Issuu on Google+

De vergadering.

1


De bel. Ik ren naar beneden. Het kantoor is verlaten en donker. Als ik de deur open trek, zie ik in het lantaarnlicht een oude man. Hij staat zwak op zijn benen, zijn hoofd houdt hij gebogen, hij kijkt twijfelend omhoog, naar mij. “U komt voor de vergadering?” De oude man zegt niets, hij schudt voortdurend met zijn hoofd, het beeft, ik weet niet of hij “ja” of “nee” schudt. Ik laat hem binnen, mompel “te vroeg”, “binnen een kwartier” en “even wachten”. Ik laat hem staan in de gang en wil naar boven rennen, naar mijn kantoor, naar de rust. De bel. De broodjes zijn er, godzijdank, net op tijd. De bel. 2


Drie mannen die voor de vergadering komen. Ik knip de lichten in de vergaderzaal aan. De grote tafel staat gedekt voor zestien deelnemers. De eersten nemen plaats en storten zich meteen op de broodjes. Ik voorzie hen van drinken en een bordje waar ze hun broodkruimels op kunnen laten vallen. De bel. De bel. De bel. Met een open fles wijn in de hand trek ik de zware deur weer open. Twee vrouwen, ze kijken ernstig, knikken haastig en verdwijnen zonder iets te zeggen in de vergaderzaal. In de keuken hou ik een minuut lang de rand van tafel vast. Met handen vol schalen voeg ik mij wat later bij de gasten. Als ik mij neerzet en de bediening voor de rest van de avond aan henzelf overlaat, valt het mij voor het eerst op. De spanning. Ik kan het haast ruiken. De enkele vrouwen zitten samen aan een hoek van de lange tafel op fluistertoon te keuvelen, ik hoor niet wat zij zeggen. De mannen hebben elk hun papieren opengeslagen, zij kijken strak voor zich uit. “Nu gaat het gebeuren,” lijken zij te denken. Wat gaat er gebeuren? De bel, gelukkig, ik haast mij de zaal uit. Een klein mannetje stapt voorzichtig in het licht van de gang, hij houdt een fietshelm tegen zijn borst geklemd. Hij stelt zich voor, stil en nerveus, ik hoor niet wat hij zegt, maar vraag niet nog eens naar zijn naam en wijs hem de weg naar de vergaderzaal. Als ik mij neerzet naast mijn bazin, die alles in goede banen moet leiden, zie ik alle ogen naar de nieuwkomer kijken. Het zijn geen blikken die een blij weerzien uitdrukken. Ik tel de hoofden, veertien, niet voltallig, maar de bazin zegt luid “Wel 3


dan” en we kunnen beginnen. Ik sla mijn schrift open. Ik weet niet waar de vergadering over zal gaan en wie al deze mensen zijn, maar ik hoop het een en het ander gaandeweg af te kunnen leiden uit de woorden die zullen vallen. Onnodig voor iedereen behalve mij, vat de bazin kort samen waarom wij hier allemaal rond de tafel zitten. Het doel is het redden van de zaak. Het is een zaak waar de ene partij - alle gasten min één - achter staat, een zaak die bedreigd wordt door een initiatief van de andere partij, bestaande uit de nerveuze man met de fietshelm. Zoveel begrijp ik al. De lijnen zijn getrokken en de ogen gericht op de ene man, die ik nu bestempel als de aanvallende partij en die ik later de vijand zal noemen.

Na deze korte inleiding geeft de bazin het woord aan de vijandige partij zodat hij zijn standpunt kan bepleiten. Het wordt stil, de spanning weegt. Hij zoekt iets op zijn laptop, iedereen wacht, hij neemt zijn tijd. Is dit een psychologisch spelletje? Ik weet het niet, maar wacht net als de anderen machteloos tot hij eindelijk zijn keel schraapt en “goedenavond” zegt. Hij steekt van wal. Zijn uiteenzetting duurt twintig minuten. Hij gebruikt een archaïsch taaltje dat enkel begrepen kan worden door mensen die deze taal dagelijks en beroepsmatig benutten. Als ik na enkele tellen de draad kwijt ben, besluit ik mij te focussen op de stilzwijgende reacties rond de tafel. Ik zie strenge gezichten, nerveuze gezichten, onzekere gezichten en woede ophopende gezichten, later hangende gezichten, hoofdschuddende en gefronste gezichten. Een enkeling, die recht tegenover de vijand zit, maakt woeste notities in zijn schrift met lederen kaft. Ik bestudeer deze man. Hij lijkt mij de eerste van de 4


