Page 1

via VIA

Uitgave van studievereniging VIA Stedebouw TU/e

Themakatern ‘Werk gezocht!!’ Het 20e bestuur staat voor U klaar! Afstudeerproject ‘Reclaimed Public Space’ Stichting Ruimte! - Tobi van Sambeeck viaVIA

1 Oktober 2012


Advertentie 2

viaVIA


Wisseling van de wacht...

Voorwoord Paul Winkelmolen

Geachte lezer, Het studiejaar 2012-2013 is zowaar één maand oud, maar op dit moment behoord de functie waardoor ik dit voorwoord mag schrijven alweer toe tot een nieuwe persoon, Andrea Snijders. Deze wisseling van wacht, zoals het vaak wordt omschreven, is onderdeel van een voortschrijdend proces van jaarlijkse bestuursvernieuwing. Geen schokkend nieuws voor mij en een mooie kans voor mijn opvolgster, die ik bij deze veel succes wens met haar functie. Toch is een dergelijke ‘wisseling van de wacht’ voor veel mensen niet iets waar ze op zitten te wachten. Het betekend vaak dat er dingen gaan veranderen, iets dat in deze tijd vaak in relatie staat met vervelende gevolgen. Dan betekend de ‘wisseling van wacht’ vooral dat het een kwestie van wachten is. Wachten op het uitkomen van deze viaVIA, wachten op het eerste tentamen, wachten op een nieuwe opdracht of zelfs wachten op een nieuwe baan. De situatie van periodieke ‘wisseling van wacht’ die wij als VIA Stedebouw waarderen en continueren, wordt in het werkveld juist meestal niet gewaardeerd. Vernieuwing kost nu eenmaal geld. Maar op dit moment ontstaat vernieuwing vooral door het gebrék aan geld. Niet de ‘traditionele partijen’ hebben het op dit moment voor het zeggen, maar nieuwe collectieven, verbonden en/of (bottom-up)partijen waarbij de individuele burger steeds meer zeggenschap krijgt toebedeeld. Over deze veranderende situatie, en de bijbehorende kansen voor een nieuwe generatie stedebouwkundigen, wordt in het themakatern ‘Werk gezocht!!’ het een en ander uit de doeken gedaan. We gaan als ‘nieuwe stedebouwkundigen’ aan de slag met de woonconsumenten, ons werkveld wordt groter – zowel letterlijk als figuurlijk, we geven ongevraagd advies, worden zelfstandiger, komen op voor de samenleving en in dit verlengde sturen we met onze kennis en vaardigheden particuliere ontwikkelaars bij in hun ongeremde ambities om ‘dan zelf maar de stad te bouwen’. Lees het katern en proef de kansen! Maar (wisseling van) de wacht is ook een mooie brug naar wat ons te wachten staat. Dit lustrumjaar mogen wij veel verwachten van de 20e groep ‘wachters’ aan het hoofd van VIA Stedebouw. Wachters zijn immers nieuwe, gemotiveerde mensen die waken over kwaliteit en initiatieven nemen om ervoor te zorgen dat ‘de meute’ sterk en samenhangend blijft – ze bewaken ook het groepsgevoel an sich. Deze groep, van de bestuursleden, leden, sponsoren, docenten en andere betrokkenen, wil ik bedanken. Bedanken voor het plezierige jaar dat ik, als commissaris Public Relations, heb mogen meemaken als bestuurslid van onze verbindende vereniging VIA Stedebouw. Tot slot wens ik ons jubileum-bestuur, met aan het hoofd een afstammeling van de Franse wachter: (Lagarde), veel plezier en succes dit lustrumjaar! En natuurlijk iedereen veel plezier met het lezen van deze viaVIA, Paul Winkelmolen

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

3


Advertentie 4

viaVIA


INHOUDSOPGAVE

Colofon viaVIA, uitgave van studievereniging VIA Stedebouw, TU/e jaargang 18, nummer 03 Eindhoven, oktober 2012

// 20e bestuur VIA Stedebouw: Ze staan voor u klaar!

6

// Activiteit van het semester

8

Lentelezingen: Wederafbraak?!

// Van de activiteitencommissie

10

// Op straat

13

viaVIA wordt uitgegeven door: PR-commissie VIA Stedebouw Den Dolech 2 (Vertigo 08H01) telefoon: 040-2475352

Column // Jaap Margry

E-mail: via@bwk.tue.nl www.viastedebouw.nl facebook.com/groups/viastedebouw Redactie Paul Winkelmolen (eindredactie) Gijs van der Sman Nick De Graaf Mike Verdonschot Dagmar Cats

THEMAKATERN : Werk Gezocht!!

14

// Aan de slag met woonconsumenten

16

Artikel // Gijs van der Sman

// Stedebouwkundig werkveld wordt groter!

18

Artikel // Dagmar Cats

// Ongevraagd advies

22

Artikel // Nick de Graaf Drukwerk van de garde / Jémé (Eindhoven) Abonnementen Organisaties: 35,00 euro particulieren: 20,00 euro studenten (niet TU/e): 5,00 euro Abonnees worden automatisch lid van VIA Stedebouw. Lid worden kan ook door aanmelding bij het secretariaat van VIA Stedebouw. U ontvangt dan automatisch het viaVIA-magazine. Het lidmaatschap geldt tot wederopzegging en kan worden aangevraagd door één van genoemde bedragen over te maken op bankrekeningnummer 15.13.83.316, ten name van VIA Stedebouw Eindhoven o.v.v. ‘Abonnement

// CPO & Stedenbouwkundigen

26

Artikel // Mike Verdonschot

// Multiproject: Bergweg, Rotterdam

30

Yvonne Peters

// Masterproject: Roosendaal

32

Timo Lagarde

// Afstudeerproject : Binnenstad Sittard

34

Martijn van Leipsig

// Afstudeerproject [EN]: Re-framing Cologne inner-city

36

Mihaela Meslec

// De aanpak van ‘Stichting Ruimte!’

34

Tobi van Sambeeck

// A tree is not a city

42

Column // Reinder Rutgers

viaVIA’. Vermeld tevens uw naam, adres en zonodig organisatie. ISSN 1385-7045 viaVIA wordt mede mogelijk gemaakt door de steun van de Faculteit Bouwkunde TU/e. De commissie van aanbeveling bestaat uit prof. ir. B Dirrix, prof. dr. dipl. ing. H. Fassbinder, ir. W. de Hoop, prof.dr. H.Timmermans Afbeelding Cover: Ruimtelijk Programma Brainport, Eindhoven

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

5


20e bestuur VIA Stedebouw

Interview met

ZE STAAN VOOR U KLAAR! Timo Lagarde - voorzitter Hallo allemaal! Ik ben Timo Lagarde, 22 jaar, 5e-jaars bouwkundestudent. Het komende jaar heb ik de eer om voorzitter van VIA en commissaris Onderwijs te zijn. Tot nu toe heb ik mijn Bachelor Stedebouw & Architectuur afgerond en de twee masterprojecten van UDP gevolgd. Aansluitend hierop neem ik dit collegejaar plaats in het nieuw opgerichte afstudeeratelier ‘Sustainability’ van de mastertrack Urban Design & Planning. Dit nieuwe afstudeeratelier, samen met de invoering van het Bachelor College, brengen grote vernieuwingen in het stedebouwonderwijs met zich mee. Deze veranderingen kunnen een stimulans voor de kwaliteit van het onderwijs betekenen, maar – indien slecht ingevoerd en geëvalueerd – ook een grote achteruitgang. Mijn meest uitdagende taak voor het komende jaar zal zijn om het niveau van het onderwijs scherp te blijven volgen, kritisch te zijn op de veranderingen waar nodig, en ondersteunend waar mogelijk. Hetzelfde

6

geldt voor mijn taak als voorzitter: met de nodige alertheid, een kritische blik en veel positivisme hoop ik ook dit jaar weer mijn steentje te kunnen bijdragen aan een succesvol VIA-jaar! Robin Berghuijs - Secretaris Gegroet, beste lezer! Mijn naam is Robin Berghuijs en ik studeer al verschillende jaren aan de TU/e, waarvan ik er twee actief bij VIA heb ingevuld. In 2011 als lid van de reiscommissie en in 2012 als lid van de eventcommissie. Eigenlijk was het toeval dat ik lid werd van de reiscommissie, is het liefde op eerste gezicht en we leven op dit moment nog lang en gelukkig. De reis naar Madrid werd succesvol uitgevoerd, dus het was een goede eerste kennismaking met commissiewerk. Dat deed me verlangen naar meer, dus deelname aan de eventcommissie van 2012 was een logische opvolger. Na het event was het zeker: van mij komt VIA voorlopig nog niet af!

Nathalie Snels - Penningmeester Mijn naam is Nathalie Snels en ik ben 20 jaar. Ik ben geboren en getogen in Oisterwijk, maar woon sinds februari van dit jaar in Eindhoven. In 2010 ben ik begonnen aan de opleiding bouwkunde. Dit jaar begin ik aan mijn derde jaar met als verdiepende minor Stedenbouw en Architectuur. Naast mijn studie vind ik het leuk om af te spreken met mijn familie en vrienden, naar muziek te luisteren en op zijn tijd te sporten. Afgelopen jaar ben ik meegegaan met de studiereis van VIA, waarna mij is gevraagd of ik interesse had voor een functie in het nieuwe bestuur. In eerste instantie vroeg ik me af of een bachelor studente wel iets te zoeken had in een studievereniging van de master, maar het leek me erg interessant en een mooie uitdaging, waardoor ik besloten heb me dit jaar in te zetten als penningmeester. Ik hoop veel te leren van deze functie en heb dan ook veel zin om als penningmeester van VIA aan de slag te gaan.

viaVIA


V.l.n.r.: Andrea Snijders, Luuk de Rouw, Timo Lagarde, Nathalie Snels en Robin Berghuijs

Andrea Snijders - PR commissaris Hoi allemaal. Ik ben Andrea Snijders en de PR commissaris in het VIA bestuur van 2012-2013. Ik kom uit Breda en woon sinds een half jaar in Eindhoven. Ik ben nu derdejaars bouwkunde in de richting Architectuur en Stedebouw. Naast deze richting heb ik ook interesse in Management. Tot nu toe lig ik met mijn studie op schema om mijn bachelor in drie jaar te halen. Een van de belangrijkste redenen voor mij om in het bestuur van VIA te gaan was om meer betrokken te worden bij de universiteit. Andere drijfveren waren persoonlijke ontwikkeling, de uitdagingen en het staat natuurlijk ook niet verkeert op je CV. Ik wou graag de functie PR commissaris vanwege het contact met het bedrijfsleven, een aspect wat ik nu mis in de studie. De uitdaging en de mogelijkheid om veel nieuwe vaardigheden te ontwikkelen is relatie met het werkveld. Buiten studeren heb natuurlijk nog een aantal andere bezigheden zoals het geven

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

van atletiek training, iets wat ik nu al vier jaar doe. Verder heb ik als voornaamste hobby’s gitaar spelen en lezen. Luuk de Rouw Commissaris Activiteiten Misschien ben ik voor vele van jullie een onbekend gezicht. Echter hoop ik daar dit jaar toch verandering in te brengen. Om hier alvast een begin mee te maken zal ik jullie vertellen hoe ik hier op deze positie als commissaris activiteiten terecht ben gekomen. Dit korte verhaal begint in het tweede jaar van mijn bachelor toen een medestudent mij wees op de MDE naar Hamburg en vroeg of ik meeging. Dit heb ik vervolgens gedaan en zo was mijn eerste contact met VIA gelegd. Op deze reis kreeg ik meteen al een goed gevoel bij deze vereniging. Na vervolgens nog enkele activiteiten en een studiereis later was dit gevoel alleen maar sterker geworden. Toen vervolgens de mogelijkheid zich voordeed om in het bestuur van

VIA te gaan ben ik hier eigenlijk meteen op ingegaan. Op deze positie zou ik namelijk de kans krijgen om activiteiten te organiseren en te regelen, iets dat ik altijd al leuk heb gevonden om te doen. Deze positie hoop ik het komende jaar samen met mijn eerste jaar van de master architecture goed te kunnen combineren. //

Lijkt het je leuk om actief bij het onderwijs betrokken te zijn, een vakinhoudelijke activiteit te organiseren, te schrijven of te interviewen voor dit magazine, een symposium met nationaal bereik op te zetten of gewoon meer in contact te komen met studiegenoten? Meld je bij aan bij VIA Stedebouw en kom bij een van de commissies! //

7


Activiteit van het semester

review Danny Gijzen

LENTELEZINGEN: WEDERAFBRAAK!? Op 19 juni werd de tweede themalezing van het jaar georganiseerd. Onder leiding van Leo Birza, o.a. communicatieadviseur bij het Min. van BuZa, stelden Vincent van Rossem, Rob van Kalmthout en Jeroen Atteveld op deze avond het erfgoed uit de wederopbouwperiode ter discussie.

