Page 1

Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

GEHEIMHOUDING & PRIVACY

Een handreiking voor maatschappelijk werkers

1


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Colofon Geheimhouding & Privacy en is een uitgave van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers/NVMW, platform en netwerk voor social professionals. Herziene uitgave Eerste uitgave, 2010 Samengesteld door: Redactie: Met dank aan:

Drs. Magteld Beun, stafmedewerker NVMW Mr. Marianne Verhage – Van Kooten Mr. Ank van den Berg, Mr. drs. Brechtje Lijnse

Contact Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers / NVMW Leidseweg 80 3531 BE Utrecht T (030) 294 86 03 F (030) 293 92 25 E maatswk@nvmw.nl I www.nvmw.nl S www.twitter.com/nvmw Bestellen Geheimhouding & Privacy is te bestellen in de webwinkel op www.nvmw.nl Copyright Š 2012 Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers. Niets uit deze uitgave mag worden opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, vermenigvuldigd of openbaar gemaakt, hetzij elektronisch, hetzij door middel van druk, fotokopie, geluidstape of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

2


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

1. Inhoudsopgave 1. Inhoudsopgave 2. Inleiding 3. Geheimhouding 3.1 Geheimhouding volgens de Beroepscode voor de maatschappelijk werker 3.2 Geheimhoudingsplicht – het wetboek van strafrecht 3.3 Verschoningsrecht - (artikel 165 Rv) en (artikel218 Sv) 3.4 Uitzonderingen op geheimhouding: maatschappelijk werk, het conflict van plichten en bemoeizorg 3.5 Geheimhouding en samenwerking 4. Relevante wetten 4.1 De verdragen en de grondwet - het begrip privacy 4.2 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) 4.2.1 Vastleggen van gegevens 4.2.2 Gegevens die niet mogen worden vastgelegd 4.2.3 Bewaartermijn (cliënt)gegevens 4.2.4 Inzage en informatieverstrekking aan de cliënt 4.2.5 Uitzonderingen op geheimhouding binnen de Wbp 4.3 De Wet Geneeskundige Behandel Overeenkomst (WGBO) 4.3.1 Relatie professional – cliënt 4.3.2 Geheimhouding binnen de WGBO 4.3.3 Minderjarigen/wettelijke vertegenwoordigers 4.3.4 Vastleggen, inkijken, wijzigen, vernietigen en bewaren van cliëntgegevens 4.3.5 Uitzonderingen op geheimhouding binnen de WGBO 4.4 Wet op de Jeugdzorg 4.4.1 Geheimhouding binnen de Wet op de Jeugdzorg 4.4.2 Minderjarigen/wettelijke vertegenwoordigers 4.4.3 Vastleggen, inzage, bewaren en vernietigen van gegevens 4.4.4 Uitzonderingen op geheimhouding binnen de Wet op de Jeugdzorg 5. Ontwikkelingen door de wetgever op het terrein van privacy en geheimhouding

3 4 5 6 10 11 12 14 16 16 18 18 21 22 22 23 24 24 25 26 28 30 31 31 33

33 38 47

5.1 Informatieverstrekking aan Bureau’s Jeugdzorg 47 5.2 Landelijke verplichte meldcode kindermishandeling, huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, vrouwenbesnijdenis, ook voor maatschappelijk werkers 48 6. Ontwikkelingen in branches en beroepsverenigingen 6.1 KNMG Nieuwe code melding kindermishandeling: ‘Spreken, tenzij versus Zwijgen, tenzij.’ 6.2 GGZ-Nederland nieuw standpunt aanpak kindermishandeling door psychiatrische ouders 7. Bronnen en advies 7.1 Gebruikte literatuur 7.2 Geraadpleegde websites 7.3 Juridisch advies 7.4 Beroepsregistratie 8. Over de NVMW

50

50 51 51 51 51 52 52

Bijlage 1: Overzichtsschema’s : Spreken of zwijgen?

53

50

3


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

2. Inleiding 1

Iedere professional die lid is van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers/NVMW 2 3 houdt zich aan de Beroepscode voor de maatschappelijk werker , en is via het tuchtrecht op deze beroepscode aanspreekbaar. Zo biedt de code leden en niet leden een norm voor geheimhouding, omdat binnen de hulpverleningsrelatie een geheimhoudingsplicht geldt voor alles wat de maatschappelijk werker in zijn functie over de cliënt te weten komt. In principe mag hij daarover alleen met toestemming van zijn cliënt aan anderen informatie verstrekken (Lydia Janssen, 2003). Enerzijds is de norm voor geheimhouding gebaseerd op de vertrouwensrelatie tussen maatschappelijk werker en cliënt en anderzijds op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de cliënt. Geheimhouding Het begrip geheimhouding is van belang voor de beroepsgroep, omdat het beroep van maatschappelijk werker geen specifiek voor de beroepsgroep geldend wettelijk beroepsgeheim kent, maar wel een afgeleide wettelijke geheimhoudingplicht. Ook is kenmerkend voor het beroep van maatschappelijk werker dat de werkzaamheden dikwijls binnen zeer verschillende instellingen plaatsvinden. Daarmee kleurt de invulling van het begrip geheimhouding als het ware mee met de functie van de maatschappelijk werker. Zo is de jeugdhulpverlener gebonden aan de geheimhoudingsplicht zoals uitgewerkt in de Wet op de Jeugdzorg. In de jeugdzorg hebben sommige professionals een geheimhoudingsplicht. Voor de medewerker van de reclassering gelden weer andere wettelijke regels, want zo nodig rapporteert de professional ook zonder instemming van de cliënt aan justitie. De bedrijfsmaatschappelijk werker heeft weer een geheel eigen positie en dus ook weer een enigszins specifieke geheimhouding. In het algemeen kan worden gezegd dat de maatschappelijk werker geheimhouding laat invullen door de functie die hij bekleedt en daarmee door de wettelijke regels en privacyreglementen die voor zijn functie gelden (Lydia Janssen, 2003). Overzichtsschema’s

Om een kort en overzichtelijk overzicht te geven van de wettelijke regels en privacyreglementen brengt deze handreiking het begrip geheimhouding terug tot drie schema’s (zie bijlage 1). De schema’s leggen de afweging om al dan niet te zwijgen langs de meetlatten van zwijgplicht, conflict van plichten. Handreiking Ook staat in deze uitgave de bestaande wet- en regelgeving die voor maatschappelijk werkers van toepassing kan zijn kort uitgelegd. Relevante thema’s en wet- en regelgeving worden steeds ingeleid en toegelicht, afgewisseld door de letterlijke wetteksten in kaders, zoals deze zijn te vinden op www.wetten.overheid.nl. Uitgangspunten Op grond van bestaande wet- en regelgeving en de Beroepscode van het maatschappelijk werk gelden in relatie tot het thema geheimhouding de volgende uitgangspunten: Met toestemming van de cliënt is het mogelijk gegevens over de cliënt uit te wisselen; Samenwerking tussen professionals is mogelijk, binnen grenzen. Zonder toestemming van de cliënt is het alleen mogelijk informatie te verstrekken aan derden, wanneer wetgeving daar de mogelijkheid voor biedt, de cliënt niet in staat is zijn wil te bepalen, levensbelangen van anderen ernstig worden bedreigd (overmacht) of in het kader van bemoeizorg. Er moet in de laatste drie gevallen wel sprake zijn van verantwoord beroepsmatig handelen. Advies Het spreekt voor zich dat maatschappelijk werkers behoefte kunnen hebben aan (juridisch) advies, naast het verplichte collegiale overleg. In het lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers / NVMW is de service om individueel casusadvies aan te vragen bij een 1

Of geregistreerd is in het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk werkers/BAMw Sinds maatschappelijk werkers in 1962 een eigen beroepscode hebben ontwikkeld, is deze meerdere keren herzien. Voor het laatst in 2010. De Beroepscode en het beroepsprofiel van maatschappelijk werkers is in te zien of te bestellen in de webwinkel op www.nvmw.nl. 3 In de tekst wordt taalkundig steeds de mannelijke vorm (beroepsbeoefenaar, hij, zijn, etc.) gehanteerd, zowel ten aanzien van de maatschappelijk werker als ook de cliënt. 2

4


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

stafmedewerker inbegrepen, evenals een juridisch advies. Het is ook mogelijk om bij de helpdesk van het ministerie van justitie informatie in te winnen. Meer informatie hierover treft u op pagina 46.

3. Geheimhouding Hoewel het beroep maatschappelijk werker geen wettelijke beroepsgeheim kent, is het wel mogelijk om van een afgeleide wettelijke geheimhoudingsplicht te spreken. Deze geheimhoudingsplicht wordt onder andere afgeleid uit de algemene privacybepalingen in het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, de Grondwet en het Wetboek van strafrecht. Regels met betrekking tot geheimhouding en de beroepscodes zijn ontwikkeld vanuit het oogpunt van het beschermen van de belangen van cliënten en patiënten. Daarbij worden twee elementen onderscheiden. In de eerste plaats zijn er de regels die willen waarborgen dat een bepaalde beroepsgroep het vertrouwen geniet van cliënten en patiënten, zodat zij zich vrij voelen om zich met hun individuele nood te wenden tot de individuele beroepsbeoefenaar. In de tweede plaats zijn er regels die vooral tot doel hebben de privacy te waarborgen. (Lydia Janssen en Paul Baeten, Samenwerking en Beroepsgeheim, NIZW 2002). Kernpunt van de Beroepscode voor de maatschappelijk werker is de vertrouwensrelatie tussen de cliënt en de maatschappelijk werker. Binnen de vertrouwensrelatie geldt een geheimhoudingsplicht voor alles wat de maatschappelijk werker in zijn functie over de cliënt te weten komt, tenzij de cliënt toestemming geeft voor het verstrekken van informatie. (Lydia Janssen en Paul Baeten, Samenwerking en Beroepsgeheim, NIZW 2002). Europees Verdrag van de Rechten van de Mens Art 8 | Recht op eerbiediging van privé, familie en gezinsleven

bron: www.wetten.overheid.nl

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Grondwet 1815 (Gw) Hoofdstuk 1: Grondrechten

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 10 | Hoofdstuk 1: Grondrechten

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

5


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wetboek van Strafrecht (Sr) Boek 2 | Misdrijven Titel 17 Schending van geheimen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 272 | Sr, Boek 2, Titel 17

1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.

3.1 Geheimhouding volgens de Beroepscode voor de maatschappelijk werker Maatschappelijk werkers hebben sinds 1962 een beroepscode. Deze code is ontwikkeld door (en eigendom van) de beroepsvereniging van maatschappelijk werkers, de NVMW. In 2010 is in opdracht van de NVMW een volledig herziene uitgave tot stand gekomen. Alleen maatschappelijk werkers die lid zijn van de beroepsvereniging Nederlandse Verenging van Maatschappelijk Werkers / NVMW én beroepsgeregistreerden (in het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk Werkers / BAMw) hebben zich verplicht om zich aan de beroepscode te zullen houden, waardoor voor leden van de NVMW en BAMw-geregistreerden de beroepscode het tuchtrechtelijk toetsingskader is. Voor de overige maatschappelijk werkers is de beroepscode een richtlijn die inzicht geeft in de handelingsruimte bij juridisch / ethische dilemma’s tijdens de uitvoering van het werk. Ondanks dat deze groep van maatschappelijk werkers tuchtrechtelijk niet aanspreekbaar is, zijn zij juridisch wel gebonden aan de beroepscode die voor het beroep ontwikkeld is. Als er bijvoorbeeld een strafzaak aangespannen wordt in het kader van het overtreden van de plicht tot geheimhouding, dan zal de rechter daar zeker de beroepscode bij betrekken. De persoon in kwestie geeft zich namelijk wel als maatschappelijk werker uit. Dus ook maatschappelijk werkers die geen banden zijn aangegaan met de beroepsvereniging of het beroepsregister, en zich wel uitgeven voor maatschappelijk werker, dienen zich te verhouden tot de beroepscode en zijn juridisch aanspreekbaar. Beroepscodes zijn geen algemeen bindende voorschriften, maar beslissingsondersteunende normen. Zij figureren in de wet als ‘de professionele standaard’ genoemd in artikel 7: 453 BW. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 453 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

De hulpverlener moet bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard.

De normen die zijn vastgelegd in een beroepscode kunnen ook, zoals hierboven aangegeven, (achteraf) door de rechter als toetssteen voor het handelen worden gebruikt. Op welke wijze de rechter toetst, afwegingen maakt en vastlegt, staat in paragraaf 2. Om juridisch (en ethisch) correct te kunnen handelen, is het van belang dat alle maatschappelijk werkers dilemma’s volgens vastgelegde stappen afwegen en dit samen met de uitkomst van dat proces vastleggen in hun dossiers, op de in de beroepscode beschreven wijze. De tekst (en uitleg) van hetgeen de Beroepscode voor de maatschappelijk werker op het punt van geheimhouding en privacy geeft, wordt in deze paragraaf beschreven en toegelicht. In de huidige beroepscode handelen de artikelen 5 tot en met 9 over de verhouding van maatschappelijk werker en cliënt in het algemeen. De artikelen 10 tot 15 gaan specifiek over het

6


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

thema ‘vertrouwelijkheid’. De artikelen 15 tot 19 behandelen het dossier en de artikelen 19 tot 22 regelen de samenwerking. De artikelen 10 tot en met 21 die specifiek over vertrouwelijkheid en samenwerking gaan luiden met de toelichting als volgt:

VERTROUWELIJKHEID 10 De maatschappelijk werker heeft de plicht tot geheimhouding van informatie over de persoon en omstandigheden van de cliënt. Toelichting: Bij het aangaan van een professionele relatie dient de maatschappelijk werker een betrouwbare partner te zijn. De cliënt moet er op kunnen rekenen dat informatie die een vertrouwelijk karakter heeft, geheim blijft. De plicht tot geheimhouding dient niet alleen het belang van de cliënt, maar ook het algemeen belang en dat van het beroep. Elke burger moet zich zonder angst voor schending van 4 de privacy tot een maatschappelijk werker kunnen wenden. 11 De maatschappelijk werker vraagt toestemming van de cliënt, voordat hij aan derden informatie over de cliënt vraagt of verschaft, of met hen overlegt om op te treden voor of namens de cliënt. Toelichting: Iedere keer dat de maatschappelijk werker informatie over de cliënt met derden wil delen, vraagt hij toestemming aan de cliënt en legt hij de toestemming vast in het dossier. Geen toestemming is nodig als: • wettelijke bepalingen of regels gelden die hiervan afwijken, maar die wel bekend zijn bij de cliënt; • meerdere hulpverleners een functionele professionele relatie met dezelfde cliënt hebben en de cliënt daarvan op de hoogte is, bijvoorbeeld als omschreven in een instellingsgeheimhoudingsplicht; • levensbelangen op het spel staan (zie artikel 13). Toestemming van de cliënt betekent niet automatisch dat de maatschappelijk werker ook altijd informatie met derden deelt (zie artikel 12). Geen toestemming van de cliënt betekent niet dat de hulpverlening stopt. Zie de hiervoor de toetsingscriteria in de toelichting van artikel 9. Om te voorkomen dat bij regelmatige (telefonische of e-mail-)contacten met vaste samenwerkingspartners voor elk contact aan de cliënt toestemming moet worden gevraagd, kan schriftelijke toestemming voor een langere periode worden gevraagd. E-mail vraagt extra attentie ten aanzien van het kunnen realiseren van de artikelen 10 (geheimhouding gegevens in intern automatiseringssysteem) en 12 (blijvend zorgvuldig omgaan met een toestemming). 12 De maatschappelijk werker weegt bij toestemming van de cliënt tot het opheffen van de geheimhoudingsplicht zorgvuldig alle belangen en waarden af, alvorens te beslissen of hij daadwerkelijk volgens die toestemming kan en wil handelen. Toelichting: Met zorgvuldig professioneel handelen en inachtneming van wet- en regelgeving en beroepscodeartikelen 9 tot en met 13 kan de maatschappelijk werker in de gegeven situatie afwegen welk van de in het geding zijnde belangen dient te prevaleren. 13 De maatschappelijk werker handelt buiten medeweten en toestemming van de cliënt als levensbelangen van de cliënt of van anderen ernstig worden bedreigd, of wanneer de cliënt niet in staat is zijn wil ter zake te bepalen. In alle gevallen overlegt hij met beroepsgenoten en / of andere deskundigen en verantwoordt hij zijn handelen tegenover de cliënt.

4

Artikel 10 is gebaseerd op artikel 272 uit het Wetboek van Strafrecht.

7


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Toelichting: Met ‘bedreigd levensbelang’ wordt gevaar, zoals (huiselijk) geweld of andere ernstige risico’s voor het (fysieke, psychische en / of sociale) leven, bedoeld. Met ‘levensbelangen van de cliënt of van anderen’ worden ook de bij de hulpverlening betrokken hulpverleners (bijvoorbeeld de maatschappelijk werker zelf) bedoeld. Als de cliënt zelf (tijdelijk) niet in staat is zijn wil ter zake te bepalen of wanneer wettelijke vertegenwoordigers en / of naasten van de cliënt (tijdelijk) niet in staat of bevoegd zijn om namens de cliënt te handelen, is voor zover nodig overnemen van de verantwoordelijkheid van de cliënt aan de orde. In dergelijke gevallen is zorgvuldig professioneel handelen noodzakelijk, inclusief professioneel overleg. Ook dient de professional wettelijke kaders en waarden en belangen die in het geding zijn af te wegen. De maatschappelijk werker heeft het wettelijk meldrecht en de morele plicht om in deze situaties buiten medeweten en toestemming van de cliënt te handelen. Melding vindt plaats bij de bevoegde organen, zoals bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling en het Steunpunt Huiselijk Geweld. Indien nodig volgt hij de Meldcode. 14. De maatschappelijk werker beroept zich bij de rechter op zijn geheimhoudingsplicht, indien het afleggen van een getuigenis of beantwoording van bepaalde vragen strijdig is met die plicht. Toelichting: Als de maatschappelijk werker geen toestemming van de cliënt heeft om te getuigen of als er andere zwaarwegende redenen (zie artikel 13) zijn om niet te spreken dan kan de maatschappelijk werker een beroep doen op zijn geheimhoudingsplicht en weigeren om antwoord te geven op vragen die de rechter hem stelt. Het is aan de rechter om te beoordelen of dat terecht gebeurt.

