__MAIN_TEXT__

Page 1

R

E C E

E I S N

E

P M XE

R A LA


E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

E

www.ikgaopreis.nu www.destemvanpeterlems.nu vormgeving: Anton Sinke www.antonsinke.nl website en app: Roderick Schravendeel tekstcorrecties: Claudia de Rave-Reijpert ISBN 978 90 8276 263 1 NUR 258 Š Peter Lems Alle rechten voorbehouden

Met dank aan de ďŹ nanciers


een lees-, luister- en kijkboek

E I S N

E C E

R

R A LA

E

P M XE

Peter Lems concept en tekst Heleen Wilkens illustraties Paul van der Laan muziekcomposities Jaap Pleijt-Zappey ďŹ lmopnames & montage


SCÈNE 1

E I S N

‘Het gebeurde allemaal in een klein stukje van Kralingen, een oude Rotterdamse stadswijk,’ vertelt grootvader Piete. Ik woonde in de Voorschoterlaan op nummer 140a. Boven ons, op nummer 140b, woonde de familie Polak. Hele aardige mensen, twee kinderen: een kleine jongen, Ruben en een meisje, Esther. Die was even oud als ik. We konden het goed met elkaar vinden en speelden altijd met elkaar. We wisten niet beter, dan dat wij altijd al boven en onder elkaar woonden. Zij in het bovenhuis en ik in het benedenhuis.

E C E

R

R A LA

E

P M XE

Het leuke was, dat onder ons benedenhuis geen kelder was, maar een onderhuis. Daar was de keuken en de woonkamer. En de tuin. Nou ja, tuin-tje… Die lag dus lager dan de straat Er stond een schutting om heen. Met een schuttingdeur. Moest je wel weten, anders zag je het niet. Daarachter een soort gangetje tussen andere schuttingen door. Aan het eind weer een deur. En als je die door ging, stond je ineens in de zijstraat, de Annastraat. Ik zag er nooit iemand. Dit was mijn geheime paadje. Kon ik ongezien weggaan, zonder dat mijn moeder dat merkte. Best makkelijk soms. Die Annastraat was maar een kort straatje en ging naar de Avenue Concordia. Een laan met grote, dure huizen. Op de hoek stond de Avenuekerk. Dat was onze kerk.

4


Roozenburgpark

E I S N

Hoflaankerk

E C E

R

R A LA

P M XE

Slagerij Van Linschoten

E

Daar gingen we elke zondag naar toe. Soms wel twee keer op een zondag. Niks bijzonders, deed zowat iedereen.’ ‘Een klein stukje verder was de Lusthofstraat met alle winkels. Lekker dichtbij. De groenteboer, de bakker, de sigarenboer en natuurlijk slager Van Linschoten. Die was van mijn opa. Die bestaat nog steeds. Nou ja, niet de opa natuurlijk, maar de zaak. Zijn achterkleinzoon, de zoon, van de zoon, van de zoon van opa, is nu de slager. De zaak bestaat al meer dan honderd jaar. Even doorlopen en je kwam op de Oudedijk. Daar stond mijn school, de Reviusschool. Een christelijke school natuurlijk. En weer een klein stukje verder was het Rozenburgpark. Daar gingen we wandelen en spelen. Best een mooi park hoor.

Avenuekerk

Voorschoterlaan

Nu, hier ben ik dus opgegroeid. Hier speelde mijn leven zich af. En dus ook dit verhaal…’ ‘Alles staat er nog steeds. Al die tijd is er bijna niets veranderd. Ga er zelf maar kijken.’

Ons huis

5


SCÈNE 2

1

Opa Pieter zit na te denken, een beetje te dagdromen, over 80 jaar geleden. In zijn herinnering ziet hij weer waar hij woonde als jongen. In de Voorschoterlaan. De twee bruine deuren naast elkaar. Die van boven en die van beneden. Maar wat is dat? Wat ziet hij, wat hoort hij? Is het echt? Of droomt hij? Het lijkt wel of de deur van het bovenhuis open gaat… Ah, kijk, daar komt Esther naar buiten, het buurmeisje van boven! Ze belt aan bij het benedenhuis. Als jonge Pieter doet opa open…

2

E I S N

E C E

R

P M XE

R A LA

‘Ha Esther, leuk. Maar je hebt je jas aan. Kom je niet binnen…?’ ‘Nee ik kom niet binnen, Pieter. Geen tijd! We gaan op reis. Met z’n allen! Maar waar naar toe, dat heeft mijn vader niet gezegd. Hij doet een beetje geheimzinnig. Maar best wel spannend, hoor. Op reis… naar een onbekende bestemming!’

E

‘Nou, jammer hoor… Kunnen we niks meer samen doen.’ ‘Ja, dat vind ik ook, Pieter. Maar ik kom weer terug hoor!’ ‘Maar waarom heb je je viool bij je, Es?’ 6


‘Dit heet een fi-del, Pieter, dat weet je best’. ‘Goed dan, vi-del. Maar waarom...’ ‘Nou, omdat we maar weinig koffers mee mogen nemen. En mijn vatter en mijn mom zijn alles zo aan het opruimen. Misschien komen er voor een tijdje andere mensen in ons huis wonen. En daarom wil ik ook mijn fidel daar niet achterlaten.’ ‘Maar Pieter…,’ vraagt Esther aarzelend, ‘zou jij op mijn Fidel willen passen? Totdat ik weer terug ben?’

E I S N

‘O ja hoor, dat doe ik graag. Dan heb ik toch iets van jou, zolang jij op reis bent.’ ‘Dat is heel erg tof van je Pieter! Mazzel-tof !’ zegt Esther opgelucht. Ze bukt zich om de fidelkoffer te openen en haar fidel te pakken. ‘Ah…kijk nou!’ roept ze verbaasd. In het deksel blijkt ook nog een heel klein kinderviooltje te zitten.’ ‘Ach, wat een schatje, he?!

R

E C E

R A LA

P M XE

E

De viool Een viool is een prachtig muziekinstrument. Je kunt er heel veel soorten muziek op spelen: klassiek, pop, volksmuziek. Je komt de viool over de hele wereld tegen. Je kunt met een viool solo spelen, maar ook in een orkest. Een viool heeft 4 snaren. Als je met strijkstok over de snaren strijkt, krijg je een toon. Druk je met je vinger op bepaalde plaatsen op die snaar, krijg je verschillende toonhoogten. Kijk maar naar het filmpje hoe Esther dat doet. Door veel te oefenen krijg je een mooi en warm geluid. Violen zijn er veel maten. De kleinste is ongeveer 38 cm

lang: een 1/16. Kinderen van 3 jaar kunnen daar al op leren spelen. Als je groter wordt en je arm groeit, moet de viool ‘meegroeien’ naar: 1/8, 1/4, 1/2, 3/4 en ten slotte 1/1: een ‘hele viool’ als je 10-12 jaar bent. Die is ongeveer 60 cm lang. Esther had een 3/4 viool. In het verhaal speelt de viool een belangrijke rol. In de voorstelling wordt er prachtig viool gespeeld. Die kun je ook beluisteren via de app. Zie de symbooltjes.

7


Jiddisch Jiddisch is de taal, die joodse mensen door heel Europa spraken, thuis en in het openbaar. Ook in Nederland en vooral in Amsterdam waar veel Joden woonden. Door de deportaties en het uitmoorden van de joden in de Tweede Wereldoorlog stierf ook hun taal (vrijwel) uit. Toch hebben veel Jiddische woorden het overleefd. Die zijn in het Nederlands ‘ingeburgerd’. Die gebruiken we nog steeds. Een paar voorbeelden: ● gabber > vriend ● sores > zorgen ● bajes > gevangenis ● mesjogge > gestoord ● gein > plezier ● kapsones > verbeelding/hoogmoed ● hoteldebotel > de weg kwijt, smoorverliefd.

● fatter > vader ● sjoel > synagoge (kerk) ● jofel > fijn ● sjabbes of sabbath > feestdag ● gozer > kerel

Bij Esther werd thuis ook Jiddisch gesproken. Maar Nederlands was haar moedertaal. Ze was hier geboren en dus Nederlands. In dit verhaal gebruikt Esther af en toe Jiddische woorden. Iedereen begreep die. Zoals: ● mazzel > geluk ● mazzeltof > veel geluk ● fidel > viool ● mom > moeder

R A LA

E I S N

E C E

R

P M XE

E

Jiddisch komt voort uit de taal, die in de middeleeuwen in het ’Rijnland’ (nu Duitsland) werd gesproken. In dat gebied woonden toen veel joden. Door vervolgingen verhuisden velen naar Oost-Europa. Hun taal ook. Daar kwamen vervolgens ook Slavische woorden in terecht, maar ook Hebreeuwse woorden vanuit het joodse geloof. Zo is het Jiddisch als een mengtaal gegroeid. Maar dat het ontstaan is uit het middeleeuwse Duits is nog steeds goed te horen. Het Jiddisch wordt met Hebreeuwse letters en van links naar rechts geschreven, maar het is niet hetzelfde als Hebreeuws. Hebreeuws is een andere, heel oude taal (al en is nu de officiële taal van het land Israël). Het Jiddisch wordt nu nog gesproken in enkele joodse gemeenschappen in New York, Antwerpen en Zuid Amerika.

Wil je ook op deze passen, Pieter? Hier heb ik het spelen op geleerd.’ Dat wil Pieter wel en pakt het kleintje voorzichtig aan. ‘Wat een liefie,’ zegt hij. Esther pakt haar eigen fidel en begint de spelen. Even later zingt Pieter: ‘Ach die Es, gaat op reis en weet niet waarheen / Wanneer komt zij ooit weer thuis / Ach die Es, gaat op reis en weet niet waarheen / ’t voelt zo allenig hier in huis / Lieve Es, ’k pas goed op jouw, op jouw viool / ’k Hoor je muziek en daarmee jou.’ Het is een bijzonder afscheid. Esther vertrekt en ze hoort in de verte Pieter nog zingen. Bij het laatste couplet sluit Pieter de deur. Wanneer en waar zouden ze elkaar weer zien? Wat niet vertrekt is het liedje. Dat blijft in hun hoofden zingen.

8


SCÈNE 3

3

De droom is weer voorbij. Opa is weer terug in het hier en het nu. Er wordt aangebeld.

E I S N

‘Ah, daar hebben we Johannes!’ ‘Dag Opa. Ik heet Johan, opa. Dat weet u best.’

E C E

‘Okay, okay: Johan! Zeg Johan, wil je thee?’ Johan kijkt een beetje bedenkelijk.

R

R A LA

P M XE

‘Is er iets Johan? Je kijkt een beetje bedenkelijk.

Zeg, hoe is het met, met… hoe heet ze ook al weer… je vriendinnetje?’

E

‘Amina heet ze opa, Amina. Ze komt uit Syrië.’ ‘O ja, da’s waar, Amina, Mooie naam.’

‘Ja, mooi! Maar ze is wel mooi helemaal in elkaar geslagen Opa. Door andere Syrische jongens uit de klas. Alleen maar omdat ze met mij omging!’ Johan klinkt verontwaardigd, boos…

‘Ze is een sloerie’, zeiden ze. ‘Een schande voor Syrië! En ze kwamen ook naar mij toe. Met z’n vieren!’ ‘Oh nee, hè! Hebben ze jou ook in elkaar geslagen, Johan?’ ‘Nee, nee, dat niet, opa, maar het scheelde niet veel. Ik ben gelukkig een stuk langer dan zij. Ik moest met mijn handen van Amina afblijven, zeiden ze. Anders zouden ze mij wel weten te vinden. Dat klonk echt eng opa… Zo dreigend. En o ja, weet u wat ze ook nog zeiden?’ ‘Nou?’ ‘Jij bent een Jood’, zeiden ze. ‘Een vuile Jood.’… 9


‘Hè? Wat? Een vuile Jood?!’ roept opa verschrikt. ‘Hoe, hoe komen ze daar nou bij? Waar hebben ze ’t over?’ ‘Ach dat weten ze zelf ook niet denk ik’, zegt Johan, ‘iedereen waar ze wat tegen hebben, noemen ze een vuile Jood. Die moeten “aan het gas”, zeggen ze dan.’ Opa kijkt verschrikt, Johan kijkt niet begrijpend. Hij snapt niet echt wat ze bedoelen. Maar dan boos en fel: ‘Ik vind, ik vind Opa, zij horen hier niet! Ze moeten oprotten. Gewoon terug naar hun eigen land. Naar Syrië! Wat kunnen wij er nu aan doen, dat het daar oorlog was?!’ ‘Tsja Johan, het is heel erg wat ze zeggen. Heel erg. Volgens mij weten ze niet eens wat

E C E

E I S N

R

E

P M XE

10

R A LA


Joods Wanneer ben je eigenlijk joods? Deze vraag is niet eens zo makkelijk te beantwoorden. Net zoals je je kunt afvragen: wanneer ‘ben’ je moslim, christen, boeddhist? Moet je dan heel gelovig zijn? Of ben je het al bij geboorte? Of kun je er gewoon lid van worden? Neem bijvoorbeeld moslims. Ben je automatisch een moslim, als je ouders uit een land komen, waar (bijna) iedereen moslim is? En ze jou zo opgevoed hebben? Dan is het niet je eigen keus, maar meer een kwestie van ‘afkomst’. Wat je er zelf van vindt maakt dan eigenlijk niet uit. Je omgeving ziet jou als moslim. Of je wilt of niet. Of ben je pas een ‘echte moslim’ als je heel gelovig bent en de voorschriften volgt, zoals vasten, vijf keer bidden per dag, vrijgevig zijn en elke vrijdag naar de moskee gaat? Volgens sommigen ben je het pas als je ook een djellaba of een nikaab draagt, altijd halal eet, je afzondert van of afzet tegen de ‘ongelovigen’. Maar dan leef je wel in een heel apart wereldje, een ‘bubble’, los van de samenleving. Of kan je ook moslim zijn, als je er vrijer over denkt: af en toe naar de moskee, wel bidden, maar niet elke dag, soms vasten, soms niet. Meedoen aan het suikerfeest, het slachtfeest en aan andere tradities. Voor je gevoel hoor je dan ergens bij en daar doe je ’t dan voor.