Deze naoorlogse woningvoorraad vormt namelijk een steeds groter deel van de herontwikkelingsopgave, dus hoe gaan we hiermee om en wat zijn de actuele ontwerpopgaven?

8

Om de historische context te scheppen werd de avond afgetrapt door Vincent van Rossem, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en architectuurhistoricus bij Bureau Monumenten & Archeologie. Op geheel eigen wijze sprak van Rossem over hoe we om moeten gaan met de ruimtelijke kwaliteit van de voor- en naoorlogse wijken en de rol en behoud van cultuurhistorische waarde in het vernieuwingsproces. Van Rossem nam de vernieuwingswoede in Amsterdam als voorbeeld, en nam de bezoeker mee langs allerlei verdwenen panden en stadsgezichten. De opkomst van de auto veroorzaakte gigantische doorbraken, straatverbredingen en erosie van straatprofielen. Maar zijn kritiek gaat verder dan alleen het verlies van behoudenswaardige panden. Hij toonde ook zijn onvrede over de procesmatige kant van het verhaal, waarin gemeenten en woningbouwcorporaties de hoofdrol spelen als het gaat om stadsvernieuwing. Meer aan de orde van de dag zijn de vernieuwingsplannen in Slotermeer, Nieuw West. Ook hier staat bijna de helft van de bebouwing op de lijst om gesloopt te worden. Het moet plaats maken voor hogere flats van minimaal zes verdiepingen. Het monumentale aspect in Nieuw West zit volgens van Rossem vooral in het stedebouwkundig plan, en het vele groen. Omdat financiĂŤn onontkoombaar zijn bij enig vernieuwingsproces verzorgde Rob van Kalmthout, directeur bij Proper Stok, vervolgens de invalshoek van de ontwikkelaar. Als gebieds-

viaVIA


Vincent van Rossem, hoogleraar aan de UvA en architectuurhistoricus. Op geheel eigen wijze sprak van Rossem over hoe we om moeten gaan met de ruimtelijke kwaliteit van de voor- en naoorlogse wijken.

ontwikkelaar heeft Rob van Kalmthout al vele wederopbouw wijken geherstructureerd. Van Kalmthout liet zien dat het niet gemakkelijk is om algemene uitspraken te doen over deze opgaven omdat het om zeer verschillende wijken kan gaan. Een van de belangrijkste aspecten bij het succesvol herstructureren is wel de PR naar de buitenwereld toe. Om in een vroeg stadium al activiteit op gang te brengen wordt gewerkt aan tijdelijke activiteiten, evenementen en ondernemingen. Het zijn de pioniers die als eerste aangesproken moeten worden en waar woningen voor moeten komen. Daarnaast is het belangrijk om snel fysiek herkenbare verandering te realiseren. Vaak is het een lang en gefaseerd project, en het lijkt alsof de bewonersinspraak en participatie juist in de deelprojecten een rol speelt. Het aantrekken van nieuwe ondernemers, of het aanbieden van kluswoningen zijn projecten waar actieve bewoners een must zijn, maar zijn ook projecten die deel zijn van een grotere herstructurering. Jeroen Atteveld, architect bij Heren 5, sloot de reeks af met het verhaal achter Ittersumerlanden in Zwolle. De bloemkoolwijk is in samenspraak met de bewoners en relatief eenvoudige ingrepen succesvol getransformeerd naar de eisen en wensen van deze tijd. De wijk had niet alleen te kampen met verouderde woningen, ook was het sociale klimaat in verval geraakt. Als gevolg van het ontwerp volgens de bloemkoolwijkprincipes, stonden er veel schuttingen aan de straat. Ook was

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

het groen slecht onderhouden en voelde niet iedereen zich veilig op straat. Dit zijn allemaal punten die Heren 5 naar boven haalde in de vele bewonersworkshops die georganiseerd werden om tot een vernieuwingsplan te komen. Zoals de vlaggentocht, waar men in groepen door de wijk ging om met vlaggen de punten te markeren waar iets aan gedaan zou moeten worden, of juist als positief werden ervaren. Het plan dat vervolgens gemaakt werd bestond uit een aantal oplossingen: de drugsdealers werd uit de wijk verwijderd, het groen werd aangepakt (onder het motto ‘dorps wonen in het groen’) en de woningen werden gerenoveerd. Een opmerkelijk aspect, dat de participatie van de bewoners zeker bevorderd heeft, is dat er geen huurverhoging doorgevoerd werd voor de bestaande bewoners. Een project met een intensieve samenwerking met bewoners, waar duidelijk is geworden dat men trots is geworden op zijn buurt. In het afsluitend debat bleek dat grootschalige ingrepen grotendeels verleden tijd zijn. Er moet steeds meer met minimale middelen worden gedaan. De rol van de stedebouwkundige zal in de toekomst dan ook minder bouwkundig, en meer communicatief worden. Stedebouw (en bouw in het algemeen) is meer dan ‘stenen stapelen’. Om achter de wensen van (toekomstige) bewoners te komen en eraan te kunnen voldoen wordt het menselijke aspect van het beroep steeds belangrijker. //

9


Van de Wat staat activiteitencommissie er o.a. op de planning?

Interview met Luuk de Rouw

Ook dit jaar zullen de activiteitencommissie, de studiereiscommissie en de Lustrumcommissie van VIA weer hun best doen om een mooi scala aan interessante en ontspannende activiteiten te gaan organiseren. Hierbij mogen activiteiten zoals de MDE, lezingen en de gezelligheidsactiviteiten natuurlijk niet ontbreken. Op deze pagina vind je een korte beschrijving van enkele van deze activiteiten met als hoogtepunt voor dit jaar de 20e verjaardag van VIA en het daarbij behorende lustrum.

10

VIA lunch Ook dit jaar zal iedere eerste maandag van de maand weer een VIA lunch worden georganiseerd. Een goed moment om onder genot van een lekker broodje nieuwe leden te leren kennen of je zware weekend door te nemen. Naast deze maandelijkse lunches mogen natuurlijk ook de speciale lunches zoals de kerstlunch en paaslunch niet ontbreken. Herfst- en lentelezingen Na het succes van vorig jaar staan er ook dit jaar weer twee avondlezingen op het programma. Op ieder van deze avonden zullen de sprekers een lezing houden over een gezamenlijk thema, gevolgd door een debat tussen de sprekers en de luisteraars in de zaal. Hop-on hop-off tour door Nederland Tijdens het studeren aan de faculteit kom je als student in aanraking met veel Nederlandse stedebouwkundige pro-

jecten, maar zeg eens eerlijk: hoeveel van deze projecten heb je eigenlijk in het echt gezien? Zeker bij bachelorstudenten zal het antwoord op deze vraag in bijna alle gevallen nul tot hoogstens een paar projecten zijn. Om de kennis van de stedebouw onder met name de derdejaarsstudenten te verbeteren, ligt er voor dit jaar het plan om, samen met de AUDE-unit, een uitvergrote hop-on hop-off tour door Nederland te organiseren. Dit zal ervoor zorgen dat je de bekende projecten niet alleen meer van de boeken kent maar ook in het echt gezien, geroken en ervaren hebt. Gezelligheidsactiviteiten Naast alle serieuze activiteiten zullen er ook dit jaar weer meer dan voldoende gezelligheidsactiviteiten worden georganiseerd. Deze activiteiten zullen ervoor zorgen dat je tijdens je drukke studieschema ook nog de nodige ontspanning krijgt.

viaVIA


Hou je van gezelligheid ĂŠn vind je het leuk om dingen te organiseren?! Om ook dit jaar weer allerlei activiteiten te kunnen organiseren zijn we weer op zoek naar mensen die zich graag willen inzetten voor VIA. Dus heb je zin om naast je studie nog een aantal uur per week te werken aan je organisatorische en sociale vaardigheden: DAN IS DIT JE KANS!

4e Lustrum VIA Om het 4e lustrum van VIA te vieren zullen er rond de verjaardag op 24 mei 2013 een aantal lustrumactiviteiten worden georganiseerd. Met deze activiteiten zal worden geprobeerd om alle doelgroepen die lid zijn van VIA bij het lustrum te betrekken. Om een zo groot mogelijke doelgroep de mogelijkheid te geven deel te nemen aan het lustrum, zal het VIA-Event dit jaar onderdeel uit gaan maken van de lustrumactiviteiten. En om ook de afgestudeerden leden te betrekken bij de 20e VIA-verjaardag zal er tijdens het lustrum een reĂźnie plaatsvinden. Op deze reĂźnie hebben deze leden niet alleen de mogelijkheid om elkaar nog eens te zien, maar kunnen zij ook hun verhalen, meningen en ervaringen uitwisselen met de huidige studenten, de docenten en andere aanwezigen. MDE Net zoals dit jaar zal er ook in het begin van 2013 met een groep studenten

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

worden afgereisd naar een stad in Europa. De keuze voor een stad zal in de komende maanden worden gemaakt, maar gemikt wordt op een stad met een iets aangenamer klimaat dan de bestemming van het afgelopen jaar: Hamburg. Workshops Na het succes van de workshops in mei van dit jaar zullen er dit collegejaar opnieuw een aantal workshops worden gegeven. In deze workshops zal worden geprobeerd om je huidige vaardigheden aan te vullen of op te frissen.

Als commissielid help je mee met het organiseren van bijvoorbeeld de MDE, lezingen en workshops. Tijdens het bedenken en opzetten van deze activiteiten leer je allerlei organisatorische vaardigheden bij die je tijdens je studie niet leert, maar eigenlijk voor iedereen verplicht zouden moeten zijn om te leren. Om in een commissie bij VIA te gaan hoef je nog geen eerdere ervaringen te hebben met organiseren, je leert het vanzelf in de loop van het jaar! Dus mocht je gemotiveerd zijn of het gewoon leuk vinden om activiteiten te organiseren kun je altijd langskomen bij het VIA-hok op vloer 5 of een mail sturen naar: via@bwk.tue.nl

Studiereis Ook dit jaar zal de studiereis commissie weer gaan proberen om een studiereis te organiseren. Hierin is echter nog niets zeker. Dit komt omdat de faculteit de regels omtrent studiereizen heeft aangescherpt. Wij zullen desondanks toch alles op alles zetten om een studiereis te verzorgen in of net buiten Europa. //

11


Advertentie

Advertentie 12

viaVIA


Column Jaap Margry

Op straat

Een jaar of vijf geleden doken ondeugdelijk amerikaanse hypotheken op, bedacht door mensen als Alan Greenspan voor de regering Bush jr. Die mensen lopen nog steeds vrij rond. (Bekijk de Oscar winnende documentaire Inside Job, verplichte kost!) Geen moment kwam het in me op hoe hard dit ons paradijselijk Europa zou treffen, zo geglobaliseerd en ook zo naief. Laat staan dat het uiteindelijk mijn baan zou kosten. Balkenende zei dat we onze zaakjes op orde hadden, de euro stond sterk. Maar na bankencrisis, eurocrisis, kabinetscrisis en bouwcrisis is het dan zover. De derde ontslagronde heb ik niet overleefd. Zonder ontslagvergoeding op straat met een lage en onzekere WW. Proberen wat bij te scharrelen. De Kamer van Koophandel blij met 13 startende eenmansbedrijfjes. Ik dacht aan de diepzinnige woorden die psychiater A. Van Dantzig ooit sprak, in het tijdperk van het biefstuksocialisme, toen vakbonden voor een half procentje een staking uitriepen: “Je hebt nergens recht op.” En zo is het. Of je nu onder een tram loopt, de Russen morgen binnenvallen, of je wordt ontslagen; er zijn geen gegarandeerde rechten, ook niet voor babyboomers en niet voor vakbondsleden. Hooguit het recht van de sterkste. Hierbij enkele kanttekeningen: • Ineens ziet wereld er heel anders uit. Was je eerst een gewaardeerd ontwerper en adviseur, nu ben je ineens onderdeel van een maatschappelijk probleem. Tegelijk is het verfrissend: adrenaline, op zoek naar kansen, maar voorlopig krap bij kas. • Denk niet dat we WW-uitkering 70 % van je inkomen bedraagt! Dat is alleen zo bij een klein salaris. WW is maximaal ongeveer 1.600 euro netto. Dan komt een tophypotheek slecht uit. • In een kleiner of middelgroot bedrijf kan er, in situaties als deze, geen geld meer zijn voor ontslagvergoeding. Bij grotere organisaties en overheden wordt vrijwel altijd iets geregeld. Dit voor de carrièreplanning; het scheelt je gauw een ton.

