Page 1

Pro g r amma

p r i j s â‚Ź1, 5 0 Vrienden NNO gratis

M at t h äu s Pa s s i o n

Bac h

dir ig ent Johannes Leertouwer | Diver se solisten Ko o r NN C K | R o d e r J o n g e n s ko o r


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

2

M at th äu s Pa s s i o n

> donderdag 14 april | Leeuwarden | De Harmonie | 19.30 uur * > vrijdag 15 april | Hoogeveen | De Tamboer | 19.30 uur * > zaterdag 16 april | Nijkerk | Kruiskerk | 19.30 uur > dinsdag 19 april | Drachten | De Lawei | 19.30 uur * > woensdag 20 april | Groningen | De Oosterpoort | 19.30 uur * > donderdag 21 april | Groningen | De Oosterpoort | 19.30 uur * Dirigent Evangelist Christus Sopraan Alt Tenor Bas Koor Jongenskoor Chitaronne

Johannes Leertouwer Andreas Karasiak Dominik Wörner (14 t/m 16 april) | Panajotis Iconomou (19 t/m 20 april) Katharine Fuge David Allsopp (14 t/m 20 april) | Mark Chambers (21 april) Patrick Henckens Sebastian Noack NNCK, inst. Leendert Runia Roder Jongenskoor Søren Leupold

Bach

Matthäus Passion

* Gratis inleiding één uur voor aanvang concert. HET NOORD NEDER L ANDS OR K EST Het Noord Nederlands Orkest (NNO) is het grootste regionale Nederlandse symfonieorkest, waarvan Michel Tabachnik sinds 2005 chef-dirigent is. Met Groningen als standplaats verzorgt het orkest zo’n 120 concerten per seizoen in de provincies Groningen, Friesland en Drenthe, maar ook op belangrijke podia in de rest van Nederland, waaronder het Concertgebouw in Amsterdam en de Doelen in Rotterdam. Het NNO treedt ook regelmatig op in het buitenland, zoals in 2007 in Salle Pleyel en Cité de la Musique in Parijs en in september 2009 in Perugia, Italië, tijdens het 64e Festival Sagra Musicale Umbra. Het NNO is regelmatig te beluisteren tijdens radio-uitzendingen en heeft afgelopen vijf jaar diverse CD’s op gerenommeerde labels uitgebracht. De programmering van het orkest onderscheidt zich door durf en originaliteit In elk seizoen zijn cross-overs te vinden met andere muziekstijlen - zoals jazz en popmuziek - naast bijzonder samengestelde programma’s van barok tot 21e-eeuws. Daarnaast organiseert het NNO samen met Grand Theatre/Prime-concerten elk jaar een festival rondom een prominente hedendaagse componist. Kijk voor de meest actuele informatie over onze concerten op www.nno.nu.


3

M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

J o h a n n e s Le e rt o u w e r Dirigent Na zijn vioolstudie bij Bouw Lemkes in Amsterdam en bij Josef Suk in Wenen en Praag, besloot Johannes Leertouwer zich te verdiepen in de historische uitvoeringspraktijk. Hij werkte als concertmeester bij een aantal internationale gespecialiseerde ensembles en orkesten, waaronder Anima Eterna van Jos van Immerseel en het orkest van de Nederlandse Bach Vereniging. Met deze orkesten trad hij ook als solist op. Met zijn duo partners Menno van Delft (klavecimbel) en Julian Reynolds (fortepiano) bracht Leertouwer een reeks CD-opnamen uit op het label Globe, met werken van Bach, Mozart, Beethoven, Schubert en Schumann. Met het Ensemble Schönbrunn, waarvan hij sinds de oprichting in 1987 deel uitmaakt, treed hij regelmatig op in binnen en buitenland en maakte hij een reeks CD opnamen. In het Mozartjaar 2006 bracht Johannes Leertouwer als solist en dirigent van zijn eigen ensemble La Borea Amsterdam, een internationaal veel geprezen dubbel-CD uit, met de complete vioolconcerten van Mozart (Challenge Records).