E I S N

E C E

R

P M XE

R A LA

E

Je ziet: er zijn veel antwoorden mogelijk In het jodendom is dat ook zo. Je kunt overtuigd zijn van het geloof. Er veel vanaf weten, lezen en leren uit de boekrollen, elke zaterdag naar de synagoge, de feesten meevieren, keppeltje dragen, je aan de voedingsregels houden (‘koosjer’). Ben je dan een ‘echte’ jood? Ook in het Jodendom is er een richting, waarin de mensen zich heel streng aan de voorschriften houden, de mannen grote hoeden en zwarte jassen dragen, zich afzonderen van anderen en in hun eigen wereldje leven. Volgens het joodse geloof ben je joods als je moeder ook joods is. Bekeren tot het joodse geloof wordt niet aangemoedigd maar is wel mogelijk. Maar er zijn ook velen, die het joodse geloof en de regels wat minder belangrijk vinden, maar wel ‘meedoen’, omdat ze graag bij de joodse gemeenschap willen horen. Vaak ook, omdat hun ouders en hele generaties voor hen ook joods waren.

Zo is het ook met het Christendom: veel richtingen, Wees dus voorzichtig met het praten en oordelen over de Moslims, de Joden, de Christenen. Er zijn zoveel verschillen. En buiten dat: je bent méér als mens, als persoon, dan uitsluitend de geloofsgemeenschap waar je deel van uitmaakt? Wat betreft de joden, dachten de Nazi-Duitsers en de NSBers daar heel anders over. Zij redeneerden: was je (groot)moeder joods? Of zeggen de mensen uit de buurt dat je joods bent? Dan ben je het ook! En dan komen we je ophalen, ‘deporteren’ met je hele familie... Ze beschouwden de joden als een minderwaardig soort mensen. Hen stond een verschrikkelijk lot te wachten. Dat komt er uiteindelijk van, als je mensen niet meer als persoon, maar als groep ziet. In het verhaal zeggen Pieter en Esther: ‘ik ben Joods, ik ben christelijk, zij zijn hervormd, zij zijn katholiek. En de buren op de hoek, zijn die niks?’ Esther: ‘hoe kan dat nou ‘niks-zijn’? Dan hoor je toch nergens bij?’ Wat is het belangrijkste: ‘wie’ je bent? je persoon, je kwaliteiten, je daden? Of ‘waar je bij hoort’? Misschien kan het één wel niet zonder het ander.

11


ze zeggen. Ze praten anderen na. Papagaaien. En stoer doen. Vooral stoer doen… Ach Johan, wat een ellende is er in de wereld ontstaan, omdat veel mensen elkaar napraten. Niet zelf nadenken. Niet ertegen in durven gaan. De “Grote Leider” volgen. Ach, het is gemakzucht, luiheid, lafheid! En dan deze jongens ook al, zo jong nog.’ Opa is van zijn stoel op gestaan. Het lijkt wel alsof hij tegen andere mensen praat. Het klinkt heel indrukwekkend, als hij dit zo zegt. Er valt een stilte. Maar dan zegt hij, en z’n toon is ineens heel anders en is hij weer de vriendelijke opa: ‘Zeg Johan, ken jij die jongens eigenlijk?’ ‘Hûh? Hoe bedoelt u?’ Johan kijkt verbaasd, ‘je gaat toch niet…’

E I S N

‘Nou ja, ik bedoel, weet je hoe ze heten, zijn ze aardig? Heb je wel eens met ze gepraat?’ ‘Nee natuurlijk niet opa. Het zijn allemaal klootzakken. Daar praat je toch niet mee…’

E C E

R A LA

Het is weer even stil. Het was best wel heftig, wat Johan zei, nee… riep. Het leek wel, alsof hij van zichzelf geschrokken was. Maar even later zegt hij, weer rustig: ‘Opa, ik wil wat aan u vragen. Want hier kwam ik niet voor.’

R

P M XE

Opa maakt een gebaar van “vraag maar”.

‘U hebt de oorlog toch meegemaakt? Opa. U was toen nog kind, toch?’

E

‘Ja, Johan, ik was zeven, bijna acht, toen de oorlog begon. En twaalf bij de bevrijding. Jij bent nu toch ook twaalf?’ ‘Ja opa, dat weet u toch wel…’

‘Maar waarom vraag je dit eigenlijk Johan?’ ‘Eh, ik moet voor school een presentatie maken, Opa. Over de Tweede Wereldoorlog en ook over de Jodenvervolging…’ Hij kijkt hopeloos, hij zit er echt mee in z’n maag. ‘Oh, maar wat is het probleem?’ ‘Ik durf het eigenlijk niet zo goed. Opa. Vanwege die klootzakken in de klas, weet u. Die gaan zeggen dat het niet waar is, wat er allemaal gebeurd is. Gaan ze er doorheen schreeuwen. Of ze gaan roepen, dat ze een paar Joden hebben vergeten om te vergassen…’ ‘Ach, ach. En nu…? Dat is wel vervelend zeg,’ zegt opa. Er valt een stilte. ‘Wacht, ik heb een idee. Johan, als ik jou nou eens vertel, wat ik heb meegemaakt in de

12


oorlog, als kind van jouw leeftijd... En jij maakt daar een verhaal van? Dan kunnen de jongens nooit zeggen, dat het niet gebeurd is. Kom zo vaak langs als je kunt. Dan vertel ik je telkens een stuk van mijn verhaal.’ ‘Oh, opa, wat een gaaf idee, helemaal top, Opa!’ Johan en Opa geven elkaar een ‘high five’.

E C E

E I S N

R

R A LA

E

P M XE

Johan gaat helemaal opgelucht naar huis. Wat een geweldige opa heb ik toch, denkt hij. Opa gaat even staan. Denkt na… En gaat weer zitten. Ach, denkt hij, wat moet ik die jongen nu toch allemaal vertellen? Over al dat gruwelijks en vreselijks dat er is gebeurd? Of zal ik alleen de verhalen vertellen over het verzet, over de dappere mensen. Over de Engelandvaarders. Het onderduiken… of… of…?

13


SCÈNE 4

4

Johan komt binnen. ‘Ha Johan’, zegt opa. Wat leuk, dat je er bent. Kunnen we beginnen met het verhaal over de oorlog! Ga zitten. Schenk een kopje thee in.’

E I S N

Johan steekt gelijk van wal: ‘Opa, hoe begon die oorlog nou eigenlijk? Zoals in de oorlogsfilms. Overal tanks en soldaten in de straten?’

E C E

R A LA

‘Nee joh. Nee, je merkte er eigenlijk niet veel van. Nou ja, ik hoorde natuurlijk wel van mijn ouders, dat Nederland op een nacht was aangevallen door het Duitse leger. De volgende dag had iedereen het er over. Het was het nieuws van de dag. Internet en TV waren er nog niet. We hoorden het op de radio’:

5

R

P M XE

“Hier is de radionieuwsdienst. Van drie uur af hebben Duitse troepen de Nederlandse grens overschreden. Vliegaanvallen zijn uitgevoerd op enkele vliegvelden. Weermacht en afweer zijn paraat bevonden.”

E

‘Hoe reageerden de mensen, opa. Waren ze bang?’ ‘Ja, bang natuurlijk. En heel ongerust. Duitsland had een enorm leger, daar konden we echt niet tegen op. Maar de mensen waren vooral boos, Het was oneerlijk, vonden ze. Nederland zou niet meedoen aan de oorlog. Nederland was toch “neutraal?!” Tja, zo heette dat. Gewoon niet meedoen aan die oorlog tussen de grote landen als Duitsland, Engeland, Frankrijk.’ ‘En toch viel Duitsland aan?’ ‘Ja, de ploerten!’ Het klinkt verontwaardigd en boos uit opa’s mond, terwijl opa anders altijd zo rustig en beheerst is. Maar nu, zoveel jaren later, realiseert hij zich wat voor een ellende dat toen allemaal zou gaan betekenen. ‘Maar verder’, zei opa, ‘verder ging alles gewoon door. Ik naar school. Mijn vader naar de zaak. M’n moeder koken en boodschappen doen. Die zondag gewoon weer naar de kerk. Ik dacht bij mij zelf: is dat oorlog? Is dat nou alles? Ik had mij iets heel spannends voorgesteld…’ 14


6

Plotseling kijkt opa omhoog. Hij lijkt weer iets te horen uit zijn herinnering. Hij kijkt angstig. Klinkt daar opnieuw zwaar motorgeronk in de lucht? Hij kijkt naar buiten: de hele lucht lijkt vol met zwermen bommenwerpers. Allemaal onderweg naar het centrum van Rotterdam. Opa schreeuwt met angstige stem: ‘Johan, Johan, de Duitse luchtmacht, de Luftwaffe! Ze bombarderen de binnenstad! Johan, gauw. Hier, kruip onder de tafel. Dan zijn we tenminste een beetje beschermd als er iets van het plafond naar beneden valt.’ Johan en opa kruipen onder de tafel. Het geluid van de vallende bommen is oorverdovend. Het lijkt ook steeds dichterbij te komen. Maar na ongeveer een kwartier houdt de bommenregen plotseling op, Is het voorbij? Opa en Johan komen voorzichtig overeind. Maar er kwam een ander geluid voor in de plaats. Steeds harder en harder: het geloei van vlammen. Door de brandbommen staat de hele binnenstad in brand. Eén grote vuurzee. Aangewakkerd door de harde wind. Een “vuurstorm”, die alles vernietigt…

7

‘Ja Johan, dat bombardement was op 14 mei Johan, amper 5 dagen na de inval. Mijn moeder was doodsbang. Ze gilde: ‘Man, we moeten vluchten. Hoor, de vuurstorm steeds dichter bijkomen!’ Maar vader zei: ‘Nee Sjaan, dat heeft geen zin. Hier in het onderhuis zijn we veiliger dan op straat.’ ‘We keken uit het raam van de voorkamer en zagen stro-o-men mensen op de bovenen beneden-Oostzeedijk onze kant opkomen: lopend, rennend, fietsend. Allemaal vluchtend voor de vuurstorm. Soms met spullen, meestal met niks.’ ‘Toen werd er hard gebonsd op de deur: Het was tante Ria. Ik hoorde haar gillen in de gang. Ze was helemaal overstuur. Ze woonde in de binnenstad. “Karel, Karel,” riep ze,

E I S N

E C E

R

R A LA

P M XE

E

Neutraliteit Nederland vocht niet mee in de Eerste Wereldoorlog. Nederland was ‘neutraal’ in die grote oorlog van 19141918. Die oorlog wilde eigenlijk niemand. Hij ontstond ineens. Met onnoemelijk veel leed, schade en miljoenen doden als gevolg Daarom wilde Nederland, toen de tweede wereldoorlog dreigde, opnieuw neutraal blijven. Met alle Europese landen was dat afgesproken. Ook met Duitsland. Nederland had een zwak leger. Veel mensen zeiden, ‘waarom zouden we veel geld uitgeven aan een leger, als we toch niet gaan vechten?’ Dat was een foute gedachte. Neutraliteit moet je kunnen verdedigen met een sterk leger om andere landen niet in de verleiding te brengen om je toch aan te val-

len. In Duitsland was een sterke beweging, de Nazi’s, die uit was op oorlog. Ze bouwden een enorm groot en modern leger, marine en luchtmacht op. De leider, de ‘Führer’ Adolf Hitler maakte er geen geheim van dat hij andere Europese landen wilden veroveren en alle joden zou gaan vermoorden. Het was dom om te denken, dat hij netjes bij de grens zou stoppen. Het is als met alle gevaren: je moet ze op tijd herkennen en bestrijden, waar en wanneer het maar kan. Dat gold toen, maar ook nu. Zoals Johan zegt aan het eind van de voorstelling.

15


Het begin van de oorlog en het bombardement op Rotterdam Het Duitse leger dat Nederland binnenviel, had gedacht ons land heel snel te kunnen veroveren, misschien wel in één dag. Ze wilden graag doorstoten in hun verovering van Nederland, Belgie en Frankrijk. En dan oversteken naar Engeland. Maar de felle tegenstand in Nederland leverde echter tijdverlies op. Daarom werd gedreigd om de binnenstad van Rotterdam plat te bombarderen als het Nederlandse leger zich niet direct zou overgeven. En anders zou ook Amsterdam en Den Haag gebombardeerd worden. Op het laatste moment gaf Nederland zich over. Capituleren heet dat. . Maar de bommenwerpers waren als onderweg. Ze konden niet meer tegengehouden worden.De binnenstad van Rotterdam werd alsnog verwoest....

E I S N

E C E

R

P M XE

E

Gevolg bombardement 14 mei 1940. Burgers bekijken de puinhopen na het bombardement. De Kaasmarkt met rechts de ruïne van het oude raadhuis. (Collectie Nederlands Instituut voor Militaire Historie)

Het bombardement duurde maar 14 minuten. Dat was genoeg. Het waren brandbommen. Die veroorzaakten een zee van vuur. Door de wind werd het een vuurstorm, waar niets

16

R A LA tegen bestand was. Uiteindelijk bleven er nog wel resten van muren staan. Naar die hebben ze daarna ook maar gesloopt. Bijna 900 mensen verloren hun leven. Zoals Oom Henk in het verhaal. Meer dan 80.000 mensen werden dakloos. Die moesten van de een of andere dag onderdak zoeken. Meestal bij vrienden of familie in de andere wijken in Rotterdam. Zoals tante Ria in het verhaal. Op bovenstaand kaartje van de binnenstad van Rotterdam, zie je de grens van het gebied, dat door de brandbommen werd verwoest. De zogenaamde ‘brandgrens’. Die kun je nog steeds zien. Die is aangegeven door rode lichtjes in de bestrating. In Kralingen lag die grens heel dicht bij de Voorschoterlaan, waar Esther en Pieter woonden (de rode punt rechts op het kaartje). Het was goed te begrijpen, waarom de moeder van Pieter zo bang was. Na de oorlog werd direct begonnen met de ‘wederopbouw’ van Rotterdam. Er verrees een heel moderne stad. En dat is Rotterdam nog steeds!


