Issuu on Google+

2/2011 FESTIVAL OUDE MUZIEK 2011: ROMA - CITTÀ ETERNA OPENINGSVOORSTELLING DOOR ROSAS & GRAINDELAVOIX / PALESTRINA, PRINCIPE DELLA MUSICA / CORELLI: KLEIN OEUVRE GROTE INVLOED / INTERVIEWS MET: XAVIER VANDAMME, GIUSEPPE MALETTO, BRUCE DICKEY, ANNE TERESA DE KEERSMAEKER & BJÖRN SCHMELZER / EN NOG VEEL MEER…


Opera in en op de vijver van

Paleis Soestdijk

OrfeO euridice ed

3 juni 23 juli t/m

Regie: Jos Thie | Muziek: Christoph Willibald von Gluck

kaartverkoop: 030 - 27 37 373

www.deutrechtsespelen.nl in samenwerking met:


Om te beginnen

2 Roma – città eterna Van de redactie

INTERVIEWS Xavier Vandamme presenteert zijn tweede Festival 4 ‘Inhoud is ons enige bestaansrecht’ Jolande van der Klis

Anne Teresa De Keersmaeker en Björn Schmelzer openen het Festival 10 Ars subtilior: intrinsiek dansant Dominike Van Besien

Peter Van Heyghen: ‘Alle barokkunst is met elkaar verbonden’ 30 Een Romeinse Vivaldi in Utrecht Agnes van der Horst

Giuseppe Maletto belicht het ­Italiaanse madrigaal 42 Prima, seconda en terza prattica

IN MEMORIAM 1913-2011

16 Johan van der Meer, dirigent Groningse

Bachvereniging Jolande van der Klis

KLEINE INTERVIEWS Bas/luitist/harpist Nicolas Achten:

9 ‘Tegelijk zingen en spelen heeft een

grote meerwaarde’ Giovanna Pessi:

15 ‘De harp hoort er nu echt bij’

Sabine Lutzenberger:

29 ‘De Romeinse kerk­muziek begint bij de

Grieken’

Jan Van den Bossche

Concerto Palatino speelt Missa Monica van Frescobaldi 54 ‘Het gaat nu om de grote werken’

Patrizia Bovi:

35 Nieuw licht op Lucrezia Borgia

Frank Agsteribbe:

Paul Janssen

41 ‘Frescobaldi en Cage net zo vernieuwend’

ARTIKELEN

47 Het muzikale voorland van Du Fay

Kees Boeke over:

Nieuwe editie moet Palestrina vaker tot klinken brengen 18 Palestrina: Principe della Musica Jolande van der Klis

Egidius Kwartet & College eert grensverlegger Arcadelt 24 Een trendsetter in Rome

Egidius Kwartet: 53 Leidse Koor­boeken deel 2 Regisseurs­duo Timmers-Koen: 59 Haydns Jahres­zeiten als milieuvraagstuk Regisseur Jos Thie: 61 Glucks Orfeo ed Euridice op Soestdijk

Peter de Groot

Cantica Symphonia zingt en speelt Guillaume Du Fay 36 Het motet als geschiedenisles

RUBRIEKEN

60 Berichten 62 Boekbesprekingen 64 Cd-besprekingen Arcangelo Corelli’s zes opusnummers in het 74 Discografie / Cursussen 76 Festivals / Mini-advertenties Festival 78 Vriendenaanbiedingen 48 Klein oeuvre, grote invloed 80 Colofon Marcel Bijlo

INHOUD

Matthijs Boswijk

1


2


OM TE BEGINNEN

ROMA – CITTÀ ETERNA VAN DE REDACTIE

Het dertigste Festival Oude Muziek is in aantocht. Daarom in dit nummer volop aandacht voor de gevarieerde programmering, die zich laat bundelen onder de noemer Roma – città eterna. Een buitengewoon rijk thema dat bovendien, anders dan vorig jaar, muziek van de vroege Middeleeuwen tot de late Barok bevat. Festival­directeur Xavier Vandamme bijt de spits af in een interview over inhoud en achtergronden van zijn tweede Festival. Vervolgens vertellen Anne Teresa de Keersmaeker van dansgroep Rosas en Björn Schmelzer van Graindelavoix over hun eerste zinderende samenwerking, die heeft geresulteerd in de prestigieuze en gloednieuwe openingsvoorstelling Cesena. Daarin draait het allemaal om Avignon, de plek in Frankrijk waar gedurende het grootste deel van de veertiende eeuw de pausen zetelden, en een stad die gezien moet worden als de bakermat van de Italiaanse Renaissance. Verder treft u in dit nummer artikelen over de vier hoofdcomponisten van dit Festival: Du Fay, Palestrina, Frescobaldi en Corelli, en interviews met de musici die ieder op hun eigen wijze hun visie op de muziek zullen geven. Ook leest u alles over de eerste editie van de Summer Academy Early Music, in samenwerking met de conservatoria van Den Haag en Utrecht gehouden in de week voorafgaand aan het Festival. Daar worden door een heel team oude-muziekspecialisten aan de jongste generatie professionals de laatste fijne kneepjes van het vak bijgebracht. De resultaten van hun gezamenlijke inspanningen zullen uiteraard in het Festival te beluisteren zijn. Met ruim honderd festivalconcerten en -evenementen is de hoeveelheid onderwerpen die zich aandient zo overweldigend, dat ook het volgende nummer van dit ­Tijdschrift helemaal gewijd zal zijn aan het komende Festival Oude Muziek. Wat ons niet heeft verhinderd u tussen de bedrijven door bij te praten over ander leuke evenementen op oude-muziekgebied in de komende periode. De voorlopige conclusie: het wordt een heel mooi zomer voor de oude muziek!

3


TEKST BEELD

JOLANDE VAN DER KLIS TAMAR BRÜGGEMANN

‘INHOUD IS ONS ENIGE BESTAANSRECHT’ XAVIER VANDAMME PRESENTEERT ZIJN TWEEDE FESTIVAL

Xavier Vandamme presenteert zijn tweede Festival

‘INHOUD IS ONS ENIGE BESTAANSRECHT’

4


XAVIER VANDAMME .INTERVIEW

Het Festival Oude Muziek viert deze editie zijn dertigste verjaardag. Voor directeur Xavier Vandamme wordt het zijn tweede Festival. Vorig jaar maakte hij een vliegende start met een erg feestelijk maar strak monothematisch Festival onder de noemer Louis Quatorze. Een waagstuk, dat echter beloond werd met een gestegen bezoekersaantal. Dit jaar vallen de festivalconcerten wederom onder één overkoepelende noemer, maar met het thema Roma - città eterna komt toch een veel ruimer tijdvak aan bod. Daardoor zal dit Festival een totaal ander gevoel geven en bovendien ook liefhebbers van Middeleeuwen en Renaissance ruimschoots bedienen. Xavier Vandamme denkt nog steeds met blijdschap terug aan het Festival van 2010, waarin de Versailles-Barok centraal stond. ‘De programmering was erg coherent, elk concert verwees naar het volgende. Dat maakte het Festival tot een dicht weefsel, heel erg gericht op ervaring van de muziek en verdieping in de historische context waarin die is ingebed. Met de omkadering door de extra elementen, zoals de Pandhof als nieuw Festivalcentrum, het mooie Hemsch-klavecimbel uit 1751 als instrument in residence en de middernachtconcerten, heb ik het geheel een gevoel van eenheid willen geven. En blijkbaar is dat ook overgekomen: veel mensen waren er blij mee. Iemand zei me zelfs: “Het Festival is echt aan zijn tweede jeugd begonnen.” Een groter compliment konden we als team niet krijgen.’ Dat neemt niet weg dat er vorig jaar ook risico’s zijn genomen: de Franse muziekliteratuur leidt in Nederland een tamelijk marginaal bestaan, en daar dan een heel Festival aan wijden… ‘Dat is helemaal waar. Ik ben ook van alle kanten gewaarschuwd dat het kamikaze was. Dat zette me natuurlijk aan het denken: zou ik water bij de wijn doen? Maar na ampele overweging heb ik juist het omgekeerde gedaan: ik koos ervoor een heel sterk

programma neer te zetten, met veel nieuw repertoire, veel nieuwe muzikanten, maar ook grotere producties, dus in die zin wel degelijk voor elk wat wils. Maar de coherentie bleef: we hebben de cocktail net nog wat sterker gemaakt, zodat iedereen kon zien dat het ons menens was en dat we echt in dit repertoire geloven. Blijkbaar is die boodschap, gezien de stijging van de bezoekersaantallen, helder geweest.’ Toch kwam niet iedereen helemaal aan zijn trekken: de liefhebbers van muziek uit Middeleeuwen en Renaissance bijvoorbeeld. Hoe zal dat in dit Festival zijn? ‘Dat gaan we dit jaar helemaal goedmaken, want het komende Festival is wel aan een plaats maar niet aan een tijdvak of stijlperiode gekoppeld. Het thema, Roma - città eterna, is zeer breed en biedt muziek van Middeleeuwen tot en met de Barok, met uitstapjes naar de pregregoriaanse periode en zelfs Liszt. Het is zo’n rijk thema dat je gewoon niet goed weet waar je moet beginnen, heel anders dan Frankrijk vorig jaar. Daar werd onder Lodewijk XIV één propagandasysteem ontwikkeld waarin de kunsten een centrale marketingrol vervulden, met een explosie van activiteit en kwaliteit in de kunsten als gevolg, die een eeuw duurde. Rome heeft daarentegen juist een heel lange en gecompliceerde geschiedenis, zowel historisch gezien als kunsthistorisch en muzikaal.’ ROMA - CITTÀ ETERNA Hoe belangrijk is eigenlijk die kunsthistorische achtergrond bij dit Festival? Rome is complex en gelaagd als een tompoes: je vindt er antieke tempels waar een middeleeuwse kerk van is gemaakt, met een renaissance-gevel ervoor en een barokke koepel erop. De vergane glorie van de antieke wereld was na de val van het Romeinse Rijk nog altijd zichtbaar in het stadsbeeld, of eerder in het plattelandsbeeld, want het forum werd weiland voor vee, met tempels die half boven de grond uitstaken. Tegelijk was Rome natuurlijk de plek waar Petrus begraven ligt, een bedevaartsplek, 5


INTERVIEW. XAVIER VANDAMME

maar ook een bestuurlijke plek voor de Kerk die na een bloedige start uiteindelijk in de openbaarheid kon treden en van Rome opnieuw een Europees centrum maakte. In de late Middeleeuwen liep de ontwikkeling van Rome een deuk op toen het hele pausdom decennia lang in Avignon verbleef, maar met de terugkeer naar Rome brak een nieuwe tijd aan. Het humanisme veroorzaakte een heel nieuwe interesse voor wat er in Rome allemaal in de grond stak, voor de antieke cultuur. Het is dan ook geen toeval dat de pausen zich wat later het aura van de Romeinse keizers wilden aanmeten. Laat ons vooral niet vergeten dat de Kerk niet alleen een geestelijke, maar ook een belangrijke wereldlijke macht nastreefde en verdedigde. Vergeet het beeld van Woytila of Ratzinger: de kerkvorsten zijn vanaf de vijftiende eeuw ware prinsen, afkomstig van de meest vooraanstaande en immer concurrerende Romeinse adellijke families, en omringd met de nodige pracht en praal. Dat veroorzaakte een eeuw later een tegenbeweging, gepersonifieerd in de kwade augustijner monnik Luther, die de strijd aanging. Wat er dan gebeurt, is een enorme culturele omwenteling: de Reformatie en vervolgens de Contrareformatie. Ook in die turbulente tijd is Rome een centrum dat zichzelf probeert overeind te houden, daar gedeeltelijk in slaagt maar tegelijk ook definitief te laat is met zijn reactie. De weelde waarmee de renaissancevorsten zich omhulden nam tijdens de latere Contrareformatie trouwens zeker niet af: Rome werd met zijn nieuwe, dramatische architectuur een enorm theaterdecor. Al die ontwikkelingen, bewegingen en tegenbewegingen zie je terug in de stedelijke planning, in de beeldende kunst en in de muziek.’ Een complex verhaal. Hoe ga je dat in tien dagen ­vertellen? ‘Daarmee hebben mijn artistiek assistent Albert Edelman en ikzelf heel lang geworsteld, want complexiteit op zich is natuurlijk niet interessant. Dat wordt het pas als je er richting of sturing aan kunt 6

geven, als je hypothesen kunt lanceren die de historische realiteit een mooi iriserend effect meegeven. Je moet dus keuzes maken in wat je wil laten zien, welke doorkijkjes en perspectieven je wil aanbrengen in je festivaltuin. We hebben uiteindelijk gekozen voor vier componisten, die de kariatiden zijn waarop ons hele verhaal rust: Du Fay, Palestrina, Frescobaldi en Corelli. Vier vooraanstaande figuren die ieder op hun eigen manier school hebben gemaakt. Maar ook die vier zijn ingekaderd, zodat het thema Rome echt een fundament krijgt. De festivalopening Cesena, een gloednieuwe dansvoorstelling door het Belgische dansgezelschap Rosas van Anne Teresa de Keersmaeker, is wat dat betreft meteen een statement: daarin brengt Graindelavoix repertoire uit Avignon, de plek van de Franse pausen, het antiRome eigenlijk. Dat is veel meer dan een gimmick: in Avignon komt namelijk de Franco-Vlaamse polyfonie tot wasdom, en die is cruciaal voor de muziek die zich later, als de pausen terugkeren naar Italië, in Rome ontwikkelt.’ DU FAY EN PALESTRINA Du Fay is nog helemaal de vertegenwoordiger van die Noord-Europeanen in Rome, maar met de Italiaan Palestrina komt daarin verandering. Hij componeerde een gigantisch oeuvre bij elkaar, dat al twee keer compleet is uitgegeven. Toch lijdt zijn muziek een marginaal bestaan op onze concertpodia. ‘Dat is eigenlijk een heel vreemd fenomeen. Palestrina was een absolute grootheid in zijn tijd. In onze tijd geniet hij nog altijd een enorme status, alleen: veel enthousiasme zal je niet opwekken als je zijn naam noemt. Zijn muziek wordt geassocieerd met saai, niet vernieuwend, met polyfonie volgens de regels van de kunst. Nog even afgezien van de vraag of de gemiddelde renaissance-componist vernieuwing als grootste ambitie koestert: wie kent eigenlijk Palestrina’s 104 missen? Wie zijn 96 madrigalen? Wie de honderden motetten? De muziek die nog wel eens van hem wordt uitgevoerd, beperkt zich tot een


XAVIER VANDAMME .INTERVIEW

paar missen, de Missa Papae Marcelli voorop omdat daar de anekdote aan hangt als zou Palestrina met die mis de polyfone kerkmuziek hebben gered.’ ‘Kijk, die lauwe reputatie van Palestrina is een bedenksel van de oude-muziekbeweging van na de Tweede Wereldoorlog, een cliché dat iedereen graag overneemt en verkondigt. Maar ik ben niet geïnteresseerd in meninkjes, ik wil het graag houden bij dat waar het om gaat: de muziek zelf dus. Nu er wordt gewerkt aan een compleet nieuwe editie van Palestrina’s oeuvre [zie ook elders in dit nummer; red] komt er zoveel verrassends over de uitvoeringspraktijk van zijn muziek boven water, dat we gemeend hebben dat de muziek die op dit Festival van Palestrina klinkt, zoveel mogelijk uit die nieuwe editie moet worden gezongen. Op een enkele uitzondering na is dat ook gelukt: bijna iedere festivaldag wordt er een mis van Palestrina uitgevoerd. Ook klinken zijn motetten en madrigalen. Ik heb goede hoop dat we op die manier het werk van een van de allergrootste renaissance-componisten in ere zullen herstellen. Of daar althans een bijdrage aan leveren, net zoals we dat vorig jaar met de Franse Barok hebben gedaan. Ik vind dat onze missie: om ons publiek de kans te geven zelf te oordelen, los van de waan van de dag, op basis van de goede, dus muzikale argumenten. Als je het daarna alsnog helemaal niks vindt, dan weet je tenminste waarover je het hebt.’ FRESCOBALDI EN CORELLI Van Frescobaldi zal bijna dagelijks klaviermuziek ­worden uitgevoerd. ‘Dat niet alleen: er zal ook kamermuziek van hem klinken, de Missa Monica en een orgelmis. Als je bedenkt dat Frescobaldi zijn werk niet eens zolang na dat van Palestrina componeerde, dan is het ongelooflijk om te horen wat er in die tijd allemaal is gebeurd. De schitterende kleuren van Frescobaldi komen aan bod in vele vormen, maar de reeks klavierrecitals wordt iets heel speciaals. Daarvoor

kunnen we, dankzij Het Markiezenhof in Bergen op Zoom, beschikken over een prachtig origineel zeventiende-eeuws Italiaans klavecimbel. Daarnaast halen we ook een schitterend Italiaans orgeltje uit 1713 naar Utrecht. Dat zijn echt festivalwaardige onderdelen van het programma, waarmee we heel wat liefhebbers gelukkig maken.’ In tegenstelling tot de andere drie festivalcomponisten heeft Corelli maar een piepklein oeuvre nagelaten. Waarom dan toch voor hem gekozen? ‘In de eerste plaats omdat het zulke weldadige muziek is. Corelli’s taal is krachtig, poëtisch en zonder meer ontroerend door de schitterende harmonieën. Het is de ideale muziek als je violisten in huis kunt halen die niet alleen met de linkerhand, maar ook met de stok virtuoos weten om te gaan. Elke noot moet zijn eigen vorm krijgen, en dat soort klankdenken is niet voor iedereen weggelegd. Maar nog los van mijn persoonlijke liefde voor deze klankvirtuoos: Corelli is natuurlijk de Romeinse componist die de meeste invloed heeft gehad in heel Europa. Zijn stijl is door Jan en alleman gekopieerd. Händel, Locatelli en Geminiani voorop, en zelfs Bach die een orgelfuga schreef op een thema uit Corelli’s opus 3.’ ‘Ik vond het een goed idee om aan vijf verschillende ensembles te vragen om hun selectie te maken uit de opusnummers 1 tot 4, dat zijn de nauwelijks gespeelde triosonates, van maandag tot donderdag, om dan op vrijdag bij de bekendere sonates van opus 5 uit te komen. Elk van de kamermuziekgroepen vroegen we ook om Corelli te confronteren met een tijdgenoot of leerling. Dat wordt een mooie en gevarieerde reeks voor wie van de barokviool houdt.’ PANDHOF De Pandhof werd vorig jaar voor het eerst gebruikt als festivalcentrum. Zal dat dit jaar weer zo zijn? ‘De Pandhof bleek een gouden greep, ondanks het frisse weer in de festivalweek. Ik beschouw zo’n festivalhart als cruciaal. Het was het allerdringend7


INTERVIEW. XAVIER VANDAMME

ste dossier dat op mijn tafel lag toen ik in Utrecht aankwam. Door de sluiting van Vredenburg waren we al een paar jaar onze eigen plek kwijt. Allerlei festival­functies – kaartverkoop, productie, vrijwilligers, locatie voor concerten, lezingen, een eigen stek voor de radio, maar ook en vooral een ontmoetingsplek waar je iets kunt drinken: het was verspreid geraakt over de hele stad, en dan gaat er toch heel wat verloren. Vorig jaar was een gok, maar het was een groot succes: iedereen werd er blij van. Dus we gaan ermee door, met veel dank aan de Universiteit Utrecht, waarmee we erg goed samenwerken.’ ‘De activiteiten rond de Pandhof zijn dit jaar zelfs nog uitgebreid: bijvoorbeeld met het nieuwe Beiaard­festival Oude Muziek, dat zich dagelijks afspeelt rondom de Domtoren. En op het D ­ omplein zelf vieren we ons dertigjarig bestaan met een foto­ grafische terugblik op het Festival. Een expositie die we aanbieden aan de stad Utrecht, als dank voor drie decennia gastheerschap.’ ‘Onze vaste mediapartner AVRO-Radio4 doet er tot mijn grote vreugde dit jaar nog een schepje bovenop: ze zullen met hun uitzendingen en concertopnamen presenter zijn dan ooit en dragen het Festival bovendien uit tot ver buiten de grenzen van ons land. Nieuw is dit jaar ook de Summer Academy Early Music voor jonge professionals, waarin we nauw samenwerken met de conservatoria in Den Haag en Utrecht en waarvan we de resultaten in het Festival zullen presenteren. [zie ook elders in dit nummer; red.] We hechten heel erg aan dit soort samenbundeling van krachten, die ook voor de ongetwijfeld woelige toekomst van evident belang zullen zijn.’ Ja, die woelige toekomst… je had je vast wat anders voorgesteld toen je hier twee jaar geleden binnenkwam. ‘Je haalt me de woorden uit de mond. Hoewel het Festival zich al drie decennia mag verheugen in een ongelofelijk trouwe achterban, zullen ook wij onherroepelijk te maken krijgen met de gevolgen van de kille benadering die de cultuur ondergaat. Kijk, onze organisatie scoort bovengemiddeld hoog als het om ondernemerschap, locale en internatio8

nale partnerships en efficiëntie in de bedrijfsvoering gaat. En als het gaat om economische effecten: wist je dat het Festival Oude Muziek voor de hotelsector het enige echte piekmoment is in de hele Utrechtse jaarkalender? Het is allemaal belangrijk, en als cultuurmanager behoort het tot mijn primaire opdracht. Maar laat ons wel wezen: de essentie ligt elders. Er is maar één zinnig antwoord: heel goed nadenken over je missie, je engagement zo helder mogelijk uitdragen, waanzinnig goed je best doen en de handen ineen slaan met diegenen die er ook zo over denken. Met de inhoud voorop, want die is ons enige bestaansrecht. Alleen zo behouden we ook in de toekomst onze reputatie van grootste en veel­ zijdigste Festival Oude Muziek ter wereld.’ ıı

festival oudemuziek utrecht 26 AUG T/M 4 SEP Roma - città eterna


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Bas/luitist/harpist Nicolas Achten:

‘TEGELIJK ZINGEN EN SPELEN HEEFT EEN GROTE MEERWAARDE’

foto: Philip Van Ootegem

De 26-jarige Belg Nicolas Achten brengt in het Festival Oude Muziek een soloprogramma met vroeg-zeventiende-eeuwse muziek uit Rome. Hij vertelt: ‘Voor mijn stemtype, de bas, is er in Rome veel muziek geschreven. Opvallend is dat dat allemaal zeer virtuoze stukken zijn. Je hebt er een groot bereik voor nodig en je moet niet opzien tegen snelle versieringen. We mogen aannemen dat componisten als Stefano Landi en Dominico Mazzocchi, van wie ik in Utrecht werk zing, zelf zo konden zingen of zangers in hun omgeving hadden met zulke stemmen. Ook in Florence waar ­Caccini zat heb je veel van dat soort stukken. Caccini raadde het af om voor de hoogste tonen het falsetregister te gebruiken, ik doe dat zelf ook liever niet. Je moet dit repertoire niet te zwaar aanzetten, het is echt gemaakt voor een bas met een soepele stem.’ Nicolas Achten is naast zanger ook instrumentalist en hij zal in Utrecht zowel zichzelf begeleiden als solowerk voor harp en theorbe brengen. Dat lijkt uitzonderlijk maar, zo verklaart hij, dat is het in het licht van de zeventiende eeuw helemaal niet. ‘Die praktijk van zingen en spelen tegelijk is in de klassieke-muziekpraktijk van nu volkomen verloren gegaan, maar juist springlevend in bijvoorbeeld de popmuziek. In de zeventiende eeuw was het heel gebruikelijk, je ziet het aan alle uitgaven uit die tijd. Niet alleen in Italië, maar ook in Engeland en Frankrijk. Zelf vind ik het een grote meerwaarde hebben. Op die manier kun je de muziek echt tot een eenheid maken en kun je heel nauwkeurig doseren wat de stem van het continuo nodig heeft. Want je bent het allebei zelf! Het geeft veel vrijheid en je hoeft met niemand afspraken te maken. Maar ik vind het ook heel prettig om solo theorbe of harp te spelen. Ik ga tijdens het Festival luitmuziek van Kapsberger spelen en muziek van Frescobaldi op harp. Ook als je alleen speelt kijk je anders naar de muziek, gewoon omdat je ook zingt. Ik denk dat de componisten dat heel goed begrepen; als ik vanuit mijn ervaring als zanger een solostuk voor harp uitvoer, valt alles voor mij op zijn plaats.’ Marcel Bijlo

Nicolas Achten: vr 26 aug, 24.00 uur / Aula Academiegebouw

9


TEKST BEELD

DOMINIKE VAN BESIEN ANNE VAN AERSCHOT

ARS SUBTILIOR: INTRINSIEK DANSANT ANNE TERESA DE KEERSMAEKER EN BJร–RN SCHMELZER OPENEN HET FESTIVAL

Anne Teresa De Keersmaeker en Bjรถrn Schmelzer openen

het Festival

10

ARS SUBTILIOR: INTRINSIEK DANSANT


ANNE TERESA DE KEERSMAEKER & BJÖRN SCHMELZER .INTERVIEW

Als er één choreografe geschikt is om een muziekfestival te openen, dan wel de Belgische Anne Teresa De Keersmaeker. Met haar dansgezelschap Rosas neemt zij al meer dan 25 jaar een prominente plaats in op prestigieuze internationale dansfestivals, maar al vanaf het prille begin had haar werk een bijzonder nauwe band met de muziek. Samen met Graindelavoix van Björn Schmelzer presenteert zij nu de voorstelling Cesena, geënt op de veertiende-eeuwse muziek uit Avignon, toentertijd het ballingsoord van de pausen. Dat dans geen verhaaltje hoeft te vertellen of de muziek illustreren weten we al sinds het illustere choreograaf-en-componistenkoppel Merce Cunningham en John Cage. Zij definieerden dans en muziek als twee onafhankelijke, gelijkwaardige kunstvormen, die wel samen het podium op kunnen, maar zonder dat de ene ondergeschikt is aan de andere. Maar wat doe je dan wel met muziek? Voor heel wat hedendaagse choreografen blijft muziek iets waar ze graag een beroep op doen om hun dans in beweging te zetten, of een ritme te geven. Voor De Keersmaeker gaat het gebruik van muziek veel verder dan dat. Als prille choreografe gebruikte ze de muziek al als leidraad voor haar werk op een structurele manier. Een heel eenvoudig maar efficiënt voorbeeld hiervan is de langzame faseverschuiving in de minimalistische muziek van Steve Reich, in haar tweede voorstelling Fase. Wat er gebeurde in de muziek maakten twee danseressen zichtbaar door een gelijksoortige verschuiving in het verschil in de snelheid waarmee ze rond hun as tolden. Heel spannend om zien. Later in haar carrière werd haar dansgezelschap Rosas gedurende verschillende jaren huisgezelschap van de De Munt/La Monnaie, de Nationale Opera in Brussel. Dit gaf De Keersmaeker de kans om de band met muziek verder uit te bouwen. In de loop van de jaren passeerden heel wat grote componisten de revue. Na de hedendaagse muziek van Steve Reich, Thierry De Mey, Peter Vermeersch en Bela Bartók maakte ze de sprong naar Monteverdi. Maar 11


INTERVIEW. ANNE TERESA DE KEERSMAEKER & BJÖRN SCHMELZER

ook Mozart, Bach en Beethoven werden ‘bedanst’. En telkens opnieuw werden partituren meticuleus geanalyseerd en structuren blootgelegd waar de dans vervolgens op werd geënt, of net tegen afgezet. Want componisten mogen dan wel vaak als leermeesters functioneren voor de choreografe, een dwangbuis wordt de muziek nooit. Dansbewegingen worden vaak gecreëerd op een totaal ander soort muziek dan wat er uiteindelijk tijdens de voorstelling te horen is. Zo zie je een danseres vrolijk discodansen op de muziek van Mozart in Mozart Concertaria’s uit 1992. CESENA Vorige zomer werkte Anne Teresa De Keersmaeker voor het eerst met veertiende-eeuwse muziek in haar voorstelling En Attendant. Deze zomer krijgt deze voorstelling een pendant met Cesena. Opnieuw staat de veertiende-eeuwse muziek van de ars subtilior in de kijker, maar waar En Attendant naast een zangeres ook muzikanten op de bühne zette, is de benadering deze keer puur vocaal. Partner in crime is Björn Schmelzer, de leider van het ensemble Graindelavoix en al vaker te gast in Utrecht. Schmelzer is opgeleid als musicoloog en antropoloog, maar laat zich in zijn muziekpraktijk allerminst inperken door academische regels, zo bleek al heel snel tijdens ons dubbelinterview. Schmelzer is uitgesproken kritisch ten opzichte van heel wat uitvoeringspraktijken in de oude muziek. ‘Er zijn zoveel vanzelfsprekendheden van waaruit er altijd wordt gewerkt’, zegt hij, ‘en dat is op niks gebaseerd, vaak komt het enkel neer op afschuwelijk conservatieve esthetische vooroordelen.’ Met zijn ensemble Graindelavoix bouwt hij een praktijk uit die hier sterk tegenin gaat. Dat uit zich onder andere in de zangers die Schmelzer kiest voor zijn ensemble. ‘Mijn zangers zijn vaak helemaal geen zangers, in die zin althans dat ze geen klassieke opleiding hebben genoten.’ Maar dat wil absoluut niet zeggen dat het eenvoudig is om de juiste mensen te vinden. ‘Niets is zo moeilijk als gewoon een melodie zingen, om een spanningsboog te maken. Maar ik heb het gevoel dat ik na zoveel jaren wel die mensen heb 12

gevonden die dat kunnen, die niet gegeneerd zijn om gewoon die lijn te maken en die niet beginnen te foeteren van “ik heb een goeie stem dus ik wil laten horen wat ik daar allemaal mee kan doen.” Daar zijn we wel overheen, over dat soort acrobatiek.’ LICHAMELIJK POËTISCHE BENADERING Anne Teresa De Keersmaeker en de toch vijftien jaar jongere Björn Schmelzer komen ontzettend eensgezind over, als we elkaar ontmoeten voor dit interview. Een ‘lichamelijk poëtische benadering’, zo noemt De Keersmaeker de werkwijze van Schmelzer. Hijzelf benadrukt keer op keer hoe inspirerend de samenwerking met De Keersmaeker voor hem is: ‘Ik kan mijn principes nog verder aanscherpen door met haar samen te werken.’ Binnen de oude muziek moet Schmelzer vaak zijn positie nog verdedigen. De Keersmaeker die, qua uitgangspunten, heel erg op dezelfde lijn zit, is daarentegen een absoluut vaste waarde binnen de hedendaagse dans. Maar dans heeft, tegenover muziek, wel één voordeel: ‘De lichamen waar we mee dansen kunnen nooit epoqueinstrumenten worden’, zegt ze. ‘Het is anders dan op een barokviool spelen hè.’ Tegelijk zijn die lichamen voor De Keersmaeker ook veel meer dan dat: ‘Het lichaam is voor mij het meest natuurlijke, eenvoudige, economische en ecologische uitdrukkingsmiddel, het huis waarmee we elke ochtend opstaan. Ik werk vanuit het geloof in de ongelofelijke expressie en communicatiemogelijkheden van wat ’t dichtste bij ons staat, ons eigen lichaam.’ En zelfs al is dat lichaam dan altijd hedendaags, toch plaatst zo’n lichaam zich onvermijdelijk in de geschiedenis. ‘Ik geloof in de manier waarop je de wereld in je lichaam draagt en dus ook het verleden. Tegelijk is er ook die passie voor een toekomst die je niet kunt grijpen, maar die je wel construeert.’ Als je danst, zegt De Keersmaeker, investeer je ‘je hele emotionele geschiedenis, je intellectuele omzwervingen als individu. Bovendien is er ook het sociale aspect, zang en dans hebben dat meer dan beeldende kunst, het zijn sociale lichamen. Het heeft ook een natuurlijke spiritualiteit, die


ANNE TERESA DE KEERSMAEKER & BJÖRN SCHMELZER.INTERVIEW

het op een onvermijdelijke manier, met een normale adem in zich draagt. Dat is net zoals met echt grootse muziek: het is juist omdat het zo geankerd is in het menselijke, dat het het menselijke overstijgt.’ De Keersmaeker ziet hier meteen een parallel met het werk van Schmelzer: ’Zingen met ‘le grain de la voix’, die korrel op de stem die er mag zijn, dat is zoals dansen dat helemaal geankerd is in het stof van ons lichaam. En juist omdat je daar maximaal je kaarten open legt en het niet ‘emballeert’, het niet verpakt, zijn we heel ver weg van nieuwe, meer spectaculaire benaderingen, wat vandaag zeer geapprecieerd wordt, omdat men ten onrechte denkt dat dat de enige manier is waarop je mensen nu nog kunt ontroeren.’ ADAPTIEF EN FLEXIBEL In Cesena gaan De Keersmaeker en Schmelzer hier wel erg ver in. In het festivalprogrammaboek staat ‘gecreëerd met en gedanst door Rosas en Graindelavoix’ en vervolgens de namen van de dansers en zangers allemaal door elkaar. In concreto betekent dit dat de dansers ook zullen zingen en de zangers dansen, hoewel dat niet, als een circusact, het doel van de voorstelling is. De Keersmaeker: ‘Iedereen heeft zijn capaciteiten die meer gearticuleerd zijn in de ene of de andere richting, maar in de eerste plaats zijn het achttien individuen die als groep en met hun eigen specificiteit aan een bepaalde materie hun lichaam willen geven, wat de vormen ook zijn, voor zang of dans. Met je hand omhoog reiken of een grand écart, dat is dan bijkomstig.’ Schmelzer: ‘Je merkt ook dat het door de aanpak van Graindelavoix van de polyfonie gemakkelijk is voor die dansers om daar met hun stem gewoon in mee te doen. Ik werk niet vanuit “hier is de partituur en zing nu die noten.” Ik zing meestal zelf gewoon voor, waardoor alles meteen een heel grote natuurlijkheid krijgt. In een partituur zijn de relaties weg, dat is het probleem met een partituur, je hebt alleen die bollekes. Terwijl muziek, dat zijn relaties, dus als je aan een sensitieve mens – dat kan een danser of een zanger zijn – die relaties toont dan is dat heel simpel.’

