Issuu on Google+

Samen op weg naar beter en betaalbaar openbaar onderwijs

het leervermogen van Groningen

Visiedocument 2012-2016 Openbaar Onderwijs Groep Groningen


Index

1 Hoofdstuk 1 4 1.1 Inleiding 4 1.2 Taak taskforce 5 1.3 Criteria waaraan de voorstellen moeten voldoen 5 1.4 Samenstelling taskforce 6 1.5 Verloop proces 6 2 Hoofdstuk 2 7 2.1 Visie en uitgangspunten taskforce 7 2.2 Visie 7 2.2. Kwaliteit van onderwijs 7 2.2.2 O2G2 organiseert doorgaande leerlijnen 8 2.3 Visie primair onderwijs 9 2.3.1 Onderwijskwaliteit: excellent en opbrengstgericht 8 2.3.2 Profileren van de scholen 10 2.3.3 Wijkvisie 11 2.3.4 Omvang scholen 12 2.3.5 Speciaal onderwijs 12 2.3.6 Verstevigen en vergroten marktaandeel 13 2.4 Visie Voortgezet Onderwijs 14 3 Hoofdstuk 3 16 3.1 Voorgestelde maatregelen 16 3.2 Voorgestelde maatregelen primair onderwijs 16 3.2.1 Onderwijs 16 3.2.2 Personeel 15 3.2.3 Huisvesting 18 3.3 Voorgestelde maatregelen voortgezet onderwijs 23 3.3.1 Onderwijs 23 3.3.2 Personeel 24 3.3.3 Huisvesting 24 3.4 Voorgestelde maatregelen ondersteuningsbureau 25 3.5 Voortgang 25

3


Hoofdstuk 1

1.1 Inleiding In 2010 ging de Stichting Openbaar Onderwijs Groep Groningen (O2G2) als zelfstandig orgaan van start. Een bijzonder jaar, waarin de stichting in de praktijk vorm kreeg en meteen al een herijking van de aanvankelijke uitgangspunten mogelijk en zelfs nodig bleek: • De kwaliteit van het onderwijs staat binnen O2G2 onder druk. Op dit moment staan meerdere scholen onder toezicht van de inspectie. Daar- bovenop zal de invoering van het passend onderwijs het onderwijsproces en de inkomsten van O2G2 sterk beïnvloeden. De stichting zal met minder middelen moeten werken aan het verbeteren van de onderwijskwaliteit. • De krimp in het Primair Onderwijs (Basisonderwijs en Speciaal onderwijs) en een nulgroei in het Voortgezet Onderwijs zetten door. Dit heeft direct effect op de inkomsten van de stichting vanuit het Rijk. Daarnaast nemen vanaf 2012 de incidentele baten, subsidies, stevig af. • Financieel is het huis niet op orde. Dit uit zich in het negatieve resultaat over 2010 en een niet sluitende meerjarenbegroting. Daarnaast is de financiële startpositie van O2G2 zwak, zowel in het vermogen als in de liquiditeit. Bovenstaande ontwikkelingen kunnen niet worden opgelost met ongewijzigd beleid. De organisatie heeft behoefte aan een pakket van ingrijpende maatregelen om enerzijds de onderwijskwaliteit fundamenteel te verbeteren en anderzijds de bedrijfsvoering kwalitatief en financieel gezond te maken. Het College van Bestuur van O2G2 heeft in 2011 een taskforce ingesteld om daar voorstellen voor te doen. Die presenteren wij in dit visiedocument. De taskforce richt zich daarbij primair op het reguliere onderwijsproces. Dit document bevat geen maatregelen gericht op de ontwikkelingen rondom de WWB-banen en het passend onderwijs. Via de voorgestelde maatregelen kan O2G2 een kwalitatief en financieel gezond fundament leggen onder het reguliere onderwijsproces. Maar om de organisatie als geheel gezond te maken, zijn ook oplossingen nodig voor de WWB-banen en het passend onderwijs1. Deze ontwikkelingen trekken beide een onevenredig zware wissel op een gezonde financiële huishouding. 1 Zeer onlangs is besloten dat de bezuinigingen op het passend onderwijs niet doorgaan. De stelselwijziging gaat wel door, zij het met een jaar vertraging.

4


Samenvattend voltrekken zich tegelijkertijd drie onderling samenhangende processen: 1. Verdere ontwikkeling en invulling van de onderwijsvisie en het wijkcluster- gericht werken. 2. Het samenvoegen van scholen en het inkrimpen van het aantal locaties als gevolg van dalende leerlingaantallen en het aantal kleine scholen binnen het bestuur van O2G2. 3. Herziening van kwantiteit, kwaliteit en organisatie van de ondersteuning. Deze verschillende processen vragen ook verschillende vormen van aansturing. Het wijkclustergericht werken heeft de grootste kans van slagen met helder vastgelegde kaders en ruimte om per wijkcluster maatwerk te maken. De visie zal met de diverse stakeholders, waaronder de gemeente, het bijzonder onderwijs en de kinderopvang, verder worden ontwikkeld. De samenvoeging van scholen en de herziening van de ondersteuning vragen een duidelijke, planmatige aansturing met een hoge urgentie.

1.2 Taak taskforce De taak van de taskforce was tweeledig: • Het uitwerken van fundamentele voorstellen gericht op het verbeteren van de onderwijskwaliteit. • Het uitwerken van fundamentele voorstellen gericht op het bedrijfsmatig en efficiënt inrichten van de ondersteunende processen binnen O2G2.

1.3 Criteria waaraan de voorstellen moeten voldoen De voorstellen van de taskforce worden getoetst aan de volgende criteria: • Fundamentele verbetering van de onderwijskwaliteit. • Onderwijsvernieuwend. • Toekomstvast en robuust: het moet passen binnen de strategische kaders van O2G2. • Vermindering van het aantal fte’s, in het primaire en in het ondersteunende proces.

5


• Effectievere inzet van middelen, in het primaire en in het ondersteunende proces. • Het pakket van maatregelen leidt tot een sluitende meerjarenbegroting en een gezond financieel fundament (vermogenspositie en liquiditeit).