“mag ik binnenkomen? Ben ik hier veilig? In de Hoog staat niets meer overeind, alles staat in brand. Ons huis kon ik niet meer in. Ik liep buiten en had dus geluk. Maar Henk, Henk was binnen…” Ze barste in tranen uit. “Oom Henk…” Vader troostte en legde zijn arm om haar heen. “Ach Ria, Ria, wat vreselijk, wat vreselijk. Die arme Henk… Hier, probeer wat te drinken.” Hij geeft tante Ria een glas water. “Gaat het weer een beetje…?” ‘En toen opa? Hoe ging het toen verder?’ ‘Een weekje na het bombardement gingen mijn vader en moeder de stad in. En ik mocht mee. Johan, Johan, je weet niet wat je toen zag. En vooral, wat je niet meer zag. Eén grote verwoesting… Alles kaal... Resten van zwartgeblakerde muren. Stukken stonden nog overeind, de rest ingestort. Hopen puin. Geen doorkomen aan. Overal rook het naar rook, die zurige lucht, weet je wel. Ging prikken en zeer doen in je neus. Nu nog, Johan, als ik die rook ruik, komen weer die beelden van verwoesting bij mij boven.’ ‘Je kon heel ver kijken door de stad. Je ogen bleven nergens hangen. En het begon al drie straten verderop bij de Adamshofstraat. Ik begreep nu pas waarom mijn moeder toen zo doodsbang was…’ ‘En toen, Johan, toen ineens zagen we de Laurenskerk. Of wat er van over was. Alleen de toren en stukken muur. Geen dak, geen ramen. Mijn vader begon te huilen. Ik ook. Maar wist niet zo goed waarom, maar begreep het toch: huizen, winkels, ziekenhuizen, kerken, kantoren verwoest. Heel erg allemaal. Maar de Laurens… Zo’n indrukwekkend gebouw. De trots van de stad… Hij stond er al 700 jaar. Er is meer dan 100 jaar aan gebouwd. En nu… in een paar uur kapot … Dat is toch verschrikkelijk. Dat komt nooit meer goed, denk je dan.

R

E C E

E I S N

R A LA

E

P M XE

17


Met de Laurens niet en met de stad niet. Je voelt je, hoe zal ik dat zeggen, verslagen, moedeloos, geen hoop meer…!’ ‘Maar hij is toch weer opgebouwd opa?’ ‘Ja Johan, God-zij-dank wel. Stukje bij beetje. Het duurde lang, Het kostte veel geld. Soms was dat geld een tijdje op. Gingen andere dingen voor… Pas in 1971 was hij klaar, de Laurens. De binnenstad zelf was toen al bijna helemaal herbouwd. Dus dit was de kroon op het werk, zeg maar. De Laurens herbouwd in nieuwe luister. Groot feest, Johan. Iedereen trots. Rotterdammers laten zich kisten. De stad herbouwd. We bouwen weer op! Dat is toch prachtig…, Johan?’

8

E C E

E I S N

R

18

R A LA

P M XE

E

Opa vecht even tegen zijn tranen…En pakt dan een fotolijstje van het dressoir en geeft het aan Johan. Die bekijkt de foto aandachtig. ‘Zie jij wat dit is, Johan? En wie dit zijn?’ ‘Ja opa. Ik zie een trouwerij, een bruidspaar… Oh! kijk dat bent u. En dat is oma! U bent daar getrouwd, opa?’ ‘Ja Johan, dat heb je goed gezien. In 1977... Ik was zo blij. En ook trots, dat ik daar in de herbouwde Laurens trouwde… Een nieuw begin. Zo’n prachtige trouwdienst. Oma en ik zongen allebei in een koor. En dat zong toen ook in de trouwdienst. In mijn herinnering hoor ik hen nog zingen:… “en voor Zijn voeten uit, gaan Vrede en Gerechtigheid, als bruidegom en bruid!”


SCÈNE 5

9

‘Ha opa!’ Johan komt binnen, maar opa lijkt hem niet te horen. Misschien is hij nog in gedachten verzonken bij de trouwdienst van toen, 40 jaar geleden. Johan stoot hem even aan:

E I S N

‘Opa, opa! Ik ben er weer! Kunnen we doorgaan met het verhaal? Want hoe ging het toen eigenlijk verder na het bombardement?’

E C E

R A LA

‘Oh, Johan, je bent er weer. Wat leuk. Tja Johan, de binnenstad lag plat… De meubelwerkplaats van mijn vader ook. Die was in de stad. Mijn vader vond dat heel erg naar. Het was een stukje van hemzelf. Hij wilde eigenlijk niet verder met z’n zaak. “Ik ga wel een baantje zoeken”, zei hij. Maar mijn moeder zei: “Kom op, man. Je klanten zitten te wachten op hun nieuw bestelde meubelen. En we hebben vier kinderen, die moeten eten. En Pieter heeft een nieuwe broek nodig… Dus hop, huur een andere werkplaats en ga aan ’t werk”. En ik moest weer gewoon naar school. Die stond er nog. Best jammer. Alles ging gewoon verder. Touwtje springen, huiswerk. En van die Duitsers merkte je niet veel Als je ze tegenkwam waren ze best aardig en beleefd. Ze probeerden vaak een beetje Nederlands te praten: “Jai, aardige Jungen”. En Esther was er ook nog natuurlijk.’

R

P M XE

E

Verbaasd vraagt Johan: ‘Esther? Wie was Esther…?’ ‘Esther. Het meisje van de bovenburen. Daar kon ik het goed mee vinden toen. Ze waren joods.’ Johan, heel verbaasd: ‘Hûh, joods? jo-ods, zegt u?!’ Opa: ‘Ja joods. Zo bijzonder is dat niet…Toch, Esther?’ Ongemerkt is Esther bij hen komen staan in de herinnering van opa:

19


‘Nee, inderdaad. Niks bijzonders. Pieter en zijn vader en moeder wonen beneden ons. Zij zijn christelijk. Of heet dat gereformeerd? Dat hoor ik ze ook wel ’es zeggen. Is daar verschil in…? Wij, de Polaks, zijn joods. Naast ons wonen de Jansens, Die zijn hervormd, toch? ’s-Zondags gaan die naar de Hoflaankerk. En daarnaast woont de familie Stolk, die zijn Rooms-Katholiek.’ De – toen nog jonge – Pieter komt er in de herinnering van opa ook bij staan en zegt: ‘En die mensen op de hoek, Es? Wat zijn die eigenlijk? Of zijn ze niks?’ ‘Hoe kan dat nou, niks-zijn? Dan hoor je toch nergens bij? Toch zijn die Stolken best aardig hoor. Ik zag mijn mom laatst gezellig staan kletsen. Ze leende eieren, die ze tekort kwam, toen ze een taart aan het bakken was. De winkels waren toen al dicht. Zeg Piet, zullen we ergens naar toe gaan?’

E I S N

‘Ja’, zei Pieter. ‘Weet je wat? We gaan naar mijn grootvader, de slager. Krijgen we een stukje worst.’

E C E

R A LA

‘O echt’, zei Esther. ‘Je bedoelt slager Van Linschoten? Is dat jouw opa?! Wat leuk, daar koopt mijn mom ook altijd ons vlees.’

R

P M XE

Ze rennen naast elkaar door de Voorschoterlaan. Tussen de bomen op het middenstuk, Dan naar links, de Lusthofstaat in. Daar is slagerij Van Linschoten. Pieter en Esther gaan de slagerij binnen van grootvader Van Linschoten. Hij ziet hen al aankomen. Breed lachend van achter de toonbank:

E

20


10

‘Ha, kleinzoon Pieter, leuk je te zien! Hallo buurmeisje Esther! Ja je mom, komt hier vaker hoor. Alleen geen varkensvlees. Dat eten jullie niet, toch?’ ‘Nee meneer Van Linschoten’, zegt Esther. ‘Varkensvlees mogen wij niet eten. Maar ander vlees wel hoor!’ ‘Jaja’, zegt de slager. ‘Ik heb veel joodse mensen als klant. Hun vlees blijft helemaal gescheiden in een aparte afdeling in de slagerij. Maar ik heb hier een lekker stuk worst van gebraden rundvlees. Dat mag wel toch? Het is koosjer. Alsjeblieft…’ ‘Dank u wel meneer Van Linschoten’, zegt Esther ‘Dank u wel grootvader’, zegt Pieter

E I S N

‘Zeg Pieter, wil jij aan Esther de worstmakerij te laten zien? Daan is beneden bezig. Ik denk dat jullie het wel leuk vinden om hem te helpen. Maar wees voorzichtig met de worstmachines. Pas op je handen, hè! Anders worden je vingers ook worstjes!’

E C E

R A LA

‘O ja, da’s leuk, grootvader’, zegt Pieter. Dan laat ik Ester ook de duiventil zien op het platje achter de keuken.’

R

P M XE

‘Dat is goed Pieter. En komen jullie daarna gerust nog maar eens terug hoor.’

Esther en Pieter zijn weer terug uit de slagerij. Ze zitten op het bankje in de Voorschoterlaan. In het middenstuk met de bomen en het gras, vlak voor hun huis. Zomaar wat te kletsen.

E

‘Heb jij iets te doen Esther?’ vraagt Pieter, ‘zullen we gaan fietsen? We hebben allebei een eigen fiets.’ ‘O ja, leuk Pieter. Maar eh, zijn we dan op tijd terug? Het is vrijdag. Als onze sjabbes om 6 uur begint, dan moet ik binnen zijn…’ ‘O ja, da’s waar ook. Het is vrijdag. Maar Esther, wat doen jullie dan eigenlijk? Ik hoor op vrijdagavond je mom en je Vatter altijd zo mooi zingen.’ ‘Ja mooi klinkt dat hè?! Wil je komen luisteren? Moet je straks om 6 uur naar boven komen.’ ‘Top, dat doe ik’, zegt Pieter. ‘Maar ik vraag het wel even aan mijn vader en moeder. Of nee, ik zeg het gewoon… Eh, Esther, jullie gaan op zaterdag altijd naar de synagoge, toch? Mag ik morgen een keertje mee? Dan ga jij zondag met mij mee naar onze kerk.’ ‘Die hier om de hoek, waar jullie altijd naar toe gaan? O, dat vind ik tof. Mazzel tof. Maar Pieter jij moet naar de sjoel, zo noemen we de synagoge, wel een keppeltje op je hoofd hoor. Zoals alle mannen en jongens.’ 21


E C E

E I S N

R

R A LA

E

P M XE

‘Goed, dat doe ik wel hoor’, zegt Pieter. ‘In plaats van m’n pet. Maar het is pas 4 uur. Zullen we nog even in het park Rozenburg gaan spelen?’ Esther en Pieter gaan naar het Park Rozenburg. Dat is vlakbij. Een mooi park, met veel grasvelden, hoge bomen en veel bloemperken. Middenin is een lange vijver met halverwege een mooie 22


11

gebogen brug. Hij is lekker breed. Als je daar overheen rent, dan ga je aan de andere kant lekker hard naar beneden. Esther struikelt bijna over haar eigen voeten! Ze spelen met andere kinderen “boompje verwisselen”. En ze rusten uit op een bankje. ‘Kom op Piet’, zegt Esther. ‘We doen even een klapspelletje…’ En ja hoor, Pieter kan het even snel als zij! Dat had ze niet gedacht! Ze gaan op hun rug in het gras liggen kijken naar de lucht en de wolken. Die worden opgejaagd door de wind en vormen zo telkens andere vormen. ‘Kijk’, zegt Esther. ‘Daar, een wolf ’. ‘Of daar’, wijst Pieter. ‘Een huis. Nee een paleis!’ ‘Ja, we zijn in een paleis, de wolken zijn het plafond, met telkens andere schilderingen. En de groene stammen van de bomen zijn de marmeren zuilen. We zijn voornaam, Piet! Dan ben jij de Koning en ik de Koningin…’ Maar dan horen ze ineens een kerkklok slaan. Ze kijken elkaar aan en rennen naar huis. Anders zijn ze te laat voor het sjabbes-gebed.

E C E

E I S N

R A LA

De volgende dag is het zaterdag, de Sabbatdag. De Sjabbes. Dat is voor joodse mensen, wat voor christelijke mensen de zondag is. De rustdag, de feestdag. Dan ga je naar de kerk en je gaat niet naar school of naar je werk. Zo gaan joodse mensen naar de synagoge, de sjoel. Pieter mag met Esther mee. Best spannend. Hij heeft een keppeltje op. Zo’n piepklein rond petje. Een soort omgekeerd schoteltje lijkt het wel, maar dan van stof. Het moet met haarspeldjes aan je haar vastgemaakt worden, anders valt het eraf. Het voelt wel heel anders aan, dan z’n pet. Bij een pet voel je, dat je wat op je hoofd hebt en er zit tenminste een klep aan, Maar het went. Het is best wel een flink stuk lopen naar de sjoel. Bij het binnenkomen worden ze verwelkomd door de chazan.

R

E

P M XE


Thora, Bijbel en Koran Bijna alle godsdiensten hebben ‘heilige boeken’. Daarin staan de verhalen, voorschriften, gedichten, teksten, menselijke ervaringen en Goddelijke openbaringen. Ze vormen de grondslag van die godsdienst. In het jodendom is dat de Tenach, die bestaat uit negenendertig hoofdstukken, waarvan de eerste vijf de belangrijkste zijn. Die noemen ze de Thora. In het Christendom is dat de Bijbel, verdeeld in het Oude- en het Nieuwe Testament. Het Oude Testament komt vrijwel overeen met de Joode Tenach. Het Nieuwe Testament gaat over het leven van Christus en zijn volgelingen. In de Islam is het heilige boek de Koran, gebaseerd op de openbaringen aan de profeet Mohammed. In de Koran vindt je een groot aantal personages en verhalen terug uit de Joodse Tenach en de christelijke Bijbel. Zoals Abraham/Ibrahim, Mozes en Jezus. Deze drie godsdiensten aanbidden allen één ‘opperwezen’. Die heet in het jodendom: Jahweh, in het christendom: God en bij de moslims: Allah. Omdat er zoveel overeenkomsten zijn worden ze ook wel de ‘drie Godsdiensten van het Boek’ genoemd. Het jodendom is verreweg het oudst. Het ontstond zo’n 30 a 40 eeuwen voor onze jaartelling. Het Christendom ontstond aan het begin van de 1e eeuw en de Islam in de 7e eeuw.