Sinds 1989 is Johannes Leertouwer als hoofdvakdocent viool verbonden aan het Conservatorium van Amsterdam. Ook verzorgt hij masterclasses en gastlessen in vele landen binnen en buiten Europa. Johannes Leertouwer volgde directieonderricht bij David Porcelijn en de legendarische Finse professor Jorma Panula en werkt nu als gastdirigent bij diverse orkesten waaronder het Noord Nederlands Orkest en het koor en orkest van de Nederlandse Bach Vereniging. Ook werkte hij met orkesten in België, Frankrijk, Japan en Mexico. Van 1998 tot 2006 was hij artistiek leider en dirigent van het Nederlands Jeugd Strijkorkest, in die periode dirigeerde hij ook regelmatig projecten aan conservatoria in Parijs, Antwerpen, Leipzig en Amsterdam. In 2009 maakte Johannes Leertouwer zijn debuut bij het Residentie Orkest. Ook keert hij terug bij de Nederlandse Bach Vereniging als dirigent in een Haydn- Mozart programma. Tevens is hij als dirigent en artistiek leider verbonden aan de Nieuwe Philharmonie Utrecht.


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

Andreas K ar asiak Tenor Andreas Karasiak studeerde zang aan de Johannes Gutenberg-Universiteit in Mainz (Duitsland) bij Prof. Claudia Eder, met wie hij nog steeds werkt. Tegelijkertijd studeerde hij Barokmuziek bij René Jacobs in Basel. Andreas Karasiak was als tenor verbonden aan het Nationaltheater in Mannheim en vertolkte daar de belangrijkste rollen uit het Mozartrepertoire. Karasiak werkte met dirigenten als Rafael Frühbeck de Burgos, Gustav Leonhardt, Helmuth Rilling, Ton Koopman, Michael Hofstetter, Philippe Herreweghe, Martin Haselböck, Andreas Spering, Christoph Spering, Michel Corboz, Bruno Weil, David Zinman en Peter Schreier. Karasiak werkte met orkesten als de Akademie für Alte Musik Berlin, het Concerto Köln, het Concertgebouworkest Amsterdam, het Orchestre de Champs Elyseès Paris, het Münchener Bach Orchester en het Freiburger Barokorchester. Recentelijk zong Andreas Karasiak de wereldprèmiere van Harald Weiss’ Requiem Schwarz vor Augen und esward Licht met het Knabenchor Hannover en de NDR Radiophilharmonie Hannover onder Jörg Breiding en als Filippo in Haydns L’infedeltà delusa met de Kammerakademie Potsdam onder Andreas Spering. De talloze radio-opnames en CD producties die er gemaakt zijn van Andreas Karasiak’s uitvoeringen, getuigen van de uitzonderlijke hoge kwaliteit van zijn werk.

4

D o m i n i k Wö r n e r B a s - b a r i to n Dominik Wörner studeerde kerkmuziek in Stuttgart, musicologie en klavecimbel in Freibourg en orgel en zang in Bern. Hij volgde een masterclass voor liedinterpretatie bij Irwin Gage in Zurich, die hij met een onderscheiding afsloot en won de eerste prijs op de XIII Internationale Bach Competitie. Wörner verwierf internationale bekendheid met zijn Bachinterpretaties. Dominik Wörner zong oratoriapartijen in Europa, in de VS, in Azië en in Australië, onder leiding van Carl Saint Clair, Christophe Coin, Thomas Hengelbrock, Philippe Herreweghe, Manfred Honeck, Sigiswald Kuijken, Helmuth Rilling en Masaaki Suzuki. Zijn operadebuut maakte Wörner tijdens het Barok Opera Festival in Solothurn waar hij de titelrol van Jean-Jacques Rousseau’s Le Devin du Village vertolkte. Hij zal binnenkort Dulcamara in Donizetti’s L´Elisir d´Amore zingen, zijn debuut maken als Apollo in Händel´s Apollo e Dafne en hij zal te horen zijn in Haydns opera L´Infedelta delusa). Dominik Wörner is oprichter en artistiek leider van zijn eigen concertseries, de ‘Kirchheimer Konzertwinters’ en medeoprichter van het festival ‘Kirchheimer Liedersommer’. Dominik Wörner zingt de concerten van 14 t/m 16 april.