Dit sluit allemaal perfect aan bij de werkwijze binnen de hedendaagse dans waar ze sowieso al ver afstaan van dansers die een of ander ideaalbeeld proberen te imiteren. Historisch gezien is deze benadering van de polyfone muziek ook zinvol, vult Schmelzer aan, want ‘mensen leerden gewoon zingen op gehoor, en ook improviseren op lijnen. Polyfonie zingen was een kwestie van luisteren en je aanpassen. Ik heb het gevoel dat die ploeg waar we nu mee werken, de zangers van Graindelavoix en de dansers van Rosas, dat dat allemaal mensen zijn die heel adaptief en flexibel kunnen zijn en die dat dus perfect aankunnen.’ BRANIE Schmelzer heeft wel branie. De muziek die gebracht wordt is namelijk de ars subtilior, veertiende-eeuwse muziek die de reputatie heeft enorm complex te zijn, erg mathematisch, en heel moeilijk uit te voeren. ‘Maar’, zegt Schmelzer, ‘ik heb juist het gevoel dat we met Graindelavoix proberen te laten horen dat die ars subtilior echt muziek is en niet louter een ingewikkelde opeenstapeling van noten, waarin heel wat uitvoeringen van die muziek vastzitten. Ik geloof echt dat dat werken met dansers die zingen, dat dat een sleutel zal worden voor het publiek om in die muziek te geraken. Ik heb vaak ’t gevoel, ook in de vocale muziek van die tijd, dat het palet van mogelijkheden van klassieke zangers zeer eenzijdig gefocust is op de klankkwaliteit, op dat verwezenlijken van een tonus. Maar je hebt een hele waaier aan mogelijkheden om te articuleren, die je ook vindt in andere tradities, en dat wordt gewoon niet benut. Als je dan de rijkdom van die muziek ziet, dan is dat gewoon reductionistisch.’ Tijdens het gesprek grijpt Schmelzer verschillende keren terug naar iets wat een dag eerder gebeurd is tijdens de repetities. ‘Het is ook heel boeiend om te zien bij die dansers die zingen. Soms doen ze iets ondanks zichzelf, onwetend bijna, zoals de Sloveense Matej Kejzar gisteren, die ineens een ballade zingt, heel modaal, zoals middeleeuwse muziek is. Die is dan zelf verbaasd dat hij dat doet, maar dat 13


INTERVIEW. ANNE TERESA DE KEERSMAEKER & BJÖRN SCHMELZER

zit gewoon in hem, zo heeft hij dat van kindsbeen af geleerd in de regio waar hij woonde. Vraag aan een professionele zanger om dat na te doen en dat lukt niet. Dat is zo mooi, alsof dat lichaam zichzelf ineens uitdrukt. Je wordt ineens ook teruggekatapulteerd naar de veertiende eeuw.’ De Keersmaeker: ‘Zoiets trekt een gigantische spanningsboog, van iets wat hier en nu is naar lang geleden, door het te confronteren met die oude muziek, maar wars van elke historiciteit, of verhaal. Het is gewoon de geschiedenis die in het DNA van de mensen is opgeslagen.’ SUBSTRATEN Schmelzer bekijkt die muziek ook niet louter als iets uit de veertiende eeuw. Net zoals dansers en zangers van nu in hun lichaam veel oudere tradities opgeslagen hebben, zo is ook de ars subtilior gebaseerd op veel oudere muziek en dat klinkt er nog in door. Schmelzer: ‘We werken met oude muziek, maar dat is eigenlijk maar een vehikel. Wat mij interesseert, dat zijn de substraten en de oudere repertoires en dat je die kunt activeren. Bijvoorbeeld zo’n rondeau uit de veertiende eeuw uit de Codex Chantilly, dat is complex. Dat zijn al drie zanglijnen die samenkomen. Maar als je die stemmen op zich gaat bekijken, als je kijkt waar die vandaan komen, dat is een keuze van componisten uit de veertiende eeuw. Wat mij boeit is waarom ze juist daar iets aan hebben ontleend om in een polyfone compositie te verwerken en in hoeverre daar dan nog een rest in zit van die onderlaag.’ Het gaat hier dus echt om het laten herleven van die oude muziek, los van de context waarin die muziek ontstaan is. Schmelzer: ’Het repertoire dat wij brengen, daar is heel wat van dat speciaal voor de pausen in Avignon geschreven is, Gregorius XI en de tegenpaus Clemens VII. Dat is allemaal verheerlijkend voor machthebbers waar je, politiek gezien, heel veel vragen bij kunt stellen. Wat doe je dan? Breng je dat dan zo maar zonder dat je je iets afvraagt? Wat ik heel interessant vind nu, in ’t werken met Anne Teresa, is dat we die stukken niet uitbeelden. Die stukken worden wel gedissecteerd, opengelegd, 14

maar zonder dat je die analytisch stukmaakt zoals een musicoloog dat doet. Anne Teresa legt zo’n stuk ook open, maar voorziet dat dan als het ware van nieuwe merchandise.’ De Keersmaeker: ‘Choreografisch gezien vind ik de contrapuntische schriftuur, dat onverwachte contrapunt in de manier waarop de tijd onderling wordt georganiseerd tussen die verschillende stemmen, heel inspirerend om dans op te schrijven. In de aard van het dansvocabularium laat ik me altijd opzettelijk niet leiden door de muziek. Ik vind die clash tussen wat de lichamen vandaag in zich dragen en die oude muziek veel interessanter dan me proberen in te beelden wat nu de bewegingen zouden zijn die bij die muziek kunnen horen. Er is wel iets met de flow in die muziek, dat vind ik heel boeiend, die voortdurende flow en intensiteit, dat wordt zeker weerspiegeld in de dans.’ Schmelzer: ‘Ja, eigenlijk toon je het intrinsiek dansante van die muziek.’ ıı

festival oudemuziek utrecht VR 26 AUG, 20.00 UUR / VREDENBURG LEIDSCHE RIJN Cesena: Muziek uit de Codex Chantilly Rosas / Anne Teresa De Keersmaeker & Graindelavoix / Björn Schmelzer Vriendenconcert


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Giovanna Pessi:

‘DE HARP HOORT ER NU ECHT BIJ’ Samen met theorbespeler en barokgitarist Eduardo Egüez werpt barokharpiste Giovanna Pessi tijdens het Festival licht op de Chigi-manuscripten, Romeinse handschriften met klaviermuziek. Een zeer rijke bron volgens Pessi. ‘Je kunt er veel uit leren over de instrumentale praktijk uit de tijd van Frescobaldi. De handschriften bevatten niet alleen werk van hem, maar ook van zijn zoon en van vele andere, vaak anonieme, componisten. Alle vormen die we in de gepubliceerde werken van Frescobaldi vinden, zijn ook hier vertegenwoordigd. Je hebt toccata’s, dansen, variatiereeksen en uitgeschreven improvisaties. De manuscripten, die tegenwoordig in de bibliotheek van het Vaticaan bewaard worden, zijn dus een goede afspiegeling van de muziekpraktijk van de eerste helft van de zeventiende eeuw en het is zeer waarschijnlijk dat de muziek ook op harp gespeeld werd. Klavierspelers waren soms ook harpisten, zo’n strikte scheiding tussen instrumenten als nu was er nog niet.’ Maar is deze klaviermuziek allemaal goed te spelen op een harp en over wat voor instrument heb je het dan? Giovanna Pessi: ‘Je hebt een chromatische harp nodig met drie rijen snaren, de arpa a tre ordine die toen in Italië gangbaar was. De binnenste en buitenste rij snaren zijn zeg maar de witte toetsen van de piano, de middelste rij de zwarte. Maar wij combineren de harp ook met theorbe of gitaar en daardoor hebben we nog extra mogelijkheden. Je kunt dan de linkerhandpartij door de theorbe laten spelen en de rechterhandpartij door de harp, om maar iets te noemen.’ De barokharp zit de laatste jaren sterk in de lift. Giovanna Pessi reageert enthousiast: ‘Ja, ongelofelijk hè? En dat is allemaal heel recent, zeker in vergelijking met de belangstelling voor blokfluit of klavecimbel. Toen ik eind jaren ’90 in Bazel bij H ­ eidrun ­Rosenzweig studeerde, was er nog weinig animo voor de barokharp. Maar pioniers als Andrew Lawrence-King en Mara Galassi hebben daar veel verandering in gebracht. Hun uitvoeringen gaven voor het eerst een indruk van de kleurenrijkdom van de barok­harp. Vroeger was een harp in een barokensemble een luxe, maar het instrument is de laatste tijd een vast onderdeel van de continuogroep geworden. Het gevolg daarvan is weer dat er ook steeds betere instrumenten en meer opleidingsmogelijkheden komen voor barokharp, en dat is natuurlijk een heel goede zaak.’ Marcel Bijlo

Giovanna Pessi en Eduardo Egüez: zo 28 aug, 24.00 uur / Academiegebouw 15


IN MEMORIAM

1913-2011

JOHAN VAN DER MEER, DIRIGENT GRONINGSE BACHVERENIGING JOLANDE VAN DER KLIS

Kan het symbolischer: op eerste paasdag overleed op 97-jarige leeftijd Johan van der Meer, in 1945 oprichter en tot 1984 dirigent van de Groningse Bachvereniging. Zijn naam is overbrekelijk verbonden met de allereerste authentieke Matthäus Passion, die in 1973 een mijlpaal vormde in de volwas­ sen­wording van de mondiale oude-muziekbeweging. Het was een onderneming zonder weerga, daar in het hoge noorden, waarbij de Groningse Bachvereniging glansrijk de Nederlandse Bachvereniging, met zijn fameuze jaarlijkse passie-uitvoeringen in Naarden toch hét Bach-gezelschap, voorbij streefde. Maar een risico was het ook: Johan van der Meer moest voor de allereerste uitvoering van Bachs Matthäus Passion met louter mannenstemmen en op authentiek instrumentarium werkelijk uit alle hoeken en gaten ‘historische’ instrumentalisten en vocalisten bijeen zoeken. Maar de tijd was er rijp voor en men kon niet wachten. Ze kwamen dus allemaal naar Groningen: countertenor René Jacobs, de tenoren Marius van Altena, Michiel ten Houte de Lange en Harry Geraerts, bariton Max van Egmond en bas Harry van der Kamp als solisten, twee sopranen en een alt van het Tölzer Knabenchor voor de hoogste partijen, en de leden van het Leonhardt Consort, het Alarius Ensemble van de gebroeders Kuijken en Musica da Camera van Ton Koopman voor de instrumentale partijen. Hoe ambitieus ook, toch werd het raadzaam geacht voor de uitvoeringen uit te wijken naar Sappemeer en Schiedam, waar een eventuele uitglijder de reputatie van de Groningse Bachvereniging niet te erg zou schaden. Maar het publiek stroomde massaal toe en de kranten stonden er bol van.

16


IN MEMORIAM

Deze Matthäus Passion kwam natuurlijk niet uit de lucht vallen. Johan van der Meer was een visionair dirigent die eind jaren ’60 de nieuwe uitvoeringspraktische tijdgeest bij zijn koorleden introduceerde. Hij trainde ze in volstrekt vibratoloos zingen, en dat verliep zo succesvol dat hij in 1970, bij het 25-jarig jubileum van de Groningse Bachvereniging aandurfde Nikolaus Harnoncourt en zijn Concentus Musicus Wien uit te nodigen voor hun allereerste optreden in Nederland. Op het programma onder meer Bachs Magnificat. Voor ­Harnoncourt betekende het zijn definitieve doorbraak in het Nederlandse muziek­ leven. Johan van der Meer werkte met zijn koor in 1974 nog mee aan een Weihnachts­ oratorium met Musica Antiqua, Ton Koopmans eerste barokorkest. Een jaar later volgde de eerste authentieke Hohe Messe samen met La Petite Bande. Maar daarna taande de samenwerking: Johan van der Meer kon zich slecht verenigen met de hoge tempi van de nieuwe generatie barokmusici, en dat was nu juist een voornaam handels­merk waarmee zij zich afficheerden. Op zijn eigen plaatopnamen met muziek van Sweelinck, Bach, Händel, Schütz en Josquin des Prez kon Johan van der Meer wél compromisloos getuigen van zijn muzikale opvattingen. Wat nog altijd diep treft is de overtuiging waarmee hij zijn inzichten uitdroeg. We nemen afscheid van een formidabel, oprecht en volkomen autonoom musicus.

17


TEKST BEELD

JOLANDE VAN DER KLIS TITELPAGINA VAN PALESTRINA’S MISSARUM LIBER PRIMUS, 1554

PALESTRINA: PRINCIPE DELLA MUSICA NIEUWE EDITIE MOET PALESTRINA VAKER TOT KLINKEN BRENGEN

Nieuwe editie moet Palestrina vaker tot klinken brengen

PALESTRINA: PRINCIPE DELLA MUSICA

18


PALESTRINA: PRINCIPE DELLA MUSICA

In 2003 verscheen het eerste deel van wat een gloednieuwe opera omnia van Palestrina moet worden. De Italiaanse uitgevers bewandelen hierbij een andere weg dan de voorgaande twee complete Palestrina-edities, die in de ­negentiende en de twintigste eeuw verschenen. Naast een versie in moderne notatie biedt de uitgave ook het facsimile in mensurale notatie en een zogenaamde ‘semi-diplomatische’ versie, waarin de moderne schrijfwijze is gecombineerd met belangrijke uitvoeringspraktische elementen uit de originele notatie. Hoofddoel: de enorme muzikale nalatenschap van Palestrina toegankelijk maken voor een bredere groep dan alleen de muziekwetenschappers, zodat het werk van de ‘Principe della Musica’ vaker zal gaan klinken. Negenenveertig delen moet de nieuwe Edizione Nazionale delle opere di Giovanni Pierluigi da Palestrina gaan tellen. Onder leiding van hoofdredacteur Francesco Luisi zijn inmiddels drie delen verschenen, met missen, motetten en madrigalen van de componist. Het werk is arbeidsintensief en veelomvattend: er hadden al minstens vier andere delen verschenen moeten zijn, maar die laten vooralsnog op zich wachten. Wat de Edizione voor ogen staat is dan ook niet misselijk: behalve een facsimile van het werk, dat in de zestiende eeuw al grotendeels werd uitgegeven, en een conventionele omzetting in moderne notatie, wil deze editie speciaal voor de uitvoerende musici ook een mengvorm tussen die twee bieden. Daarin wordt een combinatie gemaakt van zowel een leesbare notentekst als Palestrina’s muzikale ‘handtekening’, die met de omzetting naar een modern notenbeeld verloren ging. Want met het aanvullen van ontbrekende maatstrepen en het moderniseren van oude sleutels en dito notenschrift verdwijnt ook essentiële informatie die de musicus eigenlijk niet kan ontberen, zo blijkt uit onderzoek. Verschillende zwaargewichten uit de musicologische en uitvoe-

ringspraktische wereld vereenden hun krachten en zullen de nieuwste inzichten over Palestrina’s muziek in deze editie bijeenbrengen. CAPPELLA GIULIA Giovanni Pierluigi da Palestrina (1525-1594) was in zijn tijd in Rome verreweg de belangrijkste componist. Hij belichaamde in de late Renaissance het omslagpunt van de Franco-Vlaamse polyfone traditie naar die van de Italianen, voordat het genre definitief teloor ging. Met zijn 104 missen, 375 motetten, 68 offertoria, 65 hymnen, 35 magnificats, diverse lamentatiecycli en 140 madrigalen drukte hij een onuitwisbaar stempel op het muzikale Rome, de stad die hij gedurende de bijna zeventig jaar van zijn leven nauwelijks heeft verlaten. Geboren in 1525 in Palestrina werd hij in het nabij gelegen Rome opgeleid als koorknaap aan de Santa Maria Maggiore, waar hij door onder meer de Fransman Mallapert nog helemaal werd gekneed in de Franco-Vlaamse polyfone stijl. Maar de hegemonie van die traditie had zijn langste tijd gehad. Toen Palestrina in 1544 als 19-jarige terugkeerde naar zijn geboorteplaats om daar organist te worden, werd hij de beschermeling van kardinaal-bisschop Giovanni del Monte. Die bleek een zeer belangrijke kruiwagen, want del Monte werd zes jaar later verkozen tot Paus Julius III. Hij benoemde Palestrina in 1551 tot maestro di cappella van de cappella giulia in Rome, de puur-Italiaanse tegenhanger van de nog helemaal door Vlamingen bevolkte cappella sistina. Palestrina werd uitdrukkelijk geacht hier aan het Italiaanse muziekideaal gestalte te geven en was ook verantwoordelijk voor de opleiding van de koorknapen. AFLATEN Dat was des te belangrijker omdat de katholieke kerk, sinds Luther in 1517 met zijn 95 stellingen de Reformatie in gang had gezet, naarstig op zoek was naar een antwoord. Deze roomse Contrareformatie hield zich trouwens in eerste instantie helemaal niet bezig met muziek; Luther had zich gekeerd tegen het morele verval in de kerk, met name tegen de lu19


TITEL

FRANCESCO LUISI: ‘HET ORIGINEEL BIEDT EXPRESSIEVE KANSEN’ Hoofdredacteur Francesco Luisi van de Edizione Nazionale delle opere di Giovanni Pierluigi da Palestrina is een bevlogen pleitbezorger van het project, die voor het eerst de uitvoeringspraktische eigenaardigheden van Palestrina’s muziek breed toegankelijk moet maken. Luisi legt uit: ‘De vroegere edities probeerden de oude notatie maximaal te vereenvoudigen voor diegenen die niets weten van duplae, proporties, tempus minor, tempus major, tactus diminutum, non diminutum enzovoorts. Want daar kan de gemiddelde koorzanger niks mee. Deze nieuwe uitgave wil juist zo dicht mogelijk bij het origineel blijven, omdat we nu weten hoe belangrijk dat origineel is voor het waarheidsgetrouw uitvoeren van deze muziek. In onze ‘semi-diplomatische’ versie van de partituur is de vroege mensurale notatie gehandhaafd, vanuit het achterliggende idee dat die notatie een heleboel toentertijd conventionele en daarom niet genoteerde elementen bevat, die toch wel degelijk deel uitmaken van de grafische weergave van de muziek. Neem bijvoorbeeld een tempo-aanduiding, verbonden met een lange noot, gevolgd door nog meer lange noten. Dat betekent dat we te maken hebben met wat wij nu een largo of iets dergelijks zouden noemen. Maar als zo’n zelfde tempo-aanduiding wordt gecombineerd met noten die kortere waardes hebben, wordt het lastig. Vroeger werd wel gedacht dat er een vergissing in het spel was, maar nu weten we dat hiermee een soort tussenweg bedoeld is. Een langzame tempoaanduiding gecombineerd met kortere noten geeft een gemiddeld tempo. Het omgekeerde kan ook, het is subtiel en een kwestie van balans, maar precies hier liggen de expressieve mogelijkheden voor de uitvoerder.’

20

cratieve handel in aflaten. Daarmee werd vanaf 1506 bijvoorbeeld grotendeels de bouw van de nieuwe basiliek van Sint-Pieter bekostigd. Het Concilie van Trente, in 1545 door paus Paulus III geopend en voorgezeten door kardinaal-bisschop del Monte, was dus allereerst belast met het vinden van oplossingen voor de netelige situatie waarin de kerk zich plotseling bevond. Toch kwam ook de muziek zijdelings aan de orde, temeer daar Luther het zingen in de kerk door de gelovigen zelf in de volkstaal propageerde om hen nauwer bij het geloof te betrekken. Ook Paulus III zag wel in dat de polyfonie, doorgaans onverstaanbaar vanwege het door elkaar zingen van verschillende teksten, niet echt hielp de afstand tussen kerk en parochie te verkleinen. Uiteindelijk bewerkstelligde het Concilie van Trente, dat met tussenpozen duurde tot 1563, nauwelijks enige verandering in de kerkmuziek. Het Latijn bleef de taal van de liturgie, en hoewel er wel enige aanbevelingen kwamen over soberheid en verstaanbaarheid, en een waarschuwing tegen overdaad en ‘onzuiverheid’, bleef toch alles grotendeels bij het oude. REDDER VAN DE POLYFONE KERKMUZIEK In hoeverre Palestrina hierbij een rol van betekenis heeft gespeeld, is lang onderwerp van speculatie geweest. Na zijn dood kreeg hij in elk geval de reputatie van ‘redder van de polyfone kerkmuziek’. Maar feit is dat toen hij in 1554 zijn eerste boek met missen publiceerde (het was de eerste keer dat er in Rome zo’n boek van een Italiaan verscheen), zich daaronder ook de niet bepaald sobere Missa Ecce sacerdos magnus bevond. Deze zogeheten cantus firmus-mis had als onderliggende melodie een ode aan de regerende paus Julius III, aan wie de bundel ook was opgedragen, en die ook daadwerkelijk in het Italiaans werd gezongen. Deze nepotistische paus liet hem als dank begin 1555 toetreden tot de pauselijke zangers van de cappella sistina, ook al was Palestrina getrouwd en daartoe dus niet gerechtigd. Die fraaie positie bracht Palestrina in de problemen toen Julius in maart van datzelfde jaar stierf. Nog


PALESTRINA: PRINCIPE DELLA MUSICA

niet direct met zijn opvolger Marcellus II, want die nam weliswaar de invulling van de Contrareformatie en de modernisering van de kerk voortvarend ter hand, maar stierf al drie weken later en kwam daardoor niet eens toe aan de geplande heropening van het Concilie van Trente. Maar wel met diens opvolger Paulus IV, een zeer rechtlijnige en ook eigengereide paus, die het Concilie van Trente liet voor wat het was en zijn eigen decreten uitvaardigde. Als kardinaal had hij zich al sterk gemaakt voor de inquisitie, en een index van verboden boeken opgesteld. Als paus liet hij op Michelangelo’s Laatste oordeel de edele delen van de naakte figuren bedekken en ontsloeg hij Palestrina onmiddellijk als lid van de cappella sistina. Palestrina viel tussen wal en schip: bij de cappella ­giulia was inmiddels Giovanni Animuccia aangesteld, zodat hij genoegen moest nemen met een minder prestigieuze post van maestro di cappella aan de San Giovanni in Laterano, waar hij de zeven jaar jongere Orlando di Lasso opvolgde. Lang bleef hij daar niet; een conflict over de uitbreiding van de cappella deed hem in 1561 als maestro di cappella terugkeren naar de Santa Maria Maggiore, de kerk waar hij was opgeleid. Maar ook daar beviel het kennelijk niet lang: vanaf midden jaren 1560 vinden we hem terug in dienst van kardinaal Ippolito II d’Este en als muziekleraar aan het Seminario Romano. Geld was doorgaans het heikele punt. Palestrina zag voor zichzelf een plek in de hoogste regionen weggelegd, met de bijbehorende beloning, maar het was moeilijk om bij de elkaar snel opvolgende pausen in de gunst te komen, vooral omdat die op onvoorspelbare wijze van signatuur wisselden. Na de behoudende Paulus IV, die maar vier jaar aan de macht bleef, volgden zes jaar onder de gematigde Pius IV, die het Concilie van Trente heropende en tot een succesvol einde bracht. In 1566 trad Pius V aan, een nu weer orthodoxe paus die ketters meedogenloos vervolgde, maar evengoed een Ottomaanse invasie in Europa wist te voorkomen.

UN NUOVO GENERE DI MODI MUSICALI Toen in 1567 Palestrina’s Liber secundus missarum verscheen, vier jaar na het sluiten van het Concilie van Trente, droeg hij de bundel veiligheidshalve op aan Filips II van Spanje. Want in deze bundel bevond zich ook de Missa Papae Marcelli gewijd aan de vooruitstrevende paus-voor-drie-weken Marcellus II – de enige keer trouwens dat hij een mis aan een persoon verbond. In het voorwoord van dit tweede misboek spreekt Palestrina over ‘un nuovo genere di modi musicali’. Er is veel gedelibereerd over de betekenis van deze zinsnede. Een direct verband tussen de componeertrant in deze bundel en de uitkomsten van het Concilie van Trente is moeilijk vast te stellen. Toch zijn er wel een paar feiten te noemen die een bijzonder licht werpen op het ontstaan van

Giovanni Pierluigi da Palestrina

21


TITEL

DIEGO FASOLIS: DOORDRINGEN TOT DE ESSENTIE Diego Fasolis heeft samen met het Coro della Radiotelevisione svizzera tussen 2006 en 2008 het Missarum Liber Primus op cd gezet. Het is de eerste opname van Palestrina’s werk die op basis van de nieuwe uitgave van de Fondazione is gemaakt. Daarom gaat de driedubbel-cd vergezeld van een bonus-dvd, waarop hij samen met hoofdredacteur Francesco Luisi uitlegt hoe de originele notatie hem de weg wijst naar de juiste uitvoering. ‘Dat Palestrina’s muziek van een grote schoonheid is, weten we, maar zijn muziek is jarenlang genegeerd omdat men die te ontoegankelijk vond. Nu hebben we de mogelijkheid om precies te begrijpen wat de subtiliteiten en de vele interpretatieve mogelijkheden zijn. Voor het koor was dit een geweldige ervaring. Palestrina’s muziek heeft geen maatstrepen, terwijl zangers geconditioneerd zijn om van maat naar maat te zingen. Maar als je de maatstrepen terugplaatst, krijg je onwenselijke accenten. Deze muziek is lineair gedacht, en juist zonder maatstrepen krijg je daarvoor een veel beter gevoel. Iedere stem zingt zijn eigen melodische lijn, dat is verrukkelijk. Dan zijn er de color, de passages die je zelf moet interpreteren, en de ligaturen, waar je een crescendo van de ene noot naar de andere kunt maken. Ook die mogelijkheden tot expressiviteit hadden we vroeger niet tot onze beschikking. Deze muziek volgt uiteraard strenge compositieregels, maar hoe minder vrijheden, hoe meer bewondering je krijgt voor het genie van Palestrina. Binnen de strikte regelgeving slaagt hij erin menselijke emoties, de diepere lagen van de tekst en onze menselijke natuur op een ongeloflijke manier weer te geven. We baseren nu al onze uitvoeringen op dit materiaal, en nu pas kunnen we doordringen tot de essentie. Het is een welhaast mystieke evaring.’

22

de bundel in het algemeen en van de Missa Papae Marcelli in het bijzonder. Onder de weinige wapenfeiten die van Marcellus II bekend zijn, bevindt zich een in 1555 vastgelegde reprimande aan het adres van de pauselijke zangers (waartoe toen dus ook Palestrina behoorde), die hij vermaande omdat ze in hun zang geen uitdrukking gaven aan de diepere betekenis van de liturgie, en aanspoorde tot goed verstaanbaar zingen. De Missa Papae Marcelli, waarvan overigens niet precies vaststaat wanneer die werd gecomponeerd, komt deels tegemoet aan dat verstaanbare zingen: zowel het Gloria als het Credo, beide delen met een lange en complexe tekst, zijn hoofdzakelijk homofoon en syllabisch, dus goed verstaanbaar gezet. De tekstueel eenvoudiger misdelen Kyrie, Sanctus en Agnus Dei zijn gezet in polyfoon complexere stijl. Het betreft bovendien een zogenaamde vrije mis, waaraan geen bestaande cantus firmus, laat staan een verfoeide wereldlijke melodie ten grondslag ligt, zoals in de Renaissance nogal eens kon gebeuren. Ook wat de ‘onzuiverheid’ betreft voldoet deze mis dus aan Marcellus’ eisen. De Missa Papae Marcelli moet in elk geval vóór de beëindiging van het Concilie van Trente zijn gecomponeerd. In 1562 namelijk, wisselden drie kardinalen met Albrecht V, hertog van Beieren, een mis uit van Orlando di Lasso, inmiddels Albrechts kapelmeester in München, met onder meer Palestrina’s Missa Benedicta es. Deze mis werd samen met onder meer de Missa Papae Marcelli in 1565 gekopieerd in een codex van de Sixtijnse Kapel, terwijl diezelfde kardinalen zich op 28 april van dat jaar bogen over de verstaanbaarheid van een aantal missen. Hoewel niet bekend is om welke werken het ging, is het zeer aannemelijk dat zich daaronder ook de Missa Papae Marcelli heeft bevonden. OPERA OMNIA Hoe het ook zij, juist met deze mis heeft Palestrina zich begin zeventiende eeuw de reputatie van ‘redder van de polyfonie’ verworven. Allereerst door toedoen van Agostino Agazzari, die in 1606 in zijn


PALESTRINA: PRINCIPE DELLA MUSICA

Del sonare sopra ‘l basso con tutti li stromenti deze kreet introduceerde. Andere bronnen namen het verhaal in 1609 en in 1629 over, waarna het nieuw leven ingeblazen kreeg in de negentiende eeuw, toen Giuseppe Baini in Memorie storico-critiche della vita e delle opere di Giovanni Pierluigi da Palestrina (1828) de anekdote onverkort overnam. Het is Baini’s verdienste dat hij Palestrina’s werk, wellicht juist ook door het oppoetsen van de legende, opnieuw onder de aandacht wist te brengen. Het genereerde een eerste opera omnia van Palestrina, tussen 1862-1907 in 33 delen gepubliceerd door Breitkopf & Härtel onder redactie van Franz Xaver Haberl. In de twintigste eeuw kwam een nieuwe complete uitgave tot stand onder redactie van Renato Casimiri, die in 34 delen werd gepubliceerd tussen 1939 en 1987. Na de publicatie van Palestrina’s tweede misboek in 1567 volgden snel nog meer bundels met missen en motetten. Net als zijn collega’s gebruikte hij de opdrachten aan de machtgen der aarde daarin om zijn positie te versterken en zijn inkomsten te vergroten. Dat die bundels soms pas van de persen rolden als de politieke situatie alweer was gewijzigd, was een niet te vermijden risico. Zijn hele verdere leven bleef Palestrina azen op een betere baan, bijvoorbeeld bij Maximiliaan II in Wenen, en bij de Gonzaga’s in Mantua, maar het salaris bleek telkens het breekpunt. Pius IV verleende hem weliswaar weer compositieopdrachten voor de cappella sistina, maar pas in 1571, na het overlijden van Animuccia, kon hij als maestro di cappella terugkeren naar de cappella giulia, wat enige financiële verlichting bood. De jaren daarna brachten weer nieuwe rampspoed, toen griepepidemieën zijn broer en twee zoons velden. Ten slotte stierf in 1580 ook zijn vrouw. Zijn status van weduwnaar opende echter ook een nieuwe mogelijkheid. Hij overwoog serieus het priesterschap, waardoor opnieuw de weg naar de cappella sistina zou openstaan. Maar het lot besliste anders: in 1581 trouwde Palestrina met de rijke weduwe van de pauselijke bontleverancier, waarmee zijn geld­ zorgen definitief tot het verleden behoorden.  ıı

festival oudemuziek utrecht ZA 27 AUG, 20.00 UUR / DOMKERK Palestrina: Missa Assumpta est Maria e.a. The Sixteen / Harry Christophers ZO 28 AUG, 22.30 UUR / GEERTEKERK Palestrina: Motetten; S. Rossi: Joodse gezangen Profeti della Quinta / Anthony Rooley MA 29 AUG, 17.00 UUR / PIETERSKERK Palestrina: Missa Aspice Domine en motetten Alamire / David Skinner DI 30 AUG, 17.00 UUR / PIETERSKERK Palestrina: Missa Papae Marcelli, motetten Graindelavoix / Björn Schmelzer DI 30 AUG, 22.30 UUR / GEERTEKERK Palestrina, di Lasso, Arcadelt e.a.: Madrigalen La Compagnia del Madrigale / Diego Fasolis WO 31 AUG, 17.00 UUR / PIETERSKERK Palestrina: Missa de Beata Virgine, e.a. Coro della RSI / Diego Fasolis DO 1 SEP, 17.00 UUR / PIETERSKERK Palestrina: Missa Salvum me fac Domine e.a. Odhecaton / Paolo Da Col VR 2 SEP, 17.00 UUR / ST. AUGUSTINUSKERK Frescobaldi en Palestrina: Madrigalen Cappella Mediterranea / Leonardo García Alarcón ZA 3 SEP, 20.00 UUR / DOMKERK Palestrina: Missa Ut-re-mi-fa-sol-la e.a. Huelgas Ensemble / Paul Van Nevel

23


TEKST BEELD

PETER DE GROOT MERLIJN DOOMERNIK

EEN TRENDSETTER IN ROME EGIDIUS KWARTET & COLLEGE EERT GRENSVERLEGGER ARCADELT

Egidius Kwartet & College eert grensverlegger Arcadelt

24

EEN TRENDSETTER IN ROME


EEN TRENDSETTER IN ROME

Het Egidius Kwartet, bezet met vier mannen­ stemmen, richt zich al enige jaren met veel succes op onbekend materiaal van Nederlandse en Franco-Vlaamse componisten. Momenteel staat het ensemble volop in the picture met een groot project rond de Leidse Koorboeken. Voor hun festivalprogramma rond Jacobus Arcadelt werd een tienkoppig Egidius College samengesteld. Kwartet en College volgen het spoor van Arcadelt in Rome, waar hij in 1539 Palestrina’s voorganger was als maestro de’putti aan de cappella giulia van de Sint-Pieterbasiliek. Peter de Groot geeft de achtergronden bij deze enigszins miskende componist. De naam van Jacobus Arcadelt (10 augustus 1507, Namen - 14 oktober 1568, Parijs), een van die vele Franco-Vlaamse componisten, zal bij de meeste mensen niet direct een ‘oh ja’-reactie oproepen. Slechts een enkeling zal onmiddellijk denken aan het beroemde madrigaaltje over de witte zwaan, maar Arcadelts belang heeft het in het collectieve geheugen een beetje moeten afleggen tegen dat van beroemde tijdgenoten als Adriaan Willaert, Nicolaas Gombert en Clemens non Papa. Zelfs in het bekende boek van Ignace Bossuyt, De Vlaamse Polyfonie, ontbreekt hij in de opsomming van de vijf generaties polyfonisten. Elders in dat boek wordt hij slechts terloops vermeld als grondlegger van het Italiaanse madrigaal. Dat is jammer, want Arcadelt verdient vanwege zijn opmerkelijke componeertrant, die gekenmerkt wordt door wat ik een bijna wuft contrapunt durf te noemen, meer aandacht. Het Egidius Kwartet heeft een paar jaar geleden enkele van zijn lamentaties opgenomen en in concert gebracht. Dat was voor ons een zeer aangename ontdekking en voor vele luisteraars een aangename ear opener. Het thema Roma - città eterna van het Festival Oude Muziek Utrecht biedt ons dit jaar de gelegenheid ook andere werken van deze meester te laten horen. Want het was in de pausenstad dat de madrigaalen chansonschrijver Arcadelt de compositorische conventies van het motet herijkte.

