Issuu on Google+

PROG R A M M A

DIRIGENT SUSANNA MÄLKKI KO O R C Z E C H P H I L H A R M O N I C C H O I R B R N O

PRIJS € 2 ,50


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

2

WERELDSTERREN BIJ HET NNO donderdag 26 februari | 20.15 uur Rotterdam | De Doelen vrijdag 27 februari | 20.15 uur * Groningen | De Oosterpoort Dirigent Koordirigent Sopraan Mezzosopraan Tenor Bas Orgel Koor

Susanna Mälkki Petr Fiala Lada Biriucov Jana Wallingerová Michal Lehotský Martin Gurbal Geert Bierling Czech Philharmonic Choir Brno

Janá˘cek

Ukvalské pisn˘ e (Hukvaldy liederen), gedirigeerd door koordirigent Petr Fiala Výlet pana Brouˆcka do m˘ esice (The Excursion of Mr. Brouˆcek to the Moon, Nederlandse première)

Janá˘cek

Pauze Janá˘cek

Glagolitische Mis

* Gratis lezing voor aanvang van concert om 19.00 uur.


3

WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

SUSANNA MÄLKKI DIRIGENT Susanna Mälkki heeft het snel tot een beroemde artieste in het internationale dirigeercircuit gehaald. Haar diversiteit en brede repertoire brachten haar bij veel internationale orkesten, kamermuziekorkesten, hedendaagse muziekensembles en opera’s. Mälkki is sinds 2006 Music Director bij het Ensemble Intercontemporain te Parijs en heeft in maart 2007 samen met het orkest, Pierre Boulez en Peter Eötvös de 30e verjaardag van het ensemble gevierd. Mälkki studeerde aan de Sibelius Academy in Helsinki bij Jorma Panula en Leif Segerstam. Voordat Susanna Mälkki aan haar carrière als dirigent begon was zij een succesvol celliste. Zo was zij tot eind 2005 aanvoeder cello bij het Gothenburg Symphony Orchestra, waar ze tegenwoordig regelmatig op de bok staat.

In de afgelopen seizoenen heeft Mälkki bij diverse internationale orkesten gedirigeerd: de Berliner Philharmoniker, het Koninklijk Concertgebouworkest, de Wiener Symphoniker, het NDR Sinfonieorchester, de Münchener Philharmoniker, het City of Birmingham Symphony Orchestra, de Finnish Radio en het Orchestre Philharmonique de Radio France. In augustus 2008 dirigeerde Mälkki de Amerikaanse première van Kaija Saariaho’s La Passione de Simone in het Lincoln Center New York. In de lente van 2010 zal Susanna Mälkki de première van een nieuwe ballet van Bruno Manovani in de opera van Parijs dirigeren.


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

L A DA B I R I U C OV SOPR A AN Sopraan Lada Biriucov begon na haar loopbaan als celliste met haar carrière als sopraan. In 1996 rondde ze haar studie zang aan het conservatorium van Moskou af en volgde diverse masterclasses bij Kerstin Meyer, Joseph Ward, Renata Scotto en Eva Blahová. Biriucovs internationale debuut begon met Puccini’s Tosca die zij met het Halle Symphonic Orchestra in Manchester uitvoerde. Deze productie werd niet alleen door het publiek, maar ook door de critici enthousiast ontvangen. Lada Biriucov is een graag geziene gast in internationale concertzalen. Zo zong zij Brittens War Requiem met het Belgrade Philharmonic, de Highgate Choral Society, de Bristol Choral Society en met het Royal Philharmonic Orchestra. Tot Biriucovs concertrepertoire behoren Beethovens Negende symfonie, Verdi’s Requiem en Mahler’s Achtste symfonie. In 2003 voerde Lada Biriucov haar solorecial uit (Schumann, Wagner) bij het Brno International Music Festival.

