__MAIN_TEXT__

Page 1

Jaargang 16, no. 2 – November 2007


Colofon

Richtlijnen voor auteurs

Contactblad van het NEDERLANDS GEZELSCHAP VOOR HANDTHERAPIE Verschijnt tenminste 2 keer per jaar in april en november. Eindredactie Joline Bosmans Heymanshof 16 9752 NL Haren

1. Kopij voor ‘Het Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie' dient op 1 december of 1 juli voor het verschijnen van het april respectievelijk november tijdschrift binnen te zijn bij het redactiesecretariaat. De kopij wordt door de redactie en/of anderen beoordeeld voor eventuele plaatsing. Zie ook het redactiestatuut. 2. Kopij dient in WORD per E-mail bij het redactiesecretariaat te worden aangeboden. Gebruik daarbij geen vet, onderstrepen, tabinstellingen etc. Maximaal aantal woorden 3000.

Redactiesecretariaat Soemitro Poerbodipoero Imogirituin 53 1019 RL Amsterdam soemitrop@hotmail.com Redactieleden Joline Bosmans (opmaak) Arenda Koster-te Velde Gaby van Meerwijk Mirjam Molenaar Soemitro Poerbodipoero Lia Vergouwen Abonnementen Leden van het NEDERLANDS GEZELSCHAP VOOR HANDTHERAPIE ontvangen dit contactblad als onderdeel van hun lidmaatschap. Lidmaatschap 55 euro per jaar. Losse abonnementen 25 euro per jaar. Aanmelding voor lidmaatschap van het NGHT, adreswijzigingen en opzeggingen bij de penningmeester: Peter de Groot Schimmelpenninckhof 15 1244 RB Ankeveen Inzending kopij zie richtlijnen voor auteurs Uitgever NEDERLANDS GEZELSCHAP VOOR HANDTHERAPIE Vormgeving Ontwerpomslag, logo en basis lay-out inhoud Harry van Kuyk

3. Auteurs dienen op het voorblad aan te geven naam, functie, werklocatie en een correspondentieadres van de auteur(s). 4. De bijdrage dient:  een korte en bondige titel te hebben,  te bestaan uit een inleiding, middenstuk en een conclusie,  geschreven te zijn in de voorkeurspelling,  zo min mogelijk afkortingen te bevatten. 5. De bijbehorende afbeeldingen (zwart-wit) dienen in de tekst opeenvolgend te zijn genummerd. De afbeeldingen dienen apart te worden aangeleverd met op de achterzijde de naam van de auteurs en de titel van het artikel. Werk zoveel mogelijk met originelen. Deze worden na publicatie aan de auteurs geretourneerd. Afbeeldingen kunnen ook digitaal aangeleverd worden. 6. Literatuurverwijzingen dienen in de tekst te worden verwerkt volgens het Harvard systeem. In de tekst bijvoorbeeld Carr (2003) stelde.. of (Warwick en Belward, 2004) en bij meer dan twee auteurs.... Glasgow et al., 2004). Aan het einde van het stuk dienen alle verwijzingen alfabetisch te worden weergegeven in de volgende stijl: Glasgow C., James M., O’Sullivan J. en Tooth L. (2004). Measurement of joint stiffness in the hand: a preliminary investigation of the reliability and validity of torque angle curves. Br J Hand Therapy, 9, 11-22.

Druk Drukkerij G. van Ark Kerkstraat 32 9751 BD Haren Oplage 310 exemplaren Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

2


INHOUDSOPGAVE

Jaargang 16 no.2 – November 2007 Colofon en Richtlijnen voor auteurs

Pag. 2

Inhoudsopgave

Pag. 3

Van de redactie

Pag. 4

Ken je collega handtherapeut Nicolette Strikkeling

Pag. 5

Een modificatie van de Elson test voor de diagnose van een acuut letsel van de centrale slip van de extensorpees Ton A.R. Schreuders, Johannes N.M. Soeters, Prof.dr. Steven E.R. Hovius,Prof.dr. Henk J. Stam

Pag. 7

Het CANS model: de multidisciplinaire consensus in Nederland over Pag. 10 terminologie en indeling van arm-, nek- en schouderklachten Dr. Bionka M.A. Huisstede, Drs. Harald S. Miedema, Prof.dr. Bart W. Koes, Prof.dr. Jan A.N. Verhaar Europa. Best belangrijk? Van Nederlandse profielschets naar Europese certificering … Victor Poppelaars

Pag. 17

Onthand Ans Jansen-van der Heijden

Pag. 18

International Society of Prosthetics and Orthotics (ISPO) Dr.C.H.Emmelot

Pag. 21

Zelfstandige kliniek voor hand- en polsklachten opent haar deuren

Pag. 22

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

3


van de redactie In dit tijdschrift geen thema, maar een verzameling van onderwerpen. Een ervaringsdeskundige vertelt over haar Morbus Dupuytren; het CANS model wordt nader verklaard, een modifacatie van de Elson test wordt beschreven, er is nieuws van de Commissie Profilering en Kwaliteitsbevordering (CPK) en de nieuwe rubriek ‘Ken je collega Handtherapeut’ is gestart. De Handenwereld is volop in beweging, onder andere met de opening van een nieuwe Handkliniek in Amsterdam en op zaterdag 17 november houdt het Nederlands Gezelschap voor Handtherapie (NGHT) haar najaarssymposium in het VUmc; ditmaal weer in samenwerking met de Nederlandse Vereniging voor Handchirurgie. Het thema is: ‘Tendon transfers’. Er staat een keur aan sprekers uit binnen-en buitenland op het programma. De redactie is inmiddels gestart met de voorbereidingen voor de aprileditie van 2008 met als thema: ‘Kinderen’. Er is al een aantal auteurs bereid gevonden om een bijdrage te leveren. Wij nodigen meer auteurs uit zich te melden bij de redactiesecretaris.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

4


Ken je collega handtherapeut

Nicolette Strikkeling* Waar werk je en hoeveel van je werktijd ben je echt werkzaam als handtherapeut? Ik werk in de Handtherapie praktijk Eindhoven. We werken daar met drie ergotherapeuten en doen alleen maar handtherapie. Dus ik ben 100% van mijn tijd werkzaam als handtherapeut.

Wat is je oorspronkelijke opleiding? Ergotherapie

Wat was de aanleiding / jouw motivatie om specifiek voor de handtherapie te kiezen? Meteen na de opleiding ergotherapie ben ik in het Universitair Medisch Centrum (UMC) St. Radboud gaan werken. De handtherapie werd gedaan door twee ervaren handtherapeuten. Ik vond het indrukwekkend; patiënten in het gips, wonden, witte jassen, dokters over de vloer, gemotiveerde patiënten van alle leeftijden. Ik had geen enkele ervaring met handtherapie en dit was eigenlijk mijn eerste kennismaking. Op het moment dat een van de handtherapeuten zwanger was, kreeg ik de kans om zelf aan de slag te gaan. Ik had een luxe positie waarin ik door twee ervaren en enthousiaste collega’s werd ingewerkt in de handtherapie. Ik vond het heerlijk! Handpatiënten hebben een probleem aan de handen en willen dat dit beter wordt. Ze zijn vaak jong en realiseren zich meestal wat de gevolgen kunnen zijn van hun letsel. Ergotherapie binnen de handtherapie was voor mij veel concreter dan bij de meeste klinische patiënten en toch omvat het alle facetten van de ergotherapie. Naast je interventie op stoornisniveau ben je namelijk ook intensief bezig met de gevolgen op beperkingen- en participatieniveau. Het blijft interessant om te zien hoe patiënten omgaan met hun letsel en op welke wijze dit hun leven beïnvloedt.

Wat vind je het leukste om te doen binnen de handtherapie en waar wil jij jezelf nog verder in ontwikkelen, verbeteren? Een mooie spalk die doet wat hij moet doen blijft een van de leukste dingen. Maar ook het moment binnen de behandeling dat patiënten met overbelastingsklachten “een knop om gaan zetten” vind ik leuk. Dat iemand keuzes durft te maken die moeilijk zijn voor zichzelf en zijn of haar omgeving, maar er uiteindelijk voor zorgen dat iemand zowel psychisch als lichamelijk beter kan functioneren in het dagelijks leven. Het moeilijkste maar ook het meest uitdagend en essentieel vind ik het maken van keuzes in de behandeling van complexe postoperatieve patiënten. Wanneer te starten met mobiliseren en op welke manier. Er is een perfecte combinatie van kennis en ervaring nodig en een goede communicatie met de chirurg. In al deze dingen wil ik mij nog verder ontwikkelen en verbeteren. En dan zijn er nog veel meer aspecten binnen de handtherapie die ik wil ontwikkelen en verbeteren waaronder polsdiagnostiek.

