Issuu on Google+

van en

Aan de A d sla slag l iin h hett M Meetjesland tj l d

samen puzzelen aan natuur en landschap


MEETJESLAND MEETJESLAND BINNEN BINNEN ZANDIG ZANDIG VLAANDEREN VLAANDEREN Wa W ater t land-Oudeman Wa W ater t land-Oudeman Sint-Margr Ma iete Sint-Margr Ma iete Watervliet Wa Watervliet Wa Sint-Jan-in-Eremo E Sint-Jan-in-Eremo E

SolitaireSolitaire boom boom

Middel Midd Midde dd lburg

Boekhou Boekhoute

Middel Midd Midde dd lburg

Ben Bentille Bentill entille lle Sint-Laureins Laurein

Sint-Laureins Laurein

Boekhou Boekhoute

Bentille Bentill Ben entille lle Bass sseve evelde

Bass sseve evelde Assenede ssened de Kapr Ka prijijke k

Kapr Ka prijijke k

Dreef / Dreef bomenrij / bomenrij

Ma deg m Maldegem

Adegem Adege Ad em Ooste Oos teekl teeklo Lembe e Eeklo Lem Lembek

Eeklo Klei K Kleit leit

Kleit Kleit Klei

Houtkant Houtkant / kant / kant

Oos ostwink tw win el Knesse Knesselar nesse are

Oos ostwink win el Waar aa schoot ootw

Waar aa schoot oo

Urse Ur sel Zomerg ergem

Zomerg ergem Lo ovendegem

Lo ovendegem

Vin nderhoute derhoute rhoutte rhoute Merendr end ndree dree Hansbek ansbe eke

Haag Haag

Lembe e Lembek Lem

Oos O oste teekl teeklo

Knesse Knesselar nesse are Urse Ur sel

Knotboom Knotboom

Assenede ssened de

Ma deg m Maldegem Adegem Adege Ad em

Landegem an ndeg

Vin nderhoute derhoute rhoutte rhoute

Merendr end ndree dree Hansbek ansbe eke Landegem an ndeg

Inheemse Inheemse soort soort

BOTANISCHE BOTANISCHE NAAM NAAM

NEDERLANDSE NEDERLANDSE NAAMNAAM

Alnus glutinosa Alnus glutinosa

Zwarte Zwarte els els

Betula pendula Betula pendula

Ruwe berk Ruwe berk

Carpinus Carpinus betulusbetulus

Haagbeuk Haagbeuk

Castanea Castanea sativa sativa

TammeTamme kastanje kastanje

CorylusCorylus avellana avellana

Hazelaar Hazelaar

Crataegus Crataegus monogyna monogyna

Eénstijlige Eénstijlige meidoorn meidoorn

Fagus sylvatica Fagus sylvatica

Beuk Beuk

FraxinusFraxinus excelsior excelsior

Gewone Gewone es es

Ilex aquifolium Ilex aquifolium

Hulst

JuglansJuglans regia regia

Okkernoot Okkernoot of walnoot of walnoot

Ligustrum Ligustrum ovalifolium ovalifolium

LigusterLiguster

Hulst

� � � � � � � � � � � � � � � � �

� � � � � � � � � � � � � � � � � �

� � � � Ratelpopulier Ratelpopulier of esp of esp PopulusPopulus tremulatremula � � � � Populier Populier soortensoorten PopulusPopulus sp. sp. � � � � Prunus Prunus spinosaspinosa Sleedoorn Sleedoorn � � Quercus Quercus robur robur Zomereik Zomereik � � � � Rhamnus Rhamnus frangula frangula Sporkehout Sporkehout of vuilboom of vuilboom � � Rosa canina Rosa canina Hondsroos Hondsroos � � Salix aurita Salix/aurita caprea / caprea / cinerea / cinerea GeoordeGeoorde/ bos- //grauwe bos- / grauwe wilg wilg � � Salix alba Salix / fragilis alba / /fragilis vimimalis / vimimalis Schiet- Schiet/ kraak-/ /kraakkatwilg / katwilg � � � � Sambucus Sambucus nigra nigra Gewone Gewone vlier vlier � � Sorbus Sorbus aucuparia aucuparia Lijsterbes Lijsterbes � � Tilia platyphyllos Tilia platyphyllos Zomer- Zomerof grootbladige of grootbladige linde linde� � � Ulmus minor Ulmus minor GladdeGladde iep of veldolm iep of veldolm � � Ulmus sp. Ulmus sp. Olm soorten Olm soorten � � � � Viburnum Viburnum opulus opulus Gelderse Gelderse roos roos � � PopulusPopulus x canescens x canescens

� �

� �

� � �

Grauwe Grauwe abeel abeel

� � � �

� � �

� � � � �


VELDLANDSCHAP

KREKENGEBIED

Wa W ater t land-Oudeman Sint-Margr Ma iete Watervliet Wa Sint-Jan-in-Eremo E

Wa W ater t land-Oudeman Sint-Margr Ma iete Watervliet Wa Sint-Jan-in-Eremo E Boekhoute Boekhou

Middelb Midde M iddelbu ddel e burg

Kapr Ka prijijke k

Kapr Ka prijijke k

Bass sseve evelde

Assenede ssened de

Kapr Ka prijijke k

Ma deg m Maldegem Adege Ad Adegem em Lembe e Lembek Lem

Eeklo

Adege Ad Adegem em Lembe e Lembek Lem

Eeklo

Oos O osteeklo teekl

Oostwink ostw win el

Waar aa schoot oo

Knesse Knesselar n se are nesse Urse Ur sel

Urse Ur sel Zomerg ergem

Lo ovendegem

Zomerg ergem Lo ovendegem

Vin nderhoute rhoutte rhoute

Merendr end ndree dree re Hansbek ansbe eke

Landegem an ndeg

Landegem an ndeg

� �

� �

� �

� �

� � �

� � � � � � � � � � � � � � �

� � � � � � � � � � �

� � � �

� �

� � �

� �

� � � � � � �

Vin nderhoute rhoute e

Merendr end ndree dree Hansbek ansbe eke

Landegem an ndeg

� �

Lo ovendegem

Vin nderhoute rhoute e

Merendr end ndree dree Hansbek ansbe eke

� �

Waar aa schoot oo

Knesse Knesselar n se are nesse Urse Ur sel

Zomerg ergem

� � � � � �

Oos O osteeklo teekl

Kle Kleit K leit ei

Oostwink ostw win el

Waar aa schoot oo

Kne Knesselar n se are nesse

Lembe e Lembek Lem

Eeklo

Kle Kleit K leit ei

Oostwink ostw win el

Assenede ssened de

Ma deg m Maldegem Adege Ad Adegem em

Oos O osteeklo teekl

Kle K leit ei

Bentill Bentille entille ntilllle ntille

Sint-Laureins Laurein Bass sseve evelde

Assenede ssened de

Ma deg m Maldegem

Boekhoute Boekhou

Middelb Midde M iddelb ddel e burg

Bentill Bentille en lle entille

Sint-Laureins Laurein Bass sseve evelde

Wa W ater t land-Oudeman Sint-Margr Ma iete Watervliet Wa Sint-Jan-in-Eremo Boekhoute Boekhou

Middelb Midde M iddelb ddelburg

Bentill Bentille entille n lle ntill

Sint-Laureins Laurein

KOUTERS EN BULKEN

� �

� �

� �

� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � �


ndschap ap

Krekengebied Krekengebied

Meetjesland binnen zandig Vlaanderen Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

Zeer vlak reliëf (hoogte en 5mde boven de • Zeer • vlak reliëf (hoogte tussen 2tussen en 5m2boven zeespiegel) zeespiegel) • Zandige klei- of kleiig-zandige bodems, • Zandige klei- of kleiig-zandige bodems, kalkhoudend kalkhoudend • Opeenvolging van polders, omgeven door dijken • Opeenvolging van polders, omgeven door dijken • kreken Talrijke in kreken in het landschap, met vaak een • Talrijke het landschap, met vaak een hoekig verloop. Vlakbij sommige dijken zijn hoekig verloop. Vlakbij sommige dijken zijn of ‘welen’ te vinden ‘wielen’‘wielen’ of ‘welen’ terug teterug vinden • en Dijken en waterlopen begeleid door opgaande • Dijken waterlopen begeleid door opgaande bomenrijen bomenrijen (meestal(meestal populier,populier, abeel ofabeel es) of es) • Ondergrond met zeer hoge agrarische • Ondergrond met zeer hoge agrarische waarde:waarde: voornamelijk akkerbouw voornamelijk akkerbouw • percelen, Grote percelen, weinig perceelsrandbegroeiing • Grote weinig perceelsrandbegroeiing • Woonkernen opgelegen hoger gelegen plaatsen • Woonkernen op hoger plaatsen • landarbeiderswoningen Kleine landarbeiderswoningen op en tegen • Kleine op en tegen dijken dijken • kapitaalkrachtige Grote, kapitaalkrachtige boerderijen verspreid • Grote, boerderijen verspreid in de omgeven polder, omgeven door (knot)bomenrijen in de polder, door (knot)bomenrijen en kanten en kanten

Vlak gebied met grote zandrug en meerdere parallelle • Vlak • gebied met grote zandrug en meerdere parallelle ruggen ruggen • Zandige bodems, vanzeer nature zeerofdroog of zeer nat • Zandige bodems, van nature droog zeer nat • Restanten van boscomplexen op agrarisch minst waardevolle • Restanten van boscomplexen op agrarisch minst waardevolle (zandrug Maldegem-Stekene, depressie ter hoogte bodemsbodems (zandrug Maldegem-Stekene, depressie ter hoogte Het Leen) van Hetvan Leen) • Gehuchten en dorpskernen op hoogste plaatsen: zandruggen • Gehuchten en dorpskernen op hoogste plaatsen: zandruggen en donken en donken • Oorspronkelijk grote straatdorpen of driesstructuur, • Oorspronkelijk grote straatdorpen of driesstructuur, nu met nu met elkaar verbonden door lintbebouwing. Sterk verstedelijkt en elkaar verbonden door lintbebouwing. Sterk verstedelijkt en versnipperd Talrijke en wegen en verspreide bebouwing versnipperd gebied.gebied. Talrijke wegen verspreide bebouwing • Restanten van 19de-eeuwse kleinschalige landbouwbedrijven • Restanten van 19de-eeuwse kleinschalige landbouwbedrijven met huisweiden, hagen en hoogstammige boomgaarden met huisweiden, hagen en hoogstammige boomgaarden • Agrarisch landschap: gemengde bedrijven en • Agrarisch landschap: gemengde bedrijven en voedergewassen (grasland als voornaamste voedergewassen (grasland en maïs)en alsmaïs) voornaamste teelten teelten • en Smalle en langwerpige repelpercelen die het Meetjesland • Smalle langwerpige repelpercelen die het Meetjesland haargaven naam(de gaven (de zogenaamde ‘meetjes’) haar naam zogenaamde ‘meetjes’) • Restanten van perceelsrandbegroeiing (knotwilgenen • Restanten van perceelsrandbegroeiing (knotwilgenen elzenrijen, bomenrijen, hagen en houtkanten) elzenrijen, bomenrijen, hagen en houtkanten) • Ontelbare grachten entussen slotenweilanden tussen weilanden en akkers • Ontelbare grachten en sloten en akkers

Waterland-Oudeman Waterland-Oudeman Sint-Margriete Sint-Margriete Watervliet Watervliet Sint-Jan-in-Eremo Sint-Jan-in-Eremo

Polders Polders

Krekengebied/Scheldepolders Krekengebied/Scheldepolders Boekhoute Boekhoute

Middelburg Middelburg Sint-Laureins Sint-Laureins

Bentille Bentille Bassevelde Bassevelde Assenede Assenede

Meetjesland Meetjesland Kaprijke Kaprijke Brugge Brugge

Maldegem Maldegem AdegemAdegem Eeklo Kleit

Oosteeklo Oosteeklo Eeklo LembekeLembeke

Kleit

Ertvelde Ertvelde

Veldlandschap Veldlandschap Houtland Houtland

Oostwinkel Oostwinkel Waarschoot Waarschoot Knesselare Knesselare Ursel

Meetjesland Meetjesland SleidingeSleidinge

Ursel

Zomergem Zomergem Lovendegem Lovendegem

Veldlandschap Veldlandschap Aalter

Bellem Bellem Aalter

Vinderhoute Vinderhoute

Merendree Merendree Hansbeke Hansbeke

Houtland Houtland

EvergemEvergem

Gent

Gent

Landegem Landegem Lotenhulle Lotenhulle Poeke

Poeke

Kouters en bulken Kouters en bulken

Veldlandschap Veldlandschap

Kouters eld) en bulken Kouters (open(open field) fien bulken

• Vrij vlak gebied met Oedelem-Zomergem: questa Oedelem-Zomergem: • Vrij vlak gebied met questa zwakke zwakke helling in het noorden en questafront steile zuidelijke helling in het noorden en questafront als steileals zuidelijke helling helling • Variërende bodemsamenstelling: stuwwatergronden in • Variërende bodemsamenstelling: stuwwatergronden in ondiepe, zware kleilagen (Maldegemveld) afgewisseld ondiepe, zware kleilagen (Maldegemveld) afgewisseld met dagzomende zure, uitgeloogde zandgronden met dagzomende zure, uitgeloogde zandgronden (Bulskampveld) (Bulskampveld) • Agrarisch minder interessante, marginale gronden: • Agrarisch minder interessante, marginale gronden: zogenaamde gronden’, lange tijd ongeschikt zogenaamde ‘woeste‘woeste gronden’, lange tijd ongeschikt voor landbouw voor landbouw • Relatief bosrijk gebied (Drongengoed, Bulskampveld), • Relatief bosrijk gebied (Drongengoed, Bulskampveld), systematisch geëxploiteerd in het verleden systematisch geëxploiteerd in het verleden • Dambordvormig ontginningspatroon met dreven • Dambordvormig ontginningspatroon met dreven (Zomereik) kenmerkend huidig en agrarisch (Zomereik) kenmerkend in huidiginbosen bosagrarisch gebied gebied

• Zandleemof zandgronden lemige zandgronden (uitlopers van • Zandleemof lemige (uitlopers van het plateau Tielt en gebied tussen het plateau van Tieltvan en gebied tussen Kale en Kale Leie),en Leie), nabij – voormalige – waterlopen alluvialealluviale klei nabijklei – voormalige – waterlopen • open Grote open op kouters opgelegen hoger gelegen delen (droge, • Grote kouters hoger delen (droge, lichtlemige zandgrond bovenop de microruggen) – lichtlemige zandgrond bovenop de microruggen) – zeerhoutige weinig houtige kleine landschapselementen zeer weinig kleine landschapselementen • Gesloten bulken (zandgronden tussen hogere • Gesloten bulken (zandgronden tussen hogere zandlemige talrijke knotbomenrijen zandlemige ruggen)ruggen) – talrijke–knotbomenrijen rond rond de percelen de percelen • Meersengebied in onmiddellijke omgeving • Meersengebied in onmiddellijke omgeving van de van de waterlopen binnen Vallei vanKale Oude waterlopen binnen de Valleide van Oude en Kale Leie en Leie – oorspronkelijk weinig begroeiing, latere periode – oorspronkelijk weinig begroeiing, in latereinperiode ook knotwilgenrijen ook knotwilgenrijen


van en Aan de slag in het Meetjesland

Regionaal Landschap Meetjesland


Inhoudsopgave

INLEIDING ............................................................................................... 5 Leeswijzer . ................................................................................ 6 Benadering................................................................................ 7

2

1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

LANDSCHAPPEN VAN HET MEETJESLAND ............................. 17 Algemeen .............................................................................. 17 Het Meetjesland binnen Zandig Vlaanderen .................... 21 Hoe herkennen? . .................................................................. 21 Ontstaan en ontwikkeling .................................................... 22 Veldlandschap ...................................................................... 29 Hoe herkennen? . .................................................................. 29 Ontstaan en ontwikkeling .................................................... 30 Het Krekengebied of de Scheldepolders . ......................... 35 Hoe herkennen? . .................................................................. 35 Ontstaan en ontwikkeling .................................................... 36 Kouters (open field) en bulken ............................................ 41 Hoe herkennen? . .................................................................. 41 Ontstaan en ontwikkeling .................................................... 42 Infrastructuren: wegen, spoorwegen en kanalen.............. 47 Lieve . ...................................................................................... 47 Brugse Vaart ........................................................................... 47 Leopoldkanaal ...................................................................... 48 Schipdonkkanaal: afleidingskanaal van de Leie .............. 48 N9: Steenweg Brussel-Oostende........................................... 49 N49 - E34: Expresweg Antwerpen-Knokke .......................... 49 E40: Autosnelweg Brussel-Oostende ................................... 49 Spoorlijnen .............................................................................. 50

2 2.1 2.2 2.3

HOUTIGE KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN .......................... 54 Overzicht van kleine landschapselementen ..................... 57 Solitaire boom ........................................................................ 57 Dreven en bomenrijen . ........................................................ 67 Houtkant of ‘kant’ ................................................................. 71 Knotboom of ‘tronk’ . ............................................................ 77 Hagen, heggen en kaphagen ............................................ 85 Hoogstamboomgaard ......................................................... 93 Kleine landschapselementen vandaag . ......................... 101 Kleine landschapselementen in het verleden ................. 103


Inhoudsopgave Inhoudsopgave

3 3.1 3.2 3.3

SOORTEN . ............................................................................. 113 Streekeigen soorten ............................................................ 113 Definitie van ‘inheems’ ....................................................... 113 Oude cultuursoorten . ......................................................... 114 Niet-weerhouden soorten .................................................. 115 Plant van hier ....................................................................... 117 Bespreking Soorten . ............................................................ 118 Alnus glutinosa - zwarte els . ............................................... 118 Betula pendula - ruwe berk ............................................... 120 Carpinus betulus - haagbeuk ............................................ 121 Castanea sativa - tamme kastanje .................................. 122 Corylus avellana - hazelaar ............................................... 123 Crataegus monogyna - éénstijlige meidoorn ................. 124 Fagus sylvatica - beuk ........................................................ 125 Fraxinus excelsior - gewone es . ......................................... 126 Ilex aquifolium - gewone hulst ........................................... 128 Juglans regia - walnoot ...................................................... 129 Ligustrum ovalifolium - haagliguster .................................. 130 Populus x canescens - grauwe abeel .............................. 131 Populus tremula - ratelpopulier of esp .............................. 132 Populus sp. – populier soorten ........................................... 133 Prunus spinosa - sleedoorn ................................................. 136 Quercus robur - zomereik ................................................... 137 Rhamnus frangula - spork, sporkehout of vuilboom . ...... 138 Rosa canina - hondsroos .................................................... 139 Salix sp. – wilg soorten ......................................................... 140 Sambucus nigra - gewone vlier ......................................... 142 Sorbus aucuparia - lijsterbes .............................................. 143 Tilia platyphyllos - grootbladige linde of zomerlinde ...... 146 Viburnus opulus - gelderse roos ......................................... 148 Spontane soorten in houtkant en bosrand ...................... 150 Cytisus scoparius - brem ..................................................... 150 Hedera helix - klimop .......................................................... 151 Humulus lupulus - hop ......................................................... 152 Lonicera periclymenum – wilde kamperfoelie ................ 153 Rubus fruticosus – braam . .................................................. 154 Ulex europeaus - gaspeldoorn .......................................... 155

NUTTIGE ADRESSEN ............................................................................ 156 BIBLIOGRAFIE ..................................................................................... 160

3


HOOFDSTUK 1 - 4


Inleiding

Inleiding Het uitzicht van het Meetjeslandse landschap wordt in sterke mate bepaald door houtige landschapselementen als knotbomen, hoogstambomen en hagen. Het voorkomen van deze houtige landschapselementen is niet toevallig. Het gaat over elementen met een lange geschiedenis, waarvan de soortenkeuze, het uitzicht en het gebruik nauw verweven zijn met de manier waarop de mens het landschap gebruikt en gevormd heeft: als landbouwgebied, leefgebied en voorraadkamer voor ecosysteemdiensten (bescherming tegen overstromingen, hout, jachtwild, erosie,...). Bovendien wijkt dit gebruik van het landschap in het Meetjesland vaak af van andere regio’s en kan het zelfs van dorp tot dorp verschillend zijn. Wie houtige landschapselementen wil aanplanten en beheren wordt dus geconfronteerd met een aantal vragen: welke soorten zijn het meest aangewezen in het Meetjesland? Hoe kan ik een haag aanplanten die thuishoort in ons traditioneel boerenlandschap? Hoe kan ik bomen aanplanten die tegelijk thuishoren in de streek en eenvoudig te beheren zijn? Deze publicatie wil een richtsnoer bieden voor wie aan de slag wil met houtige landschapselementen en daarbij streeft naar een zo goed mogelijke integratie binnen de traditionele landschappen van het Meetjesland. Er wordt ingegaan op de karakteristieke landschappen, de houtige landschapselementen die we er aantreffen en de kenmerkende soorten. Hierbij ligt de klemtoon zowel op inrichting als op beheer. Daarnaast wordt in deze publicatie aandacht besteed aan de plantensoorten die van oudsher in onze contreien terug te vinden zijn, en worden enkele heikele thema’s behandeld die actueel zijn in het landschapsonderhoud. Denken we maar aan het aanplanten van populieren, het bestrijden van ziektes als bacterievuur, het omgaan met ‘invasieve’ plantensoorten zoals de Amerikaanse vogelkers, het kiezen van soorten met een bepaalde ecologische meerwaarde,…

5


Inleiding

Leeswijzer Om te begrijpen hoe een houtig landschapselement best ingericht en beheerd wordt, houdt men best rekening met drie aspecten, die behandeld worden in drie aparte hoofdstukken: 1. De Meetjeslandse landschappen worden besproken in hoofdstuk 1. Een landschap is het geheel van reliĂŤfkenmerken, bodem, rivierstelsels, natuurelementen en menselijke ingrepen die het uitzicht van een streek bepalen. Denken we hierbij aan verschillen in het landschap van het krekengebied en de bosgebieden in het Meetjesland. Met de beschrijving van deze landschappen wordt een aanzet gegeven tot de keuze van het type klein landschapselement (KLE) en de geschikte plantensoort. 2. Houtige landschapselementen, besproken in hoofdstuk 2, zijn de lijn- of puntvormige elementen waaruit het landschap is opgebouwd en die een houtig karakter hebben. In het Meetjesland wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen solitaire bomen, dreven en bomenrijen, houtkanten, knotbomen, hagen en hoogstamboomgaarden. Voorbeelden van niet-houtige landschapselementen zijn poelen, sloten en bermen. Deze worden niet behandeld in deze publicatie. De houtige landschapselementen en de soortkeuze kunnen variĂŤren in de verschillende landschappen. Het aangewezen beheer is nagenoeg overal gelijk, en wordt bijgevolg besproken per soort klein landschapselement onder 3.1. In 3.2 wordt uitgebreid gesproken over het gebruik van kleine landschapselementen door de eeuwen heen. 3. In de bespreking van plantensoorten, hoofdstuk 3, wordt een antwoord geboden op de vraag welke soorten thuishoren binnen de landschapstypes, en voor welk beheer de soorten zich lenen. Hierbij worden plantensoorten beschreven die van oudsher in het Meetjesland voorkomen (inheemse soorten) of die sinds lang ingeburgerd zijn (oude cultuursoorten). De specifieke kenmerken en vereisten van de soorten krijgen uitgebreid aandacht, evenals hun bruikbaarheid als klein landschapselement.

6


Inleiding

Benadering Het ontstaan van landschappen is, naast de invloed van natuurlijke factoren, verweven met het landgebruik door de mens en wordt bijgevolg gekenmerkt door grote variaties en lokale verschillen. Bij het opstellen van een handboek voor het Meetjesland worden bijgevolg een aantal keuzes gemaakt. Het is belangrijk deze aan te duiden en te motiveren. In deze publicatie is het verhaal geÍnt op de verschillende landschapstypes in het Meetjesland, besproken in hoofdstuk 2. Landschappen zijn van elkaar te onderscheiden door typerende kenmerken (ondergrond, voorkomen van bepaalde kleine landschapselementen, grondgebruik,‌). Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat er geen strakke grenzen in te trekken zijn: De Atlas van de Traditionele Landschappen van het Vlaams Gewest werd als uitgangspunt gekozen, maar in de praktijk blijkt dat de inrichting en het beheer van houtige landschapselementen in bepaalde traditionele landschappen sterk gelijklopend zijn, waardoor deze landschappen gegroepeerd kunnen worden in ruimere eenheden. Daarnaast wordt in een apart hoofdstuk de nodige aandacht besteed aan infrastructuren zoals wegen en waterlopen, al dan niet door de mens ontwikkeld, die de landschapstypes doorkruisen. Ze hebben enerzijds een versnipperend effect, anderzijds rijgen ze met hun eenvormig karakter de verschillende landschappen soms aan elkaar. Per landschapstype zijn bepaalde soorten landschapselementen aangewezen, maar zowel in het grensgebied met andere landschapstypes, als in woonomgevingen kunnen de toepassingen ruimer zijn. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden voor een plantensoort of een type klein landschapselement dat elders in de nabije buitenomgeving minder gepast is. De gebruiken kunnen dus binnen een ruimere perimeter rond de afgebakende zones gelden.

7


Inleiding

De keuze van streekeigen landschapselementen is gebaseerd op zaken die vandaag de dag nog waarneembaar zijn in het landschap en op kennis die mond aan mond werd doorgegeven. De mondelinge getuigenissen van landbouwers en ambachtslieden bevatten een schat aan informatie over het gebruik en de specifieke toepassingen van hout in de verschillende dorpen en gehuchten in het Meetjesland. De verhalen van de oudere generaties weerspiegelen de naoorlogse omwenteling van de landbouw en beschrijven de ingrijpende veranderingen in het landschap. Daarnaast is de informatie over de landschapselementen in het verleden gebaseerd op enkele schriftelijke bronnen die, samengevoegd, een idee geven van de verspreiding en het gebruik van soorten. Vooral voor de 19de en eerste helft van de 20ste eeuw vormen deze bronnen een waardevolle aanvulling. Volgende bronnen werden gebruikt : • De Potter en Broeckaert. 1973 • Gegevens uit de Notarisarchieven van verschillende Meetjeslandse gemeenten (bezorgd door dhr. R. De Meirsman) • Aankondigingen van boomverkopen in ’t Getrouwe Maldegem (periode 1888-1944) • Teksten bezorgd door Paul Vandenbremt • Bijdragen in heemkundige tijdschriften Iconografische bronnen die een beeld geven van het landschap en de houtige landschapslementen in vroeger tijden zijn schaars (R. Tondat website en J. Massart in Landschappen in Vlaanderen). De zoektocht naar oude foto’s en postkaarten leverde slechts enkele bruikbare beelden op. De meeste bronnen brengen vooral het dorp in beeld en zelden het ‘platteland’. Oude kaarten kunnen daarentegen wel een beeld geven van hagen en kanten in een bepaalde periode. De volgende bladzijden tonen enkele waardevolle kaarten, in chronologische volgorde. Naast de Ferrariskaart, militaire stafkaarten en oude topografische kaarten kunnen ook primitieve kadasterkaarten ons informatie over vroeger verschaffen.

8


Inleiding

Uiitreksel uit: “Het Brugse Vrije in beeld” Grote Kaart 1571, geschilderd door Pieter Pourbus en gekopieerd door Pieter Claeissens in 1601

Uiitreksel uit archief RLM: “Nieuwe Kaart van het Westelykste Gedeelte van Staats-Vlaanderen”, 1747, getekend door Js. Tirion

9


Inleiding

Uittreksel uit: Lemoine-Isabeau, Cl., eind 16de eeuw. “Les militaires et la cartographie des Pays-Bas et de la Principauté de Liège à la fin du XVII et au XVIII siecle”, Bruxelles, kopie 1984.

Uiitreksel uit archief RLM: “Carte Topographique de la Belgique”,1895, Institut Cartographique Militaire

10


Inleiding

1912: “Militaire stafkaart”, Militair Cartografisch Instituut

2001: Fragment uit de topografische kaart van de omgeving Sint-Laureins (schaal 1:20 000) met toelating A2648 van het Nationaal Geografisch Instituut – www.ngi.be

11


Inleiding

Ook toponiemen in archieven en oude documenten bevatten informatie over het voorkomen van bepaalde types kleine landschapselementen en courante soorten in het verleden. In de vroegere polderdorpen in de omgeving van Sint-Laureins bijvoorbeeld treffen we straatnamen aan als ‘Elsweg’ of Hage(n)weg’ naast terreinnamen als Bromstuk (Brem), Doornbilk (doornstruiken rond perceel), Esbilken of Stoofveld (hakhoutstoof) (Haverbeke, J. 20092010). Net over de Belgische grens, ten noorden van Assenede, vinden we in Philippine de Olmendijkweg. Over de verschillende hoofdstukken heen is regelmatig sprake van gebruiken die in de hedendaagse samenleving niet meer in zwang zijn. Deze gebruiken bepaalden echter het voorkomen van houtige gewassen op bepaalde plaatsen en de waarde die men eraan toeschreef, en liggen bijgevolg ten grondslag aan de selectie van soorten die aanbevolen worden. Het derde hoofdstuk beschrijft plantensoorten die als landschapselementen aangeplant kunnen worden en die streekeigen zijn. Streekeigenheid is een complex begrip en wordt in deze publicatie op twee manieren ingevuld. In de eerste plaats zijn er de oorspronkelijk inheemse soorten. Dit zijn soorten die hier al eeuwenlang voorkomen volgens het rapport uit 2005 van de oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in de houtvesterij Gent, opgesteld in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Het rapport is gebaseerd op een inventarisatie van alle vindplaatsen van autochtone bomen en struiken waarvan wordt aangenomen dat het nakomelingen zijn van voorouders die, na de laatste ijstijd, ons landschap spontaan veroverden. Een synoniem voor autochtoon is ‘Plant van hier’. Dit synoniem is niet alleen een nieuwe naam, maar vormt ook een kwaliteitslabel dat sinds kort in Vlaanderen wordt gebruikt om aan te geven dat het om plantmateriaal van autochtone herkomst gaat. Daarnaast zijn er enkele ‘vaste waarden’ in ons bomen- en struikenbestand die niet opgenomen zijn in deze inventaris, maar die toch in de publicatie aan bod komen omdat ze sterk ingeburgerd zijn, een ecologische meerwaarde hebben en sterk beeldbepalend zijn in ons landschap. Deze soorten omschrijven we als ‘oude cultuursoorten’. Niet elke oude cultuursoort is echter even wenselijk, sommige hebben zelfs een (bijna) invasief karakter. Ook hier aan wordt de nodige aandacht besteed in deze publicatie. Een samenvatting van plantsoorten, types klein landschapselement en toepassingen per bodemsubstraat en landschapstype vindt u hierna bij de inleiding.

Rechts: Uittreksel uit “Het Getrouwe Maldegem”, 9 november 1902.

12


Inleiding

HOOFDSTUK 1 - 13


MEETJESLAND BINNEN zANDIG VLAANDEREN Solitaire boom

Boekhoute

Dreef / bomenrij Houtkant / kant Knotboom Haag

Inheemse soort

14

BOTANISCHE NAAM

NEDERLANDSE NAAM

Alnus glutinosa

Zwarte els

Betula pendula

Ruwe berk

Carpinus betulus

Haagbeuk

Castanea sativa

Tamme kastanje

Corylus avellana

Hazelaar

Crataegus monogyna

Eénstijlige meidoorn

Fagus sylvatica

Beuk

Fraxinus excelsior

Gewone es

Ilex aquifolium

Hulst

Juglans regia

Okkernoot of walnoot

Ligustrum ovalifolium

Liguster

Populus x canescens

Grauwe abeel

Populus tremula

Ratelpopulier of esp

Populus sp.

Populier soorten

Prunus spinosa

Sleedoorn

Quercus robur

Zomereik

Rhamnus frangula

Sporkehout of vuilboom

Rosa canina

Hondsroos

Salix aurita / caprea / cinerea

Geoorde- / bos- / grauwe wilg

Salix alba / fragilis / vimimalis

Schiet- / kraak- / katwilg

Sambucus nigra

Gewone vlier

Sorbus aucuparia

Lijsterbes

Tilia platyphyllos

Zomer- of grootbladige linde

Ulmus minor

Gladde iep of veldolm

Ulmus sp.