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

Waarom gaat de bouwwereld niet de barricaden op tegen de politieke lamlendigheid? Een cruciale poot van onze economie stort in en er gebeurt niets: geen verhitte debatten over de hypotheekrenteaftrek, geen bevlogen steun voor huizenkopers, geen reddingsplannen, niets, gezellig verkiezingen voorbereiden. Schande! En waar blijft de bouwlobby? Eelco Brinkman, start de revolutie! Hoe organiseren we de wereld zo, dat de witteboordenmaffia wordt geneutraliseerd? Die beroofde ons van het belangrijkste economische goed: vertrouwen. En ze zal steeds weer opduiken. Mijn wijze vader, architect (90): de jonge generatie moet naar Canada, moet de wereld in. Europa heeft geen toekomst meer! Inderdaad: Brazilie, India, Afrika en China: daar gebeurt het de komende halve eeuw, met enorm groeiende steden. Het staat gewoon in de beleggingskrant van ABNAmro. Daar zijn internationale stedenbouwers nodig! Maar dit vereist een aangepast studiepakket. TU/e Bouwkunde, VIA, ga hier meteen mee aan de slag! Tijd voor de babyboomers om plaats te maken. De nieuwe generaties zijn flexibeler en dynamischer. Ik zie het bij mijn kinderen en mijn jonge collega’s: daar heb ik wèl vertrouwen in.

Nog even en de economie trekt ook hier weer aan. Dan kunnen we door met de grote stedenbouwkundige opgaven. Dan heb ik hortend en stotend mijn pensioen bereikt. Of ik werk tot mijn zeventigste aan Dakar noordoost fase 25. //

13


Themakatern

WERK GEZOCHT!!

1414

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


We zijn op dit moment allemaal in de ban van crisistijd. Er is weinig of geen werk in de traditionele vormen, waardoor veel bedrijven en overheden het moeilijk hebben als het gaat om projectontwikkeling en planvorming. Toch kunnen we ook concluderen dat een dergelijke ‘crisis’ de geest prikkelt en het beste in onszelf naar boven haalt. De creativiteit brengt nieuwe kansen met zich mee en we gaan op andere (meer realistische, haalbare) manieren te werk.Want we kunnen nog steeds ‘te werk’ gaan, ook al moeten wij daarvoor wellicht uit onze comfortzone stappen en durven af te wijken van ge-eikte paden. We kunnen ‘vluchten’ naar het buitenland of iets anders gaan proberen in het uitdagende woon-, leef- en werkmilieu dat Nederland ons biedt. Daarom in dit katern een focus op hoe we wél nog bezig kunnen zijn in het werkveld, als we maar even een andere rol, een andere blik of een andere vennoot tot ons laten komen. Wellicht dat deze tijd ons verder brengt in de ‘evolutie der stedebouwkundigen’ en dat we over een paar jaar ‘de nieuwe Hippodamus’ zijn intrede zien doen in de stedebouw. //

“Hippodamus, son of Euryphon, a native of Miletus, invented the art of planning and laid out the street plan of Piraeus.” Aristotle, Greek philosopher and educator (384-322 BC)

Afbeelding: AdGrads

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

1515


Vraaggericht bouwen

artikel Gijs van der Sman

‘AAN DE SLAG MET WOONCONSUMENTEN’ Gemeenten, projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties worden in de ‘crisislectuur’ vaak aangeduid als de traditionele stadsontwikkelaars - al is deze benaming een discussie op zich. Nu veel (bouw)plannen van deze partijen geen doorgang vinden, wordt er gezocht naar een manier om toch woningen te kunnen bouwen en afzetten. Hierbij wordt steeds vaker gebruik gemaakt van manieren om de doelgroep aan een plan te binden en deze mee te laten denken over zijn toekomstige woonomgeving. Dit gebeurt door een flexibelere opstelling van de aanbieder en door het inspelen op de vraag in plaats van het aanbieden van kant-en-klare woningen en openbare ruimte. Daarnaast wordt de bewoner mondiger. De slechte situatie waarin de ruimtelijke ordening zich nu verkeert, moedigt mensen aan om de onverschilligheid ten opzichte van hun woon- en werkomgeving te laten varen en zich actief te gaan bemoeien met de ontwikkeling van hun leefomgeving. Het vraaggericht bouwen wordt hierdoor een steeds belangrijker onderdeel van de stadsontwikkeling en dus ons vakgebied. Het klinkt logisch: de toekomstige bewoner bepaalt hoe hij wil wonen. De mate van invloed in het plan kent echter verschillende gradaties, van zelfbouw tot volledig overlaten aan de ontwikkelaar en alleen de kleur van de badkamertegels kiezen. In Almere bijvoorbeeld, wordt met allerlei manieren van zelfbouw geëxperimenteerd en biedt de gemeente veel ruimte aan de particulier om zonder al te veel regels een kavel te ko-

1616

pen en een eigen huis te bouwen. Daar tegenover worden er ook nog woningen gerealiseerd die uitgaan van een vaste, niet veranderende vraag. Deze woningen zijn vaak gericht op een bepaalde doelgroep zoals starters of senioren. De meest voorkomende vorm van vraaggericht bouwen is een tussenvorm en houdt in dat de toekomstige bewoner kan meedenken over zijn nieuwe woonomgeving. Er worden hierbij termen gebruikt als ‘inspraakronden voor de woonconsument’, ‘leefstijlen’ en ‘denksessies’, waarbij er bijeenkomsten worden georganiseerd waarin toekomstige bewoners met de stedenbouwkundige en architect aan de slag gaan met het ontwerpen van de wijk. Niet nieuw Het vraaggericht bouwen is niet nieuw, maar het wordt tegenwoordig wel meer toegepast om zo een doelgroep te koppelen aan een omgeving. Hierdoor wordt ook de kans groter dat een bouwproject van de grond komt. Daarnaast wordt soms de schijn hooggehouden dat toekomstige bewoners veel te zeggen hebben, maar worden de keuzes beperkt tot een uitbouw of een dakkapel. Boze tongen beweren dat het vraaggericht bouwen er altijd al had moeten zijn, anderen beweren dat er nu pas de ruimte en de tijd voor is. Het was voorheen ook nauwelijks mogelijk of wenselijk. De woningbouw was een sterke overheidsopgave en werd uitgevoerd door tal van professionals. Er was in het lineaire planproces nauwelijks tijd en plaats voor ‘ophoudende’ en ‘lastige’ inspraakrondes voor

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Promo-krantje: ‘Op zoek naar de nieuwe Jeruzalemer’

toekomstige bewoners. Daarnaast werden de woningen toch wel verkocht dus werd het onnodig geacht. Rol stedenbouwkundige De rol van de stedenbouwkundige bij vraaggericht bouwen is onverminderd groot. Vaak worden plannen waarin de particulier aan zet is nog wel voorzien van de nodige regels. Gemeenten stellen kaders op voor de openbare ruimten, ontsluiting, enzovoorts, om zo gemeenschappelijke belangen te waarborgen. De stedenbouwkundige wordt gezien als de schakel tussen de gemeente, de regels, en de toekomstige bewoners. Het proces is hierin een belangrijk onderdeel en betekent toetsen, overleggen, komen tot concessies, vergunningen aanvragen, enzovoorts. Naast ‘zelfbouwwijken’ zijn gemeenten vaak ook in andere wijken een passievere en faciliterende rol gaan spelen. Dit houdt in - in theorie althans - dat gemeenten meer open staan voor (particuliere) initiatiefnemers en deze ondersteunen waar mogelijk. De gemeente verzorgt richtlijnen en regels die een basiskwaliteit waarborgen, en de markt krijgt ruimte om initiatieven te ontwikkelen. Zelfstandige stedenbouwkundigen en andere partijen krijgen hierdoor meer kansen om een eigen project te formuleren en tot uitvoering te brengen, zolang het past binnen de uitgezette contouren en er andere partijen verleid kunnen worden om te investeren in het project.

‘Jij betaalt dus jij bepaalt’ Daarnaast worden stedenbouwkundigen en architecten ook vaak ingezet als ‘verleider’. Een voorbeeld hiervan is de aanpak voor herstructurering en nieuwbouw in de wijk Jeruzalem in Tilburg door een projectontwikkelaar en een woningbouwcorporatie. Met een zoektocht naar ‘de nieuwe Jeruzalemer’ wordt middels een huis-aan-huiskrant, flyers en een website gezocht naar potentiële bewoners en ‘meedenkers’ voor de bouwplannen in deze wijk. Architecten krijgen ‘moodboards’ mee als handleiding voor het huizenontwerp en met slogans als ‘jij betaalt dus jij bepaalt’ worden mensen verleid om mee te doen. Het toekomstbeeld voor de wijk is niets meer dan een kaart van het gebied met iconen die de gewenste sfeer per deelgebied beschrijven. Dit zijn dus (marketings-) strategieën die mensen moet aanzetten tot het deelnemen aan het vraaggericht bouwen. Wellicht is het vraaggericht bouwen een lapmiddel voor de krater die de crisis heeft geslagen, en is het iets vanzelfsprekends dat er altijd al had moeten zijn. Maar zolang het de ruimtelijke kwaliteit en de leefbaarheid ten goede komt en toekomstige bewoners bindt aan een plek, is dit een prima ontwikkeling. Dus ga samen met de ‘woonconsument’ aan de slag met het ontwerpen en regelen van nieuwe woonomgevingen! // Bronvermelding: Hendriks, M., Beter luisteren, Blauwe Kamer, februari 2012 Smit, H., Particuliere wensen en privaat opdrachtgeverschap, Tijdschrift voor de volkshuisvesting nr 3, juni 2012

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

1717


Regionaal opdrachtgeverschap

artikel Dagmar Cats

STEDEBOUWKUNDIG WERKVELD WORDT GROTER! Sinds de Nota Ruimte uit 2006 is de context van het vakgebied van de stedebouwkundige veranderd. Decentralisatie en deregulering vanuit de Rijksoverheid leidden tot een grotere rol voor provinciale en regionale organen. Waar ons vakgebied voorheen het ontwerpen binnen structuurplannen en bestemmingsplannen besloeg, is het nu vaker het regionale orgaan die van de stedebouwkundige vraagt haar regionale beleid te vertalen in een ruimtelijk ontwerp. Welke veranderingen kunnen we in ons vakgebied verwachten door regionaal opdrachtgeverschap? Betekent deze nieuwe rol een onvermijdelijke neerslag of teloorgang van kennis en kunde, of biedt regionale opdrachtgeverschap juist nieuw perspectief? In dit artikel worden de effecten van de regionale opdrachtgever als nieuwe partij beschouwd vanuit het oogpunt van de stedebouwkundige. Een nieuw rollenpatroon Van oorsprong is de stedebouwkundige de spreekwoordelijke bruggenbouwer tussen beleidsmaker en stadsgebruiker, tussen structuurvisie en ruimtelijke ontwikkeling. Hij verbindt de schaal van de stad met de schaal van de straat en het plein. Met ontwerp worden wensen en visies vertaald naar concrete bebouwde omgeving. De stedebouwkundige is dus een vertaler, een communicatiemiddel tussen groot en klein. De taakverdeling was helder: de Rijksoverheid voert haar nationaal beleid uit, gemeenten passen daar hun structuurvisie en

1818

structuurplannen op aan en tot slot ontwerpt de stedebouwkundige het structuurplan en bestemmingsplan, of uitwerkingen daarbinnen. Provinciale en regionale organen waren eigenlijk alleen bestuurlijke vergaderingen, het overlegorgaan voor burgemeesters en wethouders. De Nota Ruimte uit 2006 kondigde echter een nieuw tijdperk aan: in tijden van crisis is het niet de Rijksoverheid die haar nationaal beleid zelf uitvoert, maar de provinciale en regionale organen dragen dit beleid uit in provinciaal of regionaal aangestuurde ontwikkelingsvisies. Het Rijk dicht zich daarmee de taak toe om zorg te dragen voor de ondergrond en de infrastructuur die onze regio’s en stedelijke agglomeraties met elkaar verbindt. Het Rijk bouwt dus wegen en knooppunten, en draagt zorg voor zaken als natuurgebieden, dijken en waterwinning. Ruimtelijke ordening op alle andere (kleinere) schalen wordt geïnitieerd door regio of provincie. Dit veranderende rollenpatroon is niet alleen een reactie op de economische crisis, maar wordt deels gefaciliteerd door opkomende sterke provinciale en regionale allianties, zoals Brabantstad, Brainport en KAN (Arnhem-Nijmegen). Beide regio’s zijn door benoeming van de Rijksoverheid weer verder gegroeid in hun rol als initiërende en sturende partijen. Reden te meer om Brabantstad en KAN onder de loep te nemen.

