Issuu on Google+

ArcheoProjecten

’t Slot ontsloten Een archeologische opgraving bij Kasteel Gameren ’t Slot rapport 877


’t Slot ontsloten Een archeologische opgraving bij Kasteel Gameren ’t Slot (gemeente Zaltbommel)

Onder redactie van P.C. de Boer

Auteurs: P.C. de Boer (ADC ArcheoProjecten) L. van Beurden (BIAX Consult) D. Duco (Pijpenkabinet Amsterdam) N.L. Jaspers (ArcheoSpecialisten) C. Nooijen (ADC ArcheoProjecten) B. Olde Meierink (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis) A. de Ridder (ADC ArcheoProjecten)


Colofon ADC Rapport 877 ’t Slot ontsloten Een archeologische opgraving bij Kasteel Gameren, ’t Slot (gemeente Zaltbommel) Onder redactie van: P.C. de Boer In opdracht van: Habion Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten (M. Hoppel), tenzij anders vermeld © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, maart 2009 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie: P.C. de Boer

ISBN 978-90-5874-824-3

ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033-299 81 81 Fax 033-299 81 80 Email info@archeologie.nl


Inhoudsopgave Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Samenvatting 1 Inleiding P.C. de Boer, B. Olde Meierink (BBA) en A. de Ridder 1.1 Algemeen 1.2 Vooronderzoek 1.2.1 Historische en iconografische bronnen 1.2.2 Archeologische en bouwhistorische bronnen 1.2.3 Situatie 1969 1.2.4 De bouwhistorische documentatie in 1969 1.2.5 Vooronderzoek ADC ArcheoProjecten 1.3 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen 1.4 Opzet van het rapport 2 Methoden 2.1 AWN-onderzoek 3 Fysisch geografisch onderzoek 4 Sporen en structuren 4.1 Bouwhistorische begeleiding B. Olde Meierink (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis) 4.1.1 Inleiding 4.1.2 Beschrijving van de tijdens de opgraving aangetroffen fundamenten 4.1.3 Bouwwijze 4.1.4 Datering 4.2 Overige sporen en structuren P.C. de Boer 5 Aardewerk en glas N.L. Jaspers (ArcheoSpecialisten) 5.1 Inleiding 5.2 Methode 5.3 Resultaten 5.3.1 De sporen uit de Late Middeleeuwen 5.3.2 De sporen uit de Nieuwe tijd 5.3.3 Conclusie 6 Metaal C. Nooijen 6.1 Inleiding 6.2 Interpretatie 7 Kleipijpen D. Duco (Pijpenkabinet Amsterdam) 8 Keramisch bouwmateriaal en natuursteen P.C. de Boer 8.1 Keramisch bouwmateriaal 8.2 Natuursteen 8.2.1 Een leistenen zonnewijzer 9 Archeobotanisch onderzoek L. van Beurden (BIAX Consult) 9.1 Inleiding 9.2 Methoden 9.3 Resultaten 9.4 Conclusie 10 Synthese 11 Conclusie en aanbeveling 11.1 Beantwoording van de onderzoeksvragen 11.2 Aanbeveling Lijst van afbeeldingen en tabellen Literatuur Bijlage 5.4 Gebruikte bakselcodes Deventer systeem Bijlage 5.5 Gebruikte vormcodes Deventer Systeem Bijlage 5.6 Verhouding tussen baksel- en vormgroepen op basis van Estimated Vessel Equivalents (EVE´s) Bijlage 8.1 Keramisch bouwmateriaal en natuursteen Verklarende woordenlijst

4 5 7 7 7 7 9 9 10 12 12 12 13 14 16 17 17 17 17 21 21 22 27 27 27 27 28 28 29 30 30 33 34 38 38 38 38 40 40 40 40 41 42 50 50 51 52 53 56 56 56 57 58


Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kadastrale gegevens: Kaartblad: Coördinaten: Projectverantwoordelijken: Bevoegd gezag: ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer (CIS-code): ADC-projectcode: Complex en ABR codering: Periode(n): Geomorfologische context: NAP hoogte maaiveld: Maximale diepte onderzoek: Uitvoering van het veldwerk: Beheer en plaats vondsten en documentatie:

Gelderland Zaltbommel Gameren ‘t Slot Sectie D, Het Dorp 45 A NW: 142194/423738; NO: 142288/423739; ZO: 142264/423635; ZW: 142167/423663 J. Vanden Borre en P.C. de Boer Gemeente Zaltbommel, mevr. M. Sanders 20265 4106196 Kasteel (VK) Late Middeleeuwen, Nieuwe tijd Het onderzoeksgebied ligt op een komvlakte van de Waal 3,4 – 4,4 m +NAP 1,10 m -NAP 22 – 31 januari 2007 Provinciaal depot voor bodemvondsten Gelderland


5

Samenvatting In januari 2007 heeft ADC ArcheoProjecten een archeologisch onderzoek uitgevoerd voorafgaand aan de herbouw van zorgcentrum ’t Slot te Gameren. Op basis van het voorafgaande bureau- en booronderzoek was gebleken dat zich in de ondergrond mogelijk resten van kasteel Gameren ’t Slot bevonden. Tijdens de opgraving zijn inderdaad goed bewaard gebleven restanten van het kasteelcomplex gevonden. Het gaat om de restanten van twee grachten en funderingsresten van het kasteel zelf. Na afloop van het onderzoek heeft de AWN aanvullend onderzoek gedaan naar de begrenzingen van het kasteelgebouw. Door deze beide resultaten in samenhang met andere onderzoeksgegevens te bestuderen kunnen in totaal zes bouwfasen worden onderscheiden. In die fasering zien we een overgang van een min of meer weerbaar kasteel naar een boerderij.

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode Nieuwe tijd Nieuwe tijd C Nieuwe tijd B Nieuwe tijd A Middeleeuwen: Late-Middeleeuwen B / Late Middeleeuwen Late-Middeleeuwen A / Volle Middeleeuwen Vroege-Middeleeuwen D / Ottoonse periode Vroege-Middeleeuwen C / Karolingische tijd Vroege-Middeleeuwen B / Merovingische tijd Vroege-Middeleeuwen A / Volksverhuizingstijd Romeinse tijd: Laat-Romeinse tijd Midden-Romeinse tijd Vroeg-Romeinse tijd IJzertijd: Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd Bronstijd: Late-Bronstijd Midden-Bronstijd Vroege-Bronstijd Neolithicum (Jonge Steentijd): Laat-Neolithicum Midden-Neolithicum Vroeg-Neolithicum Mesolithicum (Midden Steentijd): Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum Paleolithicum (Oude Steentijd): Laat-Paleolithicum Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

Tijd in jaren 1500 - heden 1850 - heden 1650 - 1850 na Chr. 1500 - 1650 na Chr. 450 – 1500 na Chr. 1250 - 1500 na Chr. 1050 - 1250 na Chr. 900 - 1050 na Chr. 725 - 900 na Chr. 525 - 725 na Chr. 450 - 525 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr. 270 - 450 na Chr. 70 - 270 na Chr. 12 voor Chr. - 70 na Chr. 800 – 12 voor Chr. 250 - 12 voor Chr. 500 - 250 voor Chr. 800 - 500 voor Chr. 2000-800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr. 1800 - 1100 voor Chr. 2000 - 1800 voor Chr. 5300 – 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr. 4200 - 2850 voor Chr. 5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr. 6450 -4900 voor Chr. 7100 - 6450 voor Chr. 8800 - 7100 voor Chr. tot 8800 voor Chr. 35.000 - 8800 voor Chr. 300.000 – 35.000 voor Chr. tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


6

HEUKELUM HEUKELUM HEUKELUM HEUKELUM HEUKELUM

e Ling 430000

METEREN METEREN METEREN METEREN METEREN

EST EST EST EST EST

NEERIJNEN NEERIJNEN NEERIJNEN NEERIJNEN NEERIJNEN

BB BB Bra ra ra rake ke ke kellllll B ra ra ke ke

HELLOUW HELLOUW HELLOUW HELLOUW HELLOUW

HERWIJNEN HERWIJNEN HERWIJNEN HERWIJNEN HERWIJNEN

TUIL TUIL TUIL TUIL TUIL

BRAKEL BRAKEL BRAKEL BRAKEL BRAKEL BRAKEL 425000

HAAFTEN HAAFTEN HAAFTEN HAAFTEN HAAFTEN HAAFTEN ZUILICHEM ZUILICHEM ZUILICHEM ZUILICHEM ZUILICHEM

Gameren NIEUWAAL 't Slot NIEUWAAL NIEUWAAL NIEUWAAL NIEUWAAL

ZALTBOMMEL ZALTBOMMEL ZALTBOMMEL ZALTBOMMEL ZALTBOMMEL ZALTBOMMEL

HURWENEN HURWENEN HURWENEN HURWENEN HURWENEN

GAMEREN GAMEREN GAMEREN GAMEREN GAMEREN

ROSSU ROSS ROSS ROSS ROSSU ROSS

POEDEROIJEN POEDEROIJEN POEDEROIJEN POEDEROIJEN POEDEROIJEN POEDEROIJEN

ltboooooom mm meeeeeellllll ltb m m ltb m m ltb m m ZZZZZZaaaaaaltb ltb m m AALSTGLD GLD AALST GLD AALST GLD AALST GLD AALST

NDEL DEL NDEL NDEL DEL NDEL

VEEN VEEN VEEN VEEN VEEN

420000

KERKWIJK KERKWIJK KERKWIJK KERKWIJK KERKWIJK

rkd rkd riri KKKKeeeerkd rkdrie

DELWIJNEN DELWIJNEN DELWIJNEN DELWIJNEN DELWIJNEN

N N N N N N W W ijk lb rg W ijk ijk AAAaaalb lbuuurg rg

HOENZA HOENZ HOENZ HOENZA HOENZ BERN BERN BERN BERN BERN

AMMERZODEN AMMERZODEN AMMERZODEN AMMERZODEN AMMERZODEN

HH HH Heeeeeeddddddeeeeeellllll H 10000m GENDEREN GENDEREN GENDEREN GENDEREN GENDEREN 00000 135000

HEUSDENGEM GEMHEUSD HEUSD HEUSDEN GEM HEUSD HEUSDEN 5000m 5000m 5000m

HHHeeeuuusssdddeeennn

140000

145000

's 's 's-H -H -Heeerto rto rtogggeeennnbbbooosssccchhh

150000

Gameren - 't Slot Afb. 1: Locatie van het plangebied bron: Geodan

Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied op de topografische kaart.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


7

1

Inleiding P.C. de Boer, B. Olde Meierink (BBA) en A. de Ridder

1.1

Algemeen

In het kader van vervangende nieuwbouw van het Hervormd Zorgcentrum ’t Slot te Gameren (gemeente Zaltbommel) heeft ADC ArcheoProjecten in opdracht van Habion een archeologische begeleiding en opgraving uitgevoerd. Vooronderzoek (zie §1.2) heeft aangetoond dat zich op deze locatie een kasteelterrein uit de Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd bevindt en mogelijk sporen uit de IJzertijd en of Romeinse tijd (zie voor periodisering tabel 1). De voorgenomen bouwplannen dreigden deze archeologische resten aan te tasten. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1,85 ha, waarvan 1920 m2 voormalige bebouwing is en 1690 m2 ten behoeve van nieuwbouw zal worden vergraven. Het overige gedeelte van het terrein is als grasland in gebruik. Het plangebied ligt in het centrum van Gameren en wordt begrensd door de Waalbandijk aan de noordzijde, de Welkant aan de oostzijde, de Ridderstraat aan de zuidzijde en de Slotshof aan de westzijde. In het gebied zijn 5 werkputten aangelegd met een totale oppervlakte van 1080 m2. Het veldwerk is uitgevoerd tussen 22 januari en 31 januari 2007. In die periode zijn de werkputten aangelegd en onderzocht conform het Programma van Eisen (PvE), dat door M.A. Huisman en P.C. de Boer is opgesteld.1 Dit ontwerp is goedgekeurd door A.A.A. Verhoeven van het Amsterdams Archeologisch Centrum (AAC) van de Universiteit van Amsterdam. De vondsten en bijbehorende documentatie die tijdens de opgraving zijn verzameld, worden gedeponeerd in het Provinciaal depot voor bodemvondsten Gelderland. Het veldteam bestond uit de volgende personen: J. Vanden Borre, (veldarcheoloog, projectverantwoordelijke), G. Williams, mevr. G. Labiau (veldarcheologen), A. de Ridder, B. van der Veken (veldtechnici), R. Mundhenk (veldassistent) en D. Heiboer (kraanmachinist firma A. Tuytel B.V., Alblasserdam). De bij dit project betrokken senior archeologen waren P.C. de Boer (projectverantwoordelijke) en D.A. Gerrets. Na de opgraving zijn door leden van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (afdeling 15; West- en Midden-Betuwe en Bommelerwaard) op de aangrenzende delen van het terrein elektrische weerstandsmetingen en sondages door middel van prikstokken verricht. Op basis van de resultaten heeft men tevens dertien kleine proefputten aangelegd. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in AWN-publicatie 1: ‘ Onderzoek Kasteel Gameren, onderzoek AWN-15’ van Van der Kaaij et al. waarvan wij voor dit rapport gebruik mochten maken. In overleg met het bevoegd gezag is overeengekomen dat het vondstmateriaal en de vondstdocumentatie van het AWN-onderzoek samen met het vondstmateriaal van de opgraving zal worden gedeponeerd. Ook zijn enkele metaalvondsten geconserveerd. Contactpersoon bij de AWN was A. Haneveer. De contactpersoon bij Habion was M. Donkersloot. De contactpersoon gedurende de begeleiding van de saneringswerkzaamheden was H. Monshouwer (Reco-Groep). Het vondstmateriaal is bestudeerd door mevr. L. van Beurden (BIAX Consult, botanische monsters), mevr. K. Esser (ArcheoPlan Eco, botmateriaal dierbegravingen), mevr. N.L. Jaspers (ArcheoSpecialisten, aardewerk), R. van Lil (natuursteen), mevr. C. Nooijen (metaal), B. Olde Meierink (Bureau voor bouwhistorie en architectuurgeschiedenis, bouwhistorie), mevr. M. van Waijjen (BIAX Consult, pollenmonster) en P.C. de Boer (overige vondstcategorieën). Hun bevindingen zijn in de betreffende deelrapporten beschreven.

1.2

Vooronderzoek

1.2.1 Historische en iconografische bronnen De oudste vermelding van Gameren vinden we in een oorkonde uit 1031 waarin sprake is van een kapel. e De tienden en de kerkgift van Gameren waren in de 14 eeuw en later verbonden aan de dagelijkse heerlijkheid. In 1312 wordt Gijsbert de Cock als heer van Gameren vermeld.2 De helft hiervan werd door de heer van het dorp in erfpacht gehouden van de abdij Abdinkhof te Paderborn en de andere helft van de abdij te Elten. De eerste met zekerheid bekende bezitter was Willem van Heukelom die via zijn huwelijk met Elisabeth van Gameren in bezit zal zijn gekomen van de dagelijkse heerlijkheid en het huis. In 1363 werd hij door de heer van Vianen enkel beleend met de heerlijkheid. Daarom wordt er vanuit gegaan dat het kasteel allodiaal bezit was.

1 2

M.A. Huisman & P.C. de Boer 2006, PvE nummer: 06-126. Groenendijk 2002.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


8

We worden pas iets gewaar over het complex zelf door een oorkonde van 22 juni 1534 waarin sprake is van “idt huyss to Gameren mitten bongart ind degelixsche herlicheit…”. Hieruit blijkt dat in die periode een boomgaard deel uitmaakte van het complex. Uit dit document kan ook worden opgemaakt dat in deze periode zowel de dagelijkse heerlijkheid als het kasteel zich in één hand bevonden. In een goederenlijst van 17 augustus 1568 wordt het kasteel als volgt beschreven: “ein edelmans wonyngh met graften vnnd toichbruggen, vnd opt voirgeborchte ein bouwhuisz met ein grote poirte, voirt met syngell vnnd bongart dair an gelegen”

Afb. 1.2.1. Het kasteel door H. Spilman 1721-1784. Na het overlijden van de kinderloos gebleven Dirk van Haeften (vermoedelijk kort voor 1578) werden de heerlijkheid en het slot voorgoed van elkaar gescheiden. In 1650 wordt het kasteel beschreven als: “’t Adelicke huys, ’t welkcke vervallen, metten Cingel, boomgart ende hoff…”. Uit een beschrijving van 1741 blijkt dat men het slot enkele jaren daarvoor heeft vernieuwd. Uit een tekening uit de periode 1721-1784 (H. Spilman) blijkt dat het kasteel bestond uit een hoog en een haaks daarop geplaatst laag gedeelte. Het hoge gedeelte is half dakloos. Op deze tekening zijn bovendien jaarankers zichtbaar waaruit blijkt dat men in 1598 ook al eens herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd. Links op de tekening is een poorttoren zichtbaar. Dit bouwwerk is waarschijnlijk rond 1800 gesloopt en ontbreekt op de kadastrale minuut van 1832. In 1853 brandde het slot door blikseminslag uit waarna nieuwbouw werd gepleegd. In het begin van de 20e eeuw werd het aan de noordkant een schuur toegevoegd. Ten behoeve van de bouw van het verzorgingstehuis is deze bebouwing in 1969 gesloopt. Afb. 1.2.2. Het kasteel Gameren door A. Rademaker. Boven: interieur van het tot ruïne vervallen deel in 1718 gezien vanuit het westen. Onder: het complex gezien vanuit het zuidwesten (Beelaerts van Blokland, Dumas & Ronnes 2006, 133).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


9

1.2.2 Archeologische en bouwhistorische bronnen Op de kadastrale minuut van 1832 ziet men een rechthoekig omgracht terrein. De gracht was in het midden van de zuidzijde over ongeveer 22 meter onderbroken door een dam. Over deze dam is het terrein toegankelijk. Een kleine dam aan de noordzijde maakte het mogelijk het terrein aan de voet van de dijk te bereiken. De bebouwing concentreerde zich in 1832 in de zuidoostelijke hoek. Het hoofdvolume had een afmeting van circa 17 x 13 m met op de zuidwesthoek een iets uitspringend gedeelte.

Afb. 1.23. Kadastraal minuut 1832 met linksboven het kasteelcomplex (Berends & Hulst 1971, afb. 1). Van der Aa wist hier in 1843 over te melden dat in het midden van de vorige eeuw (=18e eeuw) de overblijfselen van het Slot te Gameren zodanig in verval waren geraakt dat men besloot het weer bewoonbaar te maken en als boerenwoning in te richten.3 1.2.3 Situatie 1969 Tot 1969 stond op de zuidoosthoek van het terrein een T-boerderij met een éénlaags voorhuis onder een pannen zadeldak, genaamd ’t Slot. De boerderij zou worden gesloopt, omdat op het terrein het Hervormde Zorgcentrum ’t Slot naar ontwerp van het architectenbureau Zuiderhoek H.B.O. te Baarn zou worden gebouwd. Dit complex werd in 1971 geopend. De jaartalankers 1853 in de voorgevel van de boerderij gaven aan dat het gebouw in dat jaar werd gebouwd of ingrijpend verbouwd. In 1873 meldde Van Acquoy dat het huis in 1853 was afgebrand na een blikseminslag en dat op deze plaats een nieuwe boerderij was gebouwd.4 Dat de boerderij nieuw gebouwd was, was slechts gedeeltelijk juist. De ruw gepleisterde gevels verraadden het gebruik van ouder metselwerk. Tijdens het bouwhistorisch onderzoek in 1969 werd duidelijk dat de gevels nog deels origineel waren en deels opgetrokken waren met behulp van hergebruik van baksteen met een formaat van 27/28 x 12,5/13x6/7 cm en een tienlagenmaat van 80 cm.

Afb. 1.2.4. Foto’s van de boerderij gezien richting het noorden (links; Berends & Hulst 1971, afb. 2); noordwesten (midden) en het westen (rechts), (http://www.arnheminbeeld.nl).