aangevallen partij die een tegenoffensief zal inzetten. Hij straalt strijd uit. Een man van pensioengerechtigde leeftijd, maar immer een strijder. Hemd strak om zijn omvangrijk gespierde borstkas gespannen, enkele knopjes open zodat het zilveren borsthaar eruit kruipt, kale knikker, viriele diepe blik en twee dikke zwarte rupsen boven zijn felblauwe ogen. Hier zit een man van de oude stempel, een cowboy zelfs, iemand die niet met zich laat sollen, en die, als hij zijn kans ziet, het lijk van de vijand zal gebruiken om er de bergwand mee af te sleeën. Het enige wat ik kan opmaken uit de uiteenzetting van de vijand is een ondertoon die niet veel goeds belooft. Als hij in zijn kronkelende taaltje uitdrukking geeft aan zijn twijfels over de kwalitatieve output van de aangevallen partij, hoor ik achterin de zaal een potlood kraken. Niemand kijkt om, de ogen blijven strak op de aanvaller gericht. Ik hou mijn balpen in de aanslag, klaar om de situatie te beschrijven zodra ik ze begrijp. Maar het moment laat op zich wachten. De woorden hoor ik wel, maar waarom zij samen in één zin staan, is mij een raadsel. “De performantie en het draagvlak van de artikels ontberen de nodige academische draagkracht om door het juridische veld aux seriéux genomen te worden.” Ik noteer klanken. De vijand heeft gesproken. Ik verwacht een onmiddellijke tegenaanval. De oude cowboy legt zijn ellebogen op de tafel en wrijft aan zijn kin, hij neemt een afwachtende houding aan. Ik zie veel gekruiste armen. De vrouwen fluisteren in elkaars oren. Een man voor mij gaat half over de tafel hangen om de fles rode wijn te grijpen. Hij schenkt zichzelf en zijn buurman, die overdreven diep in een broodje bijt, een royaal glas vol. Die man voor mij, heeft ook keurige notities bijgehouden 5


tijdens de uiteenzetting van de vijand, van hem verwacht ik eveneens iets van weerwerk. Ik noem hem 'de politieker', omdat hij een bondige boodschap hult in onnoemelijk veel woorden. De politieker, de oude cowboy en de vijand zullen de voornaamste actoren worden in de verbale strijd, zo vermoed ik. Eerdere vergaderingen hebben mij geleerd dat je zoveel mensen rond een tafel mag zetten als je maar wil, meer dan een handvol stemmen zal je niet horen. Doorgaans heb je twee à drie luidmonden die het hele laken naar zich toe trekken, de rest zit, knikt ja of schudt nee, schrijft iets op maar spreekt niets uit, maakt tekeningen of trekt strepen op papier, drinkt en eet broodjes of staart naar het niets tot de vergadering is afgelopen. “Maar...” Met z'n allen draaien wij de hoofden naar het verste uiteinde van de lange vergadertafel. De door iedereen vergeten oude man zat daar het voorbije half uur met zijn potlood strepen te trekken op zijn kaft, om deze vervolgens traag weer weg te gommen en het gomsel van de kaft te blazen. Zijn plotse en luide “Maar...” sloeg mij niet enkel met verstomming, zijn “Maar...” maakte mij ook meteen duidelijk dat deze oude man een groot aanzien geniet bij iedereen hier aan deze tafel, de vijand incluis. “Zegt u maar, professor” dondert de oude cowboy met autoritaire stem en hij strekt zijn arm om hem ook figuurlijk het woord te geven. Wij houden onze adem in. Misschien zal de oude professor zijn grote licht laten schijnen en de klare woorden spreken die mij eindelijk duidelijk zullen maken waar het hier nu allemaal om draait. Ik klik op mijn balpen. “Maar...”, klinkt het weer. De spanning is te snijden. Ik durf wedden dat de vijand, die ondanks zijn nerveuze start en het enorme overwicht 6


