Page 1

Voorwoord Beste clubleden. Het onvoorspelbare jaar 2011 is voorbij. Het bestuur wenst U en Uw familie en Uw dieren een voorspoedig en gezond nieuw jaar toe. We hopen dat U ondanks de probleempjes in de fokkerij, verder aan de fokkersweg bouwt. Het hoofddoel moet dieren houden zijn en niet dieren vermeerderen ten koste van andere dingen. Voorkom dat U een slaaf van uw fokkerij wordt en door het noodzakelijke werk aan de dieren er sleur en ongemak ontstaat. Dat is meestal dan ook fataal na enkele jaren. Beleef plezier aan uw dieren, laat de kerk in het midden staan en zoek de gulden middenweg.

Het was duidelijk een vol programma die veel offers moest opbrengen van de bestuursleden en hun omgeving. Dit alles ten bate van de clubleden en de clubwerking. Vergeet zeker die mensen niet die voor al die activiteiten instonden en er hun vrije tijd instaken! Voor 2012 staan er opnieuw vele activiteiten op stapel. Indien we ondanks het kleine groepje bestuursleden en de ouderdom, dezelfde gedrevenheid en dynamiek kunnen blijven behouden, moet het 25ste jaar opnieuw een goed clubjaar worden. Wilfried Lombary

Ons programma 2011 zag er zo uit: • In januari was er onze 22ste Internationale wedstrijdtentoonstelling in de Hallen te Roeselare. • Lidkaarten en het fokkersboek (repertorium) verdelen en bezorgen. • Voetringen verdelen, tatoeëren van konijnen en ringen van de cavia’s. • Het eigen mooie clubtijdschrift « Pluim en Pels Kroniek » verscheen 4 maal stipt op tijd. • Op 28 mei was er de jaarlijkse ledenvergadering in de dorpszaal ‘De Zwaan’ te Vladslo-Diksmuide. Dit samen met een voordracht ‘Kruiden, groenvoer en kunstmatige inseminatie bij kippen’. • Op 11-12-13 juni waren we aanwezig met een levende promotiestand en organiseerden er het Belgisch kampioenschap hanenkraaiing op het open boerderijweekend « Schone Schaapjes » te Staden. • Op 2 juli hielden we een eetfestijn in restaurant ‘D’Akkerhoeve’ te Lo-Reninge. • Op 3 juli waren we met een levende promotiestand aanwezig op de open « Landbouwfeesten » te Nieuwpoort. We organiseerden er ook een wedstrijd voor hanenkraaien. • Op zaterdag 13 augustus was er te Edewalle onze jaarlijkse jongdierendag. • Op zaterdag 20 augustus was er het zeer geslaagde hokbezoek bij enkele clubleden. • Op 10-11 september organiseerden we een dierenverkoopdag op de Agro-Markt te Gistel. • Op 1-2 oktober namen we in clubverband deel aan de tentoonstelling van ‘Animavia’ te Armentiéres in Frankrijk. Met gratis vervoerlijn voor de dieren. • Op 4-5 november was er de tweede proef van ons clubkampioenschap 2011 op de show van Lovendegem. Met gratis vervoerlijn voor de dieren. • In januari 2012 namen we in clubverband deel aan de Nederlandse ‘Noordshow’ in Zuidlaren. We stonden in voor een gratis vervoerlijn van de dieren. We organiseerden ook een busreis naar die show (volle bus met 50 deelnemers).

Lidmaatschap 2012 Fokkend lid met inbegrip van ons clubtijdschrift “Pluim en Pels Kroniek”: 15 euro Fokkend lid met inbegrip van ons clubtijdschrift, de fokkerskaart, fokkersboek, het tijdschrift “Het Vlaams Neerhof” en de ringen-tatoedienst : 27 euro Tweede, derde, vierde enz. fokkend lid in een gezin (zelfde adres): 10 euro Van harte ook welkom aan de vele nieuwe leden, die met dit nummer voor het eerst iets over het reilen en zeilen van de vereniging kunnen opsteken. Zijn er vragen, stel ze onmiddellijk aan één van de bestuursleden. Indien mogelijk zullen we jullie verder op de fokkersweg helpen.

Pluim & Pels 1


Inhoud

Sportrasfokkersvereniging “Pluim en Pels Diksmuide” v.z.w. doelstellingen en bestuur 2012. - Voorzitter:

Lombary Wilfried, Dwarsstraat 8, 8600 Leke, tel. 051 50 15 05

Voorwoord 1

- Penningmeester: Dely Maurits, Staatsbaan 27b, 8610 Kortemark, tel. 051 56 82 22 GSM 0477 95 88 66

Clubnieuws 3

- Hulpsecretaris:

Verslyppe Joël, Doorenstraat 19, 8610 Kortemark, tel. 0474 93 02 06

Moeten er nog zwanen zijn

- Bestuurslid:

Verscheure Efrem, Gentweg 25, 8600 Diksmuide

Naert Frans, Gravestraat 1, 8647 Lo, tel. 058 62 65 38

Topfokker Marc Vandewalle en de drie jeugdige dierenmusketiers

4

7

- Materiaalmeester: Verslyppe Joël, Doorenstraat 19

Beter een kweekdier minder, dan een minder kweekdier

13

- Clubafgevaardigde bij het West-Vlaams verbond voor kleinvee en of neerhofdieren: W. Lombary

Dwergkonijnen met Hollandertekening

17

Het kweekseizoen bij onze sierduiven

19

- Ringenverdeler:

Dely Maurits, Staatsbaan 27b, 8610 Kortemark, tel. 051 56 82 22, GSM 0477 95 88 66

- Tatoeëerder:

Verslyppe Joël, Doorenstraat 19, 8610 Kortemark, tel. 0474 93 02 06

- Webmaster:

Ligneel Pedro, Zegestraat 37A, 8650 Houthulst, tel. 051 63 77 16

Ons adres op internet:

- Tijdschrift “Pluim en Pels Kroniek”: W. Lombary

NIEUWE WEBSITE: www.pluimenpelsdiksmuide.net

- Zetel vereniging:

Dwarsstraat 8, 8600 Leke-Diksmuide, clubrekeningnummer 979-3637504-09 IBAN BE 52979363750409 BIC-nummer ARS PBE 22

NIEUW E-MAILADRES: info@pluimenpelsdiksmuide.net

In de statuten lezen wij dat de club beoogt: - de studie van alle problemen die verband houden met kleinvee - de selectie van raspluimvee, rasduiven, raskonijnen, parkwatervogels, cavia’s - het bewaren en opnieuw in de belangstelling brengen van bedreigde rassen - de verdediging van de belangen van de leden en fokkers - het bevorderen van de sportfokkerij in de meest ruime zin, met speciale aandacht voor de eigen Belgische rassen - een vereniging te zijn zonder winstoogmerk

Lidgeld 2012 De artikels die verschijnen in “Pluim en Pels Kroniek” zijn op verantwoordelijkheid van de steller. Ze drukken niet noodzakelijker wijze de mening van de uitgevers uit. Overname van artikels is niet toegelaten, tenzij met voorafgaandelijke schriftelijke toelating van de uitgevers en auteurs.

Pluim & Pels 2

- Fokkend lid met inbegrip van ons clubtijdschrift “Pluim en Pels Kroniek”: 15 euro - Fokkend lid met inbegrip van ons clubtijdschrift, de fokkerskaart, het repertorium, het tijdschrift “Het Vlaams Neerhof” en de ringen-tatoedienst: 27 euro - Tweede of volgende lid in een gezin (zelfde adres): 10 euro


Clubnieuws

Clubdeelname aan de tentoonstelling te Armentiéres (Fr) Begin oktober namen we in het prachtige natuurpark ‘Prés du Hem’ in clubverband deel bij onze vrienden van Animavia. Het weer was zeer mooi, dus veel zon en animatie en er waren duizenden bezoekers. Onze leden behaalden volgende uitslagen: Dely Maurits Semois eend 95,4x90 Desmet Freddy Brahma kriel 95, 2x93, 6x92 Leghorn 3x0, 3x Afw. Lombary Wilfried Libanonduif 2x96, 3x95, 2x94, 4x93 Verslyppe Joel New Hampshire 3x94, 2x93, 1x91, 1x90, 1x0 De Rycke Noel Watermaalse baardkriel 1x95, 2x94, 1x93, 1x91 Niemand van onze leden bekwam een hoofdprijs. Lombary werd met een duif(96) winnaar van de superbeker met name ‘Beker Pierre Millecamp’ die stond voor de mooiste duif zeldzaam ras of zeldzaam kleurslag. We danken onze leden voor hun deelname om ook hier onze club te helpen vertegenwoordigen.

Clubkampioenschap 2011 Dit jaar was er blijkbaar weinig belangstelling voor ons clubkampioenschap. Was het de verplaatsing naar Lovendegem voor onze tweede proef? Wie zal het zeggen, wie weet het, wie heeft een glazen bol? Voor onze clubkas komt het wel goed uit want nu moeten we minder geld uitgeven aan de kampioenen. Maar uiteindelijk is dat maar een schamele troost en dat is nooit de bedoeling. Uiteindelijk voldeden maar drie exposanten aan de voorwaarden, hetzij F. Desmet, W. Lombary en D. Landerwijn. Zij zullen elk 25€ ontvangen op de Algemene ledenvergadering (aanwezigheid noodzakelijk). Clubkampioen hoenders: Daniel Landerwijn Clubkampioen krielhoenders: Freddy Desmet Clubkampioen sierduiven: Lombary Wilfried

71 punten 80 punten 79 punten

Clubdeelname aan de tentoonstelling te Lovendegem We lieten dit jaar in november de tweede proef voor ons clubkampioenschap doorgaan op de show ‘Kleinvee Meetjesland’ van Lovendegem. Op deze eerder kleine maar prima tentoonstelling, waar alles

tot in de puntjes in orde was door de enthousiaste bestuursploeg, namen de hieronder volgende clubleden deel. Hun uitslag was als volgt: Verslyppe Joel Bel. Tentoonstellingsreisduif 1x92, 2x91, 3x90, 1x0 Kwaker eend 1x94, 2x92, 2x91, 1x0 Lombary Wilfried Libanonduif 2x96, 3x95, 2x94, 3x93 Desmet Freddy Brahmakriel 1x96, 2x95, 5x94, 2x93, 2x92, 1xAfw. Dely Maurits Brabants hoen 2x0 Semois eend 1x95, 2x94, 1x93, 1x92 Landerwijn Daniel Marans 5x94, 2x92, 1x91, 1x90, 1x0 Niemand van deze leden won een hoofdprijs, maar Desmet, Landerwijn en Lombary werden wel raskampioen. Onze plaatselijke leden daarentegen, de heren Mouton, Vandewalle, Engels en Van Landuyt deden dat wel en schoten hoofdvogels af. Proficiat. We danken de leden voor hun deelname.