DOSSIER 15 De maatschappelijk werker verzamelt over persoon en omstandigheden van de cliënt, en over de voortgang van het hulpverleningsproces, in het cliëntdossier gegevens die relevant zijn voor de doelstelling van de hulpverlening. Toelichting: Dossiervorming is noodzakelijk om een verantwoord hulpverleningsproces op te bouwen, dit te kunnen verantwoorden tegenover de cliënt en om de hulpverlening zo nodig over te kunnen dragen. 16 De maatschappelijk werker bewaakt dat vastgelegde vertrouwelijke gegevens ontoegankelijk zijn voor personen die niet functioneel betrokken zijn bij het hulpverleningsproces. Toelichting: Bij geautomatiseerde dossiervorming betekent dit dat door middel van wachtwoorden voorkomen wordt dat digitaal opgeslagen dossiers vrij toegankelijk zijn. Artikel 16 dient in het instellingsprivacyreglement of kwaliteitssysteem te worden opgenomen. Versleutelen van vertrouwelijke informatie is een verantwoordelijkheid die wordt gedeeld met collega’s. 17 De maatschappelijk werker verleent de cliënt en / of zijn wettelijke vertegenwoordiger desgevraagd inzage in het dossier, voor zover dit voor de cliënt of anderen geen ernstig nadeel oplevert. Wanneer genoemd nadeel er wel is, verleent de maatschappelijk werker inzage aan een door de cliënt aan te wijzen professionele vertrouwenspersoon. Toelichting: De maatschappelijk werker maakt een inschatting van mogelijk ernstig nadeel dat kan optreden bij inzage. Door zorgvuldig professioneel handelen, met inachtneming van wet- en regelgeving en de artikelen 9 tot en met 13, weegt de maatschappelijk werker af welk belang dient te prevaleren.

8


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

18 De maatschappelijk werker biedt de cliënt en / of zijn wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid om gegevens in het dossier aan te vullen of te corrigeren. Toelichting: De maatschappelijk werker ziet er op toe dat de aan te vullen gegevens relevant zijn voor het hulpverleningsproces. De maatschappelijk werker geeft in het dossier aan welke tekstonderdelen afkomstig zijn van de cliënt of diens vertegenwoordiger.

SAMENWERKING 19 De maatschappelijk werker werkt samen met anderen binnen en buiten de eigen organisatie wanneer dit in het belang is van het hulpverleningsproces. In de samenwerking werkt hij mee aan een goede regie en afstemming van de hulpverlening en erkent hij de eigen aard en waarde van de bijdrage van anderen. Toelichting: Een belangrijke vereiste van een goede beroepsuitoefening is de samenwerking en afstemming van de hulp- en dienstverlening met andere personen en instanties ter realisering van de doelstelling van het beroep, casu quo het hulpverleningsproces. Het kan hierbij gaan om professionals, vrijwilligers, mantelzorgers of derden. Bij vrijwilligers en mantelzorgers geldt bijzondere aandacht voor de positie waarin zij werken en het belang van de maatschappelijk werker om in deze samenwerking de beroepswaarden zo nodig te verduidelijken. Ook zijn artikelen 9 tot en met 13 van toepassing. 20 De maatschappelijk werker zwijgt over alle vertrouwelijke informatie die hij in de samenwerking van samenwerkingspartners verkrijgt. Tenzij het over misstanden bij personen of organisaties gaat die het opheffen van de vertrouwelijkheid rechtvaardigen en hem tot actie verplichten. Een beslissing hierover neemt hij na overleg met beroepsgenoten, de eigen organisatie en andere relevante deskundigen. Toelichting: Het gaat hier dus om personen en organisaties met wie de maatschappelijk werker samenwerkt. De maatschappelijk werker zal zich in het geval van misstanden moeten afvragen of het overgaan tot actie een zwaarder wegend belang dient dan het in acht nemen van de vertrouwelijkheid naar de samenwerkingspartner. Als de samenwerkingspartner een maatschappelijk werker is die het belang van een cliënt en / of het vertrouwen in het beroep ernstig schaadt, is ook artikel 27 van toepassing. Indien sprake is van misstanden in relatie tot een cliënt geldt artikel 11. 21 De maatschappelijk werker verleent geen medewerking aan werkzaamheden van anderen als deze in strijd zijn met de Beroepscode. Toelichting: In de samenwerking met anderen geldt deze Beroepscode onverkort voor de bijdrage van de maatschappelijk werker. De maatschappelijk werker onderzoekt of de condities voor het werken volgens de Beroepscode in de samenwerking aanwezig zijn. (Beroepscode voor de maatschappelijk werker, NVMW 2010).

9


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

3.2 Geheimhoudingsplicht – het wetboek van strafrecht Het opzettelijk overtreden van de geheimhoudingsplicht wordt strafbaar gesteld in het wetboek van strafrecht (artikel 272) en kan een geldboete of een gevangenisstraf van maximaal een jaar opleveren. Ook voor maatschappelijk werkers geldt in het kader van de geheimhoudingsplicht de norm van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, ook al wordt de beroepsgroep niet specifiek genoemd in een wetsartikel. De wet verplicht hen vertrouwelijk om te gaan met cliëntgegevens. Doel van de geheimhoudingsplicht is om de drempel voor de cliënt om te spreken te verlagen en om hem in een vroeg stadium te betrekken bij de zorg en de aanpak van de hulpverlening. In een arrest uit 1955 heeft de Hoge Raad overwogen dat artikel 272 Sr slechts op het oog heeft ‘ambtenaren of beroepen, welke door hun aard, dus ongeacht een in het bijzonder overeen gekomen verplichting tot geheimhouding, zodanige verplichtingen medebrengen voor hen die deze ambten of beroepen uitoefenen, en gevolglijk ook voor hen die als ondergeschikte medewerkers in hun geheimen betrokken, deze verplichting met hen delen.’ De Hoge Raad maakte in dit arrest niet duidelijk of (en zo ja welke) ook andere ambten dan wel beroepen dan de traditionele verschoningsgerechtigden als bedoeld in artikel 218 SV onder de reikwijdte van 272 Sr vallen. (Banken en witwassen, V. Mul, 1999). In 1965 heeft de Hoge Raad in een arrest bepaald dat ook een maatschappelijk werker zich uit hoofde van zijn beroep schuldig kan maken aan het delict 272 Sr. Het recht op geheimhouding is echter niet absoluut. In 1994 heeft de Hoge Raad in de zaak Valkenhorst (meerderjarig kind wilde inzage in de afstammingsgegevens van zijn vader, terwijl moeder was overleden en een instelling over gegevens beschikte) geoordeeld dat onder bepaalde omstandigheden rekening houdend met een gerechtvaardig belang van de vrager het recht op privacy doorbroken kan worden. (NVMW verslag Studiemiddag Geheimhouding– Marianne Verhage – Van Kooten, 2008). Wetboek van Strafrecht (Sr) Boek 2 Misdrijven Titel 17 Schending van geheimen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 272 | Sr, Boek 2, Titel 17

1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2.

Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.

Wetboek van Strafrecht (Sr) Boek 2 Misdrijven Titel 17 Schending van geheimen

bron: www.wetten.overheid.n

Artikel 273 | Sr, Boek 2, Titel 17

1.

Met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die opzettelijk 1°. aangaande een onderneming van hande l, nijverheid of dienstverlening bij welke hij werkzaam is of is geweest, bijzonderheden waarvan hem geheimhouding is opgelegd, bekend gemaakt of 2°. gegevens die door misdrijf zijn ver kregen uit een geautomatiseerd werk van een onderneming van handel, nijverheid of dienstverlening en die betrekking hebben op deze onderneming, bekend maakt of uit winstbejag gebruikt, indien deze gegevens ten tijde van de bekendmaking of het gebruik niet algemeen bekend waren en daaruit enig nadeel kan ontstaan. 2.

Niet strafbaar is hij die te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het algemeen belang de bekendmaking vereiste.

3.

Geen vervolging heeft plaats dan op klacht van het bestuur van de onderneming.

10


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wetboek van Strafvordering (Sv) Boek 2 Afdeling 4 Het verhoor van den getuige

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 218 | Sv, Boek 2, Titel 3, Afdeling 4

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

3.3 Verschoningsrecht - (artikel 165 Rv) en (artikel 218 Sv) Het beroepsgeheim brengt de zwijgplicht en het verschoningsrecht met zich mee. Zowel in het burgerlijk (civiel) recht als in het strafrecht komt het verschoningsrecht terug. Beide wetboeken zijn van toepassing. De zwijgplicht geldt tegenover iedereen, het verschoningsrecht tegenover de rechter en de rechter-commissaris. Verschoningsrecht is het recht van een getuige om te weigeren antwoord te geven op vragen die door een rechter aan hem of haar worden gesteld. In Nederland bestaat het verschoningsrecht voor twee categorieën getuigen. Te weten: • •

e familieleden van één van de bij het proces betrokken partijen zoals de (ex-)echtgenoot(-e), (ex)geregistreerde partner, kinderen, stiefkinderen, en ouders; de personen die in hun dagelijks beroep verplicht zijn tot geheimhouding.

Verschoningsrecht ontslaat beroepsbeoefenaren met een door de wet erkend beroepsgeheim, zoals artsen, geestelijken en advocaten, als zij ter zitting wordt opgeroepen om een verklaring af te leggen, van de plicht om te getuigen. Voor professionals met een van de wet afgeleide geheimhoudingsplicht daarentegen stelt de rechter van geval tot geval vast of zij zich terecht op hun zwijgplicht beroepen. Zou een maatschappelijk werker ter zitting worden opgeroepen als getuige, en krijgt hij geen toestemming van de cliënt om te spreken, dan kan hij ter plekke een beroep doen op zijn verschoningsrecht. Het is dan aan de rechter om te beoordelen of dat terecht gebeurt of dat de maatschappelijk werker wel als getuige moet spreken. (Lydia Janssen, 2003). Burgerlijke rechtsvordering (Rv) Boek 1, afdeling 9 De dagvaardingsprocedure in eerste aanleg, het bewijs

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 165 | Rv, Boek 1, Titel 2, Afdeling 9, Paragraaf 4

1.

Een ieder, daartoe op wettige wijze opgeroepen, is verplicht getuigenis af te leggen.

2.

Van deze verplichting kunnen zich verschonen: a. de echtgenoot en de vroegere echtgenoot dan wel de geregistreerde partner en de vroegere geregistreerde partner van een partij, de bloed- of aanverwanten van een partij of van de echtgenoot of van de geregistreerde partner van een partij, tot de tweede graad ingesloten, een en ander tenzij de partij in hoedanigheid optreedt; b. zij die tot geheimhouding verplicht zijn uit hoofde van hun ambt, beroep of betrekking omtrent hetgeen hun in die hoedanigheid is toevertrouwd. 3. De getuige kan zich verschonen van het beantwoorden van een hem gestelde vraag, indien hij daardoor of zichzelf, of een van zijn bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn in de tweede of derde graad, of zijn echtgenoot of vroegere echtgenoot onderscheidenlijk zijn geregistreerde partner of vroegere geregistreerde partner aan het gevaar van een strafrechtelijke veroordeling ter zake van een misdrijf zou blootstellen.

11


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wetboek van Strafvordering (Sv) Boek 2 Afdeling 4 Het verhoor van den getuige

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 218 | Sv, Boek 2, Titel 3, Afdeling 4

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

3.4 Uitzonderingen op geheimhouding: maatschappelijk werk, het conflict van plichten en bemoeizorg In de praktijk blijkt dat professionals zich regelmatig geconfronteerd zien met de vraag wanneer ze wat mogen, kunnen en moeten zeggen. Met toestemming van de cliënt is veel mogelijk, maar wat als er geen toestemming is en de hulpverlener denkt toch te moeten spreken. De hulpverlener kan de zwijgplicht zonder toestemming alleen doorbreken als er sprake is van overmacht in het kader van een conflict van plichten of bemoeizorg. Zowel bij toestemming, overmacht in het kader van conflict van plichten als handelen in het kader van bemoeizorg zal de maatschappelijk werker zich toch altijd een aantal vragen moeten stellen. Zoals: - Kan het doel wat ik probeer te bereiken ook bereikt worden zonder dat ik informatie aan anderen verstrek? - Weegt het belang van de cliënt dat ik met de gegevensverstrekking wil dienen op tegen het belang dat de cliënt heeft bij geheimhouding? - Welke informatie heeft de ander echt nodig om het belang van mijn cliënt te dienen of het gevaar voor hem af te wenden? Overmacht in het kader van conflict van plichten De hulpverlener kan zowel sterk de plicht om te zwijgen ervaren als de plicht om te spreken. Dit dilemma heet ‘Conflict van plichten’. Centraal staat dan de vraag of de plicht om te spreken zwaarder is, dan de plicht om te zwijgen. Hoe men om dient te gaan met het conflict van plichten is niet vastgelegd in een wetsartikel. Het is een ‘leerstuk’ dat in de loop van de jaren op basis van uitspraken van de rechter en de Hoge Raad in diverse zaken is gevormd. Het is ontwikkeld op basis van jurisprudentie. Jurisprudentie is de toepassing van het recht en (het geheel van) uitspraken door rechters. Uitspraken in een bepaalde zaak zijn niet zonder meer over te nemen in een (mogelijk vergelijkbare) zaak. Toch kan de rechter worden gevraagd eerdere uitspraken mee te wegen in het eindoordeel. Zeker als het om uitspraken gaat van de hoogste rechter. Daarmee geven eerder gedane uitspraken door de rechter richting aan vergelijkbare, nieuwe rechtszaken. Op grond van jurisprudentie is een stappenplan ontwikkeld dat de professional in een situatie van conflict van plichten kan gebruiken. Het stappenplan ziet er als volgt uit: 1. Welk gerechtvaardigd doel wil ik bereiken met het verbreken van het geheimhouding? 2. Kan dit doel ook worden bereikt zonder dat ik het geheimhouding doorbreek? 3. Is het, gelet op de situatie, mogelijk en wenselijk dat ik toestemming vraag aan de cliënt en zo ja heb ik dan alles gedaan om toestemming te krijgen? 4. Is de situatie waarin de cliënt of een derde zich bevindt zo ernstig dat dit opweegt tegen de belangen die de cliënt heeft bij geheimhouding? 5. Als ik informatie verstrek, aan wie doe ik dit dan en welke informatie heeft hij echt nodig? De geheimhoudingsplicht dient namelijk zo min mogelijk geschonden worden.

12


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Op grond van de uitkomst van het stappenplan kan de professional zich vervolgens beroepen op overmacht. Dat een beroep op overmacht gedaan kan worden is in de wet beschreven (zie hieronder artikel 40 Wetboek van Strafverordering). Als de professional de stappen uit het stappenplan heeft doorlopen kan hij op grond daarvan zijn geheimhouding doorbreken om de cliënt of een derde daarmee te helpen. Wetboek van Strafvordering (Sv) Boek 1 Algemene bepalingen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 40| Sv, boek 1, titel 4, uitsluiting en verhoging van strafbaarheid

Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

Als na het volgen van het stappenplan blijkt dat het beter is om de zwijgplicht te doorbreken, moet de afweging vervolgens ook met de betrokken collega’s en leidinggevende besproken worden en vastgelegd worden in het dossier. Uiteindelijk beslist de beroepsbeoefenaar zelf op basis van zijn eigen professionele verantwoordelijkheid. Een aantal instellingen heeft een protocol waarin is vastgelegd hoe te handelen, wanneer men zich afvraagt of de zwijgplicht doorbroken moet worden. Als een dergelijk protocol aanwezig is, dient de professional de beschreven stappen uit het protocol te volgen. Als een dergelijk protocol niet aanwezig is, is het handig er een te ontwikkelen. Op het moment dat een conflict van plichten zich voordoet is een duidelijke handreiking beschikbaar. Bemoeizorg Als er geen sprake is van een conflict van plichten en de professional daarom geheimhouding betracht kan dit betekenen dat te laat wordt ingegrepen ten nadele van cliënt of anderen. Om dat te voorkomen kan in bepaalde situaties de handreiking ‘gegevensuitwisseling in het kader van bemoeizorg’ geraadpleegd worden. Deze handreiking is tot stand gekomen in samenwerking met GGD Nederland en de KNMG en is gebaseerd op in rechtspraak ontwikkelde en in wetgeving verscholen criteria. Het recht op zelfbeschikking mag nooit een reden zijn om mensen goede zorg te onthouden. Zelfbeschikking en goede zorg moeten met elkaar in balans zijn. Als een mens niet weet te kiezen mag dat niet de reden zijn dat noodzakelijke zorg wordt misgelopen. De zorgverlener heeft ook een eigenstandige verantwoordelijkheid. Wanneer er sprake is van bemoeizorg kunnen de rechten van mensen tijdelijk worden ingeperkt. Het kan nodig zijn dat tijdelijk niet alle cliëntenrechten, zoals toestemming voor hulpverlening en / of (informeren over) gegevensuitwisseling worden nageleefd. De beperking blijft ook hier uitzondering. Voor de beperking zelf moet sprake zijn van een ‘bijzondere rechtvaardiging’. De bijzondere rechtvaardiging ligt in een evident belang. Er is dan sprake van een dringend gezondheidsbelang van de cliënt, al dan niet gecombineerd met ernstige overlast die de cliënt veroorzaakt. Reële vrees is voldoende. Bovendien is er geen minder ingrijpend middel om het beoogde doel te bereiken (doelmatigheid). Middel en doel moeten met elkaar in de juiste verhouding staan (proportionaliteit). Bij iedere fase van het bemoeizorgtraject dient dit weer getoetst te worden. Verslaglegging van deze toetsing in het dossier is van groot belang. Ook gedurende de beperking gaat het alleen om relevante gegevens. Om in de praktijk van alle dag ongevraagd contact te zoeken en te houden met de zorgmijder en te doen aan gegevensuitwisseling in de keten moet de organisatie het zojuist genoemde wel in beleid beschreven hebben. Het evident belang moet overdacht zijn. Het is ook van belang dit in de keten bespreekbaar te maken. Via folder en website dienen mogelijk betrokkenen deze werkwijze te kennen. Betrokkene moet weten wat er waar vastligt en wat wordt uitgewisseld met wie en op welke wijze en wanneer er sprake kan zijn van een inperking van de rechten. Cliënten moeten ook altijd klachten kunnen indienen over de activiteiten die in het kader van de bemoeizorg verricht zijn. (Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional, Verhage-van Kooten, M, SDU-uitgevers, editie 2011-2012) Het is, zowel bij overmacht als bemoeizorg, tenslotte van belang de cliënt zo snel mogelijk in te lichten over het feit dat de maatschappelijk werker heeft besloten zijn zwijgplicht te doorbreken (en op welke gronden). De veiligheid en het belang van de cliënt speelt bij het kiezen van het juiste moment om de cliënt te informeren een centrale rol.