CAPPELLA GIULIA Arcadelt maakte vanaf december 1539 deel uit van de zogeheten cappella giulia, het koor van de SintPieterbasiliek. Men is geneigd te denken dat deze zangersgroep een instituut was dat ook al in die dagen kon bogen op een lang bestaan en een rijke traditie. De waarheid is echter dat het gerenommeerde zangerscollege pas sinds 1534 nieuw elan had gekregen door de bemoeienissen van paus Paulus III. Een eerder besluit van paus Julius II, in 1513, om de pauselijke zangers in een nieuwe kapelstructuur onder te brengen, was overigens niet nieuw. Al toen eind vijftiende eeuw zijn oom en voorganger, Sixtus IV, na de voltooiing van de Sixtijnse kapel aldaar naast de aloude cappella papale een nieuw privékoor had geformeerd, de cappella sistina, had hij het aantal zangers fors willen uitbreiden. De jongens zouden in een schola cantorum meteen hun opleiding krijgen. Door zijn dood kort daarna was dat idee echter nooit ten volle geëffectueerd. Maar ook Julius II stierf voordat zijn nieuwe koor in de Sint-Pieter, met naast twaalf mannen ook twaalf jongens in opleiding, echt van start kon gaan. Politieke turbulentie had onder de drie volgende pausen de beide cappella’s geen goed gedaan; pas toen Paulus III aantrad keerde het tij. Hij bracht het aantal zangers in de cappella giulia weer op oude sterkte en zette meteen ook de opleiding van de koorknapen weer op poten. Het aantal zangers van de cappella sistina breidde hij zelfs nog wat uit tot 33. Opvallend verschil tussen beide cappella’s was, dat in de sistina, in de Sixtijnse Kapel dus, nog altijd het aandeel Franstalige en Spaanse zangers verre domineerde; de Franco-Vlaamse invloed zou gedurende de hele zestiende eeuw dominant blijven. De giulia van de Sint-Pieter echter was juist ook bedoeld om Italiaanse zangers een opleiding te geven en te laten doorstromen naar de cappella sistina. Zo kon de altijd problematische aanvoer van goede jongenssopranen voor de bezetting van de bovenstemmen worden gegarandeerd en hoefden er niet langer koorknapen ‘geïmporteerd’ te worden uit het buitenland. Echt lukken deed ook deze nieuwe opzet niet: tot in de 25


EEN TRENDSETTER IN ROME

jaren 1560 werden de bovenstemmen in Rome voornamelijk gezongen door falsettisten (countertenors). Daarna werden er castraten aangetrokken voor de sopraanpartijen. MAESTRO DE’ PUTTI Maar in 1539, toen Michelangelo de laatste hand legde aan de decoraties van de Sixtijnse Kapel, achtte men het desalniettemin nog van belang dat op de post van maestro de’ putti (zangmeester van de koorknapen) aan de cappella giulia een energieke, jonge en goed toegeruste vakman zou komen. De keus viel op Arcadelt, midden dertig en hoewel waarschijnlijk afkomstig uit Noord-Frankrijk al zeker tien jaar werkzaam in Florence en Venetië, waar hij relaties had onderhouden met respectievelijk Verdelot en Willaert. De Venetiaanse drukkers ­Gardano, Scotto en De Antico hadden juist in het jaar van Jacobus’ Romeinse benoeming vier boeken met madrigalen van Arcadelt uitgegeven. Deze drukken waren een bevestiging van zijn reputatie als een van de belangrijkste madrigalisten. In de vroege jaren ’30 die Arcadelt in Florence had doorgebracht, had hij het ene na het andere madrigaal geschreven. Blijkbaar was zijn roem hem vooruit gesneld en zagen de Venetiaanse uitgevers de naam Arcadelt als een goede investering. De vier Venetiaanse verzameldrukken droegen tenminste met trots zijn naam op het titelblad. In totaal verschenen aldus 170 madrigalen onder zijn naam, en inderdaad, meer dan 120 waren daadwerkelijk van hem. Voor ons is zoiets onvoorstelbaar, maar in die tijd was het een gebruikelijke gang van zaken. Het madrigaaltje waarmee het eerste boek opende, het hierboven al gememoreerde Il dolce e bianco cigno, werd meteen een tophit en zou dat tot in onze tijd blijven. Aan het einde van het jaar 1540 werd Arcadelt officieel tot zanger van de cappella sistina benoemd, wat als een promotie kan worden gezien. In 1544 werd hij zelfs ‘abbas’, koorleider, een erebaan die overigens bij toerbeurt werd vervuld. De verplichting 26

van het componeren van nieuw repertoire voor de Sixtijnse Kapel behoorde wel bij die functie. Hoewel hij was opgegroeid en opgevoed met de mores en methoden van het nog uit de vijftiende eeuw stammende contrapunt, een kunst die hij volledig beheerste, zocht hij tegelijkertijd naar nieuwe middelen om de motetkunst op een ander plan te brengen. Hij koos ervoor om technieken te gebruiken die hij doorgaans gebruikte in zijn chansons. CHANSONS Hoewel Arcadelts grote chansonproductie pas in zijn Franse jaren op gang kwam, is het schrijven van chansons een constante geweest in zijn leven. Uit de tijd dat hij in Italië verbleef zijn 21 chansons overgeleverd, alle evenwel gedrukt door Franse drukkers. In zijn vroege chansons is de invloed van Josquin

Paus Paulus III, ca.1543


EEN TRENDSETTER IN ROME

Paus Sixtus IV benoemt Bartolomeo Platina tot hoofd van de Vaticaanse bibliotheek, fresco ca.1477

en van de vroege Franco-Vlaamse tradities overduidelijk. Nergens in zijn chansons gaat Arcadelt echt de frivole kant op. Hij liet zich als priester niet gauw verleiden tot het gebruik van onwelvoeglijke, stoute teksten en tekstjes. En mocht het dubbelzinnig worden of schijnen, dan wist hij dat door zijn muziek toch vaardig te verbloemen. Arcadelts chansons bedienen zich doorgaans van hoofse taal of sentimentele frasen. Op zichzelf staande openingsmotto’s worden gevolgd door ingenieus contrapunt, waarin vaak canons en andere contrapuntische vernuftigheden worden verwerkt, maar alles in dienst van de uitdrukking van de tekst. Ook Arcadelt was een zoon van zijn tijd, en hoewel geestelijke en in dienst van de kerk, zal hij toch goede nota genomen hebben van de inzichten van de heren dichters en humanisten. In zijn motetten nam hij enkele elementen van die tekstgebonden chansontechniek over. Ook Arcadelts vroege madrigalen bezitten qua componeerwijze erg veel elementen van zijn chansons. Men zou kunnen zeggen dat hij, al doende, de grenzen tussen de verschillende genres liet vervagen. Motet, chanson en madrigaal krijgen bij hem een gelijke behandeling, en hij gebruikte het meest typische en het beste van het ene genre in het andere. In het Arcadelt-programma dat het kwartet in het komende Festival zingt, zetten we telkens een chanson, een madrigaal en een motet naast elkaar die in tekstuele of compositorische zin aan elkaar verwant zijn. We hopen op die manier duidelijk te maken dat het denken in ‘vakjes’ bij Arcadelt niet zo makkelijk opgaat, en eigenlijk ook niet nodig is. MICHELANGELO Arcadelt verbleef in Rome tijdens het pontificaat van paus Paulus III, die een telg was uit het vermaarde Farnese-geslacht. De man was van huis uit opgevoed in grote luxe, en was kunstzinnig. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij een grote mecenas voor de kunsten in het algemeen werd, en voor de 27


EEN TRENDSETTER IN ROME

architectuur in het bijzonder. Hij gaf Michelangelo de opdracht voor het decoreren van de Sixtijnse Kapel, later verleende hij hem de supervisie over de complete herbouw van de Sint-Pietersbasiliek. Uit bewaard gebleven brieven van Michelangelo kunnen we opmaken dat zowel de beroemde kunstenaar als deze paus aan het einde van jaren 1530 aan Arcadelt gevraagd hebben om hun poëmen op muziek te zetten, dat wil zeggen, om er een madrigaal op te maken. In die luisterrijke, kunstminnende en verfijnde atmosfeer ontstond het grensverleggende werk van Arcadelt, die daarmee een belangrijke bijdrage leverde aan de polyfonie die in Rome klonk. In die stad werd in 1551 de 25-jarige Giovanni Pierluigi da Palestrina, toen Arcadelt naar Frankrijk vertrok, diens opvolger en de eerste die de titel maestro di cappella van de cappella giulia mocht voeren. Hij had zijn scholing gehad in dezelfde ‘Nederlandse’ compositietraditie als Arcadelt, en niemand anders van de componisten van Italiaanse komaf zou beter en vollediger de technieken van de Franco-Vlaamse meesters gaan beheersen dan deze jongeman. Overigens, in dat zelfde jaar 1551, maakte ook een nóg jongere man zijn entree in Rome, in de hoop daar iets te leren van de muzikale weelde in de Sixtijnse Kapel en de Sint-Pieterbasiliek; zijn naam was Orlando di Lasso. ıı

28

festival oudemuziek utrecht ZA 3 SEP, 22.30 UUR, GEERTEKERK Arcadelt: Motetten, chansons, madrigalen Egidius Kwartet & College

Sixtijnse Kapel


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Sabine Lutzenberger:

‘DE ROMEINSE KERK­ MUZIEK BEGINT BIJ DE GRIEKEN’ Het in middeleeuwse muziek gespecialiseerde ensemble Per-Sonat, opgericht door zangeres Sabine Lutzenberger en fluitist Norbert Rodenkirchen, komt de eer toe de oudste muziek te gaan uitvoeren die in het komende Festival zal klinken. We hebben het dan over de allervroegste bronnen van de kerkmuziek die we, gemakshalve, als gregoriaans zijn gaan aanduiden. Sabine Lutzenberger: ‘Die aanduiding gregoriaans gebruik ik liever niet te vaak want die is pas later ontstaan. Ik wil graag laten horen wat de bronnen waren voor die allervroegste Romeinse kerkmuziek. En dan kom je uit bij de Griekse cultuur. Er zijn twee Griekse hymnen met muziek overgeleverd, genoteerd in een soort letterschrift, en daarmee beginnen we het concert. Het is muziek die voor de luisteraar van nu eigenlijk heel modern aandoet. De Griekse muziektheorie is de basis geweest voor de ontwikkeling van bijvoorbeeld de kerktoonsoorten, dorisch, phrygisch enzovoorts.’ Hoe leg je vervolgens een link naar de meer bekende vormen van eenstemmige kerkmuziek? Sabine Lutzenberger: ‘We willen duidelijk maken dat de invloed van de Griekse muziekcultuur in Rome lang is blijven doorwerken. Veel van de muziek die we uitvoeren komt uit een antifonarium uit 1071 waarin oudere muziek staat, maar ook muziek die toen nieuw was. Daarin is nog goed de Griekse invloed te herkennen.’ Maar hoe weten we eigenlijk precies waar we die invloed moeten zoeken en is het niet heel vaak een kwestie van hypothese? Sabine Lutzenberger is stellig: ‘Ja natuurlijk, daar moeten we mee leven. Maar dat geldt net zo goed voor muziek uit latere periodes. Want wat weten we van de veertiende eeuw? Met Per-Sonat hebben we een cd gemaakt rond de Roman de La Rose en de muziek die daarin een rol speelt. Dan zit je dus in de veertiende eeuw, maar ook bij die muziek komt een belangrijk deel van het uiteindelijke resultaat voor rekening van interpretatie. Want je bent natuurlijk een musicus van nu die speelt voor een publiek van nu. Met ons programma in Utrecht willen we laten horen dat de muziek die we nu als gregoriaans aanduiden lang niet de alleroudste westerse muziek is en dat er al een hele ontwikkeling was geweest, bijvoorbeeld in de vorm van het ambrosiaanse gezang dat nog veel meer oosterse en Griekse invloeden had. We willen het publiek meenemen op een reis door de vroegste muziekgeschiedenis, een reis die eindigt bij de allervroegste meerstemmigheid.’ Marcel Bijlo

Per-Sonat: zo 28 aug, 15.00 uur / Aula, Academiegebouw

29


30

TEKST BEELD

AGNES VAN DER HORST VIVALDI

EEN ROMEINSE VIVALDI IN UTRECHT PETER VAN HEYGHEN: ‘ALLE BAROKKUNST IS MET ELKAAR VERBONDEN’

Peter Van Heyghen: ‘alle barokkunst is met elkaar verbonden’

EEN ROMEINSE VIVALDI IN UTRECHT


PETER VAN HEYGHEN .INTERVIEW

Hij bezorgt zijn studenten regelmatig een desillusie. Komen ze van heinde en verre naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om de waarheid te vinden over oude muziek, is het eerste wat Peter Van Heyghen ze vertelt dat die niet bestaat. Ieder inzicht en elke ontdekking moet steeds weer opnieuw ter discussie gesteld worden, vindt hij. Die houding kweken is een van de doelen van de Summer Academy Early Music die hij gaat leiden: een cursusweek die uitmondt in een opmerkelijk concert in het Festival Oude Muziek. Peter Van Heyghen zit met een kartonnen bekertje koffie achter zijn laptop aan een tafeltje in de kantine van het Haags conservatorium. Nog voor mijn jas uit is, is het gesprek al begonnen en gaat het over hoe je als onderzoeker drie keer hetzelfde traktaat kan bestuderen en pas de vierde keer iets leest waar je al die tijd overheen hebt gekeken. Omdat je het niet zag, of kón zien. Omdat een mens onbewust alles wat hij leest over (bijvoorbeeld) de uitvoeringspraktijk van oude muziek, interpreteert met de ogen en ervaringen van nu en ook nog eens met zijn eigen persoonlijkheid en karakter. Reden om altijd nieuwsgierig te blijven, en alle gegevens en aspecten van de oude muziek te blijven omkeren en bestuderen. Om steeds dichter bij een van de mogelijke waarheden te komen. Van Heyghen is blokfluitist en leider van Belgische ensembles als barokorkest Les Muffatti en blokfluit­ consort Mezzaluna. Daarnaast is hij onderzoeker en publicist, en als docent historische uitvoeringspraktijk en blokfluit verbonden aan de oude-muziekafdelingen van de Koninklijke Conservatoria van Brussel en Den Haag. Eén ‘verdiep’ hoger in het Haags conservatorium, waar het wat rustiger is, vertelt hij over het grootschalige Vivaldi-project onder zijn leiding dat zijn beslag krijgt in een concert tijdens het hoofdprogramma van het Festival Oude Muziek 2011.

SUMMER ACADEMY EARLY MUSIC ‘De bedoeling is een zomercursus aan te gaan bieden aan niet alleen vergevorderde vocalisten en instrumen­talisten van de afdelingen oude muziek van de conservatoria van Den Haag en Utrecht, maar vooral ook aan jonge professionals. Deze zomer­school moet ze helpen de tussenstap te maken tussen studie en praktijk. Studenten van oudemuziekafdelingen spelen naast hun studie vaak op verschillende plekken, maar krijgen daarbij te weinig kans om de dingen op scherp te stellen. In de zomerschool worden ze gecoacht bij het samenspelen in een groep en krijgen ze daarnaast ook individuele trainingen.’ Van Heyghen onderbreekt even zijn betoog met een nadrukkelijke kanttekening: ‘We zijn heel ambitieus en willen na afloop van de cursus een product afleveren dat goed genoeg is om op prime time tijdens het Festival te presenteren. Het gaat hier om de jongste generatie oude-muziekspecialisten: ze waren al perfect opgeleid, maar deze cursus biedt de finishing touch van hun opleiding, waarmee ze ook optimaal toegerust zijn om de veeleisende muziekpraktijk van vandaag het hoofd te kunnen bieden.’ De Summer Academy Early Music bestaat naast dit Vivaldi-project uit nog een tweede onderdeel, dat eveneens mooi aansluit bij het festivalthema Roma - città eterna. Onder leiding van de leden van Het Caecilia-Concert staat kleinschalige instrumentale muziek van Frescobaldi centraal, en ligt het accent meer op het leerproces dan op het eindresultaat. Dit project zal uitmonden in een optreden tijdens de fringe. OTTOBONI De titel van Van Heyghens project, waarvoor hij zelf het idee aandroeg, luidt Vivaldi in Rome. ‘Ik zocht een thema dat nieuwsgierig maakt en daardoor aantrekkelijk was voor zowel musici als publiek. Ik koos voor Vivaldi in Rome omdat we deze componist eigenlijk alleen maar associëren met Venetië.’ Uitgangspunt was een door Van Heyghen bewonderd ‘briljant artikel’ van de Britse musicoloog en 31


INTERVIEW. PETER VAN HEYGHEN

componist Michael Talbot uit 1988. Van Heyghen: ‘Daarin ontwikkelt deze grote Vivaldi-kenner de inmiddels bijna overal aanvaarde theorie dat een aantal manuscripten in Turijn met geestelijke composities van Vivaldi geschreven is voor de privékapel van kardinaal Pietro Ottoboni in Rome. Het was Talbot opgevallen dat Vivaldi in sommige van die werken plotseling een veel polyfoner stijl hanteerde dan in de composities die hij schreef voor Venetië. De geestelijke muziek in Rome was in die tijd (de jaren 1720) erg conservatief en nog sterk georiënteerd op de oude polyfone stijl, de prima prattica. Bovendien zijn in de meeste van die composities de vocalisten en instrumentalisten opgedeeld in twee koren. Dat was voor Talbot een vingerwijzing dat de stukken zouden moeten zijn uitgevoerd in Ottoboni’s privékapel, de San Lorenzo in Damaso bij zijn Palazzo della Cancelleria. De absis van de San Lorenzo heeft vier balkons: twee voor orgels en solisten en nog twee voor de andere musici. Die geestelijke werken van Vivaldi, sommige nieuw gecomponeerd, andere aangepast, zouden daarvoor heel wel op maat gemaakt kunnen zijn.’ KLARINETTEN Nog een bewijs is Vivaldi’s gebruik van traverso’s in verschillende van de werken. ‘De dwarsfluit werd in Rome eerder ingezet dan in Venetië, en ook bij Vivaldi vinden we dit instrument tot die tijd niet terug’, zegt Van Heyghen. ‘Over het algemeen spelen houtblazers een grote rol in deze stukken en we weten dat in Rome op dat moment echt goede houtblazers aan het werk waren. Een van de fameuze Concerti per la Sonatoria di San Lorenzo, ook te vinden onder de manuscripten uit Turijn, heeft twee klarinetpartijen en dat werk zullen we zeker gaan uitvoeren. Het stuk is heel specifiek voor de Romeinse situatie geschreven: als je die muziek hoort zul je er nooit de naam Vivaldi op plakken; iets dergelijks heeft hij ook nooit voor de Pietà in Venetië gecomponeerd.’ En er zijn meer aanwijzingen dat de Venetiaanse priestercomponist een band had met Rome. Vivaldi was bijvoorbeeld in 1723 en 1724 in de pausenstad, waar onder meer zijn opera’s Giustino en Ercole sul Termodonte uitgevoerd werden. Hij moet toen ook op bezoek zijn geweest bij de ‘cultuurhongerige Ottoboni’, zoals Peter Van Heyghen de Romeinse 32

hoge geestelijke aanduidt. Diens palazzo was een cultureel en muzikaal centrum van jewelste. Praktisch alle grote componisten en musici van zijn tijd (Händel, Vivaldi, Corelli, Locatelli) kwamen er over de vloer en er werden de meest uitgelezen concerten, cantates, opera’s en oratoria uitgevoerd. Natuurlijk had de kardinaal ook een uitgebreide collectie muziek. Eeuwen later (in 1970) dook die deels op in Engeland; in de zogeheten Manchester Partbooks bevinden zich ook twaalf concerten van Vivaldi, waaronder de manuscriptversies van de Vier Jaargetijden. ‘Deze muziek van Vivaldi is trouwens niet typisch Romeins’, aldus Peter Van Heyghen. ‘Het zijn werken die hij al in Venetië had geschreven en die door hemzelf of iemand anders aan het hof van Ottoboni zijn gekopieerd.’ PIJLEN Welke van de Romeinse werken van Vivaldi door de deelnemers van de Summer Academy Early Music tijdens het Festival uitgevoerd gaan worden, kan Van Heyghen nog niet precies zeggen. Hij heeft een ‘wensprogramma’ in het achterhoofd, maar of dat ook haalbaar is hangt af van de musici die zich als deelnemers zullen aandienen. Het wordt in ieder geval een programma door verschillende ensembles van zangers, solisten en instrumentalisten die wereldlijke en geestelijke (dubbelkorige) muziek zullen uitvoeren. De zomerschool biedt plaats aan zo’n veertig instrumentalisten en vocalisten, duurt een week en wordt gehouden in het Utrechts Conservatorium. Gedurende de hele periode is er een vast docententeam aanwezig, bestaande uit onder meer violist Enrico Gatti, sopraan Emanuela Galli en de klavecinisten Kris Verhelst en Siebe Henstra. Op bepaalde momenten en dagen komen ook blokfluitist Heiko ter Schegget, traversospeler Wilbert Hazelzet en baroktrompettiste Suzy Williams lesgeven. Veel van de docenten geven op beide conservatoria les. Peter Van Heyghen heeft de algehele leiding. Van Heyghen beaamt dat er al heel veel cursussen en workshops worden aangeboden op het gebied van de historische uitvoeringspraktijk. ‘Maar ik hoor jonge musici vaak klagen over zogenaamd pedagogische initiatieven die uiteindelijk eindigen in goedkope concerten. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Ik wil met deze zomerschool jonge


PETER VAN HEYGHEN .INTERVIEW

mensen meer pijlen op hun boog geven, die ze kunnen gebruiken als ze straks het professionele leven in gaan. Waardoor ze eerder leren vragen te stellen dan zich te conformeren aan de geplogenheden van grote dirigenten.’ GESTIEK Een van die pijlen waarmee de kern van de barokmuziek beter geraakt zou kunnen worden is de concentratie op de muzikale gestiek. Een belangrijk stokpaardje van Peter Van Heyghen. Wat houdt die gestiek precies in? ‘In het algemeen is gestiek een gegeven dat inherent is aan alle barokkunst. Natuurlijk vind je het in de dans en in het theater. Maar ook in de beeldende kunst. Als je bijvoorbeeld de schilderijen van een late barokschilder als Giovanni Battista Tiepolo analyseert en je ziet hoe op een van zijn schilderstukken Christus gebukt gaat onder zijn kruis, dan zie je aan zijn gezichtsuitdrukking dat het kruis wel duizenden tonnen lijkt te wegen. Tegelijkertijd valt de bijna elegante houding op waarin hij onder dat kruis ligt. Dat is de combinatie van theatraliteit en barokke gebarenleer, de gestiek, en die is evenzeer aanwezig bij puur instrumentale muziek waarbij je überhaupt geen tekst of beeldreferentie hebt. In de beweging van een muzikale figuur die op- of neerwaarts gaat, in het tempo van de muziek, in het staccato of gebonden spelen van een aantal noten zou je letterlijk een bepaald gebaar kunnen zien waarmee je een bepaalde partij of een deel van een partituur zou kunnen duiden. Als je bijvoorbeeld een presto speelt sta je denkbeeldig op je voorvoet, want je bent gehaast. Dan moet je zo’n passage of stuk niet rustig afsluiten alsof je op je achterbeen staat, want dan zit je niet meer in hetzelfde affect en zend je een tegenstrijdige boodschap uit. Een presto moet je eindigen op je voorvoet.’ ‘Een ander wezenlijk onderdeel van de barokke gestiek is de asymmetrie. Wanneer je als zanger of acteur op het toneel staat, moet je er voor oppassen dat je je armen nooit op dezelfde hoogte houdt. Er moeten altijd tegenstellingen zijn in je lichaamshouding. Dat kun je rechtstreeks toepassen op muziek. Om bij het voorbeeld van ‘gehaast’ te blijven: gehaast is niet hetzelfde als snel. Iets klinkt gehaast wanneer je naast een zekere vaart ook een soort ingehoudenheid probeert uit te drukken. Daarmee

schep je precies die spanning die te maken heeft met haast. Herman van Veens liedje Opzij, opzij, opzij is een goed voorbeeld van die tegenstelling tussen snel en tegelijkertijd ingehouden. Dit soort contrasten kun je vanuit de gestiek rechtstreeks toepassen op de puur instrumentale muziek. Alle barokkunst is met elkaar verbonden, daarom is beeldende kunst ook een ongelooflijke bron van inspiratie. Voor mij persoonlijk maar ook voor de muziek die ik uitvoer. Dat probeer ik in mijn eigen lessen in te bouwen.’ Peter Van Heyghen eindigt zijn inspirerende minicollege met een zucht. ‘Ach, ik zou het liefst met mijn studenten op reis gaan en overal kunst gaan bekijken.’ Voorlopig gaat de reis naar Utrecht en denkbeeldig - naar Rome. ıı

festival oudemuziek utrecht ZA 27 AUG, 20.00 UUR, JACOBIKERK Vivaldi in Rome Summer Academy Early Music Ensemble / Peter Van Heyghen ZA 27 AUG, 11.00 UUR, LOCATIE N.N.B. Fringepresentatie Frescobaldi Summer Academy Early Music WO 24 T/M VR 26 AUG, 14.00-17.00 UUR, UTRECHTS CONSERVATORIUM Cursus Roma - Città Eterna o.l.v. Jan Nuchelmans, met repetitiebezoek (concert za 27 aug inbegrepen)

33


tley Mister Mo en

1 jvaooar r €

nst

0 185,

Knoopt ku elkaar leven aan

1 jaar

kunst, ley gaat over . Mister Mot een voetstuk op et ni t ns maar zet ku ley leest, ot M r te is l, wie m Integendee (leven, land ch dat alles is kt realiseert zi en dr k melk) door schap, een pa t. ns ku et m WW

voor

32,50

nis, Ontdek de geschiede gazine lees Geschiedenis Ma WWW.GESC HIEDENIS

TLEY.NL W.MISTERMO

MAGAZIN E .NL

1 jvaooar r €

Onderzoek het

Bergen Mag azine

Voor bergwan

delaars

verleden, lees

Beleef de over weldigende schoonheid va n de bergnatu ur en –cultuur. Ontd ek de gebiede n waar het massatoer isme nog niet is doorgedronge n, de routes die alleen de fijnpr oevers kennen .

Archeologie M

WWW.ARC HEOLOG

agazine

IEONLI NE .NL

1 jvaooar r

5 169,

0 250,

WWW.BERGE

NMAGAZINE

.NL

meer tijdschriften? surf naar www.leeseenswatanders.nl Archeologie Magazine

Jaarabonnement (6 nrs) € 25,–

Geschiedenis Magazine

Jaarabonnement (8 nrs) € 32,50

Mister Motley

Jaarabonnement (4 nrs) € 18,50

Bergen Magazine

Jaarabonnement (4 nrs) € 16,95

Proefabonnement (2 nrs) € 8,50

Naam

m/v

Adres

Proefabonnement (2 nrs) € 8,50 Proefabonnement (2 nrs) € 8,50 Proefabonnement (2 nrs) € 8,50

Proefabonnementen lopen automatisch af. Jaarabonnementen zijn tot wederopzegging. Opzeggen kan tot twee maanden voor het abonnement

Postcode en Woonplaats

Telefoon

E-mail

Ik machtig de uitgever (jaarlijks) het abonnementsgeld af te schrijven (alleen voor nederland).

Bank/Gironummer

eindigt. De vermelde jaarabonnementsprijs is een introductieprijs die alleen het eerste jaar geldig is. Prijswijzigingen en drukfouten voorbehouden.

Datum

Handtekening

Stuur deze bon in een envelop naar Lees eens wat anders, Antwoordnummer 7086, 3700 TB Zeist, Nederland (Vanuit Nederland kan dit zonder postzegel.)