aan tegenstanders, op arrogant zelfzekere wijze had gesproken en klonk als de reeds gekroonde overwinnaar over de in de touwen geslagen tegenstander, nu bij het horen van deze tweede “Maar...” van de professor een zweetparel over zijn voorhoofd voelt kruipen. “Maar...”, klinkt het voor de derde keer. Ik begin alweer mijn twijfels te krijgen. “...In wiens naam spreekt u eigenlijk, mijnheer?” vraagt de oude stem eindelijk. Stilte. Alle hoofden draaien zich weer naar het andere uiterste van de tafel. De vijand denkt na, wikt woorden en zegt: “Weet goed, dat ik niet op persoonlijke titel spreek. Ik verwoord enkel beleidsnota's.” De oude cowboy kijkt nors en strak en dondert: “Wiens beleidsnota's, als ik vragen mag?” De vijand schraapt zijn keel, maar lijkt zich te verslikken, wat hij zegt klinkt als een kuch, alsof hij het antwoord in zijn hand wil vangen en het wegblazen zodat het van de baan is. “De overheid.” Een donderslag zou perfect geweest zijn als geluidseffect. Een grote vuist landt niet onzacht op het tafelblad. De oude cowboy dondert op uiterst dramatische toon: “Maar dan is het kalf al verdronken!” Gefluister en onthutst gezucht overal om mij heen. Even proef ik de hoop op een vroegtijdig einde van de vergadering. Halfzeven is het nu. Ik hoopte rond acht uur thuis te zijn. Even voorzie ik nog meer op tafel landende vuisten, mensen die woest hun stoel achteruit duwen en met veel pompeuze gebaren de vergaderzaal uitstormen omdat hun zaak toch hopeloos is verdronken. Mijn hoop wordt gevloerd door de bazin, ook zij heeft er haar 7


belang bij dat de zaak blijft voortbestaan, blijkbaar, zij vraagt de aangevallen partij om in alle rust haar standpunten uiteen te zetten in de hoop om alsnog tot een vergelijk te komen. Voor het eerst valt de term die al menig een vergadering tot in de eeuwigheid deed voortduren: “Compromis.” Op aanwijzen van de bazin, mag de oude cowboy de tegenaanval inzetten. Wat volgt is een even emotioneel, woest als bevlogen pleidooi voor de zaak die hen zo genegen is en waaraan zij allen reeds vele jaren hun bloed, zweet dan wel tranen hebben geschonken en dit alles nog belangeloos en onbezoldigd ook. De zaak betekent iets voor deze mensen, wat de zaak ook mag of mag geweest zijn. Ik zie vele instemmend knikkende maar ook droeve gezichten rond de tafel. “In tijden van verzuring, academisch overwicht en vervaging van de praktijk, is onze zaak in al die jaren een baken van licht in de duisternis geweest, ja zelfs hoop, mensen, hoop voor zij die de zaak meer dan ooit kunnen gebruiken in deze donkere tijden. Onze zaak heeft nooit aan integriteit of relevantie ingeboet, nooit, tot daar een kaper op onze kusten landde en de grond van onder onze poten groef zonder dat wij het merkten...” Hij pauzeert voor dramatisch effect en spuugt dan het vuile woord uit: “Overheid!” Instemmend gemor en geschuifel van papieren. De vijand tuit zijn lippen en schudt met zijn hoofd, wat hij lijkt te willen zeggen, slikt hij weer in: “Nu moet u ook niet overdrijven hoor.” Ik voorspel een lange, immer in cirkels draaiende discussie die nog vele uren zal aanslepen. Dan weerklinkt er uit een donkere hoek van de tafel een schelle 8