E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

E

Het bijzondere van de Torah/Tenach, dat die op ’rollen’ zijn geschreven. Eén lang vel papier, dat bij het ‘lezen’ afgerold en daarna weer opgerold wordt. Geen boek met bladzijden, zoals wij gewend zijn. Dat lezen gebeurt half-zingend (door de voorzangen, de Chazan’) Dat zie je in het filmpje waarin Esther en Pieter een bezoek brengen aan de synagoge. Ook het voorlezen uit de Koran gebeurt halfzingend. Er zijn zelfs wedstrijden, ook voor kinderen, wie dat het mooiste kan. Soms zelfs competities, in een groot stadion. Een Koranboek is vaak prachtig versierd. Het Christendom kent de traditie van het voorzingen niet. In het filmpje waarin Pieter en Esther een bezoek brengen aan de kerk, zie je hoe de dominee uit de bijbel leest, met een plechtige stem. Wel worden er veel liederen (Psalmen) met teksten uit de bijbel gezongen. Vandaar het grote orgel voor de muzikale begeleiding als honderden mensen samen zingen. Ook best mooi.

Een vriendelijke meneer. Chazan betekent voorzanger, Hij zingt in de kerkdienst. Soms samen met een koor maar meestal alleen. Als er voorgelezen wordt, dan gebeurt dat op een zingende toon. Eigenlijk net als in een moskee met de Koran. Maar dat weten Esther en Pieter niet. Ze hadden daar nog nooit van gehoord. Misschien bestond er toen niet eens een moskee in Rotterdam. 24


12

‘Dag Esther’, zegt de Chazan. ‘Dag Bram’, zegt Esther. Zij mocht Bram zeggen, want ze kende hem goed. ‘Ik heb mijn buurjongen Pieter meegenomen... Ik wil hem graag onze sjoel laten zien. Is dat goed? En morgen ga ik met Pieter mee naar zijn kerk!’ ‘Natuurlijk is dat goed, Esther. Welkom Pieter. Wat goed, dat jullie ook naar een kerk gaan. Zal ik jullie zo de Torah-rollen laten zien en daar uit voorlezen? Want dat is toch het belangrijkste in een sjoel!’ ‘Ja, zeker!’ zegt Esther. Pieter lijkt het heel interessant, al weet hij niet zo goed, wat hij zich daarbij moet voorstellen. Hij kijkt zijn ogen uit. Is dit nu een sjoel? Wel anders dan een kerk, maar eigenlijk ook weer niet. Ook hier zijn rijen met lange houten banken. Maar er is helemaal geen orgel. En de preekstoel of wat er op lijkt staat in het midden. De mensen zitten er omheen. Best grappig. Bram loopt naar een grote kast en doet de schuifdeuren open. Daar staat een hele rij van die grote rollen. Hele grote vellen papier , bedrukt en opgerold op een houten rol. Die zijn versierd, lijkt het wel, met mooie kettinkjes en zilveren plaatjes met inscriptie. De chazan haalt één zo’n rol uit de kast en draagt hem voorzichtig naar de grote lessenaar in het midden van de ruimte. Pieter en Esther mogen helpen met een stukje uitrollen. Dan begint de chazan met voorlezen/zingen. Hij wijst met een zilveren stokje aan, waar hij is. Beetje vreemd gezicht, van rechts naar links in plaats van omgekeerd! Als hij onderaan de bladzij is, wordt de rol aan de ene kant een beetje uitgerold en aan de andere kan een stukje opgerold. Na afloop wordt de rol weer in de kast gezet. Voorzichtig, bijna eerbiedig. Maar ja, het zijn dan ook de heilige boeken van de Joodse godsdienst.

R

E C E

E I S N

R A LA

E

P M XE

25


SCÈNE 6

13

‘Tof hoor, dat Pieter gisteren meeging naar de sjoel… Dan heeft hij ook eens gezien, waar ik elke sjabbes naar toe ga. “Hij vond het heel bijzonder”, zei hij. Het zingen vond hij mooi. Hij werd er soms een beetje droevig van en soms een beetje blij. Maar kan dat wel tegelijk? “’t Was wel heel anders dan in hun kerk,” zei hij. Nou, dat ga ik dan morgen meemaken!

E C E

E I S N

R A LA

Ik vind Pieter best leuk. Z’n vader en moeder ook. Die zijn zo aardig. Net een soort oom en tante. En dat kun je niet van iedereen zeggen hoor. Weet je… ik hoorde laatst…’ Esther gaat wat naar voren zitten en wat zachter praten. Op een toon alsof eigenlijk niet iedereen mag horen wat ze zegt: ‘Maar ja, ik kon het ook niet helpen, hoor, dat ik het hoorde. Moeten ze maar wat zachter praten of binnen gaan zitten.

R

E

P M XE

26


Vooroordelen Wat de tante van Pieter zei, was dat een ‘vooroordeel’? Wat is dat eigenlijk? Een oordeel is jouw goed- of afkeuring over iemand of over iets. ’Ik vind’, zeg je dan, ‘ik vind jou geweldig’ of ‘Ik vind het echt heel erg wat je nu zegt. Dat kun je niet maken’, enzovoort. Zoiets zeg je natuurlijk niet zomaar. Daar heb je een reden voor. Je hebt het ergens op gebaseerd. Maar als je een oordeel geeft, voordat je er zelf over hebt nagedacht of het wel klopt, dan spreek je van een vooroordeel. Vaak doe je dit omdat je uit gemakzuchtig anderen napraat. Daar kun je mensen onrecht mee aandoen. Vaak gaat het over groepen mensen. 'Belgen zijn dom', 'Nederlanders zijn krenterig'. Johan zegt: ‘Die Syrische jongens zijn stom, ze horen hier niet’, ‘Joden zijn onbetrouwbaar’, ‘alle immigranten zijn lui’. Zo plak je een etiket op mensen. Vaak onterecht. Er zullen best sommige immigranten lui zijn, maar daarom zijn ze het nog niet allemaal. En het is niet alleen oneerlijk, het kan ook

R A LA

P M XE

E

Wat de tante van Pieter zei en wat door zijn moeder werd overgenomen, waren voorbeelden van kwalijke vooroordelen en van napraten ‘als iedereen het zegt, dat zal het toch zeker wel waar zijn?’ Het gevolg was dat de familie van Esther bijna gevangengenomen en gedeporteerd werd naar een vernietigingskamp. Omdat de vader van Pieter wel nadacht en heel moedig was, konden ze net op tijd ontsnappen naar een onderduikadres Een goede manier om vooroordelen te voorkomen is nadenken en wachten om je oordeel te geven. Door mensen of een groep mensen beter te leren kennen wordt vaak duidelijk dat vooroordelen onjuist zijn en de mensen heel anders, aardiger en beter. Johan ontdekte dat: ‘die Syrisiche jongens zijn best aardig. En hij ging met ze kickboksen en trompetspelen.

E I S N

E C E

R

heel schadelijk zijn voor zo’n groep. Ze worden dan al gauw achtergesteld, afgezonderd, gediscrimineerd. Of ze krijgen de schuld van iets waar ze niets aan kunnen doen.

Het was zo: De tante van Pieter was op bezoek. Tante Nel. Die komt daar vaak. En die bemoeit zich met alles, zegt Pieter. Toen ze naar buiten liepen zei ze tegen de moeder van Pieter: “Zeg Sjaan, vind jij het nou wel goed, dat Pieter zo vaak omgaat met dat meisje van boven? Die zijn toch Joods…?” Pieters vader zei toen vanuit het huis: “Ja, die zijn Joods. Nou en?!” “Ach, weet je”, zei tante Nel, “Jodenmensen hebben zo hun streken en ze zijn niet betrouwbaar…’’ “Dat is klinkklare onzin Nel, ik wil niet, dat je dat hier nog een keer zegt”, zei Pieters vader toen op boze toon. Maar toen… toen zei Pieters moeder: “Nou maar misschien heeft Nel wel een beetje gelijk, man. Je hoort het toch overal zeggen over Joden. En dan zal er toch wel iets van waar zijn, toch?!” Oh, ik schrok daar zo erg van. Ze doet altijd zo aardig tegen ons. En nu zegt ze dit??!! Ik kon het echt niet geloven, wat ze zei. Maar... misschien heb ik niet goed gehoord. Want zij zaten beneden op de stoep en ik zat boven bij het open raam…’

27


SCÈNE 7

‘Ha Pieter, we gaan nu toch naar de kerk? Oh, zijn dat je zondagse kleren, die je nu aan hebt? Moet je die altijd aan als je naar de kerk gaat?’

E I S N

‘Nou, het moet van niemand, maar iedereen doet het. Dat hoort gewoon zo. En veel mensen vinden het leuk om te laten zien, hoe mooi ze eruit zien. Moet je mijn moeder zien. Altijd haar mooiste jurk. En mijn zussen. Die lopen ook zo te pronken, haha. Net pauwen, denk ik soms. Maar dat zeg ik niet hoor, want dan krijg ik ruzie. Maar laten we gaan. Het is hier om de hoek.’

14

E C E

R

R A LA

P M XE

Pieter en Esther komen de Avenuekerk binnen. Een mooie ruimte met hoge ramen. Het galmt, als ze wat zeggen. Links en rechts lange rijen met zitbanken. ‘Dat is mahoniehout’, zei Pieter.

E

‘Oh, hoe weet jij dat zo goed?’ vroeg Esther. ‘Nou, omdat mijn vader ze zelf gemaakt heeft. Hij is meubelmaker en heeft een eigen zaak. Van hetzelfde hout is ook die wand voor ons. Met de preekstoel en daarboven het orgel. Mooi he?!’ ‘Oh’, zei Esther. ‘Is dat nou een orgel? Komt daar muziek uit? En gaan die pijpen dan op en neer of zo, als er geluid uit komt?’ ‘Nee joh…’ ‘Maar zit daar nog iets achter Pieter?’ ‘Hoe bedoel je?’ ‘Nou achter die rijen orgelpijpen…’ ‘Oh, nog veel en veel meer pijpen’, zei Pieter. ‘Grote en kleine pijpen. Het gaat je bijna duizelen als je die allemaal ziet. En daarachter is een klein kamertje. Voor de organist of voor de orgelmaker.’ ‘Ik zie niks van een klein kamertje of zo’, zei Esther. ‘Best wel spannend.’

28


‘Nee, dat kun je van hieruit ook niet zien. …Kijk, en dit is het doopvont.’ ‘Wat is dat eigenlijk, Pieter, een “doopvont”?’ ‘Hier worden kleine baby’tjes gedoopt.’ Hij maakt met z’n hand een gebaar van dopen. ‘De kindjes hebben dan een mooie witte doopjurk aan en de vader en de moeder staan erbij als het gedoopt wordt. Ze noemen dan de naam van het kindje en dan hoort het echt bij God en bij de kerkgemeente.’ ‘Oh, wat lief ! En waarmee worden ze dan gedoopt Pieter?’ ‘Nou gewoon water uit de kraan, denk ik.’

E I S N

‘Da’s ook niet leuk voor die kindjes. Pieter.’ Ze fluistert nu: ‘Zullen we er een beetje limonade in doen? Dat is toch veel lekkerder voor die kindjes…?!’

E C E

R A LA

Op dat moment komt de dominee binnen. Hij ziet er indrukwekkend uit in zo’n lange zwarte toga. Rechters dragen die ook. De dominee ziet Esther en Pieter, knikt even naar hen en gaat dan de trap op van de preekstoel. Of kansel, zo noemen ze het ook wel. Boven sta je hoog boven de mensen, zodat iedereen je goed kan zien en horen. De dominee slaat het grote boek open, de Bijbel, en leest hardop de Bijbel).

R

P M XE

‘Gemeente, ik lees u vandaag voor uit het oude testament uit het boek Esther…’ “Esther had niet verteld uit welk volk zij stamde. Opnieuw wendde Esther zich tot de koning om het verderfelijke plan te verijdelen. De kleine bron is een rivier geworden met licht en zon. Deze rivier is Esther.”

E


Pieter en Esther snappen er niet veel van, maar het klonk wel erg mooi. De dominee komt de preekstoel weer af en gaat dan naar Pieter en Esther toe. Hij geeft hen een hand: ‘Dag Pieter, goed dat je er bent en dat ik je zie. Dit is je buurmeisje Esther?’ ‘Ja dat ben ik meneer de dominee. En ik ben joods.’ ‘Dat weet ik Esther. Dat weet ik. Heb je gehoord wat ik net uit de bijbel heb gelezen? Dat ging over het Bijbelboek Esther. Ook toevallig he?’ ‘Ja, dat verhaal ken ik heel goed hoor. Ik ben naar die Esther vernoemd. Best leuk eigenlijk.’

E C E

E I S N

Het verhaal van Esther

R

E X E

MP

Tijdens het bezoek van Esther en Pieter aan de kerk, leest de dominee voor uit ‘het boek Esther’. Dat is een deel uit een oeroude joods-christelijke boek, de ‘Tenach’ of het ‘Oude Testament’. Het verhaal gaat over het Joodse land dat in de vierde eeuw voor Christus veroverd werd door de Babyloniërs. Zoals alle overwonnen volkeren werden ze ‘gedeporteerd’ naar Babylon. Daar moesten ze gaan wonen. Ze zouden zich dan wel aanpassen, hun ‘joods-zijn’ opgeven en gewone Babelse burgers worden, zoals dat vrijwel altijd gaat met immigranten. Maar in dit geval niet. De joden werden zich juist extra bewust van hun eigenheid: hun taal, hun godsdienst, hun tradities. Ze mengden zich niet de Balyloniers. Ze bleven op zichzelf. Ze bleven anders. Dat beviel de Babyloniërs helemaal niet. Dat anders-zijn vonden ze bedreigend. Stel je voor als iedereen... Daarom schreef de Babylonische koning een wet, dat vanaf zekere datum alle joden door iedereen gedood en hun huizen en spullen ingepikt mochten worden. De Joden waren maar een kleine minderheid, dus ze waren in groot gevaar! De eerste Jodenvernietiging dreigde... Maar er kwam redding! En wel door de vrouw van de koning, koningin Esther. Die was zelf ook joods, maar dat wist bijna niemand. Ze was koningin geworden na een lange selectie, mede ook omdat ze heel mooi was. Ze had

30

R A LA

toen verzwegen, dat ze joods was. Anders zou ze nooit gekozen zijn. Als koningin was zij de enige, die direct toegang had tot de koning. Ze kon hem misschien op andere gedachten brengen. Ze had de kans en dus ook de verantwoordelijkheid om haar volk te redden. Maar het was wel een heel groot risico... Stel dat de koning zou zeggen: ‘Wat? Jij bent joods? En dat heb je mij nooit verteld? Jij gaat er nu aan!’ Misschien had hij in zijn boosheid wel zelf zijn zwaard gepakt… Maar Esther was moedig en ging! In haar mooiste gewaad, ze zag ze er lieftallig uit… De koning hield van Esther en had respect voor haar en voor haar moed. Hij had spijt van de wet en zag de onrechtvaardigheid ervan in. Hij kon de wet niet terugdraaien maar hij vaardigde direct een tweede wet uit om de eerste zoveel mogelijk teniet te doen. Zo werden de Joden gered van de vernietiging. Ze vierden hun ‘bevrijding’ met een vrolijk feest, het ‘Purimfeest’. Dat doen ze nog steeds, ieder jaar in maart… Sindsdien betekent de naam Esther ‘vrolijkheid, dankbaarheid, licht en vreugde’. ‘De kleine bron is een rivier geworden met licht en zon. Deze rivier is Esther.’