Succesvolle busreis naar de grote ‘Noordshow’ in Zuidlaren Na vele jaren van onderbreking waagden we ons opnieuw aan een busreis naar een grote show. We gingen in de tijd al naar Zuidlaren (N), Utrecht (N), Keulen (D) en Leiden (N). Na veel inspanningen bekwamen we een volle bus (50) reizigers. Met opstapplaatsen te Koekelare, Aalter, Gent, Sint. Niklaas en Meer konden we rekruteren buiten ons ledenbestand en onze provincie. Ondanks de gietende regen en het vroege uur van vertrek (5 uur) kwamen we met de luxebus goed en wel om 10u15 aan de tentoonstellingshallen. Met ruim 10 000 dieren was het een drukte van jewelste en konden we onze ogen ruim de kost geven. Er werden vele dieren aangekocht die samen met onze ingestuurde dieren in de laadruimte van de bus werden ondergebracht. Hopelijk zorgen de aankopen voor nieuwe of verbeterde rasmogelijkheden. De terugreis verliep probleemloos en om 10u30 konden de laatste meer dan tevreden reizigers te Koekelare afstappen. Het werd een uitstap om niet rap meer te vergeten. En zoals altijd hadden de afwezigen natuurlijk ongelijk.

Clubdeelname aan de grote ‘Noordshow’ in Nederland De unieke kans om zonder reiskosten eens aan een topshow deel te nemen werd door onze leden maar matig ingevuld. Dat laat meteen ook blijken dat er onder de leden weinig ambitie in de fokkerij is. Eigen tuintje, eigen diertjes, eigen straat enz. En te bedenken dat twee van onze zestienjarigen wel inschreven voor die tentoonstelling! Voor het ver-

Pluim & Pels 3


voer (gratis leden) van de dieren naar Zuidlaren huurden we een bestelwagen in. Wat het kostenplaatje voor de clubkas natuurlijk fel doet oplopen. De dieren kwamen terug huiswaarts in de kofferruimte van de autobus. Uiteindelijk namen volgende vooruitziende fokkers wel deel en bekwamen zelfs wat prijzen: Marc Vandewalle, Milan Van Landuyt, Joel Verslyppe, Maurits Dely, Johan Delrue, Wilfried Lombary, Maarten Vandewalle en Norbert Lecointre. De allerbeste uitslag kwam van de jeugdige Milan van Landuyt die de tweede mooiste dwerghoen (andere dan Nederlandse rassen en vechters) showde. Hier hun uitslagen: Delrue Johan Araucana Orpington Vandewalle Marc Yokohama Lombary Wilfried Sussexkriel Libanonduif Van Landuyt Milan Phoenixkriel Yokohamakriel Vandewalle Maarten Yokohamakriel Lecointre Norbert Virginische boomk. Diamantduif Bronsvleugelduif Groenvleugelduif Chinese dwergkw. Californische kuifkw. Dely Maurits Semois eend

96, 2x94, 3x93, 2x92, 1x91, 3x0 2x90, 2x0 96, 2x94, 1x93 1x94, 4x93, 1x92, 1x91 2x96, 2x95, 6x94 1x95, 1x93, 1x92 1x96, 2x94, 1x93 1x95, 2x94, 1x93, 1x92 1x96, 1x95, 1x92, 1x90 1x93, 2x0 95, 1x94 95, 2x93 1x NE, 1xDis 95, 94,Dis, 0

Verslyppe Joel Hol. kwaker

2x93, 3x92, 1x91

Zoals men kan zien waren de uitslagen zeker niet slecht, als men weet dat op die grote wedstrijden meestal iets strenger word gekeurd dan op een doordeweekse tentoonstelling. We danken dan ook onze inzenders voor hun deelname en als dusdanig ook onze vereniging te helpen vertegenwoordigen.

Topprestatie clublid Tweedejaars exposant Wesly Labarque uit Roeselare behaalde dit jaar uitstekende resultaten met zijn Brahma’s. Op het Europees Raskampioenschap voor Brahma’s in het Nederlandse Meijel werd hij in de kleurslag zwart (96) Europees kampioen. Maar ook met zijn andere dieren waren de resultaten daar goed. We zijn dan ook fier om een Europese kampioen in ons midden te mogen hebben. Maar ook op andere tentoonstellingen was het in de roos gemikt, zo o.a. op de show te Merelbeke waar hij het mooiste en tweede mooiste groothoen showde. Proficiat en doe zo verder.

Vergadering Tentoonstelling Comité en belangstellenden Op zaterdag 17 december 2011 was er in ‘De Kring’ te Keiem-Diksmuide de werkvergadering. De belangstelling was uitermate goed en er bleek voldoende hulp en medewerking te zijn voor een volgende eigen tentoonstelling. Achteraf besloot het bestuur dan ook om dit jaar opnieuw een tentoonstelling (23ste) in te richten. De plaats en de formule staat op dit ogenblik nog niet vast. Dank voor de aanwezigen en hun positieve inbreng.

4xDis

Moeten er nog zwanen zijn? Wil men op heden zwanen zien, dan is men als regel aangewezen op dieren bij een fokker thuis. Dan kan men ook het gedrag van deze vogels zien en ook versteld staan van de schoonheid die ze uitdragen. Door de eeuwen heen zijn meerdere soorten van het zuidelijk halfrond naar onze lage landen gekomen. Dat met allen een eigen karakter en uitmonstering. Kennen we met zijn allen niet het lied: ‘Witte zwanen, zwarte zwanen, wie wil er mee naar Engeland varen?’ Hieruit kan al opgetekend worden dat zwanen tot ieders verbeelding spreken. Wil men zwanen gaan houden, dan moet men eerst voor een goede huisvesting zorgen. Aangezien zwanen echte watervogels zijn, moeten ze wel over water kunnen beschikken. Dit kan een kunstmatig aangelegde- of een natuurlijke vijver of sloot zijn. De grondoppervlakte kan het beste bestaan uit een grasveld met enkele struiken. Om gras te handhaven op een kleine oppervlakte valt niet altijd mee, vooral in de herfst en de winter. Een simpele oplossing is om in deze periode een gedeelte van het gras af te zetten zodat dit stuk niet kaalgegeten en vertrapt wordt. Als het groeiseizoen weer begint

Pluim & Pels 4


kan dan dit stuk weer open gezet worden. Als je een natuurlijke vijver heeft en de zijkant niet met hout beschoeid is, dan moet men wel zorgen voor een goed trapje zodat ze zonder problemen uit het water kunnen komen. Dit moet voldoende breed zijn en niet te glad. Zwanen worden altijd per stel gehuisvest, dus nooit meerdere fokstellen in een kleine ruimte. Gebeurt dat wel, dan kunnen er doden vallen bij de gevechten. In grote verblijven kunnen er wel eenden of ganzen bij gehuisvest worden. In het begin moet wel in de gaten gehouden worden of ze elkaar goed verdragen. Als voorbeeld de Zwarthalszwaan die de Bergeend niet kan verdragen. Dit heeft waarschijnlijk met de kleur te maken waardoor de Bergeend als een rivaal wordt gezien. Voeding Van nature zijn zwanen planteneters. Voordat de watervervuiling zich openbaarde, waren ze vooral aangewezen op de waterplanten. In sommige randmeren en plassen komt veel fonteinkruid voor waarvan vooral de wortelstokken erg geliefd zijn. In het ondiepe water worden met behulp van hun poten de wortelstokken blootgelegd, waarna ze met een hap-trek-beweging kunnen verorberd worden. Maar omdat door de watervervuiling de plantengroei afnam konden de zwanen niet meer voldoende voedsel vinden. Dit leidde tot een alternatief, ze schakelden over op gras. Nu kun je ze soms (winter) zien grazen in de weilanden en op bouwland. Deze noodgedwongen omschakeling van hun eetgewoontes wordt door de boeren en akkerbouwers niet altijd in dank afgenomen. Ze vernielen gewassen en bemesten de grond overdadig. Dit is zeker het geval bij grote groepen zwanen en ganzen. Maar eigenlijk is het ook een beetje de schuld van de mensen die het water vervuilen, waardoor de dieren andere voedselbronnen moeten aanspreken. Gelukkig wordt de waterkwaliteit met de ingebruikname van waterzuiveringinstallaties ieder jaar wel wat beter, zodat de waterplantengroei zich kan herstellen. Misschien kunnen de zwanen binnenkort opnieuw overschakelen op hun natuurlijke eetgewoonten. Tenslotte is hun lichaam er op gebouwd om met hun lange hals gemakkelijk de bodem af te tasten naar voedsel. In gevangenschap eten de zwanen watervogelkorrels die overal in de handel verkrijgbaar zijn. Er zijn verschillende soorten afhankelijk van het jaargetijde. Naast die korrels eten ze ook brood, groenvoer en gras. Als ze veel gras eten komt het wel eens voor dat het gras zich onder de tong ophoopt. Dit is goed waar te nemen aan een bult onder de kin. Dit kan erge vormen aannemen en moet spoedig verholpen worden. In de winterperiode kan men de behoefte aan groenvoer oplossen door het geven van afval van witloofbladeren. Het is ideaal voer voor zwanen, ze lusten het ook zeer graag. Groenvoer geven is een must, zo blijven de dieren in een goede conditie. Fokken Om met zwanen te fokken is het allereerst belangrijk dat men weet dat het koppel bestaat uit 1 man en 1 vrouw. Het zou niet de eerste keer zijn dat het tegendeel voorkomt. Ga niet alleen af op de grootte en leeftijd, maar doe ook een geslachtsonderzoek (sexen). Alle zwanensoorten zijn pas op 3 jaar geslachtsrijp, vroeger moet men niet op broedresultaten rekenen. Elke zwanensoort heeft zo zijn persoonlijke eigenschappen en broedgewoonten. Zwarte zwanen hebben het merkwaardige gedrag dat ze 2 maal per jaar broeden, nl. in het voorjaar en in het najaar. Deze soort komt oorspronkelijk uit Australië en Tasmanië. Als het daar zomer is, dan is het bij ons winter. De broedperiode hebben ze bij ons niet aangepast. Dit verschijnsel komt meer voor bij vogels uit Australië. De Hoendergans of Ceriopsisgans (januari) vertoont ook dit broedgedrag. Als enige zwanenfamilie broedt bij de Zwarte zwanen het vrouwtje ’s nachts en het mannetje overdag. Ook het grootbrengen van de kuikens doen ze samen, maar dit geldt ook voor de andere soorten. Het nest maken de zwanen zelf, maar ze moeten wel kunnen beschikken over takjes, riet, Pluim & Pels 5