Hoe draagt het lidmaatschap van het Nederlands Gezelschap voor Handtherapie (NGHT) bij in jouw professionalisering / functioneren en is het NGHT inspirerend voor je? Het NGHT is even niet in beeld geweest, ik ben de afgelopen jaren namelijk geen lid geweest van het NGHT. (Ik was geroyeerd omdat de post naar het verkeerde adres werd gestuurd. Toen ik daar achter kwam mocht ik niet zomaar opnieuw lid worden). Sinds enkele maanden ben ik weer lid. Ik vond het afgelopen symposium zeker inspirerend. Ten eerste is het leuk om de collega’s weer eens te zien. Dan blijkt dat er zoveel gaande is in handenland. Leuk om alle ideeën en initiatieven te horen, maar ook de beperkingen die veel mensen ervaren worden dan duidelijk. Het is goed om te merken dat

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

5


mijn werkplek zoveel mogelijkheden biedt en dat de organisatorische zaken goed geregeld zijn. Een basisvoorwaarde om mijzelf verder te kunnen ontwikkelen en initiatieven te kunnen ontplooien die ten goede komen aan de handtherapie. Ten tweede vind ik het goed om te horen dat het hele proces van certificeren zo voorspoedig verloopt. Dankzij de collega’s die hier zoveel tijd en energie in steken, wordt de kwaliteit van de handtherapie straks veel inzichtelijker. Geweldig voor de professionalisering van de handtherapie in Nederland.

Wat vind je de meerwaarde van een gespecialiseerd handtherapeut ten opzichte van een niet gespecialiseerde collega bij behandeling van hand- en polsaandoeningen? Dit is wel een open deur. Ik hoop dat iedereen die dit tijdschrift leest er geen twijfel over laat bestaan dat handproblemen het beste behandeld kunnen worden door artsen en therapeuten die hier kennis, ervaring en affiniteit mee hebben. Als we er nu voor kunnen zorgen dat ook patiënten, verwijzers, werkgevers en verzekeraars hiervan overtuigd zijn, dan zouden er minder operaties nodig zijn. De therapie zou efficiënter zijn, waardoor een sneller herstel en minder psychische problemen. Er zou een optimale reïntegratie op het werk plaatsvinden en er zouden minder WAO’ers zijn. Kortom; dan zorgen we met z’n allen voor goede zorg, optimaal herstelde handfuncties en een flinke kostenbesparing.

Waar besteed je buiten je werk veel tijd aan? Schilderen, tekenen en grafisch vormgeven van onder andere geboortekaartjes en kapstokken. Proberen een mooie website te maken (www.strikkeling.nl). Verder doe ik aan sportklimmen en in de winter aan snowboarden. Er worden dus behoorlijk hoge eisen gesteld aan mijn eigen handen.

Waarvan ga je uit je dak?

een onbekende route van een bepaald niveau in één keer uitklimt) of verse poedersneeuw op een verlaten piste. In creatieve zin van het ontstaan van iets onverwachts en in negatieve zin van oneerlijkheid.

Wat is je favoriete televisieprogramma? En waarom? De serie ‘24’ vanwege de spannende, onvoorspelbare verhaallijn. Maar ook Grey’s Anatomy vanwege de voorspelbare verhaallijn en de mooie dokters natuurlijk.

Wat vind je een mooi boek? En waarom? De alchemist van Paulo Coelho. Omdat hij op zo’n mooie manier complexe levensvragen weet te beschrijven.

Hoe ziet je ideale vakantie eruit? Met de rugzak op pad. Wakker worden in een tent op een verlaten strand om meteen daarna een duik te nemen in de zee. Daarna een mooie rots zoeken en een paar prachtige routes klimmen. ‘s Middags met een bootje de zee op om ook de onderwaterwereld te bekijken en ‘s avonds lekker bij het kampvuur kokkerellen op het strand. ‘s Morgens de afwas doen in de zee. Sinds deze zomer wil ik hier ook ‘buitenkunst’ bij zetten. Een weekje dansen, zingen, schilderen, muziek en theater maken in het bos. Heerlijk!

Wie krijgt de volgende keer in deze rubriek het woord en wat wil je hem/ haar specifiek vragen? Marije Oudman, ergotherapeut in UMC St. Radboud. De vraag die ik haar wil stellen luidt: ‘In welk land, buiten Nederland, zou je wel eens als handtherapeut willen werken en waarom?’ *Nicolette Strikkeling, ergotherapeut/ handtherapeut, handtherapie praktijk Eindhoven.

In muzikale zin van U2 live. In sportieve zin van een 6A onsite uitklimmen (dit betekent dat je

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

6


Een modificatie van de Elson test voor de diagnose van een acuut letsel van de centrale slip van de extensorpees Ton A.R. Schreuders, Johannes N.M. Soeters, Steven E.R. Hovius, Henk J. Stam* Samenvatting Bij het testen op een laesie van de centrale slip van de extensorpees bij het proximale interfalangeale (PIP) gewricht heeft het voordelen om de aangedane vinger te vergelijken met de niet-aangedane vinger van de andere hand. In deze gemodificeerde Elson test wordt de aangedane vinger in het PIPgewricht tot ongeveer 900 gebogen en dan tegen de dorsale zijde van de midfalanx van dezelfde vinger van de niet-aangedane hand gedrukt. Staan de vingers eenmaal in deze stand, dan wordt de patiënt gevraagd het distale interfalangeale (DIP) gewricht te strekken. Het zal blijken dat de vinger met de centrale–sliplaesie de distale falanx verder kan strekken dan de niet-aangedane vinger. Het verschil tussen de extensie in het DIPgewricht van de aangedane en de nietaangedane hand is heel makkelijk te zien. De asymmetrische stand van de twee distale falanxen die ontstaat bij een poging om deze te strekken, duidt erop dat de centrale slip is onderbroken. Blijven de twee vingers, als er geprobeerd wordt om de distale falanxen te strekken, in een symmetrische stand staan, dan is een centrale-sliplaesie hoogst onwaarschijnlijk.

dat het letsel optreedt, omdat extensie van het PIP-gewricht dan nog mogelijk is via de laterale slippen van de extensorpees. Daarom kan een ruptuur van de centrale slip van de extensorpees makkelijk over het hoofd gezien worden. Een vroege diagnostiek is essentieel om de behandeling zo snel mogelijk te starten en zo deformiteit te voorkomen.

Het extensorpees–mechanisme Het extensorpees–mechanisme van de vinger is een ingewikkeld complex, gevormd door de pezen van de extrinsieke en de intrinsieke spieren. De pees van de m.extensor digitorum communis (EDC) splitst zich distaal van het MCP-gewricht in de centrale slip, die is aangehecht aan de basis van de midfalanx, en twee laterale banden die, samen met de pezen van de intrinsieke spieren, de terminale extensorpees vormen, die aangehecht zijn aan de basis van de distale falanx. De laterale banden liggen over beide interfalangeale gewrichten, maar de centrale slip loopt alleen over het PIP-gewricht. Zowel de centrale slip als de laterale banden hebben hun origo aan dezelfde pees; dit heeft tot gevolg dat de extensorpees het PIP- en DIP-gewricht niet onafhankelijk van elkaar kan strekken (Harris en Rutledge 1972).

Introductie Een laesie van de centrale slip is het meest voorkomende defect dat leidt tot een traumatische Boutonnière-deformiteit. In gesloten letsels kunnen acute rupturen van de centrale slip van de extensorpees bij het PIPgewricht op twee manieren achterhaald worden. Wat je het vaakst ziet is een geforceerde flexie van het PIP-gewricht wanneer deze in actieve extensie wordt gehouden. Volaire dislocatie van het PIPgewricht kan ook leiden tot een ruptuur van de centrale slip van de extensorpees. De karakteristieke Boutonnière-deformiteit is gewoonlijk nog niet zichtbaar op het moment

Het testen van de centrale slip van de extensorpees Er zijn verschillende manieren om de continuïteit van de centrale slip te testen voorgesteld (Boyes 1993, Elson 1986, Doyle 1993, Smith en Ross 1994). Rubin en zijn collega’s (Rubin et al 1996) hebben vier noninvasieve testen voor de centrale-slipintegriteit geanalyseerd, waarbij gebruik werd gemaakt van verse kadavervingers. Zij constateerden dat alleen de Elson test betrouwbaar bleek voor de diagnose van de verloren centraleslipfunctie. De door Elson voorgestelde test

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

7


was, ‘de patiënt heeft het aangedane PIPgewricht in 900 flexie over de rand van een tafel en probeert dan zijn PIP-gewricht tegen weerstand in te strekken. De afwezigheid van extensiekracht in het PIP-gewricht en de gefixeerde extensie in het DIP-gewricht zijn tekenen van een complete centrale-slipruptuur’ (Elson 1986 blz. 229). De biomechanische basis van Elsons test is dat, in het geval van een centrale-sliplaesie, het mogelijk is het DIPgewricht actief te strekken, omdat de laterale banden nu onafhankelijk van de centrale slip van de extensorpees bewegen. De centrale slip is niet langer aangehecht aan de midfalanx, dus trekken aan de extensorpees brengt geen tractie aan de midfalanx teweeg, alleen via de laterale banden aan de distale falanx. In de normale situatie zijn de excursie van de centrale slip en de laterale banden onderling van elkaar afhankelijk. Dit is het ‘check-rein’ effect genoemd. De centrale slip ‘check-reins’ de proximale excursie van het extensormechanisme en daarom heeft de centrale slip geen extensie-effect op de distale falanx. Met andere woorden, als de centrale slip distaal wordt gehouden door het geflecteerde PIPgewricht, zijn de laterale banden actief insufficiënt om het DIP-gewricht te strekken. In het geval van een centrale-sliplaesie worden de bewegingen van de laterale banden niet langer beperkt en kunnen zij het DIP-gewricht in alle posities van het PIP-gewricht strekken.

tegelijkertijd vergeleken kan worden en het niet nodig is om de weerstand te testen.