1.4 Samenstelling taskforce Opdrachtgever van de taskforce is het College van Bestuur van O2G2. In de taskforce zijn het voortgezet-, primair- en speciaal onderwijs elk door een directeur of rector op een evenwichtige manier vertegenwoordigd. Vanuit het ondersteuningsbureau zijn twee medewerkers als projectleider en –secretaris aan de taskforce toegevoegd. De taskforce bestaat uit de volgende mensen: • Projectleider: Rob Vinke • Directeur primair onderwijs: Marga Hesseling • Directeur speciaal onderwijs: Jan Jansema • Rector voortgezet onderwijs: Dirk Dijkstra • Projectsecretaris: Caroliene Hermans, bestuurssecretaris a.i.

1.5 Verloop proces De taskforce is in april 2011 van start gegaan en heeft vanaf het begin wekelijks vergaderd. Eerst heeft de taskforce een visie ontwikkeld, vervolgens zijn daar uitgangspunten en maatregelen aan gekoppeld. Toen visie, uitgangspunten en maatregelen helder waren, heeft de taskforce overleg gevoerd met de beleidsmedewerkers onderwijs van het ondersteuningsbureau. Met hun input is het document verder aangescherpt.

6


Hoofdstuk 2

2.1 Visie en uitgangspunten taskforce Bij het ontwikkelen van visie, uitgangspunten en maatregelen heeft de taskforce steeds onderscheid gemaakt tussen speciaal onderwijs, primair onderwijs, voortgezet onderwijs en het ondersteuningsbureau. In dit document geven we per maatregel aan wat de gevolgen ervan zullen zijn en op welke manier de maatregel bijdraagt aan verbetering van de kwaliteit en versterking van de financiĂŤle positie.

2.2 Visie 2.2.1 Kwaliteit van onderwijs Bij kwaliteit gaat het vooral om wat het leerproces oplevert en wat de leeropbrengsten zijn. De inspectie ziet erop toe dat de leerresultaten en schoolopbrengsten voldoende ‘inspectieproof’ zijn. Hoe de leerlingen zich op de scholen van O2G2 ontwikkelen is te zien in Cito-scores, ontwikkelingsperspectieven en eindexamenresultaten. Ook oudertevredenheidsscores, de ontwikkeling op sociaal-emotioneel gebied en de kwaliteit van de leeromgeving zeggen iets over de totale kwaliteit van het onderwijs. Alle scholen van O2G2 voldoen eerst aan de inspectiecriteria, daarna aan de specifieke kwaliteitseisen van O2G2; vervolgens kan elke school zich profileren op een of meer gebieden. O2G2 wil dat de resultaten van de scholen tenminste op het landelijk gemiddelde uitkomen. Deze doelstelling is in de themagroep Kwaliteit van het

cultuur

engels

hoogbegaafdheid science/techniek sterke kansenschool sport vve verlengde schooldag profi-leren!

O2G2 herkenbare kwaliteit

Inspectieproof

7


primair onderwijs al verder uitgewerkt. Daarbij is aangegeven dat de doelstelling ambitieus, maar haalbaar is voor zowel het primair- als het speciaal onderwijs. Maar dan moet daarbij wel worden gekeken naar de achtergrond van de schoolpopulatie. Ook moet de doelstelling geleidelijk worden doorgevoerd. In het voorjaar van 2012 heeft 75% van de scholen dit niveau al bereikt. Doel is dat binnen twee jaar alle scholen in het primair onderwijs zo ver zijn. Voor het voortgezet onderwijs is een vergelijkbare doelstelling opgesteld, zowel op school- als op onderwijssoortniveau. Intern stelt elke O2G2-school doelen vast die passen in het onderwijsprofiel van de school. Elke openbare school ontwikkelt kwaliteitsbeleid op basis van de missie en visie van de school. De directie doet dat samen met medewerkers, leerlingen en ouders. De scholen moeten voldoen aan de wettelijke eisen voor kwalitatief goed onderwijs. Een belangrijke voorwaarde daarbij is het opbrengstgericht werken. Daarom geeft O2G2 daaraan de komende jaren prioriteit. Alle scholen werken straks met dezelfde principes van opbrengstgericht werken. Dat betekent dat ze systematisch werken aan optimale prestaties van leerlingen door doelen te stellen en zicht te hebben op leerresultaten en leerproces. Belangrijk hierbij zijn: • Hoge verwachtingen van leerlingen. Uit onderzoek blijkt dat hoge verwach- tingen leerlingen uitdagen tot zo goed mogelijke prestaties. • Het volgen van tussen- en eindresultaten op leerling-, groep- en school niveau. Dat maakt gerichte sturing mogelijk en brengt eventuele proble men vroegtijdig aan het licht. • Zorgen voor soepele overgang tussen basis - en voortgezet onderwijs en naar mbo, hbo en universitair onderwijs.

2.2.2 O2G2 organiseert doorgaande leerlijnen O2G2 wil de overgang van het primair naar het voortgezet onderwijs zo soepel mogelijk laten verlopen. Doel is een doorgaande leerlijn voor alle leerlingen. Een ‘warme overdracht’ tussen primair en voortgezet onderwijs is daarbij van essentieel belang. Daarom gaan we daar de komende jaren veel aandacht aan besteden, onder andere door het ontwikkelen van instrumenten die warme overdracht bevorderen.

8


2.3 Visie primair onderwijs Uit onderzoek (Neuman e.a., 2006) is gebleken dat de kwaliteit van een school sterk beïnvloedbaar is. Een excellente school word je niet zomaar. Daar moet beleid voor worden ontwikkeld. Excellent onderwijs haalt het maximale uit alle leerlingen, ook uit risicoleerlingen. Als we kijken naar de huidige excellente scholen in Nederland, dan zien we in al die scholen een aantal factoren terugkomen die bijdragen aan de hoge kwaliteit van de school. Excellente scholen blijken over specifieke kenmerken te beschikken, waarin de taskforce zich goed kan vinden. Daarom baseert de taskforce zich bij het ontwikkelen van beleid op die kenmerken. Hieronder gaan we daar verder op in.