Olm soorten

Viburnum opulus

Gelderse roos

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔


VELDLANDSCHAP

KREKENGEBIED

KOuTERS EN BuLKEN

Boekhoute

✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔

✔ ✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔

✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔ ✔

15


Krekengebied

Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

• Zeer vlak reliëf (hoogte tussen 2 en 5m boven de zeespiegel) • Zandige klei- of kleiig-zandige bodems, kalkhoudend • Opeenvolging van polders, omgeven door dijken • Talrijke kreken in het landschap, met vaak een hoekig verloop. Vlakbij sommige dijken zijn ‘wielen’ of ‘welen’ terug te vinden • Dijken en waterlopen begeleid door opgaande bomenrijen (meestal populier, abeel of es) • Ondergrond met zeer hoge agrarische waarde: voornamelijk akkerbouw • Grote percelen, weinig perceelsrandbegroeiing • Woonkernen op hoger gelegen plaatsen • Kleine landarbeiderswoningen op en tegen dijken • Grote, kapitaalkrachtige boerderijen verspreid in de polder, omgeven door (knot)bomenrijen en kanten

• Vlak gebied met grote zandrug en meerdere parallelle ruggen • Zandige bodems, van nature zeer droog of zeer nat • Restanten van boscomplexen op agrarisch minst waardevolle bodems (zandrug Maldegem-Stekene, depressie ter hoogte van Het Leen) • Gehuchten en dorpskernen op hoogste plaatsen: zandruggen en donken • Oorspronkelijk grote straatdorpen of driesstructuur, nu met elkaar verbonden door lintbebouwing. Sterk verstedelijkt en versnipperd gebied. Talrijke wegen en verspreide bebouwing • Restanten van 19de-eeuwse kleinschalige landbouwbedrijven met huisweiden, hagen en hoogstammige boomgaarden • Agrarisch landschap: gemengde bedrijven en voedergewassen (grasland en maïs) als voornaamste teelten • Smalle en langwerpige repelpercelen die het Meetjesland haar naam gaven (de zogenaamde ‘meetjes’) • Restanten van perceelsrandbegroeiing (knotwilgen- en elzenrijen, bomenrijen, hagen en houtkanten) • Ontelbare grachten en sloten tussen weilanden en akkers

Waterland-Oudeman Sint-Margriete Watervliet Sint-Jan-in-Eremo al Leopoldskana

M Midde Middelb burg Middelburg

Boekhou Boekhoute

Bentille

Sint-Laureins

Bassevelde

Assenede de

Kaprijke Brugge

Ma deg m Maldegem Adegem em Lem Lembeke e

Eeklo

Oosteeklo osteeklo ostee

Kleit K Klei ip Sch

Ertvelde elde de

don

Oos ostwinkel Oostwinkel

a ana ksk

Waarschoot

l

Knesselare Knesse are e Ursel

Sleidinge Zomerg ergem Zomergem

Ka naa lG ent -

Aalter er

Lovendegem

Evergem m

B

rug Bellem ge

Vin nderhoute Vinderhoute Merendr ndree dree re Merendree eke Hansbeke Landegem

Lotenhulle Poeke

Neve ele e Nevele

Gent

grens werkingsgebied RLM gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Houtland Veldlandschap Kouters en bulken Riviervalleien Stedelijke gebieden Uitlopers van het Houtland

Veldlandschap

Kouters (open field) en bulken

• Vrij vlak gebied met questa Oedelem-Zomergem: zwakke helling in het noorden en questafront als steile zuidelijke helling • Variërende bodemsamenstelling: stuwwatergronden in ondiepe, zware kleilagen (Maldegemveld) afgewisseld met dagzomende zure, uitgeloogde zandgronden (Bulskampveld) • Agrarisch minder interessante, marginale gronden: zogenaamde ‘woeste gronden’, lange tijd ongeschikt voor landbouw • Relatief bosrijk gebied (Drongengoed, Bulskampveld), systematisch geëxploiteerd in het verleden • Dambordvormig ontginningspatroon met dreven (Zomereik) kenmerkend in huidig bos- en agrarisch gebied

• Zandleem- of lemige zandgronden (uitlopers van het plateau van Tielt en gebied tussen Kale en Leie), alluviale klei nabij – voormalige – waterlopen • Grote open kouters op hoger gelegen delen (droge, lichtlemige zandgrond bovenop de microruggen) – zeer weinig houtige kleine landschapselementen • Gesloten bulken (zandgronden tussen hogere zandlemige ruggen) – talrijke knotbomenrijen rond de percelen • Meersengebied in onmiddellijke omgeving van de waterlopen binnen de Vallei van Oude Kale en Leie – oorspronkelijk weinig begroeiing, in latere periode ook knotwilgenrijen

16


Landschappen van het Meetjesland

Landschappen van het Meetjesland Algemeen

1

1.1

Het landschap is het resultaat van de wisselwerking tussen reliëf, bodem, rivierstelsels, natuurelementen en menselijk ingrijpen. Landschappen bestaan als het ware uit verschillende lagen die doorheen de geschiedenis op elkaar gestapeld zijn. Elke laag bevat verschillende sporen en door die te lezen, kunnen we het landschapsverhaal achterhalen. In waardevolle landschappen zijn deze historische lagen nog duidelijk zichtbaar. Zoals in andere streken in Vlaanderen is het landschap in het Meetjesland de voorbije eeuw snel veranderd, in tegenstelling tot de vele eeuwen daarvoor. Tot het einde van de 18de eeuw evolueerden de landschappen in Vlaanderen langzaam. De Industriële Revolutie betekende voor veel plaatsen een keerpunt. In het Meetjesland ging de evolutie langzamer en veranderde er weinig tot de tweede helft van de 20ste eeuw. Vanaf dan resulteerden industrialisatie in de landbouw, toenemende welvaart en mobiliteit in schaalvergroting, (ruil)verkaveling, wegenbouw en oprukkende bebouwing. De kleinschalige cultuurlandschappen, als gevolg van lokale (landbouw)gebruiken, zijn beetje bij beetje ingeruild voor de huidige uniforme landschappen met nieuwe teelten, grotere machines, grotere percelen… Hierna volgt een omschrijving van de verschillende landschappen in het Regionaal Landschap Meetjesland. Ze zijn doorheen de tijd geëvolueerd van natuurlijke naar historische landschappen met een grote verscheidenheid. Per deelgebied worden de visuele kenmerken opgesomd, gevolgd door een omschrijving van de ontstaansgeschiedenis.

HOOFDSTUK 1 - 17


Landschappen van het Meetjesland

Meetjesland is de naam van het noordoostelijke deel van de provincie Oost-Vlaanderen. Het grenst in het Noorden aan ZeeuwsVlaanderen in Nederland en in het westen aan de provincie WestVlaanderen. In het zuiden vormen de leembodems de overgang naar de Leiestreek en de Vlaamse Ardennen. In het oosten vormt de Gentse agglomeratie en het kanaal naar Terneuzen de grens. Over de naam van het Meetjesland doen verschillende verklaringen de ronde. Enerzijds is er de lengtemaat ‘gemet’ (meervoud ‘gemeten’) waarmee oppervlaktes van percelen werden aangeduid in vroeger tijden; anderzijds zou de naam verwijzen naar de langgerekte percelering van landbouwgronden, haaks op de (landbouw)wegen. Het Meetjesland, zoals omschreven op de overzichtskaart, kan echter niet als één aparte landschappelijke entiteit beschouwd worden. De streek wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschappen die grotendeels tot ontwikkeling zijn gekomen in de geologische periodes ‘tertiair’ en ‘kwartair’. In het Meetjesland worden volgende landschappen onderscheiden: • het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen (het eigenlijke Meetjesland, de straatdorpen en de dekzandrug als deel van ‘BinnenVlaanderen’- binnen de Vlaamse vallei) en de uitlopers van het Houtland (Zandig Vlaanderen buiten de Vlaamse vallei) • Het Veldlandschap • het Krekengebied of de Scheldepolders • de Zandleem- en Leemstreek (uitlopers van het Tieltse Plateau) met kouters en bulken en de vallei van Kale en Leie De uitlopers van het Houtland werden in deze publicatie onder één noemer besproken met het aangrenzende Meetjesland binnen Zandig Vlaanderen. Sommige landschappen zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden terwijl de overgang tussen andere vaak moeilijk aan te tonen is. Hoewel op verschillende plaatsen bepaalde houtige landschapselementen samenhangen met het landschap, is ook hier de grens niet altijd even scherp afgelijnd.

HOOFDSTUK 1 - 18


Landschappen van het Meetjesland


Landschappen van het Meetjesland

Vrijwel iedere boerderij had een eigen broodoven. Met bussels droge takken werd die in gang gestoken. Grotere blokken werden gebruikt om ’t vuur gaande te houden tot de oven heet was. Daarna werd het brood in de oven gestoken. Vooral elzenhout was erg geliefd voor het bakken, en dat stond hier langs iedere gracht. PAUL DE DEYnE, °1927 – MALDEgEM-DonK


Landschappen van het Meetjesland

Het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

1.2

Hoe herkennen? • Vlak gebied met grote, uitgestrekte zandrug en meerdere kleine, parallelle ruggen • Zandige bodems, van nature zeer droog of zeer nat • Restanten van boscomplexen op agrarisch minst waardevolle bodems (zandrug Maldegem-Stekene, depressie ter hoogte van Het Leen) • gehuchten en dorpskernen op hoogste plaatsen: zandruggen en donken (hoger gelegen plaatsen) • Oorspronkelijk grote straatdorpen of driesstructuur, nu met elkaar verbonden door lintbebouwing. Sterk verstedelijkt en versnipperd gebied. Talrijke wegen en verspreide bebouwing • Restanten van 19de-eeuwse kleinschalige landbouwbedrijven met huisweiden, hagen en hoogstammige boomgaarden • Agrarisch landschap: gemengde bedrijven en voedergewassen (grasland en recenter maïs) als voornaamste teelten • Smalle en langwerpige repelpercelen: de zogenaamde ‘meetjes’ • Restanten van perceelsrandbegroeiing • Ontelbare grachten en sloten tussen weilanden en akkers , als drainage en afwateringssysteem voor natte bodems

land-Oudeman Sint-Margr Watervliet Wa Sint-Jan-in-Eremo Middelburg Middelbur

Bentille

Sint-Laureins

teeklo

Eeklo

Oostwink Oos twinkel twink

schoot

endegem

grens werkingsgebied RLM gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Houtland Veldlandschap Kouters en bulken Stedelijke gebieden Uitlopers van het Houtland in deze publicatie besproken onder het hoofdstuk ‘Het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

HOOFDSTUK 1 - 21


Landschappen van het Meetjesland

Ontstaan en ontwikkeling Waterland-Oudeman Sint-Margriete Sint-Jan-in-Eremo

Watervliet

Een groot deel van wat het Meetjesland wordt genoemd, behoort tot de Vlaamse Zandstreek. De ontwikkeling ervanBoekhoute hangt samen Middelburg met die van de Vlaamse vallei. Bentille Het ontstaan van die Vlaamse valSint-Laureins lei gaat terug tot de periode van de laatste IJstijden (116 000- 11000 Bassevelde jaar geleden). Assenede Kaprijke Het rivierenstelsel van het oude Scheldebekken had tijdens de IJstijMaldegem den een brede, diepe vallei uitgeschuurd. Die strekte zich uit tussen het huidigeAdegem Maldegem in het westen tot Stekene in het oosten. Ze Oosteeklo bereikte een diepte van Eeklo 20 tot 30m.Lembeke In een latere fase raakte de Kleit vallei opgevuld met erosiemateriaal van de rivieren en zand uit de droog liggende Noordzee. Op het einde van de laatste IJstijd was de oorspronkelijke Vlaamse vallei volledig opgevuld met een dik Oostwinkel Waarschoot pakket dekzand. Knesselare De wind had vrij spel op het losliggende, onbegroeide zand. VoortUrsel durend werden lage landduinen en kommen gevormd die op hun Zomergem beurt weer verstoven en werden opgevuld. Op het zand werden Lovendegem verschillende parallelle zandruggen gevormd. Tussen Gistel, in WestVlaanderen, over Maldegem, Eeklo, Wachtebeke tot Stekene ontVinderhoute stond een grote zandrug: de dekzandrug van Maldegem-Stekene. Merendree Hansbeke Regionaal Landschap Meetjesland gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Kouters en bulken Stedelijke gebieden Veldlandschap

Waterland-Oudeman Landegem Sint-Margriete Watervliet

Sint-Jan-in-Eremo

Boekhoute

Middelburg

Bentille

Sint-Laureins

Bassevelde Kaprijke

Assenede

Maldegem Adegem Lembeke

Eeklo

Oosteeklo

Kleit

Oostwinkel

Waarschoot

Knesselare Ursel Zomergem Lovendegem

Vinderhoute Merendree Hansbeke Regionaal Landschap Meetjesland gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Kouters en bulken Stedelijke gebieden Veldlandschap

Landegem

Deze zandige ruggen hebben een belangrijke rol gespeeld in de verdere evolutie van het landschap. Hoewel de ‘grote’ zandrug slechts enkele meters boven de omgeving uitsteekt, is dit hoogteverschil voldoende om een invloed uit te oefenen op de natuurlijke waterhuishouding van de gebieden ten zuiden van de rug. Hier zijn op verschillende plaatsen afgesloten depressies ontstaan (zgn. moergebieden) waar gedurende duizenden jaren veen werd gevormd (Moerbeke, Pokmoer, Oostmoer,…).

HOOFDSTUK 1 - 22


Landschappen van het Meetjesland

Ten noorden van de zandrug werd de natuurlijke afwatering bemoeilijkt door het erg vlakke reliëf. In de richting van de zee vormde zich een slikken- en schorrengebied met talrijke getijdengeulen. Op sommige plaatsen ontstond geleidelijk een venige laag. Dit veen zou in de Middeleeuwen een belangrijke rol spelen in de ontginningsgeschiedenis. Plaatsen waar intensief veen werd ontgonnen werden na het stopzetten van de ontginningen bebost. Dit was onder meer het geval aan de rand van het oude ‘Aalschoot’ te Eeklo (omgeving SintJansdreef – Moerstraat) en het noordelijke moergebied richting Sint-Laureins. Het hoger gelegen gebied kende vóór de ontginning door de mens afwisselend uitgestrekte droge en moerassige gronden. Over het hele oppervlak ontwikkelde zich in de loop van duizenden jaren een aaneengesloten, dicht bosgebied.

Er rest in het Meetjesland nog weinig van de oorspronkelijke bosgebieden. Soorten als grove den en lijsterbes, zomereik en ruwe berk gedijen goed op de zandige ondergrond van – onder andere – de Lembeekse bossen

Verspreid in dit grote beboste gebied hadden zich vóór de 13de eeuw enkele nederzettingen gevormd. Omdat te weinig gronden in cultuur konden worden genomen groeiden de nederzettingen niet uit tot echte dorpen, zodat sommige in de loop der eeuwen verdwenen. Vanaf de 13de eeuw nam het bevolkingsaantal toe en steeg de behoefte aan landbouwgrond. Er werden geleidelijk meer gronden ontgonnen. Dit gebeurde niet overal op dezelfde manier. Op sommige plaatsen gebeurde dit individueel en ontstond een sterk verspreid bewoningspatroon met losstaande, omwalde sites en kleine boerderijen.

HOOFDSTUK 1 - 23


Landschappen van het Meetjesland

’t Waren allemaal lange smalle percelen. Langs weerszij van ieder stuk land stonden rijen elzen, en ertussen telkens een gracht. We gebruikten het hout voor ’t fourneijs en de broodoven.

Op andere plaatsen gebeurden de ontginningen systematisch en onder impuls van rijke patriciërs, hospitalen (Eeklo- St.- Jansgoed of Kaprijke- Rijselhof), kloosterorden (Waarschoot, Oosteeklo,…) en grote hoeves (oeves ’t Groot Goed-Eeklo (Huysmanhoeve), SintJanshoeve, Sint-Jorishoeve, …). Grote stukken bos werden er ontgonnen en waterzieke gronden werden ontwaterd in functie van de landbouw.

Echtgenote VAN DE VOORDE, °1930 – Landsdijk BASSEVELDE

Eerstestraat, Sint-Laureins: het patroon van meetjes en grachten vindt men nog terug in het landschap; de kanten zijn echter nog zelden beplant

Eerstestraat Sint-Laureins en omgeving (2011: Google; “Aerodata International Surveys”)

De sporen van de systematische ontginning die in sommige gebieden plaatsvond zijn tot vandaag goed zichtbaar. Ten zuiden van de gemeente Sint-Laureins, maar ook op andere plaatsen in het eigenlijke Meetjesland herkennen we een strak patroon in de aanleg. De wegen lopen recht en evenwijdig met elkaar en worden geaccentueerd door opgaande bomenrijen.

HOOFDSTUK 1 - 24


Landschappen van het Meetjesland

Ze verdelen het land in grote blokken die vervolgens zijn opgedeeld in smalle, langwerpige percelen, haaks op de richting van de wegen (zogenaamde ‘meetjes’). Om de gronden te ontwateren werden tussen die smalle percelen telkens grachtjes gegraven. De perceelsranden van de smalle percelen waren vroeger algemeen beplant met rijen zwarte els en knotbomen. Grote delen van het oorspronkelijke bos werden in deze periode begraasd. Het bos degradeerde er tot woeste gronden, ook wel ‘wastines’ of veldgebieden genoemd. De gronden werden gemeenschappelijk gebruikt. Van Maldegem in het westen tot Bassevelde-Ertvelde in het oosten werden ‘gemene’ gronden gebruikt om het vee te laten grazen. Dit grondgebruik wordt geassocieerd met de schapenteelt en de lakennijverheid in Middeleeuws Vlaanderen. Die nijverheid was niet enkel van belang in grote centra als Brugge en Gent. Ook lokaal was ze van grote betekenis en vormde de reden tot de bloei van centra als Kaprijke, Bassevelde, Eeklo en Waarschoot. Verschillende van deze plaatsen verkregen handelsrechten. Vanaf de 14de en 15de eeuw veranderde het klimaat en werd het laag gelegen zandige gebied in het noorden herhaaldelijk overspoeld door de zee. In 2.4. wordt gewezen op het ontstaan van de Scheldepolders in het gebied dat eigenlijk ook tot zandig Vlaanderen behoort. In de daaropvolgende eeuwen werd het areaal verder ontgonnen. Politiek-economisch betekenden de 16de en 17de eeuw echter een turbulente periode voor de Lage Landen. De godsdienstoorlogen zorgden voor een onstabiel klimaat. Talrijke plunderingen en verwoestingen zorgden ervoor dat verschillende landbouwuitbatingen stil vielen en nieuwe ontginningen uitbleven. De meeste gehuchten bleven vrij klein. Pas in de 18de en 19de eeuw groeiden ze uit tot echte dorpen. Vanaf dan werden de wegen ook sterk verbeterd.

HOOFDSTUK 1 - 25


Landschappen van het Meetjesland

In de loop van de geschiedenis is het ooit bosrijke Meetjesland geĂŤvolueerd naar een agrarische regio met talrijke kleine landbouwbedrijven. 18de en begin 19de -eeuwse kaarten tonen een dicht wegennetwerk en een sterk versnipperd landbouwareaal met relatief kleine percelen, gescheiden door grachten en greppels en omzoomd met perceelsrandbegroeiing. Opvallend is het grote aantal boerderijtjes en de talrijke beplantingen rond de huiskavels en tussen de weilanden. Toch bleven tot de 19de eeuw her en der stukken grond ongebruikt. Tot het midden van de 20ste eeuw bleef dit landschap bewaard. Vanaf dan is de situatie snel veranderd en evolueerde het landschap verder tot de huidige situatie.

HOOFDSTUK 1 - 26


Landschappen van het Meetjesland

Case: herstel perceelsrandbegroeiing langs de ‘meetjes’ in het Meetjesland

Het patroon van dreven wordt hersteld langs de invalswegen die de blokken van langgerekte percelen (‘meetjes’) ontsluiten: er worden jonge populieren gebruikt, men kiest voor oude rassen. Oude populierenrassen zijn immers pas op latere leeftijd kaprijp (ongeveer na 80 à 100 jaar); het beeld van volgroeide dreven wordt hierdoor meerdere decennia gegarandeerd. Tussen de percelen worden elzenkanten aangeplant langs grachten die de bodem ontwateren. Elzen verdragen hoge grondwaterstanden als geen ander, en leveren om de 6 à 8 jaar brandhout wanneer ze (tegen de grond) worden gekapt. Op het perceel naast de huiskavel van particulieren wordt een nieuwe boomgaard aangeplant. Men plant ze in een raster van 10x10m, iets ruimer dan begin vorige eeuw op deze plek de gewoonte was. Hoogstamfruitbomen Bomenrij Houtkant Haag Elzenkant

HOOFDSTUK 1 - 27


Landschappen van het Meetjesland

We pachtten land van ‘den here’ en kapten singels in ’t bos. Dat hout werd gebruikt om aardappels voor de varkens te koken. MARIA BORLÉ, °1922 – KLEIT


Landschappen van het Meetjesland

Veldlandschap

1.3

Hoe herkennen? • Vrij vlak gebied met questa Oedelem-Zomergem: zwakke helling in het noorden en questafront als steile zuidelijke helling • Variërende bodemsamenstelling: stuwwatergronden in ondiepe, zware kleilagen (Maldegemveld) afgewisseld met dagzomende zure, uitgeloogde zandgronden (Bulskampveld) • Agrarisch minder interessante, marginale gronden: zogenaamde ‘woeste gronden’, lange tijd ongeschikt voor landbouw • Relatief bosrijk gebied (Drongengoed, Bulskampveld), systematisch geëxploiteerd in het verleden • Dambordvormig ontginningspatroon met dreven (Zomereik) kenmerkend in huidig bos- en agrarisch gebied

land-Oudeman Sint-Jan-in-Eremo an-in-Eremo

vliet Boekhoute

Sint-Laureins

Oostwink Oos twink

grens werkingsgebied RLM gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Houtland Veldlandschap Kouters en bulken Stedelijke gebieden Uitlopers van het Houtland in deze publicatie besproken onder het hoofdstuk ‘Het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

inderhoute

Landegem

HOOFDSTUK 1 - 29


Landschappen van het Meetjesland

Booneveld, Maldegem: op sommige plaatsen is het dambordvormig ontginningspatroon in de veldgebieden nog duidelijk zichtbaar

Ontstaan en ontwikkeling De veldgebieden van Maldegem, Knesselare en Aalter behoren niet tot de Vlaamse vallei en zijn tot ontwikkeling gekomen op een oudere, onderliggende reliëfvorm: de cuesta’s. Een cuesta is een reliëfvorm die gevormd werd door de afzetting van afwisselend harde, weerstand biedende en zachte, erosiegevoelige lagen. Door de eroderende werking worden de zachte lagen eerder weggeschuurd en blijven de weerstand biedende lagen overeind. Op die manier ontstaat uiteindelijk een reliëfvorm met langs de ene kant een steile (=cuestafront) en langs de andere kant een zwakke helling (=cuestarug). Tussen Zomergem en Oedelem enerzijds en tussen Lotenhulle en Hertsberge anderzijds strekken zich twee klei/zandsteencuesta’s uit. Beide cuesta’s hebben een steile zuidelijke rand en hellen zacht af naar het noorden. Op de eerste situeert zich het Maldegemveld, tussen Zomergem, Knesselare en Maldegem. Op de tweede is er het grote Bulskampveld, dat liep van Bellem en Lotenhulle over Aalter, Sint-Joris, Beernem, Wingene tot Hertsberge. Tussen beide cuesta’s ligt het huidige Kanaal van Gent naar Oostende.

HOOFDSTUK 1 - 30


Landschappen van het Meetjesland

De Papinglohoeve te Kleit, 2005, één van de ontginningshoeves in het Maldegemveld, behorend tot de SintBaafsabdij van Gent

Net zoals in de overige delen van het Meetjesland ontwikkelden zich doorheen de tijd uitgestrekte woeste gronden, de zogenaamde ‘wastines’ of velden. Het oorspronkelijke bos degradeerde vanaf de 10de eeuw doordat er hout werd gewonnen en vee graasde. De ontginning verliep gefaseerd: Van bos naar veld Ontginning van bos van de 10de tot de 13de eeuw (gelijklopend met de grote ontginningsperiode in het Meetjesland binnen zandig-Vlaanderen) – omvorming van bos naar veld door houtwinning en begrazing. De veldgebieden waren getypeerd door een uitgestrekt gebied van onvruchtbare gronden, arm aan houtige gewassen en buiten het eigenlijke landbouwareaal gelegen. Van veld naar akkerland Grote delen van de onvruchtbare velden komen in eigendom van abdijen en hospitalen (Abdij van Drongen, Abdij Sint-Baafs, Abdij Ter Duinen). Die ondernemen pogingen om te ontginnen en in cultuur te brengen. Door de onvruchtbaarheid van de grond en de slechte economische omstandigheden mislukken deze pogingen. Van veld naar bos Tijdens de 18de en 19de eeuw worden delen van de onvruchtbare velden herbebost volgens een dambordvormig patroon.

HOOFDSTUK 1 - 31


Landschappen van het Meetjesland

Het dambordvormig ontginningspatroon is ook vanuit de lucht nog goed te herkennen (2011: Google; “Aerodata International Surveys”)

Van bos naar akker Vanaf de tweede helft van de 19de eeuw wordt het mogelijk de gronden te bewerken. Nieuwe technieken en gebruik van kunstmest bieden soelaas. Op sommige plaatsen wordt het bos ontgonnen en omgezet in weiland of akkerland, met behoud van het oude drevenpatroon. Tot op vandaag is dit landschap relatief goed bewaard. Ten noorden en ten zuiden van de cuesta’s situeren zich telkens uitlopers van het Houtland. Het landschap van het Houtland is gevormd buiten de opvulling van de Vlaamse vallei, op zandige, pleistocene dekzanden. Die liggen op een ondiepe tertiaire laag (zand of klei).

Het Maldegemveld en omgeving is getypeerd door arme gronden, weinig interessant voor agrarische doeleinden

HOOFDSTUK 1 - 32


Landschappen van het Meetjesland

Case: inkleding gerenoveerd hoevetje in het Veldlandschap

Een oud hoevetje wordt gerenoveerd, en tegelijk pakt men de omgeving aan: bestaande (meidoorn)hagen worden hersteld, de oever van de gracht die het perceel doorsnijdt wordt beplant met ‘stoven’ of ‘tronken’. Daarnaast vult men de hoogstamboomgaard aan met nieuwe fruitbomen en komen er twee lindes aan de toegangspoort.

Hoogstamfruitbomen Bomenrij Houtkant Haag Elzenkant Solitaire boom

HOOFDSTUK 1 - 33


Landschappen van het Meetjesland

De meeste boomgaarden en hagen zijn kapot gegaan toen den Duits onze polder onder water zette, van eind 1944 tot rond de zomer van 1945. Voordien stond er een haag rond iedere boerderij, en rond de koeienwei werden de hagen gevlochten. De dijken stonden vol met ‘potten’ van populier: lange, schone takken van de tronken, die onderaan schuin afgekapt en ontschorst werden, zodat ze beter wortel zouden schieten. Tot rond de jaren ’50, vóór alles aan de landbouw veranderde, waren de polders opgedeeld in langwerpige akkers die van elkaar gescheiden werden door ‘dulvekes’. Om de 6 à 7 jaar werden die opnieuw gedolven door de knechten, om de akkers te draineren bij ’t ploegen, en ieder jaar maaiden ze de kanten met de zeis. MARCEL VAN LEEUWE, °1922 – SINT-JAN-IN-EREMO

In mijn kindertijd reden we vanuit Westkapelle, bij Knokke, met paard en kar naar de Veldekens tussen Adegem en Oostwinkel om hout te kopen. Dichter bij huis was dat niet te krijgen. MARIE-MADELEINE BRAET, °1928 – SINT-JAN-IN-EREMO

HOOFDSTUK 1 - 34


Landschappen van het Meetjesland

Het Krekengebied of de (Schelde)polders

1.4

Hoe herkennen? • Zeer vlak reliëf (hoogte tussen 2 en 5m boven de zeespiegel) • Zandige klei- of kleiig-zandige bodems, kalkhoudend • Opeenvolging van polders, omgeven door dijken • Talrijke kreken in het landschap, met vaak een hoekig verloop. Vlakbij sommige dijken zijn ‘wielen’ of ‘welen’ terug te vinden • Dijken en waterlopen begeleid door opgaande bomenrijen (meestal populier) • Ondergrond met zeer hoge agrarische waarde: voornamelijk akkerbouw • grote percelen, weinig perceelsrandbegroeiing • Woonkernen op hoger gelegen plaatsen • Kleine landarbeiderswoningen op en tegen dijken • grote, kapitaalkrachtige boerderijen verspreid in de polder, omgeven door (knot)bomenrijen en kanten

Water Wa terland-Oudeman Sint-Margr Sint-Margriete vliet Sint-Jan-in-Eremo an-in-Eremo Boekhoute

Middelbur Sint-Laureins

Maldegem

Oostwink Oos twinkel twink

Ur

Waar

l

grens werkingsgebied RLM gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Houtland Veldlandschap Kouters en bulken Stedelijke gebieden Uitlopers van het Houtland in deze publicatie besproken onder het hoofdstuk ‘Het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

inderhoute

Landegem

HOOFDSTUK 1 - 35


Landschappen van het Meetjesland

Leopoldkanaal met zicht op de Boerekreek, Sint-Jan-in-Eremo

Ontstaan en ontwikkeling  Het kreken-of poldergebied omvat de polders in de gemeenten Maldegem (Middelburg), Sint-Laureins, Assenede en Zelzate. De getijdengeulen in Middelburg en Sint-Laureins werden gevormd door overstromingen via het stelsel van het Lapscheurse Gat; die van Assenede en Zelzate door dat van de Braakman. Het landschap van de polders in het Meetjesland is zeer recent gevormd, in tegenstelling tot de Kustpolders. Het is ontstaan onder invloed van verschillende opeenvolgende overstromingen vanaf de Middeleeuwen. Die drongen diep landinwaarts door de bestaande zeewering en hebben als het ware een laag klei gelegd op het oude, zandige landschap. De dikte van de kleilaag varieert sterk. Op sommige plaatsen is de laag enkele decimeters dik, terwijl plaatsen voorkomen met een meters dikke kleilaag.

Weg Sint-Jan-in-Eremo richting Bentille

HOOFDSTUK 1 - 36


Landschappen van het Meetjesland

Blokkreek, Sint-Jan-in-Eremo

Tijdens de verschillende opeenvolgende najaarsstormen vanaf de 15de eeuw bleken slecht onderhouden dijken en sluizen niet bestand tegen de kracht van het zeewater. Het zeewater brak door de dijken en volgde bestaande waterlopen en grachten. Het water schuurde bestaande grachten uit waardoor grote getijdengeulen of kreken werden gevormd. Aan de overstromingen kwam op de meeste plaatsen een eind door de systematische inpolderingen vanaf de 15de eeuw. Bij de bespreking van het ontstaan van het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen werd gewezen op de rol van de verschillende zandruggen. Ook bij de vorming van het polderlandschap spelen die ruggen een rol. De eerste dijken werden op de zandige microruggen aangelegd. Op de rug Sint-Laureins-Bentille-Boekhoute lag bij het begin van de 15de eeuw reeds de oude dijk van Artois.

2011: Google; “Aerodata International Surveys�

HOOFDSTUK 1 - 37


Landschappen van het Meetjesland

Na het wegspoelen van een groot deel van deze dijk omstreeks 1488, werd vanaf Boekhoute in de richting van Assenede en Sas van Gent de Landdijk opgeworpen. Herhaaldelijk waren er in latere periodes nog dijkdoorbraken en overstromingen. Zo waren er in de 16de en 17de eeuw nog enkele moedwillige overstromingen tijdens de godsdienstoorlogen. Sommige ingepolderde gebieden in het Asseneedse krekengebied werden tot in de 19de eeuw door kleinere overstromingen geteisterd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden verschillende polders door de bezetter onder water gezet. De sporen van het ontstaan van dit relatief jonge landschap zijn goed te lezen aan de hand van de landschapscomponenten (dijken, kreken en wielen, boerderijen,‌). Het landschap is vrij gaaf bewaard. De dijken vormen de assen waarlangs landbouwpercelen bereikt kunnen worden.

HOOFDSTUK 1 - 38


Landschappen van het Meetjesland

Case: inkleding polderbedrijf in het Krekengebied

Bij een polderbedrijf wordt de voormalige hoogstamboomgaard hersteld. Knotbomen omgeven de woonkavel en breken de wind; enkele hoogstammige solitaire bomen, bijvoorbeeld notelaars, accentueren de gebouwen. Langs de oprijlaan wordt een bomenrij van opgaande populieren aangeplant.

Hoogstamfruitbomen Bomenrij Houtkant Haag Elzenkant

HOOFDSTUK 1 - 39


Landschappen van het Meetjesland

Vroeger stond het hier vol met tronken. Ge kon zo ver niet kijken als nu. Ik doe dat nog, mijn grachtkant beplanten. Als ge de gracht niet beplant met tronken, trappen de beesten den dijk in. AnDRÉ VAn hEULE, °1935 – nEVELE

HOOFDSTUK 2 - 40


Landschappen van het Meetjesland

Kouters en bulken

1.5

Hoe herkennen? • Zandleem- of lemige zandgronden (uitlopers van plateau van Tielt en gebied tussen Kale en Leie), alluviale klei nabij – voormalige – waterlopen • grote open kouters op hoger gelegen delen (droge, lichtlemige zandgrond bovenop de microruggen) – zeer weinig houtige kleine landschapselementen • gesloten bulken (zandgronden tussen hogere zandlemige ruggen) – talrijke knotbomenrijen rond de percelen • Meersengebied in onmiddellijke omgeving van de waterlopen binnen de Vallei van Oude Kale en Leie – oorspronkelijk weinig begroeiing, in latere periode ook knotwilgenrijen

Water Wa terland-Oudeman Sint-Margr Sint-Margriete vliet Sint-Jan-in-Eremo an-in-Eremo Boekhoute

Middelbur Sint-Laureins

Oostwink Oos twinkel twink

Ur

Waar

l

grens werkingsgebied RLM gemeentegrenzen Krekengebied en (Schelde)polders Meetjesland Dekzandrug Houtland Veldlandschap Kouters en bulken Stedelijke gebieden Uitlopers van het Houtland in deze publicatie besproken onder het hoofdstuk ‘Het Meetjesland binnen zandig Vlaanderen

inderhoute

Landegem

HOOFDSTUK 1 - 41


Landschappen van het Meetjesland

Broekstraat, Merendree: het bulkenlandschap is omsloten door ‘tronken’ en hoge bomen, veelal wilg en populier, die gebaat zijn bij hoge grondwaterstanden.

Ontstaan en ontwikkeling  Het zuiden van het geografische Meetjesland (Aalter, Nevele) wordt begrensd door een noordoostelijke uitloper van het zogenaamde Plateau van Tielt en vormt de overgang tussen de zanden de leemstreek. Hier begint een ander landschapstype: het kouter- en bulkenlandschap. Echte kouterlandschappen komen voor in de Vlaamse Ardennen. In dit deel van het Meetjesland spreken we van zogenaamde akkers of ‘Open Fields’. Evenals de Veldgebieden en de uitlopers van het Houtland in het westelijk deel van het Meetjesland, is het ontstaan buiten de Vlaamse vallei. In de periode waarin de vallei met zand opgevuld raakte, voerde de wind de lichtere lemige deeltjes verder mee in zuidelijke richting. Ze werden afgezet op de flanken van het plateau en vormden een dikke laag zandleem. De hoogste toppen van het plateau, waar oude kleilagen aan de oppervlakte komen, bleven onbedekt. Het plateau heeft het karakter van de cuesta’s (Veldlandschap) en afwisselend komen licht –zandlemige en zandlemige bodems voor. Het licht-zandleemgebied werd al vroeg ontgonnen en in cultuur gebracht. Hier ontstonden grote, open en aaneengesloten akkers: de kouters. Palend aan deze hoger gelegen ruggen ontstonden ook de meeste dorpen op de overgang tussen Kouters en Bulken. Tussen de kouterruggen liggen lager gelegen matig natte gronden. Ze zijn moeilijker te bewerken. Ze zijn later ontgonnen en de ontginning gebeurde individueel (1 kouter) In tegenstelling tot de open kouter heeft het landschap er een gesloten karakter. Het zijn de zogenaamde bulken.