13


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Overige uitzonderingen Overige uitzonderingen die gemaakt kunnen worden op de zwijgplicht zijn: - Professionals die binnen de instelling bij hetzelfde cliënttraject betrokken zijn, kunnen met elkaar ten behoeve van de cliënt overleggen. - Ouders van jeugdige cliënten tot 16 jaar kunnen geïnformeerd worden, tenzij dit strijd met goed professionalschap. - De zwijgplicht wordt op grond van een wettelijke plicht (bijvoorbeeld rapportage in verband met werken in een gedwongen kader, verschijnen als getuige, het melden van kindermishandeling) doorbroken. Er geldt ook een uitzondering op de geheimhouding wanneer de veiligheid van de staat, de veiligheid van de cliënt of diens omgeving / andere betrokkenen in het geding is. In paragraaf 4.2.5, 4.3.5 en 4.4.4 wordt nader ingegaan op de specifieke uitzonderingen van het geheimhouding binnen de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de Wet Geneeskundige Behandel Overeenkomst (WGBO) en Wet op de Jeugdzorg (Wjz). Wetboek van Strafrecht (Sr) Boek 1 Algemene bepalingen Titel 3 Uitsluiting en verhogen van strafbaarheid

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 40 | Sr, Boek 1, Titel 3

Niet strafbaar is hij die een feit begaat waartoe hij door overmacht is gedrongen.

3.5 Geheimhouding en samenwerking

5

Vanuit het besef dat de hulpverleningsmogelijkheden van een instelling of een professional mogelijk ontoereikend zijn, zijn er de afgelopen jaren belangwekkende initiatieven genomen tot samenwerking tussen beroepskrachten die in verschillende sectoren werkzaam zijn. Door een goede onderlinge afstemming blijken met interventies, die vanuit verschillende invalshoeken worden gepleegd, veel aan effectiviteit te winnen. In een aantal regio’s in ons land wordt niet alleen naar aanleiding van concrete gevallen op ad-hoc basis samengewerkt, maar heeft de samenwerking tussen instellingen een meer structureel karakter gekregen. Daartoe worden netwerken of samenwerkingsverbanden gevormd die het mogelijk maken de samenwerking een stevigere basis te bieden, bijvoorbeeld door afspraken te maken over uitgangspunten, visie en afstemming van het aanbod. In enkele structurele samenwerkingsvormen worden situaties van cliënten en cliënten besproken. De mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens tussen beroepsbeoefenaren in samenwerkingsverbanden of netwerken is gebonden aan algemene regels en aan specifieke regels per beroepsgroep. Ook als de deelnemers van het overleg de mogelijkheden en grenzen van hun eigen geheimhoudingsplicht of beroepsgeheim helder voor ogen hebben, is bij deelname aan samenwerkingsvormen in veel gevallen niet duidelijk hoe de verantwoordelijkheid tussen de participanten zijn verdeeld. Wie vraagt toestemming aan betrokkenen voor het uitwisselen van gegevens, is er sprake van verslaglegging, registratie, inzagerecht? Ten behoeve van de rechtzekerheid van cliënten en beroepskrachten verdient het aanbeveling dat de instellingen die bij deze samenwerking zijn betrokken met elkaar een reglement of protocol opstellen waarin op deze vragen antwoorden worden geformuleerd.

5

De tekst van deze paragraaf is samengesteld uit de volgende informatie: Lydia Janssen en Paul Baeten, Samenwerking en beroepsgeheim, 2002 . En: ‘Spelregels voor casusoverleg ter bestrijding van huiselijk geweld’- NIZW uitgave 2003, in opdracht van het Ministerie van justitie. Auteurs Paul Baeten en Lydia Janssen.

14


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Spelregels voor casusoverleg Een zorgvuldige omgang met cliëntgegevens in (multidisciplinaire) casusbesprekingen lijkt vanuit het bovenstaande wellicht erg ingewikkeld. Toch valt dat mee. In de kern gaat het om: maximale openheid in de richting van de cliënt en geen openheid naar anderen zonder toestemming van de cliënt. De wettelijke regelingen op dit terrein zijn vertaald in een aantal praktische ‘spelregels voor casusoverleg’. Als er cliëntgegevens uitgewisseld worden en de deelnemers zich aan onderstaande spelregels houden, is daarmee een zorgvuldige omgang met de privacy van de cliënt gegarandeerd. De spelregels luiden: 1. De deelnemers wisselen alleen cliëntgegevens uit als anonieme casusbespreking niet mogelijk is. Is het uitwisselen van cliëntgegevens noodzakelijk, dan nemen de deelnemers daarbij de overige spelregels in acht. 2. Tijdens het casusoverleg staan de belangen van de cliënt centraal. 3. Aan het casusoverleg nemen alleen die beroepskrachten deel die en directe behandelrelatie hebben met de cliënt. N.b: over het algemeen heeft de coördinator geen directe behandelrelatie met de cliënten die worden besproken. Hij neemt echter, vanwege de rol die hij in het samenwerkingsverband heeft, wel deel aan het casusoverleg. 4. De deelnemers brengen een cliëntdossier in als ze vóór de bespreking in het casusoverleg zijn toestemming hebben gekregen. In geval van overmacht kan de deelnemer ook zonder zijn toestemming werken. 5. De beroepskracht die een cliënt wil inbrengen, geeft eerst aan of hij toestemming heeft voor de bespreking. Heeft hij geen toestemming, dan legt hij aan de overige deelnemers uit waarom hij meent dat er sprake is van een overmachtsituatie waarin de cliënt moet worden besproken. Zowel de toestemming als geen toestemming moet vastgelegd worden. Als het laatste het geval is, dient te belangenafweging ook beschreven te worden, inclusief de verantwoording waarom de zwijgplicht doorbroken dient te worden. 6. De cliëntgegevens die worden verstrekt: - zijn noodzakelijk voor het dienen van het belang van de cliënt; - worden alleen verstrekt aan die deelnemers van het overleg die deze gegevens nodig hebben voor hun taakuitoefening. 7. De deelnemers sluiten iedere cliëntbespreking af met: - afspraken over acties of vervolgstappen die naar aanleiding van de bespreking zullen worden ondernomen door een of meer van de deelnemers; - afspraken over de wijze waarop de cliënt wordt geïnformeerd over de inhoud en resultaten van het overleg. 8. De deelnemers bespreken de cliëntgegevens die in het samenwerkingsverband worden uitgewisseld in het algemeen niet met anderen buiten het samenwerkingsverband. Is het noodzakelijk om enige gegevens wel aan een beroepsbeoefenaar van buiten het samenwerkingsverband te verstrekken, dan worden daarover duidelijk afspraken gemaakt en voor deze verstrekking wordt in beginsel toestemming gevraagd aan de cliënt. 9. De deelnemers voegen het verslag van de casusbespreking in het samenwerkingsverband toe aan het cliëntendossier. Dit verslag bevat in principe alleen de afspraken die de deelnemers aan het samenwerkingsverband naar aanleiding van de casusbespreking met elkaar hebben gemaakt. Veel samenwerkingsverbanden kennen een coördinator die tot taak heeft het samenwerkingsverband bij elkaar te roepen, te zorgen voor de verslaglegging en het proces van de bespreking te bewaken. Als er een coördinator is, is hij ook degene die bewaakt dat de deelnemers zich aan de spelregels van het casusoverleg houden.

15


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4. Relevante wetten Dit hoofdstuk staat allereerst stil bij privacy, omdat het begrip nauw met geheimhouding verbonden is. In paragraaf 2 wordt de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) besproken, in paragraaf 3 komt de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst (WGBO) aan bod en in paragraaf 4 de Wet op de Jeugdzorg (Wjz). De regelingen die in de verschillende paragrafen beschreven worden, sluiten elkaar niet uit, maar zijn in veel situaties tegelijkertijd van toepassing. In een casus zijn dan meerdere rechtsregels van verschillende rechtsbronnen van toepassing. Bijzondere rechtsregels hebben voorrang op algemene rechtsregels. Dat wil zeggen dat daar waar de Wet op de Jeugdzorg specifieke informatie geeft (bijvoorbeeld rond de bewaartermijn van dossiers) maatschappelijk werkers binnen de jeugdzorg zich hieraan houden, en niet aan de algemenere rechtsregels die de Wbp voorschrijft. 6

4.1 Verdragen en de Grondwet - het begrip privacy

Het recht op privacy is een ruim begrip. Het recht is vastgelegd in internationale en nationale wetgeving. Wat is nu eigenlijk privacy? In het kort komt privacy neer op het recht op respect voor de persoonlijke levenssfeer en het recht om met rust gelaten te worden. De privacy kan zich op verschillende aspecten richten: de ruimtelijke privacy, de lichamelijke privacy, de relationele privacy en de informatieprivacy. In een hulpverleningsrelatie gebaseerd op vertrouwensrelatie is de privacy altijd gewaarborgd. Het recht op privacy wordt in verschillende internationale verdragen gegarandeerd. In artikel 17 van het verdrag van de Verenigde Naties voor Burgerlijke en Politieke rechten uit 1966 staat: 1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam. 2. Een ieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting. Ook artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens garandeert deze rechten. Burgers in Europese landen kunnen zich bij de rechter op dit verdrag beroepen. De manier waarop verschilt wel per land. In Nederland heeft dit verdrag voorrang op nationale wetgeving.

Europees Verdrag van de Rechten van de Mens Art 8 | Recht op eerbiediging van privé, familie en gezinsleven

bron: www.wetten.overheid.nl

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Voor Nederland is het recht op privacy vastgelegd in de artikelen 10 tot en met 13 van de Nederlandse Grondwet. Artikel 10 van de Grondwet stelt eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer centraal. In de Grondwet wordt over privacy het volgende gezegd:

6

Bron: Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional – Marianne Verhage- van Kooten, 2009.

16


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Grondwet 1815 (Gw) Hoofdstuk 1: Grondrechten

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 10 | Hoofdstuk 1: Grondrechten

1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer. 2. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens. 3. De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer omvat meer dan de bescherming tegen misbruik van persoonsgegevens. Ook de regels voor onaantastbaarheid van het menselijk lichaam, het binnentreden van een woning tegen de wil van de bewoner en de onschendbaarheid van brief-, telefoon-, en telegraafgeheim zijn er op gebaseerd. Grondwet 1815 (Gw) Hoofdstuk 1: Grondrechten

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 11 | Hoofdstuk 1: Grondrechten

Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam.

Grondwet 1815 (Gw) Hoofdstuk 1: Grondrechten

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 12 | Hoofdstuk 1: Grondrechten

1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen. 2. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid zijn voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist, behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen. 3. Aan de bewoner wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden verstrekt. Indien het binnentreden in het belang van de nationale veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.

17


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Grondwet 1815 (Gw) Hoofdstuk 1: Grondrechten

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 13 | Hoofdstuk 1: Grondrechten

1. Het briefgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter. 2. Het telefoon- en telegraafgeheim is onschendbaar, behalve, in de gevallen bij de wet bepaald, door of met machtiging van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.

4.2 Wet bescherming persoonsgegevens (Wpb)

7

Zoals uit artikel 10 lid 2 en 3 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) blijkt, is de verwerking van en inzage in persoonsgegevens een belangrijk onderdeel van privacy. Sinds 1 september 2001 wordt verwerking en inzage voor een groot deel nader geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Voordien gebeurde dat in de Wet persoonsregistraties (Wpr). Naast de Wbp zijn nog twee wetten die voorschrijven hoe om te gaan met het vastleggen van persoonsgegevens belangrijk te weten, de Wet Politieregisters en de Wet gemeentelijke basisadministratie. De organisatie die toezicht houdt op de naleving van de wetten die het gebruik van persoonsgegevens regelen is het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP). De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), die sinds 2001 van kracht is, geeft regels voor een zorgvuldige omgang met persoonsgegevens. Zo gaat de Wpb over geautomatiseerde vastlegging van gegevens, en stelt ook regels aan het ordenen, bewaren, bewerken, wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken of verstrekken van gegevens. De wet geeft aan wat de rechten zijn van iemand wiens gegevens worden verwerkt en wat de plichten zijn van de instanties of bedrijven die gegevens verwerken. De Wpb stelt de volgende eisen aan de verwerking van persoonsgegevens. Een organisatie: • mag persoonsgegevens alleen verzamelen en verwerken als daar een reden voor is die in de wet is aangegeven, de zogenaamde ‘grondslag’ (zie 4.2.1); • mag niet meer gegevens verwerken dan strikt noodzakelijk is voor het doel waarvoor ze zijn verzameld; • mag de gegevens niet langer bewaren dan noodzakelijk; • moet passende technische en organisatorische maatregelen treffen om de gegevens te beschermen; • moet de verwerking in veel gevallen melden (zie hieronder); • moet de betrokken burger in principe informeren over de gegevensverstrekking, behoudens uitzonderingen door de wet bepaald. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) controleert of bedrijven en instanties zich aan de Wbp houden (www.minjus.nl). De Wbp is een algemene wet. De WGBO en de Wet op de Jeugdzorg gelden voor de situaties waarin de maatschappelijk werker werkt binnen de geneeskundige behandelingsovereenkomst of binnen de jeugdzorg. Ook in de WGBO en de Wet op de Jeugdzorg wordt beschreven op welke wijze er omgegaan dient te worden met gegevens van cliënten (zie respectievelijk paragraaf 4.3 en 4.4). 4.2.1. Vastleggen van gegevens De Wet bescherming persoonsgegevens noemt zes redenen (grondslagen) op grond waarvan gegevens verwerkt (gebruikt en vastgelegd) kunnen worden. Naast de toestemming van de cliënt zijn twee andere grondslagen voor de hulpverlening van belang, namelijk: • De verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst.

7

Bron: Recht voor de Zorg- en welzijnsprofessional, Marianne Verhage- van Kooten, 2009.

18


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

De verwerking is noodzakelijk voor het ‘gerechtvaardigd belang’ (rechter kan gemaakte afwegingen toetsen) van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt. Dit laatste geldt weer niet als grondslag als het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de cliënt, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 6 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

Persoonsgegevens worden in overeenstemming met de wet en op behoorlijke en zorgvuldige wijze verwerkt.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 7 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

Persoonsgegevens worden voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden verzameld.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 8 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

Persoonsgegevens mogen slechts worden verwerkt indien: a. de betrokkene voor de verwerking zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend; b. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of voor het nemen van precontractuele maatregelen naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene en die noodzakelijk zijn voor het sluiten van een overeenkomst; c. de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke onderworpen is; d. de gegevensverwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene; e. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt, of f. de gegevensverwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke of van een derde aan wie de gegevens worden verstrekt, tenzij het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene, in het bijzonder het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, prevaleert.

19


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 9 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

1. Persoonsgegevens worden niet verder verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen. 2. Bij de beoordeling of een verwerking onverenigbaar is als bedoeld in het eerste lid, houdt de verantwoordelijke in elk geval rekening met: a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen; b. de aard van de betreffende gegevens; c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene; d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen en e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen. 3. Verdere verwerking van de gegevens voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden, wordt niet als onverenigbaar beschouwd, indien de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de verdere verwerking uitsluitend geschiedt ten behoeve van deze specifieke doeleinden. 4. De verwerking van persoonsgegevens blijft achterwege voor zover een geheimhoudingsplicht uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift daaraan in de weg staat.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Paragraaf 2 De verwerking van bijzondere persoonsgegevens

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 16 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 2

De verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, gezondheid, seksuele leven, alsmede persoonsgegevens betreffende het lidmaatschap van een vakvereniging is verboden behoudens het bepaalde in deze paragraaf. Hetzelfde geldt voor strafrechtelijke persoonsgegevens en persoonsgegevens over onrechtmatig of hinderlijk gedrag in verband met een opgelegd verbod naar aanleiding van dat gedrag.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 21 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door: a) hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel het beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is; b) verzekeraars als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder h, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, verzekeraars als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf en tussenpersonen en sub-agenten als bedoeld in artikel 1, onder b en c, van de Wet assurantiebemiddelingsbedrijf, voor zover dat noodzakelijk is voor: 1째. de beoordeling van het door verz ekeraar te verzekeren risico en de betrokkene geen bezwaar heeft gemaakt of 2째. de uitvoering van de verzekering sovereenkomst; c) scholen voor zover dat met het oog op de speciale begeleiding van leerlingen of het treffen van bijzondere voorzieningen in verband met hun gezondheidstoestand noodzakelijk is;

20


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

d)

e) f)

een reclasseringsinstelling, een bijzondere reclasseringsambtenaar, de raad voor de kinderbescherming of de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg en de rechtspersoon, bedoeld in artikel 254, tweede lid, of artikel 302, tweede lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de hun wettelijk opgedragen taken; Onze Minister van Justitie voor zover dat in verband met de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen of vrijheidsbenemende maatregelen noodzakelijk is of bestuursorganen, pensioenfondsen, werkgevers of instellingen die te hunnen behoeve werkzaam zijn voor zover dat noodzakelijk is voor: 1°. een goede uitvoering van wette lijke voorschriften, pensioenregelingen of collectieve arbeidsovereenkomsten die voorzien in aanspraken die afhankelijk zijn van de gezondheidstoestand van de betrokkene of 2°. de reïntegratie of begeleiding van werknemers of uitkeringsgerechtigden in verband met ziekte of arbeidsongeschiktheid.