2.3.1 Onderwijskwaliteit: excellent en opbrengstgericht O2G2 wil opbrengstgericht werken. Wat betekent dat in de praktijk? Het betekent bijvoorbeeld dat we werken met directe instructie (expliciet en systematisch). Maar ook dat we de leeftijd effectief inzetten en dat we hoge verwachtingen hebben van leerlingen. We volgen resultaten op leerling-, groep- en schoolniveau en ondernemen daarop acties. We werken aan een soepele overgang van basis- naar voortgezet onderwijs. De schoolleiding neemt het voortouw in het verbeteren van de onderwijskwaliteit en de leerling resultaten. Daarbij mag de schoolpopulatie nooit als excuus worden gebruikt voor slechte resultaten. Excellente scholen richten zich juist op datgene wat ze kunnen veranderen: het milieu waar de kinderen uit komen is een gegeven, maar het onderwijs kun je verbeteren. Opbrengstgericht leren verbetert de leerprestaties van leerlingen en vergroot de effectiviteit van het onderwijs. De kern is dat scholen, leerkrachten en leerlingen zich bij het uitvoeren van hun taken laten sturen door uitkomsten van metingen. Zij organiseren systematisch feedback over de kwaliteit van het onderwijs. Opbrengstgericht leren kenmerkt zich door een cyclus van opeenvolgende stappen: • Stellen van (eigen) doelen voor de leerprestaties. • Specifiek inrichten van het onderwijsprogramma en –proces. • Meten van de opbrengsten. • Analyseren van de gegevens. • Bijstellen van de instructie, het programma en (soms) de doelen. Deze cyclus is in de hele keten van onderwijsprofessionals (van leerkracht tot bestuurder) terug te vinden.

9


Andere kenmerken van een excellente school zijn: • Zorg dat de basis op orde is. Leg de lat voor de basisvakken hoog. Maak voor leerlingen die hier moeite mee hebben, het gat overbrugbaar. Als de basisvakken niet op orde zijn, mist het fundament voor alle andere vakken. • Werk toe naar concrete resultaten. De leeropbrengsten moeten omhoog. Teamactiviteiten moeten daarop gericht zijn: wat gaat goed, wat lukt ons (nog) niet, wat gaan we anders doen, hoe meten we de gewenste vooruit - gang? • Er is al heel veel bekend over wat echt werkt in het onderwijs. Vind daarom niet steeds opnieuw het wiel uit en ga niet freewheelen. Voer consequent en consistent uit wat echt werkt. • Schep een onderzoekende en lerende cultuur. Veel kunnen we al oplossen, voor een aantal zaken bestaat geen standaardaanpak. Onderzoek met elkaar hoe je je praktijk kunt verbeteren en deel dat met anderen. Zo ont staat de reflectieve praktijk waar onderwijsprofessionals hun vak samen verbeteren. • Vergroot de capaciteit in en om scholen om dingen te veranderen en te verbeteren. Laat alles wat kan bijdragen aan de focus ook daadwerkelijk bijdragen. • Het gaat niet om schoolleiderschap, maar om gedeeld leiderschap in scholen. De schoolleider is een onderwijskundig leider die tegelijkertijd eisen stelt én ondersteuning biedt. De school heeft een open samenwer- kingscultuur, waar iedereen zich verantwoordelijk voelt en op zijn tijd het voortouw neemt. • Actie op alle lagen. Het gaat niet alleen om de leraar in de klas. Ook het middenmanagement, de leiding, het bestuur, de onderwijsinfrastructuur en de beleidsmakers dragen bij aan het verhogen van de kwaliteit van het onderwijs.

2.3.2 Profileren van de scholen2 Elke school heeft een helder onderwijsconcept dat is gebaseerd op de visie op onderwijskwaliteit. Het onderwijs moet geborgd zijn in die visie en formule. Daarbij heeft elke school een VVE- programma voor de onderbouw. Het basisprofiel van elke school is scherp geformuleerd, zodat voor eenieder duidelijk is waar de school voor staat. Als dat basisprofiel op orde is, heeft de school daarnaast ruimte om zich op bepaalde aspecten sterker te profileren. Bijvoorbeeld 2 De traditionele vernieuwingsscholen kunnen zonder het etiket/de certificering te verliezen van het concept afwijken als dat nodig is om aan de criteria van opbrengstgericht werken te voldoen.

10


op Engels, techniek, pedagogiek of duurzaamheid. In het schoolplan geeft de school aan hoe en welke contacten worden onderhouden om het profiel ,onderwijskundig, inhoud te geven en verder te ontwikkelen en welke nascholing wordt gevolgd om actueel te blijven. Als kwaliteitsstandaard vanuit O2G2 worden de ‘Vensters voor Verantwoording’ ingericht. Deze vensters maken input, output en het tussenliggende proces op scholen zichtbaar. Zij geven daarmee de individuele scholen en O2G2 antwoord op de vraag ‘Waar sta ik met mijn school?’.

2.3.3 Wijkclustervisie O2G2 wil het onderwijs gaan aanbieden in vijf wijkclusters: Noord, Zuid, Oost, West en Centrum. In ieder wijkcluster moet het onderwijs excellent, sterk en leidend aanwezig zijn. De in het wijkcluster aanwezige expertise wordt binnen het basisonderwijs gedeeld. Het expertisecentrum biedt gerichte ondersteuning bij het vorm en inhoud geven aan passend onderwijs. Dat betekent verdere samenwerking met het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs. Om dat in de praktijk goed te laten werken, wordt de functie van intern begeleider (IB-er) binnen het wijkcluster georganiseerd. Dit heeft voordelen voor de inhoud, de kwaliteit en de efficiency van de interne begeleiding. De invoering van de functiemix ondersteunt de mogelijkheid om de IB vanuit het wijkcluster te organiseren en te laten aansluiten op het expertisecentrum. Per wijkcluster wordt bepaald hoe de interne begeleiding is georganiseerd en wat de plek van de IB-er is. De volgende vragen zijn daarbij relevant: • Wie is het aanspreekpunt voor de IB-er? • Wie stuurt de IB-er aan? • Hoe kan het kwaliteitsniveau van de IB-er verder verbeteren? • Hoe behoud de IB-er de relatie met de kinderen en leerkrachten op een school in combinatie met het verder verbeteren en standaardiseren van de dienstverlening? • Wat is de positie van de IB-er in het wijkcluster? Binnen het wijkcluster vindt ook overleg plaats met het voortgezet onderwijs over determinatie, doorlopende leerlijnen, reken- en taalbeleid en overdracht van leerlingen. Om de samenhang binnen de wijkclusters te bevorderen zal een regisserende functie nodig zijn. De taskforce adviseert te onderzoeken hoe die functie het best kan worden ingevuld. We leggen de lat hoog. Voor kleine én grote scholen. Op dit moment gaat veel aandacht uit naar samenvoeging of samenwerking van kleinere scholen. Dat betekent niet dat er minder aandacht is voor de grote scholen. We hebben ge-