3 4

Van der Aa 1843. Van Acquoy 1873, aangehaald in: Berends & Hulst 1971, 5.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


10

Gewapend met de kennis uit Van der Aa werd in 1932 in het toen verschenen eerste deel Bommelerwaard van de De Monumenten van Geschiedenis en Kunst in de Provincie Gelderland gewezen op de aanwezigheid van een overwelfde kelder in de boerderij met een waterput die volgens de samensteller F.A.J. Vermeulen bij belegeringen een rol zou hebben vervuld.5 In werkelijkheid waren er twee haaks op elkaar staande kelders in de boerderij aanwezig. De genoemde put was in de kleinere oostelijke kelder aanwezig. De opmerking over de belegering wekt de suggestie dat Vermeulen de kelder en put in de Middeleeuwen dateerde. 1.2.4 De bouwhistorische documentatie in 1969 Voorafgaande aan de sloopwerkzaamheden van de boerderij werden de kelders door ir. D. Berends met medewerking van A. Warfemius van de RDMZ bouwhistorisch onderzocht en gedocumenteerd.6 De exact locatie hiervan werd echter niet vastgelegd.

Afb. 1.2.5. Kelderplattegrond en doorsneden van het huis, schaal 1:200 (Berends & Hulst 1971, fig. 2). Het voorhuis van de boerderij had een buitenmaat van 13 x 7 m en was gebouwd op twee haaks op elkaar staande oudere kelders voorzien van tongewelven. De hoek tussen de beide kelders was in de 19e eeuw opgevuld en voorzien van een nieuwe trap die de verbinding vormde met de bovengelegen ruimte. De grootste kelder was inwendig circa 4 x 5,5 m en de kleinere circa 3,5 x 5 m. De kelders waren onderling verbonden. De oostelijke kelder werd verlicht door een venster in de zuidwand. Het venster in de oostwand van de oostelijke kelder was secundair en was geplaatst in een oorspronkelijke toegang. Een dichtgezette doorgang in de westwand was naderhand ingehakt en pas in de 19e eeuw dichtgezet. Oorspronkelijk was de doorgang in de noordwand van de grootste kelder en deze veronderstelt de aanwezigheid van een belendende kelder. Bij een van de doorgangen kon door Berends een baksteenformaat gemeten worden van 28/29 x 13/13,5 x 6,5 x 7 cm. Een vijflagenmaat van 41 cm kon worden vastgelegd. Het baksteenformaat en de overwelving waren voor Berends de enige aanknopingspunten voor een datering en wel tussen het eind van de 14e eeuw en het begin van de 16e eeuw. Bij de sloop van de boerderij werd door de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ, nu RACM) geĂŤist dat de beide kelders bewaard moesten blijven. De kelders werden in de groenaanleg rond het nieuwe gebouw opgenomen. In 1977 waren de kelders nog aanwezig. Een ansichtkaart van het Zorgcentrum (in het Streekarchief Bommelerwaard) laat zien dat de kelders toentertijd ongeveer een meter boven het maaiveld uitstaken. Ze zouden met een betonplaat tegen het inwateren beschermd zijn geweest. De veronderstelde loop van de kasteelgracht werd bij de tuinaanleg bovendien geaccentueerd 5 6

Vermeulen 1932, 68. Berends & Hulst 1971,1-9.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


11

door middel van de aanplant met heesters. Waarschijnlijk zijn de kelders in de jaren ‘90 van de vorige eeuw tot op het maaiveld gesloopt.7 Bij de aanleg van het verzorgingstehuis stootte men op een zware baksteenfundering. Hiernaar werd namens de voormalige Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) een archeologisch onderzoek ingesteld. het archeologisch onderzoek werd resten van de funderingen van de poorttoren opgemeten en werden profielen bestudeerd. Hierbij is de aanwezigheid van een werksleuf voor de bouw van de muren gevonden en ook de aanwezigheid van een gracht kon worden vastgesteld.8 Deze resultaten leidden tot een reconstructie van een platform met een buiten- en een binnengracht, die een voorterrein en een in de zuidoosthoek gelegen hoofdterrein met huis omgeven. Op basis van het aardewerk en de baksteenformaten dateren de opgravers de aanvang van het complex in de 14e eeuw. De beide grachten lijken gelijktijdig te zijn aangelegd. Uit de puinrijke bovenste vulling kan worden verondersteld dat men de binnenste gracht in één keer heeft opgevuld. Enkele jonger te dateren scherven in deze vulling wijzen er op dat dit in subrecente tijd heeft plaatsgevonden, waarschijnlijk rond 1800 toen de poorttoren en mogelijk enkele bijgebouwen zijn gesloopt.

Afb. 1.2.6. De resultaten van het booronderzoek geprojecteerd op het kadastraal minuutplan van 1832 (De Boer & Van Amen 2006, afb. 3). 7 8

Mondelinge mededeling T. Hermans (RACM). Berends & Hulst 1969, 6-9.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


12

1.2.5 Vooronderzoek ADC ArcheoProjecten In verband met de voorgenomen herbouw van Zorgcentrum ‘t Slot is door ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek uitgevoerd.9 Hierin werd op basis van de hiervoor gepresenteerde gegevens bevestigd dat in het plangebied een kasteelcomplex heeft gelegen, bestaand uit een hoofdgebouw met daar omheen een binnen- en buitengracht. In de diepere ondergrond konden resten van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd worden verwacht. Dit is aan de ligging van het terrein op de Gamerense stroomrug te danken. In de nabije omgeving van het plangebied zijn op deze stroomrug sporen uit deze perioden gevonden. Grondboringen, behorende bij het door ADC ArcheoProjecten uitgevoerde vooronderzoek, duidden op de aanwezigheid van een kunstmatig verhoogd plateau met een 6 m brede buitenste omgrachting. 10 De diepte van de gracht lag vermoedelijk tussen de 1,80 en 1,90 m beneden maaiveld. In de ophoging en de kasteelgracht zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Dit vondstmateriaal uit de top van de ophoging en de gracht dateerde uit de periode 17e en 18e eeuw en representeerde de laatste fase(n) van bewoning. Het kon niet worden uitgesloten dat het plateau in verschillende fasen was opgeworpen en het middeleeuwse niveau kon dan ook nog goed bewaard zijn gebleven.

1.3

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

De archeologische opgraving heeft tot doel het materiaal van de vindplaats veilig te stellen en de gegevens te documenteren om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Het archeologisch veldonderzoek is gedurende twee weken uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten. Na het uitgraven van de in het PvE voorgeschreven vier werkputten, is overleg gepleegd met de opdrachtgever en het bevoegd gezag. Hierbij is tot een aanpassing van de veldstrategie besloten. Er is beslist om ook binnen de contouren van het oude zorgcentrum een gedeelte vlakdekkend op te graven. Concreet houdt dit in, dat werkput vier naar het zuiden werd uitgebreid en werkput één naar het noorden. Dientengevolge werd zo het noordelijke gedeelte van de voorburcht en van hoofdburcht opgegraven. In het PvE zijn verschillende onderzoeksvragen gesteld, die in dit rapport worden beantwoord op basis van hetgeen in de werkputten is aangetroffen: - Is het plateau in verschillende fasen opgehoogd? Zo ja, uit welke perioden dateren deze fasen? -Zijn er van de onderscheiden fasen bewoningssporen bewaard gebleven? - Zijn er paleo-ecologische resten aanwezig in gesloten, dateerbare context(en)? - Wat is de exacte breedte en diepte van de gracht. Is hierin een fasering te onderscheiden? Is de gracht beschoeid? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een (houten) brug? - Zijn er onder het overslagdek archeologische sporen aanwezig? Zo ja, welke aard, omvang en datering hebben zij? - Wat is de exacte locatie en constructie van de hoofdburcht (ligging binnengracht, gebouwen, enz.)? - Wat is de indeling van de voorburcht en zijn er functionele verschillen met de hoofdburcht aanwijsbaar? - Tot welk kasteeltype behoort de eerste bouwfase (vergelijk Janssen 1990) en is er sprake van een ontwikkeling? - Kan er binnen de aangetroffen resten een indeling gemaakt worden in militaire, agrarische en woonelementen? En is er sprake van een chronologische ontwikkeling in deze verhouding?

1.4

Opzet van het rapport

Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA 3.1 -specificatie OS15). In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd, waarna de eerste conclusies volgen. Indien nodig kan altijd worden teruggegrepen op de basisgegevens die zich achterin dit rapport bevinden. Na de samenvatting en dit inleidende hoofdstuk volgt een omschrijving van de onderzoeksmethoden in hoofdstuk 2. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het fysisch geografisch onderzoek gepresenteerd. Hierna worden in hoofdstuk 4 de sporen en structuren behandeld. Daarna zullen in de hoofdstukken 5 tot en met 9 de verschillende deelonderzoeken aan de orde komen. In de synthese (hoofdstuk 10) wordt een fasering gepresenteerde en de resultaten in een breder kader geplaatst. In hoofdstuk 11 wordt afgesloten met een conclusie waarin wordt getracht de onderzoeksvragen te beantwoorden en zal tevens een aanbeveling worden gegeven. De auteurs staan telkens bij de betreffende hoofdstukken vermeld. Achterin het rapport worden in de bijlagen de determinaties van de diverse vondstcategorieën weergegeven. 9 10

De Boer 2006. De Boer & Van Amen 2006.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


13

2

Methoden Het onderzoek is uitgevoerd conform de KNA 3.1 en het PvE. De mogelijke verstoring door de bouw van het zorgcentrum leek, afgezien van de onderheiing en de aanleg van liftschachten, vrij ondiep te zijn. De gemeente heeft dan ook in haar selectiebesluit aangegeven te kiezen voor een combinatie van sloopbegeleiding en een opgraving van in principe één vlak. De sloopbegeleiding diende zich te beperken tot het begeleiden van het slopen van de ondergrondse delen (funderingen, te verwijderen leidingen) en de sanering van een milieukundige vervuiling. De opgraving diende zich te beperken tot de gedeelten van het kasteelcomplex buiten het gesloopte zorgcentrum en binnen de begrenzingen van het nieuwe zorgcentrum. Tijdens de begeleiding is geconstateerd dat de bovengrond tot een diepte van circa 1 à 1,20m beneden maaiveld was verstoord. Op de saneringslocatie aan de westkant van het terrein was in het recente verleden reeds een olietank gesaneerd, maar diende nog enige restvervuiling te worden verwijderd. Deze sanering bleek zich echter te beperken tot de reeds uitgegraven delen en er zijn dan ook geen intacte bodemlagen aangetroffen.

Afb. 2.1. Impressie van de begeleidingswerkzaamheden. Om te komen tot een zo efficiënt mogelijke inzet van het maximaal op te graven oppervlak was in het PvE een werkwijze voorzien waarbij de opgraving gefaseerd werd uitgevoerd. In de eerste fase werden vier kleine opgravingsputten aangelegd (werkput 1 tot en met 4) om het juiste niveau op te zoeken en beter inzicht te krijgen in de verstoringsdiepte ter plaatse. Deze werkputten hadden een breedte van 5 meter en varieerden in lengte tussen circa 15 en 30 meter. Op basis van de resultaten van deze eerste fase werd in samenspraak met het bevoegd gezag een selectie gemaakt van het te onderzoeken terrein en het aan te leggen vlak. Omdat zich op de locatie van het gesloopte zorgcentrum toch nog resten van het kasteel bevonden heeft de opgraving zich geconcentreerd op het terreindeel dat zich situeert rondom de muurresten die te zien zijn op het minuutplan van 1832. Om de buitenste gracht aan de noordzijde te kunnen begrenzen is ook een vijfde werkput aangelegd (werkput 5).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


423725

14

55555 333333

44444

423700

222222

111111

N N N

P Prrrrrooooofffffie PP PP ielo ie lop lo ie ie pn lo lo lo naaaaam ppp nnn meeeee m m m m 000000

423675

10m 10m 10m 10m 10m

142200

142225

142250

142275

Zaltbommel - Gameren, 't Slot Werkputtenkaart AK 01-08-2008

Legenda Werkputten

Afb. 2.2. Het vlak is machinaal aangelegd, met behulp van een kraan met een rechte bak. Er is niet gekozen voor de inzet van een schaafbak vanwege de verwachte puinrijke ondergrond. Tijdens de aanleg van het vlak zijn vondsten in vakken verzameld. Alleen bijzondere vondsten zijn als puntvondsten ingemeten. Grondsporen zijn direct ingekrast. De vlakken en de stort zijn met behulp van een metaaldetector onderzocht. Het vlak en belangrijke sporen en structuren zijn gefotografeerd en getekend (schaal 1:50 en 1:20), waarbij om de 4 m een waterpashoogte is bepaald. Van de structuren zijn apart hoogtematen genomen. Tijdens het aanleggen van het vlak zijn profielen aangelegd. Deze zijn gefotografeerd en getekend (op schaal 1:20) en vervolgens beschreven.

2.1

AWN-onderzoek

Omdat men in de veronderstelling verkeerde dat ook de overige delen van het complex bij de nieuwbouw verstoord zouden raken, is na afloop van de opgraving door ADC ArcheoProjecten door de AWN een non destructief onderzoek verricht door middel van elektrische weerstandsmetingen, sondages en een booronderzoek. Aangezien dit onderzoek onvoldoende inzicht bood in de archeologische resten in de ondergrond, zijn op zorgvuldig gekozen locaties in het complex met de hand proefputjes gegraven (afb. 2.3.). Achteraf gezien bleken deze delen van het plangebied bij de nieuwbouw toch gespaard te blijven. Door de selectieve aanpak en de relatief geringe verstoringen zijn de aanwezige resten slechts in geringe mate aangetast. Men heeft bijvoorbeeld maar een deel van de opvulling van de keldertrap uitgegraven waardoor de aanwezige stratigrafie in de toekomst nog eens kan worden gedocumenteerd. Bovendien kan nu een nauwkeuriger inschatting gemaakt worden van de omvang van het complex en de inhoudelijke kwaliteit van de overgebleven resten. De resultaten van dit onderzoek is door de AWN in

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


15

een apart rapport gepubliceerd.11 Om verspreiding van de documentatie en vondsten te voorkomen, is in overleg met het bevoegd gezag (mevr. M. Sanders, gemeente Zaltbommel) afgesproken dat het vondstmateriaal en een kopie van de vondstadministratie voor verwerking in het huidige rapport ter beschikking zouden worden gesteld aan het ADC. Het vondstmateriaal van het AWN-onderzoek is opgenomen in de vondstadministratie van de ADCopgraving.12 Het vondstmateriaal is hierbij onder één werkputnummer geadministreerd. Deze werkput (werkput 100) heeft een significant hoger nummer gekregen om een onderscheid te kunnen maken met de vondsten van de ADC-opgraving. Dit laatste geldt ook voor de vondstnummering. Deze is gestart met vondstnummer 100 en daarna doorgenummerd.

Afb. 2.3. Interpretatiekaart AWN-onderzoek (Van der Kaaij, Haneveer, Terpstra (e.a.) 2007).

11

Van der Kaaij, Haneveer, Terpstra, Bervaas, Rodenburg, Looijen, Tevel, Van der Laan & Lefers 2007. Een uitzondering hierop vormde de zeldzame vondst van een leistenen zonnewijzer. Dit object is door de vinder tijdelijk ter documentatie in bruikleen gegeven.

12

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


16

3

Fysisch geografisch onderzoek Tijdens het Pleistoceen is in de Bommelerwaard door vlechtende rivieren grof, grindhoudend zand afgezet. Aan het einde van de laatste ijstijd, 10.000 tot 11.000 jaar geleden, vielen de rivieren droog. Door het opstuiven van het zand uit de rivierbeddingen zijn rivierduinen gevormd. Deze afzettingen maken deel uit van het Laagpakket van Delwijnen (Formatie van Boxtel) en dagzomen ongeveer een kilometer ten zuiden van het onderzoeksterrein. In het plangebied liggen deze pleistocene zandafzettingen op circa 7 m. onder het maaiveld.13 In het Holoceen hebben meanderende rivieren hun sediment in het gebied afgezet. Het geheel van de oeveren de beddingafzettingen van een rivier wordt een stroomgordel genoemd. Stroomgordels vormen relatief hoog gelegen elementen in het landschap. Om deze reden zijn stroomgordels in het verleden veelvuldig voor bewoning gebruikt. Het plangebied ligt op de rand van de stroomgordel van Gameren.14 Deze stroomgordel is gevormd in de periode 1000 voor Chr. tot 200 na Chr. In het gebied bevinden zich grijsbruine zandige kleien aan het oppervlak die behoren tot de Formatie van Echteld. In deze afzettingen heeft zich een kalkhoudende poldervaaggrond met homogeen profielverloop ontwikkeld.15 Tijdens het veldwerk is geconstateerd dat de bovenste meter een recente ophoging betreft die kan worden geassocieerd met de bouw van het bejaardentehuis. De bovenste 30 cm hiervan betreft een recente bouwvoor (tuingrond). Hieronder bevindt zich een rommelige kleilaag van eveneens 30 cm, die op zijn beurt op een 10 cm dikke laag zand ligt. Hieronder ligt een 30 cm dikke laag verrommelde klei met brokjes van de daaronder liggende bouwvoor. Van deze oorspronkelijke bouwvoor is nog zo’n 5 cm bewaard gebleven. Hieronder ligt komklei (afb. 3.1) op rivierzand.

Afb. 3.1. Detail noordprofiel werkput 4. De onderste laag betreft de natuurlijke komkleiafzetting. Daarboven is nog een dun restant van de oorspronkelijke bouwvoor zichtbaar.

13 14 15

Zanddieptekaart: Berendsen 2001. Geologische-Geomorfologische kaart: Berendsen 1986. Bodemkaart 1:50.000.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


17

4

Sporen en structuren Allereerst worden de bouwhistorische details en de interpretatie hiervan gegeven (bijdrage B. Olde Meierink, BBA). Daarna worden de sporen en structuren weergegeven voor zover deze niet in de bouwhistorische analyse zijn opgenomen (bijdrage P.C. de Boer).

4.1

Bouwhistorische begeleiding B. Olde Meierink (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis)

4.1.1 Inleiding In opdracht van ADC ArcheoProjecten heeft het Bureau voor Bouwhistorie en Architectuurgeschiedenis (BBA) uit Utrecht op 30 en 31 januari 2007 een bouwhistorische begeleiding uitgevoerd. De opdracht betrof het adviseren bij de opgraving ter plaatse en het vervaardigen van een kort verslag van de bouwhistorische aspecten. Op 31 januari werd bovengenoemde begeleid op het opgravingterrein door prof. drs. H. L. Janssen, hoogleraar kastelenkunde te Leiden en stadsarcheoloog te ‘s Hertogenbosch. Op dat moment was ook ir. T. Hermans van de RACM aanwezig. Er vond een gedachte-uitwisseling plaats, die in dit verslag is verwerkt. Op dinsdag 6 februari is de locatie kort bezocht in gezelschap van de historisch-geograaf drs. A. Haartsen van het bureau Lantschap te Haaften. Gekeken is naar de laatste resultaten van de graafwerkzaamheden en de historisch-geografische en bodemkundige situatie. 4.1.2 Beschrijving van de tijdens de opgraving aangetroffen fundamenten De bouwhistorische begeleiding van de opgraving in januari 2007 was beperkt en concentreerde zich aanvankelijk op de werkput die is aangelegd ter hoogte van de ingang van de nieuwbouw (werkput 1). In deze werkput van 14 x 7 m werd een fundament van ongeveer 13 m lengte aangetroffen (MR1, spoor 4, 5, 6, 23, 32 en 32 ). De baksteenlagen waren gestapeld waarbij waarschijnlijk (kom)klei als metselspecie was gebruikt. Het fundament van het oost-west gerichte deel vormde geen eenheid, maar bestond uit tenminste vier delen (A; spoor 5, B; spoor 6, C; spoor 7 en D; spoor 23, 30 en 31; zie afb. 4.2.1. en 4.2.2.).

