Page 1

W W W. N K B V. N L | N O V E M B E R

HOOGTELIJN tijdschrif t van de koninklijke nederl andse klim- en bergsport vereniging

Winter in de bergen ToerskiĂŤn, sneeuwschoenlopen, ijsklimmen

Interview met Martin Fickweiler Een dag uit het leven van een parkwachter Materiaal: lawinepiepers

2009

| NR

5


2

|

HOOGTELIJN 5-2009

d de boer

Inhoud Op de Hoogte

4

Toerskicursus in het Ă–tztal

10

Bergsportdag 14 maart

15

Badderen en buffelen

16

Strijd om poeder

20

(IJs)klimmen op de TĂŞte de Gramusat 23 Studentenexpeditie

28

Focus

34

Interview

36

Het leven van een parkwachter

42

Graniet in overvloed

48

Gemarkeerd

52

Lawines overleven?

54

Lawinepiepers

58

Recensies & Signalementen

64

Ledenpagina

66

Vooruitblik

67

23

Just an illusion

Sneeuwschoenlopen in het Lauterbrunnental, Zwitserland Foto: Mieke Scharloo

Kijk voor meer informatie op www.nkbv.nl of www.hoogtelijn.nl

36

Martin Fickweiler

42

Wat doet een parkwachter?


HOOGTELIJN 5-2009

|

10

In de leer bij dé gids van het Ötztal

WINTER

16

Buffelen en badderen

28

Studenten en een oude knar op de Muztagh Ata

58

Materiaal: lawinepiepers

De laatste Hoogtelijn van het jaar is traditioneel het ‘winter’-nummer. Met weemoed hebben de meesten van ons afgelopen zomer en herfst de bergen achter zich gelaten. Maar gelukkig hoeven echte liefhebbers in de winter de bergen niet te missen. Wie in de zomer klimt of wandelt, wil dat in de winter ook doen. Daarom in deze Hoogtelijn aandacht voor sneeuwschoenlopen. Deze booming wintersport mag zich verheugen in steeds meer uitgestippelde routes op elk niveau. De klimmers komen aan hun trekken in een artikel over ijsklimmen. En Jorg Verhoeven neemt de lezers mee op avontuur in Chili. Veel mensen laten in de winter de drukke, lawaaiige pistes links liggen en zoeken op toerski’s de stilte op van de besneeuwde bergen. Genietend van witte glooiingen, zwarte pieken en blauwe lucht, zoals Bram Munnichs het ultieme toerskigevoel verwoordt. Maar hoe doe je dat, toerskiën? Een prima manier om kennis te maken met de beginselen is het volgen van een cursus. Boven alles staat de veiligheid. Dat geldt voor iedereen die actief is in de bergen komende winter. We rekenen op veel sneeuw - er ligt al het een en ander! - maar wie actief is in de winterse bergwereld, moet ook rekening houden met lawines. Bedolven onder de sneeuw heb je de eerste achttien minuten heel een grote kans op overleven. Maar dan moet je wel een goed werkende lawinepieper bij je dragen. Zowel aan de piepers als aan de redding van lawineslachtoffers besteden we in deze Hoogtelijn uitgebreid aandacht. Voor iedereen een fijne winter en kom gezond weer terug! Peter Daalder Hoofdredacteur Hoogtelijn

3


Heb je nieuws voor Op de Hoogte, mail het naar opdehoogte@nkbv.nl Alle links die in deze rubriek worden genoemd kun je ook vinden op www.hoogtelijn.nl onder Hoogtelijn 5/2009 door in de inhoudsopgave op ‘Op de Hoogte’ te klikken. Meer bergnieuws op www.nkbv.nl

HOE HOOG IS DE MONT BLANC? De topografische kaarten van Chamonix kunnen bij het oud papier, samen met alle overzichtskaarten van de Alpen, de Times Atlas en een hele stapel klimgidsen. De hoogte van de Mont Blanc wordt namelijk – opnieuw – aangepast. De laatste keer dat dat gebeurde, groeide de berg met niet minder dan twee meter en vijftien centimeter naar z’n huidige hoogte van 4810,9 meter. De kans is groot dat bij de huidige meting de berg opnieuw gegroeid is, ondanks het steeds verder afsmelten van ijskappen in de Alpen. Volgens onderzoekers zorgt de verandering van het klimaat voor toenemende westelijke stromingen en een iets hogere temperatuur waardoor in de zomer meer sneeuw op de top achterblijft. Op de top van de berg ligt een ijslaag die bij de laatste meting zo’n 32 meter dik was. Als de hele ijslaag op de top van de Mont Blanc wegsmelt, komt de top zo’n veertig meter naar het westen te liggen. Daar reikt de rots tot een hoogte van 4792 meter. Onder de huidige top komt de rots niet hoger dan 4779 meter. Het resultaat van de meting is bekendgemaakt op 5 november, kort na het ter perse gaan van deze Hoogtelijn. Kijk op www.nkbv.nl voor de uitkomst.

FUTURISTISCHE MONTE-ROSAHÜTTE GEOPEND Volgens de bouwers is het ‘de meest complexe houtconstructie van Zwitserland’: de nieuwe MonteRosahütte, iets ten zuidwesten van het Zwitserse Zermatt. De hut, bijgenaamd Bergkristall, voorziet in negentig procent van de eigen energiebehoefte. In de aluminium buitenwand zijn zonnepanelen ingebouwd die zorgen voor verwarming van water en lucht. Het hele energieverbruik van de hut wordt gemeten en gereguleerd met een computersysteem vanuit Zürich. De nieuwe Monte-Rosahütte werd ontworpen door de Zwitserse bergsportvereniging SAC in samenwerking met de technische universiteit ETH Zürich, waar onder meer Albert Einstein lang geleden studeerde. De hut staat op 2883 meter hoogte en is vanaf maart 2010 toegankelijk voor alpinisten. Meer informatie: www.neuemonterosahuette.ch of www.section-monte-rosa.ch/cabanes_4.htm

De nieuw gebouwde Monte-Rosahütte.

© ETH-Studio Monte Rosa/Tonatiuh Ambrosetti

©Toon Hezemans

CARTOON

KORTING VOOR NKBV-LEDEN IN KLIMHALLEN

©Joost Hofman

NKBV-leden krijgen in steeds meer klimhallen korting. Dat is het resultaat van een convenant dat de NKBV op 29 oktober met acht klimhallen heeft gesloten om gezamenlijk de klimsport in Nederland te promoten. De verwachting is dat meer klimhallen zich in de toekomst bij dit initiatief zullen aansluiten. De korting varieert van 10 tot 25 procent, afhankelijk van de locatie en het tijdstip waarop iemand gaat klimmen. Directeur Stan Stolwerk van de NKBV toont zich verheugd over de samenwerking: “Wij willen het sportklimmen meer bij de jeugd op het netvlies

krijgen én houden. Dat kan de NKBV niet alleen en daarom is het essentieel dat we samen optrekken. Ook als het gaat om sportstimuleringsbeleid van gemeentelijk overheden en de samenwerking met het onderwijs zie ik een enorme potentie in deze samenwerking.” Stolwerk denkt op korte termijn de kring van klimhallen die meedoen aan het initiatief uit te kunnen breiden naar meer dan tien. “Wij zijn in gesprek met nog een kring van vijf hallen.” De eerste acht hallen waar NKBV-leden nu al korting krijgen, zijn Outdoor Valley, Ayers Rock, Monk Bouldergym, Mountain Network met vestigingen in Nieuwegein, Amsterdam, Arnhem en Heerenveen en Rock Steady. Wil je precies weten wat je korting is en welke aantrekkelijke voordelen het NKBV-lidmaatschap sportklimmers nog meer biedt, kijk dan op www.sportklimmen.nl Vlnr: Peter de Jong (Outdoor Valley), Stan Stolwerk (NKBV), Peter Hofstra (Ayers Rock), Dirk Mol (Monk boulderGym), Leopold Roessingh (Mountain Network) en Franck van de Barselaar (Rock Steady) hebben afgesproken te gaan samenwerken.


T E K S T O N D E R R E D A C T I E VA N E R N S T A R B O U W

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

5

Op de hoogte Wat vind je zoal in de bergen? Voornamelijk bananenschillen, zo blijkt uit een onderzoekje van de John Muir Trust in Schotland. De stichting, die eigenaar is van de top van Ben Nevis en het pad naar de top, telde wat er tijdens een schoonmaakactie op Schotlands hoogste berg allemaal in de vuilniszak verdween; meer dan de helft van het verzamelde afval bleek te bestaan uit bananenschillen. “Sommige klimmers en wandelaars denken ten onrechte dat je bananenschillen en andere fruitresten in de wildernis kunt achterlaten omdat ze toch wel vergaan,” meldt de John Muir Trust in een persbericht. Dat blijkt niet het geval. ‘Onder normale omstandigheden duurt het twee jaar voor een bananenschil verteerd is. In een koud bergklimaat duurt het vele malen langer.’ Bij de opruimactie werden ook nogal wat sigarettenpeuken gevonden. De John Muir Trust wijst er nog maar eens op dat peuken, vooral van filtersigaretten, niet afbreekbaar zijn. Suggestie voor rokers: neem een leeg filmkokertje mee om je peuken in te stoppen. Of stop met roken…

VEERTIG JAAR DE BERGEN IN Een groepje Nederlands bergwandelaars ontmoette elkaar tijdens een cursus in de Schobergruppe in Oostenrijk. Het jaar daarna trok de groep opnieuw met elkaar de bergen in. En het jaar daarna ook. En daarna weer. Deze zomer vierde de groep het 40-jarig bestaan. Riet van de Bol – Verhaar (77) was er vanaf het allereerste begin bij. U gaat al veertig jaar met een groepje vrienden in de bergen op pad, hoe is dat zo gekomen? We hebben elkaar ontmoet tijdens een bergwandelcursus in de Wangenitzseehütte. Dat was op 26 juli 1969. Ik weet dat toevallig uit m’n hoofd omdat we deze zomer het jubileum hebben gevierd. De eerste dag zijn we naar de Nossbergerhütte gelopen. Daar zaten we aan het instructie-uurtje toen er een Duitse vrouw binnenkwam: “Wir sind abgestürtzt…” Grote paniek natuurlijk. Een van ons was arts, die is direct aan de slag gegaan om mensen te helpen. De cursusleider en de Oostenrijkse gids gingen op pad om de groep te redden. Als dank kregen we van die Duitsers een fles wijn en uit een soort euforisch gevoel over de afloop is

het nog een heel lange nacht geworden. We zijn op dat moment in één avond een groep geworden. En toen? We kwamen bij elkaar op een reünie en toen zeiden we: dat moeten we meer doen. Ik ben nogal een regelnicht, dus ik zei: “Laten we direct een datum afspreken.” Die zomer zijn we met ongeveer tien mensen op pad geweest. Tegenwoordig bestaat de groep uit zeven personen maar eentje is 93, die gaat niet meer mee naar de bergen. Vroeger gingen we natuurlijk met rugzak van hut naar hut en stippelden we zelf onze route uit. En er ging ook nog wel eens een touw mee; daarvoor hebben m’n man en ik nog speciaal een klimcursus gevolgd. Nou ja, na verloop van tijd wordt een matrazenlager een hotelbed en ga je met bagagevervoer in plaats van met een rugzak. Deze zomer zijn we in het Klein Walsertal geweest. Daar kun je eenvoudig met een baantje omhoog om dan lekker op hoogte te wandelen. Wat was eigenlijk in al die veertig jaar de mooiste tocht die u heeft gemaakt? Poeh, dat vind ik moeilijk te zeggen hoor. Ik vond de Dolomieten wel heel bijzonder. Ach de bergen zijn zo mooi… Maar ik zit wel het liefst hoog, met prachtig uitzicht op onneembare reuzen in de verte. Dorpjes kan ik in Nederland ook zien. We zijn overal geweest hoor. Bijna de hele groep heeft op de top van de Grossglockner gestaan. Ik heb de Piz Buin beklommen; we zijn in Noorwegen geweest, in Schotland… Wat ik van al die jaren het misschien wel het mooiste vind is de enorme vriendschap die je in de bergen ontwikkelt. Je hebt elkaar zo hard nodig, je moet wel samenwerken. Dan word je vanzelf hechte vrienden.

© Riet van der Bol

Hoe oud zijn de leden van uw groepje eigenlijk? We zijn met z’n zevenen, tussen de 73 en de 81. Ik ben zelf 77. En weet u al waar de volgende tocht naartoe gaat? Nou, we hebben de reünie nog niet gehad, dus dat hebben we nog niet beslist. De Alpen zijn zo groot… Ik zou zeggen: als het maar hoog is. Het moet toch minstens boven de 1500 meter zijn.

© Gerald Davison

BANANEN OP DE BEN NEVIS


HOOGTELIJN 5-2009

|

7

Op de hoogte Kun je met een handicap toch sportklimmen? Ja dat kan. Om dat te laten zien was de NKBV-klimberg zaterdag 24 oktober aanwezig tijdens SportBillies, een sportdag speciaal voor kinderen met een lichamelijke of visuele beperking. Het idee voor SportBillies is afkomstig van de 16-jarige Joey de Loor uit Terneuzen. Nadat hij pas met veel moeite een tennisclub had gevonden voor zijn gehandicapte broertje Jochem, besloot hij dat dat beter moest kunnen. Daarop bedacht hij het plan voor ‘de meest extreme sportdag ooit’. De acht meter hoge klimberg, die aan vier kanten beklommen kan worden, werd door zo’n vijftig kinderen bedwongen – niet alleen kinderen met hun handicap maar ook hun broertjes en zusjes. Tijdens SportBillies konden de jongeren behalve klimmen ook nog hun geluk beproeven bij onder meer golf, breakdance, schermen, zitvolleybal en rolstoel-halfpipe.

EXPEDITIENIEUWS EERSTE NEDERLANDER OP HOOFDTOP MANASLU (8163 M) De 66-jarige Jan de Lint bereikte op 29 september als eerste Nederlander de hoofdtop van de Manaslu (8163 m). De Lint maakte deel uit van een commerciële expeditie onder leiding van de Nieuw-Zeelandse expeditieklimmer Russel Brice. Bij de beklimming maakte hij vanaf 6800 meter gebruik van kunstmatige zuurstof. Vanuit zijn woonplaats Genève laat hij weten dat hij tijdens de beklimming tien kilo is afgevallen. “Maar de intense vreugde en dankbaarheid na heelhuids te zijn teruggekeerd in het basiskamp kende geen grenzen.” Het was voor De Lint niet de eerste keer dat hij op de flanken van de Manaslu was. In 1964 (!) maakte hij deel uit van een Nederlandse expeditie naar de noordtop van de berg, ook wel de Manaslu II genoemd. Die bereikte hij samen met Fons Driessen, de Oostenrijker H. Schriebl en twee sherpa’s. Eerdere Nederlandse pogingen om de hoofdtop van de Manaslu te bereiken waren tot dusverre niet succesvol. Fons Driessen deed in 1994 een poging en bereikte toen een hoogte van 7100 meter. Bart Vos deed naar eigen zeggen een poging in 1999. Robert Steenmeijer leidde een Nederlandse expeditie naar de berg in 2003 maar kwam ternauwernood boven de 6000 meter. Katja Staartjes en Henk Wesselius bereikten in 2008, zonder ondersteuning en zonder gebruik van kunstmatige zuurstof, de voortop van de berg, op 8140 m hoogte. Martijn Schell, Cas van de Gevel en Mike van Berkel moesten hun poging om de noordwand van de Kalanka in de Garhwal Himalaya te bedwingen opgeven. Op de weblog van de expeditie schrijft Van Berkel dat het team een dag voor de beklimming het Advanced Base Camp aantrof onder een dikke laag sneeuw. Eén tent bleek totaal gescheurd, stokken waren gebroken, slaapmatjes waren lek geprikt en het touw was drijfnat. “Geen ideale start voor de moeilijkste beklimming van je leven.” Uiteindelijk besloot het team een nieuw dal te verkennen. Daar deden ze eerst een poging op een 6200 meter hoge naamloze top die ze voor de gelegenheid Peak Plugge doopten, naar de nestor van het Nederlandse expeditieklimmen Herman Plugge. Uiteindelijk bereikte het team de top van de nabijgelegen Gadura

(6506 meter). Het is volgens de klimmers niet duidelijk of ze de eerstbeklimmers van de berg zijn. De Indiase bergsportfederatie IMF bleek niet over die informatie te beschikken. Boris Textor bereikte deze zomer als deelnemer aan een internationale UIAA Youth Expedition naar de Kaukasus de top van de Elbrus (5642 m), Europa’s hoogste berg. Textor laat weten dat hij onderweg naar de top geplaagd werd door hoogteziekte. Helaas bleek de top van de bergen in de wolken gehuld. “Alleen maar mist, is dit waarvoor ik zo lang heb moeten klimmen? Een berg zonder uitzicht…”, schrijft hij. Textor daalde de berg af op toerski’s. Okke Gerritsen klom op 24 augustus naar de top van de 7027 meter hoge Spantik in de Karakorum. Het team dat bestond uit twee Duitsers, twee Oostenrijkers, een Zwitser en Gerritsen was eigenlijk al op weg naar beneden vanwege extreme sneeuwval toen het weer omsloeg. Een strakblauwe lucht motiveerde het team om toch nog een toppoging te doen. Met succes!

AANVULLINGEN & CORRECTIES Uit het expeditienieuws in Hoogtelijn 4/2009 kan de indruk ontstaan dat de Groenlandexpeditie van afgelopen zomer van Martin Fickweiler en Gerke Hoekstra mislukt is. Niets is minder het geval. Fickweiler en Hoekstra openden een 900 meter lange zevendegraadsroute op Thee Cenotaph. Lees het interview met Martin Fickweiler op pagina 36 van deze Hoogtelijn en kijk op http://blog.martinfickweiler.nl. Onder het kopje ‘Zeven studenten & één ouwe knar op top Muztagh Ata’ schreven we dat (onder meer) Wouter van der Gronden als deelnemer aan een expeditie van Delftse studenten de top van de Muztagh Ata bereikte. Dat is niet het geval, laat Ronald Naar weten. Van der Gronden maakte aanvankelijk wel deel uit van het team, maar haakte enkele maanden voor vertrek af vanwege “een nieuwe uitdaging in zijn leven,” aldus Naar.

©Gerke Hoekstra

© Moniek Janssen

NKBV-KLIMBERG BIJ SPORTBILLIES


SPORTKLIMNIEUWS Jong-Oranjeklimmers Nikki van Bergen en Tim Reuser werden op 10 oktober Nederlands kampioen leadklimmen. Van Bergen prolongeert daarmee haar Nederlandse titel. Voor Reuser is het zijn eerste overwinning in een seniorenwedstrijd. Bij de dames eindigde Rachel Nilwik op de tweede plaats, gevolgd door Channah Brandsema. Bij de heren werden de plaatsen twee en drie bezet door Timo Tak en Michiel Nieuwenhuijsen. Een week na het Nederlands kampioenschap bereikte Van Bergen de vierde plaats bij Jeugd-A tijdens de European Youth Series in het Russische Kaliningrad. Ondertussen lijkt Nederlands teamlid Vera Zijlstra voorspoedig te herstellen van een operatie aan haar schouder, begin oktober. De operatie was nodig nadat in augustus bij een boulderwedstrijd haar arm uit de kom schoot. Op haar weblog schrijft Zijlstra dat zij inmiddels lichte oefeningen doet met haar arm. “Erg fijn want mijn arm zit de rest van de dag in de sling.” Overigens duurt het waarschijnlijk nog tot in het nieuwe jaar voor zij weer mag klimmen. Lees meer op: www.verazijlstra.nl

© Igor Monzon

Nog een nieuwtje: Grapefield, het enige sportklimgebied in het Koninkrijk der Nederlanden is van nieuwe boorhaken voorzien. Het gebied ligt in het zuidoosten van Aruba, aan de noordkant van het eiland. Volgens initiatiefnemer Igor Monzón is Grapefield te klein om een afzonderlijke reis naar Aruba te maken. “[Maar] als men toch voor vakantie naar de ABC-eilanden of Aruba wil gaan, dan zeker de klimspullen meenemen!” laat hij weten. Informatie en topo’s van het gebied zijn te vinden op www.climbingaruba.org.


Een kleine waarschuwing is wel op z’n plaats. Volgens de internationale bergsportkoepel UIAA kunnen boorhaken in tropische kustgebieden snel hun betrouwbaarheid verliezen. Dat schrijft de organisatie in een bericht van 19 oktober. Meer informatie over het UIAA-onderzoek is te vinden op tinyurl.com/yjml74q.

BMC VERWERFT HARRISON’S ROCKS

© Tom Benett

De Britse bergsportorganisatie BMC is sinds begin september eigenaar van Harrison’s Rocks, het grootste massief in het zogeheten Southern Sandstone in Zuidoost-Engeland. De BMC verzorgde de afgelopen jaren al het beheer van de rotsen, die in handen waren van het zogeheten Sport England Trust. Volgens de BMC betekent het eigendom van Harrison’s Rocks dat ‘toegang voor klimmers tot in de eeuwigheid verzekerd is’. Harrison’s is een zandsteengebied met ruim driehonderd klimroutes tot maximaal vijftien meter hoog. Vanwege het extreem zachte gesteente is het alleen toegestaan te klimmen aan een toprope. Meer informatie over het massief en de rest van het Southern Sandstone is te vinden in Hoogtelijn 3/2008.

Harrison’s Rock is nu van de BMC.

AAN DE LIJN MET JORG VERHOEVEN Jorg Verhoeven, Nederlands beste sportklimmer, won de wereldbeker in 2008. In 2009 zal hij het wedstrijdseizoen niet afmaken door een blessure. Hij moest het NK Lead aan zijn neus voorbij laten gaan en loopt ook de resterende World-Cupwedstrijden mis. • Wat is er aan de hand? “Ik liep al zo’n anderhalf jaar met een peesschedenontsteking in één van mijn vingers. De laatste tijd had ik steeds meer moeite met trainen. Ik moest rusten en herstellen, de vraag was alleen, wanneer?” • Midden in het wedstrijdseizoen dus? “Ja, de prestaties werden minder, ik begon mijn klimstijl aan te passen aan mijn blessure en het herstel ging waarschijnlijk lang duren. Toen heb ik de knoop doorgehakt om nu te stoppen zodat ik volgend seizoen hopelijk weer in topvorm kan zijn.” • Je bent naar Nederland gekomen om advies in te winnen? “Ja, ik ben naar het handencentrum geweest voor advies. Dat advies was een cortisonespuit die ik in Oostenrijk heb gekregen. Het is geen lekker goedje, het vreet aan je pees, maar zorgt in mijn geval voor pijnvermindering. Ik rust nu al drie weken, pak nog één week, en ga daarna weer ontzettend langzaam opbouwen.” • Nu heb je ook niet meegedaan met het NK; vervelend? “Al woon ik in Oostenrijk, ook ik vind het belangrijk dat de beste klimmers van Nederland op het NK verschijnen. Ik vind het jammer dat bijvoorbeeld Casper ten Sijthoff (hoofdroutebouwer) en Roman van der Werf (routebouwer) niet meededen en baal ervan dat ik er zelf niet bij was. Waarmee ik overigens niet suggereer dat Tim Reuser geen topprestatie heeft geleverd.” • Het lijkt dat de toppers zich steeds meer gaan richten op het boulderen? “Ja, en dat vind ik jammer, maar wel logisch. Er heerst in Nederland geen echte wedstrijdmentaliteit. Voor het leadklimmen moet je meters maken en

trainen op uithoudingsvermogen. Doorgaan en verzuren. Verzuren doet pijn. Het trainen voor het boulderen is minder intensief. Ook ontbreekt er een goede leadhal voor de Nederlandse toppers.” • Wil je beweren dat er tussen al die Nederlandse klimhallen geen goede trainingsmogelijkheden zitten voor de top van de leadklimmers? “Kijk, hier in klimhal Tivoli in Innsbruck is het normaal dat een 14-jarig meisje 8a klimt. Iedereen doet dat, er zitten rijen aan keiharde routes in de wand en er zijn altijd klimmers om tegenop te kijken. Als je in Nederland 8a klimt dan ben je vaak de enige in je hal die op hoog niveau traint. Dan moet je vaak zelf je moeilijke trainingsroutes bouwen en dat kunnen er ook weer niet teveel zijn want dat vind het klimcentrum niet goed. Niet echt bevorderlijk voor je motivatie.” • Trainen, trainen, trainen. Sinds wanneer doet meneer Verhoeven aan training? “Ja hallo, die rare reputatie! Dacht je nu echt dat je World Cups kunt winnen zonder serieus te trainen? No way! Ik ben dan wel geen Patxi Usobiaga die iedere dag 40 routes klimt, maar ik train ook hard. Ik train mee met het Oostenrijkse team en daar hoort ook periodisering en een hele reeks aan oefeningen bij. Bij mij is het zo ongeveer twee dagen klimmen één dag rust. Ook ik klim soms als training tien 8a’s per dag.” • En hoe zit het met de mentale factor? “Die is natuurlijk belangrijk. Er zijn zat goede klimmers die er tijdens een World Cup niets van bakken. Een wedstrijd is niet alleen maar een kwestie van grepen vasthouden. Dat is het eigenlijk wel, maar wedstrijdklimmers maken er in hun hoofd meer van.”