5

Pa n a j o ti s Ic o n o m o u C h r i s t u s ( B a s - b a r i to n ) Panajotis Iconomou begon zijn zangcarrière in 1980 bij het Tölzer Knabenchor. Nadat hij beurzen van ‘Friends of Covent Garden’ en de ‘Alexandros Onassis Foundation’ had ontvangen, begon Iconomou zijn zangstudie bij de National Opera Studio in Londen. Iconomou werkte met dirigenten als JeanClaude Malgoire, Sir John Eliot Gardiner, Hans Graf, Giovanni Antonini, Frans Brüggen en Gustav Leonhard. Panajotis Iconomou maakte zijn professionele operadebuut als Sarastro bij Opera Holland Park in London. Hij zong Beethovens Missa Solemnis, Moser in I Masnadieri van Verdi en in 2000 tijdens John Eliott Gardiners Bach Cantata Pilgrimage, Osmin in Die Entführung aus dem Serail, Colline in La Bohème, Sparafucile in Rigoletto, Masetto in Don Giovanni en Tom in Un Ballo in Maschera. Recentelijk zong Iconomou Bachs Weihnachtsoratorium met onder meer het Combattimento Consort Amsterdam, Sarastro in het Macerata Festival Italy en in Bachs Johannes Passion bij het NNO. Panajotis Iconomou zingt de concerten van 19 en 20 april.

M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

K ath a r i n e F u g e Sopr a an Katharine Fuge studeerde aan de City University bij onder andere Paul Farrington en verschijnt geregeld als soliste op internationale muziekfestivals en podia door geheel Europa. Fuge verwierf grote bekendheid in het barokrepertoire en werkt samen met vooraanstaande uitvoerders van die stijlperiode waaronder John Eliot Gardiner, Phillippe Herreweghe, Ton Koopman, Sigiswald Kuijken en Marcus Creed. Fuge was te horen in de Bachs Cantata Pilgrimage met de English Baroque Soloists onder Sir Eliot Gardiner, zong Händels Dixit Dominus met Collegium Vocale Gent, Belshazzar met de Akademie für Alte Musik Berlin, L’Allegro ed il Pensieroso met de English Baroque Soloists en de Messiah in Denemarken. Recentelijk zong ze in Mozart’s Mis in c klein, Haydns Nelson Mass met het Bach Choir, Mendelssohns A Midsummer Night’s Dream en Händels Alcina met Paul McCreesh. Highlights waren Ein Deutsches Requiem van Brahms in het Concertgebouw in Amsterdam en concerten met L’Orchestre de Radio France. Fuge maakte opnamen van de Bach Cantates op DG Archiv. Katharine Fuge is een graag geziene sopraan bij het NNO.


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

Dav i d All s o pp A lt David Allsopp begon als koorknaap in Rochester, was koorleerling van het koor van Kings College Cambridge en later zelfs koorlid van het beroemde koor. Na zijn studie was Allsopp een tijdlang koorlid van het koor van de Westminster Cathedral in London, voordat hij aan zijn solocarrière begon. Zijn repertoire omvat met name de grote Bachpartijen en oratoria van Händel, maar door zijn voorgeschiedenis is hij evenzo vertrouwd met Middeleeuwse en Renaissance muziek alsook met muziek van moderne componisten. Zong Allsopp eerder met name in de gerenommeerde Engelse vocale ensembles, tegenwoordig is hij echter steeds meer als solist actief. Zijn optredens voerden hem recent naar de Musikverein in Wenen, de Händelfestspiele in Karlsruhe en naar Straatsburg als solist in Bernsteins Chichester Psalms. Bij EMI Classics, Deutsche Grammophon en Hyperion verschenen opnamen van David Allsopp. David Allsopp zingt de concerten van 14 t/m 20 april.

