Page 1

 

Experimentele nieuwbouw  Amsterdam, Betondorp  Kracht van de gemoedelijkheid  Voor de trip naar de geboortewijk van onder ander Johan Cruijff, hadden we ons ingelezen middels  enige documentatie. Op het internet zijn websites te vinden over betondorp en we hadden in de  bibliotheek een boek gevonden over Watergraafsmeer – alwaar Betondorp in gelegen is. Hierin was  te vinden dat Betondorp een “goedkope arbeiderswijk uit de jaren 1930 was” en dat het percentage  allochtonen van de eerste en tweede generatie boven de 50% lag. Allochtonen zijn in deze inwoners  van Nederland die niet in Nederland geboren zijn (eerste generatie) of waarvan de ouders niet in  Nederland geboren zijn (tweede generatie). Daarnaast wisten we dat het veelal oudere bewoners  waren, die er hun hele leven al gewoond hadden. Op basis van deze gegevens verwachtten we een  ietwat verouderde wijk, zowel qua bebouwing als qua bewoners, waar de onderlinge, persoonlijke  verbondenheid groot was doordat de mensen er veelal al lang samen woonden en/of zich verbonden  voelden als “etnische minderheden”.  Eenmaal in de wijk gearriveerd, konden we eigenlijk niet anders dan direct concluderen dat de  beeldvorming juist was. De wijk is een echte volksbuurt te noemen. Overal waar je kijkt is het duidelijk  dat er weinig rijkdom en welvaart aanwezig is. De auto’s, de voortuintjes en de ‘vensterbankvulling’  onderbouwen het allemaal: Betondorp is een geëvolueerde arbeiderswijk. Het heeft zich door de jaren  heen ontwikkeld van een buurt vol met jonge arbeiders, die goedkope woonruimte nodig hadden,  naar een wijk vol met financieel minder bedeelden, die door het huren van een goedkope woning toch  een zelfstandig bestaan konden opbouwen.  Enkele vragen die hierdoor opgeroepen worden zijn:  Is het hierboven omschreven beeld een probleem of is dit juist een charme van de wijk? (Sociaal‐ Economisch‐Culture vraag). Daarnaast zijn er nog enkele andere vragen, zoals: Hoe is de wijk tot  stand gekomen (Ontstaansgeschiedenis), Welke veranderingen zijn er in de aflopen tachtig jaar  opgetreden in de vorm en bewoning van de wijk? (Transformatie). Wat kunnen we hiervan leren en  hoe kunnen we dit toepassen in nieuwe vraagstukken?  Hoe de wijk nu is, en hoe dit door je jaren heen zo is gekomen, wordt in dit essay besproken.    We zullen eerst de ontstaansgeschiedenis aangrijpen, om te kunnen verklaren hoe de wijk in zijn  context geplaatst is. Na het omschrijven van de ontstaansgeschiedenis, gaan we in op de vraag hoe  het komt dat de een van de armste buurten van Nederland toch in trek is bij (nieuwe) bewoners. Als  laatste willen we proberen te omschrijven wat we van Betondorp als zelfstandig tuindorp kunnen  leren en welke leer we kunnen trekken voor het bedrijven van toekomstige stedenbouw.     

