Issuu on Google+

ROMAN

LOTTE GEERT DE KOCKERE


❧ ‘Wat is de mens? Een monument van zwakheden,

een prooi van het moment, een speling van het lot; de rest is slijm en gal.’ – Aristoteles, Grieks filosoof

‘Alle kunst is opstandigheid tegen het lot van de mens.’ – André Malraux, Frans schrijver en politicus

‘Niet het lot bepaalt ons geluk of ongeluk. Het levert hooguit elementen voor het leven. Veel krachtiger is onze geest, waarmee we deze elementen naar believen kunnen vormen en gebruiken.’ – Michel

Eyquem de Montaigne, Frans essayist en filosoof

❧ ‘Wij maken zelf onze bestemming, maar noemen het lot.’ – Benjamin Disraeli, Brits staatsman

❧ ‘Het lot legt vaak al het materiaal voor geluk en

voorspoed in iemands handen eenvoudigweg om te zien hoe vreselijk hij daarmee opgezadeld is.’ – Don

Marquis, Amerikaans schrijver

‘Aarzelen is het lot de tijd geven om ons besluit voor te zijn.’ – Julien de Valckenaere, Vlaams schrij­

ver van aforismen

❧ ‘Er bestaat niet zoiets als een voorteken. Het lot zendt ons geen herauten. Het is daar te wijs of te wreed voor.’ – Oscar Wilde, Iers schrijver ❧ ‘Het lot schudt de kaarten en wij spelen.’ – Arthur Schopenhauer, Duits filosoof


LOTTE


R OM A N

LOTTE GEERT DE KOCKERE


De tekst werd gezet uit Phenix American, Futura en Garamond Gedrukt op Munken Premium Cream © 2010 Uitgeverij Manteau / WPG Uitgevers België nv Mechelsesteenweg 203, B-2018 Antwerpen en Geert De Kockere www.manteau.be info@manteau.be Vertegenwoordiging in Nederland Standaard Uitgeverij Nederland Herengracht 370/372 NL-1016 CH Amsterdam Omslagontwerp en zetwerk: Pigmalion vzw Foto achterplat: Koen Broos Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveel­ voudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. ISBN 978 90 223 2563 6 D/2010/0034/614 NUR 285


❧ ‘De wereld is een schaakbord, dag- en nachtgeblokt, waarop het lot de mensen scheef en recht verschuift, schaak zet en eind’lijk mat en ze een voor een weer in het kistje legt.’ – Omar Chajjaam, Perzisch wiskundige en astronoom


1

Het is ongeveer elf uur in de voormiddag als ik nog halfdron­ ken uit mijn slaapkamer kom. En daar zitten ze dan. Met z’n drieën in mijn loft, op de bovenste verdieping van een gere­ noveerd fabrieksgebouw waarin vroeger een wolspinnerij was gevestigd. Ze zitten aan het eind van de lange tafel die mijn vader speciaal voor de loft heeft laten maken. Gisteravond heb ik me te pletter gezopen en ik sta op met een kater die bij mo­ menten hard en scherp aan mijn hersenen krabt. Of alleszins aan de binnenkant van mijn schedel. Het doet pijn. Hoewel ik hen nog nooit eerder heb gezien en niettegenstaande mijn mistige toestand en troebele blik, weet ik meteen wie ze zijn. Er is zelfs niet de minste twijfel. Lachesis zit aan het hoofd van de tafel met Klotho en Atropos links en rechts van haar. Ik herken hen meteen en door wat ze vasthouden, kan ik hen ook perfect aanwijzen, de drie Griekse schikgodinnen, de Moiren. Ze lijken in een minzaam gesprek gewikkeld. ‘Daar is hij dan’, hoor ik Klotho plotseling zeggen. ‘Onze acteur, drieëntwintig jaar oud en reeds bejubeld.’ 7