6

Mark Chambers A lt Mark Chambers volgde zijn opleiding aan het Koninklijke Northern College of Music. Tegenwoordig combineert hij zijn zangcarrière met de functie van parttime zangdocent aan de University of Ulster in Derry en is lid van het creatieve team van het City of Song festival in Derry. Solooptredems beslaan onder andere Bach St Matthew Passion en Mass in B Minor met Sir John Eliot Gardiner, Monteverdi’s Vespers of 1610 met Paul McCreesh en een opname met de Nederlandse Bachvereniging van Beloved and Beautiful gedirigeerd door Jos van Veldhoven. Chambers zingt regelmatig rollen in opera’s van Händel en zong de sopraanrol Pilpatoe in Carl Heinrich Grauns Montezuma bij de Musikfestspiele Potsdam. Recentelijk werkte hij als understudy in de rol van Snake Priestess in Harrison Birtwistles wereldpremière The Minotaur in de Royal Opera House. Mark Chambers werkt regelmatig met toonaangevende koren en ensembles waaronder Tenebrae, het Monteverdi Choir, het Gabrieli Consort, het Ensemble Plus Ultra en het Binchois Consort en maakte vele opnames. Mark Chambers sprak tevens de stem in van de Ood voor de Dr. Who serie voor BBC televisie. Mark Chambers zingt het concert van 21 april.


7

Patr i ck H e n ck e n s Tenor Patrick Henckens studeerde solozang bij Mya Besselink aan het Maastrichts Conservatorium, behaalde zijn diploma’s Schoolmuziek en Directie en volgde masterclasses aan het Mozarteum in Salzburg. Henckens won twee prijzen bij het Christina Deutekom Concours, waardoor hij in staat werd gesteld te studeren bij Stuart Burrows in Cardiff. Na zijn studie werd hij gecontracteerd door de theaters van Gelsenkirchen/Wuppertal, Heidelberg en Bonn en zong hij diverse rollen bij de Nationale Reisopera. Patrick Henckens zong Mozarts Tamino, Belmonte, Ferrando, Don Ottavio en Arbace en Händels Rameau en Oronte. Hij werkte met dirigenten als Claudio Abbado, Arnold Östmann, Jeffrey Tate, Valery Gergiev, Ed Spanjaard, Jaap van Zweden en Jan Willem de Vriend. Met Marc Minkowski en ‘Les Musiciens du Louvre’ maakte hij een CD-opname voor Deutsche Grammophon van het Te Deum en Messe de minuit van Charpentier. Hoogtepunten in Henckens carriere zijn Magnificat onder Enoch zu Guttenberg in de Münchner Philharmonie, Paulus van Mendelssohn met de Duisburger Symfoniker onder Bruno Weil, Elias bij de Ludwigsburger Festspiele onder Wolfgang Gönnenwein, Händels Messiah in de Mozartbewerking onder Peter Neumann, Beethovens Negende onder Ed Spanjaard met het Limburgs Symfonieorkest en in Die Letzten Dinge van Spohr.