stro en of gedroogde waterplanten. Dit nestmateriaal moet je wel met mate geven, want ze blijven maar hoger en hoger bouwen. Als het nest klaar is dan wordt spoedig het eerste ei gelegd. Dit wordt steeds om de andere dag herhaald totdat het legsel compleet is. Bij de Zwarte zwaan wordt vanaf het eerste ei het legsel warm gehouden zodat de eieren niet kunnen bevriezen. Ze worden echter nog niet bebroed, anders zouden de kuikens ongelijktijdig uitkomen. Zwanen zijn zeer moedig om hun nest te verdedigen. Wanneer ze zitten te broeden en je komt er te dicht bij, dan komen ze ogenblikkelijk op je af. Ik kan je aanraden om bij broedende zwanen weg te blijven en ze met rust te laten. Dit kan alleen maar de broedcyclus ten goede komen. De leeftijd die zwanen kunnen bereiken ligt tussen de 20 en 30 jaar. Een zwanenpaar blijft in principe elkaar het hele leven trouw, dit in tegenstelling tot eenden. De zwanenfokkerij was in vroegere jaren meer verbreid. Tegenwoordig zijn er nog maar enkelen die zich hiermee bezig houden. Deze zwanenhouders zetten geleewiekte fokparen uit in de polders om in augustus de jongen, eventueel met de ouders te vangen. Deze jongen worden dan geleewiekt, gemerkt en verhandeld. De grondeigenaren die de fokparen ongestoord lieten broeden krijgen een kleine vergoeding per groot geworden kuiken. Ze worden in augustus gevangen omdat de jongen dan net nog niet kunnen vliegen. Ze worden met behulp van een lange stok met een haak aan gevangen genomen. Die haak wordt om de nek of hals gedaan. Iedere zwanenhouder heeft zijn eigen merkteken, dit wordt meestal op de snavel of poten aangebracht. Veel vroeger werden de zwanen voorzien van een halsring met een merkteken. Maar dat hinderde ze bij het eten en zo nu en dan bleef er eentje ergens haperen aan die ring. Zat die hansring te strak dan konden ze verhongeren. Het is maar goed dat die manier van ringen tot het verleden behoort. De eikleur is van crème tot lichtgroen, afhankelijk van de soort. Voor onze tentoonstellingen heeft de zwaan niet zo een grote betekenis. Sporadisch zien we ze een keer op zeer grote shows of kleine clubshows. In het wild komt hier hoofdzakelijk de Knobbelzwaan voor, terwijl in de wintermaanden je ook de Wilde- en de Kleine Wilde Zwaan als trekkers kan aantreffen. Soorten Knobbelzwaan (Cygnus Olor), Wilde Zwaan (Cygnus C.C.), Kleine Wilde Zwaan (Cygnus Columbianus Bewicki), Oostelijke Kleine Zwaan (Cygnus Columbianus Jankowskii), Fluitzwaan (Cygnus Columbianus C.), Trompetzwaan (Cygnus C. Buccinator), Coscorobazwaan (Coscoroba C.), Zwarthalszwaan (Cygnus Melanocoryphus) en de Zwarte zwaan (Cygnus Atratus). In onze hobbycollecties zien we het meest de Zwarte zwaan, waarschijnlijk is de andere veerkleur en het eigenaardige broedgedrag de oorzaak. Samenvattend Zwanen zijn sierlijke vogels met een geheel eigen karakter, dit afgezet tegen eenden- en andere ganzensoorten die bij onze liefhebbers worden aangetroffen. Voor kleinbehuisden beslist niet aan te bevelen. Zwanen zijn minder geschikt te houden tezamen met eenden of ganzen op hetzelfde terrein. Een eigen terrein per soort is aan te bevelen. Vooral in de paar- en broedtijd en als er jongen zijn zullen ze de rust bij andere soorten verstoren. Bovenal is ruimte dus een noodzaak om optimaal van deze dieren te kunnen genieten. Zwanen leven als regel monogaam en als er een partner sterft treurt de andere lang of kwijnt soms weg. Zwanen kunnen zeer oud worden en als de paren al lang met elkaar optrekken is het toevoegen van een nieuwe partner niet altijd een oplossing. Maar ook hier zullen uitzonderingen de regel bevestigen. Hendrik Deboer Pluim & Pels 6


Topfokker Marc Vandewalle en de drie jeugdige dierenmusketiers Sportfokkers zijn van nature soms klagers. Het wordt allemaal minder omdat er geen jonge mensen bijkomen en er is de onverdraagzaamheid. Veel mensen willen hoe dan ook ergens ‘tegen’ zijn, want pas dan is hun dag geslaagd. De ‘tegenmens’ is een hedendaagse creatie en blijkt moeilijk te stoppen. Soms is het wel wat moeilijk, maar moeilijk kan soms beter zijn. Waarom dingen gemakkelijk maken als het moeilijk ook kan? Maar laat ons nu ook eens een ander brilletje passen. We zien op heden veel jonge mensen die met dieren bezig zijn. Op computerforums, internet, twitter en andere infokanalen treffen we vooral jonge mensen aan. Maar ook op tentoonstellingen is er meer en meer bezoek Het ouderlijk boerderijtje waar de dieren gehuisvest zijn. van jongeren. Na wat deskundige uitleg willen ze soms ook ‘mooie dieren’ houden. En een klein percentage wordt uiteindelijk zelfs exposant op onze shows. De jongeren mogen wel niet vergeten dat men wel geen dieren fokt via de computer en andere elektronische speeltjes. Een nieuwe lente, een nieuw geluid of zoiets, maar jammer genoeg niet overal. Maar de mix van oudere en jonge mensen is het summum van de deeg voor het verder reilen en zeilen van onze hobby. Om deze reden gingen we op bezoek bij enkele superieure maar minzame fokkers die deze gedachte hoog in hun vaandel dragen. Hun doordachte concepten die tijdloze klasse combineren met een eigentijds vernuft scoren hoge toppen. Hun fokmethode is als een goed geoliede machine die zelden sputtert en over heel Europa respect afdwingt. No sweat, no glory luidt de nieuwe leuze van de hedendaagse jonge dierenmusketiers. Juli 2011, na enkele weken van prachtig warm weer treffen we het niet, want juist op onze bezoekdag is het een rotdag, regen en wind zijn ons lot. Het regent er waarlijk stokoude wijven! We gaan op bezoek bij een dubbele drievuldigheid wat staat voor een unicum in onze liefhebberij. We nemen de oudere garde en de nieuwe jonge generatie van sportfokkers en vrienden eens tegen het licht. De Vandewalle-dynastie en de hedendaagse versie van de legendarische extremistische Drie Musketiers. Marc Vandewalle beroepsmatig onderwijzer met een hoge aaibaarheidsfactor en notoir dierenfokker, woont in de Oostvlaamse gemeente Aalter in België. Het is de streek van gastronomische hoogstandjes en pittoreske dorpjes en pleintjes. Zijn dierenbestand is gehuisvest in de zeer landelijke lyrische ouderlijke hoeve op enkele kilometers van zijn woonplaats. Het is er zeer rustig, droog en stil langs het kanaal die Brugge met Gent verbindt. Het gehucht wordt er de ‘Sahara’ genoemd omdat de aldaar gelegen zuivelfabriek van Campina er al het grondwater oppompt voor zijn noodzakelijke werkzaamheden. Dat heeft enkele voordelen voor zijn dierenbestand, want daardoor is de grond er nooit zompig en blijven de vossen er voorlopig weg wegens de natuurlijke grens met het kanaal en de enorme verlichting die de fabriek s’ nachts laat uitschijnen. De onmiddellijke omgeving van de fabriek is er verlicht en dat zou de vos wel eens kunnen afschrikken. Op het 6000 m² groot terrein treffen we een echt onvervalst dierenpark en BMX-piste aan. Alle hokken en volières zijn zeer vakkundig, duurzaam en doordacht gebouwd en getuigen van dierendeskundigheid en veel ervaring en visie. Het is er zo netjes dat het lijkt alsof er een leger werkmieren aan de slag is geweest, maar niets is minder waar. Langsheen een uitgestippeld pad treffen we tal van eenden, ganzen, kippen, oorspronkelijke duiven, sierduiven en sportduiven aan. Elke uitloop is voorzien van een beschrijving van het ras dat er gehuisvest is. Ik zag er de Parelhalsbandtortel, Lachduif, Guineaduif, Senegaltortel, Oosterse tortel en Diamantduif. Maar ook de Kanarie, Parkiet, Zebravink, Lady Amhurstfazant, Gele goudfazant, Goudfazant en Koningsfazant. In de zeer ruime buitenrennen verblijven de Hoendergans, Blauwvleugelgans, Hawaigans, Andesgans, Manengans, Roodhalsgans, Rotgans, Alaska-