34


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Patrizia Bovi:

NIEUW LICHT OP LUCREZIA BORGIA Dat Lucrezia Borgia (1480-1519) tot de verbeelding spreekt weten we: Gaetano Donizetti wijdde een opera aan deze onwettige dochter van paus Alexander VI en ook diverse schrijvers wisten wel raad met haar levensverhaal. Zangeres Patrizia Bovi plaatst met haar ensemble Medusa Lucrezia Borgia in haar eigen tijd. Ze vertelt: ‘Ik las haar levensverhaal en realiseerde me ineens wat een interessante persoonlijkheid zij was. Ze groeide op in Rome maar had, omdat ze een telg van de Spaanse Borgiafamilie was, ook veel binding met de Spaanse cultuur. Ze werd tweetalig opgevoed en ontwikkelde zich in de literatuur, muziek en dans.’ Welke muziek kan zij hebben gehoord, gezongen of gespeeld? Patrizia Bovi: ‘In Rome waren het de componisten uit de Nederlanden die domineerden, onder wie Josquin des Prez, maar Lucrezia heeft natuurlijk ook Spaanse muziek gehoord. Daarnaast was er de muziek uit Ferrara waar Lucrezia hertogin werd, bijvoorbeeld de frottole van Bartolemeo Tromboncino. Er zijn een paar van zijn frottole overgeleverd op Italiaanse en Spaanse tekst, die waarschijnlijk aan haar opgedragen zijn. Al die verschillende stijlen, die van de Vlaamse polyfonisten, de Spaanse en de Ferrarese, willen we aan bod laten komen. Toch wordt ons programma geen aaneenschakeling van losse stukken: we plaatsen de muziek in de context van Lucrezia’s leven. We reconstrueren daarbij ook een vorm van geïmproviseerde liedkunst, want zowel poëzie als muziek werden geïmproviseerd, een kunst die Lucrezia waarschijnlijk ook zelf beoefende.’ Is het lastig om zo’n vorm echt goed te realiseren? Patrizia Bovi: ‘We gaan natuurlijk niet over één nacht ijs. Crawford Young, de luitist van ons ensemble, doet al jaren onderzoek naar de muziek in Ferrara in de vijftiende eeuw en de rol die improvisatie daarin speelt. In Ferrara was de hoofse liefdespoëzie zeer verfijnd en vaak werden tekst en muziek geïmproviseerd volgens bepaalde regels. We hebben een luit, de viola borgiana, en een harp gereconstrueerd die op een schilderij staan afgebeeld en die Lucrezia moet hebben gekend of misschien zelfs bespeeld. In ons programma zullen dus verschillende stijlen naast elkaar klinken met Lucrezia Borgia als bindende factor. Ik vind haar een van de meest inspirerende vrouwen van haar tijd en ben ervan overtuigd dat ze door de geschiedschrijving altijd wat miskend is. We willen met dit programma dat negatieve beeld proberen bij te stellen.’, Marcel Bijlo

Medusa: vr 2 sep, 24.00 uur / Aula, Academiegebouw

35


TEKST

MATTHIJS BOSWIJK

HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES CANTICA SYMPHONIA ZINGT EN SPEELT GUILLAUME DU FAY

Cantica Symphonia zingt en speelt Guillaume Du Fay

HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES

36


HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES

Motetten werden vaak gecomponeerd ter gelegenheid van speciale gebeurtenissen: het bezoek van een hooggeplaatste, een overwinning, een kroning of een huwelijk. De motetten van Du Fay vormen daarop geen uitzondering: zij markeren zelfs een paar sleutelmomenten in de vijftiende eeuw. Cantica Symphonia van tenor Giuseppe Maletto nam voor het eerst al Du Fay’s motetten op. Twee concerten geeft het ensemble in het Festival Oude Muziek met muziek van deze componist; daarnaast zal Guido Magnano, organist van het ensemble en tevens wiskundige, in zijn Zomerschoollezing belichten hoe bepalend het getal was voor de structuur van Du Fay’s werk. Guillaume Du Fay (ca.1397-1474) leefde in een tijd van grote politieke en godsdienstige turbulentie. Opgeleid als koorzanger van de kathedraal in Kamerijk (nu het Noord-Franse Cambrai) vinden we hem in 1420 terug in Rimini, waar hij banden had aangeknoopt met de Malatesta-familie. Naar alle waarschijnlijkheid kwam hij met hen in contact via de bisschop van Kamerijk, in wiens gevolg hij het Concilie van Konstanz bijwoonde. Voor die in 1414 geopende bijeenkomst, bedoeld om een einde te maken aan de onhoudbare situatie van drie regerende pausen tegelijk (een in Rome, een in Avignon en een in Pisa), hadden talloze wereldlijke en kerkelijke leiders zich vanuit heel Europa met hun kleurrijke entourages in Konstanz verzameld. Het betekende een invasie van circa 20.000 bezoekers in de stad, die in hun kielzog het gedocumenteerde aantal van 1700 instrumentalisten meenamen. De belangrijkste rol tijdens dit concilie was weggelegd voor Sigismund van Luxemburg, die door de Duitse staten als hun keizer was gekozen, maar door de paus niet officieel als keizer van het Heilige Roomse Rijk werd erkend. Sigismund zorgde ervoor dat het stemrecht evenredig werd verdeeld onder de vertegenwoordigers van de verschillende landen, en dat de paus voortaan gebonden was aan de beslis37


HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES

Du Fay (links) en Binchois (rechts), miniatuur in een handschrift, 15de eeuw

singen van het concilie. Carlo Malatesta da Rimini speelde bij dit concilie als woordvoerder van de paus die in Rome zetelde een voorname rol. Deze Gregorius XII trad in 1415 vrijwillig af; het pontificaat van Benedictus XIII in Avignon werd eenvoudig ongeldig verklaard en de paus in Pisa, Johannes XXIII, die zelf het concilie bijeen had geroepen in de hoop tot enige paus te worden verkozen, werd gevangengezet. Zo kon in 1417 Martinus V als nieuwe paus worden ingezegend. PAUSELIJKE KRINGEN De volgende zorg van het concilie was om nu ook de betrekkingen met de kerk in het oosten weer op orde te krijgen. Daartoe werd in 1421 een huwelijk van Carlo’s nicht Cleofe Malatesta da Pesaro met Theodore II Palaiologos, zoon van de Byzantijnse keizer, gearrangeerd. Guillaume Du Fay viel de eer te 38

beurt voor deze gelegenheid een motet te componeren: ‘Vasilissa, ergo gaude’ is zijn oudst bekende compositie. Een andere Malatesta van de Pesarotak, ook Carlo geheten, trouwde in 1423 met Vittoria Colonna, nicht van Martinus V, aan welke gebeurtenis Du Fay wederom een klinkende bijdrage leverde: de ballade ‘Resvelliés vous’. Het lijkt erop dat Du Fay tegelijkertijd ook in pauselijke kringen bleef verkeren: de huwelijksballade vertoont namelijk verwantschap met zijn motet ‘O sancte Sebastiane’, waarin wordt gebeden om hulp tegen de verschrikkingen van de pest. Die epidemie was er de oorzaak van dat een nieuw concilie, door Martinus V bijeengeroepen in Pavia, inderhaast moest verhuizen naar Siena. Du Fay heeft zijn leven lang heel wat heen en weer gependeld tussen Italië en Noord-Frankrijk, waar men dit talent van eigen bodem niet kwijt wilde: zowel in Kamerijk als elders kreeg hij steeds weer nieuwe erefuncties en prebendes toegekend. Maar ook in Italië werden de aanbiedingen steeds aanlokkelijker: tussen 1426 en 1428 was Du Fay in dienst van de Franse kardinaal Louis Aleman in Bologna – de componist wordt er vermeld als deken en later als priester – maar componeerde hij ook een en ander voor de Malatesta’s, waaronder een motet voor de inwijding van een kerk in Patras waar Pandolfo Malatesta da Pesaro bisschop was. Toen Aleman na een conflict met de Canedoli’s uit Bologna werd verdreven trok Du Fay naar Rome, waar hij in 1428 door Martinus V werd benoemd als zanger in de pauselijke kapel. Na diens dood drie jaar later trad Eugenius IV aan. Deze nieuwe paus was niet bepaald een diplomaat: hij raakte vrijwel onmiddellijk in conflict met de Colonna’s en de Malatesta’s, die in de periode vóór hem de dienst hadden uitgemaakt. De machtsstrijd tussen zijn oude en zijn nieuwe werkgever had de positie van Du Fay eenvoudig kunnen schaden. Maar daarvan blijkt niets: bij het aantreden van Eugenius klonken nieuwe, feestelijke motetten van Du Fay’s hand, waaronder ‘Ecclesiae militantis’. Van deze paus ontving Du Fay nieuwe prebendes: hij werd benoemd als kanunnik van Doornik en Brugge, al hield


HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES

dat geen werkelijke verplichting in. Korte tijd later verruilde hij Doornik voor het lucratievere Lausanne, een procedure die zich veel vaker zou herhalen. CONCILIE VAN BAZEL Het nieuwe Concilie van Bazel, nog door Martinus kort voor zijn dood bijeengeroepen, beschouwde Eugenius als volkomen overbodig. Hij weigerde te komen, officieel vanwege zijn slechte gezondheid, en vaardigde een besluit uit om het concilie te verplaatsen naar Ferrara. Dat zette de machtsstrijd tussen paus en concilie, waarin ondertussen de wereldlijke krachten de overhand hadden gekregen, opnieuw op scherp. Toen Sigismund, geholpen door de hertog van Milaan, Filippo Maria Visconti, het concilie gewoon doorzette en Eugenius totaal buitenspel dreigde te raken, volgde een ontmoeting in Rome. Daar werd in mei 1433 Sigismund door paus ­Eugenius officieel bevestigd als keizer van het Heilige Roomse Rijk, wat de positie van beiden versterkte. Du Fay’s motet uit 1433 ‘Supremum est mortalibus bonum’ brengt een ode aan de vrede die nu in het verschiet lag. Maar de nieuwe afspraken waren verre van waterdicht: Eugenius beloofde het Concilie van Bazel te erkennen, op voorwaarde dat hij de beslissingen zelf mocht ratificeren. Ondertussen kwam de paus nog steeds niet naar Bazel en neigden steeds meer kardinalen aldaar naar het steunen van Eugenius, mede omdat ook aan hún macht paal en perk dreigde te worden gesteld. In Rome waren tegengestelde krachten aan het werk: het pauselijke huishouden was als gevolg van het geldverslindende concilie nagenoeg bankroet, wat maatschappelijke onrust veroorzaakte, en toen in augustus een gezamenlijke strijdmacht van de Colonna’s en de Visconti’s Rome binnenviel om hun persoonlijke geschillen te beslechten, koos Eugenius eieren voor zijn geld en erkende in december alsnog het gezag van Bazel. Een nieuwe verwarrende episode brak aan toen Eugenius al een jaar later wegens nieuwe onrust naar Florence vluchtte. Van daaruit, gesteund door de Medici’s, zette hij zijn strijd tegen het Concilie van Bazel voort.

DOM VAN FLORENCE De financiële perikelen van zijn broodheer raakten Du Fay’s positie rechtstreeks: in 1434 kreeg hij toestemming te vertrekken naar Amadeus VIII, hertog van Savoye. Deze wilde bij het groots gevierde huwelijk van zijn zoon ongetwijfeld een goede indruk maken op zijn meest voorname gast: Filips de Goede, hertog van Bourgondië. Die had namelijk een groot aantal van zijn eigen musici meegebracht, onder wie Binchois. Zijn relatie met het huis van Savoye bracht Du Fay vijf jaar later opnieuw in een uiterst precaire situatie: in 1439 zou Amadeus door het Concilie van Bazel tot paus Felix V worden uitgeroepen, de tegenpaus dus van Eugenius. Die had het inmiddels nog bonter gemaakt door zich na de dood van Sigismund niet langer gebonden te voelen aan zijn belofte. Hij was in Ferrara nu toch zijn eigen concilie begonnen, met als gevolg dat hij in Bazel tot ketter was verklaard en uit zijn ambt gezet. Maar nog in 1436 had Du Fay in Florence, waar hij zich weer bij Eugenius had gevoegd, zijn beroemdste motet ‘Nuper rosarum flores’ voor de paus gecomponeerd bij de inzegening van de Dom van Brunelleschi... Om een einde te maken aan deze oncomfortabele toestand nam Du Fay in 1439 de benen naar Kortrijk, waar hij zijn positie als kanunnik aan de kathedraal opnam. Hij was niet de enige voormalige pauselijke zanger in Kortrijk: ook andere leden van de cappella papale, die toen nog uitsluitend uit Franco-Vlaamse musici bestond, hadden zich weer in Kortrijk en omstreken gevestigd. Maar in Savoye waren ze niet blij met het verlies van hun zo beroemde magister capellae. Er ging een verzoek van Amadeus’ zoon naar Filips de Goede om Du Fay terug te sturen. Maar Filips steunde Eugenius, zoals ook een groeiend aantal andere machthebbers, en Du Fay bleef waar hij was. Meer dan tien jaar werkte hij in Kortrijk, waar hij met collegae Nicolas Grenon en Symon Mellet onder meer de verzameling kathedrale kerkmuziek op orde bracht. Desondanks is dit juist de periode waaruit de minste muziek van Du Fay is overgeleverd, of 39


HET MOTET ALS GESCHIEDENISLES

met zekerheid aan hem kan worden toegeschreven. Alleen een paar motetten, waaronder ‘Moribus et genere’ voor een bezoek van bisschop Jean van Bourgondië, en de Missa S Antonii de Padua, een heilige die in Kortrijk werd vereerd, kunnen met zekerheid tot deze periode worden herleid. TERUG NAAR KORTRIJK Het Concilie van Bazel werd in 1443 nog verplaatst naar Lausanne, maar in 1449 abdiceerde Felix V ten gunste van Nicolaas V, die twee jaar eerder de omstreden Eugenius na diens dood in Rome was opgevolgd. Deze nieuwe paus maakte van Rome eindelijk weer het onomstreden centrum van het christelijk geloof. Voor Du Fay opende het opnieuw de weg naar het zuiden; tussen 1450 en 1458 verbleef hij lange periodes als magister capellae in Savoye en elders in Italië, af en toe onderbroken door reizen naar huis. Er zijn nog maar weing composities van hem traceerbaar in deze tijd: in elk geval is er geen enkel staatsmotet meer van hem bekend. Wel is er de lamentatie ‘O tres piteulx / Omnes amici eius’ waarin de val van Constantinopel wordt beweend, en welhaast zeker stamt ook de Missa Se la face ay pale uit deze tijd. Het lijkt er welhaast op dat de inmiddels bejaarde Du Fay zijn status van werknemer had overstegen en min of meer op voet van gelijkheid met zijn weldoeners verkeerde. Maar het leidde uiteindelijke niet tot een zodanig substantiële prebende dat hij zijn oude dag onbezorgd in Italië kon slijten. Daarom reisde hij in 1458 definitief terug naar Noord-Frankrijk waar hij, op wat korte uitstapjes in de omgeving na, tot het eind van zijn leven in Kortrijk verbleef. Du Fay leefde ook na zijn terugkeer als een beroemdheid: vele componisten kwamen hem opzoeken, waaronder Hayne van Ghizeghem, Tinctoris en Ockeghem en vermoedelijk ook Busnois en Compère. Hij knoopte opnieuw betrekkingen aan met het Bourgondische hof; de plannen van Filips de Goede voor een kruistocht waren wellicht de aanleiding voor Du Fay’s chanson ‘L’homme armé’ en zijn latere gelijknamige mis. 40

Tot het laatst toe bleef Du Fay componeren, maar zijn motetteksten worden steeds spiritueler van aard. Symon Mellet kopieerde veel polyfone muziek in de koorboeken van Kortrijk, waaronder ook Du Fays Missa Ecce ancilla Domini. Rond 1464 componeerde Du Fay zelfs een motet waarin hij zijn persoon nederig bij de Hogere aanbeveelt; kennelijk was zijn gezondheid erg slecht, want hij liet in een bepaling vastleggen dat dit motet aan zijn sterfbed moest worden uitgevoerd door de pueri van de kathedraal van Kortrijk. Maar Guillaume Du Fay zou nog tien jaar langer leven, genoeg om dit motet om te werken tot een laatste superieure muzikale uitbarsting, de Missa Ave Regina celorum. ıı

festival oudemuziek utrecht ZA 27 AUG, 15.00 UUR / ST. CATHARINAKATHEDRAAL Du Fay: Motetten Cantica Symphonia (grote bezetting)/ Giuseppe Maletto ZA 27 AUG, 24.00 UUR / AULA, ACADEMIEGEBOUW Du Fay: Missa Ecce ancilla Domini; Mouton, Des Prez, Festa: Motetten Cantica Symphonia (kleine bezetting) / Giuseppe Maletto MA 29 AUG, 11.00 UUR / AULA, ACADEMIEGEBOUW Zomerschool / Du Fay: De rationibus musicae Guido Magnano, m.m.v. Cantica Symphonia / Giuseppe Maletto


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Frank Agsteribbe:

‘FRESCOBALDI EN CAGE NET ZO VERNIEUWEND’ foto: Isabella Finzi

Het combineren van oude met moderne muziek op een concertprogramma: daar kijken we niet meer van op. Meestal gaat het toch om nieuwe muziek die geïnspireerd is door oude muziek. Maar Frescobaldi’s Arie Musicali koppelen aan Aria (1958) en Songbooks (1970) van John Cage, zoals klavecinist/organist Frank Agsteribbe met zijn ensemble cantoLX tijdens het Festival gaat doen, dat is nog niet eerder vertoond. Frank Agsteribbe verklaart: ‘Die koppeling van oude muziek aan oud-geïnspireerde nieuwe muziek kan heel interessant zijn, maar je kunt ook een heel andere invalshoek kiezen. Zowel Frescobaldi als Cage zochten naar nieuwe mogelijkheden om emoties uit te drukken en daar gebruikten ze beiden vocale technieken voor die in hun tijd volstrekt nieuw waren. Een andere overeenkomst is dat zowel bij Frescobaldi als bij Cage de uitvoerende een grote rol speelt bij het uiteindelijke resultaat. Die confrontatie wil ik aangaan met dit programma.’ ‘Frescobaldi gebruikt de door Giulio Caccini rond 1600 ontwikkelde versieringstechnieken, maar zijn vormen, aria, recitatief en zelfs al cantate-achtig, zijn diverser. Cage gebruikt in zijn vocale muziek ook de meest uiteenlopende vormen. Overeenkomst is verder dat we van beiden de instrumentale muziek beter kennen dan de vocale.’ Is het moeilijk om zangers te vinden die zowel met Frescobaldi als met Cage goed uit de voeten kunnen? Frank Agsteribbe: ‘Ik heb ze gevonden! Twee jaar geleden heb ik dit programma al eens gedaan in het MAfestival in Brugge, niet helemaal met dezelfde zangers overigens, en dat was heel succesvol. Jonge zangers, zoals de Spaanse Mariví Blasco die in Utrecht ook weer meedoet, zijn zeer nieuwsgierig en durven zich vol overgave in beide stijlen te storten. Mariví doet veel oude muziek, maar Cage doet ze ook echt fantastisch! Dat geldt ook voor de andere zangers trouwens. Iedereen is met beide stijlen vertrouwd en niemand kijkt op van de soms onalledaagse geluiden die Cage voorschrijft.’ Hoe waren de reacties in Brugge? Frank Agsteribbe: ‘Over het algemeen heel positief, hoewel je natuurlijk altijd mensen hebt die zo’n programma niet zien zitten. Maar het overgrote deel van het publiek ging er helemaal in mee. We luisteren vaak naar oude muziek zonder te beseffen hoe vernieuwend die muziek in zijn eigen tijd is geweest. Met de combinatie Frescobaldi en Cage wil ik dat besef weer een beetje terugbrengen. Als mensen dat oppikken is mijn missie geslaagd.’ Marcel Bijlo cantoLX: zo 4 sep, 15.00 uur / Ottone

41


42

TEKST

JAN VAN DEN BOSSCHE

PRIMA, SECONDA EN TERZA PRATTICA GIUSEPPE MALETTO BELICHT HET ­ITALIAANSE MADRIGAAL

Giuseppe Maletto belicht het ­Italiaanse madrigaal

PRIMA, SECONDA EN TERZA PRATTICA


GIUSEPPE MALETTO .INTERVIEW

Al twintig jaar lang is tenor Giuseppe Maletto een van de meest bedreven en meest gevraagde madrigaalzangers van Italië. Hij stond aan de wieg van Rinaldo Alessandrini’s Concerto Italiano en werd later lid van La Venexiana van Claudio Cavina. Toch maakt hij in de komende ‘Romeinse’ editie van het Festival Oude Muziek een dubbeldebuut. Voor het eerst treedt hij in Utrecht aan met zijn eigen Cantica Symphonia, dat zich vooral op de overgangsperiode tussen de late Middeleeuwen en de Renaissance toelegt en waarmee hij een alom bekroonde reeks cd’s met werk van Du Fay heeft opgenomen. Bovendien presenteert hij in Utrecht ook de Compagnia del Madrigale, een ensemble dat hij samen met een aantal collega-madrigaal­ zangers oprichtte en dat in Utrecht twee concerten zal brengen, respectievelijk gewijd aan Marenzio en Palestrina. Ik spreek met Maletto via Skype. Hij zit in zijn werkkamer in Pinerolo, het Piëmontese stadje waar Guillaume Du Fay, een van Maletto’s grote liefdes, zich ook ooit een winter ophield in het gevolg van een van zijn broodheren, de Hertog van Savoye. Maar het gesprek begint bij het nieuwe madrigaalensemble La Compagnia del Madrigale, duidelijk een zangersinitiatief. Hadden ze dan genoeg van de dirigenten? ‘Het zijn eerder de dirigenten die genoeg hadden van het madrigaal’, verzucht Maletto. ‘De oude madrigaalensembles zijn allemaal ontstaan op initiatief van gepassioneerde dirigenten, maar na een tijdje kunnen ze de verleiding niet weerstaan om grotere en prestigieuzere projecten te gaan doen, met orkest en solisten. Toen de grote blikvangers van het madrigaalrepertoire, zoals Monteverdi en Gesualdo, in de jaren ’90 zo’n beetje in kaart gebracht waren, begon hun interesse in het genre te tanen. Maar wij willen graag verder. Er is nog zoveel te ontdekken. Daarbij komt dat een dirigent voor de uitvoering van een madrigaal strikt genomen niet echt nodig is. Vaak werkt het eerder wat komisch.

De Compagnia is opgericht door drie zangers met jarenlange ervaring [behalve Maletto zijn dat Rossana Bertini en Daniele Carnovich; red.]. Voorts hebben we een paar jongere collega’s uitgenodigd. Onze ruime ervaring geeft ons het vertrouwen om zonder dirigent te werken. Dat sluit overigens niet uit dat we af en toe met gastdirigenten in zee gaan. Zo zijn we een samenwerking aangegaan met Diego Fasolis van de Italiaans-Zwitserse radio. Op zijn uitnodiging hebben we een Palestrina-project opgezet, waarvan het resultaat ook in Utrecht te horen zal zijn.’ HET PALESTRINA-PROJECT Palestrina, festivalcomponist van de komende, aan Rome gewijde editie, staat bekend als de grote verdediger van de liturgische muziek ten tijde van het Concilie van Trente, de officiële componist van de Contrareformatie. Van zijn hand zijn honderden missen en motetten bekend, maar madrigalen…? ‘Alleen daarom al is dit concert zo bijzonder. De wereldlijke Palestrina is volslagen onbekend. Het gaat dan ook om amper 5% van zijn totale ­oeuvre. Twintig jaar geleden hebben we met Rinaldo ­Alessandrini wel eens een madrigaalboek van hem op cd gezet. Maar sindsdien heb ik geen wereldlijke muziek van Palestrina meer gezongen. We zijn nu weer bij Palestrina terechtgekomen dankzij het baanbrekende werk van dirigent Diego Fasolis en musicoloog Francesco Luisi, de aanstichters van een begonnen project waarbij Francesco Luisi een nieuwe wetenschappelijke uitgave van het verzameld werk van Palestrina bezorgt en Diego Fasolis alles uitvoert en meteen ook opneemt [zie ook het artikel elders in dit nummer; red.]. We hebben met hem onlangs het tweede madrigaalboek opgenomen.’ ‘Palestrina’s madrigalen zijn erg verschillend van zijn kerkmuziek. Op het eerste gezicht lijken ze wat conservatief en de teksten die hij kiest zijn niet altijd van het hoogste literaire gehalte. Hij leek weinig affiniteit te hebben met de hele madrigaalcultuur en de hoge vlucht die het genre in het midden van de zestiende eeuw aan het nemen was. Maar omdat hij nu eenmaal een groot componist is, schrijft hij ook hier weer 43


INTERVIEW. GIUSEPPE MALETTO

enkele meesterwerken. En het is juist zijn positie van buitenstaander in dit genre die maakt dat hij af en toe erg verrassend uit de hoek kan komen.’ STATISTIEK Dat er nog zo veel te ontdekken is, is een stelling die in de oude muziek wel vaker wordt geuit, en dan met name om de voortgang van de beweging überhaupt te legitimeren. Maar in het geval van het madrigaal zou het wel eens een bijzonder steekhoudend argument kunnen zijn. Het genre leent zich in ieder geval tot interessante en indrukwekkende statistiek. Zo is het hele corpus aan Italiaanse madrigalen uit de zestiende eeuw volgens Maletto groter dan alle wereldlijke vocale muziek in alle overige Europese talen samen, dus inclusief het Franse chanson, het Engelse madrigaal en het Duitse lied. Voor de eerste cd van de Compagnia del Madrigale heeft Maletto alle madrigalen bijeen gezocht op tekst uit Ariosto’s epische gedicht Orlando furioso. Hij vond er 700; niet allemaal van de hoogste kwaliteit, maar in ieder geval genoeg juweeltjes om een cd mee te vullen. ‘Er was ook een heel mooi stuk van Johannes Tollius uit Amersfoort, maar dat heb ik helaas te laat ontdekt voor de cd! Er zijn zoveel eersterangscomponisten, ook veel andere noorderlingen zoals Giaches de Wert, Orlando di Lasso, Cypriano de Rore en Philippus de Monte, die meer dan 1200 madrigalen op zijn naam heeft! Hier in Italië wacht vooral Orazio Vecchi op een herwaardering. Van hem wordt alleen maar de madrigaalkomedie L’Amfiparnaso uitgevoerd, terwijl hij een geniaal componist is, met een groot gevoel voor humor. Hoe meer ik dit repertoire bestudeer, hoe meer ik me ervan bewust word dat we slechts het topje van de ijsberg kennen.’ TERZA PRATTICA Keus te over dus. En toch heeft Maletto besloten om zich voor het eerste grote discografische project op het verzamelde madrigaalwerk van één componist toe teleggen: Luca Marenzio. Met 500 44

madrigalen een riskante onderneming, vooral als je bedenkt dat het label Glossa net de stekker uit het Du Fay-project van Maletto’s andere ensemble Cantica Symphonia heeft getrokken. Maletto hoopt dat zijn nieuwe partner, het label Arcana, een wat langere adem heeft. De keuze voor Marenzio was in ieder geval niet moeilijk. ‘Als we Monteverdi even buiten beschouwing laten, want die is echt ongeëvenaard, is Marenzio wellicht de allergrootste Italiaanse madrigaalcomponist. De expressiviteit, de zuiverheid, het evenwicht en de extreme verfijning van zijn schriftuur, het zijn maar een paar van zijn kwaliteiten.’ ‘Hij was bovendien een groot vernieuwer. In de klassieke geschiedschrijving is zijn bijdrage aan de spectaculaire muzikale vernieuwingen van de zestiende eeuw wat ondergesneeuwd geraakt door de grote aandacht voor de komst van de basso continuo rond 1600 en voor het werk van Peri, Caccini en natuurlijk Monteverdi. Maar Marenzio was goed bekend met al die vernieuwingen. Hij was in 1589 in Florence betrokken bij de beroemde Intermedi della Pellegrina en heeft daar Caccini, Cavalieri en Peri ontmoet. In Marenzio’s achtste boek staan ongekend moderne passages, waar de expressieve harmonie het volledig overneemt van de polyfonie, die bijna afwezig is. Dat is de echte seconda prattica.’ ‘Wat daarna komt, de barokke monodie met basso continuo, is eigenlijk alweer een stap verder, de terza prattica zeg maar. Het is onbegrijpelijk dat Marenzio zo afwezig is op de concertpodia en dat er nauwelijks opnames van zijn werk zijn. Dit soort lacunes willen wij graag opvullen, en we zijn dankbaar en vereerd dat we dat meteen op zo’n prestigieuze plek als Utrecht mogen doen. Het is een bijzonder mooi toeval – maar misschien is het ook geen toeval – dat ik bijna twintig jaar geleden met Rinaldo Alessandrini het buitengewoon succesvolle Utrechtse debuut van Concerto Italiano mee mocht maken, en dat we nu op datzelfde Festival een nieuw hoofdstuk in de madrigaalcultuur mogen beginnen. Ik geloof in ieder geval dat het een goed voorteken is.’


GIUSEPPE MALETTO .INTERVIEW

SCHANDAALTJE Maletto was er dus bij toen in 1993 naar aanleiding van het Monteverdi-thema een klein schandaaltje uitbrak rond de zogenaamde moedertaaltheorie van toenmalig programmeur Jan Nuchelmans. Die kwam er in het kort op neer dat vocale muziek beter voer bij een vertolking door zangers die in hun moedertaal zongen. De stelling kon zeer algemeen opgevat worden, maar werd al gauw geïnterpreteerd als een aanval op de dominantie van de Engelse vocale cultuur in de oude muziek. Zij plaatste met name grote vraagtekens bij de uitvoeringen van het Hilliard Ensemble en de Consort of Musicke, het ensemble van Anthony Rooley, dat al meer dan tien jaar baanbrekend werk had verricht op het gebied van het Italiaanse madrigaal en dat nu dus min of meer te horen kreeg dat ze voorbijgestreefd waren door de Italianen. Anno 2011 heeft Maletto een zeer genuanceerde blik op de hele affaire. ‘Natuurlijk zijn dictie, prosodie en een perfect begrip van de tekst belangrijk bij de uitvoering van een madrigaal. Sterker nog, het is de essentie. Maar ik heb helaas ook vaak genoeg saaie uitvoeringen gehoord met een desalniettemin uitstekende dictie. Er zijn uitvoeringen waarbij de tekst perfect wordt uitgesproken, bijna woord voor woord wordt onderstreept, zonder dat daardoor de muzikale tekst helder wordt. Vaak is muzikale kleur veel bepalender voor het verkrijgen van een bepaalde expressie of het weergeven van een affect dan de juiste uitspraak. Dat wisten de madrigalisten van de zestiende eeuw maar al te goed. Misschien zijn wij Italianen bevoorrecht wat de uitspraak betreft, maar het risico ontstaat dat we daardoor andere belangrijke aspecten uit het oog verliezen. Als een goede uitspraak genoeg was voor de uitvoering van een madrigaal, waarvoor hebben we dan nog zangers nodig? Dan zou een goede recitant toch volstaan.’

CONSORT OF MUSICKE Er zijn dus nog genoeg kansen voor zangers uit het noorden. Bovendien was de strekking van Nuchelmans’ theorie natuurlijk niet dat zij met hun vingers (en stembanden) van de Italiaanse muziek af moesten blijven. Hij zag veeleer een nieuw aandachtspunt ontstaan in de uitvoering van alle vocale muziek, niet alleen de Italiaanse. Maar die nuancering ging in de hitte van de strijd enigszins verloren. Maletto beaamt: ‘Er zijn inderdaad steeds meer buitenland­ se zangers die de Italiaanse uitspraak nagenoeg perfect beheersen, zoals het Duitse Singer Pur of het Gesualdo Consort Amsterdam van Harry van der Kamp, van wie ik onlangs een erg mooie opname hoorde met Napolitaanse madrigalen. Maar het is ook waar dat de Engelsen een beetje van het toneel verdwenen zijn, terwijl we toch enorm veel aan hen te danken hebben, met name aan het Consort of Musicke. Aan hen hebben we de herontdekking van heel veel repertoire te danken. Niemand zong die muziek totdat zij kwamen. Ook ik ben als zestienjarige aangestoken door de Engelsen, vooral door de opnames van David Munrow. Ook al begon ik me na een tijdje toch wat te ergeren aan de Engelse vocale esthetiek. Die heeft helaas lange tijd een verkeerde norm gesteld. Dat is voor mij, zoals voor veel anderen hier, de aanleiding geweest om het zelf te gaan doen.’ UTRECHT REVISITED Ze zijn het inderdaad zelf gaan doen, de Fransen en de Spanjaarden zowel als de Italianen, ook al blijft het beoefenen van de madrigaalkunst in Italië nog steeds een zeldzame bezigheid. Aan de conservatoria worden volgens Maletto geen madrigalen gezongen. ‘We hebben hier een daar wel eens een poging ondernomen tot het organiseren van een cursus of masterclass, maar structureel onderricht is er op dit gebied niet. In Italië heeft de opera het ruimschoots van het madrigaal gewonnen.’ De in het madrigaal geïnteresseerde Italiaan doet er dus goed aan zich eind augustus naar Utrecht te begeven. 45


INTERVIEW. GIUSEPPE MALETTO

Het komende Festival biedt dan ruim kans tot een voortgangsrapport wat de uitvoeringspraktijk van het genre betreft, want ook nu weer zullen oudgedienden en jonge goden uit alle hoeken van de wereld zich aandienen. Ook Anthony Rooley is terug van weggeweest. Hij komt als gastleider van Profeti della Quinta uit Bazel. Grote kans dat Giuseppe Maletto en Jan Nuchelmans dan in het publiek zitten. ıı

festival oudemuziek utrecht ZO 28 AUG, 22.30 UUR, GEERTEKERK Palestrina, S. Rossi: Motetten en gezangen Profeti della Quinta / Anthony Rooley MA 29 AUG, 22.30 UUR, GEERTEKERK Marenzio: Madrigalen La Compagnia del Madrigale / Giuseppe Maletto DI 30 AUG, 22.30 UUR, GEERTEKERK Palestrina: Madrigalen La Compagnia del Madrigale / Diego Fasolis WO 31 AUG, 22.30 UUR, GEERTEKERK Nanino, Giovanelli e.a.: Madrigalen Gesualdo Consort A’dam/ Harry van der Kamp DO 1 SEP, 22.30 UUR, GEERTEKERK Monteverdi, Strozzi e.a.: Madrigalen Cappella Mediterranea / Leonardo García Alarcón VR 2 SEP, 22.30 UUR, GEERTEKERK Quagliati: Madrigalen La Sfera Armoniosa ZA 3 SEP, 22.30 UUR, GEERTEKERK Arcadelt: Motetten, chansons, madrigalen Egidius Kwartet & College

46

Stichting Oude Muziek Barneveld

Jan Devlieger – klavecimbel Guy Penson – klavecimbel G.F. Händel, Suite voor 2 klavecimbels in reconstructie van J. Devlieger Zaterdag 28 mei 2011 om 20.00 uur

Dorpskerk De Glind (Barneveld) 19.15 uur: lezing door musicoloog

Minke Hylarides Meer informatie en kaarten verkrijgbaar via:

www.oudemuziekbarneveld.nl of telefonisch: 0342-400878 1 oktober: ReHarVoCe 25 november: Ton Koopman


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Kees Boeke over:

HET MUZIKALE VOORLAND VAN DU FAY Dat Guillaume Du Fay lang niet de eerste noorderling was die zich in Italië manifesteerde, bewijst het festivalprogramma van het ensemble Tetraktys, geleid en opgericht door Kees Boeke. Componisten als Franchois Lebertoul, Johannes Le Grant en Guillermus Malbecque waren bepalend voor het muzikale klimaat in het Rome van begin vijftiende eeuw. Kees Boeke: ‘Al die componisten kenden elkaar en Du Fay heeft ze waarschijnlijk ook gekend. Het was een groep zangers en componisten die allemaal waren opgeleid in Kamerijk, nu het Noord-Franse Cambrai, dat was toen echt een soort muziekfabriek. Hun composities zijn echt Frans, dus op Franse tekst en op de Franse manier genoteerd, maar allemaal in Italië bewaard gebleven.’ In muziekgeschiedenisboeken wordt nogal eens beweerd dat de componisten van boven de Alpen pas in de loop van de vijftiende eeuw voet in Italië zetten. Dat klopt dus niet? Kees Boeke: ‘Du Fay wordt soms gezien als een komeet die uit de hemel kwam vallen en een nieuwe stijl invoerde, maar dat is natuurlijk onzin. Er was al van alles gaande vóórdat Du Fay, eveneens opgeleid in Kamerijk, in Italië neerstreek. Hij heeft een voorland gehad en die muziek willen we in dit programma laten horen.’ Tetraktys kenmerkt zich door een hoge, heldere klank en afwezigheid van lage zangstemmen. Kees Boeke legt uit dat dat een heel bewuste keuze is. ‘Samen met Pedro Memelsdorff, in wiens ensemble Mala Punica ik jaren gespeeld heb, ben ik erachter gekomen dat de stemming in de vijftiende eeuw echt veel hoger moet zijn geweest dan nu. De mensen waren kleiner, er waren nog geen grote instrumenten zoals later en de muziek gaat nooit echt laag. Daarbij hebben we veel beschrijvingen over de helderheid van uitvoeringen van chansons, met hoge ijle zang. Dan slaat het voor mij nergens op om die muziek door lage mannenstemmen te laten brommen in een lage stemming. Het moet hoog, helder en doorzichtig zijn. Uit bewaard gebleven orgeltjes blijkt bovendien ook dat de stemming veel hoger was: die zijn wel een terts hoger gestemd dan onze standaard a = 440 Hz. Onze instrumenten, vedels, harp en blokfluit, zijn allemaal gebouwd op die hoge stemming. Welk instrument je bij welk lied kiest hangt af van sfeer en inhoud van de tekst maar ook van de mogelijkheden die een instrument heeft. Als je dat gewetensvol doet, krijg je toch een heel nauwkeurig beeld van hoe het geweest kan zijn.’ Marcel Bijlo

Tetraktys: za 3 sep, 13.00 uur / Lutherse Kerk

47


48

TEKST BEELD

MARCEL BIJLO CORELLI

KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED ARCANGELO CORELLI’S ZES OPUSNUMMERS IN HET FESTIVAL

Arcangelo Corelli’s zes opusnummers in het Festival

KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED


KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED

Hoe zou de muziekgeschiedenis er hebben uitgezien als Arcangelo Corelli zich na zijn vioolstudie in Bologna weer in zijn geboorteplaats Fusignano had gevestigd en nooit in Rome was geweest? Niet alleen zouden we dan zijn bescheiden oeuvre hebben moeten missen, maar ook had de instrumentale muziek zich dan wellicht anders ontwikkeld. Wie Corelli zegt, zegt ‘invloed’: zelden is er een componist geweest die zo’n enorm stempel heeft gedrukt op zijn eigen generatie en op de generatie na hem.