10

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

L O C AT I E O O S T E N R I J K

|

TEK ST EN FOTO’S BR AM MUNNICHS

IN DE LEER BIJ DÉ GIDS

De mooiste tocht van de week is die door het Roosmoostal.

TOERSKICURSUS Wat zou het toch heerlijk zijn om ook in de winter écht in de bergen te kunnen zijn, mijmerde Bram Munnichs. Op de lange latten door het magisch witte landschap glijdend, je eigen tramspoor creërend. De essentie van het bestaan gereduceerd tot basale kleuren en vormen: witte glooiingen, zwarte pieken en blauwe lucht. Tijd voor een toerskicursus.

Ik bladerde al jaren door de brochure van de toerskicommissie, op zoek naar de juiste cursus om de beginselen van het toerskiën onder de knie te krijgen. Tot nu toe vond ik geen geschikte cursus; bovendien achtte ik mijn skitechniek onvoldoende. Totdat ik eind vorig jaar een cursus van de NKBV onder ogen kreeg die geknipt leek voor mij: zeven dagen toerskiën in het Ötztal, het Oostenrijkse walhalla voor de alpinist, skiër en - dat weet ik sinds kort - ook voor de toerskiër. Waar bij de cursussen van de toerskicommissie het accent op de beleving ligt, ging het bij deze T1-cursus van de NKBV juist om het leren, zodat ik - ooit - zelfstandig toerskitochten kan maken.


VAN HET ÖTZTAL ●

De chef wijst de weg op de kaart.

DER CHEF Achterin het Ötztal, op de splitsing naar Vent dan wel Obergurgl, ligt Zwieselstein. Het piepkleine dorpje vormt een prima uitvalsbasis voor een week toerskiën met de skiliften van Obergurgl en Sölden binnen handbereik. De eerste dag oefenen we de skitechniek op en vooral naast de pistes van Sölden; Variantskifahren noemen ze dat hier. Achteraf was het natuurlijk een testcase van de gids om te zien wat voor vlees hij in de kuip had. Al snel bleek ik niet de beste skiër te zijn; zeker de helft van de groep gleed soepeler de helling af dan ik. Mmm, als dat maar goed blijft gaan. Ik hoef niet per se de beste te

zijn, als de groep maar niet op mij hoeft te wachten. Onze gids, Alex Giacomelli is dé gids van het Ötztal. Dat werd me tijdens de cursus al snel duidelijk. De eerste dag corrigeerde hij niet alleen de gletsjerstanden op de meest recente Alpenvereinskarten, maar belde ook even rond om het Oostenrijkse lawinebericht aan te laten passen. Steeds als we ergens vertelden dat we met Alex op stap waren, was de reactie hetzelfde: ‘O, der Alex, der Chef selber.’ ’s Anderdaags is het bar en boos. Als ik vanuit mijn bed het gordijn openschuif, zie ik de sneeuw horizontaal voorbijstuiven. Een bedrukte stemming aan de ontbijttafel is het gevolg; dit wordt vast een dag met theoretisch geneuzel over de bergen, iets waar we in


12

|

HOOGTELIJN 5-2009

Nederland noodgedwongen heer en meester in zijn geworden. Maar niets van dat alles, Alex kent een prima plek voor dagen als deze: de nauwe Gurgler Schlucht, een smalle kloof waar in de zomer het smeltwater van de Gurgler- en Langtalergletsjer doorheen dendert. In de winter is het echter een windstil paradijs van rijkelijk gestrooide witte blokken en bulten waar we op onze toerski’s tussendoor laveren. VELLEN Het glijden op de ski’s met vellen eronder gaat me wonderwel gemakkelijk af. In het begin zet ik mijn stokken nog breed om niet uit evenwicht te raken, maar al snel wen ik aan de relatieve stabiliteit van de ski’s. Wanneer we een paar uur later de kloof uitklimmen, wordt het toch lastig. Het terrein is net te steil om te blijven staan; na iedere stap vooruit glijd ik weer terug naar beneden. In een aanzwellende frustratie smijt ik met mijn krachten. Maar hoe meer ik op mijn stokken leun, hoe minder grip mijn ski’s hebben. Waarom lukt het de anderen wel? Sjors Overbeek, de Nederlandse instructeur, helpt me een handje. “Vertrouw op je vellen, ga rechtop staan, zorg dat alle haartjes van de vellen in de poedersneeuw happen.” Ploeterend, tierend en zwoegend kom ik langzaam steeds hoger; van techniek is nog geen sprake, laat staan van enige souplesse. Als we de kloof zijn uitgeklommen, merken we pas wat een hondenweer het is. De wind blaast de verse sneeuw schijnbaar alle

kanten op. Het zicht beperkt zich tot tien meter, als het niet minder is. Na een uur door deze white-out ploeteren staan we ineens op de top van de Schönwieskopf (2320 m), een onopvallende bult aan de rand van het skigebied van Obergurgl, maar voor mij de eerste top op toerski’s. Ha! In de afdaling komt mijn skitechniek onder grote druk te staan. Waar ik op de piste de ski’s met kracht de bocht om kan drukken, lukt dat in dit terrein met geen mogelijkheid. De ski’s volgen onder de zware laag verse sneeuw gewoon hun eigen weg. Nog geen drie bochten verder lig ik al op mijn neus, de ski’s ergens diep verborgen onder de poedersneeuw. Uiteindelijk voeg ik me bij de wachtende groep. “Du kannst den Schnee auf dem Berg lassen, Bram.” Alex’ humor kost hem een sneeuwbal. TRUFFELS De avonduren vullen we met theorie. Nooit geweten dat je een hele week over sneeuw kunt praten. Sneeuw, dat is toch gewoon dat witte spul dat twee keer per jaar uit de lucht komt vallen? Nee dus, ze kennen hier zeker tien verschillende soorten sneeuw, plus oneindig veel tussenvarianten. Triebschnee, Schwimschnee, poedersneeuw, natte en droge sneeuw, opbouwende en afbouwende sneeuw. Zoveel sneeuw, zoveel lawines, de een nog verraderlijker dan de ander. Als de sneeuw eenmaal gevallen is, vormt ze een pak van verschillende lagen sneeuw. Al deze lagen zijn continu in beweging. Ze


HOOGTELIJN 5 -2009

smelten door de zon en de druk van de bovenlagen, vriezen dan weer op, smelten weer, en dat de hele winter door. Soms ontstaan er hechte sneeuwpakketten die zich perfect lenen om overheen te skiën, soms zijn ze meer geschikt om los te laten en een lawine te veroorzaken. Om het lawinegevaar in te schatten leren we verschillende methodes: de SnowCard van de Duitse Alpenvereniging DAV, Werner Munters 3x3 Restrisiko en het Stop or Go van de Oostenrijkse alpenvereniging ÖAV. Let wel: het zijn allemaal hulpmiddelen, niets is zeker. Nou, één ding dan: er is nog nooit een lawine afgegaan van een helling minder dan 30 graden steil. Nou vooruit dan, 28 graden. Het zoeken naar zekerheden in de winterse bergen is als het zoeken naar truffels: voor de leek een schier onmogelijke opgave, voor de kenner een uitdaging. Veruit de belangrijkste informatie over het lawinegevaar komt van het dagelijks lawinebericht. Hierin staat allereerst de Lawinenstufe op een schaal van 1 tot 5 vermeld. Daarnaast de hellingen en de hoogte met het grootste lawinegevaar, de sneeuwopbouw en het verloop van het gevaar door de dag heen. Het is als met zoveel mooie dingen in het leven: een weekje ervan proeven maakt je niet zekerder. Sterker nog, na een weekje weet je nog beter hoe weinig je weet. TEVREDEN De volgende dag is het strakblauw, maar door de verse sneeuw van de afgelopen twee dagen zijn de toermogelijkheden zeer beperkt.

Een windstil paradijs van rijkelijk gestrooide witte blokken en bulten waar we tussendoor laveren

Materiaal Als je een NKBV-cursus boekt, krijg je uitgebreide reisinformatie waar ook al het vereiste materiaal in staat vermeld. Speciaal voor het toerskiën is het volgende materiaal van belang: • Ski’s met toerskibindingen. Dit zijn veelal ‘gewone’ ski’s maar dan met speciale bindingen waarvan je de hak los en weer vast kunt klikken. • Toerskischoenen. Dit lijken gewone skischoenen maar ze hebben wel een goede zool, vergelijkbaar met die van stevige bergschoenen. Ook moeten er stijgijzers onder je toerskischoen passen. •Vellen. Dit zijn twee dunne reepjes speciale vloerbedekking met een haakje aan het begin en het eind. Aan de onderkant zit plaksel zodat het tapijt lekker onder je ski’s blijft zitten, aan de bovenkant stugge haartjes die ervoor moeten zorgen dat je niet bij iedere stap terug naar beneden glijdt. • Harscheisen. Een klein, metalen U-profieltje met punten die je op je bindingen kunt klikken. Noodzakelijk voor steilere hellingen met een harde bovenlaag. • Skistokken. Het makkelijkst zijn telescoopstokken zodat je ze op je rugzak kunt binden. Let op grote tellers aan de onderkant zodat je ook in droge poedersneeuw nog enig draagvlak hebt om af te zetten. • Lawinepieper. Apparaatje dat signalen uitzendent zodat de drager te vinden is als hij in een lawine is geraakt. Er zijn diverse merken die onderling met elkaar communiceren maar met verschillende werkingen en snelheden. • Sondeerstok. Een lange opvouwbare tentstok die je met één ruk aan het kabeltje gereed voor gebruik hebt. • Schep. Zorg dat je een metalen exemplaar meeneemt. De sneeuw in een lawine wordt binnen een paar minuten keihard. • Kaarten. Er zijn speciale toerskikaarten van bijvoorbeeld de Zwitserse SAC waarop de hellingen steiler dan 30 graden rood zijn ingekleurd. • Kleding. Zonder volledig te zijn: warme kleding is uiteraard een vereiste. Let erop dat het bij het stijgen erg heet (zweten) kan zijn maar als je eenmaal boven bent, extreem koud. Veel laagjes dragen dus.

|

13


’s Anderendaags is het bar en boos

Samen met Maarten werp ik me op als Tagesführer. We duiken het lawinebericht in en constateren dat het Lawinenstufe 3 is, oppassen dus. De oost-, zuid- én westhellingen herbergen in de loop van de dag een verhoogd lawinerisico. Voor we het weten, hebben we het hele Ötztal als lawinegevaarlijk bestempeld. Maar Alex’ oog van de kenner helpt ons een handje. “Dat pad, door dat dal, onder die helling en dan naar die top zijn nog wel goed te doen.” Lokale kennis blijkt onontbeerlijk om onder deze omstandigheden veilig op pad te kunnen gaan. Glijdend door een sereen landschap, omgeven door witte bergen met her en der een zwarte piek die door het witte dekbed heenprikt. Mijn week kan al niet meer stuk en we zijn pas halverwege. Als we tweehonderd meter onder de top besluiten om te keren, heb ik daar wel wat moeite mee. Zo dichtbij en dan omdraaien? Het komt me op een berisping van Alex te staan: “Du gipfelgeiler Bock!” De vellen gaan af, de bindingen worden vastgezet en een voor een glijden we terug naar beneden. Het klinkt eenvoudig maar dat was het - wederom - niet. “Laat je door je ski’s meevoeren, voel wat ze doen.” Nog geen uur later zijn we terug bij de auto. Een minimale technische vooruitgang in de Tiefschnee en slechts twee witte pakken dit keer; ik kan tevreden zijn. Ik ben wel blij dat ik ook zo van de heenweg kan genieten, de terugweg duurt immers maar een fractie van de tijd die we nodig hebben om boven te komen. TEGENLICHT De mooiste tocht van de week is wel die door het Rotmoostal. Een dal waarin het begrip ‘witte deken’ zijn volle betekenis krijgt. Ongemerkt glijden we op de bovenkant van deze metersdikke deken over de bedekte alpenweide, via de morenen de gletsjer op. Met zoveel sneeuw zijn alle spleten dichtgesneeuwd en kan het touw in de rugzak blijven. De zon spiekt af en toe vanachter een rotsgraat naar onze verrichtingen, wat klassieke platen met tegenlicht oplevert. En weer is de afdaling zo gebeurd. Althans, tot de bodem van de vallei dan. Daarna is het nog drie kilometer vals plat terug naar Obergurgl. Schaatsend, prikkend en hoppend bereiken we de rand van de piste. Eenvoudig glijden we het laatste stukje terug naar de kroeg. Na alle toerdagen lassen we een relatieve rustdag in: we leren zoeken met pieps, sonde en schep naar overlevenden onder een

lawine. En ook dat valt niet mee. Ik dacht: ik loop gewoon in de richting van de pijl. Maar nee, patronen lopen, luisteren, sonderen, nog een keer sonderen en dan pas graven. Je zit er zo een meter naast, wat het verschil tussen leven en dood kan betekenen. ▲

NKBV-CURSUSSEN TOERSKIËN Wil je ook leren zelfstandig toerskitochten te maken, dan neem je deel aan een toerskicursus van de NKBV. Een week lang ga je onder leiding van een UIAGM-berggids en een Nederlandse toerskiinstructeur op pad. Je oefent veel en maakt natuurlijk ook prachtige tochten. De minimum leeftijd voor deelname aan de cursussen is 18 jaar. Alle cursussen zijn volgens het ‘learning by doing’-principe. De voertaal is Duits en/of Nederlands. Het aantal deelnemers per cursus is 6-9. Er zijn drie niveaus: • beginners (T-I) • gevorderden (T-II) • vergevorderden (T-III) De NKBV-cursuslijn toerskiën vormt een aanvulling op het reeds bestaande, zeer uitgebreide skitoerenprogramma van de Skitoerencommissie, een samenwerkingsverband van de NKBV en de Nederlandse Ski Vereniging. De toerskitochten die via de Skitoerencommissie worden aangeboden zijn over het algemeen meerdaagse tochten onder leiding van gidsen, waarbij de nadruk vooral op de toerskibeleving ligt.

Programma 2010 • Ötztal toerskicursus beginners: 23 januari – 30 januari 2010 • Ötztal toerskicursus beginners: 30 januari – 6 februari 2010 • Silvretta toerskicursus gevorderden: 7 februari – 12 februari 2010 • Écrins/Queyras toerskicursus vergevorderden: 8 mei – 15 mei 2010

WIL JE MEER WETEN OVER CURSUSSEN EN DE TOELATINGSEISEN, KIJK DAN OP WWW.BERGSPORTREIZEN.NL BIJ DE WINTERACTIVITEITEN.


16

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

L O C AT I E Z W I T S E R L A N D

|

T E K S T C H R I S TA S L O O T M A N

|

FOTO’S MIEKE SCHARLOO

BADDEREN EN

Burgenbad.

SNEEUWSCHOENWANDELEN RONDOM LEUKERBAD Thermale baden, dat is waar het Zwitserse Leukerbad in Wallis om bekend staat. Het dorp leent zich ook goed als uitvalsbasis voor sneeuwschoentochten. Beperk je niet tot het heilzame water, maar trek de bergen in! Mits het weer het natuurlijk toelaat...

De imposante rotswanden van de Daubenhorn (2941 m) rijzen loodrecht op aan onze linkerkant; rechts ligt de wat meer glooiende Torrenthorn (2998 m), ons doel van vandaag. De zon prikt door de vele wolkjes die rap in aantal toenemen, de weersvoorspelling belooft echter dat het vandaag droog blijft tijdens onze inlooptocht. Met sneeuwschoenen en stokken vastgebonden op rugzakken stappen we het dorp uit. Zodra het pad overgaat in een dikke laag sneeuw, binden we de sneeuwschoenen onder. Dat loopt een stuk beter. De grote, enthousiaste stappen die we nemen, leren ons al snel dat beheerste stappen langer zijn vol te houden. Over heuvels en door bos banen wij ons een weg naar boven. Hierbij passeren we een enkele keer een skipiste die vrijwel is uitgestorven. MATTERHORN Net als wij tot onze knieën wegzakken in het poederwit, zien wij verderop een familie reeën door het bos bewegen. Een ogenblik

staan de dieren stil en kijken naar ons. Dan, alsof zij schrikken van iets, springen ze haastig verder. Inderdaad, wij moeten ook weer door. We hebben nog een groot deel van de tocht te gaan. Halverwege wordt het steeds steiler en kunnen we niet meer door het bos verder en gaan we via een pad omhoog dat ook door skiërs wordt gebruikt. Aan de overkant zien we de imposante Daubenhorn en hebben we duidelijk zicht op de befaamde Gemmipas. Vanaf deze eeuwenoude handelsroute zijn spectaculaire sneeuwschoentochten te maken. Morgen gaan we controleren of dat verhaal klopt. Vier uur lang buffelen we door op onze sneeuwschoenen naar het topje van de Torrenthorn. Onze inspanningen blijken niet voor niets, we worden beloond met het panorama van de besneeuwde bergen om ons heen. Naar het zuiden toe hebben we ondanks de toenemende bewolking zicht op de vierduizenders op de grens met Italië. Ook het markante silhouet van de Matterhorn laat zich zien. De afdaling gaat gemakkelijker en we zijn binnen een paar uur weer


HOOGTELIJN 5-2009

BUFFELEN

JÄGERBODEN

beneden. We ruilen snel onze sneeuwschoenen om voor onze badderoutfit om te genieten van het warme water dat hier in grote hoeveelheden uit de grond komt. Lekkere combinatie: eerst iets actiefs doen en daarna heerlijk ontspannen in heilzaam water. Grappig om te bedenken dat de Romeinen hier ruim tweeduizend jaar geleden ook al genoten van het bronwater. HANDELSROUTE Na de tocht op de Torrenthorn zijn we helemaal klaar voor het echte werk daarboven vanaf de Gemmipas. Tot ons afgrijzen begint het ‘s avonds te sneeuwen. We wisten het wel, maar toch... de volgende ochtend wordt ons het slechte nieuws ingepeperd. Het weer is in de nacht drastisch omgeslagen. Het sneeuwt al urenlang onophoudelijk, er dreigt lawinegevaar, het zicht is nul komma nul en de Gemmipas wordt geteisterd door windvlagen van honderd kilometer per uur. Geen slim plan dus om naar de Gemmipas te gaan. Weken in

Begin- en eindpunt: Bergstation Gemmi, Leukerbad Lengte: 5 kilometer Hoogteverschil: 155 meter Maximale hoogte: 2501 meter boven de zeespiegel Duur: 2,5 uur Moeilijkheidsgraad: licht Route: Bergstation Gemmi - Jägerboden - Lämmerenboden Lämmerensee - Lämmerenhütte SAC - Bergstation Gemmi

bad is een veiliger optie, zo adviseert iedere inwoner van Leukerbad ons desgevraagd. Een erg aanlokkelijk idee, maar we besluiten toch eerst nog even onze sneeuwschoenen aan te trekken. Ontspanning voelt beter na inspanning. Met deze weersomstandigheden is zelfs een rondje Leukerbad een uitdaging. Dik ingepakt trotseren wij de

|

17


grote hoeveelheid versgevallen sneeuw en de harde wind die onze bewegingen afremt. We zakken nog verder in de sneeuw dan gisteren en er is vrijwel niemand op straat. Het is net alsof we ver van de bewoonde wereld zijn, terwijl we in werkelijkheid nog geen 250 meter van de dorpsrand zijn verwijderd. We zien niets, met uitzondering van grote sneeuwvlokken die guur om onze oren gieren, en we horen het geluid van donderende lawines in de bergen rondom het dorp. We leggen aan bij een sportcomplex voor een kop

warme thee. Tot onze verrassing zien we dat je er curling kunt spelen. Maar dat is leuk, meedoen aan een winterse activiteit terwijl je tegelijkertijd uit de sneeuwstorm kunt blijven. Met een stel Amerikanen en Canadezen spelen we een aantal rondjes US against Canada. Het spel blijkt lastiger dan het er uitziet en we worden dan ook volledig ingemaakt met het Amerikaanse team. Hadden we ons nou maar aangesloten bij the kings of curling uit Canada. In sneeuwschoenwandelen zijn we toch beduidend beter. We banen

DAUBENHORN

LEUKERBAD

Route: Bergstation Gemmi – Lämmerenboden – Daubenhorn – Lämmerenboden - Bergstation Gemmi. Begin- en eindpunt: Bergstation Gemmi, Leukerbad Hoogteverschil: 650 meter Maximale hoogte: 2941 meter boven de zeespiegel Duur: 6 uur Moeilijkheidsgraad: zwaar Extra uitrusting: Neem, afhankelijk van de weercondities, stijgijzers en een touw mee. Op het laatste stuk naar de top kunnen ze nodig zijn.

Het Walliser dorp Leukerbad ligt op 1411 meter aan de noordzijde van het Rhônedal. Het dorp heeft vooral naam vanwege het thermale water, dat bij het dorp ontspringt. Het water heeft een temperatuur van 51 graden Celsius en wordt gebruikt om maar liefst dertig baden, privé en openbaar, te vullen. De twee grote centra van Leukerbad zijn het Burgerbad en de Lindner Alpentherme. Het Burgerbad is een groot familieparadijs, dat tien thermale baden, een sportbad en een glijbaan telt. Bij de Lindner Alpentherme is de uitstraling rustiger omdat kinderen pas vanaf zes jaar onder begeleiding van hun ouders mee naar binnen mogen. De Lindner Alpentherme is het grootste en hoogstgelegen spacentrum van de Europese Alpen. Naast uiteenlopende programma’s als wellness en massages, worden hier geregeld ‘Movies in the Pool’-avonden gehouden. Vanuit een thermaal bad kijk je dan, met een drankje in de hand, naar de nieuwste bioscoopfilms. Tot de gebruikers van Leukerbads heilzame water behoort ook het Zwitsers Olympisch team. Het medisch centrum van hen is ondergebracht in een rehabilitatiekliniek, die gebruik maakt van het thermale water.

Wintersporten Behalve badderen en welnessen kun je tal van sporten beoefenen in Leukerbad. Het dorp kent vijftig kilometer ski- en snowboardpistes, dertig kilometer langlaufpaden en veertig kilometer bewegwijzerde en geprepareerde winterwandelwegen. Voor sneeuwschoenwande-


ons via een - onder deze omstandigheden - zeer avontuurlijke weg terug naar ons hotel. De voorspelling is dat het de komende dagen slecht weer blijft en het lawinegevaar houdt ook zeker nog een aantal dagen aan. Er zit niets anders op dan onze tijd te slijten in een van de vele thermale baden die Leukerbad rijk is. Wat een straf… PIEPS Maar eerst gaan we nog even langs bij het Alpincenter van Leukerbad waar de lokale gidsen Ricci en Philipp Werlen ons uit de doeken doen wat we moeten missen en waarom we beslist moeten terugkomen met beter weer. “De Gemmipas kent een aantal supermooie sneeuwschoentochten. Niet voor niets houdt de Zwitserse AlpenClub SAC er sneeuwschoencursussen vanuit de nabijgelegen Lämmerenhütte,” zo vertellen ze. “Vanaf de pas heb je prachtig zicht op de bergen rondom Leukerbad. En als je op de omringende toppen klimt, kun je nog veel verder kijken.” De gidsen raden aan om te beginnen met de Jägerboden, een korte tocht die gemakkelijk is te doen. “Veel sneeuwschoenervaring heb je daar niet voor nodig,” verzekeren ze. De andere twee tochten zijn aanzienlijk pittiger. Bij die is ervaring in de bergen en op gletsjers absoluut noodzakelijk. Je moet het lawinegevaar goed kunnen inschatten en weten wat je moet doen als (een deel van) de groep onder een lawine bedolven raakt. Pieps, sonde en schep behoren dus tot de standaarduitrusting. ▲

laars zijn dertien kilometer gemarkeerde routes uitgezet. Ervaren toerskiërs en sneeuwschoenwandelaars kunnen natuurlijk ook hun eigen spoor volgen. Op de indoor ijsbaan kun je ijshockeyen en curling spelen.

