Issuu on Google+

Pro g r amma

Vivaldi

p r i j s â‚Ź1, 5 0 Vrienden NNO gratis

Vie r ja argetijde n d i r i g e n t J o h a n n e s Le e rto u w e r B lo k f lu i t E r i k B o s g r a a f


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

2

V i e r J a a r g e ti j d e n

> donderdag 26 januari | 20.15 uur * Groningen | De Oosterpoort > vrijdag 27 januari | 20.15 uur * Leeuwarden | De Harmonie > zaterdag 28 januari | 20.00 uur * Drachten | De Lawei Dirigent Blokfluit Hurlebusch Hellendaal Fux Zelenka

Johannes Leertouwer Erik Bosgraaf  oncerto in a-klein voor soloviool, twee hobo’s, strijkorkest en basso continuo C Concerto nr. 2 in d-klein uit Six Grand Concertos for Violins in Eight Parts, opus 3 Ouverture in d-klein voor twee hobo’s, strijkers en basso continuo Capriccio nr. 1 in D-groot voor twee hoorns, twee hobo’s, strijkers en basso continuo zwv 182 

pauze Vivaldi

De vier jaargetijden (bewerking Erik Bosgraaf)

* Gratis inleiding 1 uur voor aanvang concert. In Groningen begint de inleiding om 19.00 uur. HET NOORD NEDER L ANDS ORKEST Het Noord Nederlands Orkest (NNO) is het grootste regionale symfonieorkest in Nederland. Stefan Asbury is met ingang van september 2011 chef-dirigent en neemt daarmee het stokje over van Michel Tabachnik, die vanaf 2005 dezelfde functie bekleedde. Het NNO, inclusief zijn voorgangers, viert in 2012 zijn 150-jarig bestaan. Het kan daarmee als het oudste nog bestaande symfonieorkest van Nederland gezien worden. Het NNO verzorgt zo’n 140 concerten per seizoen in de drie noordelijke provincies, maar ook op belangrijke podia in de rest van Nederland. Het orkest treedt regelmatig op in het buitenland, zoals in 2007 in de Salle Pleyel en de Cité de la Musique in Parijs en in 2009 in Perugia, Italië, tijdens de 64e Sagra Musicale Umbra. Het NNO is geregeld te beluisteren tijdens radio-uitzendingen en heeft de afgelopen jaren diverse cd’s op gerenommeerde labels uitgebracht. De programmering van het orkest onderscheidt zich door durf en originaliteit. Elk seizoen biedt cross-overs met andere muziekstijlen zoals jazz en popmuziek, naast bijzonder samengestelde programma’s van muziek uit de barok tot de 21e eeuw. Verder organiseert het NNO samen met diverse partners elk jaar een festival rondom een prominente hedendaagse componist. Kijk voor de meest actuele informatie over onze concerten op www.nno.nu.


3

NNO | D e v i e r j a a r g e t i j d e n

J o h a n n e s Le e rt o u w e r Dirigent Na zijn vioolstudie bij Bouw Lemkes in Amsterdam en bij Josef Suk in Wenen en Praag, besloot Johannes Leertouwer zich te verdiepen in de historische uitvoeringspraktijk. Hij werkte als concertmeester bij een aantal internationale, gespecialiseerde ensembles en orkesten, waaronder Anima Eterna van Jos van Immerseel en het orkest van de Nederlandse Bach Vereniging. Met deze orkesten trad hij ook als solist op. Met zijn duopartners Menno van Delft (klavecimbel) en Julian Reynolds (fortepiano) bracht Leertouwer een reeks cdopnamen uit op het label Globe, met werken van Bach, Mozart, Beethoven, Schubert en Schumann. Met het Ensemble SchĂśnbrunn, waarvan hij sinds de oprichting in 1987 deel uitmaakt, treedt hij regelmatig op in binnen en buitenland en maakte hij een reeks cdopnamen. In het Mozartjaar 2006 bracht Johannes Leertouwer als solist en dirigent van zijn eigen ensemble La Borea Amsterdam een internationaal veel geprezen dubbel-cd uit met de complete vioolconcerten van Mozart (Challenge Records).