Conclusie Wij stellen voor om bij het testen op een laesie van de centrale slip van de extensorpees van het PIP-gewricht de aangedane vinger te vergelijken met dezelfde vinger van de nietaangedane hand. In deze test is het verschil tussen de extensie van het DIP-gewricht van de aangedane en van de niet-aangedane hand heel makkelijk te zien. De asymmetrische stand van de distale falanxen die ontstaat bij een poging het DIPgewricht te strekken, duidt erop dat de centrale slip onderbroken is.

Figuur 1: Een patiënt met een centrale-slipletsel van de middelvinger van zijn rechterhand. Bij het testen van de centrale slip van de extensorpees was een asymmetrische stand van de distale falanx goed te zien, wat wijst op een laesie van de centrale slip van de rechtervinger.

De door Elson beschreven test heeft twee nadelen. Ten eerste is de schatting van de mate van extensie (range of motion en kracht) moeilijk te interpreteren aan één aangedane vinger. Ten tweede kunnen de interindividuele verschillen in mobiliteit van de vingergewrichten de excursie van de extensorpees beïnvloeden en daarmee ook de range of motion van het DIP-gewricht (Garcia-Elias et al 1991). Wij stellen voor deze test enigszins te modificeren: hierbij is de actieve extensie van het DIP-gewricht gemakkelijk te bepalen door dezelfde vingers van beide handen tegen elkaar aan te testen met het PIP-gewricht in 900 flexie (zie figuur 1 en 2). De patiënt wordt gevraagd om het DIP-gewricht te strekken. In het geval van een centrale-sliplaesie is de asymmetrische stand van de distale falanxen evident, terwijl in een vinger met een intacte centrale slip actieve DIP-extensie niet mogelijk is. De voorgestelde modificatie van de Elson test heeft het voordeel dat de contralaterale vinger

Figuur 2: De twee vingers worden gebogen tot ongeveer 0 90 flexie in het PIP-gewricht en tegen de middelste falanx van dezelfde vinger van de niet-aangedane hand gedrukt. De patiënt wordt gevraagd het DIP-gewricht actief te strekken. De vinger met een centrale-sliplaesie kan de distale falanx meer strekken dan de niet-aangedane vinger. Als de twee vingers in een symmetrische flexiestand blijven, is er geen centrale-sliplaesie.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

8


Literatuur Boyes J (1970). Bunnell's surgery of the hand. JB Lippincott, Philadelphia, USA. Doyle J (1993). In Operative Hand Surgery. Editor: Green D. Churchill Livingstone, New York, USA.

*Ton A.R. Schreuders, Johannes N.M. Soeters, Prof.dr.Henk J. Stam, Afdeling Revalidatie Geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam *Prof.dr.Steven E.R. Hovius, Afdeling Reconstructieve en Plastische chirurgie, Erasmus MC, Rotterdam.

Elson RA (1986). Rupture of the central slip of the extensor hood of the finger. A test for early diagnosis. J Bone Joint Surg 68-Br:229-231. Garcia-Elias M, An KN, Berglund L, Linscheid RL, Cooney WP, Chao EY (1991). Extensor mechanism of the fingers. I. A quantitative geometric study. J Hand Surg 16-A:1130-1136. Harris C, Rutledge GL (1972). The functional anatomy of the extensor mechanism of the finger. J Bone Joint Surg 54-A:713-726. Rubin J, Bozentka DJ, Bora FW (1996). Diagnosis of closed central slip injuries. A cadaveric analysis of non-invasive tests. J Hand Surg 21-Br:614-616.

Oorspronkelijke titel: A modification of Elson’s test for the diagnosis of an acute extensor central slip injury. Br J Hand Therapy, Winter 2006:11,4;111113.

Vertaling Joline Bosmans (met toestemming van en in samenwerking met Ton Schreuders).

Smith PJ, Ross DA (1994). The central slip tenodesis test for early diagnosis of potential boutonniere deformities. J Hand Surg 19-Br:88-90.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

9


Het CANS model: de multidisciplinaire consensus in Nederland over terminologie en indeling van arm-, nek- en schouderklachten Dr. Bionka M.A. Huisstede, Drs. Harald S. Miedema, Prof.dr. Bart W. Koes, Prof.dr. Jan A.N. Verhaar* Inleiding Multidisciplinaire consensus over terminologie en indeling van klachten van het bewegingsapparaat in de arm-, nek- en schouderregio is een eerste vereiste om te komen tot accurate en betekenisvolle communicatie tussen professionals in de gezondheidszorg. Bovendien zal consensus en het gebruik ervan het vergelijken van resultaten van wetenschappelijk onderzoek makkelijker maken. Klachten van het bewegingsapparaat in de arm-, nek- en schouderregio vormen een veel voorkomend gezondheidsprobleem. Overal ter wereld worden mensen geconfronteerd met de problematiek die deze klachten met zich meebrengt. Prevalentiecijfers van deze klachten, die in wetenschappelijke literatuur gevonden worden, lopen nogal uiteen; 2-41% van de mensen geeft aan in het voorafgaande jaar klachten van arm, nek en/of schouder te hebben gehad en 2-53% van de mensen blijkt klachten te hebben op het moment van meten [1]. Een van de hoofdoorzaken voor deze substantiële verschillen in prevalentiecijfers is de diversiteit aan terminologieën en indelingen die gehanteerd zijn in de verschillende publicaties. De problematiek rondom het hanteren van verschillende terminologieën en indelingen van deze klachten is ook in Nederland een bekend probleem. Professionals geven zelf ook aan dat er regelmatig Babylonische spraakverwarring ontstaat als zij met een collega medicus of paramedicus overleggen over een patiënt met klachten in de arm-, nek- en schouderregio, omdat elke discipline vanuit zijn eigen (disciplinaire) kaders denkt. Dit komt uiteindelijk de behandeling van de patiënt niet ten goede. Rapport ‘RSI’ Gezondheidsraad De Gezondheidsraad stelt in 2000 in haar rapport ‘RSI’ [2] dat afstemming tussen de zorgverleners de eerste stap moet zijn naar verbetering van de behandeling van mensen

met deze klachten in de arm-, nek- en schouderregio. Zij besloot de term RSI (repetitive strain injury) te handhaven, hoewel hierover al geruime tijd discussie bestaat. Echter, ondanks het feit dat de term RSI heeft bijgedragen aan de (h)erkenning van klachten in de arm-, nek- en schouderregio, schept deze verwarring. Immers, het gaat veelal niet om een ‘injury’ en niet alleen ‘repetitive strain’ maar ook statische belasting kan de klachten veroorzaken. Bovendien heeft de term voor patiënten een negatieve lading. Deze begripsverwarring en weerstanden tegen de term RSI resulteerde in een minder duidelijke communicatie tussen curatieve zorgverleners, arboprofessionals en patiënten. Terminologie en indeling arm-, nek-, schouderklachten In Nederland, maar ook daarbuiten, worden naast RSI nog veel andere termen gebruikt om klachten in de arm-, nek-, en schouderregio aan te duiden, waaronder KASN (klachten armschouder-nek) en (W)ABBE ((werkgerelateerde) aandoeningen van bewegingsapparaat in de bovenste extremiteit). Ook zijn er verschillende classificatiesystemen in omloop die de klachten verdelen in specifieke en a-specifieke aandoeningen, waaronder het zogenaamde SALTSA rapport [3]. Al deze classificatiesystemen hebben gemeen dat ze zich richten op een beperkt aantal aandoeningen, waarvoor diagnostische criteria werden ontwikkeld. Een review over diagnostische criteria over deze aandoeningen vond 27 verschillende systemen [4] met grote onderlinge verschillen: zowel de diagnostische criteria per aandoening, als de gehanteerde benamingen, als het aantal aandoeningen dat in de classificatie werd betrokken varieerden sterk. Geen van deze systemen gaf een compleet overzicht van de aandoeningen van de bovenste extremiteit. Het consensusproject Het Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Klachten van het Bewegingsapparaat (AKB)

