{' '} {' '}
Limited time offer
SAVE % on your upgrade.

Page 1

Nieu weVel uwe 1/15

NATUUR, KUNST EN CULTUUR

Versterking toerisme is goed voor de Veluwse economie en ecologie

Gratis voor lezers een wandelfolder van landgoed Schovenhorst met vier routes

Plaatsmaken al dertig jaar een galerie en werkplaats ineen

Onderduikplaatsen in de wilde natuur

van de Veluwe Losse nummers e 8,00


28/3 - 26/4 Homunculi A homunculus (Latin.”little man”) is a small human being. Originally: a miniature, fully formed human. Now: any scale model of the human body that illustrates physiological, psychological, or other human characteristics or functions. Anne Forest. Russisch-orthodoxe iconen, Renaissance- en Barokportretten en horrorfilms inspireren haar tot vaak op afvalmateriaal geschilderde portretten van vreemde wezens met stoïcijnse gezichten. Erik Buijs. Zijn kleine tot meer dan levensgrote, uit klei of was opgetrokken mens- of dierfiguren, zitten vol ironie, humor of cynisme.

Galerie Wit, Hamelakkerlaan 38, 6703 EK Wageningen 0317-410930/06-21712810, info@galeriewit.nl, www.galeriewit.nl open: za t/m zo 13.30-17.30 en daarbuiten op afspraak

Anne Forest, Nini & Shane, 2015 acryl op wandtapijt, 170 x 115 cm


Colofon Nieuwe Veluwe Nummer 1, 2015 Nieuwe Veluwe verschijnt 4 keer per jaar i www.nieuweveluwe.nl Nieuwe Veluwe is voor alle mensen die houden van de Veluwe en meer willen weten over het gebied: natuur, landschap, cultuur(historie) en kunst. Uitgave GAW ontwerp en communicatie Adres Generaal Foulkesweg 72 6703 BW Wageningen t 0317 425880 e uitgever@nieuweveluwe.nl Redactie Ria Dubbeldam (GAW), redactie@nieuweveluwe.nl Cecile van Wezel (GAW) Dick van der Klis Hans van den Bos Gerrit Breman Wim Huijser Hans Dijkstra (GAW) Klankbordgroep Leden zitten op persoonlijke titel in het klankbord. Annelies Barendrecht (publicist), Thijs Belgers (Gelderse Natuur en Milieufederatie), Henk Faas (gemeente Ede), Ad Germing (natuurkenner, fotograaf), Michiel Hegener (publicist, cartograaf), Arne Heineman (Natuurmonumenten Gelderland), Patrick Jansen (voorzitter), Patrick Jansen (Probos), Henk Kuipers (gemeente Apeldoorn), Frits Storm (IVN), Dirk van Uitert (Vrienden van de Veluwe), Gert van Veldhuizen (Vogelbeschermingswacht Noord-Veluwe), Marike Vissers (Staatsbosbeheer), Arjan Vriend (Landschapsbeheer Gelderland), Marc Wingens (Gelders Erfgoed), Rob Wolfs (WolfsWandelplan)

Inhoud Plaatsmaken een galerie en werkplaats ineen: Een welkome aanvulling in de ontwikkeling van het Arnhemse Klarendal tot modekwartier. Experiment staat hoog in het vaandel / 10 Ondergronds op de Veluwe: Tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden vele onderduikers een veilig onderkomen diep in de bossen van de Veluwe. Michiel Hegener tekende persoonlijke verhalen op / 28 WNF-directeur Johan van de Gronden: Een bos met woudreuzen zoals in de Kaukasus, zó kan het bos op de Veluwe er ook uitzien / 34

Heideontginning Schovenhorst (met wandelfolder): Advocaat mr. Schober stichtte in 1848 bij Putten op een lap heidegrond een landgoed en experimenteerde er flink op los, vooral met bomen / 38

Vormgeving Cecile van Wezel (GAW) Druk Drukkerij Modern b.v., Bennekom Bladmanagement Jelle de Gruyter (GAW) Abonnementen e abonnementen@nieuweveluwe.nl Jaar­abonnement: € 33,00 incl. btw. Een abonnement wordt automatisch met een jaar verlengd, tenzij vóór 1 november schriftelijk wordt opgezegd. Losse nummers: € 8,00. Advertentie-exploitatie Eelco Jan Velema (Brickx) t 070 322736, m 06 46291428 e advertenties@nieuweveluwe.nl Omslagfoto Recreatie op Planken Wambuis foto: Hans Dijkstra/gaw.nl © 2015 GAW ontwerp en communicatie Overname van artikelen wordt op prijs gesteld, maar uitsluitend met bronvermelding.

Wonderlijke waterwerken: De heemkundige vereniging Nuwenspete trok zich het lot van het beken- en vijverstelsel van Van Beuningen aan. De vijvers worden weer geregeld gevuld / 42 Artikelen

Rubrieken

14 Bijzondere verhalen langs klompen­

4, 5, 33, 50 Actueel

paden 18 Gelderse politici willen versterking Veluws toerisme

17 Column Wouter Klootwijk 26 Foto: Jaar van de Das

21 Schiet de natuur op met de PAS?

35 Eten van de Veluwe: Veluws rund

22 De eigen koers van Landgoed Tongeren

45 Trage Tocht: Hoog Buurlo

28 Ondergronds op de Veluwe

46 Vrienden van de Veluwe

34 Interview met Johan van de Gronden,

47 Boeken

directeur Wereld Natuur Fonds ISSN 1879-6001

9 Favoriete plant: (korst)mossen

48 Passie: wildfoto’s exposeren

NIEUWE VELUWE 1/15

3


Actueel

Tentoonstelling over Goudsberg

Kunst-Fiets-Route Arnhem

Fietsen door Arnhem en genieten van beeldende kunst. Negentien beeldende kunstinstellingen openen op 18 en 19 april van 12.00 tot 17.00 uur de deuren. Naast de beeldende kunst is er bijvoorbeeld ook poëzie bij Circa…dit. Dichters en artiesten ontmoeten elkaar bij het Lucht­kasteel. Kunst op de Koffie biedt een prachtig uitzicht vanaf het dak van gebouw de Enk. Ook verhalen over Arnhemse duivels en heksen uit de zestiende eeuw in het Erfgoedcentrum of een ontdek­ kingsreis per fiets door het Verborgen Landschap behoren tot de mogelijkheden. Nachtkerk organiseert een brunch in de Sonsbeekwei en er zijn rondleidingen in Museum Arnhem en workshops bij Plaatsmaken. Kortom: de diversiteit is groot. Op iedere locatie kan gestart worden en de gratis fiets­routekaart worden opgehaald.

De Goudsberg bij Lunteren krijgt door het project De Goudsberg, Middelpunt van Nederland nieuw elan. In februari is in Museum Oud Lunteren de permanente expositie De schatten van de Goudsberg geopend. Daarmee wordt het museum de poort naar het uitgestrekte natuurgebied rondom het Middelpunt van Neder­land: eerst binnen kijken en vervolgens buiten ontdekken. De expositie laat zien dat het gebied meer is dan alleen middel­ punt van Nederland. Het herbergt ook diverse bijzondere archeo­ logische en cultuur­histori­sche plekken, zoals celtic fields, een nagebouwde ijzertijd­boerderij, de Germaanse put, de Hessenweg, uitzichttoren De Koepel en nog veel meer. Het Goudsbergproject maakt die bijzonderheden beter zichtbaar. Daarnaast komt er als nieuwe toevoeging op de plek van de

voormalige Hessenhut een land­ schapsobject van cortenstaal en planken, afkomstig van hout uit het Goudsberggebied. Het object dat tegenover restaurant de Goudsberg aan de Hessenweg in aanbouw is, is een ontwerp van de Arnhemse kunstenaar Rob Sweere, en is in nauwe samen­ werking met een groep betrokken Lunteranen tot stand gekomen. Het object wordt gebouwd rondom een sequoia die de komende decennia zal uitgroeien. Langs diverse beziens­waar­dig­ heden komen fiets- en wandel­ routes. In aanvulling op de informatie in het museum komt er langs de routes informatie.

ecoduct zal ook toegankelijk zijn voor grote hoefdieren, zoals edelherten. Momenteel wordt ten noorden van de A1 een lagere dichtheid aan edelherten aangehouden dan in het zuiden. De komende jaren onderzoekt provincie Gelderland welke maatregelen nodig zijn om de komst van Maanschoten niet tot ongewenste problemen te

laten leiden. Daarbij kan worden gedacht aan aanpassing van de streef­standen, ontsnipperings­ maatregelen op de provinciale wegen in de omgeving en even­ tueel lokale rasters. Bij het bepalen van deze maatregelen zullen vertegenwoordigers van alle belanghebbenden worden betrokken. De provincie neemt hiervoor het voortouw.

Op 15 bijzondere plekken wordt een kijker geplaatst. De Goudsberg - Middelpunt van Nederland is een initiatief van de gemeente Ede, Geldersch Landschap en Stichting Het Luntersche Buurtbosch.

De Kunst-Fiets-Route is een initiatief van het platform Beeldende Kunst Arnhem (www.beeldendekunstarnhem.nl). Meer over de deelnemende kunstinstelling Plaatsmaken zie pagina 10.

Bouw van ecoduct Maanschoten start in 2016 Spoorwegbeheerder ProRail en Rijkswaterstaat werken samen aan een plan voor een nieuw ecoduct over de snelweg A1, tussen Stroe en Kootwijk, in combinatie met een ecotunnel onder de naastgelegen spoor­ verbinding. Ecoduct Maanschoten stond al

4

NIEUWE VELUWE 1/15

tegelijk met de andere zes Veluwe-ecoducten in de planning, maar wordt later uitgevoerd. De bouw start in 2016 en zal in 2017 worden opgeleverd. Maanschoten verbindt belangrijke heide- en stuifzandgebieden met diverse bedreigde diersoorten waarvoor verbinding belangrijk is. Het


Strenger handhaven op recreatiewoningen De gemeente Ede gaat illegale bewoning van recreatiewoningen strenger aanpakken. Ze wil ten­minste 150 zaken per jaar hand­haven. Tot nu toe waren dit 50 zaken per jaar. De verblijven op de recreatieterreinen zijn bedoeld om in te recreëren, vindt de ge­ meente, en het is dan ook niet toegestaan om deze te gebruiken als woonverblijf. Permanent bewonen van recreatieverblijven heeft een negatieve invloed op de kwaliteit van de parken, maar ook op het imago van recreatie en toerisme. Het grootste probleem van per­manente bewoning is de mate waarin dit gebeurt. 1100 mensen staan ingeschreven op een recre­a­tieadres. Het totale aantal re­creatiewoningen is 4400. Alleen bewoners die al voor 1997 op een vakantiepark woonden, mogen blijven. Na hun verhuizen of over­lijden mag de recreatie­woning weer alleen voor recreatie gebruikt worden.

Veluws heideschaap uitgeroepen tot zeldzaam ras van 2015 Stichting Zeldzame Huisdier­ras­ sen heeft het Veluws heide­schaap gekozen als zeldzaam ras van het jaar 2015. Dit ras krijgt dit jaar daarmee extra aandacht. Het Veluws heideschaap behoort naast het Kempisch en Drents heide­schaap en de Schoone­ beeker tot de oorspronkelijke heideschapen; sobere schapen die gewend zijn om te leven van de vegetatie op de heidevelden, die grote afstan­den kunnen af­ leggen en een langharige en draderige vacht hebben (waarmee ze niet achter struiken blijven haken). De oorsprong van het Veluws heideschaap ligt op de Veluwe

(tussen Apeldoorn en Harderwijk en rond Ede en Barneveld) en in Utrecht, Noord-Brabant en Over­ ijssel, waar het werd gehouden in kudden van 70-100 ooien. In de negentiende eeuw trokken grote kudden door uitgestrekte ruige terreinen met als doel: mestproductie. De schapen vraten overdag van de vegetatie en deponeerden ’s nachts hun mest in de stal, vanwaar ze gemengd met heideplaggen over de schrale akkers werd verspreid. De lammeren werden op rijkere gronden afgemest en voor de slacht verkocht naar Londen en Parijs. Tijdens de bloei van de wolindustrie was het ras tijdelijk

ook wolleverancier. Met de komst van kunstmest werden heideschapen overbodig en zijn ze geleidelijk aan met uitsterven bedreigd. Nu doen schaapskuddes en hun herders vooral werk voor natuur­onder­houd. Ze voorkomen dat heide geen bos wordt en dat heide­planten nieuwe uitgroei hebben. Maar ze hebben nog een belang­rijke taak: ze houden de cultuur­ historie levend. De dieren zijn als het ware het vlaggenschip van de Veluwe. Een filmpje over het Veluws heide­schaap is te zien op YouTube.

Dierbaar haakwerk Een biggetje met rode laarzen, een boomkikker met een opzich­ tige pofbroek, Sneeuwwitje met een wolvenkop en een ingebaker­ de bambi. Allemaal sieraden en objecten van Felieke van der Leest, die tot en met 25 mei te zien zijn in het CODA Museum in de tentoonstelling Into the Zoo. Haar genaaide, gehaakte en gebreide sieraden laten zich het best omschrijven als draagbare miniatuursculpturen. Wie bij­ voorbeeld Haas O’Harix en zijn Zes Worteltjes wil dragen als armband, koppelt de wortel­ wagentjes los en laat de haas achter. De Zwangere IJsbeermin heeft een ingebakerd welpje in zich dat gedragen kan worden als broche. De namen van haar sieraden – Billy Bang, Peace Puffin, Peek-a-Puma – zijn rijk aan humoristisch taal- en toon­ spel, klankherhaling en allite­ ratie. Van der Leest geeft het contrast tussen waardeloos en waardevol aan door materialen als plastic te combineren met goud en edel­ stenen. Zo ironiseert ze ook het conventionele sieraad. Van der Leest: ‘Mijn sieraden zijn com­ municatiemiddelen. Als je een hert met gouden zonnebril op­ speldt, krijg je aandacht. Terwijl mensen met je praten, kijken ze telkens naar die broche zodat die op enig moment onderwerp van gesprek wordt.’

NIEUWE VELUWE 1/15

5


Bijna alle oude bossen op de Veluwe waren malebossen, gemeenschappelijke bossen die eeuwenlang door malegenootschappen duurzaam werden beheerd. Omdat ze de vooruitgang in de weg zouden staan, werden ze in de negentiende eeuw ontmanteld. Het principe van collectief eigenaarschap zou wel eens een verbazend actueel antwoord kunnen zijn op de moderne opgaven in het natuurbeheer, betogen Hans Bleumink, Patrick Jansen en Jan Neefjes.

Hans Bleumink (voor), Patrick Jansen (midden) en Jan Neefjes (achter) in het Edese Bos, een voormalig malebos. Hoewel er al meer dan een eeuw geen malegenootschappen meer zijn op de Veluwe, zijn de malebossen nog vaak goed te herkennen, onder meer aan de typische ‘dansende beuken’.

6

NIEUWE VELUWE 1/15


Opinie

Malegenootschappen inspiratiebron voor nieuw natuurbeheer

tekst Hans Bleumink, Patrick Jansen en Jan Neefjes, foto Hans Dijkstra/gaw.nl

Toen schrijver-predikant Ottho Gerhard Hel­dring in 1841 het Beekbergerwoud bezocht – volgens velen ons laatste oerbos – werd hij gegrepen door de overweldigende schoonheid en vogelrijkdom. Na een moeizame wandeling door het natte bos bereikte hij een open plek waar feest werd gevierd. De maalmannen van de Liedermark zaten rond vuren. Ze hadden juist bomen gekapt, zoals ieder jaar, en vierden hun oogstfeest. Het Beekbergerwoud was in werkelijkheid geen oerbos, maar een gebruiks­ bos. Wie zich verdiept in de geschiedenis van de Veluwe, concludeert al snel dat nagenoeg alle oude Veluwse bossen werden beheerd door malegenootschappen, een van oorsprong middeleeuwse collectieve organisatievorm (zie kader pagina 8). ‘Geërfden’ of ‘maalmannen’ bezaten ‘waardelen’ in hun malebos, die recht gaven op medegebruik en medezeggenschap. De geschiedenis en het functioneren van de maalschappen raakten in vergetelheid.

Natuurinitiatieven gewenst De laatste jaren zoeken overheden en terrein­ beheerders naar nieuwe verdienmodellen en nieuwe manieren om burgers actiever te betrekken bij natuur, niet alleen om in te spelen op teruglopende natuursubsidies, maar ook om het maatschappelijk draagvlak voor natuur nieuw elan te geven. ‘Het moet anders’, schreef staatssecretaris Sharon Dijksma in 2014 in de Rijksnatuurvisie. ‘Natuur moet niet beschermd worden tégen, maar versterkt worden mét de samenleving. Er moet de komende tien jaar meer ruimte komen voor natuurinitiatieven van burgers, maatschappe­lijke organisaties en bedrijven.’ Het middeleeuwse principe van collectief eigenaarschap zou wel eens een antwoord kunnen zijn op die uitdaging. Het is een concrete, tastbare manier om het beheer van een collectief goed – zoals natuur of water –

collectief vorm te geven, zonder tussenkomst van een overheid die op een abstracte manier het algemeen belang vertegenwoordigt. Nieuwe burgerinitiatieven in zorg, energievoorziening en stadslandbouw laten zien dat zo’n collectieve aanpak levensvatbaar is. Het combineert ondernemerschap, eigen verantwoordelijkheid en collectief belang. Waarom zou dat in het natuurbeheer niet kunnen? Het idee is simpel: bewoners, recreanten of bedrijven kopen een aandeel in een nieuw te ontwikkelen of al bestaand natuurgebied. Dat kan een werkelijk aandeel zijn – waarmee je werkelijk mede-eigenaar wordt – of een parti­ cipatie – waarmee je bijvoorbeeld het recht verwerft om mee te beslissen. Als moderne geërfde heb je, net als vroeger, bepaalde rechten en kun je meedelen in wat het gebied te bieden heeft, van brandhout of natuurvlees tot bijvoorbeeld een exclusief bosdiner. Versnippering is niet mogelijk. Geërfden kunnen geen eigen stukje natuur opeisen. Het natuur­ belang staat voorop.