Pluim & Pels 7


Topfokkers Marc en Maarten Vandewalle

Yokohama hennen met superlange staarten

Pluim & Pels 8


gans, Goudooggans, Rossgans, Streepkopgans, Rode Casarca, Australische Casarca, Paradijscasarca, Grijskopcasarca, Bergeend, Carolinaeend, Mandarijneend, Gele boomeend en Europese smient. Zoon Maarten fokt in een afzonderlijke ruimte de Yokohamakriel, Chinese dwergkwartel, Mandarijneend in de kleurslagen wit, blond en zwart, Carolinaeend in wit en blond, Japanse kwartel, Bronsvleugelduif, Neurenberger zwaluw en Rex dwergkonijn in dalmatiner. Marc is ondertussen al zo een 45 jaar bezig met de kleindierhobby. Het begon allemaal door zijn vader Henri die destijds handelaar was in veevoeders. Thuis waren er altijd al kippen, konijnen en varkens geweest en zo was hij al vroeg vertrouwd geraakt met het kweken en later ook met tentoonstellingen. Zijn eerste dieren die hij fokte waren Russische brandneuzen (konijnen) en op zijn 15de jaar nam hij deel aan zijn eerste tentoonstelling. Later kwamen er Javakrielen, Alaska’s, Oosterse rollers, Vlaanderse smierels en Parelhoenders. Toen hij nog op de schoolbanken zat ging zijn vader de dieren voor een show inkooien zodat hij toch kon deelnemen. Zijn vader was ook een gekende sportduivenmelker en tevens 51 voorzitter van de plaatselijke duivenbond. Marc werd dan ook in deze tak van liefhebberij al spoedig ingewijd. Sinds zijn 25ste jaar is hij met veel succes fokker en exposant van of met Yokohama’s. Regionale, provinciale, nationale en Europese titels zijn het resultaat. Hij is op vele buitenlandse tentoonstellingen echt een meer dan waardige vertegenwoordiger van de Belgische kleindierfokkerij. Op heden nam hij al viermaal deel aan een Europashow en behaalde er telkens zeer mooie resultaten. In de Europashow (Gent 1989) werd zijn Yokohama algemeen kampioen bij de hoenders aangeduid door de hoofdjury met o.a. Coen Aalbers. Daar viel ook een EE plaquette hem te beurt. In Zuidlaren (1992) werd hij kampioen bij de Yokohama’s met 97. In Praag (2004) was er een Yokohamahen met 97 en de EE plaquette. Nitra (2009) een Yokahamahaan met 96 maar er waren te weinig dieren voor de titel van Europees kampioen. Eén van de fokhanen die bepalend was voor de opbouw van zijn prachtige Yokohama’s was een dier dat hij een kwarteeuw geleden aankocht bij een zekere heer Vandersteen uit Heerlen in Nederland. Maar ook met het siergevogelte, watervogels en de oorspronkelijke duiven worden allerlei titels en EE plaquettes verworven door vader Marc en zoon Maarten. Maar de Yokohama’s zijn toch zijn oogappels en door de jarenlange inteelt en selectie heeft hij een stam ontwikkeld die naast een forse bouw en veeraftekening ook uitzonderlijke lange staarten hebben. Zijn hanen komen tot staartlengten van 1,5 tot 2 m een gegeven dat men weinig of nooit ziet op onze shows. Hij heeft er de eigenschap van niet jaarlijks staartruien ingefokt wat een absolute meerwaarde betekent voor de staartpartij. De staartlengte komt er omdat enkele sikkels blijven doorgroeien en slechts na enkele jaren uitvallen. Omdat andere sikkels niet in hetzelfde jaar ruien bekomt men steeds een min of meer complete staartpartij. Hoewel Yokohama’s geen staartlengte behoeven zoals de Onaga-dori (superlangstaart) en de Phoenix is de staartlengte wel een blikvanger. Ook bij zijn hennen zijn er exemplaren waarvan de staarten onwezenlijk lang (hanenstaart) zijn en eigenlijk niet standaardmatig zijn. Maar ze hebben de genetische eigenschap om de lange staarten bij de hanen te bewerkstelligen. Om dergelijke staartpartijen te bewerkstelligen en te behouden moeten de hanen wel afzonderlijk gehuisvest worden in een ruim binnenhok met aangepaste zitstok. Deze moet voldoende hoog geplaatst zijn zodat de staart niet op de grond hangt. Muizen durven anders de eindpunten wel eens afknabbelen. Een Yokohamahaan is op zijn best voor een tentoonstelling vanaf zijn derde levensjaar. Maar ook het type, bouw, kleur, kam, ogen en de rest moeten in orde zijn. Drie jaar een haan aanhouden om er één of tweemaal mee te exposeren getuigt van een eindelood geduld maar ook van veel vertrouwen in de eigen fokmethode. Het is een hele prestatie

Zwarte Mandarijneenden?

Pluim & Pels 9


Bij ieder ras of soort is er veel info aangebracht

Yokohama tentoonstellingshaan

Pluim & Pels 10


en zeker geen gelukstreffer om een prima dier in de tentoonstellingskooi te brengen! Alle broedeieren (3 broedronden) gaan naar een professionele broeierij. Per seizoen fokt Marc een zeventigtal jonge dieren, waarvan er een vijftal hanen aangehouden worden als reservehanen voor de latere fokkerij of tentoonstellingen. De beteren worden verkocht aan sportfokkers en de rest gaat naar de slachter. Vele van zijn dieren vonden door de jaren heen de weg naar andere Europese landen, maar jammer genoeg ziet hij op grote shows nooit nog dieren van zijn fokstam terug. Waar zijn die mooie dieren gebleven? Van zijn fokhanen knipt hij de staart af, want de lange sleepstaart is dan eerder een hinder en de hennen trappen er altijd op. Fokken met een jonge haan zou misschien een betere bevruchting opleveren, maar men heeft minder kans dat de jonge dieren ook die lange staart zullen hebben. De oudere hanen met die lange sikkels hebben in ieder geval al bewezen dat ze die eigenschap in zich hadden. Eens het fokseizoen is afgelopen mogen de fokhennen naar een grote groene buitenruimte om te verpozen en te ruien. De hanen blijven ook in die periode in de droge binnenhokken. Marc trof op een morgen eens een haan aan die zijn staart verloren Yokohama tentoonstellingshaan was! In het midden van het hok stond een ronde paal die de zitstok ondersteunde. Het diertje had enkele rondjes gedraaid rond de paal en zo zijn staart zelf opgerold zoals een elektriciteitskabel. Op het einde zat de staart vast en door het zich willen losmaken was zijn staart uitgerukt. Moraal van het verhaal: ronde gladde palen in een binnenruimte zijn er alleen voor de paaldanseressen! De Yokohama is wel geen ras voor beginnende liefhebbers en wie niet over een eindeloos geduld beschikt en geen aangepaste ruime droge hokken beschikt moet er niet aan beginnen. Het is meer dan ooit een ras voor echte specialisten. Marc is tevens ook al bijna 20 jaar bestuurslid van de vereniging ‘Het Neerhof Gent’ waar hij ook daar een soort voedstervader en mentor is en was voor de nieuwe fokkers. Dat Maarten Vandewalle (16 jaar, D’Artagnan) na zijn grootvader en vader ook in de hobby zou belanden stond al in de sterren geschreven. Op het familieboerderijtje kan en kon hij zich op allerlei manieren uitleven. Hij kweekt er zijn eigen dieren maar ook groenten en fruit en heeft er een race-parcours voor een gocart of BMX-fiets. Zijn Neurenberger zwaluwen waarmee hij sinds 2003 telkens nationaal kampioen werd is opgebouwd met dieren van de befaamde Nederlandse topfokker Piet Gol. Zijn Yokohamakrielen (schenking) komen uit de stam van de inmiddels gestopte Belgische fokker Luc Puissant. In de jeugdafdeling van de Europashow in Nitra bekwam hij met een haantje een 97 en won met dit dier tevens een EE plaquette. En op de Belgische nationale wedstrijden te Bastenaken bekwam hij met een Yokohamakriel de titel van Beste dwerghoen buitenlands ras. Daarnaast neemt hij ook met succes deel aan wedstrijdvluchten met zijn witte reisduiven. Onlangs vloog zijn ene ingekorfde duif op een vlucht vanuit Barcelona goed in de prijzen. Zo nu en dan worden de witte duiven ook gebruikt om huwelijken op te fleuren bij het verlaten van de kerk. Met die toegestopte centen kan hij dan weer voer of andere dieren aanschaffen. Tijdens de reguliere schoolperiode verblijft hij op internaat en neemt hij op de maandag soms duiven mee naar school. Die verblijven daar op een duivenhok van de school en hij verstuurt dan in de loop van de week berichtjes naar huis via een briefje aan de voetring. Dat zoals in de tijd van vroegere oorlogen en belegeringen. Hij wenst in de huidige supermoderne tijd voorlopig nog steeds geen gsm te gebruiken! Via het duivenhok van de school heeft hij al enkele jongeren warm gemaakt voor de liefhebberij en die jeugdige mensen houden nu ook al duiven en of kippen. In zijn dorp Aalter heeft hij samen met zijn vader ook al enkele leeftijdsgenoten kunnen overhalen om kleinveedieren te gaan fokken en er ook mee te exposeren. Voorwaarde was om zijn vrienden te laten starten met topmateriaal en ze te ondersteunen met raad en daad. Dat lijkt nu na een viertal jaar al aardig te zijn gelukt, want de vrienden behalen soms al betere resultaten dan hun leermeesters. Milan Van Landuyt (16 jaar, Aramis) behaalde met een Yokohamakriel zelfs al een Nationale titel en fokt ook oorspronkelijke duivenrassen en zwarte Phoenixkrielen. Nathan Sagaert (16 jaar, Portos) is dan weer een meer dan verdienstelijk fokker van Mechelse hoenders. De drie musketiers hebben ambitie in de sportfokkerij en gunnen elkaar het genoegen van het beleven van de hobby en het daarmee soms verwerven van exposeersucces. Ze ontberen natuurlijk nog wat ervaring en ‘metier’ maar dat komt wel de komende jaren. Voor de verzorging, samenstellen van de foktomen, opfok van de kuikens, wassen van de dieren voor een show, inschrijven voor een tentoonstelling, kuisen van de hokken, enz. zijn ze zelf verantwoordelijk. Maar hun interesse gaat nog veel verder, want ze denken ook aan organiseren en promotie maken. Onlangs werd onder de auspiciën van het Vlaams Interprovinciaal Verbond van Fokkers van Neerhofdieren (België) een eerste jeugdfokkersdag en dito jeugdvergadering georganiseerd. Alle gekende fokkers (fokkerskaart) tussen 13 en Pluim & Pels 11