HOOFDSTUK 1 - 42


Landschappen van het Meetjesland

Vooral (knot)populier, (knot)els en (knot)wilg werden traditioneel aangeplant in de “bulken”, tussen kouters en meersen. Zij vormen een natuurlijke drainage.

In de alluviale valleien van rivieren en beken bevinden zich meersgebieden. Aanvankelijk waren dit open gebieden waar het land als hooiland diende. Later werd hooiland omgevormd naar weiland en werden tussen de percelen vooral knotbomen aangeplant. Sedert halfweg de 20ste eeuw is het voorkomen van knotbomen in de meersengebieden dermate veranderd, dat de voormalige hooilandcomplexen zich nog weinig onderscheiden van de iets drogere, hoger gelegen bulken. De knotbomen overschaduwen dan ook soms letterlijk en figuurlijk het herstel van bloemrijke hooilandgebieden.

De grote, open, kouters op de microruggen contrasteren met de kleinschalige, door knotbomen omsloten percelen in lager gelegen gebieden. 2011: Google; “Aerodata International Surveys”

HOOFDSTUK 1 - 43


Landschappen van het Meetjesland

DRIESEN Net zoals in het zandige Meetjesland komen in het landschap van kouters en bulken ook driesen voor. Het zijn oorspronkelijk kleine, vaak driehoekvormige pleinen, waarrond meerdere boerderijen staan. De dries vormt een gemeenschappelijk plein waarop het vee ’s avonds werd samengedreven. Op sommige plaatsen wordt de dries omgeven door bomen. Een mooi voorbeeld vormt het Driesselken van Merendree in de buurt van de Oude Kale.

HOOFDSTUK 1 - 44


Landschappen van het Meetjesland

Case: herstel erfbeplanting bij een gemengd bedrijf in het landschap van Kouters en Bulken

Een voormalige hoogstamboomgaard wordt verplaatst naar het belendend perceel, in de weide ten westen van de woning worden enkele solitaire bomen geplant die schaduw bieden aan het (melk)vee. Opgaande populieren begeleiden de onverharde veldweg langs het perceel. Langs de beek komt een rij knotbomen die met hun wortels de oever verstevigen. Hoogstamfruitbomen Bomenrij Houtkant Haag Elzenkant

HOOFDSTUK 1 - 45


Landschappen van het Meetjesland

Toen wij hier kwamen wonen in ’t jaar 1962 kwam in de winter het water uit de beek tot aan ons huis. Nu niet meer, want de waterlopen worden beter onderhouden: ze graven dat ieder jaar uit. We konden in die jaren de treinen zien rijden in het noorden, en in het zuiden zagen we de auto’s van de autostrade. Alle fruitbomen werden namelijk gerooid, de mensen kregen daarvoor 300 frank per boom, zodat de staat erop kan verdienen. Nu gaat het niet meer rechtstreeks naar de burgerij, het fruit, en de melk ook niet. Nu moet het eerst allemaal vervoerd worden naar de fabrieken en naar de winkels. OSCAR DE WAGTER, °1920 – Reibroekstraat HANSBEKE

HOOFDSTUK 2 - 46


Landschappen van het Meetjesland

Infrastructuren: wegen, spoorwegen en kanalen 1.6 In de loop der tijden werden verschillende wegen en spoorlijnen aangelegd en kanalen gegraven. Het zijn opvallende structuren in het Meetjeslandse landschap, die de traditionele landschappen doorsnijden. Ze zijn sterk beeldbepalend en maken HOOFDSTUK uit van de evolutie van ons landschap. Bepaalde infrastructuren, zoals de kanalen, vormen de ruggengraat en de charme van het Meetjeslandse landschap. Andere, zoals de expresweg N49 of de E40, zijn in hoofdzaak een barrière in het landschap. Qua inrichting en beheer vragen ze vaak een andere benadering dan het omliggende landschap.

Lieve  De Lieve is een smal kanaal dat in de loop van de 13de eeuw werd gegraven tussen Gent en Damme. Het vormde tot dan de enige verbinding met de zee en was gedurende enkele eeuwen van groot economisch belang. Na het verzanden van het Zwin werd begonnen met het graven van de Sassevaart tussen Gent en Terneuzen (kanaal Gent-Terneuzen) en nam het belang van de Lieve als verbinding af. Vandaag is de trekweg langs de Lieve als fietspad ingericht en beschermd als monument.

Brugse Vaart  De Brugse of Gentse Vaart, zoals het kanaal op de meeste plaatsen heet, loopt in het Meetjesland door de gemeenten Lovendegem, Zomergem, Knesselare en Aalter. De vaart werd grotendeels gegraven in de bedding van natuurlijke waterlopen en ontstond door het verbinden van de Zuidleie (ten zuiden van Brugge) en de Oude Kale (Nevele, Merendree), die de middenloop vormde van een groot afwateringssysteem met de Poekebeek en de Durme. Het graven van de vaart had grote gevolgen voor de afwatering van het natuurlijke Kalestelsel. Pas in de 17de eeuw, onder impuls van Albrecht en Isabella, werd het kanaal gefinaliseerd. Vandaag herbergen de kanaalbermen op sommige plaatsen een bijzondere flora. Tussen Aalter en Knesselare is een deel van de bermen als natuurreservaat ingericht, en worden beheerd door Natuurpunt.

HOOFDSTUK 1 - 47


Landschappen van het Meetjesland

Leopoldkanaal Dit kanaal, genoemd naar de eerste Belgische koning, werd gegraven omstreeks het midden van de 19de eeuw. Bij de onafhankelijkheid van BelgiĂŤ werd de afwatering van een deel van het poldergebied naar Nederland verhinderd. Daarom werd beslist op Belgisch grondgebied een kanaal te graven tussen Heist en Zelzate. Het kanaal, dat tegelijk ook een defensieve functie had, zou afwateren in het kanaal Gent-Terneuzen. Uiteindelijk werd het kanaal gerealiseerd tussen Heist en Boekhoute, waar het richting Braakman afwatert. De stuw, ter hoogte van de Vlamingstraat, zorgt vandaag voor een gescheiden afwatering in twee richtingen. Het kanaal wordt beheerd door NV Waterwegen en Zeekanaal, Natuurpunt heeft een groot deel van de dijken langs het Leopoldkanaal in beheer. De ligging van het kanaal valt op in het landschap door de imposante dubbele populierenrijen langs het kanaal. In de 19de eeuw groeiden er olmen, die later door Canadapopulieren vervangen werden.

Schipdonkkanaal: Afleidingskanaal van de Leie Dit kanaal werd omstreeks het midden van de 19de eeuw gegraven om overstromingen te voorkomen en om het door de vele vlasroterijen bevuilde water niet tot Gent te later stromen. Het kanaal werd grotendeels gegraven in de bedding van de Oude Kale. Stroomafwaarts, vanaf Zomergem, stroomt het kanaal voor een groot stuk in de bedding van de Lieve. Zoals het Leopoldkanaal wordt het Afleidingskanaal van de Leie beheerd door NV Waterwegen en Zeekanaal. De karakteristieke Canadapopulieren worden nu systematisch vervangen door verschillende soorten: eik, abeel of linde‌

HOOFDSTUK 1 - 48


Landschappen van het Meetjesland

N9 – Steenweg Brussel-Oostende  De N9 is het nummer van de steenweg die dwars door het land loopt, van Brussel tot Oostende. Grote delen van deze weg werden in de Oostenrijkse periode aangelegd of heraangelegd. De weg was over de gehele lengte volgens een uniform steenwegprofiel aangelegd. Langs de kant van de weg staan op verschillende plaatsen nog oude rode beuken als overblijfselen van de vroegere lijnbeplanting (Maldegem Donk, en Waarschoot - Eeklo).

Oude weg Brugge-Gent Eén van de oude verbindingen tussen Brugge en Gent loopt over de cuesta van Oedelem-Zomergem. Langsheen het traject ontstonden de kernen van Oedelem, Knesselare, Ursel en Zomergem. Sommige wegen werden uitsluitend ’s zomers of ’s winters gebruikt, of hadden een specifieke functie.

E40: Autosnelweg Brussel-Oostende De E40 is de oudste snelweg van het land. In de jaren 1930 werd met de aanleg begonnen. De bestaande steenweg tussen Brussel en Gent, de huidige N9, raakte verzadigd en het verkeer moest steeds door de kernen van Aalst, Gent, Eeklo en Brugge. Het volledige traject werd in 1956 ingehuldigd; rond 1970 werd de weg verbreed.

N 49 - E 34: Antwerpen-Knokke Reeds in 1937 werd met de onteigeningen gestart om een wegverbinding te realiseren tussen Antwerpen en Knokke-Heist. De uiteindelijke realisatie verliep zeer langzaam. Pas in 1983 was de expresweg volledig aangelegd. Meteen werd beslist de expresweg stelselmatig om te bouwen tot autosnelweg. Hiervoor worden alle kruispunten geleidelijk weggewerkt. Recent worden verschillende windmolenturbines gerealiseerd langs deze autoweg.

HOOFDSTUK 1 - 49


Landschappen van het Meetjesland

Spoorlijnen De spoorlijn tussen onze hoofdstad en Oostende werd in verschillende fasen gerealiseerd. Het deel tussen Oostende en Gent dateert van omstreeks 1838. Momenteel zijn werken in uitvoering om over de volledige afstand vier in plaats van twee sporen in gebruik te nemen. Lijn 58: Eeklo – Brugge Deze spoorlijn werd oorspronkelijk gebouwd door de toenmalige spoorwegmaatschappij (Chemins de fer de Gand à Eecloo). In 1861 werd Gent-Dampoort verbonden met Eeklo en in 1862 werd dit tracé verlengd tot in Maldegem. In 1863 werd de lijn uiteindelijk doorgetrokken tot in Brugge. Dit laatste deel wordt reeds in 1959 weer afgeschaft. Het deel tussen Maldegem en Eeklo is nog steeds in gebruik als museumlijn. Lijn 57: Eeklo – Zelzate In 1871 werd lijn 57 (Eeklo-Zelzate) in gebruik genomen. Aanvankelijk was deze lijn een succes. Passagiers en goederen reisden af en aan. Na de Tweede Wereldoorlog nam het belang van de lijn af. Uiteindelijk betekende dit het einde van het ‘Kamielken’. Grote delen van dit tracé zijn vandaag als fietspad ingericht. Op sommige plaatsen heeft zich spontaan een dicht struweel ontwikkeld waarin talrijke organismen een onderkomen hebben gevonden, op andere plaatsen is de spoorwegbedding versmald doordat ze werd ingenomen door landbouw.

Foto rechts uit BRAUN, T. e.a., “Le miroir de la belgique”, pg 153.

HOOFDSTUK 1 - 50


Landschappen van het Meetjesland

HOOFDSTUK 2 - 51


Landschappen van het Meetjesland

Ruilverkaveling Helft 20ste eeuw tot de jaren 1990 De overheid moedigde na de Tweede Wereldoorlog een herstructurering van het landbouwareaal aan. De modernisering en vooral mechanisering van de landbouwsector na de Tweede Wereldoorlog werd in België sterk belemmerd door de slechte ontsluiting van het cultuurareaal en de relatief kleine stukken landbouwgrond. De wet op de vrijwillige ruilverkaveling, uitgevaardigd in 1949, had weinig succes. Nochtans bood het concept van agrarische ruilverkavelingen een drietal belangrijke exploitatiegerichte voordelen: • Ten eerste zorgde deze ingreep voor een uitbreiding van het cultuurareaal. Hagen en haagkanten, afsluitingen en niet-productieve grondstroken verdwenen. • Ten tweede verhoogde de arbeids- en grondproductiviteit, aangezien de grotere percelen op efficiëntere wijze konden worden bewerkt. • Ten derde zorgde de ruilverkaveling ervoor dat de landbouwers kleinere afstanden moesten afleggen, wat een gevoelige kostenbesparing opleverde. De troeven voor de landbouwer van een actief

ruilverkavelingsbeleid werden in tal van West-Europese landen al snel ingezien, soms zelfs al voor de Eerste Wereldoorlog. In België kreeg de ruilverkaveling pas een publiek-rechterlijk karakter in 1956. Het opzet bestond erin om verspreid liggende percelen te hergroeperen, rekening houdend met de kwaliteit ervan, de bereikbaarheid en geschiktheid te optimaliseren via het aanleggen of verbeteren van wegen en waterlopen, en grondverbeteringswerken uit te voeren, door bijvoorbeeld waterrijke gronden te draineren . De invloed van de ruilverkavelingen was ingrijpend, zeker in de Antwerpse Kempen en in Limburgs Haspengouw. Het nivelleren van oneffen percelen, het aanleggen van rechte wegen, het droogleggen van venen en moerassen, het rechttrekken van sloten en beken en het rooien van houtkanten en bomenrijen veranderde het gevarieerde cultuurlandschap in een relatief monotone, groene vlakte. Ook in het Meetjesland hebben diverse ruilverkavelingen plaatsgevonden (onder andere Maldegem en Zomergem). (www.linkeveld.be)

Jaren 1990 tot nu Omstreeks 1990 volgde een ommekeer in het beleid. Een belangrijke ingreep was de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM, in 1988) die voortaan op Vlaams niveau het beheer van de ‘groene ruimte’ en het agrarisch landschap zou organiseren. De ruilverkavelingsprojecten kregen een nieuwe identiteit. Ruilverkavelingsprojecten beogen vandaag meer dan een eenvoudige perceelshergroepering. Zij zorgen voor de herstructurering van het landbouwgebied passend in een multifunctionele inrichting van het buitengebied. Naast de ruilverkaveling werd zelfs een nieuw in-

HOOFDSTUK 1 - 52

strument gecreëerd: de landinrichting (VLM). Landinrichtingsprojecten willen grote gebieden zodanig inrichten dat alle facetten die in het gebied aanwezig zijn (milieu, natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie), zich volwaardig kunnen ontwikkelen. In dat kader werden sinds het midden van de jaren 1990 natuurgebieden hersteld en (her)ingericht. Poelen, bossen en kleine landschapselementen werden aangelegd, historische relicten gerestaureerd en kleine waterzuiveringssystemen opgezet. (www.linkeveld.be)


Landschappen van het Meetjesland

1895: “Carte Topographique de la Belgique”, Institut Cartographique Militaire

2001: Fragment uit de topografische kaart van de omgeving Meetjesland (schaal 1:20 000) met toelating A2648 van het Nationaal Geografisch Instituut – www.ngi.be

HOOFDSTUK 1 - 53


Houtige kleine landschapselementen

Solitaire boom: alleenstaande boom

Dreven en bomenrijen: bomen die gegroepeerd in enkele of meervoudige rijen zijn geplaatst, vooral langs infrastructuren zoals waterlopen, wegen en toegangen tot kastelen en parken.

Houtkant, in het Meetjesland ook ‘kant’ of ‘kanthaag’ genoemd: lijnvormige begroeiing van opgaande, houtige gewassen. Houtkanten kan men (deels) spontaan laten uitgroeien maar traditioneel worden ze periodiek tegen de grond gekapt

Knotbomen of ‘tronken’: solitairen of rijen bomen die, eens ze op een bepaalde hoogte zijn ingekort, om de vier à tien jaar op dezelfde hoogte worden ‘geknot’

Hagen, heggen en ’kaphagen’: lijnvormige aanplantingen van houtige gewassen die door periodieke snoei in vorm worden gehouden en een compacte structuur ontwikkelen

Hoogstamboomgaard: een meestal omsloten stuk grond beplant met hoogstammige fruitbomen

HOOFDSTUK 2 - 54


Houtige kleine landschapselementen

Houtige kleine landschapselementen

2

Naast bebouwing, infrastructuren en verschillende vormen van landgebruik zijn kleine landschapselementen bepalend voor het uitzicht van het Meetjesland. Maar wat verstaan we onder kleine landschapselementen of, afgekort, KLE? Waar vindt men ze terug in het Meetjesland? Hoe werden ze vroeger ingericht en beheerd en welke functies vervullen ze vandaag? In het Natuurdecreet worden kleine landschapselementen omschreven als lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijbehorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen, en die deel uitmaken van de natuur: bermen, bomen, bosjes, bronnen, dijken, graften, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, perceelsrandbegroeiing, sloten, struwelen, poelen, veedrinkpoelen en waterlopen. In deze publicatie worden de houtige kleine landschapselementen – bomen en struiken – die typisch zijn voor het Regionaal Landschap Meetjesland beschreven. Hun historisch voorkomen en de hedendaagse mogelijkheden staan hierbij centraal. Per type landschapselement volgt een omschrijving met aandacht voor de samenhang met het landschap in de verschillende deelgebieden van het Meetjesland. De traditionele inrichting en het beheer vertellen het verhaal van het landschap zoals het vroeger was en hoe we het vandaag zien in onze streek.

HOOFDSTUK 2 - 55


Houtige kleine landschapselementen

Ik gaf 23 jaar lang de catechismus in Waarschoot en organiseerde ieder jaar een Meiviering onder de Bevende Hazelaar, soms voor 400 man. Kinderen kwamen hier spelen, mensen kwamen genezing vragen, de boom werd door velen geëerd. ANGELA RIEBBELS, °1928 – WAARSCHOOT

’t Is wonder, maar nooit heeft den donder hem getroffen. Men zegt wel ‘in een eek valt den donder niet’ (ge weet wel, zo nen beuk hé) maar da’s niet waar, ge ziet wel: meermaals viel den donder in een boom in de dreef, één keer vlak langs mijne zoon. Maar den Bevenden Hazelaar, zelfs de beesten wisten dat ze erop konden vertrouwen en gingen er onder staan bij onweer op weg naar huis

HOOFDSTUK 2 - 56

Op een drieweegse in Waarschoot stond tot voor kort een 500 jaar oude ‘Bevende Hazelaar’, in werkelijkheid een zomerlinde die volgens overlevering werd geplant in 1494, op het graf van de per vergissing vermoorde zoon van Graaf Philips van Cleef. De omwonenden vertelden aan elkaar dat “’t boomke zou schudden en beven als het nog een keer zo’n toer zou tegenkomen”. Sindsdien hielden de boeren er ’s middags tussen twaalf en twee een pauze tijdens de ‘noenspelen’ en aten hazelnoten. Vandaar de naam aldus Angela Riebbels, °1928. Zij verzorgde gedurende tientallen jaren de boom en het kapelletje, in navolging van haar vader, grootvader en overgrootvader. Bij haar grootvader thuis was zelfs een volledige muur van de eetkamer beschilderd met een portret van de Bevende Hazelaar.


Houtige kleine landschapselementen

Overzicht van kleine landschapselementen

2.1

Solitaire boom Omschrijving Alleenstaande of solitaire bomen komen verspreid voor in het Meetjesland. Ze vervullen soms een specifieke functie waaraan het economisch aspect onder- of nevengeschikt is. Solitaire bomen werden van oudsher aangeplant om een bijzondere gebeurtenis te herdenken of om een specifieke plaats te markeren. Men vindt ze nu nog terug als wegwijzer-, perceelsgrens-, en in mindere mate als gerechts- en vrijheidsbomen, bomen als herkenningspunt in open landschappen,…

Op initiatief van de toenmalige provinciegouverneur van Oost-Vlaanderen, Baron de Kerckove d’Exaerde, werd kort na de Eerste Wereldoorlog in talloze gemeenten een ‘vrijheidsboom’ geplant op een belangrijke plaats in het dorp

Aan sommige boomsoorten werden bepaalde eigenschappen verbonden, waarvan vele teruggaan tot de Keltische periode. De eik was een heilige boom, de taxus symboliseerde het eeuwige leven en de linde gerechtigheid, gastvrijheid, huiselijk geluk en vruchtbaarheid. Daarom groeien taxussen op kerkhoven en lindebomen in de omgeving van kerken en pleinen. Er zijn ook nog de grootbladige en kleinbladige linde, evenals hun kruising de Hollandse linde, die van oudsher in geknotte vorm voorkomen bij café’s, kapelletjes, kruispunten en dorpspleinen. Vaak werden en worden deze bomen ‘gekandelaberd’.

Boomstraatje, Maldegem: een solitaire eik

HOOFDSTUK 2 - 57


Houtige kleine landschapselementen

‘Gekandelaberde’ lindes worden van oudsher op dorpspleinen of kruispunten geplant. In het Meetjesland begeleiden ze op tal van plaatsen de voorgevel van woonhuizen.

Traditioneel werden linden rondom pleinen, bij bankjes langs de weg of voor het huis geplant. Met hun dichte bladerdek bieden ze beschutting tegen zon en regen. Specifiek voor het Meetjesland zijn de boerderijen met langs de zuidzijde drie, vier of vijf gekandelaberde lindenbomen. Verspreid in het Meetjesland vinden we nog een twintigtal van deze opmerkelijke kleine landschapselementen terug.

Oude spoorwegbedding tussen Eeklo en Lembeke: een solitaire eik in open landschap maakt het verschil

HOOFDSTUK 2 - 58


Houtige kleine landschapselementen

Inrichting Naast het cultuurhistorisch gebruik wordt de juiste soortkeuze ook door een aantal factoren bepaald. Vooral de grootte van de volwassen boom en de standplaats bepalen de uiteindelijke keuze. De standplaatsgeschiktheid wordt ondermeer bepaald door de waterhuishouding, de zuurtegraad en het stikstofgehalte van de bodem. Ook de mate van bodemverdichting speelt een rol. Bij het (ver)planten van bomen worden de wortels onvermijdelijk beschadigd. De plant heeft na het aanplanten een periode nodig om te herstellen en nieuwe wortels aan te maken. In deze periode put de plant in zijn reserves. Algemeen geldt dat jonge bomen zich beter aanpassen aan een nieuwe standplaats dan oudere, grotere bomen. Daarnaast treden verschillen op tussen plantensoorten. Voor een gedetailleerd overzicht van geschikte soorten per landschapstype: zie tabel bij de inleiding.

Beschadigde wortels worden best weggeknipt

Plantwijze Bomen met naakte wortel moeten geplant worden tijdens hun winterrust. Kluitbomen, die worden gerooid met aarde rond de wortels, kunnen iets vroeger geplant worden en het plantseizoen loopt ook langer door. Containerbomen, opgekweekt in kunststof plantenpotten, kunnen in principe het hele jaar door aangeplant worden als ze voldoende water krijgen (maar vermijd bij voorkeur planten tijdens de zomer). Doorgaans is een najaarsaanplant beter voor bomen dan een voorjaarsaanplant, zeker voor bomen met naakte wortel. Plant nooit tijdens een zeer natte of vorstperiode. Bij bomen met naakte wortel is soms wortelsnoei nodig bij zeer lange uitlopers of beschadigde wortels. Het is hierbij goed de wortels schuin af te knippen, zodat de snoeiwondes zo groot mogelijk zijn en het contact met de ondergrond maximaal is.

HOOFDSTUK 2 - 59


Houtige kleine landschapselementen

Enkele planttips • Maak de plantpunt minstens twee keer zo breed en diep als de wortelkluit. De wortels van bomen met naakte wortel moeten volledig uitgespreid kunnen worden, zonder de randen van de plantput te raken • Als de nieuwe standplaats van de boom slecht afwatert, maak de plantput dan dubbel zo diep als de wortels of kluit • Scheid de teelaarde van de diepere grondlagen. Gebruik deze vruchtbare, structuurrijke grond opnieuw als bovenste laag bij het aanvullen van de plantput • Beperk de tijd tussen het graven van de plantputten en het planten zelf • Bescherm naakte wortels tegen uitdroging door het wortelgestel in een slijkbad te dompelen • Verwijder de container bij containerbomen, en krab de wortels lichtjes los. Plaats ze tijdelijk in een kuip water zodat ze zich goed kunnen volzuigen • Kluitlappen zijn gemaakt uit afbreekbaar materiaal en hoeven niet verwijderd te worden • Let er op dat de wortelhals boven het maaiveld zit: ter hoogte van de wortelhals is merkbaar hoe diep de boom heeft gestaan op de kwekerij. Een boom die te diep wordt geplant krijgt later te weinig zuurstof waardoor de wortels afsterven • Schud de boom licht op en neer tijdens het vullen van de plantput zodat de grond zich goed verspreidt tussen de wortels. Houd de boom iets hoger dan de uiteindelijke plantdiepte: hij zal nog zakken bij het aandrukken van de grond • Verrijk de grond in het plantgat eventueel met compost, potgrond of turf • Druk de grond stevig aan met de vlakke voet, vanaf de buitenkant van de put naar binnen. Richt de top van de voet hierbij steeds naar de stam • Verdroging van nieuwe aanplantingen kan vermeden worden door in drogere periodes minimum één keer per week ruim water te geven

Het insnoeren van een boomband kan voorkomen worden! Controle tijdens de eerste snoeibeurt of het begieten van de aanplant blijkt noodzakelijk

HOOFDSTUK 2 - 60

Na het planten kan men een laag verteerde compost of stalmest rond de voet van de boom leggen (deze laag mag de boomstam niet raken!). Zo voorkomt men vorstschade, uitdroging van de grond en onkruidgroei. Langzaam verterende compost of houtsnippers vormen een belangrijke voedingsbron, maar kunnen ook leiden tot verbranding van de wortels. Afhankelijk van de weersomstandigheden, de bodemtextuur en het aanwezige bodemleven zal het vrijkomen van de voedingsstoffen uit de compost of houtsnippers meer of minder tijd in beslag nemen.


Houtige kleine landschapselementen

Deze nieuw aangeplante essen in open landschap, te Sint-Jan-in-Eremo, worden gestut door twee steunpalen

STEUNPALEN Hoogstammige bomen steunt men meestal met één of twee houten steunpalen, bij voorkeur duurzaam kastanjehout of acacia. Gebruik bij voorkeur onbehandeld hout, zodat verontreiniging van de bodem wordt voorkomen. Wanneer slechts één paal wordt gebruikt, wordt die geplaatst langs de zijde waar de meeste wind vandaan komt: in Vlaanderen west-zuidwest. De paal wordt vóór het planten van de boom in de plantput geplaatst zodat er geen wortels worden beschadigd. Maak een gat met een grondboor van ongeveer 70 cm diep en plaats hier de steunpaal in. Om ervoor te zorgen dat de steunpaal stevig staat, klopt men hem met een voorhamer of hamer op de juiste diepte. Na het planten van de boom moet de afstand tussen de boom en de boompaal minimum 15 cm zijn om het schuren van de stam tegen de paal te vermijden. Voor zwaardere bomen en kluitbomen worden twee of meerdere steunpalen gebruikt. De palen worden op grotere afstand van de stam geplaatst. De palen kunnen onderling met elkaar verbonden worden met één of meerdere horizontale dunne (halfronde) latten. Op plaatsen met verhoogd risico op beschadiging (verkeer, maaien, vandalisme) plaatst men meestal drie palen in driehoeksverband rond de boom. Sedert enkele jaren worden ook korte boom-

palen aangeraden omdat de trekwortels, die zorgen voor de verankering van de boom, zich beter kunnen ontwikkelen dan bij lange boompalen. Hierdoor zal de boom zich sneller verankeren en wordt hij minder windgevoelig. Bij deze palen is het bovengrondse deel ongeveer 1/3 van de stamlengte, met een minimum van 60 cm. De totale lengte van de gebruikte palen is verder afhankelijk van de diepte van de plantput. Ze worden best 30 cm in de vaste bodem van de plantput geslagen. Gebruik twee of drie palen per boom om hem te verankeren. Deze methode is minder geschikt voor de aanplant van grote bomen. Voor het aanbinden kunnen verschillende materialen gebruikt worden, bijvoorbeeld zwarte of groene PVC bindbuizen, boombanden uit kunststof of rubber en cocosboomband. Kies voor een elastisch, zacht materiaal dat de schors niet beschadigt. Maak de boomband zo hoog mogelijk aan de boompaal vast. Een te laag geplaatste band verhoogt het risico dat de stam tegen de kop van de paal slaat of schuurt bij het gebruik van één paal. Schade aan de stam kan men voorkomen door direct contact tussen de boompaal en de stam te vermijden. Het bindmateriaal wordt met behulp van gegalvaniseerde boombandnagels aan de paal bevestigd. Verwijder de boomband tijdig om insnoering te vermijden (na twee à drie jaar). Regelmatige controle is noodzakelijk.

HOOFDSTUK 2 - 61


Houtige kleine landschapselementen

BESCHERMING Sommige jonge bomen zijn gevoelig voor schorsbrand. De stammen van deze bomen kan men beschermen met jute. Op plaatsen waar een verhoogd risico bestaat op beschadiging van de stam door bijvoorbeeld vandalisme, kan deze beschermd worden door een boomkorf of boomharnas . Gebruik boomkorven alleen bij jonge, kwetsbare bomen op plaatsen waar de kans op beschadiging zeer groot is. Om vraatschade door dieren te vermijden, bijvoorbeeld bij een solitaire boom in een weide, kan men best palen en draad voorzien rond de stam (zie pg. 97 - 98). Soms biedt een boomharnas ook bescherming.

Een uittreksel uit de notarisarchieven, 1774-1776: ‘Item betaelt aen François van Kerkvorde de somme van 2 ponden 1 schellinghe grooten over arbeyts loon aen dese kercke ten jaere 1776 verdient met het steken van plantsoenen en putten te maecken ende verdoorenen van de selve als per quitanttie…’ In deze regels wordt het ‘verdoornen’ van de aanplant aangehaald: een gebruik van vóór de uitvinding van de prikkeldraad, waarbij doornstruiken rond de boomstammen worden aangeplant om te verhinderen dat vee of wild schade berokkent.

HOOFDSTUK 2 - 62


Houtige kleine landschapselementen

Beheer De ruimte rondom de voet van een boom wordt best vrijgehouden van onkruid om wortelconcurrentie te vermijden. Dit is vooral belangrijk tijdens de eerste jaren na de aanplant. Gebruik hiervoor geen herbiciden, maar mechanische onkruidbestrijding (hakken of schoffelen). Men kan ook een mulchlaag aanbrengen om de onkruidgroei te onderdrukken. Let er wel op dat een mulchlaag een verdere verrijking van de bodem inhoudt. In de handel zijn er ook langzaam afbreekbare boomplaten verkrijgbaar bestaande uit papier, compost en vezels. Deze kunnen rond de stamvoet geplaatst worden. Na de aanplant van een jonge boom begint de begeleidingssnoei. Men begeleidt de boom gedurende de eerste jaren tot hij de ‘ideale’ vorm heeft. Voor straatbomen betekent dit dat er gesnoeid wordt tot de probleemtakken weg zijn en de takvrije stamlengte, in functie van de standplaats en het eventuele verkeer, is bereikt. Bij solitaire (straat)bomen dient de begeleidingssnoei enkel om in een jong stadium probleemtakken (bijvoorbeeld een dubbele harttak) te verwijderen, en de boom op te kronen tot hij een definitieve kroon heeft: in dit stadium is het eindbeeld bereikt. Bij solitaire bomen in weiden of langs akkers, wordt bij voorkeur niet gesnoeid. Belangrijk is wel, dat er een onderhoudssnoei plaatsvindt op geregelde tijdstippen: verwijder dode en zieke takken tijdig, zodat de boom niet onnodig energie besteedt aan wonden en aantastingen. TECHNISCHE HULPMIDDELEN Voor een gedetailleerd overzicht van materialen en snoeitechnieken: • Technisch Vademecum Bomen, Harmonisch Park- en Groenbeheer, deel F en G, ANB. • Cursus Leren Beheren Agrarisch natuur-en landschapsbeheer, Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren.

HOOFDSTUK 2 - 63


Houtige kleine landschapselementen

Snoeien van hoogstammige straatbomen Straatbomen die tijdig worden gesnoeid kunnen uitgroeien tot groen dat een extensief beheer vraagt op latere leeftijd: een gezonde boom op een juiste plaats is één, het beheer in de eerste tien jaar na aanplant is cruciaal voor het resultaat op langere termijn. Bij de begeleidingssnoei van straatbomen wordt meestal gestreefd naar een maximale takvrije stamlengte, 4 à 6m, waar best 2m wordt bijgerekend zodat afhangende takken van de volgroeide boom niet worden beschadigd door vracht- of landbouwvoertuigen en vice versa. In dorpskernen zijn de groeiomstandigheden voor straatbomen vaak niet optimaal (watertoevoer, zuurstof, ruimte om uit te groeien,…) en de takvrije stamlengte van 6m is bij sommige exemplaren niet haalbaar wegens splitsing van de doorgaande top. Om die reden wordt bij het snoeien de boom in zijn geheel bekeken. Men ‘screent’ de kroon, en bepaalt vanaf welke stamhoogte de ‘blijvende kroon’ begint. Uit onderstaande figuur blijkt dat op termijn alle takken van de tijdelijke kroon verdwijnen. Het is dan ook belangrijk om een boom in dit proces goed te begeleiden.

BLIJVENDE KROON TIJDELIJKE KROON

START

HOOFDSTUK 2 - 64

EINDBEELD


Houtige kleine landschapselementen

Algemene snoeiregels • (Na)zomer is het juiste tijdstip om te snoeien: de sapstroom is nog actief, en de boom kan de snoeiwonden afsluiten • Snoei enkel wanneer het nodig is • Begin tijdig met snoeien en vermijd dat er grote wonden gemaakt moeten worden. Wonden zijn toegangspoorten voor infecties en rot, en het herstel van een wonde vraagt energie van de boom. Probeer snoeiwonden niet groter te maken dan een armdikte (6cm) • Haal maximaal 20% van de bladmassa weg per snoeibeurt • Snoei in fases: geef de boom enkele jaren de tijd om te herstellen na een snoeibeurt • Zorg voor een goede verhouding tussen stam en kroon: 1/3 stam, 2/3 kroon • Vermijd het om twee takken die vlakbij elkaar staan (in een takkrans) gelijktijdig weg te nemen: de kans op infectie wordt hierdoor immers te groot • Zaag de tak, zeker wanneer hij zwaar is, eerst op stomp en werk daarna deze ‘kapstok’ weg: op die manier wordt inscheuren in de stam voorkomen

CORRECTE SNOEI

Snoeivolgorde U-VORM

1. Dubbele top: twee scheuten in de top die gelijkmatig omhoog gaan 2. Zuigers: verticaal ingeplante zijtakken onder de top die sterk groeien en concurreren met de top 3. Plakoksels: vertakkingen dermate dicht tegen de stam, dat in de ‘oksel’ een V te zien is, in plaats van een U. Hier ontstaat een zwakkere vergroeiing tussen stam en tak en neemt de kans op inscheuren toe. 4. Takkransen: meerdere takken op dezelfde stamhoogte 5. Zieke of dode takken 6. Dikke takken: takken die de dikte van de stam (bijna) evenaren

V-VORM

1.