Opmerkelijk is dat Corelli in deze genres nooit iets heeft gecomponeerd. Hoogstens voegde hij een zelf geschreven sinfonia toe. Maar het componeren van kerkmuziek hoorde nu eenmaal niet tot zijn taken, hij was alleen verantwoordelijk voor de instrumentale muziek. Het Romeinse muziekleven draaide in hoge mate om de activiteiten in de palazzi van de verschillende kardinalen. Pamphili organiseerde zondagse concerten waar Corelli veelvuldig optrad, samen met onder meer Alessandro Scarlatti. Tijdens deze concerten voerde Corelli waarschijnlijk ook zijn eigen werken uit, zoals de aan Pamphili opgedragen triosonates opus 2 uit 1685.

Arcangelo Corelli werd op 17 februari 1653 geboren in Fusignano, een klein stadje halverwege Ravenna en Bologna. Hij stamde niet uit een muzikale maar wel uit een rijke familie. Op jonge leeftijd werd hij naar Bologna gestuurd om viool te studeren, een stad die met zijn akoestisch spectaculaire kathedraal een belangrijk centrum was van met name kerkmuziek. De stijl die er beoefend werd was weinig vooruitstrevend: Bolognese kerkmuziekcomponisten als Cazzati en Colonna borduurden vooral voort op de door Giovanni Gabrieli in Venetië ­ontwikkelde meerkorigheid. Maar in Venetië was die stijl a­ llang weer verlaten en ingeruild voor een barokkere schrijfwijze. Rond 1670 vinden we Corelli voor het eerst in Rome, waar hij zijn verdere leven zou blijven. De jonge violist trok al snel de aandacht van kardinaal Pamphili en vooral ook van de muziekminnende ex-koningin Christina van Zweden. Aan haar droeg Corelli de eerst van vier bundels triosonates op. Christina had een eigen Academia, een groep musici waarvan Corelli sinds 1679 deel uitmaakte. Zijn activiteiten in Rome bestonden er in de eerste jaren uit dat hij meespeelde in orkesten, vooral tijdens de uitvoering van oratoria. Opera was immers een verboden genre en zou dat voorlopig nog blijven. Corelli was in vaste dienst bij kardinaal Pamphili, die ervan hield om muzikaal groots uit te pakken. Orkesten van meer dan honderd musici waren geen uitzondering bij de begeleiding van missen en oratoria.

PIETRO OTTOBONI In 1690 verhuisde Pamphili een paar jaar naar Bologna en kwam Corelli in dienst bij Pietro O ­ ttoboni. Hij was inmiddels toe aan zijn vierde opus triosonates, opgedragen aan zijn nieuwe werkgever. Op 1 januari 1700 – de datum was expres gekozen – publiceerde Corelli zijn twaalf solosonates opus 5. Met deze uitgave vestigde hij in één klap zijn reputatie als belangrijkste vioolcomponist van zijn generatie. Dit opus zou een enorme impact hebben in heel Europa en door diverse andere componisten worden bewerkt. Hetzelfde geldt voor zijn concerti grossi opus 6. Daarvan werd in Londen een versie voor blokfluitconsort gepubliceerd, een bezetting die bij gebrek aan instrumenten in alle afmetingen toen al nauwelijks meer te realiseren was. Corelli pendelde intussen heen en weer tussen de palazzi van de kardinalen Pamphili en Ottoboni, en prins Ruspoli, waar hij onder meer samenwerkte met Händel. Deze piepjonge Duitser, die toen in Hamburg al een eerste operasucces achter de rug had, was in Rome direct vanaf zijn aankomst een grote attractie en werd door de kardinalen op handen gedragen. In 1706 speelde Corelli mee in het orkest bij de uitvoering van Händels allereerste oratorium Il Trionfo del Tempo e del Disinganno. Bij de uitvoeringen van Händels tweede oratorium La Resurrezione in 1708 leidde Corelli zelfs het groot bezette orkest. Het moet een van Corelli’s laatste publieke optredens geweest zijn; 49


KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED

daarna wijdde hij zich aan het lesgeven en het componeren van zijn twaalf concerti grossi opus 6. Deze concerti, waarvan het materiaal waarschijnlijk in opzet al veel eerder geschreven was, zouden in 1712 worden gepubliceerd bij Estienne Roger in Amsterdam. Corelli overleed op 8 januari 1713 op 59-jarige leeftijd en werd bijgezet in het Pantheon. Om zijn sterfdag te gedenken werden daar gedurende enige jaren op 5 januari plechtige uitvoeringen van zijn concerti grossi gegeven. PERFECTIONISME Op het oog heeft Arcangelo Corelli geen spectaculair leven geleid. Hij was een alom gewaardeerd musicus die kon componeren wat hij wilde. Door zijn tijdgenoten werd hij gezien als gematigd en bescheiden, wars van uiterlijk vertoon. Hij was een beroemdheid in Rome maar hij liep daar niet mee te koop. Over spannende liefdesaffaires, hooglopende ruzies met zijn broodheren of andere dingen die een componistenbiografie zo heerlijk smeuïg kunnen maken is ons niets bekend. Een moeilijk karakter had hij ook niet, hoewel sommige van zijn leerlingen daar misschien anders over gedacht hebben, en hij is niet arm en berooid gestorven. Corelli nam het leven zoals het kwam en dat legde hem financieel bepaald geen windeieren. Dat zijn oeuvre zo klein is gebleven heeft te maken met het perfectionisme dat hij ook als violist aan de dag moet hebben gelegd. Hij vergaf het zichzelf niet als hij een keer verkeerd inzette. Zijn reputatie als componist had hij al tijdens zijn leven gevestigd, niet alleen in Rome maar vooral ook ver daarbuiten. Dankzij de snelle ontwikkeling die de muziekdruk doormaakte, werd het steeds makkelijker om publicaties in grote aantallen uit te geven en te herdrukken. Corelli’s twaalf triosonates opus 1 zijn tussen 1681 en 1790 zeker 39 keer herdrukt, een aantal dat alleen door Haydn geëvenaard zou worden. Dat Corelli bijna een eeuw na zijn dood nog zo in de belangstelling stond, is eveneens uniek voor een componist van zijn tijd. Muziek had een hoge omloopsnelheid en zodra er iets nieuws was, verdween 50

de interesse voor het oude. Maar Corelli heeft dan ook standaarden gezet die zijn eigen stijl en tijd ver overschrijden. SONATES Wat Haydn was voor het strijkkwartet, was Corelli voor de triosonate en het concerto grosso. Corelli’s triosonates zijn onder te verdelen in sonate da chiesa (opus 1 en 3) en sonate da camera (opus 2 en 4). Het verschil zit hem in het aantal delen en in het karakter daarvan. De sonata da chiesa of kerksonate, genoemd naar de gewoonte om deze stukken als instrumentaal intermezzo in een liturgievering te spelen, is in principe altijd vierdelig: langzaam-snellangzaam-snel. De sonata da camera of kamersonate, bedoeld voor uitvoering buiten de kerkmuren, heeft een wisselend aantal delen en bevat zoals in de Franse suite ook dansen: allemanda, corrente, sarabanda, gavotta en giga. Hoewel Corelli soms wordt beschouwd als de uitvinder van deze strikte scheiding, hield hij zich niet altijd aan de regel. Van de sonate da chiesa opus 1 heeft nr.7 drie delen en nr.10 vijf. De dansaanduidingen in de sonate da camera worden altijd ook gevolgd door een Italiaanse tempo-aanduiding en het zou dan ook te ver voeren om hier te spreken van Franse invloed in Corelli’s muziek. De solosonates opus 5 en de concerti grossi opus 6 bevatten zowel da chiesa als da camera-werken, maar hier houdt Corelli zich niet meer aan de vierdeligheid. De meeste stukken zijn vijfdelig. De sonates, opgedragen aan keurvorstin Sophie Charlotte van Brandenburg, dragen het opschrift ‘sonate a violino e violoncello o cimbalo’. Dus vioolsonates met cello of klavecimbel als begeleiding. Dat is interessant in het licht van de huidige uitvoeringspraktijk, want we horen tegenwoordig toch meestal beide instrumenten samen ter begeleiding, al dan niet gecombineerd met luit, harp en orgel. De twaalfde sonate uit dit opus is een lange reeks variaties over het folia-thema en is samen met het concerto grosso opus 6 nr.8 (‘fatto per la notte di Natale’) Corelli’s bekendste werk. Het folia-thema was ten tijde van Corelli al zo’n ander-


KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED

Titelpagina van de Concerti grossi opus 6

halve eeuw oud en na Corelli hebben Vivaldi en Carl Philipp Emanuel Bach er ook nog een reeks variaties opgeschreven. Sergei Rachmaninoff baseerde er, zo’n twee eeuwen na het ontstaan van Corelli’s werk, zijn Corelli-variaties op. CONCERTI GROSSI Hoewel Corelli zijn sonates zelf uitdrukkelijk voor de viool bedoelde, bleek dat ook andere instrumentalisten er prima mee uit de voeten konden. Er bestaan blokfluit- en gambaversies van alle sonates, uitgaven die in respectievelijk Engeland en Duitsland veel aftrek vonden. Corelli’s opus 5 werd door Francesco Geminiani, misschien een leerling van Corelli, integraal omgewerkt tot twaalf concerti grossi. Corelli’s eigen concerti grossi opus 6 zetten, net als zijn triosonates, een standaard voor het genre: binnen een concert vormt het concertino de kleine sologroep, als contrast met het orkest, het ripieno. Maar het opschrift bij opus 6 geeft toch te denken: ‘concerti grossi, con duoi violini e violoncello di concertino obligati con duoi altri violini viola e basso di concerto grosso ad arbotrio che si potranno radoppiare’. Corelli benadrukt hier dat de concerti grossi ook als triosonates uit te voeren zijn. Maar wat voegt het ripieno van ‘duoi altri violini viola e basso’ toe wanneer de drie concertino-instrumenten alles ook

alleen kunnen spelen? Alleen de altviool wordt dan niet verdubbeld door het concertino van twee violen en cello – zou die dan niet beter óók bij het concertino kunnen worden gevoegd? Enkele uitgaven van Corelli’s concerti grossi, zoals die van Pepusch, geven die mogelijkheid inderdaad, en bij Locatelli en Geminiani hoort de altviool gewoon bij het concertino dat dan met twee violen, altviool en cello feitelijk een strijkkwartet is. Händel gebruikt in zijn concerti grossi opus 6, duidelijk gemodelleerd naar die van Corelli, wél een concertino van twee violen en cello, maar bij hem hebben de andere instrumenten een veel zelfstandiger rol. Diens concerti grossi zijn echt niet uit te voeren als triosonates zonder drastisch in het notenmateriaal in te grijpen. De onduidelijke rol van het ripieno werd in Corelli’s eigen tijd al bekritiseerd, maar het heeft de grote populariteit van zijn opus 6 niet in de weg gestaan. Vooral in Engeland werden deze concerti grossi nog lang na Corelli’s dood uitgevoerd, vaak in combinatie met die van Händel, en we zouden zelfs kunnen zeggen dat deze muziek, in tegenstelling tot die van bijvoorbeeld Vivaldi, nooit echt helemaal weg is geweest. PARNASSUS Corelli was de invloedrijkste componist van zijn generatie en dat blijkt uit de manier waarop andere componisten zijn verworvenheden hebben gebruikt. Meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld is natuurlijk de muzikale ontmoeting tussen Lully en Corelli op de Parnassus die François Couperin arrangeerde in zijn Apothéoses. Hij zet Lully en Corelli tegenover elkaar als de ultieme belichaming van de Franse en Italiaanse muziek en laat ze gebroederlijk samenspelen. Officieel was de Italiaanse muziek aan het Franse hof niet in trek, maar Corelli’s werken circuleerden natuurlijk veelvuldig. Het is niet onwaarschijnlijk dat Corelli ook Franse leerlingen heeft gehad. In Duitsland was het vooral Georg Muffat, leerling van zowel Corelli als Lully, die Corelli’s schrijfwijze overnam. Maar ook Georg Philipp Telemann schreef 51


KLEIN OEUVRE, GROTE INVLOED

nog een aantal Sonates Corellisantes, triosonates in de stijl van Corelli. Meer dan de extravagante stijl van Vivaldi heeft de veel gematigder schrijfwijze van Corelli dus de tand des tijds doorstaan. Hoewel ook Vivaldi’s concerti wijd en zijd circuleerden, werd hij toch snel na zijn dood vergeten en kwam hij pas begin twintigste eeuw weer in de belangstelling te staan. Maar Corelli is er eigenlijk altijd geweest, als een componist van muziek zonder al te heftige emoties en zonder virtuoze opsmuk. De extreme registers van de viool zocht hij nooit op, in tegenstelling tot Vivaldi en Locatelli, en halsbrekende arpeggio’s zijn in zijn muziek niet te vinden. Toch is het juist dat virtuoze en dat heftige in barokmuziek dat vandaag de dag zo tot de verbeelding spreekt: voor een hele avond Vivaldi stroomt de zaal eenvoudig vol. Dat ook Corelli’s muziek die aandacht waard is, bleek wel tijdens het succesvolle slotconcert van het Festival Oude Muziek 2003 door de New Dutch Academy onder leiding van hun bevlogen dirigent Simon Murphy. Corelli’s concerti grossi klonken toen in een zeer grote bezetting met veel continuo. Tijdens het komende Festival zullen Corelli’s zes opusnummers in zes concerten worden geplaatst tegenover werk van andere componisten: dat wordt een groot avontuur. ıı

festival oudemuziek utrecht MA 29 AUG, 15.00 UUR, GEERTEKERK Corelli opus 1, Rosenmüller, Purcell La Dolcezza DI 30 AUG, 15.00 UUR, GEERTEKERK Corelli opus 2, Bonporti Gli Incogniti WO 31 AUG, 15.00 UUR, GEERTEKERK Corelli opus 3, Stradella e.a. Ensemble Aurora DO 1 SEP. 15.00 UUR , GEERTEKERK Corelli opus 4, Locatelli Holland Baroque Society VR 2 SEP, 15.00 UUR, GEERTEKERK Corelli opus 5 Monica Huggett and friends VR 2 SEP, 20.00 UUR, VB LEIDSCHE RIJN Corelli opus 6; Muffat, Händel: Concerti grossi en aria’s Concerto Copenhagen

52


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Egidius Kwartet:

LEIDSE KOOR­ BOEKEN DEEL 2 foto: Merlijn Doomernik

Vorig jaar is het Egidius Kwartet, aangevuld tot Egidius College, begonnen met een omvangrijk project rond de zes Leidse Koorboeken, een enorme hoeveelheid kerkmuziek die in de zestiende eeuw klonk in de Leidse Pieterskerk. Het zal geen complete uitvoering en opname van alle muziek worden, daarvoor is het gewoon veel te veel. Peter de Groot, leider en oprichter van het Egidius Kwartet vertelt: ‘We gaan dit jaar het tweede koorboek doen. Als je alle stukken daaruit zou willen opnemen heb je een driedubbel-cd nodig, dat doen we dus niet. Het idee is om uit ieder koorboek een thematische selectie te maken, voor zowel een concertreeks als een dubbel-cd. Maar het is soms moeilijk kiezen. Thema dit jaar is de muziek voor de wat kleinere getijden zoals nachtofficie en completen. In het tweede koorboek staan ook veel Magnificats, waaronder acht van Clemens non Papa. Daarvan komen er drie van op de cd.’ Is de muziek in de Leidse Koorboeken ook in andere bronnen overgeleverd? Peter de Groot: ‘Lang niet altijd, en de versies in de Leidse Koorboeken kunnen afwijken van die in andere bronnen. In principe kiezen wij dan voor de Leidse versie, maar heel soms wijken we daarvan af als we een andere versie toch mooier vinden. Opvallend is de constant hoge kwaliteit van de muziek, en dan niet alleen van die van de bekende componisten, maar vooral ook de anonieme stukken. Daar sta ik iedere keer weer van te kijken, hoe hoog dat niveau was. Die anonieme zangmeesters van de Pieterskerk konden écht wel componeren!’ De concerten en de nieuwe dubbel-cd omvatten het tweede koorboek, maar de voorbereidingen voor de derde jaargang zijn al gaande. Peter de Groot: ‘Die thematische aanpak werkt heel goed en die willen we door alle jaargangen heen volhouden. Voor volgend jaar heb ik plannen met het thema Requiem. In het derde koorboek staat namelijk een schitterend anoniem Requiem dat ik heel graag zou willen opnemen, misschien op een aparte cd. Ook het Requiem van Jean Richafort staat in dat boek, maar dat heeft het Huelgas Ensemble van Paul Van Nevel al zo schitterend gedaan, dat kan een reden zijn waarom wij kiezen voor andere composities. Het gaat ons er juist om ook die kleine of anonieme meesters te laten horen.’ Marcel Bijlo

Concerten van 20 t/m 29 mei; www.leidsekoorboeken.nl

53


TEKST

PAUL JANSSEN

‘HET GAAT NU OM DE GROTE WERKEN’ CONCERTO PALATINO SPEELT MISSA MONICA VAN FRESCOBALDI

Concerto Palatino speelt Missa Monica van Frescobaldi

54

‘HET GAAT NU OM DE GROTE WERKEN’


BRUCE DICKEY .INTERVIEW

Aan het einde van de jaren ’70 kwam Bruce Dickey van de Verenigde Staten naar Europa om in zijn eentje de cornetto weer een plaats op het concertpodium te geven. Hij groeide uit tot dé docent van het instrument en hij laat met Concerto Palatino regelmatig horen dat hij nog steeds de beste vertegenwoordiger van die rare zink is. Tijdens het Festival Oude Muziek neemt de man die in Bologna woont om dichter bij zijn belangrijkste muzikale bronnen te zijn (en ‘omdat er de beste pasta te krijgen is’), met zijn ensemble religieuze muziek mee die toegeschreven is aan Frescobaldi. Een gesprek over een mooie ontdekking en een weerbarstig instrument. ‘We hebben geen idee of het werkelijk muziek van Frescobaldi is’, zegt cornettospeler en Concerto Palatino-voorman Bruce Dickey luchtig. ‘Het programma heet Musiche Frescobaldiane. Daarmee refereren we aan het feit dat er geen enkele religieuze meerkorige partituur is die met zekerheid aan Frescobaldi toegeschreven kan worden. Er ligt een grote hoeveelheid werk die zijn naam draagt, maar dat is allemaal hoogst verdacht. Het enige wat we kunnen doen is deze werken uitvoeren.’ Het is wat het is. Tijdens het Festival Oude Muziek voert Bruce Dickey met zijn Concerto Palatino verschillende canzones uit die toegeschreven zijn aan de Italiaanse componist Girolamo Frescobaldi, een van de vier centrale componisten van het Festival. De canzones worden bijeengehouden door de achtstemmige Missa sopra l’aria della Monica die door het hele programma verweven is. ‘De mis vormt niet voor niets het hart van het programma. Het is prachtige muziek en het is bovendien de compositie die het meest waarschijnlijk van Frescobaldi is. Het werk komt uit een manuscript met missen dat in Rome is gevonden. De eerste twee zijn duidelijk van dezelfde componist; in de basso-continuopartij staat de aanduiding ‘G.F.di’. Daarom is het werk al in 1930 aan Frescobaldi toegeschreven.’

GISWERK Een schamel bewijs. Daarom zijn er ook diverse onderzoekers die hartstochtelijk twijfelen aan de juistheid van de toewijzing aan Frescobaldi. Een van hen is de Frescobaldi-specialist Frederick Hammond. Hij meent onder andere dat de ‘Aria della Monica’ die als cantus firmus dienst doet alleen al bewijst dat het nooit door Frescobaldi geschreven kan zijn. De tekst van het volksliedje is een klacht van een meisje aan haar moeder: ‘Mama, laat me geen non worden’. ‘En een mis baseren op een lied met zo’n tekst zou voor Frescobaldi, organist van de Sint-Pieter in Rome en ook enige tijd organist aan het hof van Ferdinand II in Toscane, ongepast zijn. Daar staat weer tegenover dat het in Frescobaldi’s tijd al zo’n beroemde melodie was dat de politieke lading van de tekst er waarschijnlijk wel van losgekoppeld was.’ Hammond opperde in zijn standaardwerk dat Nicolò Borboni misschien wel de componist van de Missa Monica is. Hij was in de tijd dat het manuscript ontstond de organist in Rome en Frescobaldi zat toen in Florence. ‘Als de Mis van Frescobaldi is, moet hij het werk in zijn Toscaanse tijd hebben geschreven’, zegt Dickey, die daarmee de mening van Hammond deelt. ‘De tweede mis in het manuscript heeft een ‘Aria di Florenza’ als cantus firmus. Vandaar. Maar ook dan blijft het giswerk. Zolang er niet ergens anders een versie van deze mis opduikt, is er niets met zekerheid over te zeggen.’ MODEVERSCHIJNSEL Dickey’s fascinatie voor de onbekende kant van de organist en klavecinist Frescobaldi komt voort uit een project dat hij aan de Schola Cantorum Basiliensis, waar hij al zo’n dertig jaar lesgeeft, initieerde met zijn trombone-kompaan en Concerto Palatino-rechterhand Charles Toet. Ze begonnen met achtstemmige religieuze werken van Palestrina uit te voeren met acht mannenstemmen, gedubbeld door acht cornetto’s en baroktrombones, en kwamen terecht bij een aan Frescobaldi toegeschreven Canzon vigesimanona à 8. ‘Het was zulke goede muziek dat mijn interesse was gewekt en we er een heel programma omheen 55


INTERVIEW. BRUCE DICKEY

gemaakt hebben. Dat we de naam van de componist er niet met zekerheid op kunnen plakken maakt mij niet zoveel uit. Goede muziek wordt niet opeens beter of slechter als je weet wie de componist is.’ Dat Dickey in het Concerto Palatino de Mis centraal stelt, vindt hij niet meer dan logisch. ‘De dubbelkorige mis was aan het einde van de Renaissance en het begin van de Barok een waar modeverschijnsel in Rome. Door dubbelkoren en doublures met instrumentale ensembles toe te passen vulde men de ruimte in de immense Sint-Pieter. Daarbij was in die tijd de mis een van de belangrijkste muzikale vormen voor een componist die op het hoogste niveau mee wilde tellen. Dat we desondanks geen documentatie hebben van de missen die Frescobaldi ongetwijfeld geschreven heeft, komt volgens mij vooral omdat hij ze niet in druk liet verschijnen. Voor Frescobaldi was het schrijven van missen en religieuze werken een taak. Werken die hij schreef voor een specifiek doel. Waarschijnlijk dacht hij niet over een verder gebruik of andere mogelijkheden na en lag zijn hart vooral bij zijn klavierwerken, die hij wél liet uitgeven.’

Bruce Dickey

56

SIGNORIA DI BOLOGNA Dickey en de zijnen hebben er een programma aan dat Concerto Palatino past als een tweede huid. Een programma zoals Dickey ze graag heeft. Het ensemble in vol ornaat en gecombineerd met stemmen. ‘Er is nog zo veel muziek niet gespeeld’, zegt Dickey over de lol die hij nog altijd heeft in het ensemble. In 1987 gebruikte hij de naam voor het eerst officieel voor een instrumentaal ensemble dat bestond uit een combinatie van cornetto’s en baroktrombones. Voor die tijd gebruikte hij die naam – afgeleid van Il Concerto Palatino della Signoria di Bologna dat in de zeventiende en achttiende eeuw furore maakte in Bologna als een ensemble van vier cornetto’s en vier trombones – al voor elk soort ensemble waarmee hij naar buiten trad. Met Concerto Palatino zoals wij het nu kennen was zijn eerste opzet de cornetto en de baroktrombone weer een plek te geven op de (oude-)muziekpodia. ‘We hebben in het begin heel veel kleinschalige instrumentale muziek gespeeld om de instrumenten een plek te geven. Maar niet alleen onze interesse, ook de muziekindustrie beweegt. Er is niet zo veel belangstelling meer voor


BRUCE DICKEY .INTERVIEW

driestemmige canzones gespeeld door een trio met cornetto’s en baroktrombones. Het gaat om de grote werken. Volgend jaar is het bijvoorbeeld vierhonderd jaar geleden dat Gabrieli geboren werd. Er ligt een wereld aan muziek van hem die zelden uitgevoerd wordt. Daar is plek voor de cornetto en daar gaan we wat mee doen. Het is ook meteen wel een probleem. Aan de ene kant ben ik niet zo geïnteresseerd meer in de kleinschaliger werken, aan de andere kant kost zo’n Frescobaldi- of Gabrieli-project veel geld.’ HOORN MET BLOKFLUITGATEN Het mag misschien verbazen dat Dickey het niet meer zo heeft op de stukken waarin hij als solist kan schitteren, voor de cornettospeler is het vanzelfsprekend. ‘De cornetto is niet zo’n solo-instrument. Het instrument begint pas echt te stralen als het deel uitmaakt van een grotere groep en gecombineerd wordt met vocale elementen. Het instrument kan snelle loopjes en ornamenten uitvoeren, maar wordt daar niet gelukkiger van. Daarom zijn de solostukken nooit het hoofdbestanddeel geweest van het bestaan van het instrument.’ Dat komt volgens de cornetto-pionier omdat het vooral een moeilijk bespeelbaar instrument was. Ook in vroeger jaren al. Hoewel H.W Schwarz de cornetto in 1938 in zijn The Story of Musical Instruments afdeed als een goedkoop en inferieur instrument dat vooral door de onderste lagen van de bevolking werd bespeeld, was het juist een vehikel voor een paar grote en goedbetaalde virtuozen die de hoorn met ‘blokfluitgaten en een trompetmondstuk’ adequaat konden bespelen. Het instrument beleefde zijn hoogtepunt in de laatste decennia van de zestiende eeuw en de vroege zeventiende eeuw. Daarna ging het bergafwaarts. ‘Het grote probleem voor de cornetto was de introductie van de viool in de kapellen en kerken tussen 1620 en 1640. Jonge musici kregen daardoor veel minder interesse in de weerbarstige cornetto en zochten hun heil eerder bij de moderne viool. Terwijl de instrumentale partijen steeds complexer en virtuozer werden, nam daardoor het aantal uitmuntende cornettospelers gestaag af. Zo verdween de cornetto langzaam uit beeld. Al heeft het instrument het nog een tijd volgehouden. Ik heb wel eens een bijzonder virtuoos stuk gevonden dat geschreven was aan het einde van de zeventiende eeuw.’

TRIAL AND ERROR Dat Bruce Dickey toch in zijn jonge jaren zo’n obscuur en lastig instrument oppakte, schaart hij onder de categorie liefde op het eerste gehoor. ‘Ik studeerde trompet aan de Indiana School of Music in de Verenigde Staten toen ik op een gegeven moment de oude muziek en de blokfluit ontdekte. Even later hoorde en probeerde ik een cornetto. Ik vond het meteen prachtig, maar het was een ongelooflijk slecht en daardoor heel moeilijk bespeelbaar instrument en niemand kon mij wegwijs maken.’ Om zich verder te verdiepen in de oude muziek en de blokfluit trok hij in de late jaren ’70 naar het toenmalige kloppend hart van de ontluikende oudemuziekbeweging, de Schola Cantorum in Bazel. Daar vond hij een goede cornetto met een dito mondstuk en raakte hij verslingerd aan de klank van de hybride hoorn. ‘Het was echt een proces van trial and error. Ook in Bazel wist niemand het fijne van het instrument. In feite heb ik het door zelfstudie geleerd. En nog steeds vind ik dat ook de jongste generatie cornettospelers zichzelf grotendeels autodidact mag noemen. Ook al geef ik nu zo’n dertig jaar les, we weten nog steeds niet of we het juiste doen. Er is geen enkel ander instrument dat zo’n variëteit aan klankkleuren en speelwijzen in zich heeft als de cornetto. En omdat we niet weten hoe het instrument vroeger precies bespeeld werd, moet iedereen er maar op zijn eigen manier het beste van maken.’ Het probleem zit hem in de vreemde combinatie van een blokfluitachtig klanklichaam en een trompetachtig mondstuk. ‘De meeste instrumenten met zo’n mondstuk hebben een veel grotere resonantiebuis. Die buis bepaald voor een groot gedeelte de toon. Als je op een cornetto alle gaten open hebt, hou je maar een hele korte buis over. De lippen, het lichaam van de bespeler en het mondstuk worden dan de belangrijkste klankbepalers. Elke verandering van lipspanning of mondresonantie is direct van invloed op de klank en zelfs de toonhoogte. Dat is het positieve en het negatieve van het instrument. Als je controle hebt over je lichaam en je articulatie is het een meesterlijk instrument. Als dat niet lukt, is hard wegrennen de enige optie.’