De drie jonge musketiers Maarten, Milan, Nathan alias D’Artagnan, Aramis en Portos

21 jaar kregen een persoonlijke uitnodiging tot deelname. De voormiddag stond in het teken van elkaar beter leren kennen en hun jeugdwensen in verband met onze hobby. Er werd zelfs een jeugdbestuur gekozen. U mag tweemaal raden wie de motors van dit gegeven waren (musketiers) en twee ervan werden dan ook verkozen in het jeugdbestuur. Men moet het als tiener maar doen om met je dieren in een doos de trein op te stappen naar de andere kant van het land, om er aan een jeugdfokkersdag deel te nemen. Er is ook nog de studie, vakantie, afstand te groot, geen vervoer, toelating ouders enz. die hinderpalen kunnen zijn. Maar onze musketiers zijn geen mietjes en dus bijten ze door ondanks de soms claustrofobische paden die ze moeten bewandelen. Ze houden voorlopig het hoofd en hun voeten wel koel. Enfin, ’t kan vriezen of ’t kan dooien of in de plooi vallen, maar door hun jeugd zijn het nog geen verloren jaren. Misschien kunnen wij ouderen nu eens en voor altijd stoppen met klagen en zagen over de desinteresse van onze jeugd tegenover onze hobby. Misschien komt er licht op het einde van de fokkerstunnel! Volgens de legende en overlevering waren de vroegere musketiers rechtschapen, eerlijke, sportieve en goedlachse mensen. Met onze hedendaagse jeugdige musketiers gaat het in ieder geval de goede weg op. Zonder obsceen gedrag en andere supermoderne hedendaagse hoogstandjes en opwindende rock en roll kan het blijkbaar ook. Hoop doet veel meer dan gewoon maar leven en verschaft veel meer noten op uw zang. En ik ontken in alle toonaarden dat er zoiets als tentoonstellingsgroupies bestaan! Marc begint nu aan zijn laatste jaar als dorpsonderwijzer en is van plan om daarna permanent te gaan wonen op het ouderlijk boerderijtje. Vader Henri (84 jaar) heeft ondanks zijn prima gezondheid er nu voor gekozen om te gaan wonen in het plaatselijk rusthuis. Daar ziet hij meer vrienden en kennissen en is het voor oudere mensen aangenamer vertoeven. Maar hij zal bij goed weer nog veel aanwezig zijn op het boerderijtje om het reilen en zeilen van de fokkerij van zijn zoon en kleinzoon en de jeugdige broederlijke musketiers op te volgen. Wijn wordt doorgaans beter als hij ouder wordt! De hobby als cement voor de vluchtige samenleving? Maar de Vandewalle generaties beseffen wel dat een zeekoe uiteindelijk niet kan concurreren met een gazelle! We danken Marc en de jeugdige musketiers voor de opmerkelijke gastvrije ontvangst en de meer dan vakkundige uitleg. Toen we huiswaarts reden bleef ons respect voor hen nog torenhoog groeien. Tekst en foto’s Wilfried Lombary Pluim & Pels 12


Beter een kweekdier minder, dan een minder kweekdier (deel 2) Als er over één ding grote vooroordelen en misvattingen bestaan, dan is het wellicht over inteelt. Ik weet dat er binnen de vogelwereld al een zeker percentage van de liefhebbers huiverachtig tegenover staat of een afkeer heeft van inteelt, maar in de pluimveewereld lijkt het haast wel een ziekte. En dan spreek ik niet over de eventuele gevolgen van inteelt, maar wel over de perceptie erover. Als men kippen bij u komt kopen, mag u zich zeker aan de vraag verwachten ‘ze zijn toch onverwant eh?’. Feit is dat u zonder enige vorm van inteelt er nooit zal in slagen om eigenschappen binnen uw stam te verstevigen, laat staan te verbeteren. Met inteelt bedoelen we voor alle duidelijkheid het aan elkaar paren van verwante dieren, dit kan enerzijds zeer nauw of minder nauw gebeuren en anderzijds willekeurig of volgens een bepaald stramien (lijnteelt). Waar je bij het aan elkaar paren van onverwante dieren eigenlijk een spelletje ‘genetische roulette’ speelt – en je dus geen zekerheid hebt over de kwaliteit van het nageslacht –, is het middels inteelt mogelijk om tot op zekere hoogte bijna voorspelbaar dieren met de gewenste eigenschappen te kweken. Het doel van inteelt is met andere woorden bepaalde eigenschappen fokzuiver te krijgen. Zo verkrijgt u nakomelingen die zowel uiterlijk (fenotypisch) als erfelijk (genotypisch) veel gelijkenis vertonen. Eigenschappen fokzuiver trachten te verankeren in je stam is in feite niet meer dan een manier om aan stamverbetering te doen. Een klassiek voorbeeld van stamverbetering door inteelt is het experiment dat werd uitgevoerd aan het Wistar Institute in Philadelphia (V.S.A.). Bij dat experiment werden verwante albino ratten aan elkaar gepaard. Generaties lang werden broer x zus paringen uitgevoerd. Telkens werden de krachtigste exemplaren geselecteerd voor verdere kweek. Na twintig generaties van deze tamelijk nauw verwante paringen waren de ratten opmerkelijk forser, was het aantal jongen per worp vergroot en zelfs de levensduur verlengd. Wanneer u in het bezit bent van een aantal goede dieren en u er een goede stam mee wil opbouwen – zeg maar deze positieve eigenschappen bewaren en verstevigen in uw stam – dan bent u haast verplicht om uitsluitend met uw eigen dieren verder te fokken en er geen andere (onverwante) in te gaan kruisen want dan weet u helemaal niet meer wat er aan nageslacht uit zal verder komen. Goed toegepaste inteelt is daarentegen pas mogelijk zodra u weet welke eigenschappen uw dieren genetisch met zich meedragen. Vandaar dat u voor de fok uw dieren van naadje tot draadje moet gaan analyseren. Dit analyseren dient verder te gaan dan de gewone kwalitatieve analyse die een keurmeester maakt op de show. U moet dus eveneens gaan analyseren wat er genetisch verankerd zit in de dieren en wat de afstamming ervan is. Een dier kan uiterlijk nog zo mooi wezen, maar in de fok kan hij meer slecht dan goed dan wanneer u niet met zekerheid weet of datgene wat hij uiterlijk toont (fenotype) ook genetisch met zich meedraagt (genotypisch). Wanneer u start met inteelt, bezit u vaak een hele resem verwante en minder verwante dieren. Wat ze genetisch met zich meedragen, weet u niet. Niemand heeft een glazen bol. Dus u zal diverse (start)paringen moeten opzetten en zien wat het nageslacht geeft, want dat geeft u al een zeker idee van wat de ouderdieren met zich meedroegen. Meestal zal het nageslacht een bonte bende worden. Sommigen goed, sommigen slecht en veel vis noch vlees. U bent dan wel met inteelt begonnen, maar met inteelt alleen verbeter je geen enkele stam. Inteelt is slechts de sleutel, maar zonder een sleutel om te draaien krijg je geen enkele deur open. Hier komt nu selectie in beeld. Het is uw taak om op dat moment de goede van de slechte dieren uit het nageslacht te onderscheiden. De slechte dieren worden uitgesloten voor de kweek en de goede paart u onderling aan elkaar. Door hun verwantschap zal u bepaalde eigenschappen fokzuiver kunnen gaan kweken. ’t Is echter zo dat u zowel de positieve als de negatieve eigenschappen fokzuiver zal gaan kweken door middel van inteelt. U zal denken ‘we gingen inteelt toch toepassen om de stam te verbeteren en nu horen we dat we indirect ook de fouten gaan zichtbaar kweken?’. Inderdaad, dat heeft u prima begrepen. Maar u moet weten dat u niets kan verbeteren zonder eerst de fouten te zoeken en daarna stap voor stap aan die fouten te gaan werken. Ergens is het dus ook een zegen dat we door inteelt fouten fokzuiver kunnen kweken, ook al mag het vreemd klinken. In plaats van dus generaties lang onzichtbare fouten verder door te kweken in uw stam - wat na verloop van tijd wel eens als een spreekwoordelijke bom zou kunnen inslaan op de stam waar uw bloed, zweet en tranen in zit – kunnen we die middels inteelt snel uiterlijk zichtbaar maken en ze middels selectie gaan weren uit onze stam. We hebben met andere woorden het probleem dat er vroeg of laat toch zat aan te komen in een vroeger stadium kunnen behandelen. We hebben er nu bij aanvang mee afgerekend en het zich niet jarenlang onbewust laten verspreiden en versterken binnen onze stam. Selectie is dus het medicijn dat de onvolmaaktheden uit uw stam moet weren (cfr. verdringingskruisen). Alles valt of staat met uw selectie en de strengheid ervan. Door telkens de (feno- en genotypisch) betere dieren te selecteren voor de fok zal u dus de positieve eigenschappen kunnen versterken of fokzuiver maken binnen uw stam en zo zal die variatie-