(INVERDE, opleidingen voor bos-, groen- en natuurbeheer)

2.

3. Takkransen kunnen het best in meerdere keren gesnoeid worden.

HOOFDSTUK 2 - 65


Houtige kleine landschapselementen

Paardendreef, Maldegem-Kleit: jonge Eikenaanplant

Plantrecht Het plantrecht is het recht (gebruik) dat eigenaars van percelen hebben om bomen te planten op een strook van het openbaar domein gelegen tussen het perceel en de openbare weg. De eigenaar van het aanpalend perceel is ook eigenaar van de bomen. Aan de eigenaars van bomen waarop het plantrecht van toepassing is wordt bij kappingen met nieuwe aanplantingen soms voorgesteld dit plantrecht vrijwillig af te staan aan de gemeente. Door het afstaan van het plantrecht

HOOFDSTUK 2 - 66

vervalt de aansprakelijkheid van de aangelande en eventuele vorderingen van schadevergoeding bij beschadigingen aan het wegdek, veroorzaakt door de nieuw aangeplante bomen. Als tegemoetkoming zorgt de gemeente dan vaak voor het wegfrezen van de oude wortelstronken en de verplichte heraanplant. De gemeente draagt dan ook de verantwoordelijkheid voor eventuele schade veroorzaakt door de nieuw aangeplante bomen. De procedure tot terugkoop verloopt in een aantal stappen en wordt opgestart bij het indienen van een aanvraag voor een kapvergunning.


Houtige kleine landschapselementen

Dreven en bomenrijen Omschrijving  Bomenrijen en dreven worden al eeuwenlang aangeplant langs wegen, waterlopen, dorpspleinen of ‘driesen’, toegangslanen,… De bomen staan gewoonlijk op een regelmatige afstand van elkaar. Ze kunnen lijnen accentueren zoals dijken, wegen of perceelsgrenzen. Maar ze kunnen ook zorgen voor de landschappelijke integratie van storende elementen (voederkuilen, silo’s, loodsen,…). De gebruikte soorten en variëteiten zijn vandaag zeer uiteenlopend, maar dit was ooit anders. Voor welbepaalde functies en locaties werden specifieke soorten gekozen. Zomereik en beuk waren eeuwenlang de dreefbomen van de toegang tot een kasteel, zoals bijvoorbeeld in Ronsele en Lovendegem. Lindendreven zijn weliswaar zeldzamer, maar eveneens typisch voor toegangsdreven tot boerderijen, landgoederen en kerken. Een voorbeeld hiervan wordt gevormd door gekandelaberde leilindes tussen het kasteel en de kerk van Hansbeke.

Stenen schuur, Watervliet: snelgroeiende klonen van Amerikaanse populierenrassen worden steeds vaker verkozen boven oudere soorten

Uit notarisarchieven en aankondigingen van boomverkopen eind 19de en begin 20ste eeuw kan afgeleid worden dat naast zomereik ook heel wat grauwe abeel, hoogstammige wilg en Canadapopulier langs de wegen groeiden.

HOOFDSTUK 2 - 67


Houtige kleine landschapselementen

In de veldgebieden herkennen we duidelijk een orthogonaal drevenpatroon dat dateert uit de 18de eeuw. Deze eiken- en beukendreven zijn relicten van een ontginningsfase van de veldgebieden waarbij de woeste velden opnieuw werden bebost. (zie 2.3) Meestal gaat het niet meer om de oorspronkelijke bomenrijen, maar om een herplante generatie. Op sommige plaatsen werden de dreven gekapt en werden de oorspronkelijke boomsoorten vervangen door populieren, Amerikaanse eik,... In het Krekengebied vindt men de typische bomennrijen op de dijken. Dijkbeplanting was er vroeger zowel ter versteviging van de dijken als voor houtproductie. Traditioneel werd hiervoor abeel, olm, populier en es gebruikt. De traditie van populierenrijen langs wegen en kanalen zien we vandaag nog zeer goed in het landschap. Wel is de soortkeuze verschoven van niet-ziekteresistente olmen en traag groeiende abelen, naar hoofdzakelijk sneller groeiende Canadapopulieren. Vooral in het Krekengebied, op de dijken, is het gebruik van oude rassen van populier aan te bevelen boven de keuze voor snelgroeiende klonen. De omlooptijd is 3 à 4 maal groter, wat maakt dat het cultuurhistorische, landschappelijk waardevolle beeld van bomenrijen op de einders minder frequent wordt onderbroken door een kaalslag. De oude rassen kunnen zodanig opgesnoeid worden dat de waarde van het hout toeneemt (hogere takvrije stamlengte en dus minder ‘weren’ in het hout), en ook de ontwikkeling van een gevarieerde kruidlaag wordt hiermee bevorderd.

Vrekkemstraat, Ursel: nieuwe en oude klonen van populier zijn duidelijk van elkaar te onderscheiden qua groeiwijze en –snelheid.

HOOFDSTUK 2 - 68


Houtige kleine landschapselementen

Inrichting De plantafstand tussen de bomen is van een aantal factoren afhankelijk. Allereerst is het eindbeeld belangrijk: zijn aaneengesloten kronen gewenst of niet? Door de bomen relatief dicht bij elkaar te planten, krijgt men een gesloten rij boomkronen. Terwijl bij wijde plantafstanden zelfs de volwassen bomen elkaar met de kruin niet raken. Het eindbeeld moet ook gecombineerd worden met de volwassen kroonbreedte van de gekozen boomsoort. Gangbare plantafstanden voor een aaneengesloten rij boomkruinen zijn: • Bomen van 1ste orde (volwassen bomen hoger dan 12m): 10 à 15 meter tussenafstand • Bomen van 2de orde (volwassen bomen tussen 6 en 12m hoog): 6 à 10 meter tussenafstand

Oude eikenaanplant in Papinglodreef, Maldegem-Kleit

Om vlugger een dreefeffect te krijgen, kan dichter geplant worden, maar dan moet er op tijd gedund worden. De aanplant kan gebeuren met één boomsoort, maar ook met verschillende boomsoorten, volgens het principe van ‘wijkers en blijvers’. De gewenste (traaggroeiende) boomsoort wordt dan op de correcte plantafstand geplant en daartussen wordt een snelgroeiende boomsoort geplant die snel voor een dreefeffect zorgt. De snelgroeiende soort moet wel op tijd weggehaald worden, zodat de andere bomen niet gehinderd worden in hun ontwikkeling. Dit principe kan bijvoorbeeld toegepast worden met eik en populier. Bij de bepaling van de plantafstand moet ook rekening gehouden worden met de onderetage. Een kleine plantafstand vermindert de kans op het behoud of de ontwikkeling van een waardevolle bermvegetatie. Wanneer een onderetage van struweel aangeplant wordt kan er ook voor grotere plantafstanden gekozen worden. Voor meer informatie over plantwijze, bescherming en beheer: zie pg. 59 - 65

HOOFDSTUK 2 - 69


Houtige kleine landschapselementen

elzenkanten Zwarte els heeft de eigenschap goed te groeien bij hoge waterstanden. Deze boomsoort heeft bovendien een sterke hergroei na het kappen en levert goed brandhout. Daarom werd deze soort niet alleen getolereerd, maar ook bewust aangeplant langs sloten en greppels om perceelgrenzen af te bakenen en de oevers te verstevigen. Vaak stonden de elzenkanten aan beide zijden van een sloot of greppel. Niet enkel ’s winters werden elzen gekapt; ook ’s zomers snoeide men de overtollige scheuten van de tronken of stoven, en liet men ze drogen om

HOOFDSTUK 2 - 70

er de oven mee te ontsteken. De gevallen bladeren van els bevatten veel stikstof, wat een gunstig effect heeft op de teelt van grassen. Sijsjes, die ook ‘tirijntjes’ werden genoemd, zijn dol op de elzenpropjes. Vroeger werden lijmstokken aangebracht in de elzenkant om de fleurige vogeltjes te vangen en als zangvogel in kooien te verkopen. Elzenkanten dienen vandaag nog als producent van brandhout en als schaduwboom voor het vee. Het in de 18de en 19de eeuw immense bestand aan elzenkanten werd drastisch teruggedrongen sinds de Tweede Wereldoorlog.


Houtige kleine landschapselementen

Houtkant of ‘kant’ Omschrijving Een houtkant bestaat uit een lijnvormige begroeiing van houtig gewas. Sommige houtkanten zijn restanten van oude bosfragmenten of van spontane (oever)begroeiing. Andere werden bewust aangeplant om oevers te verstevigen, als houtleverancier of als perceelsafscheiding. Nagenoeg alle hout uit de houtkanten werd gebruikt. Periodiek werd hout van hakhoutstoven en knotbomen gekapt. Ook stamhout van opgaande bomen en knotbomen werd gebruikt. Op sommige plaatsen werd langsheen de houtkanten een grasstrook voorzien zodat daar ook enkele dieren konden grazen. Van intensieve veeteelt was halfweg de 20ste eeuw geen sprake. De veestapel bestond hoofdzakelijk uit ‘hoornbeesten’ en paarden die vooral als trekkracht werden ingezet. Die dieren waren kostbaar en werden vaak gemeenschappelijk ‘gewacht’. Ze werden ook bijgevoederd met het jonge loof van bepaalde soorten.

Gemengde kant, Vierhuizen, Waarschoot

Essenkant, Sint-Laureins

De historische houtkanten zijn vaak fragmentair, maar recent worden opnieuw houtkanten aangeplant, bijvoorbeeld in het kader van ruilverkavelingen. In het Krekengebied komen historisch gezien minder houtkanten voor. Het zijn restanten van oude begroeiingen of perceelsafscheidingen. Op de dijken hebben zich plaatselijk, onder de bomenrijen, spontaan houtige gewassen gevestigd, of vindt men opslag van bomenrijen die werden gekapt en vervangen door andere soorten (abeel, iep, populieren,…).

HOOFDSTUK 2 - 71


Houtige kleine landschapselementen

Inrichting gezien de historische achtergrond van de houtkanten in het Meetjesland maken we in dit hoofdstuk onderscheid tussen gemengde houtkanten en elzenkanten. gemengde houtkanten worden voornamelijk aangeplant omwille van hun ecologische en landschappelijke functies, maar ook opnieuw voor het brandhout. Het herstel of de aanplant van elzenkanten kent een sterkere cultuurhistorische traditie. gemengde, brede houtkanten zijn eerder schaars. Het landschap in het Meetjesland wordt gekenmerkt door zijn elzenkanten die als singels, op ĂŠĂŠn lijn, voorkomen. Noorddijk - Landsdijk in Bassevelde: Olmenopslag

Voor een gedetailleerd overzicht van geschikte soorten per landschapstype: zie tabel bij de inleiding. PLANTwIjZE Het aanplanten van een elzenkant kan met veren (jonge boompjes met een lengte van 2 tot 2,5 m). De elzen worden op een onderlinge afstand van 1 meter in een plantgat van 40x40 cm geplant, boompalen zijn niet nodig. Bescherming tegen vraat van vee kan wel wenselijk zijn. De aanleg van een gemengde houtkant kan op verschillende manieren worden uitgevoerd. Onderstaande figuur toont een voorbeeld van een houtkant die bestaat uit twee rijen die in driehoeksverband worden aangeplant. Een houtkant bestaat best uit 2 rijen, maar afhankelijk van de ruimte zijn ook meerdere rijen mogelijk. De afstand tussen beide rijen bedraagt 1 tot 1,5 m, dit is ook de afstand tussen de planten onderling in de rij. Dit plantverband is eerder kunstmatig. Men mengt de verschillende soorten groepsgewijs. In hoofdstuk 2 is een overzichtstabel terug te vinden met de meest geschikte soorten per deelgebied. 1,2m 1,2m

Haagbeuk Voorbeeld plantschema gemengde houtkant, aangeplant in 2 rijen in driehoeksverband

HOOFDSTUK 2 - 72

Veldesdoorn Zomereik

Hazelaar Meidoorn Sleedoorn Sporkehout


Houtige kleine landschapselementen

De optimale planttijd is november – december. In principe kan men planten gedurende de hele rustperiode van de plant (november – februari), maar in elk geval moeten de struiken geplant zijn voor de sapstroom op gang komt. Gebruik voor de aanleg van een houtkant bij voorkeur bosplantsoen, deze planten zijn 2 tot 3 jaar oud en slaan gemakkelijker aan dan ouder plantmateriaal. • Bescherm de wortels tijdens het vervoer • Kuil het plantsoen in, indien niet onmiddellijk kan geplant worden • Plant niet bij vriesweer, felle zon, koude en droge oosten- en noordenwind • Graaf de plantput of de sleuf zodanig breed en diep dat de wortels er helemaal en onbeschadigd in kunnen • Zorg dat ook de bodem en wanden van de plantput of -sleuf losgemaakt zijn • Spreid de hoofdwortels op de bodem van het plantgat of de sleuf • Let erop dat bij het aanplanten de wortelhals net boven het maaiveld zit • Druk met de voet (niet stampen) de aarde regelmatig aan

Noorddijk - Landsdijk in Bassevelde: Olmenopslag

Wanneer men een houtkant plant langs een weide, legt men de graszoden van de plantput niet terug. De bodem kan men in het begin beter vrijhouden van grassen en kruiden. Zo krijgt de jonge aanplant minder concurrentie in het eerste groeiseizoen.

BESCHERMING Op plaatsen waar grazende dieren bij de aanplant kunnen, moet men de planten beschermen. Bij individuele struiken kan men enkele palen met een stevige draad rond de aanplanting plaatsen. Bij een lijnvormige aanplanting kan men best een tijdelijke veekering (op voldoende afstand) voorzien, door per 2,5 meter over de volledige lengte van de aanplanting een paal te plaatsen, en hier een strook schapendraad of stroomdraad aan te bevestigen.

Begijnenakker, Stroomstraat, Oosteeklo: een uitgegroeide elzenkant

HOOFDSTUK 2 - 73


Houtige kleine landschapselementen

Een elzenkant kapt men ’s winters kort bij de grond af; in het voorjaar ontwikkelen slapende knoppen zich tot nieuwe scheuten.

Beheer Doordat een frequente snoei achterwege blijft, groeit een gemengde houtkant hoger en vooral breder uit dan een haag. De bomen en struiken worden periodiek (gemiddeld om de 5 à 10 jaar) gekapt tot aan de grond; hierdoor ontstaat een stobbe of hakhoutstoof. Op deze zogenaamde hakhoutstoven worden nieuwe loten gevormd. Soms worden enkele bomen behouden als overstaanders. De eerste twee jaar na het planten beperkt het onderhoud zich tot het vrijhouden van het plantgoed: voorkomen dat de jonge planten overwoekerd worden door de zich spontaan ontwikkelende kruidlaag. Een goede mulchlaag kan dit werk grotendeels opknappen. Na een aantal jaar wordt de beplanting tijdens de winterperiode kort afgeknipt of gezaagd, tot op ongeveer 15 cm van de grond. Een volwassen houtkant kan men best om de 5 à 8 jaar afzetten. Dit doet men best tussen begin november en eind februari. Het werk spreidt men bij voorkeur strooksgewijs over verschillende jaren (gefaseerd beheer). Dit vermijdt een kaalslag, wat nefast is voor fauna en flora. Men kan er ook voor kiezen om enkele bomen in de houtkant te laten doorgroeien, dit zorgt voor meer structuurvariatie. Het kapmes, traditioneel gereedschap bij het kappen en knotten van bomen en ‘kanten’.

HOOFDSTUK 2 - 74

Ook elzenkanten worden periodiek afgezet. Dit betekent dat de bomen tot 10 à 20 cm boven de grond worden afgezaagd. Het afzetten dient om de 4 à 7 jaar te gebeuren.


Houtige kleine landschapselementen

Het vrijkomend stamhout verwijdert men grotendeels uit de houtkant. Het kan bijvoorbeeld dienst doen als brandhout. Het stamhout kan men opstapelen in houtmijten. De kleinere takken kunnen verwerkt worden tot een takkenril. Zo ontstaan schuilplaatsen voor diverse kleine zoogdieren en vogels. Indien er gaten ontstaan door het afsterven van houtgewas, dicht men de gaten bij voorkeur met soorten die reeds aanwezig zijn in de houtkant. Vroeger werden gaten in de haag gedicht met stokken die men won uit de kant(haag), ook wel ‘hagepersen’ of ‘vermaakpersen’ genoemd. TECHNISCHE HULPMIDDELEN Traditioneel werd eiken- en essenhakhout niet gezaagd maar gekapt. Meestal niet met een bijl, maar met een breed en kortgesteeld kapmes (een ‘hiep’) waarmee men nauwkeurig kon hakken. In onze tijd is dergelijk precisiewerk nauwelijks meer haalbaar. Daarbij is het werken met een hakmes niet alleen een kunst op zich, het is bij ondeskundig gebruik ook gevaarlijk. Daarom wordt hakhout tegenwoordig altijd met een hand- of motorzaag afgezet. Welk type zaag men ook gebruikt, het is belangrijk dat men voor een schuin zaagvlak zorgt zonder scheuren in de stoof.

Een ‘takkenril’, gemaakt uit fijn snoeihout, biedt nest- en schuilgelegenheid aan vogels en kleine zoogdieren.

De klepelmaaier is niet geschikt voor het onderhouden van een houtkant

HOOFDSTUK 2 - 75


Houtige kleine landschapselementen

De knotboom als ecosysteem Op de knot van een knotboom broeden fazant en wilde eend, in de holtes broeden en schuilen steenuil, kool- en pimpelmees en gekraagde roodstaart. Vrijwel alle vleermuizensoorten die bij ons voorkomen vinden er ’s zomers hun voedsel, enkele hebben de knotboom ook ’s winters nodig als interim-schuilplaats.

HOOFDSTUK 2 - 76

En dan zijn er nog de bomen die in een knot tot ontwikkeling komen: alle besdragende soorten als vlier, lijsterbes, meidoorn, bitterzoet en hondsroos die worden ‘geplant’ via de uitwerpselen van vogels. (Zwaenepoel, A., 2006).


Houtige kleine landschapselementen

Knotboom of ‘tronk’ Omschrijving Bomen kan men ongestoord laten uitgroeien tot ze volwassen zijn, maar vaak worden ze op jonge leeftijd ‘geknot’. Een knotboom of ‘tronk’ is een boom waarvan de stam op een bepaalde hoogte wordt ingekort. Op de ingekorte stam vormt zich een min of meer bezemvormige krans van nieuwe takken. Deze groeien uit de slapende knoppen in de omgeving van het wondvlak. Wanneer de nieuwe takken periodiek worden afgezet tot tegen de stam, ontstaat door vorming van wondweefsel op de snijvlakken een bolvormige verdikking (de knot). Als de bomen dicht tegen de grond worden gekapt, spreekt men van hakhoutstoven of houtkanten.

Knoteiken in de nabijheid van de Huysmanhoeve, Bus, Eeklo

HOOFDSTUK 2 - 77


Houtige kleine landschapselementen

Knotpopulieren, Zijweg Ronselestraat, Ronsele

De geschiedenis van de knotbomen gaat ver terug. Van oudsher worden knotbomen in rijen aangeplant langs beken, wegen of perceelsgrenzen. Waar nog slechts één of enkele exemplaren staan, kan men vermoeden dat dit restanten zijn van oude rijen. Vroeger hadden knotbomen vooral een belangrijke economische betekenis. Hout was schaars en de knotboom was een ideale oplossing voor de houtproductie. Afhankelijk van de boomsoort werd om de 4 à 10 jaar het hout ‘geoogst’. De dunne twijgen werden onder andere gebruikt als aanmaakhout, voor vlechtwerk en oeverversteviging. De dikkere takken dienden als geriefhout (bijvoorbeeld stelen van gereedschap, palen,…), voor het maken van klompen en in belangrijke mate als brandhout. Hardere houtsoorten leverden ook constructiehout. Vandaag hebben de knotbomen in het landschap voornamelijk een cultuurhistorische, esthetische en ecologische betekenis. Ze geven informatie over het historische gebruik van het landschap en bepalen in grote mate het karakter ervan. Hierdoor zijn knotbomen als landschapselement sterk gewaardeerd. Een knotbomenrij of slechts één indrukwekkend oud exemplaar brengt afwisseling in een volledig open landbouwgebied. Knotbomen en houtkanten bieden ook de ideale schuil- en nestgelegenheid aan talrijke dieren en planten. En ook het vee geniet nog steeds van de schaduw.

HOOFDSTUK 2 - 78


Houtige kleine landschapselementen

Knotwilgen, evenals zwarte els, verdragen zeer hoge waterstanden.

Knotbomen worden onmiddellijk geassocieerd met wilgen. Maar vanouds was er een verhouding van ĂŠĂŠn op acht tussen harde (eik, es, olm) en zachte houtsoorten (wilg, populier, abeel, els) in BinnenVlaanderen (Tack, G. e.a., 1993). Wilgen slorpen bijzonder veel water op en werden vaak aangeplant als natuurlijke drainage langs grachten en ter versteviging van de oevers om erosie te voorkomen. De knotbomenrijen langs weiden deden bovendien dienst als beschutting tegen weersinvloeden voor het vee. Voor een gedetailleerd overzicht van geschikte soorten per landschapstype: zie tabel bij de inleiding.

HOOFDSTUK 2 - 79


Houtige kleine landschapselementen

Rond de weiden stonden knotwilgenrijen, die om de 5 à 8 jaar werden geknot. De meest rechte staken werden gebruikt om opnieuw knotwilgen te zetten, ze waren 1,80 tot 2m lang en werden een hele winter in het water gelegd zodat ze wortels kregen.

Inrichting

Voor het knotten gebruikten we een kleine ladder en een halmes. Een zaag werd niet gebruikt omdat de wilgen daardoor minder opnieuw opschoten en velen kapot gingen.

Plantwijze Planten doet men best in de periode van 1 november tot 1 maart.

MARIA BORLÉ, °1922, KLEIT

Als minimum plantafstand voor knotbomen wordt meestal 3 m geadviseerd. Bij het aanplanten langs waterwegen dient men rekening te houden met de minimumbreedte van machines voor het ruimen van de grachten en kan men de knotbomen best minimum vijf meter uit elkaar planten. Men kan ook afwisseling creëren door te kiezen voor een onregelmatige plantafstand.

Bij de aanplant van knotbomen moet men onderscheid maken tussen wilgen enerzijds, en andere knotbare bomen anderzijds. Wilgen (eventueel ook bepaalde soorten populieren) kan men ‘poten’ of stekken. Ze wortelen namelijk spontaan op het snijvlak wanneer men een tak in de grond steekt. Voor eiken, elzen, essen,… geldt dit niet en moet men beworteld plantgoed (bosplantsoen of hoogstammen) gebruiken. Bij de aanplant van knotwilgen boekt men de beste resultaten met ‘poten’: oudere takken van 2 tot 5 jaar. Een diameter van 6cm is voldoende. • Neem een rechte tak van 2,5 à 3 m lang • Verwijder onderaan de poot de bast gedeeltelijk om het bewortelen te bevorderen • Knip vóór het planten ook alle zijtakken van de poot en snijd de onderkant schuin af • Plant de poot voldoende diep (minimum een halve meter), en zet hem stevig vast Als men snoeihout gebruikt als stek of poot, is het belangrijk om na te gaan of het materiaal gezond is. Het snijvlak moet mooi wit zijn. Indien er bruine verkleuringen of waterige vlekken zichtbaar zijn, dan heeft de boom waarschijnlijk watermerkziekte en mag men het snoeihout niet gebruiken als plantgoed. Bij het aanplanten van andere, bewortelde boomsoorten uit de kwekerij gelden dezelfde plantregels als bij solitaire bomen (zie pg. 60). BESCHERMING Indien nodig moet het plantgoed beschermd worden tegen vraat en schuren van vee. Ofwel plaatst men individuele bescherming per boom ofwel plant men de knotbomen achter een doorlopende afrastering.

HOOFDSTUK 2 - 80


Houtige kleine landschapselementen

Beheer Het spreekt voor zich dat knotbomen moeten geknot worden. Dit is noodzakelijk, want indien te laat geknot wordt kunnen de takken op de knot te zwaar worden en breken af onder invloed van de wind of hun eigen gewicht. De knot kan mee afgerukt worden of de stam kan opensplijten waardoor de boom op termijn afsterft. Wacht men te lang om te knotten, dan wordt de kans ook groter dat de afzetwonden moeilijk dichtgroeien. Zorg er in elk geval voor dat de takken op de knot nooit dikker worden dan 8cm. • Kort de jonge boom in tijdens de winter na de aanslagfase, op gewenste hoogte. Meestal zal dit tussen 1,5 en 2,5 m zijn. Hakhoutstoven worden dicht bij de grond afgezet • Verwijder stamscheuten ’s zomers, met de hand of de snoeischaar. Vooral jonge bomen hebben de neiging om in het voorjaar overal langs de stam scheuten te vormen. Na enkele knotbeurten concentreert de groei van nieuwe scheuten zich vooral op de knot • Na een drietal jaar wordt de boom voor het eerst geknot; Men spreekt van ‘een arm dik’ bij het bepalen van het knottijdstip. • Knot steeds in de winter, maar niet tijdens of net voor een vorstperiode (niet kouder dan -5°C). De beste periode is na de strengste vorst en vóór het begin van de sapstroom. • Wil men maximale houtproductie, dan kan mende nieuwe kroon ‘schalven’, ook wel ‘het stikken van de pruik’ genoemd. Daarbij worden de nieuwe scheuten uitgedund tot 6 à 8 mooie, rechte takken overblijven waarin de groei geconcentreerd wordt. Zaag daarna periodiek (afhankelijk van de boomsoort) alle takken af tot tegen de knot (let op de takkraag!), zonder deze te beschadigen • Zaag of kap dikke takken eerst op stomp, om te vermijden dat ze inscheuren • Houd het wondoppervlak zo klein mogelijk en zaag in geen geval de knot ‘in model’. Indien de boom lang niet geknot werd wordt aanbevolen één of enkele takken te laten staan als ‘saptrekker’, aangezien het uitlopen van de knot heel wat vraagt van de boom De frequentie van het onderhoud hangt niet alleen af van het doel van het knotten maar ook van de groeisnelheid van de boom. • Snelle groeiers zoals wilg en populier knot men eens in de 4 tot 6 jaar. • Matige groeiers zoals els en es vragen een onderhoud om de 6 tot 8 jaar. • Bij trage groeiers, bijvoorbeeld eik en linde, wacht men 10 tot 12 jaar.

HOOFDSTUK 2 - 81


Houtige kleine landschapselementen

Het is aanbevolen, indien men vanuit de boom werkt, zich tijdens het knotten met een ketting vast te maken aan de boom.

Bij een rij knotbomen is het interessant om niet alle bomen tegelijk te knotten. Zodoende creëert men afwisseling in het landschap en behoudt men voldoende nest- en schuilgelegenheid voor dieren.

Als ge nen tronk dood wilt, moet ge ‘m zagen. We gebruikten steeds een kapmes of een bijl. Wij hadden meer dan 300 tronken rond het hof staan. In de jaren ’60 heb ik die allemaal afgezaagd. Het hout hadden we niet meer nodig. DE BOCK – polder ASSENEDE

HOOFDSTUK 2 - 82

TECHNISCHE HULPMIDDELEN Knotten gebeurt best met een handzaag. Dat geeft gave snijwonden, die echter niet zo vlug herstellen en later meer scheuten vormen. Men kan ook werken met een kapmes of bijl, maar dat vraagt meer handigheid en kracht en wordt vandaag nog zelden gedaan. Gemakshalve gebruikt men voor de zware takken meestal een kettingzaag. Hierbij is de nodige voorzichtigheid geboden (veiligheidsuitrusting is een must!). Er bestaan ook motorstokzagen en handkettingzagen waarmee men vanop de begane grond takken kan afzagen tot op een hoogte van ongeveer 5m. De mechanisatie van het knotten zou een daling van de arbeidskosten en –inspanningen kunnen betekenen, naast meer veiligheid. Voor die mechanisatie moet vooral heil gezocht worden in principes die voor de bosbouw ontwikkeld zijn. De hierna besproken werktuigen worden gekoppeld aan hydraulische armen voor een tractor of aan kranen.


Houtige kleine landschapselementen

HOOFDSTUK 3 - 83


Houtige kleine landschapselementen

In ’t dorp was er een hagevlechter, die ’s winters bij de mensen langs ging om een centje bij te verdienen. De dikste, langste staken kapte hij laag tegen de grond af zodat ze konden herschieten, de dunnere takken werden in een hoek van 45° naar beneden geplooid en vastgemaakt met ‘wiskes’. Dat was vóór de tijd van de draden waar men stroom op stak, en lang voor de prikkeldraad: tot eind de jaren 1930 ongeveer. MARCEL VAN LEEUWE, °1922, Sint-Jan-in-Eremo

HOOFDSTUK 2 - 84


Houtige kleine landschapselementen

Hagen of kaphagen Omschrijving Vaak worden de termen ‘heg’ en ‘haag’ door elkaar gebruikt. Eigenlijk vallen beide niet van elkaar te onderscheiden. De woorden ‘haag’ en ‘heg’ zijn etymologisch met elkaar verwant. In Nederland bijvoorbeeld is een haag een heg. In het Meetjesland wordt vaak gesproken over ‘weiren’ of ‘weerhagen’, waarin we het woord weren terugvinden: het afhouden van dieren en vreemdelingen op het erf. Deze uiteenlopende benamingen staan alle voor dicht bijeen geplante houtige gewassen die in vorm worden gesnoeid. Ze verschillen qua beheer. In deze publicatie wordt de term haag gebruikt voor lijnvormige aanplantingen die minimaal eenmaal per jaar worden geschoren. De term heg verwijst naar lijnvormige aanplantingen die vrij mogen uitgroeien en minder dan één keer om de twee jaar worden afgezet of gesnoeid. In de literatuur is herhaaldelijk sprake van kaphagen in het Meetjesland. Hiermee worden de doornhagen bedoeld die men enkele jaren liet doorgroeien en vervolgens met het kapmes op ongeveer een halve meter boven de grond afzette. De takken werden tot bussels of ‘bondekens’ verwerkt en gebruikt voor de oven (Verbeke, M. 1979). Dit in tegenstelling tot de streek van de Vlaamse Ardennen, waar men onder een kaphaag een rij knotbomen verstaat, dicht opeen geplant, die regelmatig werden gekapt in functie van loofvoer.Er

Merendree: Meidoorn en hulst werden traditioneel als haagplant gebruikt om het vee te keren.

HOOFDSTUK 2 - 85


Houtige kleine landschapselementen

Een volgroeide hulst is ondoordringbaar voor mens en dier.

was een groot areaal hooiland (vooral in de meersgebieden) dat na het hooien werd nabegraasd. In bepaalde delen van Vlaanderen werden de hooilanden integraal omheind door ondoordringbare hagen. Deze werden onderhouden zodat het vee er niet doorheen kwam. Of we er mogen vanuit gaan dat, net als in andere delen van Vlaanderen, ook in het Meetjesland deze hagen werden dichtgemaakt met nieuwe doornstruiken en stokken of takken indien er gaten waren ontstaan, is niet duidelijk. Pas in het derde kwart van de 19de eeuw ontstonden weilanden waar permanent beweid werd. Als restanten van het oude boerenlandschap in het Meetjesland vindt men hier en daar nog oude hagen rond de huisweiden van boerderijen. Het zijn meestal oude meidoorn- en hulsthagen. In regel werd historisch vooral ĂŠĂŠnstijlige meidoorn aangeplant. Deze meidoorn vormde een uitstekende veekering en is de prikkeldraad van het verleden. Klimop, haagbeuk, es, vlier, hulst, olm en bramen groeien soms in dezelfde haag, waardoor men het effect krijgt van wat men vandaag een gemengde haag noemt. Deze soorten vestigen zich spontaan in de haag. Voor een gedetailleerd overzicht van geschikte soorten per landschapstype: zie tabel bij de inleiding.

HOOFDSTUK 2 - 86


Houtige kleine landschapselementen

Meidoorn en bacterievuur De naam ‘bacterievuur’ wijst op de karakteristieke kenmerken van deze plantenziekte. De symptomen zijn duidelijk herkenbaar: bruinzwart verkleuren, verdorren en verschrompelen van bloesems, bladeren en twijgen, net alsof ze door vuur werden verschroeid. Ook de aanwezigheid van slijmdruppels is een symptoom van bacterievuur. De ziekte wordt verspreid door insecten, vogels, wind of neerslag, of enten met besmet plantgoed. Ze komt snel tot ontwikkeling bij warm, onweerachtig weer. Volgens het Koninklijk Besluit van 3 mei 1994 is het bestrijden van bacterievuur verplicht, en het bezit van aangetaste planten bijgevolg verboden. Zieke plantendelen moeten ten minste 50cm onder de zichtbare aantasting afgeknipt worden en worden ter plekke verbrand. Zwaar aangetaste planten moet men volledig rooien en verbranden om verdere verspreiding te voorkomen. Meidoorn is vatbaar voor deze bacterie, maar ook andere waardplanten die behoren tot de rozenfamilie kunnen aangetast worden (bijvoorbeeld peer, appel, kweepeer, mispel, krentenboompje, cotoneaster…). Bovendien werd aangetoond dat, niettegenstaande meidoorn gevoelig is voor bacterievuur, de relatie tussen de verspreiding van bacterievuur in fruitkwekerijen en het voorkomen van meidoorn

beperkt is (http://www.inbo.be/docupload/2296. pdf http://edepot.wur.nl/114727). Toch is de wetgeving hieromtrent vrij duidelijk. Vooral fruittelers en boomkwekerijen kunnen grote schade lijden bij aantasting van hun percelen met bacterievuur. De overheid heeft in een Koninklijk Besluit van 11 juli 2008 volgende bepalingen vastgelegd: snoeien is enkel toegelaten tussen 1 november en 1 maart. Wanneer er besmetting is vastgesteld in de aanplant is de verantwoordelijke verplicht de zieke struiken tot minstens 50 cm onder de besmettingshaard te snoeien en bij verspreide en/of terugkerende infectie de struiken tot tegen de grond af te zetten met inbegrip van de aangrenzende struiken. (TIP: vergeet niet het snoeimateriaal te ontsmetten!) Bufferzones (fruitteelt- en boomkwekerijregio’s) waar aanplanting van meidoorn verboden is, kan men online consulteren op de website van het FAVV. Kordaat ingrijpen bij bacterievuur is noodzakelijk. Wat betreft het preventief rooien of niet aanplanten van meidoorn werd echter aangetoond dat dit geen effectieve maatregel is, waardoor deze plant haar plaats blijft verdienen in ons landschap.