vrouwenstem: “Ligt het aan de rubrieken misschien?” Haar vraag klinkt oprecht en emotioneel, alsof zij niets minder dan één klaar en finaal antwoord verwacht. Maar een antwoord volgt niet. Iedereen kijkt afwisselend naar elkaar en naar de vijand, die de schouders ophaalt. Over welke rubrieken heeft zij het, welk belang heeft zij bij deze rubrieken en wat is het verband met al het voorgaande? Ik ben klaar om het op te geven. Ik verlies mijn sowieso al magere interesse in deze hele zaak en vooral in het bijwonen van deze vergadering. Maar en helaas, rechtstaan en weglopen is geen verstandige optie. Dit is mijn werk, mijn rol in dit kantoor is naast mijn bazin zitten, zwijgen, luisteren en noteren. Dus blijf ik gevangen zitten en stilaan vergaan alle stemmen en klanken in gegons dat slechts af en toe nog wordt doorboord door flarden van een steeds feller wordende discussie rondom mij. Het einde is zoek. “Jullie de helft en wij de helft. Wat denkt u daar van?” “Welke helft?” “Maar ligt het dan aan de rubrieken?” “Dit is geen vriendelijke overname, dit is kindermoord!” “Wat mag ik hieruit concluderen?” “U onderbreekt mijn vraag met uw vraag. U mag uw vraag stellen zodra ik een antwoord heb!” Een verloren half uur later: “Wat was uw vraag?” “Deze ben ik vergeten, heeft u al een antwoord ondertussen? “Maar ligt het dan aan de rubrieken?” Wat als de lichten nu eens uitvallen? Ik zoek in het wilde weg naar een oplossing. Maar, bedenk ik snel, wachten op een stroompanne is als wachten op een conclusie voor deze discussie. Voor een uitweg uit deze dwaas makende vergadering neem ik zelfs sabotage in overweging. 9


Het lijkt o zo makkelijk. Even mezelf excuseren, ik hoef niet te zeggen dat ik naar het toilet ga, dat hoort niet bij formele bijeenkomsten als deze. Ik verlaat met een lichte buiging de vergaderzaal, sla eens hard met de toiletdeur en sluip op kousenvoeten naar het posthok, waar onze elektriciteitskast hangt. Ik ken de algemene schakelaar, kortsluitingen genoeg in dit oude kantoor, ik twijfel niet, ik trek hem naar beneden. Ploef, alles is duisternis. Geroep uit de vergaderzaal, stoelen worden verschoven, glazen omgestoten en mensen knallen tegen tafelranden en vloeken. Ik haast mij weer op kousenvoeten naar de wc en spoel door, want ook tijdens een panne kan je gewoon doorspoelen. Ik sla nog eens hard met de deur en zoek mezelf op de tast een weg naar de vergaderzaal, waar verwarring heerst en ze mij niet zien binnen komen en ik roep: “Wat is er gaande?” en iemand anders roept uit de duisternis: “Een stroompanne!” en ik dan weer: “Wat nu gedaan? Zo kan een mens toch niet vergaderen?” en iedereen is het met mij eens zijn en iedereen gaat naar huis en ik ook. De bel. Een nieuwe dramatische wending staat te wachten achter de deur. Als zij voorbij mij naar binnen schuifelt, ruik ik alcohol en onraad. De nieuwkomer neemt berekend plaats in een strategisch hoekje, de bazin fluistert in mijn oor: “Maar wij hebben haar helemaal niet uitgenodigd.” Het daaropvolgende uur hou ik haar scherp in de gaten. Zij spreekt niet, zij drinkt het ene glas water na het andere en beperkt zich tot intens droef voor zich uit staren. Zij zit op iets te kauwen wat er uit moet. Het is de oude professor die opnieuw ieders aandacht trekt door driemaal “Maar...” te zeggen. 10


“Maar... Wil dit dan zeggen dat wij het met elkaar eens zijn?” Ik val uit de lucht, maar hopen durf ik al lang niet meer. “Als u het enkel over dit ene punt hebt, dan zou het kunnen dat wij het eens zijn met elkaar”, zegt de vijand met vermoeide stem. “Maar welke parameters zullen wij hanteren om vast te stellen dat wij het met elkaar eens zijn?” “Wenst u daar over te discuteren, over de parameters van het gelijk?” “Tuurlijk! Anders nemen de emoties de overhand, criteria zijn de enige houvast in tijden van hoogoplopende discussies als deze.” Ik zucht, weer wil ik rechtstaan, met mijn schrift hard op tafel slaan, roepen, wegstormen, naar huis. Ik zit, zucht nogmaals, gevangen in de eeuwige vergadering. Moedeloos kijk ik opzij. Twee stoelen verderop zie ik een jonge vrouw. Zij is een overtuigd lid van de stille meerderheid. Niet alleen besteedt zij geen enkele aandacht aan de vergadering, zij sluit zich ook geestelijk volledig af van alles en iedereen, opgeslorpt als zij is in het maken van behoorlijk psychedelische en ietwat verontrustende tekeningen. Op de door mijn opgestelde en achterafgezien volstrekt onbenutte agenda van de vergadering zie ik kronkelende, in stukken gezaagde lichamen zonder hoofden, een halve aardbol, iets wat lijkt op de romp van een paard en iets wat lijkt op een zelfportret is, wat kan wijzen op een serieus verstoord zelfbeeld of zelfs een geestelijke stoornis en zo iemand wil je niet naast je hebben tijdens een escalerende vergadering. Wat als er plots iets springt in haar hoofd? Ik huiver een beetje en voel mij alleen en onbeschermd. Wie zijn al deze mensen toch, wat doen zij hier, waar gaat dit naartoe en waarom gaan zij niet gewoon naar huis? Een snik. Ik weet meteen naar waar ik moet kijken. Een bevende, 11