Afb. 4.1.1. Overzicht van de in de tekst benoemde bouwdelen. De vier delen van het fundament zijn voor het grootste deel opgetrokken uit een overwegend rode baksteen met het formaat 26/28 x 13 x 7/7,5 cm. Een tienlagenmaat over het gemetselde deel kon niet worden gemeten. Er moest worden volstaan met een vijflagenmaat van 40 cm, hetgeen overeenkomt met een tienlagenmaat van 80 cm.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


18

Afb. 4.1.2. Overzicht van de muurdelen A, B, C en D in het vlak. Beginnend aan de westzijde ligt een zeer zorgvuldig gemetselde c.q. gestapelde hoek met aan de noordzijde een zijde van ongeveer twee meter (A). Aan de westzijde was het fundament voorzien van een klamp die een geheel vormde met het aan de zuidzijde aansluitende en hierna nog te bespreken fundament F. De noord-zuid gerichte muur is aan de westzijde beklampt met een rode baksteen met een formaat van 24 x 11 x 5 cm en een tienlagenmaat van 74 cm (spoor 44). De klamp bestaat uit afwisselend strekken en koppen. Deze beklamping heeft een horizontale verstoring in de vorm van beschadigde kapot gevroren baksteen, terwijl daaronder zich een zwarte laag op het muurwerk heeft afgezet. Het laatste is als afzetting van een gracht te interpreteren, terwijl de kapot gevroren baksteen de waterlijn aangeeft. Op dit niveau zal het oorspronkelijke grachtpeil zich hebben bevonden. Tijdens strenge winters is de nieuwe buitenschil wederom sterk aangetast.

Afb. 4.1.3. De beklamping met vorstschade, gezien richting het zuiden.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


19

Op het voorgaande fundament (A) sluit fundament B aan met een lengte van ongeveer 3 m. Dit fundament bestaat - zover men dat vanaf de tot aanlegdiepte vrijgelegde noordzijde kan beoordelen - uit de vrijgelegde zuidzijde, samengesteld uit zorgvuldig gestapelde baksteen overwegend in koppen waarvan de bovenste vijf lagen met kalkmortel waren gemetseld. Middels een doorgaande naad onderscheidde dit deel zich van het voorgaande. In tegenstelling tot het voorgaande deel en het daarop volgende deel is het fundament aan de zuidzijde niet voorzien van versnijdingen, maar vrijwel rechtstandig opgetrokken. Aan de noordzijde onderscheidt dit deel zich van de belendende delen doordat onder de derde laag van boven het metselwerk een kop uitsteekt en over vijf lagen naar beneden zeer rafelig is afgewerkt. De reden hiervoor is dat de insteek ter plaatse niet recht maar enigszins rafelig was en men vervolgens tegen deze rafelige rand van de insteek heeft gemetseld. Het derde deel (C) van het fundament van ongeveer 8 m vertoont qua metselwerk aan de zuidzijde een andere uitvoering in vergelijking met het voorgaande metselwerk. Het fragment is aan de zuidzijde een kop breder dan deel B. De bovenste gemetselde drie lagen hebben een versnijding van resp. een kop en een versnijding van enkele centimeters. Aan de noordzijde bezitten de bovenste drie lagen versnijdingen. De bovenste drie lagen zijn in kalkmortel gelegd en zetten zich voort in deel B. De gestapelde lagen daaronder zijn als boven elkaar gelegen koppenlagen uitgevoerd, waarbij de bovenste (vierde laag van boven) aan de noordzijde uit strekken bestaat.

Afb. 4.1.4. Dwarsdoorsnede fundament C. In het verlengde van onderdeel C zette het fundament zich voort (D). Slechts een halve meter van dit deel van het fundament is in zicht gekomen. Na verwijdering van het meest oostelijke deel van fundament C tekende zich de dwarsdoorsnede van het fundament af, die laat zien dat het fundament een bewust onregelmatige opbouw heeft om een horizontale vertanding te verkrijgen met het aansluitende fundament van deel C. Opvallend was bovendien dat het fundament de indruk maakte dat het in twee fasen tot stand was gekomen. De oudste fase aan de noordzijde, die qua baksteenformaat zich niet duidelijk onderscheidde, had een aanlegbreedte van ongeveer 50 cm. Het onderste deel van dit fundament D bezat aan de noordzijde verschillende versnijdingen. Naar het zuiden werd het fundament ter breedte van twee strekken uitgebreid, die in klei werden gelegd. Vervolgens werden op het samengestelde fundament vijf lagen baksteen in kalkspecie gelegd, waarbij de versnijdingen aan de noordzijde recht werden getrokken. Haaks op fundament D, in de oostelijke wand van werkput 1, trof men een fundament aan (E) dat in de zuidelijke wand van de werkput verdween. De betreffende muur die afwijkend van opbouw is en een afwijkende lagenmaat heeft, bestaat uit een fundament met tenminste een achttal versnijdingen. Daarboven bevindt zich een sterk overkragende muur van circa 0,5 m breedte. De muur is verticaal opgebouwd uit iedere keer vijf lagen koppen afgewisseld met een laag strekken en moet zijn gemetseld toen de insteek van het ondergelegen fundament al was opgevuld met aarde.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


20

Afb. 4.1.5. De muurdelen C, D en E. Gezien richting het oosten. De noord-zuid gesitueerde muur bezit aan de oostzijde twee forse keperboogvormige uitsparingen. Links onder bevond zich nog een derde kleinere uitsparing. De beide uitsparingen die met de bovenzijde vrijwel direct onder de bovenzijde van de muur geplaatst zijn, konden als dubbele kaarsnis worden geduid. Deze vrij forse en relatief diepe kaarsnissen behoren bij een ruimte met een vloerniveau op ongeveer een meter onder de onderzijde van de kaarsnissen. De in de kaarsnissen te plaatsen kaarsen konden de ruimte, die als een kelderruimte zal moeten worden geduid, verlichten. De derde uitsparing in het metselwerk zou de oplegging kunnen zijn geweest voor een traptrede, behorend bij een trap die leidde naar het erf ten noorden van de genoemde muur. In de aangetroffen muur zijn geen sporen van een gewelf aangetroffen. Hoewel het mogelijk is dat het gewelf pas boven het aangetroffen muurwerk begon, is het waarschijnlijk dat de ruimte overdekt was met een tongewelf met de kruin haaks op de muur met de kaarsnissen.

Afb. 4.1.6. De kaarsnissen en uitsparing van een traptrede in muurdeel E, gezien richting het zuidwesten (links) en detail noordelijke kaarsnis, gezien richting het westen (rechts). De hiervoor besproken noord-zuid-gerichte muur A was aan de westzijde beklampt met een rode baksteen met een formaat van 24 x 11 x 5 cm en een tienlagenmaat van 74 cm (Spoor 44). De klamp vormt een eenheid met het fundament van circa 0,5 m breedte (F, spoor 7, 9, 10, 11, 16, 40) dat in tegenstelling tot het hiervoor besproken fundament niet op rivierzand is gefundeerd maar op de ongestoorde komklei. Dit fundament staat afgezien van de klamp koud tegen het fundament A. en moet mede gezien het baksteenformaat tot een veel jongere fase behoren. Na 4 m buigt de muur zich haaks naar het westen om na 2 m weer naar het noorden om te buigen en na 4 m weer naar links om te buigen om terug te keren naar de oorspronkelijke richting en lijn. Het geheel vormt ten opzichte van het eerste stuk en laatste stuk van fundament E een in de gracht uitspringend aan drie zijden gesloten onderdeel, dat als poortgebouw wordt geĂŻnterpreteerd. Het gehele fundament strekte zich vanaf fundament A over een lengte van 14 meter naar het noorden uit om hier naar het oosten af te buigen. Het aansluitende oost-west gerichte fundament is al verdwenen en slechts als puinspoor te volgen.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


21

Afb. 4.1.7. Het poortgebouw, gezien richting het oosten. 4.1.3 Bouwwijze Over de aanleg van de funderingen kan het volgende worden opgemerkt. De noordelijke muur werd in verschillende delen opgetrokken. Onderdeel B maakt de indruk jonger te zijn dan de onderdelen A en C, terwijl onderdeel D ouder zal zijn dan C. Onderdeel E is jonger dan A en is gelijktijdig aangelegd met de klamp die tegen de westzijde van onderdeel A werd aangebouwd. De aanleg van funderingen in delen heeft te maken met de wens op zand te funderen en niet op de komklei. Vanwege het probleem om met het grondwater geconfronteerd te worden, werd de fundering van de muur in delen opgetrokken. Bovendien werden de bakstenen van de fundering gestapeld en in komklei gelegd. Pas de bovenste vijf lagen zijn met kalkmortel gemetseld. Het gebruik van kalkspecie in het grondwater had immers geen zin omdat dit niet zou uitharden. De insteek heeft men nooit veel breder gemaakt dan het geplande fundament. Opvallend was het feit dat het fundament een bewust onregelmatige opbouw heeft gekregen om een horizontale en een verticale vertanding te verkrijgen met het aansluitende nog uit te voeren fundament. 4.1.4 Datering Een datering op basis van het gebruikte baksteenformaat is voor de Bommelerwaard niet eenvoudig. Het aangetroffen baksteenformaat van 26/28 x 13 x 7/7,5 cm kan slechts globaal worden vergeleken met het baksteenformaat dat is toegepast in het nabijgelegen Zaltbommel. De kleinste gemiddelde baksteenlengte is daar rond 1300: 29 cm; rond 1400: 28,5 cm; rond 1500: 28 cm en rond 1550: 27,5 cm. Een formaat van 28 x 13,5 x 7 cm vindt men toegepast in de zijbeuk van de Maartenskerk in Zaltbommel die in de 15e eeuw wordt gedateerd. Moeite met het dateren van het middeleeuwse muurwerk had ook Berends in 1969. Zoals we zagen kon Berends toentertijd een baksteenformaat meten van 28/29 x 13/13,5 x 6,5 x 7 cm met een vijflagenmaat van 41 cm. Dit baksteenformaat en de wijze van overwelving van de kelders waren voor Berends de enige aanknopingspunten voor een datering van de kelders. Hij dateerde de kelders globaal tussen het eind van de 14e eeuw en het begin van de 16e eeuw. Het kleinere baksteenformaat 24 x 11 x 5 cm mag men in de 16e eeuw dateren aangezien bij het Maarten van Rossumhuis in Zaltbommel uit de jaren 1535-’40 het baksteenformaat 23\24 x 11\11,5 x 4,5\5,5 en een tienlagenmaat van 62 cm. werd toegepast. Mogelijk kan de ommuring van de binnenplaats en de binnenpoort in verband worden gebracht met de bouw of herbouw van de zuidwestvleugel (1598).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


22

4.2

Overige sporen en structuren P.C. de Boer

423725

Ga2 Ga2 Ga2 Dig1 Dig1 Dig1

Dig4 Dig4 Dig4

Dig2 Dig2 Dig2

Bs1 Bs1 Bs1 Bs1 Bs1 Bs1 Dig3 Dig3 Dig3 Ga2 Ga2 Ga2

Ga1 Ga1 Ga1 Ga1 Ga1 Ga1 Mr3 Mr3 Mr3

423700

Mr4 Mr4 Mr4 Mr2 Mr2 Mr2 Dig5 Dig5 Kl1 Dig5 Kl1 Kl1

N N N

Kl2 Kl2 Kl2

Mr2 Mr2 Mr2

WA1 WA1 WA1 WA1 WA1 WA1 Mr2 Mr2 Mr2 Bs2 Bs2 Bs2

Kel1 Kel1 Kel1 Lo1 Lo1 Lo1

10m 10m 10m 10m 10m

423675

0 000 0

142200

142225

Mr5 Mr5 Mr5

142250

142275

Gameren - 't Slot Overzicht van structuren Legenda Uitbraaksleuf

Diergraf

Recent

Muurwerk

Baksteenpuin

Komklei

Muurwerk

Ophoging

Zuidprofiel

AK 01-08-2008

Gracht

Afb. 4.2.1. Overzicht van structuren. Gracht 1 (GA1) Binnen de rechthoekige omgrachting is in de werkputten 1 en 4 de aanwezigheid van een binnenste omgrachting vastgesteld (GA1; spoor 2, 3, 38, 43, 1000). Deze was in de zuidoosthoek van de buitenste omgrachting (GA2) gelegen. De afmetingen van het hoofdterrein zullen circa 30 x 20 m hebben bedragen. De gracht had een breedte van circa 10 m en een diepte van ongeveer 0,85 m. De vorm van de gracht was in het vlak (ca. 2,85 m +NAP) te zien als een vierkant met afgeronde hoeken. Ook in deze gegraven waterloop is geen beschoeiing gevonden. Gracht 2 (GA2) Door middel van de werkputten 2, 3, 4 en 5 is getracht de historisch bekende buitengracht te traceren. In de werkputten 2, 3 en 5 is deze daadwerkelijk aangetroffen vanaf een hoogte van circa 2,70 m +NAP (GA2; spoor 1 en 1010). De noordelijke begrenzing kon echter niet worden bereikt in verband met de aanwezigheid van bomen. De begrenzingen van de gracht konden verder worden bepaald aan de hand van het voorgaande booronderzoek en het kadastrale minuutplan. Op basis hiervan blijkt dat de vorm in het vlak rechthoekig met afgeronde hoeken was. De binnenwerkse afmetingen zullen circa 73 x 60 m hebben bedragen. De breedte van de gracht bedraagt circa 6 m en de onderkant bevindt zich op een diepte vanaf circa 1,5 m +NAP.16 Op basis hiervan kan worden gesteld dat de gracht vanaf het 16

De Boer & Van Amen 2006.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


23

toenmalige maaiveld gemeten (circa 2,80 m +NAP) circa 1,30 m diep zal zijn geweest. In de gracht is geen beschoeiing aangetroffen. Muur (MR3) Deze muur is deels als uitbraakspoor en deels als vlijlaag in het vlak aangetroffen (op 2,75 m +NAP). De muur was ingegraven in de vullingslagen van gracht 1 (GA1; spoor 15 en 41) en daarmee ná 1800 te dateren. De muur stond haaks op de schildmuur (MR2) en maakt na 1,4 m een haakse hoek in oostelijke richting. Hier kon het spoor tot aan de putwand over een lengte van 5,2 m worden gevolgd. De bakstenen in de vlijlaag waren van het formaat 28 x 14 x 7 cm en 23 x 11 x 5. Aangezien deze baksteenformaten reeds in de oudere muren MR1 en MR2 waren verwerkt zal het hier om hergebruikte stenen gaan. Muur 4 (MR4) Deze muur 4 (MR4; spoor 42) is enkel als een vaag uitbraakspoor in het vlak gezien (op 2,85 m +NAP). Ook deze muur is in de vullingslagen van gracht 1 (GA1) uitgegraven en daarmee te dateren ná 1800. Dit spoor was oost-west georiënteerd en kon tot aan de putwand over een lengte van 7 m worden gedocumenteerd. Muur 5 (MR5) Dit spoor is enkel in het zuidprofiel van werkput 1 waargenomen (afb. 4.2.2). Het gaat hier mogelijk om een uitbraakspoor van een (binnen)muur. Het spoor begrenst de hierna te presenteren ophogingslaag (LO1) die enkel binnen de begrenzing van muur 1 (MR1) is waargenomen. Ophogingslaag (LO1) In het zuidprofiel van werkput 1, binnen de begrenzingen van muur 1 (MR1), is plaatselijk een ophogingspakket aangetroffen. Het gaat om een gelaagd pakket van kleikluiten dat aan de oostzijde wordt begrensd door het uitbraakspoor van een vermoedelijke binnenmuur. Deze structuur is in het vlak helaas niet waargenomen. De onderzijde van het ophogingspakket is niet bereikt. Wel waren aan de bovenzijde twee vuile lagen zichtbaar die mogelijk als loop- dan wel vloerniveau zijn aan te merken. Aan de westzijde is duidelijk te zien dat de werksleuf voor het metselwerk aan de bovenzijde van muur 1 door de ophoging en loopniveaus heen is gegraven. Waterput (WA1) Op de hoofdburcht is een bakstenen waterput gevonden (WA1; spoor 12). De bovenkant lag op 2,75 m +NAP en de onderkant bevond zich op 1,10 m –NAP. De put had buitenwerks een doorsnede van 1 m en was gemetseld van hardgebakken halve bakstenen in de formaten: - x 9/9,5 x 4 cm. De put is voor de helft verstoord geraakt bij de bouw van het zorgcentrum in de 20e eeuw. Zowel deze recente verstoring als de put waren opgevuld met schoon zand. De waterput zal tot aan de demping watervoerend geweest zijn want deze was tot onderin opgevuld met dit schone zand. Hierin is bovendien geen vondstmateriaal aangetroffen. Op basis van de positionering ten opzichte van de schildmuur en het poortgebouwtje kan deze structuur op zijn vroegst tot de tweede bewoningsfase worden gerekend.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Afb. 4.2.2. Zuidprofiel werkput 1.

m+NAP +NAP +NAP m +NAP m m +NAP 222222 m +NAP

m m m+NAP +NAP +NAP +NAP 333333 m m m +NAP

m m m+NAP +NAP +NAP +NAP 444444 m m m +NAP

Mr5 Mr5 Mr5 Mr5 Mr5 Mr5

Lo1 Lo1 Lo1 Lo1 Lo1 Lo1

Recent Recent Recent Recent

Mr1 Mr1 Mr1 Mr1 Mr1 Mr1 Bs2 Bs2 Bs2 Bs2 Bs2 Bs2

Ga1 Ga1 Ga1 Ga1 Ga1 Ga1

24

Gameren ‘t Slot


25

Afb. 4.2.3. De waterput ter hoogte van het poortgebouw, gezien richting het zuidwesten.

Puinconcentratie (BS1) In de noordoosthoek van de voorburcht is een concentratie baksteenpuin aangetroffen (BS1; spoor 21; hoogte 2,70 m +NAP). Het betreft baksteen in het formaat 28 x 13 x 7 cm.. Dit sluit aan op de nog te presenteren baksteenformaten die afkomstig zijn van de oudste fase van het complex. Het is niet duidelijk hoe we deze vondst moeten interpreteren. Wellicht betreft het een lokale dump van afbraakmateriaal van de gebouwen op de voor- of hoofdburcht. Puinconcentratie (BS2) is in de binnenste gracht (GA1) is, direct ten westen van muur MR1, een pakket puin gevonden (BS2, spoor 2 en 3). Deze concentratie was in het vlak te zien als een waaiervormig puinspoor. In het zuidprofiel van werkput 1 was goed te zien dat het puin in westelijke richting afliep (afb. 4.2.4.). De aangetroffen baksteenformaten waren gelijk aan de formaten van de bakstenen die waren gebruikt in muur MR1. Het puin zal dan ook van deze structuur afkomstig zijn en is bij de sloop van het gebouw in de gracht gedeponeerd.

Afb. 4.2.4. Detail puinconcentratie in het zuidprofiel van werkput 1.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


26

Kuil (KL1) Op de hoofdburcht is een vierkante kuil gevonden (KL1; spoor 13). Het spoor is vanaf een hoogte van 2,80.m + NAP aangetroffen, was 2,6 m breed, nog slechts 10 cm diep en had een vlakke bodem. In de vulling is aardewerk gevonden dat in de tweede helft van de 19e eeuw wordt gedateerd. Afvalkuil (KL2) Op de hoofdburcht is vanaf een hoogte van 2,85 m +NAP een kuil gevonden (KL2; spoor 39). Deze kuil is ongeveer 2 m breed en de lengte is minimaal 2,2 m. Gezien de vondstrijke vulling is dit spoor geïnterpreteerd als afvalkuil. De aardewerkvondsten wijzen op een datering in de eerste helft van de 14e eeuw, meer specifiek nog rond 1300. Diergraven In de opgraving zijn op twee locaties diergraven aangetroffen. De eerste locatie ligt in de noordoosthoek van de voorburcht. Het gaat om in totaal vier individuen (spoor 17, 18, 19 en 20). De datering van deze zogenaamde krenggraven is niet bekend aangezien in de grafkuilen geen daterende vondsten zijn aangetroffen. De tweede locatie waar een dier is begraven betreft de hoofdburcht. Hier is één individu aangetroffen (spoor 14). Ook bij dit dier is geen daterend vondstmateriaal gevonden. - Diergraf 1 (DIG1) Het eerste te bespreken diergraf (spoor 17) had een ovale vorm in het vlak (2,80 m +NAP). De afmetingen waren 0,80 x 0,50 m. De kuil bevatte de resten van mogelijk een schaap of geit (Ovis aries / Capra hircus).17 Van dit dier zijn helaas geen beenderresten ter determinatie verzameld. - Diergraf 2 (DIG2) Begraving spoor 18 had een onregelmatige vorm in het vlak. De afmetingen bedroegen 1,25 m bij 0,75 m (vlakhoogte 2,80 m +NAP). Het gaat hier om een rund (Bos taurus) dat 2 tot 3,5 jaar oud is geworden.18 - Diergraf 3 (DIG3) Begraving spoor 19 was onregelmatig in het vlak (2,70 m +NAP) en had de afmetingen 1,40 bij 0,90 m +NAP. Het gaat ook hier om de resten van een rund. Dit dier is ouder dan 3,5 jaar geworden. - Diergraf 4 (DIG4) Begraving spoor 20 had een ovale vorm in het vlak ( 2,70 m +NAP). De afmetingen bedroegen 0,85 x 0,25 m. Ook hier gaat het om een rund. Het dier is vóór zijn tweede levensjaar overleden. - Diergraf 5 (DIG5) De tweede locatie waar een dier is begraven betreft de hoofdburcht. Hier is een kuil gevonden die zich in het vlak als een onregelmatige rechthoek manifesteerde. (spoor 14). De lengte bedroeg circa 2,50 en de breedte 1,20 m. Het gaat hier om het graf van een paard (Equus caballus) dat vanaf een hoogte van 2,82 m +NAP is aangetroffen. Op basis van de vergroeiingsstadia van de botten kan worden aangegeven dat het dier ouder moet zijn geweest dan 3,5 jaar.