Sinds 1989 is Johannes Leertouwer als hoofdvakdocent viool verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam. Ook verzorgt hij masterclasses en gastlessen in vele landen binnen en buiten Europa. Johannes Leertouwer volgde directieonderricht bij David Porcelijn en de legendarische Finse professor Jorma Panula en werkt nu als gastdirigent bij diverse orkesten waaronder het Noord Nederlands Orkest en bij het koor en orkest van de Nederlandse Bach Vereniging. Ook werkte hij met orkesten in BelgiĂŤ, Frankrijk, Japan en Mexico. Van 1998 tot 2006 was hij artistiek leider en dirigent van het Nederlands Jeugd Strijkorkest. In die periode dirigeerde hij ook regelmatig projecten aan conservatoria in Parijs, Antwerpen, Leipzig en Amsterdam. In 2009 maakte Johannes Leertouwer zijn debuut bij het Residentie Orkest. Ook keerde hij terug bij de Nederlandse Bach Vereniging als dirigent in een Haydn-Mozart programma. Tevens is hij als dirigent en artistiek leider verbonden aan de Nieuwe Philharmonie Utrecht.


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

4

Erik Bosgr a af B lo k f lu i t Erik Bosgraaf (Drachten, 1980) wordt beschouwd als een van de meest begaafde en veelzijdige blokfluitisten van een nieuwe generatie. ‘Bosgraaf’s virtuosity is stunning, as is his artistry’, schreef ‘The Gramophone’ naar aanleiding van de 3cd-box (Brilliant Classics) die hij wijdde aan werken uit Der Fluyten Lust-hof van Jacob van Eyck. ‘Bosgraafs virtuositeit en bovenal zijn onbetwistbare begrip van elke noot die hij speelt zijn indrukwekkend’, oordeelde ‘NRC Handelsblad’. Bosgraafs interesse in de muziek van vandaag krijgt onder meer vorm door zijn samenwerking met de gitarist Izhar Elias. Als duo hebben zij meer dan dertig werken in wereldpremière gebracht. Ook werken ze samen met enkele toonaangevende experimentele filmmakers; activiteiten die hun neerslag hebben gevonden in de cd/dvd ‘Big Eye’ (Phenom Records).

Als solist en met zijn Ensemble Cordevento speelt hij regelmatig op festivals over de hele wereld. Bosgraaf bracht in 2008 twee cd’s uit: één met de solofantasieën van Telemann en één met de blokfluitsonates van Händel. Het jaar daarop verscheen de cd met de blokfluitconcerten van Antonio Vivaldi (Brilliant Classics). In 2009 won Erik Bosgraaf één van meeste prestigieuze prijzen in de klassieke muziek, de Londense Borletti-Buitoni Trust Award ter waarde van 20.000 pond. In 2009 won Bosgraaf samen met Izhar Elias de Grachtenfestivalprijs en in februari 2011 ontving hij uit handen van staatssecretaris Zijlstra de hoogste staatsonderscheiding voor muziek, de Nederlandse Muziekprijs. Erik Bosgraaf geeft masterclasses over de hele wereld en is hoofdvakdocent aan het Conservatorium van Amsterdam.


5

NNO | D e v i e r j a a r g e t i j d e n

Conrad Friedrich Hurlebusch (1691 - 1765) Concerto in a-klein voor soloviool, twee hobo’s, strijkorkest en basso continuo Allegro - adagio - alla breve Adagio Allegro Een rusteloze figuur moet hij zijn geweest, de Brunswijkse klavecinist en componist Conrad Friedrich Hurlebusch. Of misschien toch eerder een hooghartig heerschap? Na een leertijd in Brunswijk volgde een verblijf in Hamburg en Wenen en de verplichte leertijd in Italië. En dan begint het gedonder: hij weigert een positie aan het hof in München, slaat tot tweemaal toe een aanbod af van het hof in Brunswijk, wordt kapelmeester in Stockholm maar neemt na twee jaar ontslag want meneer krijgt zijn beloofde bijbaantje niet. Hij weigert nogmaals een betrekking in Brunswijk en ook nog een in Bayreuth. Er zijn musici die met elk van die plekken dik tevreden zouden zijn geweest! In de tussentijd reist hij wel alle hoeken van Duitsland af. Maar als hij eindelijk besluit zich in Hamburg te vestigen, zit alles hem tegen: zijn werk blijft onuitgevoerd en het lukt hem niet een baan als organist van de Sankt Petri te bemachtigen. Nogmaals probeert hij het in Sint-Petersburg, tevergeefs. Vervolgens horen we jarenlang niets meer van hem. Hoe zou het hem vergaan? We beginnen te vrezen... Maar dan - hij is de vijftig al gepasseerd krijgt Hurlebusch uiteindelijk toch nog zijn vaste aanstelling: hij wordt benoemd tot organist van de Oude Kerk in Amsterdam! Zou het zijn redding zijn geweest? In ieder geval is hij wijzer geworden en hij behoudt