2. In de gevallen als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens alleen verwerkt door personen die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift, dan wel krachtens een overeenkomst tot geheimhouding zijn verplicht. Indien de verantwoordelijke gegevens persoonlijk verwerkt en op hem niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift een geheimhoudingsplicht rust, is hij verplicht tot geheimhouding van de gegevens, behoudens voor zover de wet hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak voortvloeit dat de gegevens worden meegedeeld aan anderen die krachtens het eerste lid bevoegd zijn tot verwerking daarvan. 3. Het verbod om andere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 te verwerken, is niet van toepassing voor zover dit noodzakelijk is in aanvulling op de verwerking van persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid als bedoeld in het eerste lid, onder a, met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene. 4. Persoonsgegevens betreffende erfelijke eigenschappen mogen slechts worden verwerkt voor zover deze verwerking plaatsvindt met betrekking tot de betrokkene bij wie de betreffende gegevens zijn verkregen, tenzij: a. een zwaarwegend geneeskundig belang prevaleert of b. de verwerking noodzakelijk is ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek of statistiek. In het geval als bedoeld onder b, is artikel 23, eerste lid, onder a, en tweede lid, van overeenkomstige toepassing. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen omtrent de toepassing van het eerste lid, onder b en f, nadere regels worden gesteld.

4.2.2. Gegevens die niet mogen worden vastgelegd Bijzondere persoonsgegevens, zoals bijvoorbeeld de gezondheid of het seksuele leven van de cliënt, mogen volgens de Wbp niet in een cliëntdossier worden vastgelegd, behalve wanneer er een uitzondering in de wet gegeven wordt. Artikel 21 van de Wbp is bijvoorbeeld als uitzondering, voor de hulpverlening van groot belang, omdat het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te gebruiken niet geldt ‘wanneer de verwerking gebeurt door professionals, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening, voorzover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene noodzakelijk is’. Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Artikel 21 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 2

Bron: www.wetten.overheid.nl

1. Het verbod om persoonsgegevens betreffende iemands gezondheid te verwerken als bedoeld in artikel 16, is niet van toepassing indien de verwerking geschiedt door: a. hulpverleners, instellingen of voorzieningen voor gezondheidszorg of maatschappelijke dienstverlening voor zover dat met het oog op een goede behandeling of verzorging van de betrokkene, dan wel het beheer van de betreffende instelling of beroepspraktijk noodzakelijk is; …….

In artikel 17-24 Wbp staat nog een aantal andere uitzonderingen, zoals dat aan alle regels van de Wbp en de overige regelgeving voldaan moet zijn, ook als er een uitzondering voor het opnemen van bijzondere gegevens van toepassing is. Dus ook bij het verwerken van bijzondere persoonsgegevens blijven de toestemming en de andere genoemde vereisten onder 4.2.1 van toepassing.

21


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Verder is, naar aanleiding van het Verdrag van de Rechten van het Kind, duidelijk aangegeven dat bij conflict van plichten (bijvoorbeeld in situaties van huiselijk geweld) de belangen van de kinderen zwaarder wegen dan de bescherming van de persoonsgegevens. 4.2.3 Bewaartermijn (cliënt)gegevens Veel organisaties hanteren een systeem waarbinnen is vastgelegd hoe lang gegevens van een cliënt (een dossier) worden bewaard. Bovendien bieden de Wbp, de WGBO en de Wet op de Jeugdzorg wettelijke kaders voor de bewaartermijn geboden en voor de mogelijkheid dossiers te vernietigen op verzoek van een cliënt. Een bewaartermijn van drie of vijf of tien jaar is daarbij niet ongebruikelijk. Ook voor de bewaartermijn is de Wbp algemeen van toepassing. De WGBO en de Wet op de Jeugdzorg gelden voor de situaties waarin de maatschappelijk werker werkt binnen de geneeskundige behandelingsovereenkomst of binnen de jeugdzorg (zie 4.3 en 4.4). Let wel, het criterium van de Wbp is: noodzakelijk voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 2, paragraaf 1: De verwerking van persoonsgegevens in het algemeen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 10 | Wbp, Hoofdstuk 2, Paragraaf 1

1. Persoonsgegevens worden niet langer bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verzameld of vervolgens worden verwerkt. 2. Persoonsgegevens mogen langer worden bewaard dan bepaald in het eerste lid voor zover ze voor historische, statistische of wetenschappelijke doeleinden worden bewaard, en de verantwoordelijke de nodige voorzieningen heeft getroffen ten einde te verzekeren dat de desbetreffende gegevens uitsluitend voor deze specifieke doeleinden worden gebruikt.

4.2.4 Inzage en Informatieverstrekking aan de cliënt Een cliënt heeft recht op inzage in zijn eigen dossier en gegevens. Dit recht ligt verankerd in de Wet bescherming persoonsgegevens. Ook de WGBO (4.3) en de Wet op de Jeugdzorg (4.4) geven aan op welke wijze de cliënt dient te worden geïnformeerd. Naast het recht om zijn dossier in te zien, dient de cliënt geïnformeerd te worden over hetgeen wordt toegevoegd aan zijn dossier, inclusief de reden van deze toevoeging: Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 5: Informatieverstrekking aan betrokkene

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 33 | Wbp, Hoofdstuk 5

1. Indien persoonsgegevens worden verkregen bij de betrokkene, deelt de verantwoordelijke vóór het moment van de verkrijging de betrokkene de informatie mede, bedoeld in het tweede en derde lid, tenzij de betrokkene daarvan reeds op de hoogte is. 2. De verantwoordelijke deelt de betrokkene zijn identiteit en de doeleinden van de verwerking waarvoor de gegevens zijn bestemd, mede. 3. De verantwoordelijke verstrekt nadere informatie voor zover dat gelet op de aard van de gegevens, de omstandigheden waaronder zij worden verkregen of het gebruik dat ervan wordt gemaakt, nodig is om tegenover de betrokkene een behoorlijke en zorgvuldige verwerking te waarborgen.

De cliënt heeft het recht om geïnformeerd te worden over de inhoud van zijn dossier. De dossierhouder laat de cliënt binnen vier weken weten of hij zaken in het dossier toevoegt.

22


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 6: rechten van betrokkene

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 35 | Wbp, Hoofdstuk 6 1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. 2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens. 3. Voordat een verantwoordelijke een mededeling doet als bedoeld in het eerste lid, waartegen een derde naar verwachting bedenkingen zal hebben, stelt hij die derde in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen indien de mededeling gegevens bevat die hem betreffen, tenzij dit onmogelijk blijkt of een onevenredige inspanning kost. 4. Desgevraagd doet de verantwoordelijke mededelingen omtrent de logica die ten grondslag ligt aan de geautomatiseerde verwerking van hem betreffende gegevens.

4.2.5. Uitzonderingen op het beroepsgeheim binnen de Wbp: dreiging van gevaar De bescherming van de gegevens van een persoon geldt niet in het geval er sprake is van de staatsveiligheid, het voorkomen of opsporen van strafbare feiten, grote economische en financiële belangen van de staat of openbare instellingen (oplichting), of wanneer de cliënt of zijn omgeving beschermd moet worden of wanneer rechten en vrijheden van de omgeving in het geding zijn. Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) Hoofdstuk 7 uitzonderingen en beperkingen

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 43 | Wbp, Hoofdstuk 7

De verantwoordelijke kan de artikelen 9, eerste lid, 30, derde lid, 33, 34 en 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van: a. de veiligheid van de staat; b. de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten; c. gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen; d. het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of e. de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

23


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4.3 De Wet Geneeskundige Behandel Overeenkomst (WGBO) Maatschappelijk werkers die werkzaam zijn binnen de gezondheidszorg, beroepen zich op grond van het principe van de ‘aanpalende handeling’ van artikel7:446 lid 3 BW terecht op specifieke bepalingen van de WGBO. Bij gebrek aan een eigen wettelijke erkenning van het beroep van maatschappelijk werker in het algemeen beroepen veel maatschappelijk werkers, die niet werkzaam zijn binnen de gezondheidszorg, zich op de WGBO-richtlijnen. Denk bijvoorbeeld aan de regeling over inzage en afschrift van het patiëntendossier. Dit verschijnsel wordt in juridische terminologie ‘analoge toepassing’ genoemd. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Artikel 446 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

bron: www.wetten.overheid.nl

1. De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling - in deze afdeling verder aangeduid als de behandelingsovereenkomst - is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de handelingen rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de patiënt. (…) 3. Tot de handelingen, bedoeld in lid 1, worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden verricht.

De Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) regelt de juridische relatie tussen cliënt en professional. De WGBO is geen aparte wet, maar onderdeel van het Burgerlijk Wetboek. In boek 7 staan de artikelen over bijzondere overeenkomsten, waar de geneeskundige behandelingsovereenkomst er een van is. De WGBO bevat bepalingen over (of één bepaling over) de volgende onderwerpen: • Informatie • Toestemming • Het dossier • Privacy • Onderzoek met gegevens • Onderzoek met anoniem lichaamsmateriaal • Ruimtelijke privacy • Minderjarige patiënten • Wilsonbekwame patiënten • De schriftelijke wilsverklaring • Overeenkomstige toepassingen in situaties van geneeskundig handelen zonder een behandelovereenkomst • De zorg van een goed hulpverlener • Inlichtingen door de patiënt • Betaling door de patiënt • Opzeggen van de behandelovereenkomst • Centrale aansprakelijkheid 4.3.1.Relatie hulpverlener – patiënt In de gezondheidszorg vervult het maatschappelijk werk dikwijls een ondersteunende functie bij het behalen van de primaire doelstelling van het ziekenhuis. Er is sprake van ‘ingebouwd’ maatschappelijk werk. Cliënten van dit specifiek maatschappelijk werk hebben een behandelingsovereenkomst afgesloten die de rechten en de plichten van de cliënt en zijn professional in het kader van de WGBO weergeeft. De maatschappelijk werker is bij de uitoefening van de werkzaamheden gebonden is aan wettelijke regels.

24


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Een professional die individuele gezondheidszorg verleent heeft een geheimhoudingsplicht op grond van de Wet BIG (Wet Beroepen Individuele Gezondheidszorg) (Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional, Verhage-van Kooten, M, SDU-uitgevers, editie 2011-2012) Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 446 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. De overeenkomst inzake geneeskundige behandeling - in deze afdeling verder aangeduid als de behandelingsovereenkomst - is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, de hulpverlener, zich in de uitoefening van een geneeskundig beroep of bedrijf tegenover een ander, de opdrachtgever, verbindt tot het verrichten van handelingen op het gebied van de geneeskunst, rechtstreeks betrekking hebbende op de persoon van de opdrachtgever of van een bepaalde derde. Degene op wiens persoon de handelingen rechtstreeks betrekking hebben wordt verder aangeduid als de patiënt. 2. Onder handelingen op het gebied van de geneeskunst worden verstaan: a. alle verrichtingen - het onderzoeken en het geven van raad daaronder begrepen - rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon en ertoe strekkende hem van een ziekte te genezen, hem voor het ontstaan van een ziekte te behoeden of zijn gezondheidstoestand te beoordelen, dan wel deze verloskundige bijstand te verlenen; b. andere dan de onder a bedoelde handelingen, rechtstreeks betrekking hebbende op een persoon, die worden verricht door een arts of tandarts in die hoedanigheid. 3. Tot de handelingen, bedoeld in lid 1, worden mede gerekend het in het kader daarvan verplegen en verzorgen van de patiënt en het overigens rechtstreeks ten behoeve van de patiënt voorzien in de materiële omstandigheden waaronder die handelingen kunnen worden verricht. 4. Onder handelingen als bedoeld in lid 1 zijn niet begrepen handelingen op het gebied van de artsenijbereidkunst in de zin van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening, indien deze worden verricht door een gevestigde apotheker in de zin van die wet. 5. Geen behandelingsovereenkomst is aanwezig, indien het betreft handelingen ter beoordeling van de gezondheidstoestand of medische begeleiding van een persoon, verricht in opdracht van een ander dan die persoon in verband met de vaststelling van aanspraken of verplichtingen, de toelating tot een verzekering of voorziening, of de beoordeling van de geschiktheid voor een opleiding, een arbeidsverhouding of de uitvoering van bepaalde werkzaamheden.

4.3.2 Geheimhouding binnen de WGBO Artikel 457 van boek 7 Burgerlijk Wetboek (artikel 7:457 BW) verbiedt de hulpverlener ‘om informatie aan derden te verschaffen zonder toestemming van de patiënt’. Collega’s die werkzaam zijn in eenzelfde instelling, worden daarbij niet als ‘derden’ gezien, omdat ze informatie nodig hebben voor een optimale samenwerking binnen het zorg- en hulpverleningstraject. Feitelijk is er dus sprake van een ’geheimhoudingsplicht’ voor instellingen, als het gaat om de betrokkenen bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst (artikel 7:457 BW). Informatie over de patiënt mag binnen de instelling worden gewisseld, zonder steeds expliciete toestemming hiervoor te vragen bij de patiënt. Het betreft bovendien alleen die informatie die relevant is voor de behandeling en hulpverlening. Richting alle partijen buiten de instelling geldt een geheimhoudingsplicht. Informatie die door personen buiten de instelling wordt opgevraagd, kan alleen met eerder genoemde toestemming worden verstrekt (zie ook paragraaf 3.5). Informatie kan ook verschaft worden aan diegenen die voor een behandelingsovereenkomst toestemming moet geven, zoals curatoren. Bijvoorbeeld in het geval dat een patiënt feitelijk zijn wil niet kan bepalen (artikel 7:457 lid 3 BW).

25


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 457 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. Onverminderd het in artikel 448 lid 3, tweede volzin, bepaalde draagt de hulpverlener zorg, dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454, worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking kan geschieden zonder inachtneming van de beperkingen, bedoeld in de voorgaande volzinnen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht. 2. Onder anderen dan de patiënt zijn niet begrepen degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de behandelingsovereenkomst en degene die optreedt als vervanger van de hulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden. 3. Daaronder zijn evenmin begrepen degenen wier toestemming ter zake van de uitvoering van de behandelingsovereenkomst op grond van de artikelen 450 en 465 is vereist. Indien de hulpverlener door inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege.

4.3.3 Minderjarigen/wilsonbekwamen/wettelijk vertegenwoordigers Aan wettelijk vertegenwoordigers van minderjarigen en wilsonbekwamen (artikel 7:447, artikel 7:450 en artikel 7:464 BW) kan informatie worden verschaft zonder toestemming van de patiënt. In de WGBO worden voor minderjarigen de volgende leeftijdsgrenzen gehanteerd: •

Een minderjarige jonger dan 12 jaar wordt vertegenwoordigd door zijn ouders en alleen de ouders krijgen informatie.

Een minderjarige van 12 tot 16 krijgt samen met de ouders informatie.

Een minderjarige van 16 jaar en ouder krijgt zelf informatie en de ouders hebben geen recht meer op informatie.

Als wettelijk vertegenwoordigers van wilsonbekwamen vanaf 18 jaar kunnen optreden de curator, de mentor, de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel, of de ouder, kind, broer of zus van de patiënt (artikel 7:465 lid 3 BW). Wettelijk vertegenwoordigers kunnen behalve informatie krijgen ook over informatie beschikken. In artikel 7:452 BW wordt aangegeven dat wettelijk vertegenwoordiger de patiënt de hulpverlenernaar beste weten de inlichtingen verschaft die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft. De vertegenwoordiger kan al dan niet samen met de patiënt toestemming geven om informatie aan derden te verschaffen, maar alleen met ondubbelzinnige toestemming van de patiënt. Na toestemming van de vertegenwoordiger en/of de patiënt kan de medische hulpverlener zijn geheimhouding doorbreken. Verplicht is hij daartoe niet. De geheimhouder heeft de professionele plicht om in te schatten of doorbreken van de geheimhouding in het belang van de patiënt is. Om inzicht te krijgen in welke gevallen op grond van leeftijd onderscheid wordt gemaakt, staan hieronder alleen die wetsartikelen, waar in de behandelingsovereenkomst ook leeftijd een rol speelt .

26


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 447 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, is bekwaam tot het aangaan van een behandelingsovereenkomst ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die met de overeenkomst onmiddellijk verband houden. 2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding.

3. In op die behandelingsovereenkomst betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron:www.wetten.overheid.nl

Artikel 465 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. De verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien worden, indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, door de hulpverlener nagekomen jegens de ouders die het gezag over de patiënt uitoefenen dan wel jegens zijn voogd. 2. Hetzelfde geldt indien de patiënt de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, tenzij zodanige patiënt meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve van hem het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen nakoming jegens de curator of de mentor geschiedt. 3. Indien een meerderjarige patiënt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem niet het mentorschap is ingesteld, worden de verplichtingen die voor de hulpverlener uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeien, door de hulpverlener nagekomen jegens de persoon die daartoe door de patiënt schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt deze niet op, dan worden de verplichtingen nagekomen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de patiënt, tenzij deze persoon dat niet wenst. 4. De hulpverlener komt zijn verplichtingen na jegens de in de leden 1 en 2 bedoelde wettelijke vertegenwoordigers van de patiënt en de in lid 3 bedoelde personen, tenzij die nakoming niet verenigbaar is met de zorg van een goed hulpverlener. 5. De persoon jegens wie de hulpverlener krachtens de leden 2 of 3 gehouden is de uit deze afdeling jegens de patiënt voortvloeiende verplichtingen na te komen, betracht de zorg van een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de patiënt zoveel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. 6. Verzet de patiënt zich tegen een verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen.

27


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 450 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. Voor verrichtingen ter uitvoering van een behandelingsovereenkomst is de toestemming van de patiënt vereist. 2. Indien de patiënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De verrichting kan evenwel zonder de toestemming van de ouders of de voogd worden uitgevoerd, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen, alsmede indien de patiënt ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen. 3. In het geval waarin een patiënt van zestien jaren of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden door de hulpverlener en een persoon als bedoeld in de leden 2 of 3 van artikel 465, de kennelijke opvattingen van de patiënt, geuit in schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke waardering nog in staat was en inhoudende een weigering van toestemming als bedoeld in lid 1, opgevolgd. De hulpverlener kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht.