4

J A N A WA L L I N G E R OVA M E Z ZO S O P R A A N De mezzosopraan Jana Wallingerová studeerde van 1993 - 1999 aan het conservatorium van Praag bij Jarmila Krásová. Wallingerová soleerde in diverse operarollen zoals Mercedes in Bizets Carmen, Maddalena in Verdi’s Rigoletto en Fenena in Verdi’s Nabucco. Gastoptredens hebben Wallingerová naar internationale operahuizen gebracht. Zo zong zij mezzopartijen bij de Opera van Praag en het operahuis van Plzeˇn. Wallingerová’s concertrepertoire is zo divers dat zij zangpartijen bij vooraanstaande orkesten als het Czech Philharmonic Orchestra, het Prague Symphony Orchestra FOK, het Prague Radio Symphonic Orchestra, het Brno Philharmonic Orchestra, het Prague Chamber Philharmonic Orchestra en het Janᢠcek Philharmonic Orchestra op haar naam heeft staan. Wallingerová is een graag geziene gast in de operahuizen van Japan, Spanje, Mexico, Griekenland, Nederland, Oostenrijk en Duitsland. In 2005 heeft het Brno National Theatre haar bekroond met de DIVA 2005 prijs.


5

M I C H A L L E H OT S K Ý TENOR Michal Lehotský heeft zang gestudeerd aan de Mozart Academy in Krakow bij Kerstin Meyer en Eva Blahová. Lehotský heeft diverse masterclasses gevolgd bij onder meer Peter Mikuláš, Alain Nonat en Bernd Weikl. Sinds 2003 is hij solist bij het Slovak National Theatre in Bratislava en heeft gastoptredens bij de opera Praag en bij het Nationale Theater in Brno. Lehotský heeft onder meer de rollen van Radames uit Verdi’s Aida, Duke uit Verdi’s Rigoletto, Alfredo uit Verdi’s La Traviata, Rodolfo uit Puccini’s La Boheme en Cavaradossi uit Puccini’s Tosca op zijn naam staan. Tot zijn concertrepertoire behoren onder meer de tenorpartij in Janᢠceks Glagolitische mis, Mozart’s Krönungsmesse en Requiem, Schuberts Messe nr. 2, Haydns Theresienmesse, Nelsonmesse en Schöpfungsmesse, Mascagni’s Messa di Gloria en Verdi’s Requiem.

WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

M A R T I N G U R B A L’ BASS Martin Gurbal’ studeerde aan het conservatorium van Kosice bij L’udmila Šomorjaiova. In 1996 heeft hij de eerste prijs gewonnen bij de Antonin Dvoˇrak zangcompetitie in Karlovy Vary. Gurbal’ is thuis in diverse internationale operahuizen en zingt onder meer rollen als Sarastro uit Mozarts Die Zauberflöte, Bartolo uit Mozarts Le nozze di Figaro, Guglielmo en Don Alfonso uit Mozarts Così fan tutte, Don Giovanni en Il Commendatore uit Mozarts Don Giovanni. Grubal’ is een graag geziene bas bij het Slovak Philharmonic Orchestra, het Philharmonic Orchestra Košice, het Chamber Orchestra Žilina, het Janᡠcek Philharmonic Ostrava en het Prague Chamber Philharmonic. Naast zijn optredens in Tsjechië en Slowakije is hij vaak te horen in Polen, Hongarije, Oostenrijk, Zwitserland, Engeland, Letland en Malta. Tot zijn concertrepertoire behoren onder meer Mozarts Stabat mater, Haydns Te Deum, Dvoˇráks Requiem, Verdi’s Requiem en Janᡠceks Glagolitische mis. Voor de rol van Don Giovanni heeft Gurbal’ in 2007 de Thalia Theatre Prize gewonnen.


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

6

GEERT BIERLING ORGEL Geert Bierling (1956), studeerde orgel, piano, clavecimbel en kerkmuziek aan het Rotterdams Conservatorium en beiaard aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. Van 1975 tot en met 2000 was hij de vaste bespeler van het historische Bätz/Witte orgel in de Oude of Pelgrimvaderskerk in Rotterdam Delfshaven. Geert Bierling werd in 1989 onderscheiden met een zilveren medaille door de Parijse Académie des Arts, Sciences et Lettres voor zijn verdiensten voor de Franse orgelcultuur. Hij is sinds 1990 stadsbeiaardier van Rotterdam en kreeg in 1996 zijn aanstelling als stadsorganist van Rotterdam. Daarmee is hij de vaste bespeler van het Standaartconcertorgel in de Burgerzaal van het Stadhuis en het vierklaviers Flentrop-orgel in de Doelen. Ook is hij verantwoordelijk voor de programmering van de Stichting Stadsmuziek.