Burgers willen wel In 2012 en 2013 hebben Probos en Overland samen met het Innovatienetwerk bekeken of er in de praktijk nieuwe malegenootschappen op te richten zijn, ook op de Veluwe. Aanvankelijk leek de grootste uitdaging mensen te vinden die wilden betalen voor natuur, maar de praktijk heeft laten zien dat burgers wel degelijk in natuur willen investeren. In het Brabantse Boxtel bracht een groep buurtbewoners de afgelopen twee jaar een kwart miljoen euro bij elkaar om 7 hectare landbouwgrond aan te

kopen en om te zetten in natuur. In 2013 bracht de Partij voor de Dieren in een paar weken eenzelfde bedrag bij elkaar – in wat zij ‘woud­ funding’ noemden – om Twentse natuurgronden aan te kopen, die Staatsbosbeheer bij opbod wilde verkopen. En sinds Mooi Wageningen eind 2014 met het plan is gekomen om het Wage­ ningse Broek te kopen, hebben verschillende mensen aangeboden het initiatief financieel te ondersteunen. Burgers komen in actie als overheden en terreinbeheerders kansen laten liggen of als een (natuur)gebied daadwerkelijk wordt bedreigd. Maalschap Wolfhaag in het Zuid-Limburgse heuvelland is vooralsnog de enige plek waar burgers daadwerkelijk mede-eigenaar kunnen worden van natuur. Het project is een initiatief van ARK Natuurontwikkeling en Overland, dat het concept ontwikkelde en doorrekende. Geïnteresseerden kunnen voor 1000 euro een aandeel kopen. ARK wil het bijeengebrachte geld onderbrengen in een gebiedsfonds, waaruit nieuwe natuurinvesteringen kunnen worden betaald.

Zoekende overheden en terreinbeheerders Rijk, provincies en terreinbeheerders staan op papier achter dit soort ontwikkelingen, de staatssecretaris voorop. Vereniging Natuur­ monumenten, een eeuw geleden opgericht om gezamenlijk het Naardermeer aan te kopen, kondigde vorig jaar aan terug te keren naar haar wortels en te bekijken hoe mensen medeeigenaar van natuur kunnen worden. In de praktijk lijken overheden en terreinbeheerders

‘Nieuwe burgerinitiatieven in zorg, energievoorziening en stadslandbouw laten zien dat een collectieve aanpak levensvatbaar is. Waarom zou dat bij natuurbeheer niet kunnen?’

NIEUWE VELUWE 1/15

7


De meeste bossen op de kaart zijn malebossen. De kleinere bosjes en (niet zichtbare) bossen op de zuidelijke Veluwezoom zijn vaak vroege naaldbebossingen, die veelal door grootgrondbezitters werden aangelegd.

vaak nog zoekend. Betekent de (gedeeltelijke) overdracht van natuurgronden aan burgers niet een verlies aan invloed en zeggenschap? Leidt zo’n ontwikkeling niet tot een lappendeken van allerlei kleine natuurgebiedjes, terwijl we juist toe willen naar meer samenhang en robuust­ heid? Leidt al te veel burgerparticipatie niet tot platgetreden pretparknatuur? En is natuur­ beheer uiteindelijk niet juist de taak van de overheid? Het zijn legitieme vragen, die om weloverwogen antwoorden vragen. De enige manier om die vragen te beantwoorden is om er in de praktijk mee aan de slag te gaan. Hoe kunnen we nieuwe maalschappen op een moderne manier organiseren? Tot hoe ver kan mede-eigenaar­ schap gaan? En in welke gevallen biedt medeeigenaarschap kansen? Dat vraagt niet alleen om burgers die durven te investeren, maar ook om overheden en terreinbeheerders die hun nek durven uit te steken en daadwerkelijk willen zoeken naar nieuwe manieren van natuurbeheer en -bezit.

8

NIEUWE VELUWE 1/15

Rond 1800 bestond de Veluwe voor een groot deel uit heide en stuifzand. De bossen die er nog waren, lagen op de rijkere zandgronden en werden nagenoeg allemaal beheerd door malegenootschappen. De eerste schriftelijke bewijzen van gezamenlijk boseigendom in Nederland stammen uit de twaalfde en dertiende eeuw. Toen werden voor het eerst gebruiksregels op schrift gesteld. Waarschijnlijk gaan deze regels terug op veel ouder gewoonterecht. De malebossen waren gemeenschappelijk eigendom van een maalschap. De rechthebbende boeren werden geërfden of maalmannen genoemd. Die hadden een overerfbaar aandeel in het bos, een zogenaamd waardeel. Zij hadden bijvoorbeeld recht op een deel van de houtopbrengst, mochten er hun vee inscharen en konden er plaggen steken. Tijdens de (twee)jaarlijkse holtsprake werden onder leiding van de holtrichter beslissingen genomen, die in maleboeken werden vastgelegd. De afspraken en ‘holtdeling’ werden beklonken met een overvloedig feest. In de loop van de tijd werd het mogelijk productie­rechten te verhandelen. Zo konden buitenstaanders, zoals adel of rijke stadse kooplui, langzamer­hand steeds meer rechten verwerven. Doordat dit bezit fysiek niet afgesplitst kon worden, bleven deze bossen eeuwenlang als geheel voortbestaan, waaronder het Edese Bos, Speulderbos en Gortelder Bos. Juist deze gemengde male­ genootschappen – met boeren en stadse kooplui – bleken duurzaam beheerd te worden. De verschillende belangen leidden tot een evenwichtig beheer. Aan het eind van de achttiende eeuw keerde het tij. Voor de opkomende klasse van geëngageerde herenboeren vormde het collectieve eigendom van de bosmaalschappen en heidemarken ‘eene ontzaggelijke groote hinderpaal tegen de voortgang der landbouw’. De genootschappen werden onder druk gezet om hun grond te verkopen. Toen dit vrijwillig niet lukte, dwong de overheid dat in 1886 met de Markewet af: als één gerechtigde verdeling van de gemeenschappelijke gronden aanvroeg, moest tot verdeling worden overgegaan. Veel Veluwse maalschappen wisten versnip­pering van hun bos te voorkomen door hun maalschap om te zetten in een naamloze vennootschap. Maar rond 1920 waren nagenoeg alle gemeen­schappelijke bossen verkocht aan vermogende industriëlen en gemeenten.

Maalschappen geven continuïteit Tegen die achtergrond is het veelzeggend dat de oude maalschappen juist voor continuïteit hebben gezorgd. Terwijl er in de zeventiende en achttiende eeuw overal in Nederland bossen verdwenen, wisten veel malegenootschappen hun gemeenschappelijke bossen juist te behouden. In de negentiende eeuw hebben de malegenootschappen zich decennialang ver­ weerd tegen de overheidsdruk om hun gebieden te verkopen. Dit illustreert de directe betrok­ ken­heid van de geërfden bij hún gebied. Het Beekbergerwoud werd pas gekapt nádat de geërfden het in 1869 hadden verkocht. De oude maalschappen van de Veluwe, die honderd jaar geleden nog als grote hinderpalen in onze vooruitgang opzij werden geschoven, zouden wel eens een inspiratiebron kunnen zijn voor nieuwe vormen van collectief natuur­ beheer, dicht bij huis en dicht bij het hart… al was het alleen maar vanwege de jaarlijkse holtsprake, die vaak eindigde in drinkgelach. Want dat hadden die oude maalmannen

misschien nog wel het beste begrepen: de natuur verdient het ook om gezamenlijk gevierd te worden.

Patrick Jansen (Stichting Probos), Jan Neefjes en Hans Bleumink (beiden Overland) hebben samen met het Innovatienetwerk de mogelijk­ heden voor nieuwe maalschappen onderzocht. Overland adviseert overheden en terrein­ beheerders over onder meer ontwikkelings­ gericht erfgoedbeheer en groene burgerpartici­ patie. Stichting Probos wil door kennisontwikke­ ling en innovatie bijdragen aan duurzaam bosbeheer. Probos is voor een pilotproject op zoek naar Veluwse boseigenaren die geïnte­ resseerd zijn in nieuwe malegenootschappen, waarin niet het mede-eigenaarschap centraal staat, maar producten en diensten en wellicht medezeggenschap. Meer informatie op www.probos.nl of www.overland.nl.


FAVORIET DIER FAVORIETE PLANT (KORST)MOSSEN

Al meer dan dertig jaar volgt botanicus Fred Daniëls mossen- en korstmossenvegetaties. Onder meer op het Caitwickerzand bij Kootwijk. Vrij uniek monnikenwerk. Hij zag hoe het agressieve tankmos (Campylopus introflexus) oprukte en de kenmerkende mossen en korstmossen verdrukte. Maar de korstmossen keren terug, groeiend op datzelfde tankmos! Die ochtend is de 71-jarige professor vanuit het Duitse Münster vertrok­ ken, waar hij sinds 1986 woont. Lange tijd heeft hij er aan de universiteit gewerkt. Het wordt weer eens tijd om zijn gemarkeerde veldjes op het Caitwickerzand te bekijken. Wandelend ernaartoe stopt hij en haalt een pluk uit de vegetatie. ‘Kijk, een heel algemene korstmossensoort, bruin heidestaartje (Cladonia gracilis): gladde staafjes, kleine bekertjes en weinig vertakt. Even later: ‘Dit hier is een interessante soort, hamer­ blaad­je (Cladonia strepsilis) met dikkige blaadjes die als dakpannetjes over elkaar liggen. Die komt op grindrijkere zandbodems voor.’ De een na de andere soort gaat door zijn handen. Op deze voedselarme stuifzandgrond met een extreem microklimaat groeien maar weinig hoge­ re plantensoorten, maar ze zijn des te rijker aan korstmossen, vooral van het geslacht Cladonia waartoe de rendiermossen, bekermossen en heide­ staartjes behoren. Zijn fascinatie voor (korst)mossen ontstond met name door J.J. Barkman. ‘Een legendarische prof uit de jaren vijftig-negentig. Toen hij voor een project vrijwilligers nodig had, heb ik een aantal voordrachten bijgewoond en excursies meegemaakt. Daar heb ik een tik van overgehouden. Barkman wilde puur wetenschappelijk, niet zozeer maatschappelijk rele­vant onder­ zoek doen en kwam uit op (korst)mossen op bomen. Maar korstmossen hebben wel degelijk maatschappelijk nut. Het blijken heel goede milieuindicatoren te zijn. Ze zijn heel gevoelig voor luchtverontrei­niging.’ Daniëls pakt een mos. ‘Ruig haarmos (Polytrichum piliferum). Die hoort hier van nature thuis. Een kenmerkende pioniersoort van arme, vergraste stuifzandgronden. Het delft vaak het onderspit in concurrentie met grijs kronkelsteeltje ofwel tankmos, dat waarschijnlijk tijdens de oorlog door de geallieerden op het Europese vasteland is geïntro­duceerd met hun oorlogsmaterieel. Sinds de jaren zestig heeft het mos zich als een dichte, groene deken over stuifzandgronden uitgerold. Dat komt met name omdat de voortplanting van tankmos veel sneller gaat. Vallen er gaten in het dek van ruig haarmos, dan neemt tankmos die gelijk in.’ Dat heeft hij goed kunnen waarnemen op onder meer het Caitwickerzand, waar hij zes veldjes van een vierkante meter heeft uitgezet. ‘Het gaat zoals dat gaat met invasieve mossen: ze treden op, breiden uit maar sterven ook weer af.’ Daniëls is bij een van zijn veldjes aangekomen. ‘Kijk, dit tankmos. Helemaal dood, veralgd en er komen al korstmossen op. In dertig jaar tijd heb ik het tankmos in mijn proefvlakjes hier duidelijk zien afnemen. Net als in het Kootwijkerzand en de wel duizend vakjes op De Hoge Veluwe. Tankmos zal nooit een permanente plek innemen. Wel zal het zich telkens opnieuw ontwikkelen op plekken waar de grond is verstoord of te veel nutriënten bevat.’

Boven: Buntgrasvegetatie met ruig haarmos (minder opvallend) en tankmos (groen) met enkele korstmossen. Onder: Rode heidelucifer. Opmerking: korstmossen worden tegenwoordig tot de schimmels/paddenstoelen gerekend, omdat ze uit een alg en een schimmel bestaan die in symbiose leven.

Teruglopend naar de auto wijst hij op de vele opschietende dennetjes. De open vlakte groeit langzamerhand dicht. Een bedreiging voor de (korst)mossen en bijzondere diersoorten van de stuifzanden. Behalve vrijwil­ligers dennen laten trekken of schapen of grote grazers inzetten, noemt Daniëls een andere opmerkelijke maatregel om stuifzandgronden open te houden. ‘Geef het vrij voor recreatie, zodat mensen in het stuifzand kunnen wandelen, spelen of een tentje opzetten. Dat is prima, maar laat het daarna na een aantal jaren weer tot rust komen.’

NIEUWE VELUWE 1/15

9


Plaatsmaken

een galerie en werkplaats ineen tekst Gabrielle de Nijs Bik, foto’s Hans Dijkstra/gaw.nl en Plaatsmaken

10

NIEUWE VELUWE 1/15


In het hart van de Arnhemse volkswijk Klarendal staat een oude molen die op gezette tijden krakend in beweging komt. Aan de voet van die molen was een videotheek gevestigd die erotische films verhuurde. Tot 2012. Toen hield de eigenaar het voor gezien en ontstond er ruimte voor Plaatsmaken, een grafische werkplaats voor kunstenaars annex galerie. Een welkome aanvulling in de ontwikkeling van Klarendal van ‘Tranendal’ tot modekwartier, waarbij drugspanden en andere ongure zaakjes plaatsmaken voor creatieve bedrijfjes.

De geschiedenis van Plaatsmaken start in de jaren tachtig, een periode van underground, krakersbeweging en activisme. Drie jonge honden, net klaar met de kunstacademie, vinden dat er ruimte moet zijn voor experimen­ tele kunst. Ze hebben weinig vertrouwen in de gevestigde kunstpraktijk; nieuwe ideeën worden daar veel te laat opgepakt. 1985 is een belang­ rijk jaar. Plaatsmaken organiseert de manifes­ tatie Kunst, Krisis of Keerpunt bestaande uit een expositie in het ‘Paleis voor Schone Kunsten’ in Arnhem – een tijdelijke locatie in een te slopen provinciaal gebouw – en een uitgave van pamfletachtige stencils, fotokopieën en originele kunstwerken van 118 kunstenaars, bijeengehouden door vleugelmoeren. Het geheel brengt in beeld welke kunstenaars­ initiatieven Nederland en België rijk zijn. Het kunstenaarsinitiatief (het oorspronkelijke Plaatsmaken) en een grafisch centrum met apparatuur om kunstwerken te maken, beslui­ ten in 1986 te fuseren. Het blijkt een gouden greep: traditionele grafische technieken als ets, fotografie en zeefdruk ontmoeten jonge kunste­ naars, hongerig naar vernieuwing en nieuws­ gierig naar wat die technieken te bieden hebben. Dat alles in een tijd dat het gedrukte medium nog hét middel was om onderwerpen aan te snijden, en je begrijpt in welke sfeer Plaats­ maken ontstond. Tegendraads of niet, al snel krijgt ook de gevestigde orde aandacht voor Plaatsmaken. Zo wordt museumdirecteur Liesbeth Brandt Corstius uitgenodigd tentoon­ stellingen te openen en verleent de gemeente

subsidie, waarmee het mogelijk wordt een statig pand te betrekken in het Spijker­k war­­­tier, waar Plaatsmaken tot 2012 gehuisvest is.