Pluim & Pels 13


breedte in eigenschappen ook steeds kleiner en kleiner gaan worden waardoor u het spreekwoordelijke genetische casino heeft verlaten en met een grote mate van zekerheid uitspraken kan gaan doen over de kwaliteiten van het te verwachten nageslacht. Maar er zal dus altijd een zekere variatiebreedte blijven in de kwaliteit van het nageslacht. Hoe groot of klein die variatiebreedte zal wezen, hangt af van de deskundigheid van de fokker. Heeft hij namelijk geen kijk op hoe hij moet koppelen (onder andere compenserend koppelen), dan zal het vaak afhangen van gelukstreffers. Zoals we gezien hebben kunnen we via inteelt zowel de positieve als ongewenste eigenschappen verankeren in een stam. Is een fokker dus niet in staat om de positieve eigenschappen in zijn dieren te herkennen of bezit hij niet de juiste kweekdieren om mee van start te gaan, dan moet hij nooit met inteelt beginnen. Er zijn veel voorbeelden van succes, maar net zoveel van mislukkingen. Krijgt u na verloop van tijd te maken met ongewenste factoren dan moet u zwaar selecteren of stoppen met inteelt en nieuw bloed inbrengen. Ik moet dus volledig wezen en stellen dat inteelt per definitie niet altijd kwaliteitsverbetering garandeert. Ongecontroleerd kan het zelfs leiden tot verval of degeneratie; verminderde vitaliteit, ziekten, verminderde vruchtbaarheid, slechtere kweekeigenschappen, etc. Ook dat zijn aspecten waarop u zal moeten selecteren. Alles staat of valt dus met uw eigen kennis, de kennis van uw dieren en uw stameigenschappen, de strengheid van uw selectie en uw kweekadministratie. Het is wellicht duidelijk geworden dat we inteelt en selectie niet los van elkaar kunnen zien. Selectie op zich is niet meer dan het analyseren van dieren en op basis daarvan dieren aanduiden voor de verkoop, voor tentoonstellingen en voor de fok. U kan dan wel de beste dieren aankopen of selecteren uit uw eigen dieren, maar daar kweekt u nog geen betere dieren mee. Dat kan pas wanneer u binnen stamverband begint te fokken. En inteelt toepassen om het toe te passen, helpt u ook geen meter vooruit in uw queeste naar perfecte dieren zonder een strenge selectie door te voeren. Inbreeding is the key, selection the guideline and perfection the goal! De balans van ‘vers bloed’ … Iedereen vraagt wel steeds naar onverwante dieren of overal zal je wel lezen dat je van tijd tot tijd aan bloedverversing moet doen, maar de inbreng van onverwante dieren is altijd risicovol. Je weet van elk aangekocht dier dan wel hoe ze er uiterlijk uitzien maar niet wat ze genetisch meedragen en zullen doorgeven aan het nageslacht. Of ze nu 96 of 97 punten hebben gespeeld, dat geeft je niet meer zekerheid. Daarom spreekt men bij de inbreng van vers bloed ook vaak van toevalsparingen. U heeft geen enkele zekerheid over de kwaliteit van het nageslacht en bent de dienaar van dame Fortuna. Vergeet niet dat u door de inbreng van vreemd bloed 50% vreemd bloed binnenbrengt, dat zowel goede als slechte eigenschappen kan bezitten. Wees dus niet te snel met het inkruisen van onverwante dieren, want je kan er in een oogopslag het selectiewerk van jaren mee teniet doen. In dat opzicht is het misschien niet slecht om alle goede dieren die u mocht verkopen niet ver weg naar het buitenland te sturen, maar ze kort bij u in de buurt te houden, zij het zelfs door er aan uw rechtstreekse concurrent(en) te bezorgen. U kan die bloedlijn namelijk gauw opnieuw nodig hebben en doordat uw collega er zijn eigen lijn deels heeft in gefokt, kan u op deze manier wel aan vers bloed geraken, maar anderzijds toch ook aan enigszins verwant bloed. Dat zal de variatiebreedte bij uw jongen aanzienlijk kleiner houden dan bij het inkruisen van een totaal onverwant dier. Een andere methode is natuurlijk zelf meerdere foklijnen te houden en wanneer u denkt dat het tijd wordt voor nieuw bloed één of enkele dieren uit een bepaalde lijn in te kruisen in een andere foklijn. Zo werkt u dan wel nog steeds binnen eenzelfde genenpoel, maar de verschillen tussen de diverse lijnen kunnen soms zeer uitgesproken wezen. Trouwens met het heterosis-effect in het achterhoofd kan een kruising van zulke verschillende inteeltlijnen wel eens heel positief uitpakken. Voor mij is het inkruisen van een totaal onverwant dier honderd keer gevaarlijker dan een paring van broer maal zus. Bij het inbrengen van dat vers bloed worden namelijk de stameigenschappen waarop ik zo lang heb geselecteerd weer heus door elkaar gehaald. Daardoor zal ook weer de variatiebreedte toenemen en dan ben je weeral vertrokken voor jaren selectie. De jongen zullen veelal een ‘nieuw’ ras worden en minder ‘mijn’ ras. Of ze goed worden, wordt afwachten want door die toegenomen variatiebreedte kan er echt wel weer van alles uit komen: zowel goede als slechte. Met inteelt beperkt u die variatiebreedte, versterkt u de positieve eigenschappen en zal u dus op termijn – maar verlies hierbij zeker niet het belang van een strenge selectie uit het oog – betere en ‘méér betere’ dieren kweken. Dat heeft alles te maken met het zo klein mogelijk houden van die variatiebreedte. Is 1 + 1 altijd = 2? Erfelijkheid, we kennen het allemaal, toch? Een kind heeft 50% van de eigenschappen van zijn vader en 50% van zijn moeder. Of anders gesteld: ze hebben 25% van elke grootouder of zelfs nog een generatie verder: 12,5% van elke overgrootouder. Dat is wat de meeste boeken schrijven en wat bij de meeste mensen ook haast traditionele kennis is. Een begrip als crossing-over (recombinatie) is echter veel minder bekend en is er niet zelden voor verantwoordelijk dat een dier genetisch wat anders met zich meedraagt dan wat we uit de opgezette paring traditioneel verwacht hadden. Als u daarnaast dacht dat broers en/of zussen steeds genetisch verwant waren, dan zal het nu wellicht als een koude douche aankomen als ik u vertel dat heel wat zussen en/of broers genetisch gezien 0% met elkaar verwant kunnen zijn. Hoe kan zoiets? Wel laat ons beginnen met even kort de basis uit te leggen van de erfelijkheid. Pluim & Pels 14