4.3.4. Vastleggen, inkijken, wijzigen, vernietigen en bewaren van patiëntgegevens Deze paragraaf gaat in op de diverse aspecten die samenhangen met het vastleggen van gegevens van een cliënt. Zo moet er een dossier worden aangemaakt, kan de patiënt zijn dossier opvragen, laten wijzigen of laten vernietigen, en bestaat er een wettelijke bewaartermijn voor het dossier. Dossiervoering Hulpverleners zijn verplicht een dossier van de patiënt aan te leggen, vanwege het waarborgen van de continuïteit van zorg, het afleggen van verantwoording en het mogelijk maken van toetsing. Alleen noodzakelijke informatie wordt opgeslagen. Het bijhouden van persoonlijke ‘werkaantekeningen’ door de maatschappelijk werker in het dossier van een cliënt is niet mogelijk. Het dossier is eigendom van de cliënt, op het moment dat de cliënt zijn dossier opvraagt moet de gehele inhoud aan hem kunnen worden overgedragen. Het verwijderen van gegevens door de hulpverlener is niet mogelijk. Het dossier is ook de plek waar wordt vastgelegd of het geheimhouding wordt doorbroken en zo ja, op welke gronden. Welke regels hiervoor in acht moeten worden genomen is eerder in hoofdstuk 3 toegelicht. Bij het digitaliseren van het dossier blijven genoemde regels van kracht. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron:www.wetten.overheid.nl

Artikel 454 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. De hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is. 2. De hulpverlener voegt desgevraagd een door de patiënt afgegeven verklaring met betrekking tot de in het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe. (…)

Inzage De patiënt heeft een rechtstreeks inzagerecht in zijn eigen dossier en inzage kan alleen worden geweigerd als de privacy van een ander moet worden beschermd. De geheimhouding zoals in paragraaf 4.3.2 beschreven, geldt ook voor het inzagerecht. Alleen met toestemming van de cliënt kunnen gegevens worden uitgewisseld (zie ook voor andere bepalingen artikel 7:457 op p. 25). De patiënt heeft verder het recht te weigeren om kennis te nemen van zijn situatie (en de inhoud van zijn dossier).

28


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 456 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

De hulpverlener verstrekt aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454 (Dossier). De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De hulpverlener mag voor de verstrekking van het afschrift een redelijke vergoeding in rekening brengen.

Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 464 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

(…) 2. Betreft het handelingen als omschreven in artikel 446 lid 5, dan: a. worden de in artikel 454 bedoelde bescheiden slechts bewaard zolang dat noodzakelijk is in verband met het doel van het onderzoek, tenzij het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet; b. wordt de persoon op wie het onderzoek betrekking heeft in de gelegenheid gesteld mee te delen of hij de uitslag en de gevolgtrekking van het onderzoek wenst te vernemen en, zo ja, of hij daarvan als eerste wenst kennis te nemen teneinde te kunnen beslissen of daarvan mededeling aan anderen wordt gedaan.

Vernietiging van (onderdelen uit) het dossier De patiënt kan vragen om (onderdelen van) zijn dossier te vernietigen. Dit moet binnen drie maanden na dit verzoek door de hulpverlener gebeuren. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 455 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. De hulpverlener vernietigt de door hem bewaarde bescheiden, bedoeld in artikel 454, binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de patiënt. 2. Lid 1 geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de patiënt, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

29


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Bewaartermijn In artikel 7:454 lid 3 BW wordt duidelijk dat de bewaartermijn voor dossiers binnen de geneeskundige behandelovereenkomst vijftien jaar is. Ook buiten de gezondheidszorg wordt deze termijn door maatschappelijk werkers vaak overgenomen. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 454 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

(…) 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 455, bewaart de hulpverlener de bescheiden, bedoeld in de vorige leden, gedurende vijftien jaren, te rekenen vanaf het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed hulpverlener voortvloeit.

4.3.5 Uitzonderingen op beroepsgeheim binnen de WGBO Een wet kan een professional verplichten om geheimhouding prijs te geven, zoals bijvoorbeeld in de meldingsprocedure rondom euthanasie aan de toetsingscommissie of het melden van bepaalde besmettelijke ziekten aan de directeur van de GGD. Deze laatste verplichting is sinds oktober 2008 vastgelegd in de Wet Publieke Gezondheidszorg. Burgerlijk Wetboek 7 (BW7) Afdeling 5: de geneeskundige behandelingsovereenkomst

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 466 | BW7, Boek 7, Titel 7, Afdeling 5

1. Is op grond van artikel 465 voor het uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van een daar bedoelde persoon in plaats van die van de patiënt vereist, dan kan tot de verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd voor het vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de patiënt te voorkomen. 2. Een volgens de artikelen 450 en 465 vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, indien de desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is.

Wet publieke gezondheid Artikel 22| wet publieke gezondheid

bron: www.minvws/wet-publieke-gezondheid

1. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep A vermoedt of vaststelt, meldt dit onverwijld aan de gemeentelijke gezondheidsdienst. 2. De arts die bij een door hem onderzocht persoon een infectieziekte behorend tot groep B1, B2 of C vaststelt, dan wel een vermoeden heeft dat deze persoon lijdt aan difterie, rabies of virale hemorragische koorts, eldt dit binnen 24 uur aan de gemeentelijke gezondheidsdienst. 3. De arts die gegronde redenen heeft om bij een persoon een infectieziekte behorend tot groep B1 of B2 te vermoeden, meldt dit binnen 24 uur aan de gemeentelijke gezondheidsdienst, indien die persoon weigert het onderzoek te ondergaan dat noodzakelijk is ter vaststelling van die ziekte en daardoor ernstig gevaar voor de volksgezondheid door de verspreiding van die infectieziekte kan ontstaan. 4. Bij regeling van Onze Minister kan vrijstelling worden verleend van de meldingsplicht, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, met ingang van een daarbij te bepalen tijdstip en met inachtneming van daarbij te stellen voorwaarden.

30


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4.4 Wet op de Jeugdzorg De Wet op de Jeugdzorg probeert op provinciaal niveau samenhang te scheppen tussen de vele voorzieningen en instellingen voor zowel vrijwillige als justitiële jeugdhulpverlening. Zo kunnen ouders en kinderen Bureau Jeugdzorg om advies vragen over een mogelijke doorverwijzing naar instanties op gemeentelijk niveau. Bureau Jeugdzorg verleent bij uitzondering de hulp zelf (vijf gesprekken model). Als gespecialiseerde zorg nodig is geeft Bureau Jeugdzorg een zogenoemde indicatie af. De uitgangspunten in de Wet op de Jeugdzorg zijn: • Jeugdzorg vindt plaats in de minst ingrijpende vorm. • Jeugdzorg vindt plaats zo dicht mogelijk bij de woonplaats van de jongere. • Jeugdzorg vindt plaats niet langer dan nodig is. • Jeugdzorg is voor het kind de meest aangewezen zorg. (Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional, Verhage-van Kooten, M, SDU-uitgevers, editie 20112012). Ook in de Wet op de Jeugdzorg zijn het recht op geheimhouding, het inzagerecht, het bewaren en vernietigen van persoonlijke gegevens, informatie-uitwisseling en verstrekking van gegevens zonder toestemming terug te vinden. Bovendien maakt de wet onderscheid tussen toestemming van minderjarigen, toestemming van ouders, en het doorgeven van informatie over een cliënt. Veel van deze informatie is vergelijkbaar met de bepalingen die in de WGBO (zie paragraaf 4.3) zijn beschreven. 4.4.1 Geheimhouding in de Wet op de Jeugdzorg In de Wet op de Jeugdzorg is de geheimhoudingsplicht van hulpverleners vastgelegd. Hierbij is het uitgangspunt dat er geen gegevens worden uitgewisseld zonder de toestemming van de cliënt (of zijn wettelijke vertegenwoordiger). Op het moment dat de beroepsbeoefenaar om inlichtingen wordt gevraagd en de toestemming ontbreekt om te spreken of gegevens te overleggen, mag de professional een beroep doen op zijn verschoningsrecht. Daar waar de maatschappelijk werker werkt binnen een gedwongen kader, is de cliënt op de hoogte van het feit dat de inhoud van de gesprekken en rapportages hierover worden ingezet binnen het totaal van de behandeling. De cliënt weet in dat geval dat de hulpverlener verplicht is om informatie die relevant is voor de behandeling te melden Ook in het kader van de subsidieverstrekking dienen gegevens aangeleverd te worden. Daarbij kan wel gelet worden op artikel 48 lid 3 van de Wjz. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 8: Toezicht

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 48 | Wjz, hoofdstuk 8

1. De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken desgevraagd alle inlichtingen en leggen desgevraagd alle bescheiden die voor een juiste taakuitoefening noodzakelijk zijn te achten over aan de door gedeputeerde staten aangewezen ambtenaren die belast zijn met de controle op de rechtmatige en doelmatige besteding van de door gedeputeerde staten verleende subsidies.

2. De stichtingen en de zorgaanbieders verlenen de in het eerste lid bedoelde ambtenaren desgevraagd toegang tot de gebouwen waarin zij hun werkzaamheden verrichten.

3. Zij die uit hoofde van hun stand, beroep of ambt tot geheimhouding verplicht zijn, kunnen zich van het geven van inlichtingen of het overleggen van inzage verschonen, voor zover hun geheimhoudingsplicht zich daartoe uitstrekt.

4. Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op de subsidies, bedoeld in artikel 38.

31


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9 Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 51 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt. 2. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 3. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9 Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 53 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken. 2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid. 3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. 4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid. 5. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

32


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4.4.2 Minderjarigen/wettelijke vertegenwoordigers Kinderen hebben een wettelijke vertegenwoordiger nodig. Dat zijn in principe de ouders, maar er kan ook (tijdelijk) een voogd zijn aangesteld door de rechtbank. De voogd is in dat geval de wettelijke vertegenwoordiger van het kind. Voor het verstrekken van gegevens over het kind aan derden geldt het volgende: • • •

Bij kinderen onder de 12 jaar is de wettelijk vertegenwoordiger verantwoordelijk voor het al dan niet toestemming geven. Kinderen van 12 tot 16 jaar moeten samen met hun wettelijk vertegenwoordiger om toestemming gevraagd worden. Adolescenten vanaf 16 jaar hebben een zelfstandige positie en kunnen deze toestemming dus zelf verlenen.

Belangrijk om op te merken is dat hetgeen de wet onder cliënt verstaat af kan wijken van hetgeen de maatschappelijk werker hiermee bedoelt. In de Wet op de Jeugdzorg wordt cliënt gedefinieerd als een jeugdige, zijn ouders, of stiefouder of anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Duidelijk is dat de Wet op de Jeugdzorg en de WGBO de jongere vanaf 16 jaar als volwassene beschouwt, en (mede) toestemming van de ouders niet meer nodig is. Het Burgerlijk Wetboek daarentegen spreekt van volwassene vanaf de leeftijd van 18 jaar. In principe zijn minderjarigen tot hun meerderjarigheid op grond van het Burgerlijk Wetboek handelingsonbekwaam. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 3 De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt Paragraaf 2 Taken

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 7 | Wjz, Hoofdstuk 3, Paragraaf 2

1. Aan een besluit waarbij wordt vastgesteld of een cliënt is aangewezen op zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, ligt een aanvraag van een cliënt ten grondslag. 3. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die jonger is dan twaalf jaren of ouder dan twaalf jaren en niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, is niet de instemming van de minderjarige vereist, maar van diens wettelijke vertegenwoordiger. 4. Indien de aanvraag betrekking heeft op een minderjarige die de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, behoeft de aanvraag de instemming van de minderjarige en diens wettelijke vertegenwoordiger. Indien de wettelijke vertegenwoordiger weigert in te stemmen met de aanvraag, kan de stichting in afwijking van de eerste volzin, een besluit nemen indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is en de minderjarige de zorg weloverwogen blijft wensen. 5. In afwijking van het tweede lid kan de stichting op een aanvraag van de wettelijke vertegenwoordiger van een minderjarige, die ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en die weigert in te stemmen met de aanvraag, een besluit nemen, indien de zorg voor de minderjarige noodzakelijk is.

(…) 4.4.3 Vastleggen, inkijken, wijzigen, vernietigen en bewaren van cliëntgegevens Jongeren vanaf twaalf jaar hebben zelf het recht om hun gegevens bij de Bureaus Jeugdzorg en de zorgaanbieders in te zien en er (tegen kostprijs) een afschrift van te krijgen. Behalve aan personen die beroepsmatig bij de hulpverlening zijn betrokken of aan de wettelijk vertegenwoordigers (ouders of voogd) van jongeren tussen de twaalf en zestien jaar mogen instellingen geen inlichtingen verstrekken over hun cliënten en hun gezin, tenzij de betrokkenen daar toestemming voor geven. Datzelfde geldt voor inzage in of afschrift van (delen) van het dossier. Inzage door de jongere kan worden geweigerd als hij nog geen twaalf jaar is of indien hij twaalf jaar of ouder is, maar niet in staat is tot redelijke waardering van zijn belangen terzake. Inzage kan ook worden geweigerd als de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de jongere hierdoor zou worden geschaad. Instellingen moeten een schriftelijke regeling hebben waarin het recht op inzage in en afschrift van bescheiden, alsmede haar beperkingen worden geregeld.

33


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Dossiervoering Bureau Jeugdzorg is verplicht bij de aanvang van de hulpverlening de problemen van de cliënt, de ernst en de oorzaken van deze problemen vast te leggen in een zogenoemd hulpverleningsplan met doelen en een tijdsplanning. In het geval van vrijwillige hulpverlening moet de cliënt (of zijn wettelijke vertegenwoordiger) instemmen met het hulpverleningsplan. Bureau Jeugdzorg mag met de zorguitvoerders overleggen over de inhoud van het hulpverleningsplan, zoals is vastgelegd in artikel 24. De Wet op de jeugdzorg schrijft ook voor (artikel 8) wat moet worden vastgelegd, indien de jeugdige cliënt zich in een bedreigende situatie bevindt, zoals een beschrijving van de situatie, de mate en ernst en de mogelijkheden voor zorg. Wanneer er een dossier op een andere manier dan tijdens direct contact met de cliënt wordt aangemaakt, wordt de cliënt binnen twee weken hiervan op de hoogte gebracht. Deze regel is echter niet van toepassing wanneer het (een vermoeden van) kindermishandeling betreft. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 3 De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt Paragraaf 2 Taken

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 8 | Wjz, Hoofdstuk 3, Paragraaf 2

1. Indien de stichting van oordeel is dat zorg, niet zijnde zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, noodzakelijk is om een voor een jeugdige bedreigende situatie te voorkomen, legt de stichting ten behoeve van de cliënt schriftelijk vast welke zorg zij noodzakelijk acht. Zij geeft daarbij in ieder geval: a. een beschrijving van de problemen of dreigende problemen van de cliënt en de mogelijke oorzaken daarvan; b. de mate waarin deze een bedreigende situatie voor de jeugdige kunnen veroorzaken; c. een beschrijving van de in verband daarmee benodigde zorg; d. een advies wie de benodigde zorg kan verlenen. 2. Bij de vastlegging geeft de stichting aan of coördinatie van de zorg noodzakelijk is en zo ja, wie deze coördinatie het beste kan uitvoeren.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 3 De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt Paragraaf 2 Taken

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 13 | Wjz, Hoofdstuk 3, Paragraaf 2

1. De stichting legt de wijze waarop het bureau jeugdzorg de in de wet aan haar opgedragen taken uitvoert schriftelijk vast. Daarbij wordt in ieder geval aangegeven hoe de werkzaamheden in verband met deze taken zijn afgezonderd van de werkzaamheden, bedoeld in artikel 4, tweede lid, tweede volzin. Tevens wordt daarbij geregeld op welke wijze wordt gewaarborgd dat persoonsgegevens, waaronder bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens, die door het bureau worden verwerkt, slechts worden verwerkt voor het doel waarvoor ze zijn verzameld of voor zover het verwerken met dat doel verenigbaar is, alsmede hoe daarop wordt toegezien. 2. De stichting draagt zorg voor een verantwoorde uitvoering door het bureau jeugdzorg van de in deze wet aan de stichting opgedragen taken hetgeen in ieder geval een doeltreffende, doelmatige en cliëntgerichte uitvoering inhoudt. 3. Tot een verantwoorde uitvoering van de taken, genoemd in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c en d, behoort in ieder geval dat de taken worden uitgevoerd op basis van een plan dat is afgestemd op de behoeften van de cliënt. Het plan wordt niet vastgesteld dan na overleg met de cliënt.