Geert Bierling maakte de afgelopen jaren naam als solist in een eigen serie ‘Concerts populaires’ op het grote Doelenorgel en het hoofdorgel in de Laurenskerk, waarbij hij ruim tweehonderd orkestbewerkingen uitvoerde. Als clavecinist, organist en harmoniumspeler is hij zowel solistisch als in ensembleverband actief. Zo treedt hij vaak op met musici van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, de Stadsblazers van Rotterdam en het New Trombone Collective. Geert Bierling is als docent orgel en clavecimbel verbonden aan het Fontys Conservatorium in Tilburg.


7

CZECH PHILHARMONIC CHOIR BRNO KO O R Het Czech Philharmonic Choir Brno werd in 1990 opgericht en behoort tegenwoordig tot de beste en meest gevraagde koren in Europa. Het koor treedt zo’n 70 keer per jaar met diverse orkesten op binnen- en buiten Tsjechië. Dirigenten waar het koor mee heeft samengewerkt zijn onder meer Petr Altrichter, Jiˇrí Bˇ elohlávek, Leoš Svárovský, Sir Charles Mackerras, Leopold Hager, Marcello Viotti, Sir Roger Norrington, Enoch zu Guttenberg, Mario Venzago, Hugh Wolff, Marc Soustrot, Jean-Claude Casadesus, Aldo Ceccato, Georg Schmöhe, Bertrand de Billy, Gerd Albrecht, Lawrence Foster, Zubin Mehta, Nikolaus Harnoncourt, Kurt Masur, Isaac Karabschevsky, Roman Kofman, Dennis Russel Davies, Vladimír Válek, Marek Janowski. Regelmatig gasteert het koor bij internationale muziekfestivals. Tot de CD opnames behoren diverse opnames onder bekende Europese labels. Muziekdirecteur en koordirigent van het koor is de oprichter Petr Fiala (1943). Zijn assistent is Jan Ocetek (1972).

WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

PETR FIAL A D I R I G E N T E N KO O R L E I D E R

Petr Fiala (1943) studeerde piano, compositie en directie aan het conservatorium van Brno. In 1971 behaalde hij zijn diploma aan de Janᢠcek Academy of Performing Arts. Al meer dan 30 jaar ligt Fiala’s hart bij het dirigeren en de koorbegeleiding. Het Czech Philharmonic Choir of Brno, één van de beste koren van Europa, heeft met diverse internationale orkesten samengewerkt. Daarnaast voert het koor ook à capella concerten uit die het repertoire van heilige muziek, missen, oratoria en motetten aanvullen. Fiala geeft naast zijn werk als dirigent dirigeerlessen en is een lid van internationale jury’s. Fiala wordt regelmatig als gastdirigent uitgenodigd door internationale orkesten en koren.


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

8

ˇ E K (18 5 4 - 19 2 8 ) L E O Š J A N ÁC H u k v a l d y S o n g s - H u k v a l d y Li e d e r e n ONDRÁŠ ˇ T Y U K VA L S K Y KO S T E L ÍCKU N A T YC H F O J TOV YC H L U K AC H ˇ T Y U K VA L S K Ý KO S T E L ÍCKU , HEJ ! ˇ ! PÁ N B U H VA M Z A P L AT F O J TOVA H A N K A

Niet zonder reden wordt Leoš Janᢠcek wel de Tsjechische Béla Bartók genoemd. Dat is niet zo vreemd. Immers beide componisten zijn zowel grote vernieuwers - zonder dat ze op onverschillig welke manier onder een dogmatische noemer kunnen worden geschoven - als figuren wier werk is doordesemd van de traditie van hun geboortegrond. Een andere duidelijke eigenschap die beide muziekvinders zonder twijfel met elkaar delen is dat in hun werk een rijke complexiteit, eenvoud en een hoge mate van toegankelijkheid elkaar niet uit-, maar dikwijls insluiten. Verder is er natuurlijk het onvervreemdbaar eigen idioom van beide toondichters als gevolg waarvan hun muziek op slag herkenbaar is. Een verschil met Bartók is weer dat Janᢠcek niet het land op trok om zich ter plekke met een bijkans wetenschappelijke discipline op de volksmuziek te storten om deze vervolgens heel systematisch te bestuderen en te rubriceren. Iets wat Bartóks Hongaarse collega, Zoltán Kodály ook met verve heeft gedaan die, in tegenstelling tot Bartók, de verworvenheden daarvan veeleer traditioneel toepaste. In hier raken we weer aan Janᢠcek, die een grote voorliefde voor de muzikale folklore van zijn vaderland aan de dag legde.