M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

S e b a sti a n N oack B a r i to n De Berlijnse Sebastian Noack studeerde zang bij Dietmar Hackel en Ingrid Figur en studeerde af met onderscheiding. Diverse masterclasses bij Dietrich Fischer-Dieskau en Aribnert Reimann completeerden zijn training. Sebastian Noack werd eerste in de Bundes-zangwedstrijd in 1996, won de tweede prijs bij de internationale zangcompetitie in de Wigmore Hall in Londen en een eerste prijs bij de Paula Lindberg-Salomon wedstrijd. Sebastian Noack maakte vooral naam als concertsolist. Eind 2003 zong hij in Berlioz’ L’enfance du Christ in Berlijn, tourde met het Orchstre National d’lle de France met Faurés Requiem, verscheen in Bachs Christmas Oratorio met het Combattimento Consort Amsterdam en in Mendelssohns Erste Walpurgisnacht onder leiding van Markus Stenz in de Keulse Philharmonie. Sebastian Noack zong met solisten als Philippe Herreweghe, Christoph Eschenbach, Gustav Leonhardt en Helmuth Rilling en bij ensembles als het Berlin Radio Symphony Orchestra, het Freiburg Baroque Orchestra, Concerto Köln, de Akademie für Alte Musik, Cantus Cölln, het Zürich Chamber Orchestra, en het Dresden Kreuzchor. In 1999 verving Noack zeer succesvol Thomas Quasthoff in een recital in Lindau/Bodensee.


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

HET NOORD NEDER L ANDS C ON C ERTKOOR ( NN C K ) Ko o r In 1991 richtte het NNO het Noord Nederlands Concertkoor (NNCK) op. Het koor bestaat uit circa 100 geselecteerde zangers uit de drie Noordelijke provincies. Het koor is een projectkoor en komt bijeen wanneer het NNO werken programmeert voor koor en orkest. Louis Buskens en Leendert Runia dragen de verantwoordelijkheid voor de artistiek-vocale ontplooiing van het koor. Het koor zong zeer divers repertoire van onder meer Arvo Pärt, Kashif, Händel, Bach en De Meij. In 2007 vierde het NNCK haar 15-jarig bestaan met onder andere een indrukwekkende uitvoering van Ein Deutsches Requiem van Brahms. Het NNO en NNCK treden ook op in het buitenland, zoals in 2007 in de Salle Pleyel in Parijs met L’action Préalable van Scriabin en in september 2009 in Perugia, Italië, tijdens het 64e Festival Sagra Musicale Umbra met onder meer Gounods Messe Solennell di Sante Cecilia. Daarnaast heeft het koor meegewerkt aan de succesvolle openluchtopera’s Die Zauberflöte en La Traviata van het NNO.

8

Le e n d e r t R u n i a Ko o r d i r i g e n t Na het behalen van zijn Gymnasium-A diploma studeerde Leendert Runia fluit bij Peter van Munster aan het Stedelijk Conservatorium te Groningen. In 1980 behaalde Runia het einddiploma solospel. Tegelijkertijd studeerde hij orkestdirectie bij Alfred Salten. Deze studie zette Runia voort aan de Musikhochschule te Freiburg bij Francis Travis. Tijdens deze studie leidde hij een kamermuziekensemble dat muziek uit de 20e eeuw speelde. Vele jaren was Runia dirigent van het Triebensee-blazersensemble. Sinds 1999 staat Leendert Runia samen met Louis Buskens als koordirigent voor het Noord Nederlands Concertkoor. Hij is tevens dirigent van het in 1984 door hem opgerichte Noordelijk Vocaal Ensemble, het Vocaal Ensemble Leeuwarden en van de Noord Nederlandse Cantorij. Ook leidt Runia sinds 2003 het Sallands Bachkoor. Sinds 1985 is Leendert Runia docent kamermuziek aan het Prins Claus Conservatorium.