34


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4. De stichting organiseert de uitvoering van deze taken op zodanige wijze en voorziet het bureau jeugdzorg daartoe zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, en draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt, of redelijkerwijs moet leiden tot een verantwoorde uitoefening van deze taken. 5. Het uitvoeren van het vierde lid omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van de taken. 6. Ter uitvoering van het vijfde lid draagt de stichting zorg voor: a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de uitvoering van de taken; b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen in hoeverre de wijze van uitvoering van het vierde lid leidt tot een verantwoorde uitvoering van de taken; c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zonodig veranderen van de wijze waarop het vierde lid wordt uitgevoerd. 7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de deskundigheden waarover de stichting moet beschikken en kunnen regels worden gesteld over de deskundigheid waarover bij de stichting werkzame personen moeten beschikken om een verantwoorde uitvoering van de taken te kunnen realiseren. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent de samenwerking van de stichting met de raad voor de kinderbescherming en de werkwijze van de stichting bij de uitoefening van de in de artikelen 5, eerste lid, en 10, eerste lid, genoemde taken. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden bovendien regels gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die de kindermishandeling of een vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de andere onderwerpen, genoemd in het vierde lid, en omtrent het eerste lid. Deze regels kunnen voor de verschillende taken verschillend zijn.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 3 De stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt Paragraaf 2 Taken

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 24 | Wjz, Hoofdstuk 3, Paragraaf 2

1. Een zorgaanbieder, niet zijnde een alleen werkende zorgaanbieder als bedoeld in artikel 18, tweede lid, verleent verantwoorde zorg. Onder verantwoorde zorg wordt verstaan: zorg van goed niveau, die in ieder geval doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. 2. Tot verantwoorde zorg behoort in ieder geval dat de zorg die wordt verleend, is gebaseerd op een hulpverleningsplan dat is afgeleid van het besluit, bedoeld in artikel 6, eerste lid. 3. Een zorgaanbieder en een aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, plegen, in verband met het tweede lid, overleg met de stichting omtrent de inhoud van het hulpverleningsplan. Indien aan een cliënt door meer dan één zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, c of d, zorg wordt geboden, werken zij zodanig samen dat aan de cliënt samenhangende zorg wordt geboden en plegen zij gezamenlijk over het hulpverleningsplan overleg met de stichting. Tijdens het overleg wordt vastgesteld welke zorgaanbieder of aanbieder van zorg als bedoeld in artikel 5 tweede lid, onder b, c of d, belast is met de coördinatie van de totstandkoming van het hulpverleningsplan en de uitvoering daarvan. In het hulpverleningsplan wordt opgenomen welke aanbieder belast is met de coördinatie van de zorg. 4. Voor zover het betreft cliënten ten aanzien van wie de stichting een van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, c of d, uitoefent, is het overleg er tevens op gericht het hulpverleningsplan en het plan, bedoeld in artikel 13, derde lid, op elkaar te doen aansluiten. 5. Het hulpverleningsplan wordt niet dan na overleg met de cliënt vastgesteld. Het behoeft diens instemming, tenzij het zorg betreft waartoe een maatregel van kinderbescherming verplicht. Een zorgaanbieder die pleegzorg biedt, pleegt over het hulpverleningsplan tevens overleg met de betrokken pleegouder. Het hulpverleningsplan wordt vastgesteld vóór de aanvang van de zorg, doch uiterlijk binnen zes weken na de dag waarop is komen vast te staan welke aanbieder of zorgaanbieders de zorg waarop de cliënt is aangewezen, zal verlenen.

35


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

6. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens instemming, de instemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, danwel c. ouder is dan twaalf jaren, maar nog niet de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt, en de stichting een besluit heeft genomen met toepassing van artikel 7, vijfde lid. 7. Indien de cliënt minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, is tevens de instemming van de wettelijke vertegenwoordiger vereist tenzij de stichting een besluit heeft genomen met toepassing van artikel 7, vierde lid, tweede volzin.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 51 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekken de stichting en de zorgaanbieder aan anderen dan de cliënt geen inlichtingen over de cliënt, dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden dan met toestemming van de cliënt. 2. Indien de cliënt minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 3. Onder anderen dan de cliënt zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking bij de toegang tot en de uitvoering van de jeugdzorg noodzakelijk is, alsmede degenen die zijn betrokken bij de voorbereiding of uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a tot en met d, doch slechts voor zover dit voor de medewerking bij de toegang, de uitvoering van de jeugdzorg of de voorbereiding of uitvoering van een maatregel noodzakelijk is.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 54 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. Indien door de stichting bij de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, persoonsgegevens worden verkregen bij anderen dan degene die het betreft, brengt zij de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte. 2. De in het eerste lid genoemde termijn kan telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, genoemd in artikel 11, eerste lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. 3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een stichting de mededeling aan degene die het betreft dat ten aanzien van hem persoonsgegevens worden verwerkt achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken.

36


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Inzage Een cliënt van Bureau Jeugdzorg die twaalf jaar is of ouder heeft toegang tot zijn gegevens, tenzij hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Is de cliënt jonger dan wordt de inzage geregeld met zijn wettelijk vertegenwoordiger. De kosten die bij het opvragen van het dossier gemaakt worden, moeten worden betaald door de cliënt. Bureaus Jeugdzorg zijn verplicht om de wijze waarop cliënten (of hun wettelijke vertegenwoordigers) het dossier kunnen inzien, opvragen of hoe zij onderdelen van hun dossier kunnen vernietigen, goed duidelijk te maken aan hun cliënten in bijvoorbeeld een folder. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 49 | Wjz, Hoofdstuk 9

De stichtingen en de zorgaanbieders verstrekken aan de cliënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden die deze met betrekking tot de cliënt onder zich hebben.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 50 | Wjz, Hoofdstuk 9

1.

Inzage in of afschrift van de bescheiden wordt aan de cliënt geweigerd, indien deze: a. jonger dan twaalf jaren is, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake. 2. Indien de cliënt jonger is dan zestien jaren, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van de bescheiden verstrekt, tenzij het belang van de jeugdige zich daartegen verzet. 3. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden kan eveneens worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de cliënt daardoor zou worden geschaad. 4. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 52 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. De stichtingen en de zorgaanbieders treffen een schriftelijke regeling waarin het recht op inzage in en afschrift van bescheiden, alsmede de beperkingen aan het verstrekken van inlichtingen en inzage worden geregeld overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 51. 2. Deze regeling wordt aan de belanghebbenden beschikbaar gesteld.

Vernietiging van (onderdelen uit) het dossier Als een cliënt van twaalf jaar en ouder, tenzij hij niet in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, onderdelen uit het dossier wil laten verwijderen(of het hele dossier van de cliënt), dan moet dit binnen drie maanden ook daadwerkelijk zijn gebeurd. Als de cliënt zelf geen recht heeft op deze aanvraag dan kan de wettelijk vertegenwoordiger dit recht uitoefenen. In het geval van hulpverlening in een gedwongen kader, is het niet mogelijk om gegevens van cliënten via de bepalingen in dit artikel te laten vernietigen.

37


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 56 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. De stichtingen en de zorgaanbieders vernietigen de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben. 2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. 3. Het verzoek van een cliënt wordt niet ingewilligd indien deze: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 4. In de gevallen bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan.

Bewaartermijn De Wet op de Jeugdzorg schrijft voor dat dossiers vijftien jaar worden bewaard (artikel 55 lid 1 Wet op de Jeugdzorg). Daar waar het gaat om voogdij, minderjarige asielzoekers, vermoedens van verwaarlozing of kindermishandeling, schrijft de wet voor dat de gegevens van het gezin worden bewaard tot het jongste kind meerderjarig is geworden. Dit kan dus alleen in gevallen waarbij het aannemelijk is dat het bewaren van gegevens een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling. Of wanneer er sprake is van een maatregel waarbij het gezag over de cliënt wordt overgenomen. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9: Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 55 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. Onverminderd het tweede lid en artikel 56 bewaren de stichting en de zorgaanbieder bescheiden die deze met betrekking tot een cliënt onder zich hebben gedurende vijftien jaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening noodzakelijk is. 2. De stichting bewaart, voor zover deze de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b, en e, uitoefent, de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

4.4.4 Uitzonderingen op het niet mogen doorbreken van het geheimhouding binnen de Wet op de Jeugdzorg Uit recent onderzoek van het voormalige programmaministerie Jeugd en Gezin (Haalbaarheidsstudie keten-brede informatie-uitwisseling, 2008) blijkt dat professionals soms terughoudender zijn met het uitwisselen van informatie dan gelet op de wettelijke regels noodzakelijk is. Een verklaring hiervoor is de relatieve onbekendheid met de mogelijkheden binnen de huidige privacyreglementen en ook strikte interne richtlijnen van de organisatie. (Actieplan vermindering regeldruk, ministerie van Jeugd en Gezin, oktober 2008). Meldrecht vermoeden kindermishandelingbij AMK Bureau Jeugdzorg kan in bepaalde gevallen (denk onder andere aan een vermoeden van kindermishandeling) gegevens van degene die het betreft zonder toestemming verwerken. Als een situatie van kindermishandeling beëindigd moet worden of een vermoeden daarvan onderzocht, kan degene die tot geheimhouding verplicht is zonder toestemming van degene die het betreft aan een Bureau Jeugdzorg inlichtingen verstrekken (artikel 53 lid 3 Wjz). Hierbij dient datgene 38


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

wat in hoofdstuk 3 beschreven is ter verantwoording van de doorbreking van de geheimhouding aangevoerd te worden. Meldplicht bij vermoeden kindermishandeling in instelling Als er zorg verleend wordt in het kader van de Wet op de Jeugdzorg en er een vermoeden rijst dat een medewerker in de betreffende instelling een kind mishandelt en / of seksueel misbruikt moet dit door de zorgaanbieder gemeld worden bij het AMK. Collega’s moeten bij een vermoeden van kindermishandeling door een andere collega melden bij de zorgaanbieder (artikel 21 Wjz), Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 4:Zorgaanbod

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 21 | Wjz, Hoofdstuk 4

1.Indien het een zorgaanbieder bekend is geworden dat een persoon die bij hem werkzaam is zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, doet die zorgaanbieder hiervan onverwijld melding aan de stichting in verband met de uitoefening van de taak, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder e. 2.Indien een persoon die werkzaam is bij een zorgaanbieder bekend is geworden dat een bij die zorgaanbieder werkzame andere persoon zich mogelijk schuldig maakt of heeft gemaakt aan kindermishandeling, stelt hij die zorgaanbieder daarvan onverwijld in kennis.

indien dat nodig is om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden te onderzoeken. Dit meldrecht kindermishandeling is vastgelegd in de Wet op de Jeugdzorg in artikel 53. Dit artikel geeft alle functionarissen met een geheimhouding of een zwijgplicht nadrukkelijk het recht om zonder toestemming van de cliënt een melding te doen van vermoeden van kindermishandeling. Daarnaast mag een ‘geheimhouder’, zo nodig ook weer zonder toestemming van de cliënt, informatie geven als het AMK daar naar vraagt. Het meldrecht mag worden gebruikt om een situatie van kindermishandeling te (doen) stoppen of om een onderzoek naar een redelijk vermoeden van kindermishandeling mogelijk te maken. Een functionaris met een geheimhouding of zwijgplicht, die door het AMK gevraagd wordt om informatie, heeft dus het recht om de gevraagde informatie te geven, ook als hij zelf, voordat het AMK belde, geen vermoeden had van kindermishandeling. Het AMK kan geen melding of informatie afdwingen. Een (juridische) plicht om melding te doen of desgevraagd informatie te geven, bestaat niet. De professional behoudt, met andere woorden, zijn eigen verantwoordelijkheid. Hij beslist zelf of hij een melding doet en welke informatie hij verstrekt. Daarbij speelt ook zijn plicht om ten opzichte van zijn cliënt een zorgvuldig professional te zijn. Die zorgvuldigheid betekent in dit verband dat de professional alleen in zeer dringende situaties een melding kan doen zonder dat hij eerst over zijn vermoedens met de cliënt heeft gesproken. (Lydia Janssen en Paul Baeten, Samenwerking en geheimhouding, 2002). Inlichtingenrecht aan Raad voor de Kinderbescherming De Raad kan altijd worden ingelicht bij een vermoeden tot kindermishandeling. Wanneer mag een beroepskracht naar de Raad voor de Kinderbescherming stappen om huiselijk geweld te melden? Artikel 1:240 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft iedere functionaris met een geheimhouding of een zwijgplicht het recht om, zo nodig zonder toestemming van de cliënt, informatie te verstrekken aan de Raad voor de Kinderbescherming, voor zover de informatie noodzakelijk is voor de taken van de Raad. Een beroepskracht die door de Raad voor de Kinderbescherming gevraagd wordt om informatie, heeft dus het recht om gevraagde informatie te geven, ook als hijzelf, voordat de Raad voor de Kinderbescherming belde, geen vermoeden had van kindermishandeling. Bij deze regeling gaat het echter niet om een plicht. De professional kan niet gedwongen worden om informatie te verstrekken. Hij houdt zijn eigen verantwoordelijkheid en beslist zelf of hij informatie verstrekt en welke informatie hij doorgeeft. Daarbij speelt ook de plicht ten opzichte van zijn cliënt een zorgvuldig professional te zijn. 39


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Die zorgvuldigheid betekent in dit verband dat de professional alleen in zeer dringende situaties informatie kan verschaffen zonder dat hij zijn vermoedens met de cliënt heeft besproken. (Lydia Janssen en Paul Baeten, Samenwerking en geheimhouding, 2002). Burgerlijk Wetboek 1 (BW1) Titel 11 Afstamming Afdeling 3 De raad voor de kinderbescherming

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 240 | BW1, Boek 1, Titel 13, Afdeling 3

Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan de raad voor de kinderbescherming inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht voor de uitoefening van de taken van de raad.

Rechtsreeks betrokken bij de hulpverlening dan wel voorbereiding kinderbeschermingsmaatregel Artikel 53 van de Wet op de Jeugdzorg beschrijft een aantal uitzonderingen op de hoofdregel dat een jeugdprofessional zonder toestemming geen cliëntgegevens aan een ander mag geven. Die uitzonderingen zijn: - De jeugdprofessional mag informatie over een cliënt uitwisselen met andere beroepskrachten die rechtstreeks betrokken zijn bij de jeugdhulpverlening. - De jeugdprofessional mag ook informatie over zijn cliënt geven aan degenen die betrokken zijn bij de voorbereiding van een kinderbeschermingsmaatregel. Een professional kan in dit kader bijvoorbeeld informatie verstrekken aan Bureau Jeugdzorg, aan de Raad voor de Kinderbescherming of aan een gezinsvoogd (artikel 1:240 BW). Overmacht of bemoeizorg Is het geven van informatie van de hiervoor genoemde uitzonderingen niet mogelijk, dan kan in beginsel alleen informatie worden gegeven met toestemming van de cliënt (of zijn ouders). Krijgt de jeugdprofessional geen toestemming, maar meent hij toch informatie te moeten verstrekken, omdat er (levens)gevaar dreigt voor zijn cliënt of voor een ander, dan kan hij een beroep doen op overmacht (conflict van plichten) of handelen in het kader van bemoeizorg. Deze mogelijkheden zijn eerder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz) Hoofdstuk 9 Inzage in en het bewaren en vernietigen van bescheiden

bron: www.wetten.overheid.nl

Artikel 53 | Wjz, Hoofdstuk 9

1. De stichting kan, onverminderd de Wet bescherming persoonsgegevens, in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken. 2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid dan wel sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid. 3. Degene die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van zijn ambt of beroep tot geheimhouding is verplicht kan, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een stichting inlichtingen verstrekken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. 4. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een stichting terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn in verband met de uitvoering van de taak, genoemd in artikel 11, eerste lid. 5. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt,

40


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de stichting, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken. Voor wat betreft de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens.

Meldrecht bij de verwijsindex risicojongeren Als een maatschappelijk werker zich zorgen maakt over een jongere tot 23 jaar kan hij evenals een functionaris in de jeugd(gezondheids)zorg, het onderwijs, de maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of politie en justitie, deze jongere, wanneer hij meldingsbevoegd is, melden bij de verwijsindex risicojongeren (VIR) (hoofdstuk IA Wet op de Jeugdzorg). De VIR is een landelijk werkend elektronisch systeem, waarin een aantal persoons- en andere gegevens wordt verwerkt. De wet stelt aan de meldingsbevoegden een aantal eisen. De meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jongere of zijn wettelijk vertegenwoordiger een jongere melden. Tot de meldingsbevoegden behoren Bureau jeugdzorg, Nidos en de landelijk werkende instellingen op het terrein van (gezins)voogdij en jeugdreclassering. Het doel van de VIR is vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij jongeren tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen , te beperken of weg te nemen. Voorwaarde voor de melding is dat de meldingsbevoegde een redelijk vermoeden heeft dat de jongere door in de wet opgenomen risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid feitelijk wordt bedreigd. De risicotaxatie gaat aan de melding vooraf. De melding zelf betreft onder andere het burgerservicenummer van de jongere en bevat verder geen bijzondere persoonsgegevens (www.handreikingmelden.nl). Bij twee of meer meldingen krijgen betrokken hulpverleners een e-mail dat er een melding voor hen klaarstaat in de verwijsindex. In die melding staan alleen de toegestane gegevens. Betrokkenen kunnen nu met elkaar contact opnemen om hulpverlening onderling af te stemmen (match). Voordat zij contact opnemen dient men weer een risicotaxatie te doen. Als de hulpverleners tot contact besluiten, dan moeten zij nagaan of er toestemming is en zo niet waarom zij dan toch me telkaar kunnen overleggen. Daar zijn wettelijke gronden voor, maar die moeten wel geëxpliciteerd worden. Het conflict van plichten of handelen in het kader van bemoeizorg kan zo’n grond zijn (zie hoofdstuk 3). Ook na de match moet voldaan worden aan de regels ter bescherming van de privacy (www.privacywegwijzer.nl). De jongere en de ouders worden geïnformeerd over een opname van een melding in de verwijsindex. Het laatste moment dat dit moet gebeuren, is het moment van een match. Ouders en jongeren zijn bevoegd om hun gegevens te bekijken en tevens bestaat de mogelijkheid van bezwaar en beroep (Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional, Verhage-van Kooten, M, SDUuitgevers, editie 2011-2012) Werken binnen de verwijsindex vraagt van de maatschappelijk werker zorgvuldigheidscriteria rond de geheimhouding en het verbreken hiervan, zoals beschreven in hoofdstuk 3. Wet op de jeugdzorg 2004 (Wjz)

Hoofdstuk 1A Landelijke verwijsindex

bron: www.wetten.overheid.nl

(Tekst geldend op: 19-08-2011) § 1. Algemeen Artikel 2a In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. jeugdige: persoon die de leeftijd van 23 jaar nog niet heeft bereikt;

41


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

• •

b. burgerservicenummer: burgerservicenummer als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer; c. hulp, zorg of bijsturing: werkzaamheden die een meldingsbevoegde op grond van de voor hem geldende regelgeving ten behoeve van een jeugdige verricht.

Artikel 2b

1. Meldingsbevoegde is een functionaris die werkzaam is voor een instantie die:

o

a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van instanties die werkzaam is in een of meer van de domeinen jeugdzorg, jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of politie en justitie,

o

b. afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met het college van burgemeester en wethouders, en

o

c. de functionaris als zodanig heeft aangewezen.