die post tot aan zijn dood op hoge leeftijd. Een gemakkelijk mens zal hij desondanks niet zijn geworden: er hebben tijdens zijn leven verschillende lasterlijke vlugschriften over hem het licht gezien. En zijn muziek? Veel daarvan is verloren gegaan, zodat we er ons maar een beperkt beeld van kunnen vormen. Een echte hoogvlieger was hij misschien niet, maar zijn werken vallen op zijn minst in de categorie ‘verdienstelijk’. Italiaanse stijlkenmerken van componisten als Corelli en Vivaldi mengen zich met Duitse. Zijn Concert in a-klein is zowel qua vorm als qua bezetting een vreemde mix tussen soloconcert, waarbij in dit geval de viool als solist optreedt en concerto grosso, waarbij enkele soloinstrumenten (hier hobo’s) als klein ensemble solistisch naar voren treden. Onaangepast bleef Hurlebusch blijkbaar op alle fronten! Pepijn van Doesburg


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

6

Pieter Hellendaal (1721 - 1799) Concerto nr. 2 in d-klein uit Six Grand Concertos for Violins in Eight Parts, opus 3 (1758) Ouverture (largo) Allegro Affettuoso Presto Borea Wist een enkele buitenlandse componist als Hurlebusch in Nederland emplooi te vinden, een echt gunstig klimaat voor toonkunstenaars heerste hier niet in de achttiende eeuw. Amateurcomponist graaf Unico Wilhelm van Wassenaar was voor zijn levensonderhoud niet afhankelijk van zijn muzikale activiteiten, maar anderen, zoals Willem de Fesch en Pieter Hellendaal, werden onweerstaanbaar aangetrokken door de grote metropool Londen met zijn onuitputtelijke instrumentale reserves en onstilbare honger naar nieuwe muziek. De Rotterdammer Hellendaal moet een buitengewoon viooltalent hebben gehad, anders had hij niet zijn opleiding in Italië kunnen genieten bij Giuseppe Tartini, een van de grootste vioolvirtuozen van zijn tijd. Teruggekeerd in Nederland had hij een tijdje geprobeerd als solist aan de bak te komen, maar op zijn dertigste had hij zijn biezen gepakt en was hij voorgoed naar Engeland vertrokken. Hier werd het muziekleven nog steeds gedomineerd door Georg Friedrich Händel, de Duitser die al decennia eerder eveneens na een Italiaanse omzwerving in Engeland neergestreken was. Hellendaal trad als solist op tijdens de pauzes van diens oratoria. Na Händels dood probeerde hij zijn solistische loopbaan in Londen te verruilen voor een vaste aanstelling in

Oxford, maar de sollicitatiecommissie vond hem te ijdel en koos voor een minder knappe kandidaat. Uiteindelijk zou hij als organist en muziekleraar in Cambrigde zijn latere jaren slijten. Hellendaal componeerde zijn bundel concerti grossi (‘Grand Concertos’) in een tijd dat deze compositievorm met zijn afwisseling tussen strijkorkest en concertino (hier vier solostrijkers) op het vasteland van Europa al hopeloos ouderwets was. Maar in Engeland bleef het genre nog lang springlevend dankzij het florerende amateurmuziekleven: de partijen waren technisch niet al te veeleisend en voor iedereen dankbaar om te spelen. Nog in 1740 had Händel het repertoire verrijkt met een populaire verzameling concerti grossi en Hellendaal volgde in zijn voetsporen. Traditioneel telde het concerto grosso vier deeltjes: een statige opening, een snelle fuga, een gevoelig rustpunt en een levendige finale. Net als Händel voegde Hellendaal een soort toegift toe, in dit geval een bourree, een Franse boerendans. De ware kenner hoort echter dat Hellendaal net iets moderner is dan Händel, zijn thematiek en harmoniek zijn reeds geworteld in het rococo. Pepijn van Doesburg


7

NNO | D e v i e r j a a r g e t i j d e n

Johann Joseph Fux (1660 - 1741) Ouverture in d-klein voor twee hobo’s, strijkers en basso continuo (1701) Ouverture Menuet Aria