Suikertaartgebouwen Experiment staat hoog in het vaandel. Geen idee was te gek of er werd een manier voor bedacht om het te realiseren. Vakmensen stonden aan het roer van de werk­plaatsen en hielpen, samen met vrijwilligers, kunstenaars hun ideeën te verwezenlijken. Zo ontstonden prachtige uitgaven, bijzonder in druktechniek, bindwijze en concept. De 250 cent reeks bijvoorbeeld, een serie uitgaven waarop mensen zich konden abonneren. De editie van Jerome Symons oogst landelijk lof: het is een cassette met daarin een sculptuur van geëtste en gegraveerde graniet. ‘De enige steen met een ISBN-nummer’ kopt de Volks­krant. Of Moskwa van Gea Grevink, een boek waarin de plattegrond van Moskou bladzijde na bladzijde wordt afgepeld, van suikertaart­gebouwen tot de metro. Dit boek krijgt de prijs voor het Best Verzorgde Boek. Eind jaren tachtig is de bezetting van de grafi­ sche werkplaatsen zo hoog, dat Plaatsmaken het nauwelijks aankan. Langzaamaan komen er ook scheurtjes in de organisatie. Medewerkers en vrijwilligers verliezen motivatie door de hoge werkdruk of gaan ander werk doen; voor som­ mi­gen roept de eigen kunstpraktijk. De bijzon­ dere boeken krijgen veel, zelfs internatio­nal­e erkenning, maar zijn zakelijk een fiasco. Maar weinig mensen zijn bereid deze uitgaven, van soms 1500 gulden per editie, aan te schaf­fen. De uitgever onder de eerste Plaatsmakers, Henk-Hans Hilvering, voelt zich een Don Quichotte en houdt het voor gezien.

Speelgoedvliegtuigje Een nieuw artistiek leider wordt aangetrokken: Peter Jordaan. Zijn aandacht gaat vooral uit naar de werkplaatsen; de uitgeverij had onder zijn leiding minder prioriteit. Hij wil experimen­ teren met nieuwe technieken. Voor de vlieg­ tuig­reeks nodigt hij kunstenaars uit ‘iets met een vliegtuig te doen’ en dit te drukken op triplex. Het leidt tot een verrassende reeks, waarin bijvoorbeeld Rosemin Hendriks een zelfportret maakt met een klein speelgoed­ vliegtuigje. Een ander project is de fosforreeks, waarin kunstenaars worden uitgedaagd met licht­ gevende inkt te werken. In die serie maakt Alphons ter Avest bijvoorbeeld De Vogelaar. Aan de ene kant van de zeefdruk tuurt een man door zijn verrekijker, aan de andere kant zien we lichtgevende vogels in de duisternis. Intussen doet het internet zijn intrede. Kunstenaars maken vaker websites en filmpjes en minder boeken. De eerder bij Plaatsmaken gemaakte boeken worden collectors’ items. Als Plaatsmaken zich realiseert dat de uitgeverij van kunstenaarsboeken echt op zijn gat ligt, wordt de collectie afgestaan aan het CODA Museum in Apeldoorn, waar het als erfgoed in een gevestigde kunstinstelling bewaard wordt. Projectmatig werken In 1998 doet July Ligtenberg haar intrede. Als studente marketing en communicatie bezoekt zij de KunstRAI en raakt zij onder de indruk van het drukwerk van Plaatsmaken. Ze stuurt een brief. Of ze stage kan lopen. Dat kan, sterker nog, haar komst blijkt net op tijd om de brood­nodige cultuuromslag teweeg

Mirka Farabegoli aan het etsen (l).

De Vogelaar, Alphons ter Avest.

Werk van Rosemin Hendriks uit de vliegtuigenserie.

NIEUWE VELUWE 1/15

11


te brengen. Ze schrikt van wat ze aantreft: nooit verstuurde rekeningen, geen adequaat adres­sen­bestand en voorraadbeheersysteem, en openingstijden om van te huilen: alle school­ vakanties gesloten. Ligtenbergs handen jeuken. Plaatsmaken gaat projectmatig werken. Ze introduceert het stellen van doelen en doet er alles aan om deze te halen. Creatieve plannen prima, maar altijd stelt ze de vraag: hoe finan­ cieren we het? Gekscherend wordt ze ook nu nog Chef Centen genoemd. Ligtenberg weet de juiste toon aan de slaan. ‘De kunst is aan de kunst’, zo zegt ze, ‘maar verder schuw ik niets; alles wat we kunnen doen om de kunst te ver­ kopen zie ik als moge­lijk­heid.’ Met deze houding wint ze vertrouwen en krijgt ze gelegenheid Plaatsmaken te transformeren van een kunstenaarsinitiatief naar een dienst­verlener aan kunstenaars, realisa­tie­bureau van druk­werk en digitale media voor culturele instellin­gen. In 2009 neemt Peter Jordaan afscheid van Plaatsmaken. Zijn afscheidsexpositie heet veelzeggend Nutteloze tekeningen en modellen. Hij benadrukt ermee dat een kunstenaar zich moet richten op wat hij maakt, niet op wat hij verkoopt. Inge Pollet volgt hem op. Zij geeft een nieuwe impuls aan de galerie. De signatuur verandert. Haar keuze wordt bepaald door fingerspitzengefühl, de kwaliteit van het werk, de buitengewone wijze waarop de kunstenaar de techniek hanteert, de energie die de kunste­ naar in de tentoonstelling wil steken, en ja, ook de verkoopbaarheid. De nadruk ligt op Gelderse kunstenaars, van pas afgestudeerde kunste­ naars zoals Aline Eras die bij Plaatsmaken haar etstechniek verder ontwikkelt, tot de oudere

Inge Pollet (l) en July Ligtenberg (r).

12

NIEUWE VELUWE 1/15

garde zoals Erik Odijk wiens werk heel mooi gecombineerd werd met dat van Roos van Haaften. Pollet laat ook werk zien van de éminence grise zoals Ad Gerritsen.

Ook het buitenland Hoezeer Plaatsmaken ook geworteld is in Arnhem, Pollet schuwt het niet ook kunstenaars uit het buitenland uit te nodigen. Vaak leidt dat tot interessante tentoonstellingen. Een enkele keer maakt zij een inschattingsfout. Ooit liet Plaatsmaken een kunstenaar uit New York overvliegen die een prachtige expositie realiseerde, maar er kwam geen kip. Ligtenberg en Pollet lachen erom: het was een leerzame ervaring. Of de locatie van de Emma­straat daar een rol in speelde is niet te achter­halen. Vaststaat dat het statige negentiende-eeuwse pand een in zichzelf gekeerd fort was, dat vooral door kunstenaars betreden werd. Zij kwamen er naar openingen met gratis drank, hadden er een fijne tijd en keken er naar elkaars werk. Kijkers wisten de drempel nauwe­lijks te overwinnen, laat staan kopers. Bovendien betaal­de de stichting maandelijks 1000 euro aan de gasrekening om het ver­vol­gens nog te koud te hebben. Dat moest anders. Plaatsmaken en Klarendal vinden elkaar op het juiste moment. Plaatsmaken sluit naadloos aan bij de ambitie van de wijk om creatieve bedrijven ruimte te geven. En Plaatsmaken verwacht er meer bezoekers te trekken. Het werkt. In 2013 waren er 1600 bezoekers, in 2014 2300. Kunstenaars komen er nog steeds, voor de werkplaatsen, exposities en openingen. Maar een kunstenaars­bolwerk is het niet meer,

kunstlief­hebbers zijn zeker ook welkom. En de drank? Daarvoor worden inmiddels consumptie­ muntjes gebruikt.

Muurschildering Plaatsmaken zou Plaatsmaken niet zijn als er niet ook geëxperimenteerd wordt. Markus Putze, die er van 10 april tot eind mei exposeert, past daar prima bij. Hij krijgt de vrije hand een (onverkoopbare) muurschildering te maken. Ligtenberg en Pollet werden gegrepen door zijn werk tijdens de KunstRAI in 2011. Het zijn de sfeer en de beheersing van de aquareltechniek. In 2012 exposeerde hij bij Plaatsmaken en begin dit jaar stonden Ligtenberg en Pollet met zijn werk op de Rotterdam Contemporary Art Fair. En nu opnieuw een expositie. Putzes werk bestaat uit grote en kleinere aqua­ rellen in veelal donkere blauwe en groene tinten, waarin de natuur en het stadse leven verbeeld worden. Sommige kunstenaars ver­ staan de kunst om de natuur zo vast te leggen dat het onze blik scherpt, dat we met meer gevoel kijken. Putze is zo iemand. Bij zijn verbeel­ding van reflecties van dauwdruppeltjes voel je bijna de koele, vochtige lucht van een bos in de vroege ochtenduren. Soms doemen er, als je goed kijkt, nieuwe beelden op. Dat geeft het werk een sprookjesachtige, soms spookachtige sfeer. Putze schildert ook vrouwen in het nachtleven. Onwillekeurig roepen zij associaties met de jaren tachtig op, Christiane F., Nina Hagen. Het zijn beelden waarin de drugsscene en pornowereld aan de oppervlakte liggen. En zo komt de rauwheid, zo zorgvuldig uit Klarendal weggewerkt, toch weer even terug. Bedrijvigheid De verhuizing naar Klarendal heeft de galerie­ goed gedaan en geeft ook de werk­plaatsen een nieuwe impuls. Er is meer ruimte en Plaats­ maken blijft investeren in nieuwe technieken. Kunstenaars werken hier graag. Het is fascine­ rend om de bedrijvigheid te zien. Meestal zijn de werkplaatsen open als de galerie gesloten is, maar een keer per jaar – dit jaar op 18 april van 12:00 tot 17:00 uur – is er een open dag en kan ook het publiek kunste­naars aan het werk zien. De nieuwste aanwinst is de textielzeefdruktafel. Binnenkort kunnen kunstenaars en modevorm­ gevers hiermee aan de slag. Geert de Rooij, een van de mensen achter het bekende Arnhemse mode­merk People of the Labyrinths, ontwikkel­ de in samenwerking met Pollet het project Wisteria, waarmee die textielzeefdruktafel geïntroduceerd wordt. Vormgevers zijn uit­


Lightfall (l) en Gut und Bose auf dem Feld Ihrer Traume (r), Markus Putze.

‘Zijn verbeelding van reflecties in dauwdruppeltjes in het bos bijvoorbeeld geeft meteen het gevoel dat je op een ochtend in het bos bent’ genodigd aan het project deel te nemen. De Rooij begeleidt het project en geeft een masterclass. Dit betekent dat vakkennis en kwaliteit geleverd kan worden, maar ook dat modeontwerpers als Sjaak Hullekes en Bas Kosters interesse tonen, dat er in Amsterdam geëxposeerd kan worden en hopelijk ook presentaties in het Textielmuseum in Tilburg mogelijk worden. Het helpt allemaal om

Plaatsmaken op de kaart te zetten. De keuze voor een textielwerkplaats is natuurlijk ook een strategische zet om de Klarendalse mode­ ontwerpers aan Plaatsmaken te binden.

Kraken Ligtenberg en Pollet hebben een tomeloze energie en worden ondersteund door een betrokken team van vaste en tijdelijke krachten.

Nieuwe plannen worden voortdurend ontwik­ keld. Ligtenberg nam het initiatief voor het Beeldende Kunst Platform Arnhem dat bijvoor­ beeld de jaarlijkse Kunst-Fiets-Route langs allerlei beel­dende kunstinitiatieven in Arnhem organiseert, Pollet is benaderd om een tentoonstelling te maken van het werk van Ad Gerritsen in Museum Arnhem (23 mei 30 augustus), en onlangs leverde Plaats­maken een prachtige serie filmportretten van Gelderse kunstenaars af onder de titel Oogmerk. Een kunstenaarsinitiatief is Plaatsmaken niet meer. Wel verleent Plaatsmaken diensten aan kunstenaars en hebben Ligtenberg en Pollet een niet-aflatende energie om de beeldende kunst onder de aandacht van het publiek te brengen. Af en toe begint de organisatie wat te kraken. Maar als het langzaam kraakt, net als de Klarendalse molen, dan kan Plaatsmaken nog jaren mee. Aan de betrokkenheid, ambitie en werklust van Ligtenberg en Pollet zal het niet liggen. Plaatsmaken Klarendalseweg 82a, 6822 GC Arnhem Galerie Plaatsmaken: wo t/m za 12.00-17.00 u. Solotentoonstelling Markus Putze, 10 apr t/m 30 mei. Open dag en workshops in de werkplaats: za 18 april van 12.00 tot 17.00 uur (tijdens de Kunst-Fiets-Route Arnhem). www.plaatsmaken.nl

NIEUWE VELUWE 1/15

13


Klompenpaden zijn een hit. Twaalf jaar na de opening van het eerste pad zijn er nu al 65, waarvan zo’n 30 op de Veluwe. ‘Een wandeling over een klompenpad brengt je niet alleen in contact met het landleven en het landschap, maar ook met de bijzondere verhalen van een plek’, zegt wandelaar-schrijver Wim Huijser. Hij besloot de eerste vijftig te wandelen.

14

NIEUWE VELUWE 1/15


Bijzondere verhalen langs

klompenpaden tekst Ria Dubbeldam, foto’s Willem van Leuveren De paden inspireren soms om dieper in de geschiedenis te duiken of om langer stil te staan bij de ontwikkeling van nieuwe natuur. En iedere wandelaar ervaart een route op zijn of haar eigen manier. Daarover zijn Wim Huijser en een andere wandelaar die hij op het Olden­ allerpad bij Putten ontmoet, het roerend eens. Maar verder...? Huijser wandelt door en werkt eenmaal thuis in zijn appartement op de ZuidVeluwe zijn ervaringen en bespiegelingen van die dag uit in een column. Deze stappen herhaalt hij nog eens 49 keer. Al zijn waarnemingen en overdenkingen in weer en wind en door alle seizoenen heen worden gebundeld in een boek dat in april verschijnt. Daarnaast komt een tentoonstelling in museum Nairac in Barneveld. Willem van Leuveren uit Scherpenzeel, fotograaf en wandelaar van klompenpaden van het eerste uur, selecteerde zijn mooiste foto’s voor het boek en de tentoon­ stelling. En omdat er meerdere manieren zijn om klompenpaden te beleven, sloot dichter Aad Eerland uit Zoetermeer zich aan. Al jaren zwerft hij over de Veluwe wat eerder resulteerde in het boek De Veluwe in beeld en poëzie. Nu laat hij zich inspireren door de verhalen rondom klompen­­paden, net als beeldend kunstenaar Jan Hiensch uit Voorthuizen, die een twaalftal reliëfs in lood voor het boek maakte, en fooddesigner Christian Weij uit Ede die op basis van eetbare ingrediënten die je langs de paden vindt verras­

Het Appelpad tussen Voorthuizen en Nijkerk. Anders dan je zou vermoeden, dankt dit klompenpad haar naam niet aan sappig fruit maar aan beken en vennen. ‘Apa’ duidt op de aanwezigheid van water in het bos. Let op: Wandelen met de hond kan alleen op openbare

Het Molenbeeksepad tussen Renkum, Wolfheze en Heelsum passeert de Heelsumse Beek.

sende, smakelijke recepten samenstelde. Pinksterbloemen bijvoorbeeld voor een hazel­ notencake van pinksterbloemenboter.

Contact met boerenleven Dat de paden als je er eenmaal een hebt gelopen naar meer smaken, ervaren ook de initiatiefnemers van de paden, Stichting Landschapsbeheer Gelderland en Landschap Erfgoed Utrecht. ‘Er zijn mensen die álle paden lopen’, reageert Arjan Vriend, directeur van Stichting Landschapsbeheer Gelderland. ‘Jaarlijks zo’n 487.500 wandelaars is heel veel. De paden voorzien in een behoefte. Mensen vinden het leuk om op het land van boeren te komen, langs hun akkers en hun weilanden met koeien. Door de gastvrijheid die boeren ver­ lenen, komen wandelaars weer in contact met het boerenleven. Soms zijn er echt ontmoe­ tingen en maken ze een praatje. Daar is het ooit twaalf jaar geleden precies om begonnen. Stad en platteland leven met de ruggen naar elkaar toe. We willen het contact tussen boer en burger herstellen en slagen er boven verwach­ting in.’

gedeelten van een klompenpad. Honden mogen niet mee op partilculier terrein (ook niet aangelijnd). Dit is om verstoring van vee of wild te voorkomen.

Geheimen van het succes Een van de geheimen van de paden is dat ze de

cultuurhistorie van de streek toegankelijk en beleefbaar maken. Veel mensen zijn daarin geïnteresseerd. De paden hebben een prettige lengte, ergens tussen de 7 en 15 kilometer. Goed voor een ochtend of middag wandelen. Maar ook mensen die langere of meerdaagse tochten willen maken, worden bediend. Veel paden hebben een of meerdere overstappunten of verbindingsroutes en zijn daardoor aan elkaar te rijgen. Ook een belangrijke succes­ factor is dat de paden goed zijn aangeduid en in goede staat verkeren. Dat is de grote

Oldenaller Een sluier van vroege ochtendmist hangt hardnekkig in de Oldenallerallee waar twee meisjes op kleine witte paarden heen en weer rijden. Achter de greppel liggen ingesloten door boom­ groepen en dichte houtwallen verstilde bouwkampjes – binnenkamers van ‘t boerenland. Verder loopt de allee tussen de oude hekpijlers tot het kantige kasteel. Na de tijdstilstand, landerijen met rollen gemaaid gras overal. In een weide wachtend vee tegen een wand van mais. Als de boer van zijn fiets stapt, komt het in beweging – de trein die voorbijstuift onttovert. Aad Eerland

NIEUWE VELUWE 1/15

15


Oldenallerpad – Beter kijken ‘Terwijl we onder het afdak van De Zoete Inval wachten tot het laatste buitje is overgetrokken, raak ik in gesprek met een wandelaar over waar we vandaan komen en welke klompenpaden favoriet zijn. Ook hebben we het over de paden die wat tegenvielen. Dat doet de vraag rijzen of een pad in je eigen woonomgeving nog verrassend kan zijn. [...] Maar ik kom altijd wel op de lokale ommetjes uit. Ik huldig nu eenmaal het standpunt van K. Schippers in zijn gedicht ‘Bij Loosdrecht’: ‘Als dit Ierland was/zou ik beter kijken.’ Ik ben het dan ook niet eens met mijn gesprekspartner, die de karakteristieke kanten van het klompen­pad dicht bij zijn huis niet meer ziet, en zet er tegenover dat ik dankzij het recente pad over de Wageningse Eng heel anders naar het bekend veronderstelde ben gaan kijken. We wensen elkaar een mooie wandeling, doen de rugzak op en gaan.