Het klinkt niet eens minachtend of sarcastisch, wat gezien mijn toestand en voorkomen te verwachten kan zijn, zelfs enigszins gerechtvaardigd is. Nee, het klinkt oprecht. Op slag is het stil en ze kijken me alle drie aan. Iedereen die me zo naakt ziet staan, met opengesperde en ongetwijfeld bloeddoorlopen ogen, een verwrongen mond en haren die alle kanten uitschieten, wil wellicht het liefst meteen de blik af­ wenden. Maar zij niet. Zij blijven rustig zitten en kijken naar mij. Zonder gêne, zonder blikken of blozen. Niet verbaasd, noch verwonderd. Alleen Atropos heeft een wat vreemde, norse blik. Maar dat ligt ongetwijfeld aan haar karakter. Zij is diegene die met haar schaar de levensdraad moet doorknippen als het zover is en dat is wellicht niet het meest plezierige kar­ weitje. Klotho daarentegen, die er veel jonger en ook vrolijker uitziet, mag met haar spinklos het begin van die draad spin­ nen, terwijl Lachesis de lengte ervan bepaalt en tussendoor ook lotjes uit een urne trekt en zo schikt wat er langs je draad gebeurt. ‘Goeiemorgen!’ spreekt Lachesis mij als eerste aan. Het heeft iets voorspellends, het klinkt alsof er nog wat te verwachten valt en de dag voor mij ondanks alles iets buitengewoons in petto heeft. ‘We komen je iets belangrijks meedelen. We heb­ ben namelijk jouw lot verbonden aan dat van Lotte.’ Lachesis houdt iets omhoog wat lijkt op een verstrengeling van twee draden, een rode en een blauwe. Het doet me den­ ken aan een huwelijk van rood bloed met blauw bloed, van een gewoon mens met iemand van adel. ‘Als Lotte jou overkomt, zul jij Lotte overkomen’, zegt La­ chesis nog. ‘Het geluk van Lotte staat of valt met jou en jouw geluk is dat van Lotte. Jullie lot is vanaf heden met elkaar verbonden.’ 8


‘Raakt iemand aan jouw draad, dan zal Lotte trillen’, voegt Atropos daar met haar sonore stem nog aan toe. ‘Raakt iemand aan de draad van Lotte, dan zul ook jij worden aangeraakt en dat voelen.’ De schikgodinnen, die op een vreemde manier worden be­ licht door een bundel lichtstralen die door het bovenste smalle venster van de loft naar binnen schijnt, kijken me aan en ver­ roeren zich niet meer. Nog steeds sta ik in al mijn gaven Gods te blinken. Ook ik verroer me niet. Ben ik gek geworden? Heeft de overmatige alcohol mijn brein vergiftigd en val ik ten prooi aan een soort postalcoholisch trauma? Een ongekend delirium, een hallucinatie? Ik drink zelden zoveel als gisteravond. Dat gebeurt echt waar hoogst uitzonderlijk. We hadden de dernière – voor de grap spreken we meestal van een derrière – van een succesvol stuk gespeeld en we hebben dat achteraf in ons stamcafé De Heilige Os gevierd en met het nodige vocht gezegend. En het was veel straffer dan wijwater en al zeer zeker niet zo katholiek. ‘We hebben nog een boodschap’, zegt Klotho. ‘Je zult de ko­ mende maanden in dialoog gaan over iets waarin je zelf niet gelooft.’ Is dit een orakel? vraag ik mij af. Maak ik een orakel mee? Ik kijk even omhoog en zie hoe pluisjes en stofjes warrelend in de lichtstralen spelen. Dansend en zwevend, het zijn er veel, heel veel. Beam me up, Scotty... Net op dat moment verdwijnt de lichtbundel. Als ik weer naar de tafel kijk, zijn ze weg. Gewoon weg. Het was een fata morgana, denk ik. Een luchtspiegeling. Wat ik zonet dacht te zien, was gewoon het gevolg van de bijzondere invalshoek van het felle zonlicht, mijn vertroebelde 9