Fuga Gigue Aria

Van Londen naar Wenen, de hoofdstad van het Habsburgse rijk. Ergens in een klein dorpje in dat machtige keizerrijk kwam Johann Joseph Fux ter wereld. Hoe is het mogelijk dat deze boerenzoon het tot keizerlijk hofkapelmeester schopte? Wat was er nodig om door te breken tot de top van het volledig gepolitiseerde, door Italianen gedomineerde Weense muziekleven? Talent natuurlijk, een gedegen opleiding bij de Jezuïeten in Graz en Ingolstadt en een dosis geluk. Volgens de legende maakte keizer Leopold I per toeval kennis met zijn muziek en liet hij een mis van hem uitvoeren aan zijn hof. De Italiaanse factie had geen goed woord over voor deze barbaarse notenbrij. Maar Leopold liet het er niet bij zitten en bracht een tweede mis van Fux tot uitvoering, ditmaal zogenaamd als werk van een anonieme Italiaanse componist. De mis werd een doorslaand succes bij de Italianen en de weg naar de top lag open. Aan de stijl van Fux’ muziek kan het ook werkelijk niet gelegen hebben: de invloed van de Italiaanse muziek van een Arcangelo Corelli op zijn werk is onmiskenbaar en het lijkt uitgesloten dat hij in zijn leertijd niet enige tijd ten zuiden van de Alpen heeft vertoefd. Fux werd door de keizer benoemd tot hofcomponist en later dus tot hofkapelmeester. Hij voldeed volkomen aan de verwachtingen: zijn kerkmuziek, opera’s en oratoria waren doordrenkt van

Habsburgse ideologie, zijn muziek gaf glans aan de keizerlijke en katholieke propaganda en niet in de laatste plaats: in Fux beleefde de Italiaans-Oostenrijkse barokmuziek haar absolute hoogtepunt. Ondanks dat alles raakte zijn muziek snel in de vergetelheid toen het classicisme van Haydn en Mozart opkwam. Fux is sindsdien vooral bekend gebleven als theoreticus. Talloze latere componisten ondergingen de invloed van zijn compositieleerboek ‘Gradus ad Parnassum’. Hierin legde hij het modale contrapunt uit, uitgaande van de grootmeester uit de Renaissance, Palestrina. Instrumentale muziek neemt in het oeuvre van Fux een relatief bescheiden plaats in. Het meeste daarvan bracht hij al vroeg bijeen in de bundel ‘Concentus musico-instrumentalis’ uit 1701. Ook de Ouverture in d-klein is daaruit afkomstig. Fux’ ‘ouvertures’ zijn in weerwil van deze term eerder een soort orkestsuites, bestaande uit een eigenlijke ouverture en een reeks karakteristieke dansstukjes in een relatief eenvoudige stijl. Naast Italiaanse stijlkenmerken vinden we dan ook de verplichte Franse elementen, zoals het gepunteerde ritme in de ouverture, vermengd met enkele ontleningen aan de Oostenrijkse folklore. Pepijn van Doesburg


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

8

Jan Dismas Zelenka (1679 - 1745) Capriccio nr. 1 in D-groot voor twee hoorns, twee hobo’s, strijkers en basso continuo zwv 182 (ca. 1717) Andante - allegro Paysan Aria Bourrée Menuet Na de ‘ouverture’ van Fux horen we een werk van zijn briljante leerling Jan Dismas Zelenka, de Boheem die zijn leven lang verbonden was aan het hof van August de Sterke in Dresden. Deze vorstelijke krachtpatser was zowel een hartstochtelijk jager als een begenadigd kunstliefhebber. Zijn residentie schiep hij om tot het Florence aan de Elbe, talrijke geleerden en kunstenaars maakten van de stad een eersterangs cultureel centrum. Het lijkt erop dat Augusts liefde voor de jacht hem inspireerde tot liefde voor de hoorn, het jachtinstrument bij uitstek. Hij moet althans een paar uitzonderlijke hoornisten aan zijn hofkapel hebben weten te engageren, getuige de krankzinnig hoge, virtuoze hoornpartijen in de capricci van Zelenka! Zelenka, de serieuze contrabassist in Dresden, kreeg ondertussen slechts zelden de kans om de stad te verlaten. Afgezien van zijn studiereizen naar Fux in Wenen zijn maar weinig uitstapjes van hem bekend. Hij schijnt op goede voet met Bach gestaan te hebben, die in het naburige Leipzig werkzaam was. Op Bach na schreef Zelenka de meest complexe muziek van zijn generatie, maar toch bleef hij lange tijd slechts zijn bescheiden functie als orkestmusicus uitoefenen. Voor de vrijgekomen positie