57


INTERVIEW. BRUCE DICKEY

SUMMER ACADEMY EARLY MUSIC Ondanks het feit dat Dickey meent dat hij niemand kan leren om het instrument op de juiste manier te bespelen, is hij al decennialang een begenadigd docent in Bazel. Vandaar dat hij ook in Utrecht voorafgaand aan het Festival Oude Muziek in de nieuwe Summer Academy Early Music [zie elders in dit nummer] een cornetto-masterclass geeft. ‘Ik hoop natuurlijk dat er veel gevorderde spelers komen. Dan kunnen we het direct hebben over alle prachtige muziek en over de rol van het instrument in een ensemble met violen of trombones zoals dat in de zeventiende eeuw populair was. Maar waarschijnlijk komen er spelers van verschillend niveau op af. Dus ik zal veel over techniek en articulatie praten. Wat ook niet erg is. Ik ontdek zelf nog bijna dagelijks nieuwe dingen op het instrument. Zo ben ik er inmiddels van overtuigd dat de cornetto het beste instrument is om de menselijke stem te imiteren, niet op een zangerige legatowijze, maar op een spreekstemachtig niveau. Door dat soort ontdekkingen zie ik mijn eigen spel nog steeds vooruitgaan. Dus de drijfveer om te blijven zoeken en verschillende stijlen uit te proberen is onveranderd groot. Ik heb al van alles gespeeld en mijn enige regel is dat het bij de cornetto moet passen. Alleen op die manier kan de cornetto definitief een comeback maken en de jongere generatie inspireren. Ik weet alleen niet of het instrument daarbij ook een plek kan krijgen in de moderne muziek. Ik heb wel wat stukken gehoord en gespeeld, maar daaruit heb ik alleen kunnen concluderen dat moderne componisten niets van het instrument begrijpen; ze gebruiken het teveel als louter een klankgenerator. Om er goed voor te schrijven moet je juist de traditie en de kracht van het instrument benutten, anders kan ik beter naar een stuk elektronische muziek luisteren.’ ıı

festival oudemuziek utrecht WO 31 AUG, 20.00 UUR / JACOBIKERK Frescobaldi: Missa sopra l’aria della Monica, canzones Concerto Palatino / Bruce Dickey

58


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Regisseurs­duo Timmers-Koen:

HAYDNS JAHRES­ZEITEN ALS MILIEUVRAAGSTUK Het regisseursduo Mirjam Koen en Gerrit Timmers tekende met Opera O.T. al voor diverse onalledaagse opera-ensceneringen, onder andere van Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea en Händels Rodelinda. Dit jaar is Haynds oratorium Die Jah­ reszeiten aan de beurt, een werk zonder echte handeling. Hoe pak je dat als regisseur aan? Gerrit Timmers: ‘In Die Jahreszeiten bezingen een pachter, zijn dochter en een jonge boer de schoonheid van de natuur en het landleven aan de hand van de kringloop van de seizoenen. Wij situeren die drie personen op een soort keuterboerderijtje, ergens aan de rand van de wereld. De idylle wordt ruw verstoord doordat er mensen opduiken die van elders verjaagd zijn – het koor – en waar te veel mensen te dicht op elkaar leven gaat het mis. Het stuk eindigt dan ook niet vrolijk.’ ‘De tekst van het stuk, van Gottfried van Swieten, hebben we helemaal onveranderd gelaten. Maar door middel van vormgeving, projectie en choreografie geven we die tekst wel een andere lading. De natuur was in Haydns tijd vaak bedreigend maar ook veel ongerepter dan nu. Tegenwoordig is de natuur vrijwel overal ter wereld veel meer aangeraakt door de mens. Door klimaatverandering is de natuurlijke opeenvolging van de seizoenen bovendien geen vanzelfsprekendheid meer. De natuur wordt steeds grilliger en onvoorspelbaarder en dat is ook weer bedreigend. Die actuele setting kun je aan de hand van de tekst van Van Swieten heel goed duidelijk maken, zonder drammerig te worden overigens. Het moet geen regisseurstoneel worden.’ Zangers beklagen zich nogal eens over regisseurs die te weinig oog zouden hebben voor muzikale aspecten. Hoe gaan Koen en Timmers hiermee om? Gerrit Timmers: ‘De muziek staat bij ons altijd voorop. Als wij iets leuks bedenken dat voor een zanger niet haalbaar is, dan is het jammer voor ons maar dan doen we het anders. In deze productie werken we met B’Rock en het Vocalconsort Berlin, allemaal heel flexibele mensen die graag iets uitproberen. Als wij het als regisseurs onderling niet eens zijn, gaan we niet in een achterkamertje zitten maar bespreken dat tijdens het repetitieproces. Ik kan me goed voorstellen dat zangers soms moeite hebben met regisseurs die dingen van ze vragen die het zingen in de weg kunnen zitten. Want het gaat uiteindelijk om de zangers: díe moeten het doen.’ Marcel Bijlo

Opera O.T.: Haydns Die Jahreszeiten: 23 t/m 29 mei / Luxor Theater Rotterdam 59 www.ot-rotterdam.nl


BERICHTEN

BERICHTEN VAN WASSENAER CONCOURS

Van 18 t/m 20 november wordt voor de 16de keer in het Muziekgebouw aan ’t IJ in Amsterdam het Van Wassenaer Concours voor oude-muziekensembles gehouden. Onder de noemer BLOW IT! ligt in het festivalgedeelte van het concours het accent op de blazers, met optredens van de Royal Wind Music, Ensemble Zefiro, Cordevento en een lezing van Erik Bosgraaf. Ook zijn er masterclasses en is er een familieconcert met Chant de Balles. In de jury van het concours zitten Erik Bosgraaf, Lucy van Dael, Bas Heijne, Krijn Koetsveld, Peter Kooij en Xavier Vandamme. Inschrijven voor het concours kan nog tot 1 juni a.s. www.vanwassenaerconcours.nl JANNEKE VAN DER WIJK NAAR ­CONSERVATORIUM VAN AMSTERDAM

Interim-directeur Hans van Beers van het Conservatorium van Amsterdam is per 15 mei opgevolgd door Janneke van Wijk. Zij was sinds 2008 de eerste directeur van MCN, het landelijke sectorinstituut voor de Nederlandse professionele muziek en daarvoor al als directeur/kwartiermaker nauw betrokken bij de totstandkoming van dit centrum, waarin Donemus, Gaudeamus, het Nationaal Pop Instituut, de gezamenlijke jazzinstellingen en de Kamervraag zijn gefuseerd. In korte tijd groeide MCN onder haar leiding uit tot een succesvol instituut voor de Nederlandse muzieksector, met nationale en internationale uitstraling. Eerder was Van der Wijk directeur van de Kamervraag, en werkzaam bij de overheid in diverse functies. Zij is onder andere actief in de Europese organisatie van conservatoria en het netwerk Chamber Music Europe, waarvan zij een van de oprichters 60

was. Janneke van der Wijk studeerde Muziekwetenschap en Pedagogiek en Onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Zij studeerde af op een onderzoek naar de geschiedenis van het Amsterdams Conservatorium en de professionalisering van het Nederlands muziekleven tot 1940. NOMINATIES EDISON

Onder aanvoering van de nieuwe juryvoorzitter Stef Collignon zijn de catego­rieën voor de beoordeling van de Klassieke Edisons op de schop gegaan. Al langere tijd bestond er onvrede over de uitdijend aantal categorieën, mede veroorzaakt door het groeiend aantal dvd’s dat meedingt naar de onderscheiding. Met name de indeling in tijdvakken vond Collignon niet meer van deze tijd: ‘Het draait uiteindelijk om de kwaliteit van een album en niet om de muziekstroming waarin een artiest opereert.’ Zo bleven negen categorieën over, waarvoor de nominaties – voor zover er oude muziek in meedingt – als volgt zijn: De solist – vocaal: • Philippe Jaroussky: Caldara in V ­ ienna • Mark Padmore/Kristian Bezuidenhout: Schumann – Dichterliebe op.48, Liederkreis op.24 • Jonas Kaufmann: Verismo Arias De solist – instrumentaal: • Isabelle Faust: Bach – Sonatas & Partitas • Andreas Staier: Bach – Goldberg Variationen • Nikolaj Znaider: Elgar – Violin Concerto Kamermuziek: • Viktoria Mullova en Kristian Bezuidenhout: Beethoven – Violin Sonatas nos. 3 & 9 Kreutzer • Arcanto Quartett: Ravel, Debussy – Quatuors à Cordes

• Vadim Repin, Nikolai Lugansky: Various – Violin Sonatas Het koor: • Latvian Radio Choir / Sigvards Klava: Rachmaninov – Divine Liturgy of St John Chrysostom • Stile Antico: Tallis, White, Sheppard, e.a. – Puer Natus Est • The Monteverdi Choir / John Eliot Gardiner: Various – Santiago a Cappella De opera: • RIAS Kammerchor, AAM ­Berlin / René Jacobs: Mozart – Die ­Zauberflöte • Lehman, e.a., Mariinsky Soloists, Orchestra and Chorus / Gergiev: Wagner – Parsifal • Monteverdi Choir, Orch. Révolu­tio­ naire et Romantique / John Eliot Gardiner: Bizet – Carmen Het document: • Sviatoslav Richter: Various ­Richter in Hungary • Gesualdo Consort: Sweelinck – De complete vocale werken van J.P. Sweelinck • Various Artists: Keuris – ­Complete  Works In de categorieën Het orkest, Het debuut en De ontdekking werd geen oude muziek genomineerd. De jury bestond uit Annemarie Goedvolk, Tonko Dop, Henk van der Meulen, Henk Smit, Jochem Valkenburg en meestemmend voorzitter Stef ­Collignon. De winnaars zullen eind mei bekend worden gemaakt. Er kan ook weer worden gestemd voor de publieks­prijs. Geselecteerd daarvoor zijn onder meer L’Arpeggiata en La Petite Bande en de in andere categorieën al genomineerde Jaroussky en Stile Antico. Deze winnaar wordt op 16  juni bekend gemaakt. Zie ook www.edisons.nl/klassiek.


festival oudemuziek

KLEIN INTERVIEW

Regisseur Jos Thie:

GLUCKS ORFEO ED EURIDICE OP SOESTDIJK Het zomerseizoen is de periode voor laagdrempelige operaproducties op locatie, vaak met de natuur als decor én medespeler. Maar Jos Thie regisseert een wel heel bijzondere voorstelling van Glucks Orfeo ed Euridice: op en in de vijver in de tuin van Paleis Soestdijk. Jos Thie vertelt hoe het idee is ontstaan: ‘Zo’n twaalf jaar geleden kwam Hoite Pruiksma, die deze uitvoering gaat dirigeren, al met het plan om Glucks Orfeo op het water uit te voeren. We hebben toen een productie in Friesland gedaan, op de meren. Die muziek van Gluck is me altijd bijgebleven en twee jaar geleden rijpte het idee om opnieuw een Orfeo op het water te doen, maar nu op een wat meer intieme plek. Ik ben gewoon op Google Earth gaan zoeken naar wat intiemere waterpartijen in de omgeving van Utrecht en toen stuitte ik op een prachtige vijver in een tuin. Ik wist in eerste instantie niet eens welk gebouw ik daar zag staan, maar dat bleek Paleis Soestdijk te zijn! Dat vond ik een hele interessante link met Orfeo, een stuk dat voor het Weense hof bedoeld is. Bovendien hebben zich op Soestdijk ook allerlei intriges afgespeeld, een plek met historie dus.’ Wat gaan we precies te zien krijgen? Jos Thie: ‘Het wordt een enscenering waarbij de tuin, de vijver en het gebouw betrokken zullen zijn. We gebruiken de vijver zowel aan het oppervlak als onder water, om zo de boven- en de onderwereld te laten zien. Ook wordt duidelijk hoe Orfeus met zijn zang niet alleen de mensen en de goden maar ook de natuur beroert. Hoe we dat precies gaan vormgeven moet uiteraard een verrassing blijven, maar het wordt spectaculair. Ook het orkest speelt in de vijver.’ Wordt dat niet moeilijk te realiseren voor de musici van Concerto d’Amsterdam en zal de kwaliteit van de muziek niet gaan lijden onder de enscenering? Jos Thie zegt beslist: ‘Dat is niet de bedoeling! De muziek van Gluck is zo fantastisch dat die altijd voorrang moet hebben. Uiteindelijk moet het voor de bezoekers een totaalervaring worden van opera en natuur, ook omdat je het tijdens de voorstelling donker ziet worden. We beginnen om half tien en in de periode van de voorstellingen is het rond tien uur pas donker. Ook de zonsondergang is dus onderdeel van het geheel. Zoiets kan je in een theater nóóit realiseren.’ Marcel Bijlo

De Utrechtse Spelen, Glucks Orfeo ed Euridice: 8 juni t/m 23 juli / Paleis Soestdijk 61 www.deutrechtsespelen.nl


BOEKBESPREKINGEN JANE CLARK & DEREK CONNON:

The Mirror of Human Life. Reflections on François Couperin’s Pièces de Clavecin Keyword Press, London 2011-03-23 ISBN 978-0-9555590-3-7 224 pp, prijs £ 14,50 (incl.verzenden) bestellen via info@keywordpress.co.uk

ERIC SIBLIN:

De cellosuites - J.S. Bach, Pablo Casals en de speurtocht naar een meesterwerk Vertaling: Frits van der Waa; De Bezige Bij, Amsterdam 2011 ISBN 978 90 234 5804 3; 350 pp, prijs € 24,90

JOLANDE VAN DER KLIS

BOEKBESPREKINGEN

Al eerder in het Tijdschrift Oude Muziek aangekondigd, maar nu dan toch verschenen: de herziene herdruk van het in 2002 gepubliceerde boek van musicologe en klaveciniste Jane Clark over de betekenis van de vaak mysterieuze titels die Couperin zijn klavierwerken heeft gegeven. Clark gaf er al een lezing over in het afgelopen Festival Oude Muziek (zie ook TOM 4.2010) die naar meer smaakte, en dit boek komt helemaal tegemoet aan dat verlangen. Bekend was al veel eerder dat Couperin zijn stukken vaak vernoemde naar bekenden uit zijn eigen kring. La Couperin, La Forqueray en La Conti zijn wel thuis te brengen, maar op wie sloegen titels als La prude, La Terpsichore en L’amphibie? Om nog maar te zwijgen van omschrijvingen als Les tricoteuses, Les ombres errantes en Les barricades mysterieuses. Clark dook in de omgeving van Couperin en bracht met grote nauwgezetheid gebeurtenissen, onderlinge relaties, persoonlijke (on-)hebbelijkheden en roddel en achterklap in kaart. Haar inleidende hoofdstuk ‘Aspects of the Social and Cultural Background’ geeft een onthullend beeld van de mores van het Versailliaanse hofleven. Hoewel Couperins gangen in de wereld van het Parijse amusement niet of nauwelijks zijn gedocumenteerd, toont zij aan dat hij ook daar zeer goede connecties moet hebben gehad. Derek Connon, kenner van het Franse theater en docent aan Swansea University, vult Clarks bevindingen daarom aan met een hoofdstuk getiteld ‘Aspects of the Literary Scene’, waarin nog meer zeer ter zake doende informatie wordt blootgelegd. Het hart van het boek wordt gevormd door besprekingen van alle stukken in de 27 ordres van Couperins vier klavierboeken. De feiten en suggesties zijn vaak doorslaggevend voor de interpretatie van de stukken, reden waarom geen enkele klavecinist dit boek ongelezen mag laten. Maar ook voor iedereen die inzicht wil krijgen in het achttiende-eeuwse Franse gevoel voor humor en in de krasse vormen die de Franse satire kon aannemen, is dit boek niet te versmaden.

De cellosuites van Bach: je kunt het moeilijk een origineel onderwerp noemen. Toch munt dit boek van de Amerikaanse voormalig popjournalist Eric Siblin uit in vindingrijkheid. Juist door zijn volmaakte gebrek aan know-how betreedt hij met een ontwapenende argeloosheid de wereld van de klassieke muziek, en dat 62


BOEKBESPREKINGEN

levert een uiterst leesbaar, boeiend en soms ook regelrecht vermakelijk boek op. Uitgekeken op zijn eigen beroepspraktijk en gewapend met niet veel meer praktische muzikale kennis dan drie gitaarakkoorden, raakt Siblin toevallig verzeild bij een uitvoering van Bachs cellosuites. Die ervaring slaat in als een bom en is het begin van een zoektocht naar de herkomst, geschiedenis, geheimen en verschijningsvormen van de suites. Tijdens dit proces wordt voor de kenner natuurlijk menig open deur ingetrapt, maar juist omdat Siblin bij nul begint, is zijn perspectief toch vaak verrassend. Hij trekt niet alleen de ontstaansgeschiedenis van de suites na, maar volgt ook de omzwervingen van het manuscript, dat na Bachs dood zoek raakte. Dan volgt hij het afschrift van Anna Magdalena Bach, tot dat begin negentiende eeuw in een vroege uitgave het pad kruist van de jonge Pablo Casals, die deze tot dan toe genegeerde ‘etudes’ instudeert en ze op het repertoire neemt, met het bekende succes als gevolg. Het spoor volgend van Casals komt Siblin terecht bij diens leerlingen en een hele reeks van cellosuitevertolkers die hij beluistert, becommentarieert, bezoekt en interviewt. Zelfs schuwt hij niet het persoonlijk ter hand nemen van de cello om iets van de magie te ervaren. Het deelnemen aan amateurcursussen waar liefhebbers Bach-cantates zingen voert hem naar weer een andere, voorheen onbekende wereld. Werkelijk niets betreffende de Bach-suites ontgaat hem, zodat hij ten slotte ook de kwestie van het instrument waarvoor Bach zijn suites schreef te lijf gaat, en verzeild raakt bij de meest recente pleitbezorgers van de viola da spalla. Hoewel het gedachtengoed van de historische uitvoeringspraktijk hem volkomen vreemd is en blijft, neemt ook hier de nauwgezetheid waarmee hij zijn verbazingwekkende ontdekkingen noteert

je volkomen voor hem in. Eric Siblin heeft zijn drie verhaallijnen – Bach, Casals en zijn persoonlijke queeste – kunstig vervlochten met de structuur van de zes cellosuites, zodat hij met dit boek ook zelf een compositie heeft afgeleverd. De vertaling van Volkskrant-journalist Frits van der Waa is vlekkeloos, en ook dat draagt bij aan het grote plezier waarmee je dit boek tot je neemt. SASKIA TÖRNQVIST:

Het Nederlands Blazersensemble – Luchtfietsers en wegbereiders Hoogland & Van Klaveren, Amsterdam 2011 NBEJUB 50, 9789089670731, 192 pp, prijs € 29,95 Ongelofelijk maar waar: het Nederlands Blazersensemble bestaat in 2011 vijftig jaar. Dat dat niet zo voelt, komt mede omdat het NBE eigenlijk twee levens heeft: die van het ensemble van hoboïst Werner Herbers, een tijdperk dat liep van 1961-1988, en het huidige NBE met hoboïst Bart Schneemann als artistiek leider, dat de 23 jaar die erop volgden met nieuw elan heeft ingevuld. Saskia Törnqvist heeft het verhaal van de eenheid en verscheidenheid van die twee ensembles voortreffelijk verwoord en in beeld gebracht in dit ruige buitenformaat koffietafelboek. Korte maar krachtige teksten, deels beschouwend, deels opgebouwd uit interviewfragmenten, worden afgewisseld met foto’s, krantenknipsels, interne correspondentie en kleine blokjes chronologie in een kleurrijke en hektische opmaak, waarbij leesbaarheid duidelijk geen prioriteit had. Het past goed bij het tegendraadse ensemble, dat in zijn eerste leven helemaal conform de tijdgeest vol politiek engagement het podium bestormde met veel hedendaags repertoire en als een van de eerste ensembles aan de subsidieruif

mocht. Dat keerpunt heeft ook de oude muziek geen windeieren gelegd: het ontstaan van de Nederlandse ensemblecultuur is onverbrekelijk verbonden met het succes van Nederland als oude-muziekland. Toen de klad erin kwam – en aan die teloorgang, de precieze toedracht en de rol van verschillende betrokkenen daarbij worden woorden gewijd die de beurse plekken die dat heeft opgeleverd maar nauwelijks verhullen – was het opnieuw een onconventionele hoboïst die de kar ging trekken. Terwijl Werner Herbers met gelijkgestemden een doorstart maakte met de Ebony Band, stortte het geheel verjongde Blazersensemble zich met Bart ­Schneemann op nieuwe avonturen. Het spelniveau bleef onveranderd hoog, maar het engagement bleek verschoven naar de muziek zelf. Niet langer werd er onderscheid gemaakt tussen hoge en lage kunst, wat resulteerde in een repertoire waar eenvoudig geen etiket op te plakken viel. Muziek van ‘echte’ componisten deelde voortaan het podium met die van kinderen, popmuzikanten, fadozangers, straatmuzikanten en asielzoekers, die zich geflankeerd zagen door een veelheid aan andere kunstenmakers, van sneldichters tot bodybuilders. Het beeld werd weliswaar behoorlijk vertekend door de nieuwjaarsmatinees, waarbij het ensemble op tv jaarlijks flink uitpakte. Maar toch: het imago van muzikale nomaden die weg weten met de muziek van alle tijden en culturen – zelfs die van de oude muziek, waarbij zonder omhaal historisch instrumentarium wordt bespeeld – past als een handschoen. Al met al is dit een boek om van te smullen. De bijgeleverde cd bevestigt nog eens wat een voortreffelijk ensemble het NBE zowel in oude als nieuwe bezetting was en is. Jammer dat de verdeling van de tracks ietwat onvoordelig is uitgepakt voor het oude NBE… 63


CD-BESPREKINGEN J.-B. LULLY: BELLÉROPHON

Solisten, Choeur de Chambre de Namur, Les Talens Lyriques o.l.v. Christophe Rousset Aparté AP 015

CD-BESPREKINGEN

Vroeger was alles beter, dat is algemeen bekend, dus laten we teruggaan naar een tijd dat opera het brandpunt was van het roddelcircuit. Quinault en Lully presenteerden hun Isis in 1676, juist op het moment dat Lodewijk XIV zijn maîtresse De Montespan op een zijspoor had gerangeerd om beter te kunnen genieten van een jong(er) blaadje uit de provincie, Madame de Ludres. Al snel legden kwade tongen het verband: oppergodin Juno en haar razernij tegen de hulpeloze Isis, dat kan toch niets anders symboliseren dan... Nu schreef Quinault zijn libretto precies nadat de affaire zich had opgelost met de aftocht van De Ludres, dus van kwade wil was geen sprake. Toch haalde De Montespan haar gram en liet ze de dichter tijdelijk van het hof verbannen. De vacature werd snel gevuld door Thomas Corneille die op verzoek van de koning aan de slag ging met de homerische mythe van Bellerophon (Lodewijk zelf) en het monster Chimera (de protestanten). De eenmalige samenwerking tussen tekst- en toondichter verliep verre van soepel, maar dat stond een maanden- en zelfs jarenlang succes niet in de weg. Dit succes werd nog geholpen door de grote eenheid in het werk tussen de verschillende onderdelen van een tragédie lyrique, met name de integratie van de gedanste en gezongen divertissements in de handeling. Hieraan danken we ongetwijfeld ook dat Bellérophon als eerste van Lully’s tragédies is uitgegeven en er dus wat bronnen betreft voor de verandering nauwelijks twijfel was. Voor deze productie koos Christophe Rousset in de titelrol haute-contre Cyril Auvity, die zijn timbre gelukkig steeds donkerder kleurt, met Céline Scheen en Ingrid Perruche als respectievelijk de gelukkige en ongelukkige geliefden. Het Choeur de Chambre de Namur levert geconcentreerde bijdragen, terwijl de live-opname zelf, gemaakt in de Parijse Cité de la musique elke kritiek kan doorstaan. Geen wereldnieuws van Rousset dit keer (zoals met Roland), maar gewoon een prachtige Lully. Albert Edelman

J.D. ZELENKA: OFFICIUM DEFUNCTORUM, REQUIEM

Collegium 1704, Collegium Vocale 1704 o.l.v. Václav Luks Accent 24244 Voor een gewone sterveling zou de roerende Invitatio van Zelenka’s gigantische dodenherdenking al meer dan voldoende zijn, maar bij de dood van een koning moesten alle registers open. Zelenka schreef ‘in de grootste haast’ muziek voor de officiële uitvaart van 64


CD-BESPREKINGEN

August II de Sterke van Polen. Diens dood leidde tot een complex planningsproces, waarbij men rekening moest houden met het feit dat de koning ook keurvorst van Saksen was, en bovendien een katholiek bekeerling. Het lichaam van August bleef in Krakau, zijn hart werd overgebracht naar de koninklijke crypte in Dresden, en het was voor de diensten in die laatste stad dat Zelenka zo snel aan het werk toog. Een dag voorafgaand aan de première van het Requiem op 16 april 1733 was er een gebedsdienst waar het Officium defunctorum werd uitgevoerd, te beginnen met de al genoemde Invitatio, hier aangrijpend gezongen door mezzosopraan Markéta Cukrová, gevolgd door negen lectii of lezingen uit het bijbelboek Job, waarvan de eerste drie zijn gezet als rijke aria’s (met onder anderen Hana Blaziková en de jonge Franse tenor Sébastian Monti), met hun responsoriën voor koor in een stile antico. Spaarzaamheid was hier ongepast, het ging immers om de dood van een machtig monarch. Dat geldt nog veel sterker in het bij vlagen ronduit uitbundige Requiem met grote passages vol schallende trompetten en hoorns. Zelenka speelt met een donker kleurenpalet – dubbele fagotpartijen, sombere fluiten, een chalumeau – maar blijft trouw aan zijn eigen, harmonisch en ritmisch onconventionele stijl. Ik ben blij dat Accent een studio-opname heeft laten maken, volgend op concerten in onder meer het Festival van Chaise-Dieu. Met de akoestiek volledig onder controle is er geen twijfel meer over de wonderen die Václav Luks kan verrichten met zijn ensemble. Koor en orkest hadden volgens mij niet méér kunnen halen uit Zelenka’s ongetwijfeld meest ambitieuze en misschien wel mooiste werk. Albert Edelman

J.S. BACH: JOHANNES-PASSION BWV 245

Solisten, the Monteverdi Choir, The English Baroque Soloists o.l.v. sir John Eliot Gardiner Soli Deo Gloria SDG 712 J.S. BACH: JOHANNES-PASSION BWV 245

Solisten, Cappella Amsterdam, Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen Glossa GCD 921113 J.S. BACH: PASSIO SECUNDUM JOHANNEM BWV 245

Ricercar Consort o.l.v. Philippe Pierlot Mirare MIR 136 Dit passieseizoen kenmerkte zich door een overweldigende hoeveelheid interessante uitvoeringen van Bachs Johannes-Passion: een smaak- en gewetensvolle enscenering door de Nationale Reisopera met begeleiding van de Holland Baroque Society, na jaren ook weer eens een Johannes in het Concertgebouw op palmzondag en ook nog eens drie splinternieuwe cd-opnamen. In de passietijd wil in recensies nog wel eens de klacht vallen dat al die ‘authentieke’ uitvoeringen op elkaar lijken, maar deze drie uitvoeringen vormen absoluut een bewijs van het tegendeel. En welke de mooiste is? Diskotabel kwam er niet uit, alle panelleden kozen voor een andere uitvoering. Het is ook lastig om aan de hand van enkele fragmenten een keuze te maken: wordt het de technisch in alle opzichten perfecte en ietwat romantische Gardiner, de ingetogen en haast deemoedige Brüggen, of toch de intieme en vaak felle Pierlot? Ook na het integraal en geconcentreerd beluisteren van alle drie de uitvoeringen blijft het, zo je dat al moet willen, moeilijk kiezen. En als je dan hoort hoe betrokken Mark Padmore je als evangelist bij Gardiner weet mee te slepen in het grote drama waarvan iedereen de

afloop kent, hoe bij Brüggen het werkelijk adembenemend langzaam genomen openingskoor niet klinkt als een schreeuw om aandacht maar als een bedeesde smeekbede, en hoe bij Pierlot sopraan en countertenor niet minder dan hemels mooi zingen, dan weet je het helemaal niet meer. De uitvoering van Gardiner is een spin-off van zijn grote Bach-pelgrimage en werd in 2003 in Duitsland live opgenomen. Zeker in vergelijking met de onlangs weer heruitgebrachte eerste opname die Gardiner maakte van de Johannes is de benadering volumineuzer geworden. Zeggen dat Brahms over Bachs schouder meekijkt zou overdreven zijn, maar het is wel heel duidelijk te horen dat Gardiner zich in die tussentijd flink met de Romantiek heeft beziggehouden. Naast evangelist Mark Padmore valt vooral alt Bernarda Fink op. Sopraan Catherine Fuge steekt er wat bleekjes bij af. Maar Gardiners grootste troef is nog altijd zijn fantastische koor – wat een discipline en beheersing! Cappella Amsterdam bij Brüggen toont zich eveneens zeer flexibel. Dit topkoor heeft geen enkele moeite met Brüggens fascinerende en eigenzinnige manier van fraseren. Evangelist Markus Schäfer en Christus-vertolker Thomas Oliemans krijgen van Brüggen ruim de tijd voor de recitatieven, maar sopraan Carolyn Sampson valt ietwat tegen. Maar goed, voordat zij aan de beurt komt heeft Brüggen, alleen al met het openingskoor, mijn hart volkomen gewonnen. Philippe Pierlot maakte met zijn Ricercar Consort al enige cantate-cd’s in enkelvoudige vocale bezetting en zet deze lijn hier ook voort. Dat is natuurlijk even wennen, maar de zangers zijn stuk voor stuk zo goed dat ze ook de koorpartijen kunnen dragen. Ook Hans-Jörg Mammel laat je als evangelist niet onberoerd, maar de grootste wonderen verrichten toch sopraan 65


CD-BESPREKINGEN

Helena Eck en Marcel Ponseele op oboe da caccia in de aria ‘Zerfliesse mein Herze’, en countertenor Carlos Mena samen met Pierlot op gamba in ‘Es ist vollbracht’, beide zeer langzaam genomen. Dat niveau halen de twee andere uitvoeringen toch net niet. Er zijn ook wat minpuntjes: bij Gardiner zijn niet alle solistische bijdragen even goed, bij Brüggen is de klank soms wat onevenwichtig en is te horen dat deze uitvoering een montage is van verschillende live-opnamen, terwijl bij Pierlot de koralen niet altijd de rustpunten zijn die ze zouden moeten zijn. Maar er staat bij allemaal zoveel moois tegenover! Net als bij een eerdere vergelijking tussen verschillende uitvoeringen van Bachs Hohe Messe kan ik dus ook hier niet echt kiezen. Alles bijeengenomen hebben we hier drie uitvoeringen van topniveau die alledrie zo boeiend zijn dat ik ze eigenlijk geen van drieën meer kan missen. Marcel Bijlo

  CD KORT     CLEMENS NON PAPA: REQUIEM, PENITENTIAL PSALMS

The Brabant Ensemble o.l.v. Stephen Rice Hyperion CDA 67848 Het gaat goed met The Brabant Ensemble. De groep van Stephen Rice heeft zich inmiddels genesteld in de allervoorste gelederen van de vocale renaissance-ensembles en blijft komen met cd’s met nog nauwelijks bekend repertoire. De focus ligt daarbij op componisten uit de Nederlanden die zich, in het kielzog van keizer Karel V, in Spanje hebben doen gelden. Jacobus Clemens non Papa was een van hen, hoewel hij nooit in Spanje is geweest. Zijn muziek was echter wijd verspreid door heel Europa. Op deze cd horen we zijn Requiem en 66

boetepsalmen, binnen zijn oeuvre niet erg bekende stukken. The Brabant Ensemble laat deze ernstige noten optimaal tot hun recht komen; alle stemgroepen zijn net als op eerdere cd’s met de beste zangers bezet. Gaan luisteren dus als komend Festival The Brabant Ensemble aantreedt met Palestrina’s Missa Ad coenam agni providi. MB

PILGRIMAGE TO SANTIAGO: VOCAL MUSIC TO ST JAMES

Schola Bamberg o.l.v. Werner Pees Christophorus CHR 77347 Weggestopt in de noordwestelijke hoek van Spanje ligt Santiago de Compostella, met in de schitterende kathedraal het graf van de heilige Jacob. Althans, zo wil de legende, want de vondst van dit graf kwam op een wel zeer gunstig moment tijdens de strijd tegen de Moorse overheersers. De heilige won direct aan populariteit en zijn graf werd een van de belangrijkste bedevaartsoorden van Europa. Met de weg misschien nog wel belangrijker dan het doel, verbaast het niet dat langs de camino tal van kerken verrezen, en uit het repertoire van die godshuizen (aangevuld met enkele hedendaagse composities) stelde Schola Bamberg een breed programma samen, van vroeg-middeleeuwse anonymi tot de grote Spaanse polyfonisten Morales en Victoria. Hoewel de groep niet volledig op professioneel niveau opereert, verrast de ensemble-

klank positief, vooral in de polyfonie. Het ideale cadeau voor een pelgrimsganger. AE ICH STUEND AN EINEM MORGEN

Marcel Beekman, Brisk Recorder Quartet Amsterdam Globe GLO 5242 In Duitsland was het lied in de zestiende eeuw vaak een polyfone instrumentale fantasie met een vocale cantus firmus. Deze partij, de tenor, hoeft niet noodzakelijkerwijs door een tenorstem te worden gezongen, maar dat ligt wel voor de hand. De instrumentale partijen in de liederen van Senfl, Isaac en anderen zijn zeer verfijnd en er valt dus voor consorts veel eer aan te behalen. Goed idee van Brisk dus om samen met tenor Marcel Beekman een hele cd aan dit repertoire te wijden. De stem van Beekman voegt zich naadloos bij de verschillende liggingen van de blokfluitconsorts die Brisk hier presenteert, zowel hoge als lage consorts zijn vertegenwoordigd. Af en toe een beetje schmieren hoort ook bij deze liederen en Beekman doet dat zeer overtuigend, zonder dat het te leukig wordt. Deze zanger weet in alles wat hij zingt precies de juiste sfeer te treffen. MB A. STRIGGIO: MISSA ECCO SI BEATA GIORNO E.A

I Fagiolini, Fretwork e.a. o.l.v. Rolbert Hollingworth Decca 4782734-00289 Even wennen was het wel, dat nieuwe jongerenprogramma op Radio 4. Maar al in de eerste aflevering draaide Giel Beelen een deel uit deze veertigstemmige mis van Striggio. Een hit? Volgens Beelen zelfs een ‘allejezus-hit’. En dat terwijl Striggio’s veertigstemmige mis pas heel recent ondekt is en dus nu voor het eerst op cd staat! Die cd doet het inderdaad ook heel


CD-BESPREKINGEN

goed in het niet-klassieke circuit en dat valt alleen maar toe te juichen. Striggio’s muziek is magistraal en de beste Britse vocale en instrumentale ensembles ontfermen zich erover. Als het over veertigstemmigheid gaat mag Tallis’ Spem in alium natuurlijk ook niet ontbreken, dat hier klinkt in een vocaal-instrumentale versie. De bijgeleverde dvd verheldert veel over het tot stand komen van deze echte topproductie. MB C. LE JEUNE: DIX PSAUMES DE DAVID

Ludus Modalis o.l.v. Bruno Boterf Ramée RAM 1005 De Reformatie is in de zestiende eeuw in Frankrijk weliswaar niet zo succesvol verlopen als in onze streken, er is wel degelijk Franse protestantse kerkmuziek. Claude le Jeune had bindingen met hugenoten en componeerde dus naast katholieke missen en motetten ook Franse psalmzettingen. Het vocale ensemble Ludus Modalis werd opgericht door Bruno Boterf, die jarenlang deel uitmaakte van het Ensemble Clément Janequin van Dominique Visse. Boterf laat de lichtere chansons echter voor wat ze zijn en kiest net als op zijn vorige cd voor de Franstalige kerkmuziek. Le Jeune past in deze muziek overigens wel dezelfde soms bijna Gesualdo-achtige modulaties toe als in zijn chansons. Ludus Modalis weet exact de juiste accenten te leggen zonder van deze tien psalmen echt wulpse madrigalen te maken. Maar brave zettingen zijn dit zeker niet! MB M. LAMBERT: D’UN FEU SECRET..., AIRS DE COUR

Musica Favola o.l.v. Stephan van Dyck Accent ACC 24234 Je kunt airs de cour op twee manieren benaderen: als echte aria’s, zoals een aantal vocale sterren de afgelopen jaren op cd heeft bewezen; of als

klinkende poëzie, en op dat vlak ken ik weinig zangers die beter overtuigen dan Stephan van Dyck. Zijn warme, bescheiden aanpak biedt precies de ruimte die de gevoelige, complexe gedichten nodig hebben, om dan in de herhaling moeiteloos Lamberts originele versieringen uit z’n mouw te schudden. Hits als ‘Vos mépris chaque jour’ en ‘Ombre de mon amant’ klinken fris in een mooi français restitué, op luit begeleid door Benjamin Perrot. Van tijd tot tijd komt ook een instrumentaal ensemble met onder meer violist Ryo Terakado en klaveciniste Aline Zylberajch aan het woord in trio’s en chaconnes van Lully, Lamberts schoonzoon. Samen waren zij misschien wel de belangrijkste componisten van Franse vocale muziek van hun generatie en uit alles blijkt dat híer Van Dycks passie ligt. AE

Want sla zo’n pas aangeschaft boekje maar eens open en adem dan diep in! Het laatste deel met twee cd’s bevat de Cantiones Sacrae. Deze motetten, uitgegeven in 1619, zijn zeer wisselend van vorm en lengte. Het groots opgezette Te Deum duurt een kwartier en is Sweelincks langste vocale compositie. Ook als Sweelinck niet, zoals bij zijn psalmzettingen, uitging van een gegeven melodie, toont hij zich een groot polyfonist. Naast de cantiones is nog een aantal zeer knap gecomponeerde gelegenheidswerkjes te horen, en dat alles gezongen op de sublieme wijze die we van het Gesualdo Consort gewend zijn. Hopelijk is er zo veel belangstelling voor dit project dat er een herdruk komt zodra de gelimiteerde oplagen uitverkocht zijn. MB H. SCHÜTZ: MATTHÄUS-PASSION

Ars Nova Copenhagen o.l.v. Paul Hillier Da Capo 8.226094

J.P. SWEELINCK: CANTIONES SACRAE

Gesualdo Consort Amsterdam o.l.v. Harry van der Kamp Glossa GES 922406-NL En nu hebben we dan toch echt al Sweelincks vocale muziek op cd, de zes gebonden boeken met elk meerdere cd’s kunnen naast elkaar in de kast worden gezet. De uitgaven strelen het oor, het oog en zelfs de neus.