SCÈNE 8

15

Esther komt aanlopen Ze heeft haar jas aan met haar Jodenster erop. Op haar knie veel bloed. Ze loopt een beetje moeilijk. Pieter ziet haar aankomen en schrikt: ‘Joh, Esther, wat is er aan de hand? Ben je gevallen? En heeft niemand je geholpen?’ Esther, half snikkend: ‘Ik was aan het rolschaatsen, Pieter, in het Rozenburgpark. Maar iemand riep ineens heel boos en heel hard: “Het park is verboden voor joden”. Ik wist dat niet. Ze zagen natuurlijk de Jodenster op mijn jas. Het klonk zo akelig, Pieter. Ik schrok, struikelde met mijn rolschaats over een boomwortel en viel. Mijn knie bloedde. Ik ging op een bankje zitten om met mijn zakdoek het bloed tegen te houden. Maar die enge man, die riep: “Jij mag niet op dat bankje zitten, vies jodenkind. Straks besmet je ons nog”. Het was zo naar, Pieter. Een tijdje geleden hebben we er nog gespeeld, weet je nog? En nu dit… Zo akelig, Pieter. Alsof ik vies ben. Alsof ik ongedierte ben.’ Ze huilt.

E C E

E I S N

R

R A LA

E

P M XE

‘Mam, kom es gauw,’ roept Pieter. ‘We moeten Esther helpen. Ze bloedt helemaal! Het komt allemaal door die vreselijkeJodenster. Nu denken de mensen, dat ze van alles tegen haar mogen zeggen en lelijk mogen doen. Ach die ster, Es, weet je nog dat je er in het begin nog trots op was?’ ‘Ja, maar nou niet meer…’, snikt Esther. ‘Ik, ik mag niet meer in het Rozenburgpark komen...! Niet eens meer op een bankje zitten…! Niet meer naar dezelfde school gaan…! Niet meer naar vioolles…! Niet meer met de tram mee…! Niet meer in de bibliotheek komen…! Niet eens een fiets mogen hebben…! Alleen maar boodschappen doen tussen drie en vijf als er bijna niks te koop is…! 31


Straks mag ik niet eens meer in ons eigen huis wonen…!’ Ze zijn beiden even stil. Dan zegt Pieter: ‘Kom, Esther ik weet wat. We gaan naar grootvader, slager Van Linschoten. Stukje worst halen. Dan worden we weer een beetje vrolijk.’

E I S N

‘Ha opa!, daar zijn weer,’ roept Pieter opgewekt, als zij de slagerij binnenkomen.

16

E C E

R A LA

Opa van Linschoten ziet ze binnenkomen. Hij kijkt verschrikt en zenuwachtig als hij Esther ziet met de jodenster op haar jas. Hij is helemaal niet de vrolijke en breed lachende opa van anders. Wat is er aan de hand?

R

P M XE

‘Pieter, wat komen jullie doen?’ vraagt opa en kijkt schichtig rond naar de klanten in de winkel. Pieter en Esther kijken verbaasd. Ze weten niet hoe ze het hebben.

E

‘Alsjeblieft, hier hebben jullie allebei een stukje worst. En nu snel weggaan Pieter. En neem je joodse buurmeisje mee.’ Pieter en Esther gaan snel naar buiten. De slager zegt tegen de andere klanten in de winkel: ‘Als zo’n NSB-er dit ziet, dat er een joods meisje in mijn winkel komt en mij aangeeft, dan kan ik de zaak sluiten! Of ze arresteren mij. En waar moet ik dan van leven? En mijn vrouw en het personeel? Ach die ellendige oorlog toch. Nou moet ik mijn eigen kleinzoon en dat lieve meiske m’n zaak uitsturen… Anders komt er straks een steen door de etalageruit Oh, oh wat ellendig toch.’ Als Pieter en Esther buiten zijn kijken ze even om en dan ze zien pas het bordje op de winkelruit: “Verboden voor joden…” Nu begrijpen ze pas waarom opa zo onaardig deed.

32


De jodenster en de jodenvervolging Toen Nederland door het Duitse leger bezet werd, leek het er even op dat joodse Nederlanders niets te vrezen hadden. De Duitsers gedroegen zich vriendelijk. Was Duitsland niet een beschaafd land? Waren we niet een ‘broedervolk’? Dat zeiden ze zelf tenminste. En ja, er waren verschrikkelijke berichten over jodenvervolging, zoals in Oost Europa. Maar moest je die wel geloven? En trouwens de Nederlandse medeburgers zouden toch wel opkomen voor hun joodse landgenoten?! Zo werd er door de meeste mensen gedacht. Maar aan het eind van het eerste oorlogsjaar werd al duidelijk dat vooral joden het zeer zwaar te verduren zouden krijgen. Iedereen, die joods was , moest zich laten registreren en kreeg een letter ‘J’ in het paspoort gestempeld. Als je bij de overheid werkte, moest je een formulier invullen, wie van je collega’s joods was. Of waarvan je dacht dat ze joods waren. Die werden dan prompt ontslagen. Leverde je geen formulier in, dan werd je zelf ontslagen. Joden mochten niet meer met Nederlanders trouwen, mochten niet verhuizen, niet studeren, niet naar hun eigen school. Je had geen schijn van kans als je solliciteerde. Met ingang van 3 mei 1942 moesten alle joden (boven de zes jaar) een jodenster op hun kleding dragen. Veel niet-joden vonden dat belachelijk en gingen uit solidariteit ook een jodenster dragen. Maar dat was snel over. De straffen waren streng.

E I S N

E C E

R

ten’. Tja, wat doe je dan? Van concentratiekampen of vernietigingskampen hadden de meesten niet of alleen als gerucht gehoord. Of ze wilden het niet horen. Dus de meesten meldden zich, met hun koffertje bij het station. Maar vele anderen vertrouwden het niet en doken onder. Gingen vaak in het verzet. En ze hadden gelijk, want de treinen gingen regelrecht naar Westerbork in Drenthe. En vandaar naar vernietigingskampen, zoals Sobibor en Auschwitz, in Polen. Na aankomst direct de gaskamers in... Hun huis werd leeggeroofd (soms zelfs door de buren) en er kwamen andere mensen in te wonen. Door de registratie met de ‘J’s’ konden de bezetters wie zich niet gemeld had. Daar werd jacht op gemaakt door ‘razzia’s’. Midden in de nacht werd de straat afgezet en en ging men elk huis binnen. Kon je niet op tijd vluchten, dan werd je meegenomen, ‘gedeporteerd’, rechtstreeks naar het vernietigingskamp Ook de familie Polak werd ’s-nachts ‘opgehaald’, maar net op tijd ontsprongen ze dans. dankzij de vader van Pieter. Die hielp hen onder te duiken in de schuilplaats achter het orgel van de kerk. Esther wist niet waar ze naar toe ging en nam nog snel afscheid van Pieter : ‘We gaan op reis….’ zei ze. Maar een paar maanden voor de bevrijding werd Esther toch nog verraden en gedeporteerd naar Auschwitz.

P M XE

R A LA

E

Stap voor stap werden de joodse mensen afgezonderd van de rest van de bevolking. Er kwamen borden Joden niet gewenst. En korte tijd later: Voor Joden verboden. Dierentuinen, bioscopen en markten werden verboden terrein. Ze mochten niet meer in hun eigen huis wonen, maar werden gedwongen te verhuizen naar Amsterdam. Kregen ze een oproep: ‘Meld u op een bepaalde dag en tijd op het Centraal Station. Neem bagage mee voor een langer verblijf. Met een speciale trein wordt u naar een plaats in Duitsland gebracht om daar in fabrieken te gaan werken. Er zal goed voor u worden gezorgd!’ Onderaan stond: ‘Komt u niet, dan halen we u op en wordt u doodgescho-

Van de circa 140.000 joden in Nederland werden er 101.800 vermoord of kwamen door ziekte en uitputting om het leven. De nazi’s beschouwden Joden als een groot gevaar. In zijn beruchte boek Mein Kampf stelde Adolf Hitler dat de joden uit waren op de wereldheerschappij en dat ze leefden als een soort parasieten onder de volkeren. Hij zag hen als ‘onmensen’ als een minderwaardig ras, dat uitgeroeid moest worden. Heel Europa ‘jodenvrij’. Dit heeft ruim zes miljoen mensen het leven gekost. Ook van gewone kinderen als Esther 33


SCÈNE 9

17

‘Op een keer’, zegt opa Pieter… ‘Hoorde ik een gesprek tussen mijn moeder en vader’:

E I S N

‘Er was iemand aan de deur vandaag’, zei moeder. ‘Hij was “van de gemeente”, zei hij. Hij had een mooi uniform aan. Hij wilde een paar vragen stellen. Voor een buurtonderzoek of zo. Nou ja, waarom niet hè?’

E C E

R A LA

‘Pfff ’, zei vader. ‘En wat voor vragen dan wel?’

Hij leek niet zo geïnteresseerd te zijn. Hij keek niet eens op uit zijn boek.

R

P M XE

‘Of we tevreden waren met de buurt, of er ingebroken werd. En dat soort dingen. “Het zijn moeilijke tijden in de oorlog, mevrouw. Dan moeten we elkaar bijstaan en helpen”, zei hij. “Nou, dat is zeker waar”, zei ik.’

E

‘En dat was al?’ vroeg mijn vader, nog steeds niet geïnteresseerd. ‘Nou, hij vroeg ook over de buren. Of ze last gaven. “Vooral joodse mensen zorgden vaak voor overlast’’, zei hij. Ik vertelde, dat onze bovenburen joods waren. “Oh”, zei de man. “Kunt u daar iets meer over vertellen? Misschien kunnen we er wat aan doen”.’ ‘En heb je dat gedaan Sjaan? Heb je dat gedaan? En wat heb je hem verteld?’ Mijn vader ging ineens rechtop zetten en er klonk ongerustheid in zijn stem ‘Nou gewoon. Gezin met twee kinderen. De man zonder werk. Tja, waar leef je dan van hè, denk ik dan bij mijzelf. En vaak ’s-avonds en ’s-nachts op pad. Dan hoor ik hem pas heel laat pas thuiskomen. En dan dat gezang altijd op vrijdagavond, als hun sabbat begin. Dat gaat mij zo tegenstaan. Als het nu psalmen waren of gezangen, dan was het wat anders. En dan dat eten. Dat noemen ze “koosjer”. Maar het ruikt zo raar. Ach, het zijn best aardige mensen hoor. Daar niet van. Maar ik denk wel eens: horen ze hier eigenlijk wel in deze nette buurt?’ ‘Sjaan, heb je dat allemaal gezegd?’ vroeg vader. Hij ging er bij staan en klonk erg geschrokken.

34


R

E C E

E I S N

R A LA

E

P M XE

35


‘Ja, dat heb ik gezegd, want het is toch waar? Ik kan toch zeker niet gaan liegen?! Je moet altijd eerlijk zijn. Dat zeg je zelf ook altijd. Zeker christenmensen, zoals wij. Die aardige man bedankte netjes. “Hij wist genoeg’’, zei hij. “Voor zijn opruimactie’’. Nou dat laatste begreep ik niet zo goed. Er ligt toch geen rommel in de Voorschoterlaan. En mijn stoep is toch zeker altijd schoon? En netjes geboend?’ ‘Sjaan, Sjaan, waar zit je verstand? Denk na! Op-ruim-actie!’ Vader ging er bij staan en hij klonk erg geschrokken. ‘Goddank heb je niet verteld, dat hij in de joodse verzetsgroep Alberecht zit. Hij heeft veel aanslagen gepleegd en veel mensen bevrijd. Hij is een heel moedige man. Maar wel een van de meest gezochte mannen. Maar nu zijn ze hem op het spoor. Ik moet de Polaks gaan waarschuwen. Nu, gelijk! Ze zijn in groot gevaar!’

E I S N

Die avond lag ik in bed, Het was al nacht, toen ik wakker werd van het geluid van een vrachtwagen die stopte voor onze deur. Ik ging naar het raam en keek door een kiertje tussen de gordijnen naar buiten. Duitse soldaten stapten uit. Ze belden aan bij de Polaks. Bonsden op de deur. Niemand deed open. Toen trapten de soldaten de deur in. Ze bonkten naar boven. Stampten daar rond. Ik kon het goed horen. Tafels, stoelen werden verschoven. Bedden omgedraaid. Kasten vielen om. Even later kwamen ze weer naar beneden, de trap af. Ik was bang. Zo bang, dat ze de Polaks zouden arresteren en deporteren: Esther, vatter, mom en de kleine Ruben…

E C E

R

E

P M XE

R A LA

Ik hoorde ze roepen: ‘Verdammt noch mal, die Vögel sind geflogen!’ Toen reden ze met veel lawaai in de stille nacht weer weg. De vogels gevlogen…?

18

36


SCÈNE 10

‘Ha Johan. Daar ben je weer. Gezellig’ Johan is een beetje opgewonden. ‘Opa’, zegt hij. ‘Kijk eens wat ik gevonden heb op internet. Ik was aan het surfen voor mijn werkstuk. En toen vond ik dit; Een verzetskrantje! Ik heb het uitgeprint voor u. Ze noemen het een stensiel of zoiets. Weet u wat dat is?’