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

10


van het Erasmus MC te Rotterdam herkende bovengenoemde problematiek rondom terminologie en indeling van klachten in de arm-, nek- en schouderregio en startte daarom een consensusproject. Uitgangspunt was een multidisciplinaire aanpak, met als doelstelling om een classificatiesysteem te ontwikkelen dat: 1) algemeen geaccepteerd wordt door medische en paramedische disciplines; 2) de diagnosestelling en classificatie van in principe alle aandoeningen van de bovenste extremiteit kan ondersteunen en 3) gepresenteerd wordt als een makkelijk te hanteren instrument. Om een breed draakvlak onder zorgaanbieders te creëren, zijn alle medische en paramedische disciplines die met een zekere regelmaat te maken hebben met de behandeling van patiënten met klachten in de arm-, nek-, en schouderregio, waaronder ergotherapeuten en fysiotherapeuten, bij dit consensusproject betrokken (tabel 1). Tabel 1 Aantal deelnemers per beroepsorganisatie

Beroepsorganisatie

Aantal deelnemers Delphi-onderzoek

Huisartsen (NHG)

6

Bedrijfsartsen (NVAB)

3

Fysiotherapeuten (KNGF)

4

Oefentherapeuten

5

documentatie en op anonieme wijze plaatsvindt, waardoor de meningen van de deelnemers niet onderling beïnvloed worden door status, organisatie of dominantie van andere deelnemers. Als uitgangspunt voor de inhoud van de vragenlijst van het Delphi-onderzoek zijn de resultaten van een invitational conference gebruikt, waaraan vertegenwoordigers namens 11 medische en paramedische beroepsorganisaties hebben deelgenomen (tabel 1). Projectteam Een projectteam van het Kenniscentrum AKB heeft het Delphi-onderzoek gecoördineerd. Dit team bestond uit een arts-epidemioloog, een bedrijfsarts-psycholoog en een fysiotherapeutgezondheidswetenschapper en was verantwoordelijk voor het opstellen van de vragenlijsten, de analyse van de respons en het formuleren van de feedbackrapporten, waarin de resultaten van elke Delphi-ronde werden gepresenteerd. Deelnemers aan het Delphi-onderzoek Voor het samenstellen van een expert panel voor de conferentie en het Delphi-onderzoek is aan de beroepsorganisaties van zorgaanbieders die het meest te maken hebben met klachten van arm, nek of schouderregio, het verzoek voorgelegd om maximaal zeven vertegenwoordigers af te vaardigen (tabel 1).

Mensendieck (NVOM) Oefentherapeuten Cesar

3

(VBC) Ergotherapeuten (NVE)

4

Revalidatie-artsen (VRA)

7

Orthopeden (NOV)

6

Reumatologen (NVR)

4

Neurologen (NVN)

3

Psychologen (NIP)

1

Totaal

46

Methoden Om multidisciplinaire consensus over de terminologie en indeling van klachten van de arm, nek of schouderregio te bereiken is een Delphi-onderzoek uitgevoerd. Dit is een methode om tot gestructureerde meningsvorming te komen door herhaalde feedback in verschillende Delphi-rondes. Elke ronde bestaat uit een vragenlijst, een analyse en een feedbackrapport. Het voordeel van deze procedure is, dat het via geschreven

Procedure Delphi-onderzoek In de vragenlijsten van het Delphi-onderzoek werd gebruik gemaakt van gestructureerde antwoorden zoals ‘eens/oneens/geen mening’ of ‘ja/nee/geen mening’. Met betrekking tot de indeling van de aandoeningen waren de antwoordmogelijkheden ‘diagnosticeerbaar/niet diagnosticeerbaar/geen mening’. Deelnemers werden steeds uitgenodigd om een toelichting bij hun antwoord te geven, welke in samengevatte vorm ook weer werden teruggekoppeld naar de deelnemers in de daaropvolgende ronde in het feedbackrapport. In het feedbackrapport werd ook vermeld als één bepaalde beroepsgroep in meerderheid (> 50%) afweek van de bereikte consensus. Analyse van de antwoorden vond zowel kwantitatief als kwalitatief plaats. Met betrekking tot de kwantitatieve analyse werden de antwoordpercentages en het aantal respondenten per vraag weergegeven. Met betrekking tot de kwalitatieve analyse werden de toelichtingen op de antwoorden door 2 projectteamleden onafhankelijk van elkaar beoordeeld en samengevat.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

11


Resultaten Expert panel In totaal vormden 47 medici en paramedici, allen als afgevaardigden van de 11 beroepsorganisaties, het expert panel voor het Delphi-onderzoek. Drie experts, allen Mensendieck Oefentherapeuten, hebben tijdens het Delphi-onderzoek hun deelname gestaakt: twee van hen hebben wel deelgenomen aan de eerste Delphi-ronde, de derde heeft geen enkele vragenlijst geretourneerd. De reden die hiervoor werd gegeven was gebrek aan tijd. In totaal hebben 46 experts één of meer vragenlijsten geretourneerd, 44 (96%) in de eerste Delphironde, 40 (87%) in de tweede en 43 (93%) in de derde. Afkappunt voor consensus Tijdens de eerste Delphi-ronde heeft het expert panel consensus bereikt over een afkappunt van 70% voor consensus. Dit betekent dat minstens 70% van de experts het met elkaar eens moeten zijn, voordat over consensus gesproken mag worden. Dit is een gebruikelijk afkappunt bij een Delphi-onderzoek.

Terminologie en indeling Term Al in de eerste ronde van het Delphi-onderzoek werd duidelijk dat het overgrote deel (93%) van het expert panel de term RSI niet meer wilde gebruiken. Uiteindelijk heeft het expert panel consensus bereikt over het in gebruik nemen van een engelse term voor deze klachten: CANS – Complaints of the Arm, Neck and/or Shoulder. Definitie Het expert panel wilde geen lange of zeer gedetailleerde definitie van CANS. De definitie moest duidelijk maken dat het gaat om de omschrijving van een klachtencomplex. CANS is dus geen diagnose en ook geen vervanging voor de term ‘RSI’. In de eerste Delphi-ronde werd consensus bereikt over het in gebruik nemen van een algemene brede definitie voor CANS, met een aantal elementen die daarin vermeld dienden te worden. Allereerst moest het element ‘klachten’ terugkomen. Het kan hierbij gaan om klachten als pijn, tintelingen of gevoelsstoornissen. Verder moest het gaan om ‘aandoeningen die gerelateerd zijn aan het bewegingsapparaat’ en die ‘gelokaliseerd zijn in de arm-, nek- en/of schouderregio’. Acute traumata, zoals fracturen of kneuzingen, moesten worden uitgesloten. Het woord acuut is toegevoegd, zodat microtraumata door overbelasting niet worden

uitgesloten. Tenslotte werden systemische ziekten, zoals reuma, als oorzaak van de klachten buiten de definitie geplaatst. De uiteindelijke definitie van CANS, waarover consensus is bereikt, luidt: Klachten van het bewegingsapparaat in de arm, nek en/of schouder waaraan geen acuut trauma of een systemische ziekte ten grondslag ligt. Indeling Tijdens de drie rondes van het Delphionderzoek heeft het expert panel zich gebogen over de indeling van de aandoeningen die aan de definitie van CANS voldoen. Per aandoening is gediscussieerd over de vraag of de aandoening al dan niet als diagnosticeerbaar (specifiek) betiteld kan worden. Dit betekent dat op basis van onderscheidende kenmerken de diagnose reproduceerbaar gesteld kan worden. Verder heeft het expert panel zich uitgesproken over de vraag of de begrippen diagnosticeerbaar en niet-diagnosticeerbaar, dan wel specifiek en a-specifiek, of beide gebruikt zouden moeten worden. Uiteindelijk is consensus bereikt over het hanteren van de termen specifiek en a-specifiek. Hoewel nog lang niet alles bekend is over de precieze testen en criteria voor de diagnostiek van de onder CANS vallende aandoeningen, heeft het expert panel in het Delphi-onderzoek consensus bereikt over het betitelen van 23 aandoeningen als specifiek. Elke specifieke aandoening wordt benoemd en benaderd als aparte entiteit. Alle overige klachten worden aspecifieke CANS genoemd. Klachten die geëxcludeerd zijn van de indeling In de laatste ronde van het Delphi-onderzoek hebben de experts besloten om de diagnose ‘tendinose van de pols/onderarm’ uit te sluiten van de indeling, omdat dit een te algemeen begrip is en specifieke tendinopathieën zoals de Ziekte van De Quervain, reeds genoemd worden in het model. De experts besloten ook om diagnoses als een longtumor en hartfalen te excluderen van het model, ondanks het feit dat ze symptomen kunnen geven in de arm-, nek-, schouderregio, omdat hun oorzaak niet ligt in het bewegingsapparaat. De bijbehorende symptomen zijn opgenomen bij de alert symptomen (zie verder). De experts bereikten consensus over het uitsluiten van systemische aandoeningen van de indeling. Hiertoe werden ook reumatische aandoeningen gerekend, zoals reumatoïde artritis. Ook artrose werd door het expert panel gezien als een reumatische aandoening en werd daardoor uitgesloten van de indeling.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