9

M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

H e t R o d e r J o n g e n s ko o r Ko o r Het Roder Jongenskoor werd opgericht in 1985 door dirigent Bouwe R. Dijkstra. Zijn belangrijkste doel was de samenstelling van een jongenskoor naar Engels voorbeeld, met als repertoire de Engelse koormuziek in de breedste zin. Het Roder Jongenskoor wordt geprezen om de consequente Engelse koorstijl die dit koor voert, niet alleen qua omvang en stembezetting, maar ook in de sterke aandacht voor de stemkwaliteit van de individuele jongens en mannen. Het Roder Jongenskoor kiest in al zijn facetten voor een muzikale aanpak die bij de Engelse jongenskoren leidt tot het beroemde hoge niveau van muziek maken. Het Roder Jongenskoor kent een stembezetting van 20 jongenssopranen (trebles), vier countertenoren, vier tenoren en vier bassen. De jongens ontvangen een intensieve muzikale en stemtechnische training; de mannengroep wordt gevormd door geschoolde stemmen.

Jongens hebben bovendien de mogelijkheid een solistenopleiding te volgen, waardoor sommigen van hen uitgroeien tot veelgevraagde sopraansolisten bij concerten. Jongenssolisten uit het koor traden onder meer op in Mozarts Zauberflöte (Nederlandse Opera en de Nederlandse Reisopera) en werkten mee aan de wereldpremière van de opera Alice in Wonderland in Carré te Amsterdam. Tevens verlenen de jongens van het koor regelmatig hun medewerking aan Brittens War Requiem en de Spring Symfonie, met de Radio orkesten, het Gelders Orkest, het Concertgebouworkest en het Groot Omroepkoor onder leiding van Ricardo Chailly, Edo de Waart, Alexander Liebreich, Ton Koopman en Martin Sieghart. Tijdens de Wereldtentoonstelling in Hannover gaf het koor Bach concerten samen met het Combattimento Consort Amsterdam. Het Roder Jongenskoor is een graag gezien koor bij het NNO.

steun het orkest wo r d v r i e n d va n h e t n n o m e e r i n f o v e r k r i j g b a a r b i j d e v r i e n d e n b a l i e e n o p w w w.nno.nu


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

10

Johann Sebastian Bach (1685 - 1750) Matthäus Passion, BWV 244 (1727/1736) Om de draagwijdte van een werk als de Matthäus Passion van Johann Sebastian Bach te kunnen beseffen is het goed om er nog eens aan te herinneren, dat de invloed van de tijdens de middeleeuwen op grote schaal in zwang gekomen zijnde zeven ‘Vrije kunsten’ (‘Artes liberales’) in de 18e eeuw nog niet wezenlijk aan kracht heeft ingeboet. Deze ‘Artes liberales’ wortelen in de Antieke gedachte van de ‘harmonie der sferen’. Het bereiken van die harmonie stond gelijk met een staat die kan worden omschreven als die van het volmaakte evenwicht tussen mens en schepping (of zo men wil: schepper). De ‘Artes liberales’ dienen dan ook mede als een middel van contemplatie te worden beschouwd teneinde dit ideaal te bereiken. Zij kennen een onderverdeling in twee groepen van kunsten en wetenschappen, namelijk het ‘Quadrivium’ en het ‘Trivium’. Onder de eerste categorie vallen Geometria (bouwkunst), Arithmetica (wiskunde), Astronomia (sterrenkunde) en Musica (muziek, men denke aan de ‘muziek der sferen’). Het ‘Trivium’ is samengesteld uit Grammatica, Retorica en Logica. De Geometrie ligt aan de basis van de overige kunsten/wetenschappen. Dat is geen wonder, aangezien men in het bouwen (ontwerpen, scheppen) een analogie zag met de activiteit van de godheid - een thema dat zo fraai is belichaamd in het beroemde schilderij ‘The Ancient of Days’ van William Blake. Het dit alles overkoepelende denkbeeld is dat van een onlosmakelijk verband tussen de macrokosmos (het grote heelal) en de microkosmos (het kleine heelal en in het bijzonder de mens) indachtig het aloude