2. Meldingsbevoegde is voorts een functionaris die niet werkzaam is voor een instantie en die:

o

a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van functionarissen die werkzaam is in een of meer van de in het eerste lid, onder a, genoemde domeinen, en

o

b. afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met het college van burgemeester en wethouders.

3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de functionaris, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de instanties, bedoeld in het eerste lid, onder a. Deze regels kunnen verschillen per categorie van instanties of functionarissen.

Artikel 2c Met het oog op de goede uitvoering van dit hoofdstuk kan bij algemene maatregel van bestuur onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aan te geven leeftijdscategorieën van jeugdigen. § 2. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid Artikel 2d

• •

1. Er is een verwijsindex risicojongeren, zijnde een landelijk elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens in de zin van artikel 1, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens alsmede andere gegevens worden verwerkt. 2. De verwijsindex heeft tot doel vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen. 3. De verwijsindex wordt uitsluitend gebruikt voor het in het tweede lid aangegeven doel.

Artikel 2e

• • •

1. Onze Minister voor Jeugd en Gezin draagt zorg voor de inrichting en het beheer van de verwijsindex. 2. Onze Minister voor Jeugd en Gezin is de verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onder d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de verwijsindex. 3. In afwijking van het tweede lid, is voor de toepassing van de artikelen 34 tot en met 40 en 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens de verantwoordelijke het college van burgemeester en wethouders van de gemeente die afspraken als bedoeld in artikel 2g heeft gemaakt met de instantie waarvoor de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld werkzaam is of, indien die niet werkzaam is voor een instantie, de meldingsbevoegde. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting en het beheer van de verwijsindex. Daartoe behoren in elk geval regels omtrent de beveiliging van persoonsgegevens en de beschikbaarheid van de voorzieningen, bedoeld in artikel 2f.

Artikel 2f

42


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

1. Van de verwijsindex maken deel uit:

o

a. voorzieningen waarmee de verwijsindex met het oog op het verwerken van een melding het burgerservicenummer van de betrokken jeugdige kan opvragen of verifiëren;

o

b. voorzieningen waarmee een jeugdige aan de verwijsindex kan worden gemeld of eruit kan worden verwijderd;

o

c. voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van dezelfde jeugdige een signaal wordt gezonden naar de meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld en naar degene die belast is met de taken, bedoeld in artikel 2h;

o

d. een logboek dat registreert welke meldingsbevoegde wanneer een jeugdige aan de verwijsindex heeft gemeld, hem daaruit heeft verwijderd of een signaal heeft ontvangen;

o

e. voorzieningen waarmee verhuisbewegingen van aan de verwijsindex gemelde jeugdigen worden geregistreerd en doorgegeven aan de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld en, indien de jeugdige naar een andere gemeente is verhuisd, aan de regievoerder van de gemeente waarnaar de jeugdige is verhuisd;

o

f. voorzieningen waarmee ten behoeve van:

o



1°. het toezicht op de naleving inzage kan worden g egeven in de verwijsindex;



2°. beleidsinformatie en het toezicht op de nalevin g rapportages over het gebruik van de verwijsindex kunnen worden samengesteld en opgevraagd, bestaande uit niet tot specifieke jeugdigen of specifieke meldingsbevoegden herleidbare gegevens;

g. voorzieningen waarmee aan de jeugdige bij de uitoefening van de artikelen 35 tot en met 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens inzage kan worden verleend in een hem betreffende melding in de verwijsindex.

2. Bij de verwijsindex is een historisch meldingenarchief gevoegd waarin uit de verwijsindex verwijderde meldingen worden opgenomen. Het historisch meldingenarchief heeft tot doel de verdere verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van een jeugdige te ondersteunen. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een effectief gebruik van de verwijsindex noodzakelijke andere voorzieningen worden aangewezen die aan de verwijsindex worden toegevoegd.

§ 3. Afspraken over het gebruik van de verwijsindex Artikel 2g

1. Het college van burgemeester en wethouders bevordert het gebruik van de verwijsindex. Daartoe maakt het college afspraken met de binnen hun gemeente werkzame instanties en functionarissen, voor zover zij behoren tot een categorie die is aangewezen bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 2b. Het college organiseert voorts de aansluiting van die instanties en functionarissen op de verwijsindex. 2. De afspraken betreffen in elk geval de wijze waarop het college samenwerkt met die instanties en functionarissen, en die instanties en functionarissen onderling samenwerken bij het verlenen van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van jeugdigen, alsmede het beheer en de nakoming van die afspraken. De afspraken worden in een convenant vastgelegd. 3. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen regels worden gesteld omtrent het beheer en de nakoming van de afspraken en kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere in de afspraken op te nemen onderwerpen. Voor zover dat uit hoofde van hun functie of taak noodzakelijk is, kan in de afspraken onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aangewezen categorieën van meldingsbevoegden. 4. Bij regeling van Onze Minister voor Jeugd en Gezin kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik van, de aansluiting en de organisatie van de aansluiting op de verwijsindex. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen daarbij aangewezen categorieën van gemeenten en van meldingsbevoegden.

Artikel 2h

1. Het college van burgemeester en wethouders draagt er zorg voor dat wordt nagegaan of de meldingsbevoegden die een jeugdige aan de verwijsindex hebben gemeld en vervolgens daaruit een signaal hebben ontvangen, met elkaar contact hebben opgenomen.

43


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

2. Degene die belast is met de taken, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend ten behoeve daarvan toegang tot de verwijsindex.

Artikel 2i

1. Instanties kunnen met het oog op een effectief gebruik van de verwijsindex een binnen hun instantie werkzame coördinator aanwijzen. De coördinator heeft als taak de contactgegevens van de meldingsbevoegden te beheren en zo nodig, aan te passen en de signalen uit de verwijsindex te beheren. 2. Een coördinator heeft uitsluitend ten behoeve van de taak, bedoeld in het eerste lid, toegang tot de verwijsindex.

§ 4. Melding aan de verwijsindex Artikel 2j Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd:

• •

a. de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of verwaarlozing; b. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende psychische problemen, waaronder verslaving aan alcohol, drugs of kansspelen;

c. de jeugdige heeft meer dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen;

d. de jeugdige is minderjarig en moeder of zwanger;

e. de jeugdige verzuimt veelvuldig van school of andere onderwijsinstelling, dan wel verlaat die voortijdig of dreigt die voortijdig te verlaten;

f. de jeugdige is niet gemotiveerd om door legale arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien;

g. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende financiële problemen;

h. de jeugdige heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;

i. de jeugdige is een gevaar voor anderen door lichamelijk of geestelijk geweld of ander intimiderend gedrag;

j. de jeugdige laat zich in met activiteiten die strafbaar zijn gesteld;

• •

k. de ouders of andere verzorgers van de jeugdige schieten ernstig tekort in de verzorging of opvoeding van de jeugdige; l. de jeugdige staat bloot aan risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen.

Artikel 2k

• •

• •

1. Een melding wordt in de verwijsindex gekoppeld aan het burgerservicenummer van de jeugdige, met als doel te waarborgen dat de melding betrekking heeft op die jeugdige. 2. Indien de melding afkomstig is van een meldingsbevoegde die op grond van een wettelijke bepaling reeds bevoegd is het burgerservicenummer van de jeugdige te gebruiken, biedt hij de melding met dat nummer aan de verwijsindex aan. 3. In andere gevallen biedt de meldingsbevoegde de melding aan de verwijsindex aan met behulp van de voorzieningen, bedoeld in artikel 2f, eerste lid, onder a, zonder dat hij kennis kan nemen van het burgerservicenummer van de betrokken jeugdige. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het aanbieden van een melding aan de verwijsindex, bedoeld in het tweede en derde lid, en overigens over de wijze van melding. 5. Bij algemene maatregel van bestuur worden een persoonsidentificerend nummer en andere identificerende

44


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

gegevens aangewezen die gebruikt worden om jeugdigen die niet beschikken over een burgerservicenummer te melden aan de verwijsindex. Bij of krachtens de maatregel worden voorts regels gesteld over de wijze waarop deze gegevens worden aangeboden aan de verwijsindex. Artikel 2l

1. Naast het burgerservicenummer van de jeugdige worden in de verwijsindex bij een melding uitsluitend de volgende gegevens opgeslagen:

o

a. de identificatiegegevens en contactgegevens van de meldingsbevoegde die de melding doet, en, in voorkomend geval, van de coördinator, bedoeld in artikel 2i;

o

b. de datum en het tijdstip van de melding, en

o

c. de datum waarop de melding op grond van artikel 2n, tweede lid, onder a, uit de verwijsindex zal worden verwijderd.

2. Een signaal uit de verwijsindex bevat uitsluitend de gegevens, genoemd in het eerste lid, onder a.

Artikel 2m Ten behoeve van de doeleinden, bedoeld in artikel 2d, worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid, alsmede strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt uitsluitend plaats teneinde meldingsbevoegden uit de domeinen jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg en politie en justitie in staat te stellen een jeugdige aan de verwijsindex te melden alsmede andere meldingsbevoegden in staat te stellen van deze melding kennis te nemen. Artikel 2n

1. Een meldingsbevoegde verwijdert een door hem gedane melding uit de verwijsindex indien naar zijn oordeel:

o

a. die melding niet terecht is gedaan;

o

b. het eerder gesignaleerde risico niet meer aanwezig is.

2. Een melding wordt voorts in elk geval uit de verwijsindex verwijderd:

o

a. ten hoogste twee jaar nadat zij is gedaan;

o

b. met ingang van de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt;

o

c. zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige.

Artikel 2o

• •

1. Een overeenkomstig artikel 2n, eerste lid, onder b, en tweede lid, onder a, uit de verwijsindex verwijderde melding wordt gedurende vijf jaren opgenomen in een historisch meldingenarchief, met dien verstande dat die opname wordt vernietigd met ingang van de dag dat de jeugdige 23 jaar wordt of zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige. Meldingen die uit de verwijsindex zijn verwijderd met toepassing van artikel 2n, eerste lid, onder a, of het tweede lid, onder b of c, of de artikelen 36 of 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens, worden niet in het historisch meldingenarchief opgenomen. 2. Een in het historisch meldingenarchief opgenomen melding wordt uitsluitend en eenmalig aangeboden aan een meldingsbevoegde op het moment dat hij een jeugdige aan de verwijsindex meldt. 3. Artikelen 2e en 2f, eerste lid, aanhef, juncto onder f en g, zijn van overeenkomstige toepassing op het historisch meldingenarchief. Van het historisch meldingenarchief maakt een voorziening deel uit waarmee een jeugdige uit het historisch meldingenarchief kan worden verwijderd.

§ 5. Aanvullende bepalingen inzake informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene Artikel 2p

1. Indien een melding betrekking heeft op een jeugdige die jonger is dan twaalf jaren wordt de mededeling, bedoeld in artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens gedaan aan zijn wettelijk vertegenwoordiger. Indien de jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, wordt de mededeling zowel aan de jeugdige als zijn wettelijk vertegenwoordiger gedaan. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels

45


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

stellen omtrent de mededeling.

•

2. Indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaren wordt een verzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens of een aantekening van verzet als bedoeld in artikel 40 van die wet gedaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Indien de jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, wordt het verzoek of de aantekening van verzet gedaan door de jeugdige en zijn wettelijk vertegenwoordiger gezamenlijk.

Artikel 2q

•

•

1. Een meldingsbevoegde die een jeugdige aan de verwijsindex heeft gemeld, brengt aan het college van burgemeester en wethouders een advies uit over een door die jeugdige aan hen gedaan verzoek als bedoeld in de artikelen 35 of 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens, of over een bij hen aangetekend verzet als bedoeld in artikel 40 van die wet. 2. De meldingsbevoegde verstrekt het college overigens alle inlichtingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering door het college van de in het eerste lid genoemde artikelen en artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens.

46


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

5. Voorstellen wetgever op het terrein van privacy en geheimhouding Ontwikkelingen in de maatschappij zorgen voor nieuwe wet- en regelgeving. Wetten zijn niet statisch, maar worden aangepast aan de samenleving die zij dienen. Ook rond het thema geheimhouding en gegevensuitwisseling is de wetgeving met betrekking tot bepaalde thema’s ‘in beweging’. De meest recente ontwikkelingen staan in de volgende paragrafen beschreven. 5.1 Informatieverstrekking aan Bureau Jeugdzorg Uitwisselen gegevens Het wetsvoorstel 32015 dat ook de gegevensuitwisseling tussen jeugdzorginstellingen bij een lopende ondertoezichtstelling is vereenvoudigd. Het bedoelde wetsvoorstel is 15 maart 2011 met Algemene stemmen door de Tweede Kamer aangenomen. Zo krijgt Bureau Jeugdzorg het recht om zonder toestemming van de ouders, wier kind onder toezicht is gesteld, informatie op te vragen bij derden. Voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling speelt informatieverstrekking aan het Bureau Jeugdzorg uit de omgeving van de minderjarige immers een cruciale rol. Een goed geïnformeerd Bureau Jeugdzorg is beter in staat een zorgvuldige inschatting te maken over de situatie van een minderjarige en de te verlenen hulp aan de minderjarige en zijn ouders. Derden mogen dan op grond van de voorgestelde regeling zonder toestemming van de ouders gegevens verstrekken aan het bureau jeugdzorg indien dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De nieuwe regeling betreft een recht van derden om gegevens aan Bureau Jeugdzorg te verstrekken. Het is geen plicht. Het verstrekken behoeft niet de toestemming van de ouders, maar de afweging of en welke gegevens worden verstrekt is aan degene die de gegevens verstrekt. Zonodig kan dus ook het beroepsgeheim doorbroken worden. Bij de doorbreking van het beroepsgeheim gelden weer de vooraarden zoals in hoofdstuk 3 beschreven.

Wet op de jeugdzorg 2011 of 2012 (Wjz) Toekomstig Artikel 53 | Wjz, Hoofdstuk 9 – in het bijzonder artikel 53 lid 3

Artikel 53 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot vijfde en zesde lid komen het eerste tot en met het vierde lid te luiden: 1. De stichting kan in de gevallen, bedoeld in artikel 7, zesde lid, of indien dit voor de uitoefening van de taken genoemd in artikel 10, eerste lid, onder b, of artikel 11, eerste lid, noodzakelijk is te achten, zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens verwerken. 2. De stichting kan zonder toestemming van degene die het betreft slechts bijzondere gegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerken indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7, zesde lid, het persoonsgegevens betreft welke noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een ondertoezichtstelling of uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van kindermishandeling kan worden afgeleid.

3. Derden, die beroepshalve beschikken over inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een minderjarige die onder toezicht is gesteld, diens verzorging en opvoeding of de persoon van een ouder of voogd betreffen en die noodzakelijk kunnen worden geacht voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling, verstrekken de stichting die de ondertoezichtstelling uitvoert deze inlichtingen desgevraagd of kunnen deze inlichtingen uit eigen beweging aan de stichting verstrekken, zonder toestemming van degenen die het betreft en indien nodig met doorbreking van de plicht tot geheimhouding op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep.

47


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

4. Derden, die beroepshalve beschikken over inlichtingen die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beĂŤindigen of een redelijk vermoeden van kindermishandeling te onderzoeken, kunnen de stichting deze inlichtingen desgevraagd of eigener beweging verstrekken zonder toestemming van degene die het betreft en indien nodig met doorbreking van de in het derde lid bedoelde plicht tot geheimhouding.

5.2 Landelijke verplichte meldcode kindermishandeling / huiselijk geweld, eergerelateerd geweld en vrouwenbesnijdenis, ook voor maatschappelijk werkers In mei 2011 heeft de ministerraad ingestemd met het wetsvoorstel verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. In het wetsvoorstel is vastgelegd dat professionals in de gezondheidszorg, ouderenzorg, gehandicaptenzorg, jeugdzorg, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, kinderopvang en justitie verplicht zijn om met een meldcode te gaan werken. Wanneer ze beroepshalve te maken hebben met een signaal van huiselijk geweld of kindermishandeling. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer en is bij het uitkomen van deze versie nog niet beschikbaar. Iedere professional die direct of indirect met kinderen werkt, kan een belangrijke bijdrage leveren aan de bestrijding van kindermishandeling. Daarvoor dient een zogenoemde meldcode of richtlijn kindermishandeling. Het ministerie van VWS heeft een landelijke meldcode ontwikkeld in samenwerking met vele partijen, waaronder de NVMW. De meldcode kindermishandeling beschrijft hoe beroepskrachten horen te handelen bij (vermoedens van) kindermishandeling. De meldcode biedt houvast bij de stappen die de professional kan zetten, zoals bijvoorbeeld het voorleggen van zorgen aan de ouders. Of hoe hij om moet gaan met dossiervorming en het uitwisselen van gegevens. Daarnaast geeft de meldcode richtlijnen voor het vragen van advies aan en het doen van een melding bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). Veel beroepsgroepen beschikken al over een eigen meldcode kindermishandeling. Ook de NVMW heeft een meldcode voor maatschappelijk werkers ontwikkeld – met name bedoeld voor die maatschappelijk werkers die niet in een organisatie werken. En voor die werkers die in een organisatie werken die nog geen meldcode heeft ontwikkeld. De NVMW meldcode voor maatschappelijk werkers is gebaseerd op de landelijke meldcode die het ministerie heeft ontwikkeld, maar is waar passend aangevuld met onder meer verwijzingen en informatie over de eigen beroepsgroep en beroepscode. De NVMW meldcode is gratis te downloaden in de webwinkel van de NVMW. Werken met een meldcode: Alleen het ontwikkelen van een meldcode is niet voldoende. De meldcode 8 moet ook worden gebruikt. Beroepskrachten worden hierin getraind , opdat zij weten wat te doen als ze vermoeden dat een kind mishandeld, verwaarloosd of misbruikt wordt. De beroepskrachten moeten zoveel mogelijk als basis eenzelfde meldcode gebruiken, zodat in de hele zorgketen meer eenduidig wordt gehandeld. Ook beroepsspecifieke elementen zijn aan de meldcode toegevoegd. Onderdelen van de meldcode: De meldcode bestaat uit een aantal basiselementen of fases. De fases zijn uitgewerkt in concrete stappen die algemeen geformuleerd zijn, opdat ze van toepassing zijn op alle beroepskrachten die direct of indirect werken met kinderen. De zes fases van de meldcode zijn: Fase1: in kaart brengen van signalen Fase 2: collegiale consultatie en zo nodig raadplegen van het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) of het Steunpunt Huiselijk Geweld 8

De NVMW heeft samen met Movisie en specifieke training ontwikkeld voor maatschappelijk werkers. Hier komen de fasen van de meldcode aan de orde, bovendien wordt er gefocust op de rol die maatschappelijk werkers spelen wanneer er vermoedens zijn van mishandeling en / of verwaarlozing. De handelingsverlegenheid en het versterken van de vaardigheden van de maatschappelijk werker staan hierbij centraal. De training wordt en aantal keren per jaar aangeboden. Informatie hierover staat op www.nvmw.nl of kan worden opgevraagd bij het NVMW-bureau via maatswk@nvmw.nl.

