Issuu on Google+


3 Redactioneel Nieuwe Wildernis gaat vanaf dit nummer verder met een nieuwe uitgever.

5 Toegevoegde waarde Over het profijt van een nabije, toegankelijke afwisselende natuur.

7 Nieuwe Wildernis

en

ontdekt?

Een expeditienaar het zuidelijk Andeshert, de huemul. Het aantal nog levende huemuls wordt geschat op minder dan 2.000 dieren en de soort staat inmiddels op de rode lijst

13 Bomen klimmen en knuffelen Een interview met Gerrit Jan de Bruyn over de natuurbeleving van kinderen en het Bewaarde Land Programma.

19 Beheer kan beter voor amfibieĂŤn reptielen

en

Gevolgen van beheersmaatregelen voor amfibieĂŤn en reptielen zijn vaak lastig waar te nemen. Welke maatregelen zijn gunstig voor salamanders, padden, kikkers, hagedissen en slangen?

23 's Werelds

eerste

landschapsveiling

De openbare verkoop van het Nederlandse landschap.

25 Fijn stof: de vijand van de vooruitgang Landschapselementen kunnen een bijdrage leveren aan verbetering van de luchtkwaliteit.

29Te gek om los te lopen Column van Tom Bade. Door onze reislust worden leefgebieden steeds kleiner, waardoor alleen kleine dieren kunnen overleven.

31 Snippers Rubriek met boeken, nieuws en berichten.

35 Buitenboel Er op uit in de Nationale

parken.

Omslag Een huernul-mannetje op het zuidelijkste vaste land van Zuid-Amerika, Foto: Daan Wensing. Colofon Rechts: lcarusblauwtjerustopstruikheide. links: :blauwereigeren kievit Alle foto's in dit nummer zonder auteursvermelding: Ruud Lardinois.


EH EER KAN BETER WELKE

BEHEERSMAATREGELEN PADDEN,

Tekst ({foto's:

KIKKERS,

ZIJN

GUNSTIG

HAGEDISSEN

VOOR EN

\[()()R

SALAMANDERS,

SLANGEN?

Bda van Ucheten

Dit is een optimaal leefgebied voor amfibieën en reptielen. Het betreft een gedeelte van Landgoed de Eese in Zuidwest-Drenthe, met een afivisseling van struiken, heide, grasland en poelen. Habitat van onder andere kamsalamander, heikikker, poelkikker, adder, ringslang, hazelworm en levendbarende hagedis (Uit: Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen).

NIEUWE

I '

WILDERNIS

NUMMER

4

I

I

9


AMFIBIEËN

EN REPTIELEN

Amfibieën en reptielen (samen wel aangeduid als herpetofauna) hebben een verborgen levenswijze en veel soorten zijn lastig waar te nemen. Waarschijnlijk mede daarom wordt bij het natuurbeheer vaak onvoldoende rekening gehouden met de herpetofauna.

Alle inheêrnse soorten amfibieën en reptielen

poelen. In de praktijk blijken eigenlijk maar heel

zijn ,ettelijR beschermd en de meeste staan op de o~ Lijst al~kWetsbaar, bedreigd of ernstig '" ) t;; bedreigd. Reptielen en amfibieën zijn dus indicatoren voor de kwaliteit van een natuurterrein. De aanwezigheid van (bijzondere) soorten staat garant voor hoge natuurwaarden. Voor de herpetofauna zijn speciale beheers maatregelen dus zinvol. Amfibieën en reptielen vormen boven-

weinig terreinen echt optimaal te zijn voor de herpetofauna. Binnen een potentieel geschikt

andere ongewervelden en veel vogelsoorten.

leef gebied wordt dan vaak maar een heel klein gedeelte van het terrein gebruikt door amfibieën en reptielen. Als gevolg hiervan zijn dichtheden van amfibieën en reptielen vaak veel lager dan onder optimale omstandigheden mogelijk is (Stumpel, 2004). De aanwezige populaties zijn klein en dus kwetsbaarder voor aantasting van hun leefgebied (bijv. verbossing) en catastrofes (langdurige droogte, overstroming, onjuist beheer ofbrand). Laten we eens nagaan of door middel van het huidige beheer voldoende rekening kan worden gehouden met de eisen die de herpetofauna stelt aan het leefgebied.