van hofkapelmeester gaf August in 1733 de voorkeur aan Johann Adolf Hasse, die immers de modieuze nieuwe opera belichaamde – Hasse was na Händel wellicht de meest gevierde operacomponist van zijn tijd! Twee jaar later werd Zelenka alsnog officieel benoemd tot kerkmuziekcomponist. Zijn eerste vier capricci componeerde Zelenka vrij vroeg in zijn carrière. Hij zal ze zeker voor het hof geschreven hebben, maar voor welke gelegenheid is niet bekend. Wij stellen ons een banket na afloop van een jachtpartij voor, waarbij deze muziek deels diende om de spijsvertering van de moegestreden disgenoten te bevorderen. Het zwaartepunt van het capriccio in D ligt duidelijk op het prachtige eerste deel, dat als langzame inleiding en snelle fuga op te vatten is. Wat daarna volgt is inderdaad meer conversatiemuziek in de trant van – opnieuw – een orkestsuite met dansen in landelijke sfeer. Niets herinnert hier aan Zelenka’s doorwrochte compositiestijl. Zowel de paysan als de bourree zijn pretentieloze boerendansen, en ook het menuet heeft een landelijk karakter. De aria voegt hieraan een fraaie lyrische noot toe. Pepijn van Doesburg


9

NNO | D e v i e r j a a r g e t i j d e n

Antonio Vivaldi (1678 - 1741) De vier jaargetijden, opus 8 (1723) - bewerking Erik Bosgraaf Concert nr. 1 in E-groot RV 269, Lente Allegro Largo Allegro pastorale Concert nr. 2 in g-klein RV 315, Zomer Allegro non molto Adagio e piano – presto e forte Presto Concert nr. 3 in F-groot RV 293, Herfst Allegro Adagio molto Allegro Concert nr. 4 in f-klein RV 297, Winter Allegro non molto Largo Allegro Na zoveel Italiaanse invloed bij NoordEuropese componisten komen we ten slotte aan bij de bron zelf. Na zoveel verrassingen op het programma nu een van de meest geliefde werken uit de muziekliteratuur. Maar wist u dat Vivaldi pas na de Tweede Wereldoorlog werd herontdekt? Alleen is die ontdekking grotendeels beperkt gebleven tot de cyclus van vier soloconcerten voor viool en strijkorkest die samen De vier jaargetijden vormen. Wie kent de andere vijfhonderd (!) soloconcerten of de onafzienbare hoeveelheid opera’s, kerkmuziek, sonates en kamermuziek die hij koortsachtig bij elkaar pende? Niet dat we het iemand zouden willen aandoen dat volledige oeuvre te moeten ondergaan, ondanks alle kwaliteiten. Er zou geen tijd overblijven voor

de belangrijke dingen in het leven, zoals facebook, i-phones en computergames. De roodharige priester uit Venetië was zelf een begenadigd vioolvirtuoos met een stevige reputatie, maar een groot deel van zijn leven stond hij voor de klas in een van de vier meisjesweeshuizen in zijn geboortestad, het Ospedale della pietà met zijn gedegen muziekopleiding en befaamde meisjesorkest. Veel van zijn werken kwamen in deze stimulerende werkomgeving tot stand. Maar hun weerklank werd niet gestuit door de muren van het instituut: vooral met zijn vernieuwende soloconcerten oefende Vivaldi een Europawijde invloed uit. Sterker, het genre soloconcert zou in zijn vertrouwde vorm volstrekt ondenkbaar zijn geweest zonder de specimina van Vivaldi. Maar de tijd vergleed en de barok maakte plaats voor de galante stijl. Vivaldi behoort tot de treurige categorie componisten die nog tijdens hun leven moesten meemaken hoe hun muziek volledig uit de mode raakte. Hij stierf in erbarmelijke omstandigheden in Wenen, waar hij in zijn laatste levensjaar naartoe getrokken was, waarschijnlijk in de hoop op een laatste wending ten goede. Waarin ligt nu precies de ongekende aantrekkingskracht van De vier jaargetijden? Allereerst in de vorm. Al voor Vivaldi bestond er een lange traditie van het uitbeelden van buitenmuzikale zaken in de muziek, maar een cyclus van vier soloconcerten die samen de vier seizoenen uitbeelden was toch wel een geniaal idee: het gaf de componist