Boven en onder: Het Oldenallerpad bij Putten voert over en rondom het gelijknamige landgoed.

verdien­ste van de lokale vrijwilligersgroepen, die de bewegwijzering controleren en de paden onder­houden, en van de grondeigenaren, veelal boeren en landgoedeigenaren, die wandelaars op hun land welkom heten. ‘Dat mag weleens benadrukt worden’, zegt Vriend. ‘Zonder die vrijwilligers en welwillende grondeigenaren zouden er nu niet zoveel klompenpaden liggen.’ Het eind is nog niet in zicht. Er komen nog vele routes bij. Het ziet er naar uit dat we in 2016 het 100e klompenpad van Nederland gaan opleveren. Ook op de Veluwe komt er nog een heel aantal nieuwe routes bij, onder andere in Eerbeek, Heerde, Hattem en Oldebroek.’ 50 Klompenpaden – door het cultuurlandschap van Gelderland en Utrecht, Wim Huijser (columns), Willem van Leuveren (foto’s), Aad Eerland (gedichten), Jan Hiensch (reliëfs), Christian Weij (recepten), Uitgeverij Blauwdruk (www.uitgeverijblauwdruk.nl), € 15,00, verschijnt 10 april, gelijktijdig met de tentoonstelling in Museum Nairac in Barneveld.

16

NIEUWE VELUWE 1/15

Het is een fantastische middag. Je kunt het nog niet zien, maar voelt aan alles dat de zomer over zijn hoogtepunt heen is. Het zonlicht is gedempter, de lucht zoals Thomas Verbogt schrijft ‘ouder blauw’. Zo had ik het nog nooit bekeken. [...] Het pad beantwoordt aan alle kanten aan onze verwachtingen. Het landschap verandert voort­durend, de doorkijkjes zijn gevarieerd en de wisselende ondergrond verveelt geen moment. We genieten van de elzensingels en hakhout­wallen. Langs de oevers van de vergraven Veldbeek is de overgang van nat naar droog goed voelbaar. Waar we ons door de varens slingeren, wanen we ons in de Engelse country­side. Dat we nog geen vijftig kilometer van huis zijn is even verwonderlijk als vanzelfsprekend. Dit is het vertrouwde kampenlandschap waar ik als kind al doorheen fietste. Bij de schaapskooi van Natuurmonumenten laten we de rugzak van de schouders glijden. Hoewel de lucht de scherpe contouren van stapelwolken aftekent en de zon daartussen in vlagen over de velden strijkt, drinken we de koffie toch binnen. Ook de geur van een rieten kap prikkelt de zintuigen. Ik blader door het gastenboek waarin veel wandelaars hun vreugde kenbaar hebben gemaakt. ‘Wij hebben nog nooit zo’n mooi klompenpad gelopen’, schrijft wandelclub Het Losse Vetertje uit Nijkerk. Ook Henk, Reinier, Wiesje en Meindert uit Brabant laten weten dat ze hier waren: ‘een mooie plek om even te zijn’. ‘Nooit geweten dat dit er was’, schrijven weer anderen. Sommigen zijn dankbaar dat ze hebben kunnen schuilen, anderen tonen hun blijdschap over de hoeveelheid bramen die ze onderweg hebben geplukt. Het meest nuchter is een zekere S. Johnson uit Perth, Australië. ‘Nice place, good coffee!’ Er is geen woord teveel mee gezegd. Even voorbij de heide van Heihoef halen we onze plastic zak tevoorschijn; er moet nog even geplukt worden. ‘Bramenjam Olden­aller’ zal er op het etiket komen te staan. Een halfuur later delen we onze ervaringen met de wandelaars die we bij aanvang ontmoetten. We zijn het volkomen eens: dit pad smaakt naar meer.’ Wim Huijser


Moeilijk onderwerp. Het kan makkelijk lollig worden. Vuile praatjes ook, waar lezers van dit nette blad vol kunst en cultuur en verhandelingen over de loop van oude beekjes niet op zitten te wachten. Over lekkere seks. Een vraag ook waar grote denkers en moderne filosofen niet zomaar antwoord op hebben. Kunnen dieren plezier hebben? Wat dieren doen wordt door ons mensen bekeken en beredeneerd. Pedant als we zijn, verstand ervan. Dieren doen dingen met elkaar ten dienste van de voortplanting. Zoals zwijnen. Hebben ze er ook lol in?

Column En gerijpt in de toren!

Wat ik leuk van zwijnenberen vind, behalve dat ze hun gezin mee uit nemen naar Apeldoorn om daar een voetbalveld om te ploegen, is dat ze als ze kans zien een roze varken ontvoeren. Mee het bos in, heerlijke liefde en nog nakomelingen ook. Zulke half wilde, half roze biggetjes worden nog steeds af en toe gevonden, dood, na een aanrijding. Er wordt dus nog altijd af en toe een roze varken bestegen door een zwijn. Ik durf het haast niet te zeggen, maar ik begrijp de zwijnbeer. In de mensenwereld zouden we hem verachten en veroordelen, omdat hij een lekker wijf niet kon weerstaan, een dame die een ander toehoort. Wij mensen doen zulks niet. Tenminste, de meeste van ons mannen lijden hun lot van het zeventiende gebod. Afblijven van buurvrouw, van de dienstmaagd van de buurman, maar ook van zijn knecht. Je mag ook niks. Ik was in Spanje. Andalusië. In een gebied waar varkens gehouden worden om de kont. Tot wel honderd euro per kilo, meer zelfs kan een bil opleveren na te zijn gezouten en gerijpt in klimaat gestuurde loodsen. De beste hammen, zegt men daar en de culinairen van de wereld zeggen het na, komen van Spaanse varkens die eikels eten. Veruit de meeste varkens in Spanje zien van hun leven geen eikel, maar er zijn er die een deel (het laatste) van hun leven wat eikels kunnen eten van onder de eikenbomen op met gras begroeide heuvels. Lekkere wijven, die varkens. Fout, er lopen net zoveel beren te grazen. En gelukkig, als je het een mens zou vragen. Maar geen beer maakt aanstalten om zijn zus te beklimmen. Ze zijn gecastreerd. In het gebied waar de top van de allerbeste Spaanse gerijpte hammen vandaan komen, wonen ook veel wilde zwijnen. Het is onmogelijk om die bij de varkens weg te houden. Je zou denken: dat wordt vermenigvuldigen waar je bij staat. Maar de wilde beren blijven buiten de hekken. Waarom? Omdat de vrouwtjesvarkens allemaal zijn gesteriliseerd. Dan is er geen lol aan. Want bij varkens is het nog wel zo dat ze het alleen met elkaar doen als de vrouw er ontvankelijk voor is. Maar die eikels en die honderd euro per kilo. Veluwe, daar heb je wat aan, redeneer je rijk. Want zeg zelf, wat eet een wild zwijn? Een keur aan lekkernijen, maar in elk geval ook eikels. Woonde ik in Otterlo, had ik een erf, nam ik een varken, een lekker wijf als het ware en wachtte ik op de zwijnenbeer. Nieuwe biggen, een kruising. Je hoeft de wereld dan alleen nog maar te vertellen dat in de billen, gerijpt in de toren van het Kröller-Müller natuurlijk, dat daar de oersmaak van eikels is ingebakken. Geërfd van de vader. Want het gaat om het verhaal. Dat brengt op.

Wouter Klootwijk Wouter Klootwijk is journalist, columnist en kinderboekenschrijver. Hij is onder meer bekend van de televisieprogramma’s Keuringsdienst van Waarde, Klootwijk aan Zee en De Wilde Keuken.

NIEUWE VELUWE 1/15

17


Gelderse politici willen versterking Veluws toerisme tekst Ria Dubbeldam, foto’s Jan Potkamp en gaw.nl

Viel er wat te kiezen op 18 maart bij de provinciale verkiezingen? Wel op het gebied van natuur, zou je zeggen. Provincies hebben grote zeggenschap over het natuurbeleid. Precies om die reden organiseerde Vrienden van de Veluwe en Nieuwe Veluwe op 27 februari het Veluwe Verkiezingsdebat. Lijsttrekkers en andere verkiesbare statenleden van twaalf Gelderse partijen gingen met elkaar in discussie. Vooral over het belang van toerisme voor financiering van de Veluwse natuur.

Dirk van Uitert, voorzitter van Vrienden van de Veluwe, opende het debat met een hartenkreet: ‘De Veluwe slaagt er maar niet in één vuist te maken. Dat komt onder meer door de bestuur­ lijke versnippering over vier regio’s. Het groot­ ste laaglandnatuurgebied van West-Europa ver­ dient meer coördinatie. Bovendien: investeer niet eens in economische maar in ecologische

18

NIEUWE VELUWE 1/15

groei. Dan komt die economische groei vanzelf.’ De toon was gezet. Aan Rob Berends, verslag­ gever en columnist van De Gelderlander, de taak om het debat rondom vier stellingen in goede banen te leiden. De Veluwe hoeft niet op nummer 1 te staan als toeristische bestemming.

Ramon Barends (PSP’92): ‘Of we op nummer 1 staan of niet, doet er niet toe. Het gaat erom dat mensen van de natuur en de cultuur kunnen genieten.’ De andere kandidaten van CDA, SP, SGP, PvdA en 50-Plus die op deze stelling reageren, zijn het hier niet mee eens. Het doet er wel toe. Toerisme is heel belangrijk voor de Veluwse economie en de financiering van


sneller mag, dan de twaalf jaar dat het programma in beslag heeft genomen. Jan Jacob van Dijk (CDA), even niet in de rol van gedeputeerde maar als lijsttrekker, haakt aan met de opmerking dat om de Veluwe op 1 te krijgen er een kwaliteitsimpuls nodig is in de voorzieningen. ‘Veel mensen vinden het mooi om herten te zien, maar willen ook naar leuke attractieparken en overnachten in goede vakantieparken. Driekwart van de huisjes wordt momenteel anders gebruikt: voor permanente bewoning of huisvesting van migrantenarbei­ ders. Dat is een serieus probleem. Gemeenten moeten gaan handhaven en het is belangrijk dat de sector zelf investeert.’ Evert Mulder (SGP): ‘Gemeenten lichten nogal eens de hand met de handhaving en gedogen ander gebruik. Ik zie hierin een taak voor de provincie.’ Van Dijk antwoordt: ‘De provincie moet de gemeenten ondersteunen. Dat gebeurt op de Noord-Veluwe al met het programma Vitale Vakantieparken. Hopelijk zorgt dat voor een sneeuwbaleffect naar andere gemeenten. Ze krijgen door dat onttrekking van huisjes aan het toerisme uiteindelijk de lokale economie benadeelt.’

natuur. Het een kan niet zonder het ander. ‘Maar de kunst is wel’, vult Fokko Spoelstra (PvdA) aan, ‘dat toerisme de natuur geen kwaad berokkent. Het is goed om het uitplaatsen van recreatieparken in kwetsbare natuur opnieuw op te pakken, zoals dat met het provinciale groei- en krimp­beleid gebeurde.’ Met die kanttekening dat het wat hem betreft wel wat

We moeten op de Veluwe kiezen voor meer wild. Luuk van der Veer (PvdD): ‘Wild is welkom. We moeten geen bordjes hebben met ‘Pas op, schietterrein’ maar bordjes met ‘Pas op hier begint de wilde Veluwe’.’ Jan Markink (VVD) vindt het te gemakkelijk gesteld. ‘Als er te veel dieren zijn, krijg je ongewenste situaties zoals in Epe, waar rasters neergezet moeten worden om wilde zwijnen te weren.’ Jao Mouache (GroenLinks): ‘Het bijzondere van de Veluwe is nu net dat er nog een sprankje wilde natuur over is. Ik ben niet zozeer voor meer wilde zwijnen, want dan moet je wat doen om schade te bestrijden, maar wel voor meer natuurlijke vijanden, zoals de wolf.’ Trix Krüger (Mens & Spirit): ‘Wij willen meer van alles: in aantallen dieren en meer soorten. De Veluwe is er groot genoeg voor. Vooral als we het gebied meer aaneengesloten maken door afsluiting van wegen en meer ecoducten.’ Markink is geen voorstander van nog meer ecoducten. Het zijn er nu wel genoeg. ‘Waar kies je voor: voor de dieren of de mensen die achter de ecoducten wonen en schade van wild kunnen ondervinden. Als VVD kiezen wij voor de mensen.’ Pieter Plug (ChristenUnie) betreurt het, dat de ontbrekende natuurverbindingen niet alsnog worden aangelegd. De klus is in zijn ogen nog niet af.

Links: De lammetjesdag bij de schaapskooi in Nationaal Park Veluwezoom trekt jaarlijks veel bezoekers. Boven: de Gelderse politici tijdens het Veluws Verkiezingsdebat.

De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is een fopspeen voor de natuur. Diverse kandidaten hebben zich voor het debat moeten verdiepen in wat de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) nu eigenlijk inhoudt. Technische materie, maar wel belangrijk (toelichting zie pagina 21 en 46). Peter de Vos (SP): ‘Ik denk dat de PAS gaat werken. Het is een van de maatregelen om te kunnen voldoen aan de internationale wet- en regelgeving, en wie weet verbetert de natuur er ook door.’ Fokko Spoelstra (PvdA): ‘De PAS is een heel pragmatische oplossing om natuurwinst en economische groei te bereiken. Omdat econo­ mische groei niet ongebreideld kan, is het een verhaal in balans.’ Pieter Plug (ChristenUnie) ziet die balans niet zo. De PAS helpt de natuur te weinig vooruit: ‘De vermindering van de stikstofdepositie is aan de matige kant.’ Een investeringsimpuls in natuur en landschap is essentieel voor de Veluwse economie. In deze stelling kan Antoon Kanis (D66) zich wel vinden. ‘De natuur is een publiekstrekker. Dus investeer in natuur en doe dat ook om econo­ mische koppelingen te maken.’ Luuk van der Veer (PvdD): ‘Bij een impuls denk ik aan nieuwe natuurverbindingen, maar dan wel op de goede plekken.’ Pieter Plug (Christen Unie) reageert: ‘Nee. Laten we eerst het Gelders Natuur Net­ werk (voorheen Ecologische Hoofdstructuur)

NIEUWE VELUWE 1/15

19


afmaken. Daar hebben we nog een gigantische taak liggen. En laten we vooral geld steken in het versterken van het toerisme.’ Trix Krüger (Mens & Spirit) ziet natuur en landschap als de basis van de Veluwe, waar economisch veel meer mee is te doen, maar dan wel duurzaam. ‘Denk aan de waarde van natuur en landschap voor zorg en gezondheid, voor biologische landbouw en hennepteelt voor industriële doeleinden.’ Jao Mouache (GroenLinks): ‘Inves­ teer in vergroting van natuurgebieden en in wildere natuur. De natuur is de drager van het toerisme en alle andere economische bedrijvig­ heid. De VVD heeft de neiging dit om te draai­ en.’ Jan Markink (VVD) voelt zich natuurlijk uitgedaagd en reageert: ‘Ik ben zeker voor een investeringsimpuls in natuur en landschap, maar niet alleen door de provincie. Die doet al heel veel. Laten natuur- en terreinbeherende organisaties in gesprek gaan en verbindingen zoeken met (recreatie)bedrijven om natuur.’

Discussie met de zaal Na de pauze voeren in de discussie met het publiek vragen over natuurverbindingen en wandelen de boventoon. Harro Frieling: ‘Welke kandidaten willen zich sterk maken voor open­ stelling van ecoducten voor wandelaars of fietsers?’ Jan Jacob van Dijk (CDA) wil dat wel. Jao Mouache (GroenLinks) zeker niet. ‘Als je veel geld besteedt aan het verbinden van natuurgebieden voor dieren, dan moet je die niet openstellen voor mensen. Mensen schrik­ ken de dieren mogelijk af. Dat is kapitaal­ver­ nietiging. Wijst onderzoek uit dat open­stelling geen kwaad kan, wat ik me niet kan voorstellen, dan kun je erover nadenken.’ Kees Zwaan van Wandelnet merkt op dat goede ontsluitingen voor wandelen en fietsen de economie een impuls geven. Michiel Hegener, schrijver van vele ANWB-fiets- en wandel­ gidsen, bestrijdt dit fel: ‘Als er op de Veluwe een probleem is, dan is het juist dat de ont­ sluiting doorgeschoten is. Er staan veel te veel bordjes en het fietsknooppuntennetwerk is veel te dicht. Er komt ook nog een wandel­knoop­ puntennetwerk. Straks heb je op ieder bos­ paadje een knooppunt met bordjes. Stop daar­ mee. Laat de Veluwe een wild gebied zijn.’ En dan, voor het eerst, klinkt er vanuit de college­ banken spontaan applaus. Dit publiek zoekt rust en wil kunnen verdwalen: een wildere Veluwe waar ook de natuur- en recreatieorganisaties in het net aangeboden Veluwe Manifest voor pleiten.