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


Geschiedenis van de context  De ontwikkeling van Betondorp is een reactie op de roep om sociale woningen voor de  arbeidersklasse, die in de jaren 1920 woonden in achterstallige, vervallen huizen die niet meer  voldeden aan de wooneisen van die tijd. Er kwam onder andere reactie vanuit de kant van de  “hygiënisten” en hun politieke gevolgen. De hygiënisten waren in deze tijd een belangrijk onderdeel  van het stadsbestuur en het stedebouwkundig gezag. Ze hadden als taak het verbeteren van de  leefomgeving als deel van de “heropvoeding” en ook vanuit de emancipatie vanuit de arbeidersklasse  zelf. Onder de heropvoeding word verstaan het opwaarderen van de leefomstandigheden van  (vooral) de arbeidersklasse. De locatie was tot die tijd vooral in gebruik als recreatief oord voor de  meer welvarende uit de stad. Ze hadden hier hun buitenverblijven, alwaar ze de drukte en vuiligheid  van de stad konden ontvluchten. (bron: B1, B4, I1 t/m I5)    Theorie van het stadsmodel – tuindorp  Om de arbeidersbevolking ontsnapping te bieden uit de misère van de industriële metropool die  Amsterdam eind jaren 1920 begon te worden, greep de gemeente samen met de AVA  (Amsterdamsche Vereniging tot het bouwen van Arbeiderswoningen) het plan van Ebenezer Howard  aan. Ebenezer Howard lanceerde rond die tijd een revolutionair model voor stedelijke ontwikkeling:  de tuinstad. Het model van de tuinstad was een zelfvoorzienend en autonome stad, midden op het  platteland (in ons geval het ingepolderde Watergraafsmeer) Het tuinstadmodel was een complete  samenleving op lokaal schaalniveau. Dit betekend dat het een soort van eigen dorpje was, als  onderdeel van het grotere stadsniveau. In een besloten, intieme en geborgen vormgeving moest het  een intensieve deelname van de bevolking aan het bestuur en aan het culturele leven stimuleren. In  de praktijk is het tuinstad idee in veel kleinschaliger vorm uitgevoerd: geen tuinstad, maar tuindorp.  Het tuindorp (dat een ‘verkleinde uitwerking’ was van de filosofische Tuinstad van Howard) kenmerkt  zich door lage eengezinswoningen met een voor‐ en een achtertuin en een omgeving met veel groen.  Het ontbreken van stedelijk vertier zoals kroegen, en de sterke nadruk op de gezinswoning als kern  van het leven, moesten bijdragen aan de vorming van een fatsoenlijk, burgerlijk karakter. (bron: B2,  B5, B5, I1)    Ontwerpers  Voor de bouw van Betondorp werden tien bouwsystemen voor betonbouw toegepast. Deze  systemen waren gekozen uit een prijsvraag waarbij ongeveer 50 alternatieven werden aangedragen.  De uitvoerders van deze tien systemen hadden allemaal een eigen architect in de hand genomen.  Hierdoor is er een divers aantal uitvoerende architecten betrokken geweest bij het plan. Twee van de   hoofdarchitecten die verantwoordelijk waren: J.B. Van Lochem en D. Greiner. Zij kregen de opdracht  een moderne woning en omgeving te ontwerpen met behulp van het nieuwe bouwsysteem:  betonbouw. Om het systeem zo optimaal te kunnen gebruiken, hadden de architecten gekozen voor  een hoekig effect op de woningen. De hoeken van 90 graden komen vaak voor in de woningen.   Het stedebouwkundige plan van Jan Gratama en Gerrit Versteeg, dat gebaseerd was op  de tuindorpgedachte van E. Howard, zorgt voor een samenhangend geheel. De wijk werd opgezet  rond een centraal plein, Brink geheten, waar de belangrijkste straten op uitkomen. Aan de Brink  bevinden zich een aantal middenstandswoningen en centrale voorzieningen, zoals winkels, een  bibliotheek en een verenigingsgebouw. Kerken en cafés ontbraken aanvankelijk. De straatnamen zijn  ontleend aan dorps‐ en agrarische begrippen.   (bron: B3,  I4, I5)     