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Boven: Brabantstad - Meerjarenprogramma Brabantstad 2008-2012 Rechts: Plankaart Landelijk Strijp - Enno Zuidema Stedebouw

Brabantstad De G5 van Brabant (’s-Hertogenbosch, Eindhoven, Helmond, Tilburg en Breda) vormen samen met de provincie de alliantie Brabantstad. De naam zelf suggereert dat de vijf steden eigenlijk samen één stad vormen, net als de naam ‘Randstad’ dat suggereert. Brabantstad is opvallend succesvol als het gaat om samenwerking tussen de vijf steden onderling; overeenstemming is bereikt in een Meerjarenplan, waarin wordt uitgesproken hoe verschillende identiteiten en krachten over de vijf steden worden verdeeld. Het gezamenlijke programma wordt echter niet concreter dan een investeringsagenda met thema’s zoals ‘Mooi Brabant, aantrekkelijke steden’ en ‘Schoon Brabant, groene steden’, welke weinig houvast bieden voor gerichte citybranding en stadsontwikkeling. Gerichte citybranding blijkt ook niet de intentie te zijn van het provinciaal overleg: wie gaat Tilburg verbieden auto-industrie te ontwikkelen, alleen omdat Helmond zich al succesvol profileert als een ‘automotive region’? Nee, Brabantstad lijkt meer op een intensief overleg tussen burgemeesters en wethouders, waardoor bovendien de vijf steden samen een krachtige profilering kunnen uitdragen in internationale context. Op welke schaal krijgen ruimtelijke kwaliteiten en gerichte stadsontwikkeling dan wel een concrete invulling? De gemeente lijkt daar net te klein voor, want voor de uitvoering van Brainport staat Eindhoven sterker in samenwerking met haar omliggende

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

gemeentes. Het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) is opgekomen als verbinder tussen Brabantstad en de gemeentes in de verdere uitwerking van Brainport. Het blijkt geen gemakkelijke taak te zijn om op regionaal niveau een ruimtelijk kader te schetsen waar kenniseconomie voldoende ruimte krijgt zich te ontwikkelen. Iedereen moet een plek aan tafel krijgen in het regionale plan, en geen enkele gemeente wil daarbij het onderspit delven. Het is dan ook niet vreemd dat het ruimtelijk programma vooral uitspraken doet over het gebied die de harten van de gemeenten omzeilt: langs de A2, in de onbebouwde periferie, daar is ruimte voor Brainport. En waar in die periferie komt dan de trots van de regio te liggen? Wederom een kwestie waarbij niemand tekort mag worden gedaan. Daarom krijgt niet alleen Eindhoven haar eigen bedrijfscampus, maar zijn er ook hightech-bedrijfscampussen voorzien in Veldhoven, Best, Acht en Son en Breugel. Afgezien van deze hightech-bedrijfscampussen blijkt het lastig om uitspraken te doen over ruimtelijke kwaliteiten op regionaal niveau. Verder dan behoud van het groene karakter en zichtbaarheid vanuit de A2, komt het SRE niet. Misschien moet de regio dat ook niet willen, een dirigerend regionaal beeldkwaliteitsplan met een strikt beeldmerk. Het SRE haalt dan ook de voorkeur voor het opstellen van een groslijst aan; een lijst van lopende projecten die onder de noemer Brainport kunnen worden geschaard. Het ‘Ruimtelijk Programma Brainport’ mist de echte ruimtelijke component. Met andere woorden: dit re-

1919


gionale orgaan is een nieuwe partij in bestuurlijk-economische context en stelt ‘slechts’ het kader vast waarbinnen stedebouwkundige strategie en ontwerp kan worden gemaakt. Het SRE is de opdrachtgever voor stedebouwkundig ontwerpbureau Enno Zuidema. Het bureau heeft opdracht gekregen voor meerdere projecten: het beeldkwaliteitsplan voor Brainport Avenue, het stedebouwkundig plan voor bedrijventerrein Veldhoven, de ontwikkelingsvisie voor Landelijk Strijp (een belangrijk onderdeel van Brainport Avenue), én het verdere ontwerp van Landelijk Strijp. Het werkveld van Enno Zuidema ligt hiermee dus niet alleen in het maken van een stedebouwkundig ontwerp, maar ook het definiëren van een beeldkwaliteitsplan en een ontwikkelingsvisie. In dit geval betekent de verandering van rollen tussen overheden dus een verbreding voor het vak van de stedebouwkundige. Anderzijds betekent de schaalvergroting van een gemeentelijke structuurvisie, naar een regionaal ruimtelijk beleid, ook een schaalvergroting van de opdrachten. De vraag is dan of kleine stedebouwkundige ontwerpbureaus deze schaalvergroting kunnen bijbenen.

Stadsregio Arnhem-Nijmegen Een andere opvallende, in de Nota Ruimte benoemde regio is de stadsregio Arnhem-Nijmegen. De regio bestaat uit de twee steden Arnhem en Nijmegen en achttien kleine omliggende gemeenten. Dit orgaan verschilt hierin van Brabantstad, een verband dat zich enkel afspeelt tussen de vijf grootste steden en de provincie in het algemeen. Stadsregio Arnhem-Nijmegen lijkt in die zin meer op een regionaal orgaan als het SRE. Evenals het SRE heeft de Stadsregio een Regionaal Plan ontwikkeld, vergelijkbaar met het detailniveau van het Ruimtelijk Programma Brainport. In het Regionaal Plan worden vooral gebieden aangewezen voor verdere ontwikkeling: openbaar vervoer, regionale bedrijventerreinen en belangrijke natuurgebieden spelen de hoofdrol. Tactischer dan het SRE benoemt de Stadsregio zogenaamde ‘zoekgebieden’: er wordt geen directe bestemming toegekend aan de regio, enkel de intentie om te onderzoeken of een bepaalde bestemming mogelijk is in een bepaald gebied. Het Regionaal Plan is daarmee meer een product van overeenstemming tussen het beleid van de 20 gemeenten, dan dat het plan ruimtelijke kwaliteiten vastlegt. De sprong van beleid en het bij elkaar brengen van besturen naar een daadwerkelijk ruimtelijk plan blijkt voor deze regio eveneens lastig. Maar waar het SRE haar plan heeft opgedeeld

2020

in meerdere opdrachten die zij uitbesteedt aan één stedebouwkundig bureau, pakt Stadsregio Arnhem-Nijmegen dit op een vernieuwende manier aan. Zij zet in 2012/2013 zogenaamde Regio Ateliers op in samenwerking met Zandbelt&vandenBerg – architecture and urban design. Dit zijn ontwerpateliers waarin getracht wordt op regionaal niveau te ontwerpen aan de hand van bepaalde thema’s. De ateliers hebben elk een specifiek thema zoals ‘Groene Netwerken: verbinden van veelzijdige steden & landschappen’ en ‘Krimp als kans’. Stadsregio Arnhem-Nijmegen speelt hiermee in op een wellicht opkomende nieuwe rol voor stedebouwkundige: namelijk die van een teamplayer, een belangrijk schakelstuk in een atelier waar ook beleidsmakers, ruimtelijk economen of marketingspecialisten zitten. Regionaal opdrachtgeverschap; kans of bedreiging? Door een beleid van deregulering en decentralisatie doet zich in zekere mate een schaalvergroting in bestuurlijke zin voor. Waar voorheen elke gemeente individueel haar koers bepaalde in het Structuurplan, blijkt de schaal van de individuele stad te klein om de vertaalslag te maken tussen nationaal beleid en concrete, ruimtelijke kwaliteiten. Het regionale orgaan treedt naar de voorgrond met ‘ruimtelijke plannen’, welke in beide voorbeelden meer te maken had met het vastleggen van overeenkomsten tussen gemeenten, dan het daadwerkelijk vastleggen van ruimtelijke kwaliteit. Voor de stedebouwkundige betekent dit eveneens een schaalvergroting. Zo krijgt Enno Zuidema vanuit het Ruimtelijk Programma Brainport diverse opdrachten toegewezen, en raakt Zandbelt&vandenBerg betrokken in verschillende ontwerpateliers. De regionale opdrachtgever introduceert voor de stedebouwkundige zowel nieuwe werkterreinen als nieuwe teamspelers en biedt daarmee nieuwe kansen voor zijn vakgebied. Aan dit positieve effect zit echter ook een keerzijde; het kleine stedebouwkundig ontwerpbureau kan wellicht een opdracht van die schaal niet aan en moet zich dus beperken tot opdrachten vanuit gemeentes en het bedrijfsleven. //

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Integrale visiekaart Stadsregio Arnhem Nijmegen







0 km

5 km

Het werkveld voor stedebouwkundigen wordt steeds groter, van kleinschalig tot ‘regionale landschappen’ zoals te zien is op deze visiekaart KAN 2020.

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

2121


De Maatschappij heeft u nodig!

artikel Nick de Graaf

ONGEVRAAGD ADVIES Elke crisis komt het weer terug. Wanneer de projecten niet meer binnenstromen ontstaat er tijd voor zelfreflectie. Niet alleen merken we nu hoe afhankelijk de professie is van opdrachtgevers en dus van de economie, maar in de plots beschikbare tijd dringt de vraag over de rol van de stedenbouwer zich weer op. Mogen we onze kunde in het vormen van de ruimte en beleving alleen laten zien op de momenten dat we ervoor gevraagd worden, of zouden we de maatschappij ook kunnen dienen in tijden van crisis? In 2009 sprak Arjen Oosterman zich in een lezing al uit over de rolverandering van de architect en de stedenbouwer. Daar zij in de jaren voor de crisis vooral op de klant gericht ontwierpen, dienen zij zich nu te realiseren dat zij hierdoor hun invloed op de maatschappij, hun mogelijkheid om deze maatschappij te vormen, -om te vormen,- voor een groot gedeelte zijn verloren. Zij ontwierpen over het algemeen slechts voor, en dus ook naar de zin van opdrachtgevers, zonder zich daarbij af te vragen wat de projecten betekenden voor het groter geheel: voor de stad, voor de samenleving. De ontwerper moet nu zijn oude, ideologische, maatschappij geëngageerde zelf weer terugvinden. Volgens Oosterman dient de ontwerper “zijn rol te herdefinïeren, zichzelf te transformeren van extreem competente uitvoerders van opdrachten naar entrepeneurs en producenten.” Nu de opdrachten schaarser worden, kan de inslag van de projecten verschuiven van het invullen van de opdracht naar

2222

het “verkopen” van een goed doordacht product. De stedenbouwer kan het heft weer in eigen hand nemen en initiatief tonen! Zeker in deze tijd van crisis, is deze werkwijze het proberen waard. In de lezing in het NAi benoemde Oosterman voor het eerst dit fenomeen: unsolicited architecture. Betekent dat dat we op vrijwillige basis, ideologische projecten moeten draaien, hopend dat zij worden opgepakt? Tot nog toe lijkt het in veel gevallen hierop uit te draaien. Een bekend voorbeeld komt van één van de meest succesvolle bureaus op dit moment. In 2003 voerde Bjarke Ingels met zijn bureau al een verkenning uit in deze werkwijze, met hun idee voor de Deense superhaven. Het idee was om met de ontwikkeling van de in zee gelegen haven, de aan de kust gelegen steden van Denemarken hun “waterfront” terug te geven. Deze vrij gekomen ruimte zou gebruikt kunnen worden om de ontwikkeling van woningen die nu vooral in de periferie plaatsvond, weer naar het centrum te verplaatsen. Zo zouden deze plekken van hoge kwaliteit weer benut worden en toegankelijk worden voor bewoners. (url: 1)

url: 1) big.dk/#projects-hav 2) big.dk/#projects-klm

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Het idee zou natuurlijk niet alleen werk opleveren voor BIG als ontwerpers voor de haven, maar ook voor vele anderen als ontwerpers van de nieuw vrijgekomen ruimtes. Het project wekte positieve reacties bij een aantal vooraanstaande economen, maar ligt op dit moment nog steeds te wachten op het moment dat het wordt opgepakt. In een tweede unsolicited project in 2006 bewees BIG echter ook op een meer grijpbaar schaalniveau deze werkwijze te kunnen volgen. Kopenhagen kampte met te weinig woningen, waardoor de huizenprijzen en huurprijzen omhoog schoten. De lagere inkomens vertrokken uit de stad waardoor deze ontwricht dreigde te raken. Met dit probleem in hun achterhoofd ontwierp BIG een grote structuur van woningen rondom de midden in de stad gelegen sportvelden, zónder ook maar één veld op te hoeven offeren. (url: 2) Door het project in de media te presenteren ontstond een publieke discussie over het probleem en de geboden oplossing. Deze ging zo ver dat het stadsbestuur van Kopenhagen besloot het plan uit te voeren. De opzet van deze unsolicited architecture leek te slagen, totdat de politiek toch roet in het eten gooide. Een partij stemde toch tegen na aanvankelijk vóór te zijn, en er werd in een politiek compromis besloten een openbare prijsvraag voor het gebied op te stellen. BIG werd tweede, en dit betekende voor hen het einde van dit project. Het project bewijst wel dat deze manier van werken tot lucratieve projecten kan leiden.