17 18

Velddeterminatie. Determinatie diergraven DIG2 tot en met DIG5: mevr. K. Esser (ArcheoPlan Eco).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


27

5

Aardewerk en glas N.L. Jaspers (ArcheoSpecialisten)

5.1

Inleiding

Tijdens het archeologisch onderzoek is relatief weinig aardewerk aangetroffen. Doel van het analyseren van het aardewerk was om op basis van de dateringen van de keramiek een inzicht te krijgen in de datering van de sporen en structuren die op het terrein zijn aangetroffen.

5.2

Methode

Om de vondsten te kunnen vergelijken met vondsten die elders in ons land tevoorschijn kwamen en nog zullen komen, is het noodzakelijk dat ze typologisch op een standaardwijze worden ingedeeld en beschreven. Om tot een dergelijke standaard te komen, is in 1989 het zogenaamde ‘Deventer-systeem’ geïntroduceerd.19 De doelstellingen van dit systeem zijn meervoudig. Enerzijds kunnen met behulp van dit instrument op een snelle en eenvoudige wijze laat- en postmiddeleeuwse voorwerpen van glas en keramiek worden ingedeeld en beschreven. Anderzijds ontstaat door deze manier van werken gaandeweg een steeds groter wordende referentiecollectie voor de beschrijving van vondstgroepen uit de genoemde periodes. Daarnaast kan op basis van de aan dit systeem gekoppelde inventarislijsten van de beschreven vondstgroepen statistisch onderzoek worden verricht naar het bij de diverse sociale lagen behorende aardewerken en glazen bestanddeel van het huisraad. Zo kunnen bijvoorbeeld regionale verschillen in kaart worden gebracht. Op dit moment bestaat al een aanzienlijke reeks van aan deze standaard gekoppelde publicaties.20 Het materiaal dat in Gameren is opgegraven is volgens het Deventer-systeem gedetermineerd. De classificatie van aardewerk en glas met behulp van het Deventer-systeem volgt een vast stramien. Eerst worden de keramiek- en glasvondsten per vondstcontext naar de daarin voorkomende baksels/materiaalsoorten uitgesplitst. Vervolgens worden per baksel of materiaalsoort (glas) codes toegekend aan de individuele objecten. Op basis hiervan wordt een tellijst van het minimum aantal exemplaren (MAE) samengesteld of vindt een schatting van het aantal potindividuen plaats op basis van de bewaard gebleven randpercentages (Estimated Vessel Equivalents of kortweg EVE’s). Voor dit vondstcomplex is gekozen om de methode van de EVE’s te gebruiken. In tabel 5.3 is af te lezen hoe de verhoudingen tussen de verschillende baksel-, vorm- en functiegroepen is, gemeten over de gehele opgraving. De betekenis van de gebruikte afkortingen voor de baksels en vormen zoals die in het Deventer-Systeem worden toegepast, zijn af te lezen in bijlage 5.1 en bijlage 5.2.

5.3

Resultaten In totaal zijn 126 scherven met een totaal gewicht van 4111,4 gram geborgen, wat neerkomt op een gemiddeld gewicht van 32,63 gram per scherf. Dit wijst op een normale conservering van het materiaal. In het hierna volgende wordt het aardewerk per periode in relatie tot de aangetroffen sporen besproken.

Afb. 5.1. Impressie van het vondstmateriaal tijdens de opgraving.

19

Clevis & Kottman 1989. Bartels 1999; Bartels, et al. 1993; Barwasser & Smit 1997; Berg, et al. 2003; Bitter 1995; Bitter & al. 1997a; 1997b; Bult 1995; Carmiggelt & Veen 1995; Clevis 2001; Clevis & Kleij 1990; Clevis & Klomp 2004a; 2004b; Clevis & Kottman 1989; Clevis & Smit 1990; Clevis & Thijssen 1989; Dijkstra 2003; Dijkstra & Spanjer 2002; Goossens 2004; Groothedde 2003; Groothedde & Bartels 2000; Jacobs 1994; 1995; 1997; Jacobs, et al. 2000; 2002; Jacobs & Veen 1996; Kleij 1995; Klomp 2003; 2004; Kottman 1992; Krauwer & Snieder 1994; Meijlink & Spanjer 2004; Ostkamp 1998; 1999; 2003; Ostkamp & Benthem 2004; Ostkamp & e.a. 1998; Ostkamp, et al. 2001; Ostkamp & Spanjer 2005; Schrijer & Dijkstra 2004; Thijssen 1991; Verhoeven & Brinkkemper 2001; Vermeulen 2002.

20

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


28

5.3.1 De sporen uit de Late Middeleeuwen De enige twee fragmenten uit spoor 6 zijn afkomstig van één pot van bijna-steengoed (datering circa 1275-1325). Het betreft vondsten die zijn gedaan tijdens het vrijleggen van een van de muurdelen (MR1) van de oudste zaalbouw. Binnen de schildmuur van de hoofdburcht is een afvalkuil (KL2; spoor 39) aangetroffen met daarin verschillende soorten aardewerk (lokaal geproduceerd grijsbakkend aardewerk, bijna-steengoed, ongeglazuurd steengoed uit Siegburg en steengoed met een engobe uit Langerwehe. Eén kannetje van bijna-steengoed was archeologisch compleet (type s4-kan-6, zie afb. 5.2.). Dit stuk dateert aan uit de periode eind 13e – begin 14e eeuw. Op basis van het aardewerk lijkt de kuil te dateren in de eerste helft van de 14e eeuw.

Afb. 5.2. Bijna-steengoed kan uit kuil 2 (KL2). Uit de insteek van één van de funderingen van de schildmuur rondom de hoofdburcht (spoor 22; MR2) is vooral laatmiddeleeuws roodbakkend aardewerk gevonden, dat niet erg nauwkeurig gedateerd kon worden. Daarnaast is er uit de 14e of 15e eeuw ook een scherf grijsbakkend aardewerk en enkele fragmenten van een 14e-eeuws steengoed kannetje met een auberginekleurige engobe naar boven gekomen. Naast deze laatmiddeleeuwse keramiek was er ook één fragment van een slibversierd Nederrijns bord uit de 18e eeuw en een fragment van een kleipijp (datering 1720-1800)21 in dit spoor aanwezig. Deze laatste vondsten lijken als intrusie te kunnen worden beschouwd. Al met al is het op basis van deze vondsten niet mogelijk om een scherpe aanlegdatering te geven. 5.3.2 De sporen uit de Nieuwe tijd Gracht 2 (GA2) Het vroegste aardewerk dat op het terrein is gevonden betreft fragmenten blauwgrijs aardewerk en Maaslands witbakkend. Dit vroegste materiaal is afkomstig uit het noordelijke deel van de binnenste gracht (spoor 43/1003) waarin verder laatmiddeleeuws geglazuurd steengoed, roodbakkend aardewerk en 19e-eeuws industrieel wit aanwezig was. Het is duidelijk dat de jongste vulling van de binnenste gracht bestaat uit vermengde grond en vondsten. Mogelijk zijn de vroegste scherven al in de late 12e of 13e eeuw in de openliggende gracht terechtgekomen en het materiaal uit de 19e eeuw pas tijdens het dempen van de gracht. Een andere mogelijkheid is dat de vroegste vondsten vanaf een andere locatie zijn aangevoerd en tegelijkertijd met de rest van het aardewerk in de 19e eeuw in de gracht zijn gedumpt. Met andere woorden de vroegste vondsten hoeven dus niet te wijzen op de aanlegfase van de gracht, maar het is wel een mogelijkheid. In het westelijk deel van de binnenste gracht, tegen de buitenmuur van de bebouwing en in de bovenste vulling van de gracht, is een fragment van een 19e-eeuwse steengoed voorraadpot uit Langerwehe aangetroffen. Afb. 5.3. Reliëf van een steengoed Op deze pot is in reliëf een ronde omlijsting met daarin een voorraadpot. kruisvormig symbool te zien (zie afb. 5.3).

21

Zie bijdrage D. Duco.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


29

In de grachtvulling (GA1; spoor 38) onder het pakket met slooppuin (spoor 2 en 3), in de onmiddellijke nabijheid van de later door de AWN vrijgelegde stortkoker, was voornamelijk 18e-eeuws materiaal aanwezig. Hierbij kwamen zowel lokaal als Nederrijns roodbakkend aardewerk, geglazuurd steengoed, faience en industrieel steengoed aan het licht. De scherf van het miniatuurbordje van industrieel steengoed heeft de code (s3-bor-2) binnen het Deventer systeem (zie afb. 5.4.).

Afb. 5.4. Miniatuurbordje van industrieel steengoed.

Kuil (KL1) Binnen de ommuurde binnenplaats was een vierkant spoor aanwezig. Hieruit is alleen industrieel witte keramiek uit de tweede helft van de 19e eeuw gekomen (spoor 13). Kelderruimte (KEL1) Het materiaal uit de met puin opgevulde kelder (KEL1; spoor 32: ruimte E van het AWN-onderzoek) liet een meer gemengd beeld zien. Er kwamen fragmenten van vier industrieel witte borden uit de 19e eeuw, maar daarnaast ook een fragment van een grijsbakkende pot uit de 14e of 15e eeuw en een scherf roodbakkend aardewerk uit tevoorschijn. Keldertrap ruimte F Tijdens het AWN-onderzoek is een opgevulde keldertrap gevonden (werkput 4 van het AWN-onderzoek). Deze trap leidt naar kelderruimte F. In het trapgat is een concentratie aardewerk gevonden. Omdat deze vondsten een datering voor de opvulling en daardoor buiten gebruikstelling van ruimte F konden geven is het complex gescand. Hierbij bleek dat een klein aantal scherven in de 14e en 15e eeuw kan worden geplaatst. Het gros van het aardewerk dateert echter in de periode tweede helft 16e eeuw – eerste kwart 17e eeuw. Als sluitdatum kan de eerste helft van de 18e eeuw worden gegeven. Uit deze periode zijn slechts enkele stuks aanwezig en het gaat hier dan ook waarschijnlijk om materiaal dat afkomstig is uit een nagezakte vulling. Losse aardewerkvondsten Ten slotte is er nog materiaal verzameld dat niet aan een spoor gekoppeld kan worden. Het materiaal uit vondstnummer 3 is te dateren in de 14e en/of 15e eeuw, en betreft grijsbakkend aardewerk en geglazuurd steengoed. Vondstnummer 15 en 16 zijn verzameld tijdens de aanleg van vlak 103 en bestaan eveneens uit grijsbakkend aardewerk en geglazuurd steengoed uit de 14e en/of 15e eeuw. Onder vondstnummer 25 zijn alle stortvondsten verzameld. De vondsten variëren in datering tussen de late 13e tot en met de 18e of vroeg 19e eeuw. De bakselgroepen roodbakkend, geglazuurd steengoed, bijna-steengoed en faience komen hierbij voor. 5.3.3 Conclusie Op basis van het geanalyseerde aardewerk uit de opgraving kan gezegd worden dat de binnenste van de twee grachten mogelijk in de late 12e of begin 13e eeuw is gegraven bij de ingebruikneming van het terrein, omdat de vroegste scherven die tijdens de opgraving zijn aangetroffen in de vulling van deze gracht aanwezig waren. Zoals gezegd, is het evengoed mogelijk dat de scherven van elders zijn aangevoerd en pas bij de demping in de vulling van de gracht terecht zijn gekomen. In dat geval geven de vondsten uit kuil 2 (KL2) mogelijk een zuiverder beeld. Deze scherven dateren uit de eerste helft van de 14e eeuw. De gracht blijkt in de 19e eeuw te zijn gedempt. Uit de vierkante kuil met het industrieel witbakkende aardewerk uit de tweede helft van de 19e eeuw blijkt inderdaad dat het terrein ook op dat moment nog bewoond was.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


30

6

Metaal C. Nooijen

6.1

Inleiding

Bij de opgraving zijn achttien metalen voorwerpen aan het licht gekomen. Het betreft vijftien ijzeren voorwerpen, twee vondsten van lood en één van een koperlegering. Het materiaal is over het algemeen matig tot sterk gecorrodeerd, maar het voorwerp van een koperlegering is slechts met enkele losse corrosieplekken bedekt. Bijna alle vondsten zijn in grondsporen aangetroffen. Zij zullen hieronder per spoor worden beschreven. Gracht 1 (GA1) De vondstrijke vullingslaag in de binnenste gracht (spoor 38, werkput 1) in de nabijheid van de stortkoker leverde een vierkante schoengesp op (vnr. 13). Dit voorwerpje was gemaakt van een koperlegering (afb. 6.1.).22 Het stuk was voorzien van een apart vervaardigde middenstijl die inmiddels, samen met de angel, is verdwenen. De met bloemen versierde beugel is lichtgebogen om goed over de wreef te passen. Deze fraai uitgevoerde gesp kan in de periode 1675-1800 worden gedateerd. Dit sluit goed aan bij de datering van het aardewerk uit deze laag.

Afb. 6.1. Schoengesp.

Uit de bovenste grachtvulling (spoor 1000) komen enkele bouwfragmenten in de vorm van twee platte smeedijzeren staven (vnr. 7).23 Eén van de staven heeft twee spijkergaten voor de bevestiging. Ze zijn niet erg zwaar uitgevoerd en het uiteinde is mooi afgewerkt. Zij maakten daarom waarschijnlijk geen deel uit van de gebouwconstructie. Het betreffen waarschijnlijk eerder beslagstukken voor op een deur of luik. Funderingsleuf (MR2) In de funderingssleuf van muur 2 (MR2, spoor 22) is onder andere de schakel van een ketting gevonden.24 Smeedijzeren kettingen werden op verschillende plaatsen toegepast, zoals bij ophaalbruggen, valhekken en waterputten. In dit geval is de schakel met een lengte van circa 6,5 cm relatief klein en is de toepassing hiervan bij een waterput waarschijnlijker dan bij een brug. Op basis van het onduidelijke beeld dat het hiermee in associatie gevonden aardewerk geeft kan dit stuk niet nauwkeurig worden gedateerd. Puinlaag (BS1) De meest bijzondere metaalvondst komt uit een laag baksteenpuin (BS1, spoor 21). Het nu platgedrukte loden voorwerp was oorspronkelijk conisch van vorm en op de punt is een loden ring gesoldeerd (afb. 6.2.). De lengte bedraagt 47 cm en het gewicht is 5,835 kg. Aan de zijkant bevindt zich een verticale soldeernaad en ook op de rand bevindt zich een dergelijke naad.

22 23 24

Naast een staafje, spijker en een fragmentje, alle van ijzer. Naast een ovale ijzeren ring. Daarnaast komen uit dit spoor drie spijkers en een onherkenbaar brokje van ijzer.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


31

Afb. 6.2. Loden voorwerp. De functie van dit voorwerp is niet bekend, maar er zijn tot nu toe twee mogelijkheden geopperd. Het kan gaan om een bekroning van dakkapel, zoals te zien is bij kasteel Waardenburg (afb. 6.3.) of het kan gaan om een loden bekleding van een (arkel)torenspits.25 Een arkeltoren is een uit de gevel van een gebouw uitspringende, overhangende toren, meestal van relatief klein formaat en rond in doorsnede. Dergelijke torentjes komen vaak op de hoek van twee gevels voor, maar kunnen ook in het midden van een gevel zijn geplaatst. De ring op het topje diende dan ook mogelijk als bevestigingspunt voor een topversiering. De dakkapelbekroningen van kasteel Waardenburg zijn veel lichter uitgevoerd dan het exemplaar uit Gameren waardoor de verklaring van arkeltorenbekroning het meest voor de hand ligt. Tot op heden is echter geen vergelijkbare torenbekleding met een dergelijke ring bekend. Meestal zijn dergelijke bekroningen namelijk bevestigd met behulp van een uitstekende pin of werden deze hier direct op gesoldeerd.

25

Mondelinge mededeling dhr. T. Hermans (RACM) aan P.C. de Boer.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


32

Afb. 6.3. Dakkapelbekroning kasteel Waardenburg (foto’s: P.C. de Boer).

In de puinlaag is ook een fragment van een werktuig gevonden. Het stuk heeft een driehoekig blad en het betreft daardoor vermoedelijk een schaar of (mes)vijl (vnr. 26).26 Trapgat Tijdens het AWN-onderzoek is in het trapgat dat leidt naar de kelder van ruimte F een vondstcomplex geborgen. Deze bestaat voornamelijk uit aardewerk. Hieronder bevond zich één loden voorwerpje. Het betreft een lakenlood met daarop een onbekend merk. Losse vondst Gedurende het bouwrijp maken van het terrein is door de AWN bovendien een opmerkelijke vondst gedaan. Onder een oude gasleiding ter hoogte van de uiterste zuidwesthoek van de voorburcht werd een complete zaag gevonden (vnr. 104, afb. 6.4). Dit werktuig bevond zich in een ophogingspakket van bruingele zandige klei.27 Op de locatie van één van de handvatten zijn resten hout aangetroffen. Dit hout 28 leende zich echter niet meer voor determinatie van de gebruikte houtsoort.

26 27 28

Mondelinge mededeling mevr. M.C.E. Houkes aan P.C. de Boer. Mondelinge mededeling A. Haneveer (AWN) aan P.C. de Boer. Mondelinge mededeling mevr. S. Aarsen (ArcheoSpecialisten) aan P.C. de Boer.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


33

Afb. 6.4. IJzeren trekzaag.

6.2

Interpretatie

De meest opvallende vondst is natuurlijk de mogelijke bekleding van één van de slottorens. Als dat inderdaad zijn functie was, dan is het een directe verwijzing naar de adellijke aard van de vindplaats. De andere voorwerpen werpen slechts een flauw schijnsel op het dagelijkse leven van de bewoners. Tabel 6.1. Determinaties metaal. PUT- SPOOR- VONDSTNR NR NR 1 25 1 25 1 22 4 1 22 4 1 22 4 1 38 13

VOLGNR 1 2 1 2 3 1

AANTAL

METAAL GROEP

1 1 1 3 1 1

FE FE FE FE FE CU

OVERIG OVERIG OVERIG OVERIG OVERIG LICHAAM

1

38

13

2

1

FE

1 1 4

38 38 21

13 13 26

3 4 1

1 1 1

4

21

26

2

4

1003

7

4

1003

4

1003

METAAL FUNCTIE

VORM

TYPE

OPMERKING

ALGEMEEN ALGEMEEN ALGEMEEN ALGEMEEN ONBEKEND KLEDING

MES SPIJKER KETTING SPIJKER BROK GESP

SMALA

angel met stuk lemmet; geen merkjes

OVERIG

ONBEKEND

STAAF

FE FE PB

OVERIG OVERIG OVERIG

ALGEMEEN ONBEKEND ONBEKEND

SPIJKER FRAGMENT ONBEKEND

1

FE

NIJVERHEID GEREEDSCHAP SCHAAR/VIJL?