Reis Met het openbaar vervoer ben je vanuit Utrecht in negeneneenhalf uur in Leukerbad. Meer informatie en tickets, kijk op www.treinreiswinkel.nl, of www.db.de. Met de auto is de reisafstand 910 kilometer. Om op de Gemmipas te komen neem je de kabelbaan in het dorp.

Verblijf Leukerbad telt veel hotels, appartementen, pensions en chalets. Ze variëren van van eenvoudig tot luxueus. Top of the bill is het vijfsterrenhotel Les Sources des Alpes met eigen wellnessvoorzieningen en gourmetrestaurant dat in de Gault&Millaugids is opgenomen. Kijk op www.myswitzerland.com of www.leukerbad.ch.

Berggidsen Ricci en Philipp Werlen zijn UIAGM-berggidsen bij Alpincenter Leukerbad , dat allerlei tochten organiseert waarop je kunt inschrijven, maar dat ook tochten op maat aanbiedt. Kijk op www.alpincenter-leukerbad.ch.

WILDSTRUBEL Route: Bergstation Gemmi Lämmerenboden - Lämmerenhütte Wildstrubelgletsjer - middentop van de Wildstrubel - Wildstrubelgletsjer - Lämmerenhütte - Lämmerenboden - Bergstation Gemmi Begin- en eindpunt: Bergstation Gemmi, Leukerbad Lengte: 17 kilometer Hoogteverschil: 1191 meter Maximale hoogte: 3243 meter boven de zeespiegel Duur: 9 uur Moeilijkheidsgraad: zwaar Extra uitrusting: stijgijzers en touw.

Documentatie • Snowshoeing: Mont Blanc and the Western Alps, Hillary Sharp, Cicerone, 2003. • Landeskarte der Schweiz, Gemmi blad 1267, 1:25000 • Landeskarte der Schweiz, wanderkarte, Wildstrubel blad 263 T, 1:50000. • www.leukerbad.ch • www.myswitzerland.com • www.youtube.com/watch?v=UcRLbwA2NbY


20

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

L O C AT I E F R A N K R I J K

|

T E K S T S J O R S K U R V E R S , M . M .V. J A N - P A U L R A V E N

FRANSE STRIJD OM

Je moet het gebied op je duimpje kennen en heel vroeg zijn om ďŹ rst tracks te kunnen draaien


F O T O ’ S J A N - P A U L R A V E N E N G I O VA N N I G H I G L I O T T I

|

HOOGTELIJN 5-2009

POEDER ●

DE ACHTERTUIN VAN GRENOBLE De huisberg van Grenoble, de Chamechaude (2082 m) wordt vaker op ski’s bedwongen dan te voet. Sjors Kurvers probeerde beide varianten. “Chartreuse!” roept barman Warren (Quentin Tarantino) uitgelaten in de film Death Proof als hij de glazen gevuld met de groene likeur uit het Franse bergmassief neerzet voor zijn gasten. En nadat ze het 55 procent sterke drankje achterover geslagen hebben, voegt hij eraan toe: “The only liqueur so good they named a color after it.” Na een iets te lange avond, met iets teveel bier, maar zonder likeur, graaide ik nog enigszins duf mijn spullen bij elkaar voor een mooie, maar korte rotstoer door de zuidwand van de Chamechaude. Grenoble is met zijn half miljoen inwoners dan misschien wel een echte grote stad, de bergen liggen op fietsafstand van het centrum. Het is dat Fransen niet graag fietsen op plaatsen waar ze ook met een auto kunnen komen... Wij hadden ons goed aangepast aan de Franse gewoonten en ons per auto naar de Col de Porte begeven. Vandaar loop je eerst met

Chamechaude ‘s zomers.

|

21


Voor ieder wat wils, van eenvoudig tot extreem

een boogje om de zuidkant van de Chamechaude heen, om vervolgens een route door de zuidwand omhoog te kiezen. We hadden die zomer al een paar mooie tochten kunnen maken en vandaag zou een relaxdagje worden: een paar mooie lengtes niet al te lastig klimmen, op de top picknick met uitzicht op de Vercors en dan op het gemakje terugkuieren naar de auto. Het duurde echter niet lang of het werd pijnlijk duidelijk dat mijn helm niet in de auto, maar nog in het dal lag. Het enige alternatief om mijn hoofd mee te beschermen was een muts, en aangezien een helm me een paar jaar eerder al eens zijn diensten had bewezen, besloot ik dat klimmen zonder helm geen goed idee was. We waren gelukkig met zijn drieën, zodat mijn vergeetachtigheid niet ten koste ging van de klimmeters van mijn tochtgenoten - zijn konden die route prima zonder mij doen. Omhoog lopend over de voie normale, troostte ik me met de gedachte dat een alpinist die kan blijven genieten van eenvoudige bergtochten hopelijk een grote kans heeft klimmend oud te worden. De top was er die dag in ieder geval niks minder mooi om. Toch moest die Chamechaude er nog eens op een andere manier aan geloven. Het is tenslotte de huisberg van Grenoble en aangezien vrijwel iedere inwoner van deze stad kan skiën, wordt deze berg vaker op de lange latten dan te voet beklommen. Een half jaar later was ik opnieuw in de buurt, hadden we weer een paar flinke tochten gemaakt - nu in de prachtig ruige Belledonne - en zochten we een ‘hersteltoer’. Inmiddels was het winter, dus een skitoer lag voor de hand. Opnieuw kozen we voor de Chamechaude. Maar wie daar graag door maagdelijke poeder wil skiën, moet of heel vroeg op, of de grenzen van wat qua lawinegevaar nog mogelijk is akelig dicht opzoeken. De hele col stond vol met auto’s, een kaart is door de hordes mensen en de overduidelijke route, overtollige ballast. De Chartreuse is de speeltuin van Grenoble, en de Chamchaude de topattractie. Na sneeuwval is hier een ware competitie voor poeder

gaande. Wij trokken er ons weinig van aan, en velden rustig omhoog. De kam die naar de top leidt is zo lang dat iedereen een mooie pauzeplek kan uitzoeken. Om de top zelf te bereiken moet je door een enigszins geëxponeerde passage en die lieten we maar voor wat het was. Vandaag geen stress, maar gewoon lekker buiten bezig zijn. De Chamechaude is het hele jaar door de moeite waard: het uitzicht over de stad met op de achtergrond een schitterend bergpanorama is in ieder seizoen op zijn eigen manier overweldigend. Na de thee met lokale delicatessen draaiden we heerlijk onze bochtjes naar beneden om niet veel later neer te strijken in ons luxe appartement in de stad. Tijd voor een film met een fles Chartreuse binnen handbereik. ▲


BERGSPORT IN DE CHARTREUSE Chartreuse De Chartreuse ligt ten noorden van Grenoble. De bergen zijn niet hoog, maar tijdens ieder jaargetijde kom je als bergsporter aan je trekken. De ligging dicht bij de stad maakt de bergen uniek. In de winter moet je het gebied op je duimpje kennen en heel vroeg zijn om first tracks te kunnen draaien. De Chamechaude is misschien wel de populairste toerskiberg van Frankrijk. Waar wij Nederlanders steeds een kleine vakantie moeten organiseren om nog een acceptabel aantal hoogtemeters te kunnen overbruggen, klikken de locals vóór hun werk nog twee uurtjes de planken onder.

Toeren Met een beetje geluk kun je toeren van begin december tot eind maart. De condities zijn wisselend, maar als het heeft gesneeuwd, dan is het er ook werkelijk fantastisch. Terwijl je dan in het hooggebergte vaak nog niks te zoeken hebt. Reden hiervoor is dat de Chartreuse de eerste echte bergen zijn waarop depressies, afkomstig van de Atlantische Oceaan, botsen. Dat maakt het tot het natste gebied van Frankrijk. Doordat de toppen in het gebied laag zijn (de Chamechaude is 2082 m hoog), smelt de sneeuw echter ook snel weg. Wie wil genieten van poeder, moet dus direct zijn kans grijpen! Je komt op vrijwel alle tochten bos tegen, waar de wind wordt gebroken en de poeder lang goed blijft. Omdat het een middelgebergte is, zijn de tochten relatief kort, maar eenvoudig te combineren. Bovendien is er voor ieder wat wils, van eenvoudig tot extreem, met als ultieme tocht La Grande Traverse de la Chartreuse. De normaalroute op de Chamechaude is een eenvoudige toerskitocht (750 hoogtemeters, circa 2 uur). Toch is ook op deze berg in de winter voldoende ervaring en kennis van lawinekunde onontbeerlijk! Wanneer in het voorjaar de sneeuw dan definitief is weggesmolten, laat de Chartreuse zich van een heel andere kant zien. Doordat de bergen zo laag zijn, is de streek gepaard voor lelijke skidorpen-

achitectuur, die zo veel berggebieden in Frankrijk verwoest heeft. De Chartreuse vormt een prachtig balkon met uitzicht op de West-Alpen, waar je tijdens een wandeling met een beetje geluk een wolf tegenkomt. Ondanks de wildernis, is het gebied goed toegankelijk. De paden kunnen wel flink geëxponeerd zijn!

Adressen • Gaia Store, dé winkel voor gidsjes en kaarten 6, Rue d’Alsace 38000 Grenoble +33 4 76 86 86 96 www.gaia-store.com • Arthaud, als je bij Gaia niet geslaagd bent 23, Grande-Rue38000 Grenoble +33 4 76 42 49 81 www.arthaud.privat.fr • Maison de la montagne, alle informatie voor bergsporters 3, rue Raoul Blanchard 38000 Grenoble +33 4 76 44 67 03 www.grenoble-montagne.com • Espace Montagne, grote buitensportwinkel rue Charles Darwin / Avenue Gabriel Péri 38400 Saint Martin d’Hères (net buiten Grenoble) +33 4 38 37 40 40 www.espacemontagne.com

Weblinks • www.skitour.fr en www.camptocamp.org voor actuele toereninformatie • www.meteofrance.fr: weer- en lawineberichten • www.skitour.fr/topos/chamechaude,125.html: skiroute op de Chamechaude • www.auvieuxcampeur.fr/: buitensportwinkel


‘De innerlijke berg is de berg die men niet beklimt’ Uit: La Montagne interieure van Lionel Daudet


TEKST FREEK STREBE

|

FOTO’S JEROEN KUIPERS

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

JUST AN ILLUSION Klimmen is paradoxaal, constateert Freek Strebe nadat hij tijdens een ijsklimtocht op de noordwand van de Tête de Gramusat het noodlot heeft getart. Toch gaat hij weer terug naar de bergen voor nieuwe mooie tochten. De tegenpolen plezier en angst heeft hij mentaal weten te verenigen.

Een zekere opluchting maakt zich van mij meester nu ik sneller touw moet uitgeven. Het kan niet anders dan dat Jeroen in minder steil ijs klimt. Toen hij de standplaats verliet vanuit een klein ijsgrotje, gingen de eerste meters tergend langzaam. Orgelpijpen-ijs, lichtoverhangend. Hoewel ik erop vertrouw dat Jeroen goed zijn grenzen kent, ben ik er niet helemaal gerust op en staan al mijn zintuigen op scherp. Wat betekent het als hij eruit stuitert en ergens vijftien meter onder mij in een overhang bungelt. Als hij gewond is, ben ik dan in staat voor onze beide levens zorg te dragen? Het inzicht dringt zich op dat dat hier een moeilijk verhaal wordt. Het gejodel van Jeroen doet definitief de ongerustheid in mijn lichaam wegvloeien: hij heeft stand en wat nog rest zijn straks een WI 3 touwlengte, een traverse over een beboste richel van driehonderd meter en tot slot een geëquipeerde abseilpiste. Niets meer om je echt druk over te maken. Ontspannen kom ik na en bij het verwijderen van een ijsboor haalt Jeroen het touw strak in. Het touw blijft haken achter de ijsbijl van mijn vrije hand. In een flits besef dat ik op het punt sta een ijsbijl te verliezen maar het is al te laat: met een grote boog verdwijnt die in de diepte. Door de plotseling opgekomen adrenaline in mijn lijf reageer ik niet eens ontzet. Jeroen oppert een bijl van hem te laten zakken. Met één bijl gaat het echter ook en de laatste twintig verticale meters worden zonder problemen in geheel eigen stijl overwonnen. VERTROUWENSBAND We zijn nog niet helemaal boven en zeker nog niet beneden, maar de ban is gebroken. Jeroen heeft een glimlach van oor tot oor en vermoedelijk is de trots en voldoening ook van mijn gezicht af te lezen. We feliciteren elkaar uitbundig met de geleverde prestatie en zijn uitgelaten als jonge honden. De afgelopen dagen passeren de revue en euforie maakt zich van ons meester. Voor het eerst samen een week klimmen, de meest geweldige watervallen in conditie aantreffen en als toef op de taart deze route: maar het meest tevreden zijn we over onze samenwerking en soepele besluitvorming. We hebben de afgelopen dagen samen vooral plezier gehad en een vriendschap- en vertrouwensband gesmeed. Terwijl we daar

op de een-na-laatste standplaats woorden aan geven en genieten van de schittering in elkaars ogen, ervaar ik een verbondenheid en intimiteit die zeldzaam is – zeker tussen twee mannen. BIDDEND Ruim anderhalf uur later is de euforie als sneeuw voor de zon verdwenen. We zijn inmiddels aangeland in de tweede abseil van de piste. Het terrein is onoverzichtelijk en vol overhangen. We hebben veel moeite de weg te vinden want de abseils liggen niet in elkaars verlengde – dan weer moeten we naar links om een hoek, dan weer naar rechts uit een overhang schommelen naar een bandje. Iedere logica ontbreekt. We moeten alle trucs uithalen om met eigen materiaal de abseilpunten te verbeteren met de wetenschap dat tenminste een psychologisch voordeel wordt bereikt, biddend voor meer. Eenmaal klip ik zelfs mijn zelfzekering los als Jeroen als eerste naar beneden gaat, ondanks dat we na nauwkeurige inspectie en op een veilige manier flink belasten het abseilpunt goed genoeg hebben bevonden. Ik roep alle beschermengelen aan het niet al te omvangrijke blok waaraan hij hangt, te laten liggen. Daarna ben ik toch ook echt zelf aan de beurt, geef me min of meer over aan de voorzienigheid en maak mezelf zo licht mogelijk. Bij de laatste abseil sta ik erop als eerste te gaan. Ik ben niet in paniek, maar wel echt bang en de zenuwslopende minuten wachten tot de eerste beneden is, helemaal zat. Ik weet hoe gevaarlijk abseilen is en baal als een stekker dat we ons in deze situatie hebben gemanoeuvreerd. Na het aftrekken van het touw bij de boom bovenaan was er geen weg meer terug – al deze angst ondergaan en de kop erbij houden is een hele opgave. Uiterst voorzichtig en beheerst laat ik mij aan het touw naar de verlossende bodem zakken. Eenmaal in de sneeuw kruip ik meteen onder een overhang en ervaar minutenlang een prettige totale leegte. Als Jeroen beneden is, zoek ik afleiding met het opbossen van de touwen en besef ik dat het heel anders had kunnen aflopen. We hebben ons geluk - naar ik inschat - danig op de proef gesteld. Maar het gevoel dat daarbij hoort, wil ik nog niet toelaten.

25


26

|

HOOGTELIJN 5-2009

In het laatste licht lopen we onder de wand door terug naar de auto. We kijken naar het immense amfitheater van ijspegels boven ons en daar lonkt een ander meesterwerk van Damilano: ‘Just an illusion’, dezelfde moeilijkheidsgraad maar een nog mooiere lijn. THUIS ‘What do we climbers leave behind when we get ourselves killed indulging our passion for risk, challenge, and high empty places? Like many other climbers, I have often been asked how I can justify putting my life at risk at the same time as I claim to love my partner and family: of course, there is no justification.’ lees ik twee weken later thuis in het voorwoord van Fragile Edge, het boek van Maria Coffey. Hoewel ik mijzelf zeker niet als extreem-klimmer beschouw, herken ik het dilemma. Zelf ben ik getrouwd, klimmer en vader van twee kinderen. Aan de andere kant heb ik aan den lijve ondervonden welke impact een dodelijk ongeval heeft: in 1990 verongelukte mijn zus op 20-jarige leeftijd in Wallis. Zoiets laat blijvende sporen na. Maria Coffey was de partner van Joe Tasker die in 1982 op de Mount Everest verongelukte. Haar verhaal over de verwerking van het verlies gaat ook over mij. Haar relaas raakt mij diep en regelmatig leg ik het boek om na te denken over mijn eigen positie naar aanleiding van de afdaling van de Tête de Gramusat. Het plezier van de beklimming en de angst tijdens de afdaling lijken onverenigbare polen. Ik probeer de paradox te vinden die beide uiteinden van het spectrum weer kunnen verbinden. Het boek eindigt met het inzicht dat het risico dat klimmers nemen, hun gewaarwordingen verscherpt en hun liefde voor het leven vergroot. En dat dat werkelijk voor ons allen op een of andere manier in ons leven aan de orde zou moeten zijn. Alles kan plotseling veranderen, zelfs als we de meest veilige levens proberen te leiden. Tot slot eindigt het boek met de prachtige zin: ‘And so I try to appreciate it all, day by day, and to remind myself that there is no time to be lost and nothing to be taken for granted.’ Haar persoonlijke ervaring geeft haar recht van spreken en het besef daalt in dat het ook mijn ervaring is. Het geeft mij ruimte mij dat recht toe te eigenen. En bij het mezelf gunnen van deze ruimte begrijp ik dat er inderdaad sprake is van een paradox: angst, boosheid, schuld, plezier, vreugde, intimiteit en vervulling lijken tegenstellingen maar zijn in feite allemaal facetten van hetzelfde fenomeen dat intensiteit heet. Het mag er allemaal zijn en maakt dat ik weer verder kan. MEGA-ARTISJOK Bij het voorzichtige eerste ochtendgloren staan we weer onderaan de noordwand van de Tête de Gramusat, nu om Just an illusion te beklimmen. Ik verrek zowat mijn nek om helemaal naar boven te kunnen kijken. De route is een aaneenschakeling van verticale zuilen die de overhangen in de rotsen met elkaar verbinden. De tweede lengte is niet ‘af’: de zuil is nog niet volledig gevormd. Volgens Jeroen is die lengte te omzeilen via een variant door het rotsdak recht boven ons. Het gidsje geeft M6 tot M8 aan, afhankelijk van de ijscondities en de lengte(!) van de klimmer. Gelukkig ben ik lang en klim ik de eerste lengte voor… Na zo’n twintig meter kom ik op een soort mega-artisjok terecht. De overhangende schubben van deze grote ijsbloem maken het klimmen lastig: van onderen zag het er eenvoudig uit, maar eenmaal hier is het precair bewegen en afzekeren. Als Jeroen zich later op de

Op weg naar de Tête de Gramusat.

standplaats bij mij voegt, laat hij niet na te zeggen dat het hem ook wel een beetje tegenviel. Gelukkig, denk ik bij mezelf, het lag dus niet aan mijn vorm. Via een verticaal zuiltje zit Jeroen al vlot onder het dak dat toegang geeft naar een vrij hangende volgende ijspegel. Ik zie Jeroen even kijken en dan maakt hij ineens een enorme stap naar links. In bijna volkomen spagaat staat hij nu onder het rotsdak en tot mijn verbazing pakt hij zijn fototoestel om - in wat er uitziet als de meest lastige stap van de route en onder het uitroepen van: “Dit is gaaf jôh” - een paar plaatjes te schieten. Ik bewonder het zelfverzekerde gemak waarmee hij even later verder klimt in het smalle reepje ijs van de linker vrij hangende pegel. Daarna verdwijnt hij uit het zicht. Straks is het mijn beurt om na te komen in een touwlengte die ik normaal gesproken alleen aanschouw in glossy klimbladen. SCHREEUW De stap naar links onder het dak blijkt mee te vallen. Mijn linkerbijl zit al solide in de vrij hangende pegel, ik sta in spagaat met armen en benen wijd, en dan blijkt mijn rechterbijl volkomen vast te zitten. De doorn is volledig in een placement van de voorgangers verdwenen dus eruit hevelen gaat niet werken. Ik besef meteen dat ik in een lastig parket zit. Vanzelfsprekend heeft Jeroen het touw flink strak in gehaald, want hij kan mij niet zien of horen. Op vol volume


Ik ervaar een verbondenheid en intimiteit die zeldzaam is – zeker tussen twee mannen

Met één ijsbijl - de andere is in de diepte verdwenen - klimt Freek Strebe verder.

“Touw na” roepen geeft geen resultaat en daar hang ik dan als een rijp peertje onder het rotsdak. Er rest mij niets dan met mijn rechterarm te proberen de ijsbijl los te wrikken. Uiteindelijk lukt het met veel moeite, de doorn is niet eens krom maar mijn beide armen zijn vol verzuurd – en dat al halverwege de tweede touwlengte! Na de vrij hangende pegel volgt een kletsnatte orgelpijpen-schoorsteen die mijn handschoenen doorweekt en mijn vingers verkleumt tot op het bot. In deplorabele staat voeg ik mij bij Jeroen op de standplaats. Als het bloed weer mijn vingertoppen bereikt, schreeuw ik het uit van de pijn: je weet dat het zeer gaat doen en iedere keer is het erger dan in je herinnering. Jeroen begrijpt dat ik de volgende lengte niet ga voorklimmen. Dat blijkt een verstandige keuze want als ik na - voor mijn gevoel een eeuwigheid - mag nakomen, kijk ik nadat ik om het hoekje ben gestapt, tegen een volle veertig meter praktisch verticaal compact ijs aan. Ik ben nog niet hersteld van de vorige lengte en op karakter kom ik boven. We nemen even de tijd om de omgeving te bekijken. Die is van een andere dimensie dan ik tot dusverre gewend ben: overal om ons heen overhangende rotsen waaraan op de meest bizarre plaatsen ijs hangt in de vorm van pegels, gordijnen en zuilen. Alles is hoog, groot en diep – ik ben mij ervan bewust dat vandaag zo’n tocht is die een sprong voorwaarts is in mijn ervaring. Hoewel het een spannend gevoel is, voelt het ook goed. Ik heb vertrouwen in Jeroen en mijzelf

dat we dit tot een goed einde gaan brengen. En daarbij hebben we tot dusverre veel plezier, hetgeen ik als een goed voorteken beschouw. KOMT RAAD Twee touwlengten verder staan we onder de laatste grote zuil: een volle lengte WI 6. Traag maar gestaag klimt Jeroen door; ik merk dat boor na boor kort na elkaar worden ingedraaid. Kennelijk is hij moe, of het is heel lastig, of beide is wat er aan de hand is. Dan heeft hij plotseling stand op een moment dat ik het helemaal niet verwacht. Aan mij de taak al die boren er weer uit te draaien: het is inderdaad een lastig en vooral nat stukje. Dan zie ik de grijns van Jeroen vanuit een van onderen onzichtbaar ijsgrotje en weet dat het wel goed zit. Verstandig hier een tussenstop te maken om even te herstellen. Ik prop mijzelf in het grotje naar binnen, draag het materiaal aan Jeroen over en zet voor alle zekerheid een extra boor bij de standplaats. Boven ons is licht overhangend doorschijnend orgelpijpenijs: het laatste lastige stuk. Daarna volgt nog een eenvoudige lengte WI 3, een traverse over de beboste richel en tot slot een geëquipeerde abseilpiste. Gelukkig ben ik me daarvan nog niet bewust want mijn volle concentratie is gericht op het zekeren van Jeroen. ‘Komt tijd, komt raad’ vind ik wel eens een hele kunst om naar te leven, maar nu is het nog even ‘wat niet weet, wat niet deert’. ▲


28

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

L O C AT I E C N I N A

|

TEKST ERNST VERLOOP

|

FOTO’S RONALD NA AR

EXPEDITIE ●

Ben ik dat? gaat er door mijn hoofd als ik op een foto een man met een enorme rugzak zie. Dat lijkt een rare vraag, want op het scherm van mijn laptop kan ik duidelijk zien dat ik het ben: ik herken mijn jas, mijn muts en mijn gezichtsuitdrukking. Maar nu ik mezelf op een foto terugzie dringt het pas tot me door wat ik eigenlijk beleefd heb.