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

Eind 2010 zag ook het NAi potentie in deze werkwijze. Daar begonnen in de zomer van 2011 drie projectteams met het uitwerken van ideeën over een “sportplein op de Rotterdamse Binnenrotte, ‘performatieve ruimte’ als mogelijkheid voor de revitalisering van de publieke ruimte, en het instrumentarium van ‘startbeeldplanning’ als tegenhanger van de reguliere eindbeeldplanning.” Tijdens dit onderzoek sloten de teams allianties met geïnteresseerde bedrijven om niet in de ideeënfase te blijven hangen, maar ook tot een uitwerking te komen en misschien wel tot realisatie. Zo wordt het project van het sportplein op dit moment ondersteund door NOC*NSF en de Richard Krajicek Foundation. Afgelopen januari werder de resultaten gepresenteerd en de Studio voor Unsolicited Architecture bleek zo succesvol te zijn dat men inmiddels aan de derde ronde toe is. “Met de Studio for Unsolicited Architecture experimenteert het NAi hoe de architect concreet kan bijdragen aan tal van complexe vraagstukken. Het vertrekpunt is het ‘unsolicited’ idee van de ontwerpers; een vermoeden van een opgave en een zoekrichting waarvoor geen opdrachtgever en geen opgave bekend zijn.”

url: 3) nai.nl/platform/ studio_for_unsollicited_architecture

2323


Maar hoe begin je zelf jouw eigen unsolicited project? Daar werd in 2007 in een design studio op het MIT het volgende schema voor gemaakt:

Image: How to Make Unsolicited Architecture, Volume 14, 2007, p.33.

Het schema rust in de basis op de vier benodigdheden voor een project: klant, plaats, budget en programma. Wanneer ĂŠĂŠn of meerdere van deze benodigdheden ontbreken ben je bezig met unsolicited architecture. Het voordeel van deze werkwijze is het feit dat door de vrije opgave, aanvankelijk zonder inmenging van opdrachtgevers en

2424

url: 4) roryhyde.com/blog/?p=294

uitvoerders, het probleem en de oplossing zonder een vooringenomen stelling kunnen worden bekeken. In deze tijd van crisis lijkt er ruimte te zijn voor deze verandering van inslag: Beschouw de problemen van de huidige steden en geef je oplossing: misschien sleep je er een project uit! //

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Advertentie

Advertentie 25

viaVIA


artikel Mike Verdonschot

Projectontwikkeling in de toekomst

CPO & STEDEBOUWKUNDIGEN Tegenwoordig zie je steeds vaker andere partijen ruimtelijke projecten opzetten. Een vorm waarbij een niet traditionele partij een ruimtelijke ontwikkeling opstart is het Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO). Hoe komt dit en wat is de rol van de stedebouwkundige daarin? Wat is CPO? Collectief particulier opdrachtgeverschap is een manier van bouwen waarbij een collectief van particulieren grond(en) verwerft en in samenspraak bepaalt hoe, en met welke partijen de woningen en de private - en in sommige gevallen zelfs de openbare – ruimte wordt ingericht en gerealiseerd. Deze bouwwijze onderscheidt zich van de projectmatige woningbouw door de ‘omkering’ van het bouwproces: de bewoner in spé verschijnt niet aan het einde van het proces als afnemer, maar juist aan het begin ervan, als opdrachtgever. De verandering in de wijze waarop stedebouwkundige projecten worden opgezet heeft verschillende oorzaken. Ten eerste bevat de CPO-werkwijze opzich al voordelen. Zo hebben toekomstige bewoners meer zeggenschap en keuzevrijheid (als gevolg van trends in individualisering, de nadruk op burgerschap, de mondige burgeren de toegenomen welvaart) en daarmee meer mogelijkheden om de eigen woonwensen tot uitdrukking te laten komen. Daarnaast zorgt CPO voor een betere sociale cohesie, een kleinschaliger opzet van wijken en

2626

stimuleert het vernieuwing, functiemenging, doorstroming en de menging van doelgroepen. CPO-woningen onderscheiden zich verder doordat ze over het algemeen van hogere kwaliteit zijn. In de praktijk blijkt dat bewoners wel bereid zijn meer te betalen voor een hogere kwaliteit. Veel ontwikkelaars willen ook mooie projecten opleveren, maar leggen de prioriteit toch eerder bij het maken van winst. Ervaringen met CPO-projecten laten zien dat deze vaak voordeliger zijn dan reguliere bouwprojecten. Dit komt doordat bouwmaterialen gezamenlijk worden ingekocht, de aannemer, architect en loodgieters gezamenlijk ingehuurd worden en de winst die anders naar de ontwikkelaar gaat bij de particulier terecht komt.

de bewoner in spé verschijnt niet aan het einde van het proces als afnemer, maar juist aan het begin ervan, als opdrachtgever. Naast de inherente voordelen van CPO zijn er ook andere redenen waarom het terrein wint. Door het stimuleren van CPO kan er een betere afstemming van vraag en aanbod worden bereikt, zowel op kwaliteit als kwantiteit. Daarnaast worden het aantrekken van midden- en hogere inkomens-

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Overlegavond tussen ‘buren in spé’.

groepen, de bouw van starterswoningen en het stimuleren van duurzaamheid als belangrijke redenen gegeven om meer CPO-projecten mogelijk te maken. Echter de belangrijkste redenen waarom CPO-projecten steeds vaker plaatsvinden is de crisis en de (daarmee samenhangende) veranderde rol van de overheid. Sinds enkele decennia is de overheid steeds pragmatischer geworden ten opzichte van woningbouw en de ruimtelijke ordening. Groei is vervangen door stagnatie en dat is ons onbekend. (Nationale) ruimtelijke ordening is bij het grof vuil gezet en volkshuisvesting staat al lang niet meer op de politieke agenda. De huidige, logge en inflexibele structuur van structuurvisies, grootschalige stedebouwkundige plannen en bestemmingsplannen kan onvoldoende inspelen op zowel maatschappelijke veranderingen als kleinschalige initiatieven van particulieren. Grootschalige projecten komen niet van de grond doordat de vereiste voorverkooppercentages niet meer worden behaald. Los van de vraag of die grootschalige planning nog wel wenselijk is, zien verschillende overheidspartijen steeds meer voordelen in bottom-up initiatieven; niet op de laatste plaats dat gemeenten en ontwikkelaars het groot financieel risico niet meer aankunnen. Particuliere zelfbouwprojecten krijgen daarnaast momenteel gemakkelijker een hypotheek omdat deze projecten minder snel stil komen te liggen. Een andere reden voor de trend richting kleinschalige ontwikkelingen is de financiële crisis en de crisis op de woningmarkt. Gemeenten zien zichzelf genoodzaakt om de plannen voor

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

uitbreidingen te schrappen. Institutionele beleggers investeren op dit moment niet in woningen in afwachting van de crisis. Huizenbezitter, zit tussen stil en verroert zich niet, evenals ontwikkelaars en corporaties. Gemeenten zoeken nu hun heil in het CPO. Langzaam en bedachtzaam, kleinschalig groeien. Op basis van eigen initiatief en eigen risico. Hoewel de voordelen van CPO bekend zijn bij de (nationale) overheid en de wens om zelfbouw te stimuleren er is, loopt het nog niet storm. Vaak mist CPO een flexibele manier van planning met een concrete visie over hoe ‘top down’ regulering en ‘bottom up’ burger initiatieven kunnen worden gecombineerd. Daarnaast dienen gemeenten tijd en geld in CPO te moeten stoppen om het te stimuleren. Die wil is er niet altijd. Bovendien weten ambtenaren vaak niet wat ze aanmoeten met CPO, zeker in kleinere gemeenten. Vergeven grondposities, strakke afspraken over woningaantallen, woningtypen en afspraken over dichtheden zijn andere redenen waarom zelfbouw lastig van de grond komt. In diverse onderzoeken verwacht men desalniettemin dat er een opmars van zelfbouwprojecten te verwachten is. Dit komt deels doordat de woningbouw- en grondmarkt de komende jaren meer ontspannen zal zijn. Daarnaast is er een stijgende behoeft om te (blijven) wonen in sociaal hechte buurten waardoor gentrificatie (toch een soort van ‘oudbouw’ CPO) toeneemt. Ook de vraag naar wonen in collectieve vormen zal toenemen als gevolg van de vergrijzing en het toenemend aantal alleenstaanden.

2727


Wat is de rol van de stedebouwkundige in CPO? Ontwikkelingen zoals individualisering, een terugtrekkende overheid, kleinschaligheid en consumentbetrokkenheid zorgen voor een ander soort stedebouwkundige. De traditionele rol van de stedebouwkundige - en stedebouw in het algemeen - is natuurlijk al enkele decennia aan verandering onderhevig en dit zal in de (nabije) toekomst niet anders zijn. Aan het eind van de twintigste eeuw kwam de geregisseerde stedebouw op. Deze soort stedebouw is niet zo grootschalig als de (puur projectmatige) collectieve projectmatige stedebouw en het initiatief ligt bij particulieren. De gemeente voert onder andere de stedebouwkundige en architectonische regie en inhoudelijke spelregels en zorgt dat er voldoende kavels tegen betaalbare prijzen worden uitgegeven. De verantwoordelijkheid van de bouw van de woningen ligt bij de particulieren. Het spanningsveld tussen het vervullen van individuele woonwensen op de eigen kavel en het waarborgen van een samenhangend beeld van de woonomgeving vereist een zorgvuldige afstemming tussen de stedebouwkundige en architectonische regie. Deze afstemming wordt in huidige CPO praktijken en experimenten op verschillende manieren bereikt. In Reitdiep in Groningen kozen de bewoners gezamenlijk voor één architect die vervolgens alle woningen ontwierp. Deze methode geeft bewoners (weliswaar beperktere) keuzevrijheid bij het ontwerp van de eigen woning en zorgt tegelijk tegelijkertijd voor een eenheid in het plan. In de gemeente Drimmelen is een plan door de gemeente geïnitieerd en door de Woningstichting Volksbelang uit Made ontwikkeld met een door de gemeente geworven groep starters. De architect is vervolgens direct met de door de corporatie al gecontracteerde stedebouwkundige gaan praten en heeft de kopersgroep samen met een ontwerper in workshops het stedebouwkundig plan kunnen maken. In de gemeente Eindhoven is bij de locatie Landhof in Meerhoven een stedebouwkundig plan gemaakt met de mogelijkheid om 250 woningen te ontwikkelen in CPO. Daarbij is de stedebouwkundige kwaliteit van de openbare ruimte dermate hoog dat de invulling van de CPO-velden/blokken deze kwaliteit niet kan bedreigen en enkel zal versterken. De verdere eisen voor de bouwvelden zijn vastgelegd in een zogenaamde kavelpaspoort per locatie waarop is aangegeven wat het minimaal aantal te realiseren woningen is en het maximaal bruto vloeroppervlak. De CPO-verenigingen in Meerhoven kunnen dan ook welstandsvrij hun plannen ontwikkelen binnen de kavelpaspoorten en zo hun droomwoningen vorm geven. Deze kavelpaspoorten zijn met name van belang om de

2828

toekomstige bouwers al in een vroeg stadium duidelijkheid te geven over de randvoorwaarden (aantal woningen, parkeren, toegang, beperkingen (b.v. geluid) die op de kavels rusten e.d.) die gelden voor de kavels.