1

1

FE

OVERIG

ONBEKEND

RING

7

2

1

FE

GEBOUW

ALGEMEEN

7

3

1

FE

GEBOUW

ALGEMEEN

BOUWFRAGMENT BOUWFRAGMENT

5835

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

schakel; l.ca. 65cm klein brokje VIERKANT gesp met middenstijl; stijl en angel verdwenen; deco van bloemen; ws schoengesp; lich gebogen, breedte 2,0cm, datering 1675-1800 staafje met oog; andere uiteinde punt; ronde doorsnede klein fragmentje ring aan bovenkant; was oorspr. rond maar nu plat; naad vertik en naad langs rand, lengte 47cm, gewicht 5,835kg angel met driehoekig blad met platte punt ovalen ring; lijkt erg op de ringen van het legerkamp uit Haelen brede strip; ws deel gebouwconstructie; niet erg dik brede strip met nagelgaten; niet erg dik

Gameren ‘t Slot


34

7

Kleipijpen D. Duco (Pijpenkabinet Amsterdam) Over het roken op buitenplaatsen en boerenhofsteden is beduidend minder bekend dan over het tabaksgebruik in steden. Stadskernonderzoek heeft het de afgelopen decennia mogelijk gemaakt de rookgewoonte in de verschillende stedelijke milieus in kaart te brengen. Daarbij is gebleken dat bewustzijn van stand, belangstelling voor mode en financiële mogelijkheden de keuze voor een bepaalde pijp en de omloopsnelheid ervan bepalen. Op het platteland is het stedelijke gedragspatroon slechts beperkt aanwezig. Hierdoor sluit de keuze van de tabakspijp minder aan bij de persoonlijkheid van de roker. Bovendien is de smaak voor het rookgerei minder expliciet geweest omdat de keuze geringer was. Van deze kenmerken getuigen ook de vondsten uit deze opgraving. Een vondstlaag onder een stortkoker in de gracht leverde 24 pijpenkoppen en 10 stelen op. Het materiaal laat zich in twee groepen verdelen. Kwalitatief goede kleipijpen van Goudse makelij met een tijdspanne tussen 1730 en 1780, naast lokaal geproduceerde pijpen van gemiddeld iets latere datum. De kwaliteitswaar is van het bekende basistype 3, met als kenmerk een ovale ketel en relatief slanke hiel voorzien van een makersmerk.29 Deze soort werd indertijd aangeduid met maatpijp en heeft als voornaamste kenmerk een lange rechte steel van 21 duim ofwel ruim vijftig centimeter. De koppen van deze pijpen zijn altijd gepolijst. Dit product werd in Gouda ontwikkeld in de jaren voor 1740. Het vroegste gevonden exemplaar van dit type draagt het hielmerk drie kronen en is nog enigszins onstabiel van vorm. De datering ligt rond 1735. De andere producten vertonen een volwassen ovaalvorm en zijn voorzien van de merken kandelaar (4 stuks), 46 gekroond, 53 gekroond (afb. 7.1) en 71 gekroond (2 stuks). Hun datering ligt ruim een generatie later. Het voorkomen van meerdere exemplaren met hetzelfde merk veronderstelt reguliere aanvoer, doch gezien de afwijkende vormkenmerken gaat het wel om verschillende zendingen. Het bevestigt de aanvoer van pijpen bij kleine aantallen of zelfs per stuk.

Afb. 7.1. Ovale pijpenkop, basismodel 3 voorzien van het gestempelde hielmerk 53 gekroond. Gouda, Pieter van der Want Dzn. (werkzaam 1749-1774), datering 1755-1770 (tekening: D. Duco).

Nader beschouwd gaat het bij het Goudse materiaal om pijpen uit middelgrote werkplaatsen. In afwerking balanceren deze tussen fijn en porceleijn, de laatste indertijd de duurste soort. Ruim de helft is van de fijne kwaliteit, de andere neigt naar de porceleijne categorie doch slechts één exemplaar heeft daarvan alle kenmerken. Daarmee is duidelijk dat naar deze locatie niet de beste waar is aangevoerd. Om die reden ontbreken ook de meest gerenommeerde merken, zoals WS gekroond, B gekroond, S gekroond, molen en slang die op andere locaties wel frequent voorkomen. Onder de vondsten is één exemplaar herkenbaar als een imitatie Goudse pijp die moet stammen uit een andere productieplaats. Deze pijpenkop is mogelijk zelfs van later datum aangezien het merk 46 gekroond pas in het laatst van de 18e eeuw subject van imitatie werd. De bijzonder lange looptijd van het ovale ketelmodel maakt een scherpe datering niet mogelijk. Naast lange pijpen zijn korter gesteelde producten in gebruik geweest. Het gaat overwegend om zogenaamde zijmerk pijpen, ook wel bekend als boerenpijpen, een naam die refereert aan de voornaamste groep afnemers: de boerenstand. Het is een kwaliteitscategorie die in stedelijke gebieden zelden wordt gevonden, omdat de pijpen te laagwaardig van kwaliteit waren. Dergelijke producten hebben een licht gebolde, weinig stabiele ketelvorm en zijn voorzien van een reliëfmerk op de linker ketelzijde. Tot de algemene uitbeeldingen behoren de vis met drie golven of de letter N gekroond. Het is nog steeds onduidelijk of er een diepere betekenis aan deze motieven ten grondslag lag, die de reden was van hun grote populariteit. Een tweede kenmerk van de boerenpijp is dat deze overwegend regionaal wordt gemaakt en slechts zeer beperkt in Gouda. 29

Duco 1987, 27.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


35

Ter individualisering zijn de algemene ketelmerken als de vis, letter N en andere aangevuld met de initialen van de pijpenmaker. De letters IOH staan bijvoorbeeld voor Jan Ophuijzen uit Gorinchem (werkzaam van 1760 tot 1790), de letters HDH voor Huijbert de Hoog uit Schoonhoven (werkzaam tussen 1773 en 1793). In een zeldzaam geval is een bestaand merk inclusief de initialen opnieuw geïndividualiseerd door een tweede lettercombinatie. Voorbeeld daarvan is de pijp met de letters HVDO, oorspronkelijk bedacht door Hendrik van den Oever uit Schoonhoven (werkzaam tussen 1787 en 1798). Aan dit merk zijn de initialen van de maker Jan van Wouw (werkzaam van 1774 tot 1793) uit Gorinchem toegevoegd (afb. 7.2). Vermoedelijk beoogde Van Wouw van de renommee van Van den Oever te profiteren door een bestaand geïndividualiseerd merk aan te nemen en dat uit te breiden met zijn eigen initialen. De gildenadministrateur in Gorinchem heeft dit kunnen toestaan aangezien het merk HVDO binnen de stadsgrenzen niet op naam van een andere maker was ingeschreven. Buiten de stadsgrenzen waren de pijpenmerken onbeschermd, aangezien de gilden slechts een stedelijke reikwijdte hadden.

Afb. 7.2. Boerenpijp met in reliëf het merkteken vis gekroond boven golven en voorzien van de initialen HVDO en de toegevoegde initialen IVW. Gorinchem, Jan van Wouw (werkzaam (1775-1790), datering 17751790 (tekening: D. Duco). Onverwacht bij de vondsten van ‘t Slot is de verhouding tussen de Goudse kwaliteitspijpen en het lokaal gemaakte boerenspul. Van beide zijn negen exemplaren aangetroffen. De combinatie lange kwaliteitspijp en grove kortgesteelde pijp is niet goed te plaatsen. Uiteindelijk doet het milieu van de vindplaats een zekere stand vermoeden; bij de helft van het materiaal gaat het echter om goedkope pijpen voor de landbouwers of boeren. Aangezien de zijmerkpijpen van wat later datum zijn, veronderstellen zij een afglijden van het milieu. Anderszins is het evengoed mogelijk dat het materiaal zowel van bewoners als van en bedienend personeel afkomstig is. Vanwege het geringe aantal exemplaren en de volledige onduidelijkheid wie de pijpen hebben gerookt, is speculatie over de gebruikers verder niet verantwoord. Van belang is nog wel de vondst van een pijpenkop met slanke bekervorm afkomstig uit een Duitse werkplaats. Het gaat om een fraai afgewerkt product met een hielloze ketel voorzien van een decoratie van enkele smalle knorren geflankeerd door gladde lijnen (afb. 7.3). Dergelijke producten waren indertijd niet regulier in de handel. Zij werden doorgaans vanuit de mars van een rondtrekkende verkoper verspreid en vooral op het platteland als curiosum aangeboden. Door moeder de vrouw aangeschaft waren zij een geschenk om een geliefde roker te verrassen. Het zijn de producten waarvan de vondstfrequentie toeneemt naarmate de vindplaats dichter bij de productieplaats, lees Duitse grens, ligt.

Afb. 7.3. Fijne kwaliteit pijp ook wel aangeduid met etuipijp, voorzien van een knorrendecoratie aan de ketelbasis. Duitsland, Westerwald, datering 1760-1800 (tekening: D. Duco). Tot besluit nog iets over de gebruiksintensiteit van de gevonden pijpen. Nagenoeg al het materiaal vertoont minimale gebruikssporen, terwijl slechts één pijpenkop wat intensiever is gerookt. Dat wijst er op dat het roken op die locatie niet echt populair is geweest. In zo’n geval is er eerder sprake van de vondst van pijpen van gasten wat betreft de betere exemplaren en producten van bezoekers of leveranciers aangaande de boerenpijpen. Van een overtrokken zuinigheidpatroon met zwaar doorrookte pijpen is in Gameren dus geen sprake.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


36

De keuze van de pijpen en het gebruikspatroon zijn vergelijkbaar met vondsten van een kasteellocatie zoals bijvoorbeeld Huis te Vleuten.30 Ook daar hebben we een tweestroom in kwaliteit gesignaleerd met een niet te overbruggen verschil tussen grove en fijne pijpen. In Vleuten is deze samenhang verklaard uit het standsverschil tussen personeel en eigenaar. De vondsten uit Vleuten lieten ook zien dat er van werkelijke luxe geen sprake was, hetgeen vermoedelijk eerder terugvoert op de beperking in aanvoer dan op de mogelijkheden van de portemonnee. Als laatste dient nog vermeld te worden dat het mogelijk blijft dat er op ’t Slot in Gameren pijpen van alternatieve materialen zijn gerookt: vroege houten pijpen of producten van porselein of meerschuim. Dergelijke materialen passen beter in de sfeer van een buitenplaats. Tabakspijpen van andere grondstoffen hebben een beduidend langere levensduur en worden ook meestal met meer zorg omringd. Mede om die reden komen deze producten slechts zelden als bodemvondst voor. Al met al moeten we concluderen dat pijpvondsten als aanwijzing voor een datering redelijk bruikbaar zijn maar dat het vaststellen van smaak en mode in relatie tot de gebruiker vaak grote hindernissen oplevert.

30

Duco 2005, 83-89.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


ADC ArcheoProjecten Rapport 877

15

16

13

25

19

14

13

4

13

13

18

12

13

17

11

13

5

10

13

25

9

6

13

13

5

13

7

4

13

8

3

13

13

2

13

13

0

1

vondstnummer

13

volgnummer

0

0

aantal pijpenkoppen

0

1

0

1

1

2

1

1

1

2

1

1

2

1

1

4

1

2

1

0

aantal pijpenstelen

1

0

5

0

0

0

0

0

0

0

0

0

4

0

0

0

0

0

0

basistype

b3

b3

b5

b3

b3

b3

b3

b3

b3

b3

kwaliteit

bijmerk

05 porceleijn

04 fijn/porceleijn

04 fijn/porceleijn

02 grof/fijn

wapen 03 fijn Gouda + s li/re

03 fijn

01 grof

01 grof

01 grof

01 grof

01 grof

01 grof

01 grof

wapen 03 fijn Gouda + s li/re

wapen Gouda li

wapen 03 fijn Gouda + s li/re

wapen Gouda li

wapen 03 fijn Gouda + s li/re

04 fijn/porceleijn

decoratie

tussenlijnen

subtype

basismodel 5-d

basismodel 3-a

benaming model ovaal

ovaal

beker

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaalvorm

ovaal

ovaal

ovaal

ovaal

ovaal

ovaal

ovaal

herkomst Gouda ?

Gouda

Gouda ?

Gouda

Westerwald

Gorinchem ?

Schoonhoven

Gorinchem

Schoonhoven

Gorinchem

Gorinchem

Gouda

Gouda

Nederland

Gouda

Gouda ?

Gouda

Gouda

0

begindatering 1720

1750

1650

1755

1760

1770

1770

1775

1770

1770

1770

1770

1740

1745

1750

1760

1760

1750

1730

0

einddatering 1800

1780

1800

1770

1800

1790

1790

1790

1790

1790

1790

1790

1780

1770

1780

1780

1780

1760

1740

1 stempel hiel

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

5 reliëf ketel li.

1 stempel hiel

1 stempel hiel

1 stempel hiel

1 stempel hiel

1 stempel hiel

1 stempel hiel

soort merk

Determinatie pijpvondsten

53 gekroond

IG gekroond

N gekroond + HDH

vis golven + HVDO + IVW

vis golven + HVDO

vis golven + IOH

vis golven + GVS

vis golven + IW

50 gekroond

46 gekroond

kandelaar

keizerskroon

71 gekroond

drie kronen

merk

Tabel 7.1. Determinaties kleipijpen (li = links; re = rechts).

literatuur

Gerrit Verblaauw

pijpmaker

Duco, 2003, nr 994

Duco, 2003, nr 991

Duco, 2003, nr 223

0

1750

0

0

0

1760

0

1735

1728

0

begin periode 1760

0

0

1770

0

0

0

Pieter van der 1749 Want Dzn.

Huibert de Hoog

Jan van Wouw 1775

Hendrik van den Oever

Jan Ophuizen 1760

Versluijs ?

Jan Wouters

Visser/de Wilde

Willem Lunenburg

Duco, Aart 2003, Brammert nr 1013

Duco, 2003, nr 35

eind periode 0

0

0

1774

0

0

1790

1790

1790

1790

0

1790

0

0

0

1806

0

1772

1763

0

afwerking 03 volgeglaasd, ketel

01 ongeglaasd

03 volgeglaasd, ketel

02 halfgeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

01 ongeglaasd

03 volgeglaasd, ketel

03 volgeglaasd, ketel

03 volgeglaasd, ketel

03 volgeglaasd, ketel

03 volgeglaasd, ketel

03 volgeglaasd, ketel

versiering knorren

gebruikssporen 2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

1 ongerookt

1 ongerookt

2 weinig gerookt

2 weinig gerookt

1 ongerookt

2 weinig gerookt

3 middel gerookt

opmerking verschillende persvormen

nagemaakt van Gouds model

mogelijk zelfde zending

merkstempel te onzorgvuldig voor Goudse makelij

37

Gameren ‘t Slot


38

8

Keramisch bouwmateriaal en natuursteen P.C. de Boer

8.1

Keramisch bouwmateriaal

Het keramisch bouwmateriaal bestaat uit: bakstenen, dakpannen, daktegels, vloertegels en pleisterwerk (zie bijlage 8.1). In de bakstenen zijn drie verschillende formaten te onderkennen. De grootste afmetingen zijn 26/28 x 13 x 6,5/7,5 cm. Deze stenen zijn verwerkt in de oudste fase van het kasteel. Het tweede formaat is 23,5/24 x 11 x 5 cm. Dit betreft de grootschalige uitbreiding van het complex. Tenslotte is een kleiner formaat aangetroffen. Het betreft halve stenen die zijn verwerkt in de waterput (WA1). Deze zijn klinkend hard gebakken en hebben het formaat – x 9/9,5 x 4 cm. De oudste keramische dakbedekking betreft de daktegels. Hiervan zijn slechts kleine fragmenten aangetroffen. Enkel de dikte kon worden opgemeten. Deze bedraagt tussen de 1,1 en 1,5 cm. In één geval was nog een nokje zichtbaar waarmee de tegel achter een panlat werd gehaakt. Vaak was het onderste (derde) deel van de daktegel voorzien van een streep loodglazuur. Dit is echter niet op de tegels in Gameren aangetroffen. Uit de jongere fase(n) zijn fragmenten van golfpannen aangetroffen. Het betreft hier zogenaamde ‘Hollandse rechtsdekkende’ pannen. De afmetingen zijn niet te bepalen. Ook hier is in één geval een nok aangetroffen. Op de pannen zijn mortelresten zichtbaar. Hiermee heeft men het pannendak aanvullend wind- en waterdicht afgesmeerd. De op de tekening van Spilman zichtbare daken hebben een dergelijk pannendak. Als vloerbedekking zijn tegels gebruikt. In één geval kon een complete vloertegel worden bestudeerd. Deze is ongeglazuurd, klinkend hard gebakken en van het formaat 14 x 13,5 x 3 cm. Meestal zijn dergelijke tegels vierkant. Dit exemplaar was echter door de harde baktemperatuur iets kromgetrokken en wellicht daarmee ook onregelmatig gekrompen. Van een andere tegel kon enkel een dikte van 2,7 cm worden gemeten. Van beide tegels vertoonden zowel één of meerdere zijkanten als de onderkant mortelresten. Dit wijst er op dat deze tegels deel uitmaakten van een waterdichte tegelvloer. Dergelijke vloeren werden vaak toegepast in kelders omdat de hierin opgeslagen goederen tegen optrekkend vocht moesten worden beschermd. In het geval van waterkelders werd hiermee juist voorkomen dat dit waterreservoir leegliep. Van een andere tegel was enkel nog een dikte van 3,5 cm te noteren. Een fragment kalkpleister wijst er tenslotte op dat (een deel van) de muren met kalkpleister was afgesmeerd.

8.2

Natuursteen

Het natuursteen bestaat uit fragmenten leisteen die waarschijnlijk als dakbedekking zijn gebruikt. In twee exemplaren zijn resten van spijkergaten zichtbaar. Hiermee werden de leien op het dak vastgespijkerd. Deze vondsten zijn zo fragmentarisch overgeleverd dat hieruit geen vormen waren te achterhalen. Hierdoor is het dan ook niet mogelijk om de wijze van dakdekking te achterhalen. De dikte kon veelal wel worden bepaald. Deze ligt tussen de 0,3 en 0,7 cm. Gedurende het AWN-onderzoek is een groot fragment van een maalsteen aangetroffen. Deze vondst is aangetroffen in een opgevuld trapgat. De diameter van de steen is 1,0 m en de dikte bedraagt 10 cm.31 De gebruikte steensoort is niet gedocumenteerd, maar het zal hier gaan om een molensteen van basaltlava. 8.2.1 Een leistenen zonnewijzer Een zeldzame vondst betreft die van een vrijwel complete leistenen zonnewijzer. Het stuk is door een bezoeker van de AWN-opgraving van het stort opgeraapt. De lei heeft een paarse gloed en is daarom vermoedelijk afkomstig uit de groeve van Fumay (Fr.).32 De breedte is, van links naar rechts gemeten, 15,6 cm. Van boven naar beneden gemeten bedraagt deze 12,7 cm. De dikte is maximaal 0,6 cm. Gezien de plaatsing van de lijnen, betreft het een zonnewijzer die in een verticale positie moet zijn gebruikt. Op basis van de vondstlocatie, de zonnewijzer is ter hoogte van AWN-werkput 10 gevonden, mag worden aangenomen dat de zonnewijzer aan de noordelijke muur van de zaaltoren was bevestigd en dat deze voor de tijdwaarneming op het hoofdterrein zal zijn gebruikt.