Een mens heeft in iedere cel van zijn lichaam 46 chromosomen die in homologe paren voorkomen. Homoloog wil zeggen dat het betreffende paar eenzelfde opbouw heeft wat betreft de genenstructuur of met andere woorden gezegd steeds hetzelfde gen heeft op dezelfde (overeenkomstige) plaats. Dat wil echter niet impliceren dat die beide chromosomen daarom volledig identiek zijn. Dat heeft ermee te maken dat de genetische informatie in ieder gen van zulk een genenpaar verschillend kan wezen (vaak met de term allelen aangeduid). Bijvoorbeeld voor het gen oogkleur zijn er diverse allelen mogelijk: groen, blauw, grijs, bruin, etc. Het kan dus zijn dat op ieder chromosoom van een bepaald paar de kleur groen ligt – wat zich uit in groene ogen –, maar anderzijds kan het ook wezen dat één gen de kleur blauw draagt en het tweede gen de kleur groen. Wat dan de uiteindelijke oogkleur wordt hangt er vanaf of groen dominant is over blauw of omgekeerd. Een mens heeft dus 46 chromosomen die zijn te herleiden tot 23 paar (22 paar autosomen en 1 paar geslachtschromosomen); van ieder paar is één chromosoom afkomstig van de vader en één van de moeder. Een kip heeft daarentegen 78 chromosomen of 39 paar chromosomen. Bij de creatie van de gameten (zaad- en/of eicellen) treedt een verdubbeling op van ieder afzonderlijk chromosoom dat daarna zal bestaan uit twee identieke chromatiden. Vervolgens vinden twee reductiedelingen plaats waarbij allereerst de homologe chromosomenparen worden uiteen gehaald en nadien ieder chromosoom – bestaande uit twee identieke chromatiden – uit elkaar wordt gehaald. Zo ontstaan gameten met 39 chromosomen. Wanneer een eicel van de hen nu uiteindelijk versmelt met een zaadcel van de haan ontstaat een nieuw leven met opnieuw 78 chromosomen; 39 daarvan te danken aan de haan en 39 aan de hen. Dit is de normale gang van zaken. Het is hier ongetwijfeld al duidelijk dat je met 39 paren die telkens verschillende genetische informatie kunnen bezitten er oneindig veel combinaties aan gameten mogelijk zijn. Vandaar hier ook weer het belang van inteelt. Des te meer kenmerken u fokzuiver kan fokken, des te minder verschillen er in de gameten kunnen wezen en des te kleiner de variatiebreedte in de kwaliteit van het nageslacht zal wezen. Zoals gezegd, dat was de normale gang van zaken. Nu is het heel vaak het geval dat er vóór de vorming van die gameten crossing-overs optreden binnen de cellen die nadien die gameten zullen gaan vormen. Bij een crossing-over komt het er in feite op neer dat de chromatiden van twee homologe chromosomen soms zo kort bij elkaar kunnen liggen dat ze in elkaar kunnen gaan haken. Heel vaak breken dan van beide chromosomen stukken af die weer op een andere manier aaneengroeien. Zo kunnen voorheen onafhankelijke verervende eigenschappen aan elkaar gekoppeld raken – men spreekt daarom ook vaak van gekoppelde factoren wanneer factoren op eenzelfde chromosoom liggen. Moesten de chromatiden alle vier identiek zijn, dan had een crossing-over geen consequenties. Maar dat is dus niet het geval. De twee chromatiden van een chromosoom zijn dan wel volledig identiek aan elkaar (door de verdubbeling die plaatsgrijpt aan het begin van de meiose), maar zoals eerder gezegd zijn de chromosomen van een homoloog chromosomenpaar per definitie niet hetzelfde: één chromosoom erfde het individu namelijk van z’n vader en het tweede van zijn moeder. De chromatiden van chromosoom I zijn daardoor steeds verschillend van de chromatiden van chromosoom II. Indien deze verschillende chromatiden elkaar dus gaan overlappen, vervolgens gaan afbreken op bepaalde plaatsen en nadien weer anders gaan aaneengroeien, dan heeft dit soms verstrekkende gevolgen voor het nageslacht. In het voorbeeld hierlangs zien we heel duidelijk hoe er aan het einde van de rit vier totaal andere gameten zijn gevormd dan wat traditioneel het geval moest wezen. Laat ons dus even het voorbeeld eens van naderbij bekijken. We zullen hier voor de gemakkelijkheid stellen dat het om een chromosomenpaar van een goudpatrijs haan gaat. We stellen – na de verdubbelingsfase van chromosoom I en II – vier chromatiden vast: 1, 2, 3 en 4. Chromatide 1 en 2 behoren tot chromosoom I (afkomstig van de gouden haans vader) en chromatide 3 en 4 tot chromosoom II (afkomstig van de gouden haans moeder). Normaliter gaf dit 4 gameten: chromatide 1 (van de vader van de goudpatrijs haan), chromatide 2 (van de vader van de goudpatrijs haan, identiek aan 1), chromatide 3 (van de moeder van de goudpatrijs haan) en chromatide 4 (van de moeder van de goudpatrijs haan, identiek aan 3). Een nakomeling van deze goudpatrijs haan kreeg dus – langs vaders kant – ofwel de genen van zijn grootvader (1 of 2, maar beiden zijn identiek) door ofwel van zijn grootmoeder (3 of 4, maar beiden zijn identiek). Maar zoals we duidelijk kunnen vaststellen op de prent heeft zich voor de vorming van de gameten een dubbele crossing-over voor gedaan. We krijgen hier uiteindelijk te maken met vier verschillende gameten die telkens én genen bevatten van de grootvader én van de grootmoeder. Dat was normalerwijze nooit het geval gewezen. We kunnen hier dus besluiten dat het nageslacht uiteindelijk genetisch wat anders met zich meedraagt dan wat we traditioneel verwacht hadden. Met crossing-overs zijn er dus tal van combinaties mogelijk en dat zorgt opnieuw voor een grotere variatiebreedte binnen uw stam. Goed toegepaste inteelt en een strenge selectie brengen ook hier weer op termijn soelaas. Ik sprak van 100% onverwante broers en zussen? Hoe kan dat nu? Wel laat ons voor de gemakkelijkheid één specifiek chromosomenpaar kiezen: paar 18 bijvoorbeeld. Bij de haan bestaat zijn chromosomenpaar 18 uit één chromosoom van zijn vader (A1) en één chromosoom van zijn moeder (A2). Bij de hen die we aan deze haan paren bestaat het chromosomenpaar 18 uit één chromosoom van haar vader (A3) en één chromosoom van haar moeder (A4). Het is snel duidelijk dat met deze 4 gameten vier verschillende combinaties mogelijk zijn: A1 + A4 A1 + A3 A2+ A4 A2+A3 Van iedere combinatie zijn er hennetjes en haantjes mogelijk. Laat ons bijvoorbeeld een jong haantje nemen met de Pluim & Pels 15


chromosomen A1 + A4 en een jong hennetje met de chromosomen A2+A3. Volledige onverwant dus voor dit betreffende kenmerk. Gebeurt dit nu eveneens voor alle andere 38 paar chromosomen, dan kunnen we op deze manier broers en/ of zussen fokken die 100% onverwant zijn. Dus de redenering van “die hen is de zus van mijn tophaan en vererft dus hetzelfde topbloed” is niet altijd correct. Inteelt versus lijnteelt … Wat kunnen we uit dit voorgaande nog meer leren? Wel dat de volksvertelling dat nauwe inteelt (broer x zus onder andere) gevaarlijker is dan lijnteelt onterecht is. Bij lijnteelt wordt er met een zekere systematiek aan inteelt gedaan. We kunnen daarbij twee lijnen onderscheiden: een matrokliene (moederlijn) en een patrokliene (vaderlijn). Ook een combinatie van beide is trouwens mogelijk. Wat is nu het concrete doel van lijnteelt? Dat is door het systematisch aan elkaar paren van stamvaders of stammoeders aan nakomelingen trachten het evenbeeld te kunnen kweken van de stamof stammoeders. Laat ons vertrekken van een echte tophaan die je ergens hebt kunnen kopen, maar je beschikt slechts over mindere hennen en vindt er nergens betere. Dan zal je dus met beiden aan de slag moeten gaan. De nakomelingen zullen 50% eigenschappen krijgen van de vader en 50% van de eigenschappen van de moeder. Daarna begint u met het opzetten van een patrokliene lijn met als achterliggende idee de kwaliteiten van deze tophaan zoveel mogelijk terug te krijgen in uw stam. U zal dus telkens met die tophaan verder fokken gepaard aan diens nakomelingen. De moeder was allesbehalve een goed dier, die gebruikt u dus niet meer in de fok. Ze paren aan haar zoon heeft ook geen zin. De beste dochter paart u dus aan de stamvader. De jongen daaruit zullen 75% van het genetisch materiaal van de stamvader bezitten. Uit die jongen houdt u het jaar nadien weer de beste hen aan. Die paart u opnieuw aan de stamvader, de jongen daaruit zullen reeds 87,5% van de eigenschappen van de vader bezitten. En zo werkt u telkens verder. De moeders laat u telkens het volgende kweekjaar aan de kant, want zij kunnen u namelijk niet meer verder helpen. Enkel met een nieuwe generatie nakomelingen kan u het gewenste percentage verhogen. Na een aantal generaties komt u zo uit op jongen die nagenoeg 100% van het genetisch materiaal van de stamvader bezitten. Dit was een voorbeeld van de patrokliene werkmethode. Vertrok u van een tophen en een mindere haan, dan zet u best een matrokliene lijn op, met andere woorden telkens de beste zoon aan de stammoeder paren. Voor de rest is de werking vergelijkbaar met de patrokliene werkmethode. Maar gezien dat oudere hennen moeilijk leggen en oude hanen nog steeds vruchtbaar blijven, verdient de patrokliene lijn de voorkeur. In een speciaal geval kunnen we zelfs een combinatie opzetten van een patrokliene en matrokliene lijn. Wanneer doet u dat? Vooral wanneer blijkt dat u uit een gewoon paar jongen kweekt die duidelijk beter zijn dan de ouders. We paren nadien dan de vader aan de beste dochter (paring 2) en de moeder aan de beste zoon (paring 3). De jongen hieruit zullen respectievelijk 75% bloed van de haan en 75% bloed van de hen bezitten. Door deze jongen onderling te paren (paring 4) krijgen we opnieuw jongen die net zo goed zijn als diegene die we uit ons minder startkoppel fokten (paring 1). Hadden we echter de lijn aangehouden en de stamvader gepaard aan een dochter uit paring 2 (zie paring 5) en de stammoeder gepaard aan een zoon uit paring 3 (zie paring 6) dan hadden de jongen daaruit respectievelijk 87,5% van het bloed van de haan en 87,5% bloed van de hen. Wanneer we deze jongen opnieuw onderling zouden kruisen, kweken we opnieuw die goede jongen zoals uit paring 1. Velen kiezen voor lijnenteelt en zijn pertinent tegen inteeltparingen zoals broer x zus. Met het voorgaande heb ik twee dingen willen aantonen. Enerzijds dat de verwantschap tussen een ouder en een nakomeling genetisch gezien minimaal 50% is en anderzijds dat de verwantschap tussen broer en zus genetisch gezien ergens tussen 0% en 100% ligt. Hieruit kunnen we besluiten dat het verhaal dat inteelt gevaarlijker is dan lijnteelt niet volledig correct is. Risico’s zijn zeker niet groter bij broer x zus paringen dan bij de zogenaamde lijnenteelt. Integendeel. Bij deze lijnteelt – die wel algemeen geaccepteerd wordt door de meeste liefhebbers – is de kans op het vastleggen van gebreken of negatieve factoren beduidend groter dan bij broer x zus. Dit omdat het heel toevallig is dat broer en zus 50% van dezelfde genen bezitten en zelfs bijna onmogelijk genetisch identiek zijn. Bij vader x dochter of moeder x zoon is de verwantschap minimaal 50%. Wanneer we een broer x zus paring opzetten dan bestaat soms de kans dat we een totaal onverwant paar opzetten, met andere woorden dat de genenpoel van de broer totaal verschillend is van die van zijn zus. Dus alles heeft zijn voordelen en nadelen. Toch nog gauw drie doordenkertjes: 1/ Bij lijnteelt kan de vader van een hen tegelijkertijd haar halfbroer wezen. Ja! 2/ Doet u aan lijnteelt dan zit u vaak met een paar (lees: 2-3) oude dieren op uw hok. Wie heden echter nog een hele resem oude dieren heeft – en niet bewust aan lijnteelt doet – die is slecht bezig. Als je na 3-4 jaar nog geen betere dieren hebt weten te kweken dan je startdieren, dan ben je met zekerheid compleet verkeerd aan het werk gegaan. 3/ Door in stamverband te fokken kan u het genotype en fenotype steeds meer op elkaar afstemmen. Wat u uiterlijk ziet, zit ook genetisch verankerd in de dieren. Van onzichtbare eigenschappen is er dus geen sprake meer. Door in stamverband te fokken heeft u nagenoeg al het onzichtbare als het ware zichtbaar (fokzuiver) kunnen maken. (deel nr. 3 in volgend nummer)

Sebastien Libens Pluim & Pels 16


Dwergkonijnen met Hollandertekening

Dit rammetje toont een beste kleur en stelling.