12


Schouderklachten Al in de eerste ronde van het Delphi-onderzoek werd duidelijk dat aandoeningen van de schouder, zoals een tendinose en een bursitis, vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden zijn. Echter, ze zijn wel als groep herkenbaar. Dat was dan ook de reden dat sommige experts pleitten voor de introductie van één term voor deze aandoeningen. Uiteindelijk hebben de experts consensus bereikt over het gebruik van de term ‘subacromiaal impingement syndroom’ als overkoepelende term voor het rotator cuff syndroom, tendinosen van de m.infraspinatus, m.supraspinatus en de m. subscapularis en bursitiden in het schoudergebied. A-specifieke CANS In de tweede ronde van het Delphi-onderzoek werd consensus bereikt over de indeling van het ‘tension neck syndrome’ en ‘uitstralende nekklachten’ als niet diagnosticeerbare aandoeningen. Over het ‘thoracic outlet syndrome’ en het ‘hand-arm-vibratiesyndroom’ is geen consensus bereikt over de vraag of het hierbij gaat om een diagnosticeerbare of niet diagnosticeerbare aandoening. Er was vooraf afgesproken dat in dergelijke gevallen deze aandoeningen niet worden opgenomen in de lijst van specifieke aandoeningen en (vooralsnog) benoemd worden als a-specifieke CANS. Alert symptomen Het is algemeen bekend dat een medicus of paramedicus alert moet zijn op symptomen die kunnen duiden op een onderliggende (ernstige) ziekte, zoals pijn in de linkerarm als teken van ‘angina pectoris’ of schouderpijn bij een longtop tumor. Deze aandoeningen hangen niet samen met het bewegingsapparaat en zijn dus uitgesloten van de CANS indeling, hoewel dergelijke symptomen wel een andere (snelle) benadering vragen. Daarom hebben de experts in de laatste ronde van het Delphi-onderzoek besloten om ze als zogenaamde ‘alert symptomen’ op te nemen. De praktijk Hoe medici en paramedici in de praktijk moeten omgaan met de consensus, de werkwijze bij CANS, is door de expert weergegeven in het zogenaamde CANS model en het daarbij behorende stappenplan (figuur 1).

Discussie Door middel van een Delphi-onderzoek door een expert panel van vertegenwoordigers van 11 beroepsorganisaties van zorgprofessionals is consensus bereikt over een nieuwe terminologie voor klachten in de arm-, nek-,

schouderregio, ofwel ´Complaints of the arm, neck and/or shoulder´ (CANS). Het panel heeft besloten het terminologisch kader aan te duiden als het ‘CANS model’. Hiermee is voldaan aan de doelstelling van het project om eenduidige afspraken te maken over de te hanteren termen voor klachten en aandoeningen in dit gebied met alle medische en paramedische zorgaanbieders die betrokken zijn bij de behandeling en begeleiding. Voor zover ons bekend is dit de eerste keer dat een classificatiesysteem voor deze groep van klachten en aandoeningen is ontwikkeld, waarbij alle voor de behandeling en begeleiding relevante zorgdisciplines betrokken zijn en waarin zoveel mogelijk (in beginsel alle) aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat in het nek-schouder-armgebied zijn beoordeeld voor inclusie. De Engelstalige omschrijving en afkorting opent de weg naar internationaal gebruik van deze terminologie. Het gegeven dat hier sprake is van een model voor de terminologie geeft al aan dat de ‘oude’ term RSI niet vervangen kan worden door de term CANS. De aanduiding CANS geeft aan dat een professional gebruik maakt van het CANS model. Indien de professional vaststelt dat de klachten en symptomen kunnen passen bij één van de specifieke aandoeningen, dan is sprake van specifieke CANS en als dat niet het geval is van aspecifieke CANS. Er zijn veel voordelen bij toepassing van het CANS model in vergelijking met eerder ontwikkelde classificatiesystemen of veelvuldig gehanteerde terminologie. Buchbinder et al. [5] concludeerden na analyse van gebruik van diagnosecategorieën uit de International Classification of Diseases (ICD-9) voor wekedelenproblematiek in nek of bovenste extremiteit, dat in dossiers gehanteerde diagnostische termen veelal niet overeenstemden met de geregistreerde diagnosecode en dat veel termen uitwisselbaar leken te zijn. Zoals reeds in de inleiding van dit artikel genoemd, zijn in Nederland zowel door een commissie van de Gezondheidsraad (2000) als een door het Coronel Instituut aangestuurde internationale werkgroep (2001) indelingen van de aandoeningen ontwikkeld en gepubliceerd [2, 3]. Deze indelingen zijn door een selecte groep wetenschappelijk georiënteerde werkgroepleden opgesteld, met slechts beperkte input vanuit de praktijk. Ze bevatten elk een slechts ten dele overlappende en in aantal items beperkte lijst van aandoeningen. Ook internationaal zijn verschillende classificaties ontwikkeld, die vanwege gebrek aan draagvlak slechts een beperkte toepassing kennen. Of het CANS

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

13


model wel een bredere implementatie zal kennen is nog onzeker, maar het is hoopvol dat de presentatie van het model heeft geleid tot veel media aandacht en discussies binnen beroepsorganisaties en patiëntenverenigingen. Het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) heeft als eerste beroepsorganisatie het CANS model gebruikt bij het opstellen van een behandelrichtlijn. In veel opleidingen en nascholingen voor zorgaanbieders wordt inmiddels ook gebruik gemaakt van dit model. Ook in veel teksten van Nederlandstalige websites en artikelen wordt het CANS model genoemd, hoewel nog te vaak tezamen met of – nog erger – als synoniem voor het begrip RSI. Meer implementatieactiviteiten zijn nodig om een bredere toepassing van het CANS model te bewerkstelligen. Dit artikel beschrijft het resultaat van het consensusproject. Het CANS model in zijn huidige vorm moet worden gezien als een uitgangspunt voor de ontwikkeling van een breed gedragen terminologisch kader. Naar verwachting zullen verdere discussies leiden tot aanscherping van het model. Zo zal de lijst van 23 als specifiek geduide aandoeningen niet uitputtend blijken. De aandoeningen die door het expertpanel niet konden worden ingedeeld bij de specifieke of aspecifieke aandoeningen, zoals het thoracic outlet syndroom of het handarm-vibratie-syndroom, zullen in een later stadium opnieuw op hun merites moeten worden beoordeeld. Andere aandoeningen zijn wellicht tot nu toe over het hoofd gezien. Het expertpanel zag de aandoening artrose als een systemische aandoening en excludeerde deze daarmee van het model, inclusief in beginsel geïsoleerde mono-articulaire artrose van schouder, elleboog, pols of CMC-1 of eenzijdige artrose in DIP- of PIP-gewrichten. Achteraf bezien lijkt dit minder gelukkig. In een volgende versie van het CANS model zou overwogen kunnen worden om mono-articulaire artrose (net als de mono-articulaire artritis) wel op te nemen bij de specifieke aandoeningen. In de inclusie van aandoeningen in het CANS model hebben de aanwezigheid van diagnostische criteria of de validiteit waarmee een bepaalde diagnose gesteld kon worden geen rol gespeeld. Op basis van de ´expert opinions´ ten aanzien van de diagnosticeerbaarheid van de diverse aandoeningen is bij de meeste aandoeningen consensus bereikt over in- of exclusie. Het toevoegen van diagnostische criteria aan de

opgenomen specifieke aandoeningen op basis van wetenschappelijk literatuur en – bij ontbreken daarvan – consensus door experts, zou een waardevolle aanvulling op het model kunnen vormen. De leden van het consensus-panel hebben nadrukkelijk gekozen om in de definitie van het klachtengebied geen verwijzing naar de mogelijke oorzaak van de klachten op te nemen. Hoewel evident is dat veel klachten en aandoeningen van de arm-, nek-, schouderrregio een aantal risicofactoren gemeen hebben, is men het erover eens dat er geen bewijs is voor een eenduidig gemeenschappelijk oorzakelijk mechanisme [6]. Het feit of de klachten wel of niet arbeidsgerelateerd zijn heeft geen rol gespeeld bij de in- of exclusie van aandoeningen in het model. De projectgroep beveelt aan om het CANS model van tijd tot tijd in samenspraak met de betrokken beroepsgroepen te evalueren en waar nodig (in consensus) bij te stellen of aan te vullen. Verder lijkt een toevoeging van consensus over de diagnostische criteria bij elk van de specifieke aandoeningen nuttig. Daarmee zou de bruikbaarheid van het model in de loop van de tijd steeds verder kunnen toenemen. Daarnaast is internationale consensusvorming op basis van het CANS model gewenst ter bevordering van de homogeniteit van patiëntengroepen in onderzoek of van de communicatie tussen zorgaanbieders uit verschillende landen over diagnostiek en behandeling.