Manifest Wild van de Veluwe Als intermezzo tijdens het Veluws Verkiezings­debat overhandigde een aantal samen­werken­ de natuur- en recreatieorganisaties manifest Wild van de Veluwe aan gedeputeerde Jan Jacob van Dijk. ‘De belangstelling voor de Veluwe is de laatste jaren afgezwakt’, licht directeur Volkert Vintgens van de Gelderse Natuur en Milieu­federatie de aanzet voor dit manifest toe. ‘Die belangstelling willen we terug.’ Ivo Gelsing, directeur van RecronGelderland vult aan: ‘Wij willen een start maken met de koppeling van economie aan ecologie. We willen de nieuwe Statenleden daar input voor meegeven.’ De organisaties roepen op het manifest een belangrijke plaats te geven op de provinciale (investerings)agenda en in het nieuwe college­akkoord. Ze hebben daarvoor en aantal speer­ punten benoemd. 1. De Veluwe als werelderf­goed, want de Veluwe is meer dan natuur alleen. Het gebied bezit aardkundige en cultuurhistorische waarden die van internatio­nale betekenis zijn. 2. De Veluwe als vakantie­bestemming nummer 1 van Nederland. Daarvoor moet veel gebeuren, bijvoorbeeld sanering van verouderde vakantieparken ten behoeve van toekomstgerichte parken en zorgen voor goede routes. 3. De Veluwe mag wilder en spannender, een gebied waar je dagenlang in kunt dwalen en zelfs verdwalen, en waar je wilde dieren kunt zien. 4. De Veluwe biedt op de flanken verrassende verbindingen tussen natuur, landschap, cultuurhistorie en mensen. Hier komen en wonen ook de meeste mensen. Verrommeling en belasting van het gebied liggen op de loer. Oplossingen zijn nodig. Gedeputeerde Jan Jacob van Dijk reageert positief: ‘Het manifest is een goede basis voor de nieuwe coalitie en voor de gemeenten. Wel is het goed als ook de landbouw aansluit om een nog bredere basis voor de Veluwe te krijgen.’ Andere politici zijn even enthousiast, waar­ onder Jan Markink (VVD). ‘Als de samenwerkende organisaties zo’n document neerleggen, is dat de agenda voor de komende jaren. De provincie hoeft niet precies de doelen te definiëren, dat kan het gebied zelf wel.’ Peter de Vos (SP): ‘Het manifest is een mooi stuk waarmee we in de collegeonderhandelingen aan de gang kunnen en afspraken kunnen gaan maken.’ Het manifest Wild van de Veluwe is te vinden op www.nieuweveluwe.nl onder Dossiers, 8. Debat. De manifestpartners zijn: Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Geldersch Landschap & Kasteelen, Gelderse Natuur en Milieufederatie, Stichting Landschaps­beheer Gelderland, IVN Gelderland, Veluwefonds, ANWB en Recron–Gelderland.

Volkert Vintgens van de Gelderse Natuur en Milieu­federatie (r) en Ivo Gelsing van Recron-Gelderland (l) lichten de inhoud en intentie van het manifest Wild van de Veluwe toe.

20

NIEUWE VELUWE 1/15


tekst Ria Dubbeldam

Schiet de natuur op met

de PAS?

de PAS om natuurschade pakken. foto Wim van Hof/ gaw.nl

moet de belasting van stikstof op Neder­landse natuurgebieden verminderen en tegelijkertijd bedrijfs­ontwikkeling mogelijk maken. Het uitgangspunt is een win-winsituatie voor economie en natuur. Is dat ook echt zo?

Verandering Natuur en landbouw zitten elkaar in de weg. Daar moet de PAS verandering in brengen. De aanpak bestaat uit maatregelen die de stikstofdepositie verminderen. De helft van de vermindering wordt vrijgegeven voor econo­ mische ontwikkeling. Allereerst voor grote projecten van het Rijk en provincies en wat er overblijft voor projecten van boeren en ande­ ren. De gedachte van het ministerie van Economische Zaken hierachter is: de schade­ lijke depositie vermindert, terwijl ook de land­ bouw verder kan. Om de vergunningverlening voor nieuwe activi­ teiten en bedrijfsuitbreiding te vereenvoudigen en te versnellen, krijgen boeren een reken­

een van de maatregelen in door stikstofdepositie aan te

De nieuwe Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) die dit jaar wordt ingevoerd,

Wil een boer in de nabijheid van natuur uit­ breiden, dan loopt hij nu nog aan tegen ingewik­kelde regelgeving, belemmeringen en tijdrovende en kostbare procedures. Alles bedoelt om kwetsbare natuur te beschermen tegen nog meer stikstofneerslag ofwel stikstof­ depositie. Veel boeren zien zich al jaren geremd in hun bedrijfsvoering; hun bedrijven zitten ‘op slot’. Anderzijds blijft natuur grote schade ondervinden door de uitstoot van stikstof uit de landbouw, industrie, infrastructuur en – waar je minder aan denkt maar invloed heeft tot over onze landsgrenzen – de scheepvaart op de Noordzee. Natuur vergrast en de biodiversiteit gaat achteruit.

Herstel van stuifzanden is

instrument: de Aerius Calculator. Daarmee kunnen ze berekenen of plannen al dan niet stikstofproblemen opleveren voor het nabij­ gelegen Natura2000-gebied. Blijft de stikstof­ toename beperkt tot minder dan 1 mol (reken­ eenheid), dan is melding van het plan voldoen­ de. Komt de depositie daarboven, dan moet de boer een aanvraag indienen. Is er nog ontwikkel­ ruimte, dan wordt deze gegeven. Om de schadelijke effecten van stikstof op de natuur zoveel mogelijk teniet te doen komen er maatregelen als vaker plaggen, afbranden, bekalken enzovoort. Tot zover een ronkend ver­ haal. Wat vinden natuur- en milieu­organisa­ties?

Kanttekeningen Volkert Vintges, directeur van de Gelderse Natuur en Milieufederatie, is op zich blij met de PAS, maar plaatst ook kanttekeningen. ‘De ambitie van gemiddeld 10% stikstofreductie in Nederland in 15 jaar, waarvan slechts een schamele 2% in de eerste zes jaar, vinden we veel en veel te laag. Binnen 18 jaar moet toch het hele stikstofprobleem voor de meeste gebieden op te lossen zijn? In de PAS zitten nauwelijks nieuwe maatregelen om de stikstof­ uitstoot terug te dringen, behalve de vage toezegging vanuit de landbouw om vrijwillig 10 kiloton te reduceren (waarvan dan weer 56% wordt ingezet voor nieuwe ontwikkelingen!) en aanscherping van de normen voor de stikstof­ emissie uit stallen. Daarnaast wordt er uitge­

gaan van een dalende trend in de stikstof­ emissie, terwijl recente gegevens uitwijzen dat deze dalende trend de laatste jaren is afgevlakt en wellicht nu met de groei van de melkvee­ stapel door afschaffing van het melkquotum weer zal toenemen. Daarom zou de volgorde in de PAS moeten zijn: eerst stikstof reduceren en dan pas ontwikkelruimte geven aan bedrijven, boeren en wegverbredingen en opvoering van de maximumrijsnelheid naar 130 km per uur.’

Natuur Ook Luc Berris, adjunct-regiodirecteur van Natuurmonumenten Gelderland vindt de ambitie ‘slap’. ‘Zo’n 8% reductie komt er toch al vanzelf door algemene maatregelen in de landbouw. Denk aan efficiëntere bemesting en voer, die boeren willen omdat ze ook financiële voordelen bieden, en denk aan stallen met een lagere stikstofuitstoot. Blijft 2% echte reductie over. Dat is weinig, maar altijd nog beter dan niets.’ Natuurmonumenten en andere terreinbeheer­ ders gaan met de provincie afspraken maken over specifieke maatregelen om de natuurschade door stikstofdepositie aan te pakken. Voor de Veluwe gaat het vooral om herstel van heide­ velden en stuifzanden. ‘Meer stikstof in de bodem betekent een snellere groei van planten en bomen, waardoor heidevelden en stuifzanden sneller dichtgroeien. We willen in heide opslag van bomen verwijderen en stukjes stuifzand terugbrengen. Ook gaan we jeneverbesstruwelen herstellen.’ Natuurherstel is mooi, maar het is dweilen met de kraan open als de stikstofuitstoot niet sub­ stantieel wordt teruggedrongen. Daarom gaan de terreinbeherende organisaties de herstelde natuur volgen. ‘We houden vinger aan de pols of de opzet van de PAS wel werkt, ofwel dat de natuur verbetert.’

NIEUWE VELUWE 1/15

21


De eigen koers van

Landgoed Tongeren tekst en foto’s Hans van den Bos

Bosbouw, woningen en landbouw zijn de belangrijkste financiële dragers van Landgoed Tongeren.

In een tijd waarin terreinbeheerders en natuurliefhebbers veel praten (en dromen) over wildernis is het verfrissend om eens te luisteren naar een nuchtere landgoedeigenaar. Zo iemand als Charlotte Rauwenhoff die zich niet gek laat maken door modes, maar vol overtuiging een behoudende en pragmatische koers vaart – zoals haar voorouders ook deden. Haar verhaal over de geschiedenis van Landgoed Tongeren bij Epe maakt duidelijk dat de invloed van de mens op het Veluwse landschap al eeuwen heel groot is.

22

NIEUWE VELUWE 1/15


Natuurbeheer Waarom liggen er dode takken en bomen in het bos en hoe beschermen we de jeneverbes? In de serie Natuurbeheer brengt Nieuwe Veluwe achtergronden van natuurbeheer in beeld. In deze zestiende aflevering gaat het over wat er komt kijken bij het beheer van een groot landgoed.

in het gesprek – is voor haar een belangrijk kenmerk én kwaliteit van het gebied. Aan de eenheid herkent een bezoeker met kennis van zaken dat Tongeren een landgoed is in plaats van ‘zomaar een terrein’ op de Veluwe. Hij ziet waarschijnlijk ook dat het een particulier land­ goed betreft en met welke activiteiten het geld verdiend wordt. De kenner leidt dit af aan de inrichting van het landschap en de wijze van beheer. En aan de variatie aan goed onder­ houden cultuurhistorische elementen als lanen, singels, boomgroepen, parkbos en huizen. Dat argeloze bezoekers dit minder opvalt, vindt Rauwenhoff niet erg: ‘Laat de campinggast, de wandelaar en fietser maar gewoon lekker genieten.’ Al is ze trots genoeg op ‘haar’ mooie landgoed dat ze ook onwetende bezoekers graag wat leert over het gebied, zodat ze méér gaan zien dan dat de woningen bij elkaar horen omdat de luiken eenzelfde kleur hebben.

‘Hier op Tongeren is het beheer al ruim vier­ honderd jaar in één hand, één familie’, zegt Charlotte Rauwenhoff, sinds tien jaar directeur van bv Landgoed Tongeren, met 505 hectare een van de grotere particuliere terreinen op de Veluwe. Zij is ervan overtuigd dat die continuïteit in de bedrijfsvoering in belangrijke mate heeft bijgedragen aan die eenheid die het nu toont. Eenheid – ze zal het woord regelmatig gebrui­ken

Van potstal naar moderne melkvee­houderij Landgoed Tongeren is ontstaan vanuit een agrarische gemeenschap, een zogenaamd buurschap, dat zich vanaf 1500 ontwikkelde. Dat is goed te zien op de topografische kaart van omstreeks 1830 die Rauwenhoff erbij pakt. Zij wijst op het dorp Epe, rechts op de kaart; links ligt een nog vrijwel lege Veluwe en er tussenin Tongeren. ‘De Veluwe was woeste grond: heide, zandverstuivingen – geen boom te bekennen. Hier op de overgang van hoog naar laag en van droog naar nat is een agrari­ sche gemeenschap ontstaan. De eerste boeren woonden in kleine huisjes en leefden van hun schapen. Die graasden overdag op de hei en overnachtten in schaapskooien, op de heide­ plaggen die de boer in de kooi had uitgespreid. In het voorjaar werd het dikke pakket plaggen met mest naar de akkertjes gereden. Door het eeuwenlang ophogen en verrijken van de oor­ spronkelijk zeer schrale gronden zijn de bolle en redelijk vruchtbare esgronden ontstaan.’ Nabijgelegen buurtschappen als Soerel, Gortel en Niersen hebben een soortgelijke oorsprong. Het potstalsysteem was in die tijd op de arme zandgronden een zeer gangbare vorm van landbouw. Veel alternatieven waren er ook niet. Bijzonder van Tongeren is dat de eeuwenoude landschapsstructuren – de boerderijen met op

korte afstand de hoge essen en de lager gelegen weidegronden – nog steeds markant in het landschap aanwezig zijn. De voorouders van Rauwenhoff hebben zich vanuit de buurschap opgewerkt tot landeige­ naar. Ze maakten het gebied aantrekkelijker door het aanbrengen van singels, lanen en land­huizen. Zo werd het voor henzelf ook pret­ tiger om hier te verpozen. De familie heeft zich altijd ingespannen om de landbouw over­eind te houden. ‘Toen op een gegeven moment met schapen geen geld meer was te verdienen en de Veluwe verder werd bebost, is het nabij­ gelegen veengebied ontgonnen. Mijn voorouders hebben de boeren geholpen met de overstap naar koeien. De drooggelegde veengronden leverden de weidegrond. De esgronden bleven in gebruik om granen te telen.’ De ontwikkelingen in de landbouw en de daar­ mee samenhangende schaalvergroting gingen door. Waren er rond 1900 op Tongeren nog dertien boerenbedrijven, rond 2000 waren dat er vijf en sinds 2015 is er nog maar een boer. Die heeft dan wel een spiksplinternieuwe boer­ derij en voldoende grond waarmee het bedrijf zeker vijftig, misschien wel honderd jaar verder kan – daar gaat Rauwenhoff vanuit.

Traditie en vernieuwing Landgoed Tongeren heeft tien jaar geleden bewust de keuze gemaakt om met landbouw verder te gaan. Toch lag dat niet echt voor de hand. Het aantal boeren nam af. Ze hadden geen opvolgers en wilden niet meer investeren. Het chagrijn van de MKZ in 2001, waarbij hier al het vee moest worden geruimd, ijlde lang na. Hoe moest dat verder met de landbouw die eeuwen de economische basis vormde onder het landgoed? Had de landbouw nog wel toe­ komst, ook gezien het beleid en de regelgeving? Rauwenhoff: ‘Die vraag heeft ons een tijd bezig gehouden. We hebben de alternatieven op een rijtje gezet. Een golfbaan, dat leek een goede business. Of misschien specialiseren in natuur? De overheid had vele plannen (bijvoorbeeld Ecologische Hoofdstructuur en antiverdroging) en veel geld om meer natuur te realiseren. Tongeren kreeg zelfs het predicaat ‘natuur’. Maar we wisten direct: natuur willen we wél op

NIEUWE VELUWE 1/15

23


‘Alles wat de Veluwe te bieden heeft vind je op Tongeren. Alleen stuifzanden hebben we niet’

Natuurontwikkeling op voormalig boerenland. Door het rijk toestromende kwelwater zal zich hier een soortenrijk hellingveen ontwikkelen.

een deel van ons landgoed, maar niet overal, zoals de overheid het wenst. Golf is het niet geworden, omdat we bang waren dat de vele bezoekers en hun auto’s de rust zouden ver­ storen. En belangrijker: daarmee zouden we het oude historische landschap verliezen. Wij zagen steeds scherper dat landbouw de beste optie is om het landschap waar we zo van genieten in stand te houden. Want landbouw, daar komt Tongeren vandaan. Ja, wij zijn heel conservatief, heel behoudend’, klinkt het bijna verontschuldigend.

(natuur). Het landgoed heeft een wervings­ traject voor een boer in gang gezet en sinds een jaar zijn er een nieuwe jonge boer en boerin. De nieuwbouw van hun melkveehouderij is bijna afgerond. De keus viel op een biologische boer. Omdat hij zijn grote investeringen niet kan terugverdienen met alleen de biologische melkveehouderij vult hij zijn inkomen aan met zorg en recreatie. Bovendien zal hij een deel van het beheer uitvoeren van het nieuw te ontwikkelen natuurgrasland (maaien van het drogere deel).

