De Boomklever Juni 2010

Page 13

bied voor. De reden dat ze niet eerder ontdekt is,

meer verspreid over het ecoduct was. Dit wijst er op

situeert zich in het feit dat de zang niet hoorbaar is

dat het ecoduct als geheel meer geschikt geworden is

voor het menselijke oor. Men kan ze het makkelijkst

voor bossoorten, waardoor deze minder specifiek de

via bat-detector opsporen of via gerichte sleepvangs­

stobbenwal verkiezen als beschutting.

ten. Wellicht speelt ook het feit dat ze in een biotoop

De resultaten van het eerste jaar van onderzoek zijn

voorkomt waar minder naar sprinkhanen gezocht

gepubliceerd in het tijdschrift van ARABEL, de Bel­

wordt, mee in het onopgemerkt blijven.

gische Arachnologische Vereniging (Lambrechts &

Het is interessant te wijzen op het feit dat de Zaags­

Janssen, 2007). In dat tijdschrift zijn recent de resul­

prinkhaan naast de Rosse sprinkhaan een tweede

taten gepubliceerd van spinnenonderzoek op 3 lo­

soort is met een erg discontinue verspreiding in

caties in Meerdaalwoud (De Bakker et al., 2009) wat

Vlaanderen. Mogelijk zijn beide soorten aangevoerd

ons toeliet onze vangsten te kaderen.

met grond of plantenmateriaal van elders (vb Wal­ lonië) zoals geopperd voor Rosse sprinkhaan en voor

Er zijn in 2006 en 2008 in totaal 8 soorten loopke­

de Brusselse Zaagsprinkhanen.

vers aangetroffen die kort- of ongevleugeld (brac­

In 2006 voerden we frequente sleepvangsten uit op

hypteer) zijn en waarvoor het ecoduct dus wellicht

het ecoduct en gebruikten we ook een bat-detector

een belangrijke rol speelt in de ontsnippering van

om sprinkhanen op te sporen. We kunnen er dus van

de Naamsesteenweg. De belangrijkste hiervan is de

uitgaan dat de Zaagsprinkhaan toen niet aanwezig

Lederloopkever (Carabus coriaceus), niet te verwar­

was. In 2008 zijn er weinig sleepvangsten uitgevoerd

ren met de Lederboktor (Prionus coriarius). De Le­

wegens het vaak vochtige weer tijdens de op voor­

derloopkever is de voorbije eeuw sterk afgenomen in

hand vastgelegde monitoringsdagen (een nat sleep­

Vlaanderen en deze trend zet zich verder. In de eer­

net functioneert niet). Dat is wellicht ook de reden

ste Rode lijst stond ze al in de categorie 'kwetsbaar'

dat de Struiksprinkhaan, de soort die het meest lijkt

(Desender et al. 1995), momenteel wordt ze zelfs als

op Zaagsprinkhaan, niet meer waargenomen is in

'bedreigd' beschouwd (Desender et al. 2008). Dat

2008 op het ecoduct (in de stobbenwal).

betekent dat als de bedreigingen niet stoppen en de

De Zaagsprinkhaan is dus een soort om speciale

trend kan niet gekeerd worden, deze prachtige loop­

aandacht aan te besteden bij toekomstig onderzoek !

kever in de categorie 'met uitsterven bedreigd' kan terechtkomen.

6. Bodembewonende ongewervelden

In 2006 waren 5 Lederloopkevers gevangen aan de noordrand van de stobbenwal. In 2008 zijn 7 exem­

Er vond in 2006 en in 2008 intensief onderzoek

plaren gevangen met de bodemvallen: 3 aan de

plaats naar enkele groepen ongewervelden met een

noordzijde van de stobbenwal, 3 aan de zuidzijde en

hoge indicatorwaarde, namelijk loopkevers en spin­

1 langs de boom op het ecoduct.

nen, en dit via bodemvallen.

Onze bevindingen bevestigen de stelling van Turin

Wat betreft spinnen zijn over de 2 jaren samen niet

(2000) dat de Lederloopkever zich buiten bossen

minder dan 22 Rode-lijstsoorten aangetroffen, zowel

sterk op lijnvormige elementen oriënteert, in casu

graslandsoorten als bossoorten. In 2008 zijn er heel

vooral de stobbenwal, maar ook de liggende boom.

wat nieuwe soorten vastgesteld vergeleken met 2006,

De overige 7 brachyptere loopkeversoorten zijn

waaronder enkele heel bijzondere zoals de Mosslui­

Abax parallelus, Abax ovalis, Abax ater, de Tuin­

per (Apostenusfuscus). Deze bleken bovendien soms

schallebijter (Carabus nemoralis), de Gekorrelde

in verrassend hoge aantallen aanwezig.

schallebijter

De Gewone bostrechterspin (Coelotes terrestris) en

loopkever ( Carabus violaceus) en de Slakkenloopke­

de verwante Leemtrechterspin (Eurocoelotes iner­

ver (Cychrus caraboides)

(Carabus

problematicus) de

Paarse

mis) zijn de meest kenmerkende bossoorten, die het

De 2 eerstgenoemde soorten zijn zeldzaam in Vlaan­

bos zelden zouden verlaten, tenzij via brede hout­

deren, de 5 overige algemeen. Maar allen zijn ze ge­

kanten e.d. Beide soorten zijn zowel in 2006 als in

voelig voor versnippering door drukke wegen.

2008 in aanzienlijke aantallen gevonden op het eco­

De stobbenwal blijkt voor bosgebonden loopkevers

duct .

-in tegenstelling tot de situatie voor de spinnen­

Opmerkelijk is dat enkele bossoorten in 2006 vooral

anno 2008 nog steeds een belangrijke rol te spelen

gevangen zijn langs de stobbenwal terwijl dit in 2008

als oriënterend element.

De Boomklever

-

1un1 2010

43