E I S N

E C E

R A LA

‘Nou en of ik dat weet! Een stencilmachine is eigenlijk een soort printer, maar zonder internet. Een soort mini-drukpers zou je kunnen zeggen. En die verzetskrantjes Johan, haha! Ik heb die zelf rondgebracht in die tijd. Spannend! Maar ook wel gevaarlijk hoor!’

R

E

P M XE ‘Opa vertel…’

‘Johan, je weet toch wel wat dat was, het verzet?’ ‘Ja, geheime inlichtingen verzamelen. Overvallen plegen. Mensen bevrijden uit de gevangenissen. Etensbonnen stelen. Helpen met onderduiken…’

‘Mooi, goed, dat je dat allemaal weet, Johan.’ ‘Er waren zeker wel veel mensen, die meededen in het verzet, Opa?’ ‘Nou…, dat viel best tegen Johan. Het was gevaarlijk. Er was veel moed voor nodig, Ja, tegen het eind van de oorlog, toen het duidelijk werd, dat de Duitsers de oorlog gingen verliezen. Ja-a-a, toen kwamen er ineens veel “helden”. Maar in begin durfde bijna niemand.’ ‘Maar opa, wat deed u nou met die krantjes?’ ‘Die werden in het diepste geheim gedrukt. Johan. Met zo’n stencilmachine. En daar stond 37


het ware nieuws in. Vooral over hoe de oorlog nu echt verliep. Want in de gewone kranten stond alleen maar nepnieuws. Wat de Duitsers ons wilde laten geloven. Die krantjes moesten allemaal bij de mensen thuis bezorgd worden. Zonder dat iemand het zag natuurlijk. Je kon ook niet zomaar een stapeltje van die krantjes onder je arm meenemen. Maar daar had ik iets slims op gevonden… Kom maar kijken.’ Opa loopt naar zijn oude fiets, die hij al die tijd in het schuurtje had bewaard. ‘Kijk Johan, hier verborg ik mijn krantjes.’ Hij trekt het zadel eraf en laat zien, hoe het opgerolde krantje in de buis van het frame past. ‘O, wat slim. Als je het niet weet, dan zie je het niet’, zei Johan.

E I S N

‘Precies! En zo fietste ik langs alle adressen op m’n lijstje: Tralala, dit is een jongen, die gewoon voor zijn plezier een stukje aan het fietsen is. En als ik dan bij zo’n adres kwam, keek ik eerst goed om mij heen. Als er niemand keek, dan… “hopla”, snel een krantje in de brievenbus. En fietste ik… tralala… weer verder.’

E C E

R A LA

‘Maar opa, als een Duitse soldaat u zag…?’

R

‘Ja, dan zag het er somber voor mij uit. Dan werd ik gearresteerd! Maar ja, dat was het spannende… En daarbij had je het fijne gevoel, dat je ook iets deed voor het land en

Het verzet

E

P M XE

In het begin van de oorlog was het Duitse leger bijna onoverwinnelijk. Zo leek het wel. In 1942 hadden ze bijna heel Europa veroverd. Kijk maar op het kaartje. Best begrijpelijk, dat veel mensen dachten: laten we er ons maar bij neerleggen dat ze ons land voor altijd bezet zullen houden. Laten we maar vast Duits gaan leren. Je verzetten is zinloos. En heel gevaarlijk bovendien. Er was toen veel moed voor nodig om te blijven geloven in een toekomst van vrede en vrijheid. Wat mooi, dat die mensen er waren! Ze gingen als het ware terugvechten. ‘Verzet plegen’ heette dat. Vaak waagden ze hun leven. In het begin hield dat vooral spioneren in, het verzamelen van geheime informatie over het Duitse bezettingsleger en dat doorgeven aan de Engelsen. Later werd het sabotage, overvallen om gevangenen te bevrijden, of om voedselbonnen te stelen voor onderduikers. Want zonder bonnen was er geen eten. Of om identiteitsbewijzen te vervalsen en mensen in veiligheid te brengen.

38

Halverwege de oorlog werd het steeds duidelijker dat Duitsland aan het verliezen was. Rusland rukte op vanuit het oosten en Engeland/Amerika/Canada, (de ‘geallieerden’) vanuit het westen. De mensen hier hoorden dat via verzetskrantjes die in het geheim werden verspreid. Daardoor gingen ze er weer in geloven. Het gaf hen moed om ook in het verzet te gaan. Aan het eind van de oorlog waren dat er ineens velen. Maar zouden die het misschien niet ook doen om na de bevrijding als ‘verzetsheld’ bewonderd te worden?


voor de bevrijding. Net als mijn vader in het verzet. En ik wilde ook iets doen. Gevaarlijk? Ach, iedereen ging ervan uit, dat kinderen niet zo gauw zouden worden gearresteerd. Maar toch… Mijn moeder vond het wel eng, hoor. Bij het bidden na het eten, vroeg ze altijd aan God of Hij Pieter wilde behoeden en beschermen. En elke keer weer veilig thuis brengen…’ ‘Maar één keer, Johan, één keer ging het mis. Dat dacht ik echt. Ik ben toen zo bang geweest…’ ‘Wat gebeurde er toen, opa?’ vraagt Johan, die dit eigenlijk wel mooi vindt.

19

E I S N

E C E

R A LA

‘Nou ik kom aanfietsen, hier in de Annastraat, ik zet mijn fiets tegen de heg, kijk goed of niemand mij ziet en doe een krantje in de bus. Net als altijd. Maar op dat moment, oh ik had het niet meer… Zie ik ineens een Duitse soldaat. Hij ziet mij ook en komt op mij af…’

R

P M XE

E

‘Ah, Jungmensch, dieses rad gehört dir? Dieses fiets is van jou?’ ‘Ja, herr soldaat, das ies mein fiets, main rad…’

‘Und was machts du denn so? Wat bain jai aan het doen?’ ‘Ik, ich fiets hier in de buurt Ich wohne hier nabai’. ‘Ach so. Ach so…’ Dan begint de soldaat aan het zadel te draaien en probeert het omhoog te trekken. ‘O nee, o nee hè. Straks trekt hij het zadel eruit, ziet hij de krantjes en dan ben ik er bij…’ ‘So Jungen, nun steht den Sattel auf guter Höhe. Noen kan jai beter fietsen, als zadel staat hoger.’ De soldaat knikt vriendelijk naar mij, draait zich om en loopt weg. Ik voel mij ineens helemaal opgelucht. En blij. Ik roep naar de soldaat: ‘Oh, meneer soldaat, dank oe wel, danke schon.’

39


SCÈNE 11

‘Johan, heb jij wel eens van onderduikers gehoord?’

E I S N

‘Ja, opa, mensen, die in schuilplaatsen verstopt waren, omdat ze anders groot gevaar liepen om gearresteerd en vermoord te worden.’

E C E

R A LA

‘Precies, dat heb je goed gezegd, Johan. Denk maar aan Anne Frank. In hun achterhuis in Amsterdam. Onderduiken was geen pretje hoor. Je kon geen kant op. Altijd maar stil zijn. Jezelf niet verraden. In angst zitten dat anderen je misschien verraden. Altijd het gevoel, dat je iemands anders eten opat, iemands anders plek innam. Nee, niet fijn.’

R

P M XE

‘Hadden jullie ook onderduikers in huis, Opa?’

‘Nou niet in huis, maar wel dichtbij…’ Er speelt een klein lachje om opa’s mond.

E

‘Hûh? Hoe bedoelt u, opa?’

‘Ik zal het je vertellen, Johan. Op een avond lag ik in bed en kon niet slapen. Ik hoorde mijn vader en moeder beneden bezig in de keuken. Beetje raar. Deden ze anders nooit. Ineens rook ik etensgeuren: ze waren dus aan het koken! Het rook lekker. Ik had altijd wel een beetje honger. Veel te eten kregen we niet. Maar helemaal raar was, dat we er de volgende dag niets van kregen. Alsof ze helemaal niet gekookt hadden! Een paar dagen later gebeurde het weer. En weer. Ook hoorde ik ze toen na het koken zachtjes de deur uitgaan en later weer thuis komen. Dat was toch echt raar! Ik dacht: hier wil ik meer van weten! Maar vragen durfde ik niet. Toen dacht ik: ik ga stiekem achter ze aan, zodat ze mij niet zien, om te kijken waar het eten blijft. Ik dacht, dan kan ik beter mijn 40


kleren aan houden als ik naar bed ga, dan kan ik er gelijk achteraan, als ik de deur dicht hoor slaan…’

20

Het is avond. Moeder komt Pieter welterusten zeggen. ‘Slaap lekker Pieter’ en ze geeft hem een kus. Maar dan ziet ze, dat Pieter z’n kleren nog aan heeft. ‘Pieter, je hebt je kleren nog aan’, zegt ze. O jee, wat moet hij nu zeggen… Met een bibberend stemmetje zegt hij: ‘Maar mam, ik heb ’t zo koud…’ ‘Ja Pieter, dat hebben we allemaal. Er zijn geen kolen meer voor de kachel. Het is oorlog. Nou kruip maar goed onder de dekens, dan krijg je het wel warm. Slaap lekker, Pieter.’ Zij gaat naar de keuken om het pannetje eten klaar te maken. Even later verlaat ze heel zachtjes het huis, door de voordeur met het pannetje in de hand. Er branden geen straatlantaarns. Ze kijkt goed naar links en rechts of niemand haar ziet en verdwijnt dan in het donker van de avond rechtsaf de Annastraat in. Maar hoe zacht ze ook doet, Pieter hoort de voordeur sluiten. Hij springt uit bed, gaat snel het tuintje in, naar het geheime paadje tussen de schuttingen. Voorzichtig doet hij het houten hek een kiertje open en kijkt de Annastraat in. Hij ziet nog net zijn moeder de hoek omslaan naar de Avenue Concordia. Hij rent er snel naar toe en kijkt voorzichtig om de hoek. Daar ziet hij zijn moeder de zijdeur van de kerk binnengaan. Pieter wacht even tot ze binnen is en loopt er dan snel naar toe. Maar helaas, hij staat voor een gesloten deur. Probeert naar binnen te kijken, maar ziet niks. Teleurgesteld gaat hij weer terug. Naar z’n bed. Maar hij weet nu wel, waar het eten blijft!

E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

E

‘Johan, ik wist niet wat ik hier van denken moest. Ik durfde het niet te vragen. Liep er mee rond. Maar mijn vader zag het aan mijn gezicht en vroeg: “Pieter, is er iets?’’ Toen dacht ik: ik vertel gewoon alles. Van wat ik gezien had en wat ik dacht.’ ‘Toen werden ze zeker wel boos...?’ ‘Nee, Johan, dat werden ze niet. Dat viel eigenlijk mee. Ze vertelden, dat zij zorgden voor onderduikers! En weet je waar die verborgen zaten…? Ik was zo verbaasd, toen ik het hoorde…!’ 41


‘Achter het orgel in de kerk?!’ ‘Ja inderdaad! Goed geraden gozer! Daar in die kleine ruimte, het kamertje van de orgelstemmer. Maar ik was nog verbaasder…, stomverbaasd…, toen ze vertelden wie die onderduikers waren. Oh, ik kon wel springen en juichen en zingen tegelijk Zo blij was ik toen ik het hoorde…’ ‘Vertel opa! Zeg het!’ ‘Het was de familie Polak, Johan! Onze bovenburen! Mom, vatter, de kleine Ruben en natuurlijk Esther! Esther! Wie had dat kunnen denken?! Ik had ze al zo gemist en niemand wist waar ze gebleven was. Ik vroeg natuurlijk gelijk of ik naar haar toe mocht. Maar dat mocht niet van mijn vader…’

E I S N

‘Pieter, dat is veel te gevaarlijk’, zei hij. ‘Als mensen zien dat je daar vaker in en uit gaat, dan…’

E C E

R A LA

‘Ja maar ik ben natuurlijk heel voorzichtig Pap, Net al bij het krantjes rondbrengen.’ ‘Ja, maar toch wil ik het niet hebben, Pieter, hoor je?! We vinden het eigenlijk al veel te gevaarlijk, dat je het weet.’ ‘Maar wat moet ik dan zeggen, pap, als de mensen vragen of ik weet, waar de familie Polak is gebleven?’

R

E

P M XE

‘Dan zeg je, Pieter, eh… dan zeg je… dat je dat, eerlijk waar niet weet… Dat ze op een dag zomaar vertrokken waren. En dat er nu andere mensen in hun huis wonen.’ ‘Oh. En mag ik vertellen, dat Esther aan mij haar viool heeft gegeven om te bewaren?’ ‘Ja dat is goed Pieter. Vertel dat maar, laat de viool maar zien. Zeg maar, dat ze plotseling op reis gingen….op reis…’ ‘Maar pap, wat gebeurt er als ze ontdekt worden op hun schuilplaats?’ ‘Dan Pieter, dan worden ze door Duitse soldaten opgehaald en afgevoerd. Ge-de-porteerd. In zo’n militaire vrachtwagen, weet je nog wel?’ ‘En waar worden ze dan naar toe gebracht, pap?’ ‘Dat, eh… dat weten wij ook niet… eh zo precies Pieter. Wel weten we, dat het, dat het… maar laten we het er maar niet over hebben. Het is te erg…het is te erg…’

En toen kwam mijn moeder met een heel goed idee, Johan. Ze zei: ‘Maar Pieter en Esther kunnen wel briefjes naar elkaar schijven. Die nemen wij dan mee als we het eten gaan brengen. Dat was ontzettend lief van haar.’ ‘En dat hebben jullie gedaan?’ vroeg Johan. 42


SCÈNE 12

21

E I S N

gevoel, Ha Esther. Ik vind het toch zo’n fijn veilig in de joh, Dat jij, vatter, mom en Ruben nu . Echt… schuilplaats achter het orgel zitten g, “Op reis”. Weet je, jullie waren toen ineens we rde niks meer En ik wist ook niet waarheen. Ik hoo schien is van je. Ik werd bang. Ik dacht: mis Esther wel dood.

E C E

R

R A LA

E

P M XE

Hoi Pieter, Nee hoor, ik ben nie t dood. Gelukkig niet ze g. Echt mazzel tof, dat ik nu hi En zo dicht bij er zit. ons oude huis n o g w el . Weet je nog, to samen een keer en we in deze kerk w a re n ? En dat jij ve het kamertje a rtelde over chter het orgel ? H ih i. Leuk he, dat w e nu briefjes na ar elkaar kunn Ik heb hier niem en schrijven. and om mee te p raten. Ja, mom Maar daar ben en vatter. ik een beetje m ee u itg epraat. Kun jij een raa dsel sturen?