hermetische adagium: ‘Zo boven, zo beneden’, of - om met Plato en Socrates te spreken - “Wie zichzelve kent, zal de Goden leren kennen.” Synthese Om het even of we het nu over de Gregoriaanse passie hebben, de religieuze en dramatische werken van Monteverdi dan wel de cantates en passies van Bach, naast alle verschillen is het deze grondgedachte, namelijk het verband tussen ‘boven en beneden’ dat deze werken ondubbelzinnig met elkaar gemeen hebben. Door middel van deze muziek krijgt de mens niet alleen een spiegel voorgehouden, maar wordt hem tevens de gelegenheid geboden aan het tijd/ruimtelijke bewustzijn te ontstijgen. De universaliteit van deze spiritualiteit is niet alleen van filosofische betekenis, maar komt tevens muzikaal tot uitdrukking. Niet in het minst in Bach’s onvolprezen Matthäus Passion. Hoezeer Bach ook een kind van zijn tijd was, door hem af te schilderen als een barokcomponist ‘tout court’ doet men de meester te kort. Juist Bach’s oeuvre is een smeltkroes bij uitnemendheid: de middeleeuwse en renaissancistische meerstemmigheid, de rijke en hyperexpressieve stijl van Monteverdi en de nieuwe harmonische en instrumentale mogelijkheden van de 17e en de 18e eeuw hebben in Bachs kunst tot een synthese geleid, die onverschillig welk voorstellingsvermogen dan ook verre te boven gaat.


11

Opzet/bezetting De partituur van de Matthäus Passion wordt getypeerd door een ongekende rijkdom aan uitdrukkingen. Dit wordt alleen al door de bezetting in de hand gewerkt. Er is een onderverdeling in twee groepen voorgeschreven, te weten coro 1 en coro 2. Elk van deze groepen telt zowel een vocaal als een instrumentaal ‘koor’, een basso continuosectie en - naast de evangelist en de zanger die de Christuspartij voor zijn rekening neemt - een alt- (eventueel altus), tenor- en een bassolo. De sopraan-partijen kwamen van oudsher voor rekening van knapenstemmen. Het jongenskoor valt onder coro 1, evenals de continuo-afdeling, die het evangelie begeleidt en omlijst. Onder de continuo-sectie van coro 2 valt het koororgel. Hoewel de plaats van het orgel in coro 1 voorheen ook aan het klavecimbel toeviel - ter ondersteuning van de evangelist - komt dit tegenwoordig nog alleen bij hoge uitzondering voor: duidelijk is hoe dan ook dat er in de tijd van Bach twee orgels werden gebruikt. Voorts is er sprake van drie lagen, te weten: 1. het evangelie - dat wat ‘gegeven’ is, het ‘objectieve’, het kosmische, dat wat staat voor de eeuwige waarden, 2. de koralen - de reflectie op het voorgaande door de gemeenschap der gelovigen, dat wat kan worden gekarakteriseerd als het religieus-bemiddelende, c.q. ‘verbindende’ element, én 3. de instrumentaal omlijste recitatieven, aria’s, koren en ensembles die staan voor de ‘subjectieve’ kant van het drama, of anders gesteld: de reactie’s op het gebeuren door het individu vanuit het tijdelijke en sterfelijke bestaan. Heel bijzonder is