Stapje voor stapje vonden de Duitse barokcomponisten wegen om het passieverhaal uit te bouwen van een traditionele eenstemmige recitatie tot volwaardige composities. In zijn Mat­ thäus-Passion beperkt Schütz zich tot een introductie en een slot, met tussen de lange secties ‘gesproken’ tekst piepkleine motetjes, sommige maar enkele woorden lang (‘Barrabam!’). Het zijn geraffineerde uittrekseltjes van de volwaardige motetten als in de Geistliche Chor-Music, dezelfde technieken maar op de kleinst mogelijke schaal. Door zijn muzikale abstractie (er is geen basso continuo, hoewel Schütz hier elders wel mee experimenteerde) leent deze muziek zich perfect voor uitvoering door Ars Nova Copenhagen met een pure, volle sound. Met deze opname sluiten de Denen een succesvolle Schütz-serie af, waarin volgens Paul Hillier het verhalen vertellen centraal stond, en juist dat is een specialiteit van evangelist Julian Pod67


CD-BESPREKINGEN

ger, die de traditionele reciteertraditie en Schütz’ subtiele innovaties daarop optimaal vormgeeft. AE H. SCHÜTZ: GEISTLICHE CHOR-MUSIC 1648

Dresdner Kammerchor, Cappella ­Sagittariana Dresden o.l.v. Hans-Christoph Rademann Carus 83.232 H. SCHÜTZ: ITALIËNISCHE MADRIGALE

Frans-Poolse ensemble Les Traversées Baroques maakt er in ieder geval iets moois van. De vele vocale en instrumentale partijen (tot vierkorig!) zijn prima bezet en dat is voor zo’n jong ensemble een hele prestatie. Maar het ensemble mag dan nieuw zijn, de leden ervan hebben allemaal al ruime ervaring in andere groepen, inclusief de geweldige Poolse strijkers. Dit is een heel bijzondere cd. MB

Dresdner Kammerchor o.l.v. Hans-Christoph Rademann Carus 83.237 Streng kijkt Hans-Christoph Rademann ons aan vanaf de achterkant van het tweede deel uit een Schützdrieluik. Alle vocale muziek op deze cd’s wordt bij elkaar gezongen door zijn eigen Dresdner Kammerchor, maar hoe lovenswaardig dat streven ook is – Schütz wás ongelooflijk invloedrijk voor de Europese muziek, en desnoods zóu je hem onderbelicht kunnen noemen – ik hou m’n adem niet in voor het eindresultaat. Waarom madrigalen nog opnemen met een fors koor als je wilt dat de tekstnuances kraakhelder naar voren komen? En waarom de (verbluffende) motetten uit de Geistliche Chor-Music vrijwel allemaal in hetzelfde tempo laten zingen? Dat moet toch spannender kunnen! AE VIRGO PRUDENTISSIMA

Les Traversées Baroques o.l.v. Etienne Meyer K617 226 De muziek op deze cd, groot bezette kerkmuziek in de beste Venetiaanse traditie, moet hebben geklonken aan het Poolse hof. Daar waren tal van Italiaanse musici actief, maar de revelatie van deze cd is wel de muziek van de Pool Marcin Mielczewski. Zijn motetten zouden beslist vaker ter hand genomen moeten worden. Het 68

D. BUXTEHUDE: OPERA OMNIA XIII, CHAMBER MUSIC VOL.2

Leden van the Amsterdam Baroque Orchestra, Ton Koopman Challenge CC 72252 Het begint aardig te vorderen met de complete Buxtehude, dit is alweer deel dertien. De vorige uitgave met kamer­muziek bevatte ongepubliceerde sonates voor twee violen en continuo, hier horen we de inmiddels bekendere sonates opus 1 voor viool, gamba en continuo. Dit is Buxtehude op zijn allerbest, met geraffineerde dialogen tussen hoge en lage strijkers en elkaar snel afwisselende contrasterende delen. In tegenstelling tot veel vocale muziek uit deze serie is Buxtehudes kamermuziek de laatste jaren door meer ensembles opgenomen, maar Koopman en de zijnen kunnen die concurrentie natuurlijk gemakkelijk de baas. Net als de vorige cd met kamermuziek is ook deze echt als in een kamer opgenomen, lang niet ieders smaak maar ik vind het prachtig. MB

H.I.F. BIBER: VESPERAE LONGIORES AC BREVIORES

Yale Schola Cantorum, Yale Collegium Players o.l.v. Simon Carrington Carus 83.348 Ruim vijf jaar heeft deze live-opname op de plank gelegen, tot Carus eindelijk besloot dit studentenconcert uit te brengen. Dat ik dit een succes noem, begint bij het repertoire, want zoveel vocale muziek van Biber kennen we niet – enkele missen, en dan vooral de buitenproportionele Missa Salisburgensis, daar blijft het wel bij. Aangezien we niet bij hem terecht konden voor een complete vesperdienst, werden de hymnes en de antifonen geleend van Mayr, Legrenzi en zelfs keizer Leopold I, aangevuld met vioolsonates van Biber, gespeeld door Robert Mealy. Koordirigent Simon Carrington, mede-oprichter van de King’s Singers, leidt de oudemuziekensembles van Yale University, waar tussen de verdienstelijke maar hoorbaar niet-professionele stemmen ineens een prachtige sopraan als Mellissa Hughes opduikt voor de solo’s. Haar bijdrage en die van countertenor Ian L. Howell maken dit tot een waardevol document, maar echte wonderen moet je niet verwachten. AE A. VIVALDI: VESPRO A SAN MARCO

Choeur de Chambre de Namur, Les Agrémens o.l.v. Leonardo García Alarcón Ambronay AMY 029 Onstuitbaar is hij, Leonardo García Alarcón: aan de lopende band verschijnen cd’s onder zijn leiding. De meest succesvolle zijn die van het Choeur de Chambre de Namur, dat in de Franstalige muziekwereld langzaam de rol van huiskoor begint in te nemen (zie ook Lully’s Bellerophon, hierboven besproken). Alarcón overwoog voor deze opname de parallellen


CD-BESPREKINGEN

tussen Vivaldi en Monteverdi – beiden Venetiaan, strijker (en geen toetsenist), priester – en bracht op dezelfde manier als in de beroemde Maria­ vespers een aantal psalmen bij elkaar zoals die hadden kunnen klinken in de San Marco, maar zeker nooit hebben geklonken. De gekozen werken komen uit de volle breedte van het oevre van de Prete rosso en bieden zo volop variatie. Zijn pleidooi voor een spirituele Vivaldi zet Alarcón verrassend genoeg kracht bij met operateske (maar evengoed fantastische) stemmen, zoals Mariana Flores, die deze zomer ruim te horen zal zijn in het Festival Oude Muziek Utrecht. AE

TENEBRAE: CARESANA, VENEZIANO

I Turchini o.l.v. Antonio Florio Glossa GCD 922602 Met meer kerken en kapellen per inwoner dan Londen of Parijs was het barokke Napels een dankbare grond voor de Contrareformatie. Dankzij de aanwezigheid van de puissant rijke onderkoning, zijn aristocratie en een diepgelovige bevolking werd de Goede Week, toch een tijd van bezinning, een periode van ongekende grandeur rond al die altaren. Antonio Florio diept met zijn uitstekende ensemble I Turchini geregeld vergeten Napolitaanse meesters op en bracht hier tenebrae-muziek samen van Cristoforo Caresana en Gaetano Veneziano. De laat-barokke en bepaald lyrische lamentatiezettingen worden gezon-

gen door sopraan Valentina Varriale, die niet erg kan profiteren van de ruime akoestiek van opname en soms met haar prettige stem wat omfloerst uit de hoek komt. De strijkers van het ensemble klinken daarentegen helder, wat extra goed naar voren komt in de sonate van Giuseppe Antonio Avitrano. AE A. CAMPRA: MESSE DE REQUIEM

Solisten, Les Pages et les Chantres du Centre de Musique Baroque de ­Versailles, Orchestre des Musiques Anci­ ennes et à Venir o.l.v. Olivier Schneebeli K617 224 Kort na hun memorabele optreden in de Utrechtse Dom tijdens het Festival Oude Muziek 2010 keerden de leerlingen van het CMBV terug naar Versailles, om daar in de slotkapel van Versailles Campra’s Requiem op te nemen – een stuk dat trouwens hard toe was aan een frisse opname, want sinds de jaren ‘80-opnamen door Herreweghe en Gardiner verscheen er geen écht mooie versie. Olivier Schneebeli kiest voor felle contrasten waar anderen, vast in de sfeer van een dodenmis, misschien gedragen tempi zouden prefereren. Resultaten zijn luxueus uitgesponnen solo’s voor de solisten Robert Getchell, JeanFrançois Novelli en Marc Labonnette, afgewisseld met werkelijk gracieux en léger koordelen. Na het Requiem klinkt het grand motet ‘In convertendo’, een psalm over de vreugde van de bevrijding uit gevangenschap waarin Campra meer nog dan in zijn meest bekende werk de dissonantie opzoekt. De kunst van de technici om de majestueuze galm van de kapel én tegelijk elk detail vast te leggen maakt dit (voorlopig) tot mijn favoriete Franse barok-cd van het jaar. AE

J.S. BACH: RECONSTRUCTIONS & TRANSCRIPTIONS FOR STRINGS

Furor Musicus o.l.v. Antoinette Lohmann Edition Lilac 381426 Deze cd begint met de bekende tweede orkestsuite BWV 1067, maar nu in de vroege versie. Die staat niet in b-klein maar in a-klein en heeft geen fluit maar een viool als solo-instrument. Vervolgens klinkt de fuga die onder andere voorkomt in de sonate voor soloviool in g-klein, bewerkt voor ensemble. Van het Concerto BWV 1053 horen we hier een altvioolversie, waarna wordt besloten met een uit de Goldberg-variaties samengestelde suite. Een prachtig programma, overtuigend gespeeld door Lohmann, tevens soliste, en haar ensemble. Alleen in de snelle delen van BWV 1053 raakt de lage solopartij wat ondergesneeuwd, een hoger solo-instrument lijkt me hier toch echt beter op zijn plaats. Vooral BWV 1067, met de door Lohmann prachtig gespeelde solopartij, is een reden deze cd aan te schaffen. MB J.S. BACH: MOTETS

Vocalconsort Berlin o.l.v. Marcus Creed Harmonia Mundi HMC 902079 Nogal wiedes, zou je zeggen, dat je elke inzet kunt horen, zelfs zonder mee te lezen in de partituur. Toch is dat lang niet altijd mijn ervaring met opnamen van Bachs onvergelijkbare motetten. Het verbaast niet dat Marcus Creed het met Vocalconsort Berlin wél voor elkaar krijgt. De sopranen zingen weliswaar steeds met één vrouw meer dan de andere stemmen, maar op geen moment bedekken ze de slanke klank van de middenstemmen en - vooral - de bassen. De flexibele dynamiek van de groep, een handtekening van Creed die al te horen was in het Amsterdamse Concertgebouw in 2010, maakt dat deze cd in 69


CD-BESPREKINGEN

ijltempo andere opnames van de zes motetten (plus ‘Ich lasse dich nicht’) voorbijstreeft. Prettige bijkomstigheid is dat de jonge zangers van het Vocalconsort in januari 2012 in het Seizoen Oude Muziek een aantal motetten in Nederland zullen zingen, dan onder leiding van Daniel Reuss. AE

T. ARNE: ARTAXERXES

Solisten, Classical Opera Company o.l.v. Ian Page Linn CKD 358 Thomas Arne is vooral bekend van zijn Beggar’s Opera, tot Royal Opera ­Covent Garden in 2009 zijn Artaxerxes op de planken bracht. Een heuse Engelstalige opera seria in Italiaanse stijl die muzikaal het midden houdt tussen Händel en Mozart. Het stuk uit 1762 stond decennialang op het repertoire, zelfs nadat in 1813 alle recitatieven en de finale (we zijn nu post-Beethoven!) opnieuw moesten worden geschreven na een verwoestende brand. Ian Page deed dat voor deze productie ook, maar dan in historiserende stijl, zodat er nu opnieuw een complete baroktragedie voorligt. De muziek is van topkwaliteit, het verhaal 100% geloofwaardig, maar dat Engels... ik kan er maar moeilijk aan wennen. Wat in het Italiaans volkomen logisch klinkt, voelt nu gekunsteld. Luisteren en herluisteren dan maar, en dat is beslist geen straf. De sterren in deze uitmuntende studio-opname zijn Christopher Ainslie 70

in de titelrol, Elizabeth Watts als ongelukkige geliefde Mandane en Andrew Staples als generaal Artabanes. AE J.S. BACH: CONCERTS AVEC PLUSIEURS INSTRUMENTS, VOL. V

Café Zimmermann Alpha 168 In Bachs tijd bestonden er buiten de vorstenhoven nog geen vaste orkesten, en aangezien muziek een belangrijke plaats in het sociale leven innam, zorgden de stadsbesturen voor eigen orkesten die bestonden uit een steeds wisselende bezetting van studenten. Door de afwezigheid van speciale concertzalen waren deze collegia musica genoodzaakt overal te spelen waar ze een zaal konden vinden en zo werden er overeenkomsten gesloten met verscheidene koffiehuizen die in Leipzig toen in de mode waren. Het Café Zimmermann had een vast ensemble dat wekelijks een concert verzorgde en Bach zal daar menig avond hebben doorgebracht. Het ensemble van concertmeester Pablo Valetti geeft op deze vijfde cd uit de reeks een concert dat in Zimmermann geklonken zou kunnen hebben. De derde orkestsuite en het zesde Brandenburgse Concert klinken vitaal, ritmisch en qua klank mooi afgewerkt. Over het klavecimbelconcert in f-klein en het concert voor drie klavecimbels in d-klein ben ik iets minder tevreden. Hier is het ensemble te groot en komen de klavecimbels soms niet boven de begeleidingsfiguren uit. Bach had zeker een enkelvoudige strijkersbezetting aangeraden, dan was de balans goed geweest. HD J.S. BACH: NOTENBÜCHLEIN

Koen Plaetinck, marimba Fuga Libera FUG581 Dat Bach niet stuk te krijgen is, mag geen nieuws heten. Van glasharmo-

nica tot mondharp, Bach klinkt altijd. Dat komt natuurlijk ook omdat er in Bach altijd lekker veel noten zitten: zelfs met een elastiekje over een sigarendoosje houd je zo toch altijd nog muziek over. Slagwerkgroepen zoals het Franse Les Percussions Claviers de Lyon, die vorige zomer in het Bachfestival Dordrecht hun interpretatie gaven van het Wohltemperiertes Klavier, zijn met hun xylofoons en vibrafoons ook succesvolle interpreten. Maar waar zij het show-element niet schuwen, gaat de Belgische slagwerker Koen Plaetinck niet voor het makkelijke effect. Hij stak zijn licht op bij oude-muziekspecialisten als Sigiswald Kuijken en Jos van Immerseel, in wiens orkest hij ook paukenist is. Op marimba waagde hij zich aan de drie Notenbüchleinen die Bach voor zijn vrouw Anna Magdalena en zoon Wilhelm Friedemann schreef. Plaetincks noten klinken fragiel, kwetsbaar haast, en zo zacht dat het lijkt alsof we hier met een klavichord te maken hebben. Weer eens heel wat anders. JvdK S.L. WEISS

Evangelina Mascardi, luit ORF CD 3121 S.L. WEISSS: THE DRESDEN MANUSCRIPT

Roberto Barto, Karl-Ernst Schröder, luit Pan Classics PC 10238 Meer dan drie decennia was Silvius Leopold Weiss verbonden aan het hof van Dresden, waar hij verkeerde en zich kon meten met de allergrootsten op muziekgebied: Quantz, Veracini, Zelenka, Heinichen en ga zo maar door. De inspiratie voor zijn enorme hoeveelheid hoogewaardeerde composities had hij eerder opgedaan in Rome, waar hij onder meer met Händel en Corelli samenwerkte. Met Weiss bereikte het luitrepertoire een laat hoogtepunt, want eigenlijk was het instrument allang op z’n retour.


CD-BESPREKINGEN

Niet meer dan één stuk van hem werd ooit gedrukt, de rest bleef bewaard in manuscripten, waarvan dat uit Dresden het belangrijkst is. De Argentijnse Evangelina Mascardi speelt een aantal solo luit­suites van Weiss intiem, met veel gevoel voor timing en klank. Het luitduo Roberto Barto en Karl-Ernst Schröder heeft een wat swingender aanpak. Zij reconstrueerden aan de hand van de onvolledig bewaard gebleven partijen in het Dresdenmanuscript vier sonates van Weiss voor luitduo, die smaken naar meer. Helaas: hoewel uit catalogi blijkt dat Weiss veel meer ensemblemuziek heeft gecomponeerd, is daarvan niets teruggevonden. JvdK

instrument, die hier door Edoardo Torbianelli met veel expressie gespeeld worden. Naast het klavecimbel werd het nieuwe klavier ook als continuoinstrument gebruikt. Hoe goed dat klinkt is te horen in vocale werken van Alessandro Scarlatti en in traverso- en vioolsonates van Bitti, Barsanti en Veracini. De stukken worden door zangeres Maria Cristina Kiehr, traversospeler Marc Hantaï en violiste Chiara Banchini uitstekend uitgevoerd. Viola da gamba en theorbe geven extra kleur aan het fortepiano-continuo. Het instrument, gebouwd door Denzil Wraight naar Cristofori (1726), is mooi opgenomen en is goed in balans met de andere instrumenten. HD

PIANO E FORTE. MUSIC AT THE MEDICI COURT ON CRISTOFORI’S EARLY PIANOFORTE

Maria Cristina Kiehr, Edoardo Torbia­ nelli e.a. Glossa GCD 922504 Klavecimbelbouwer Bartolomeo Cristofori, sinds 1690 werkend aan het hof van Fernando de Medici in Florence, had rond 1697 na jaren van experimenteren een ‘cembalo con piano e forte’ gebouwd, een klavier met hamermechaniek. Een revolutionaire ontwikkeling, omdat voortaan het volume van de toon gevormd kon worden door middel van de vingerdruk. Dit vroege fortepiano-type was de eerste drie decennia van de achttiende eeuw zeer in trek maar leidde daarna een schaduwbestaan naast het klavecimbel – om aan het einde van de eeuw, door de invoer van instrumenten uit Duitsland en Engeland, het klavecimbel definitief te verdringen. Componisten als Veracini, Alessandro Scarlatti, Alessandro Marcello, Francesco Barsanti en vele anderen waren verrukt van Cristofori’s uitvinding. Ludovico di Pistoia publiceerde in 1732 als eerste enkele solostukken voor het nieuwe

G.PH. TELEMANN AND THE LEIPZIG OPERA

United Continuo Ensemble, Jan Kobow Pan Classics PC 10237 Deze cd biedt muziek uit een door ­Telemann uitgegeven verzameling aria’s uit opera’s van hemzelf en onder meer Keiser en Heinichen, allemaal werken die in Leipzig zijn opgevoerd. Om wille van de verkoopbaarheid bewerkte Telemann de stukken voor tenor en continuo waardoor we, in tegenstelling tot wat de cd-titel suggereert, niet echt een idee krijgen van hoe deze aria’s daadwerkelijk in het theater klonken. Dit is gewoon opera voor in de huiskamer. De Duitse opera, waar vaak in meerdere talen door elkaar gezongen werd, is heel wat lich-

ter van toon dan de Italiaanse en dat hebben tenor Jan Kobow en zijn continuïsten goed begrepen. Kobow gaat af en toe over de top als de tekst daarom vraagt, wat hem niet zo goed afgaat. Hij blijft toch een beetje een serieuze oratoriumtenor, in die rol kennen we hem ook het best. Niettemin een heel aantrekkelijke uitgave. MB LUSTIGE FELD-MUSIC

Lingua Franca o.l.v. Benoît Laurent Ricercar RIC 304 De Feldmusic was in Duitsland een ensemble bestaand uit twee hobo’s, de uit Frankrijk geïmporteerde taille d’hautbois en een of twee fagotten. Vele Duitse componisten schreven er muziek voor, waaronder natuurlijk Telemann, maar ook Fischer, Müller en Fasch. In Frankrijk had een dergelijke bande d’hautbois meer een ceremoniële functie aan het hof dan in Duitsland. Het ensemble Lingua Franca geeft een mooi overzicht van dit repertoire. Vooral de grote taille d’hautbois, een instrument dat qua klank lijkt op de oboe da caccia, klinkt indrukwekkend. MB G.F. HÄNDEL: ALESSANDRO SEVERO

Solisten, Armonia Atenea o.l.v. George Petrou MDG 609 1674-2 Na zijn indrukwekkende opname van Tamerlano was ik benieuwd wat George Petrou nog meer in petto zou hebben. Het werd Alessandro Severo uit 1738, een door Händel zelf aan elkaar geschreven pastiche op een bekend libretto van Apostolo Zeno, de belangrijkste auteur vóór Metastasio. De muziek komt voor het grootste deel uit Arminio, Giustino en Berenice uit 1737-38 – dat zowel voor Händel als de beide Londense operagezelschappen rampzalig was verlopen – aangevuld met nieuwe 71


CD-BESPREKINGEN

recitatieven en enkele oudere aria’s. Op Gemma Bertagnolli na zijn de uitstekende solisten nog geen grote namen, maar dat zou bijvoorbeeld in het geval van alt Irini Karaianni en sopraan Kristina Hammarström snel moeten veranderen. Als curiosium voegt Petrou een eenakter toe van Niccolò Manzaro, componist van het Griekse volkslied. Leuk en best mooi, maar het ontgaat me wat dit Rossiniachtige werkje doet op een cd die een volledig onbekend Händel-product zo mooi rehabiliteert. AE C.-B. BALBASTRE: PIÈCES DE CLAVECIN (1759)

Sophie Yates, klavecimbel Chandos CHAN 0777 Claude-Bénigne Balbastre was de belangrijkste componist uit de laatste bloeiperiode van de Franse klavecimbelmuziek voordat het instrument definitief zou worden verdrongen door de fortepiano. Op het hoogtepunt van zijn roem was hij zowel organist van de broer van de koning als klavecimbelleraar van Marie-Antoinette. Zijn karakterstukken, opgedragen aan bekende dames van de Parijse adel, hebben deels de sfeer van het Rococo met uitbundige versieringen, of grijpen terug op de meer traditionele stijl van voorgangers als François Couperin. Sopie Yates is een geweldig klaveciniste, die zich in deze materie volkomen thuisvoelt. De uiterst geraffineerde versieringskunst, noodzakelijke ritmische vrijheden en een subtiel toucher zorgen voor uitvoeringen op topniveau. Yates bespeelt een klavecimbel van Goujon, een tijdgenoot van Taskin, dé bouwer uit de periode die het peau de buffle-register introduceerde: leren kieltjes die een zachte en milde toon voortbrengen. De sonore bassen en de boventoonrijke diskant van dit instrument, gebouwd door Andrew Garlick, zijn prachtig opgenomen. HD 72

delen klinken met hun rijke ornamentiek zangerig. De opname is mooi, hoewel ik de fortepiano (een originele Heubeck) liever iets prominenter in het klankbeeld had gehad. Maar toch: zeer de moeite waard. HD C.Ph.E. BACH: SEI CONCERTI PER IL CEMBALO CONCERTATO

G.W. GRUBER: CONCERTI PER FORTEPIANO

Arthur Schoonderwoerd, fortepiano, Ensemble Cristofori Pan Classics 10231 Georg Wilhelm Gruber was de laatste vertegenwoordiger van de zogenaamde Nürnberger Cembalokonzertschule waarvan onder anderen Johann Matthäus Lefloth en Johan Agrell zijn voorgangers waren. Na de dood van Agrell in 1765 kreeg Gruber de aanstelling van director chori musici, wat voornamelijk het leiden van het stadsorkest inhield. Dit orkest met zijn ongebruikelijke bezetting van fluiten en hoorns zal voor Gruber zeker een stimulans zijn geweest om in 1770 zijn Concerti per Cembalo obligato te componeren. De term cembalo hoeft hier trouwens niet meer letterlijk te worden genomen, want rond deze tijd werden in het nabijgelegen Regensburg door de bouwers Späth en Schmahl de eerste tangentenvleugels gebouwd: fortepiano’s met hamertjes die niet met leer waren bekleed en qua klank nog dicht bij het klavecimbel stonden, maar wel met een klankkleur die door de aanslag te regelen was. Dit heldere timbre past prima bij deze concerten waarin zowel NoordDuitse als Italiaanse invloeden te horen zijn. Arthur Schoonderwoerd en zijn Cristofori-ensemble spelen deze concerten en een sonate overtuigend: in de snelle delen worden stevige tempi genomen en de langzame

Andreas Staier, Freiburger Barock­ orchester o.l.v. Petra Müllejans Harmonia Mundi HMC 902083.84 In 1767 werd C.Ph.E. Bach benoemd als Musikdirektor in Hamburg als opvolger van de overleden Telemann. Na dertig jaar aan het hof van Frederik de Grote in Berlijn, wiens fluitspel hij steeds maar weer, en slecht betaald, moest begeleiden, moet dit een enorme bevrijding voor hem zijn geweest. In 1772 liet hij bij Breitkopf in Leipzig, op eigen kosten, deze concerten drukken, na problemen met de publicatie in Berlijn waar uitgever Winter tijdens het corrigeren van de drukproeven overleed. Voor een grotere verkoopbaarheid prees Bach deze concerten aan als makkelijk en geschikt voor amateurs. Een valse voorstelling van zaken, want ze eisen een behoorlijke techniek van de speler. Het Sturm und Drang-karakter van deze stukken vraagt om een speler die zowel over virtuositeit als een subtiele aanslag beschikt. Staier is zo iemand die, geholpen door een kopie van een monumentaal Hass-klavecimbel en de Freiburgers, tot spannende resultaten komt. Klavecimbel en orkest zijn mooi in balans op deze opname HD C.Ph.E. BACH: SOLO KEYBOARD MUSIC VOL.21

Miklós Spányi, klavichord BIS CD-1624 De Sechs Sonaten mit veränderten Repri­ sen werden bij hun publicatie in 1760 opgedragen aan prinses Amalia van


CD-BESPREKINGEN

Pruisen. De Franse titel vermeldt: ‘pour le clavecin’, de Duitse ’fürs Clavier’, maar ongetwijfeld is voor deze sonates het klavichord het meest geschikte instrument. Van groot belang is een muziekdruk uit het bezit van Philipp Emanuel zelf, waarin hij in de marge nog extra variaties noteert. Klavichordspeler Spányi maakt hier dankbaar gebruik van en variëert op fermates nog meer en met veel fantasie. Die fantasie kenmerkt over de hele linie zijn uitvoeringen. Het grillige karakter, met als basis de rhetorica, komt erg overtuigend over. Kortom: spel op hoog niveau ‘für Kenner und Liebhaber’. HD W.A. MOZART: SONATAS FOR FOUR HANDS

Marie en Veronica Kuijken, fortepiano Challenge CC72363 Hoewel Bach, Händel en en vele anderen al schreven voor twee of meer klavecimbels, was het repertoire voor vier handen op één klavier in Mozarts jeugd niet populair. Onder anderen Johann Christian Bach heeft het vierhandig spel tot een volwaardig genre ontwikkeld en waarschijnlijk heeft Mozart tijdens zijn reis naar Londen hiermee kennisgemaakt. Marie en Veronica Kuijken spelen op deze cd Mozarts laatste twee sonates voor vier handen. Het zijn monumentale werken uit zijn rijpe periode, die qua expressie en volume het uiterste van de fortepiano vragen. De sonate in D-groot KV 448 voor twee piano’s schreef Mozart voor zijn leerlinge Josepha Auernhammer, en ook hier worden de mogelijkheden van de fortepiano ten volle uitgebuit. Het spel van de pianistes is virtuoos, genuanceerd en ze voelen feilloos aan waar de grenzen van hun instument liggen. Monumentaliteit en poëzie wisselen elkaar af. Mijn ideale Mozart en hopelijk ook die van u. HD

W.A. MOZART: COMPLETE FORTEPIANO CONCERTOS

Viviana Sofronitsky, Musica Antiqua Collegium Varsoviense o.l.v. Tadeusz Karolak Etcetera KTC 1424 Een aantrekkelijke uitgave die het kan opnemen tegen andere historische complete uitgaven zoals die van Malcolm Bilson en zeker die van Van Immerseel. De zwaargewichten c-klein (KV 491) en d-klein (466) krijgen een dramatischer aanpak dan de concerten die Mozart zelf als leicht beschreef. In de reprises van de langzame delen van alle concerten varieert Sofronitsky geheel in Mozarts stijl en toont daarin veel fantasie. Een klein en persoonlijk minpunt is voor mij dat sommige Andantino’s iets te snel worden genomen. In Mozarts tijd was Andantino nog ‘een beetje gaande’, en dus langzamer dan Andante! Naar mijn smaak klinkt hierdoor onder andere het middendeel van het Jeunehomme-concert (KV 271) niet dramatisch genoeg. In de concerten voor twee en drie piano’s wordt Sofronitsky geassisteerd door Linda Nicholson en Mario Aschauer, die voor een goede eenheid zorgen. De allervroegste concerten – die arrangementen zijn van komposities van o.a. Raupach, Honauer, en J.C. Bach – speelt ze zelf op klavecimbel. Op zich doet ze dat mooi, maar een uitgedund ensemble had het klavecimbel wel beter tot zijn recht laten komen. Toch: de aanschaf waard. HD W.A. MOZART, L.VAN BEETHOVEN: SONATES POUR PIANOFORTE ET VIOLON

Rémy Cardinale, fortepiano, Hélène Schmitt, viool Alpha 177

begonnen: het klavier laten emanciperen van begeleidingsinstrument tot gelijkwaardige partner van de viool. Evenals Bach plaatste Mozart in de betiteling het klavier vóór de viool, wat geenszins betekent dat die laatste een ondergeschikte rol had. De nieuwe fortepiano had veel meer mogelijkheden dan zijn voorganger, het klavecimbel, en eiste dus zijn plaats op! Geheel in die trant benaderen Cardinale en Schmitt deze stukken: is in Mozarts Sonate in Es-groot KV 380 de piano soms nog belangrijker dan de viool, in de latere Sonate in Bes-groot KV 454 en Beethovens Sonate in D-groot zijn ze elkaars gelijken. Hun spel, op een pianoforte van Christoph Kern naar Anton Walter en een Gagliano van ca. 1760, is indrukwekkend: virtuoos in de snelle delen en prachtig lyrisch in de langzame. Een aanwinst! HD THE ART OF THE CIGAR