Meidoornhaag te Nevele

HOOFDSTUK 2 - 87


Houtige kleine landschapselementen

Inrichting Afhankelijk van de standplaats kiest men soorten die gedijen op droge of natte bodems. Er is in het Meetjesland de keuze tussen meidoorn, hulst, veldolm, hondsroos, sleedoorn en in mindere mate haagbeuk, beuk en sporkehout. PLANTwIjZE Een haag bestaat normaal gezien uit één rij houtgewas. Men rekent, afhankelijk van de soort en grootte van het plantsoen, ongeveer 3 tot 5 planten per lopende meter. gebruik voor de aanleg van een haag bij voorkeur bosplantsoen, deze planten zijn 2 tot 3 jaar oud en slaan gemakkelijker aan dan ouder plantmateriaal. gemengde hagen bestaan uit 1 of meerdere dominante soorten. Wanneer men kiest voor een gemengde haag plaatst men best telkens 3 à 4 planten van dezelfde soort bij elkaar.

1m

Olm

Meidoorn Hulst

Voorbeeld plantschema

Daarnaast kan men ook een aantal nevensoorten voorzien, maar die komen zich vaak spontaan in de haag vestigen. Voor meer informatie over plantwijze, bescherming en beheer: zie 3.3.3.2 en 3.3.3.3.

HOOFDSTUK 2 - 88


Houtige kleine landschapselementen

Beheer In verschillende regio’s werden doornhagen vroeger gevlochten om het vee tegen te houden. In het Meetjesland zijn er geen restanten van vlechthagen. Uit mondelinge getuigenissen uit Sint-janin-Eremo dat er hagen werden dichtgemaakt door ze te vlechten. Om een dichte, strakke haag te bekomen is het belangrijk dat de zijknoppen snel uitgroeien tot zijwaartse takjes. • Kort de zijdelingse uitlopers in na het aanplanten, net boven een knop (1/3 tot de helft) • Scheer de haag één tot twee maal per jaar op gewenste hoogte en breedte • Wees beducht voor (de verspreiding van) bacterievuur: scheer meidoorn enkel ’s winters • Scheer de haag in trapeziumvorm, de smalle kant bovenaan, zodat ook de takken onderaan voldoende licht krijgen Vrij uitgroeiende heggen worden in feite beheerd volgens het hakhoutprincipe. De struiken worden cyclisch, eens in de 5 tot 10 jaar afhankelijk van de soorten, laag bij de grond afgezet. Als er teveel overhangende takken ontstaan kan men de heg tussentijds scheren aan de zijkant. TECHNISCHE HULPMIDDELEN Voor het onderhoud van strak geschoren hagen gebruikt men meestal een haagschaar, hiermee worden de jonge scheuten verwijderd. Er bestaan 3 types: de handheggenschaar, de heggenschaar op elektriciteit en op benzine. Dikkere takken of houtige struiken verwijdert men best met een snoeischaar of takkenschaar. Aangezien het onderhoud van hagen zeer arbeidsintensief is, kan men bij het uitvoeren van grootschalige beheerwerken beter kiezen uit de diverse werktuigen die als aanbouwstukken voor grote tractoren op hydraulische armen worden gemonteerd.

Uitgroeiende haag te Livinushof, Molenkreekstraat, Sint-Margriete

HOOFDSTUK 2 - 89


Houtige kleine landschapselementen

Door het regelmatige beheer blijft de te snoeien takdikte gering (< 2,5cm), waardoor eerder lichte beheermachines kunnen worden ingezet. Hiervoor worden best een slagmaaier, snoeibalk met schijfmaaiers of een heggenschaar voor een beperkte takdiameter ingezet. Snoeibalk met schijfmaaiers Dit toestel bestaat uit 3 tot 5 schijven waaraan (meestal) 2 mobiele messen zijn bevestigd die, door de snelheid van de rotatie, takken kunnen afsnijden tot 2cm diameter. Het wordt ingezet voor een regelmatig beheer van hagen en heggen (om de 2 à 3 jaar, tot jaarlijks beheer). De breedte van het toestel (ongeveer 2 tot 3 m) en dus ook de werkbreedte zorgen ervoor dat hogere hagen gemakkelijker kunnen onderhouden worden. Heggenslagmaaier Voor het snoeien van hagen – jonge twijgen met een maximumdiameter van 2,5 tot 3,5cm – hebben verschillende constructeurs een gelijkaardig werktuig ontwikkeld afgeleid van de snoeibalk met schijfmaaier. Met snel ronddraaiende losse of vaste messen worden de twijgen scherp afgesneden en wordt het gesnoeide materiaal nog extra verkleind (mulchen). Door het hoge toerental wordt het gesnoeide materiaal terug in de haag geblazen. De combinatie snijden, mulchen en in de haag blazen zorgt ervoor dat de werkzaamheden in één beweging kunnen gebeuren en dat er nadien ook geen snoeiresten moeten verwijderd worden. Vanaf de best bereikbare plaats kan de slagmaaier de drie zijden van de haag snoeien. De maaier laat een strakker knipbeeld achter zonder de takken te rafelen, dit in tegenstelling tot een klepelmaaier. Nadelen van dit werktuig zijn de relatief trage werksnelheid en net als bij de klepelmaaier een beperkte werkbreedte. Heggenschaar De heggenschaar is afgeleid van de maaibalk (meer bepaald de messenbalk) die ingezet wordt om grassen en kruidige vegetaties te maaien. Een heggenschaar bestaat uit een bewegend mesblad en een contra-mes. De hydraulische heggenschaar kan ingezet worden voor het snoeien van takken tot ±10cm diameter, maar evenzeer voor het snoeien van eenjarig hout. Men heeft voor de verschillende takdiameters verschillende types. Dit heeft als voordeel dat men zo telkens kan streven naar een ideaal knipbeeld, maar men moet voor het landschapsbeheer beschikken over een range aan heggenscharen om alle takdiameters te kunnen beheren.

HOOFDSTUK 2 - 90


Houtige kleine landschapselementen

HOOFDSTUK 3 - 91


Houtige kleine landschapselementen

Een boomgaard was goud waard Het fruit werd per boom verkocht. Tijdens het groeiseizoen kwamen fruitkopers langs en onderhandelden over de prijs van de opbrengst. In het oogstseizoen kwamen ze zelf het fruit plukken. Het werd verhandeld op lokale markten of tot in het buitenland getransporteerd. Zo streken jaarlijks de bevoorraders van de grote Londense markten neer in het Meetjesland en deden grote bestellingen. Zo werd bijvoorbeeld in 1877 30 000 kg Kriekpeer in het station van Sleidinge op wagons gezet richting Londen. De Kriekpeer haalde er prijzen van 18 tot 25 frank voor 100 kg. In juli 1878 werd de Kriekpeer geëxporteerd naar Hull,

HOOFDSTUK 2 - 92

Cook, Manchester en Bradsforth aan een prijs van 28 tot 40 frank per 100 kg. Die uitzonderlijk hoge prijzen waren een gevolg van schaarsheid en concurrentie tussen de opkopers. De Kriekpeer was een gezochte lekkernij in Engeland. Een streekeigen oude appelsoort, het vermelden waard, is de ‘Marbée de Watervliet’. Naast eigen gebruik of verkoop, werd de opbrengst soms gebruikt om een deel van de pacht te betalen aan de eigenaar. Het hout van fruitbomen is bovendien van grote waarde, en wordt ondermeer gebruikt in de vioolbouw.


Houtige kleine landschapselementen

Hoogstamboomgaard Omschrijving  Een hoogstamboomgaard is een aanplanting van hoogstamfruitbomen, meestal in grasland. De takvrije stamlengte van een hoogstamfruitboom is 1,8 tot 2,3 m. Veelal wordt onder de bomen gegraasd door groot- of kleinvee. In Vlaanderen was het vanaf de 16de eeuw gemeengoed om op en rond de boerderij hoogstammige fruitbomen aan te planten voor eigen gebruik of voor lokale verkoop. Vanaf de 19de eeuw had iedere boerderij een eigen boomgaard. Bij grote boerderijen in de polder was de boomgaard soms enkele hectaren groot, terwijl bij kleine boerderijtjes vaak slechts een tiental fruitbomen groeiden. De traditionele huisweide, waarin het vee kon grazen rond de boerderij, werd dus een fruitweide. Deze fruitcultuur paste immers perfect bij de weidecultuur, enkele meters boven de koeienkoppen. De huisweiden werden meestal omzoomd met meidoorn- of hulsthagen. Globalisering van de fruitmarkt, landbouwkundige verschuivingen in de richting van intensieve veeteelt, het omschakelen naar laagstamfruit (met rooipremies voor hoogstamboomgaarden tot gevolg), zorgden er echter voor dat hoogstamboomgaarden vanaf ca. 1960 aan hoog tempo uit ons landschap zijn verdwenen. Gelukkig is er vandaag terug sprake van een kentering. De vraag naar rassen en smaken van weleer zorgt voor vernieuwde interesse in hoogstamfruit. Gelukkig, want zowel landschappelijk, cultuurhistorisch als ecologisch zijn hoogstamboomgaarden bijzonder waardevolle kleine landschapselementen. Door opnieuw streekeigen fruitbomen aan te planten kan het typische Meetjeslandse karakter van het landschap opnieuw versterkt worden en gaat de jarenoude kennis van de hoogstamfruitteelt niet verloren.

HOOFDSTUK2 - 93


Houtige kleine landschapselementen

Inrichting Welke fruitsoorten men bij de aanleg van een hoogstamboomgaard kiest, hangt af van de bodem en de ruimte die men heeft en uiteraard van de eigen voorkeur. In functie van de bestuiving moet men bij de rassenkeuze rekening houden met de garantie op vruchtzetting, hetzij door zelfbestuiving of door geschikte kruisbestuiving. Bestuivingstabellen voor appel, peer, pruim en kers kan men raadplegen via de website van de Nationale Boomgaardenstichting. Men vindt er ook lijsten met streekeigen rassen (per provincie). Heeft men voldoende plaats, dan kiest men best soorten die gespreid over de plukperiode fruit leveren. Zo kan men langer genieten van vers fruit uit de boomgaard.

Oude appelboom, Nevele

Een klassieke (gemengde) boomgaard wordt bij voorkeur op de noord-zuid as geplant, met appels en kerselaars in het midden en een buitenrand van perelaars. Peren werden traditioneel aan de noord- of noordoostzijde geplant om de koude winterwinden te breken. De zuidrand kan men afboorden met kleinere bomen zoals pruimelaars, mispel, krieken, perziken of kwee. Het assortiment fruitrassen dat in de boomgaard wordt aangeplant is ook sterk afhankelijk van de bodem.

HOOFDSTUK 2 - 94


Houtige kleine landschapselementen

PLANTWIJZE Kwaliteitscontrole • De kroon begint op 1,8 à 2,3 m hoogte bij een hoogstamfruitboom • Hij heeft 3 of 4 goed ontwikkelde takken die gespreid rond de harttak staan • De stam is recht en stevig, de ent is goed ‘vergroeid’ • De knoppen en de stam zijn niet beschadigd • Het wortelgestel is goed vertakt en bevat veel haarwortels. Er zijn geen knobbels op de wortels aanwezig • De kroon en het wortelgestel zijn in evenwicht.

HOOFDSTUK 2 - 95


Houtige kleine landschapselementen

Aanplanten • Zet het plantverband uit op basis van de gekozen soorten en rassen en de eigen wensen • Graaf een plantput die dubbel zo breed en diep is als het wortelgestel. Houd bij voorkeur de bovenste 15-20cm vruchtbare, structuurrijke grond gescheiden van de rest van de grond uit de plantput. Gebruik deze opnieuw als bovenste laag bij het aanvullen van de plantput • Plaats de steunpaal in de plantput (meer info over steunpalen: zie 3.3.1.2.) • Knip het wortelgestel bij en dompel de wortels onder in een modderpap (‘pralineren’) • Plaats de boom in de plantput op 15cm ten oosten van de steunpaal. Let er op dat de entplaats zich ongeveer 10cm boven de grond bevindt. De plantdiepte is van groot belang voor de latere vruchtbaarheid. Wordt een fruitboom te diep geplant, dan maakt hij te veel wortels aan en gaat hij te sterk groeien en minder fruit produceren • Vul de plantput met goed verkruimelde grond, en verrijk eventueel met verteerde compost of mest. Schud de boom bij het opvullen van de plantput licht op en neer zodat de grond zich verspreidt tussen de wortels • Druk de grond van binnen naar buiten aan • Bevestig de boom aan de steunpaal met boomband in een 8-vormige lus. Doe dit zo dicht mogelijk tegen de kop van de steunpaal. Maak de band vast aan de paal • Voer de eerste snoei uit. (Het snoeien van fruitbomen wordt in deze publicatie verder niet besproken. Meer informatie hierover kan u vinden in de referentiewerken). Na het planten kan je een laag verteerde compost of stalmest rond de voet van de boom leggen (deze laag mag de boomstam niet raken!). Zo voorkom je uitdroging van de grond en onkruidgroei. Vermoed je de aanwezigheid van woelmuizen, dan laat je de grond beter onbedekt tijdens de winter. Langzaam verterende compost of houtsnippers vormen een belangrijke voedingsbron. Afhankelijk van de weersomstandigheden, de bodemtextuur en het aanwezige bodemleven zal het vrijkomen van de voedingsstoffen uit de compost of houtsnippers meer of minder tijd in beslag nemen.

HOOFDSTUK 2 - 96


Houtige kleine landschapselementen

BESCHERMING Bij hoogstamfruitbomen in een begraasde weide dienen de wortelvoet, de stam en de laagste takken voldoende beschermd te worden tegen vraat en beschadigingen. De bescherming dient aangepast te zijn aan het soort begrazer of ongewenste gasten. In het verleden werden de stammen algemeen gekalkt. Dit gebeurde telkens in het voorjaar, vóór de ontwikkeling van de bladeren. Het doel was tweeërlei: het weren van insecten en het voorkomen van barsten van de stam. Door de witte kleur warmen de stammen niet op en ontstaan geen grote verschillen tussen de lage temperaturen ’s nachts en de soms hoge temperaturen overdag. Hof Ter Kruisen, Kaprijke. Collectie F. Geyssens

Bescherming tegen hazen, konijnen of ganzen (Wilde) konijnen en hazen kunnen schade veroorzaken aan hoogstamfruitbomen doordat ze aan de schors knagen. Ook ganzen kunnen tijdens de winterperiode aan de boomvoet pikken. Indien er nog geen andere veebescherming is, volstaat het aanbrengen van kippengaas in kokervorm (hoogte min 1 m, diameter 15cm en maaswijdte max 25mm). Om te voorkomen dat konijnen zich een weg graven onder het kippengaas door, kan dit gedeeltelijk (10cm) schuin weg van de boom ingegraven worden. Bescherming tegen schapen en koeien (extensieve begrazing) Een boomkorf (hoogte 1,8 m, diameter 40cm, maaswijdte 5x10cm) in zware gegalvaniseerde ursusdraad wordt met krammen aan de buitenzijde van de boompaal vastgemaakt. Men kan er ook voor kiezen om vier palen op ruime afstand van de boom te plaatsen, diep verankerd in de grond (70cm), en hieromheen hetzelfde materiaal bevestigen als hierboven beschreven.

HOOFDSTUK 2 - 97


Houtige kleine landschapselementen

Bescherming tegen stieren, koeien, pony’s, paarden en ezels (intensieve begrazing) Een boomkorf (hoogte 1,8 m, diameter 40cm, maaswijdte 5x10cm) in zware gegalvaniseerde ursusdraad wordt met krammen aan de buitenzijde van de boompaal vastgemaakt. Vier houten palen (lengte 2,5m, diameter 10cm) worden op een ruime afstand rond de boomkorf geplaatst en onderling verbonden met dwarslatten. Prikkeldraad wordt spiraalvormig rond de 3 palen gewonden.

Beheer In de eerste jaren (10 jaar) na de aanplant moet men de nodige aandacht besteden aan toekomstige vorm van een hoogstamfruitboom. • Controleer regelmatig of de boomband en de veebescherming de boom niet afknellen • Verwijder regelmatig scheutjes die aan de zijkant van de stam ontstaan • Snoei de bomen voor een goede vorm en vruchtzetting De eerste jaren na aanplant is de boom extra gevoelig voor verdroging en schade. Bij extreme droogte kan het nodig zijn om elke boom minstens één keer per week ‘s avonds 50 liter water te geven. Bedek de grond rond de stam met ongeveer 5cm compost of rijpe stalmest (niet tegen de stam leggen om verbranding van de schors te voorkomen). Hierdoor voorkomt men uitdroging en voorziet men geleidelijke bemesting. Let er op bij het maaien van de weide dat men onbeschermde bomen niet raakt. Plaats eventueel drie lage paaltjes in driehoekvorm rondom de boom.

HOOFDSTUK 2 - 98


Houtige kleine landschapselementen

HOOFDSTUK 3 - 99


Houtige kleine landschapselementen

Een ‘boccage Flamand’, bestaande uit hakhout, knot- en hoogstammige bomen op één en dezelfde rij, vinden we nog zelden terug in het Meetjesland.

BOMENPLAN Een bomenplan zet op een planmatige en duurzame wijze de bakens uit voor de toekomst van individueel beheerde bomen. Dit plan focust zowel op het behouden van het huidige bomenbestand als op het uitbreiden ervan. Richtlijnen voor het behouden van het bomenbestand omvatten zowel onderhoudsrichtlijnen als boombeschermingsrichtlijnen. Richtlijnen voor het ontwikkelen van het bomenbestand hebben voornamelijk betrekking op de aanplant van bomen. In elke richtlijn wordt zowel de boom op zich, als de plaats waar hij geplant wordt, behandeld. Het bo-

HOOFDSTUK 2 - 100

menplan besteedt tevens aandacht aan efficiëntie zoals de vereenvoudiging van administratieve procedures. Een bomenplan maakt bomenbeleid en bomenbeheer concreet, transparant, structureel en duurzaam. De basis van het bomenplan zijn de uitgangspunten van het Harmonisch Park- en Groenbeheer. Het bomenplan onderbouwt de budgettering voor bomenbeheer en biedt inzicht in de benodigde werkorganisatie, capaciteit en planning. Het bomenplan zet een stabiele en doelgerichte koers uit voor een lange termijn.


Dreven en bomenrijen

Houtige kleine landschapselementen

Kleine Landschapselementen vandaag

2.2

Kleine landschapselementen worden tegenwoordig herontdekt en opnieuw gewaardeerd. Vele hebben dan wel hun oorspronkelijke gebruiksfunctie verloren, in het hedendaagse landschap krijgen ze nieuwe functies toegewezen: hun natuurwaarde en cultuurhistorische waarde staan vaak centraal. Ze zijn ook belangrijk voor de belevingswaarde van het landschap en voor recreatie. Ze bepalen namelijk in grote mate de identiteit van een streek en de mate van biodiversiteit. Voor de fauna en flora hebben kleine landschapselementen in ons versnipperd landschap tal van functies. Verschillende diersoorten gebruiken kleine landschapselementen als permanente verblijfplaats, foerageerplek of verplaatsingsroute. Naast een thuishaven voor deze soorten vormen kleine landschapselementen ook een netwerk van stapstenen en ‘corridors’ waarlangs vele soorten zich veilig kunnen verplaatsen op zoek naar nieuwe leefgebieden. Op die manier kunnen populaties ook onderling genen uitwisselen. Ook voor onze flora is het belang van de kleine landschapselementen niet te onderschatten. Op akkers en weilanden en in onze aangelegde tuinen is er weinig of geen plaats meer voor de natuurlijke plantengroei. Kleine landschapselementen komen ook meer in de belangstelling omwille van hun economisch nut. Ze leveren niet alleen brandhout, maar zorgen eveneens voor schaduw in de weide en breken de wind langs de akkers. Bovendien zijn veel nuttige insecten afhankelijk van de kleine landschapselementen als voedselbron en overwinteringsplaats. Vanuit hun schuilplaats verspreiden deze insecten zich over de akkers om schadelijke organismen te bestrijden. Dit kan de landbouwer enkele werkgangen en de kostprijs van pesticiden besparen. Goed voor het milieu en de portemonnee! Daarnaast zijn er tal van andere functies die bomen en struiken kunnen vervullen, in het kader van bijvoorbeeld erosiebestrijding, windbreking,… Bovendien nemen bomen en struiken ook heel wat nitraten en fijn stof op. Kleine landschapselementen dragen zeker bij tot de goede werking van onze agro-ecosystemen. De landbouwers die reeds eeuwenlang instonden voor het beheer van deze landschapselementen kunnen sinds enkele jaren rekenen op de (financiële) steun van diverse overheden bij de aanleg, het beheer en herstel van kleine landschapselementen. Ook particulieren kunnen in sommige gemeenten een toelage bekomen voor het aanplanten en onderhouden van knotbomen en houtkanten.

HOOFDSTUK 2 - 101


De wagenmaker, die ook houten eggen maakte, gebruikte beuk en olm voor de wielen. De velgen waren uit olm. De smid stookte zijn vuur met onbruikbare stukken hard hout en legde de ijzeren banden gloeiend op de houten velgen. De wagenmaker zei steeds: “Ge hebt tijd van Klaas tot Lichtmesse om ’n boom uit te doen. DE BOCK – polder ASSENEDE Hij bedoelde dat je zo kon vermijden dat er kevers (en ‘memel’) in het hout kwamen.


Houtige kleine landschapselementen

Kleine Landschapselementen in het verleden

2.3

Wat vandaag overblijft aan houtige kleine landschapselementen in de verschillende Meetjeslandse landschappen, gaat in hoofdzaak terug tot de 19de en 20ste eeuw. Uit vroegere periodes bleef weinig bewaard. Voor informatie over het landschap en de begroeiing tijdens vroegere periodes moeten we ons baseren op beschrijvingen in archieven en iconografische bronnen. Hieronder geven we enkele interessante gegevens weer die we terug vonden in gepubliceerde teksten, in archieven en op oude foto’s. In ‘Ons Meetjesland’ verwijst de auteur naar een interessante bijdrage in Biekorf waarin L. Stockman een omschrijving maakt van alle opgaande bomen en tronken (knotbomen) op het Rijselhof in Kaprijke omstreeks 1461.(De Vos, A. 1978). Hierin worden op het hof 769 eiken genoemd naast 184 olmen, 263 essen, 23 populieren en 6 abelen. Er stonden 2458 ‘troncwulgen’ naast 142 ‘tronceiken’, 44 ‘troncolmen’ en 11 ‘troncessen’. In een pachtcontract van een pachtgoed in Kaprijke van de abdij van Zoetendale (Maldegem) uit 1568 staat vermeld dat rond de landerijen 62 tronken groeien: eiken, populieren en wilgen (L. Stockman, 1971).

In de kerkarchieven vinden we enkele 18de en 19de-eeuwse gegevens over St.-Jan-in-Eremo en Sint-Margriete. Omstreeks 1725 werd plantsoen van es geleverd aan de kerk van Sint-Jan en elzenplanten werden naar de bossen werden gevoerd. Rond 1819 werden tronken geleverd om de Kerkstraat (toegang tot de kerk?) en het Kerkhof te beplanten. Ook in Sint-Margriete werden de Kerkstraat en het Kerkhof beplant. Onder 3.1.1.3 werd reeds gewezen op het verdoornen van de bomen dat in deze periode blijkbaar gebruikelijk was.

HOOFDSTUK 2 - 103


Houtige kleine landschapselementen

Een bron uit 1853 geeft een mooie beschrijving van de kleine landschapselementen en het uitzicht van het landschap in de buurt van Eeklo, Kaprijke en Assenede (De Hoon, 1853). In deze publicatie beschrijft de auteur hoe de wegen geflankeerd werden door hoge bomen en van de percelen gescheiden werden door een brede gracht. Hij vernoemt de boomgaarden voor de huizen en stallen en de lange percelen die loodrecht op de wegen lagen en onderling gescheiden werden door een gracht. Langs weerszijden waren de percelen afgeboord met slaghout. Dit kaphout had een breedte van 1 à 4 meter en bestond meestal uit els of eik, afhankelijk van de bodem. Het werd om de tien jaar gekapt en zag er uit als hoge, dikke hagen. De kaphagen hingen enkele meters over het weiland en beschermden tegelijk de grond tegen koude, schadelijke wind of grote hitte. In de tekst wordt ook gewezen op de nadelen van de kaphagen die schade berokkenen aan de oogst door de wortels en de schaduw over het land. Verder in de tekst vermeldt de auteur een opmerkelijk gegeven. Hij wijst er op dat omwille van de goedkope brandstof reeds omstreeks het midden van de 19de eeuw de helft van het hout werd gerooid. Een groot deel van de rijen werd vervangen door een enkele rij, voldoende om de taluds van de grachten vast te houden.

In de oorlog werd in de houtmijt een groot gat gemaakt. We verstopten er materialen en fietsen in zodat de Duitsers die niet konden meepakken. Onder de houtmijt was een onderstand gemaakt om in te schuilen. PAUL DE DEYNE, °1923 – DONK

HOOFDSTUK 2 - 104


Houtige kleine landschapselementen

Het hout kende verschillende toepassingen. Het werd thuis gebruikt voor het vuur van het ‘fourneijs’ waarop voedsel voor de varkens werd gekookt. Het fijne hout werd als aanmaakhout gebruikt; de dikkere stukken als brandhout. Dat fijne hout werd gebundeld. Hiervoor werd een ‘buspeerd’ of ‘peerd’ gebruikt waarop door middel van een ketting, de takken samen werden getrokken en vervolgens werden gebonden. Die bussels of ‘mutsaarden’ werden dicht opeen gestapeld tot een houtmijt.

We pachtten land van ‘den here’ en kapten singels in ’t bos. Kleinere bomen en struiken werden met een halmes zo’n 10cm boven de grond gekapt. Afzagen mocht niet want dan zou ’t struikgewas niet meer opschieten. MARIA BORLÉ, °1922 – Maldegem, KLEIT

Sommige beroepen hadden een grote hoeveelheid hout nodig: bakkers, steenbakkers,… Bepaalde ambachtslieden gebruikten specifieke soorten. Voorbeelden hiervan zijn mandenvlechters (wilgenhout) of bezembinders (struikhei, berk of brem). In onze streken gebruikten klompenmakers of kloefkappers wilgen- en populierenhout. Klompen of ‘kloppers’ waren lange tijd het meest gedragen schoeisel. Wilgenhout is licht en sterk (vezel) en werd daarom ook voor stelen in rieken en andere gereedschappen gebruikt. Sommige boomsoorten werden ook voor specifieke doeleinden gebruikt. Zo werd in bepaalde streken in Vlaanderen zwarte els verwerkt tot verfstof en won men uit eikenhout stoffen die noodzakelijk waren in leerlooierijen (Van den Bremt, P., 2011). Constructie- en timmerhout voor daken, deuren, ramen, plankenvloeren en meubelen of kuipen, … werd uit stammen gezaagd. Ambachtslieden kochten bomen en lieten die vellen, transporteren en verzagen. Voor deze toepassingen werden uitsluitend bomen gekocht en verwerkt. Het verzagen gebeurde aanvankelijk manueel, later met een lintzaag, aangedreven door stoom of met een benzinezaag. Het gebruik van hout was uitgebreid. Er werd ook aangeplant in functie van het gebruik. Veel boeren kweekten wat bomen die gebruikt werden om kanten aan te vullen of nieuwe aan te planten. Op die manier was opbrengst ook later gegarandeerd. De meeste boeren hadden zelf kanthagen of knotbomenrijen waar ze ’s winters hout kapten of sprokkelden. Toch werden ook grote hoeveelheden taliehout of slaghout aangekocht of verkocht. Door de grote afhankelijkheid van de bevolking van hout beschouwde men het als zeer kostbaar en ging men zeer zorgzaam tewerk bij het kappen.

De kinderen moesten de spaanders rapen tijdens het kappen. Ze dienden om het vuur aan te maken. Nadat alles gekapt was, werden er oliebollen of reuzelkoeken gebakken! GODELIEVE HAVERBEKE, °1933 - SINT-LAUREINS

Een “buspeerd’

HOOFDSTUK 2 - 105


Houtige kleine landschapselementen

We kochten een geschikte boom die langs ’t land van een boer groeide. Die werd met wortel en al uitgegraven. Het ‘eisgat’ kon dienen als kapblok voor het kappen van de klompen, maar ook als er geslacht werd. Niets ging verloren. Zelfs de snijlingen (houtspaanders) werden opgeraapt en verkocht. Wilg was beter dan populier voor ’t maken van klompen want populier zuigt water op. HENRI VAN DE VOORDE °1930 – Landsdijk BASSEVELDE

HOOFDSTUK 3 - 106


Houtige kleine landschapselementen

Voor de eerste helft van de 19de eeuw beschikken we over gegevens uit de archieven van verschillende notariaten uit het Meetjesland (Zomergem, Watervliet, Assenede, Kaprijke, Nevele en Waarschoot), en over informatie uit lokale kranten en publicaties. De notariaatgegevens stellen ons in staat om per gemeente enkele conclusies te trekken: welke soorten bomen groeiden er en werden er verkocht en welke andere houtproducten werden er verhandeld? Boekhoute â&#x20AC;&#x201C; Assenede Er is duidelijk een variatie aan boomsoorten. Die verdwijnt stilaan door het algemeen aanplanten van canadapopulieren. Dit gebeurt vermoedelijk hoofdzakelijk in de polders. Het aandeel Zwarte populier (= populier tot het begin van de 19de eeuw volgens g. Tak) is al sterk verminderd. Op basis van het onderzoek van g. Tack stellen we dat eik, beuk en abeel voornamelijk voorkomen in de bossen met middelhoutbeheer. Weliswaar kan abeel buiten de bossen ook voorkomen. Een groot aantal knotbomen wordt verkocht. Van een deel ervan weten we over welke soort het gaat : eik, wilg (wulg) en olm.

Kaprijke - watervliet Canada is in de polders de meest voorkomende boomsoort. In mindere mate treffen we olm, es, abeel, wilg, populier (= Zwarte populier cfr supra) en eik aan. Ratelpopulier en Linde worden in beperkte mate aangetroffen.

notarissen Barthel te Kaprijke - Watervliet

Op het grondgebied van groot-Nevele treffen we eik als voornaamste soort aan. In tweede instantie abeel en populier (= zwarte populier), gevolgd door wilg. Beuk is nog aanwezig maar dan enkel een hoog aantal in Hansbeke. Vermoedelijk aansluitend op Aalter waar eveneens heel veel beuken voorkwamen in deze periode. Olm, es en Canada komen beperkt voor.

notaris Van Peene te Assenede

notarissen Van Hulle en Serjacobs te Nevele

HOOFDSTUK 2 - 107


Houtige kleine landschapselementen

Voor Ursel en Knesselare worden in de archieven geen aantallen vermeld. Op basis van het voorkomen in de minuten vermoeden we dat het een door beuk gedomineerd landschap is. Eik komt in mindere mate voor. Es, abeel, populier en wilg komen zeer beperkt voor. Ook Waarschoot werd onderzocht. Ook hier treffen we eveneens een variabele aanplanting aan. Eik neemt hier ook het voortouw met 30 procent. Canadapopulier, abeel en wilg volgen. Zwarte populier is nog duidelijk aanwezig terwijl ratelpopulier en beuk beiden slechts in kleine aantallen nog wel voorkomen.

Algemene conclusie In het begin van de 19de eeuw is er nog een grote diversificatie in aangeplante boomsoorten in het Meetjesland. Op basis van het onderzoek van g. Tack in Bossen van Vlaanderen gaat deze verscheidenheid geleidelijk aan verloren ten voordele van Canadapopulier. Naast opgaande bomen worden taillie of talie (hakhout) en tronken (knotbomen) verkocht. Het gebruik om knotbomen te verkopen kennen we vandaag niet meer. Tijdens de 19de eeuw, toen hout een hogere waarde had, leverden de knotbomen tijdens de groei periodiek brand- en geriefhout en eens de stammen een bepaalde dikte hadden bereikt, konden ook die verkocht en verwerkt worden. Vermeldenswaardig is de verkoop van â&#x20AC;&#x2DC;slaghout en loof op stamâ&#x20AC;&#x2122; omstreeks 1831. Blijkbaar kende het loof ook bepaalde toepassingen. (DE MEERSMAN, R., 2011)

notarissen Dussong en Stockman te Waarschoot

HOOFDSTUK 2 - 108


Houtige kleine landschapselementen

De boswachters vertelden het aan de timmermans als er schone pompen groeiden in ’t bos. Eken waren dat, met een rechte stam van 4,5 meter en een dikte van 30 centimeter op zijn minst, zonder zijtakken. De beste ‘ekelaars’ groeien op arme grond, in Aalter en Maria-Aalter bijvoorbeeld. Op vette grond hangt er te veel ‘spek’ aan (spint), en de memel zit er direct in. Als we de bomen gingen uitdoen werd er een groot gat gegraven rond de wortels. ’t Gat was zeker zo breed als mijn zetel lang is. En diep! We vervoerden de bomen met ’t eisgat (de wortels) eraan, zodat het hout van de stam niet spleet. Daarna moesten de stammen voor pompen 2 à 3 jaar in een put met water liggen om de looistoffen en de voedingsstoffen voor de wormen eruit te krijgen, en om taai te worden. OSCAR DE WAGTER, °1920 – HANSBEKE

HOOFDSTUK 3 - 109


Houtige kleine landschapselementen

Door de grote vraag naar hout kon men niet steeds in eigen behoefte voldoen. Heel wat hout werd openbaar verkocht. Ook de boomvendities, zoals aangekondigd in het weekblad ’t Getrouwe Maldegem (1888-1940), geven voor de tweede helft van de 19de en eerste helft 20ste eeuw heel exacte informatie. Het gaat om verkopen van bomen, van taliehout, ook wel slaghout genoemd en verschillende soorten ‘persen’ (staken) en ‘busschen’ en ‘mutsaards’. In de aangekondigde vendities wordt dikwijls specifiek vermeld waar de bomen stonden (gehucht of straat) en waarvoor de bomen gebruikt konden worden.