43


el. Het staat op Ha Es, hier is het eerste raads de achterkant van dit briefje. op je viool hoor…! En o ja, ik pas nog steeds goed Eh, pardon: Fidel. e dag. En het afscheidsliedje zing ik elk Tot je weer terug komt. Nou Piet, jouw raadsel vin d ik echt te moeilijk hoor. Ik geef een raadsel voor jou aan je moeder mee. Lief hoor, dat ze toch elke dag eten komt brengen. Maar Pieter, het is zo we inig. We doen extra lang ov er het eten. Dan heb je het gevoel, dat het meer is. We gaan er ook echt voor zitten en dekken de tafel. We zeggen dan: “we gaan dineren”, ha ha.

E C E

E I S N

R

R A LA

E

P M XE

zelf en hoor. En ik moet het Ja, Es, hier ook weinig et een op de fiets helemaal naar n re te Gis k. oo len ha an ga ee weest. Da’s ver hoor. Tw ge nd rla ije Be d Ou in rij boerde n pont! Mijn moeder gaf ee keer overvaren met de er len. Maar volgens mij zat envelopje mee om te beta Want l haar gouden trouwring. we n hie sc Mis in. ld ge en ge slank . Haar vingers waren te om er me t nie ze t ef he die ring telkens af. Maar ik de l vie n Da , ze i ze , en geword geloof dat niet echt. 44


dat an je Piet, v f halen. e li t a w Oh, ns eten te o r o o v m o in de atlas n at fietsen e a k g ij r k e n v e o v z je ocht e t gest ver! Ik m e b is d n van al da n e g la ij r r e k ij e n B re Oud l. eel spie de kerkzaa e zal wel v in J . n r e te g s e o w k ar be van de ken e alleen ma w n e n ver de ban n o u k n r E . ie n H e . k n fiets kerkba oos als n rond de e n n re s er wordt b je tt a V i. Rond ih h ziet, dan iemand het a i maken, n a w ls la A . ie n ll e e ju h g n: “Als n”. Het ma Hij zegt da e d t. ie ra r z e t v a d e hij en w in de dat en word n re e d nd anders n a a m ie n t horen a d eten, we zeker w op slot. alleen, als an binnen v n re u e d t… alle eel stil. Ga H . n kerk is. En ij z il t n, s aar stil zij En altijd m

E I S N

E C E

R

R A LA

P M XE

E

Wat rott ig voor je Es, om z te zitten o opgeslo . Maar hie ten r is het dereen h ook niet eeft hon fijn. Ieger. Som zijn net mige kind een lope eren nde gera En al die a m t e mooie bo , zo mag men in d er. zijn stiek e V oorschot em omge erlaan hakt… V de kache oor bran l. dhout in In het sc hoollokaa l vriest h van de k et. Kinde ou in slaa ren valle p. De juf wakker. n maakt z Ze is ba e d n g a , n dat de k gaan. In snel een ande inderen d r a e n klas is d beurd... O dood at al een h..., ik ho s o p zo, da geeen keer t die oor zal opho lo g u eindelijk den. O ja, de slagerij v an opa V an Linsch Geen vle oten is d es meer icht. .

Wat erg Pieter. Van die kindjes in de klas die dood gaan. En wat rottig voor je opa, de slager. Maar al is het winterko ud, het wordt ook weer lente, hoor. Als ik hier uit het raam kijk, zie ik al knopjes groeien in de takken van de bome n. Op de binnenplaats va n de kerk staat nog een boom. Een mooie. Hij kr ijgt straks bloesem. Maa r oh, Pieter, wat zou ik graag willen, dat die ellen dige oorlog voorbij gaat . Ik zou zo graag vrij wille n zijn. Niet meer opgeslo ten in een hok. Vrij wil ik zijn. Alles mogen. Niet meer die akelige jodenste r. Vrij, dat wil ik zijn!!

45


SCÈNE 13

22

Johan komt binnenstormen bij opa, beetje opgewonden. Hij heeft in het fotoalbum van opa foto’s van de bevrijding gevonden. ‘Oh, opa kijk, kijk! Zijn dat de bevrijders? Zijn de Duitse bezetters nu eindelijk verslagen?! Is Nederland nu echt vrij?! Oh, kijk nu toch, wat een feest!’

E C E

E I S N

R

P M XE

R A LA

‘Ja Johan, zo zag de bevrijding eruit. dat was de bevrijding! Het zat er al aan te komen, natuurlijk, maar tot op het laatst werden er nog mensen opgepakt. Kijk de pantservoertuigen en de soldaten van het bevrijdingsleger van Amerikanen en Canadezen. Met bloemen versierd en met vlaggen; Iedereen klom erop, je zag haast de Canadese soldaten niet meer, haha! Ze reden over de Beneden-Oostzeedijk, ook door onze Voorschoterlaan, over de Oudedijk. Ze zorgden, dat de Duitse soldaten ontwapend werden en afmarcheerden. O, o, wat was iedereen blij. Iedereen zoende en omhelsde elkaar. Ook al kende je elkaar helemaal niet. En al die feestelijke rood-witblauwe vlaggen. In vijf jaar hadden we die niet meer gezien. Verboden! En nu waren al die vlaggen met die akelige hakenkruisen in een klap verdwenen. Ook nu nog Johan, 75 jaar later: als ik een rood-wit-blauwe vlag zie, word ik weer blij en voel mij vrij!

E

46


E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

E

We leven in een heerlijk land, Johan.’ Iedereen vierde feest. Toen schoot mij ineens te binnen, dat ik trompet kon spelen. Had ik twee jaar niet gedaan. Ik haalde mijn trompet van zolder en ja, ik kon het nog! De cancan! Een vrolijk wijsje. Iedereen lachte. 47


‘Toen Johan, toen zei mijn moeder ineens: “Hé kijk nou! Wie hebben we daar: de bovenburen! De Polaks!” Ja die konden hun schuilplaats achter het orgel verlaten. En het eerste wat ze deden, was een groot boeket bloemen plukken om als eerste mijn vader en moeder te komen bedanken: “Oh, lieve Sjaan, beste Karel, jullie hebben ons leven gered! Zonder jullie…” Ze huilden, ze omhelsden mijn ouders. Iets wat ze nog nooit hadden gedaan. Ze huilden van ontroering en van dankbaarheid.’ ‘Maar ineens bedacht ik mij: Waar is Esther eigenlijk? Waarom is zij er niet bij. Ik kreeg een naar gevoel: Waar is Esther? Ik riep: Waar is Esther? Ik schreeuwde: Waar is Esther? Zeg het…!’

E I S N

Toen kwam de vatter van Esther naar mij toe. Zijn gezicht stond niet meer blij, maar droef. Geschrokken zei ik:.

E C E

R A LA

‘Ah, vatter, waar is Esther? Ze was toch veilig bij jullie. In de schuilplaats achter het orgel?!’

R

Toen nam de vatter mij in z’n armen en zei: ‘Pieter, ik zal het je vertellen: Esther is dood…’

P M XE

Het voelde alsof ik verlamde en fluisterde: ‘Esther, dood?!’ Het gefeest en de muziek om ons heen ging door, maar ik hoorde het niet meer. Esther dood!

E

Vatter zei: ‘… Als ik had geweten… als ik het had geweten, dan… dan had ik het nooit goed gevonden. Weet je Pieter, als er niemand in de kerk was, mocht Esther in de kerkzaal spelen, maar wel heel stil!’ ‘Ja, dat weet ik vatter, muis- en muisstil… zei ze zelf…’ ‘Maar op een dag, Pieter, het is nog maar zo kort geleden…. op een dag…. ging het mis…’

…Esther ligt te slapen in de schuilplaats achter het orgel. Van daar uit kon ze in het middelste van het orgel kijken met al die duizenden pijpen. Ze droomt en hoort muziek uit al die orgelpijpen en pijpjes komen. Ze lijken telkens even omhoog te komen. Zo grappig. Een mooie melodie en dansmuziek. De orgelpijpen lijken te zeggen: dans Esther, dans op onze muziek. Esther deed haar mooie donker-

23

48


blauwe jurkje aan, met de lichtblauwe omslagdoek, die zo licht is dat hij opwaait als je danst en waar het licht dan zo mooi doorheen schijnt. Je voelt je dan een soort van lichtgevende wolk. Esther gaat op zoek naar wie de muziek speelt en vond de organist achter zijn indrukwekkende toetsenbord. Vanuit zijn ruimte kun je door de kijkgaatjes de kerkzaal in kijken. Daar beneden ziet Esther haar eigen harp staan, waar ze thuis op speelde. De harp wenkte: Kom Esther, speel op mij! Ze gaat de lange trap af, komt in de grote kerkzaal, gaat zitten aan de harp, bespeelt de snaren en speelt de melodie met het orgel mee. Het lijkt als vanzelf te gaan en het klinkt zo mooi in die grote kerkzaal. Zo eindeloos mooi... Eerst samen met het orgel en

R

E C E

E I S N

R A LA

E

P M XE

49


dan alleen. Dan ineens hoort ze zachtjes een viool. Hij speelt dezelfde melodie. Zo mooi: harp en viool. De violist komt naar haar toe en gebaart: Dans Esther. Dans. Dan speel ik verder. En Esther danst en danst de kerkzaal door. Ze draait en wervelt op de muziek De omslagdoek waait op, de zon door het hoge raam schijnt er doorheen. Een droom, een prachtige droom. Ze zweefde bijna. Als een lichtgevende wolk. Ze hoorde in de verte Pieter zingen op de melodie van de viool: Vrij, dat wil ik zijn, vrij dat wil ik zijn. Niet opgesloten in ‘n hokje klein. Vrij, dat wil ik zijn, vrij dat wil ik zijn. Spelen, zingen, dansen in de zon. Alle banken zijn gevuld met kinderen, die ook ondergedoken zaten. In kleine hokken. Ze zingen allemaal mee. Ze willen ook vrij zijn. De viool speelt, Esther danst, de zon schijnt door de ramen met de mooie kleuren. De hele kerk zingt. Het is prachtig. Je kunt het buiten horen…

E C E

E I S N

R A LA

Toen ineens werd er hard op de kerkdeuren gebonsd door Duitse soldaten: ‘Aufmachen, schnell! Opendoen, nu! Es sind hier Juden verborgen! Er zijn Joden hier binnen.’ De viool is gestopt, er zijn geen zingende kinderen, de zon schijnt niet meer…

R

P M XE

Het is donker in de stinkende treinwagon, waar Esther door de soldaten in wordt gegooid. Vol met andere mensen en kinderen, allemaal met een Jodenster. Huilend en moederziel alleen. Amper plaats om te zitten of te liggen. Niets te eten of te drinken. Twee lange dagen en nachten duurde de reis, deze kwelling. Ze hoort het eindeloze tikken van de wielen op de treinrails. Op de derde dag mindert de trein vaart en stopt. Knarsend gaan de schuifdeuren open. Verblind door felle schijnwerpers kijkt ze naar buiten: een donker gat. Soldaten schreeuwen: ‘Aussteigen! Er uit komen! En snel!’ Maar Esther en de andere kinderen zijn helemaal verstijft. Ze worden er ruw uitgerukt. Waar zijn ze beland? Ze lopen,

E

50


strompelen, kruipen. Voortgejaagd door de soldaten. In de richting van een gebouw met een schoorsteen. De brandlucht wordt sterker en sterker… ‘Waar was dat, vatter, waar Esther naar toe werd gebracht?’ vroeg Pieter zachtjes. ‘Pieter’, zei vatter met tranen in zijn stem, ‘dat was “Auschwitz”. Het vernietigingskamp. Na aankomst werd Esther daar direct vergast. Haar lichaam werd verbrand.’ ‘Dus dat was het eindpunt van haar reis… Een enkele reis…’ Het bleef stil na deze afschuwelijke boodschap. Toen zei vatter: ‘Pieter, wij denken, dat je pas echt dood bent als je vergeten bent. Als niemand meer aan je denkt… Bij niemand meer in z’n geheugen bent. Wat was het laatste wat je van Esther zag, Pieter? Waardoor je altijd aan zal blijven denken…?’

E I S N

‘Dat ze haar fidel aan mij gaf, vatter. Die moest ik voor haar bewaren: “Totdat ik weer terug ben, Pieter”, zei ze nog.’

E C E

R

‘Heb je haar fidel nog Pieter?’

P M XE

‘Natuurlijk, vatter! Kijk!’ Pieter komt met Esther’s fidel. Die hing al die tijd aan de muur. Op een vaste plek. ‘Hoor Pieter’, zegt vatter. ‘Ik speel op Esther’s fidel. Denk aan Esther, Pieter. Denk aan haar vrolijkheid. Hoor haar muziek. Wees blij, zing, dans! Zo blijft Esther levend…’

E

24

R A LA

Vatter speelt eerst de afscheidsmelodie, die Esther speelde bij de voordeur. ‘Het wijsje, wat ik altijd zo mooi vind’, zei Pieter toen. Vatter laat de melodie langzaam overgaan in de vrolijke dans-melodie uit de kerk, die Esther hoorde in haar droom. Op het orgel, op haar harp en daarna op de viool… Wat klinkt dat mooi. Het lijkt net of Pieter Esther aan ziet komen. Dansend, in haar mooie donkerblauwe jurk met de mooie lichtblauwe omslagdoek. Die wapperde omhoog en het licht scheen er doorheen. Als een lichtende wolk. Esther wenkte naar Pieter, alsof ze zeggen wilde: ‘Kom Pieter, kom en dans met mij mee…’ Ze dansten samen en zongen: ‘Vrij dat wil ik zijn, vrij, dat wil ik zijn, spelen, zingen, dansen in de zon.’ Ze dansten en dansten samen het grote licht tegemoet…

51


SCÈNE 14

‘Het zal je maar gebeuren’, mijmert opa in zijn stoel in het schemerlicht. ‘Zomaar weggerukt worden. Niemand, die je helpt. Niemand, die je beschermd. Afgevoerd, vernietigd, verbrand… Als vuilnis… Alleen maar omdat je anders bent. Je zult maar in een joods gezin geboren zijn. Of als Tutsi tussen Hutu’s. Of als Yehidi tussen Arabieren. Of als christelijke Kopt tussen Moslims. Of als Rohingya-moslim tussen Boedhisten, of als… Altijd zijn minderheden de klos.’