Huelgas Ensemble o.l.v. Paul Van Nevel DHM 88697771422 Paul Van Nevel, liefhebber van een goede Havana, zette voor het veertig­jarig jubileum van zijn Huelgas Ensem­ble zijn muzikale ode aan de sigaar op cd. Op The Art of the Cigar verzamelde hij sigarenmuziek uit verschillende eeuwen, met het accent op de negentiende, daar waar nodig bewerkt voor zijn ensemble. Het booklet bevat een korte geschiedenis van de sigaar, prachtig geïllustreerd en uitgevoerd in rokerige bruintinten. Een geslaagd project, ook omdat de ‘Huelgas Havana Club’ de zaak serieus heeft genomen. Er wordt prima gemusiceerd, en ook de arrangementen staat in de beste oude-muziektraditie. Hartelijk gefeliciteerd dus! JvdK

Mozart en later Beethoven zetten de ontwikkeling voort die hun voorgangers, waaronder J.S. Bach, waren 73


74

J.S. Bach Notenbüchlein. Koen Plaetinck, marimba. Fuga Libera FUG 581

J.S, Bach Reconstructions & Transcriptions for Strings. Furor Musicus o.l.v. Antoinette Lohmann. Edition Lilac 381426

J.S. Bach Orchestral Suites. Il Fondamento o.l.v. Paul Dombrecht. Fuga Libera FUG 580

J.S. Bach Motetten. Vocalconsort Berlin o.l.v. Marcus Creed. Harmonia Mundi HMC 902079

J.S. Bach Cantates and Arias. Elizabeth Watts, The English Concert o.l.v. Harry Bicket. Harmonia Mundi HMU 807550

J.L. Bach Trauermusik. RIAS Kammerchor, Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. Hans-Christoph Rademann. Harmonia Mundi HMC 902080

C.Ph.E. Bach Solo Keyboard Music vol.22. Miklós Spányi. BIS CD-1762

C.Ph.E. Bach Sei concerti per il cembalo concertato. Andreas Staier, Freiburger Barockorchester o.l.v. Petra Müllejans. Harmonia Mundi HMC 902083.84

G. Allegri Miserere & the Music of Rome. The Cardinall’s Musick o.l.v. Andrew Carwood. Hyperion CDA 67860

A. Soler Selected sonatas for harp. Godelieve Schrama. MDG 9031627-6

G. Frescobaldi Ricercari. Liuwe Tamminga. Passacaille 1615

J.J. Froberger Capriccio. Bob van Asperen. Aeolus AE 10701

H. Schütz Matthäus-Passion. Ars Nova Copen­hagen o.l.v. Paul Hillier. Da Capo 8.226094

J. Dowland Lute Songs. Damien Guillon, Eric Bellocq. ZigZag Territoires ZZT 110102

H. Schütz Italienische Madrigale. Dresdner Kammerchor o.l.v. Hans-Christoph Rademann. Carus 83.237

D. Scarlatti Sonatas. Alexandre Tharaud. Virgin Classics 5099964201603

A. Scarlatti Lamentazioni per la Semana Santa. Ensemble Aurora o.l.v. Enrico Gatti. Glossa GCD 921205

F. Ries Complete Flute Quartets. Oxalys. Fuga Libera FUG 576

G.P. da Palestrina Sacred Madrigals. Ensemble Officium o.l.v. Wilfried Rombach. Christophorus CHR 77334

P. Maldere Sinfonie. Academy of Ancient Music o.l.v. Filip Bral. Etcetera KTC 4036

J.F. Meister Il giardino del piacere; Sonatas. Musica Antiqua Köln o.l..v Reinhard Goebel. Berlin Classics 1674

H. Schütz Geistliche Chor-Music 1648. Dresdner Kammerchor, Cappella Sagittariana Dresden o.l.v. Hans-Christoph Rademann. Carus 83.232

C. Caresana Tenebrae. I Barocchisti o.l.v. Diego Fasolis. Glossa GCD 922602

A. Campra Requiem. Les Pages & Les Chantres du CMBV o.l.v. Olivier Schneebeli. K617 224

D. Buxtehude The Complete Organ Works vol.3. Christopher Herrick. Hyperion CDA 67855

D. Buxtehude Opera Omnia XIII, chamber music vol.2. Leden van het Amsterdam Baroque Orchestra, Ton Koopman. Challenge CC 72252

G.A. Brescianello Concerti, Sinfonie, Ouverture. La Cetra Barockorchester Basel o.l.v. David Plantier & Václav Luks. Glossa GCD 922506

H.I.F. Biber Vesperae longiores ac breviores. Yale Schola Cantorum, Yale Collegium Players o.l.v. Simon Carrington. Carus 83.348

L. van Beethoven Piano Sonatas op.109, 110, 111. Alexei Lubimov. ZigZag Territoires ZZT 110103

DISCOGRAFIE / CURSUSSEN / FESTIVALS / MINI-ADVERTENTIES

Pilgrimage to Santiago Vocal music to St James. Schola Bamberg o.l.v. Werner Pees. Christophorus CHR 77347

Piano e forte Music at the Medici Court on Cristofori’s early Pianoforte (c.1730). Maria Cristina Kiehr, Edoardo Torbianelli e.a. Glossa GCD 922504

Orpheus in England Dowland & Purcell. Emma Kirkby, Jakob Lindberg. BIS CD-1725

W.A. Mozart, L. van Beethoven Sonates pour pianoforte & violon. Rémy Cardinale, Hélène Schmitt. Alpha 177

Misstress Elizabeth Davenant, Her Songes Luitliederen. Rebecca Ockenden, Sofie Vanden Eynde. Ramée RAM 1101

Marian Office Historia de Compassione Mariae, Hamburg 15th century. Amarcord. CPO 777604-2

J. Kuhnau, V. Albrici Cantatas and Arias for Soprano. Concerto Con Voce o.l.v. Jan Katzschke. CPO 777531-2

Ich stuend an einem Morgen German songs for tenor of the 16th century. Marcel Beekman, Brisk Recorder Quartet Amsterdam. Globe GLO 5242

De Profundis J.S. Bach, C. Graupner: cantates. Il Gardellino o.l.v. Marcel Ponseele. Passacaille 969

Dartington Summer School www.dartington.org/summer-school onderwerp: Zang, barokorkest, barokopera datum: 23 juli – 27 augustus plaats: Dartington (GB) bijzonderheden: cursussen van 1 of 2 weken, zie website

Aventure zomerschool www.aventure-ensemble.nl onderwerp: Muziek uit de Basel Songbooks van Bonifacius Amerbach (1510) datum: 11 t/m 15 juli 2011 plaats: Egmond docenten: Christopher Kale, Marco ­Magalhães en Ita Hijmans

Amherst Early Music www.amherstearlymusic.org onderwerp: Music of Italy and Spain datum: 10-17 en 17-24 juli plaats: New london, Connecticut (VS) docenten: Flanders Recorder Quartett, Sarah Cunningham, Julianne Baird, Douglas Kirk, Nigel North, Valerie Horst, bijzondere projecten: Alessandro Scarlatti’s La Principessa Fedele (1710)

Séminaire International de musique ancienne en Wallonie www.metamusique.com onderwerp: Masterclasses, vocale polyfonie, kamermuziek datum: 4-9 juli plaats: Namen (B) docent: Greta de Reyghere, Claire Lefilliâtre, Nicolas Achten, Kate Clark, Frédérick Haas, James Munro, Philipps Bolton e.a. extra: concerten

CURSUSSEN


M. Lambert D’un feu secret..., airs de cour. Musica Favola o.l.v. Stephan van Dyck. Accent ACC 24234

J.S. Bach Johannes-Passion. Cappella Amsterdam, Orkest van de Achttiende Eeuw o.l.v. Frans Brüggen. Glossa GCD 921113

75

Clemens non Papa Requiem, penitential Psalms. The Brabant Ensemble o.l.v. Stephen Rice. Hyperion CDA 67848

C.-B. Balbastre Pièces de clavecin (1759). Sophie Yates. Chandos CHAN 0777

W.F. Bach Complete Organ Works. Friedhelm Flamme. CPO 777527-2

J.S. Bach Johannes-Passion. Solisten, the Monteverdi Choir, The English Baroque Soloists o.l.v. Sir John Eliot Gardiner. Soli Deo Gloria SDG 712

F. Liszt Voll Freud und Leid, ausgewählte Lieder. Hans Jörg Mammel, Hilko Dumno. Carus 83.446

J.S. Bach Passio secundum Johannem. Ricercar Consort o.l.v. Philippe Pierlot. Mirare Mir 136

M. Maier Atalanta Fugiens. Music, Alchemy ans Rosicrucianism in the early 17th Century. Ensemble Plus Ultra o.l.v. Michael Noone. Glossa GCD P31407

W.A. Mozart Complete Fortepiano Concertos. Viviana Sofronitsky, Musica Antiqua Collegium Varsoviense o.l.v. Tadeusz Karolak. Etcetera KTC 1424

H. de Mont Pour les Dames réligieuses. Choeur de Chambre de Namur, Les Solistes o.l.v. Bruno Boterf. Ricercar RIC 305

J.-B. Lully Bellérophon. Solisten, Choeur de Chambre de Namur, Les Talens Lyriques o.lv. Christophe Rousset. Aparté AP 015

J. Haydn The Complete Early Divertimenti. Simon Standage, Haydn Sinfonietta Wien o.l.v. Manfred Huss. BIS CD-1806/08

J.S. Bach Violin Concertos BWV 1043, 1052, 1056. Solistenensemble Kaleidoscop, Elfa Rún Kristinsdóttir. ARS 38079

G.F. Händel Alessandro Severo. Armonia Atenae o.l.v. George Petrou. MDG 6091674-2

G.F. Händel Jephtha. Stavanger Symphonia Orchestra, Collegium Vocale Gent o.l.v. Fabio Biondi. BIS CD-1864

J.S. Bach Cantates BWV 131, 182. L’Arpa Festante. Oehms 783

J.S. Bach Die Kunst der Fuge. Fabio Bonizzoni, Mariko Uchimura. Glossa GCD P31510

G.W. Gruber Concerti per fortepiano. Arthur Schoon­ derwoerd, fortepiano, Ensemble Cristofori. Panclassics 10231

J.S. Bach Warum betrübst du dich. La Petite Bande o.l.v. Sigiswald Kuijken. Accent ACC 25313

Crux Parisian Easter music from the 13th and 14th centuries. Ensemble Peregrina o.l.v. Agnieszka Budzinska-Bennett Glossa GCD 922505

Cançons de la Caltalunya mil.lenària Montserrat Figueras, La Capella Reial de Catalunya o.l.v. Jordi Savall. AliaVox AVSA 9881

A Worcester Ladymass Trio Medieval. ECM New Series 2166

VERZAMEL

J.D. Zelenka Officium defunctorum. Collegium 1704 o.l.v. Václav Luks. Accent ACC 24244

S.L. Weiss The Dresden Manuscript. Robert Barto & Karl-Ernst Schröder, luit, Gaetano Nasillo, cello. Pan Classics PC 10238

S.L. Weiss Evangelina Mascardi, luit. ORF CD 3121

A. Vivaldi Vespro a San Marco. Choeur de Cham­bre de Namur, Les Agrémens o.l.v. Leonar­do García Alarcón. Ambronay AMY 029

T.L. de Victoria Hail, Mother of the Redeemer. The Sixteen o.l.v. Harry Christophers. Coro COR 16088

G.Ph. Telemann Kapitänsmusik 1738 TWV 15:11. Rheinische Kantorei, Das Kleine Konzert o.l.v. Hermann Max. CPO 77386-2

A. Striggio Missa Ecco si beata Giorno e.a. I Fagiolini, Fretwork e.a. o.l.v. Rolbert Hollingworth. Decca 4782734-00289

C. Monteverdi L’Orfeo. Orchestra of Teatro della Scala, Concerto Italiano o.l.v. Rinaldo Alessandrini; regie Robert Wilson. Opus Arte OA 1044 D

G.F. Händel Belshazzar. Akademie für Alte Musik o.l.v. René Jacobs. Harmonia Mundi HMD 9909028.29

DVD’S

Virgo prudentissima Les Traversees Baroques o.l.v. Etienne Meyer. K617 617-226

The Art of the Cigar Songs, Ballads and Hymns in Honour of the Cigar. Huelgas Ensemble o.l.v. Paul Van Nevel. DHM 88697771422

Tenebrae Caresana, Veneziano. I Turchini o.l.v. Antonio Florio. Glossa GCD 922602

G.Ph. Telemann and the Leipzig opera United Continuo Ensemble, Jan Kobow. Pan Classics PC 10237

Rose of Sharon 100 Years of American Music 1770-1870. Ensemble Phoenix Munich o.l.v. Joel Frederiksen. Harmonia Mundi HMC 902085

Huismuziek www.huismuziek.nl onderwerp: Barokmuziek voor vrouwenkoor en orkest datum: 22-26 augustus plaats: De Glind, Barneveld docenten: Christine Brandenburg, Marjolein Berkvens onderwerp: Barokke versieringen op de cello datum: 8 oktober en 12 november plaats: Parnassos, Utrecht docenten: Elske Tinbergen

26. Musica Antica a Magnano www.musicaanticamagnano.com onderwerp: Instrumentale cursussen datum: 11-19 augustus plaats: Magnano (I) docenten: Bernard Brauchli, George Kiss, Eva Kiss, Luca Scandali, Anastase Démétriadès, Blaise Vatré e.a. tevens concerten symposium klavichord datum: 6-10 september

Accademia Amsterdam www.amstelimpresariaat.nl onderwerp: The Italian-French Connection datum: 1-5 augustus plaats: Perugia (I) docent: Susanne Braumann, Rachel Yates, Niek Idema, Onno Verschoor, Henriëtte Bakker e.a.

Cambrigde Early Music Summer Schools www.cambridgeearlymusic.org onderwerp: Barokmuziek datum: 31 juli - 7 augustus plaats: Cambridge (GB) docenten: Peter Holman, Judy Tarling, Mark Caudle, Gail Hennessy, Philip Torby onderwerp: Renaissance-muziek datum: 7-13 augustus plaats: Cambridge (GB) docenten: Philip Thorby, David Hatcher, Jacob Heringman, Emma Murphy, William Lyons

DISCOGRAFIE / CURSUSSEN / FESTIVALS / MINI-ADVERTENTIES


76

Lufthansa Festival of Baroque Music www.lufthansafestival.org.uk onderwerp: Hanseatic to Adriatic datum: 13-21 mei plaats: Londen uitvoerenden: Collegium Vocale Gent, Laurence Dreyfus, Enrico Gatti, The English Concert, Gustav Leonhardt, Robin Blaze, Cantus Cölln, Ensemble Inégale, Ensemble Caprice, Hille Perl, Lee Santana, Sonatori de la Gioiosa Marca e.a.

FESTIVALS

Musica www.musica.be onderwerp: Polyphonic Portugal datum: 22-28 augustus plaats: Antwerpen (B) docenten: Cappella Pratensis onderwerp: Masterclass Érard 1876 datum: 26 november plaats: Antwerpen (B) docente: Claire Chevallier onderwerp: Hendrik van Veldeke datum: 16-17 dec, 27-29 jan 2012, 17-19 feb 2012 plaats: Alden Biesen (B) docenten: Marc Lewon, Benjamin Bagby

Lacock Summer Schools www.lacock.org onderwerp: Music in Avila - Victoria datum: 22-27 augustus plaats: Ávila (S) docent: Carlos Aransay

onderwerp: Blokfluitensemble-weekend datum: 8-9 oktober plaats: De Glind, Barneveld docenten: Sascha Mommeertz, Suzanne van der Helm onderwerp: Tous les matins du monde: Franse barokmuziek (instrumentalisten) datum: 9-11 december plaats: De Glind, Barneveld docenten: Trio da Fusignano: Sascha Mommertz, Marijn Slappendel, Diederik van Dijk

Stockholm Early Music Festival www.semf.se onderwerp: Concerten datum: 2-6 juni plaats: Stockholm (SE) uitvoerenden: Phantasm, Rolf Lislevand, Arianna Savall, Ensemble Kapsberger, Sequentia, Alla Francesca, I Fagioloni, Akademie für Alte Musik Berlin, e.a.

Drottningholm Operafestival www.dtm.se onderwerp: Mozart: Così fan tutte, Don Giovanni, Les Petits Riens/ Don Juan (Gluck) datum: 29 mei - 14 augustus plaats: Stockholm (Z) uitvoerenden: Drottningholms Slottsteater, Compagnie l’Eventail, Stockholm Baroque Dancers

Vijfde Reincken Festival www.reinckenfestival.nl onderwerp: Hanze en Bourgondië 1300-1500 datum: 27 en 28 mei plaats: Deventer uitvoerenden: Coppella Pratensus, La Folamusica, Red Rose Four e.a.

Stichting Hoorn – Oude Muziek Nu www.oudemuzieknu.nl onderwerp: Oude muziek leeft! datum: 27-29 mei plaats: Hoorn uitvoerenden: Camerata Trajectina, Ensemble Trigon, Arezzo Ensemble, Hollands Vocaal Ensemble Alkmaar e.a.

The Beverley and East Riding Early Music Festival www.ncem.co.uk onderwerp: Concerten oude muziek datum: 26-29 mei plaats: East Riding (GB) uitvoerenden: The Tallis Scholars, The Academy of Ancient Music, Pamela Thorby, Jacob Heringman, Faye Newton, The Burning Bush e.a.

25. Arolser Barock-Festspiele www.arolser-barockfestspiele.de onderwerp: Ein europäisches Fest datum: 21-26 juni

Stour Music www.stourmusic.org.uk onderwerp: Concerten datum: 17-26 juni plaats: Ashford (GB) uitvoerenden: The Cardinall’s Musick, The Tallis Scholars, I Fagiolini, The London Handel Players, La Serenissima e.a.

Musikfestspiele Potsdam Sanssouci www.musikfestspiele-potsdam.de onderwerp: Mit Pauken und Trompeten: Dresdner Barock datum: 11-26 juni plaats: Potsdam (D) uitvoerenden: Lautten Compagney Berlin, Ensemble L’Aura Soave Cremona, Kaleidoscop, Cantus Cölln, Concerto Palatino, The Wallfisch Band, Ricercar Consort e.a.

Tage Alter Musik Regensburg www.tagealtermusik-regensburg.de onderwerp: Muziek van Middeleeuwen tot Romantiek datum: 10-13 juni plaats: Regensburg (D) uitvoerenden: Dialogos, The Brabant Ensemble, Concerto Köln, Stile Antico, Ensemble Lucidarium, Mezzaluna, Artemandoline, La Venexiana e.a.

Händel-Festspiele www.haendelhaus.de onderwerp: Muziek van Händel en tijdgenoten datum: 2-12 juni plaats: Halle(D) uitvoerenden: La Venexiana, Accordone, La Stagione Frankfurt, Vivica Genaux, Concerto Köln, Roberta Invernizzi, Café Zimmermann, I Fagioloni; Ottone geënsceneeerd o.l.v. Marcus Creed, Rinaldo door marionettentheater met Lautten Compagney, Orlando geënsceneerd

35. Innsbrucker Festwochen der Alten Musik www.altemusik.at onderwerp: Concerten, geënsceneerde producties datum: 4-28 augustus plaats: Innsbruck (A) opera: Hasses Romolo ed Ersilia / Café ­Zimmermann; Telemanns Pimpinone /P ­ rivate Musicke; Cavalli’s La Calisto / B’Rock; Telemanns Flavius Bertaridus / Academia Montis Regalis e.a.

York Early Music Festival www.ncem.co.uk onderwerp: Musica Britannica datum: 8-16 juli plaats: York (GB) uitvoerenden: The Gabrieli Consort, The English Concert, Ian Bostridge, The Sixteen e.a.; Purcells King Arthur door The Yorkshire Baroque Soloists

Beaune Festival International d’Opéra Baroque www.festivalbeaune.com onderwerp: Concertante opera’s en recitals datum: 1-24 juli plaats: Beaune (FR) opera: Rameaus Dardanus / Pygmalion; Vivaldi’s Orlando Furioso / Ensemble Mattheus; Porpora’s Semiramide riconosciuta / Accademia Bizantina; Mozarts Idomeneo/ Le Cercle de l‘Harmonie; Vivaldi’s Juditha Triumphans / Modo Antiquo; Mozarts Così fan tutte / Les Musiciens du Louvre

Dag Oude Muziek www.basilica.be onderwerp: Het land van Luik datum: 26 juni plaats: Alden Biesen (B) uitvoerenden: Ensemble Sequentia, Qvinta Essençia, Capella de la Torre, le Jardin Secret e.a.

plaats: Bad Arolsen (D) uitvoerenden: La Risonanza, Jaap ter Linden, Capella de la Torre, Brecon Baroque, Bad Arolsen Compagnie, Dorothée Oberlinger e.a.

Basgamba, Nic. Bertrand, 7-snarig, omgesnaard naar 6 snaren, mensuur 64.5, zoekt nieuwe eigenaar. Vraagprijs € 4.000 taxatierapport aanwezig. Met G. Landwehrstrijkstok v. € 1.000. L. Poortman, liletpoort@gmail.com; 06-48230835.

MINI-ADVERTENTIE

30ste Holland Festival Oude Muziek Utrecht www.oudemuziek.nl onderwerp: Roma – città eterna datum: 26 augustus – 4 september plaats: Utrecht uitvoerenden: Rosas, Graindelavoix, Huelgas Ensemble, The Sixteen, Concerto Copenhagen, I Barocchisti, La Fenice, Monica Huggett, Hopkinson Smith, Raquel Andueza, Marco Beasley, The Brabant Ensemble, Capilla Flamenca, B’Rock e.v.a. onderwerp: Oude Muziek Markt datum: 2-4 september plaats: Utrecht, Museum Speelklok onderwerp: Beiaardfestival Oude Muziek datum: 27 augustus – 4 september plaats: Binnenstad

Laus Polyphoniae Festival van Vlaanderen-Antwerpen www.festival-van-vlaanderen.be onderwerp: Sons Portugueses datum: 20-28 augustus plaats: Antwerpen (B) uitvoerenden: Capilla Flamenca, La Colombi­na, Officium, Andrew Lawrecne-King, Ensemble Daedalus, Huelgas Ensemble, Ludovice Ensemble, La Hispanoflamenca e.a.

MAFestival www.MAFestival.be onderwerp: Testament - lofzang op het leven en de dood datum: 5-13 augustus plaats: Brugge en Lissewege uitvoerenden: Academia Montis Regalis, Stiel Antico, Compagnie Bischoff, Pygmalion, Schuppanzigh Quartett, Les Muffatti, Bl!ndman, Ars Antiqua Austria

DISCOGRAFIE / CURSUSSEN / FESTIVALS / MINI-ADVERTENTIES


festival

testament —lofzang op het leven en de dood

FESTIVAL VAN VLAANDEREN BRUGGE

BRUGGE & LISSEWEGE 5—13 AUG. 2011

met oa.

STILE ANTICO, ARS ANTIQUA AUSTRIA, CHRISTOPHE ROUSSET, PIET KUIJKEN, ROEL DIELTIENS, ACADEMIA MONTIS REGALIS & BL!NDMAN

www.mafestival.be

Met steun van de Vlaamse Overheid DOET GRENZEN VERVAGEN

EUROPESE UNIE EUROPEES FONDS VOOR REGIONALE ONTWIKKELING

77


vrienden oudemuziek

CD-AANBIEDINGEN J.D. Zelenka: Officium defunctorum, Requiem Collegium 1704, Collegium ­Vocale 1704 / Václav Luks Accent 24244 (2 cd’s) Normale prijs ca. € 34,50 Voor Vrienden € 26,50

Zelenka schreef twee grote werken voor de uitvaartdienst van August II de Sterke in Dresden: een aangrijpend ­Officium defunctorum en een Requiem vol schallende trompetten en hoorns, met ook nog eens omfloerste klanken van dubbele fagotpartijen, sombere fluiten en een chalumeau. Václav Luks verricht wonderen met zijn ensemble, waarin met name Markéta Cukrová, Hana Blaziková en de jonge Franse tenor Sébastian Monti schitteren. Dit zijn ongetwijfeld Zelenka’s mooiste werken.

Virgo prudentissima Les Traversées Baroques / Etienne Meyer K617 226 Normale prijs ca. € 22,00 Voor Vrienden € 17,00

Groot bezette kerkmuziek in de beste Venetiaanse traditie, zo moet het hebben geklonken aan het Poolse hof. Maar naast de Italiaanse musici waren er ook autochtonen actief, waaronder Marcin Mielczewski. Zijn motetten zijn in de uitvoering van het Frans-Poolse ensemble Les Traversées Baroques een revelatie. De vele vocale en instrumentale partijen (tot vierkorig!) worden uitmuntend ingevuld. Dit nieuwe ensemble is dan ook bezet met musici die ruime ervaring paren aan grote muzikaliteit. Vooral de Poolse strijkers zijn geweldig!

78

M. Lambert: D’un feu secret..., airs de cour Musica Favola / Stephan van Dyck Accent ACC 24234 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Tenor Stephan van Dyck brengt Lamberts airs de cour als klinkende poëzie. Zijn warme, bescheiden aanpak biedt precies de ruimte die de gevoelige, complexe gedichten nodig hebben. In de herhalingen schudt hij vervolgens moeiteloos Lamberts originele versieringen uit z’n mouw. Hits als ‘Vos mépris chaque jour’ en ‘Ombre de mon amant’ worden op luit begeleid door Benjamin Perrot, daarnaast klinkt ensemblemuziek van Lamberts schoonzoon Lully. Een adembenemend mooie en gepassioneerde cd.

A. Vivaldi: Vespro a San Marco Choeur de Chambre de Namur, Les Agrémens / L. García Alarcón Ambronay AMY 029 Normale prijs ca. € 23,50 Voor Vrienden € 18,50

Bijzonder: Leonardo García Alarcón modelleerde met het Choeur de Chambre de Namur muziek van Vivaldi naar het beroemdste werk van diens voorganger, ambt- en stadgenoot Claudio Monteverdi. Naar het voorbeeld van de Mariavespers zette Alarcón een aantal gevarieerde psalmen bij elkaar zoals die hadden kunnen klinken in de San Marco. Een verrassend pleidooi voor een spirituele Vivaldi, formidabel gezongen door onder anderen sopraan Mariana Flores, deze zomer ook te horen in het Festival Oude Muziek.

GRATIS THUISBEZORGD ZOLANG DE VOORRAAD STREKT. TE BESTELLEN VIA DE SPECIALE BESTELBON.


vrienden oudemuziek

CD-AANBIEDINGEN A. Campra: Messe de Requiem Solisten, Les Pages et les Chantres du CMBV, Orch. des Musiques Anciennes et à Venir / Olivier Schneebeli K617 224 Normale prijs ca. € 22,00 Voor Vrienden € 17,00

C.-B.Balbastre: Pièces de clavecin (1759) Sophie Yates, klavecimbel Chandos CHAN 0777 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

Balbastre was de belangrijkste componist uit de laatste bloeiperiode van de Franse klavecimbelmuziek. Zijn karakterstukken, opgedragen aan bekende dames van de Parijse adel, ademen deels de sfeer van het Rococo en grijpen deels terug op de meer traditionele stijl van voorgangers als François Couperin. Sopie Yates is een geweldig klaveciniste die de uiterst geraffineerde versieringskunst en het subtiel toucher volkomen beheerst. Het Goujonklavecimbel met peau de buffle-register, sonore bassen en boventoonrijke diskant is van Andrew Garlick.

De leerlingen van het CMBV maakten in het vorige Festival al grote indruk. Nu presenteren ze Campra’s Requiem onder leiding van hun maître Olivier Schneebeli. Hij kiest voor felle contrasten: luxueus uitgesponnen solo’s voor Robert Getchell, Jean-François Novelli en Marc Labonnette worden afgewisseld met werkelijk gracieux en léger koordelen. Bonus op deze cd: het grand motet ‘In convertendo’, dat met zijn vele dissonanten wel een geheimtip mag heten. Frans barokrepertoire op z’n best.

Piano e forte. Music at the Medici court on Cristofori’s early pianoforte Maria Cristina Kiehr e.a. Glossa GCD 922504 Normale prijs ca. € 22,50 Voor Vrienden € 17,50

J.S. Bach: Motets Vocalconsort Berlin / Marcus Creed Harmonia Mundi HMC 902079 Normale prijs ca. € 21,50 Voor Vrienden € 16,50

Elke inzet is glashelder in deze opname van Bachs onvergelijkelijke motetten, en dat is een geweldige verdienste van Marcus Creed en het Vocalconsort Berlin. De sopranen zingen weliswaar steeds met één vrouw meer, maar op geen enkel moment overstemmen ze de anderen. Ook de flexibele dynamiek van de groep maakt dat deze cd in ijltempo andere opnames van de zes motetten (plus ‘Ich lasse dich nicht’) voorbijstreeft. Een groot compliment dus voor deze jonge zangers!

Cristofori bouwde rond 1697 zijn revolutionaire ‘cembalo con piano e forte’, een klavier met hamermechaniek en dynamiek. Edoardo Torbianelli vertolkt vroege solowerken van A. Scarlatti, A. Marcello, Barsanti en anderen met veel expressie op een kopie van Denzil Wraight. Daarnaast speelt hij continuo in vocale werken van Scarlatti en sonates van onder anderen Bitti en Veracini. Een uitstekend ensemble rond sopraan Maria Cristina Kiehr laat zich op deze originele cd van zijn beste kant zien.

GRATIS THUISBEZORGD ZOLANG DE VOORRAAD STREKT. TE BESTELLEN VIA DE SPECIALE BESTELBON.

79


Tijdschrift Oude Muziek

aan deze uitgave werkten verder mee:

ISSN 0920-6649

Dominike Van Besien, Marco Borggreve, Jan Van den Bossche,

jaargang 26 / nr. 2 - mei 2011

Matthijs Boswijk, Henk Dekker, ­Peter de Groot, Agnes van der

verschijnt 4x per jaar

Horst, Paul ­Janssen,

uitgave en productie:

advertentietarieven:

Stichting Organisatie Oude Muziek Utrecht

op aanvraag 030 23 29 000 en op www.oudemuziek.nl

bureau-adres:

mini-advertenties:

Mariaplaats 23

voor particulieren, € 15 per 4 regels,

3511 LK Utrecht

140 lettertekens, bewijsexemplaar € 5

t: 030 23 29 000 f: 030 23 29 001

opgave voor service-rubrieken:

info@oudemuziek.nl www.oudemuziek.nl

Cursussen en festivals op het gebied van de oude muziek

correspondentieadres:

worden kosteloos aangekondigd indien de gegevens tijdig en

Postbus 19267

compleet worden aangeleverd. Onvolledige opgaven worden

3501 DG Utrecht

niet geplaatst.

vormgeving:

deadlines:

Studio rUZ / Went&Navarro

periode 15 februari - 15 mei: 2 januari periode 15 mei - 15 augustus: 1 april

opmaak:

periode 15 augustus - 15 november: 1 juni periode 15 november - 15 februari: 1 oktober

Hilde Wolters drukwerk en bindwerk:

donateur worden:

Marcomprint

Voor een bijdrage van € 40, € 80, € 160 of € 1000 aan de Stichting ­Vrien­den­Oude Muziek (zie voor de bijbehorende

op de cover:

voordelen www.oudemuziek.nl) ontvangt u 4x per jaar het Tijd­schrift Oude Muziek met alle gegevens over het Festival en

foto: Marco Borggreve

onze concerten. Tevens krijgt u dan de Vriendenpas, waarmee u in aanmerking komt voor diverse kortingen.

redactie:

Voor informatie: 030 23 29 000

Jolande van der Klis (hoofd- en eindredactie)

Voor mensen met een leeshandicap is dit Tijdschrift ook op cd

Marcel Bijlo

verkrijgbaar. Inlichtingen: Dedicon, Postbus 24, 5360 AA Grave,

Albert Edelman

0486 486 486.

COLOFON

Xavier Vandamme Het volgende nummer verschijnt medio augustus 2011

80


In de Haagse regio hoort u wat er nieuw is ! 30 concerten in Den Haag en Voorschoten met grote namen en jong talent... European Union Baroque Orchestra / Alexis Kossenko Cordevento / Erik Bosgraaf Musica Poetica / Jörn Boysen Musica ad Rhenum / Jed Wentz Contrasto Armonico / Marco Vitale Collegium Musicum Den Haag / Claudio Ribeiro Emma Kirkby / London Baroque Capriola di Goia / Amaryllis Dieltjens en vele anderen...

...met speciale aandacht voor: Nederland van Huygens tot Fodor Bach & Zonen Muziek uit Dresden, Venetië en Londen Alternatieve passies Voor info en seizoensbrochure: www.musantica.nl

Musica Antica da Camera het jonge podium voor oude muziek

         


Een ongehoorde schat

ConCerttournee 2011

Concerten van 20 t/m 29 mei in de mooiste kerken van ons land. Van Groningen tot Vlissingen! Bestel uw toegangskaarten op:

www.leidsekoorBoeken.nl foto: © www.mariececilethijs.com

Bestel ook

• Dubbel-cd’s De Leidse Koorboeken vol. 1 en 2 • Boek De Leidse Koorboeken - Een ongehoorde schat • DVD ‘The making of...” een spannende ontdekkingsreis!

mediapartner


TOM 2/2011