Het lijkt wel alsof ik al die tijd door een soort roes me niet bewust was van wat ik precies deed; een bizarre gewaarwording. De foto die ik bekijk, is gisteren genomen op de terugweg van de top van de 7546 meter hoge Muztagh Ata. Inmiddels ben ik dan wel afgedaald naar ‘slechts’ vierenhalve kilometer hoogte, maar mijn hersenen werken nog altijd traag. De witte plekken in mijn geheugen worden slechts langzaam ingetekend. Vader aller IJsbergen, zo heet de Muztagh Ata in het Oeigoers, de taal die door de Turkse bevolking van West-China wordt gesproken. Van enige afstand is het net een gigantische schildpad die een kap van ijs als pantser meetorst. Door de enorme hoogte vormen zich in de zomermaanden regelmatig stormen en onweersbuien rond de top. Op hetzelfde moment dat aan de voet van de berg de zon schijnt, valt er op de gletsjer soms in een dag tijd een halve meter sneeuw. Om die reden is de berg vooral geliefd onder skiërs. Het idee voor de tocht naar de Muztagh Ata ontstond een jaar geleden met vijf mede-studenten van de TU Delft, kort nadat we met elkaar de Russische Elbrus hadden beklommen én hadden afgeskied. Die ervaring smaakte naar meer. We wilden liefst een nog hogere berg op en ervan afskiën. Maar er waren wel grenzen aan onze ambities: voor ons als studenten moest de reis niet teveel gaan kosten; de beklimming moest vooral niet te lastig zijn, want we waren dan wel ervaren toerskiërs, maar we beseften dat het beklimmen van heel hoge bergen andere koek is; en

Team daalt af door de spletenzone.


HOOGTELIJN 5-2009

|

MUZTAGH ATA SUCCESVOL STUDENTENTEAM OP ZEVENDUIZENDER

We wilden liefst een nog hogere berg dan de Elbrus op en ervan afskiën

29


De top proberen staat vrij, we kunnen altijd omkeren en het later nog eens proberen

Muztagh Ata vanaf Karakol Lake.

bovendien moest de tocht plaatsvinden in de periode tussen onze laatste tentamens in juli en de eerste herkansingen eind augustus. Het werd dus een kwestie van wegstrepen. Veel mooie bergen vielen af en uiteindelijk bleef de Muztagh Ata over. MENTOR Om onze kennis over hoge bergen te vergroten zochten twee teamleden contact met Ronald Naar. Zijn zeventienjarige zoon Victor bleek zich op dat moment als student in Delft te hebben aangemeld en wilde bovendien lid worden van onze studentenvereniging. Ronald was mede daardoor erg behulpzaam bij het geven van informatie. Toen een halfjaar later een van ons afhaakte en we vreesden dat wellicht nog iemand anders zich zou terugtrekken, was de keuze snel gemaakt: we vroegen Victor mee. Vader Ronald was echter ineens een stuk minder enthousiast. Hij vond Victor nog te jong en te onervaren voor de Muztagh Ata. Hij mocht alleen mee als Ronald zelf een oogje in het zeil zou houden. In eerste instantie was ik daar niet erg enthousiast over. Ik was bang dat we de zeggenschap over onze eigen expeditie zouden kwijtraken omdat ik verwachtte dat Ronald vanwege zijn leeftijd en ervaring automatisch de leiding naar zich zou toetrekken. Dat wilde ik niet. Voor mij was deze expeditie dé kans om onder moeilijke omstandigheden zelf keuzes te maken, door zelf na te denken over risicovolle situaties. Ronald bleek echter geen enkele aspiratie te hebben om de expeditie te leiden; hij wilde voor ons hooguit als ‘mentor’ optreden, iemand bij wie we onze plannen konden toetsen. Iedereen kon zich in dat concept goed vinden en dus sloten Victor en Ronald zich bij ons aan. Na een jaar van voorbereidingen voelde het als een bevrijding om in juli van dit jaar eindelijk echt aan de beklimming te kunnen beginnen. Hoe vaak waren er niet allerlei vragen ter sprake

gekomen, variërend van het type tent dat we op de berg zouden moeten gebruiken tot wat er aan medicijnen mee zou moeten. Maandenlang was er onzekerheid over de juiste antwoorden. Op de berg moest nu duidelijk worden of we de goede keuzes hadden gemaakt. ALLERLEI PLUIMAGE In een duimafdruk in de puinhelling aan de voet van de Muztagh Ata bouwden we op 27 juli op 4500 meter hoogte ons basiskamp: een tent voor elk teamlid en een grote bungalowtent waar de Chinese kok onze maaltijden serveerde en waar we onze rustdagen doorbrachten. Normaal is het basiskamp een rustpunt, maar de Muztagh Ata ligt in een bergwoestijn waardoor het in het basiskamp erg stoffig is. Alles was er binnen een etmaal bedekt met een dikke laag grijs stof. Ook onze Han-Chinese basiskampmanager droeg niet bij aan een aangenaam verblijf aan de voet van de berg: de eerste dagen kregen we voor het ontbijt knolgrote gekookte aardappels en als lunch een Chinese variant op spaghetti met een muffe ei-tomatensaus. “We serve the best food in Sinkiang,” kregen we te horen als we ons kokhalzend beklaagden over het geserveerde. Net als op andere beroemde bergen ben je op de Muztagh Ata vandaag de dag bepaald niet alleen. We deelden het basiskamp met een bont gezelschap ‘alpinisten’ - in totaal telden we zo’n tweehonderd klimmers van allerlei pluimage. Op een dag werden we opgeschrikt door het bericht dat twee mannen van een Letse expeditie werden vermist. Een dag lang zochten klimmers tevergeefs de berg af, totdat bleek dat de ‘vermisten’ al lang en breed in het basiskamp zaten. Twee Chinezen waren minder gelukkig; zij verdwenen spoorloos en kwamen niet meer terug van de berg. Een Duitser overleed in het basiskamp aan een hartinfarct.


HOOGTELIJN 5 -2009

We waren dus niet alleen. Je probeert je ogen en je oren te sluiten voor wat andere klimmers op de berg doen en zeggen, maar uiteindelijk word je er toch door beïnvloed. We waren pas drie dagen in het basiskamp en in die korte periode waren we via een morenerug al twee keer naar ons eerste kamp gelopen, toen onze Kroatische buren beweerden dat ze via hun satelliettelefoon van het langetermijnweerbericht hadden vernomen dat op 7 augustus het weer zou omslaan. Een Franse berggids bevestigde dit bericht min of meer door ongevraagd te melden dat de jetstream vanaf 8 augustus zou gaan aantrekken en dat het dan veel kouder zou worden. Normaal gesproken hoor je op een berg van deze hoogte eerst de hoogtekampen op te bouwen, vervolgens te rusten in het basiskamp en daarna pas voor de top te gaan. Althans, zo is de theorie. Maar diezelfde theorie zegt niets over weer, wind en sneeuwomstandigheden. Die waren nu goed; iedereen voelde zich fit. Dus wat belette ons? Ook Ronald dacht er zo over: “De top proberen staat vrij, we kunnen altijd omkeren en het later nog eens proberen. We hebben tijd genoeg voor een tweede poging.” En zo kwam het dat we al op 2 augustus als één team naar boven vertrokken, ervan dromend dat we vier dagen later met zijn zevenen

Victor en Ernst Verloop maken zich klaar.

|

juichend naast elkaar op de top van de Muztagh Ata zouden staan. Maar zeker op grote hoogte blijken dromen – letterlijk en figuurlijk – bedrog. Op 3 augustus plaatsten we drie tenten op 6200 meter hoogte en daalden vervolgens weer af naar kamp 1 om er te overnachten. Hoog klimmen, laag slapen – dat was ons uit het boekje bijgebleven. Maar toen we een dag later in het tweede kamp wilden blijven slapen, constateerden we dat Bram onderweg soms ver achterbleef; dat kwam door een aanhoudende darminfectie. We vroegen ons af of hij het wel zou gaan halen. Bram zelf stelde zich die vraag blijkbaar ook, want aan het eind van die middag, na uren ziek in zijn tent te hebben gelegen, meldde hij ineens dat hij zich te zwak voelde om verder te gaan. Kort voor zonsondergang besloot hij af te dalen. Op dat moment bleek het voordeel van klimmen met ski’s. Het was weliswaar nog maar een halfuur licht, maar dankzij zijn ski’s bereikte hij nog voor de zon achter het silhouet van de Pamir wegzakte kamp 1; en nog voor de duisternis volledig was ingevallen, was hij zelfs al in het basiskamp. Brams oudere broer Tim zat een tijdlang aangeslagen in onze tent. Wie zou het als volgende opgeven? Zou Bram nog een tweede kans krijgen? We konden echter niet veel anders doen

Ernst Verloop met op de achtergrond de Kun Lun.

Tentenkamp bij zonsondergang.

31


HOOGTELIJN 5 -2009

Muztagh Ata-top vanaf Subasji.

Bram en Tim op weg naar boven.

dan beloven dat we voor Bram in elk kamp een tent met voldoende voedsel, een brander en een matje zouden achterlaten. BENAUWD Boven kamp 2 werden we steeds meer op onszelf teruggeworpen. Het gebrek aan zuurstof en de gevolgen van de fysieke inspanningen werden duidelijker voelbaar. Daarbij komt dat de hogere flanken van de Muztagh Ata saai zijn: de grillige ijsmuren die het eerste gedeelte van de route aantrekkelijk maken, zijn hier verdwenen. Het ijspantser is op deze hoogte een soort honderden meters brede, golvende skipiste. Het weer verslechterde; er stak een harde, ijzige wind op die het team in figuurlijke zin uit elkaar blies. We stegen niet meer als één groep; ieder ploeterde voor zich omhoog. Met soms geruime tijd ertussen bereikte iedereen het derde hoogtekamp waar op dat moment slechts één tentje stond en wij er twee naast plaatsten. De hoogtestorm blies nog altijd fel over de twintig graden steile helling. Met dit weer zouden we de volgende dag geen schijn van kans hebben om de top te halen. Ik merkte dat dit mijn motivatie beïnvloedde waardoor het lopen zwaarder leek. Maar met zijn zessen dicht op elkaar in twee kleine tenten was het binnen aangenaam, hoewel eten en inslapen moeizaam ging. De nacht was lang en benauwd. Ik was blij toen we na een ‘nacht’ van veertien uur werden bevrijd door het eerste zonlicht en de hoogtewind tot rust kwam. EEN-VOOR-EEN Kort na elkaar verlieten we het kamp. Er werd nauwelijks meer gepraat, de spanning was tastbaar. Als in een vertraagde film schoof ik mijn ski’s door het met stuifsneeuw dichtgeblazen spoor naar boven. Als een machine, met een beangstigende routine won ik hoogte, zonder mijn bewustzijn aan te spreken. Ik dacht nauwelijks bij de bewegingen die ik maakte. Mijn gedachten waren blanco, leeg. Het leek wel of mijn hersenen waren uitgeschakeld om energie te sparen voor de bewegingen die ik moest maken. Boven me strekte zich een blinkend witte sneeuwhelling uit die zich hoog boven mij scherp aftekende tegen de blauwzwarte hemel. Als ik goed omhoog keek, zag ik en her en der vlaggetjes langs het

Team Muztagh Ata.

Muztagh Ata expeditie De TU Delft Muztagh Ata Expeditie was een initiatief van vijf ouderejaars studenten die allen lid zijn van de DSAC: Bram en Tim Albers, Jik Kam, Ernst Verloop en Ernst de Wiljes. Enkele maanden voor het beoogde vertrek sloten ook eerstejaars student Victor Naar en zijn vader Ronald zich aan bij het team. De laatste – bijna dertig jaar ouder dan de oudste meeklimmende student – werd mentor van het team. Geholpen door goede weersomstandigheden kwamen zes van de zeven teamleden al na elf dagen vanaf het bereiken van het basiskamp op de 7546 meter hoge top. Bram Albers, die achterop was geraakt door een buikinfectie, bereikte vier dagen later eveneens het hoogste punt. Daarmee haalden alle teamleden de top. Victor Naar (18) is met zijn beklimming van de Muztagh Ata de jongste NKBV-er die zo’n hoge berg heeft beklommen.

verwaaide spoor. Ik keek ernaar en wist dat ik die kant op moest. Het waren de enige momenten waarop mijn bewustzijn wél werd aangesproken en die ik me zodoende achteraf nog duidelijk kan herinneren. Het bereiken van de top was een plichtmatig moment. We kwamen min of meer een-voor-een op de top waar het koud en winderig was. Het was er zo koud dat ik aan twee minuten filmen met blote handen oppervlakkige bevriezingen aan mijn vingers overhield. Een fijne plek om op elkaar te wachten om de prestatie samen te vieren was het dus niet. Ernst en Ronald, met wie ik op de top stond, begonnen al weer aan de afdaling. Ik besloot ook niet langer op de drie anderen te wachten, klikte mijn ski’s onder en dook omlaag. Nog geen vierentwintig uur later ben ik weer in het basiskamp, omgeven door dikkere lucht, waardoor eten en drinken ineens weer wel smaken. Langzaam voel ik de vermoeidheid uit mijn lijf wegglijden en ontwaak ik uit de roes waarin ik ruim twee dagen heb geleefd. In mijn hoofd worden vage beelden stukje bij beetje gereconstrueerd tot herinneringen. ▲

|

33


HOOGTELIJN 5-2009

|

Focus Cyril Liebrand schreef: “We maakte een driedaagse trekking door de Cordillera Real in de omgeving van La Paz in Bolivia. Een grote groep lama’s van lokale boeren zorgden voor het vervoer van onze materialen als tenten en keukengerei. De eerste nacht hadden we ons kamp opgeslagen aan de rand van dit fraaie Jurikotameer. De lama’s kregen na aankomst alle gelegenheid om te grazen aan de rand van dit rimpelloze meer.” Meer foto’s van Cyril Liebrand kun je vinden op www.cylievakanties.nl.

Heb jij ook een mooie foto die in Focus past? Stuur hem naar Hoogtelijn. Redactie Hoogtelijn, Postbus 225, 3440 AE Woerden, hoogtelijn@nkbv.nl

35


OPSTAND TEGEN Interview met Martin Fickweiler Hij is net terug van Groenland, twee weken eerder dan de bedoeling was. Ja, vertelt hij, de expeditie is niet gelopen zoals de bedoeling was. Nee, voegt hij daar aan toe, dat is geen afknapper. “Daar moet je tegen kunnen. Je moet je een beetje kunnen aanpassen aan de omstandigheden,” zegt Martin Fickweiler (32). Het plan was om met klimmaat Gerke Hoekstra een bigwallroute te openen op de Cenotaph, een 1450 meter hoge rotsnaald aan de Groenlandse Oostkust. “Daar zijn we

na de eerste honderd meter mee gestopt. We vonden het gewoon te gevaarlijk,” legt hij uit. Teveel losse stenen, te weinig uitwijkmogelijkheden. Uiteindelijk koos het tweetal voor wat Fickweiler noemt “een iets makkelijkere lijn” – nog altijd een zevendegraads route. “Dan kun je een beetje om de brakke dingen heen klimmen. Als je een moeilijke artificiële lijn klimt, ben je veel meer afhankelijk van het materiaal waar je aan hangt en de rots waar je op klimt.” Toch leek de wand aanvankelijk veelbelo-

vend, vertelt Fickweiler. Op een plaatje in de American Alpine Journal zag de berg eruit als de ideale bestemming: steil, glad en hoog. “Ik dacht: dat moet wel een interessant doel voor ons zijn. Toen we ons gingen verdiepen in het gebied, bleken er nog een paar van dat soort bergen te zijn. Eigenlijk kwamen we er vlak voor vertrek pas achter dat die bergen nog vrij ver uit elkaar liggen.” Het gebied bleek niet alleen groter, het bleek ook complexer dan ze hadden gedacht. Routes naar andere rotswanden bleken


TEKST ERNST ARBOUW

|

FOTO’S L AURENS A AIJ

|

HOOGTELIJN 5-2009

Martin Fickweiler is een van de meest aansprekende Nederlandse expeditieklimmers van dit moment. Hij zoekt het avontuur op bigwalls, rotswanden van vaak duizenden meter hoog, het liefs in afgelegen poolgebieden. Hij vertelt openhartig over eenzaamheid en vriendschap in de bergen.

DE ROUTINE afgesneden door onpasseerbare gletsjerstromen. En de rots bleek, in Fickweilers woorden, ‘van niet-zo-ontzettend-goeiekwaliteit’. GROOTSTE AFKNAPPERS “Na honderd meter hingen we daar, Gerke en ik naast elkaar. Toen hebben we gezegd: het is het gewoon niet waard om zoveel risico te nemen. Ik heb thuis een vriendin die ik niet in de steek wil laten. Zij vertrouwt erop dat ik onderweg de juiste beslissingen neem. Dat kan betekenen dat een beklimming niet doorgaat – dat is dan jammer. Als ik uitsluitend naar m’n gevoel had geluisterd, dan was ik waarschijnlijk verder gegaan. Het

zag eruit als een interessante uitdaging en ik denk dat we het wel hadden kunnen klimmen, maar rationeel gezien was het beter om te stoppen. Uiteindelijk draait het bij klimmen maar om één ding: veiligheid.” Is zoiets nou een afknapper? “Als je een moeilijke, onbeklommen berg beklimt dan is het voor mij al de moeite waard geweest. We waren van plan een bigwall te klimmen, dat bleek niet mogelijk, dus dan is het een kwestie van kijken wat er overblijft. We hebben het bovendien super naar onze zin gehad. We zaten met z’n vieren in het basiskamp, samen met Jelle Staleman en Niek de Jonge, en we hebben ook als groep een heel leuke tijd gehad.

Uiteindelijk zijn m’n grootste afknappers expedities waarbij ik het niet naar m’n zin heb gehad.” DAGENLANG Fickweilers klimtochten zijn anders dan doorsnee expedities; een typische Fickweilertocht gaat met een klein team – twee of drie man – naar een reusachtig hoge, liefst onbeklommen rotswand in een uithoek van het Arctisch gebied. De afgelopen jaren reisde hij twee keer naar Baffin Island, boven de Canadese poolcirkel, en drie keer naar Groenland. De aantrekkingskracht van het poolgebied is de eenzaamheid, vertelt hij. Hij spreekt het woord met nadruk uit:

|

37


Ik heb deze zomer ontdekt dat ik het niet erg vind om alleen te zijn


HOOGTELIJN 5-2009

“Een-zaam-heid. En het is onbekend gebied. On-be-kend. Echt fantatisch. En er staan mooie, steile rotswanden.” Bij een typische Fickweilertocht is ook de stijl belangrijk. Als het even kan, moet een wand in bigwallstijl worden gedaan. Daarbij worden rotswanden van vaak meer dan een kilometer hoog in één keer beklommen. Al het materiaal, het eten en water voor onderweg worden meegesleept en tijdens de beklimming wordt geslapen in een portaledge, een soort tentje dat tegen de wand hangt. “Bigwallklimmen is in mijn ogen één van de meest extreme vormen van rotsklimmen - en ik houd wel van extremen. Als je bigwalls gaat doen, moet je zo goed mogelijk, op een zo hoog mogelijk niveau vrij kunnen klimmen omdat je daardoor sneller gaat dan wanneer je artificieel klimt. Op het moment dat je wèl artificieel klimt is het vaak heel spannend omdat je grote vallen kunt maken. En een bigwall is ook nog een keer iets w at zich dagenlang achter elkaar voortzet. Als je op zoek bent naar een goede uitdaging, dan kom je vanzelf bij bigwalls terecht. SLAGROOM Ik heb daar een aardige oneliner voor: avontuur is opstand tegen de routine. Als je op zoek bent naar avontuur – dus niet nordic walking, maar ècht avontuur – dan moet je iets doen dan wat de rest niet doet: bigwalls in het Arctisch gebied.” Toegegeven, voor de meeste mensen is vier weken in een tent boven de poolcirkel meer dan voldoende avontuur, dan hoef niet je niet ook nog een week in een veredelde hangmat aan een rotswand te bungelen. “Maar ik moet wel een reden hebben om op avontuur te gaan, en dat is klimmen. Klimmen is voor mij een manier om avontuur te beleven. Een paar jaar terug heb ik een heel mooie reis door Suriname gemaakt. We hebben bijna twee weken in boten gezeten, daarna bijna twee weken door de jungle gehakt om uiteindelijk een onbeklommen berg te bereiken. Ik zie mezelf niet zo’n zelfde soort reis maken zonder een doel. Dan kun je zeggen: de reis is het doel, maar ik ben pas gemotiveerd om een heleboel ellende te doorstaan als er uiteindelijk een beklimming aan vastzit. Het is de slagroom op de taart.” “Als je in afgelegen gebied – Groenland of Baffin Island – op expeditie gaat, dan word

je teruggeworpen op jezelf. Je kunt ineens helemaal zelf bepalen wat je gaat doen, wat je belangrijk vindt, waar je naar verlangt. Je kunt ineens ook heel goed nadenken over je eigen leven. Je hebt minder prikkels. Je kunt denken: ik wil die kant op of ik wil die kant op. Ik vind het een heel mooi middel om mezelf te ontdekken,” vertelt Fickweiler. En wat heeft hij ontdekt? “Ik heb deze zomer in ieder geval ontdekt dat ik het niet erg vind om alleen te zijn. Ik ben voor ik naar Groenland ging in m’n eentje naar Yosemite geweest. Daar heb ik een rope-solo beklimming van El Capitan gedaan. Vier dagen echt helemaal alleen. Voor zover ik weet is dat voor het eerst in m’n leven geweest dat ik zo lang geen mensen heb gezien, geen mensen heb gesproken, geen mensen heb gehoord. Ik wilde dat al heel lang; nu kwam het er eindelijk van.”