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


architectuur/stedenbouw Het tuindorp onderscheidt zich van de overige tuindorpen, zoals o.a. Buiksloot of Nieuwendam, door  de bouwstijl in beton. De Amsterdamse School is goed terug te zien in het dorp en er is ook een vorm  van Nieuwe Zakelijkheid of het Nieuwe Bouwen zichtbaar, een stijl die ook wel als “modern” of  “futuristisch”  kan worden omschreven. De strakke, moderne huizen werden gebouwd als antwoord  op de slechte woonomstandigheden van de arbeiders. Beton was in de jaren na de Eerste  Wereldoorlog goedkoop bouwmateriaal, waar verschillende vernieuwende architecten op  uitnodiging van de Amsterdamse woningdienst mee experimenteerden. Verder is het de natuurlijke,  groene setting die het tuindorp typeert, maar de bouwstijl is wat dit tuindorp speciaal maakte. Naast  het veel toegepaste beton werden staal en glas gebruikt om het licht in de woningen te  optimaliseren.  Betondorp was een nette wijk, voor de welgestelde arbeider, waar geen plaats was voor kerk, kroeg  en kapitaal. Wel was er licht, ruimte en groen, en veel aandacht voor de intellectuele ontwikkeling  van de inwoners. Niet voor niets verrees het gebouw van de bibliotheek en openbare leeszaal op een  centrale plaats, pal aan de Brink.   (bron: B3,  B4, I1, I4)    Transformatie van het stadsmodel  De gedachte achter het ontwerp van een tuinstad heeft als onderdeel dat onderscheid (in  woonvorm) zorgt voor een verwoording van verschillende identiteiten en dus ondermijning van het  collectief. Deze gedachte (van eenheid creëren) past geheel in het tijdsbeeld waarin deze wijk  gebouwd is. In de huidige tijd van individualisme lijkt dezelfde architectonische cohesie nog steeds  een middel te zijn om mensen van verschillende bevolkingslagen ongestoord naast elkaar te kunnen  laten wonen. De eenheid van de gevel biedt geen houvast voor het individu om persoonlijke  verandering aan te brengen, en zich zo te uiten. (Dit in tegenstelling van de Amsterdamse  grachtenpanden, die zich stuk voor stuk proberen te manifesteren door uitbundige versieringen.) De  gevel van een woning in Betondorp gaat deze individuele uitingen tegen, waardoor afwijking en  individualisme tegen gegaan wordt. De cohesie in bouwstijl wordt verwoord in ritmiek van kozijnen,  materiaal, vormtaal en juist ook door het niet zichtbaar maken van de overgangen tussen de  woningen.   De eenheid in bebouwing, past ook in het collectieve beeld van een tuindorp. Het vormen van een  hecht collectief dat hun krachten wil bundelen om tot een optimale woon‐ en leefsituatie te komen.  Niemand kan zich door de vorm of uitstraling van de woning echt onderscheiden door middel van  een opvallend gestileerde of versierde woning. Door overal in het plan groen toe te passen, wordt er  nog meer een groter contrast gevormd met de stad, waardoor mensen zich sneller thuis voelen in  hun nieuwe, “groene” omgeving.   De samenhang (cohesie) tussen het geheel van sobere architectuur die hierdoor aanwezig is, is tot op  heden nog steeds aanwezig in het stadsfragment. Dit is grotendeels te verklaren doordat het  huurwoningen zijn en de huurders geen kapitaal steken in het uiterlijk veranderen van hun  huurwoning. In maatschappelijke zin is dit nog steeds zichtbaar in de nog altijd lage klassering van de  samenleving in de wijk.     

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


Transformatie van de wooncultuur  Opvallend is dat de oorspronkelijk intentie de van de wijk, het huisvesten van arbeiders uit de lagere  sociale klasse eigenlijk nog steeds geldt. Er wonen nu grof gezien alleen maar mensen uit de lagere  (3e) sociale klasse. Dit is te verklaren doordat de huurprijzen er verhoudingsgewijs erg laag zijn.  Daarnaast wonen er veel ouderen, die er opgegroeid zijn en er al hun hele leven wonen. (bron: I6)  De verschuiving ten aanzien van de bedoelde inwoners, lijkt echter niets af te doen aan het (goede)  imago van de wijk. Door de dorpse manier van opbouw heerst er een grotere onderlinge  verbondenheid en is er aan een belangrijke voorwaarde voldaan een goed leefklimaat en een goed  imago te waarborgen. De allochtonen en ouderen hechten nog steeds waarde aan het  samenhangende karakter van hun volksbuurt, waardoor de acceptatie en het leefklimaat optimaal  gewaardeerd worden.    Sociaal‐Economische aspecten  Bijna de helft van de drieduizend inwoners van Betondorp is ouder dan 55 jaar. Een aanzienlijke  groep is 80‐plusser. Dit heeft zijn doorwerking op de gemiddelde huishoudens (klein, met 1,54  personen) en het gemiddelde inkomen per inwoner, dat 12.700 euro is (en daarmee 1.200 beneden  het gemiddelde van Amsterdam ligt). Opmerkelijk, omdat het dorp geen verzorgingshuizen of  bejaardenflats heeft. Oorzaak hiervan is dat de kleine en slecht geïsoleerde huizen, vrijwel allemaal in  de sociale huursector, vooral geschikt zijn als seniorenwoning. Als er al ouders met een kind komen  wonen, vertrekken die vaak als het tweede kind op komst is. Onder de nieuwkomers vallen ook  enkele niet‐westerse allochtonen, die nog geen 20 procent van de bevolking uitmaken. Ter  vergelijking: het Amsterdamse gemiddelde ligt rond de veertig procent. Dit is te  verklaren doordat  de woningen te klein voor grote allochtone gezinnen. In 1994 stemde 18 procent op de Centrum  Democraten, het op één na hoogste percentage van de stad. De LPF trok in 2002 een kwart van de  stemmen en ook bij de verkiezingen voor het Europees Parlement van 2004 kreeg die partij relatief  veel steun: bijna 6 procent van de stemmen. In de rest van Amsterdam was dat gemiddeld 2,4  procent. (Bron: I6, I7)    Waar er vroeger vooral rijken naar het buitengebied in Oost‐Watergraafsmeer trokken om hier in de  zomer van hun buitenhuis en tuin te genieten, is Betondorp nu vooral een plek voor de minder  bedeelden. Dit is mede te verklaren door de opzet van het plan, met voor hedendaagse begrippen  kleine woningen. Het toen goedkoop en snel bouwen, met een ‘dorps’ karakter heeft geleid tot  kleine woningen nu. Het betreft hier ook bijna alleen maar huurwoningen, waardoor er ook al  ingespeeld wordt op een “minder bedeeld deel van de bevolking”. Dit is ook waarneembaar als er  gekeken wordt naar het gemiddelde besteedbaar inkomen per huishouden in de Betondorp. Dit ligt  beneden het gemiddelde van Amsterdam, ongeveer € 6.000 p.p. en het aantal minimahuishoudens in  de buurt  (50%) is veel groter dan het stedelijk gemiddelde (18%). (Bron: I6, I7)     