11


constateerd dat niet iedere school in een wijkcluster kwalitatief even sterk is. Er is ongelijkheid tussen scholen, schoolteams en schooldirecteuren. Soms loopt de kwaliteit uiteen, maar blijft die wel binnen de bandbreedte van de inspectiecriteria en de voor O2G2 herkenbare kwaliteit. In die gevallen vindt de taskforce de ongelijkheid acceptabel. Scholen, schoolteams en directeuren hoeven niet allemaal dezelfde kwaliteit te leveren, als de kwaliteit maar wél voldoende blijft. Een wijkcluster biedt eenheid in verscheidenheid. Door zich in onderlinge afstemming te profileren zorgen scholen voor onderwijskundige differentiatie, ook in doorgaande leerlijnen naar het voortgezet onderwijs. Scholen die onvoldoende kwaliteit bieden moeten de kwaliteit op orde brengen. Het ondersteuningsbureau zal daarin een actieve ondersteunende rol vervullen. O2G2 vindt dat de kwaliteit van het onderwijsaanbod in de wijkclusters meer dan voldoende moet zijn. O2G2 wil zoals gezegd sterk en leidend in de wijkclusters aanwezig zijn. Dat betekent dat ieder wijkcluster naast een aantal kleinere openbare scholen een grote openbare school bevat. Wij stellen voor te laten onderzoeken op welke wijze dit per wijkcluster wordt ingevuld. De gedachte vanuit de taskforce daarbij dat deze grote school een belangrijke regierol in het wijkcluster heeft en aan een aantal kenmerken voldoet: • De school wil excellent worden (of blijven); • De school beschikt over innovatieve kracht en draagt die over aan andere scholen binnen O2G2; • De school voert de regie over onderwijs, kwaliteitszorg en scholing en ontwikkeling in het wijkcluster; • De school voert ook de regie over het passend onderwijs en de inhoude- lijke samenwerking met het voortgezet onderwijs • Directeuren van de scholen overleggen met de andere directeuren over wijkclusterzaken en adviseren het College van Bestuur over het te voeren beleid. • Directeuren van deze scholen krijgen ruimere bevoegdheden en verant- woordelijkheden.

2.3.4 Omvang scholen Kwalitatief en bedrijfsmatig gezonde scholen zijn gebaat bij een minimum omvang. De ideale norm voor de schoolgrootte ligt tussen de 300 en 600 leerlingen (bron: KPMG). Deze omvang legt de bodem voor voldoende uitdaging voor leerlingen van verschillende niveaus in de klas, voor een divers pedagogisch klimaat in een veilige omgeving en een gezond financieel beleid. Te kleine scholen hebben te weinig armslag, geen efficiënte indeling van klassen en weinig mo-

12


gelijkheden om te variëren. Scholen moeten ook niet te groot worden, want dat kan leiden tot anonimiteit en een onveilig gevoel. O2G2 vindt dat ieder kind in de openbare school gekend moet worden. In de kwetsbare basisschoolleeftijd is het heel belangrijk dat kinderen opgroeien in een veilige en stimulerende (leer) omgeving. Daar leggen we de basis voor de groei naar volwassenheid, samen met de ouders. Een school met tussen de 300 en de 600 leerlingen kan klassen maken met een voldoende aantal leerlingen, het personeel ruimte bieden om zich te ontwikkelen en de school efficiënt organiseren.

2.3.5 Speciaal onderwijs De invoering van passend onderwijs heeft gevolgen voor het zorgaanbod in het reguliere en het speciale onderwijs. Niet de indicatie van de leerling, maar zijn of haar onderwijsbehoefte moet centraal komen te staan. De financiering wordt dan ook gebonden aan de handelingen die nodig zijn om het onderwijsproces optimaal te laten verlopen. Het speciaal basis onderwijs (SBO) bestaat uit twee delen: een deel dat zich richt op en integreert met het reguliere onderwijs en een deel dat zich richt op het speciaal onderwijs. Vanuit dit perspectief blijft er minimaal één locatie voor het speciaal basisonderwijs. Speciaal Onderwijs blijft bestaan, maar wel zo dat zoveel mogelijk kinderen worden ingeschreven in het reguliere onderwijs, vooral in de leeftijd van 4 tot 8 jaar. Daartoe biedt en organiseert elk wijkcluster inclusief onderwijs. Per situatie wordt bekeken of een groep op een bepaalde school wordt gecentreerd of dat verdeling over meerdere scholen de voorkeur verdient. Daarnaast moet het speciaal onderwijs niet op zichzelf staan. Er zijn zoveel mogelijk dwarsverbanden tussen SBO en regulier onderwijs. Dat betekent dat het expertisecentrum diagnostiek en inzet van expertise levert. Elke leerling, van zwak- tot hoogbegaafd, kan zo in aanmerking komen voor een specifieke vorm van ondersteuning. Binnen het Speciaal Onderwijs wordt vergaand samengewerkt op het gebied van onderwijs, management, personeel en huisvesting. Bij de onderwijsfunctie staat het leervermogen van de leerlingen centraal. Verder komt er een expertisecentrum van waaruit de deskundigheid van het speciaal onderwijs zo goed mogelijk wordt ingezet in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs. Dit expertisecentrum zoekt ook samenwerking met en binnen de samenwerkingsverbanden. Het expertisecentrum verleent steun en hulp aan leerlingen met uiteenlopende ondersteuningsprofielen: van ‘hoog tot laag’. Daarnaast gaat het expertisecentrum een belangrijke rol vervullen in de scholing en ontwikkeling van de medewerkers

13


in het regulier onderwijs. Het expertisecentrum ontwikkelt ook modules voor het reguliere onderwijs. Daarmee blijft de regie voor bijvoorbeeld de inzet van ambulante begeleiding bij O2G2. Op korte termijn wordt samenwerking gestart tussen de Buitenschool, de W.A van Lieflandschool, de Mytylschool en het SBO. Ook het expertisecentrum zal worden ingericht. Voor het VSO wordt onderzocht of dit kan worden samengevoegd met het praktijkonderwijs binnen O2G2.

2.3.6 Verstevigen en vergroten marktaandeel In de gemeente Groningen zal het aantal leerlingen voor het basis- en het speciaal onderwijs naar verwachting afnemen met gemiddeld 1 à 1,5% per jaar. Die ontwikkeling zal per wijk en per school sterk verschillen. Per school is daarvoor een prognose gemaakt, gebaseerd op de leerling-ontwikkeling over de afgelopen vijf jaar en de demografische ontwikkeling per wijk voor de komende jaren. Deze prognose is het uitgangspunt bij de maatregelen die worden voorgesteld voor het afstoten van huisvesting en het samenvoegen van scholen. Vanuit bovenstaande visie wil O2G2 het marktaandeel in het basis- en speciaal onderwijs verstevigen en vergroten. Om dat te bereiken willen we excellente onderwijskwaliteit leveren, duidelijke onderwijsconcepten en -profielen bieden en onderwijscentra van voldoende omvang in de wijken.