De stedebouwkundige, zal nog meer moeten optreden als bemiddelaar en procesbegeleider. Genoemde voorbeelden geven aan hoe de afstemming in een CPO-project kan worden bereikt zonder dat de voordelen van CPO worden ondermijnd. Allereerst vormt een boven-individueel deel vaak het kader waarbinnen kan worden gewerkt. Hierna kan dan elke lege ruimte in de stad geschikt zijn om te ontwikkelen in één of meerdere ‘units’ van circa 0,6 tot 1,5 hectare. Daarnaast dient men bereid te zijn om het gesprek aan te gaan en vanuit verschillende posities en belangen tot een optimale ontwikkeling te komen. Geen sturende rol dus, maar een overlegpartij. Dit vraagt om een open houding van de actoren (inclusief de stedebouwkundige) waarbij de medewerkers en bestuurders een andere attitude moeten hanteren; ‘loslaten en vertrouwen’ in plaats van dicteren. De stedebouwkundige - zowel bij de gemeente als bij een adviesbureau - zal nog meer moeten optreden als bemiddelaar en procesbegeleider indien CPO steeds vaker voorkomt. Hij/zij zal door middel van een intensievere communicatie de verschillende opvattingen en wensen tussen gemeenten en de particulieren moeten afwegen om vervolgens tot een stedebouwkundig plan te komen waarin iedereen zich kan vinden. Indien er tenminste - gezien de trends in kleinschaligheid, individualisering, terugtrekkende overheid, en consumentbetrokkenheid - nog wel integrale stadsplannen in de toekomst nodig zijn (in de ogen van de nieuwe, particuliere opdrachtgevers). De stedebouwkundige wordt hiermee wederom een taak toebedeeld. Naast onder andere ontwerper, analist, jurist, communicatiespecialist, bestuurder en procesbegeleider zal de stedebouwkundige zich paradoxaal steeds meer als pleitbezorger voor het bestaansrecht van zijn/haar vak moeten manifesteren. Misschien wordt het tijd dat stedebouwkundigen zelf CPO-projecten initiëren en organiseren! //

Thema: Werk Gezocht! viaVIA


Advertentie Jaargang 18, uitgave 1 - Maart 2012

29


Multi-project: Bergweg, Rotterdam

Yvonne Peters

DE DUURZAME EN GEZONDE STAD In het voorjaar van 2012 heeft een grote groep studenten zijn of haar bachelor afgerond met een project ter locatie van station Bergweg, te Rotterdam. De kern van deze opgave bevat een integraal ontwerp voor een nieuw multifunctioneel centrum rondom het voormalige station Bergweg. Station Bergweg is onderdeel van de voormalige treinverbinding tussen Scheveningen en Rotterdam, gevestigd op 6 meter boven maaiveld. Over het 1,9 kilometer lange spoorviaduct kan men zeggen dat het door zijn concrete aanwezigheid te midden van de stadswijken te zien is als een ondeelbaar uniek object. Voor het laatst heeft er in 2010 een trein gereden en sindsdien staat er een herbestemmingsopdracht voor uit. Het ontwerp bevat openbare ruimtes die zich afspelen op drie verschillende schalen. Op de grootste schaal vindt men het voormalige spoorviaduct als onderdeel van de stad met een grote toegankelijkheid. Een schaal daaronder bevindt zich het Eudokiaplein, een plein dat toegankelijk is voor iedere stadsbewoner, maar zal voornamelijk gebruikt worden door de omwonende. Daarnaast heeft dit ontwerp geleid tot een collectieve buitenruimte van de stedelijke gezinswoningen die alleen toegankelijk is voor de direct omwonenden. De basis van het ontwerp ligt in de ontwikkeling van het Spoorviaduct, het Eudokiaplein en de Voorburgstraat gecombineerd met de waterproblemen die Rotterdam heeft. Water vormt een wezenlijk onderdeel en speelt een cruciale rol bij de ontwikkeling van de stad. Rotterdam wordt vanuit vier

30

verschillende hoeken bedreigt met water (de regen, de zee, het grondwater en de maas). Naast de visie van Rotterdam waar men erna streeft dat de wateropgave ingepast zal moeten worden in de stedenbouwkundige aanpak, kan men de wateropgave ook zien als een enorme impuls voor het stedenbouwkundig ontwerp van de stad. Op twee verschillende manieren zal dit ontwerp zijn bijdrage leveren aan de grotere visie waarbij Rotterdam streeft naar een gezonde en duurzame stad met als belangrijk onderdeel het bijdragen aan het waterprobleem. Niet alleen de toevoer van het water maar ook de mate van verstedelijking, het dicht bouwen van de stad levert vele problemen op. De hoge mate van bebouwing zorgt ervoor dat het water geen kant op kan in de stad en dat de zon zorgt voor een temperatuursverhoging in de stad. Het spoorviaduct wordt in dit ontwerp ontwikkeld als een groene ader door Rotterdam. Belangrijk is dat deze barrière geen blokkade vormt tussen twee gebieden in Rotterdam, maar als onderdeel van de stad/wijk wordt gezien. Doordat de groene ader dient als ontsnapping aan de stad met een groene en natuurlijke uitstraling wordt voldaan aan de visie van Rotterdam. Daarnaast is meer groen in de stad (dit kan op de bebouwing zijn) bouwfysisch gezien heel interessant en draagt bij aan die duurzame en gezonde stad. Regenwater kan beter worden opgevangen, het groen werkt als een buffer voor de afvoer, de opwarming van de stad zal worden tegenaan

viaVIA


Impressie van het vernieuwde Eudokiaplein, inclusief dynamische waterberging.

doordat de zon niet meer weerkaatst zal worden door de verharde delen en de luchtkwaliteit zal verbeterd worden doordat het groen stofdeeltje uit de atmosfeer opneemt. Op de locatie waar het viaduct aansluit op de omliggende omgeving en hier een directe interactie aangaat zal het pad verbreed worden en de groene borders verkleind worden. Aan de zijkant van het viaduct zal deze interactie op verschillende plekken benadrukt worden. Zo bevindt zich in dit plangebied ter hoogte van Station Bergweg een van deze plekken, het Eudokiaplein. Het Eudokiaplein is een wijkplein met als hoofdfunctie het bieden van een ontmoetingsplek. Aansluitend ligt de voorburgstraat, een wijkstraat. Met als kenmerk een gemengd programma met voorzieningen, winkels en woningen in de plint. Uit het beleidskader van de gemeente blijkt dat de omwonenden de kwaliteit van het openbaar groen in deze omgeving als erg laag ervaren. Het plein wordt ontwikkeld als een toegangsplein, een sfeervol en gezellig plein, waar mensen elkaar ontmoeten. Dit wordt bereikt door een levendige winkelplint en door culturele voorzieningen in CafĂŠ Bergweg, het voormalige station Bergweg. Het ontwerp vertaalt een plein waar het fijn vertoeven is. Ook dit gedeelte van het ontwerp draagt bij aan de duurzame en gezonde stad Rotterdam, maar op een andere manier dan het viaduct. Op het Eudokiaplein is het concept waterplein van ‘de Urbanisten’ toegepast. De locatie van het plein is door zo-

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

wel de ligging in zijn omgeving als de sociale factor geschikt om mensen kennis te laten maken en bewust te laten worden met het waterprobleem waar Rotterdam mee kampt. Het hemelwater uit de omgeving wordt via een apart rioolstelsel opgevangen en gefilterd voordat het naar het plein stroomt. Na een bui stroomt het water wanneer kan geleidelijk weg naar de Noordsingel. De juist korte en hevige buien die voor problemen zorgen in het dichtbevolkte stedelijk gebied kunnen hier worden opgevangen. Het waterplein lost niet alleen het probleem van de directe opvang van piekbuien op. Ze bieden ook een mooie kans om een bijzondere openbare ruimte te realiseren, waar verblijfskwaliteit wordt gekoppeld aan de wateropvang. De mensen in de stad krijgen hierdoor dus op een zichtbare en ervaarbare manier te maken krijgen met het waterprobleem. Het grootste gedeelte van het jaar staat het plein droog en kun je erin verblijven. De hoeveelheid regen bepaalt het uiterlijk van het plein. Wanneer het meer gaat regenen stromen er ook meer delen vol en veranderd het uiterlijk van het plein. //

31


M2: Roosendaal

Timo Lagarde

BUITENGEBIED ALS STEDEBOUWKUNDIGE MOTOR Roosendaal, de stad die floreerde tijdens de hoogtijdagen van industrie en logistiek, kan in tijden van reorganisatie en globalisering niet meer zonder meer vertrouwen op haar traditionele grootste kwaliteit: de werkgelegenheid. De van origine in Roosendaal aanwezige bedrijven (met name gericht op de voedselindustrie) verdwijnen in hoog tempo, en ook de continu誰teit van de logistieksector staat onder druk door de recente infrastructurele ontwikkelingen in de regio. Toen de werkgelegenheid nog haar hoogtijdagen vierde, werd aan andere beleidsterreinen relatief weinig aandacht besteed. Vestiging van bedrijven was het belangrijkste streven, met goede infrastructuur en uitgestrekte bedrijventerreinen tot gevolg. Uiteraard profiteerden bewoners van de goede bereikbaarheid en de grote werkgelegenheid, waardoor de kwaliteit van wonen tot recentelijk eigenlijk slechts beperkt onderwerp van gesprek is geweest. Nu de zowel de werkgelegenheid als de woningmarkt onder druk staat, komen langzaam ook de gebreken van de stad bovendrijven, waarin het tekort aan recreatieve faciliteiten en het gebrek aan diversificatie in woonmilieus een grote rol spelen. Het Project Om zonder grote investeringen van overheidsorganen toch een bijdrage te kunnen leveren aan de verbetering van zowel de recreatieve mogelijkheden als de diversiteit van de woningvoorraad, is een systeem ontwikkeld waarbij tegelijkertijd de

32

kwaliteit van het buitengebied wordt verbeterd en op kleine schaal woningen ontwikkeld kunnen worden binnen de segmenten waar, ondanks de woningcrisis, nog altijd vraag is. Onderdeel hiervan is het completeren en intensiveren van het fietspadennetwerk, waardoor bestaande belangrijke natuur- en recreatiegebieden in de omgeving beter bereikbaar worden, en dus van grotere recreatieve waarde worden voor de stad. Een ander deel van de visie bestaat uit kleine ingrepen in de stadsrand, om de verstoorde relatie tussen stad en land iets te herstellen. Het belangrijkste onderdeel echter zijn de ontwikkelingen in het agrarisch gebied ten zuiden van Roosendaal. De rendabiliteit van dit gebied staat ernstig onder druk. De kleinschalige en onregelmatige verkaveling zorgt voor een arbeidsintensieve bewerking en beperkingen op grootschaligheid, en de strenge milieueisen die hier gelden vanwege het grondwatersysteem geven verdere restricties op bestrijdingsmiddelen- en (kunst)mestgebruik. De fijnmazige verkaveling, de afwisseling met kleine en grote natuurgebieden, en de dooradering met vaarten en beken zijn economisch gezien een nadeel, maar voor recreatie bieden zij grote kansen: het afwisselende coulisselandschap biedt met name op het gebied van extensieve recreatie grote mogelijkheden voor de stad.

viaVIA


Op verfijnde wijze worden oude structuren ‘aangevuld’. Als compensatie van deze nieuwbouw, kan de groenstructuur versterkt worden.