Vanuit twee richtingen werd de pomp uitgeboord in een geweterde, eiken stam. OSCAR DE WAGTER, °1920, Hansbeke

HOOFDSTUK 2 - 110

Het taliehout of slaghout was afkomstig van kanten en rabatten uit bossen. Daarnaast werd veel stamhout van opgaande bomen verkocht. Opvallend is dat ook veel ‘tronken’ of ‘tronkbomen’ (nu beter bekend als knotbomen) openbaar werden verkocht. Wilg is de meest voorkomende soort knotboom, maar ook eik en olm worden als knotboom vermeld. Uit de gegevens blijkt dat het aandeel Canadapopulieren, naast abeel, wilg, es en eik, al in de eerste helft van de 19de eeuw groot was. Vóór de introductie van Canada’s (zie 4.2.15) groeiden vooral zwarte populier en abeel. De benaming ‘Canada’ of ‘Kanada’ wordt algemeen gebruikt in het Meetjesland. In de verkopen in de aangrenzende gemeenten Oedelem en Beernem wordt eerder de benaming ‘Achtkanter’ gebruikt. Beide benamingen staan voor de Canadapopulier, die algemeen was in het Meetjesland. Zowel in de polders van Sint-Margriete en Watervliet als in de gemeenten in de Zandstreek (Maldegem, Adegem, Eeklo, Zomergem, Lovendegem, Hansbeke,…) werden in de periode rond 1900 aanzienlijke hoeveelheden Canada’s verkocht. Meestal werden de bomen op stam verkocht; in een aantal gevallen waren de bomen vóór verkoop reeds gekapt. Eik, die voornamelijk voorkomt in de gemeenten in de zandstreek en de veldgebieden, werd aangeboden aan wagenmakers, kuipers en timmerlieden. Af en toe wordt vermeld dat er pompen uit vervaardigd kunnen worden (pomphouten) of dat het geschikt is voor ‘bilkstaken’ (weidepalen). In verschillende vendities is sprake van tienof negenjarig taliehout van eik. Dit werd vooral gekapt in de bossen (Eeklo, St.-Jansgoed en in Maldegem, Paddepoele). In vergelijking met de aantallen abelen in de archieven van de eerste helft van de 19de eeuw, is deze boomsoort minder terug te vinden in de vendities tijdens de tweede helft van de 19de eeuw. Wilg, die rond de eeuwwisseling een veel voorkomende opgaande boom was, was geschikt voor klompenmakers en scheepsbouwers. Sommige bomen waren door hun specifieke vorm geschikt voor het vervaardigen van ‘tremies’ (‘kortewagentremiën’ zijn de draagarmen van de kruiwagen). Dit gegeven werd bevestigd in het gesprek met de heer Vandevoorde, oud klompenmaker uit Bassevelde.


Houtige kleine landschapselementen

In 1894 werd een grote hoeveelheid ‘vette olmen’ verkocht, die langs het Leopoldkanaal groeiden. Deze iepen of olmen kunnen ten vroegste omstreeks het midden van de 19de eeuw aangeplant zijn aangezien het kanaal pas dan was voltooid. De bomen werden dus na 50 jaar reeds gerooid. In de literatuur (Goudzwaard, L.) wordt de variëteit Vette olm geïdentificeerd als de Ulmus x hollandica ‘Belgica’, een snelgroeiende, wijdverspreide kloon. Vet dhr en mevr Van Voorde betekentFOTO dus snelgroeiend. Hetde ging om ‘uitliggende bomen’ afkomstig van de dijken van het Leopoldkanaal. Deze boomsoort (of verwante soorten als Hollandse olm) is regelmatig terug te vinden in de aankondigingen. Vaak gaat het om vrij grote hoeveelheden bomen. Opvallend is dat de olm vooral aangeboden werd in de omgeving van het Leopoldkanaal (Moershoofde, Strobrugge) en in de polderstreek, in de gemeenten Middelburg, Sint-Laureins, St.Margriete, St.-Jan-in-Eremo en ook in Sluis (onder andere op de vestingen van de stad), Aardenburg en IJzendijke. In de zandstreek is herhaaldelijk sprake van kleine aantallen ‘steenolm’ (Maldegem, Adegem, Eeklo, Oostwinkel). Deze worden in Broekhuize in Maldegem ‘Broekhuisschen Olm’ genoemd. Olmen rondom het erf van een boerderij werden mogelijks gerooid op het moment dat het strodak vernieuwd moest worden, eens in de 50 jaar, waarbij men eerst de kas moest spijzen (Slabbaert, W., 2011). Es komt als boomsoort minder frequent, en ook in kleinere aantallen voor in de vendities. Soms gaat het over enkele bomen die op het erf van een boerderij groeiden of over een tiental bomen langs een weg. In St.-Margriete groeiden omstreeks 1891 essen aan de weg naar Eeklo. Opnieuw blijkt dat linde als boomsoort nauwelijks voorkomt in de vendities. Op oude foto’s is te zien dat de soort voorkwam op pleinen en bij toegangen van boerderijen en kastelen. De soort kwam als rij nauwelijks of niet voor. De geringe toepassingen van het hout en de bodemsoort hebben hier wellicht mee te maken. De bekende ‘Bevende Hazelaar’ in de buurt van de Lembeekse bossen was een linde. Een enkele keer vinden we een okkernootboom of een ‘heirlaar’ (haagbeuk) in de aankondigingen. In 1891 worden in Sint-Laureins ook enkele ‘Pijlabelen’ verkocht. Boom-, haag-, en vermaakpersen (boom-, haag-, en weidepalen), uit verschillende soorten hout vervaardigd, worden verschillende keren vermeld, evenals ‘hoppepersen’ uit sperren. Opvallend is dat ze ook vernoemd worden in het aanbod van boom- en plantenkwekers omstreeks 1911.

De grote behoefte aan hout deed zich voornamelijk voor tijdens de 18de en 19de eeuw. Tijdens de eerste helft van de 20ste eeuw nam de vraag langzaam af. Na de Tweede Wereldoorlog en vooral tijdens de jaren 1960 traden in de landbouw grote veranderingen op. Deze hadden ook voor de verspreiding van de kleine landschapselementen grote gevolgen. Door het veranderde materiaal- en grondgebruik en de intensivering van de landbouw raakten kleine landschapselementen hun nutsfuncties kwijt en viel ook de noodzaak tot beheer weg. Veel elementen werden verwijderd waardoor er nu enkel nog resten aanwezig zijn van wat in sommige streken ooit een dicht netwerk was.

HOOFDSTUK 2 - 111


Soorten

HOOFDSTUK 3 - 112


Soorten

Soorten 

3

Dit hoofdstuk bevat een lijst van plantensoorten die ‘thuis’ zijn in ons landschap. Het gaat om bomen en struiken die streekeigen zijn en bijgevolg aanbevolen worden voor aanplantingen, wanneer men een mooie integratie in het Meetjeslandse landschap beoogt. Maar wat is er precies streekeigen?

Streekeigen soorten

3.1

De streekeigen soorten omvatten in eerste instantie die boom- en struiksoorten die ‘van nature’ in het Meetjesland thuishoren. Dit is de groep van inheemse soorten waarvan oude, autochtone populaties terug te vinden zijn in het Meetjesland. Daarnaast beschouwen we ook een aantal oude cultuursoorten als ‘streekeigen’. Dit zijn soorten die uitheems zijn in het Meetjesland maar al eeuwenlang aangeplant worden en cultuurhistorisch en ecologisch belangrijk worden geacht. Onderstaande figuur geeft de verhouding weer tussen streekeigenheid, inheems/uitheems karakter en oude cultuursoorten. Deze elementen worden uitgebreid besproken in de volgende paragrafen.

STREEKEIGEN IN HET MEETJESLAND INHEEMS IN HET MEETJESLAND

UITHEEMS Oude cultuursoorten

Uitheems niet-streekeigen

Inheemse soorten De soorten die in het Meetjesland ‘van nature’ voorkomen worden inheems genoemd. Een plant is oorspronkelijk inheems als deze een nakomeling is van planten die zich sinds hun spontane vestiging na de laatste ijstijd (ongeveer 10 000 v. Chr.) altijd natuurlijk hebben verjongd, of kunstmatig vermeerderd werden met strikt lokaal materiaal (Hermy et al., 2004; Maes et al., 2006; Denorme & Vanlerberghe, 2011). Dit worden ook wel autochtone populaties genoemd*. Naarmate de mens meer mobiel werd geraakten talloze nieuwe soorten geïntroduceerd. Dit kwam in een stroomversnelling met de eerste ontdekkingsreizen en bleef toenemen als gevolg van de globalisering, tot op vandaag.

* Garanties met betrekking tot de genetische afkomst van plantgoed van deze autochtone populaties krijgt men bij privékwekers die onder contractteelt werken met zaad uit officiële zaadbronnen, of voor plantgoed met het label ‘Plant van Hier’

HOOFDSTUK 3 - 113


Soorten

Bepaalde soorten kwamen per toeval naar onze streken (klaproos, korenbloem) terwijl andere geïntroduceerd werden als teelt (bijvoorbeeld populier en vele van de courante landbouwgewassen) of omwille van hun sierwaarde (pontische rodondendron, plataan). Dit heeft geleid tot een sterke terugdringing van autochtone plantensoorten en een verscherpte aandacht hiervoor. Zo blijkt de ongebreidelde introductie van exoten volgende problemen met zich mee te brengen: • De inheemse fauna en flora is vaak niet gediend met veel van deze soorten. Verschillende insectensoorten zoeken bijvoorbeeld specifieke plantensoorten op als voedselbron of schuilplek. De verspreiding van exoten komt de biodiversiteit niet ten goede. • Autochtone en inheemse soorten zijn vaak beter aangepast aan de plaatselijke groeiomstandigheden waardoor ze minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen. • De identiteit van het landschap brokkelt af. Door overal dezelfde soorten te introduceren, krijgt het landschap een uniform uitzicht en verdwijnen de regionale verschillen. • In onze contreien blijken sommige planten- en diersoorten niet over natuurlijke vijanden te beschikken waardoor ze na introductie echte plaagsoorten worden. Denken we maar aan Japanse duizendknoop, grote Waternavel of Amerikaanse Vogelkers. Dit zijn invasieve exoten waarvan de bestrijding handenvol geld kost. Daarnaast komen niet alle soorten die inheems zijn in Vlaanderen ook in het Meetjesland voor. Binnen Vlaanderen bestaat er immers een variatie van landschappen en dit hangt samen met de soorten die er voor komen. Soorten als beuk, kornoelje en Spaanse aak zijn inheems in Vlaanderen maar niet streekeigen in het Meetjesland. In deze publicatie verwijst ‘inheems’ naar de soorten die inheems zijn in het Meetjesland.

Oude cultuursoorten Hoewel uitheemse planten het risico inhouden invasief te worden, bevindt zich tussen inheems en uitheems een schemerzone: de oude cultuursoorten (Zwaenepoel et al., 2005). Iedereen zal het er over eens zijn dat Amerikaanse vogelkers best bestreden wordt en dat de knotwilg een bouwsteen is van ons landschap. Maar wie wil de klaproos weg? En hoe valt de populier weg te denken langs onze kanalen en op de dijken?

HOOFDSTUK 3 - 114


Soorten

Naast de inheemse en de invasieve soorten en ongewenste exoten zijn er ook talloze soorten die een meerwaarde betekenen voor ons ecosysteem en die doorheen de geschiedenis eveneens een bouwsteen geworden zijn van ons landschap. De populier is hiervan één voorbeeld, maar daarnaast zijn er oude haagbeuk- of ligusterhagen, of een ingeburgerde steenvrucht als de okkernoot of de mispel. In dat verband maakt men ook wel het onderscheid tussen archeofyten, die zich voor 1500 vestigden, en neofyten nadien (Hermy, M. et al., 2004). Deze situeren zich in de grenszone tussen inheems en uitheems. Het gaat om soorten die niet van nature in het Meetjesland thuis horen, maar die doorheen de geschiedens tot de ruggegraat van ons landschap zijn gaan behoren. De soorten die in deze publicatie als oude cultuursoorten weerhouden worden voldoen aan drie criteria: • Groot cultuurhistorisch en landschappelijk belang • Ecologische meerwaarde • Niet-invasief karakter

Niet-weerhouden soorten De soortenlijst in deze publicatie geeft een selectie weer van bomen en struiken die vanuit landschappelijk en ecologisch standpunt aanbevolen worden bij landschappelijke inrichting in het buitengebied. Dit impliceert evenwel dat enkele soorten niet weerhouden werden: • Inheems streekeigen soorten die niet of nauwelijks terug te vinden zijn in kleine landschapselementen. Typische bossoorten als boskers en grove den werden om deze reden niet besproken in deze publicatie • Soorten als kardinaalsmuts, wegedoorn en Europese vogelkers waarvan het voorkomen gebonden is aan een zeer zeldzame en specifieke ondergrond die moeraskalk bevat (komt enkel voor in zogenaamde ‘gavers’) • Inheemse soorten die inheems zijn in Vlaanderen, maar die pas heel recent werden geïntroduceerd in het Meetjesland, zoals de Spaanse aak, taxus en esdoorn • Uitheemse soorten die pas recent werden geïntroduceerd in het Meetjesland, maar wel courant voorkomen in het landschap, zoals paardekastanje, plataan of Amerikaanse eik • Soorten die kenmerkend zijn voor een historische parkomgeving (waar vanouds geëxperimenteerd werd met exotische struiken en nieuwe cultivars) of die kenmerkend zijn voor de dorpskernen valse acacia, valse christusdoorn, esdoorn-cultivars, tulpenboom, amberboom, krentenboompje,…

HOOFDSTUK 3 - 115


Soorten

AMERIKAANSE VOGELKERS Anno 2011 behoort het bestrijden van Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) tot een van de belangrijkste beheerstaken van vele boseigenaars. Op de zandige bodems van het Meetjesland gedijt deze boomsoort erg goed. Het is een loofboomsoort die van nature voorkomt in Noord- en midden Amerika. Reeds in de 17de eeuw werd de soort voor het eerst geïmporteerd als tuin- en parkboom in Europa. Later probeerde men de soort ook als bosboom aan de planten. Ondanks de slechte kwaliteit van de stammen, werd de soort tot het midden van de vorige eeuw verder aangeplant, vooral als begeleidende soort. Amerikaanse vogelkers is niet kieskeurig voor wat betreft de standplaats. Op erg natte standplaatsen komt ze nauwelijks voor. Wel op droge en armere zandgronden. De soort is goed te herkennen aan de toegespitste, blinkende bladeren, de talrijke horizontale lenticellen op de twijgen, de vele donkere bessen en vooral door de indringende (amandel)geur van de bladeren en twijgen (serotina). Toch wordt ze soms verward met de Europese vogelkers (Prunus padus) en met Sporkehout (Rhamnus frangula).

HOOFDSTUK 3 - 116

Op standplaatsen met voldoende licht komt de soort in bloei en gaat ze massaal zaad dragen. Deze zaden zijn erg gegeerd bij houtduiven en lijsterachtigen. Hierdoor wordt het zaad ver verspreid. De zaden kiemen binnen de eerste 3 tot 5 jaar, maar kunnen uitzonderlijk tot 20 à 30 jaar bewaren. Hierdoor ontstaan massale zaadvoorraden. De soort kan uiteindelijk gaan domineren waarbij andere soorten worden verdrongen of niet de kans krijgen zich te vestigen, vandaar dat deze soort ‘bospest’ genoemd wordt. Sedert enkele decennia probeert men de soort actief te gaan bestrijden. Men verwijdert jonge zaailingen en kapt of ringt zwaardere stammen. Die stammen, maar ook jonge planten behandelt men met producten die de bomen uiteindelijk doen afsterven. Toch blijft dit een moeilijke strijd.


Soorten

Plant van hier  Planten van Hier zijn bomen en struiken die afstammen van planten die zich na de laatste ijstijd spontaan in onze contreien hebben gevestigd. Nog slechts 5% van alle bomen en struiken in Vlaanderen kunnen we Plant van Hier noemen. De oorzaak van de verdwijning van Planten van Hier is de goedkope import. De zomereik groeit hier bijvoorbeeld al sinds mensenheugenis. Maar de zomereik die je bij een kweker of een tuincentrum koopt is zo goed als zeker ingevoerd. Op zich is dat niet zo erg, zou je denken. Meer variatie is meer plezier. Maar de nieuwkomers hebben een ander bioritme waaraan onze fauna en flora niet is aangepast. De ingevoerde sleedoorn uit ItaliĂŤ bloeit bijvoorbeeld te vroeg voor de sleedoornpage. De levenscyclus van deze vlinder is daarentegen wel aangepast aan de bloeiperiode van de sleedoorn van Belgische komaf. Onze planten- en dierenwereld heeft dus nood aan Planten van Hier. Met de aanplant van Planten van Hier help je niet alleen de biodiversiteit een handje. Ze zijn ook beter aangepast aan onze milieuomstandigheden, hebben bijgevolg grotere overlevingskansen en bevorderen de streekidentiteit. Niets dan voordelen dus!

Voor de aanplantingen van de regionale landschappen worden er zoveel mogelijk Planten van Hier gebruikt. Deze worden opgekweekt uit zaden en bessen die te velde worden geoogst van moederplanten. De opkweek gebeurt in een erkende boomkwekerij. Maar iedereen moet Planten van Hier kunnen kopen en aanplanten. Daarom proberen de regionale landschappen dit kostbare plantgoed te vermarkten. Bovendien proberen we de waardevolle moederplanten te beschermen en te onderhouden.

HOOFDSTUK 3 - 117


Soorten

Bespreking Soorten

3.2

Alnus glutinosa - zwarte els  Uiterlijk: een opgaande, kegelvormige boom met donkere twijgen en zwarte propjes, wat hem een donker silhouet geeft in de winter. Wordt tot 20m hoog. Hoewel het hout niet zo sterk is en vrij licht, wordt het voornamelijk als brandhout gebruikt. Pas gekapt kleurt het fel oranje. Blad: 4-11cm lang, vrij rond met ingedeukte bladtop. De brede nerven lopen onverdeeld door tot aan de dubbel gezaagde bladrand. Het jonge blad is kleverig, vandaar de naam glutinosa. Bloei: februari-maart, voor de bladontwikkeling. De mannelijke bloemen staan per 3-5 bijeen, zijn 5cm lang, in trossen en zijn donkergeel tot roodachtig. De vrouwelijke staan rechtop in kleine, korte, donkerrode trossen. Vrucht: houtachtig katje van 1-2cm, donkerbruin, met binnenin kleine gevleugelde nootjes. De zaadproppen blijven lang aan de boom zitten en overwinteren. Resistentie: elzen worden regelmatig kaalgevreten door het elzenhaantje, maar komen dit altijd te boven.

HOOFDSTUK 3 - 118


Soorten

Het beste brood wordt gebakken met elzenhout. In de polder hadden we dat niet. Hier gebruikten we het hout van de tronken. Dat waren, met uitzondering van enkele bomen, allemaal canada’s. Kregen we brood uit ‘t Meetjesland, dan waren we content! DE BOCK – polder ASSENEDE

Verspreiding: is inheems en komt overal in het Meetjesland spontaan voor op drassige ondergrond, in broekbossen en langs waterlopen. Standplaats: de zwarte els is een pionier die goed gedijt op extreem vochtige gronden. Hij houdt van licht. Als klein landschapselement wordt hij van oudsher ook op drogere gronden aangeplant langs akkers en weiden. Beheer: ideale soort om als oeverversteviging aan te planten. De zwarte els is ook zeer geschikt om te gebruiken als hakhout of als knotboom, aangezien hij zeer snel regenereert. Bij de aanplant stelt hij weinig eisen, zolang er genoeg vocht en een minimum aan voedsel voorhanden is. Waarde: de vruchtjes van de els, de ‘elzenproppen’, zijn erg geliefd door onder andere sijsjes en mezen. Vroeger zou de bast van elzenhout gebruikt zijn als verfstof, en als wondreinigend middel. Schors en bladeren zouden bovendien koortswerend werken. Zwarte els kan permanent in het water groeien en aanleiding geven tot de ontwikkeling van ecologisch waardevolle elzenbroekbossen. Wanneer de soort in permanent natte omstandigheden groeit, wordt het hout zwart en bijna onverwoestbaar. Het hout werd vroeger verduurzaamd door het langdurig in water onder te dompelen, en zolang het onder water blijft wordt het ook nauwelijks aangetast door de tand des tijds. De wortels van de zwarte els nemen stikstof op, in symbiose met bacteriën.

HOOFDSTUK 3 - 119


Soorten

Betula pendula - ruwe berk  Uiterlijk: een opgaande, smalle boom met losse kroon, tot 30m hoog. Hij heeft een opvallende witgrijze schors en op volwassen leeftijd hangende takken en twijgen, paarsbruin gekleurd en bezet met talloze kleine wratjes. De ruwe berk wordt zelden ouder dan honderd jaar. Blad: eivormig, aan de top lang toegespitst, 3-6cm groot en dofgroen van kleur. De randen zijn dubbel gezaagd. Een lange, dunne bladsteel, 2-3cm. Bloei: in april-mei, mannelijke katjes zijn geel en vrouwelijke groen en rechtopstaand op een vertakte steel. Vrucht: katjes van 2-3cm aan een steeltje, eerst groen en als ze gerijpt zijn bruin van kleur. De katjes vallen uiteen in het najaar, zodat de gevleugelde nootjes vrijkomen en ver worden verspreid door de wind. Resistentie: uitgenomen hevig ‘bloeden’ wanneer hij in het voorjaar wordt gesnoeid, is de ruwe berk een sterke, veerkrachtige soort. Verspreiding: op de schrale bodems in het Meetjesland vormt de berk één van de belangrijkste inheemse boomsoorten. Hij pioniert als onderbegroeiing in dennenbossen op arme zandgrond, en vormt de overgang tussen heidevegetatie en eikenbos in de oude veldgebieden. Standplaats: voor de ruwe berk mag de ondergrond niet te vochtig zijn, en niet te voedselrijk. Beheer: voelt zich goed in een gemengde houtkant, waar hij per 4-6 jaar wordt afgezet tegen de grond. Snoeien en kappen in het voorjaar kan wel nefast zijn voor de ruwe berk, vermits hij in het voorjaar hevig kan bloeden. Waarde: laat met zijn lichte kroon ondergroei toe in bossen en houtkanten, een eigenschap waar vele schaduwminnende (boom) soorten van profiteren. In vroeger tijden werd de soort regelmatig gekapt en werd de opslag gebruikt om bezems te vervaardigen (de bezembinders in Kleit).

HOOFDSTUK 3 - 120


Soorten

Carpinus betulus - haagbeuk  Uiterlijk: een boomsoort die vaak verward wordt met de beuk (Fagus sylvatica). Kenmerkend verschil is dat de haagbeuk het dorre blad verliest in de winter, en vroeger uitloopt in het voorjaar. De boom wordt tot 25m hoog, met getorste stam en een gladde grijsbruine bast. De knoppen zijn klein en aanliggend tegen de twijgen, bij beuk zijn ze afstaand. Blad: 8-10cm groot, met dubbel gezaagde bladrand en fel groene kleur wanneer het blad ontluikt. Bloei: april-mei. Mannelijke katjes 3-4cm lang, uit de zijknoppen van éénjarige twijgen, geelgroen van kleur. Vrouwelijke katjes zijn kleiner en staan op het uiteinde van nieuwe scheuten, omgeven door een driedelig schutblad. Vrucht: een klein gevleugeld nootje, in trossen bijeen. Rijp in september. Resistentie: kan last hebben van schorsbrand, wanneer de stam ingrijpend wordt vrijgemaakt van zijtakken. Dit betekent dat de bast scheurt en het hout makkelijker aangetast wordt door vocht, schimmels, insecten en vorst. Verspreiding: de haagbeuk was niet erg algemeen in het Meetjesland. Enkel in oude bosrestanten in Maldegem en Knesselare komt de soort voor als hakhout, sommige enkele eeuwen oud. Een enkele keer vindt men hem in een oude haag. De haagbeuk wordt als oude cultuursoort beschouwd. Standplaats: hij prefereert ietwat kalkrijke, op zijn minst voedselrijke en eerder vochtige bodems. Té vochtig is echter ook niet goed, evenmin als droge zandgronden. Beheer: de haagbeuk is zeer goed bestand tegen veelvuldige snoei wat ertoe heeft geleid dat hij vaak wordt gebruikt als haag in parken en tuinen. Ook als hakhout of in een uitgroeiende houtkant is het een dankbare soort, en voor smalle straten kan hij dienen als kleine laanboom. Opsnoeien en daarbij blootstellen van de bast aan rechtstreeks zonlicht kan echter de haagbeuk schaden. Waarde: het loof van de haagbeuk is erg gegeerd door meikevers. Het hout is erg taai en werd vaak gebruikt voor het vervaardigen van stelen voor gereedschap, en in de molenbouw.

HOOFDSTUK 3 - 121


Soorten

Castanea sativa - Tamme kastanje Uiterlijk: een boom met dicht bladerdek, tot 30m hoog, met een brede, zuilvormige kroon. De stam is op oudere leeftijd meestal getorst, aan de voet heeft hij vaak wortelopslag. Blad: verspreid staand, langwerpig van vorm. 3-6cm breed en 1020cm lang, met spitse top en scherp getande bladrand. De bovenzijde is donkergroen, de onderzijde lichtgroen; de nerven zijn geveerd en lopen parallel. Bloei: in juni-juli, met 10-20cm lange katjes in de bladoksels, witachtig geel van kleur en sterk geurend. De bloesems staan rechtop, in bundels bijeen, met telkens onderaan die bundels een minderheid aan vrouwelijke bloempjes. Wordt bestoven door insecten. Vrucht: de vrucht van de tamme kastanje bevindt zich per 2-3 in een stekelige groene bolster, die vaak openspringt nadat hij op de grond valt. De nootjes, omhuld door een dunne, bruine, schil, zijn eetbaar. Resistentie: vorst kan bij de tamme kastanje leiden tot vorstbarsten. Verspreiding: de tamme kastanje kwam oorspronkelijk in Europa overal voor behalve in het Westen, en werd door de Romeinen bij ons ingevoerd. Hij houdt van een zacht klimaat, in kuststreken bijvoorbeeld. Vanaf de 18de eeuw werd de tamme kastanje zodanig gepromoot in Vlaanderen, dat hij een ruimere verspreiding kent, onder andere in kasteel- en openbare parken. Hij wordt daarom als oude cultuursoort beschouwd. Standplaats: tamme kastanje houdt niet van te vochtige of kalkachtige bodems; wĂŠl verdraagt hij zeer goed schaduw. Beheer: kan als hoogstamboom worden aangeplant, maar verdraagt ook hakhoutbeheer. Waarde: als leverancier van stuifmeel en nectar is de boom zeer geschikt voor bijen. De vruchten van tamme kastanje zijn eetbaar, en het hout is bijzonder geschikt voor schrijnwerk, meubels en weidepalen. Het hout is namelijk zeer duurzaam en elastisch. Om die reden vervaardigde men met kastanjehout ook bier- en wijnvaten.

HOOFDSTUK 3 - 122


Soorten

Corylus avellana - hazelaar  Uiterlijk: struik van maximaal 6m hoog, meestal meerstammig. Soms komen kleine bomen voor. Blad: vrij groot, 7-12cm, omgekeerd eirond en aan de top kort toegespitst. Dubbel gezaagde tot ondiep gelobde bladrand. Bloei: bloeit vroeg, in februari-maart. Opvallend zijn de mannelijke katjes die 5 tot 6 cm lang zijn. De vrouwelijke bloemen zijn minder opvallend.

voorbeeld van regeneratie bij een oude hazelaarhakhoutstoof

Vrucht: verschijnt in de zomer en rijpt af in het najaar. Omwille van de vruchten is men in de commerciële teelt nieuwe cultivars gaan kweken. Resistentie: goed. Verspreiding: komt in heel Europa voor als inheemse, begeleidende soort in loofbossen en bosranden. Standplaats: de hazelaar houdt van iets rijkere gronden, en een goede waterhuishouding. Hij verdraagt schaduw maar om rijpe vruchten te produceren heeft hij zon nodig. Beheer: kan in een houtkant regelmatig afgezet worden, maar leent er zich ook toe om uit te groeien; zijn ecologische waarde neemt hierbij toe. Waarde: de noten zijn erg geliefd bij kleine zoogdieren. Het hout is zeer buigzaam en kent tal van toepassingen: wandelstokken, vlechtwerk voor afsluitingen en mandenmakerij, … De struik zorgt op korte tijd voor een waardevolle strooisellaag in een houtkant. Doordat het één van de vroegste bloeiers is, is hij heel waardevol voor insecten. Met het hout van de hazelaar vervaardigde men de bovenste spanband van een houten ton waarin bier of wijn wordt gebrouwen.

HOOFDSTUK 3 - 123


Soorten

Crataegus monogyna éénstijlige meidoorn Uiterlijk: een hoge, dicht vertakte en doornige struik van 3 à 4m, of kleine boom tot 10 meter hoog, met ronde kroon. Blad: kleine bladeren, 2-4cm, meer dan 1/3 ingesneden, gaafrandig met aan de top enkele grove tanden. De bovenzijde is glanzend groen, de onderzijde wit behaard aan voet en okselnerven, de voet wigvormig. Bloei: overvloedig met éénstijlige, witte, geurige bloesems, half mei. Vrucht: rode schijnvruchten met één pit, vanaf augustus. Resistentie: evenals de lijsterbes en de meeste fruitboomsoorten is de meidoorn gevoelig voor aantasting met bacterievuur. Verspreiding: de meidoorn is inheems in het Meetjesland. Standplaats: hij stelt weinig eisen aan de bodem. Men vindt hem zowel op zandige, lemige alsook op kleibodems, op drogere ondergronden en op gronden met een tijdelijk hoge grondwatertafel. Beheer: men treft hem hier en daar aan als alleenstaande in de tuin, maar bovenal is hij te vinden in een houtkant of kort geschoren haag. Sinds mensenheugenis wordt de meidoorn als veekering gebruikt: de takken van jonge haagplanten werden gevlochten om het geheel nog meer ondoordringbaar te maken. In een houtkant mag de meidoorn gerust als solitaire struik overblijven wanneer de andere per 8 à 10 jaar gekapt worden. Hij verdraagt het kappen wel, maar de doornen maken dit karwei onaantrekkelijk en zijn ecologische en landschappelijke waarde verhogen wanneer hij kan uitgroeien, bloeien en vrucht dragen. Waarde: de bloesems worden druk bezocht door tal van insecten, de bessen zijn erg geliefd bij vogels en de doornige, dichte takkenstructuur biedt aan vele vogels een beschutte schuil- en broedplaats. Landschappelijk en cultuurhistorisch is deze struik bijzonder waardevol in het Meetjesland.

HOOFDSTUK 3 - 124


Soorten

Fagus sylvatica - beuk  Uiterlijk: een 40m grote boom met brede, koepelvormige kroon. Blad: in het Meetjesland meer bekend als laanboom met paarsrode bladeren (Fagus sylvatica â&#x20AC;&#x2DC;Purpureaâ&#x20AC;&#x2122;), in zijn natuurlijke vorm echter lichtgroen gekleurd bij het uitkomen, later donkergroen glanzend en behaard op de bladnerf. De verdroogde bladeren blijven vaak de hele winter lang aan de plant indien ze als haag wordt beheerd. De 2cm lange knoppen zijn lang toegespitst, afstaand van de twijgen in tegenstelling tot bij de haagbeuk. Bloei: in april-mei, bij het uitkomen van de bladeren. Mannelijke bloempjes aan de voet van jonge scheuten tussen de knopschubben, per 20 bijeen, vrouwelijke op het uiteinde van jonge scheuten, in de vorm van een verhoogde bloembodem. Vrucht: driehoekig nootje, per 3 bijeen in een 4-lobbig gestekeld, donkerbruin omhulsel dat met vier kleppen openspringt. Om de 5-12 jaar is er een zaadjaar. De nootjes zijn wel eetbaar, maar bevatten veel blauwzuur dus eet ze met mate. Resistentie: zeer gevoelig voor schorsbrand: scheuren van de bast, waardoor de stam vatbaar wordt voor infecties en vorstschade. Verspreiding: de beuk is niet inheems in het Meetjesland, maar wordt sinds de Oostenrijkse overheersing in de 18de eeuw aangeplant in dreef- en bosverband. Voorbeelden zijn het Drongengoed en het aangrenzende dambordpatroon van dreven ten noorden van het hiervan, evenals het Leen waar beuken in strak plantverband werden aangeplant op smalle repels, ontwaterd door grachten. Hij wordt beschouwd als een oude cultuursoort in het Meetjesland. Standplaats: stelt hoge eisen aan de ondergrond: hij houdt het meest van lichte leemhoudende zandgrond. Beheer: met zijn bladhoudende karakter en de dichte takkenstructuur leent hij zich voor gebruik in hagen. Let op de gevoeligheid voor schorsbrand; de beuk kan best niet ineens te hoog opgesnoeid worden. Waarde: de nootjes van de beuk zijn erg geliefd bij eekhoorns. Beuken werden vroeger om de 60 tot 80 jaar gerooid, met inbegrip van de wortels, en her aangeplant. Het gevlamde hout van het wortelgestel was erg geliefd in de meubelmakerij. Beuk laat weinig ondergroei toe, wat er toe leidt dat op de bodem van beukenbossen enkel voorjaarsbloemen zich kunnen vestigen en handhaven.

