar meningen, ideeën, problem...

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you