Vanuit deze keuze heeft Landgoed Tongeren een plan ontwikkeld voor een levensvatbaar boerenbedrijf anno 2015, dat ook past in het beleid van de gemeente (planologie) en provincie

Eigen broek ophouden ‘Wij denken heel nadrukkelijk in generaties, in plaats van perioden van vier jaar, zoals ik in de politiek en bij de overheid maar al te vaak zie’,

24

NIEUWE VELUWE 1/15

is de reactie van Rauwenhoff op de vraag hoe een landgoedbedrijf koers houdt in een snel veranderende samenleving. ‘Wij hebben een visie waar we met het landgoed heen willen gaan. Als de overheid plannen heeft die passen in ons plaatje, dan kunnen we zaken doen. Maar als ze níet passen, dan ga ik in gesprek en vertel waarom we niet mee willen gaan.’ Rauwenhoff hoor je niet klagen over de recente bezuinigingen in het natuurbeleid. ‘Dat is niet omdat wij het zoveel beter hebben dan Natuur­ monumenten, Staatsbosbeheer of de Land­ schappen, maar we hebben onze zaken beter op orde. Wij hebben ons nooit afhankelijk gemaakt van subsidies en gewoon gezorgd voor voldoen­ de inkomsten.’ Als voorbeeld noemt zij het bos­ beheer. ‘Natuurlijk kan je zeggen: ‘Ik ga geen hout meer oogsten, ik laat de bomen uit oog­ punt van natuur omvallen en verteren.’ Als je die inkomsten niet nodig hebt, prima. Ik heb ook dood hout in mijn productiebos, maar ik kan het mij financieel niet veroorloven om veel hout in het bos achter te laten. Natuurorganisaties doen ook meer aan recrea­ tie; dat kan, maar dan moet je wel zorgen dat je daar inkomsten uit haalt. Dat doen ze niet. Nu het Rijk minder subsidies geeft, zitten ze in de problemen.’ Rauwenhoff verwacht dat een organisatie als Staatsbosbeheer in de toekomst meer gaat lijken op een particuliere terreinbeheerder. ‘Ik zie nu al dat Staatsbosbeheer heel anders naar haar bossen kijkt en zich veel meer bewust is van de inkomsten die ze daaruit kan halen.’

Natuurontwikkeling In het zuidoostelijke deel van het landgoed, grenzend aan het Wisselse Veen, ligt een nieuw natuurproject. De ingrijpende inrichtingswerk­ zaam­heden – het dempen van de sprengenbeek en het afgraven van de bemeste toplaag – zijn net afgerond. Juist op deze plaats waar het grondwater aan de oppervlakte komt, liggen volgens ecologen geweldige potenties om zeer soortenrijke graslanden (trilvenen) te ontwikkelen. Dit natuurproject is een nadrukkelijke wens van provincie Gelderland. En eigenlijk vindt Rauwenhoff het ook wel mooi voor de balans, nu voor de noordkant van het landgoed gekozen is voor landbouw. ‘In deze zuidelijke


Tongerense Beek.

hoek waren altijd al zeer natte graslanden. Jarenlang zijn ze landbouwkundig gebruikt, maar door de kwel waren de opbreng­sten laag.’ Het natuurproject sluit mooi aan bij dat van buurman Geldersch Landschap, die al wat langer op voormalig landbouwgrond kwel­ afhankelijke graslanden ontwikkelt. Met veel succes, want steeds meer in Nederland bijna verdwenen planten komen terug zoals klimop­ waterranonkel, moeraskartelblad, klokjesgen­ tiaan, blauwe knoop, waterdrieblad, moeras­ wolfsklauw, ronde zonnedauw, vetblad, galigaan en padderus. De verwachting is dat zich op de flauwe hellingen van Tongeren hellingveen zal gaan ontwikkelen. Dit vergt een heel ander beheer. De natste delen zullen met een speciale rupsmaaier gemaaid moeten worden. Een kost­ bare klus waarvan het grootste gedeelte hope­ lijk gedekt wordt door subsidie van de provincie.

Troef Om het nat schraalland optimaal tot ontwikke­ ling te brengen moet het opborrelende grond­ water (kwel) zo hoog mogelijk in het maaiveld komen, zodat plantenwortels het water kunnen benutten. Tot voor kort werd een deel van het kwelwater afgevoerd door de Witte Beek. Onlangs is die eeuwen geleden door mensen gegraven spreng weer dichtgegooid. Goed voor de natuur, maar de mensen van de Bekenstich­ ting waren niet blij. ‘Zij zien natuurlijk niet graag sprengen verdwijnen. Maar we zijn er in goed overleg uitgekomen. Zij waren bang dat onvoldoende water op het rad van de water­ molen verderop zou komen. Hier had ik een troef: in een ander project gaan we maatrege­ len nemen, waaronder het verlengen van de

bestaande Vlasbeek, om meer water af te voeren naar deze molen. Hiermee is het dempen van de Witte Beek gecompenseerd.’

me verwacht dat ik er een serieuze bedrijfs­ voering op na houd, en dat ik in de zwarte cijfers blijf.’

De voorouders van Charlotte Rauwenhoff hebben in 1907 het landgoed in een vennoot­ schap ondergebracht. De eerste aandeelhou­ ders waren de vier kinderen van de oprichter. Nu zijn er 180, allemaal afstammelingen van diezelfde voorvader. Rauwenhoff: ‘De familie heeft mij aangesteld als directeur en ik ben vanuit die functie verantwoordelijk voor het reilen en zeilen, voor het ontwikkelen en beheren van het landgoed. Minstens eenmaal per jaar leg ik verantwoording af met een jaarrekening, jaarverslag en toelichting.’ Vanuit de aandeelhouders houdt een raad van vijf commissarissen toezicht op het functione­ ren van de directeur. ‘Met hen bespreek ik vijf, zes keer per jaar de dagelijkse zaken. Binnen afgesproken grenzen heb ik grote vrijheid van handelen. Bijzonder aan een familiebedrijf is wel dat je het werk doet mét en vóór de familie. Het bedrijf doet ook veel voor de familie, om het leuker en aangenamer te maken. Zo is er een eerste recht van koop op vrijkomende huizen en wat ik noem het genot van de zaak: we organiseren allerlei gezellige bijeenkomsten, zoals een werkdag en tweemaal per jaar een tenniswedstrijd met gezamenlijk eten. Voor aandeelhouders is er bovendien een gratis plekje op de zeer rustig gelegen familiebegraaf­ plaats. De familie komt vaak op Tongeren. Velen hebben een tweede woning en brengen hier de vakantie door. Als ik naar Tongeren kom, ben ik altijd weer nieuwsgierig welke neven en nichten er zitten. Daarnaast wordt er natuurlijk wel van

Zetje De drie belangrijkste financiële dragers onder het landgoed – woningen, landbouw en bos­ bouw – zijn elk goed voor circa dertig procent van de inkomsten. Rauwenhoff wordt bij haar werk ondersteund door een rentmeester. Voor het bosbeheer heeft zij samen met buurland­ goed Welna een bosbaas. De afgelopen jaren zijn er met het nieuwe boerenbedrijf en de ontwikkeling van nat natuurgrasland belangrijke stappen gezet. Rauwenhoff doet er bescheiden over: ‘Veel meer kan ik in mijn periode als directeur ook niet doen dan nét dat zetje geven dat nodig is om het landgoed in goede staat aan de volgende generatie over te geven.’ Het is haar aan te zien dat ze dit soort wezenlijke stappen graag zet. ‘Dit is de mooiste baan die ik kan bedenken’, zegt ze ook. Staan er binnenkort weer nieuwe projecten op de rol? Rauwenhoff lacht en zegt dat ze eigen­ lijk van plan was een poosje rustig achterover te leunen. Het afgelopen jaar is wel heel veel gedaan. Daarbij, het dagelijks beheer gaat gewoon door. Ook verwacht ze dat de nieuwe boerderij en de nieuwe natuur de komende tijd wat extra aandacht zullen vragen. Toch heeft Rauwenhoff alweer een volgend groot project in haar hoofd. ‘We gaan een nieuwe invulling geven aan de agrarische bedrijven die onlangs zijn gestopt. Schuren en gebouwen gaan we slopen en op twee erven komen er nieuwe woningen voor in de plaats. Vanzelfsprekend passend in de buurschap.’

NIEUWE VELUWE 1/15

25


De das een jaar lang in het zonnetje Het gaat weer beter met deze goedmoedige lobbes met sprekende kop. Om dit te vieren heeft de Zoogdiervereniging samen met Das&Boom het jaar 2015 uitgeroepen tot het Jaar van de Das. Rond 1900 leefden er zo’n 12.000 dassen in Nederland. In 1980 waren dat er – voornamelijk door vervolging – nog maar ongeveer 1200. Door bescherming is de populatie gegroeid naar 5000 tot 6000 dassen. Ook al worden leefgebieden aangetast en sneuvelen er in het verkeer nog jaarlijks zo’n duizend dassen. Op de Veluwe wonen de meeste dassen. Een mooi filmpje staat op www.de-veluwenaar.nl, zoek op ‘das’.

26

NIEUWE VELUWE 1/15


foto Š Svehlik21 | Dreamstime.com

NIEUWE VELUWE 1/15

27


Ondergronds

tekst Michiel Hegener, foto’s Michiel Hegener en collecties Evert van Beek en Wolter Noordman

op de Veluwe

Dit jaar vieren we 70 jaar bevrijding. We herinneren, herdenken en bezoeken locaties die sporen van de oorlog dragen, zoals onderduik­adressen. Honderdduizenden Nederlanders doken onder. Velen vonden een plek in hun directe woonomgeving, gewoonlijk in een gebouw. Maar misschien bood wilde natuur wel meer veiligheid. Ergens diep in het bos waar bijna nooit iemand komt; dat idee moet bij velen zijn opgekomen. De (bijna) onzichtbare Veluwse schuilplaatsen middenin de natuur waren de redding voor een flink aantal levens, met dank aan de lokale bevolking.

28

NIEUWE VELUWE 1/15


Aangezien de meesten met een onderduikwens in de Randstad woonden, is het niet vreemd dat de meeste onderduikholen op de Veluwe werden gegraven aan de westflank tussen Nunspeet en Otterlo. ‘Een belangrijke bij­komende factor was dat de mensen hier erg gelovig waren en het als hun plicht zagen anderen te helpen’, zegt Peter Yska, militair buiten dienst en amateurhistoricus. ‘Ten tijde van de bevrijding zaten in Ermelo alleen al meer dan zeventig Joden ondergedo­ ken; ruim veertig anderen zijn opgepakt.’ Er waren rond Ermelo en elders zeker drie andere groepen onderduikers: neergeschoten piloten, verzetsmensen en mannen die wilden ontkomen aan razzia’s voor de Arbeitseinsatz. De noodzaak om een onderduikplek te vinden, kon zich precies zo onverwacht aandienen als de onderduikkandidaten zelf, en daarom werden op veel plaatsen in de natuur kant en klare onderduikholen gemaakt, voor kortstondig gebruik door hooguit een paar gebruikers. Yska stuurt zijn auto door het gebied tussen Ermelo en het buurtschap ’s Heeren Loo ten westen van het dorp en wijst naar een geaccidenteerd bos waar nu camping Timar Imor zit: ‘Daar is in 1944 zo’n ondergronds hol gemaakt: 3 bij 4 meter en 1,80 meter hoog. Het was een nood­ hol, zonder kookgelegenheid, met alleen een paar matrassen. Het heeft maar twee nachten gefunctioneerd. Op een dag is het hele terrein afgezocht door een Duitser met een speurhond, en toen is besloten dat het hol beter niet meer gebruikt kon worden. Van degenen die het hebben gebouwd leeft er nog één, maar die is nu vergeetachtig aan het worden.’

Beboste heuvel Voor het kwartaalblad van de Oudheidkundige Vereniging “Ermeloo” schreef Yska een drie­ delige serie over een omvangrijker onder­ duikers­hol dat enkele maanden in gebruik was, tot de ontdekking op 31 december 1943. Hij parkeert bij de kerk van ’s Heeren Loo en loopt 150 meter door grasland naar het zuiden, tot een kleine beboste heuvel. ‘Vroeger was het hier allemaal bos en hei’, zegt Yska terwijl hij een paar meter klimt naar de top, en zegt daar: ‘Hier zat het hol, tussen deze bomen.’ We tellen de stappen: 6 bij 4 meter. Nu is er niets meer te zien: na de overval staken de Duitsers de onder­grondse woning in brand en de resterende kuil werd later met zand gevuld. Dankzij Yska’s onderzoek weten we dat er een toegangsluik zat en dat er onderaan de trap rechts een keukentje zat waar met carbidgas kon worden

Links: De gecamoufleerde ingang van het verzetshol in Drie. Boven: Kleine beboste heuvel in ‘s Heeren Loo waar tussen de bomen een onderduikershol zat.

gekookt. Even verder was een bedstee op palen, met acht slaapplaatsen. En onder de trap zat een berging voor eten en kleding. Fascinerend om te weten als je daar staat, maar het idee om zo klein en donker te moeten wonen is beklemmend. De praktijk viel mee. Yska: ‘Ze zaten hier bijna alleen ’s nachts, want dan vonden de razzia’s plaats. Overdag werkten ze bij boeren.’ Ze, dat zijn twee jongens uit het Drentse Eext die hier connecties hadden, een paar jongens uit Ermelo die ook aan dwang­ arbeid in Duitsland wilden ontkomen en de voortvluchtige politieagent Nicolaas van Velzen uit Rotterdam die had geweigerd dienst te doen bij het inrekenen van Joden. Hij kon zich minder makkelijk mengen onder de bevolking en zat overdag bij een familie op Fokko Kortlanglaan 24, op 3 minuten lopen van het hol.

Andere holen Het hol bij ’s Heeren Loo lag niet diep in de wildernis. Dat gold wel voor de bekendste en grootste onderduikplek op de Veluwe, het Verscholen Dorp, 3 kilometer ten oosten van Vierhouten, en ook wel het Pas-Op Kamp genoemd naar een oude bosweg waar je vroeger moest oppassen voor struikrovers. Van begin 1943 tot eind 1944 woonden daar tachtig tot honderd Joden en geallieerde piloten in negen hutten in enkele dichtbegroeide bospercelen met paden ertussen. In de jaren zestig liet de gemeente Nunspeet drie hutten nabouwen en die staan er nog steeds, met grote explicatie­ borden erbij. Ze zitten grotendeels onder­ gronds, vandaar de vraag aan Walter Bartfeld of

het niet heel klam was. Als elf-dertienjarige woonde hij in het dorp samen met zijn ouders, zijn zusje en een grootmoeder. ‘Klam? Nee, helemaal niet. Maar er was ook maar één hut die een stuk ondergronds zat, en die ene heeft Nunspeet in drievoud herbouwd. Acht van de negen hutten waren bovengronds.’

Uit de rijdende trein springen Bartfeld – of Ze’ev Bar, zijn Israëlische naam – weet niet of het toeval is dat het Verscholen Dorp aan de Randstadzijde van de Veluwe zat. Toch lijkt zijn familiegeschiedenis illustratief. De Bartfelds waren in 1937 uit Duitsland naar Den Haag uitgeweken. In september 1940 eiste de bezetter dat alle Duitse Joden minimaal 30 kilometer van de kust moesten wonen. Vader Bartfeld huurde een (nog steeds bestaan­ de) vakantiewoning op Albertlaan 7 in Nun­speet. Een paar huizen verder woonde ‘Opa Bakker’ met zijn tweede vrouw, ‘Tante Cor’; het echt­ paar dat in 1943-’44 de verzorging en provian­ dering voor het onderduikersdorp zou gaan coördineren. Via Tante Cor en Opa Bakker kwamen de Bartfelds in het dorp toen voor Joden onderduiken noodzaak werd. Tientallen anderen gingen er rechtstreeks heen vanuit de Randstad. Dick Baas, voorzitter van de Stich­ ting het Verscholen Dorp, zegt hierover: ‘Of het waar is weet ik niet, maar ik heb twee of drie keer gehoord dat de instructie luidde: na Nunspeet in een bocht in het spoor uit de rijdende trein springen en dan een lang pad het bos in volgen, de Klaterweg. Die leidde inder­ daad in de richting van het kamp.’

NIEUWE VELUWE 1/15

29


‘Wat je niet ziet is de boswachterswoning. Die werd in brand gestoken: wraak van de Duitsers’

Nagebouwd onderkomen in het Verscholen Dorp bij Vierhouten.

Het Verscholen Dorp in de bossen bij Vierhouten werd na de ontdekking door de Duitsers op 29 oktober 1944 vernield. Op de foto de restanten van de hut het Plankenhuis dat werd bewoond door het Joodse gezin Hartz (Bennie en Rosie en hun drie kinderen).