2.4 Visie Voortgezet Onderwijs De visie van het voortgezet onderwijs is nog niet zo ver uitgewerkt als die van het primair en het speciaal onderwijs. Op dit moment zijn de rectoren van de voorgezet onderwijs-scholen met elkaar en met het College van Bestuur in overleg over de configuratie van de scholen. Dit onderwerp wordt naar verwachting in de loop van 2012 afgesloten. De rectoren kijken waar het onderwijsaanbod van hun scholen dat van de andere voortgezet onderwijs-scholen overlapt en waar juist nog gaten zitten. Onderwerpen die de rectoren bespreken zijn: • Inrichting vmbo, havo en vwo. • Profielen van de scholen. • Aansturing van de scholen. Bij het maken van hun keuzes in deze discussies baseren de rectoren zich op de visie uit het strategisch beleidsplan ‘Eenheid uit verscheidenheid’. Vooruitlopend

14


daarop heeft de taskforce al enkele maatregelen op een rij gezet. Het onderwijsaanbod in het voorgezet onderwijs voldoet aan de volgende criteria: • Er is er een onderwijskundig en pedagogisch-didactisch gevarieerd aanbod binnen de gemeente. • Leerlijnen vanuit het basisonderwijs lopen door naar het mbo, hbo en universitaire onderwijs. • De school is actief op het gebied van maatschappelijk ondernemen en speelt in op ontwikkelingen en vragen op de arbeidsmarkt. • Op het gebied van ondersteuning werken de scholen en het ondersteu- ningsbureau van O2G2 effectief samen. Binnen de voortgezet onderwijs- scholen en het ondersteuningsbureau worden verschillende ondersteunende diensten verleend. Onze visie is dat deze diensten ondersteunend moeten zijn aan het onderwijsproces en de kwaliteit van het onderwijs moet versterken en verbeteren. We zien binnen de organisatie dat binnen de VO scholen en het ondersteuningsbureau ieder het op zijn eigen wijze invult zonder dat er een duidelijke visie is of synergie wordt gerealiseerd. Wij zijn daarom van mening dat de kwaliteit en de efficiency van de organisatie kan worden verbeterd. En wel door expliciet te sturen op differentiatie, verbinding en samenwerking op de verschillende ondersteunende functies, zowel in de school, tussen de scholen als met het ondersteuningsbureau. Uit de benchmark van Berenschot, die in 2011 voor O2G2 is uitgevoerd, komt naar voren dat O2G2 op de ondersteunende functies haar efficiency verder kan verbeteren. Het beter afstemmen van het onderwijsaanbod en het efficiënter inrichten van de ondersteuning maken de komende jaren een taakstellende besparing mogelijk. In de meerjarenbegroting is rekening gehouden met een reductie van de personeelslasten door natuurlijk verloop en vervanging tegen lagere loonkosten, het terugbrengen van de huisvestingslasten en het inverdienen op de overige kosten.

15


Hoofdstuk 3

3.1 Voorgestelde maatregelen In hoofdstuk 2 hebben we als taskforce onze visie en uitgangspunten gepresenteerd. Dit derde hoofdstuk bevat de maatregelen die we willen voorstellen. Deze maatregelen vloeien voort uit de visie op onderwijs en onderwijskwaliteit, de uitgangspunten voor minimale en maximale omvang van de school in combinatie met de verwachte leerling-ontwikkeling. De maatregelen zijn onder te verdelen in: • onderwijs; • personeel; • huisvesting: het samenvoegen of splitsen van scholen; • ondersteuning. De taskforce stelt voor om onderstaande maatregelen extern verder te laten onderzoeken en bedrijfseconomisch te laten doorrekenen.

3.2 Voorgestelde maatregelen primair onderwijs 3.2.1 Onderwijs • Alle scholen van O2G2 voldoen eerst aan de inspectiecriteria (zijn ‘inspec- tieproof’), daarna aan de specifieke kwaliteitseisen van O2G2; vervolgens kan elke school zich profileren op een of meer gebieden. • Alle scholen werken straks met dezelfde principes van opbrengstgericht werken. • Als kwaliteitsstandaard vanuit O2G2 worden de ‘Vensters voor Verantwoor- ding’ ingericht. • De expertise die in dit clustergerichte aanbod aanwezig is, wordt gedeeld binnen het basisonderwijs. Het expertisecentrum biedt gerichte ondersteu- ning bij het vorm en inhoud geven aan passend onderwijs. • Elk wijkcluster biedt en organiseert inclusief onderwijs. Per situatie wordt bekeken of een groep op een bepaalde school wordt gecentreerd of dat verdeling over meerdere scholen de voorkeur verdient. • De functie van Intern begeleider (IB-er) wordt binnen het wijkcluster geor- ganiseerd. Per wijkcluster wordt bepaald hoe de interne begeleiding wordt georganiseerd en wat de plek van de IB-er is.

16


• Binnen het speciaal onderwijs wordt vergaand samengewerkt op het ge- bied van onderwijs, management, personeel en huisvesting. Er komt een expertisecentrum van waaruit de deskundigheid van het speciaal onderwijs zo goed mogelijk wordt ingezet in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs.