De liefde voor dit genre in het algemeen en de koormuziek in het bijzonder heeft hij duidelijk overgenomen van één van zijn leermeesters, Pavel Križkovský, eertijds een grote autoriteit op het gebied van de vocale polyfonie in Tsjecho-Slowakije. Getuige bijvoorbeeld de thans te horen en zelden uitgevoerde zes Hukvaldy Songs voor gemengd koor. Het geval wil dat de maker in 1898 een dertien volksliederen voor twee zangers in getranscribeerde vorm heeft gepubliceerd in een boek over zijn geboorteplaats Hukvaldy, een pastoraal ogend en zeer rustiek liggend dorp. Later heeft hij deze liederen van een instrumentale begeleiding voorzien. E E N VO U D A L S K E N M E R K VA N H E T WA R E Hiermee was de kous nog niet af, want in 1899 bewerkte Janᢠcek zes van de dertien liederen voor gemengd koor waarvan er, wanneer we de annalen mogen geloven, in 1944 een viertal in Hukvaldy zijn uitgevoerd. Hoe het ook zij, deze liederen werden geruime tijd als verloren beschouwd, totdat ze vele jaren na het overlijden van Janᢠcek in de nalatenschap van Jindrich Dohnal, Janᢠceks zwager en leraar in Hukvaldy,


9

werden teruggevonden. Opvallend aan alle zes liederen, die een waardige hommage aan het liefelijke landschap rond Hukvaldy vormen, is de direct aansprekende, overwegend tonale stijl waarin ze zijn geschreven. Kenmerkend is voorts de homofone zetting van het geheel, wat wil zeggen dat alle stemmen op dezelfde wijze zijn geritmiseerd, dit mede en vooral

WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

ook met het oog op de verstaanbaarheid van de tekst. Weldadige harmonieën, een veerkrachtig ritmisch elan (blijkens het aforistische zesde lied) en een uiterst bekoorlijke melodiek typeren deze fraaie liederen, die juist vanwege de eenvoud als kenmerk van het ware hoge eisen stellen aan de vocalisten omdat letterlijk alles hoorbaar is. Maarten Brandt

ˇ EK L E O Š J A N ÁC S u i t e u i t T h e E x c u r s i o n s o f M r. B r o u c e k t o t h e M o o n

Van de opera’s die Leoš Janᢠcek het licht heeft doen zien heeft The Excursions of Mr. Brou˘cek hem de meeste hoofdbrekens gekost. Met tussenpozen werkte hij maar liefst bijna tien jaar aan dit geheel, om precies te zijn tussen 1908 en 1917. Niet minder dan zeven librettisten hebben zich met het gegeven, dat stamt van de eertijds in Tsjecho-Slowakije zeer populaire en patriottische schrijver ˇ beziggehouden. In de opera Svatopluk Cech in kwestie draait het om twee verhalen. In de eerste akte sukkelt mijnheer Brou˘ cek na zeer diep in het glaasje te hebben gekeken in slaap en droomt van een reis naar en een verblijf op de maan. Gedurende het tweede bedrijf wordt Brou˘ cek als een dronken en koddige antiheld ten tonele gevoerd in het Praag van de 15e eeuw. Dat moest het toen opnemen tegen de Pan-Europese legers van Keizer Sigismund, die het echter uiteindelijk afleggen tegen de Hussieten die een glorieuze overwinning behalen.

WEENSE ZWIER Kenmerkend voor de partituur van Brou˘cek is de bij uitstek lichte toets en een muziek die in hoge mate is doordrenkt met de Tsjechische folklore en dikwijls associaties wekt met Janᢠceks latere instrumentale composities als bijvoorbeeld Mladi (1924) en de Sinfonietta (1926). Ook zijn er orkestrale passages die soms herinneren aan het symfonische gedicht Taras Bulba (1918) zij het dan met een veel positievere ondertoon. Ook een zekere Weense zwier is niet vreemd aan deze aanstekelijk werkende opera, die voor jong en oud aantrekkelijk is. Voor de eerste categorie vanwege het onmiskenbare sprookjesachtige karakter van de eerste acte, voor de tweede omwille van de politieke gezindheid van het laatste bedrijf waarin het immers gaat om de soevereiniteit van Janᢠceks geboorteland, wat ook in de jaren toen het stuk ontstond hoogste actueel was. Immers, niet voor niets droeg de componist