Weinig

Minder begrazen

dien een dankbare doelgroep omdat de meeste soorten snel reageren op gunstige beheers maatregelen. En niet alleen de herpetofauna profiteert. Het mooie is dat maatregelen die genomen worden voor de herpetofauna meestal óók gunstig zijn voor de overige fauna, zoals dagvlinders,

Welke eisen stellen amfibieën en reptielen aan hun leefgebied, hoe kunnen beheerders daarmee omgaan en welke maatregelen zijn gunstig voor salamanders,

optimale

habitats

Wat hebben amfibieën en reptielen nodig? Met andere woorden: hoe herken ik het optimale leef gebied? Is er überhaupt een 'optimaal leefgebied' te beschrijven of stellen de verschillende soorten onvoldoende overeenkomstige eisen om tot zo'n beschrijving te komen? Uit verschil-

jaar informatie over dit onder-

lende studies (Strijbosch, I979, I980, I988, 200I; Stumpel, 2004) is gebleken dat de eisen die vrijwel alle soorten aan hun habitat stellen, zijn samen te vatten als 'rijk aan kleinschalige mozaïeken'. Denk hierbij aan een leefgebied met veel randen, kleine open plekjes en geleidelijke overgangen van open naar gesloten vegetaties. Een dergelijk habitat heeft veel afwisseling en een hoge structuurvariatie. Optimaal zijn

werp. In dit artikel worden de

zonnige, geaccidenteerde en halfopen terreinen met verspreide opslag van struiken. De beste

padden, kikkers, hagedissen en slangen? In een serie workshops geeft RAVON dit jaar en volgend

belangrijkste punten samengevat.

N

E

UWE

WILDERN

habitats vormen (de randen van) onbegraasde heideterreinen met vennen, duinen met verspreide opslag van struiken en duinplassen en 'rommelige' landgoederen met een mozaïek van houtwallen, graslanden, heideterreinen en NUMMER

De huidige beheersmethodes blijken in de praktijk vaak niet optimaal om de juiste habitat voor de herpetofauna te creëren (Stumpel 2004, van Uchelen, 2006). Veel leef gebieden van amfibieën en reptielen worden beheerd door middel van begrazing. Begrazing is voor de herpetofauna alleen gunstig Indien hiermee wordt bijgedragen aan het ontstaan van een kleinschalig mozaïek met veel structuurvariatie. Voor de herpetofauna succesvolle begrazingsprojecten zijn te vinden in enkele voedselrijke terreinen en lokaal in de duinen. Op voedselarme heideterreinen, in Nederland het belangrijkste leef gebied van reptielen, zijn de ervaringen met begrazing niet positief (Bosman et al., 200I; Strijbosch, 200I; Stumpel 2004). Voor het tegengaan van vergrassing is een relatief hoge dichtheid aan grazers nodig. Dit heeft een negatieve invloed op de terreingesteldheid die reptielen nodig hebben. De structuurvariatie neemt af doordat opslag geen kans krijgt en heide en pijpenstropollen worden (te) kort afgegraasd. Het 4

2

0


Begrazingsdichtheden Hoe moet het dan met begrazing van heideterreinen? En: welke begrazingsdichtheid is acceptabel zonder dat verlies van structuurvariatie optreedt? Hier zijn enkele vuistregels voor te geven. Optimaal is integrale begrazing van grote gevarieerde terreinen met voldoende droge gedeelten. Terreinen die kleiner zijn dan 50 ha. zouden eigenlijk helemaal niet begraasd moeten worden. Vuistregel is een begrazingsdichtheid van maximaal I Groot Vee Eenheid per 20 ha. begraasbaar gebied. Het is belangrijk dat een vaste groep dieren (complete kudde) wordt ingezet en jaarrond of alleen in de winter wordt begraasd, dus niet alleen in de zomer. Met twee eenvoudige maatregelen kan dé habitat voor reptielen op heideterreinen aanzienlijk worden verbeterd (van Uchelen 2006): I

2

met grazers

Minder begrazen enjof een lagere begrazingsdruk en het beheer aanvullen met (zeer) kleinschalig plaggen en opslag verwijderen. Structuurrijke delen van het terrein (waar de meeste reptielen voorkomen) helemaal niet begrazen maar periodiek opslag verwijderen. De inzet van vrijwilligersgroepen kan daarbij heel nuttig zijn. De allerbeste terreindelen zijn bij hen vaak bekend en door hen ook vaak goed bij te houden. Deze delen vormen doorgaans immers slechts een beperkt deel van een natuurgebied.

Behalve begrazing vormen maaien, plaggen, het verwijderen van opslag, schonen en baggeren van poelen en vennen en het vrijzetten van venoevers de gangbare beheersmethoden in leefgebieden van amfibieën en reptielen. Voor de (herpeto)fauna is het optimaal als elke ingreep in elk geval voldoet aan de volgende vijf punten (van Uchelen 2006): I

rekening houden met de (herpeto)fauna. Vooraf moet bekend zijn welke soorten in het terrein voorkomen en waar ze zich ophouden.

2

altijd gefaseerd werken; nooit alles ineens uitvoeren en dus flinke delen van het terrein niet maaien, plaggen etc..