M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

tenslotte de gedachte om de woorden van Christus door strijkers te laten omlijsten, een gedachte die teruggaat tot Monteverdi, die bij voorbeeld in zijn opera ‘Orfeo’ het orgel als ‘extra’ inschakelde, om de meer dramatische momenten van een apart reliëf te voorzien. Dit naast elkaar bestaan van verschillende domeinen van het leven is ook een fenomeen dat via oude tradities is overgeleverd. Opnieuw kan men daarbij aan Monteverdi denken, in wiens Maria Vespers sacrale en wereldlijke elementen met elkaar verweven zijn. Aan de andere kant is deze opzet tevens tot vér in onze eeuw traceerbaar, getuige onder meer het War Requiem van Britten. De teksten voor de recitatieven en aria’s van de Matthäus Passion zijn geschreven door de bij de posterijen werkzame jurist Christian Friedrich Henrici alias Picander (17001764). Diens gedichten zijn van een uiterst middelmatig en amper literair te noemen gehalte, maar zijn door Bachs grootse muziek vér boven hun niveau uitgetild. Verhaal Het bestek van dit artikel laat niet toe op alle facetten van de Matthäus Passion in te gaan. In het licht van het voorgaande is het echter boeiend iets aan te duiden van de wijze waarop Bach het verhaal vertelt. In de muziek van de barok in het algemeen en die van laatstgenoemde in het bijzonder speelt de hiervoor al in breder verband gesignaleerde retorica een sleutelrol. Dit heeft geleid tot een aantal tijdens de 17e eeuw op grote schaal in zwang gekomen stijlfiguren, die tot oogmerk hebben om de expressieve lading


M a t t h ä u s P a s s i o n | NNO

en veelal ook de inhoud van de gezongen tekst nader te onderstrepen. Dat het in de Matthäus Passion wemelt van dergelijke voorbeelden zal niemand verbazen. Zo verbeelden de agressieve strijkersakkoorden in het alt-recitatief ‘Erbarm’es Gott’ (nr.51 volgens de nummering van de Bärenreiter-uitgave) de striemende slagen waarmee de mishandeling van Christus kracht wordt bijgezet, een effect dat nog wordt versterkt door het niet op de gebruikelijke wijze oplossen van een dissonant (‘Catachresis’). Een niet minder dramatische werking is aanwijsbaar in het duet - nr.27 - van de alt en de sopraan ‘So ist mein Jesus nun gefangen’ waarin de melodie de neiging heeft om telkens rond dezelfde noot te circuleren, hetwelk tot doel heeft om de onbeweeglijkheid van de gevangen genomen Christus te illustreren (‘circulatio’). Zeer tot de verbeelding sprekend is recitatief nr.33 waarin de twee valse getuigen ten tonele worden gevoerd en de éne de andere probeert te overtroeven: de zetting is zodanig, dat de alt en de tenor om de beurt de hoogste partij zijn. Het resultaat is inderdaad conform twee mensen, die elkaar constant overschreeuwen. Bach bereikt dit effect door de stijlfiguur ‘Metabasis’ te gebruiken. Dit betekent letterlijk ‘te boven gaan’ en ‘hoger gaan dan’. Dit zijn slechts enkele gevallen, waarvan het aantal met vele kan worden uitgebreid.

12

Credo Over de wijze waarop de inhoud van het lijdensverhaal in de Matthäus Passion heeft doorgewerkt zijn met gemak boekdelen te vullen. Voor het genieten van het werk is het echter geenszins noodzakelijk om daarvan tot op de vierkante millimeter geïnformeerd te zijn. Bach heeft met zijn muziek het gnostische credo willen belijden van het ‘voelen met het hoofd’ en het ‘denken met het hart’. Hieruit valt mede de omstandigheid te verklaren, dat zij al zo lang en over vele generaties heen alle mensen, gelovig of niet, heeft weten te intrigeren en ontroeren. Om ten besluite nog een interpretatie van symbolieke strekking de revue te laten passeren is het wellicht boeiend te vernemen hoe wijlen Dr. Anthon van der Horst - een van de eerste voorvechters van een historiserende uitvoeringspraktijk van de Matthäus, blijkens zijn beroemde uitvoeringen in de Grote Kerk te Naarden - dacht over de sopraanaria ‘Aus Liebe will mein Heiland sterben’. Het is de enige aria waarin de continuo-sectie zwijgt. “Deze ontbreekt hier”, aldus Van der Horst, “omdat het nu niet om de aardse maar de hémelse liefde gaat.” Maarten Brandt


Programmaboekje 1115 Bach Matthaeus  

Programmaboekje 1115 Bach Matthaeus

Advertisement
Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you