Page 1

Semana Santa Gedurende Semana Santa, de heilige week voor Pasen, zijn de straten van Andalucia het domein van de broederschap.


Onder de praalwagens zitten geen wielen maar mensen, de costaleros. Sterke, trotse jongemannen. Op hun hoofd een doek, de costalo, die zo gevouwen is, dat er een kussentje in hun nek zit om de pijn te verzachten. De week voor Pasen, de Heilige week, Semana Santa. Dan zijn de straten van Andalucia het domein van de broederschappen. Die slepen er in eindeloze processies van soms wel duizenden ‘nazarenos’ hun praalwagens, de pasos, door de steden, dag en nacht, de klok rond.


Iedere parochie heeft een broederschap of ‘hermandad’. En iedere hermandad is te herkennen aan de gewaden die de nazarenos dragen. Sommigen lopen op sokken of blote voeten, anderen hebben een gordel van strakgewonden touw om hun middel.

De processies worden begeleid door fanfares, die marsmuziek spelen om de processie in beweging te houden …

… maar het echte geluid van de Semana Santa komt van de ‘cornetas y tambores’, met een hoog - bijna vals - geluid, van de kornetten, die het uit lijken te schreeuwen over het leed dat de zoon van God wordt aangedaan.


Het is de dag voor Pasen, siÍsta, de zon staat recht boven het land. Gewoonlijk is Mercedes om deze tijd op de kleine patio van haar vader te vinden, in de schaduw van de druivenranken. Ze speelt dan met haar pop, of met jonge poesjes – als die er zijn. Op de patio is altijd iets te doen voor een klein zesjarig meisje. Maar vandaag is Mercedes niet op de patio.

Ze ligt in bed, bleek en klam, Mercedes is ziek, erg ziek. De dokter is al vaak langs geweest. Hij was aan het eind van zijn latijn, zei hij, alleen bidden kon nog helpen, zei hij.


En bidden, dat deed Don Enrique, de vader van Mercedes, tot ‘zijn’ Maagd. Zo mocht hij haar toch wel noemen? Zijn hele leven had hij haar gediend. Eerst als costalero, met bravoure en macho, daarna als een waardige nazareno. En nu, tenslotte, als capitate, de man die verantwoordelijk is voor de paso en die de costaleros in toom houdt.

Hij bad nog toen leden van de hermandad binnendruppelden, de costaleros, de nazarenos, de muzikanten.

Heilige Maria, mijn Mercedes, spaar haar. U bent toch zelf ook moeder? Neem mijn leven …

Pas toen de paso met Christus al naar buiten was, stopte hij met bidden om zich aan zijn taak als capitate te wijden, en zelfs toen praatte hij nog door met Maria.


Don Enrique nam de Maagd mee op een nachtelijke tocht naar de andere kant van de rivier, naar de imposante kathedraal.


Hoewel ze met duizenden liepen, kwam het Don Enrique voor dat hij alleen was met de Maagd. Hij hoorde geen muziek, hij zag geen nazarenos, alleen de ‘Virgen’, als een schip door een anonieme zee van mensen

En onderweg vertelde hij haar, hoe hij zich al had neergelegd bij kinderloosheid, tot zes jaar geleden, toen onverwacht, Mercedes werd geboren. Hoe zijn kleine meid zon bracht in het bestaan van hem en zijn vrouw, en hoe haar vooral niets mocht overkomen, behalve een wondertje, nu …


MERCEDES, OH NEE!!!

Maar toen ze de volgende dag terug in de kapel kwamen, nam Don Enrique geen deel aan het gebruikelijke feest, hij sloeg het bier af. Hem wachtte boos nieuws: zijn dochtertje was tijdens zijn afwezigheid overleden.


Don Enrique liet geen traan, maar ontstak in woede. Woede jegens de Maagd, die hem niet alleen van huis had gehouden tijdens het stervensuur van zijn dochter, maar die te beroerd was om een piepklein wondertje te verrichten, voor een trouwe, toegewijde dienaar als Don Enrique. Hij hoefde haar nooit meer te zien, die Maagd van niks, nooit meer! Ze ging maar in haar eentje door de Paasnacht, maar niet meer met hem!

En als je mij, Enrique de toegewijde, Enrique de idioot, ooit nog wilt zien, dan zul je me thuis op moeten komen zoeken. Dan zal ik weten dat je om me geeft.

In de kapel huilde de Maagd haar eeuwige tranen van gips, maar er waren er, die zouden zweren dat het er meer waren dan gewoonlijk en dat ze nog nooit zo droef had geleken.


Ik werk hard en met verstand, aan mijn oogst komt geen God te pas, dat is allemaal mijn werk.

Jaren gingen voorbij. Don Enrique leefde zijn leven bitter en zonder geloof. Hij oogstte, jaar in jaar uit. En ieder jaar was een voorspoedig jaar met een rijke oogst. Maar Don Enrique dankte God noch de Maagd. De kapel van de maagd bezocht hij niet meer. En waarom zou hij ook? Zijn oogsten waren minstens zo overvloedig als die van zijn buren, die trouw naar de kerk gingen.