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

het werk op aan de eerste president van het in 1918 onafhankelijk geworden TsjechoSlowakije, Tomáš Garrigue Masaryk (18501937). OV E RW I N N I N G S R O E S De door Jaroslav Smolka en Jirí Zahrádka samengestelde orkestsuite begint met het voorspel tot het eerste bedrijf van de opera en wordt gevolgd door de zogenaamde Moon Waltz, die verwijst naar het ballet waarin allerhande op deze planeet levende wezens hun opwachting maken. Dit is ook het meest Weense deel van de suite, blijkens een subtiele knipoog aan het adres van Richard Strauss en de befaamde ‘Walzer-folge’ uit diens Der Rosenkavalier (1910), een werk dat ongeveer uit dezelfde periode dateert als de eerste acte van Janᢠceks Brou˘cek. Het derde

10

gedeelte (Before dawn) is het intermezzo van de suite en kringt om het Brouceks vertrek van de maan, de liefdesscene van Málinka en Mazal alsmede het lyrische en betoverende slot van het eerste bedrijf. De delen vier en vijf van de orkestsuite die stoelen op het tweede bedrijf zijn bonter, ernstiger en verhevener van toon. Zo pakt de componist in Song of the Hussites enorm uit door tevens instrumenten als buisklokken en orgel in het totaal te betrekken, teneinde aldus aan het eigenlijke en hier centraal staande Hussieten-koraal extra cachet te verlenen. De finale van de suite, Procession of the Victors, staat geheel in het teken van de overwinningsroes en bevat tevens de afsluitende muziek van de opera. Maarten Brandt


11

WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

ˇ E K (18 5 4 - 19 2 8 ) L E O Š J A N ÁC Glagolit i sche Mi s Ky r i e Gloria Credo Sanctus Agnus Dei De Tsjechische componist Leoš Janᢠcek had een merkwaardige hobby: hij verzamelde de klank van het gesproken woord. Met gespitste oren liep hij door de stad, als een vlinderaar met zijn netje en vertaalde de mooiste en opvallendste intonaties van zijn medemens in notenschrift. Hij vond ze overal - in het park, op het station, bij de bakker. Ook noteerde hij flarden van gesprekken die hij met anderen voerde. Dat moet tamelijk onrustig zijn geweest voor zijn gesprekspartners. Zo’n hoekig mannetje met priemende ogen dat opschrijft op welke melodie je vragen stelt en antwoord geeft. Want een verkeerde intonatie verraadt het kleinste leugentje. Het op waarde schatten van intonatie is een tamelijk alledaagse bezigheid. Daarvoor bestaan twee maten. Eentje voor de televisie en eentje voor het dagelijks leven. Met vertederde blik volgen we de Nederlandstalige soaps waarin zo aandoenlijk houterig gesproken wordt. En zangers van het levenslied lachen tijdens de kortste rusten zo breed als hun mondhoeken het toelaten recht in de camera, ook al is de tekst nog zo treurig. Toch worden hun CD’s verkocht. Maar zulk gemaakt gedrag wordt op straat minder gemakkelijk geaccepteerd. Geen mens hecht er enige waarde aan als de cassière hem op donderdag ‘prettig weekend’ toewenst op een toon die het leven doordeweeks niet te harden maakt.

In gewone conversatie blijven deze twee woorden - prettig en weekend - op ongeveer dezelfde toon, of gaan zelfs omlaag. Een opwaartse sprong van een kwart (do-do-fado) doet twijfelen aan de oprechtheid van de spreker, maar bij een sext (do-do-la-fa) weten we het zeker. Hier wordt ons beroepsmatig een prettig weekeinde toegewenst. Dat gebrek aan werkelijke belangstelling in ons doen en laten openbaart zich niet in toonloosheid, maar juist in de overdreven grote sprong omhoog van het eerste naar het tweede woord. Zo’n cassière zou bij Janᢠcek nooit in zijn verzameling terecht zijn gekomen, of hoogstens wanneer hij een pathologische leugenaar een lied zou willen laten zingen in een van zijn opera’s. Voor Janᢠcek bestond er maar één maat. Hij vond dat de emotionele lading van een tekst alleen overtuigend bezongen kon worden als de melodie overeenkwam met die van het gesproken woord. Spraakmelodie noemde hij dat. Een voorbeeld. Wanneer een kind op dreinende toon om zijn mama roept, dan zakt zijn stem een terts. De jongenssopraan Heintje - de nachtegaal van het zuiden - zong in zijn grote succeslied ‘Mama’ (je bent de liefste van de héle wéreld) dezelfde terts op dezelfde plek. Een fraai geval van de kracht van spraakmelodie, zou Janᢠcek zeggen.