uitgestoken vinger. De vinger wijst recht naar de bazin en bijna naar mij. De naar alcohol ruikende vrouw is uitgekauwd en klaar om te spugen. Zij stort haar gal uit over de bazin, spreekt van broodroof, onheuse behandeling, zij uit dreigementen die anderen naar adem doen happen en al die tijd die bevende, beschuldigende wijsvinger. Mijn bazin kijkt bleek en geschokt naar de nutteloze agenda en zij kucht en het loopt uit de hand. Deze ene kuch bewijst onze machteloosheid en duwt de vergadering over de afgrond van de redelijkheid. Beschuldigingen vliegen heen en weer over de tafel, stemmen worden verheven, de formele beleefdheid waait de deur uit, de cowboy dondert “allemaal collectief ontslag!” een gebroken stem zegt “compromis”, er klinkt hoongelach, de vijand grijpt zijn gezicht vast en lost een moegetergde kreun en de bazin probeert de gezonken meubelen te redden met een te onzeker klinkend: “Aldus kunnen wij concluderen dat...” “Maar ligt het dan aan de rubrieken?” Woest word ik bijna als ik het weer hoor weerklinken uit haar schelle klanken barende mond. Een antwoord krijgt zij ook deze keer niet, maar een vrouw naast haar neemt het woord over. Als zij spreekt, dansen de vingers aan haar opgeheven hand sierlijk in de lucht. Van wat zij zegt, hoor ik geen woord. Mijn ogen volgen haar vingers, in gedachten dans ik mee, rustig, heupwiegend op de maat van een mooie oude plaat. Ik stijg op en verdwijn. Het gegons rond de tafel mix ik traag weg en daar klinkt al een nieuw en veel beter deuntje. Wat zal ik na dit plaatje draaien? Ik neus door mijn platenbak, laat mijn vinger over hoesruggen glijden, blaas stof van mijn vingertop. Ik leg de volgende plaat klaar, luister even, perfect, dat ik daar nooit eerder aan dacht. Ik kijk op, naar het ruime oude café dat voor en onder mij ligt, aardig vol, een gezellig gegons van drinkende zielen op een weekendavond. De ober komt vragen of ik iets wens te drinken, “Een 12


whisky zonder ijs en een glas water”, heerlijk. Ik steek een sigaret in mijn mond, een beloningsmoment, ik proef van de filter. De ober keert terug met op een schaaltje mijn mooi gevulde glazen. De plaat is bijna afgelopen, nog één crescendo van schetterende blazers tot de laatste drumslag en de volgende kan starten. Ik leg mijn sigaret in de asbak en gooi één schuif van het mengpaneel open en de andere toe. Vanuit een ooghoek zie ik hoe de ober de glazen op het hoge tafeltje naast mij plaatst en de asbak met brandende sigaret op zijn schaaltje zet. “Wacht!” roep ik, de ober duwt mijn sigaret uit en schudt zijn uitgestoken wijsvinger heen en weer. “In deze hoek mag niet gerookt worden, meneer”, klinkt het. “Oh”, zucht ik. Hoofden in de bar draaien zich naar mij, ik kijk naar beneden, de naald ligt naast de plaat, een dreigend gedreun en schaamrood op de wangen. Eén schot. Eén vrouw die gilt. Een harde bonk. De geur van verbrand kruit. Een rookwolkje in een hoek van de vergaderzaal, uit het rookwolkje prikt de loop van een geweer, het geweer rust in de verbazend vaste handen van de oude professor. Gomsel dwarrelt naar beneden. Ik volg de richting die de geweerloop mij toont en eindig bij het hoofd van de vijand, dat stil en bloedend rust op de vergadertafel. Een stoel barst door het grote raam aan de straatkant, de gordijnen worden door de wind naar buiten gezogen. De vrouwen grijpen elkaar vast en storten zich onder de tafel. Ik spring in mijn rol en van mijn stoel en op de tafel. De geweerloop hangt daar nog steeds onbeweeglijk en het geweer rust vast in de 13