3.2.2 Personeel Mobiliteit: in het primair onderwijs lopen de leerlingaantallen terug. Daardoor ontvangt O2G2 minder financiĂŤle middelen en moet het personeelsbestand op een groot aantal scholen inkrimpen. Bij het voortgezet onderwijs binnen O2G2 speelt deze ontwikkeling nog niet, maar de verwachting is dat ook daar de leerlingaantallen de komende jaren zullen teruglopen. Dit betekent dat mobiliteit actief zal worden bevorderd. Om de huidige boventalligheid op korte termijn op te lossen, is verplichte mobiliteit onontkoombaar. O2G2 zal daarbij zoeken naar interne mogelijkheden tot herplaatsing. Als die er niet zijn, zullen medewerkers werk buiten O2G2 moeten vinden. Zij worden daarbij actief begeleid en gefaciliteerd. Dit wordt gecombineerd met concrete maatregelen als een externe vacaturestop. Om boventalligheid ook op lange termijn te kunnen oplossen of (nog beter) voorkomen, gaat O2G2 binnen de hele organisatie volop duurzame mobiliteit stimuleren. Dat betekent dat alle medewerkers worden aangespoord om zich verder te ontwikkelen. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun eigen ontwikkeling. Daarnaast krijgen zij de mogelijkheid om vrijwillig mobiel te worden. Dat kan binnen O2G2 (tussen scholen), maar ook daarbuiten. Dat biedt kansen aan individuele medewerkers die een stap in hun loopbaan willen zetten en hun talenten willen ontwikkelen. Meer mobiliteit is op termijn ook essentieel voor de organisatie. Meer mobiliteit leidt tot meer flexibiliteit en hogere kwaliteit. Bovendien kan zo gemakkelijker worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt. De herplaatsingscommissie is op dit moment al actief binnen O2G2. Daarnaast wordt mobiliteitsbeleid ontwikkeld en komt er een mobiliteitscentrum. De voorgestelde maatregelen hebben in eerste instantie gevolgen voor de positie van directeuren, locatieleiders en IB-ers. Flankerend beleid is daarbij van belang. Door het samenvoegen van scholen en het verminderen van het aantal locaties zijn op den duur minder directeuren en locatieleiders nodig. Een deel van deze vermindering vindt plaats door natuurlijk verloop. Daarnaast zullen mobiliteit-bevorderende maatregelen nodig zijn. En zal specifieke aandacht moe-

17


ten worden besteed aan de voorgestelde herinrichting van de IB-functie. In het algemeen moet er meer aandacht zijn voor een goede managementstructuur in het primair onderwijs en ook voor de plek van de IB-er daarin. In het strategisch plan staat dat mobiliteit tussen vijf en zeven jaar aan de orde is. Met IB-ers, directeuren en locatieleiders wordt hiermee een start gemaakt. Het uitgangspunt is dat iedereen kan solliciteren op de nieuwe functies die te maken hebben met de managementstructuur binnen een wijkcluster of school.

3.2.3 Huisvesting Wijkcluster Oost: Beijum/Lewenborg/Oosterhoogebrug/Driebond/Ruischerbrug In dit wijkcluster zijn nu acht scholen op tien locaties actief. Met de voorgestelde maatregelen worden dit zes scholen met 6 locaties. Daarvoor is wellicht een gebouwenruil nodig met het bijzonder onderwijs. Voorgestelde maatregelen: • De beide locaties van de Beijumkorf worden samengevoegd. De locatie Zwerm wordt opgeheven en beide locaties gaan verder in de Honingraat. Daar zullen dan klaslokalen bijgebouwd moeten worden. • De Dijk en de Doefmat worden samengevoegd. Op welke locatie dat gaat gebeuren moet nog worden bepaald. De beide huidige locaties zijn te klein om de gehele populatie te kunnen onderbrengen. • De Swoaistee heeft een stabiel tot licht groeiend aantal leerlingen en is groot genoeg om als zelfstandige school te blijven functioneren. • Oosterhoogebrug is groot genoeg om als zelfstandige school locatie te blijven functioneren. • De openbare basisscholen de Catamaran en de Tweemaster gaan per 1 augustus 2012 fuseren. De voorgenomen fusie biedt de scholen de kans een nieuwe start te maken op het gebied van onderwijsinhoud, beoorde ling van de onderwijsinspectie en verwachte leerlingaantallen. De fusie biedt kinderen en ouders in de wijk Lewenborg nieuw perspectief. De di- recteuren van beide scholen ondersteunen het voorgenomen fusiebesluit. • De Driebond heeft twee locaties, in Ruischerbrug en Engelbert. De school is in omvang te klein, maar de ontwikkeling van Meerstad kan deze school een nieuwe impuls geven. Het voorstel is om voor de Driebond te streven naar nieuwbouw op één locatie.

18


Wijkcluster Noord: Korreweg/De Hoogte/Selwerd/Kostverloren In deze wijken zijn vier scholen actief op vijf locaties: Karrepad met twee locaties, de Pendinghe met één locatie, de Petteflet met één locatie en een locatie van het SBO. Het aantal locaties wordt teruggebracht naar drie. Voorgestelde maatregelen: • Karrepad gaat van twee locaties naar één locatie. Het voorstel is de locatie Van Oldenbarneveltlaan op te heffen. Leerlingen zullen naar verwachting deels naar het Karrepad aan de Molukkenstraat en deels naar de Pending- he gaan. Gezien de prognose van het aantal leerlingen op beide locaties is er voldoende ruimte om deze beweging op te vangen. • In relatie tot de Pendinghe en de voorgestelde maatregelen in de wijk Beijum is meermaals de suggestie gedaan om de mogelijkheid voor sa- menwerking met het bijzonder onderwijs te onderzoeken. In overleg met het bijzonder onderwijs komt wellicht wijziging van huisvesting tot stand. • De Petteflet is een school met een ‘regiofunctie’. Deze school heeft vol- doende omvang om als zelfstandige school te blijven functioneren. • Het SBO heeft een locatie aan de Wilgenlaan. Gegeven de eerder om- schreven ontwikkeling om het SBO meer te integreren in het regulier onderwijs wordt voorgesteld om deze locatie binnen afzienbare tijd te sluiten. Het onderwijs wordt dan elders georganiseerd, hetzij in het regulier hetzij in het speciaal onderwijs. Wijkcluster West: Vinkhuizen/Reitdiep/Hoogkerk In deze wijken zijn vijf scholen actief op zes locaties: De Vlint met twee locaties, de Feniks, de Ploeg, de AMG Schmidtschool en de Meander allen met één locatie. Het voorstel is om het aantal scholen terug te brengen tot 4 met in totaal vijf locaties, in de toekomst mogelijk naar vier. Voorgestelde maatregelen: • De Vlint is opgesplitst in twee scholen, de Feniks en de Vlint. Dit besluit is genomen omdat de school als geheel te omvangrijk is en daarmee niet voldoet aan de gestelde eisen op het gebied van onderwijskwaliteit en efficiency. • De prognoses van de aantallen leerlingen van de AMG Schmidtschool en van de Vlint laten een dalende lijn zien. Het voorstel is om een onderzoek te starten naar het samenvoegen van beide scholen. In dit onderzoek dient tevens de keuze voor de locaties worden meegenomen. • De Meander is een groeischool in de wijk Reitdiep. Deze school zal naar