WERELDSTERREN BIJ HET | NNO

Janᢠcek vorsers schrijven veelvuldig dat hij de spraakmelodie zo treffend toepast en daarmee de opera een geheel nieuwe weg heeft laten inslaan. Natuurlijker, alledaagser, duidelijker, overtuigender. Het zal wel zo wezen, want zij hebben er voor doorgeleerd. Maar de meeste Nederlandse luisteraars kunnen dat niet horen, omdat Janᢠcek Tsjechische teksten gebruikte en verschillende talen nu eenmaal verschillend geïntoneerd worden. Janᢠcek gaf daarvan een aardig voorbeeld in een van zijn geschriften. Op een station werd dezelfde plaatsnaam achtereenvolgens in beide talen omgeroepen: Moravany! Morawan! De kalme gelijkmatige lettergrepen van het Tsjechische Moravany! (mi-la-la-do) klonken hem als een hemels lied in de oren. Het puntige begin en het langgerekte slot van het Duitse Mòràwaaan! daarentegen noemde hij grommend en afgebeten. En dat de omroeper zijn stem daarbij een septime - een akelige sprong die gemeden wordt in kinderliedjes liet zakken, sprak ook zeer voor het norse karakter van die taal. Nare, ruwe taal, dat Duits. Het is maar goed dat Janᢠcek zich niet over het plat-Amsterdams heeft uitgelaten. Het zou natuurlijk kunnen dat Janᢠceks conclusies ingegeven waren door zijn nationalistische gevoelens, maar hij heeft zijn voorbeeldzinnen wel accuraat opgeschreven. In de Glagolitische Mis, laat Janᢠcek in ieder geval zijn nationalistische hart spreken. De tekst van deze mis is in het Oud-Kerkslavisch, een taal die van oudsher in Tsjechië met het Glagolitische alfabet werd opgeschreven. De letters van dat alfabet lijken sterk op een zwierig soort Russisch handschrift. Dat Janᢠcek het Oud-Kerkslavisch heeft gebruikt maakt het natuurlijk nog lastiger om vast te

12

stellen of en hoe streng hij zijn theorie der spraakmelodie in de Glagolitische Mis heeft toegepast. De literatuur gaat in een opvallend wijde boog om dit probleem heen. Maar de mogelijkheid bestaat dat Janᢠcek iets minder streng voor zichzelf was dan wanneer hij opera’s componeerde. Men zegt dat de delen van de Glagolitische Mis - Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus en Agnus Dei - getrouwe vertalingen zijn van de Latijnse mis. Die tekst werd door een leerling voor hem opgescharreld uit een Tsjechisch blad voor kerkmuziek. Maar het was niet te achterhalen hoe Janᢠcek de juiste tonen heeft vastgesteld bij de uitspraak van het Oud-Kerkslavisch, een taal die nog ouder is dan het Middelnederlands van Beatrijs en Karel ende Elegast. Echt vertrouwd met de verfijndere intonaties van het OudKerkslavisch kan Janᢠcek niet zijn geweest. Hij was niet eens gelovig en bij de bakker sprak men Tsjechisch. Toch is er wel spraakmelodie te horen in de Glagolitische Mis, al blijft het nattevingerwerk. De beginwoorden van het Gloria, bijvoorbeeld, worden door dezelfde Tsjechische informante precies zo uitgesproken als het liedje dat het orkest speelt in het eerste tussenspel. En de hele mis is doordrenkt van de ongewone liedjes die in Janᢠceks opera’s gelden als vormen van spraakmelodie. Het zijn korte motiefjes met gewone noten die vreemde sprongen maken, een beetje hoekig en in een zucht voorbij. Maar omdat Janᢠcek zijn spraakmelodietjes zo vaak herhaalt, wennen ze snel en ga je er van houden.


Programma Janacek