3 kleinschalig werken; geen grote oppervlaktes ineens bewerken, bij voorkeur werken in smalle banen of mozaïekgewijs. 4 niet te netjes afwerken: maaisel, takken en plagselhopen mogen bijvoorbeeld best achterblijven aan de randen van het terrein.

wordt gezien om vergrassing en successie tegen te gaan. Begrazing is een doel op zich geworden. Heideterreinen worden 'gebruikt' om vee te houden. Recreanten waarderen grote dieren in de natuur, ze leveren (biologische) vleespaketten en het is leuk om het kuddegedrag van de dieren te bestuderen. Hierdoor verliezen waardevolle leefgebieden van reptielen (heideterreinen) zoveel aan structuurvariatie dat er vaak helemaal geen

5 extra voorzichtig zijn op kleine geïsoleerde terreinen; hier bij voorkeur niet begrazen en andere maatregelen zeer terughoudend uitvoeren omdat kleine populaties extra kwetsbaar zijn. Bovendien kunnen geïsoleerde terreinen niet opnieuw worden gekoloniseerd.

is opvallend dat de hoogste dichtheden aan reptielen vrijwel altijd worden aangetroffen in niet

de gedachte dat begrazing voldoende is om het dichtgroeien van voedselarme (heide) terreinen te voorkomen. Dit is een misvatting. Begrazing kan de successie wel vertragen maar niet stop-

begraasde heide terreinen of onbegraasde terreindelen (net buiten het rastert). Soms worden in begraasde terreindelen zelfs helemaal geen reptielen meer aangetroffen (zie ook de foto rechtsboven op de volgende bladzijde).

reptielen meer voorkomen. Veel heideterreinen zijn verworden tot een soort wildparken voor

lil

Alleen begrazing onvoldoende

zetten, tenzij er sprake is van (zware) overbegrazing. Onder acceptabele begrazingsdichtheden zijn aanvullende beheersmaatregelen noodzakelijk om het heideareaal (lees: belangrijkste habitat van reptielen) niet te doen afnemen.

Als basis voor de workshop wordt het boek van Edo van Uchelen gebruikt: 'Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen' (ook los verkrijg-

Probleem met voedselarme (heide)terreinen is dus dat er bijna altijd sprake is van overbegrazing. Bij veel beheerders leeft nog steeds

Probleem met begrazing is ook dat deze vorm van beheer niet langer alleen als een middel

baar bij de KNNV uitgeverij). Meer informatie over de workshops is te vinden op de website van RA VON: www.ravon.nl

N

E

w

UWE

---

_. -----

L

DER

N

~=___"__=__=_.;........,=-n-

N

U

M

M

grote grazers, ten behoeve van recreanten.

R

4

2


Vergrassing is gunstig Voor beheerders is het van belang om de voor amfibieën en reptielen geschikte habitats te leren herkennen. Dat is helemaal niet zo eenvoudig. Het lukt het best na jarenlange inventarisatie en monitoring van de herpetofauna, en er zijn maar weinig beheerders die daar voldoende tijd voor hebben. Daarom hier een belangrijke tip. Ook terreindelen met oude pitrus- en pijpenstrovegetaties kunnen structuurrijk zijn en een waardevolle habitat vormen. Zo is bij weinig beheerders bekend dat terreindelen die als eerste in aanmerking komen voor maatregelen, zoals met pitrus, pijpenstro en bochtige smele vergrastte heide, vaak juist de meest waardevolle biotopen voor amfibieën en reptielen zijn (Donker, 1999; Lamberts & van der Rijst, 1988; van Delft & van Rijsewijk, 2006; van Uchelen, 2006).

Door begrazing langs een raster is een 'harde' overgang ontstaan. Rechts van het raster is (onbegraasde) structuurrijke heide aanwezig waarin reptielen voorkomen. Links van het raster is het terrein zodanig overbegraasd, dat van een structuurrijke vegetatie geen sprake meer is. Hier komen geen reptielen meer voor.

Doe mee aan de workshop! Stichting RAVON organiseert in elke provincie een workshop 'Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen'. Beheerders leren hoe ze bij het (huidige) beheer beter rekening kunnen houden met de herpetofauna én hoe ze hun terrein aantrekkelijker kunnen maken voor deze dieren. De workshop is praktijkgericht, bevat veldbezoeken en biedt de mogelijkheid om, aan de hand van foto's van het eigen terrein, met de workshopleiders en andere beheerders naar oplossingen voor beheerproblemen in relatie tot amfibieën en reptielen te zoeken.

Adders leven graag in oude, overjarige pollen pijpenstro en pitrus die niet begraasd of gemaaid worden.


Nieuwe Wildernis 41