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


De verbanden tussen woonculturen en woontypologieën  De duurzaamheid van deze wijk, aangetoond doordat er al bijna 90 jaar lang een goed werkend  concept ligt, roept de vraag op of een dergelijk plan tegenwoordig nog steeds toegepast kan worden.  Deze “rustbrengende” aanpak, zou tegenwoordig nog steeds van toepassing kunnen zijn. Het  samenspel van een sober programma, gekoppeld aan een sociale structuur met lagere klassen en de  dorpse ruimtelijkheid lijkt tijdloos, aangezien het na 90 jaar nog steeds werkt zoals het bedoeld is.   De vraag die hierna van toepassing is,heeft betrekking op de huidige wensen en eisen. Is het in deze  tijd nog wenselijk om een stedenbouwkundig afgezonderde wijk te ontwikkelen waar een bepaalde  bevolkingsgroep gehuisvest kan worden? Tegenwoordig is het vooral een menging van  bevolkingsgroepen die de dynamiek in een wijk bevorderd, waardoor er een levendiger en ‘beter’  leefklimaat ontstaat, dus in die context is dit niet meer gewenst. Daarnaast is het maar zeer de vraag  als er mensen uit welke bevolkingsgroep dan ook het nog wenselijk vinden om “in een hokje  weggeduwd te worden”.   Wat kunnen we hiervan leren en hoe kunnen we dit toepassen in nieuwe vraagstukken?  Wanneer we kijken naar stedenbouwkundige plannen als Brandenburg of Haverleij, die zich ook  enigszins richten op het vormen van “nieuwe dorpjes”, dan kunnen we vaststellen dat er een  vernieuwing in het principe geweest is. We constateren dat er hier een grote diversiteit aanwezig is  binnen het schaalniveau van het bouwblok, in sommige delen van de wijk en zelfs tussen de  wooneenheden. Als we dit vergelijken met Betondorp als tuindorp, dan vinden wij dat de diversiteit  niet de dienbaarheid van de bewoners ten goede komt. Er wordt meer ingespeeld op de esthetische  wensen van de bewoners, waardoor er alsnog verdeeldheid kan ontstaan binnen een  bouwblok/wijkdeel of wooneenheid. Dit zorgt er dus voor dat de duurzaamheid van dit concept het  waarschijnlijk niet redt ten opzichte van het concept tuindorp.    Sobere, eenduidige gevels in woonstraten worden ontweken, en men grijpt terug op de  pluriformiteit van een willekeurige, oude binnenstad. Er is dus een hele andere tendens in het  ontwikkelen van zulke stedenbouwkundige ruimte. Er wordt uiting gegeven aan een zeer groot  aantal van verschillende identiteiten. De nadruk komt daardoor op de meerdere identiteiten te  liggen. De cohesie tussen de verschillende bebouwingsstijlen wordt daarmee minder benadrukt en  zelfs verzwakt, waardoor de ruimtelijke eenheid in de weg wordt gestaan. Buiten het verkrijgen van  eenheid heeft het bereiken van cohesie door middel van een eenduidige architectuur nog een  voordeel. Door een sobere eenheid te creëren ontstaat er geen protserigheid en pronkmogelijkheid  tussen bewoners. Men kan zichzelf niet op een voetstuk plaatsen door de rijkdom van hun gevel of  de ‘tentoon gestelde rijkdom’. Dit komt het buurtgevoel ten goede.   Daarnaast zorgt het gebrek aan ruimte die voor individuele uitingen in de vormgeving gebruikt kan  worden, voor weinig  transformatie. Dit waarborgt de samenhang van een stadsfragment.      