Pas in 1989 werd de Hollanderdwerg definitief erkend in Nederland. Het was een moeilijke en lange bevalling geweest. Op heden zijn er nog minder fokkers van het rasje dan in de beginjaren. Het is zeer moeilijk om de juiste tekening te verkrijgen en als je er één kunt fokken die aan de hoge eisen voldoet, dan heb je er ook wat aan. Maar de meeste fokkers hebben er niet voldoende geduld mee en fokken dan ook maar liefst een iets gemakkelijker kleurslag. De doorsnee nestgrootte is 4 jongen wat ook niet echt vooruit gaat. Bij het samenstellen van de fokstellen komen bouw en type op de eerste plaats. Als je enkel naar de tekening kijkt, ben je niet goed bezig. Het tekeningpatroon komt er net zo als bij een dominospel. Het is zeker niet te voorspellen, het is net als een winnend lot in een loterij verwerven. Eén van de grote problemen in de fok is het los laten zitten van de snorharen van de kopplaten. Maar ook een rechte onderhand en de juiste maat manchetjes (achtervoeten) is niet gemakkelijk. Diertjes met wat lange manchetjes hebben ‘het zadel’ (de band) dan meestal wat ver naar voren. Volle kopplaten vererven echter beter dan kleine. Het rasje is nog veel te weinig doorgefokt in vergelijking met de grote Hollanders.

Enkele standaardeisen. De kopplaten gelijk en rond zonder de snorharen te raken en niet doorlopend op het lichaam of de hals. De nek, als voortzetting van de kopplaten is gesloten. De bles dat is het scherpe aanvangspunt, begint ter hoogte van de oorwortel midden in het voorhoofd. De juiste vorm wordt bepaald door de vorm van de kopplaten. De lichaamstekening bestaat uit de zogenaamde bandtekening die de scheiding tussen het witte en het gekleurde deel van het lichaam en die band bevind zich ongeveer midden op het lichaam. Pas er vooral op dat die band niet te dicht bij de voorbenen komt. De manchetten vormen de tekening om de achtervoeten. De wens is dat de achtervoet voor de helft gekleurd is. De manchet mag niet te kort zijn, dat is het geval als één of meer tenen niet meer wit zijn, maar gedeeltelijk gekleurd. Ze zijn te lang als het wit verder loopt dan de achtervoet, met andere woorden als het tot in het hielgewricht loopt. Dit vlekje mag niet en de band kan ook rechter

Pluim & Pels 17


Men kan ze aantreffen in konijngrijs, blauwgrijs, zwart, bruin, blauw en madagascar. Als je dat allemaal leest is het zeker geen ras om een show mee te winnen. Als je die gedachte voor het oog houd kan je er maar beter meteen mee stoppen. Om fatsoenlijke diertjes voor de tentoonstelling te fokken moet alles wel heel mooi op zijn plek vallen. Heb je één of twee onderdelen perfect, dan is er op een ander punt weer een uitsluitingsfout. Het is een konijntje voor echte jarenlange volhouders die het woord ‘opgeven’ niet kennen. Het is wel een feit dat er voor tentoonstellingen een teruglopende belangstelling is voor het rasje. Er zijn wel voldoende fokkers van het rasje, maar men showt er veel minder mee. Voor konijnenhouders is het een zeer aantrekkelijk en mooi diertje, waar weinig plaats voor nodig is. Maar wie heeft op heden in de huidige maatschappij nog zoveel geduld? Voor de volhouders en idealisten nog heel veel succes gewenst met hun konijntjes. Kijk, dit zijn fraaie manchetten en ook de onderkant van de staart heeft de juiste kleur.

Evert Verbist

Fraaie zwarte Hollanderdwerg.

Pluim & Pels 18


Het kweekseizoen bij onze sierduiven Ondanks de huidige zeer koude dagen (-10째C) en weken beginnen onze duiven zich al te roeren door hun koeren en voorjaarsdrift. Het kweekseizoen is stilletjes aan begonnen voor de sierduiven. Sommigen hebben al jongen uitvliegen en anderen hebben jongen in de nestpan liggen. Nog anderen wachten warmer weer af en iets langere dagen. Bij sierduiven is er veel verschil tussen de vele rassen zodat er op verschillende tijdstippen wordt gefokt. Kaalbenige kleurduiven en anderen beginnen we steeds vroeg mee en andere rassen zoals de Engelse dwergkropper, Figurita of Valkenet beginnen we wat later. De sterkste rassen kunnen goed tegen de kou, maar er zijn er ook welke meer warmte nodig hebben om er een goede kweek mee te kunnen bereiken. De genoemde Engelse kropper of de Br체nner kropper zijn zeer smal van lichaam en wat krap bevederd, waardoor ze de eieren en kleine jongen minder goed kunnen bedekken. Voor een goede kweek moet het voor dit soort rassen dus niet koud meer zijn als men begint te fokken. Een aantal fokkers begint al zeer vroeg met de kweek, al rond de Kerstdagen, wat met de sterkere rassen ook goed mogelijk is omdat ze van kou weinig of geen last hebben zolang er geen tocht en vocht in het hok aanwezig is. Toch gaat het soms bij een vroege start niet goed, vooral inzake bevruchting en of verzorging van de jongen. Men hoort veelal dat de eerste ronde nooit goed verloopt en dat we al tevreden mogen zijn als er al enkele resultaten waren. Meestal zijn dan echter de goede voorwaarden niet geschapen. Want soms kan die eerste ronde wel goed verlopen. Voor een vroege kweek zijn enkele zaken belangrijk. De kweekduiven moeten in de juiste conditie zijn en veel broeddrift vertonen. Een juiste voeding is daarbij zeer belangrijk, te vette duiven zullen geen goed resultaat laten zien. Er zal een aantal uren per dag verlichting moeten branden in voldoende sterkte om de dag te verlengen. Dit omdat voldoende licht nodig is om de hormoonwerking via de hypofyse in het oog op te wekken. Met een tijdklok en dimmer kan dat automatisch worden ingesteld. Als wilde duiven beginnen te broeden is dat in de periode dat de natuur is ontwaakt en onkruidzaden kiemen. Door deze op te nemen krijgen de duiven de benodigde vitamine E binnen welke nodig is voor een goede vruchtbaarheid. Om onbevruchte eieren te voorkomen moet men bij vroegbroed dan ook altijd extra vitamine E verstrekken. Tarwekiemolie over het voer werkt ook uitstekend, maar let erop dat de olie absoluut vers is want het vitaminegehalte neemt snel af. Overjarige olie verstrekken geeft geen enkel nut. Beter is het zelf gekiemde zaden of granen te verstrekken die graag opgegeten worden. Snoepjes als vogelzaad, raapzaad of tarwekiemen zijn daarvoor erg geschikt.

Pluim & Pels 19


Extra hokverwarming is niet beslist nodig, hokken verwarmen betekent hokken afsluiten hetgeen het hokklimaat wat betreft verse, zuivere lucht en de vochtigheidsgraad ongunstig zal beïnvloeden. Eventueel verwarmde broedschotels gebruiken kan een voordeel zijn maar wordt niet vaak toegepast. De broedschotel met een dubbele krant omwikkelen en eventueel op een plaatje piepschuim zetten en als nestmateriaal het holle stro verstrekken zorgen voor een prima nestisolatie. Als het weer werkelijk ongunstig en nog veel te koud is moet men zeker de kweek nog wat uitstellen. Voor voldoende warmte van de jongen is de ‘verbranding’ van hun voedsel van groot belang en daarop moet het voer worden afgestemd. Als het nog koud is moeten we daartoe extra oliehoudende zaden toevoegen, raapzaad is hiervoor zeer geschikt, maar ook maïs is hierbij van groot belang. Als de kou uit de lucht is moet men hiermee weer stoppen, daar anders de dieren te vet worden en te lui om hun broedzorg optimaal uit te voeren. Met rassen welke hun jongen wat minder vlot of vol kunnen voeren moet men daarom ook niet te vroeg gaan kweken. Heeft men jongen die gespeend kunnen worden, dan is het voor een optimale ontwikkeling nodig dat ze apart in een kooi of hok worden gezet waar men ze eventueel een aangepast voer kan verstrekken. Ook rust is bij de ontwikkeling van groot belang, zorg dat ze niet gestoord worden door oude doffers of ander kweekkoppels. Zorg dat je dieren altijd enkele uren per dag in het zonlicht kunnen zitten, want in zonlicht wordt de hoog noodzakelijke vitamine D gevormd. Zeer veel succes gewenst met de nieuwe sierduivenfok. Roger Deblauwe

Pluim & Pels 20

Kroniek 1 van 2012  

Pluim en Pels Kroniek 1 van maart 2012

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you