Conclusie Met de bereikte consensus over het CANS model kan het containerbegrip RSI worden losgelaten. Ondanks het feit dat het begrip RSI heeft bijgedragen aan de er- en herkenning van een deel van de problematiek van de arm-, nek-, en schouderregio, heeft de term in de praktijk teveel nadelen. Invoering van het CANS model resulteert in eenduidigheid ten aanzien van terminologie en indeling. Veel zorgprofessionals en onderzoekers zullen in de praktijk al werken op de manier zoals het CANS model aangeeft. Maar waar het om gaat is dat alle betrokkenen dezelfde taal gaan spreken, zodat ze elkaar beter begrijpen in het belang van een optimale behandeling voor de patiënt, interdisciplinaire communicatie en nauwkeuriger definitie van patiëntengroepen in wetenschappelijk onderzoek.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

14


Figuur 1 CANS model en het daarbij behorende stappenplan

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

15


Literatuur 1. Huisstede BM, Bierma-Zeinstra SM, Koes BW, Verhaar JA. Incidence and prevalence of upperextremity musculoskeletal disorders. A systematic appraisal of the literature. BMC Musculoskelet Disord 2006; 7: 7. 2. Gezondheidsraad: RSI. Den Haag: Gezondheidsraad 2000: publicatie nr. 2000/22. 3. Sluiter JK, Rest KM, Frings-Dresen MH. Criteria document for evaluating the work-relatedness of upper-extremity musculoskeletal disorders. Scand J Work Environ Health 2001; 27 Suppl 1: 1-102. 4. Van Eerd D, Beaton D, Cole D et al. Classification systems for upper-limb musculoskeletal disorders in workers: a review of the literature. J Clin Epidemiol 2003; 56: 925-936. 5. Buchbinder R, Goel V, Bombardier C. Lack of concordance between the ICD-9 classification of soft tissue disorders of the neck and upper limb and chart review diagnosis: one steel mill's experience. Am J Ind Med 1996; 29: 171-182. 6. Buckle PW, Devereux JJ. The nature of workrelated neck and upper limb musculoskeletal disorders. Appl Ergon 2002; 33: 207-217.

*Dr. Bionka M.A. Huisstede, Afdeling Huisartsgeneeskunde, Erasmus MC Rotterdam. *Drs. Harald S. Miedema, Kenniscentrum Arbeid en Klachten van het Bewegingsapparaat, Erasmus MC Rotterdam en Kenniskring Participatie, Arbeid en Gezondheid, Hogeschool Rotterdam *Prof.dr. Bart W. Koes, Afdeling Huisartsgeneeskunde, Erasmus MC Rotterdam *Prof.dr. Jan A.N. Verhaar, Afdeling Orthopedie, Erasmus MC Rotterdam

Het originele artikel over de tot standkoming van het CANS model is gepubliceerd in het tijdschrift ‘Occupational and Environmental Medicine’, referentie: Multidisciplinary consensus on terminology and classification of complaints of arm, neck and/or shoulder. Huisstede BM, Miedema HS, Verhagen AP, Koes BW, Verhaar JA. Occup Environ Med. May;64(5):313-9. Epub 2006 Oct 16. Publicatie geschiedt met toestemming van de uitgever van dit tijdschrift (aangevraagd).

Aankondiging Najaarssymposium NGHT Samenwerking tussen handchirurgen en handtherapeuten Zaterdag 17 november 2007 Aanvang: 10.00 uur De titel van het symposium is:

′Tendon transfers′ VU medisch centrum De Boelelaan 1117

1081 HV Amsterdam Entree: € 20,- voor leden van het NGHT. Niet leden betalen €75,U dient zich vooraf aan te melden. Congresinformatie: www.handtherapie.com www.algemene-handchirurgie.nl

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

16


Europa. Best belangrijk? Van Nederlandse profielschets naar Europese certificering …

Victor Poppelaars* Terwijl ik dit stukje schrijf, is in Brussel de Europese Unie het eindelijk eens geworden over een nieuw EU-verdrag. Maar liefst zeven en twintig landen hebben hierover overeenstemming bereikt. Deze analogie laat zich goed gebruiken ten aanzien van onze situatie met betrekking tot de certificering in de handtherapie in Europa. Net als op andere nationale terreinen zijn er grote verschillen; zowel inhoudelijk als qua beroepsbelangen (protectionisme). Ook wet- en regelgeving en de diverse belanghebbenden maken een en ander niet makkelijker. Dat het opzetten van een Europese profielschets desondanks gelukt is, is met name te danken aan de profielschets zoals het Nederlands Gezelschap voor Handtherapie (NGHT) dat gepresenteerd heeft. Onze (Engelstalige) profielschets richt zich namelijk op de competenties die een handtherapeut nodig dient te hebben; onafhankelijk van scholing of opleiding. Dit bleek een gouden vondst. Als we even terug gaan in de tijd is het al weer tien jaar geleden dat het initiatief genomen werd om tot een vorm van certificering voor handtherapeuten in Nederland te komen. In een enquête onder de leden van het NGHT in 1997 gaf 85% van de respondenten aan dat er behoefte aan certificering bestond. Vanaf die tijd is de Commissie Profilering en Kwaliteitsbevordering (CPK) hard bezig geweest om dit proces ‘handen en voeten te geven’ in Nederland. Naar aanleiding van gesprekken met het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie ( KNGF) en de Nederlandse Vereniging voor Ergotherapie (NVE) en nadat er informatie was ingewonnen bij de diverse zusterverenigingen, ontsproot in 2004 het idee om certificering in Europees verband verder uit te werken. Met de presentatie van het ‘concept Hand Therapist Profile’ in juni 2005 hebben we in Göteborg ons visitekaartje af gegeven. Het is

een voorstel om vanuit een profielbeschrijving uiteindelijk een vorm van certificering voor heel Europa te realiseren. Handtherapeuten kunnen dan de titel European Certified Hand Therapist (ECHT) voeren. Hoe deze certificering verder concreet vorm wordt gegeven, is echter een geheel ander punt. Er wordt gedacht aan een zogenaamd portfoliosysteem waarin onder andere beschreven staat hoeveel uren iemand ervaring heeft, welke opleiding de handtherapeut gevolgd heeft en of hij/zij voldoet aan de eisen zoals die verder opgesteld zullen worden. Men kan alleen via de nationale vereniging (NGHT) een verzoek tot certificering bij de European Federation of Societies of Hand Therapy (EFSHT) indienen. Er is een Education Sub-Committee van de EFSHT gevormd die dit verder zal uitwerken. Namens het NGHT hebben hier Lucelle vd Ven-Stevens en Annemieke Videler zitting in. Ook zal er nagedacht moeten worden over de Nederlandse certificering, die voorafgaat aan de Europese certificering. De mogelijkheid bestaat in ieder geval om het Amerikaans examen voor Certified Hand Therapist (CHT) te gebruiken omdat er grote overeenkomsten zijn met de dagelijkse praktijk in beide landen. Inmiddels ligt er een voorstel hiervoor van de Hand Therapy Certification Committee (HTCC). De komende tijd zal er door het bestuur en de leden van het NGHT een beslissing genomen moeten worden of wij hier als NGHT mee verder gaan. Bij de eerst volgende Algemene Ledenvergadering in 2008 zal er door de CPK een voorstel gepresenteerd gaan worden. Het is verder goed om te beseffen dat het ‘ECHT- certificaat’ ook internationaal een grote rol zou kunnen gaan spelen. Kortom leuke en belangrijke ontwikkelingen! *Victor Poppelaars, fysiotherapeut/ handtherapeut afdeling Revalidatie, Medisch Centrum Alkmaar, namens de Commissie Profilering en Kwaliteitsbevordering (CPK).