19


verwachting binnen enkele jaren een stevige groei doormaken, die deels ten koste gaat van het aantal leerlingen bij de Feniks. Dit kan betekenen dat deze scholen in de toekomst samengevoegd moeten worden, gezien de ontwikkeling van het aantal leerlingen. • De Ploeg is groot genoeg om als zelfstandige school te blijven functioneren. Wijkcluster Centrum: Centrum/Oosterpark/Oosterpoort In deze wijken zijn drie scholen actief op zeven locaties: Borgmanschool met vier locaties, de SJ Bouma met twee locaties en SBO Blekerslaan met één locatie. Het aantal scholen wordt teruggebracht naar twee. Het aantal locaties wordt teruggebracht naar drie: • Het centrum en de omliggende wijken krijgen twee stevige scholen, waar van één op het Cibogaterrein. De andere locatie valt nog te bezien, maar wordt naar alle waarschijnlijkheid gesitueerd in de Oosterparkwijk. De Borgman en de SJ Bouma gaan verder onder één naam, de Borgman school. • De locaties Nieuwe Kijk in ‘t Jat, Agricolastraat en de Jacobijnerstraat van de Borgmanschool worden verplaatst naar het Cibogaterrein, waar een nieuwe school wordt gebouwd op één locatie. De verwachting is dat dit in 2016 uitgevoerd kan worden. • De SJ Bouma in de Oosterpark gaat van twee locaties naar één locatie. De locatie Vinkenstraat is inmiddels opgeheven. • De locatie Warmoesstraat van de Borgmanschool in de Oosterpoort heeft voldoende omvang om als locatie te blijven bestaan als de locatie van het SBO aan de Blekerslaan wordt verplaatst naar de Warmoesstraat. Het voor stel is deze optie op korte termijn te onderzoeken. Wijkcluster Zuid: Groningen Zuid In deze wijken zijn vier scholen actief op acht locaties: Haydnschool met drie locaties, de Starter met twee locaties, de Boerhaave met twee locaties en de Bredero met één locatie. Het aantal locaties wordt teruggebracht naar zeven: • Bij de Haydnschool vindt nieuwbouw plaats. Daardoor wordt het aantal locaties vanaf 2013 teruggebracht naar twee. • Bij de Starter wordt de onderbouw verplaatst van de noodgebouwen naar een permanente locatie aan de Paterswoldseweg. De verwachting is dat dit in 2014 is voltooid. • Bij de Boerhaave vindt nieuwbouw plaats. Die is gereed in 2013. Het aantal

20


locaties blijft twee. Daarnaast wordt voorgesteld de mogelijkheid te onder zoeken Montessori te concentreren bij de Boerhaave. • De Bredero is groot genoeg om als zelfstandige school te blijven functio neren. Speciaal (basis) onderwijs SBO Dr. Bekenkamp Het speciaal basisonderwijs (SBO) heeft op dit moment drie locaties: Blekerslaan, Travertijn en Wilgenlaan. Het SBO blijft als aparte school bestaan. In de locaties wordt wel een wijziging doorgevoerd: • Het voorstel is de Wilgenlaan op te heffen; • De Travertijn blijft als locatie bestaan. • Op dit moment is de Blekerslaan de hoofdvestiging van het SBO. Het voor stel is te onderzoeken of deze locatie kan worden opgeheven en kan wor den ingevoegd bij de Warmoesstraat, locatie van de Borgmanschool. Speciaal onderwijs In het speciaal onderwijs zijn drie scholen actief op acht locaties: de Mytylschool met twee locaties, de W.A. van Lieflandschool met drie locaties en de Buitenschool met één locatie. De drie scholen in het SO gaan samenwerken binnen één gespecialiseerd instituut onder een nieuwe naam met drie locaties: • De Buitenschool wordt verplaatst van Glimmen naast de locatie van de Mytylschool in Haren. • De locatie van de Mytylschool in Emmen wordt overgedragen aan de gemeente Emmen; • De locatie van de Van Lieflandschool aan de Canadalaan 8 wordt gesloten. In onderstaand overzicht zijn de voorgestelde maatregelen op het gebied van huisvesting gefaseerd. Deze maatregelen moeten op een projectmatige manier worden uitgevoerd. Daarvoor moet capaciteit beschikbaar worden gesteld vanuit O2G2 of via tijdelijke inhuur. Maatregel

Fasering

Samenvoegen twee locaties Beijumkorf

Streven: Augustus 2013

Samenvoegen De Dijk en de Doefmat

Augustus 2013

Samenvoegen Catamaran/Tweemaster

Augustus 2012

21


Sluiten Oldenbarnevelt Karrepad

Augustus 2013

Sluiten Wilgenlaan SBO

Augustus 2013

Samenvoegen de Vlint en AMG Schmidtschool als nieuwe school. Huisvesting indien mogelijk.

Augustus 2013

Verhuizing drie locaties Borgmanschool naar Cibogaterrein

Augustus 2016

Samenvoegen Borgman en SJ Bouma als nieuwe school

2012-2013

Verhuizen SBO Blekerstraat naar Warmoesstraat Borgman

Januari 2013

Afstoten locatie Vinkestraat voor SJ Bouma

Augustus 2011

Nieuwbouw Haydn en afstoten 1 locatie

Augustus 2013

Nieuwbouw Boerhaave

Augustus 2013

Verplaatsen locatie Starter naar aangepaste bouw

Augustus 2014

Verplaatsen van de Buitenschool in Glimmen naar Haren Mytyl

Augustus 2012

Overdragen locatie Mytyl Emmen aan de gemeente Emmen

Augustus 2012

Afstoten locatie Canadalaan 8 van het SO

Augustus 2012

3.3 Voorgestelde maatregelen voortgezet onderwijs De visie op het Voortgezet Onderwijs is nog onvoldoende uitgewerkt. Daar wordt op dit moment wel hard aan gewerkt. Vooruitlopend hierop is onderstaand aangegeven welke maatregelen kunnen worden genomen binnen het VO: 3.3.1 Onderwijs: • Herzien van de onderwijsconfiguratie: voorgesteld wordt om de configura- tie van het onderwijs opnieuw te bekijken en in te richten met als doel kwalitatief en economisch hoogwaardig onderwijs. Vooruitlopend op de nieuwe configuratie stelt de taskforce het volgende voor: o Gezien de omvang van enkele afdelingen van het vmbo op de verschillende VO-scholen, zal het de onderwijskwaliteit ten goede komen wanneer deze worden samengevoegd. Het gaat hierbij met name om de afdelingen handel en zorg & welzijn. o De twee LOOT-scholen bieden leerlingen op basis van de wet faciliteiten om onder andere: aangepast te toetsen, vrijstelling te krijgen voor sommige vakken, gespreid examen te doen en begeleid te worden door een deskundige mentor. Daarnaast profileren LOOT-scholen zich in mindere of meerdere mate als school

22


met trainingsfaciliteiten in huis, als extra’s voor de leerlingen. De kosten zijn navenant voor de school of soms voor de school en de bond samen. De bedragen voor meerdere sporten samen lopen hoog op. Voorgesteld wordt om voor beide scholen een eenduidige profilering te maken in de LOOT-activiteiten.