De kleine patio waar Mercedes ooit speelde, groeide uit tot een grote binnenplaats.Hij had ieder jaar meer schuren nodig om zijn oogsten op te slaan. En hij kon meer land kopen waardoor hij nog meer ruimte nodig had. Zijn boerderij groeide meer, dan in al die jaren dat hij de Maagd diende.


Monseigneur, denkt u dat we een processie kunnen houden? Wat een goed idee!

Niet ver van de hacienda van Don Enrique lag Valencina de la Concepci贸n, een slaperig stadje midden tussen de olijfgaarden. En daar was een kleine Maria-kapel, die opnieuw gewijd moest worden. De bisschop kwam in hoogst eigen persoon en de kapelaan greep de gelegenheid aan om een onbescheiden verzoek te doen.

En zo bepaalde de bisschop, dat de kapel van Valencina de la Concepti贸n bezocht zou moeten worden, door dezelfde Maagd, waar Don Enrique jarenlang voor gediend had.


Ik weet zeker dat je de mooiste jurk van het dorp hebt

Gekkie!

In het anders zo rustige dorpje heerste een opgewonden stemming. De maagd zou naar h첫n dorp komen! Het gonsde van bedrijvigheid. De mannen poetsten hun paarden, het tuig en hun laarzen, de vrouwen trokken hun mooiste jurk aan en deden bloemen in hun haar. Iedereen wilde op zijn allermooist de processie tegemoet treden.


Het werd een prachtige feestdag, met een strak blauwe hemel. De jongemannen toonden hun ruiterkunsten in de ringstekerij. Er werd gegeten en gedronken, er was muziek. De vrouwen dansten ‘Sevillanas’ in bonte flamencojurken. Iedereen was blij en uitgelaten; de Maagd kwam naar hun kapel, wat een feest!

Maar de grote afwezige was Don Enrique, de rijkste boer van Valencina de la Conceptión. Hij nam geen deel aan een feest, waar de Maagd het middelpunt van zou zijn. Op zijn patio hoorde hij het dreunen van de trommels en de schelle stemmen van de zingende vrouwen. “Bah, wat een onzin!”


Het graan stond hoog op het veld. En tussen dat ‘goud’ slingerde een kleurige sliert met in het midden de onvoorstelbaar schitterende maagd, die door dit extra uitje net zo uitgelaten leek als de costaleros. Het leek of de dieren uit het veld en de vogels in de lucht de stoet volgden.

Tot er aan de strakblauwe hemel een wolkje verscheen. Niemand sloeg er acht op, want de weersvooruitzichten waren prima. Maar toen verscheen er nog een wolkje en nog een. De capitate keek zorgelijk naar de lucht.

En net toen ze tussen velden liepen waar het graan het hoogst stond viel er een drup. En nog een. Er stak een wind op. De capitate keek rond of er een plek was om te schuilen.


Overal lagen kleine liefelijke boerderijtjes, maar geen schuur was groot genoeg om de paso met de Maagd te herbergen. Behalve die ene, die midden tussen de beste velden stond. Daar waren de schuren groot genoeg om de Maagd onderdak te kunnen bieden. En dat was de hacienda van Don Enrique.

Don Enrique zag de stoet tussen zijn velden door slingeren. Hij zag het baldakijn met de Maagd bij iedere stap heen en weer schudden, als de bulten van een dronken kameel. En hij zag de lucht en de dreigende regen. En toen deed Don Enrique iets, wat hij jaren niet gedaan had, en hij begreep het zelf niet: hij bad. Hij bad tot God en vroeg hem om regen. Ditmaal werd zijn gebed verhoord, hij was nog niet uitgesproken of de regen stortte zich op zijn velden en de stoet. En een ogenblik later hoorde Don Enrique een klop op de deur. Het was de Maagd, die bij hem aanklopte ‌


En zo schuilden de bewoners van Valencina de la Concepci贸n en de processiedeelnemers met elkaar onder het dak van de hacienda van Don Enrique. De paarden werden op stal gezet, er was wijn, worst en brood voor iedereen.

Buiten stormde het alsof het einde der tijden was gekomen. En de Maagd stond helemaal alleen in de grote schuur. Alleen? Niet helemaal, een kleine figuur naderde de paso schoorvoetend, met neergeslagen ogen.


Het was Don Enrique. Toen hij vlak voor de wagen stond sloeg hij zijn ogen op. Tranen stroomden over zijn wangen. Tranen om zijn overleden dochtertje Mercedes, waar hij in zijn bittere woede nog nooit om gehuild had. Maar ook tranen van geluk. Want pas nu begreep Don Enrique, dat die voorspoedige oogsten er alleen maar waren geweest om zijn schuren groter te maken, zo groot dat ze de Maagd konden herbergen, als ze zou moeten schuilen.

Je bent gekomen, je bent mij niet vergeten! Je bent me thuis op komen zoeken. Vergeef me alsjeblieft!

En vergeven ‌ ach, vergeven is haar dagelijks werk. Er waren er, die zouden zweren dat haar gipsen gezicht op dat moment even glimlachte ‌ EIND


This story came to me through my daughter Sarah, who lives in Sevilla. Gracias, Sarah.

Semana Santa  

Een mysterieuze bekering