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

17


Onthand

Ans Jansen-van der Heijden*

Inleiding Door medische problemen ben ik enige jaren geleden arbeidsongeschikt geraakt. Voorheen was ik fulltime werkzaam als directiesecretaresse. Daarnaast heeft sinds ongeveer tien jaar (mijn huidige leeftijd is 53) de ziekte van Dupuytren mijn handen misvormd. Ik ben rechtshandig. In mijn familie komt voor zover bekend in minimaal drie generaties Dupuytren voor in verschillende gradaties van ernst. Mijn moeder en een van mijn broers (rond zijn veertigste) hebben een succesvolle operatie ondergaan. In onze familie zijn de Dupuytren-symptomen bij mij het hevigst. Bij mijn rechterhand was vooral de pink misvormd door een grote knol en stond de pink in een hoek van 90 graden. Mijn linkerhand is vooral in de palm en aan de middel- en ringvinger aangedaan. De Dupuytren-strengen in mijn handen ontwikkelen zich veel sneller dan die bij mijn broers.

die hierop volgde, werd de pijn steeds heftiger en begon de hand te zwellen. Na terugkomst van vakantie constateerde de plastisch chirurg CRPS-I. De voornaamste symptomen waren: veel pijn in pink, ring-, middelvinger en handpalm, hogere temperatuur en donkere verkleuring van de hand, een aanrakingspijn die niet in verhouding stond tot de aandoening en een verharding van de pinknagel. De CRPS-I- pijn laat zich bij mij in drie verschillende vormen omschrijven: - een “normale” pijn - een zenuwpijn, die zelfs een lichte aanraking al tot een fikse pijnprikkel maakt - een acute, stekende pijn, alsof enkele wespen tegelijk hun angel in mijn hand steken. Ik kreeg medicatie (vitamine C, DMSO- crème, pijnstillers en ontstekingsremmers) en fysiotherapie voorgeschreven. Vanaf eind december 2004 werd ik ook behandeld door het pijnteam van het ziekenhuis.

In augustus 2004 werd besloten mijn rechterhand te opereren om de pink te corrigeren, die een obstakel werd bij dagelijkse handelingen. De operatie werd verricht door een plastisch chirurg met als specialisatie handchirurgie; duur van de ingreep was circa 45 minuten. De operatie, waar ik toch wel erg tegenop had gezien, viel erg mee en verliep voorspoedig. Alleen de verdoving toegediend in mijn oksel was een beetje vervelend. De knol op de pink werd verwijderd en de pink was weer prachtig recht. Na de operatie had ik vrijwel geen pijn. Na enkele dagen werd op de gipskamer een nachtspalk aangemeten om te helpen de stand van de pink in die rechte stand te houden, die ik, toen de dystrofie optrad, ook af en toe overdag, als bescherming tegen stoten droeg. Helaas, na drie weken begon ik steeds meer pijn te krijgen. Dit werd in eerste instantie verklaard door het feit dat ik de hand weer meer begon te gebruiken na een periode van betrekkelijke rust. Tijdens mijn vakantie in Italië,

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

18


In deze beginperiode kreeg ik het advies om de pijn zoveel mogelijk te vermijden. Vooral tijdens de fysiotherapie was dit een probleem (ik had de neiging om flauw te vallen van de pijn) en het dragen van de spalk was hierdoor niet mogelijk. Resultaat was dat de hoekstand van de pink na enkele weken weer terug was op 90 graden. In tweede instantie kreeg ik het advies om “door de pijn heen” te laten behandelen. Een nieuwe, aangepaste spalk moest de hoekstand verbeteren. In de tussentijd verergerde de Dupuytren in de linkerhand. Omdat de rechterhand zo heftig gereageerd had op de operatie, stelde de handchirurg voor om de linker handpalm via een naaldfasciotomie te behandelen, omdat dit een minder ingrijpende operatie inhield. In maart 2006 vond deze ingreep plaats. Na een plaatselijke (zeer pijnlijke) verdoving van de handpalm werd deze naaldfasciotomie uitgevoerd in de linker handpalm; duur ongeveer 10 minuten. Ook de ingreep zelf was voor mij erg pijnlijk, maar napijn was er vrijwel niet. Van de handchirurg heb ik achteraf begrepen dat de door mij ervaren pijn tijdens de naaldfasciotomie geen normaal verschijnsel was. Na drie weken begon nu ook de linkerhand erg pijnlijk te worden. Omdat ik me dezelfde CRPS-I pijnen nog herinnerde (en voor een deel nog altijd had) aan de rechterhand trok ik meteen aan de bel bij de handchirurg. Ik werd dezelfde dag nog behandeld met wederom medicatie (vitamine C, DMSO-crème, Fluimucil, pijnstillers en ontstekingsremmers) en fysiotherapie. Gelukkig was na ongeveer drie maanden deze hand voor wat betreft de CRPSI-verschijnselen weer terug op het niveau van vóór de ingreep. Slechts soms optredende, donkere verkleuring en rare nagelgroei zijn een restant. De laatste ingreep heeft als voordeel opgeleverd dat de spreiding van de handpalm werd verbeterd. Omdat de kromming van middel- en ringvinger hierbij niet verbeterde is de winst in bewegingsvrijheid van de linkerhand minimaal geweest. De Dupuytren- strengen in de behandelde handpalm zijn nu na 16 maanden behoorlijk toegenomen. Achteraf kan ik dan ook zeggen dat het in mijn situatie niet echt de pijn en moeite waard is geweest. Omdat beide handen nu aangedaan waren, verwees de plastisch chirurg mij door naar de revalidatieafdeling van het ziekenhuis. Hier ben ik onder supervisie van de revalidatiearts

behandeld door een ergotherapeut/handtherapeut en een fysiotherapeut/handtherapeut. De ergotherapeut heeft mij een nieuwe spalk aangemeten en mij geleerd om met de beperkingen in mijn beide handen toch zo goed mogelijk te functioneren, eventueel met gebruik van hulpmiddelen. De fysiotherapeut heeft door het losmaken van mijn handen en het aanleren van oefeningen ervoor gezorgd dat de situatie qua bewegingsvrijheid en kracht geoptimaliseerd is. In mijn geval is gebleken dat de Dupuytren- aandoening in mijn handen helaas niet is te beïnvloeden door fysiotherapie. Er zijn geen apparaten, zoals ultra geluid gebruikt. Momenteel is de CRPS-I in mijn rechterhand nog steeds actief, maar gelukkig is de pijn draaglijk met behulp van pijnstillers (Amitriptyline, die vooral op de zenuwpijn effect heeft). In mijn linkerhand misvormt de Dupuytren mijn handpalm en vingers steeds meer. Mijn huidige beperkingen zijn vooral handelingen waarbij fijne motoriek en kracht zetten met mijn vingers vereist zijn. Zo kan bijvoorbeeld het afhalen van sperziebonen mij behoorlijk pijnlijke handen bezorgen. Ook het snijden van vlees et cetera kan een probleem vormen wanneer ik mijn eigen, zeer scherpe messencollectie niet bij de hand heb. Bepaalde bewegingen en handelingen kunnen de CRPS-I pijn in mijn rechterhand activeren: - wanneer ik mijn hand enige tijd hoog of laag moet houden - bij het dragen van behoorlijk gewicht, zoals een boodschappentas - bij handelingen die een vibratie met zich meebrengen, zoals het gebruik van een mixer - bij kou. Naar mijn mening en ervaring kent de Dupuytren periodes van betrekkelijke rust en van een soort groeispurt. Wat de aanleiding is of wat invloed uitoefent om de ziekte plotseling en heftig te activeren kan ik niet verklaren. Wel heeft een overstrekking van de vingers en de handpalm een nadelige invloed. Dat is mijn conclusie naar aanleiding van een val (van vóór de eerste operatie) waarbij ik op mijn beide handen terecht kwam en waarschijnlijk de strengen scheurden. In de periode direct aansluitend was de vorming van het bindweefsel en de kromming van mijn vingers duidelijk versneld. In een dergelijke situatie voel ik ook duidelijk pijn. Een bijkomend probleem van mijn pijnlijke handen is, dat mijn ellebogen en schouders in de loop van de tijd overbelast zijn geraakt.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

19


Conclusie Uit het tekenen van de contouren van de linkerhand begin februari dit jaar en wederom in mei blijkt duidelijk, dat de hoekstand van de middel- en ringvinger in korte tijd behoorlijk verslechterd is. Dit komt overeen met mijn pijnbeleving van de Dupuytren gedurende de afgelopen tijd: een soort ‘scheurende’ pijn. Omdat de beperkingen hierdoor nogal zijn toegenomen en het risico bestaat dat de gewrichten onomkeerbaar beschadigd raken, heb ik opnieuw een afspraak gemaakt bij de handchirurg. Dat zal mogelijk weer resulteren in een nieuwe chirurgische ingreep, met een grote kans op CRPS-I in de linkerhand. Mijn dilemma is nu de keuze tussen: - een hand die zo misvormd raakt dat ik steeds meer gehandicapt raak, of - een hand die door een operatie (hopelijk) meer bewegingsruimte heeft, maar met een zeer aannemelijk risico van pijnlijke CRPS-I. Het uiteindelijke besluit zal na een advies van de handchirurg door mij persoonlijk genomen moeten worden. *Ans Jansen-van der Heijden, ervaringsdeskundige Dupuytren- en CRPS-I. Correspondentie mailadres is op te vragen bij de redactie.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