Ik moet wel een reden hebben om op avontuur te gaan, en dat is klimmen Het werd uiteindelijk een van de mooiste klimtochten van zijn leven, vertelt hij nu. “Als je op expeditie bent, kun je goed naar jezelf kijken. Als je alleen bent is dat allemaal nog net even heftiger. Dan is er hele-maal geen afleiding. Je doet het he-lemaal alleen. Je doet het met niemand, je doet het voor niemand. Je doet het alleen maar omdat je het heel graag wilt. Het hoeft echt niet, van niemand niet. Niemand zal je erop aankijken als je het niet doet. Normaalgesproken heb je met je klimmaatje afgesproken wat je gaat doen, dat werkt als een stok achter de deur. Als je alleen bent, kun je ook besluiten niet te gaan. Dat was mijn grote angst toen ik naar Yosemite ging: ben ik überhaupt in staat om die wand in te stappen. Ik dacht: als ik eenmaal begonnen ben, dan geloof ik het wel. Ik kan heel redelijk klimmen, zeker in dat soort wanden. De vraag was of ik het lef en de moed had om te beginnen.” Het was ook een beetje een check om te kijken of hij nog wel gemotiveerd was, vertelt hij. “Ik heb de afgelopen jaren héél véél geklommen; daar heb ik héél véél van genoten, maar het is iedere keer toch ook weer een belasting voor m’n sociale leven –

ik zie heel veel mensen heel lang niet, waaronder m’n vriendin, ouders, vrienden, noem maar op. Je gaat wel eens twijfelen: moet ik wel m’n hele leven blijven klimmen? Ja, daar twijfel ik wel eens aan.” En dan, na een korte stilte: “Maar nu niet meer. Voorlopig blijf ik nog wel even bezig.” KIEZEN “Klimmen heeft me enorm veel gebracht. Het stuurt me een bepaalde kant op. Mensen laten vaak een hoop dingen op hun beloop. Dat loopt meestal prima af en je kunt er hartstikke gelukkig mee zijn, maar je kunt ervoor kiezen het heft in eigen hand te nemen. Je kunt ervoor kiezen om eindelijk een keer met die baan waar je zo van baalt te kappen. Je kunt weg bij die man waar je al dertig jaar aan vastzit. Je kunt de wereld rond gaan reizen. Het kan allemaal, maar het zijn wel keuzes die je moet maken. Klimmen heeft ervoor gezorgd dat ik op een bepaald moment dat soort keuzes heb gemaakt. Het heeft ervoor gezorgd dat ik het heft in eigen hand heb genomen.” Toch ontdekt hij steeds vaker dat het leven draait om meer dan klimmen alleen, vertelt hij. “Ik zeg wel dat klimmen me veel heeft gebracht, maar ik heb er ook heel veel voor moeten laten. Door te klimmen heb ik heel veel meegemaakt, ik heb ontzettend veel gezien, maar ik heb omdat ik telkens maar weer ergens aan het klimmen was óók heel veel dingen niet meegemaakt. Dat zijn bewuste keuzes geweest waar ik nog steeds achter sta, maar dat betekent nog niet dat ik niks gemist heb. Ik heb een tijd in een busje gewoond, ik heb m’n familie een tijd veel minder gezien. Bij momenten als trouwdagen of verjaardagen of de geboorte van m’n nichtje was ik altijd op expeditie. Vroeger vond ik dat soort dingen niet belangrijk, maar ik begin steeds meer te voelen dat het dingen zijn die wèl belangrijk zijn.” TOT STILSTAND “Klimmen wordt voor mij steeds meer een middel om op zoek te gaan naar wat ik ècht belangrijk vind. Drie, vier, vijf jaar geleden was ik alleen maar aan het rennen en gillen: moeilijk hier, beklimming daar. Ik ben er deze zomer in Groenland – dat is waarom ik zo van expedities houd – achtergekomen wanneer dat is veranderd. Een van m’n beste vrienden, Hans Copier, heeft drie jaar geleden een eind aan z’n leven gemaakt en toen dat gebeurde ben ik volledig tot

|

39


Uiteindelijk zijn m’n grootste afknappers expedities waarbij ik het niet naar m’n zin heb gehad

stilstand gekomen. Ik ben daarna op een heel andere manier naar dingen gaan kijken en ik neem veel meer de tijd om over dingen na te denken. Dat is niet iets wat van de ene op de andere dag gebeurt, maar we zijn ondertussen drie jaar verder en ik merk dat ik wat dat betreft echt ben veranderd. Ik begin nu eindelijk ook eens dingen te voèlen. Vroeger dacht ik dingen of wilde ik dingen; nu voèl ik dingen. Ik voel dat er mensen in Nederland zijn die héél belangrijk voor me zijn, veel belangrijker dan ik altijd dacht. Vroeger draaide het een beetje teveel om mij. Ik begin nu te voèlen dat het anders zit. Dat ik wel een solobeklimming kan doen, maar eigenlijk alleen maar omdat er mensen zijn – m’n vriendin, m’n familie, m’n vrienden – die achter me staan en in me geloven.” BRANDARIS Fickweiler vertelt dat hij twee weken na het overlijden van Copier op expeditie naar Canada ging, naar een tot dan toe onbeklommen, naamloze berg op Baffin Island. Uiteindelijk waren er twee expedities nodig om de top te bereiken, in 2006 met Roland Bekendam en Rens Horn en in 2007 met Niels van Veen. Na de succesvolle beklimming doopten Van Veen en Fickweiler de berg Copier Pinnacle. Die twee expedities

zijn de belangrijkste tochten in z’n leven, zegt hij zonder een seconde te aarzelen. “Eerstbeklimming Copier Pinnacle Baffin Island. Punt. Allerbelangrijkste ooit en dat gaat ook nooit meer veranderen. Vanwege de emotionele lading die daaraan hangt. We hadden twee expedities nodig om überhaupt boven te komen. In 2006 zijn we halverwege gekomen. As van Hans achtergelaten; spullen achtergelaten in de vallei; vaste touwen laten hangen. Een jaar later teruggekomen met Niels, zeven dagen in de wand gezeten en uiteindelijk de top bereikt. Ja, daar heb ik gehuild. Ik ben met Hans voor het eerst op expeditie geweest. Met Hans ging ik elk weekend klimmen, klimmen, klimmen. Als ik iets moeilijks moest doen, dan had ik het liefst Hans onderaan m’n touw want dat wist ik dat het goed ging komen. Hij was enorm betrouwbaar. En toen bleek ‘ie ineens iets minder betrouwbaar; toen deed ‘ie ineens iets wat ik ècht niet verwacht had. Het is een soort rouwproces van een jaar geweest waarbij die beklimming een grote rol speelde. Dat ik z’n as uiteindelijk op die top achter heb kunnen laten – met een pakje Brandaris, want dat rookte hij graag – dat was een mooie afsluiting. Ik had echt wel… Ik had er een goed gevoel over om zoveel

moeite voor hem te doen. Om hem een mooie rustplek te geven, om een mooie berg naar hem te vernoemen.” OVERAL THUIS “Als ik op expeditie ben dan heb ik het gevoel dat ik m’n leven in de hand heb; dat is ook bijna letterlijk zo. Er zijn altijd wel objectieve gevaren, dingen die je niet voor kunt zijn, maar je kunt voor een groot gedeelte zelf bepalen hoe het afloopt. Je kunt kiezen hoeveel risico je wilt nemen. Op expeditie ben ik het rustigst. Als ik in Nederland ben – zeker zoals nu, als ik thuis een hoop werk moet doen – dan denk ik: ik wil erop uit. Ik moet naar buiten. Ik voel me eenzaam zonder de wildernis.” Dat roept de vraag op waar hij zich ècht thuis voelt: thuis in Rotterdam-Noord of onderweg in de wildernis. “Overal”, zegt hij eerst. Maar wat mist hij dan harder: thuis als hij in de wildernis zit of de wildernis als hij thuis zit. “Als je op expeditie bent is het leven harder. Het is fysiek zwaarder, het is mentaal zwaarder, het is primitiever. Dat zijn dingen waardoor je thuis wel gaat missen. Als je zes maanden per jaar op een matje slaapt, dan lig je niet thuis op bed te denken: goh, ik wou dat ik vannacht in een tentje sliep.” ▲


Miljonair voor slechts €1,50!

Met Lotto maak je kans op de miljoenen Jackpot èn steun je de Nederlandse sport. Door je NU aan te melden via de NKBV gaat er ook nog eens € 20 naar een klim- en bergsportdoel van jouw keuze.

Ga naar www.nkbv.nl/lotto en speel mee

Kijk voor spel- en overige voorwaarden op lotto.nl.


42

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

L O C AT I E F R A N K R I J K

|

TEK ST NOES L AUTIER

|

FOTO’S ROBERT ECKHARDT

DRIE PASSIES De natuur is nooit hetzelfde in de Écrins.

EEN DAG UIT HET LEVEN VAN EEN PARKWACHTER Voor de meeste mensen is een parkwachter een man (of vrouw) in uniform die rondcrost in een terreinwagen op plekken in de natuur waar autorijden verboden is. Maar wat doen parkwachters nog meer, behalve toeristen op het rechte pad houden? Tijd voor een onderzoek: op stap met parkwachters in het Franse Parc National (PN) des Écrins. Robert Chevalier, Joël Faure en Blandine Delenatte zijn parkwachter in het grootste nationale park van Frankrijk, dat ten zuidoosten van Grenoble ligt. Robert en Joël behoren tot de eerste lichting gardemoniteurs, Blandine tot de moderne generatie. Met groot enthousiasme praten ze over de vrijheid om het werk naar eigen inzicht in te delen, wat resulteert in structureel overuren maken. Want als je om vier uur ’s morgens opstaat om steenbokken te tellen, houd je er niet om half een ’s middags alweer mee op. Elke dag dienen zich andere werkzaamheden aan en de natuur is nooit hetzelfde. Dat maakt het werk zo aantrekkelijk. “In Italië is een nationaal park waar de parkwachters hun uren moeten bijhouden met een prikklok. Die werken vast niet over,” zegt Robert.

ONDERLINGE BAND De Écrins is ingedeeld in zeven sectoren. Elke parkwachter is verantwoordelijk voor een sector en heeft zijn eigen specialiteit, bijvoorbeeld gletsjers, insecten of vogels. Die specialiteit wordt niet van bovenaf opgelegd, maar komt voort uit de persoonlijke belangstelling en kennis. Kom daar maar eens om in een gemiddeld Nederlands bedrijf. Misschien zijn parkwachters daarom wel zo gelukkig. De onderlinge band is groot. Regelmatig doen de parkwachters een beroep op elkaar als een klus met meerdere mensen geklaard moet worden. “Ga je vaak met Robert op stap?” vraag ik Blandine Delenatte. “Geen sprake van, ik ga alleen als er nog iemand anders meegaat.” Dat begrijp ik niet. Goedlachse


Robert Chevalier speurt naar het nest van de slangenarend.

Op pad met Joël Faure.

Chevalier ziet er niet gevaarlijk uit. Delenatte verklaart: “Robert is net een steenbok, als je even niet oplet is hij uit het zicht verdwenen, niemand kan hem bijhouden. Daarom gaan we altijd met meer parkwachters. Hij is niet voor niets ook berggids.” VROEGER EN NU Toen beide mannen in 1974 besloten om parkwachter te worden, stelde de opleiding niet veel voor. In slechts zes weken tijd werden ze klaargestoomd: de essentie van een nationaal park werd uitgelegd en ze kregen algemene lessen over de natuur en natuurbeheer. Naar vaardigheden als langlaufen, toerskiën, bergwandelen en kennis van lawines (veiligheid!) werd bijvoorbeeld helemaal niet gekeken. Men ging er eenvoudigweg vanuit dat iedereen die parkwachter wilde worden zich probleemloos in de bergen kon voortbewegen, ook in de winter. Inmiddels is de opleiding radicaal veranderd en moet je van goeden huize komen om het toelatingsexamen voor de opleiding te halen. Er is veel aanbod, veelal van mensen met een hogere opleiding dan het vereiste middelbare schooldiploma. Drie verschillende beroepen zijn in één opleiding samengebracht: garde-moniteur (parkwachter), garde-pêche (visserijopziener) en garde-chasse (jachtopziener). Resultaat is dat je niet meer kunt kiezen of je garde-moniteur, garde-pêche of garde-chasse wilt zijn. Het aantal punten dat je behaalt bij het eindexamen bepaalt je plek op de eindlijst. Nummer 1 mag als eerste kiezen waar hij/zij wil werken enzovoorts. Hoog op

Parkwachter Blandine Delenatte is gespecialiseerd in insecten.

de verlanglijst van de meesten staat parkwachter, maar vacatures zijn er nauwelijks want er is geen doorstroming naar andere banen. Alle parkwachters volgen enkele keren per jaar een voor het werk relevante cursus. Op die manier specialiseren ze zich.

De belangrijkste taken van een parkwachter • Naleving parkregels handhaven. • Bezoekers ontvangen, begeleiden en informeren. • Berghutten en paden onderhouden. • Beschermen en observeren van (zeldzame) planten, (roof )vogels, wild etc. • Meedoen aan wetenschappelijk onderzoek (flora, fauna, gletsjers, herintroductie van bergmarmot en lammergier etc.). • Lezingen geven. • Natuurboeken publiceren. • Natuureducatie, veelal aan schoolkinderen. • Natuurexcursies. • Paden aanleggen en (laten) onderhouden. • Gletsjerstand bijhouden. • Hulp bij helikoptertransporten binnen het park. • Helikoptertransporten autoriseren (bevoorrading, redding; toeristische vluchten zijn verboden). • Onderzoekers, filmploegen, journalisten etc. begeleiden.


Als je Robert Chevalier in de natuur bezig ziet, is het onbegrijpelijk dat hij ooit taarten heeft willen bakken We kijken in de grootste Middeleeuwse mijn.

Ook met verrekijker kan Robert Chevalier het nest van de slangenarend niet ontdekken.

PASSIE: VOGELS Robert Chevalier, 57 jaar, klein van stuk en op-en-top buitenmens, was pâtissier maar werd toch liever berggids. Als je hem in de natuur bezig ziet, is het onbegrijpelijk dat hij ooit taarten heeft willen bakken. Toen hij met de gidsenopleiding bezig was, werd het PN des Écrins opgericht en ontdekte hij dat parkwachter een beroep is. En dus is hij nu parkwachter en in zijn vrije tijd berggids. Chevalier is verantwoordelijk voor het gebied ten zuidwesten van l’Argentière-laBessée, met onder andere Dormillouse, een gehucht van niks dat op de rand van een steile, rijkbebloemde helling balanceert. Het dorpje telt een gîte d’étape en een handvol huizen.

Parc National des Écrins Het hart van het park valt onder strenge regels; voor de perifere zone is in samenspraak met de gemeenten een gedragscode opgesteld, gericht op duurzaamheid en milieubewustzijn. Het park is in 7 zones (valleien) ingedeeld. • Grootste nationale park van Frankrijk. • 150 toppen boven de 3000 m. • 2 vierduizenders: Barre des Écrins (4101 m) en Dôme de Neige des Écrins (4015 m). • Ligging: Departementen Hautes-Alpes en Isère. • Opgericht: 1973. • Oppervlakte centrale zone: 91.740 hectare; perifere zone: 178.600 hectare. • Aantal inwoners perifere zone: ca. 30.000. • Hoogte: 800 tot 4101 m. • Flora: 1800 soorten, w.v. 216 zeldzaam of bedreigd. • Fauna: 75 zoogdiersoorten, 233 vogelsoorten, 16 reptielensoorten. • Gletsjers: ca. 11.300 hectare. • Wandelpaden: ca. 670 km.

MIDDELEEUWSE MIJNEN Chevalier weet alles van vogels en roofvogels, maar vandaag begeleidt hij – samen met Joël Faure en Blandine Delenatte – een groep studenten archeologie, geologen en milieuspecialisten in de Vallée de Faravel, vlak bij Dormillouse. In 2005 zijn hier mijnen uit de Middeleeuwen gevonden. Onder leiding van Robert struinen we met een groep van 30 man door het oogstrelende dal met zijn uitbundig bloeiende bloemen en zijn schuimende rivier. Chevalier buigt zich over een knalblauwe bloem: “De akelei is beschermd,” zegt hij. “Helaas heb ik mijn gps vergeten. We slaan de standplaats van elke beschermde plant op in de gps. Zo houden we de verspreiding van de beschermde soorten bij.” Als ik de eerste ‘mijn’ zie ben ik teleurgesteld, maar dat geldt niet voor de studenten archeologie die eindelijk zo’n middeleeuws gat in de grond in het echt zien. In deze tijd van het jaar, begin juli, staan de meeste gaten nog vol smeltwater. Hier zijn een leren riem en een schoenzool gevonden, en in de rots zijn treden uitgehouwen. Het is nog steeds niet duidelijk of er zilver gewonnen werd of een ander metaal. Wat men wel weet, is dat die gaten met vuur werden gemaakt, een langdurig proces. De gebruikte houtsoort is belangrijk, evenals de omvang van het vuur. Door de hitte splijt de rots; dynamiet bestond nog niet. De derde mijn is de grootste en de leukste, want er staat geen water in. Vrijwel allemaal dalen we erin af wat ons op een scherpe veroordeling komt te staan van de hoogleraar die de leiding heeft. BEDREIGDE ROOFVOGEL Enkele dagen later rennen we parkwachter Chevalier achterna, dwars door het terrein op de gortdroge hellingen aan de overkant van het hoofddal. We zijn op zoek naar het nest van een slangenarend, buiten het park, in de perifere zone. De slangenarend is een bedreigde soort, maar hier nestelen meerdere paartjes. Bevangen


HOOGTELIJN 5 -2009

door de doordringende geuren van tijm, klaver, pijnboom en jeneverbes beklimmen we een rots, dalen weer af, haasten ons dwars door het bos, omhoog, omlaag. Maar welk standpunt we ook innemen, we ontdekken het nest niet. We springen in de auto en scheuren naar een andere locatie. Chevalier brengt ons naar een schuilhutje. Verstopt in zijn nest op zo’n 25 meter afstand zit een slagenarendkuiken rustig te wachten op een verse slang. Opgetogen bespieden we hem: een witte donsbol met een grote kop en snavel, en felle geelbruine ogen. ZEVEN SLANGEN De parkwachter legt uit: “De slangenarend overwintert in de ZuidSahara. In maart houd ik de net aangekomen paartjes in de gaten. Als de plek waar ze nestelen grofweg duidelijk is, ga ik het nest zoeken, wat dagen kan duren. Daarna bouw ik van takken en plastic een simpel schuilhutje, waar ik al vóór zonsopkomst in ga zitten, anders komen de ouders niet. Slangenarenden leggen slechts één ei.

Het jong krijgt tegen negen uur een slang, vervolgens rond twaalf uur nog eentje en dan aan het eind van de middag en ’s avonds nog een à twee slangen. De ouders eten zes of zeven slangen per dag. Het nest is klein. Als het jong groter wordt, speelt het op de takken van de

Welk standpunt we ook innemen, we ontdekken het nest van de slangenarend niet boom met vlinders en pikt zijn donsveertjes uit. Als de ouders boven hem cirkelen met een lekker slangenhapje, wordt hij opgewonden en begint te krijsen. Om het jong te voeren laat de arend de soms nog kronkelende staart uit zijn snavel hangen. Het jong trekt de slang er met al zijn kracht uit en eet hem vervolgens in één keer op, te beginnen bij de kop. Dat karwei kan wel een half uur duren.”

PASSIE: GLETSJERS Zodra Joël Faure aan de opleiding voor automonteur begon, werd duidelijk dat dat beroep niet voor hem was weggelegd. “Ik stak elke vijf minuten mijn hoofd uit het raam om naar de vogels, de bloemen en de lucht te kijken. Ik was dolgelukkig toen ik hoorde dat er parkwachters gezocht werden voor het nieuwe nationale park. Maar ik was nog geen 21 en moest een jaar wachten voordat ik de opleiding mocht doen. In mei 1975 was het zover. Daarna heb ik nog veel cursussen gevolgd en me gespecialiseerd in gletsjers.” WETENSCHAPPER BONAPARTE Joël Faure, een grote man met krullend haar en donkere baard, neemt ons mee naar het Lac de l’Eychauda, ten noorden van het dorpje Pelvoux. “Deze hoek is rustiger dan de Glacier Blanc waar in het hoogseizoen elke dag zo’n 2300 mensen rondlopen, honderdduizend per jaar!” Met grote, verrassend lichtvoetige stappen beent hij voor ons uit op het brede zigzagpad naar een van de vele juweeltjes van de Écrins: het Lac de l’Eychauda dat nog vol ijsschotsen ligt. Hij wil ons iets bijzonders laten zien. Rond 1890 begon prins

Rond 1890 begon prins Roland Bonaparte, een neef van Napoleon Bonaparte, de gletsjerstand bij te houden Roland Bonaparte, familie van Napoleon Bonaparte, de gletsjerstand bij te houden. Hij was de eerste in Frankrijk. De prins kerfde merktekens – kruisjes – in rotsblokken op het punt waar de gletsjer ophield, om jaarlijks te kunnen meten of de gletsjer langer of korter was geworden. Faure toont ons trots het bewuste rotsblok. Als ik het

Joël Faure markeert de plek waar Bonaparte een kerfje in de rots graveerde.

|

45


‘Ik ben altijd bang dat ik me vergis’

La Meije (3983 m), de koningin van de Oisans.

Het Lac de l’Eychauda is een van Joël Faures lievelingsplekken.

zelf ontdekt had, had ik gedacht dat het recent zou zijn aangebracht, maar de parkwachter verzekert me dat het kruisje er echt door de wetenschapper Roland Bonaparte is ingekerfd. Bonaparte heeft 23 jaar lang gletsjers gemeten, niet alleen in de Écrins, maar ook in de Pyreneeën. Faure treedt als het ware in zijn voetsporen. Gletsjers zijn zijn passie. “De gletsjerstand wordt om de paar jaar door middel van luchtfoto’s gemeten. Maar het ouderwetse handwerk met een theodoliet op de morene en op de gletsjer wordt ook nog steeds gedaan. Elk jaar schilder ik een merkteken op een grote steen zodat het verschil met het jaar ervoor bepaald kan worden. Dat doe ik voor alle gletsjers in mijn deel van het park. En ik maak een verslag van alle metingen in de Écrins. Fascinerend werk, maar triest dat de gletsjers zo hard smelten. De Glacier Blanc nog veel sneller dan de Glacier Noir.” HEEL GEDOE Sinds 1890 is er veel veranderd. De Glacier de Séguret Foran die het Lac de l’Eychauda voedt, heeft zich ver teruggetrokken en torent hoog boven ons uit. Waar in de tijd van Bonaparte ijs lag, strekt zich nu een bruingrijze vlakte uit waar een sterk vertakte rivier traag

doorheen meandert. “Ik heb ooit gemeten hoe diep het Lac de l’Eychauda is: 22 meter! De motor van onze rubberboot was niet sterk genoeg, we dreven steeds naar de kant. We hadden ook een grote witte schijf om de doorzichtigheid van het water te meten. Al met al een heel gedoe.” Op de afdaling wijst Faure ons edelweiss, lijmkruid, blauwe gentiaan en huislook aan. “Kijk, een rotskruiper. Die is op de grijze rotsen bijna niet te zien. Hij foerageert in de rotsen op insecten.” Bescheiden wuift hij mijn compliment weg als ik zeg dat hij behalve van gletsjers ook het een en ander over de natuur weet. “Ik ben altijd bang dat ik me vergis,” zegt hij enigszins verlegen.

Gestoofde brandnetels ... mmm! Pluk een grote hoeveelheid jonge brandnetelblaadjes – met dikke tuinhandschoenen aan – snipper een uitje en snij een paar aardappelen in blokjes. Uitje zachtjes stoven, brandnetels erbij, daarna water en de voorgekookte aardappels toevoegen en alles mixen. Goed doorwarmen. Lekker!

Parkregels • Honden verboden (zelfs aangelijnd). • Niets meenemen (bloemen, mineralen, fossielen, bessen etc.). • Wapens verboden. • Neem afval mee. • Open vuur maken verboden. • Maak geen lawaai. • Kamperen verboden. • Bivakkeren toegestaan tussen 19.00 en 09.00 uur, op ruim een uur lopen van de parkgrenzen.

Voorjaarszonnebloemen.

• Mountainbikes verboden. • Motorvoertuigen verboden buiten de toegestane wegen. Documentatie • www.parcsnationaux.fr/ • www.ecrins-parcnational.fr/ • Insectes et autres petites bêtes en montagne – 333 espèces dans leur milieu, uitg. Glénat, € 23,-. Samengesteld door Blandine Delenatte en te koop in het park.


Apollovlinder.

Apollo’s leven maar één zomer, voornamelijk van huislook, een rood bloemetje op een lange stengel Blandine Delenatte is razendsnel als het gaat om insecten vangen.

PASSIE: INSECTEN In plaats van in de Écrins kwam Blandine Delenatte (32 jaar en een uiterst sportief type met een aanstekelijke lach), in Noord-Frankrijk terecht. Daar moest ze in de Loiredelta – voorzien van een wapen – glasaal beschermen tegen nietsontziende illegale vissers; voor hen is de glasaalvisserij namelijk bijzonder lucratief. Vroeger diende de paling als varkensvoer, zoveel overschot was er, tegenwoordig is het een bedreigde vissoort. Japanners trekken zich daar niets van aan en kopen paling tegen astronomische bedragen van de Chinezen, die ze

alles weten over eetbare planten, want ik vind het onbegrijpelijk dat maar zo weinig mensen eten uit de natuur halen. Brandnetels zijn heerlijk en erg gezond. Ik stuur je een recept, moet je maar eens proberen. Maar nu gaan we vlinders vangen.” De apollovlinder, een grote witte vlinder met zwarte vlekken en rode rondjes op zijn vleugels, is het boegbeeld van het nationale park. Hij is endemisch voor de Alpen en komt hier op sommige plekken in groten getale voor.