31 32

Van der Kaaij, Haneveer, Terpstra, Bervaas, Rodenburg, Looijen, Tevel, Van der Laan & Lefers 2007, 17. Franse Ardennen (determinatie: R. van Lil).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


39

Afb. 8.1. De leistenen zonnewijzer van kasteel Gameren (collectie: R. Looijen, Brakel). Bij een inventarisatie in 2000 bleek dat er tot op dat moment 18 leistenen zonnewijzers in Nederland waren gevonden. Het betreft 17 horizontale en één mogelijk verticale. Er waren onder andere zonnewijzers bekend uit: Dongen, Dwingeloo, Gemert, Kampen, Kuinre, Leiden33, Maarheeze, Monnickendam34, Oss35, Utrecht, Venlo en IJsselmuiden. 36 In de tussenliggende periode is ook nog een exemplaar aan het licht gekomen tijdens de opgraving van kasteel Huis te Vleuten37 en nu dus bij ’t Slot te Gameren. De onbetwiste koploper qua aantallen betreft ‘De tweede burcht van Kuinre’. Dit kasteel leverde maar liefst vijf exemplaren op, waaronder één mogelijk verticale.38 De vindplaatsen Oss en Dwingeloo komen op de tweede plaats met elk twee exemplaren. De overige vondstlocaties leverden één exemplaar op. Wat opvalt bij deze vondstlocaties is dat het allemaal plaatsen betreffen die een voorname of religieuze functie hebben vervuld. Veel kerken hebben nog steeds een zonnewijzer. Bij de archeologisch getraceerde zonnewijzers gaat het in de meeste gevallen om adellijke huizen (Huis te Dongen, Havezate Entinge – Dwingeloo, het Hooghuis te Gemert, Tweede burcht van Kuinre, kasteel Cranendonck -Maarheze, Huis Arendsvlucht -Oss, Huis te Veen -Utrecht, Huis te Vleuten, het Hertogenhof -Venlo en ’t Slot te Gameren. In mindere mate om kloosters (Galilea Minor -Monnickendam en Sint Maarten –Ijsselmuiden). Als laatste context kan de directe nabijheid van een stadspoort worden genoemd (gracht naast de ‘Graafsche Poort’ Oss). Het is niet bekend waarmee de vondst van Leiden moet worden geassocieerd. Wel kan worden gesteld dat het ook hier om een terrein met enige status moet gaan. In dezelfde context werd namelijk een kaarsentrekbak gevonden. 39 De vondst van een met opzet beschadigd Mariabeeld (Beeldenstorm?) wijst mogelijk op de locatie van een klooster. De vondst uit Kampen betreft vermoedelijk een halffabrikaat. Het gaat hier om een ‘blanco’ zonnewijzer, met enkel een ingekraste cirkel en een centraal geplaatst gat, die op een houten plankje was gespijkerd. De vindplaats hiervan is echter niet bekend. Een nauwkeurige datering voor deze objecten is veelal moeilijk te geven, maar deze meeste exemplaren kunnen op basis van de begeleidende vondsten of historisch bronnenmateriaal grofweg in de periode 14e-16e eeuw worden geplaatst.40 Ook het vondstmateriaal van ’t Slot te Gameren wijst hierop. De zonnewijzer uit Gameren is nu juist zo speciaal omdat het hier ontegenzeggelijk gaat om een verticale zonnewijzer. In zijn beschrijving van middeleeuwse leistenen zonnewijzers in 1978 sprak wijlen dhr. Hagen de wens uit: “… en we hopen nog eens een verticale middeleeuwse in Nederland te vinden!”41 Hij heeft deze bijzondere vondst helaas niet meer kunnen aanschouwen. 33

Suurmond- van Leeuwen 1981, 7-27. Besteman & Heidinga 1975. Van Alphen 2000. 36 Schriftelijke mededeling dhr. G. van Alphen (AWN afd. Nijmegen e.o.; archeologische werkgroep Oss) d.d. 07-07-2000. 37 Kars & Van Pruissen 2005, 106-107. 38 Van Doesburg & De Boer 2001, 59-60; De Boer & Geurts 2002, 82-84. 39 Suurmond-van Leeuwen 1981. 40 Schriftelijke mededeling G. van Alphen: Dongen: 1450-1500; Dwingeloo: 14e eeuw; Gemert: onbekend; Kampen: na 1375; Leiden: 14e – 15e eeuw; Maarheeze: onbekend; Monnickendam: 1432- circa 1575; Oss: vondst naast stadspoort, circa 1650 en vondst ‘Huis Arendsvlucht’, circa 15e eeuw; Utrecht: onbekend; Venlo: circa 1375; IJsselmuiden: vóór 1580. Kuinre: 1378 en 1531 (De Boer & Geurts 2002); Vleuten: 1325-1450 (Kars & Van Pruissen 2005). 41 Hagen 1978, 25-29. 34 35

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


40

9

Archeobotanisch onderzoek L. van Beurden (BIAX Consult)

9.1

Inleiding

Uit grachtvulling spoor 38 (op basis van aardewerk en kleipijpen gedateerd tussen 1730 en 1800) zijn monsters genomen ten behoeve van onderzoek aan botanische macroresten en pollen.42 Naast de gebruikelijke vraagstellingen met betrekking tot de voedingseconomie en het milieu, diende het onderzoek antwoord te geven op een aantal specifiek geformuleerde vraagstellingen: Welke soorten (fruit-)bomen en struiken en planten stonden in de directe omgeving (=boomgaard) en welke vruchten zijn hiervan geconsumeerd? Is er ook sprake van de aanwezigheid van moestuinen en of siertuinen? Is er ook sprake van een luxe huishouden?

9.2

Methoden

Het grondmonster voor macrorestenonderzoek is door ADC ArcheoProjecten gezeefd aangeleverd. Bij het zeven is gebruik gemaakt van een serie zeven met een minimale maaswijdte van 0,25 mm. Voor het macrorestenonderzoek, uitgevoerd door L. van Beurden, is gebruik gemaakt van een opvallendlichtmicroscoop met vergrotingen tot 40 maal. Uit het pollenmonster, aangeleverd in een kleine pollenbak (5x5x20 cm), is in het laboratorium van BIAX Consult een submonster van 10 cm3 genomen.43 Het submonster is bereid volgens de standaardmethode van Erdtman. Dit werk is uitgevoerd door M. Konert van het Laboratorium voor Sedimentanalyse van de Vrije Universiteit in Amsterdam.44 Van het pollenresidu zijn twee preparaten vervaardigd. Voor het pollenonderzoek is gebruik gemaakt van een doorvallend-lichtmicroscoop met vergrotingen tot 400 maal. Het pollenonderzoek is uitgevoerd door M. van Waijjen.

9.3

Resultaten

Tijdens het onderzoek werd al in een vroeg stadium duidelijk dat een verdere analyse van de monsters weinig meer resultaten zal opleveren. Het pollenmonster bleek vrijwel pollenloos en het zadenmonster was, hoewel relatief rijk aan zaden, arm aan soorten. Een uitgebreide analyse hoefde daarom niet te worden uitgevoerd. Tijdens het zadenonderzoek is gebleken dat zaden van gewone vlier (Sambucus nigra) en kleine brandnetel (Urtica dioica) goed vertegenwoordigd zijn (tabel 9.1.). Gewone vlier en kleine brandnetel zijn beide indicatief voor stikstofrijke standplaatsen.45 Zeer waarschijnlijk zijn de zaden afkomstig van lokaal groeiende brandnetels en vlierstruiken. Daarnaast zijn enkele zaden van melganzenvoet (Chenopodium album), hondsdraf (Glechoma hederacea) en een zeggesoort (Carex) aanwezig. Melganzenvoet is een eenjarige soort van open, vochtige stikstofrijke omgewerkte gronden en veel voorkomt op braakliggend land. Hondsdraf komt voor op beschaduwde plaatsen, onder andere aan waterkanten.

Tabel 9.1 . Resultaten van het macrorestenonderzoek. Legenda: (+) = <10, + = 11-50, +++ = >100. vondstnummer

12

Carex

(+)

Carex

Chenopodium album

(+)

Melganzenvoet

Galeopsis bifida type

1

Gespleten hennepnetel type

Glechoma hederacea

1

Hondsdraf

Sambucus nigra

+

Gewone vlier

Urtica dioica

+++

Grote brandnetel

42

Vondstnummer 12, put 1, spoor 38. BX nummer: 3329. Faculteit Aard- en Levenswetenschappen. 45 Weeda et al. 1988, 265. 43 44

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


41

Tabel 9.2. Resultaten van het pollenonderzoek. Legenda: + = aanwezig. vondstnummer pollenrijkdom conservering opmerking Bomen en struiken Alnus Corylus avellana Pinus Quercus Cultuurgewassen Cerealia type Fagopyrum esculentum Akkeronkruiden en ruderalen Anthemis type Brassicaceae Centaurea cyanus Chenopodiaceae Kruiden (algemeen) Apiaceae Asteraceae liguliflorae Asteraceae tubuliflorae Poaceae Poaceae >40 æm Planten uit verlandingsvegetaties Cyperaceae Sparganium erectum type Heide en hoogveenplanten Calluna vulgaris type Sphagnum Microfossielen van open zoet water Spirogyra (T.132) Type 128A Zygnemataceae Mestindicatoren Podospora type (T.368) Sordaria type (T.55A) Tripterospora type (T.169) Ei van darmparasiet Ascaris

12 ca. pollenloos matig vnl. houtskool

+ + + +

Els Hazelaar Den Eik

+ +

Granen type Boekweit

+ + + +

Schubkamille type Kruisbloemenfamilie Korenbloem Ganzenvoetfamilie

+ + + + +

Schermbloemenfamilie Composietenfamilie lintbloemig Composietenfamilie buisbloemig Grassenfamilie Grassenfamilie, korrels >40 æm

+ +

Cypergrassenfamilie Grote en Blonde egelskop type

+ +

Struikhei type Veenmos

+ + +

Groenwier-genus Spirogyra (T.132) Watertype (T.128A) Groenwier-familie Zygnemataceae

+ + + +

(Mest-)Schimmel Podospora type (T.368) (Mest-)Schimmel Sordaria type (T.55A) (Mest-)Schimmel Tripterospora type (T.169) Spoelworm

Naast bovengenoemde zaden, die alle in onverkoolde staat zijn aangetroffen, is een verkoold zaad van het gespleten hennepnetel type (Galeopsis bifida type) gevonden. Onder dit type vallen drie soorten; gespleten hennepnetel (G. bifida), dauwnetel (G. speciosa) en gewone hennepnetel (G. tetrahit). Alle drie soorten komen onder andere voor aan stikstof- of voedselrijke waterkanten.46 Hoe het zaad verkoold is geraakt, is niet duidelijk, maar mogelijk heeft men de slootkanten van tijd tot tijd afgebrand om hiermee ruimte te creëren. Eenzelfde verklaring is onlangs ook aangedragen voor wat betreft de Gelderse kasteelcomplexen Waardenburg (gemeente Neerijnen) en Lichtenvoorde (gemeente Oost-Gelre).47 Hoewel het pollenmonster weinig pollen bevat, heeft de analyse toch wel een aantal resultaten opgeleverd die het vermelden waard zijn. In het monster is pollen van graan en boekweit aanwezig, evenals het pollen van korenbloem, een typisch (graan)akkeronkruid (tabel 9.2). Van welke graansoort het graanpollen afkomstig is, kon niet worden opgemaakt. In het pollenmonster zijn ook enkele eieren van Ascaris aangetroffen. Ascaris is een spoelworm. De eieren van deze spoelworm kunnen worden teruggevonden in menselijke uitwerpselen (beer).

9.4

Conclusie

Uit de resultaten van het onderzoek is gebleken dat de monsters nauwelijks informatie bevatten die een antwoord kunnen geven op eerder genoemde vraagstellingen. Wel kan uit de resultaten van het onderzoek worden opgemaakt dat in de directe omgeving van de gracht ruigten aanwezig waren waar met name vlier en brandnetel deel van uit maakten. In de omgeving van het kasteelterrein waren mogelijk akkers met boekweit en graan aanwezig, maar het pollen van deze gewassen kan ook afkomstig zijn van consumptieafval (beer) dat in de gracht terecht is gekomen.

46 47

Van der Meijden 2005, 125. Bos 2007; Van der Meer & Hánninen 2007.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


42

10 Synthese In dit hoofdstuk worden de onderzoeksgegevens samengebracht en zal worden getracht een fasering in het complex aan te brengen en kasteel in een wijdere context te plaatsen. De onderstaande beschrijving van de fasering vindt plaats aan de hand van de door de AWN weergegeven indeling van de vertrekken (afb. 10.1.).

Afb. 10.1. De indeling van de vertrekken (Van der Kaaij, Haneveer, Terpstra e.a. 2007). Fase 1 (circa 1350 – 1598) e e De oudste vondsten die op het onderzoeksterrein zijn aangetroffen dateren uit het eind van de 12 – 13 eeuw. Dit betreft echter materiaal dat afkomstig is uit de vulling van jongere sporen. De oudste zuivere vondstcontext betreft een kuil met aardewerkvondsten uit de eerste helft van de 14e eeuw. De eerste daadwerkelijk aan het kasteel toe te schrijven resten betreffen de funderingen van een omvangrijk bakstenen gebouw dat op bouwhistorische gronden op zijn vroegst rond het midden van de 14e eeuw kan worden gedateerd. Het gebouw stond aan de zuidzijde van een rechthoekig omgracht terrein dat noordzuid was georiënteerd (hoofdburcht). Dit terrein was op zijn beurt in de zuidoosthoek van een oostwest gericht rechthoekig omgracht terrein gelegen (voorburcht). Direct aan de westzijde van de hoofdburcht stond op de voorburcht een in baksteen uitgevoerde boerderij. Deze was bereikbaar via een brug en een uit baksteen opgetrokken poortgebouw. Het hoofdgebouw bezat op de begane grond zes vertrekken (E, F, G, I, J en M). Hiervan waren er vijf onderkelderd (ruimte E, F, I, J en G). Deze kelders waren half verdiept aangelegd. Op de begane grond waren een zaal (ruimte M), een kamer (ruimte J) en een vermoedelijke traptoren (ruimte I) aanwezig. Tijdens de opgraving kon worden aangetoond dat de zaal verhoogd was aangelegd. Binnen de begrenzing van de muren is namelijk een ophoging van kleikluiten aangetroffen. Ook op het buitenaanzicht zoals Rademaker die in 1718 heeft getekend is een hoogteverschil waarneembaar in de plaatsing van de vensters ten opzichte van de poort op de hoofdburcht. Waarschijnlijk was dit ingegeven door de wens om de vloeren op de begane grond op hetzelfde niveau te brengen. De kelders waren immers half verdiept aangelegd en staken deels boven het maaiveld uit. Dat zich een tweede verdieping boven de zaal heeft bevonden kan uit de aanwezigheid van vensters en een mogelijke haard worden opgemaakt. Het door Rademaker getekende naar het oosten gerichte binnenaanzicht van de ruïne laat zowel aan de noord-, oost- als zuidzijde een deur zien. De noordelijke deur leidde van het voorterrein van de hoofdburcht naar de zaal. Aangezien hier een hoogteverschil moest worden overbrugd is het waarschijnlijk dat de entree via een trap geschiedde. De oostelijke deur leidt naar vertrek E en de zuidelijke deur lijkt uit te komen op ruimte I. Tijdens het onderzoek van de AWN is ter hoogte van kelderruimte F een trappartij gevonden. Wellicht dat deze verdiept aangelegde ingang op de tekening van Rademaker door struikgewas aan het zicht wordt onttrokken. Via een trap in de zuidoosthoek van de zaal was kelder F te bereiken. In de zuidwesthoek was ook een doorgang naar kelderruimte J aanwezig. Deze kelder stond in verbinding met ruimte I die op zijn beurt in verbinding stond met kelder G. Het is onbekend of van hieruit ook de kelders F en E bereikbaar waren. Vanaf de noordkant van het kasteel kon men via een trap kelder E bereiken.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


43

Fase 11 (circa (circa 1350-1598) 1350-1598) Fase

Brug Brug

Kelder Kelder Zaal Zaal Kelder Kelder

Traptoren Traptoren N N N

Kelder Kelder

0 00 00 0

5m 5m 5m 5m 5m

AK 03-10-2008

Kamer Kamer

Afb. 10.2. Fase 1.

Fase 2 (1598 â&#x20AC;&#x201C; vlak voor 1741) Getuige de jaartalankers op de tekening van Spilman is het kasteel in of kort voor 1598 verbouwd. In deze fase is kelder F buiten gebruik geraakt. De hier naartoe leidende trap is namelijk met afval opgevuld. De kelders E, I, J en G bleven in gebruik. De meest in het oog springende verandering aan het complex in deze fase was de bouw van een weermuur aan de noordzijde. In deze periode zijn ook herstelwerkzaamheden aan het metselwerk ter hoogte van de zaalbouw en kelder G uitgevoerd. De weermuur omsloot tezamen met het gebouw de gehele omtrek van de hoofdburcht. In de muur was, ter hoogte van de brug, een in de gracht uitgebouwde toegang opgenomen.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


44

Fase 22 (1598-vlak (1598-vlak voor voor 1741) 1741) Fase

Schildmuur Schildmuur

Brug Brug Waterput Waterput

Kelder Kelder XX xx xx

Traptoren Traptoren N N N N

Kelder Kelder

00000

5m 5m 5m 5m 5m

AK 03-10-2008

Kamer Kamer

Afb. 10.3. Fase 2.

Fase 3 (vlak voor 1741 - circa 1800) Van der Aa wist in 1843 te melden dat in het midden van de 18e eeuw de overblijfselen van het Slot te Gameren zodanig in verval waren geraakt dat men besloot het weer bewoonbaar te maken en als boerenwoning in te richten. In deze periode is de weermuur grotendeels gesloopt. Ook heeft men binnen de begrenzing van de zaal (ruimte M) een scheidingsmuur aangebracht (muur 5). Deze muur lag in het verlengde van de oostelijke muur van de vermoedelijke kamer (ruimte J). Hierdoor is de zaal in twee delen gesplitst. Een opvallende vondst is in het zuidprofiel van werkput 1 gedaan. Hier was namelijk te zien dat zich aan de oostzijde van de nieuw aangebracht scheidingsmuur (hier als uitbraakspoor aangetroffen) een laag ‘tuingrond’ bevond. Uit het kadastraal minuut van 1853 blijkt dat de oorspronkelijke buitenbegrenzingen van het kasteelgebouw in fase 3 intact zijn gebleven. Uit de vondst kan dan ook worden opgemaakt dat dit deel van de zaal bij de verbouwing is gesloopt en dat hier mogelijk een binnentuin is aangelegd. Aan de binnenzijde van de zuidelijke muur van de zaal is in deze periode tevens een haard (L) aangebracht. De AWN heeft geconstateerd dat deze deels in de muur was gehakt en aangemetseld. Rondom deze stookplaats heeft men fragmenten van kleipijpen aangetroffen. De einddatering van het gebruik van de met deze ruimte geassocieerde stortkoker kan op basis van het vondstmateriaal vóór circa 1800 worden gesteld.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


45

Fase 33 (vlak (vlak voor voor 1741-circa 1741-circa 1800) 1800) Fase

Brug Brug

MR5 MR5 Kamer Kamer

Kelder Kelder Binnentuin Binnentuin

Haard Haard

xx xx

Traptoren Traptoren N N N

Kelder Kelder

000000

5m 5m 5m 5m 5m 5m

AK 03-10-2008

Kamer Kamer

Afb. 10.4. Fase 3.

Fase 4 (na circa 1800 – 1853) Rond 1800 is de binnengracht ter hoogte van de zaalbouw grotendeels gedempt met een dik pakket baksteenpuin. Hieruit kan worden afgeleidt dat de zaal (gedeeltelijk) is afgebroken. Uit het archeologisch onderzoek van de ROB is gebleken dat men in dezelfde periode ook de poorttoren op de voorburcht heeft gesloopt. Op het kadastraal minuut van 1832 komt de binnengracht en het pad ter hoogte van de poorttoren dan ook enkel nog alleen voor als perceelsgrenzen. Het restant van de gracht zal dan ook in de tussenliggende periode verder zijn opgevuld. Uit het minuutplan kan, zoals eerder vermeld, verder worden opgemaakt dat de oorspronkelijke buitenbegrenzingen van het kasteelgebouw intact zijn gebleven. Over het gebruik van de individuele vertrekken is echter vrijwel niets bekend. Enkel uit het feit dat de keldervertrekken E, I en J in de latere fase(n) nog in gebruik waren kan worden afgeleid dat zij zeker ook in deze fase nog hebben gefunctioneerd. Uit het minuutplan kan ook worden afgeleid dat zich aan de noordkant van het gebouw een vierkant gebouwtje bevond. Van dit gebouw is in de opgraving één muurrestant teruggevonden (muur 3). Het gaat hier gezien de geringe funderingsbreedte om een licht uitgevoerd gebouw. Wellicht betreft het hier een koetshuis.48 In dit licht zou ook de vondstlocatie van het paardengraf (diergraf 5) eenvoudig kunnen 48

Persoonlijke mededeling B. Olde Meierink (Bureau voor Bouwhistorie en Architectuursgeschiedenis).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


46

worden verklaard. Immers men zal bij het overlijden van het dier, gezien het grote gewicht, een locatie in de onmiddellijke nabijheid van de stal hebben gekozen. Ten oosten van dit vermoedelijke koetshuis is ook nog een kleiner bouwsel afgebeeld. Wellicht dat het hier om een toiletgebouwtje gaat ter vervanging van de buiten gebruik gestelde stortkoker?