E C E

E I S N

‘Ha daar hebben we Johannes!’.

R

R A LA

P M XE

‘Opa, ik heet Johan, dat weet u best.’

‘Okay, okay, Johan.’ Johan, hoe ging het met je presentatie? Ik ben heel benieuwd? Hebben ze geluisterd? Of er doorheen geschreeuwd? Enne…, een goed cijfer gekregen?’

E

‘Een tien opa, een tien! Een tien-plus!’ ‘Zo-o! Dat is geweldig, gozer!’ Opa en Johan geven elkaar een “high five”! ‘Ik ben trots op je, Johan. Vertel! Hoe heb je dat voor elkaar gekregen? Eh, je hebt zeker wel veel aan mijn verhaal gehad…?’ ‘Ja en nee opa…. Eigenlijk heb ik maar heel weinig verteld over de oorlog zelf. Over de Duitsers, over het bombardement, het verzet, het onderduiken…’ ‘Oh,… maar waarover dan wel?’ vraagt Opa. Hij kijkt een beetje teleurgesteld. Hij had zo z’n best gedaan om aan Johan een mooi verhaal over de oorlog te vertellen.’ ‘Ik heb verteld over Esther. Dat het zo’n leuke meid was. Maar dat zij toch vergast en vermoord is. Om niks. En zij niet alleen. Miljoenen anderen ook. Alleen omdat zij..., omdat de mensen vonden dat zij anders waren: joods, gehandicapt, homo, zigeuner, blind. En dus anders. Minder. Minderwaardig. Eng! Alles wat eng is, moet weg. Moet dood!’ ‘Ik heb ook gezegd, Opa: dat was niet alleen toen. Straks is Amina Esther. Of ik! Of zijn

52


Amir, of Hamza, of Ahmed, of Reda... Esthers.’ ‘Krijgen ze ook zo’n soort ster. Het kan allemaal zo weer opnieuw gebeuren, Opa. Als we niet uitkijken. Als we niks doen. Als we maar blijven denken, dat “anders” eng is, minder, weg moet...’ Het is even stil. Het klinkt indrukwekkend... Alsof Johan het niet alleen tegen opa zegt, maar tegen veel meer mensen. Tegen alle mensen… ‘Wie zijn dat eigenlijk?’ vraagt opa zachtjes, ‘die… die je net opnoemde?’ ‘Dat zijn die vier Syrische jongens in mijn klas, Die toen zo lelijk deden en tegen mij zeiden: “We weten jou wel te vinden…” U vroeg toen nog aan mij: Ken jij ze eigenlijk wel? Weet je hoe ze heten? Wie ze zijn?’

E I S N

‘Ja, ja, dat vroeg ik’ ‘Ze zijn eigenlijk heel aardig , opa. Ze deden toen zo lelijk, omdat ze met elkaar stoer wilden doen. Ze konden niet anders, kenden niemand. Eigenlijk waren ze bang. Alles was hier anders en vreemd voor ze. Veel mensen deden lelijk tegen ze omdat ze anders waren. Uit Syrië kwamen. Moslim waren. Eigenlijk was ik ook bang voor hen. Ik heb geroepen: “Het zijn klootzakken. Ik praat niet met ze. Oprotten naar hun eigen land”. Daar heb ik nu toch zo’n spijt van Opa… Het zijn nu vrienden.’

R

E C E

E

P M XE

R A LA


E C E

E I S N

R

E

P M XE

54

R A LA


‘O ja, ik heb nog wat gezegd Opa. U vertelde, dat de mensen boos waren, dat Nederland niet neutraal kon blijven, zodat het leven gewoon door kon gaan. Dat was dom, Opa, ze hadden het gevaar kunnen zien aankomen, als ze opgelet hadden. Nu zijn er weer grote gevaren: klimaatverandering, cyberoorlog… Nu zijn er weer mensen, die het gevaar niet zien en denken, dat hun leven door kan gaan… Dat ze neutraal kunnen blijven. In plaats van dat ze opletten en er iets tegen doen…’ Johan kijkt op zijn horloge. ‘Oh, ik moet weg opa. Ik ga met Amir en Hamza kickboksen. En daarna ga ik met Reda trompet spelen. Want hij speelt ook trompet. Net als ik. Vindt u dat niet leuk? Hij heeft mij een nieuw wijsje geleerd. Hoort u maar…’

E I S N

En Johan speelt een mooi melodietje op zijn trompet. Opa geniet. Hij is zo trots op Johan. Niet alleen, dat hij trompet speelt. Maar ook omdat hij zulke verstandige dingen zegt.

E C E

‘Leuk he, opa? Nou doe-oei opa. Ik moet nu echt weg!’

R A LA

Even later komt Johan weer binnen. Hij heeft een boek bij zich.

R

‘Hé, daar hebben we Johan weer! Ben je wat vergeten jongen?’

P M XE

‘Opa, Ik heb nog een verrassing. Kijk, ik heb een boek voor u.’

‘Wat? Een boek? Maar Johan ik heb al zoveel boeken. Dat had je toch niet hoeven doen, jongen.’

E

‘Nee, het is geen gewoon boek opa. Kijkt u maar.’

Hij laat de voorkant zien: ‘ik ga op reis…’ is de titel.

‘Ze vonden op school mijn presentatie zo goed, dat er dit boek van is gemaakt, zodat iedereen het kan lezen. Nou, wat vindt u daar nu van? En, oh ja, opa, uw hele verhaal, alles wat u verteld hebt, staat er in hoor!’ ‘Joh…! Johan…, Johan toch. Gozer van mij. Wat geweldig! Wat ben ik ben trots op je. Echt trots!’ Johan geeft opa het bovenste boek van de stapel. ‘Alstublieft opa. Het allereerste boek is voor u. Omdat u zo prachtig het verhaal van de oorlog hebt verteld.’ Opa bladert vol verbazing en verwondering in het boek. ‘Maar Johan, wat geweldig! Ik ben trots op jou! Trots!’

25

55


Nooit weer? Na de oorlog werd pas duidelijke hoe erg het allemaal was. Niet alleen de oorlog zelf, maar vooral ook de massale moordpartijen op mensen, groepen, alleen maar omdat ze ‘anders’ waren. Iedereen zei toen: ‘zoiets mag nooit en nooit weer gebeuren’. Vanaf dat moment werd er daadwerkelijk een begin gemaakt met de Europese éenwording, waardoor Europese landen geen oorlog met elkaar meer zouden voeren. Er kwamen ‘verzoeningsprogramma’s om vooroordelen af te breken, Je had geen paspoort of visum meer nodig om de grens te passeren. Zo kon je mensen uit andere landen leren kennen. En ontdekken, dat het ook aardige mensen zijn. Je zou denken: ook de rest van de wereld heeft er misschien iets van geleerd... Maar helaas! Opa Pieter noemt een paar voorbeelden uit de afgelopen twintig jaar. In het Afrikaanse land Rwanda werden in 1994 bijna een miljoen Tutsi's (bevolkingsgroep) vermoord door Hutu's (andere bevolkingsgroep) in slechts honderd dagen. Ze waren ‘anders’. In Thailand worden moslims, de Rohingya’s, op grote schaal vermoord en verdreven door Boeddhisten. In het Midden-Oosten de Yehudi’s door Moslims. Dichter bij huis: in Bosnië werden 8000 mannen door Christelijke Serviers in koelen bloede doorgeschoten, alleen omdat ze Moslim waren. Zo zijn er veel gruwelijke voorbeelden van misdaden die alleen gepleegd worden omdat mensen anders zijn.

E I S N

E C E

R

P M XE

E

Johan zegt het goed aan het eind van de voorstelling: Doen we er niet zelf aan mee, bijvoorbeeld in het klein, in de eigen schoolklas, door te vinden, dat ’ze hier niet horen’ Hij heeft een oplossing: ga samen trompetspelen, kickboksen, voetballen, gezellige dingen doen. Leer je ze kennen als fijne, aardige, plezierige, vriendelijke mensen. Net als wij. En anders is dan misschien wel interessant, mooi, iets extra’s

56

R A LA


HET VERHAAL ‘IK GA OP REIS…’ ALS THEATERVOORSTELLING De aanleiding Begin 2019 bezocht ik het Holocaustmuseum ‘in oprichting’ in Amsterdam. Er was een zaal met vitrines met daarin dierbare herinneringen, sieraden, dagboeken, fotoalbums, enzovoort. Joodse mensen hadden die bij goede vrienden of buren afgegeven, omdat ze ‘op reis gingen’ en die niet mee konden nemen. Ze vroegen: ‘willen jullie dit voor ons bewaren? Tot we weer terug zijn?’ Maar ze kwamen niet terug. De reis bleek een enkele reis te zijn naar vernietigingskampen… Nu vertellen de voorwerpen in de vitrines hun eigen verhaal. In een ervan stond het kinderviooltje van Alida Emilie van Strien Ze was 10 jaar woonde in Amsterdam en was ook niet teruggekeerd.

E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

Dit ontroerende gegeven vormde de aanleiding voor dit verhaal, voor de titel ‘Ik ga op reis…’ en voor de rol van haar viool in het verhaal.

E

De voorstelling In het voorjaar van 2019 heb ik dit verhaal geschreven en uitgewerkt tot een voorstelling. Om die uit te proberen zijn er negen voorstellingen gegeven als try-outs. De eerste op zaterdagavond 4 mei in gebouw ProRege in Rotterdam-Kralingen, direct na de Dodenherdenking bij het monument er tegenover op de Oudedijk. In de week erna volgden vier publieks- en vijf schoolvoorstellingen in theaters met in totaal circa 1200 bezoekers. De reacties waren bijzonder lovend. De feedback, vooral ook die van de leerkrachten van de scholen, was bijzonder nuttig om de voorstelling te verbeteren. Op 28 september was de landelijke première, inclusief de presentatie van het bijbehorende boek. In het seizoen 2019-’20 t.g.v. ‘75 jaar vrijheid’ zal de voorstelling op veel plaatsen in Nederland te zien zijn. En wellicht ook in het jaar erna. Zie de website: www.ikgaopreis.nu voor de speellijst. In de slotact van de voorstelling krijgen alle kinderen dit boek, met muziek en de filmpjes uit de voorstelling via de app. Zo kan via het boek het verhaal en de voorstelling telkens opnieuw beleefd worden. 57


R

E C E

E I S N

E

P M XE

R A LA


Spelers in de voorstelling Laura Bolmers (10) als Esther (+ harp) Olger van Husen (11) als jonge Pieter en als Johan (+ trompet) Peter Lems als oude Pieter, de grootvader Joris van Beek of Hans Luycx, viool

Spelers in de filmfragmenten: Laura Bolmers (10) als Esther Olger van Husen (11) als jonge Pieter Piet-Hein van Gilse als Duitse soldaat Ilse Dubelaar als Pieters’ moeder Bernard van Verschuer als predikant Bram Lagendijk als chazan Martien de Vos als organist Hubert van Linschoten als slager

E C E

E I S N

R

R A LA

Verdere medewerking door:

E

P M XE

Yvonne van der Haven, regie-adviezen Jaap Pleijt , filmopnamen en eindmontage Danny Bliek, filmopnames park Locatie slagerij Van Linschoten Locatie kerk, Evangelische Broedergemeente Locatie synagoge, Liberaal Joods gemeente Locatie woonhuis, Saskia Brood

LEES-, LUISTER- & KIJKWIJZER Bij dit boek horen muziek en korte filmfragmenten uit de voorstelling. Die kun je tijdens het (voor)lezen beluisteren/bekijken via het digitale bedieningspaneeltje op de app, te bekijken op smartphone en/of tablet via www.ikgaopreis.nu. De nummers staan vermeld bij het betreffende tekstfragment in het boek. Muziek. Je kunt gewoon doorlezen. De muziek eindigt vanzelf. Soms is het een kort stukje als intro, soms wat langer als ondersteuning van de sfeer van het verhaal. Filmpjes. Je moet het (voor)lezen dan wel onderbreken. Maar je kunt ook gewoon lekker doorlezen. De inhoud van het filmpje staat in het verhaal beschreven, dus je mist niets.


HET VERHAAL ‘IK GA OP REIS...' IS ER ALS: • Theatervoorstelling Voor plaatsen en data van de voorstellingen, zie ww.ikgaopreis.nu

E C E

E I S N

R

R A LA

P M XE

E

• Lees-en kijkboek Iedere bezoeker/kind krijgt dit boek mee in de slotact van de voorstelling

‘Ik ga op reis…’ gaat over de vriendschap van twee buurkinderen in de oorlog. Het verhaal speelt zich af in RotterdamKralingen op nu nog bestaande locaties. Esther en Pieter, Joods, respectievelijk christelijk, zijn even oud, goed bevriend en raken thuis in elkaars zo andere wereld. Met het bombardement van Rotterdam, heel dichtbij, komt de oorlog hun leven binnen. Jodensterren, verraad, onderduiken, verzet en de hongerwinter volgen. Esther gaat plotseling ‘op reis...’ Ze vraagt aan Pieter of hij haar viool wil bewaren: ‘totdat ze weer terug komt.’ Na 5 zware oorlogsjaren komt de bevrijding. Iedereen is dolblij! Maar waar is Esther? Dan wordt duidelijk, dat haar reis een enkele reis was en ze nooit meer terug zal komen… De slotscène is ontroerend, aangrijpend, maar ook hoopgevend. Zoiets als dit willen we ‘nooit weer’. Het boek is geschikt vanaf 11 jaar | Lees-leeftijdsniveau B | AVI niveau M7 - E7

• AV-app met de muziek- en videofragmenten uit de voorstelling • Luisterboek/podcast via de app of website.

Dit zeiden de eerste bezoekers van de voorstelling

‘Een prachtig en boeiend verhaal’ ‘Indrukwekkend, aangrijpend, ontroerend, maar ook vertederend’

ISBN 978 90 827 6263 1 | NUR 258

9 789082 762631

Profile for peter.lems

Boek 'Ik ga op reis...'' voorl. versie  

Boek 'Ik ga op reis...'' voorl. versie