De witte apollovlinder met zwarte vlekken en rode stippen is het boegbeeld van het nationale park

IN DE KOELKAST “Stop!” roept Delenatte. We springen uit de auto, hup een vangnet, een grote zwiep door een bosje gras en hebbes! Insecten moeten eerst in de zon opwarmen om goed te kunnen vliegen. Dus stopt Blandine de vlinder zonder pardon in een koelkastje. Bevangen door de kou blijft hij daarna minutenlang op mijn T-shirt zitten. Even later ontdekken we tientallen apollovlinders. Mannetjes-apollo’s zijn jaloerse types, want tijdens de paring laten ze een propje sfragis, een chitine-achtige stof die snel hard wordt, achter in het lijf van het vrouwtje zodat ze nooit meer kan paren. Uiteraard kan het mannetje wel bij meerdere vrouwtjes voor nageslacht zorgen. Apollo’s leven maar één zomer, voornamelijk van huislook, een rood bloemetje op een lange stengel. “Is het voor een man makkelijker om parkwachter te zijn dan voor een vrouw?” vraag ik. “Wat het werk betreft niet. Mijn conditie is prima en ik heb ook voldoende overwicht. Maar privé kun je makkelijk op problemen stuiten. Een jaloerse partner bijvoorbeeld. Dat is niet te doen, want ik ben regelmatig hele dagen met mannelijke collega’s op stap in de vrije natuur. Trouwens, er komen hier veel Nederlanders. Is de Nederlandse man jaloers?” ▲

weer van die Franse vissers kopen. Nu werkt ze tot haar grote opluchting alweer een paar jaar in de Écrins. Recent is er een lekker leesbaar boek over insecten verschenen, samengesteld onder de energieke leiding van Delenatte. Er komt binnenkort een filmploeg naar de Écrins om een tv-programma over dat boek te maken en daarom gaan we vandaag in de buurt van Vallouise op zoek naar een plek waar het wemelt van de insecten, op loopafstand van de weg in verband met de zware filmapparatuur. ENDEMISCHE VLINDER “Waarom insecten?” vraag ik Blandine Delenatte. “Zonder insecten zou de mens maar enkele maanden overleven,” zegt ze. “Die uitspraak is niet van mij maar van een wetenschapper. Maar hij heeft wel gelijk. Insecten waren niet mijn eerste keuze, ik ben erin gerold en zo geïnteresseerd geraakt. Ik wil bijvoorbeeld ook


GRANIET IN

â—?

Italian Route (750 m, 7c max) op de Cerro Trinidad.


TEKST JORG VERHOEVEN

|

FOTO’S HEIKO WILHELM

|

L O C AT I E C H I L I

|

HOOGTELIJN 5-2009

OVERVLOED SPORTKLIMMEN IN CHILI De koningen van het plastic heersten vorige winter op het graniet van Cóchamo in het zuiden van Chili. De beste leadklimmers van de wereld openden er een aantal wat hoger gewaardeerde routes. Onder hen Katharina Saurwein, David Lama en Jorg Verhoeven. Begin december vliegen we vanuit een bevroren Europa naar Chili, op zoek naar een tweede zomer dat jaar. Als we in Santiago aankomen, voldoet de trillende horizon aan onze verwachtingen. Dertig graden hitte, maar helaas is dit niet onze eindbestemming. Twee dagen later staan we diep in het Chileense oerwoud, in een geïsoleerd dal, het Valle di Cóchamo. We hebben 250 kilo materiaal en 100 kilo voedsel bij het laatste huis in het dal achtergelaten. Vier dappere paardjes zullen deze kilo’s voor ons dieper het dal in zeulen. Zelf lopen we met lichte tred verder, zonder uitzicht op de rotsen, laat staan op de 1000 meter hoge granieten wanden waarvoor we gekomen zijn. Aan beide kanten van het dal heersen enorme sequoia’s en grote bamboestelen over de steile hellingen. Slechts het heldere blauwe water van de beek onderbreekt deze groene wereld. Vijftien kilometer verder wordt het dal breder en breken de mistflarden open, om ons eindelijk een blik te gunnen op het paradijs waar we de komende maand gaan verblijven. Overal rijzen enorme wanden van glanzend graniet uit het oerwoud op, om bedekt met een fris laagje sneeuw de blauwe hemel te trotseren. Onze pas versnelt met het verlangen eindelijk rots te voelen. Twee uur later staan we bij de Rifugio Cóchamo, een eenzaam houten huis omringd door bigwalls. De Amerikaanse klimmer Daniel Seelinger

We kiezen de Cerro la Junta uit om in te klimmen heeft hier met zijn Argentijnse vrouw zijn zomerse thuisbasis van gemaakt en biedt daarmee een onderdak voor ons, granietaspiranten. Stromend water, een dak boven het hoofd, stroom via een generator, en ja, zelfs het plaatselijke bier is voorradig. Nadat de paarden zijn aangekomen en we onze hele rotzooi op orde hebben gebracht, storten we ons op de topo, een behoorlijk dik boek met daarin alle tot nog toe beklommen wanden en routes. We kiezen de Cerro la Junta uit om in te klimmen en het graniet beter te leren kennen. De wand is maar een uur lopen en we verwachten er een goede opwarmer aan te treffen voor meer ambitieuze projecten. Dit blijkt echter ijdele hoop te zijn: de aanloop naar de wand is een waar junglegevecht, compleet met tyroliennes over de rivieren tot aan vijfdegraads Tarzanklimmen. Het ergste zijn de ‘tabanos’, een

soort bovenmaatse paardenvliegen, die verschrikkelijk hard steken en in zwermen om onze hoofden vliegen. Bezweet komen we aan bij de instap en beginnen in de brandende zon te klimmen. De route is maximaal 7a, 700 meter lang en blijkt een nachtmerrie te zijn om af te zekeren. Bovendien loopt er continu een klein watervalletje in de spleten waar je in klimt, dus zijn onze touwen snel doorweekt. Dolle pret bij het abseilen. Katha en ik komen tot 680 meter. Dan sta ik onder een nat dak, waar ik met geen mogelijkheid doorheen kom. CONDORS Patagonië wordt meestal geassocieerd met spleetklimmen. In Cóchamo blijkt dat allemaal een beetje anders. De wanden zijn zeer compact en Onderweg in de jungle. hebben weinig spleten. Door de enorme hoeveelheid regen die er het hele jaar door valt, vormen zich in de platen watergeulen, van centimeters breed tot een meter. Je klimt in deze geulen, waar je je friends door hun V-vorm niet in kunt plaatsen. Off-width spleten waar je net niet lekker in past, komen er veel voor. Maar evengoed klim je veel op platen, stompe versnijdingen en soms op een paar schoorstenen. Ons volgende doel is de Cerro Trinidad, een gigantische monoliet, waarop de meeste routes zijn geopend. Het volledig overwoekerde pad is moeilijk te vinden. We hebben drie uur nodig om bij de wand te komen en sjouwen alle spullen mee om onder te wand te kunnen bivakkeren. In ons gezellige basiskamp koken we op een kampvuur. Water is overal te vinden en voor wilde dieren hoeven we hier niet bang te zijn. Slechts de tabanos en de vele condors zijn de enige andere levende wezens hier op aarde.

|

49


Robinson Crusoe (750 m max 7c) op de Cerro Elifante, die Jorg met Katha en Babsy heeft geopend.

Dé klassieker van het dal is zonder twijfel ‘Bienvenido a mi insomnio’, met zijn bijna duizend meter lange granieten platen en spleten, waar je eenmaal bovenop wordt beloond met een uitzonderlijk panorama: fjorden, vulkanen en de enorme granieten wanden van Cóchamo. Naast de Cerro Trinidad bevinden zich in de directe omgeving van ons kampje nog zo’n tien wanden die tussen de vijfhonderd en duizend meter hoog zijn, waarvan meer dan de helft nog maagdelijk is. Katha, Babsy en ik openen de eerste route op de 750 meter hoge wand van de Cerro Elifante, waar we in twee dagen de 17 lengtes tot 7b vrij kunnen klimmen, terwijl de anderen de eerste vrije beklimming maken van de Cerro Laguna. Door de slecht af te zekeren compacte wanden zijn er tot nog toe weinig pure sportklimroutes en maken we veelvuldig gebruik van artificiële middelen. Wij willen daar verandering in brengen en maken in totaal vijf nieuwe en vrije beklimmingen op verschillende wanden. Zoals de gewoonte is in Cóchamo plaatsen we slechts haken waar geen andere zekering mogelijk is en waar het strikt noodzakelijk is. Langzaam gaat de tijd voorbij, onze pannetjes beginnen te schimmelen. Frisse sokken hebben we al lang niet meer en onze voorraad conservenblikken en rijst raakt op. Enkel graniet hebben we in overvloed. En na drie weken slaat het weer om. De blauwe hemel

verandert in donkergrijs: een helse stortbui die vier dagen lang duurt. Patagonië laat zich van zijn andere kant zien en we weten dat we niet veel tijd meer hebben. Nu pas beseffen we hoeveel er nog in dit dal gedaan kan worden. De mogelijkheden zijn oneindig, de tijd echter niet. Op de enige droge dag besluiten we het dal te verlaten

SPORTKLIMMEN IN CHILI Chili Chili mag dan 3500 kilometer lang zijn, in feite is het een smalle strip land in aanloop naar de Andes die over bijna de volle lengte de grens met Argentinië vormt. Omdat het land noord-zuid georiënteerd is, kent het vele klimaatzones. In Noord-Chili ligt de droogste woestijn ter wereld: de Atacama-woestijn. Er schijnen weerstations te zijn die nog nooit neerslag hebben gemeten. Zuid-Chili vormt een deel van Patagonië en kenmerkt zich door een zeer onstuimig en soms zeer nat klimaat. Verschillende weersystemen botsen hier op elkaar. Het landschap is al even onstuimig: granietwanden, gletsjers, nevelbossen, zeearmen en sneeuwvelden, het is er allemaal te vinden.

Klimmen Het rotsklimmen in Chili ontwikkelt zich in rap tempo. Steeds meer gebieden worden ontsloten en routes geopend. Het bekendste rotsklimgebied van Chili is waarschijnlijk Las Chilcas waar nu

ongeveer tachtig routes behaakt zijn. Op www.escalando.cl is een goed overzicht van alle klimgebieden in Chili te vinden. Chili onderscheidt zich door de granieten bigwall-klimgebieden, die nu snel bekendheid krijgen: Espolones del Brujo, Cordón Granito, Rengo en natuurlijk Cóchamo.

Klimmen in Cóchamo Cóchamo wordt wel het Yosemite van Zuid-Amerika genoemd. De wanden zijn vijfhonderd tot duizend meter hoog, een granieten paradijs in een schitterende omgeving dat nu langzaam ontdekt wordt. De (klim)mogelijkheden zijn er eindeloos. Er zijn nu meer dan honderd routes geopend. Maar verwacht ook in de bekendere routes niet veel haken. Er zit niet veel anders op, maar je zult met een enorme hoop bagage naar Cóchamo moeten reizen. Jorg Verhoeven opende er in december 2008 met een team van Oostenrijkse topklimmers een aantal wat hoger gewaardeerde routes,


Overal rijzen enorme wanden van glanzend graniet uit het oerwoud op, om bedekt met een fris laagje sneeuw de blauwe hemel te trotseren

Valle di Cóchamo.

en keren we terug naar de bewoonde wereld, terug naar alledaagse dingen als auto’s, telefoons, douches en schreeuwende mensenmassa’s. We stillen onze honger naar vlees, vis, burgers en cola, waar we stiekem al weken lang naar verlangden... Al tijdens de terugvlucht besluiten we dat dit niet de laatste keer

was dat we in Cóchamo waren. De granieten wanden hebben een bijzonder plekje in ieders hart ingenomen, een mooie herinnering die naar meer smaakt. Misschien volgend jaar? Anders het jaar daarna, maar één ding is zeker: we komen terug! ▲

waaronder ‘The Dutch Corner’ op de Cerro Trinidad (7c, 550 m). Opvallend was dat een aantal van de bekendste leadklimmers van de wereld, de koningen van het plastic, zich in dat granieten team verenigden. Zo openden David Lama en Katharina Saurwein op dezelfde wand de ‘Footsy variation’, een 1040 m lange route die ze 8a waardeerden.

Cóchamo zijn en je af en toe wat basics kunt krijgen in La Junta. Water is geen probleem, drink uit de beek.

Reis en foerage Wie van Santiago naar het zuiden reist komt ongeveer tot aan Puerto Montt. Veel verder is amper mogelijk. Je kunt er met het vliegtuig heen, maar er rijden ook uitstekende bussen. Sterker nog, er gaan vanaf de busterminal in Puerto Montt bussen naar Cóchamo (drie maal daags, een rit van 2,5 uur). Volg daarna 3,5 km de Rio Cóchamo. Bij de brug begint het 8 km lange pad naar de granieten wanden van Cóchamo. Er is een camping in La Junta, bij de rots. Voedsel kun je het beste inslaan in Puerto Montt, hoewel er een paar winkels in

Weer In sommige delen van Chili is het maken van een weerbericht onbegonnen werk. Het weer kan ontzettend snel omslaan. Het beste seizoen, voorzover daar sprake van is, is in Cóchamo van half januari tot half maart. De gemiddelde temperatuur is 10 graden Celsius en er valt 2000 mm regen per jaar (ter vergelijking Nederland: 9,8 graden en 790 mm).

Websites • www.cochamo.cl/iclima.swf (over het weer) • www.cochamo.org (natuur en milieu) • www.escalando.cl en www.stonedance.com (klimmen in Chili)


In de Gorge de la Reculaz zijn enkele staalkabels aangebracht.

Refuge des Évettes Met kinderen onderweg zijn in de bergen vergt een goede voorbereiding. Toch zijn er veel tochten te maken, ook met jonge kinderen. Hoe steiler, hoe beter, lijkt het. En de aanwezigheid van (speel)water lijkt een voorwaarde.

Het voelt goed om hier onderweg te zijn met mijn zesjarige zoon Tycho. Moederlief en zijn vierjarige zusje gaan vandaag via het gemakkelijke pad omhoog, waarna we elkaar bij de hut weer zullen treffen om er te overnachten. We zijn nog niet koud onderweg als Tycho opmerkt: “Wel lekker rustig hè, zo zonder dat kleine zusje van me, eindelijk geen gezeur aan mijn hoofd!” Ik kan mijn lachen nauwelijks inhouden…

Voor de zekerheid heb ik de nodige veiligheidsmaatregelen genomen voor deze toch wel lastige tocht voor een zesjarige. Een gordeltje, een helm en een stuk touw. Ook heb ik de wandeling een paar dagen geleden al eens hardlopend afgelegd om de ‘sleutelpassage’ – een geëxponeerde staaldraadpassage – even te bekijken. En ja, een stoere tocht zal het zeker worden. “Is het wel lekker steil pap? Moeten we echt klimmen?” had

Tycho meermaals gevraagd. Na een weiland proprieté privée volgens een bordje - kronkelt het smalle paadje steil door laag loofhout omhoog. Hier en daar moet ik bukken onder een poort van groen, terwijl Tycho er als een koning doorheen schrijdt. In de verte zien we al de Gorge de la Reculaz, een meer dan honderd meter diepe kloof waardoor zich een duizelingwekkende waterval


T E K S T E N F OTO ’ S H A R O E N S C H I J F

|

FR ANKRIJK

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

Gemarkeerd omlaag stort. Een koele wind komt ons tegemoet en maakt het stijgen aangenaam. In de schaduw van een rotsblok eten we een broodje gestampte muisjes. Ik wijs Tycho een stervende gletsjer aan de overkant van het dal met daaronder een werkloze morene. “Kijk, 25 jaar geleden kwamen die ijsrivieren nog tot daar,” wijs ik Tycho. Bij een enorme rotspunt die als een zwaard van Damocles over de kloof steekt, bind ik Tycho aan het touw. Een paar dagen geleden had ik hier liggend op mijn buik in een peilloze diepte gekeken, alles in mijn lijf riep weerstand op. Angstvallig houd ik Tycho nu van de rand vandaan. Om de paar meter zeker ik hem over een stalen pen die uit de wand steekt. ‘Moeilijk?”, vraag ik hem. “Nee, makkie!”, antwoordt hij. Het moeilijke stuk is niet lang. Ik houd hem aan touw over een geëxponeerd paadje langs een diepe afgrond. Als we het plateau bereiken worden we begroet door een sneeuwhoen. Nog nooit gezien. Met haar kont in de lucht en haar kop als een kruimeldief heen en weer slingerend kiest zij het hazenpad. Even later bereiken we de hut. Met een glunderend gezicht vertelt Tycho zijn zusje over de stoere tocht. “Zullen we spelen”, is het enige wat ze zegt. ▲

Refuge des Évettes.

KLAUTERPAD NAAR REFUGE DES ÉVETTES Route Plaats van handeling is de zuidkant van de Vanoise (Frankrijk), strikt genomen in de uiterste oosthoek van de Haute Maurienne. De beschreven route start in het gehucht L’Écot, vijf kilometer voorbij Bonneval-sur-Arc, dat als één van de mooiste dorpjes van Frankrijk staat aangemerkt. De route is niet heel lang, maar zeer afwisselend. Tredzekerheid is vereist want op het traject door de Gorge de la Reculaz moet geklauterd worden; er zijn enkele staalkabels aangebracht. Rondtocht: L’Écot (2027 m) - Gorge de la Reculaz – Refuge des Évettes (2591 m) – Plan des Roches – l’Écot. Totaal ca. 3,5 uur met een hoogteverschil van 564 meter. Wij bleven in de Refuge des Évettes (tel. 04 79059664) waar het mogelijk is te overnachten en maaltijden te krijgen. Het is zeer de moeite waard tijd in te ruimen voor het ontdekken van de Plan des Évettes, een drassig gebied met waterpoeltjes en een uitgebreide flora en fauna. Door te starten vanuit Bonneval-sur-Arc wordt de tocht een uur

langer en volg je een romantisch pad langs de noordelijke oever van de Arc. In dit gebied zijn veel andere hutten eenvoudig te bereiken, ook voor kleine kinderen. De Refuge d’Averole, Refuge d’Entre Deux Eaux en Refuge de Vallonbrun zijn bijvoorbeeld allemaal binnen twee uur vanuit het dal te bereiken. Reken voor (kleine) kinderen wel minimaal de dubbele tijd!

Documentatie • Kaart IGN Top 25, blad 3633 ET, Tignes • Wandelkaart Didier Richard, 1:50.000, blad 11, Vanoise Wanderführer Vanoise, Iris Kürschner, Rother Bergverlag, 2004, ISBN 3-7633-4304-0, ook in het Engels en Frans verkrijgbaar.

Vervoer Bonneval-sur-Arc is met het openbaar vervoer te bereiken, maar de bussen vanaf Modane vertrekken slechtst enkele keren per dag (’s ochtends en ’s avonds). Vanaf Bonneval is een lift naar L’Écot meestal snel gevonden.

Met de auto is het eenvoudiger: de snelweg tot Modane, daarna de borden richting Col d’Iseran volgen tot Bonneval-sur-Arc. Vandaar leidt een deels onverharde, maar goede weg naar L’Écot.

53


|

HOOGTELIJN 5-2009

|

TEK S T HERM ANN BRUGGER , PETER PA AL EN WERNER BEIKIRCHER

© Sebastian Hamm

54

18 MINUTEN Wat moet je doen als het ondanks alles toch gebeurt: In enkele secondes verandert een lawine een fantastische tocht in een tragedie. “Karin gaat voorop, zodat zij als eerste de top zal bereiken. Ze traverseert door de laatste flank onder de topgraat langs. Plotseling klinkt een doffe knal en zie ik hoe de flank in zijn volle breedte in elkaar zakt. In tienden van seconden komt een witte sneeuwmassa op ons af, die voor mijn ogen Georg en Sabine meesleurt, en dan bijna geluidloos, maar met grote snelheid naar beneden suist, richting de voet van de gletsjer. Op die plek stapelt de sneeuw zich op. De hele vracht komt tot stilstand en elk geluid verstomt. Ik hoor nog een schreeuw, dan is het dodelijk stil. Ik ben versteend; niet in staat te bewegen. Dan voel ik paniek opkomen. Ik speur vertwijfeld de lawinekegel af, op zoek naar een teken van leven, en

zie Karin half onder de sneeuw liggen. Een arm beweegt. Van Georg en Sabine is geen spoor te bekennen..!” Na enige seconden realiseert Bernd zich dat hij als enige van de groep níet door de lawine is meegesleurd en dat hij in zijn eentje geen minuut mag verliezen om zijn bedolven tochtgenoten te redden. De race tegen de klok begint! Hij handelt alsof hij van buitenaf bestuurd wordt. Onbewust volgt hij precies de handelingen die hij kort geleden nog in een lawinecursus heeft geleerd. Zonder aarzelen skiet hij de lawinekegel af en begint onder de plek waar de bedolven slachtoffers voor het laatst waren gezien met een oppervlakteverkenning. Nadat hij er zeker van is dat Karin aanspreekbaar is, probeert hij met zijn lawinepieps zijn vriendin Sabine te vinden. Het kost hem enkele minuten. Als een bezetene graaft Bernd met zijn lawineschep totdat hij een meter diep in de sneeuw op het bovenlichaam van Sabine stuit. Hij graaft

met blote handen verder totdat ook het gezicht van Sabine vrijkomt. Ze is bewusteloos, ademt niet meer en Bernd stelt vast dat haar mond en neus vol sneeuw zitten. Hij haalt sneeuw weg, opent de ademweg en kantelt haar hoofd. Plotseling begint Sabine te rochelen. Ze ademt weer. Bernd legt haar in stabiele zijligging en haalt zelf opgelucht adem. Karin, die slechts gedeeltelijk bedolven was, is ondertussen van de schrik hersteld en heeft zich uit de sneeuwmassa weten te bevrijden. Van Georg ontbreekt elk spoor of signaal. Hij had zijn lawinepieps niet aanstaan en zal pas enkele uren later door de ingevlogen reddingsdienst worden gevonden. Voor hem komt hulp te laat. WAT BEPAALT OF JE EEN LAWINE OVERLEEFT? • Wie boven blijft, haalt het Deze stelling klinkt misschien als een reclameslogan, maar de reddingsstatistie-


V E R TA L I N G V E I L I G H E I D S C O M M I S S I E N K B V/ F L O R I A N VA N O L D E N

|

HOOGTELIJN 5-2009

0-18 minuten Overlevingsfase

Overlevingskansen (procenten)

De overlevingskans is meer dan 90%. Richttijd voor redding door tochtgenoten.

100% 18-35 minuten Verstikkingsfase 60% van alle geheel bedolven slachtoffers overlijden door gebrek aan zuurstof.

80%

35-90 minuten Latente fase

60%

Bedolven slachtoffers kunnen 1,5 tot 2 uur overleven als ze een ademruimte hebben; ze overlijden daarna door onderkoeling en verstikking.

40% 90 minuten Georganiseerde redding Richttijd voor de berging door professionals.

20% 0% 0

20

40

60

80

100 120 140 160 180 200 220 240 Tijd onder de sneeuw (minuten)

Overlevingskans van een geheel bedolven lawineslachtoffer, afgezet tegen ‘reddingsduur’. Met beschrijving van verschillende stadia.

ken bevestigen het: 66 procent van alle lawineslachtoffers wordt slechts gedeeltelijk door de lawine bedolven (hoofd en bovenlichaam blijven vrij); 34 procent van de slachtoffers raakt geheel bedolven. Terwijl van de niet of slechts gedeeltelijk bedolven slachtoffers maar 3 procent overlijdt, haalt van de geheel bedolven slachtoffers maar liefst 49 procent het niet. • Time is Life Bij geen enkel type noodgeval in de Alpen is tijd zo’n belangrijke factor en tegelijkertijd zo moeilijk te beïnvloeden als bij een geheel bedolven slachtoffer. De zogenaamde overlevingscurve geeft de waarschijnlijkheid aan dat een bedolven lawineslachtoffer tijdens het verloop van de redding nog in leven is. De afname van de overlevingskansen gedurende de opeenvolgende fases is indrukwekkend, zoals je kunt zien in de grafiek hierboven. De eerste 18 minuten nadat het slachtoffer bedolven is, blijft de overlevingscurve op een hoog niveau. 91 procent van de slachtoffers is dan nog in leven. Slechts 9 procent overlijdt, vooral door dodelijke verwondingen. De eerste 20 minuten zijn dus cruciaal voor degenen die niet zijn meegesleurd door de lawine, om hun tochtgenoten te redden.