blik en mijn door alcohol vergiftigde brein. Zotte verbeelding. Zatte fantasie. Ik ga douchen. Lot en Lotte... Haha! Kan het nog flauwer? Hoe is het mogelijk dat mijn verbeelding zo’n dwaasheid uit mijn hersenen kon schudden. En als het dan zo nodig toch moest, was een beetje originaliteit dan te veel gevraagd? Ik spoel alles weg. Als ik uit de badkamer kom, kijk ik meteen naar de lange tafel. Leeg. Het was inderdaad een restje zatlapperij dat nog in mijn hoofd zat. Ik ben de enige ziel in deze ruimte. Op­ geruimd staat netjes. Mijn hoofd bonkt al wat minder. Het weegt nog zwaar en als ik het bruusk beweeg, doet het pijn, maar ik voel mij al wat beter. Ik neem een aspirine tegen de resterende koppijn en eet wat. Met tegenzin. Want ook mijn maag weegt zwaar. Waarom doet een mens toch zo dwaas en dom? Op het ogen­ blik zelf kan de pret niet op, maar daarna, o jezus, daarna! En je weet het nochtans. Dat is nog het ergste. Je doet het bewust en je weet op voorhand dat je er nadien spijt van zult hebben. Maar je doet het toch. Je bent het stoute, ongehoorzame jon­ getje, de bengel die iets mispeutert, terwijl hij goed weet dat hij gestraft zal worden. Alleen weet hij nooit precies hoe zwaar de straf zal zijn. Het is een duister kantje aan de mens, een randje aangeboren rebellie tegen zijn beschaving. Een braam aan de anders door de eeuwen heen reeds zo fijn gepolijste mens. Een restje middeleeuwen dat rafelig aan een haakje in de nette renaissance is blijven hangen. Klinkt dat niet thea­ traal? Het stelt mij enigszins gerust, mijn hersenen lijken niet te zijn aangetast. Ze produceren nog grote zinnen. 10


In de namiddag ga ik in de zetel zitten en dommel in. Als ik wakker word, is het al vijf uur. Ik ben nog steeds de enige in mijn loft. Het carnaval is voorbij. Er is ook nergens meer een binnenvallende lichtbundel die voor een schimmenspel kan zorgen. En geen licht, geen schimmen. Een acteur kan des足 noods nog in het donker spelen, met zijn stem grootse dingen laten gebeuren, een schimmenspeler kan dat niet. Het licht is zijn noodzakelijke medespeler en bondgenoot. Ik trek mijn joggingpak en mijn loopschoenen aan en ga lo足 pen. Ik zal het laatste restje alcohol eruit lopen. Ik loop langer en harder dan gewoonlijk en pers er elke druppel uit. Als ik weer thuiskom, neem ik een verfrissende douche. Ik maak een omelet klaar, eet en lees nadien nog de nieuwste strip van Par足 ker & Badger die ik vorige week kocht. Heerlijk vind ik die. Ik ga vroeg slapen in de overtuiging dat de volgende morgen een doodgewone maandagmorgen wordt. Dat ik weer klaar en helder zal kunnen denken zoals ik meestal denk. Ik ben al bij al een redelijk nuchter mens. Een acteur is actief in de creatieve sector, maar hoeft niet noodzakelijk zelf creatief te zijn. Zolang hij maar over de gave beschikt om zich in iets of iemand te kunnen inleven en dat iets of iemand ook te worden als het van hem wordt gevraagd. Meer hoeft een acteur niet te kunnen, noch te doen. Het is een redelijk eenvoudig beroep. Maar je moet het wel met passie uitoefenen, vind ik. En met gevoel voor dramatiek. Men verwijt mij wel eens hoogdravend te zijn. Je moet ambitie hebben. Niet alleen op de sc竪ne, maar ook in je hoofd. De volgende morgen sta ik fris en monter op. De zon schijnt, het is bijna zomer en ik heb een zee van tijd. 11