handen van de oude professor als ik mij over de tafel haast en spring in zijn armen. De stoel onder hem barst en wij storten tegen de grond, zijn hoofd landt hard, hij is meteen buiten westen. Ik trek het pistool uit zijn hand, het is nog warm, ik gooi het weg. Tumult achter mij, de cowboy zie ik over de tafel naar de vijand kruipen, de politieker probeert hem aan zijn hemd tegen te houden, het hemd scheurt open, de grijze borstharen hebben vrij spel als de cowboy het hoofd van de vijand optilt en roept: “Schijt aan de overheid!” en hij met zijn dikke vuist een mep aan het hoofd verkoopt, waardoor de dode vijand achterover slaat en ook door zijn stoel barst en op de koude tegels landt. De cowboy is nog niet klaar, hij springt van de tafel en landt bovenop de vijand, gaat op zijn borstkas zitten, tilt nogmaals zijn hoofd bij zijn met bloed besmeurde haren op en haalt een wonderlijk lang mes uit zijn broek tevoorschijn. “Oh god nee!” hoor ik de politieker schreeuwen, “Laat het ons zo ver niet komen”, huilt hij bijna, en: “Laten we er het hoofd alsjeblieft bij houden!” en ik denk: “Hoe absurd!” Ik lach, ik lach mij te pletter, zo hard dat ik er tranen van in mijn ogen krijg, ik lig te schokken op het lichaam van de oude professor, ik kan niet zien hoe de cowboy het mes aan de nek van de vijand zet, iedereen schreeuwt tot alles één dof gegons wordt en ik schrik wakker. Ik veeg kruimels en gomsel van de tafel. Enkelen kaarten druk na in een hoek van de vergaderzaal, anderen troosten de vrouw met de verwijtende vinger die staat te huilen in de gang. Als het aan mij ligt, schop ik ze allemaal de deur uit en de straat op en zal ik voorstellen dat ze het daar met vuisten, nagels en aktetassen verder uitvechten. In de keuken, waar niemand mij kan horen, vloek ik. Als ik weer de vergaderzaal inwandel, staat de bazin in mijn schrift te bladeren. Ik wil het schrift van onder haar neus trekken en ermee 14


wegrennen, maar dan zegt zij: “Kan jij dit zelf lezen?”, wijzend naar mijn snel snel in het geniep gevormde krabbels. “Als geheugensteuntjes werken deze krabbels prima voor mij, mevrouw, een beetje zoals steno.” Een goede redding, vind ik zelf. In de gang hoor ik de huilende vrouw kermen: “En ze moeten niet denken dat ik nog het verslag van de vergadering zal schrijven!” De bazin zucht, “Dat ontbrak er nog aan”, mompelt ze. Ze kijkt naar mij, ze wijst naar mijn schrift. Ik hoop dat ze het niet zal zeggen maar zij zegt het toch: “Wil jij het verslag schrijven? Ik moet eerlijk toegeven dat ik ergens halverwege het overzicht verloor over de strijdlijnen en standpunten. Schrijf jij je notities maar netjes uit, giet het in mooie lay out met hier en daar een titeltje in het vet met een lijntje eronder en aan het eind de conclusie en stuur maar door naar iedereen.” Ik slik hoorbaar en vraag haar: “Wat was de conclusie?” En zij zegt: “Wij zijn tot de unanieme conclusie gekomen dat er geen conclusie is.” “Daar was iedereen het over eens?” “Inderdaad, na heel wat discussie.” “Ok”, zeg ik.

15


De Vergadering