20


International Society of Prosthetics and Orthotics (ISPO) C.H.Emmelot* De International Society of Prosthetics and Orthotics is een wereldwijde non profit organisatie opgedeeld in landelijke dochters, de zogenaamde chapters. Zo bestaat in Nederland ISPO Nederland. De ISPO stelt zich in de meest uitgebreide zin ten doel: ‘het bevorderen van de prothetische, orthetische en revalidatietechnische verzorging van personen met afwijkingen van het houdings- en bewegingsapparaat…..’. De vereniging tracht dit doel te verwezenlijken door het geven van voorlichting en onderwijs, door middel van publicaties, symposia, conferenties, tentoonstellingen, het uitgeven van een eigen Engelstalig (PubMed geregistreerd) tijdschrift (Orthotics and Prosthetics International) en door middel van alle mogelijke uitwisselingen van technische en wetenschappelijke informatie. De laatste jaren is hierbij ook beroepsbelangenbehartiging een aandachtspunt geworden gelet op advisering van beroepsopleidingen en accreditatie. De ISPO is dan ook multidisciplinair van samenstelling. Naast medisch specialisten kunnen ook paramedici en orthopedische technici lid zijn van deze vereniging. De ontwikkeling van de beroepsgroep handtherapeuten in het Nederlands Gezelschap voor Handtherapie is in de laatste jaren niet ongemerkt gebleven. Professionalisering komt niet alleen tot uiting in een betere

organisatiegraad van de beroepsgroep doch weerspiegelt zich ook in scholing en het zich ontwikkelende beroepsprofiel. Een voorbeeld van professionalisering is de orthesiologie in relatie tot functionele nabehandeling en de mogelijkheden bij vingeramputaties. Vanwege deze laatste aspecten kan de ISPO een landelijk en internationaal platform zijn waarbij uitwisseling van beroepsgegevens met andere, in dezelfde sector werkzame, professionals weer kan leiden tot verdere verbetering van kwaliteit in de professionele hulpverlening. Wij willen u dan ook met dit bericht attent maken op de mogelijkheden die ISPO in dit verband kan bieden. Voor nadere vrijblijvende informatie kunt u contact opnemen met het algemene secretariaat van ISPO Nederland: h.m.van.den.hoorn@isala.nl. Voor aanmelding als lid kunt u zich wenden tot de ledenadministratie: rmulders.hanssen@footcare.nl Ook kunt u informatie verkrijgen via de website van ISPO Nederland http://www.i-s-p-o.nl/ of via de website van ISPO International: http://www.ispo.ws/ *Dr. C.H. Emmelot, secretaris ISPO

Call for Abstracts for EFSHT Congress (the European Federation of Societies of Hand Therapy)

Eurohand 2008 Lausanne, Switzerland 19-21 juni 2008 www.eurohandtherapy.org

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

21


Zelfstandige kliniek voor hand- en polsklachten opent haar deuren Persbericht The Hand Clinic, de eerste zelfstandige kliniek voor hand- en polsklachten, heeft vrijdag 21 september 2007 in Amsterdam officieel haar deuren geopend. De eerste operatie van The Hand Clinic vond eerder dit jaar plaats op 1 juni.

Kwetsbaar orgaan De hand is een kwetsbaar orgaan. Iedereen krijgt gemiddeld tweemaal tijdens zijn of haar leven te maken met een handtrauma, zoals een verwonding of breuk, en eenmaal een niettraumatische aandoening, bijvoorbeeld reuma, beknelling van zenuwen of tumoren. De genezing van het letsel of de aandoening is sterk afhankelijk van de kwaliteit van de behandeling. The Hand Clinic is in het leven geroepen door prof. dr. M.P.J.F. Ritt en dr. M.R. Ritt-Fischer. Zij vinden dat de hand, een uitermate belangrijk, maar tegelijkertijd zeer kwetsbaar orgaan, een eigen behandelcentrum verdient. Het grote voordeel van deze kleinschalige kliniek vinden zij de korte lijnen binnen het behandelteam en de persoonlijke aandacht en kwaliteit die de kliniek aan de patiënten kan bieden. The Hand Clinic is een kleinschalige kliniek die uitsluitend patiënten met hand- en polsklachten behandelt. Goede nazorg bepaalt voor een belangrijk deel het succes van de behandeling. Daarom werken in The Hand Clinic handchirurgen en handtherapeuten samen onder één dak. The Hand Clinic streeft er verder naar wetenschappelijk onderzoek op het gebied van hand- en polschirurgie en handtherapie te bevorderen en op dit gebied een vooraanstaande bron van informatie en educatie te zijn.

Het team De handchirurgen en -therapeuten van The Hand Clinic vormen een hecht team. De chirurgen zijn allen plastisch chirurg, maar hebben daarnaast nog iets speciaals in hun achtergrond, waaronder fellowships in het buitenland en een hoogleraarschap (het enige in Nederland). Naast hun werkzaamheden in The Hand Clinic zijn de chirurgen verbonden aan één van de academische ziekenhuizen in Nederland. Oudere, gevestigde chirurgen werken in The Hand Clinic naast jongere, veelbelovende collega’s. Samen willen zij de handchirurgie naar een hoger niveau tillen. De handtherapeuten die verbonden zijn aan The Hand Clinic zijn fysio- of ergotherapeuten. Zij zijn gespecialiseerd in het behandelen en begeleiden van patiënten met hand-, pols-, of armaandoeningen. Ook de handtherapeuten zijn allen verbonden aan universitaire medische centra.

Kleinschalig Een groot voordeel van de kleinschaligheid zijn de korte lijnen in het behandelcentrum. Goede samenwerking en overleg tussen de chirurgen en therapeuten is uitermate belangrijk voor het welslagen van de behandeling van een aandoening. Vaak blijkt na overleg een operatie niet eens nodig te zijn. De therapeuten en chirurgen van The Hand Clinic voeren hun werkzaamheden individueel uit maar als terugkoppeling nodig is zit de collega ‘om de hoek’. Ook bij twijfel over de juiste keuze voor een behandelingsmethode kan snel met elkaar worden kortgesloten welk behandelpad het beste kan worden bewandeld. Een behandelplan gaat dus over een beperkt aantal schijven. Hierdoor kan de operatie, indien nodig, al een week na de diagnosestelling plaatsvinden.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

22


Modernste voorzieningen

Voor meer informatie:

The Hand Clinic beschikt over een operatiekamer die is uitgerust met moderne apparatuur. Het patiëntendossier van het behandelcentrum is elektronisch. Het is zo ingericht, dat dossiers door ieder teamlid (deels) kunnen worden ingezien. Deze mogelijkheid zorgt er ook weer voor dat de lijnen kort blijven, hetgeen een vlotte behandeling ten goede komt. In het elektronisch patiëntendossier kan The Hand Clinic sorteren op alle statusgegevens. Dit vergemakkelijkt het wetenschappelijk onderzoek dat The Hand Clinic wil gaan uitvoeren.

The Hand Clinic Hettenheuvelweg 16 1101 BN Amsterdam info@thehandclinic.nl www.thehandclinic.nl

Zilveren vingerspalken en Handbraces Ruim 6 jaar is WE design gespecialiseerd in het vervaardigen van medische instrumenten voor vinger-, hand- en polsgewrichten. Wouter Engelshoven, oprichter van WE design en ontwikkelaar van de verschillende spalken, is van huis uit goudsmid. Deze achtergrond verklaart dan ook waarom alle producten vervaardigd worden uit zilver. De toegevoegde waarde is niet alleen esthetisch maar ook functioneel. De spalken zijn hygiënisch en laten de gewrichten zoveel mogelijk vrij, bovendien zijn zij water bestendig en veroorzaken geen onnodige transpiratie. WE design maakt orthesen die vooral functioneel zijn en op maat gemaakt worden voor iedere revalidant. Wouter houdt zelf spreekuur op diverse locaties in het land, daarnaast verloopt het aanmeten in nauwe samenwerking met de instrumentenmaker en ergo-, fysio-/ handtherapeuten. De spalken worden door zorgverzekeraars vergoed op voorschrift van een medisch specialist. Vaak maakt de ergotherapeut een proefspalk van thermoplastisch materiaal. WE design is gevestigd aan de Klapstraat 86, 6931 CL Westervoort. Voor informatie kunt u ons telefonisch bereiken onder telefoonnummer 026-38.101.66. Zie ook onze website: www.silversplints.com.

Nederlands Tijdschrift voor Handtherapie – Jaargang 16 no. 2 – November 2007

23

Profile for NVHT2017

NVHT2007november  

NVHT2007november  

Profile for nvht2017
Advertisement