Fase 44 (na (na 1800-1853) 1800-1853) Fase evt. koetshuis? koetshuis? evt.

XX

DIG05 DIG05

Kelder Kelder ??

?? xx xx

Traptoren Traptoren N N N N N N

??

000000

5m 5m 5m 5m 5m 5m

AK 03-10-2008

Kamer Kamer

Afb. 10.5. Fase 4. Fase 5 (1853) In 1853 brandde het slot door blikseminslag uit waarna, getuige de jaartalankers, in datzelfde jaar nieuwbouw werd gepleegd. Uit de bouwhistorische analyse van de RDMZ blijkt dat het hier eerder om een verbouwing gaat. Hierbij is een tweedeling in het complex gemaakt. In het voorhuis (aan de zuidzijde van het complex) werden de vertrekken I en J opgeknapt en is tevens een vertrek bijgebouwd (ruimte H). Hiermee werd de van oudsher aanwezige knik in de zuidelijke gevelwand rechtgetrokken. Op een foto die kort voorafgaand aan de sloop van het gebouw is gemaakt is ter hoogte van dit gebouwdeel een kleurverschil te bemerken in het pannendak (afb. 1.2.4. midden). De deur die oorspronkelijk tussen de zaal en de kamer vormde werd dichtgemetseld. Uit het bouwhistorisch onderzoek van de RDMZ is gebleken dat men in de westelijke muur van de kamer een nieuwe toegang heeft gemaakt. Ook de doorgang tussen kelder I en G werd grotendeels dichtgemetseld en aan de bovenzijde werd in het metselwerk een raam uitgespaard. kelder G is vervolgens buiten gebruik gesteld.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


47

Over de indeling van het achterhuis aan de noordzijde hebben we geen informatie. Deze was vermoedelijk opgebouwd uit de vertrekken E en F en het oostelijk deel van de zaal (ruimte M). Dit laatste deel was in fase 3 waarschijnlijk in gebruik als binnentuin. In deze periode is de kelder onder vertrek E waarschijnlijk buiten gebruik geraakt en opgevuld met bouwpuin. In de puinrijke opvulling van de kelder zijn bij het huidige onderzoek namelijk enkele fragmenten 19e-eeuws aardewerk aangetroffen.

Fase 55 (1853) (1853) Fase

xx

xx

xx AchterAchterhuis huis

xx xx xx

xx

N N N

00000

5m 5m 5m 5m 5m

Woonhuis Woonhuis

AK 03-10-2008

Aanbouw Aanbouw

Afb. 10.6. Fase 5.

Fase 6 (begin 20e eeuw) In het begin van de 20e eeuw werd aan de noordzijde een schuur toegevoegd. Van deze schuur is een deel van de achtergevel (muur 4) gevonden. Ook is binnen de begrenzingen van deze schuur een rechthoekig spoor (kuil 1) gevonden die mogelijk als de locatie van een melkkelder of spoelkeuken kan worden aangemerkt.49 De aan de noordoostzijde van het terrein aangetroffen dierengraven (DIG 1 t/m 4) behoren mogelijk tot deze fase. Ook hier geldt dat de dieren dicht bij de stal zullen zijn begraven.

49

Idem.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


48

Fase 66 (begin (begin 20e 20e eeuw) eeuw) Fase

MR4 MR4

Spoelkeuken Spoelkeuken

KL1 KL1 xx

'Deel' 'Deel'

xx xx xx xx

xx

N N

00000

5m 5m 5m 5m 5m

Woonhuis boerderij boerderij Woonhuis

AK 03-10-2008

Aanbouw Aanbouw

Afb. 10.7. Fase 6.

Algemeen Kasteel Gameren ’t Slot lag niet op een natuurlijke hoogte, maar in een vlakte met komafzettingen. Op de kadastrale minuut van 1832 staat het perceel ter hoogte van het kasteel zelfs als ‘Kwel Blok’ aangegeven. Een voordeel van een dergelijke plaatskeuze was dat de watervoerendheid van de grachten onder invloed van het kwelwater was verzekerd. Een nadeel was dat men zich veel moeite moest getroosten om een solide fundering aan te leggen. Dit loste men op door de funderingen in te graven tot op de onderliggende zandige rivierafzettingen. Beneden het grondwaterniveau werden de bakstenen met de uitgegraven komklei gemetseld. Gezien het snel toestromende grondwater moest het fundament klaarblijkelijk snel worden aangelegd want men heeft er voor gekozen om deze in ietwat slordig uitgevoerde (dag-?)delen aan te leggen. Boven het grondwaterniveau werden de stenen in schelpkalkmortel gemetseld. Hier werden de delen aan elkaar gemetseld zodat vanaf het maaiveld (en dus het zichtniveau) een strakke muur zichtbaar was. In tegenstelling tot wat eerder werd verwacht is gebleken dat zowel de hoofd- als voorburcht geen platform hebben bezeten. Wel heeft men het hoofdgebouw verhoogd aangelegd door de ruimten half te onderkelderen. Op de zaal na waren alle vertrekken van een kelder voorzien. De vloer van de zaal is naar hetzelfde niveau gebracht door middel van ophoging. Met deze wijze van inrichting woonde men toch ‘hoog en droog’.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


49

Gameren ’t Slot neemt typologisch gezien een bijzondere positie in binnen de ontwikkeling van het kasteel in Nederland. Het gaat namelijk om een complex met een hoofdgebouw op een rechthoekig terrein binnen een rechthoekige omgrachting. Op het voorterrein bevond zich een boerderij, die over het algemeen ook wel met de term ‘bouwhuys’ werd aangeduid. Het beeld dat we tot op heden hebben van dergelijke complexen is dat men veelal in aanvang op de hoofdburcht een (compacte zaal)toren bouwde. Al naar gelang de financiële draagkracht van de eigenaar werd eventueel uitgebreid met bijgebouwen en / of een weermuur. In het geval van ’t Slot te Gameren heeft men het complex vermoedelijk volgens één bouwconcept en in één keer aangelegd. Aangezien de bouw op zijn vroegst waarschijnlijk pas rond het midden van de 14e eeuw kan worden gedateerd was dit voorgenoemde bouwconcept in die periode reeds uitgekristalliseerd. Het valt misschien nog wel het best te bestempelen als een compact zaaltorenkasteel dat reeds in eerste aanleg was uitgebouwd tot een min of meer rechthoekig kasteel en in de 16e eeuw is uitgebreid met een weermuur. Alhoewel de grachten en de circa 1 m dikke muren wel degelijk een zekere weerbaarheid hebben geboden, zal het complex toch vooral een representatief karakter hebben gehad. Vooral de agrarische functie en het woongenot zullen in belangrijke mate de boventoon hebben gevoerd. Gezien het aantreffen van maar liefst vijf kelders was de opslag van goederen van groot belang. Ook het feit dat zich in het complex meerdere verdiepingen en vertrekken bevonden wijst op een comfortabel bewoonbaar huis. Tijdens de verbouwing rond 1598 is een voor die periode ouderwets te noemen weermuur gebouwd. Gezien de vuurkracht van het geschut was het defensieve nut van een dergelijke muur namelijk te verwaarlozen. Uit het feit dat men het complex renoveerde en zelfs met deze muur uitbreide geeft het relatief grote belang hiervan aan. De aanleg van een dergelijke ‘historiserende’ bouw zal daarom eerder een symbolische functie hebben vervuld. Het is op te vatten als een verwijzing naar het verdedigbare karakter van het complex en daarmee een bevestiging van de adellijke status en leefwijze van de eigenaar. Een bijzonder vondst betreft die van een leistenen zonnewijzer. Een dergelijk instrument van tijdwaarneming wordt enkel in associatie met voorname gebouwen (zoals kerken, kloosters en kastelen) gevonden en is op te vatten als een statussymbool. In de rest van het vondstmateriaal weerspiegeld de adellijke wooncultuur zich niet of nauwelijks.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


50

11 Conclusie en aanbeveling 11.1 Beantwoording van de onderzoeksvragen De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het onderzoek. - Is het plateau in verschillende fasen opgehoogd? Zo ja, uit welke perioden dateren deze fasen? Het tijdens het booronderzoek aangetroffen grotendeels recent verstoorde plateau blijkt een recente ophoging te zijn die kan worden geassocieerd met de aanleg van het zorgcentrum. De enige geconstateerde ophoging is binnen de muren van het hoofdgebouw gevonden op de locatie van de zaal. -Zijn er van de onderscheiden fasen bewoningssporen bewaard gebleven? Slechts op twee beperkte locaties is tot in de schone ondergrond verdiept. In dit vlak zijn geen archeologische sporen aangetroffen die verband houden met prehistorische en/of Romeinse bewoning. De aanwezigheid van het historisch bekende kasteelcomplex kon tijdens het archeologisch onderzoek worden bevestigd. De loop van de binnen- en buitengracht is getraceerd. Het complex bestaat uit een rechthoekige omgrachting waarvan de zuidoost hoek wordt afgesneden middels een L-vormige binnengracht. Deze hoofdburcht bestaat uit een rechthoek waarop aan de zuidzijde een hoofdgebouw is geplaatst. Verschillende ruimten hiervan waren onderkeldert. Rond 1598 is om de hoofdburcht een ommuring aangebracht met daarin een uitgebouwde toegangspartij. Bij de hier op volgende transformatie van het complex naar een boerderij is grotendeels gebruik gemaakt van het reeds aanwezige grondplan. - Zijn er paleo-ecologische resten aanwezig in gesloten, dateerbare context(en)? Op het terrein is een waterput aangetroffen. Deze was echter opgevuld met schoon zand. De analyse van zaden en pollen uit de vondstrijke vulling van de binnengracht heeft uitgewezen dat de conservering in deze vondstcontext goed is. Uit de resultaten is echter gebleken dat de monsters nauwelijks informatie bevatten die een antwoord kunnen geven op de vraagstellingen. Uit de analyse kan wel worden opgemaakt dat in de directe omgeving van de gracht ruigten aanwezig waren, waar met name vlier en brandnetel deel van uitmaakten. In de omgeving van het kasteelterrein waren mogelijk akkers met boekweit en graan aanwezig, maar het pollen van deze gewassen kan ook afkomstig zijn van consumptieafval (beer) dat in de gracht terecht is gekomen. Op de in 1718 gedateerde tekening van Abraham Rademaker staat ter hoogte van het bemonsterde grachtdeel een bakstenen stortkoker weergegeven. Tijdens het aansluitend aan de opgraving door de AWN uitgevoerde onderzoek is deze stortkoker inderdaad aangetroffen. De monsterlocatie is dicht bij deze stortkoker gelegen en vorm waarschijnlijk de randzone van de uitstroomwaaier. - Wat is de exacte breedte en diepte van de gracht. Is hierin een fasering te onderscheiden? Is de gracht beschoeid? Zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid van een (houten) brug? De breedte van de buitenste gracht bedraagt circa 6 m en is circa 1,30 m diep. In de gracht is geen beschoeiing aangetroffen. De breedte van de binnenste gracht is circa 10 m en heeft een diepte van ongeveer 0,85 m. Ook in deze gegraven waterloop is geen beschoeiing gevonden. Er is geen fasering aangetroffen. Wel kan worden gesteld dat de binnenste gracht in de periode circa 1800 – 1832 is gedempt terwijl op dit moment een deel van de buitenste gracht nog open ligt. - Zijn er onder het overslagdek archeologische sporen aanwezig? Zo ja, welke aard, omvang en datering hebben zij? Gedurende het onderzoek zijn geen nadere gegevens bekend geworden over de aanwezigheid van archeologische sporen onder het overslagdek. - Wat is de exacte locatie en constructie van de hoofdburcht (ligging binnengracht, gebouwen, enz.)? De opgravingsresultaten van ADC ArcheoProjecten en de AWN zijn gecombineerd met de resultaten van booronderzoek, bouwhistorisch onderzoek, kaartmateriaal en iconografische bronnen. Op basis hiervan is vast komen te staan waar het hoofdgebouw heeft gestaan en kon een fasering in het complex worden gemaakt. Deze is in de synthese weegegeven. - Wat is de indeling van de voorburcht en zijn er functionele verschillen met de hoofdburcht aanwijsbaar? De opgraving heeft geen nieuwe aanwijzingen gegeven over de indeling van de voorburcht. - Tot welk kasteeltype behoort de eerste bouwfase en is er sprake van een ontwikkeling? Het kasteel Gameren ’t Slot valt niet eenvoudig te typeren. Het is misschien nog wel het best te bestempelen als een compact zaaltorenkasteel dat reeds in eerste aanleg was uitgebouwd tot een min of meer rechthoekig kasteel. In de 16e eeuw is het hoofdgebouw uitgebreid met een weermuur.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


51

- Kan er binnen de aangetroffen resten een indeling gemaakt worden in militaire, agrarische en woonelementen? En is er sprake van een chronologische ontwikkeling in deze verhouding? Op basis van het bureauonderzoek kon reeds worden verondersteld dat op het voorburchtterrein binnen de buitenste gracht het ‘bouwhuys’ (boerderij) heeft gestaan en dat het kasteel zelf op het terrein binnen de binnenste gracht heeft gestaan. De dikte van het muurwerk van het hoofdgebouw bedraagt circa 1 m. Hiervan mag toch wel enige weerbaarheid worden verwacht. Het onderzoek heeft echter geen resten van wapentuig opgeleverd, maar het feit dat het kasteel in de Tachtigjarige Oorlog is verwoest wijst er op dat het complex strategische waarde bezat. Op de voorburcht is tijdens het bouwrijp maken van het terrein door de AWN een lintzaag aangetroffen. Deze vondst correspondeert met de activiteiten die men op dit deel van het complex zou verwachten. De indeling voorburcht-hoofdburcht versus boerderij-kasteel lijkt tot het midden van de 18e eeuw in stand te zijn gehouden. Van der Aa wist in 1843 namelijk te melden dat de overblijfselen van het Slot te Gameren zodanig in verval waren geraakt dat men besloot het weer bewoonbaar te maken en als boerenwoning in te richten. De binnenste gracht is in de periode tussen circa 1800 en 1832 gedempt.

11.2 Aanbeveling Inventarisatie in het voortraject Op voorhand werd niet verwacht dat onder het zorgcentrum resten van het eertijdse kasteel behouden zouden zijn. Dit bleek echter wel het geval. Dit drukt ons met de neus op het feit dat de constructie van gebouwen in de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw minder desastreuze gevolgen kunnen hebben gehad dan we tot voor kort aannamen. Vooral het funderen op relatief ver uit elkaar geplaatste betonpalen met daarop grondbalken heeft een relatief geringe verstoring teweeg gebracht. Door in goed overleg tussen opdrachtgever, aannemer en bevoegd gezag onderbouwde keuzes te maken konden de belangrijkste resten worden gedocumenteerd. Om echter in het vervolg dergelijke verassingen te voorkomen wordt geadviseerd om, daar waar mogelijk, reeds op basis van de bouwplannen van de te slopen opstallen de exacte verstoringsdiepte te inventariseren. Toekomstig onderzoek Op een dieper niveau in de grachten kan zich nog steeds vondstmateriaal bevinden. De huidige relatief kleine hoeveelheid vondsten is het spreekwoordelijke ‘topje van de ijsberg’ en licht slechts een eerste tipje van de sluier op. Wellicht dat het onderzoek hiernaar in de verre toekomst ons een meer gedetailleerd beeld zal geven van de bewoners van dit kasteelcomplex. Tijdens de jongste onderzoeken zijn de exacte begrenzingen van het complex in kaart gebracht. Het verdient aanbeveling om op basis hiervan de bewaard gebleven restanten te beschermen door middel van een beheersplan. Verbeelding Om voor de bewoners, bezoekers en dorpsbewoners inzichtelijk te maken welke historische resten er letterlijk onder hun voeten liggen is het wenselijk deze resten aan te duiden middels begroeiing en/of straatwerk. Ook in het interieur kunnen verwijzingen naar de historie van deze plaats worden opgenomen. In het zorgcentrum kan een permanente vitrine worden ingericht met daarin enkele van de meest aansprekende bodemvondsten. Hiermee zou ook de unieke zonnewijzer weer terug kunnen keren naar de oorspronkelijke vondstlocatie. Dhr. R. Looijen (de vinder van de zonnewijzer) heeft reeds te kennen gegeven zijn vondst beschikbaar te willen stellen voor een eventuele permanente expositie in het bejaardentehuis.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


52

Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1. Locatie van het plangebied. Afb. 1.2.1. Het kasteel door H. Spilman 1721-1784. Afb. 1.2.2. Het kasteel Gameren door A. Rademaker. Boven: interieur van het tot ruïne vervallen deel in 1718 gezien vanuit het westen. Onder: het complex gezien vanuit het zuidwesten. Afb. 1.23. Kadastraal minuut 1832 met linksboven het kasteelcomplex. Afb. 1.2.4. Foto’s van de boerderij gezien richting het noorden; noordwesten en het westen. Afb. 1.2.5. Kelderplattegrond en doorsneden van het huis, schaal 1:200 Afb. 1.2.6. De resultaten van het booronderzoek geprojecteerd op het kadastraal minuutplan van 1832. Afb. 2.1. Impressie van de begeleidingswerkzaamheden. Afb. 2.2. Werkputtenkaart. Afb. 2.3. Interpretatiekaart AWN-onderzoek. Afb. 3.1. Detail noordprofiel werkput 4. De onderste laag betreft de natuurlijke komkleiafzetting. Daarboven is nog een dun restant van de oorspronkelijke bouwvoor zichtbaar. Afb. 4.1.1. Overzicht van de in de tekst benoemde bouwdelen. Afb. 4.1.2. Overzicht van de muurdelen A, B, C en D in het vlak. Afb. 4.1.3. De beklamping met vorstschade, gezien richting het zuiden. Afb. 4.1.4. Dwarsdoorsnede fundament C. Afb. 4.1.5. De muurdelen C, D en E. Gezien richting het oosten. Afb. 4.1.6. De kaarsnissen en uitsparing van een traptrede in muurdeel E, gezien richting het zuidwesten en detail noordelijke kaarsnis, gezien richting het westen. Afb. 4.1.7. Het poortgebouw, gezien richting het oosten. Afb. 4.2.1. Overzicht van structuren. Afb. 4.2.2. Zuidprofiel werkput 1. Afb. 4.2.3. De waterput ter hoogte van het poortgebouw, gezien richting het zuidwesten. Afb. 4.2.4. Detail puinconcentratie in het zuidprofiel van werkput 1. Afb. 5.1. Impressie van het vondstmateriaal tijdens de opgraving. Afb. 5.2. Bijna-steengoed kan uit kuil 2. Afb. 5.3. Reliëf van een steengoed voorraadpot. Afb. 5.4. Miniatuurbordje van industrieel steengoed. Afb. 6.1. Schoengesp. Afb. 6.2. Loden voorwerp. Afb. 6.3. Dakkapelbekroning kasteel Waardenburg. Afb. 6.4. IJzeren trekzaag. Afb. 7.1. Ovale pijpenkop. Afb. 7.2. Boerenpijp. Afb. 7.3. Fijne kwaliteit pijp. Afb. 8.1. De leistenen zonnewijzer van kasteel Gameren. Afb. 10.1. De indeling van de vertrekken. Afb. 10.2. Fase 1. Afb. 10.3. Fase 2. Afb. 10.4. Fase 3. Afb. 10.5. Fase 4. Afb. 10.6. Fase 5. Afb. 10.7. Fase 6. Tabel 5.1: Gebruikte bakselcodes Deventer systeem. Tabel 5.2: Gebruikte vormcodes Deventer Systeem. Tabel 5.3: Verhouding tussen baksel- en vormgroepen. Tabel 6.1. Determinaties metaal. Tabel 7.1. Determinaties kleipijpen. Tabel 8.1. Determinaties keramisch bouwmateriaal en natuursteen. Tabel 9.1. Resultaten van het macrorestenonderzoek. Tabel 9.2. Resultaten van het pollenonderzoek.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