De uitwerking Gezocht is naar een systeem waarin zowel de diversificatie aan woonmilieus als de ecologische en recreatieve waarde van het buitengebied vergroot wordt. Deze mogelijkheid is gevonden in een vorm van toelatingsplanologie: agrariërs krijgen de mogelijkheid om, afhankelijk van de grootte van hun percelen, enkele kavels te ontwikkelen op hun eigen grond. De waardevermeerdering van de grond door de bestemmingswijziging moet voor 50% worden geïnvesteerd in de ontwikkeling van natuurgebied, kleinschaligere natuurlijke elementen (denk hierbij aan weidevogelpoelen, houtwallen en dergelijke), of het bedrijven van kleinschalige, duurzame landbouw. Op basis van een stedebouwkundige analyse zijn een aantal landschapstypen vastgesteld. Binnen deze landschapstypen dient het aantal, de perceelgrootte, de verkavelingsvorm en de landschappelijke inbedding van de nieuwe woningen aan specifieke eisen te voldoen, om de nieuwe ontwikkelingen aan te laten sluiten bij de structuur en het karakter van de bestaande landschappen. Een open agrarisch gebied vraagt immers om een andere aanpak dan een beekdal of een bosrand. De beekdalen langs de beken en vaarten die het gebied doorkruisen gelden als bijzonder voorbeeld. Sinds de 16e eeuw werden deze gebruikt voor het vervoer van turf en landbouwproducten, maar sinds de industrialisatie hebben deze waterlopen hun transportfunctie verloren, waarna ze deels zijn versmald en deels zijn verdwenen. Recentelijk wordt aan

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

deze waterlopen echter weer een nieuwe functie toegekend. Enkele van deze stromen zijn door de provincie aangewezen als Ecologische Verbindingszones, vanwege hun grote belang als leefgebied voor diverse amfibiesoorten en als broedgebied voor met name struweelvogels. Daarnaast dient de waterbergende functie van deze waterlopen te worden uitgebreid, om in droge perioden te dienen als watertoevoer naar het landbouwgebied ten noorden van Roosendaal. Voor de ontwikkeling van deze verbindingszones hebben zowel de Provincie als het waterschap Brabantse Delta een budget gereserveerd. De projecten liggen echter op dit moment stel vanwege ‘uitputting’ aan de zijde van de gemeente Roosendaal: de budgetten zijn niet meer toereikend. De agrariërs die grond bezitten langs deze waterloop kunnen in ruil voor de aanleg van bijvoorbeeld glooiende oevers, amfibiepoelen, en struweelpartijen elders op hun land enkele bouwpercelen uitgeven. Hetzelfde geldt voor agrariërs in kamerlandschappen, open agrarische landschappen en langs bosranden, uiteraard met andersoortige natuur- en woningontwikkeling. Wanneer deze ontwikkelingen zorgvuldig en binnen goede randvoorwaarden worden toegepast, neemt zowel de ecologische als de recreatieve waarde van het buitengebied toe, terwijl tegelijkertijd nieuwe, kwaliteit woningen worden gebouwd binnen het segment waarin - ondanks de woningcrisis - nog altijd vraag is. //

33


Een verkenning van de stedebouwkundige kansen in de binnenstad van Sittard

afstudeerproject Martijn van Leipsig

GEPASTE BESCHEIDENHEID IN CENTRUMLOCATIES Aanleiding De dominante positie van een binnenstad in de stedelijke structuur is niet meer vanzelfsprekend. Toenemende concurrentie met andere locaties maakt dat het functioneren onder druk staat, voornamelijk bij kleinere provinciesteden. Als reactie wordt vaak met ambitieuze investeringsprogramma’s getracht het tij te keren. Echter de laatste jaren wordt duidelijk dat het vertrouwde instrumentarium bij ruimtelijke ontwikkeling, namelijk waardecreatie door groei, niet meer voldoet. Economische en demografische krimp hebben de stadsontwikkeling doen vastlopen. Dit is zichtbaar in een groeiende leegstand, stagnatie van projecten en een oplopende rentelast over diverse eigendommen. De binnenstad van Sittard is zo’n plek waar dit plaatsvindt. Binnen mijn afstudeerproject heb ik onder meer onderzocht welke ontwikkelingen negatieve invloed uitoefenen op haar functioneren. Ik concludeer dat tendensen als bevolkingskrimp, internetwinkelen en groeiende concurrentie voorlopig als onomkeerbaar beschouwd moeten worden. Ook lijkt het er op dat de gebezigde projectontwikkelingsstrategieën niet in staat zijn om het voorzieningenhart vitaal te houden. Met deze situatie als gegevenheid en vanuit de veronderstelling dat deze binnenstad niet aan haar lot overgelaten hoeft te worden ben ik op zoek gegaan een stedebouwkundige aanpak die het hoofd zou kunnen bieden aan deze problematiek zonder voorbij te gaan aan lokale doelen, ambities en eigenheden.

34

Aanpak Om een beeld te krijgen van de mogelijkheden en noden heb ik de stedebouwkundige ontwikkeling en ruimtelijke structuur van de binnenstad geanalyseerd. Gedurende haar lange historie heeft deze vele functies vervuld, van militaire vesting tot marktplaats en van bedevaartstad tot dienstencentrum voor de geïndustrialiseerde regio. Voor zover bekend is er minstens twee keer eerder sprake geweest van aanzienlijke krimp en functieverlies. Momenteel doet ze voornamelijk dienst als stedelijk winkel- en ontmoetingscentrum. Echter deze functie staat onder druk. Deze dynamiek heeft altijd plaatsgehad binnen enkele robuuste en dominante structuren, welke ook in de toekomst mogelijkheden kunnen scheppen om de veranderende behoeften te faciliteren. Vanuit de vooronderstelling dat het oude stadshart moet blijven fungeren als centrum, zijn op basis van de hoofdstructuur alternatieve projectvoorstellen gedaan. Er is niet uitgegaan van opschaling en toevoeging van programma’s, maar gewerkt met kapitaal dat al aanwezig is. Leidende principes bij de voorstellen zijn het vergroten van de leesbaarheid, herbestemming en de mogelijkheid om meerdere doelen te dienen. De projectvoorstellen zijn geformuleerd als onderwerpen voor nadere studie en discussie, wat past in de huidige tijd.

viaVIA


Effectieve ingrepen als onderdeel van een renovatie.

Ontwerpvoorstel Eén van de projectvoorstellen is uitgewerkt om een demonstratie te geven van de stedebouwkundige mogelijkheden. Het betreft een buurt in het zuiden van de binnenstad van Sittard, op de grenzen van ‘binnen’ en ‘buiten’ en van historisch en modern en een belangrijke entree. Het is de plek waar in de jaren zestig, na sanering, een winkelcentrum genaamd “Den Tempel” werd gerealiseerd. Een nauwkeurig overwogen herontwikkeling is interessant door de mogelijkheid tot verwezenlijking van diverse ambities. In plaats van een complete vervangingsoperatie is gekozen voor een meer stapsgewijze aanpak, waarbij het grootste deel van de huidige bebouwing kan blijven bestaan. Diverse kleinere ingrepen vergroten de toegankelijkheid, de multifunctionaliteit en de belevingswaarde. Door het immense dakoppervlak van het complex aan te wenden voor bewoning, begroeiing en andere functies is het project interessant voor investeringen en wordt de buurt letterlijk en figuurlijk ‘gelaagd’. Een functionele invulling van de blinde achtergevels, een heroriëntatie van de entrees en toevoeging van openbare ruimte zorgen voor hernieuwde aanhechting van het buurtje in zijn omgeving, terwijl het winkelareaal afneemt. Verder is er een ontwerp gemaakt voor de openbare ruimte. Met een naar beneden bijgesteld programma en een kleinschaliger aanpak is invulling gegeven aan belangrijke ambities en beweegt het stadshart mee met de tijd, zonder de negatieve

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

effecten hiervan te ondervinden. Ondanks het bescheiden bouwprogramma is het plan aantrekkelijk voor investeringen, ook door kleinere participanten. Met dit project rond ik mijn studie naar tevredenheid af, maar het traject is nog niet helemaal ten einde; binnenkort mag ik het presenteren voor het Team Ruimtelijk Ontwerp van de gemeente. Het is interessant en ook wel spannend om te zien hoe de ervaren professionals tegen mijn voorstellen aankijken maar ik hoop vooral dat het kan bijdragen aan de discussie betreffende stedebouw in Sittard. //

35


Re-Framing Cologne inner-city along the East-West light rail

graduation project Mihaela Meslec

RECLAIMED PUBLIC SPACE Frames of landscape and infrastructure are mapped at city scale and defined in relation with planning concepts and history. For instance, main axes, city walls, military ring, railway system, light rail on radial streets, closed rings or opened infrastructure model, green system and the bend in the Rhine are a couple of elements that have framed the urban development over time. They are in general either unplanned or included in city plans. Analysis shows that through their configuration, the frames determined the character of the city and the way Cologne developed and changed in a sequence of moments. With this background, through zooming in from city scale in a given location on the main East-West axis, called Heumarkt different plans for the bridge landing, the area or the street are described. In the recent history, Cologne city planning used ‘frames’ to establish some order at larger scale, and focus more on densification, while at local scale the city has to deal with barriers of infrastructure. This is the case of East-West transect, an important element for urban restructuring, section through Cologne history and a result of conflicting planning ideas. The postwar reconstruction plan which attempted to integrate the over scaled object into the local context was not succesfull. Therefore, the current frame is a result of traffic engineering and functional plans. The presence of these problems lead to the following research question: how re-framing the city along the East-West light-rail

36

could reclaim public space from traffic while better integrate public transit and pedestrian facilities at local scale? This approach for intervention deals more with infrastructure and open space. The re-framing strategy along the East-West light rail could improve the city life by dissolving the current traffic barrier. Besides the extension of the light rail, the project proposes to diminish traffic by spreading it on three parallel streets and a slow mobility network. With regards to the open space, a more continuous public space will result from reclaiming the space currently occupied by traffic, which in turn will connect with the four Churches area in a new public domain. These ideas constitute the basis for developing an urban project around Heumarkt traffic node, which aims to reclaim the public space while improving pedestrian accessibility, better integrate public transit stations and resolve the bridge landing problem. By splitting the light rail tracks from car&bus lanes will allow a better organization of urban traffic. Besides upgrading the transfer point, the design leaves generous space around the stations to attract other activities and possible uses. The zone is restructured with a focus on local qualities produced by a long history and past urbanism as showed in the analysis. By designing the main station at Heumarkt the tramway gets back a place in the public domain. Furthermore, the market is restored close to the riverbank, in a new public space reclaimed from ‘car domination’. Together with an extended

viaVIA


river promenade, roof terrace and hotel passage, the square, the open space around the Church and a local playground, will result in a new sequence of public spaces. Therefore, urban traffic will be better integrated at local scale and the balance between mobility and public space improved. A pedestrian outlook, opening of building passages, ramps and escalators are all improving accessibility. From Heumarkt node, the new public domain continues with a series of five squares. Set on both sides of the street, squares will take over the place of parking houses. As an alternative for mobility, public transport stations are integrated in the design. The new public domain attracts different activities and uses which brings back a human scale to the street. At the same time, the continuous space strengthens the urban structure of the inner-city. The project proposes an alternative to the current masterplan and the common strategy of reframing the space with built form. Infrastructure is again a structuring device for the EastWest axis. In a period of stagnation, the design focuses on open space and public transportation as sustainable solution. Moreover, left-over spaces or the ones occupied by park houses are used as an opportunity for design. As a bottom up approach, the urban intervention at small scale however, on a strategic location – Heumarkt node – could generate improvements on larger scale. //

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

37


De aanpak van ‘Stichting Ruimte’

Tobi van Sambeeck

STICHTING RUIMTE CREËERT EN BEHEERT De ontwikkeling van Eindhoven staat vanaf het moment dat het plaatsje een stad werd in het teken van innovatie en creativiteit. De oprichting van Philips aan het eind van de 19e eeuw zorgde voor ‘de grote herindeling’ in 1920 en in een klap stond Eindhoven als industriestad op de kaart. Tot op de dag van vandaag speelt de aanwezigheid van innovatieve bedrijvigheid een belangrijke rol in de economische en sociale structuur van de stad. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de aanwezigheid van tal van hoogwaardige technologische bedrijven als Philips en ASML of kennisinstituten als de Technische Universiteit en de Design Academy. Behalve deze gerenommeerde giganten bestaat er een substantieel kleinschalig circuit van kleine (semi-) creatieve/ culturele (semi-)professionals, initiatieven en instellingen. De waarde van deze creatieve massa wordt van lokaal tot mondiaal niveau onderzocht, geanalyseerd en inmiddels gekoesterd. Sinds de laatste eeuwwisseling is er een enorme focus op de waarde van creatie ontstaan in het Westen. Boeken, bijna Bijbels verklaard, als The Rise of the Creative Class (2001) van Sociaal Econoom Richard Florida hebben daar stevig aan bijgedragen, ook in Nederland. Waar honderdvijftig jaar geleden enkel koeien liepen, ontwikkelden we ons van kweken naar produceren; van produceren naar dienstverlenen en van daaruit tot kennisontwikkelaars. Kennis, ideeën, creativiteit: dit is vandaag de dag onze handelswaar. Eindhoven wil mee in deze ontwikkeling. De overheid (zowel landelijk, provinciaal als