Voortdurend in angst Het dorp zat diep in het bos op een plek waar Duitsers niets te zoeken hadden, maar veilig voelde Bartfeld zich er geen moment. ‘Je leefde voortdurend in angst.’ Het telefonische inter­ view is nog geen tien minuten gaande als hij zegt dat het ‘heel erg emotioneel’ voor hem is over het dorp te praten en dat hij het gesprek wil beëindigen. Hij verwijst naar een kinder­boek over zijn tijd in het bos: Oorlog – Angst en spanning in het onderduikerskamp Pas-Op (2014), opgetekend door Ria Mourits-Den Boer. En hij mailt zijn ongepubliceerde, zelf geschrev­en verslag. Hoe onveilig het dorp was bleek op 29 oktober 1944 toen kampbewoner Eddie Bloemgarten tegen de regels in bij daglicht een pad overstak en gezien werd door twee SS-ers die op hout­ hak­geluiden waren afgekomen. Bloemgarten werd staande gehouden en zei dat hij op weg was naar zijn broer die in de illegaliteit zat. In het verslag van Bartveld zegt Bloemgarten: ‘Weet nog niet waarom, [maar ik zei]: ‘Schiet maar, dan komen ze er wel uit.’ En inderdaad ze schoten ettelijke malen met hun geweren.’ De twee SS-ers gingen vervolgens naar hun eenheid, gelegerd op De Paasheuvel bij Vier­ houten, en kwamen met versterkingen terug. Dankzij het schieten was het dorp toen al ge­ alarmeerd en ontruimd. Acht van de gevluchte inwoners werden alsnog ingerekend en gefu­ silleerd. Alle anderen inclusief de Bartfelds ontkwamen. Drie dagen eerder, op de avond van 26 oktober waren de vijf Engelsen en vier Amerikanen al door de ondergrondse wegge­ haald. Slag bij Arnhem Het oorspronkelijke plan was om in dit artikel alle Veluwse schuilplaatsen te beschrijven. Dat bleek onmogelijk: er waren er tientallen en niemand heeft een overzicht. Een voorbeeld geeft Wolter Noordman uit Heerde in zijn boek Ondergedoken op de Veluwe (2010) over deel­ nemers aan de Slag bij Arnhem die daarna probeerden bevrijd gebied te bereiken. Kapitein Theodore Redman zat in een trein vol krijgs­ gevangenen die op 7 oktober 1944 van Apel­

30

NIEUWE VELUWE 1/15

doorn naar Zwolle reed (over een spoorbaan die niet langer bestaat, er ligt nu een fietspad). Om 19:15 uur springt hij samen met hospik Leslie Davison tussen Heerde en Wapenveld uit de trein, die dan 20 kilometer per uur rijdt. Door de bossen lopen ze tot aan een boerderij, waar ze in de hooiberg de nacht mogen door­ brengen. De volgende ochtend worden ze ‘naar een onderaardse schuilplaats gebracht die zo’n 100 meter verder in een perceel dichte dennen ligt. Deze is eigenlijk bestemd voor jonge mannen uit het dorp Wapenveld om te kunnen onderduiken als ze gezocht worden’, schrijft Noordman. Van dit soort holen zijn er veel te vinden. Noordman: ‘Bij Hoenderloo zaten er ook een paar. Op het terrein van boswachter G. Bloem op het Deelerwoud was een gat uitgegraven en met zeildoek overspannen. Aan de Otterlose kant, waar na de oorlog Camping De Oase zat, had de familie Schol een gegraven hol met een los tuinhek als toegangsluik. Daar hebben zeven Britse militairen gezeten. Ten westen van de weg naar Apeldoorn zat ook nog een hol.’ Voor zover kon worden nagegaan is geen van die plaatsen nog herkenbaar. Noordman doet navraag bij het Landgoed Molecaten bij Hattem, waar ook een paar onderduikers letterlijk ondergronds zaten. Maar wie en waar? Met het overlijden van barones Rita van Heeckeren van Molecaten in 2005 ging veel van die kennis verloren. Het hol waar Redman en Davison werden ondergebracht kan Noordman nog aanwijzen, althans de plek. ‘Met Redman en Davison ben ik daar nog geweest. Redman zei: ‘Verdraaid, daar ligt een steen die bij de ingang hoorde.’ Maar die ligt er nu niet meer, Redman heeft ‘m meegenomen.’

Ondergronds bij Drie Het gehucht Drie biedt een tijdloze en idyllische aanblik. Wat je niet ziet is de boswachters­ woning, want die werd op 14 december 1944 in brand gestoken. Wraak van de Duitsers. Boswachter Bram Born (48) en zijn zoon Evert (24) werden meegenomen en kwamen om in concentratie­kamp Neuengamme. Een dag daarvoor was zoon Jannes (19) neergeknald.


Het verzetshol in Drie met een goed gevulde tafel. Het was een prettige plek, herinnert Dirk van der Pelt zich.

Twee uur lag hij in het bos, terwijl zijn broer Willie (17), die was afgekomen op het schieten, gedwongen werd toe te kijken hoe Jannes stierf. Precies daar, bij TD coördinaten 174.45/­ 475.70, staat nu een klein stenen paaltje met Jannes erop, Alles sal reg kom en 4-1. ‘Vier min één. Dat is een code voor Drie’, verduidelijkt Hans Born, broer van Jannes en in 1944 vier jaar. Op 13 december 1944 werd ook hij gearresteerd. Met zijn broers Willie en Bram zat hij een nacht in een kelder, bewaakt door de Sicherheitsdienst en werd daarna meegegeven aan een oom. ‘Ik herinner het me als de dag van gisteren. Mijn ouders en een broer en mensen die bij ons op bezoek waren zijn naar de Willem III kazerne in Apeldoorn gebracht.’ Vanaf het paaltje gaat hij voor, 50 meter verder het bos in tot een duidelijke terreininzinking. ‘Hier zat het verzetshol’, zegt Born, ‘ook wel de bunker genoemd’. Eerder al had hij uitgelegd hoe de ontdekking van dit hol reden was voor al die Duitse represailles. ‘Oorspronkelijk is het ge­maakt voor één Joodse vrouw. Zij was zwanger en moest eruit om in een ziekenhuis te bevallen. Daarna heeft het verzet het hol overgenomen, maar niet om in te overnachten. Het werd een opslagplaats voor wapens.

En voor explosieven om de spoorbaan Amersfoort-Zwolle op te blazen.’

Geschikt voor radioverkeer Naast Hans Born staat Evert van de Beek die als vijfjarige de razzia in Putten meemaakte en sinds 1988 de boer is van boerderij Drie. Van de Beek die veel onderzoek heeft gedaan naar de verzetsactiviteiten in Drie, zegt: ‘Een reden waarom het verzet hier zat, is dat het zo hoog ligt dat het radioverkeer erg goed ging. Bovenin de brandtoren zat de antenne.’ Een minstens zo groot voordeel vormden de dichte bossen. Geen Duitser had hier normaal gesproken iets te zoeken. En daarom werd Drie dé plek voor het grootste ondergrondse onder­ duikershol van de Veluwe, 700 meter ten noord­ oosten van restaurant Boshuis Drie en even ver ten oosten van de bunker (op TD 175.25/475.75). Hans Born: ‘Mijn vader moest uiteraard toe­ stemming geven. Hij werkte voor Staatsbos­ beheer, maar heeft besloten het niet aan zijn superieuren te melden.’ Twee problemen bij de aanleg waren: waar laat je al die uitgegraven grond en hoe zaag je een hectare rondhout om zonder dat het opvalt? Geen Duitser die iets merkte en bij oplevering

in februari 1943 lag onzichtbaar onder de bos­ grond een ruimte van 8 vierkante meter met twaalf bedden. Je kon er makkelijk staan, een petroleumvergasser gaf veel licht, er stond een grote eettafel, er was een keuken, een hout­ kachel en een portret van Juliana aan de wand. Hans Born herinnert zich van zijn bezoeken weinig details – wel dat hij het er gezellig vond. Dat beeld krijg je ook uit de foto’s. De heren zitten tevreden rond een goed gevulde tafel, er zijn stapels boeken en een kleed dekt de vloer. Later werd een belendende ruimte uitgegraven, met nog zes bedden. Keken ze op de foto’s niet voor de gelegenheid zo optimistisch? ‘Nee, zo was het! Het hol was een prettige plek, we hadden het leuk, er werd gekaart en geschaakt’, zegt Dirk van Pelt (94) die er vanaf medio 1943 ongeveer een jaar woonde. Hij kwam uit Brabant, woonde in 1943 in Dordrecht en dreigde als ex-militair naar Duitsland gedeporteerd te worden. ‘Ik zei: ‘Verdomme, ik moet onderduiken.’ Een Bra­ bant­­se vriend van me, Lambertus van Eekelen, zei toen: ‘Ga maar naar mijn oom Piet in Putten, die weet wel een plek’.’ Een andere Randstedeling was Wim Westerhof uit Amsterdam, volgens Van de Beek de infor­

NIEUWE VELUWE 1/15

31


Links: Hans Born (l) en Evert van de Beek (r) bij het verzetshol in Drie. Boven: Plattegrond van het hol. De plattegrond staat een kwartslag gedraaid ten opzichte van de foto.

mele leider van het hol. Verder zaten er wat jongens uit de omgeving onder wie een kapper toen die een tijdje onvindbaar wilde zijn. ‘Als die jongens boodschappen wilden gaan doen, konden ze worden herkend’, zegt Van Pelt, ‘dus dat deed ik vaak, op de fiets in Ermelo.’ Hij had papieren, vervalst uiteraard, en door binnen­ wegen te volgen reduceerde hij het risico van aanhouding. Afgezien van dat laatste was hij in en om het hol zelden bang. ‘Je was jong, daar dacht je niet te veel aan. Maar ging je door­ denken, en dat deed je natuurlijk, dan bedacht je bijvoorbeeld dat rond het hol soms wasgoed hing te drogen.’ Over de beveiliging zegt Van Pelt: ‘Overdag waren we vaak bezig onze sporen op bospaden weg te harken. Voor de beluchting zat er een luik in het dak, maar dat mocht alleen ’s nachts open.’

Proviand Net als het Verscholen Dorp had ook het onder­ duikershol een hulporganisatie. Op boerderij Drie vertelt Van de Beek hoe helpers uit Speuld en Houtdorp eten naar de boerderij brachten, vanwaar het naar het hol ging. Iedere avond mochten twee holbewoners op de boerderij mee-eten en op de terugweg namen ze proviand mee. Boerin Van Nieuwenhuizen gold als ‘de moeder van het hol’.

32

NIEUWE VELUWE 1/15

Over het verzetshol van Drie is nooit een goed boek verschenen. Het komt in Berend de stroper (2010) van Gerrit van Malkenhorst zijdelings ter sprake en er is een DVD verkrijgbaar bij Milieuplatform Ermelo. Van de Beek weet wel waarom er geen boek is: ‘Van Pelt zei tegen me: ‘Als je in de geschiedenis verdiept vind je zoveel rommel!’ Van Pelt zelf wil er alleen over kwijt dat hij voorjaar 1944 weg wou. ‘Er gebeur­­den dingen waar ik het niet mee eens was en waar ik liever niet over wil praten. Bakker Henk Poelgeest uit Harderwijk heeft me verder ge­ holpen en toen ben ik in Limburg terecht­ gekomen.’ Volgens Van de Beek waren de broers Hageman, de initiatiefnemers van het hol, zo gehard door hun verzetswerk dat boerin van Nieuwenhuizen bang voor ze was. ‘Sommige bewoners stalen ook beesten bij boeren om op te eten.’

Gekleurde palen De kuil van het hol bij Drie is onmiskenbaar. Er is niets gereconstrueerd, wel heeft Staats­ bos­beheer er op de hoekpunten en langs het tracé van twee gangen gekleurde palen geplaatst. De gewone in-/uitgang begon met een luik en dan volgde een gang van 9 meter tot de leefruimte. Van de Beek, wijzend bij de rand van de kuil: ‘Als de Duitsers het hol zouden

ontdekken, zouden ze waarschijnlijk eerst handgranaten naar binnen gooien. Deze gang bood daar bescherming tegen. Het hele hol heeft overi­gens precies dezelfde plattegrond als standaard bunkers tegen gifgas.’ De enige afwijking daar­op was de kruipgang van 75 meter die in de woonruimte begon. Dat was de vluchtroute die in de laatste maanden werd aangelegd. Toen de Duitsers na een tip op een nacht in juli 1944 kwamen, konden de dertien bewoners van dat moment ongezien wegkomen, letterlijk onder de Duitsers door. Een van de mannen wilde nog teruggaan om de kat mee te nemen, maar dat kon niet meer. Terwijl de Duitsers het hol en waarschijnlijk ook de kat met kogels doorzeef­den vluchtten de bewoners in hun ondergoed naar Drie. Daar kregen ze kleren en gingen ze verder. Van de Beek: ‘De volgende dag hebben de Duitsers een politieman met een speurhond ingezet. De hond liep regelrecht naar Drie, maar de politieagent heeft kans gezien hem ongemerkt van het spoor af te leiden, waarna hij verder liep richting Ermelo.’ Born: ‘Dankzij die man is Drie gespaard gebleven. Anders was alles platgebrand.’


Actueel

Verhalen vangen over buitenplaatsen

foto Hans Dijkstra/gaw.nl

Outdoor Nunspeet zet Buitencentrum SBB voort De exploitatie van het Buiten­centrum Veluwe Noord van Staats­ bosbeheer is overgenomen door Outdoor Centrum Nunspeet. Zij zet het beheer voort onder de naam Bezoekerscentrum Nun­speet. In de nieuwe situatie handhaaft Staatsbosbeheer een informatiepunt over de natuur en recreatiemogelijkheden in de streek. Ook blijven er diverse excursies starten, zoals De Grote Vijf. Bezoekerscentrum Nunspeet houdt dezelfde openingstijden aan: open op woensdag, in de weekenden en in schoolvakanties. Outdoor Centrum Nunspeet, een jong bedrijf met wortels in Nun­speet, werkt de komende tijd haar plannen voor uitbreiding van het bezoe­ kerscentrum met een natuurbelevenispark met klimbos en bos­golf verder uit. Ook zal er entree worden gevraagd voor het bezoeken van de permanente tentoonstelling. Voor Staatsbosbeheer was het niet mogelijk het centrum alleen voort te zetten. Door samen­werking met het lokale bedrijf, en de combina­ tie van activiteiten, bestaat die mogelijkheid wel. De komende perio­ de wordt ook bekeken hoe andere partijen kunnen bijdragen. Het Leesten bij Apeldoorn wordt voor Staats­bosbeheer de centrale locatie voor een toekomstig Buiten­centrum. De verwachting is dat die in 2016 zijn deuren kan openen.

Afsluitende projecten voor Renkums Beekdal In het Renkums Beekdal wordt een sprengenkop en een fauna­ passage in de Hartenseweg aan­ gelegd. Dit zijn de afsluiten­de projecten uit het restbudget van het project Renkums Beek­dal, waarbij het industrie­terrein Beukenlaan aan de natuur is teruggegeven. De sprengkop is een kunst­ zinnige verbeelding van een

sprengenkop, zoals die vroeger werden gegraven om een sprengenbeek te krijgen. In dit geval wordt het een kunstwerk van cirkels van staal en radialen van leisteen rondom een nieuw gegraven plek waar het grondwater omhoog komt en de beek van water voorziet. Beeldend kunstenaar Jan van IJzendoorn laat daarmee kunst

De vijf gemeenten van de Veluwezoom – Wageningen, Renkum, Arnhem, Rozendaal en Rheden – ook wel Gelders Arcadië genoemd, verzamelen verhalen over hun landgoederen en buitenplaatsen. Niet alleen landgoedeigenaren kunnen een verhaal vertellen, ‘gewone’ burgers zijn in het verleden ook betrokken geweest bij land­ goederen. Denk aan de vele werknemers die een landgoed rijk was en toeristen, zoals de gasten in Hotel De Bilderberg. In de oorlog zijn verschillende landgoederen gebruikt als onderdak voor soldaten en onderduikers of verwoest. Al deze verhalen laten de sociale

kant van de landgoederen­ geschiedenis zien. Met het oral history-project Gelders Arcadië – Geschiedenis in verhalen worden mensen met een per­ soon­lijk verhaal geïnterviewd door getrainde vrijwilligers. De verhalen worden beleefbaar gemaakt in brochures en een app vol filmpjes, foto’s, routes en verhalen. Rheden is al ver­ge­ vorderd met het ophalen van verhalen. Wageningen maakte in februari een start en Renkum in maart. Voor meer informatie over de projecten en de landgoederen­ zone Gelders Arcadië. kijk op www.geldersarcadie.nl.

Huize Pietersberg in Oosterbeek. bron Heemkunde Renkum

en natuur in elkaar overvloeien. De faunapassage verbindt de natuurgebieden Oostereng en Beukenlaan ter hoogte van de Halveradsbeek met elkaar. Nu loopt de beek in een buis onder de weg door, waar bijvoorbeeld geen kikkers en plantenzaden doorheen kunnen. Er komt een nieuwe passage met een grotere buis waar niet alleen de beek in doorloopt, maar ook een deel van de oevers.

Impressie Sprengenkop, Jan van IJzendoorn.