48


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Fase 3: gesprek met de cliënt Fase 4: wegen van het geweld of de kindermishandeling Fase 5: beslissen – Hulp organiseren of melden De toelichting op de meldcode, de meldcodetekst van de landelijke meldcode van VWS en informatie rond het wetgevingstraject is te vinden op: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/huiselijkgeweld/hulp-bieden/meldcode. Meldrecht: Eén van de stappen van de meldcode is het afwegen óf er sprake is van kindermishandeling en óf dat gemeld moet worden bij het AMK. Professionals hebben een wettelijk meldrecht. Zo kunnen zij een melding doen bij het AMK en daarbij alle relevante gegevens overdragen aan het AMK. Het belang van het kind gaat hierbij vóór het belang van de privacy van het gezin(www.jeugdengezin.nl). Meldcode en beroepsgeheim: speciaal voor professionals die meer willen weten over de mogelijkheden om gegevens te kunnen uitwisselen maar niet weten wanneer en hoe zij dit kunnen doen, ontwikkelde het ministerie van VWS de ‘digitale wegwijzer huiselijk geweld kindermishandeling en beroepsgeheim’ (zie ook http://www.huiselijkgeweld.nl/cgi-bin/beroepsgeheim.cgi/). Dit instrument is ontwikkeld voor beroepskrachten die een vermoeden hebben van huiselijk geweld en kindermishandeling, maar niet weten of (wanneer en hoe) deze informatie met andere beroepskrachten mag worden uitgewisseld. Een beroepsgeheim of zwijgplicht kan professionals ervan weerhouden daadkrachtig op te treden tegen het geweld. Toch biedt de Nederlandse wet- en regelgeving wel ruimte om het belang van de cliënt af te wegen tegen het belang van geheimhouding. Er is waarschijnlijk meer mogelijk dan professionals denken. De NVMW-uitgave Geheimhouding & Privacy biedt inzichten en handvatten over deze mogelijkheden. Ook staat op het ledenportaal van www.nvmw.nl een aparte rubriek veelgestelde vragen over dit onderwerp. Professionals die geweld gebruiken: De minister heeft in 2011 aangegeven voornemens te zijn om in de Beginselenwet zorginstellingen een meldplicht ouderenmishandeling op te nemen voor die gevallen dat de professionals de mishandeling plegen. Daardoor kan de mishandeling binnen de instelling zo snel als mogelijk worden gestopt. Dit wordt ook doorgetrokken naar mishandeling van gehandicapten. Voor instellingen die vallen onder de Wet op de jeugdzorg en het onderwijs is dit al geregeld. De meldplicht zal nu ook gaan gelden voor de hele zorgsector en de sectoren Kinderopvang en Maatschappelijke ondersteuning.

49


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

6. Ontwikkelingen in branches en beroepsverenigingen Ontwikkelingen rond het thema kindermishandeling leiden ertoe dat beroepsbeoefenaren en beroepsverenigingen zelf de bandbreedte bepalen van geheimhouding en informatie-uitwisseling. 6.1 KNMG Nieuwe code melding kindermishandeling ‘Spreken, tenzij versus Zwijgen, tenzij’ Artsen kunnen zich niet langer verschuilen achter hun beroepsgeheim. Zij moeten meer dan tot nu toe het belang van het kind voorop stellen bij (vermoedens van) mishandeling. Dat is het uitgangspunt van de nieuwe meldcode kindermishandeling van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Geneeskunst (KNMG) ‘spreken, tenzij’, in plaats van ‘zwijgen, tenzij’ genaamd. In de nieuwe meldcode is goed onderbouwd dat het beroepsgeheim moet wijken in het belang van het kind, als er sprake is van kindermishandeling of een vermoeden daarvan. Uit recent onderzoek blijkt dat slechts 45 procent van de professionals die met kinderen werken over een meldcode kindermishandeling beschikt. Naar aanleiding hiervan heeft het voormalige programmaministerie van Jeugd en Gezin een dringende oproep gedaan aan alle beroepsgroepen het initiatief van de KNMG te volgen (zie ook www.knmg.nl). 6.2 GGZ-Nederland nieuw standpunt aanpak kindermishandeling psychiaters van ouders Van ‘zwijgen tenzij’ naar ‘spreken tenzij’ betekent dat een hulpverlener een hele goede reden moet hebben om niet te spreken als hij het vermoeden heeft dat een kind mishandeld wordt. Dat een kind nooit meer mishandeld zal worden, kan nooit gagarandeerd worden, maar de samenleving kan er wel voor zorgen dat er eerder aan de bel getrokken wordt. Dit is de kern van de code die GGZ Nederland in samenspraak met haar leden ontwikkeld heeft(www.ggznederland.nl). In 2009 is, mede vanwege een aantal incidenten met dodelijke afloop, de discussie opgelaaid rond de samenwerking tussen jeugdzorg en de (jeugd)-ggz. Kinderen van ouders met psychiatrische problematiek of kinderen die anderszins in een kwetsbare positie verkeren, lopen risico verwaarloosd of mishandeld te worden. Partijen zijn het erover eens dat de signalering van deze risicokinderen en de samenwerking tussen de verschillende instanties beter kan en moet en dat de informatievoorziening over en weer daarin een rol speelt. Er zijn verschillende belangen en loyaliteitsproblemen bij de professionals van de betreffende instellingen, bijvoorbeeld wanneer de professional een zorgplicht heeft voor de eigen cliënt die als ouder mogelijk dader is van kindermishandeling. Zo kan de zorgplicht voor de ouder botsen met de behoefte om gegevens uit te wisselen met andere professionals. De ontwikkeling van vaardigheden om kindermishandeling te signaleren en om het probleem bespreekbaar te maken, worden in elke ggz-instelling en waar mogelijk samen met andere betrokken instellingen zoals bijvoorbeeld het Bureau Jeugdzorg of de regionale huisartsen en jeugdartsen, al jarenlang gestimuleerd. De jeugdzorg vindt dat de ggz zich teveel verschuilt achter de zwijgplicht van professionals en optimale samenwerking zodoende onmogelijk maakt. Het verwijt is vooral gericht op de professionals in de volwassenenzorg. Zij hebben volgens de jeugdzorg te weinig aandacht voor de kinderen van hun cliënten. De (jeugd-)ggz zegt dat de jeugdzorg te weinig oog heeft voor de (wettelijke) uitgangspunten van de hulpverlening en het feit dat de zwijgplicht voor professionals verschillende belangen dient: het algemene belang (iedereen heeft recht op vrije toegang tot gezondheidszorg, zonder angst voor aangifte of voor schending van de privacy) en het individuele belang (bescherming van de privacy). Met de ‘Code voor het melden (van vermoedens) van kindermishandeling voor de ggz’ wil de ggz niet alleen een bijdrage leveren aan de bescherming van kwetsbare kinderen maar ook aan de professional die gaat spreken over (mogelijke) kindermishandeling ( ‘Over sommige kinderen moet je praten – code voor melden kindermishandeling voor de GGZ’).

50


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

7. Bronnen en juridisch advies 7.1 Gebruikte Literatuur • • • • • • • • • • • • • • • •

Basismodel meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling – VWS (2010) GGD Nederland, GGZ Nederland, KNMG, Handreiking gegevensuitwisseling in de bemoeizorg (2007) Jan Janssen, De code gedecodeerd (2007) Lydia Janssen en Paul Baeten: Samenwerking en Beroepsgeheim – juridische mogelijkheden voor het uitwisselen van gegevens bij de aanpak van huiselijk geweld. NIZW (2002) Lydia Janssen: Beroepsgeheim maatschappelijk werker (2003) Lydia Janssen: Presentatie studiedag geheimhouding. NVMW (2008) Lydia Janssen: Presentatie workshop Jaarcongres ‘Over grenzen’ NVMW (2009) NVMW, Beroepscode voor de maatschappelijk werker (2010) NVMW, Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling voor maatschappelijk werkers (2010) NVMW, Beroepsprofiel van de maatschappelijk werker (2006) Ministerie van Jeugd en Gezin: Actieplan vermindering regeldruk (2008) Ministerie van justitie: Horen zien en zwijgplicht E.B. van Veen (mr.) en mr. E.T.M. Olsthoorn – Heim, De WGBO- de betekenis voor in de gezondheidszorg, SDU uitgevers (2008) Marianne Verhage - van Kooten: Recht voor de zorg- en welzijnsprofessional, SDU uitgevers 2011-2012 Jaap Buitink, Jan Ebskamp, Richard Groothoff: Moresprudentie Ethiek en beroepscode in het sociaal werk, ThiemeMeulenhoff in samenwerking met de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW) (2012). Artikelen uit het tijdschrift Maatwerk: Rubriek Wetten en Regels: Marianne Verhage- van Kooten Verwijsindex risicojongeren: Melden mag, afwegen moet! - ‘Beter beschermd’ en ‘Kinderen eerst: bespreking wetsvoorstel 32015 - Gegevensuitwisseling bij bemoeizorg – meer mogelijk dan velen denken!

7.2 Geraadpleegde websites www.ggznederland.nl www.jeugdengezin.nl www.handreikingmelden.nl www.huiselijkgeweld.nl www.knmg.nl www.nji.nl www.nvmw.nl www.minjus.nl www.privacywegwijzer.nl www.rijksoverheid.nl www.vws.nl www.verwijsindex.nl www.wetten.overheid.nl

7.3 Juridisch advies Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers / NVMW NVMW leden kunnen voor persoonlijk advies op werkdagen bellen met 030-294 86 03 of mailen met maatswk@nvmw.nl. Naast advies van de NVMW stafmedewerkers staat er ook een juridisch adviseur ter beschikking.

51


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Helpdesk privacy Website: www.jusitite.nl/helpdeskprivacy E-mail: privacyhelpdesk@minjus.nl Telefoon: 070-370 45 69 7.4 Beroepsregistratie Het Beroepsregister van Agogisch en Maatschappelijk Werkers/BAMw is hét keurmerk van professionaliteit voor ruim 2.000 geregistreerde maatschappelijk werkers en sociaal agogen. Verdeeld over twee groepen – de kamer Maatschappelijk Werk/MW en de kamer Agogen/AG – mogen professionals zich geregistreerd maatschappelijk werker of geregistreerd agoog noemen. Bovendien kunnen professionals die zijn toegelaten tot een specialisatie zich profileren met het keurmerk BAMw binnen de werksector waarin zij werkzaam zijn. Bij het BAMw geregistreerde maatschappelijk werkers houden zich aan de Beroepscode voor de maatschappelijk werker en zijn hieraan toetsbaar. Meer informatie op www.bamw.nl.

8. Over de NVMW De Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers/NVMW is het platform en netwerk voor ruim 4.000 social professionals. De NVMW is een representatieve beroepsvereniging die zichtbaar is in de maatschappij, en met lef de collectieve belangen van maatschappelijk werkers behartigt. De NVMW borgt de kwaliteit van het beroep, maakt kennisoverdracht mogelijk en biedt individuele dienstverlening aan leden. Leden houden zich aan de Beroepscode voor de maatschappelijk werker en zijn hieraan toetsbaar. Naast de beroepscode, de leidraad voor normering in het beroep, en het beroepsprofiel biedt het lidmaatschap van de NVMW nog veel meer: - Advies/helpdesk bij vragen over werk(sector) en ondersteuning door ervaren stafmedewerkers. - Kosteloos oproepen en vacatures plaatsen op de site. - Toegang tot de juiste sleutelpersonen, links en informatiebronnen en netwerk van ruim 4000 werkers. - Toegang tot online besloten LinkedIn-groepen per werksector. - Toegang tot het besloten leden-gedeelte en vakbibliotheek op de website met alle dossiers en documenten. - Gratis abonnement op vakblad Maatwerk: hét vakblad voor elke maatschappelijk werker. - Toegang tot online artikelen uit Maatwerk via Maatwerk Online. - Aantrekkelijke kortingen tot wel 50% op studiedagen en congressen. - De uitgebreide versie van de NVMW-nieuwsbrief iedere twee maanden boordevol activiteiten en actueel nieuws.

Door lid te worden van de NVMW steunt u uw beroepsgroep en daarmee uzelf! Voor meer informatie surf naar www.nvmw.nl/lid-worden.

52


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Bijlage 1: Spreken of zwijgen? Geheimhouding (zwijgplicht): Alleen met toestemming van de cliënt kan worden gesproken/overlegd met derden. Wettelijk kader: • artikel 8 EVRM, • artikel 10 Grondwet en • artikel 272 Sr. Uitgewerkt in de Beroepscode. Kleurt enigszins mee met het type werk dat de maatschappelijk werk doet: daarom transparantie richting cliënt Doel: 1. Drempel verlagen - de maatschappelijk werker (de beroepsgroep) moet te vertrouwen zijn. 2. Cliënt snel bij de zorgen en de aanpak daarvan betrekken. 3. Waarborgen van de privacy. NB: Paradox van de zwijgplicht! (Conflict van plichten – beroep op overmacht). Zie hieronder. Uitzonderingen: - Collega’s binnen de instelling voor zover ze bij dezelfde dienstverlening aan de cliënt betrokken zijn. - Ouders van jeugdige cliënten tot 16 jaar, tenzij in strijd met goed hulpverlenerschap. - Wettelijke plicht (bijvoorbeeld rapportage in verband met gedwongen kader, verschijnen als getuige). - Conflict van plichten/ beroep op overmacht. - Meldrecht kindermishandeling. - Verstrekken van informatie ten behoeve van onderzoek van de Raad voor de kinderbescherming.

Conflict van plichten: Plicht om te zwijgen botst met de plicht om te spreken, , opdat de cliënt, die in een ernstige situatie verkeert, hulp krijgt geboden. Professional kan zich dan beroepen op overmacht. Juridisch kader bestaat uit vijf vragen op basis van jurisprudentie: 1. Welk gerechtvaardigd doel wil ik bereiken met het verbreken van geheimhouding? 2. Kan dit doel ook worden bereikt zonder dat ik het geheimhouding doorbreek? 3. Is het, gelet op de situatie, mogelijk en wenselijk dat ik toestemming vraag aan de cliënt en zo ja heb ik dan alles gedaan om toestemming te krijgen? 4. Is de situatie waarin de cliënt of een derde zich bevindt zo ernstig dat dit opweegt tegen de belangen die de cliënt heeft bij geheimhouding? 5. Als ik informatie verstrek, aan wie doe ik dit dan en welke informatie heeft hij echt nodig? Doel: Zorgvuldig en gedocumenteerd afwegen welke belangen een rol spelen om vervolgens te komen tot een besluit om het geheimhouding wel of niet te doorbreken. Toetsing van beroep op overmacht indien sprake van conflict van plichten: - Welk doel wil ik bereiken met het doorbreken van de zwijgplicht. - Kan dit doel ook worden bereikt zonder verbreking zwijgplicht? - Is vragen of krijgen van toestemming echt niet mogelijk? - Hoe zwaar wegen de belangen van cliënt die hij heeft bij mijn zwijgen / bij mijn spreken? - Als ik besluit te spreken, welke informatie heeft de ander dan echt nodig om de situatie van cliënt te verbeteren? Aandachtspunten: - Doe het niet alleen! - Afwegingen en besluiten in het dossier opnemen. - Volg indien aanwezig het protocol. - Openheid ten opzichte van de cliënt. - Wettelijk meldrecht AMK bij vermoedens van kindermishandeling (ook informatierecht!).

53


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Bemoeizorg: Is aan de definitie voldaan? Bieden van ongevraagde hulp Aan zorgwekkende zorgmijders Complexe problemen Waarom optreden? Ketenpartners willen vanuit goed hulpverlenerschap verantwoorde zorg bieden. Daarvoor hebben zij elkaar en anderen zoals politie, gemeentelijke diensten en woningbouwverenigingen nodig. Rechten betrokkenen respecteren, maar: 1. De rechten van betrokkenen respecteren 2. Beperking is uitzondering op de regel 3. Goed motiveren – verslagen zo mogelijk anonimiseren- niet meer dan nodig 4. Algemene informatie voor betrokkenen 5. Tijdelijk beperken kan: niet informeren en geen toestemming vragen 6. Er moet door betrokkene een klacht kunnen worden ingediend Voorwaarden: 1. Er moet een evident belang zijn 2. Er moet een dringend gezondheidsbelang zijn (inclusief vrees) en/of 3. Overlast voor anderen 4. Er is geen minder ingrijpend middel, zoals bijvoorbeeld bilateraal overleg 5. Alleen voorzover en voor zo lang als nodig 6. (Keten)partners hebben schriftelijke afspraken over gegevensuitwisseling Aandachtspunten: • Zijn er afspraken? • Weten we wat we doen? • Niets doen is ook een beslissing! • Niet meer dan nodig! • Altijd motiveren! • Het minst verstrekkende! • Zolang als nodig! (Mr. Marianne Verhage- van Kooten)

54


Aan deze uitgave kunnen geen rechten worden ontleend.

Aantekeningen

55

Geheimhouding & Privacy Een handreiking voor maatschappelijk werkers  

Iedere professional die lid is van de Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers/NVMW houdt zich aan de Beroepscode voor de maats...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you