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


Op het derde en vierde schaalniveau is in Betondorp een juiste balans gevonden tussen de  functionaliteit en het vormen van een eenheid die zorgt voor een typisch dorpse structuur en  uitstraling ten opzichte van de menselijke maat.   Op het tweede schaalniveau valt echter de diversiteit weg. Hier beeld dat hierdoor gevormd wordt is  dan het beeld van een saai dorpssegment, dat eigenlijk afbreuk doet aan de gewenste sfeer en  uitstraling. Dit komt vooral door de opeenvolging van vergelijkbare bouwblokken. Er is in deze  opeenvolging weinig spanning te vinden. De fijnmazige woonstraten hebben afzonderlijk van elkaar  wel een prettige woonsfeer, ze hebben (even niet gekeken naar de staat of inhoud van de oude,  kleine huurhuizen) een hoge woonkwaliteit. Door de aanwezigheid van verschillende pleintjes,  ontstaat een patroon van sociaal aan elkaar gehaakte locaties, dat het concept tuindorp extra  versterkt . De buurt kent en corrigeert elkaar.   Op derde en vierde schaalniveau komt naar voren dat de schaal, de grootte, van de woningen niet  meer voldoet aan de woonwensen van de huidige generatie. Hierdoor kan gesteld worden dan de  transformatie van de bewoners in relatie staat met de verandering van woonwensen. Doordat de  woningen hier niet op aangepast zijn, raken ze steeds meer uit de context van de oorspronkelijke  functie. Deze ontwikkeling moet in acht worden genomen, als dergelijke plannen ergens aangepast  of opnieuw toegepast zouden worden.  Het plan heeft zichzelf dus bewezen door, in tegenstelling tot de nieuwe vormen van  “nieuwbouwdorpen”, zijn gehele levensduur een kwaliteit in zowel vormgeving als woonomgeving te  bieden.     Concluderend kan dus gesteld worden dat als er op de diversiteit van het 2de schaalniveau wordt  gelet en op de vergroting van de wooneenheden, het mogelijk is om een nieuw concept  “nieuwbouwdorp” te ontwikkelen .    Paul Winkelmolen, als student Technische Universiteit Eindhoven, – FEBRUARI 2010

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   


Bronnen   Boeken:  B1) 

Kruizinga J.H., Watergraafsmeer: De geschiedenis van een polder, 1972 

B2)

Howard E., Garden Cities of To‐morrow, 1970 

B3)

Nio I., Atlas Westelijke Tuinsteden Amsterdam: de geplande en de geleefde stad, 2008    Hellingma H., Onrust in park en stad: Stedelijke vernieuwing in de Amsterdamse,   westelijke Tuinsteden, 2005 

B4)

B5)

Schreijinders R., De droom van Howard, 1991 

B6)

Feenstra G., Tuinsteden en Volkshuisvesting in Nederland en buitenland, 1920 

Internet: I1) 

http://www.betondorp.net/

I2)

http://www.watergraafsmeer.net/

I3)   I4) 

http://www.disteldorp.nl/geschiedenis.html http://nl.wikipedia.org/wiki/Betondorp 

I5)

http://www.lowensteyn.com/betondorp/geschiedenis.html

I6)

http://www.funda.nl/buurtinfo/amsterdam/betondorp

I7)

http://www.jaap.nl/buurt.do?gemeentecode

Archieven A1) 

Stadsarchief Amsterdam 

A2)

Wijkarchief Oost‐Watergraafsmeer 

ing. Paul Winkelmolen [Bsc], technisch Tuin‐ en Landschapsontwerper  +316 26 39 88 86 | info@paulwinkelmolen.com | www.paulwinkelmolen.com   

Betondorp Amsterdam  

Essay over de beroemde Nederlandse 'proeftuin voor beton' in de Watergraafsmeer, Amsterdam

Betondorp Amsterdam  

Essay over de beroemde Nederlandse 'proeftuin voor beton' in de Watergraafsmeer, Amsterdam

Advertisement