HOOFDSTUK 3 - 125


Soorten

Fraxinus excelsior - gewone es  Uiterlijk: een snelle groeier, wordt tot 40m hoog met een brede, vrij open kroon en sterk omhooggerichte takken. Blad: per twee tegenover elkaar gerangschikt langs de twijgen, samengesteld met doorgaans 5 paar deelblaadjes en een eindblad. De deelblaadjes zijn lang eivormig, aan de top toegespitst en met een fijn gezaagde bladrand. De knoppen staan geschrankt tegenover elkaar en zijn opvallend zwart gekleurd. Bloei: in april, vóór het ontluiken van de bladeren. Kan één- of tweehuizig, en één- of tweeslachtig zijn. De vrouwelijke bloemen staan in dichte trossen bijeen, gelig met zwarte meeldraden; de mannelijke in zwart-paarse propjes. Vrucht: gevleugelde nootjes in trossen, die vaak aan de boom blijven na de bladval. Resistentie: Goed bestand tegen wind en strooizouten. Verspreiding: de gewone es heeft een areaal dat geheel WestEuropa beslaat, met als zuidergrens de Middellandse Zee en in het Noorden Zuid-Scandinavië. Standplaats: verkiest vochtige grond, en op oudere leeftijd een zonnige standplaats. Hij komt van nature voor langs beken en greppels en in de ietwat voedselrijke ondergrond van vochtige, open bossen als opvolger van pioniers zoals zwarte els en zachte berk. Beheer: de es heeft geen moeite met hakhoutbeheer, en leent zich er ook toe om geknot te worden. Van oudsher wordt hij als hakhout beheerd in de loofbossen. De es is daarentegen ook een ideale laanboom en geschikt voor dijkbeplanting. Helaas wordt hij recent meer en meer aangetast door de essenziekte, en stelt men zich vanuit bosbouwkundig oogpunt vragen bij het uitvoeren van nieuwe aanplantingen. Waarde: het hout van de gewone es werd in het verleden gebruikt in de wagenmakerij en voor het vervaardigen van gereedschappen.

HOOFDSTUK 3 - 126


Soorten

VAN IERSEL, H., www.boomzorg.nl

Essensterfte Een recente belager van de es is een schimmel (Chalara fraxinea), die zich vestigt op de twijgen van hoofdzakelijk jonge bomen. De plaag neemt vergelijkbare vormen aan als de iepenziekte, en manifesteert zich op dezelfde wijze: de houtvaten raken verstopt, bladeren verwelken en op termijn sterft de boom in de meeste gevallen af. Er zijn verschillende verklaringen voor de verspreiding van de ziekte: één theorie wijst erop dat hoofdzakelijk verzwakte bomen in moeilijke groeiomstandigheden worden aangetast, en wijt de verspreiding van de schimmel in de

eerste plaats aan overstromingen en slechte bodemomstandigheden. Recent onderzoek wijst echter uit dat de ziekte wordt overgebracht door de nieuwe genetische variant van een onschuldig paddestoeltje, het Essenvlieskelkje, dat overleeft op de bladsteel van gevallen essenbladeren. Aangetaste bomen dienen gerooid te worden, materiaal ontsmet men best. Verdere maatregelen om de ziekte te bestrijden zijn er tot nog toe niet ontwikkeld – wél wordt actief gewerkt aan het selecteren en vermeerderen van resistente rassen. (Menno Boomsluiter, Nederlandse Mycologische Vereniging, www.natuurbericht.nl)

HOOFDSTUK 3 - 127


Soorten

Ilex aquifolium - gewone hulst  Uiterlijk: struik of kleine boom, tot 10m hoog. De takken hangen door tot op de grond, van waaruit nieuwe scheuten kunnen ontstaan in de ondergroei van een bos of struweel. Het is de enige wintergroene loofboom die inheems is in Europa. Blad: wintergroen, glanzend, leerachtig, elliptisch tot eirond met doornen langsheen een golvende bladrand. Hoger in de boom soms gaafrandige, vlakke bladeren. Bloei: in mei-juni, met witte bloesems in kluwens, 4 of 5-tallig. Tweehuizig. Vrucht: rode bessen met 4 of 5 stenen, rijp in september-oktober. Resistentie: de hulst wordt niet graag verplant zodat bij een jonge aanplant relatief veel uitval kan voorkomen. Verspreiding: in het Meetjesland vindt men hem voornamelijk als ondergroei in het bos en de bosrand, en in tal van cultuurvariĂŤteiten in tuinen en parken. Standplaats: houdt van zure bodems en (half)schaduw; hij heeft het moeilijk met een vochtige standplaats. Beheer: de hulst wordt in het buitengebied vooral gebruikt in hagen rond boomgaarden en huiskavels van (vaak kleinere) boerderijen. Ook in hakhout kan hij gedijen, maar in de praktijk zijn hiervan niet veel voorbeelden terug te vinden in het Meetjesland. Men plant in de regel 5 stuks per lopende meter om een dichte haag te bekomen. Verplanten gaat moeizaam, maar de plant herpakt zich vaak na een seizoen. Eens de hulst goed gaat groeien, kan hij zeer compact gesnoeid worden. Hij vormt dan een dichte, ondoordringbare haag. Waarde: niet enkel bloemen en bessen zijn geliefd bij vogels en insecten, ondanks de stekels worden ook de bladeren gegeten door het vee. De plant hangt over tot op de grond, laat geen ondergroei toe, wat maakt dat hulst zich uitstekend leent voor nestplaatsen van vogels en kleine zoogdieren. Ook voor tal van vlinders is de hulst een belangrijke waardplant.

HOOFDSTUK 3 - 128


Soorten

Juglans regia - walnoot  Uiterlijk: 20-30m hoog, 10m brede kroon met bochtige takken, gelige bast en geelgroene bladeren. Hij produceert waardevol hout voor de meubelmakerij. Blad: oneven geveerd samengesteld, met 5-9 gaafrandige deelblaadjes. Bloei: mannelijke bloemen in katjes, vrouwelijke in trossen aan het uiteinde van nieuwe scheuten. Sommige rassen bloeien ook met vrouwelijke bloemen langsheen kort lot, wat de boom veel vruchtbaarder maakt. Vrucht: een steenvrucht met harde pit in een felgroene schil, die verkeerdelijk noot wordt genoemd. De inhoud van de pit wordt graag gegeten. Resistentie: de walnoot kan belaagd worden door bladvlekkenziekte: hij krijgt zwarte vlekken op de bladeren en de oogst gaat teloor. Het ene ras is hier meer vatbaar voor dan het andere. Verspreiding: de walnoot of okkernoot komt van nature voor in Zuid-Europa op de Balkan, zuidwest en Centraal-AziĂŤ tot de Himalaya en in zuidwest China. Hoewel deze boom dus van nature niet voorkomt in onze contreien, wordt ze toch als belangrijk beschouwd, en behoort ze tot de groep van oude cultuursoorten. Verschillende generaties plantten de boomsoort op het erf en ook het gebruik om notenbomen aan te planten op dijken was ooit wijd verspreid, vooral in het Waasland en de Scheldepolders (Jacobs, S., 2004). Ten tijde van de eerste Wereldoorlog moesten vele notelaars eraan geloven vermits ze werden opgeĂŤist door de Duitsers, voor het vervaardigen van geweerkolven. Standplaats: houdt van een kalkhoudende, water doorlatende bodem en een zonnige standplaats. Beheer: de okkernoot heeft moeite met het genezen van snoeiwonden. Een vormsnoei op jonge leeftijd is dan ook aan te raden, zodat er geen grote wonden meer gemaakt moeten worden. De beste snoeiperiode is als de boom nog in blad staat, van begin juni tot eind september, of direct na de bloei. Bij wintersnoei heeft de boom last van bloeden. Aan te planten als solitaire boom op de huisweide. Waarde: de geur van de bladeren is dermate aromatisch dat vliegen en muggen uit de buurt blijven van de boom. Hij wordt om die reden van oudsher aangeplant op het erf, dicht bij het woonhuis en de stal.

HOOFDSTUK 3 - 129


Soorten

Ligustrum ovalifolium - haagliguster  Uiterlijk: lage struik die zelden uitgroeit, maximaal 3m hoog. Men treft hem meestal aan in hagen, hoewel hij in principe de vorm kan aannemen van een kleine boom. Blad: ovaal, gaafrandig, glanzend donkergroen. In tegenstelling tot de wilde versie van deze struik, Ligustrum vulgaris, is deze soort bladhoudend in de winter. Bloei: in juni-juli, met eindstandige, witte pluimen. De bloemen zijn sterk geurend en leveren nectar; bestuiving gebeurt door insecten. Vrucht: kleine zwarte besjes, die in de winter aan de struik blijven hangen. Voor menselijk gebruik zijn ze niet geschikt; vogels lusten de bessen wel. Resistentie: bijzonder goed bestand tegen snoei en vorst, ondanks het zuiderse karakter van de soort. Verspreiding: de liguster is vermoedelijk niet streekeigen in het Meetjesland, maar de gecultiveerde vorm van de wilde Ligustrum vulgare, (de â&#x20AC;&#x2DC;Ovalifoliumâ&#x20AC;&#x2122;) wordt reeds lange tijd gebruikt in hagen rond huisweides. Het is een kalkminnende soort, die weliswaar weinig eisen stelt aan de bodem. Wordt beschouwd als oude cultuursoort. Standplaats: stelt dermate lage eisen aan de ondergrond dat hij gedijt op zowel zand- als kleibodems. Beheer: ideale plant om te gebruiken in hagen. Verdraagt zeer goed snoei, 1-2 maal per jaar. Waarde: zweefvliegen, kevers, bijen en vlinders worden aangetrokken door de overvloedige nectar tijdens de bloei, indien de haag niet al te vaak wordt geschoren.

HOOFDSTUK 3 - 130


Soorten

Populus x canescens - grauwe abeel  Uiterlijk: een grote boom, tot 30m hoog, met brede kroon. De grauwe abeel is vermoedelijk een kruising tussen de ratelpopulier (Populus tremula) en de witte abeel (Populus alba) â&#x20AC;&#x201C; deze laatste is niet inheems (warmere streken van Zuid-Europa) maar vermoedelijk ook reeds lange tijd in gebruik in Vlaanderen en het Meetjesland. Blad: rond, gelobd en viltig grijs behaard aan de onderzijde. 8-10cm groot. Bloei: de grauwe abeel is tweehuizig, wat betekent dat de mannelijke en vrouwelijke katjes op verschillende bomen voorkomen. Vrucht: wordt geproduceerd op een leeftijd van ca 15 jaar. Doosvrucht met kleine, pluizige zaadjes die ver met de wind meevoeren. Resistentie: goed. Hij is ook goed bestand tegen populierenroest. Verspreiding: de grauwe abeel komt nog weinig voor in het Meetjesland. Hij komt als ondergroei en in de randen van (vochtige) bossen wel nog voor, evenals langs waterlopen, en toont ons hiermee een glimp van de geschiedenis: in vroeger tijden, vanaf ca. 1600, was de grauwe abeel samen met de zwarte populier de meest gebruikte soort bij dijkbeplanting. In meer recente tijden werden vooral cultivars van populier aangeplant. Standplaats: hij houdt van een eerder vochtige, voedselrijke tot zelfs kalkhoudende bodem, en verdraagt een schaduwrijke standplaats. Beheer: kan zowel als solitair als in hakhout aangeplant worden. Hij vormt veelvuldig wortelopslag, wat interessant kan zijn in de jonge aanplant van een houtkant.

HOOFDSTUK 3 - 131


Soorten

Populus tremula - ratelpopulier of esp  Uiterlijk: kleine boom tot 15m hoog, met een open kroon. Vaak struikachtig, in meer zuidelijke streken makkelijker terug te vinden als ĂŠĂŠnstammige boom. Blad: driehoekig en behaard aan de langloten, kaal en eerder rond aan de kortloten. De bladrand is grof getand. De lange, afgeplatte bladstelen maken een ratelend geluid in de wind. Bloei: geschubde katjes, diep ingesneden en lang gewimperd. Vrucht: doosvruchtjes, kleine pluizige zaadjes. Resistentie: goed. Verspreiding: de ratelpopulier is inheems in het Meetjesland. Men vindt hem terug in eerder vochtige bossen en zomen van bossen, als pionier op braakliggende terreinen en langs waterlopen. Standplaats: de ratelpopulier stelt zeer weinig eisen aan de standplaats: hij verdraagt droogte, vorst en ook tijdelijke overstromingen, en hij gedijt op vervuilde bodems. Bovendien heeft hij geen moeite met hevige wind. Wel verlangt hij een (matig) zonnige standplaats. Beheer: kan als solitair of als hakhout aangeplant worden. Hou rekening met veelvuldig wortelopslag, zeker wanneer de plant beheerd wordt als hakhout.

HOOFDSTUK 3 - 132


Soorten

Populus sp. – populier soorten  Uiterlijk: tal van kruisingen tussen de inheemse Populus nigra (zwarte populier) en Populus canadensis (Canadese populier) werden geselecteerd op groeisnelheid en ziekteresistentie. Voorbeelden van deze cultivars zijn de Populus x ‘Marilandica’, de Populus x ‘Serotina’, Populus x ‘Blauwe van Eksaarde’ en de Populus x ‘Robusta’. Deze soorten groeien uit tot 40m hoogte, groeien vaak scheef onder invloed van de wind en hebben een open, lichte kruin. Verspreiding: de zwarte populier is inheems in heel Vlaanderen maar komt in zijn zuivere vorm niet meer voor in het Meetjesland. De zwarte populier is een typische soort voor zachthoutooibos, een vegetatietype dat in Vlaanderen zeldzaam geworden is. Standplaats: verkiest een ietwat voedselrijke, goed doorlatende bodem en verdraagt hoge waterstanden. Beheer: de keuze van een bepaald populierenras hangt vaak af van factoren als ziektebestendigheid, al dan niet rechte groeivorm, houtproductie en dergelijke. Meer info hierover is te vinden bij het INBO. Uit cultuurhistorisch en landschappelijk oogpunt gaat de keuze van een bepaalde cultivar best in de richting van bovengenoemde Euramerikaanse kruisingen. Deze hebben een meer karakteristieke groeivorm dan de recht groeiende, en bepaalden hiermee lange tijd de identiteit van onder andere het Krekengebied. Zoekt men een eerder recht groeiende, meer resistente soort die op kortere tijd een grotere hoeveelheid hout produceert dan wordt er wel eens voor de Amerikaanse klonen gekozen. Waarde: De rol van de populier in het landschap werd in recente tijden ter discussie gesteld.

Roest De roestschimmel Melanpsora larici-populina ligt aan de basis van de belangrijkste en meest verspreide bladziekte bij populier. De eerste symptomen van de aantasting treden op bij het begin van de zomer onder de vorm van geeloranje vlekjes (sporenhoopjes) aan de onderzijde van het blad. In het najaar verschijnen op

de bovenkant van aangetaste bladeren bruinzwarte korstjes. Een ernstige vorm van roestziekte kan leiden tot vroegtijdige bladval en groei- en vitaliteitsvermindering. Er zijn momenteel geen roestresistente populierenrassen. Sommige rassen zijn wel goed bestand tegen aantasting met roestziekte. Normaal gesproken heeft roestaantasting geen desastreuze gevolgen. (INBO, www.populierenland.com)

HOOFDSTUK 3 - 133


Soorten

Waar waaien de winden zo wijd over ‘t land dat schettert van kleurengewemel ? Waar staan al de einders met popels beplant die wijzen de weg naar de hemel ? In ‘t Meetjesland, het sprookjesland, de bloementuin van Vlaanderen. Het waterland, het lijsterland, ons enig, eeuwig Meetjesland, te mooi om te verand’ren, te mooi om te verand’ren. Waar is het dat dromen en sprookjes ontstaan Dat de populier ook in het Meetjesland wijd verspreid was, bewijst het lied ‘het Meetjesland’:

des ‘avonds in ‘t schijnsel der vuren ? Waar zal men in meimaand ter bedevaart gaan als ziekte en nood blijven duren ? Waar schuiven de vaarten door velden en bos zo traag tussen welige dijken ? Waar schieten de spoelen zo lustig en los als ‘t Eeklo, de stad van de eiken ?

Clem De Ridder - Lode Dieltiens

Pro

Contra

Cultuurhistorisch voorkomen (dijken Krekengebied en elders in het Meetjesland als bomenrij, solitair of knotpopulier)

Monocultuur (in bosverband): ecologisch en esthetisch oninteressant

Historisch gebruik (bv. Klompen, onderdak voor dakpannen,…) Snelle groeier met korte levensduur kan welkome schakel zijn in bosontwikkeling Lichtdoorlatend bladerdek laat interessante ondergroei toe

Ondergroei van ruigtekruiden (bramen en brandnetels) op verstoorde of verrijkte gronden Bladval resulteert in een oninteressante strooisellaag Oorzaak van verdroging Schade van wortels aan wegen

‘Landmark’ in een landschap waar bomen schaarser worden

Ziektegevoeligheid (roestziekte, kanker en andere ziekten),

Interessante soorten die baat hebben bij populier: zwarte els, sporkehout, es,...

‘Waaibomen’ (takbreuk)

heeft een belangrijke bufferfunctie in verontreinigd gebied: wordt in de VS ingeschakeld bij waterzuivering en sanering van verontreinigde gronden

HOOFDSTUK 3 - 134


Soorten

DE POPULIER IN HET LANDSCHAP: PRO EN CONTRA Het uitzicht van het Vlaamse landschap wordt sterk bepaald door de populier. We vinden hem terug langs kanalen en op dijken in lijnverband of in bosexploitaties, vaak op voormalige landbouwgronden. Deze cultivars van populieren zijn exoten in ons landschap en om die reden zijn ze het laatste decennium het onderwerp van debat geworden. Zijn de populieren wenselijk vanuit het oogpunt op landschapsherstel? Het is geen eenvoudig debat, maar hieronder worden bondig de voornaamste argumenten pro en contra weergegeven, waarbij geconcludeerd wordt dat de populier een plaats heeft in ons landschap, indien oordeelkundig aangeplant en beheerd. In sommige delen van Vlaanderen zijn trilpopulier (P. tremula), ook wel ratelpopulier of esp genoemd, en zwarte populier (P. nigra) inheems. Over de grauwe abeel (Populus x canescens) en of deze soort inheems is of al dan niet een kruising is tussen de trilpopulier en de Witte Abeel (P. alba, Z. Europa), bestaat er discussie. We zien deze soort echter wel als oude cultuursoort (notarisarchieven ca 1800-1850). In het Meetjesland bleven relatief veel oude rassen bewaard aangezien de Union Allumetière vrijwel overal gronden bezat, behalve hier en in West-Vlaanderen (Slabbaert, W., 2011). De inheemse Europese zwarte populier is zeldzaam. Bij het begin van de 18de eeuw werd de Amerikaanse zwarte populier (P. deltoides) in Europa geïntroduceerd. De Amerikaanse variant kruiste zich spontaan met de Europese. Zo ontstonden de zogenaamde Euramerikaanse klonen (P. euramericana = P. x canadensis). Deze hybride populieren of canadapopulieren worden al sedert de 18de eeuw in Vlaanderen gebruikt en waren erg populair door hun snelle groei en vele toepassingen van het hout. Ze kregen lokale benamingen als Gentenaar, Achtkanter, Blauwe van Eksaarde, Oude witten, Zotten, ….

Aanvankelijk werden ze vooral gebruikt als lijnbeplanting. Later werden ze ook massaal in bosverband aangeplant. Ze hebben, verspreid in Vlaanderen, grote invloed op het uitzicht op het landschap. Genetisch gezien zijn sommige oude klonen van canadapopulieren sterk verwant met de inheemse zwarte populier. Voorbeelden van dergelijke oude en landschappelijk waardevolle klonen zijn de cultivars ‘Marilandica’ (ca. 1800), Serotina (ca. 1750), Blauwe van Eksaarde en Robusta (ca. 1885). De vraag naar hout van populier steeg en er werden steeds meer populieren aangeplant. Stilaan werd de populier de voornaamste boomsoort in Vlaanderen. In het landschap, maar vooral in de Vlaamse bossen kwam ze in de plaats van andere soorten. Niet minder dan 85% van de populierenbestanden in Vlaanderen zijn privé-eigendom; 20% van het privaat bosgebied bestaat uit populier, tegenover 5% van openbaar bosgebied. Populieren zijn dus gegeerd bij private boseigenaars, omwille van de snelle groei. Het negatieve imago van de populier komt hoofdzakelijk voort uit hoogproductieve, monotone aanplantingen in rasterverband, waar ondergroei weinig kansen krijgt. Ook zien we dat de ondergroei vaak bestaat uit ruigtekruiden als brandnetel en bramen. Recent werd echter aangetoond dat dit vooral komt door een sterk (over)bemeste uitgangssituatie dan door planteigenschappen van de populier. Op de rastervormige, monotone aanplantingen kunnen variaties gemaakt worden: wildverband, een mengvorm van soorten populier en wilg, boszomen met een grote variatie in struiken en kruiden. (http://www.bosgroepen.be/activ/populier.pdf)

HOOFDSTUK 3 - 135


Soorten

Prunus spinosa - sleedoorn  Uiterlijk: een breed uitgroeiende struik, 3-4m hoog en breed, met uitbundige witte bloei v贸贸r de bladontluiking. De takken zijn bezet met 3-5cm lange doornen. Via worteluitlopers vormt hij dichte struwelen. Blad: smal omgekeerd eirond, 2-5cm lang. De bladrand is fijn gezaagd. De onderzijde van de bladeren is fijn behaard. Bloei: witte, alleenstaande bloemen, begin april. Vrucht: ronde, blauwzwarte steenvrucht (een soort pruimpje) met een wrange smaak, best te consumeren na een eerste vorstperiode. Resistentie: goed. Verspreiding: de sleedoorn is wijd verspreid in het Meetjesland. Hij komt van nature voor in bosranden. Standplaats: hij prefereert een voedselrijke, kalkhoudende en waterdoorlatende bodem. Beheer: geschikt voor hagen en houtkanten, of als solitaire struik. Net als meidoorn hoeft sleedoorn niet onder een kapregime te vallen. Zijn waarde voor vogels en insecten neemt toe wanneer hij kan uitgroeien. Waarde: de sleedoorn is een uiterst waardevolle nectar- en stuifmeelleverancier voor bijen en vlinders. Zijn dichte takkengestel en de doornen maken hem bovendien tot een geliefde nestplaats voor zangvogels.

HOOFDSTUK 3 - 136


Soorten

Quercus robur - zomereik  Uiterlijk: boom wordt tot 30m hoog, met breed uitgroeiende kroon. De takken zijn vaak onregelmatig en bochtig, gedraaid. Het silhouet is dan ook zeer karakteristiek in de winter. Blad: omgekeerd eivormig, gelobd, zit rechtstreeks op de twijgen, in tegenstelling tot het gesteelde blad van de wintereik. Bloei: eens per 2-5 jaar in de vorm van slappe, hangende, bruingele katjes (mannelijk) of per 1-4 bijeen in de oksels van de bovenste bladeren, op steeltjes (vrouwelijk). Vrucht: komt pas tot ontwikkeling op oudere leeftijd. De eikels zitten in napjes gevat, met een lange steel op de twijg. Hierin onderscheidt de zomereik zich onder meer van wintereik waar de bladeren gesteeld zijn en de eikels tegen de twijgen groeien. Resistentie: echte meeldauw, beter bekend als de witziekte, komt vaak voor op zomereik. Deze aantasting is enkel een esthetisch probleem; de plant ondervindt nauwelijks hinder en ontgroeit de ziekte. Op de bladeren zijn vaak galappels van wespen te vinden, iets waar de boom geen hinder van ondervindt. Verspreiding: in het Meetjesland komt de zomereik van nature voor op verschillende grondsoorten. Standplaats: hij heeft moeite met stilstaand water en bodemverdichting, en groeit iets trager op arme zandgronden. Het is ook een echte lichtboomsoort, die hoogstens halfschaduw verdraagt. Beheer: een ideale boomsoort voor dreven of bomenrijen. Ook als knotboom of in houtkanten is het een dankbare, mooie en onderhoudsvriendelijke soort: men dient de zomereik slechts eens per 8-10 jaar terug te zetten. De zomereik vormt meestal een penwortel, waarmee hij slechte weersomstandigheden zoals hevige droogte of wind kan trotseren. Het verplanten en de eerste periode na de aanplant is bijgevolg niet evident. Voldoende bevloeien, en starten met een stevige snoei kan de boom op weg helpen. Waarde: landschappelijk gezien heeft de boom omwille van zijn stoere uiterlijk een grote decoratieve betekenis. Hij biedt nestgelegenheid aan tal van vogels, zijn eikels vormen een geliefde voedselbron voor kleine zoogdieren. Het is bovendien één van de belangrijkste boomsoorten in de bossen; het hout van de zomereik heeft een grote commerciële waarde. Uit eikenhout worden balken vervaardigd die dienen voor dakgebinten, treinrails,... In vroeger tijden won men looistoffen uit de bast van zomereik. Ook werd de schors verkocht als brandstof. HOOFDSTUK 3 - 137


Soorten

Rhamnus frangula sporkehout of vuilboom Uiterlijk: een kleine, vrij onopvallende struik. Snelgroeiend. Is makkelijk te verwarren met (Amerikaanse) vogelkers. Opvallende lanticellen(kleine wratjes) langs de twijgen. Blad: 3-5cm lang, omgekeerd eirond, lichtgroen en gaafrandig. Bloei: onopvallend maar langdurig, tussen mei en september. Per 3-10 bijeen in de bladoksels, klein en groenachtig wit van kleur. Vrucht: eerst rood en later zwart, met een onaangename geur. Resistentie: goed. Ook goed bestand tegen vorst en snoei. Verspreiding: deze soort komt vaak samen met andere soorten spontaan voor in houtkanten, en onder bomenrijen. De plant is goed bestand tegen hoge waterstanden; men vindt ze dus terug in beekdalen en langs greppels. Standplaats: sporkehout verdraagt zowel droge als natte, zure als kalkhoudende bodems â&#x20AC;&#x201C; hij hoort thuis in een gemengde haag of houtkant. Beheer: sporkehout hoeft niet teruggezet te worden; hij zal nooit overheersen in een houtkant, en kappen komt de bloei niet ten goede. Waarde: samen met wegedoorn, die in Vlaanderen nauwelijks voorkomt, is het sporkehout de enige waardplant van de rupsen van de citroenvlinder. Aangezien het aantal citroenvlinders sinds enkele jaren sterk vermindert, lijkt het erop dat de bestanden sporkehout steeds meer geĂŻsoleerd zijn. Ook bijen zijn fan van de nectar, vogels houden van de bessen van spork, die de hele winter voorradig zijn.

HOOFDSTUK 3 - 138


Soorten

Rosa canina - hondsroos  Uiterlijk: struik tot 3m hoog met afhangende takken met kromme stekels. Blad: samengesteld, bestaande uit 5 of 7 deelblaadjes die licht behaard en onderaan gestekeld zijn. Heggenroos en viltroos zijn nauw verwante, ecologisch waardevolle nevensoorten. Bloei: witroze, vrij groot. Bloeit in juni-juli, en wordt druk bezocht door bijen. Vrucht: de typische helderrode rozenbottel, die na de vorst door vogels wordt geconsumeerd. Resistentie: goed. Verspreiding: komt algemeen voor en stelt weinig eisen aan de bodem. De hondsroos groeit op lichte standplaatsen of in halfschaduw. Vaak komt ze voor in houtkanten of in heggen. Standplaats: de hondsroos heeft geen sterke takkenstructuur, en is bijgevolg niet aan te bevelen als dominante soort in een houtkant. Ze is wel een welkome aanvulling op andere, steviger soorten die haar steun bieden. Beheer: zorg ervoor dat de plant gestut wordt door andere soorten. Waarde: De blaadjes van deze roos zijn erg geliefd bij de â&#x20AC;&#x2DC;behangersbijâ&#x20AC;&#x2122;. Deze knabbelt mooie ronde vormen uit het blad en plakt de stukjes blad tegen de wand van haar nestgangen. De nectar is geliefd bij tal van insecten, zoals bijen en vlinders allerhande. De bessen bevatten veel vitamine C, en kunnen gebruikt worden voor confituur, of voor thee indien ze worden gedroogd evenals de bloemblaadjes.

HOOFDSTUK 3 - 139


Soorten

Salix sp. â&#x20AC;&#x201C; wilg soorten  Uiterlijk: wilgen bestaan er in tal van soorten en â&#x20AC;&#x201C; al dan niet geforceerde - kruisingen die ons welbekend zijn in geknotte vorm. Ze kunnen ook uitgroeien tot bomen van 20m hoog, met smalle kroon en opgerichte takken. Inheemse soorten, die onderling moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden, zijn de Salix alba (schietwilg), Salix fragilis (kraakwilg) en Salix vimimalis (katwilg) enerzijds en de Salix aurita (geoorde wilg), Salix caprea (boswilg), Salix cinerea (grauwe wilg) anderzijds. Eerstgenoemde drie soorten groeien meestal boomvormig, de laatste eerder struikachtig. Blad: de eerste drie soorten hebben 5-10cm lange bladeren, lancetvormig, de bladrand is fijn gezaagd. De laatste drie boven genoemde soorten hebben een ronde bladvorm, in meer of mindere mate behaard aan de onderzijde.

Schietwilg, moeilijk te onderscheiden van onder andere kraakwilg en katwilg

HOOFDSTUK 3 - 140


Soorten

Bloei: in april-mei, bloeiend in lange smalle katjes, groen en geel. Hierbij worden pollen geproduceerd waar velen allergisch aan zijn. Resistentie: vooral schietwilg kan aangetast worden door de watermerkziekte, waardoor vaten verstopt raken en (een gedeelte van) de boom afsterft. Verspreiding: de wilg domineert open, drassige plekken en oeverranden. Het is een pioniersoort die wijd verspreid is in het Meetjesland. Standplaats: alle wilgen verkiezen vochtige tot natte gronden en werden om die reden doelbewust op natte locaties aangeplant.

Ook boswilg, geoorde wilg en grauwe wilg lijken sterk op elkaar en komen vaak voor in (spontaan) gekruiste vorm

Beheer: een wilg is bijzonder veerkrachtig. Hij verdraagt snoei als geen ander, en is in staat een wortel- en takkengestel te ontwikkelen uit een â&#x20AC;&#x2DC;pootâ&#x20AC;&#x2122;: een tak die bijvoorbeeld bij het knotten wordt verkregen. Waarde: het hout van de wilg is niet duurzaam; bijgevolg rot de knotboom vaak in, wat nestgelegenheid biedt aan onder andere steenuilen, en een goede voedingsbodem biedt voor allerhande houtachtige gewassen (zoals vlier, bitterzoet, hazelaar en vogelkers). De boswilg, geoorde wilg en grauwe wilg worden zelden aangeplant; ze vestigen zich spontaan in houtkanten en langs waterlopen, en groeien zelden hoger uit dan een struik van 5-6m.

Watermerkziekte Watermerkziekte is een houtziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie (Brenneria salicis). De ziekte komt vooral voor bij wilgen in het landbouwlandschap. De bacterie veroorzaakt een verstopping van de houtvaten. Aangetaste bomen vertonen verwelking, verkleuring en verdroging van de bladeren. Uiteindelijk sterven takken of delen van de kroon af. De ziekte verspreidt zich onder andere via besmet snoeimateriaal. Overbemesting heeft

een invloed op de ziekteontwikkeling (stikstofgehalte). Sommige wilgensoorten zijn gevoeliger voor aantasting dan andere. Salix fragilis en Salix x rubens zijn minder gevoelig dan Salix alba. Knotten gebeurt best in februari of zelfs in augustus. Snoeien in deze periode voorkomt dat de bacterie gedurende een lange periode vast blijft zitten in het hout (geen sapstroom). Aangetaste bomen worden best opgeruimd.

HOOFDSTUK 3 - 141


Soorten

Sambucus nigra - gewone vlier  Uiterlijk: een sterk vertakkende struik, 3-6m hoog. De twijgen staan vol witte lenticellen (stippen) en bevatten wit merg. Blad: samengesteld met meestal 5 getande deelblaadjes, 5-7cm lang. Bloei: in juni; rechtopstaande, lang gesteelde tuilen. Geelwit en sterk geurend. Vrucht: zwarte bessen in trossen, 6-8mm dik, met 3-5 stenen. Resistentie: goed. Verspreiding: de vlier komt van nature voor op allerhande verstoorde gronden, in de ondergroei van bossen, in knotbomen waar zich een humuslaag heeft gevormd en in houtkanten. Het is een krachtige pionier die de bodem verbetert. Standplaats: verkiest voedselrijke bodems boven zure. Beheer: de gewone vlier vestigt zich vaak spontaan in houtkanten, bosranden of op open plaatsen. Hij kan als hakhout beheerd worden, maar een uitgroeiende struik heeft een grotere ecologische waarde. Waarde: de bloesems en bessen zijn erg geliefd bij insecten en vogels.

HOOFDSTUK 3 - 142


Soorten

Sorbus aucuparia - lijsterbes  Uiterlijk: opgaande struik of kleine, opgaande boom tot 15m hoog, met schuin opgaande takken en een eivormige kroon. Blad: samengesteld, bestaande uit 9-17 elliptische, 6 cm grote deelblaadjes. De bladrand is gezaagd. Bloei: in mei; gelig witte bloemen in schermvormige tuilen. Vrucht: bolvormig en vlezig, in gesteelde trossen, helderrood gekleurd. Iedere vrucht bevat 1-2 zaden. Resistentie: de lijsterbes is gegeerd door konijnen en reeĂŤn; vooral in jonge aanplantingen wordt hij vaak het slachtoffer. Verspreiding: ruim verspreid in Vlaanderen, komt van nature in de bossen van het Meetjesland voor. Standplaats: de lijsterbes groeit even goed op droge standplaatsen als op veenachtige, vochtige bodems. Hij verdraagt schaduw. Beheer: hoort thuis in een houtkant, als ondergroei van boszomen of kan dienst doen als laanboom. De lijsterbes houdt niet van grondige snoei; bijgevolg is een hakhoutbeheer niet aan te raden. Waarde: sommige vogels, zoals de merel en de grote lijster, zijn verzot op de bessen van de lijsterbes. De bloemen worden druk bezocht door bijen en vlinders. Zowel van de bloesems als van de bessen kan siroop worden gemaakt, die een geneeskrachtige werking heeft bij verkoudheden.