3.3.2 Personeel: • Op alle VO-scholen is afgelopen jaar het taakbeleid onder de loep geno- men. Voorgesteld wordt om niet voor elke docent een percentage scho- lingstijd uit de jaartaak te halen, zoals in veel vormen van taakbeleid gebeurt. Dat betekent eigenlijk dat de jaartaak geen 1659 uur is maar 1659 - 5 tot 10%. Scholing is maatwerk. Uitgangspunt moet zijn 1659 uur werken en in overleg per schooljaar persoonlijke scholingstijd op basis van een af- gesproken plan. Team- of  studiedagscholing vindt plaats op vergadermid dagen en maakt deel uit van de opslagfactor per les. • Efficiënt formeren: o Fulltime docenten maximaal 750 lesuren per jaar, parttime meer naar rato. o Eerst alle lessen toebedelen, dan ruimte voor taken bepalen. o Inzet LIO’s op plekken waar kleine vacatures zijn (biologie, Frans, geschiedenis, economie, klassieke talen). o Onderwijsondersteunend personeel (OOP)-taken worden nu regelmatig uitgevoerd door ondersteunend personeel (OP). Die taken moeten worden ondergebracht bij OOP. Zo komt de focus op de onderwijstaak te liggen en worden de ondersteunende taken uitgevoerd door de juiste functionarissen. • Vacatures/natuurlijk verloop: o Vacatureruimte beperken; streven naar aanstellingen in LB, rekening houdend met de functiemix. o Minimaal of niet vervangen van formatie in onderwijsondersteunend personeel. o Bij pensionering goedkoper vervangen. o In goed overleg kan er worden inverdiend op de BAPO-regeling. Bovendien moet in overleg met de VO-raad een betaalbare BAPO-regeling mogelijk worden. 3.3.3 Huisvesting: • Het Werkman College en het Heyerdahl College zijn in het schooljaar 2011 in de Kluiverboom getrokken. Het Heyerdahl College biedt praktijkond wijs, het Werkman plaatst het vmbo in de nieuwe school. De leerling

23


ontwikkeling bij het Heyerdahl College is stabiel tot licht dalend en heeft een totale omvang van 100 leerlingen. Het voorstel is om het Heyerdahl College en het Werkman in 2012 samen te voegen. Deze samenvoeging kan organisatorisch plaatsvinden op korte termijn. De twee brinnummers zullen behouden blijven.

3.4 Voorgestelde maatregelen ondersteuningsbureau Het ondersteuningsbureau moet slagvaardig en efficiënt zijn. De huidige formatie is kwalitatief en kwantitatief niet zodanig samengesteld dat die de producten en diensten kan leveren waar behoefte aan is. Er zal een visie worden opgesteld op de gewenste inrichting en ontwikkeling van het ondersteuningsbureau. Daarbij worden ook de mogelijkheden voor outsourcing van bepaalde diensten onderzocht. Het samenvoegen van de functies van concern controller en hoofd services & administratie levert, samen met de verhuizing van het ondersteuningsbureau naar een andere locatie, per saldo al een concrete besparing op. Sommige scholen – met name in het voortgezet onderwijs – beschikken naast het centrale ondersteuningsbureau ook over decentrale ondersteunende diensten. Berenschot heeft een benchmarkonderzoek uitgevoerd naar de omvang en kwaliteit van de ondersteunende diensten op de scholen en het ondersteuningsbureau. Naar aanleiding van deze Benchmark zal in de tweede helft van 2012 een vervolg onderzoek uitgevoerd worden. Dit onderzoek moet een analyse opleveren welke ondersteunende diensten en ondersteunende functies centraal en decentraal nodig zijn om de organisatie zo efficiënt mogelijk in te richten.

3.5 Voortgang De taskforce is met het College van Bestuur een planning overeengekomen om de voorgestelde maatregelen uit te voeren (zie schema hieronder). Een begeleidingsgroep gaat aan de slag om ervoor te zorgen dat de planning wordt gehaald. Daarbij ligt de focus op de drie onderling samenhangende processen: • Verdere ontwikkeling en invulling van de onderwijsvisie en het wijkcluster- gericht werken.

24


• Het samenvoegen van scholen en het inkrimpen van het aantal locaties als gevolg van dalende leerlingaantallen en het aantal kleine scholen binnen het bestuur van O2G2. • Herziening van kwantiteit, kwaliteit en organisatie van de ondersteuning. De begeleidingsgroep coÜrdineert de uitvoering, bewaakt de voortgang en verzorgt de communicatie met de belangrijkste stakeholders. De begeleidingsgroep wordt ondersteund door verschillende werkgroepen die de maatregelen inhoudelijk voorbereiden en uitwerken. De samenstelling van de werkgroep hangt af van het betreffende onderwerp. De begeleidingsgroep legt adviezen voor aan het College van Bestuur, vervolgens beslist het College van Bestuur daarover.

Maart 2012

April 2012

Mei 2012

Juni 2012 Juli 2012

Augustus e.v. 2012

1. Bespreken discussiemoment met rectoren en directeuren 2. Presentatie aan de GMR

Fase 1 3. Presentatie aan wethouder en raadscie 4. Aanscherpen visiedocument

6. Prioriteren en verdiepen verbetervoorstellen

Fase 2 7. Definitieve besluitvorming CvB

Fase 3

Resultaten

8. Uitvoeren maatregelen

9. Voortgangs- en resultaatbijeenkomst werkgroep, begeleidingsgroep en College van Bestuur

25


Bezoekadres Leonard Springerlaan 39 9727 KB Groningen Postadres Postbus 744 9700 AS Groningen Telefoon 050-36 88 800 info@o2g2.nl www.o2g2.nl


Samen op weg naar beter en betaalbaar onderwijs