Tussen de 18 en 35 minuten na het ongeval laat de grafiek een sterke daling zien. Een ‘dodelijke knik’ in de curve toont dat de overlevingskans daalt van 91 procent naar 34 procent. Deze ‘dodelijke knik’ wordt verklaard door de verstikkingsfase waarin veel slachtoffers overlijden. Zo’n 60 procent van de slachtoffers overlijdt aan zuurstoftekort, doordat hun ademweg verstopt raakt door sneeuw. Alleen wie onder de lawine een vrije ademweg behoudt, kan nog overleven na 35 minuten. Tussen 35 en 90 minuten laat de grafiek een opvallend vlakke lijn zien. Dat betekent dat gedurende die fase relatief weinig slachtoffers komen te overlijden. De slachtoffers bij wie door zwembewegingen of door toeval een ademruimte is ontstaan, zullen deze fase overleven. Ook als de ademruimte heel klein is, is het mogelijk dat een slachtoffer zonder grote problemen anderhalf uur lang onder de sneeuw ligt. Tussen de 90 en 130 minuten zullen veel van deze slachtoffers echter alsnog sterven aan een combinatie van onderkoeling en verstikking. Slechts 7 procent van de slachtoffers overleeft langer dan 2 uur onder een lawine, doordat zij over een grote ademruimte beschikken of omdat zij een luchtverbinding hebben naar de buitenlucht.

LEVENSREDDENDE ADEMRUIMTE EN ONDERKOELING Bedolven lawineslachtoffers met een ademruimte hebben een significant grotere kans om te overleven. Ook als zij slechts een kleine holte voor hun mond en neus hebben, kunnen zij nog enige uren in leven blijven. Door de verhoogde concentratie kooldioxide (uitgeademde CO2) en het tekort aan zuurstof (O2) verliest het slachtoffer snel het bewustzijn. Het rillen door de kou zal dan stoppen, waardoor de het lichaam nog sneller afkoelt. En juist daarin ligt nog een overlevingskans. Doordat de lichaamstemperatuur daalt, daalt ook de zuurstofopname van het lichaam. Dit mechanisme kan het zuurstoftekort in de sneeuw compenseren. Ook als de ademholte klein is, en de sneeuw weinig zuurstof bevat, kan een lawineslachtoffer in een staat van ‘vita minima’ overleven: het slachtoffer overleeft in een staat van diepe bewusteloosheid, een nauwelijks vast te stellen ademhaling en een nauwelijks voelbare hartslag. Als een slachtoffer een zeer lage lichaamstemperatuur heeft, kan hij/ zij zonder schade zelfs enkele minuten lang een volledige hartstilstand doorstaan. Onderkoeling (hypothermie) waarbij het lichaam afkoelt tot onder 35° Celsius, is een levensgevaarlijk maar tegelijkertijd fascinerend fenomeen. Enerzijds dreigt de bevriezingsdood, anderzijds geven enkele sensationele voorbeelden hoop. Er zijn gevallen bekend waarbij zwaar onderkoelde slachtoffers (de laagste gemeten lichaamstemperatuur in dezen is 13,7° C) konden overleven zonder blijvende schade, nadat ze met behulp van een hartlongmachine waren opgewarmd. Deze levensreddende ‘winterslaap’ kan alleen intreden als de ademweg van het slachtoffer vrij is. Als sneeuw de ademweg verstopt, dan zal het slachtoffer stikken, ruim voordat onderkoeling een rol speelt. De diagnose of de ademweg vrij is, is daarom belangrijk voor een arts om te beoordelen of een slachtoffer voor opwarming naar een kliniek met een hartlongmachine moet worden gebracht. • Men spreekt nog van een vrije ademholte als de mond en neus sneeuwvrij zijn. De constatering dat het slachtoffer geen vrije ademholte heeft gehad, wordt alleen dan gedaan als de mond en de neus door sneeuw luchtdicht zijn verstopt.

|

55


56

|

HOOGTELIJN 5-2009

FREQUENTIE DODELIJKE TRAUMA’S Uit onderzoek van Matthias Hohlrieder blijkt dat slechts circa 5 procent van de dodelijke slachtoffers in Oostenrijk door trauma (verwondingen) om het leven komt. Bij deze cijfers moet je in het achterhoofd houden dat de aard van het landschap een belangrijke factor is en dat de kans op dodelijke verwondingen in andere gebieden hoger kan zijn. De overlevingskans van een lawineslachtoffer hangt van vier factoren af: • De mate van toedekking onder een lawine • De tijd waarbinnen het slachtoffer wordt uitgegraven • Al dan niet vrije ademweg van het slachtoffer • De ernst van de verwondingen EERSTE HULP BIJ EEN LAWINEONGEVAL Uit de grafiek kunnen wij twee richttijden afleiden die van belang zijn om lawineslachtoffers te redden:

© Creative Image

WAT TE DOEN ALS EEN LAWINE AFGAAT? • De meegesleurde personen in de stromende lawine nauwkeurig volgen. Verdwijnpunt markeren. • Onmiddellijk alarmeren (Europees noodnummer 112, maar liever het nummer van de plaatselijke reddingsdienst) met mobiele telefoon, maar alleen als dit zonder tijdverlies kan! Als het niet mogelijk is meteen de alarmdiensten te bellen, dan eerst met alle overgebleven groepsleden minstens twintig minuten lang zoeken, voordat een groepslid afdaalt om hulp te halen. • Zoeken met lawinepieps en gelijktijdig de oppervlakte van de lawinekegel afzoeken met ogen en oren. • Na het gedetailleerd zoeken met de lawinesonde de plek en de diepte van het lawineslachtoffer bepalen. De sonde in het sneeuwdek laten steken als het lichaam gevonden is. • Uitgraven met alle beschikbare scheppen. Niet vanaf boven het slachtoffer een gat naar beneden graven, maar opzij graven vanuit de dalkant naar het slachtoffer toe. • Als een lichaamsdeel van het slachtoffer is bereikt, dan meteen met de hand langs het lichaam een luchtkanaal naar zijn mond graven. Ademweg vrijmaken. • Indien nodig reanimeren. Hiermee beginnen voordat het slachtoffer geheel uitgegraven is.

1. Niet bedolven tochtgenoten moeten proberen met elkaar binnen 20 minuten de redding te volbrengen, omdat in deze tijd bijna alle lawineslachtoffers zonder dodelijke verwondingen, nog kunnen worden gered. Deze richttijd hoort iedereen die zich ‘s winters buiten de piste begeeft te kennen. 2. Voor een georganiseerde redding geldt 90 minuten als richttijd, waarbinnen de slachtoffers gered kunnen worden die een ademruimte hebben DREIGENDE VERSTIKKING - SNELLE BERGING DOOR TOCHTGENOTEN Tot 35 minuten na de lawine is snelheid in het lokaliseren en uitgraven van een slachtoffer essentieel, om de verstikkingsdood voor te zijn. Elke minuut telt, en alle middelen moeten worden ingezet om alle vermiste personen op tijd te kunnen bereiken: onze zintuigen, ogen en oren om gedeeltelijk bedolven slachtoffers te lokaliseren, lawinepieps en lawinesondes voor geheel bedolven slachtoffers. Robuuste sneeuwscheppen zijn nodig om door het harde lawinesneeuwdek heen naar het slachtoffer toe te graven. Als je bedenkt dat je voor lokalisering met lawinepieps ten minste 3-5 minuten per slachtoffer nodig hebt, en dat je voor het uitgraven 10-15 minuten nodig hebt, dan kun je je voorstellen hoe snel de kostbare tijd door je vingers glipt. Dit geldt helemaal wanneer meerdere personen door de lawine vermist zijn en er maar weinig mensen over zijn om ze te redden. BASISREANIMATIE Als een slachtoffer eenmaal gelokaliseerd en uitgegraven is, dient als eerste de ademweg te worden vrijgemaakt. Wanneer een redder bij het uitgraven op het slachtoffer stuit, dan moet hij zo snel mogelijk een luchtweg naar het gezicht graven. Mond en keel moeten vervolgens onmiddellijk worden vrijgemaakt. De ademweg moet verder worden vrijgehouden door het hoofd naar achteren te kantelen. Ademt het slachtoffer uit zichzelf, leg het slachtoffer dan in stabiele zijligging. Ademt het slachtoffer niet dan is mond-op-mondbeademing nodig, zelfs als het slachtoffer nog niet helemaal is uitgegraven. Bij hartstilstand beginnen met reanimatie door hartmassage, als het kan meteen al in het gat dat uitgegraven is, en waar het

windstil is. Bij hartmassage is het belangrijk dat het slachtoffer op een harde ondergrond ligt (bijvoorbeeld platgeskiede of gestampte sneeuw), zodat het borstbeen vijf centimeter kan worden ingedrukt. In de regel worden bij reanimaties dertig borstcompressies gevolgd door twee beademingen. Omdat bij lawineslachtoffers verstikking dreigt, begin je met vijf keer beademen. Hierop volgt de gebruikelijke reanimatie van dertig borstcompressies en twee beademingen. Duurt de redding langer dan 35 minuten, reken dan op zware onderkoeling van het slachtoffer. Het slachtoffer zal, eenmaal in de vrije buitenlucht nog sneller afkoelen, vooral bij vrieskou en wind. Bescherming tegen wind en kou, met alle mogelijke middelen (bijv. jassen, handschoenen, mutsen, reddingsdekens en rugzakken om op te liggen) is dan net zo belangrijk als snel transport naar het dal. REANIMATIE DOOR LEKEN: JA Wanneer het de overlevenden lukt om een reddingsdienst te mobiliseren en als professionele hulp onderweg is, dan moet de reanimatie worden voortgezet totdat het professionele reddingsteam het overneemt. Alleen als er geen hulp te verwachten is, mag een leek pas na lange tijd tevergeefs te hebben gereanimeerd, de reanimatie stopzetten. BLIJVEN OF HULP HALEN? Het scenario is als volgt: Een slachtoffer overleeft de lawine, maar is niet in staat zelfstandig af te dalen. Zijn of haar tochtgenoot is ongedeerd, probeert ter plaatse hulp in te schakelen, maar krijgt geen contact met een reddingsdienst. Moet de tochtgenoot afdalen en hulp halen? Of kan hij of zij beter bij het slachtoffer blijven? De beslissing is niet eenvoudig. Als het slachtoffer bij bewustzijn is en als een meldingspost dichtbij is, dan kun je een slachtoffer korte tijd alleen laten; onder voorbehoud dat het slachtoffer goed aanspreekbaar is en beschut kan zitten of liggen (om verdere afkoeling te voorkomen). Is het slachtoffer slecht aanspreekbaar, of verslechtert zijn toestand, dan zal hij zonder medische bijstand waarschijnlijk niet overleven. Is het te verwachten dat hulp zal komen, dan kan men beter proberen het slachtoffer tegen kou te beschermen (door bijvoorbeeld samen met het slachtoffer in een bivakzak te liggen) en hopen dat redding op tijd komt. Is


ONDERKOELING – VOORZICHTIGE REDDEN Wanneer 35 minuten zijn verstreken nadat de lawine is afgegaan, staat niet het gevaar van verstikking maar van onderkoeling van het slachtoffer centraal. De belangrijkste maatregel bij het redden van een onderkoeld slachtoffer is het vermijden van lichaamsbeweging. Door de koude sneeuw koelt het bloed in de armen en benen sneller af dan in de romp en in het hoofd. Zolang het slachtoffer stil ligt, zal het koudere bloed aan de buitenkant van het lichaam niet doorstromen naar de warmere delen in romp en hoofd. Tijdens de redding en verplaatsing van het lichaam kan echter koud bloed naar het hart stromen waardoor de hartspier onregelmatig gaat samentrekken. Als slachtoffers tijdens de medische behandeling overlijden (de zogenaamde bergingsdood) komt dat meestal hierdoor. Bij een lawineredding is het uitgraven voor het slachtoffer een heikel moment. Ten eerste is het belangrijk dat een eventueel

aanwezige ademruimte tijdens een redding niet wordt stuk gemaakt. Daarom moet je in de buurt van het hoofd zeer voorzichtig graven. Het vaststellen van levenstekens (ademen, beweging), en de aanwezigheid van een vrije ademweg dan wel een ademruimte zijn voor een noodarts indicatie om een behandeling voort te zetten. • Na 35 minuten onder een lawine te hebben gelegen komt het voor een slachtaoffer niet meer op minuten aan, omdat onderkoeling dan een groter gevaar is dan stikken. Het gaat er niet meer om het slachtoffer zo snel mogelijk te redden, maar om het slachtoffer zo zorgvuldig mogelijk en met zo min mogelijk bewegingen uit te graven en adequaat te behandelen tegen hypothermie. Als een ademruimte bij een lawineslachtoffer is vastgesteld, dan is er altijd reden tot hoop. Ook als inmiddels uren verstreken zijn. Ook zonder levenstekens is de situatie niet hopeloos. Het kan zijn dat het slacht-

offer weliswaar zwaar onderkoeld is, maar niet dood. In dit geval moet direct worden gereanimeerd. Daarmee moet worden doorgegaan tot het slachtoffer in een speciale kliniek met behulp van een hart-longmachine weer wordt opgewarmd. Moed en doorzettingsvermogen kunnen zo een slachtoffer redden. NA HET ONGELUK Na hun redding krijgen veel lawineslachtoffers psychische klachten, die de kwaliteit van leven beïnvloeden. De kleinste associaties met het ongeluk kunnen angstige herinneringen oproepen. Ze kunnen leiden tot slaapstoornissen, verminderde eetlust, misselijkheid, schuldgevoelens, paniekaanvallen en depressie. Bij 18 procent van de slachtoffers die overleven blijven deze klachten tot jaren na het ongeluk aanwezig. Daarom zullen geredde lawineslachtoffers tijdig psychische bijstand moeten krijgen. ▲

BEREID JE GOED VOOR Brugger, Paal en Beikircher laten vanuit het perspectief van het slachtoffer zien hoe belangrijk het is dat tochtgenoten snel en efficiënt hun tochtgenoten kunnen redden. Dat dit niet mogelijk is zonder een gedegen opleiding is evident. Steeds meer opleidingen stellen toerskiërs, sneeuwschoenlopers en off-piste skiërs in staat kennis van lawinekunde op te bouwen en te oefenen met verschillende materialen. Denk hierbij aan het zoeken met pieps, sonderen, scheptechnieken, medische behandeling en – last but not least- het voorkomen van lawineongelukken. Gedegen opleidingen worden gegeven door: • NKBV - toerskicursussen en lawinecursussen: www.bergsportreizen.nl • Alpine Rescue Center (in samenwerking met Air Zermatt) - cursus EHBBO en Survival in de winter: www.EHBBO.nl • Snow Safety Center - diverse lawinecursussen: www.snowsafety.nl

© Maunakai Photography

GEORGANISEERDE REDDING Iedereen die in de winter de bergen in trekt hoort de basisregels van een georganiseerde redding en die van professionele medische verzorging te kennen. Een lawineongeval brengt voor de reddingsdienst een zeker risico met zich mee. Er wordt altijd een afweging gemaakt tussen een snelle redding en het gevaar dat zo’n redding voor de bergredders met zich meebrengt. Na-lawines, sneeuwcondities, het weer, het resterende daglicht en de vorm van het terrein; het zijn allemaal factoren waarmee rekening wordt gehouden. Bij twijfel gaat de veiligheid van de reddingswerkers voor die van het slachtoffer. In principe wordt tegenwoordig bij ieder lawineongeval een helikopter ingezet. Op deze manier zijn artsen, reddingswerkers en meestal de lawinehonden met begeleiders (‘docs and dogs’) snel ter plaatse. Ondanks het snelle vervoer door de lucht, lukt een georganiseerde redding zelden in de eerste 35 minuten na het ongeval. Hierdoor kunnen slechts de slachtoffers met ademruimte nog geholpen worden. De meerderheid van de bedolven lawineslachtoffers zal dan echter al overleden zijn.

© Maunakai Photography

er geen vooruitzicht op hulp, dan is het beter om af te dalen en hulp te halen. Anders zouden beiden wel eens slachtoffer kunnen worden.


58

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

T E K S T R O L F W E S T E R H O F, S N O W S A F E T Y C E N T E R

WAT BRENGEN DE NIEUWSTE LAWINEPIEPERS? Lawinepiepers zijn een essentieel onderdeel van de uitrusting van toerskiërs, winterklimmers en sneeuwschoenwandelaars. Waarom? Als je door een lawine verrast wordt, kun je onder de sneeuw ongeveer 18 minuten overleven. Dat is dus veel te kort om de reddingsdienst in te vliegen! De enige kans op overleven is een redding door je tochtgenoten. En dat gaat alleen als ze een lawinepieper, een schep en een sonde hebben. Wat voor piepers zijn er eigenlijk? Een lawinepieper is een zendertje dat de hele dag een signaal uitzendt. Als er een lawineongeluk plaatsvindt kunnen de niet bedolven groepsleden hun zendertje op ‘ontvangen’ zetten en het als een soort radio gebruiken om het signaal van de vermiste personen te zoeken. Effectief en snel zoeken is van levensbelang. Maar welke lawinepieper biedt daarbij de meeste hulp? ‘De beste lawinepieper is de pieper die je het beste kent’, is een bekend gezegde. Dat is net zo waar als niet waar. Het is namelijk een nogal conservatief standpunt dat de aanschaf van een nieuwe pieper per definitie in de weg staat. Een nieuwe pieper ken je immers altijd slechter dan je oude waarmee je veel geoefend hebt. De industrie heeft echter niet stil gestaan; er zijn de laatste jaren grote verbeteringen doorgevoerd die het zoeken veel gemakkelijker maken en dus de overlevingskansen vergroten. Ook voor deze apparaten gaat de stelling natuurlijk op dat je er pas efficiënt mee kunt werken als je er zeer regelmatig mee oefent! VERSCHILLENDE PIEPERS Iets meer dan tien jaar geleden was het aanbod overzichtelijk. Een lawinepieper was een lawinepieper, er waren alleen verschillende merken. In geval van twijfel kocht je gewoon een Ortovox. En als het een ander merk werd, maakte dat eigenlijk niets uit. Maar in 1997 veranderde het speelveld op slag met de komst van de DTS Tracker van Backcountry Access. In plaats van één antenne had de Tracker twee antennes. In 2003 veranderde het speelveld opnieuw met de komst van de Pieps DSP met drie antennes.

Eén-antennepiepers Een antenne ontvangt het gezochte signaal. Dat signaal wordt via een luidspreker doorgegeven. Alle piepers met één antenne zijn ‘analoge’ apparaten. Eén uitzondering sinds 2008: de Pieps Freeride heeft één antenne, maar digitale technologie van binnen. Twee-antennepiepers Twee-antennepiepers maken gebruik van een rekenmodule. Hierdoor wordt het mogelijk een zoekrichting aan te geven. Op een display wordt de afstand en met pijltjes de zoekrichting aangegeven. Daarom noemen we dit type in de volksmond digitale piepers. Let op: de Ortovox M2 lijkt een twee-antennepieper te zijn, maar het is een analoog apparaat met één antenne. Drie-antennepiepers Bij de drie-antennepiepers spelen twee verbeteringen tegelijk. Enerzijds wordt er een derde antenne toegevoegd, anderzijds hebben de nieuwere chips meer rekencapaciteit, wat weer extra functies mogelijk maakt. Als slachtoffers diep onder de sneeuw liggen (dieper dan zo’n 1,5 meter) ontstaan er zogenaamde valse maxima: op het display lijkt het alsof je boven het slachtoffer staat, maar dat is niet zo. Naarmate het slachtoffer dieper onder de sneeuw ligt, wordt de afwijking groter. Dit vereist specifieke zoektechnieken. De derde antenne lost alle problemen met slachtoffers diep onder de sneeuw op. De nieuwe microprocessoren en software maken het mogelijk om elk ontvangen signaal te


Het eerste drie-antennemodel van het Franse Arva was de Arva 3 Axes. De derde antenne springt bij in de laatste tien meter. Hij heeft de mogelijkheid om één signaal te blokkeren. Je blijft ook bij deze pieper de mogelijkheid houden om hem volledig analoog te gebruiken. Verder zit er een indicatie op als er meerdere signalen worden ontvangen: één, twee of meer dan twee. De 3 Axes is net zo snel als de Pieps DSP met het vaststellen van het aantal signalen. Niet zo raar, want ze gebruiken vergelijkbare technologie. Dat maakt de blokkeerfunctie hier ook gevoelig voor storing. Aanbevolen zoekbandbreedte: 40 meter. Prijs: € 279,95 Meer informatie: www.arva-equipment.com

EVO 3 ARVA Eigenlijk is de Evo 3 dezelfde pieper als de 3 Axes, maar dan zonder analoge modus. De indicatie van meerdere slachtoffers beperkt zich tot ja of nee. De Evo 3 is het goedkoopste drie-antenneapparaat op de markt! Aanbevolen zoekbandbreedte: 40 meter. Prijs: € 229,95 Meer informatie: www.arva-equipment.com

© Rogier van Rijn

3 AXES ARVA


TRACKER 2 BACKCOUNTRY ACCESS De Tracker 1 is de onbetwiste winnaar van de digitale pieperrevolutie. De gepatenteerde kruiselingse montage van de antennes garandeert zeer precies en snel zoeken. De langverwachte opvolger komt deze winter uit. Met ‘real time’ afstandsinformatie op het display! Met andere woorden: het veranderen (updaten) van het display gebeurt in milliseconden. Er zit een gebruiksvriendelijke knop op om van zenden naar ontvangen over te schakelen en het ontvangbereik is ook aanzienlijk groter dan dat van de Tracker 1. Er zit een indicatie op die aangeeft of er meerdere signalen zijn en die begint te knipperen als de slachtoffers zo dicht bij elkaar liggen dat er een speciaal zoeksysteem, zoals Drei Kreis, toegepast moet worden. En daarmee is de filosofie van BCA meteen helder: geen wedstrijd in technologie, maar duidelijkheid voor de gebruiker. Als je dit ziet, doe je dat. Altijd. Geen keuzes, geen menu’s. Wel duidelijkheid. De Special Mode bestaat overigens nog steeds. De Tracker2 heeft geen blokkeerfunctie. Aanbevolen zoekbandbreedte: 40 meter. Prijs: € 339,www.backcountryaccess.com

analyseren en te herkennen. En dat schept weer de mogelijkheid om een eenmaal gelokaliseerd signaal te blokkeren. De pieper gaat verder met zijn werk en ‘vergeet’ het eerdere signaal. Dat is extreem handig als er meer mensen dicht bij elkaar onder de sneeuw liggen

Zoekbandbreedte Het ontvangbereik van piepers is beperkt; daarom zul je meestal over het lawineveld moeten heen en weer lopen op zoek naar een signaal. Hoe vaak je moet zigzaggen dicteert de zoekbandbreedte. Hoe groter die is, hoe minder vaak je hoeft te zigzaggen. Dus een grotere zoekbandbreedte bespaart tijd.