Halfweg de voormiddag krijg ik telefoon. Het is niemand minder dan Rudolf Pleisier. Ik ken hem niet persoonlijk, maar heb er van collega-acteurs al veel over gehoord. Hij werd in korte tijd een soort legende in de theaterwereld. Vooral bij jonge acteurs. Een god. Hij is een van die vernieuwende regis­ seurs die op theater graag experimenteert met nieuwe vormen of op zijn minst met nieuwe manieren van zeggen. Hij staat bekend als een regisseur die text-on-stage graag combineert met een sobere visualisering van het onuitspreekbare en op die manier een theatraal geheel probeert te maken, waarbij de beide, tekst en beeld, elkaar zodanig aanvullen dat het ene zou falen zonder het andere. Ja, ook dat moet een acteur dus kunnen: denken en spreken in zinnen die andere mensen on­ mogelijk spontaan kunnen hebben gedacht, laat staan uitge­ sproken. Maar meestal gaat het dan om slecht theater. ‘Vooreerst feliciteer ik je als nar’, zegt hij. ‘Je was schitterend! Jeugdig, fris, soms overweldigend en heel geestig. Moe?’ ‘Het was een zwaar stuk’, zeg ik en probeer met beide voeten op de grond te blijven. Mijn loft is hoog. ‘Ik was in elk geval onder de indruk.’ ‘Dat doet me plezier.’ ‘Klaar voor iets nieuws?’ ‘Met pak en zak’, zeg ik. Het is een beetje nar dat nog in mij rondwaart. ‘Als je wilt, heb ik een rol voor jou. Het gaat om een experi­ mentele theaterdialoog. Ik weet het, het klinkt zwaar, maar laat je vooral niet intimideren.’ Nooit, denk ik. ‘Twee personages slechts. En je tegenspeelster is een jonge en flamboyante godin. Geïnteresseerd?’ 12


Nu is er onder het mom van experimenteel al veel bullshit gezegd, geschreven en gespeeld. En normaal hou ik niet van dit soort bordkarton waarmee nepkastelen overeind worden gezet en bij het minste zuchtje wind dan ook weer omver­ waaien. Maar als Rudolf Pleisier het woord uitspreekt, krijgt het een andere klank, zo mogelijk zelfs een andere betekenis. Dan ben je even geneigd om al je principes opzij te zetten en te doen wat je normaal niet zou doen. En dus zeg ik hem dat het mij natuurlijk interesseert. Dat ik hier en nu niet meteen kan zeggen of ik de rol werkelijk wil en of die sowieso wel voor mij is geschikt, maar ik zal er met alle plezier – what’s in a name – met hem over praten. Of het volgende week maandag voor me past? Jazeker. Pas later dringt het tot mij door: een theaterdialoog... Dat is bijna letterlijk wat ik Klotho heb horen voorspellen: ik zou de komende maanden in dialoog gaan. Onzin, besluit ik. Maar het laat mij niet los. Natuurlijk niet. Dat heb je met die din­ gen. Hoe harder je ze probeert af te stoten, des te hardnekkiger ze jou omklemmen en hun klauwen in je slaan. Klauwen als weerhaken. Je kunt ze dan met geweld uit je lijf trekken, maar de wonden zijn gevaarlijk en moeilijk te genezen. Ik maak een afspraak met mezelf. Een soort deal. Als mijn tegenspeelster, de jonge en flamboyante godin, zoals Rudolf haar noemde – en ik moet toegeven dat ik wel nieuwsgierig naar haar ben –, als zij Lotte heet, zal ik de rol niet aanvaar­ den. Punt. Ik kan behoorlijk koppig zijn. En ik hou wel van een spel, zo nu en dan een gokje. De rest van de week verloopt zo normaal als het maar kan. Ik krijg geen onverwacht en transcendent bezoek meer, word 13