38

lokaal), de onderwijsinstellingen en de aanwezige bedrijven: allen willen zij een stuk van de taart. Zodoende wordt er ruimte ontwikkeld voor creatieve bedrijvigheid in de stad. Zowel figuurlijk als letterlijk. Begin 2008 vond er in Eindhoven overleg plaats tussen verschillende maatschappelijke partijen (gemeente, woningcorporaties, kunstinstellingen) met het oog op de ontwikkeling van een structureel huisvestingsaanbod voor creatieve ondernemers en kunstenaars in de stad. Hoewel er meerdere plekken waren waar deze doelgroep terecht kon (bijv. TAC en het Klokgebouw), ontbrak het aan een centrale organisatie met centraal overzicht en doelstellingen. Zodoende werd besloten dat er een stichting in het leven moest worden geroepen die neutraal en vanuit de heersende vraag projecten zou optuigen. Stichting Ruimte was een feit. Om de neutraliteit te waarborgen werd gekozen voor een stichtingsvorm. Hoewel de financiering voor een klein deel door de gemeente ondersteund wordt en de stichting goede banden met verschillende afdelingen van de gemeente onderhoudt, functioneert Stichting Ruimte als een zelfstandig orgaan en wordt zij geacht zelf de koers te bepalen en te zorgen voor een gezonde bedrijfshuishouding. In de zomer van 2008 werd gestart met het eerste project, het voormalige Augustinianum aan de Kanaalstraat 8, hartje centrum. Deze eigendom van de gemeente verloor in 2005

viaVIA


Voormalig Augustinianum aan de Kanaalstraat: het eerste project van Stichting Ruimte

met de Toneelschool haar laatste huurder waarna het pand leeg kwam te staan. In afwachting van een nieuwe bestemming werd het rijksmonument in bruikleen gegeven aan Stichting Ruimte. Het was niet moeilijk de 35 ateliers (grotendeels voormalige klaslokalen) in te vullen. Gezien het aantrekkelijke prijsniveau en het tekort aan geschikte ateliers in de stad zat het pand vrijwel direct vol. Met de nadruk op Eindhovens grafisch en productontwerp- aan de ene kant, en beeldend kunsttalent aan de andere kant van het gebouw is het pand ook nu nog altijd een van de meest gewilde werkplekken voor creatief Eindhoven. Project Yard

De soepele invulling bij aanvang van het project had grotendeels te maken met de druk op de wachtlijst voor ateliers bij de gemeente. Tegelijk met het project aan de Kanaalstraat, kwam tevens deze wachtlijst in beheer van de stichting. Hier stonden ongeveer 250 meer of minder urgente gevallen op zoek naar een werkruimte op. Er was dus duidelijk sprake van een tekort aan ateliers. De daarop volgende jaren ontwikkelde Stichting Ruimte nog 10 andere locaties. Op dit moment biedt de stichting negen werklocaties aan, maar niet overal vervult zij dezelfde rol. Zo is er het project Yard, een ambachtelijk complex, waarvan de verhuur bij woningcorporatie Trudo ligt. Stichting Ruimte neemt hierin de rol van dagelijks beheerder en bemiddelaar op zich.

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

Project Yard

39


Daarnaast is er het project Het Atelier aan de Lijsterbesstraat. Hoewel eigendom van, en verhuurd door studentenhuisvester Vestide, worden de ateliers op de begane grond aangeboden en ingevuld door Stichting Ruimte. In dit geval fungeert de stichting min of meer als creatief makelaar. Op zeven andere locaties worden verhuur en beheer geheel door Stichting Ruimte verzorgd, maar ook hier wordt er samengewerkt met bezittende partijen als gemeente, woningcorporatie of particulier ontwikkelaar. De rol van Stichting Ruimte kan daarmee vooral worden bestempeld als koppelstuk tussen vraag vanuit de startende en vaak low budget creatieve sector, en het aanbod aan de vastgoedzijde. Deze twee werelden liggen doorgaans mijlenver uiteen en daar is een bemiddelaar met kennis en netwerk aan beide kanten van het spectrum noodzakelijk. Een belangrijk kenmerk van het aanbod van Stichting Ruimte is diversiteit en spreiding van locaties. De laatste jaren is er een sterke nadruk met betrekking tot creatieve huisvesting komen te liggen op Strijp S vanwege de daar beschikbare ruimte. De vraag op basis van de wachtlijst van Stichting Ruimte wijst echter uit dat er ook specifieke wensen liggen voor andere plekken in de stad. De stichting gaat altijd uit van de vraag van haar doelgroep en richt zich zodoende op de ontwikkeling van locaties door de gehele stad. Hoewel er natuurlijk accenten kunnen liggen op de kaart, gelooft Stichting Ruimte dat een stadsbreed aanbod van locaties het meeste effect heeft voor de ontwikkeling Eindhoven als creatieve stad. Zolang de vraag zich daar begeeft, mag een creatief huisvester deze niet negeren. Daarnaast biedt een verscheidenheid van gebouwen, ook een natuurlijke diversiteit van soorten werkruimte aan. Zo kan de ruimte beter aansluiten op persoonlijke wensen (bijvoorbeeld behoefte aan groot- of kleinschalig) of meer professionele afwegingen (bijvoorbeeld een ruimte op de begane grond met een eigen ingang). Groeiende leegstand: een oplossing? Hoewel er de laatste jaren veel leegstand is bijgekomen (met name kantoorruimte: +/- 7,5mln m2 in Nederland) is dit niet direct een oplossing voor het nog altijd heersende tekort aan geschikte atelierruimte. Hoewel Stichting Ruimte in relatief korte tijd enkele honderden creatieven onder de pannen heeft weten te brengen, staan er nog altijd bijna evenveel mensen op de wachtlijst als toen de stichting begon. Dit heeft te maken met een toename van bekendheid (meer mensen schrijven zich daardoor in), maar ook met de toename van klein on-

40

dernemerschap en vrij recentelijk, de bezuinigingen op cultuur waardoor menig creatieveling dakloosheid moet vrezen. Leegstand kan hier deels voor worden aangewend, maar is geen panklare oplossing. Allereerst is het de vraag hoe structureel deze leegstand is. Zolang hier geen uitsluitsel over gegeven kan worden, zullen aanbieders van ruimte geen garantie over gebruik tegen gereduceerde tarieven durven geven en kunnen creatieve starters dus niet rekenen op zekerheden die in de beginfase van hun ondernemerschap van belang zijn. Hoewel bepaalde creatieve doelgroepen als zeer flexibel kunnen worden bestempeld, heeft de meerderheid vrij gangbare huisvestingswensen. Zij kunnen het zich niet veroorloven om de haverklap en ad hoc te verhuizen. Daarnaast is er een investeringsprobleem voor de aanpassing van tijdelijke leegstand voor andere toepassingen zoals een creatieve. Ook hier geldt dat de creatieve doelgroep weliswaar flexibel is en zich relatief gemakkelijk aan de omgeving aanpast, deze zelfs in sommige gevallen adoreert (in geval van monumentale gebouwen bijvoorbeeld). Toch dienen deze locaties altijd van enige extra infrastructuur te worden voorzien. Denk bijvoorbeeld aan veiligheid, communicatie en indeling. Dit kan doorgaans met overzichtelijke budgetten worden gerealiseerd, maar zonder enig vooruitzicht is deze investering zeer risicovol. En hoe beter de voorziening, hoe hoger de kosten en dus groter het risico wordt als er geen concreet vooruitzicht is. Stichting Ruimte streeft een structureel huisvestingsaanbod en –niveau na dat niet 1-op-1 loopt met het simpelweg invullen van leegstand. Zodoende is de stichting continue op zoek naar praktische, betaalbare oplossingen voor tijdelijk gebruik, maar tevens naar geschikte, beschikbare locaties waarover goede afspraken kunnen worden gemaakt. Daarmee is de stichting dus geen invuller van leegstand, maar aanbieder van geschikte ruimte. De huidige leegstand en tijdelijk hergebruik kunnen daarbij van pas komen, maar zijn absoluut geen onvoorwaardelijke oplossing voor het tekort. Een duurzaam creatief aanbod De nog altijd aanwezige vraag naar creatieve werkruimte biedt kansen voor Eindhoven om de gewenste creatieve bedrijvigheid voor de stad te behouden. Belangrijk daarbij is echter dat er voldoende ruimte wordt gecreÍerd in de meeste enge zin van het woord, maar ook in bredere zin, ofwel keuzevrijheid en de mogelijkheid zelf aan het roer te staan van de eigen huis-

viaVIA


Binnen in het pand aan de Kronehoefstraat

vesting. De praktijk leert dat de creatieve doelgroep, met name het autonoom en startende deel, niet de bedragen op weet te hoesten die tot op heden gangbaar zijn en er een geheel eigen kijk op voorwaarden op nahoudt. Daar staat tegenover dat creatieve ondernemers op meerdere vlakken kunnen bijdragen aan de opwaardering van gebouwen en hun omgeving en relatief zelfredzaam zijn. Met dit in het achterhoofd tracht Stichting Ruimte een passend aanbod te creëren dat vanuit de creatieve vraag ontstaat en aansluit bij het aanbod op de markt. Dit is vanuit traditioneel oogpunt en op korte termijn niet de meest aantrekkelijke commerciële oplossing, maar maatschappelijk en op de lange termijn des te interessanter voor de ontwikkeling van de stad. Het vergt enig inzicht en lef, maar vooral openheid en bereidheid tot bruggen slaan tussen verschillende maatschappelijke en commerciële partijen. Het bundelen van krachten kan leiden tot een synergie die noodzakelijk is voor de succesvolle ontwikkeling van de creatieve stad Eindhoven. //

Foto’s door: Ruud Balk

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

Binnenin het pand aan de Galileistraat

Pand aan de Akkerstraat

41


Column Reinder Rutgers

A tree is not a city

Christopher Alexander in reverse, stedebouw in reverse, Catharinaplein revisited. Ik hou niet van herhaling, dus lees de mijn column in de vorige viaVIA als voorloper van deze of verwonder u vers. Helaas dwingt een onvermijdelijk plein tot een onvermijdelijk vervolg: de taak van een columnist is zwaar. Niet alleen doen we in Eindhoven niet aan kennis met betrekking tot aangename stedelijke ruimtes, ook inzicht in meer bij-de-grondse aspecten van de stedebouw is blijkbaar niet genoeg ‘leading in technology’. Hoofdstuk 15 van het tweedejaars dictaat stedebouwkundig ontwerpen geeft wat vuistregels: boomwortels hebben lucht nodig over een groot oppervlak; bomen moeten in voldoende volume goede grond worden geplaatst; de boomsoort moet passen bij bodem en microklimaat; boomroosters zijn meestal te klein en te zwaar; etc, etc. Ook die kennis is aan Eindhoven niet besteed, want we hebben blijkbaar liever bomen zonder bladeren: een ‘design’ plein met ‘design’ bomen! Score momenteel: 50% van de bomen is een half jaar na het planten al dood. Behulpzame gedachte: didactici prediken al jaren dat kennis achterhaald is, dus het gebrek er aan is gelegitimeerd. Het kind in ons is van nature leergierig, zo één van hun - ongetwijfeld niet op kennis gebaseerde - theorieën. De Eindhovense designers zijn wat dat betreft up to date. Kinderlijke verwondering is hun deel. Benieuwd naar hun reactie als bij de overige bomen in de loop van oktober de bladeren verkleuren en afvallen. Hoe zou dat nu komen...?

Evenwichtig design: precies 50% van de bomen is doodgegaan.

42

Design humor: ‘je doodvervelen onder een dode boom’.

Design wens: boom zonder wortels s.v.p.

viaVIA


Sponsoren VIA Stedebouw

Partners van VIA Stedebouw zijn Architectuurcentrum Eindhoven, BNSP, gemeente Eindhoven, Eindhovense School.net, Motta Kunsboekhandel, NAi

Jaargang 18, uitgave 3 - oktober 2012

43


44

bezoek ons op www.viastedebouw.nl word lid van www.facebook.com/groups/viastedebouw

viaVIA


viaVIA oktober 2012  

viaVIA is het magazine van VIA Stedebouw, bouwkunde Technische Universiteit EIndhoven.

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you