De Pulse is een technologisch hoogstandje. Hij kan in de laatste 3.0-versie in de basic modus volledig digitaal opereren, of in de advanced modus zowel analoog als digitaal en met een scala aan instelmogelijkheden. Je kunt hem dan helemaal inrichten naar je persoonlijke voorkeuren. Een pijl geeft aanwijzingen op een 360°-schaal waardoor een ‘180°-fout’ tot het verleden behoort. In de zoekfunctie wordt precies aangegeven hoeveel piepers er zenden en op welke afstand ze zich bevinden, eventueel ook met een aanduiding van wel of geen levensteken. Je kunt vervolgens zelf kiezen welke pieper je wilt zoeken en dat is vrij uniek. Kies je niet, dan leidt hij je naar het sterkste signaal. Er is een speciale functie voor de piepercontrole van de groep. De naam Pulse verwijst naar de hartslag die deze piepers kunnen ‘waarnemen’. Gegevens over wel of geen hartslag (of beter: levensteken) worden met het draadloze signaal doorgegeven aan zoekers die ook gebruik maken van een Pulse. Dat maakt triage mogelijk. Voor iedereen die niet voor Onze Lieve Heer wil spelen kan deze functie ook uit. Draadloos wordt nog meer informatie doorgegeven en dat maakt de wederzijdse herkenning van apparaten sneller en betrouwbaarder. Aanbevolen zoekbandbreedte: 50 meter. Prijs: € 369,Meer informatie: www.mammut.ch

en je niet direct hun zendsignaal kunt uitzetten als je ze hebt gevonden. In het ideale geval lokaliseer je het eerste slachtoffer, druk je op een knop, zoekt vervolgens het tweede slachtoffer, enz. DOET-IE HET OF NIET? Helaas… die blokkeerfunctie werkt niet altijd even goed. En dat is een reden voor discussie. Velen zeggen “Stel je nou eens voor, je hebt zoveel stress en dan werkt het niet!” Dat is waar en heel ellendig. Maar je kunt het ook omdraaien: je hebt zoveel stress, er staan levens op het spel en stel je nou eens voor dat het dan wel werkt! Bovendien zijn de drie-antennepiepers bij meerdere slachtoffers echt niet onbruikbaar als de blokkeerfunctie het niet doet. Ze zijn dan alleen niet meer beter dan een twee-antenneappa-

© Maunakai Photography

© Röbi Bösch © gaspr13

PULSE MAMMUT


HOOGTELIJN 5 -2009

S1 ORTOVOX

DSP PIEPS De Pieps DSP was de eerste drieantennepieper op de markt. Het grote voordeel: het is een uitontwikkeld model waarvoor al diverse software-updates (de laatste is 6.2) zijn gerealiseerd. Hij kan signalen van meerdere piepers onderscheiden en blokkeren, leidt automatisch naar het sterkste signaal. ‘Kijkt’ wanneer andere piepers in de buurt een signaal uitzenden en zorgt ervoor dat zijn eigen signaal altijd goed waarneembaar is (niet ‘overlapt’). Helaas hindert deze technologie het correct functioneren van de blokkeerfunctie van veel andere piepers. De DSP kan meten of het signaal van andere piepers binnen de frequentienorm van 457 kiloherz valt en houdt daar rekening mee (bij versie 6.2). Dit is relevant bij oude analoge piepers (zie kader). De Pieps DSP heeft bij meerdere onderzoeken aangetoond over een zeer groot ontvangbereik te beschikken. De DSP is heel snel met vaststellen hoeveel signalen er zijn. Daartegenover staat dat hij gevoelig is voor valse signalen en ook de blokkeerfunctie is wel eens gevoelig voor storing. Aanbevolen zoekbandbreedte: 50 meter. Prijs: € 369,Meer info: www.pieps.com

raat. Het voordeel dat valse maxima geen probleem meer zijn, blijft echter wel bestaan. Mammut en ARVA hebben alweer de eerste stap gezet naar de nieuwe toekomst door apparaten te voorzien van draadloze communicatie. Daarmee kan allerlei extra informatie uitgewisseld worden. In eerste instantie wordt het vaststellen van het aantal signalen daardoor een stuk betrouwbaarder. Maar je kunt er ook gegevens over waargenomen beweging of tijd onder de sneeuw en dergelijke mee doorgeven. En dat maakt professionele triage, zoals reddingsdiensten die toepassen, mogelijk en ook beter. Zij rangschikken slachtoffers op overlevingskansen en beslissen op basis daarvan wie ze eerst gaan redden. ▲

Ortovox brengt verschillende apparaten met drie antennes op de markt. De meeste gaan helaas gebukt onder klachten die niet voor zouden mogen komen bij deze moderne apparaten. Waarschijnlijk omdat het bereik van de derde antenne, een simpel draadje, veel te kort is. Dat alles geldt echter niet voor hun vlaggenschip, de S1. Hij lijkt nog het meest op een grote mobiele telefoon die automatisch in de zoekfunctie gaat als je hem openklapt. Intrigerend, en op het oog bijzonder gebruiksvriendelijk, is het enorme display. Hierop worden de posities van de verschillende slachtoffers (maximaal 4) met icoontjes weergegeven. Dit moet in één klap inzicht in de situatie verschaffen. De eerste generatie had nog wat kinderziektes, maar die zijn inmiddels verholpen in versie 2.1. De S1 is vrijwel volledig ongevoelig voor ‘ruis’ uit de omgeving, bijvoorbeeld van elektriciteitskabels. Het display verschaft inderdaad een redelijk overzicht van de situatie. Omdat de positiebepaling via de kromme veldlijnen verloopt, verschuiven de poppetjes op het scherm nog wel eens onverwacht. De meeste mensen vinden het prettig, maar sommigen kunnen er totaal niet mee overweg. Het blokkeren is betrouwbaar. In de laatste meters geven steeds kleiner wordende cirkels aan of je dichterbij komt; in het midden staat de afstandsindicatie. Aanbevolen zoekbandbreedte: 50 meter. Prijs: € 399,Meer informatie: www.ortovox.com

Tips • Gebruik alleen alkaline-batterijen! • Draag een pieper onder minimaal één laag kleding of in een zak die in de kleding zit, maar er niet opgenaaid is. • Doe echt elke dag een piepercheck met je groepsleden. Even met jouw pieper op 30 centimeter afstand langszwaaien in de lift of het restaurant is niet genoeg. • Lees de gebruiksaanwijzing en probeer alle instellingen en voorgestelde zoekprocedures. • Besluit welke je de beste vindt en ga echt oefenen. Een oefening met één pieper onder 50 centimeter sneeuw is geen oefening.

|

61


|

HOOGTELIJN 5-2009

LINK ARVA Het grote nieuws bij ARVA is de Link. Een pieper die van dezelfde draadloze technologie gebruik maakt als de Mammut Pulse. En dat maakt hem interessant! Door de draadloze informatieoverdracht wordt het vaststellen van hoeveel signalen er zijn, sneller en betrouwbaarder. Binnenin zit een 32 bits processor. De pijl geeft een richting tot 360 graden aan, waardoor een 180-gradenfout niet mogelijk is met de Link. De Link kan ook analoog gebruikt worden. Hij kan tot vijf signalen aangeven. Er zijn nog geen ervaringen van gebruikers. Pas in de loop van deze winter komt hij op de markt. Aanbevolen zoekbandbreedte: 50 meter. Prijs: € 379,95 Meer informatie: www.arva-equipment.com

© Röbi Bösch

62

VOOR- EN NADELEN Eén-antennepieper

+ Vangt een signaal al op als je nog ver van het slachtoffer verwijderd bent + Presteert onder alle omstandigheden even goed (of slecht) + Er kan bijna niets aan stuk en er zijn geen dingen die niet kunnen functioneren + Goedkoop Vereist zeer veel oefening De zoekweg is lang; je loopt veel heen en weer in het lastige lawineterrein Kwetsbaar voor omgevingslawaai, zoals van een reddingshelikopter Slachtoffers die diep onder de sneeuw liggen (vanaf ongeveer 1,5 meter) zijn met deze apparaten alleen door experts te lokaliseren Veel van de oudere apparaten zenden een signaal uit dat ernstig afwijkt van de 457 kHz norm. Bij ernstige koude wordt dit nog erger. Ze kunnen in dat geval minder goed gelokaliseerd worden door andere piepers. Trage piepfrequentie maakt het voor digitale piepers ‘moeilijker’ om ze te vinden.

– – – – – –

Twee-antennepieper

+ Groot bedieningsgemak (zeker voor niet-experts) + Visuele ondersteuning van het zoekproces

+ Extra auditieve ondersteuning van het zoekproces mogelijk + Persoonlijke voorkeuren aanbrengen middels een menu soms mogelijk

+ Korte zoekweg + Soms aanduiding meerdere slachtoffers + Soms een speciale functie voor gevallen met meerdere slachtoffers

– Vaak een korter ontvangbereik – Het rekenwerk van de pieper kost soms veel reactietijd – Verwarrende informatie bij meerdere slachtoffers – De problemen met slachtoffers diep onder de sneeuw bestaan nog

steeds. Weliswaar zijn er met twee antennes ook voor niet-experts oplossingen mogelijk, maar het blijft lastig

Drie-antennepieper

+ Groot bedieningsgemak (zeker voor niet-experts) + Slachtoffers diep onder de sneeuw gemakkelijk te lokaliseren + Meestal handige blokkeerfunctie + Snel in het rekenwerk + Software updates verkrijgbaar

– Blokkeerfunctie is niet 100 procent betrouwbaar – Bij sommige modellen (o.a. Pulse en S1) moet je af en toe echt stil staan. In ongunstige situaties komt dit regelmatig voor.


64

|

HOOGTELIJN 5-2009

|

T E K S T O N D E R R E D A C T I E VA N P I E T E R D I R K S Z

Recensies & signalementen

Lukrake selectie

Tre Cime

Bergcowboy

Bladerend door Hochtouren Westalpen krijg je onmiddellijk zin om in de trein te stappen en naar Zwitserland te rijden. De 86 beschreven routes zijn geïllustreerd met schitterende foto’s. De beschrijvingen van de toeren zijn uitgebreid en nauwkeurig. Het boek doet enigszins denken aan Plaisir Alpin van Filidor, maar er zijn ook duidelijke verschillen. Ten eerste het formaat: de gids is zo groot en zwaar dat je deze niet mee kunt nemen in je rugzak. Je zult genoegen moeten nemen met kopietjes of digitale foto’s tijdens de tocht. Ten tweede de selectie van de routes. Deze lijkt enigszins lukraak en varieert van de Weissmies Normalweg (PD-) tot de Heckmairroute door de Eigernoordwand (TD+). De doelgroep is daarmee onduidelijk en dat geven de auteurs ook toe in de inleiding: ze hebben geenszins geprobeerd een ‘Schönste Touren’ boek samen te stellen, maar hebben bergen geselecteerd uit hun eigen klimverleden. Meestal blijft de beschrijving per berg beperkt tot één route en er wordt weinig aandacht besteed aan bijvoorbeeld varianten en alternatieve afdalingen. Dat maakt het boek weliswaar leuk om door te lezen en geïnspireerd te raken, maar het vormt nauwelijks een zinvolle aanvulling op de bestaande literatuur. [Sjors Kurvers]

De Tre Cime di Lavaredo, ofwel de Drei Zinnen in de Sextener Dolomiten staan niet bekend om hun rotsvastheid of makkelijke beklimmingen. Toch zijn vooral de zuidwanden met alpiene routes tot 30 touwlengtes ongekend populair. Hoog tijd voor een eigen topo dus, schrijft Christoph Hainz in zijn voorwoord bij dit routebijbeltje van Italiaanse makelij. Ook Alexander Huber doet een aanbeveling, dus dat zit vast goed. Gelukkig is de gids vertaald naar het Engels, zodat we beide heren kunnen begrijpen. De overzichtsfoto’s, met routelijntjes erin gezet, zijn haarscherp en talrijk, alsof je ze vanuit je hotelraam met een verrekijker zit te bekijken. De schematische routetekeningen hebben niet zoveel diepte als bijvoorbeeld die in de Schweizplaisir-gidsjes, maar gedetailleerd en vol symbooltjes voor ieder routekenmerk zijn ze wel. Het respect voor de rijke klimhistorie - laat dat maar aan de Italianen over! - druipt van de pagina’s. Ook de actiefoto’s zijn soms adembenemend. De vormgeving is sober; de handige approach- kaartjes zijn spaarzaam. Alsof de makers willen zeggen: opsmuk is overbodig, al onze energie zit in de routebeschrijvingen. [Moniek Janssen]

Voor de lezers van Hoogtelijn zal de naam Gerard den Toonder geen onbekende zijn. Met enige regelmaat verschijnen er van hem artikelen in Hoogtelijn. In Cowboy in Nepal heeft hij ruim dertig verhalen gebundeld. Ze gaan over de bergen klimtochten die Den Toonder in de loop der jaren heeft gemaakt, waarvan een aantal reeds is gepubliceerd in Hoogtelijn. Nu eens niet de sensationele verhalen van stoere beklimmingen van achtduizenders of ijzingwekkende wanden, maar nuchtere verhalen over huttentochten of een weekendje Freyr. Daarmee is het boek heel herkenbaar voor veel bergsporters. Maar dat is misschien ook de achillespees van het boek. Er zit een element van herhaling in, waardoor de aandacht kan verslappen tijdens het lezen van de opeenvolgende verhalen. Echt een boek om geregeld even weg te leggen om er optimaal van te kunnen genieten. Na elke belevenis biedt Den Toonder summiere informatie om zelf de tocht te ondernemen. Jammer genoeg is die té summier om er echt mee uit de voeten te kunnen. Den Toonder heeft echt iets met de bergen. Maar de cowboy uit de titel wekt bij mij andere verwachtingen; hij ontbreekt toch wel een beetje als vrijheidssymbool. De meeste tochten lijken een ijzeren discipline vereist te hebben om ze voor te bereiden en vervolgens te voltooien binnen de gegeven tijden van de vakanties van de schrijver. (Pieter Dirksz)

Hochtouren Westalpen, Band 1 Wolfgang Pusch e.a. Rother Bergverlag 2009 ISBN 9783763330287 Prijs: € 29,90

Tre Cime, Classic and modern routes Erik Svab, Giovanni Renzi Topos: Eugenio Pinotti Edizioni Versante Sud, 2009 ISBN 978-88-87890-97-6 Engelstalig, vertaald uit het Italiaans Prijs: € 25,50

Cowboy in Nepal (bergverhalen) Gerard M. den Toonder Free Musketeers, 2009 ISBN 9789048406500 Prijs: € 18,95


HOOGTELIJN 5-2009

Pembroke Alan James en Mike Robertson, Rockfax.com, Sheffield, ISBN 9781873341124 Een klimgids van de klimgebieden (seacliffs) in de omgeving van de stad Pembroke (Wales). Een beproefd recept: foto’s met daarop het verloop van de route’s aangegeven (maar niet met de sleutelpassage’s of de moeilijkheidsgraad) en korte beschrijvingen van de routes. In dit gebied gelden soms beperkingen vanwege broedende vogels (periode maart tot augustus) of vanwege militairen oefeningen.

Korsika - GR20 Willi en Kristin Hausmann, Bergverlag Rother, 2010, ISBN 9783763343539 Een klassieker onder de GR’s is de GR20 op Corsica wel te noemen. De 180 kilometer lange route wordt beschreven in 18 etappes. Er worden ook varianten en topbeklimmingen beschreven. Een goede tip uit de gids is de reserveringsplicht die sinds mei 2009 schijnt te gelden voor de hutten (en bivakkeren in de omgeving van die hutten) in het Nationaal Park (www.parc-corse.org).

Piemont Nord Iris Küschner, Bergverlag Rother, 2009, ISBN 9783763343607 In deze wandelgids worden veelal dagwandelingen beschreven in het gebied tussen Domodossola in het noordoosten van Piemonte tot Pinerolo zuidwestelijk van Turijn. Er zijn veel aantrekkelijke deelgebieden te onderscheiden zoals de zuidzijde van de Gran Paradiso of Cottische Alpen met onder andere de Mon Viso. Voor de wandelliefhebber is in dit wandelgidsje veel moois te (her)ontdekken.

Toskana Süd Rolf Goetz, Bergverlag Rother, 2007, ISBN 9783763341696 In deze wandelgids beschrijft Goetz vooral korte wandelingen (tussen de 2 en 4 uur) in het gebied van de Chianti tot het eiland Giglio voor de kust van zuidelijke Toscane. Prima gidsje voor een combivakantie in het voor- of najaar met wandelen, cultuur en gastronomie in Toscane.

Bergfloh 3, Berner Oberland und Wallis Remo Kundert en Werner Hochrein, Rotpunktverlag, 2009, ISBN 9783858693945 Al weer het derde deel met echt leuke meerdaagse kinderwandelingen in Zwitserland. Ze zijn zelfs zo leuk dat ze ook geschikt zijn voor luie volwassenen die graag kneutertochtjes maken. Veel achtergrondinfo over de omgeving en tips om het leuk te houden voor de kids.

Türkische Riviera Rolf Goetz, Bergverlag Rother, 2010, ISBN 978376334374 Een wandelgids van het gebied net westelijk van Antalya dat naast zon en zee trouwens ook iets te bieden heeft voor sportklimmers. In de maanden maart tot mei is het klimaat aangenaam om te wandelen (en te klimmen).

Weserbergland Ulrich Tubbesing, Bergverlag Rother, 2008, ISBN 9783763341191 Voor een Duitse uitgever is het onvermijdelijk om op de golven van de populariteit van het wandelen ook een reeks wandelgidsjes uit te geven van uiteenlopende Duitse wandelgebieden. Het Weserbergland iligt in de driehoek Osnabrück-HannoverKassel. Voor de Nederlandse wandelaar gemakkelijk bereikbaar om een weekendje te wandelen.

Wochenenden im Tiefschnee Peter Keill, Bruckmann Verlag, 2009, ISBN 9783765448447 Naar welke hut in de Oostalpen moet je gaan om de mooiste weekendtripjes op je toerski’s te maken? Peter Keill heeft 36 mooie plekken op een rijtje gezet en geeft tips voor de toeren die je er kunt maken.

INTERNET Kijk voor meer recensies en signalementen op www.hoogtelijn.nl. Klik op de cover van Hoogtelijn 5/2009 en kies Recensies & Signalementen.

|

65


66

|

HOOGTELIJN

NKBV ledeninformatie � � �� � � � �� � �� � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � � �

���������� ���������� ��������������������������� �����������������������������������

BERGSPORTREIZEN

.nl

K O N I N K L I J K E

N E D E R L A N D S E

K L I M -

E N

B E R G S P O R T V E R E N I G I N G

Hoofdlid > 18 jaar Seniorlid > 65 jaar Juniorlid 18 t/m 24 jaar Gezinslid > 18 jaar Jeugd(gezins)lid < 18 jaar

������������� ��������������

����������������� ������������������������� ������������������������������������

Lidmaatschap

* alpiene cursussen * sportklimmen * alpiene trektochten * bergsportkampen * bergwandelen + * vreemde voettochten * jeugd * gezinsreizen * 50

2009 r00-br0108-cover.indd 4

€ 46,50 € 46,50 € 43,50 € 38,00 € 15,00

Lid worden? Meld je online aan via www.nkbv.nl. Hier vind je ook de algemene voorwaarden voor het lidmaatschap – waaronder de regels van het opzeggen van het lidmaatschap.

03-12-2008 09:10:18

Lidmaatschap - jouw voordelen

Goed verzekerd in januari

• Kortingen in hutten, bergsportzaken en klimhallen • Doorlopende reis- en [bergsport] ongevallenverzekering voor € 22,50 per kalenderjaar • Doorlopende annuleringsverzekering vanaf € 40,00 per jaar • 5 keer per jaar hèt enige Nederlandse allround bergsporttijdschrift ‘Hoogtelijn’ • Bergsportreizen.nl met cursussen en tochten • Regionaal activiteitenprogramma • 24 uur per dag klim- en bergsportnieuws op NKBV.nl • Klim- en bergsportinformatienummer 0348-409521 • 7 gespecialiseerde klim- en bergsportbibliotheken en informatiecentra verspreid in het land • Klimjaarkaart voor buitenmassieven in België • Deelname aan sportklimwedstrijden • Gratis kennismakingsles sportklimmen bij Mountain Network ter waarde van € 12,50 • Opleidingen • Online ledenadministratie, wijzig je gegevens online via nkbv.nl

Wie in de periode december/ januari op vakantie gaat en niet in de gelegenheid is de verzekeringspremie in december over te maken, kan gebruik maken van de uitloopregeling. Deze houdt in dat, indien de premie later dan 1 januari maar vóór 31 januari betaald is en de verzekerde het voorgaande jaar ook via de NKBV verzekerd is geweest, hij gedurende de hele maand januari is verzekerd. In de polisvoorwaarden wordt deze regeling toegelicht.

Lekker gemakkelijk Lidmaatschap en verzekering gemakkelijk en snel verlengen? Geef een automatische incasso af. Met een automatische incasso ben je ervan verzekerd dat je lidmaatschap en verzekering tijdig verlengd worden. Nog een voordeel: je ledenpas heb je al voor de Kerst in huis. Het incassoformulier staat op de website: www.nkbv.nl/Vereniging/Lidmaatschap/4436.html Bij leden die reeds een automatische incasso hebben afgegeven, wordt begin december de contributie en verzekeringspremie afgeschreven.

Facturen 2010 De acceptgirokaarten voor de contributie en de verzekering worden meegezonden met Bergsportreizen.nl 2010 die in de week voor Kerst wordt verspreid. Wanneer de acceptgirokaarten onjuistheden bevatten, neem dan contact op met de afdeling sportservice, telefoon 0348-409521 of mail naar info@nkbv.nl. Na verwerking van de betaling ontvangen leden hun ledenpas 2010.

Bureau rond Kerst gesloten Het NKBV bureau is van 24 december 13.00 uur tot en met 1 januari gesloten. Vanaf 4 januari is het bureau telefonisch weer bereikbaar. Tussen Kerst en oud & nieuw worden dringende vragen per mail wel beantwoord. Mail naar: info@nkbv.nl. Voor actuele informatie over eventuele sluitingen: www.nkbv.nl

Decembercadeautjes Ben je op zoek naar een leuk Sinterklaas- of Kerstcadeau? Kijk in de NKBV-webwinkel voor interessante boeken, handige topo’s, films en kleding. Je kunt de cadeaus online bestellen; ze worden binnen een week thuisbezorgd. Kijk op: www.nkbv.nl/Webwinkel/

Bergsportdag 14 maart 2010 Jij bent er toch ook!


HOOGTELIJN 5-2009

|

67

Vooruitblik

Hoogtelijn 1-2010 verschijnt 5 februari

Hoogtelijn is het officiële tijdschrift van de Koninklijke Nederlandse Klim- en Bergsport Vereniging (NKBV) Het verschijnt vijf keer per jaar, in februari, april, juni, september en november. Artikelen en bijdragen in Hoogtelijn zijn op persoonlijke titel geschreven tenzij anders vermeld. Niet elk(e) artikel of bijdrage van een redacteur of andere schrijver geeft per definitie de mening of het standpunt van de Koninklijke NKBV weer. De redactie staat open voor bijdragen van leden en derden waarbij de redactie het recht heeft, zonder opgave van redenen, de bijdragen niet te plaatsen. Het al dan niet op verzoek van de redactie aanbieden van artikelen aan Hoogtelijn impliceert toestemming voor openbaarmaking en verveelvoudiging ten behoeve van de elektronische ontsluiting van Hoogtelijn. REDACTIE Peter Daalder (hoofdredacteur), Mieke Scharloo (eindredacteur), Ernst Arbouw, Pieter Dirksz (penningmeester), Frank Husslage, Moniek Janssen, Sjors Kurvers, Ivar Schute. MEDEWERKERS Jody Hagenbeek, Peter uijt de Haag, Christine Tamminga, Arnold Tang, Milka van der Valk Bouman (correctie); Saskia Gottenbos (cartografie); Toon Hezemans (cartoon); Martijn Schell

Programma 14 maart

BERGSPORTDAG

REDACTIE-ADRES NKBV-Bureau, t.a.v. Secretariaat Hoogtelijn Postbus 225, 3440 AE Woerden E-mail redactie Hoogtelijn: hoogtelijn@nkbv.nl NKBV-BUREAU Open ma t/m vrij 9.00-12.30 uur en 13.00-16.00 uur. Telefonisch bereikbaar: ma 13.00- 16.00 uur di t/m vrij 10.00 – 12.30 uur en 13.00 –16.00 uur Bezoekadres: Houttuinlaan 16-A, 3447 GM Woerden Postadres: postbus 225, 3440 AE Woerden Tel: 0348-409521 / Fax: 0348-409534 E-mail: info@nkbv.nl Homepage: http://www.nkbv.nl

Slacklinen

de eerste stappen

Motiveer je kids naar boven

TOPPERS € 3,- per 30 tekens, min € 9,- per Topper. Download het opgaveformulier van de website: www.nkbv.nl/tijdschrift/toppers of vraag het aan via 0348-409534 Sluitingsdata Katern Verenigingsinformatie nr 2010/1: 14 januari 10.00 uur nr 2010/2: 18 maart 10.00 uur ADVERTENTIE EXPLOITATIE ManagementMedia BV, Emmastraat 61, postbus 1932, 1200 BX Hilversum tel: 035-6232756, fax: 035 6232401 Olger Kooring & Peter Dierdorp olger.kooring@managementmedia.nl peter.dierdorp@managementmedia.nl VORMGEVING Studio ManagementMedia, Edith van de Giessen (art director), Meta Pols DRUK: Senefelder Misset, Doetinchem Oplage: 36.500 ISSN: 1387-862X Overname van (delen uit) artikelen is alleen toegestaan na schriftelijke toestemming van de redactie van Hoogtelijn.

Interview met expeditieklimmer en voormalig mijnwerker Andy Cave

Hoogtelijn november 2009  

Hoogtelijn is het enige allround klim- en bergsporttijdschrift van Nederland, van en voor leden! Hoogtelijn verschijnt 5 keer per jaar en bi...