53

Literatuur Aa, A.J. van der, 1843: Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden, vierde deel, Gorinchem. Acquoy, J.G.R. van, 1873: Jan van Venray, Den Bosch. Alphen, G. van, 2000: Noodopgraving Arendsvlucht onthult sporen van vroeg-middeleeuws Oss. Tussentijds. De Werkende Mens historische kring voor Oss en omgeving. Jaargang 6, nummer 1, april, Oss. Bartels, M., 1999: Steden in scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250-1900), Zwolle/Amersfoort. Bartels, M., H. Clevis & F.D. Zeiler, 1993: Van huisvuil en huizen in Hasselt. Opgravingen aan het Burg. Royerplein, Kampen. Barwasser, M. & M. Smit, 1997: Acht eeuwen tussen twee stegen. Archeologisch, historisch en bouwhistorisch onderzoek in Kampen, Kampen. Beelaerts van Blokland, W., C. Dumas & H. Ronnes: 2006: De kasteeltekeningen van Abraham Rademaker, Zwolle/Wijk bij Duurstede, 132-133. Berends, G. & R.S. Hulst, 1971: ‘Het Slot te Gameren’, In: Bijdragen en mededelingen van de Vereniging "Gelre" 5. Berendsen, H.J.A. (red.), 1986: Het landschap van de Bommelerwaard, in Nederlandse geografische studies 10, Amsterdam/Utrecht. Berendsen, H.J.A., E.L, J.H. Faessen, A.W. Hesselink & H. Kempen, 2001: Zand in banen: Zanddieptekaarten van het Gelders rivierengebied met inbegrip van de uiterwaarden, Utrecht. Berg, G. van den, S. Ostkamp & M. Veen, 2003: Catalogus van de misbaksels uit de Spaarpotsteeg. In: H. van den Berge & et al. (red.), In Gorcum gebakken. Aardewerk, kleipijpen, wandtegels. Rotterdam, 126144. Besteman, J. & H.A. Heidinga, 1975: Het klooster Galilea Minor bij Monnickendam. Een historisch en archeologisch onderzoek, In: Hollandse Studiën 8, Dordrecht, 1-130. Boer, P.C. de & M. van Amen, 2006: Gameren ’t Slot (gemeente Zaltbommel). Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen, Amersfoort (ADC Rapport 681). Boer, P.C. de, 2006: Gameren ’t Slot (gemeente Zaltbommel). Een bureauonderzoek, Amersfoort (ADC Rapport 599). Boer, P.C. de & A. J. Geurts, 2002: Oude burchten in het nieuwe land. De middeleeuwse kastelen van Kuinre in de Noordoostpolder, Lelystad. Bos, J.A.A., 2007: Botanisch onderzoek, In: P.C. de Boer & E. Eimermann, 2007: De waarde van de Waardenburg. Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven naar de voorburcht(en) van kasteel Waardenburg (gemeente Neerijnen), Amersfoort (ADC Rapport 937), 24-26. Bitter, P., 1995: Geworteld in de bodem. Archeologisch en historisch onderzoek van een pottenbakkerij bij de Wortelsteeg in Alkmaar. Zwolle (Publicaties over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie I). Bitter, P., J. Dijkstra, R. Roedema & R. van Wilgen, 1997a: Wonen op Niveau. Archeologisch, bouwhistorisch en historisch onderzoek van twee percelen aan de Langestraat. Alkmaar (Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie 5). Bitter, P., J. Dijkstra, R. Roedema & R. van Wilgen, 1997b: Wonen op Niveau. Catalogus van keramiek en glas. Alkmaar (Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie 5a). Brokke, A.J. & R. van Lil, 2005: Gameren Slotshof (gem Zaltbommel). Bureau- en Inventariserend Veldonderzoek, (ADC Rapport 359), Amersfoort. Bult, E.J., 1995: Delftse theepotten, de tweede generatie. In: H. Clevis (red.), Assembled articles 2. Symposium on medieval and post-medieval ceramics, Antwerpen 25 and 26 january 1995. Antwerpen/Nijmegen, 33-42. Carmiggelt, A. & M.M.A. Van Veen, 1995: Laat- en postmiddeleeuws afval afkomstig uit zes vondstcomplexen te Den Haag, Den Haag (HOP-reeks 2). Clevis, H., 2001: Zwolle ondergronds. Zeven blikvangers van archeologische vondsten in Zwolle, Zwolle. Clevis, H. & J. Kottman, 1989: Weggegooid en teruggevonden. Aardewerk en glas uit Deventer vondstcomplexen 1375-1750, Kampen. Clevis, H. & J. Thijssen, 1989: Kessel huisvuil uit een kasteel, Mededelingenblad Nederlandse Vereniging van Vrienden van de Ceramiek 136, 4-45. Clevis, H. & P. Kleij, 1990: Het Zwolse Celehuisje, de bewoners en hun afval, 1550-1650, Zwols historisch tijdschrift 7-3, 76-93. Clevis, H. & M. Smit, 1990: Verscholen in vuil. Archeologische vondsten uit Kampen 1375-1925, Kampen. Clevis, H. & M. Klomp, 2004a: Grote Markt 3-5. Zwolle (Archeologische Rapporten Zwolle 14). Clevis, H. & M. Klomp, 2004b: Melkmarkt 30. Zwolle (Archeologische Rapporten Zwolle 12). Dijkstra, J., 2003: Archeologisch onderzoek aan de Koningsstraat te Dokkum. Met bijdragen van S. Ostkamp, E. Kars, F.A. van der Chijs en BIAX Consult. Bunschoten (ADC Rapport 204).

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


54

Dijkstra, J. & M. Spanjer, 2002: Een Aanvullend Archeologisch Onderzoek aan de Hofstraat te IJsselstein. Met bijdragen van S. Ostkamp, H. van Haaster, L. Kubiak, J.T. Zeiler en D.C. Brinkhuizen. Bunschoten (ADC Rapport 129). Dijkstra, J. & P.C. de Boer (e.a.), 2005: Huis te Vleuten opgegraven. Archeologisch onderzoek in het kader van het project Spoorverbreding VleuGel / Randstadspoor, Amersfoort (ADC Rapport 403), 83-89. Doesburg, J. van & P.C. de Boer (e.a.), 2001: Burchten op de bodem van de Zuiderzee. Aanvullend Archeologisch Onderzoek (AAO) naar de burchten van Kuinre, Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 91). Duco, D.H., 1987: De Nederlandse kleipijp, handboek voor dateren en determineren, Leiden. Duco, D.H., 2005: De kleipijpen van Huis te Vleuten, In: J. Dijkstra & P.C. de Boer (red.): Huis te Vleuten opgegraven. Archeologisch onderzoek in het kader van het project Spoorverbreding VleuGel / Randstadspoor, Amersfoort (ADC Rapport 403), 83-89. Goossens, T.A., 2004: Inventariserend Archeologisch Veldonderzoek van het plangebied 'WestflankLaurentius', gemeente Breda. Met bijdragen van N. Prangsma, S. Ostkamp en A. de Boer. Amersfoort (ADC Rapport 224). Groenendijk, J.N.A, 2002: Was Henricus de Werva een De Cock? Een speurtocht naar de oudste generaties De Cock, Mededelingen van de historische kring West-Betuwe, jaargang 30, nr. 1, 21. Groothedde, M., 2003: Inleiding op twee vondstcomplexen van Zutphen-Stadhuis, vondstnummers 340 en 473. Zutphen (Digitaal rapport gemeente Zutphen). Groothedde, M. & M. Bartels, 2000: Taminiau in Zutphen, archeologie, geschiedenis en producten van een 19de-eeuwse pottenbakkerij. In: A. Böring, et al. (red.), Töpfer. Kramer. Pottenbakkers. Keramiek tussen IJssel en Berkel. Borken, 173-236. Hagen, M.J., 1978: Middeleeuwse zonnewijzers. De zonnewijzerkring voor belangstellenden in de gnomonica. Bulletin 2, 25-29. Jacobs, E., 1994: Archeologisch onderzoek op een binnenterrein achter de percelen Burgwal 95-99 te Haarlem, Haarlems Bodemonderzoek 28, 3-25. Jacobs, E., 1995: De Rode Gravin. Archeologisch onderzoek op het terrein tussen Gravinnensteeg en de Gedempte Oude Gracht te Haarlem, Haarlems Bodemonderzoek 29, 3-72. Jacobs, E., 1997: Begijnhof 6/6a: Prehistorische en laatmiddeleeuwse bewoningssporen, Haarlems Bodemonderzoek 31, 39-77. Jacobs, E. & M.M.A. Van Veen, 1996: Van kerk tot rekenwerk. Laat- en postmiddeleeuwse vondstcomplexen aan het Lange Voorhout. Den Haag (HOP-reeks 3). Jacobs, E., D. Olthof & A. Pavlovic, 2000: Antoniestraat 6 en 8: potten en putten, Haarlems Bodemonderzoek 34, 3-110. Jacobs, E., M. Poldermans & T. van der Zon (red.), 2002:Spitten aan het Spaarne. Archeologisch onderzoek onder de Gravinnenhof in Haarlem. Haarlem. Kaaij, D. van der, A. Haneveer, G. Terpstra, J. Bervaas, J. Rodenburg, R. Looijen, H. Tevel, H. van der Laan & H. Lefers, 2007: Onderzoek kasteel Gameren. Onderzoek AWN-15, Rossum (AWN-15 publicatie 1). Kadasterkaart; http://www.watwaswaar.nl/ . Kadasterkaart Gameren “Sectie D het Dorp” 1832. Kars, E. & C. van Pruissen, 2005: Natuursteen, In: J. Dijkstra & P.C. de Boer (e.a.), Huis te Vleuten opgegraven. Archeologisch onderzoek in het kader van het project Spoorverbreding VleuGel / Randstadspoor, Amersfoort (ADC Rapport 403), 106-107. Kleij, P., 1995: Oosterhouts aardewerk. In: H. Clevis (red.), Assembled articles 2. Symposium on medieval and post-medieval ceramics, Antwerpen 25 and 26 january 1995. Antwerpen/Nijmegen, 101-128. Klomp, M., 2003: Het vrouwenhuis. Archeologisch en bouwhistorisch onderzoek op het perceel Melkmarkt 53 / Voorstraat 46, Zwolle. Klomp, M., 2004: Van opgaand hout en eenige perken. Archeologisch onderzoek op het Broerenkerkplein in Zwolle. (Archeologische Rapporten Zwolle 15). Kottman, J.F.P., 1992: Glasvondsten uit de beerkelder van Cruydenborgh, Westerheem 41, 210-226. Krauwer, M. & F. Snieder (red.), 1994:Nering en vermaak. De opgraving van een veertiende-eeuwse markt in Amersfoort. Utrecht. Meijden, R., van der, 2005: Heukels’ Flora van Nederland, Groningen/Houten. Meer, W. van der & K. Hanninen, 2007: Archeobotanisch onderzoek, in: P.C. de Boer: Middeleeuwse kasteelgrachten uitgediept. Herinrichting centrum Lichtenvoorde fase 1. Gemeente Oost Gelre, Amersfoort (ADC Rapport 786). Meijlink, B. & M. Spanjer, 2004: Archeologisch onderzoek in het centrum van Sassenheim. Proefsleuven rondom de Nederlands Hervormde Kerk. Met bijdragen van F. Zuidhof en S. Ostkamp. Amersfoort (ADC Rapport 296). Ostkamp, S., 1998: Vleuten, de vondsten. In: (red.), Archeologisch onderzoek Vleuten de Meern, Plangebied Veldhuizen. Rijksstraatweg. Veldhuizen A, Amersfoort (Rapportage archeologische monumentenzorg 60), Ostkamp, S., 1999: De opgraving van het St. Agnesklooster in Oldenzaal. Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 50). Ostkamp, S., 2003: Een boedel op de schop. 16de-eeuwse vondsten uit een Oldenzaalse waterput, Overijssels erfgoed. Archeologische en bouwhistorische kroniek 2002, 71-112.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


55

Ostkamp, S. & e.a., 1998: Van gorters, brouwers en een hospitaal. Archeologisch onderzoek aan het Wortelsteegplein. Alkmaar (Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie 6). Ostkamp, S. & A. van Benthem, 2004: Goes ‘Prins van Oranje’. Een archeologische begeleiding. Amersfoort (ADC Rapport 307). Ostkamp, S. & M. Spanjer, 2005: De opgraving Purmerend Padjedijk. Amersfoort (ADC Rapport 341). Ostkamp, S., R. Roedema & R. van Wilgen, 2001: Gebruikt en gebroken. Archeologisch onderzoek naar drie vondstlocaties in het oostelijk stadsdeel. Alkmaar (Rapporten over de Alkmaarse Monumentenzorg en Archeologie 10). Schrijer, E. & J. Dijkstra, 2004: Leeuwarden Stadhuis - Archeologische Begeleiding en Definitief Archeologisch Onderzoek. Met bijdragen van S. Ostkamp en K. Hänninen (BIAX Consult). Bunschoten (ADC Rapport 218). Suurmond-van Leeuwen, H., 1981: Verslag over het jaar 1980, Bodemonderzoek in Leiden. Jaarverslag 1980, Leiden. Thijssen, J. (red.), 1991:Tot de bodem uitgezocht. Glas en ceramiek uit een beerput van de ‘Hof van Batenburg’ te Nijmegen 1375-1850. Nijmegen. Verhoeven, A.A.A. & O. Brinkkemper, 2001: Archeologie in de Betuweroute: Twaalf eeuwen bewoning langs de Linge bij De Stenen Kamer in Kerk-Avezaath. Amersfoort (Rapportage Archeologische Monumentenzorg 85). Vermeulen, B., 2002: Het middeleeuwse tolhuis en de middeleeuwse landweer aan de Snipperlingsdijk te Deventer. Deventer (Rapportage Archeologie Deventer 10). Vermeulen, F.A.J., 1932: De monumenten van Geschiedenis en Kunst in de Provincie Gelderland, Bommelerwaard, ’s-Gravenhage, 68. Weeda, E.J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra 1988: Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 3, Deventer. Zijverden, W.K. van, 2006: Gameren Hendrikstraat 14 en Peperstraat 15. Een bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van boringen, (ADC Rapport 580), Amersfoort.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


56

Bijlage 5.4 Gebruikte bakselcodes Deventer systeem s1 s2 s3 s4 bg g r wm f iw

Steengoed ongeglazuurd Steengoed met glazuur en/of engobe Steengoed industrieel Bijna-steengoed Blauwgrijs aardewerk Grijsbakkend aardewerk Roodbakkend aardewerk Maaslands witbakkend aardewerk Faience Industrieel wit aardewerk

Bijlage 5.5 Gebruikte vormcodes Deventer Systeem Bor Gra Kan Kdl kmf kog kom kop pis pot tes

bord grape kan kandelaar komfoor kogelpot kom kop pispot pot vuurtest

Bijlage 5.6 Verhouding tussen baksel- en vormgroepen op basis van Estimated Vessel Equivalents (EVE´s) Deventer-systeemcode s2 Kan

Som van EVE's 0,4

% van totaal 2,4%

Baksel

Subtotaal

s2

pis

0,12

0,7%

s2

3,1%

s3

bor

NIEUW1 0,1

0,6%

s3

0,6%

s4 s4

kan

1

0,09 0,75

0,5% 4,5%

s4

kan

2

0,2

1,2%

s4

6,9%

bg

kog

2

0,05

0,3%

bg

0,3%

g

pot

0,1

0,6%

g

0,6%

r r r r r r

bor gra kdl kom pot

0,23 0,17 13,4 0,1 0,02 0,26

1,4% 1,0% 80,6% 0,6% 0,1% 1,6%

r

tes

0,05

0,3%

r

85,6%

0,11 0,17 0,11 0,19 16,62

0,7% 1,0% 0,7% 1,1% 100,0%

iw

3,5%

iw iw bor iw bor iw kop TOTAAL

3

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


57

Bijlage 8.1 Keramisch bouwmateriaal en natuursteen P.C. de Boer Vondstnr 003 004 004 004 004

Aantal 1 1 1 1 11

Spoornr 22 22 22 22

004

10

22

004 007 008 013 014 014

8 2 1 2 2 2

22 1003 14 38 32 32

014

2

32

014 018 019 020 021 022 023 024 025 025

1 1 1 2 1 1 1 1 1 1

32 39 9 12 4 5 6 30 -

102

1

-

103

1

-

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Beschrijving fragment daktegel, oranje, dikte 1,5 cm fragment vloertegel, beige, dikte 3,5 cm klein fragment mortel klein fragment muurpleister, wit kleine fragmenten baksteen, oranje fragmenten daktegels, beige, oranje en rood, dikte tussen 1,1 en 1,5 cm, waarvan 1 met nokje fragmenten daklei, grijs, dikten tussen de 0,3 en 0,7 cm fragmenten daktegel, oranje, dikte 1,5 cm klein fragment baksteen, oranje kleine fragmenten mortel fragmenten dakpan, oranje, Hollandse pan, rechtsdekkend, met resten mortel fragmenten daklei, grijs, dikte maximaal 0,5 cm fragmenten vloertegels, donkergrijs, hard gebakken, dikte 2,7 cm, mortel aan onderen zijkant fragment (vloer?)tegel, oranje, dikte circa 4 cm verbrande klei, beige baksteen, oranje, 23,5 x 11 x 5 cm fragmenten baksteen, paars, klinkend gebakken, - x 9/9,5 x 4 cm baksteen, beige, 28 x 13 x 7 cm fragment baksteen, oranje, - x 14 x 6,5 cm baksteen, rood, 28 x 13 x 6,5 cm baksteen, oranje, 26,5 x 13 x 6,5 cm fragment dakpan, oranje, Hollandse pan, rechtsdekkend, met resten mortel klein fragment baksteen, oranje vloertegel, paars, klinkend hard gebakken, iets kromgetrokken, 14 x 13,5 x 3 cm, mortel aan zijkanten (AWN-onderzoek) fragment daklei, grijs, dikte maximaal 0,4 cm (AWN-onderzoek)

Gameren â&#x20AC;&#x2DC;t Slot


58

Verklarende woordenlijst Antropogene sporen Alle immobiele sporen van menselijke oorsprong, variërend van paalgaten of fosfaatvlekken tot muurresten. AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RACM en de provincies en wordt beheerd door de RACM. Archeologische indicatoren Indicatief archeologisch materiaal dat bij (boor)onderzoek een aanwijzing kan zijn voor de aanwezigheid, ter plaatse of in de nabijheid, van een archeologische vindplaats. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RACM beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. 14

C Koolstof (radioactieve isotoop), gebruikt voor datering.

CIS Het landelijke registratienummer ten behoeve van archeologisch onderzoek, uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem. CMA Centraal Monumenten Archief. Ex situ niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). IKAW Indicatieve kaart van archeologische waarden, een door de RACM geproduceerde kaart op landelijk niveau met de verwachte relatieve of absolute dichtheid van (bepaalde) archeologische verschijnselen in de bodem. IVO Inventariserend Veld Onderzoek. Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/ of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen. Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem- en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. RACM Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurhistorie en Monumentenzorg, tot eind 2006 de ROB, Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek. RTS Robotic Total Station. Hiermee worden vlakken direct digitaal ingemeten. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria.

ADC ArcheoProjecten Rapport 877

Gameren ‘t Slot


Rap 877 4106196 zaltbommel gameren 't slot pve ivo3 dao