>


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

de kans met elk concert een andere sfeer op te roepen. Het is de vaak flitsende afwisseling tussen energieke passages en verstilde momenten, tussen levenslustige uitbarstingen en melancholische mijmeringen die Vivaldi inspireerde tot briljante invallen en die ons van begin tot eind geboeid houdt. Dat de componist daarbij letterlijk kabbelende beekjes, kwinkelerende vogels, blaffende honden, zoemende

10

insecten, sluimerende herders, opgehitste jagers, dronken dansers, schaatsende kinderen, stille nachten, lome middagen, knusse wintervuren, zachte briesjes, hevige stormen, angstaanjagend onweer en kletterende regen wilde weergeven, is uiteindelijk bijzaak. Pepijn van Doesburg

steun het orkest wo r d v r i e n d va n h e t n n o m e e r i n f o v e r k r i j g b a a r b i j d e v r i e n d e n b a l i e e n o p w w w.nno.nu


11

NNO | D e v i e r j a a r g e t i j d e n

Vivaldi’s De vier jaargetijden op Blokfluit Ik heb er voor gekozen alle originele toonsoorten te behouden maar in de keuze voor de blokfluit te variëren. Zo speel ik het eerste Concerto ‘De Lente’ op een zogenaamde Fourth Flute. Dat is een blokfluit in Bes’ op stemtoonhoogte a’=415 Hz. Het instrument werkt dus als een blokfluit in A als het orkest op a’=440 Hz speelt. Vervolgens kan ik het eerste en derde deel in C-groot lezen, wat klinkt als E-groot vanwege het instrument. In de baroktijd was men het wel gewend om te transponeren, tegenwoordig worden voor alle symfonische blazers partijen getransponeerd aangeleverd. De hogere fluit in A past goed bij het karakter van de lente en de kwinkelerende vogels. Het middendeel speel ik op een barokke G-alt in a’=415 die daardoor een halve toon hoger klinkt dan een gewone altblokfluit in a’=440 Hz. Dit leidt tot een mooie zwoele klank die goed bij het beeld van de slapende herder past. De ‘Zomer’ werkt goed op een fluit in F, dat kan de altblokfluit of de sopranino zijn, afhankelijk van wat er muzikaal uitgedrukt moet worden. Dit jaargetijde is bij Vivaldi onstuimig en gevaarlijk, hoewel er ook onschuldige vogels aan te pas komen zoals de koekkoek, de duif en de goudvink. In het middendeel van dit concerto wordt uitgedrukt dat de herder bang is om te gaan slapen. Er kunnen immers elk moment stormen losbarsten of hij kan worden overvallen door insecten! Die angst wordt bewaarheid in het derde deel!

In ‘De Herfst’ viert de boer feest over de gelukte oogst. Daarbij wordt ook flink gedronken. Dit concerto heeft net als het vorige ook gedeeltes waarbij ‘slaap’ muzikaal wordt uitgebeeld. Ik weet nog niet precies welk instrument zich daar het beste voor eigent: een tenorblokfluit of een lage sopraan? De toonsoort F wordt van oudsher geassocieerd met de jacht (hoorns staan immers in F). Het laatste deel beeldt de jacht uit. In ‘De Winter’ probeer ik met ijzige klanken een sfeer van onbehagen op te roepen. De blokfluit eigent zich goed en kan heel ‘kil’ klinken. Op een blaasinstrument zonder kleppen klinkt de toonsoort F-klein met vier mollen al angstaanjagend van zichzelf. Het gedeelte waar de protagonist klappertandt is mijn favoriet. Eén van de bekendste delen uit de Vier Jaargetijden in het Largo uit ‘De Winter’. Het straalt vredigheid uit bij het haardvuur. Ik speel dit deel op een altblokfluit in a’=392 Hz, een fluit die in a’=440 Hz dus geldt als een fluit in Es. Erik Bosgraaf


D e v i e r J a a r g e t i j d e n | NNO

12

sch u B ert festivAl 7 t / M 17 M A A rt 2 012 De Grote Sch u bert 08 / 03 | groningen | de ooSterpoort | 20.15 uur 09 / 03 | leeuwarden | de grote kerk | 20.15 uur Schubert Mis in As | syMfonie nr . 9 Dirigent Martin haSelbรถck | sopr A An beate ritter Alt Michael a Selinger | tenor bernard berchtold BAs SebaStian noack | Koor nnck

NNO_A6_schubertfestival_DRUK.indd 1

01-08-11 16:05


Programmaboekje 1204 - De vier jaargetijden