niet meer geteisterd door feeën of godinnen, slaap als een roos en droom zelfs niet eens van Doornroosje, een moderne va­ riant op het thema van de schikgodinnen. In sommige versies van het sprookje zijn ze duidelijk te herkennen. Als de drie feeën die aan de wieg van Doornroosje verschijnen en wensen uitspreken die haar karakter en levensloop onontkoombaar vastleggen. In de Academie hebben we er een gewaagd stuk over gespeeld. Een soort persiflage, waarbij we van de feeën travestieten maakten, wat achteraf nog tot hevige discussies heeft geleid. Tijdens de voorbereidingen van het stuk heb ik die schikgodinnen voor het eerst leren kennen en er heel wat over gelezen. Ligt daar de oorzaak en verklaring van wat mij enkele dagen geleden is overkomen? Ik schud de gedachte van me af. Zoals een hond dat zo goed met regen kan. Ik neem het ervan – eindelijk eens wat rust en geen verplich­ tingen –, eet op tijd en stond, lees boek en krant, drink wat pintjes – met mate en met vrienden – en verheug mij op mijn ontmoeting met Rudolf Pleisier. Op het internet zoek ik nog wat informatie over hem op. Ook een acteur doet vandaag maar beter wat aan research voor hij zich in een nieuw avontuur stort. Dat hebben we aan de Academie geleerd. We kregen er een goeie opleiding. Soms nogal rationeel, maar aan fabeltjes heb je toch niets. Ik was trouwens een goed student. Misschien niet altijd even volg­ zaam – wie wel? – maar zeer zeker gedreven en bezeten. Ik zou het waarmaken, daar was ik helemaal van overtuigd, zelfs doordrongen. En dat ben ik nog steeds. Ik ben vast van plan om op de scène oud te worden en zo mogelijk records te bre­ ken. Bij wijze van spreken dan. Want records behoren eerder de sport toe en theater is allesbehalve een sport, hoogstens zo 14


nu en dan sportief. Theater is een kunst. Net zoals kunst vaak theater is. Ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ook dat is een gedachte waarop ik trots ben. Ik hou wel van een stevige gedachte en als ik er zelf een bedenk, hoor ik ze mij ook graag zeggen. Desnoods in alle stilte in mijn hoofd. Eens acteur, altijd acteur. Even krijg ik het nog benauwd. Als plotseling en geheel onver足 wacht het woord noodlot opduikt. Op een website lees ik dat Pleisier drie jaar geleden de monoloog Quasimodo regisseerde, over de gebochelde klokkenluider van de Notre-Dame. Plei足 sier had een bewerking gemaakt van de oorspronkelijke tekst van Victor Hugo, die tijdens een rondleiding door de Parijse kathedraal in een klokkentoren op een zuil een Grieks woord zag staan dat noodlot betekende. De schrijver was nieuwsgie足 rig naar wie het woord daar had gekerfd en waarom. Maar hij vond er nergens een verklaring voor en verzon er dan maar zelf een verhaal over. Over iemand die heel ongelukkig in de toren was opgesloten. Zo werd Quasimodo geboren, wellicht ook ge誰nspireerd door de gewoonte uit die tijd om misvormde weeskinderen bij de Notre-Dame te dumpen en hen zo aan hun lot over te laten. Het lot dus. Alweer. Maar ik zou me niet laten meeslepen. Ik niet, nee. En dus vernieuw ik mijn belofte: ik ga deze middag naar Rudolf Pleisier en zodra de naam Lotte valt, trap ik het af. Zowaar ik Beerten heet. Mij zullen ze niet hebben!

15


© Koen Broos

Geert De Kockere speelt graag met taal en gedachten. In zijn gedichten voor young adults en vol­­wassenen bekijkt hij de gewone dingen op een an­de­re manier en probeert te verwonderen. In deze roman vraagt hij zich af of het lot en het nood­ lot bestaan en of je eraan kunt ontkomen of niet. Ga je mee met ‘Ons lot wordt niet bepaald door wat we meemaken, maar door hoe we dat beleven’ van de Oostenrijkse schrijfster Marie von Ebner-Eschen­bach of zit je liever aan tafel met de Romeinse filosoof en toneelschrijver Seneca, die ooit schreef: ‘Het lot leidt de gewillige, de on­willige sleept het mee.’


Met een flinke kater in zijn kop ziet de jonge acteur Lukas Beerten in zijn loft de schikgodinnen. Hij hoort hoe ze zijn lot aan dat van Lotte verbinden en een voorspelling doen. Lukas kent geen Lotte, gelooft bovendien niet in het lot, is er zeker van dat hij op eigen benen staat en bijgevolg de volledige eigenaar is van zijn toekomst. Kort daarna wordt hij door regisseur Rudolf Pleisier gevraagd om samen met een jonge en flamboyante actrice een experimenteel theaterstuk te spelen. Van dan af doen zich een aantal gebeurtenissen voor die ofwel puur toeval zijn, of het gevolg van een uitgestippeld levenspad...

www.manteau.be - www.geertdekockere.be


Lotte