HOOFDSTUK 3 - 143


Soorten

Tilia platyphyllos grootbladige linde of zomerlinde  Uiterlijk: groeit uit tot een 30-35m hoge boom met kegelvormige, dichte kroon. De zomerlinde vormt veel wortelopslag, en heeft kenmerkende rode ĂŠĂŠnjarige twijgen. Blad: 7-10cm groot, hartvormig tot rond, de bovenzijde donkergroen en de onderzijde is zacht behaard. Bloei: de linde bloeit in juni-juli, met bloemen van 1cm groot, per 5-12 bijeen in schermen die enigszins zijn opgericht. Ze bevatten zeer veel nectar, dus zijn erg geliefd door imkers in de zomermaanden. Ook voor thee worden ze geplukt en gedroogd.

Rostraat, Zomergem: gekandelaberde lindes worden van oudsher geplant op kruispunten en bij kapelletjes

HOOFDSTUK 3 - 144


Soorten

Vrucht: nootjes met 3-5 uitstekende ribben, in tegenstelling tot de gladde nootjes van de winterlinde. Resistentie: net als de bloemen bevatten de bladeren en jonge twijgen van de zomerlinde zeer veel suiker. Dit trekt bladluizen aan, wiens uitwerpselen leiden tot de zogenaamde ‘honingdauw’ – een kleverig goedje op de bladeren, dat ook de ondergrond zoals geparkeerde wagens kan bedekken met een dun laagje. Bovendien is het een voedingsbodem voor schimmels, zodat er naar het einde van het jaar toe ‘roetdauw’ ontstaat en de stofwisseling van de boom in moeilijkheden komt. Verspreiding: de zomerlinde komt in het Meetjesland voor in loofbossen. Belangrijk in de traditionele erfbeplanting en als straatboom. Standplaats: op licht lemige ondergronden; hij verdraagt armere gronden, maar geen zure. Beheer: van oudsher wordt de linde, meestal “Hollandse linden”, aangeplant als solitair bij kapelletjes of kruispunten, bij het dorpscafé, bij de oprit van een erf of als bomenrij rond een dorpsplein. Zijn goede bestandheid tegen rook, stof, luchtverontreiniging en vorst maakt hem tot een uitstekende laanboom. Hou echter rekening met de plakkerige honingdauw bij aanplant langs parkeerstroken of –terreinen. De linde verdraagt zeer goed snoei, en leent zich dus ook voor hakhoutbeheer of knotvormen. Men behoudt bij het knotten best ‘stompjes’ op de takken, om inrotten tegen te gaan. Waarde: interessante soort voor bijen. Van de gedroogde bloesems kan thee worden gezet; vroeger waren de bloesems ook populair als zoetstof.

HOOFDSTUK 3 - 145


Soorten

Ulmus minor gladde iep of veldolm  Uiterlijk: groeit uit tot 30m hoogte, heeft een dichte kroon met golvende omtrek, een rechte stam en zware, bochtige takken. In de winter is hij makkelijk te herkennen aan het visgraatpatroon in de stand van de twijgen. Vaak komen er ook kurklijsten voor op de twijgen. Er is ook veel wortelopslag. Vandaag wordt geëxperimenteerd met nieuwe klonen, die ziekteresistent zouden zijn. Een voorbeeld hiervan is de – elders in Vlaanderen inheemse – Fladderiep, die zich leent voor lijnbeplanting van invalswegen in het Meetjesland, of dijken in het Krekengebied. Blad: 5-8cm, asymmetrisch generfd en onbehaard, met een dubbel gezaagde bladrand. Asymmetrische bladvoet. Bloei: onopvallend, in maart-april vóór de bladontluiking. Kort gesteeld, wit met paarse helmknoppen. Vrucht: de gevleugelde nootvruchten hebben vliezige vleugels en worden rijp in mei.

Olmenziekte Eeuwenlang is de olm een betrouwbare boom geweest. Door de olmenziekte is het olmenbestand in de loop van de vorige eeuw sterk achteruitgegaan. De herhaaldelijke melding van zieke bomen omstreeks 1920 vormt de start van het onderzoek naar de oorzaak van de ziekte. De ziekte wordt veroorzaakt door de schimmels Ophiostoma ulmi en de Ophiostoma novo-ulmi. De boom reageert hierop met de aanmaak van gomblaas, wat ertoe leidt dat de houtvaten verstopt raken en de boom afsterft. De ziekte kan door wortelcontact worden over-

HOOFDSTUK 3 - 146

gedragen, maar ook door vraat van de iepenspintkever. Deze kevers leggen eitjes onder de bast van door schimmel aangetaste bomen (broedbomen). Na enkele weken vliegen de kevers reeds uit, en verspreiden zich. Aangetaste bomen worden daarom best zo snel mogelijk volledig opgeruimd. Anno 2011 is er een aanbod van hoogresistente cultivars beschikbaar zodat opnieuw voor olm bij stedelijke en landschappelijke aanplanten kan gekozen worden. (www.boomzorg.nl)


Soorten

Resistentie: gladde iepen worden normaal grote bomen, tot 30 meter hoog. De iepenziekte heeft het grootste deel van het bomenbestand echter aangetast waardoor bomen niet oud worden. Alleen via wortelopslag blijft de soort overleven. De fladderiep is wel resistent. Daarnaast worden ook resistente cultivars ontwikkeld. Verspreiding: In het Meetjesland is hij terug te vinden in oude hagen en houtkanten, en op plaatsen waar vroeger hoogstammige iepen werden aangeplant zoals op dijken in het Krekengebied. Vooraleer Linnaeus botanische namen toeschreef aan de verschillende boom- en plantensoorten was er in de volksmond sprake van ‘vette’ en ‘magere’ iep. Hiermee werd vermoedelijk een onderscheid gemaakt tussen de gladde- en de fladderiep, waarvan wordt beweerd dat hij inheems is in het noorden van het Meetjesland. De soort is echter nergens meer terug te vinden als spontane begroeiing en wordt hier bijgevolg niet besproken. Standplaats: de gladde iep gedijt goed in een open, aan de wind blootgesteld polderlandschap. Hij verkiest een vochthoudende, voedselrijke leem- of kleigrond. Beheer: hij verdraagt het goed gesnoeid te worden; men kan hem bijgevolg kort afzetten in een houtkant, eens per 5-8 jaar. Hou er rekening mee dat er zich meestal veel wortelopslag vormt. Waarde: verschillende organismen, zoals kevers, vlinders, (korst-, mossen en paddenstoelen, zijn van de iep afhankelijk, en in het bijzonder de iepenpage. Bovendien is hij interessant doordat het een vroege bloeier is.

HOOFDSTUK 3 - 147


Soorten

Viburnus opulus - gelderse roos Uiterlijk: ronde struik, 1-4m hoog met een open takkenstructuur en tegenoverstaande knoppen. Blad: handvormig met 3 tot 5 spitse, getande lobben. Bovenaan kaal, onderaan behaard. Decoratief omwille van zijn karmijnrode herfstkleur. Bloei: in vlakke, 7-10cm brede tuilen met witte bloemen. De buitenste bloemen zijn steriel en dienen om insecten te lokken; de binnenste zijn fertiel en onopvallend voor het oog, maar bevatten nectar. Vrucht: roodglanzende trossen, sappig maar bitter. Ze zijn niet echt geliefd bij de vogels en zijn bijzonder slecht van geur. Resistentie: de bladeren van de gelderse roos worden zeer vaak aangevreten door insecten. Verspreiding: inheems in Vlaanderen, maar kent een beperkte verpreiding in het Meetjesland. Traditionele soort in de erfbeplanting. Standplaats: Gelderse roos is een beekbegeleidende soort, die houdt van voedselrijke bodems. Beheer: wordt vaak aangeplant in heggen of in de siertuin als solitaire struik. Hou rekening met de bodemvereisten. Waarde: goede nectarleverancier.

HOOFDSTUK 3 - 148


Soorten

HOOFDSTUK 3 - 149


Soorten

Spontane soorten in houtkant en bosrand

3.3

In bermen langs wegen of spoorwegen, als onderbegroeiing van dreven of bomenrijen, en als onderetage van bossen of houtkanten treffen we in het Meetjesland enkele typische soorten aan. Het zijn spontane, houtige gewassen waarvan sommige een belangrijke cultuurhistorische rol hebben in bepaalde landschappen, maar die nooit actief werden aangeplant. Het wordt aanbevolen om deze soorten te vrijwaren bij het beheren van houtkanten of bosranden. Ook hun ecologische waarde is immers van groot belang.

Cytisus scoparius - brem Uiterlijk: groeit uit tot maximaal 3m hoogte, zeer gelijkend aan de gaspeldoorn maar met fijne, leerachtige groene blaadjes en zonder doornen op de takken. Blad: onderaan de takken handvormig samengesteld, bovenaan enkelvoudig. Smal en groen van kleur, maar niet groenblijvend in de winter. De twijgen zijn vijfkantig en immer groen. Bloei: goudgeel van kleur, 2cm lang, bloeiend in mei-juni. Grote leverancier van stuifmeel en nectar, en dus zeer geliefd bij bijen en vlinders. Vrucht: zwarte peulen van 2,5 - 4 cm lang, onbehaard. Deze bevatten giftige zaden. Resistentie: weinig gevoeligheden, gedijt niet goed op te voedselrijke bodems. Verspreiding: de brem komt van nature voor op de armere gronden van de zandige gronden in het Meetjesland en elders in Vlaanderen, zoals (heide)gebieden in en rond Maldegemveld en langs spoorwegbermen. Standplaats: vestigt zich spontaan op de geschikte locaties, onder een bomenrij of langs een perceelgrens. Beheer: dient niet aangeplant te worden.

Soorten als brem en gaspeldoorn vestigen zich spontaan in de bermen en perceelsranden van het Maldegemveld

HOOFDSTUK 3 - 150

Waarde: de brem is geliefd bij insecten, zijn peultjes worden gelust door tal van zangvogels. De takken werden in vroeger tijden gebruikt om de kachel te ontsteken, en voor de bezembinderij. In de vendities van de 20ste eeuw is regelmatig sprake van de verkoop van â&#x20AC;&#x2DC;krakkerâ&#x20AC;&#x2122;.


Soorten

Hedera helix - klimop Uiterlijk: klimplant die zich vasthecht aan bomen en struiken, muren en draden door enerzijds spiraalvormig te groeien en anderzijds zich met behulp van luchtwortels te hechten aan de ondergrond. Stekken van twijgen die in boogvorm afhangen van de klimmende plant klimmen niet verder, zodat hieruit cultivars zijn ontwikkeld die als struik uitgroeien. Dit eveneens in tal van variaties qua bladvorm en groeiwijze. Blad: handvormig gelobd aan niet-bloeiende takken; eirond aan bloeiende takken. Wintergroen. Bloei: van september tot december, in bolvormige schermen die trosvormig gerangschikt zijn. Vrucht: dof zwarte trossen, rijp in de lente. Resistentie: kan last hebben van de bladvlekkenziekte: een schimmel die overwintert op gevallen bladeren en die gezonde bladeren aantast. Verspreiding: in het Meetjesland vindt men hem voornamelijk als ondergroei in het bos en de bosrand, en in tal van cultuurvariĂŤteiten in tuinen en parken. Standplaats: houdt van eerder vochtige bodems en verdraagt een zonnige standplaats even goed als (half)schaduw. Beheer: klimop treft men sporadisch aan in een gemengde houtkant, maar vooral in de ondergroei van bossen en bosranden. Het is een woekerplant in tuinen; in de vrije natuur domineert ze zelden. Hoeft niet aangeplant te worden. Waarde: niet enkel de bloemen zijn een belangrijke voedselbron voor vlinders en bijen in het najaar, ook bessen in het voorjaar zijn geliefd bij vogels.

HOOFDSTUK 3 - 151


Soorten

Humulus lupulus - hop Uiterlijk: een rechtswindende klimplant, behorend tot de hennepfamilie, met een bijzonder grote groeikracht (tot 10cm per dag), die ’s winters volledig afsterft bovengronds maar overleeft via wortelstokken. De stengels zijn bijgevolg smal en zelden verhout; ze hebben een typische hoekige structuur en zijn bezet met fijne haartjes die fungeren als weerhaakjes waarmee de plant zich vasthecht. Blad: enkelvoudig, breed eirond tot afgerond veelhoekig, met afgeronde voet en 3-5(-7) insnijdingen. Bloei: tweeslachtig, dus mannelijke en vrouwelijke bloemen komen op verschillende planten voor. Vrouwelijke bloemen hebben de vorm van kegelvormige ‘bellen’, waarvan de schutbladen bedekt zijn met klieren die het zogenaamde ‘lupuline’ bevatten. Dit wordt gebruikt voor het vervaardigen van bier. In de teelt van hop worden mannelijke planten geweerd, omdat zaadvorming het brouwproces niet ten goede komt. Vrucht: hopbellen waarin kleine zaden zich onder de schutbladen bevinden. Resistentie: hop is een erg resistente, vitale plant. Verspreiding: komt overal in Vlaanderen spontaan voor in bosranden en houtkanten. Standplaats: in alluviale (elzen)bossen, op oevers, in heggen,… Verkiest licht leemhoudende en goed doorwaterde bodems. Beheer: door het overleven via wortelstokken is de plant moeilijk te weren eens ze zich gevestigd heeft. Ze heeft echter geen woekerende eigenschappen, dus hoeft niet teruggedrongen te worden. Waarde: hop is een waardplant voor de gehakkelde aurelia.

HOOFDSTUK 3 - 152


Soorten

Lonicera periclymenum â&#x20AC;&#x201C; wilde kamperfoelie of geitenblad Uiterlijk: klimplant, tot 6m hoog, die onderaan weinig vertakt maar op haar hoogste punt in weelderige, bossige vorm overhangt. Jonge ranken zijn hol. Blad: kan gaafrandig, golvend en zelfs ook gelobd zijn. Mat, licht groen van kleur. Eirond lancetvormig met spitse top; 3-6cm. Bloei: juni-september, wit en geel. Scheef trechtervormig met een 3cm lange kroonbuis. Vrucht: trossen rode besjes die weinig zaden bevatten. Resistentie: niet gevoelig voor ziekten, wel geliefd door bladluizen. Verspreiding: komt overal in het Meetjesland voor in (broek)bossen en houtkanten. Standplaats: houdt van goed doorwaterde, licht voedselrijke bodems in (half)schaduw. Beheer: kamperfoelie kan zich als een liaan rond bomen winden, maar zal nooit woekeren of overheersen; hij heeft ook geen wurgend effect. Daarom is snoei niet noodzakelijk. De soort komt spontaan voor in nieuwe aanplantingen, en hoeft dus niet geplant te worden. Waarde: de bessen zijn erg geliefd bij vogels; de bloemen bij insecten met een roltong zoals (nacht)vlinders. In het warrige bovendeel van de struik bouwen velerlei zangvogels hun nest.

HOOFDSTUK 3 - 153


Soorten

Rubus fruticosus â&#x20AC;&#x201C; braam Uiterlijk: een houtige, gestekelde plant, behorend tot de rozenfamilie. Onder de soorten bestaan er meer dan 600 soorten, alle hybriden; enkel de wilde soort wordt hier besproken. De stengels zijn overblijvend, de wortels vormen vaak wortelopslag. De tweejarige stengels dragen vruchten en de top vormt opnieuw wortels van zodra hij de grond raakt. Blad: rond tot elliptisch, 3- 5- of 7-tallig met gezaagde bladrand. De onderzijde is gestekeld. Bloei: juni â&#x20AC;&#x201C; augustus, grijsgroen met een witte rand. Donkere meeldraden. Vrucht: de welbekende braambessen, geliefd bij mens en dier, zijn eerst rood en later zwart van kleur. Ze bevatten tientallen deelvruchtjes per bes. Resistentie: braam heeft geen specifieke belagers, uitgenomen meeldauw waar de soort geen hinder van ondervindt. Ook enkele schimmels of de bramengalmijt durven al eens toe te slaan, maar braam regenereert continu via wortelopslag. Verspreiding: overal in Vlaanderen inheems. Standplaats: verkiest een matig voedselrijke standplaats, in zon of halfschaduw. Bijgevolg treft men hem aan in bosranden en ruigten, in heggen, op heidegrond en langs spoordijken. Beheer: braam is soms moeilijk te beheren omwille van de vele stekels, en voortdurende regeneratie. Deze plant hoeft dan ook niet aangeplant te worden. Waarde: een spontane soort met grote waarde voor vlinders en andere insecten. Voor verschillende vlindersoorten is het een waardplant.

HOOFDSTUK 3 - 154


Soorten

Ulex europeaus - gaspeldoorn  Uiterlijk: groeit uit tot maximaal 3m hoogte, zeer gelijkend aan de brem maar met lange doornen op de takken. Groenblijvend in de winter. Blad: naaldvormige doornen van 1,5-2,5cm lang, diepgegroefd en stijf. In jong stadium zijn ze nog zacht en eetbaar voor dieren. Bloei: goudgeel van kleur, bloeiend in mei-juni. Grote leverancier van stuifmeel en nectar, en dus zeer geliefd bij bijen en vlinders. Vrucht: zwarte peulen van 1-2cm lang, behaard. Deze bevatten giftige zaden. Resistentie: niet volledig winterhard; kan in strenge winters doodvriezen.

Vorstschade bij gaspeldoorn

Verspreiding: de gaspeldoorn is inheems, maar zeldzaam in het Meetjesland. Hij komt van nature voor op de armere gronden van de (heide)gebieden in en rond Maldegemveld en langs de bermen van het kanaal Brugge-Oostende. Standplaats: komt als wilde soort voor op de geschikte locaties, onder een bomenrij of langs een perceelgrens. Beheer: kan aangeplant worden op plaatsen waar hij ook spontaan voorkomt. Waarde: de gaspeldoorn is zeer geliefd bij paapjes en tapuiten.

HOOFDSTUK 3 - 155


Nuttige adressen

Nuttige adressen Agentschap voor Natuur en Bos (ANB), Oost-Vlaanderen Gebr. Van Eyckstraat 2-6, 9000 Gent Tel.: 09 265 46 40 / Fax: 09 265 45 88 E-mail: ovl.anb@vlaanderen.be

Onroerend Erfgoed

Agentschap voor Onroerend Erfgoed Oost-Vlaanderen (AOE) Gebroeders Van Eyckstraat 4-6, 9000 Gent Tel.: 09/265 46 18 / Fax: 09/265 46 00 E-mail: oost-vlaanderen@onroerenderfgoed.be

Bosgroep, Oost-Vlaanderen Noord PAC Het Zuid, Woodrow Wilsonplein 2, 9000 Gent Tel.: 09/267 78 60 / Fax: 09/267 78 00 E-mail: sylvie.mussche@oost-vlaanderen.be

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) Kliniekstraat 25, 1070 Brussel Tel.: 02 525 02 00 / Fax: 02 525 03 00 E-mail: info@inbo.be

Jeugdbond voor Natuur en Milieu (JNM), hoofdzetel Kortrijksepoortstraat 192, 9000 Gent Tel.: 09 223 47 81 / Fax: 09 223 28 05 E-mail: info@jnm.be Contactadres voor JNM afdeling Aalter, Eeklo en Krekenland

Koninklijke Vlaamse Imkersbond (KonVIB), Oost-Vlaanderen Maurice De Waele: Krekelberg 16, 9860 Balegem Tel.: 09 362 83 69 E-mail: mauricedewaele@yahoo.com

Landelijke gilden en Boerenbond, Oost-Vlaanderen Denen 157, 9080 Lochristi Tel.: 09 243 88 20 / Fax: 09 243 88 30 E-mail: oostvlaanderen@landelijkegilden.be

156


Nuttige adressen

Gemeentelijke milieudiensten Gemeente Assenede 09 341 95 92 Gemeente Eeklo 09 218 28 20 Gemeente Kaprijke 09 323 90 26 Gemeente Knesselare 09 325 74 54 Gemeente Lovendegem 09 370 70 30 Gemeente Maldegem 050 72 86 13 Gemeente Nevele 09 321 92 46 Gemeente Sint-Laureins 09 218 76 40 Gemeente Waarschoot 09 250 59 17 Gemeente Zomergem 09 370 75 75

milieu@assenede.be milieudienst@eeklo.be milieu@kaprijke.be md@knesselare.be gemeentebestuur@lovendegem.be milieudienst@maldegem.be milieudienst@nevele.be milieu@sint-laureins.be duurzaamheid@waarschoot.be milieu@zomergem.be

Nationale Boomgaardenstichting vzw (NBS) Leopold III straat 8, 3724 Vliermaal Tel.: 012/39.11.88 / Fax: 012/74.74.38 E-mail: info@boomgaardenstichting.be

Natuurpunt en Partners Meetjeland vzw (NPM) Stationsgebouw, Koningin Astridplein 1, 9900 Eeklo Tel: 09 377 93 00 E-mail: info@NPMeetjesland.be

Natuurpunt afdelingen Aalter Eeklo-Kaprijke-Evergem Lovendegem Maldegem-Knesselare Meetjeslandse Kreken Nevele â&#x20AC;&#x201C; De Ratel Waarschoot en Nevele Zomergem

09 375 01 88 09 377 68 73 09 372 89 28 09 374 76 83 09 379 00 68 09 371 84 33 09 330 60 32 09 372 07 81

aalter@NPMeetjesland.be eeklo-kaprijke-evergem@NPMeetjesland.be natuurpunt.lovendegem@skynet.be natuurpuntmk@yahoo.com bart.vandevoorde@info.be deratelnevele@NPMeetjesland.be vandenbosschepaul@hotmail.com info@natuurpuntzomergem.be

Plant van Hier Lichtaartsebaan 45, 2460 Kasterlee Tel.: 014 85 25 14 / Fax: 014 85 90 21 info@plantvanhier.be

157


Nuttige adressen

Polderbesturen Generale Vrije Polder Isabellapolder Slependammepolder Zwarte Sluispolder Watering de Burggravenstroom Watering De Waegemakersstroom

09 379 96 67 09 357 57 70 09 379 86 95 09 344 55 19 09 357 57 70 09 328 57 71

arseengoossens@telenet.be info@isabellapolder.be griffier@slependammepolders.be zwartesluispolder@telenet.be info@burggravenstroom.be wagemakerstroom@telenet.be

Provincie Oost-Vlaanderen Gouvernementstraat 1, 9000 Gent Tel.: 09 267 80 00 / Fax: 09 267 80 99 info@oost-vlaanderen.be

Regionaal Landschap Meetjesland vzw (RLM) Marktstraat 65, 9990 Maldegem Tel.: 050/70 00 42 / Fax: 050/70 00 41 E-mail: info@RLM.be

Ruimtelijke Ordening Oost-Vlaanderen Gebroeders Van Eyckstraat 4-6, 9000 Gent Tel.: 09/265 45 11 / Fax: 09 265 45 01 E-mail: ruimtelijkeordening.ovl@rwo.vlaanderen.be

Vereniging voor Bos in Vlaanderen (VBV) Geraardsbergsesteenweg 267, 9090 Gontrode Tel.: 09/264 90 55 / Fax: 264 90 92 E-mail: Info@vbv.be

Vlaamse Landmaatschappij (VLM), Oost-Vlaanderen Ganzendries 149, 9000 Gent Tel: 09 244 85 00 / Fax: 09 244 85 99

Vlaams Nederlandse Imkersfederatie vzw (VNIF) Joseph Caboor: Stenenmolenstraat 2, 9940 Ertvelde Tel.: 0475/741847 E-mail: joseph.caboor@gmail.com

158


Nuttige adressen

Vereniging Voor Openbaar Groen vzw (VVOG) Predikherenlei 1c, 8000 Brugge Tel.: 050 33 21 33 / Fax: 050 33 20 62 info@vvog.info Waterwegen en Zeekanaal NV (WenZ) Oostdijk 110, 2830 Willebroek Tel.: 03 860 62 11 / Fax: 03 860 62 00 info@wenz.be

Wildbeheerseenheden (WBE) Regio Meetjesland Westeindestraat 63, 9990 Maldegem Tel.: 050 71 29 55 / Fax: 050 71 07 07 E-mail: Provinciaalcomite.ovl@skynet.be Contactadres voor WBE Canteclaer, De Twee Ambachten, Generale Vrije Polders, Laagland, Langs de Hoge Kale, Meetjesland-Noord, Moerstuiver-Damkeuken, Rond Kale Lieve en Burggrave, Stoepe-Houtland, Tussen Leie en Schipdonk, zoetendaele en Polders TMVW Stropkaai 14, 9000 GENT Tel.: 078 35 35 99 E-mail: info@tmvw.be

159


Bibliografie

Bibliografie Mondelinge bronnen • • • • • • •

Borlé Maria: gepensioneerd landbouwster, Maldegem-Kleit De Meirsman, Regi: erfgoedconsulent Landschappen De Bock, Paul: gepensioneerd landbouwer, Assenede De Deyne, Paul: gepensioneerd landbouwer, Maldegem-Donk DeWagter, Oscar: gepensioneerd schrijnwerker, Hansbeke Riebbels, Angela: vrijwilligster in de gemeente Waarschoot. Van den Bremt, Paul: Teamcoördinator Onderzoek Landschap - Erfgoedonderzoeker landschappen (historische ecologie) • Van de Voorde, Henri en echtgenote: gepensioneerd klompenmaker, Bassevelde • Van Heule, André: gepensioneerd landbouwer, Nevele • Van Leeuwe, Marcel en echtgenote: gepensioneerde landbouwers en hagenvlechter

Literatuur BAUER, R. “De Lage Landen, Een geschiedenis in de spiegel van Europa”, Lannoo, Tielt, 1994. BRAUN, T. e.a., “Le miroir de la belgique”, Societé Nationale d’Editions Artistiques, Bruxelles-Paris, 1927. BURM, P. en HAARTSEN, A., “Boerenland als natuur, Verhalen over historisch beheer van kleine landschapselementen”, Matrijs, Utrecht, 2003. DE CANDT, C. en KERKHOF, B. (red.), “Blauwdruk België, De architecten van onze landsgrenzen”, Snoeck, Gent, 2005.

DE KRAKER, A.M.J., “Landschap uit Balans, De invloed van de natuur, de economie en de politiek op de ontwikkeling van het landschap van de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe tussen 1488 en 1609”, Matrijs, Utrecht, 1997. DE POTTER, F. en BROECKAERT, J., “Geschiedenis van de gemeenten der Provincie Oost-Vlaanderen”, Familia et Patria, Handzame, 1973. DE VOS, A., in “Ons Meetjesland, tijdschrift voor Heemschut, Volkskunde en Geschiedenis”, jrg. 11, 1978, nr. 3, pg 105-115.

DENORME, E., VANLERBERGHE, M., “Vademecum Plant van Hier”, Vereniging voor Bos in Vlaanderen, Gontrode, 2011.

GAUS, H., “Politieke en sociale evolutie van België. Deel 1”, Garant, Leuven-Apeldoorn, 1992. HAVERBEKE, J., “Bijdrage tot de toponymie van de Meetjeslandse polderdorpen, Masterproef” 20092010.

DE HOON, A., “Monographie agricole du district d’Eecloo, de Caprijck et d’Assenede dans la Flandre orientale, Journal d’Agriculture pratique 6”, 1853.

HERMY, M. en DE BLUST, G., “Punten en lijnen in het landschap”, Stichting Leefmilieu, Schuyt & Co, Van De Wiele, Natuurreservaten, WWF, Instituut voor Natuurbehoud, Brugge, 1997.

160


Bibliografie

HERMY, M., DE BLUST, G., SLOOTMAEKERS, M., “Natuurbeheer”, Davidsfonds, Argus vzw, Natuurpunt vzw en het IN, Leuven. 2004. HET GETROUWE MALDEGEM, editie 9 november 1902, De Lille, Maldegem, 1902. HEYBROECK, H.M., GOUDZWAARD, L. en KALJEE, H., “Iep of Olm. Karakterboom van de Lage Landen”, KNNV, Zeist, 2009. JANSSEN, P., “De Gouden Delta der Lage Landen. Twintig eeuwen beschaving tussen Seine en Rijn”, Mercatorfonds, Antwerpen, 1996. MAES, B., BASTIAENS, J., BRINKKEMPER, O., DEFORCE, K., MAES, B., RÖVEKAMP, C., VAN DEN BREMT, P., ZWAENEPOEL, A. “Inheemse bomen en struiken in Nederland en Vlaanderen”, Boom, Amsterdam, 2006. MINKJAN, P. en KRUK, M., “Het knotbomenboek voor Nederland en Vlaanderen”, KNNV, Zeist, 2010. NOTTEBOOM, H. e.a., “De Lieve, tscoenste juweel dat de stede heeft”, De Gentsche Lieve, Wondelgem, 2008.

Van Strydonck, M. e.a. “De Schelde. Verhaal van een Rivier”, Davidsfonds , Leuven, 2000. VERBEKE, M., in: “Ons Meetjesland, tijdschrift voor Heemschut, Volkskunde en Geschiedenis”, jrg. 12, 1979, nr. 2, pg 49-54. VERBEKE, M., in: “Ons Meetjesland, tijdschrift voor Heemschut, Volkskunde en Geschiedenis”, jrg. 12, 1979, nr. 4, pg 163-166. VERBEKE., M. in: “Ons Meetjesland, tijdschrift voor Heemschut, Volkskunde en Geschiedenis”, jrg. 13, 1980, nr. 2, pg 64-76. ZWAENEPOEL, A., “Cultuurhistorie, natuurwaarde en enkele economische aspecten van bomenrijen in West-Vlaanderen”, WVI, Brugge, 2006. ZWAENEPOEL, A., “Inventarisatie van traditionele knotbomen als leidraad voor natuur- en landschapsonderhoud en –herstel in West-Vlaanderen”, WVI, Brugge, 2005. ZWAENEPOEL, A., COSYNS, E., MAES, B., RÖVEKAMP, C., OPSTAELE, B., DE WETTINCK, H., “Oorspronkelijk inheemse bomen en struiken in de houtvesterijen Brugge en Gent. Onderzoek naar autochtone genenbronnen in Vlaanderen”. WVI, Brugge. 2005.

Paassen, A. e.a., “Handboek Agrarisch Natuurbeheer”, Landschapsbeheer Nederland, 1998. Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren, “Leren Beheren. Agrarisch natuur- en landschapsbeheer”, Kortessem, 2010. STOCKMAN, L. in: ‘Ons Meetjesland, tijdschrift voor Heemschut, Volkskunde en Geschiedenis”, jrg. 4, 1971, nr. 1, pg 33-34. TACK, G., VAN DEN BREMT, P., HERMY, M. en CHARLIER, “Bossen in Vlaanderen. Een historische ecologie”. Davidsfonds, Leuven, 1993. VANHECKE, L. e.a, “Landschappen in Vlaanderen Vroeger en Nu, Van Groene Armoede naar Grijze Overvloed”, Nationale Plantentuin van België, Meise, 1981.

161


Bibliografie

Digitale bronnen www.museumkennis.nl/nnm.dossiers/museumkennis/i004504.html determinatie.tripod.com/els.html www.hoogstamboomgaard.be www. boomgaardenstichting.be www.rlgc.be www.rlzzz.be www.edepot.wur.nl wwww.chbeheer.nl www.natuurkennis.nl www.meerskant.org/knotbomen.htm www.boomzorg.nl www.getrouwemaldeghem.cname.vandenbroele.be

Kaartmateriaal INSTITUT CARTOGRAPHIQUE MILITAIRE, “Carte Topographique de la Belgique”, 1895. LEMOINE-ISABEAU, Cl., “Les militaires et la cartographie des PaysBas et de la Principauté de Liège à la fin du XVII et au XVIII siecle”, Bruxelles, kopie 1984. NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT, “Fragment uit de topografische kaart van de omgeving Sint Laureins en Zomergem”, 2001. Toelating A2648. TIRION, J., “Nieuwe Kaart van het Westelykste Gedeelte van StaatsVlaanderen”, 1747. MILITAIR CARTOGRAFISCH INSTITUUT, uittreksel omgeving Sint-Laureins, 1912. UNIVERSITAIRE PERS LEUVEN, “Het Brugse Vrije in Beeld”, Canaletto, 1998.

162


Colofon

Colofon Van Tronken en Kanten, Aan de slag in het Meetjesland

Redactie: Eli Vandecasteele Ralph Maréchal Véronique De Bleeker Viola Van Rossum Bert Vermeire Met bijzondere dank aan: Regi De Meersman Agentschap Onroerend Erfgoed Filip Jonckheere Vlaamse Landmaatschappij Jan Menschaert Agentschap voor Natuur en Bos Wim Slabbaert Natuurpunt Paul Van den Bremt Agentschap Onroerend Erfgoed Luc Van de Ryse Provincie Oost-Vlaanderen Nele Van Maele Agentschap Onroerend Erfgoed Dirk Waelput Stad Eeklo Foto’s: Regionaal Landschap Meetjesland, tenzij anders vermeld Vormgeving, illustraties: de Zetterij v.o.f., Eeklo Druk: De Maertelaere bvba, Aalter Datum van uitgave: december 2011 Wettelijk depot: D/2011/12.757/1 Wijze van citeren: VANDECASTEELE, E., MARECHAL, R., DE BLEEKER, V., VAN ROSSUM, V., VERMEIRE, B. Van Tronken en Kanten - Aan de slag in het Meetjesland, RLM, Maldegem, 2011. © 2011, Regionaal Landschap Meetjesland


van en Aan de slag in het Meetjesland Bomenrijen, knotbomen, hagen en boomgaarden bepalen mee het uitzicht van landschappen in het Meetjesland. Ze verfraaien niet enkel het landschap, maar bieden leefruimte aan talloze dieren en planten en behoren tot ons cultureel erfgoed. Deze gids biedt een leidraad voor al wie karakteristieke landschapselementen wil aanplanten en beheren in het Meetjesland. Naast een overzicht van de verscheidenheid aan landschappen en de houtige elementen die deze landschappen typeren, tonen de vele praktische voorbeelden hoe houtige landschapselementen vandaag in het Meetjesland kunnen worden ingepast. Een handige lijst met streekgebonden plantensoorten toont de lezer welke soort op welke plaats thuishoort. Met deze gids hoopt het Regionaal Landschap Meetjesland vzw de besturen en haar inwoners aan te moedigen om kleine landschapselementen te beheren en te herstellen.

Onroerend Erfgoed

Het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling Europa investeert in zijn platteland


van Tronken en Kanten