NIEUWE VELUWE 1/15

33


‘In onze samenleving komen inzichten laat, maar ze kunnen vervolgens wel leiden tot verandering’

34

NIEUWE VELUWE 1/15


Interview met Johan van de Gronden

‘Dit wordt de eeuw van het

spectaculaire natuurherstel’ tekst Ria Dubbeldam, foto’s Hans Dijkstra/gaw.nl

Johan van de Gronden zet zich als directeur van het Wereld Natuur Fonds in voor de soortenrijkdom in ecosystemen wereldwijd. De inzichten die hij opdoet neemt hij mee naar Europa, Nederland en de Veluwe. ‘Een bos met woudreuzen zoals in de Kaukasus, zó kan het bos er hier ook uitzien.’ U bent opgegroeid in Nunspeet en na lange tijd terug in het gebied van uw jeugd. Was dat een bewuste keuze? ‘Dat is toeval. We kwamen met ons gezin uit Afrika – eerder werk­ ten we in Suriname en Scandinavië – en vonden tijdelijk huisvesting in Harderwijk. Bij de zoektocht naar een koophuis viel ons oog op een rijksmonument in Harderwijk. We waren er gelijk verliefd op en zijn gebleven. Voor de kinderen is zo’n kleine stad een fijne omgeving om op te groeien. De natuur is dichtbij. De Veluwe­rand­ meren van mijn jeugd – een dumpplaats van fosfaat door de toen­ malige eendenhouderij – is nu een van de vogelparadijzen van Europa.’ Heeft u ook een bijzondere band met de Veluwe? ‘Het is als met jonge gansjes: je krijgt een inprinting. De Veluwe is mijn biotoop. In het bos speelde ik indiaantje, zag ik mijn eerste reeën, edelherten en wilde zwijnen. In mijn beleving was het een oerwoud. Het gekke is dat ik later, al die jaren in de tropen, nooit een verband heb gelegd tussen het waanzinnige tropische bos en het bos van mijn jeugd. Dat waren twee verschillende werelden. De schok kwam tijdens een dagenlange reis te paard door het Rus­ sische deel van de Kaukasus. We trokken door gemengd bos dat nooit onderworpen is geweest aan commerciële kap. Daar zag ik woudreuzen en dood hout met een verbluffende biodiversiteit. Zo zou het bos in mijn eigen omgeving er ook uit kunnen zien! Ik realiseerde dat ik was opgegroeid op een plantage. Voor het eerst zag ik de armoede van het Veluwse bos, dat ik voor natuurlijk bos hield.’ Is er niet langzamerhand iets aan het veranderen? ‘Het bos wordt inderdaad stukken beter. Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en vooral Kroondomein Het Loo voeren ander

beleid. De vorige opperhoutvester Jaap Kuper heeft me de ogen geopend. Hij liet me stukken bos zien, zo mooi, dat ik me waande in het Poolse Bialowieza, het laatste oerbos van Europa. Kuper ontwik­ kel­de een systeem van natuurvolgend beheer, dat meer rekening houdt met natuurlijke verjonging van bos en tegelijkertijd goede houtopbrengsten geeft. Wat ook een heel spannend experiment is, is het loofbos aan de andere kant van de Veluwerandmeren bij Zeewolde: het Horster­ wold, bos op rijke zeeklei. De bomen schoten uit de grond. Na dertig jaar geeft het al bijna een wildernisbeleving. Laten we het nog eens vijftig jaar ongemoeid, dan wordt het spectaculair. Als jongetje had ik dat niet kunnen bedenken. Natuur was voor mij de Veluwe. Die polder vond ik verschrikkelijk, maar tegenwoordig dool ik er ieder weekend rond. Het moerassige Horsterwold is een ver­rijking voor Nederland. Kom je er in het voorjaar: het horen en zien vergaat je.’

Het Horsterwold heeft toch meer potentie dan een geïso­ leerd natuur­gebied? Menig natuurliefhebber droomt van herten die van de Oostvaardersplassen, via de Veluwe naar het Duitse Reichswald kunnen en omgekeerd – de zogenaamde Veluweroute. Het Horster­wold is in die route een verbindende schakel. ‘De Veluweroute komt er. Er zit een mate van onvermijdelijkheid in. Daar kan geen plannenmaker tegenop. De wildwissel van de Oost­ vaardersplassen naar het Horsterwold ligt er feitelijk. We waren twee jaar geleden heel dicht bij de opening ervan. De Raad van State besliste anders, maar het is een kwestie van tijd. Op het oude land is de A28 nog een barrière, maar de Veluwe zelf is langzamer­ hand goed ontsloten en in het oosten en zuiden zijn verbindingen gemaakt met het rivierengebied.’ Van de Gronden bladert door het meegebrachte decembernummer van Nieuwe Veluwe. Tot zijn lichte verbazing had hij het nog niet eerder in handen gehad. Zijn oog valt op het artikel over de introductie van de wisent dit voorjaar. ‘Spannend’, zegt hij.

Hoezo spannend? ‘De wisent was uitgestorven in het wild. Het is een wonder dat hij er nog is. De groeiende populatie hebben we te danken aan dieren­

NIEUWE VELUWE 1/15

35


tuinen, waar vijftig tot zestig dieren het hebben overleefd. Voor mij is de wisent een mooi symbool voor de terugkeer van groot wild in Europa. Het is de inspirerende boodschap van rewilding Europe: de natuur hoeft niet verder achteruit te kachelen, er is wel degelijk herstel mogelijk. Weet je dat we in Europa inmiddels meer beren en wolven hebben dan in de Verenigde Staten? Ik denk dat de 21ste eeuw de eeuw van het spectaculaire natuurherstel in Europa wordt.’

Geldt uw optimisme ook voor Nederland? ‘In Nederland staan we er nog slecht op. Dat natuurherstel zich hier nog onvoldoende aftekent, komt met name door het natuurbeleid van de afgelopen honderd jaar. Dat was sterk ingegeven door het temperen van verliezen. Ook de Nederlandse natuurbeweging nam er genoegen mee, in plaats van te vechten voor een florerend herstel. De natuurbeweging begint eraan te snuffelen, er mag nog een tandje bij, maar the only way is up. Kraanvogels broeden in het Fochterloërveen, bevers zijn terug, de otter breidt zich uit, zee­ aren­den vind je niet alleen meer in de Oostvaardersplassen maar op tal van andere plekken in Nederland en de kans om groot wild te zien is hoger dan voorheen. De natuurbescherming begint langzaam maar zeker vruchten af te werpen.’ Uw kennis van de natuur is opmerkelijk. U bent toch opgeleid als filosoof? Hoe wordt een filosoof directeur van de grootste natuurbeschermingsorganisatie van de wereld? ‘Zoals een kleine jongen brandweerman wil worden of piloot, wilde ik dierenarts worden óf filosoof. Ik was altijd met dieren bezig. Een vogeltje met een lam vleugeltje in de tuin was het toppunt van geluk. Die kon ik voeren. Bij het beroep dierenarts had ik zwaar romantische Daktari-achtige fantasieën: gewonde leeuwen en chimpansees helpen. Toen het begon te dagen dat ik vooral met koeien en varkens bezig zou zijn en met kanariepietjes, bedacht ik me. Vraag me niet hoe ik kwam aan filosofie. Ik zat op het gymna­ sium. Dat werkt mee. Ik werd gegrepen door Griekse filosofen. Sofisten die op de markt praatten over democratie, rechtvaardig­ heid en waarheid. Dat sprak mij zeer tot de verbeelding. Na mijn opleiding heb ik voor het ministerie van Buitenlandse Zaken gewerkt en de Verenigde Naties, heb ik een handelsfirma geleid, logistiek en inkoop gedaan en toen kwam mijn huidige functie voorbij. Ik had er nooit aan gedacht. Maar zo kan het leven lopen. Alles viel op zijn plek. Vanaf dag één voel ik me als een vis in het water. Op een gegeven moment kwam ook de filosofie terug. Het kan eigenlijk niet anders. Als filosoof ben je nieuwsgierig, heb je een zekere geneigdheid tot het stellen van vragen en kijk je verder dan de conventionele wijsheden. Filosofie begint met verwondering, verbazing. In die zin zit het heel dicht bij natuurbeleving. En als filosoof is het niet zo verwonderlijk dat je je zorgen maakt en verbaasd bent over wat de Homo sapiens allemaal op deze wereld­ bol uitricht onder het mom van vooruitgang, economisch nut of duurzame ontwikkeling.’

36

NIEUWE VELUWE 1/15

Beschrijft u dit soort bespiegelingen in uw boek Wijsgeer in het wild dat binnenkort verschijnt? ‘Ik ben nog aan het schrijven, maar zo langzamerhand ontstaat er een rode draad in de essays. Ik heb veel te maken met negatieve statistieken. Europa krabbelt op, maar wereldwijd is het keerpunt nog niet in zicht. Hoe behoud je dan het optimisme? Deels is mijn antwoord persoonlijk: ik ben een onverwoestbare optimist. Daarnaast zijn er tekenen dat we de goede kant opgaan. De natuur gaat terugveren.’ Waar baseert u dat op? ‘‘De uilen van Athene ontwaken in de schemering’, aldus de Duitse filosoof Hegel. Wij mensen komen laat tot inkeer. Voordat je een paar grijze haren en wijsheid hebt, heb je veel fouten in het leven gemaakt. In onze samenleving komen inzichten ook laat, maar ze kunnen vervolgens wel leiden tot verandering. Als we niet anders omgaan met onze landbouw, is het straks afgelopen met onze weidevogels en een deel van de akkervogels. Grote partijen als FrieslandCampina en Rabobank beseffen ook dat het anders moet. Samen starten we een proef met boeren die rekening houden met weidevogels. Het dieptepunt is bereikt, het kantelpunt komt. Ik zie grote kansen in ecologisering van de landbouw, een landbouw die met de natuur meegaat. Het is ouderwets om te denken dat we op die manier de wereld niet kunnen voeden. Hoge opbrengsten zijn te paren aan verantwoorde landbouw. Dat inzicht gaat zorgen voor een ontmanteling van de harde knip tussen natuur en landbouw.’ Nederland wordt één groot natuurgebied? ‘Het idee dat je in een klein land als de onze natuur en landbouw kunt scheiden is een illusie. De natuurbeweging heeft zichzelf zand in de ogen gestrooid door zich terug te trekken in natuurgebieden. De natuurkwaliteit kan onmogelijk spectaculair verbeteren als we niet ook kijken naar de landbouw. Twee derde van Nederland heeft een landbouwbestemming. Waarom vergrassen onze duinen? Dat komt door vermesting. Waarom verdrogen natuurgebieden? Omdat naastgelegen percelen eindeloos worden bemaald. Bovendien, mensen die buiten willen zijn om te recreëren maken het onderscheid tussen natuur en platteland niet zo sterk, en ze komen meer in landbouwgebieden dan in de natuur. Een kruiden­ rijke weide waar een boer ook profijt van heeft, is dan aanzienlijk plezieriger dan een grasland met alleen raaigras, waar nog geen krekel in zit. Ik ben ervan overtuigd dat we uiteindelijk door het voeren van een open debat en door demonstratie van goede praktijken kunnen laten zien dat er meer kan voor onze natuur en biodiversiteit, en dat het goede in de mens zal prevaleren.’ De essaybundel Wijsgeer in het wild – Essays over mens en natuur verschijnt in mei bij Uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep. Zie ook pagina 47.


a

Eten van de Veluwe Brandrood het meest Veluwse rund? René Zanderink

Nu elke regio zijn eigen streekproducten of lokale rassen probeert te claimen en erkend te krijgen, rijst de vraag of de Veluwe een eigen Veluws of Gelders rund heeft. Idee hierachter is dat er dan een echt streekproduct van te maken valt. In Limburg is vergeefs geprobeerd bij gebrek aan een eigen rund het Duitse Glan rund als Limburgs erkend te krijgen, omdat deze enkele eeuwen terug met regelmaat op Limburgse veemarkten werd aangevoerd. De Veluwe heeft zeker streekeigen landbouwhuisdierrassen: Veluws (heide)schaap en Gelders paard en er bestond een Veluwse geit (is nu Nederlandse landgeit). Het Geldersch varken met de twee vleeslelletjes is al tijden uitgestorven. Er is een Gelderse slenkeduif en Barnevelder kip, maar is er ook zoiets als een Gelders of Veluws rund? De oeros die ook op de Veluwe zwierf is rond 600 na Christus uitgestorven. De Schotse Hooglanders op de Imbosch wonen er pas enkele decennia. Hun vlees is bestelbaar via www.wildrundvlees.nl. Op schilderijen van de Oosterbeekse School en H.M. van Ingen zijn voornamelijk roodbonte MaasRijnIJssel (MRIJ)-runderen te zien, maar deze zijn niet echt Veluws. Deze runderen van de sompige weilanden langs de rivieren komen ook in Noord-Brabant, Limburg en Overijssel voor. De Lakenvelder dan? Deze zwarte of rode koe met een brede witte band om de buik typerend voor buitenplaatsen en landgoederen, liep wellicht ook als parkrund op enkele plekken langs de Veluwezoom. Momenteel is er weer een aantal rondom Arnhem: op landgoed Groot Warnsborn – waar ze op het menu staan van het gelijknamige hotel – en in Park Sonsbeek. In Epe is een grote Lakenvelder kudde te bewonderen tegenover kwekerij De Bolster. Blaarkoppen komen van origine uit Groningen en Zuid-Holland. Al beeldde Willem Maris (1844-1910) er ook enkele af op het schilderij Overzetveer van het veer tussen Oosterbeek en Driel. Tegenwoordig houdt biologisch veehouder Jan Wieringa Blaarkoppen op de Noordberg bij Renkum. Deze zijn voor de melkproductie. Op de Wolfhezerheide lopen zijn ossen. Het Geldersch Landschap haalde enkele jaren geleden uit Denemarken heidekoeien, kleine, bonte koeien die eind 19de eeuw ook naar de Veluwe kwamen om de heide om te ploegen. Ze lopen inmiddels op de Loenermark (Loenen), het Wekeromse Zand (Wekerom) en De Dellen (Epe). Enkele geslachte koeien zijn ingeblikt als Heidestoof. Nog steeds geen echt Veluwse koe. Tot ik in een bibliotheek het boek Konings kunst van Parijs tot de Veluwe in handen gedrukt kreeg van de bibliothecaresse die mijn voorliefde voor veeschilderijen kent. Op de cover van dit boek over de schilderende broers Edzard en Arnold Koning, die in de beginjaren van de vorige eeuw taferelen op de Veluwe vastlegden, prijken enkele opvallende, weliswaar kleine koeien. Een schilderij van Arnold Koning uit 1903 getiteld Gezicht op Veluws dorp. Gelijk herken ik twee koeien aan hun kol op de kop: Brandrode runderen, een kleurvariëteit/kleurslag van het MRIJ-rund. In het boek staat nog een ander schilderij van hem met een herkenbaar Brandrood rund: Gezicht op dorp, eveneens uit 1903. Volgens het bijschrift moet dit Ede zijn, onmiskenbaar hetzelfde dorp als op de cover. Is het Brandrode rund dan het meest authentieke Veluwse rund? Van het rund is bekend dat het in tegenstelling tot MRIJ vooral op zandgronden voorkwam. Dan heeft kaasmaker Michiel Cassuto uit Ede qua authenticiteit met zijn Brandrode runderen in de roos geschoten.

Michiel Cassuto met zijn Brandrode koeien. foto Wim van Hof/gaw.nl

René Zanderink is voorzitter van Ark van de Smaak, Slow Food Nederland

NIEUWE VELUWE 1/15

37


Schovenhorst, tekst Gerrit Breman en foto’s Gerrit Breman en landgoed Schovenhorst

een heideontginning

Sommige ontginners op de Veluwe wilden eenvoudigweg profijt hebben van hun bezit. Anderen hadden sociale motieven, of waren religieus geĂŻnspireerd. Enkele grondbezitters hadden een min of meer wetenschappelijke interesse: is het mogelijk om op de schrale Veluwse zandgrond iets te verbouwen dat vooruitgang kan brengen en zo ja, wat dan? Tot de laatste groep behoorde de Utrechtse advocaat mr. Joan Hendrik Schober, die bij Putten op een lap heidegrond landgoed Schovenhorst stichtte.

38

NIEUWE VELUWE 1/15


In het midden van de negentiende eeuw lag een belangrijk deel van de Veluwe er nog woest en leeg bij. Nu vinden we dat misschien wel heel erg aantrekkelijk – het komt tegemoet aan ons verlangen naar rust, klapekster en hazelworm – maar toen was dat niet het geval. In de negentiende eeuw werd leegte en woestheid gezien als een enorme verspilling van de kansen om vooruit te komen. Zonder vooruit­ gang zou de gemiddelde Veluwenaar arm en onder­ontwik­keld blijven. Tenzij hij natuurlijk wegtrok naar streken met meer ontwikkelings­ mogelijkheden. De vooruitgang kon beginnen met een van de natuurlijke rijkdommen van de Veluwe: de leegte. Daarvan was meer dan genoeg voor­ handen. Alleen de woestheid moest overwonnen worden. En daar zat een probleem. De woest­ heid werd in stand gehouden door diezelf­de arme Veluwenaar. Een belangrijk deel van de Veluwse boeren was op de een of andere manier georganiseerd in marken en deze boeren – het is een bekend verhaal – hadden belang bij het gemeen­schappelijk bezit van die woeste gronden, omdat ze essentieel waren voor het in goede conditie houden van hun akkers. Het gecompos­teerde mengsel van schapenmest en heide­plag­gen moest regelmatig op de akkers van de schrale zandgronden worden gebracht. Anders leverden ze niets op. Bij een te groot akker­areaal raakte de balans gemakkelijk ver­ stoord. De heide was snel uit­geput en stuivend zand lag voortdurend op de loer. Vanaf het begin van de negentiende eeuw probeerde de overheid de verdeling van de markengronden te stimuleren, omdat ze ervan uitging dat juist het gemeenschappelijke bezit van de grond de vooruitgang tegenhield. De overheid gaf het voorbeeld met de verkoop van domein­gronden aan gemeenten op de Veluwe. Maar ook door belastingvoordelen moest de ont­ginning van woeste gronden worden gestimul­eerd. Geleidelijk aan kwamen er ook marken­gronden onder de hamer.

Hausse aan ontginningen Vlak na 1843 kwam zo nogal wat grond op de markt om te ontginnen. Dat was het begin van een hausse aan ontginningen van de Veluwse woeste gronden. Veel van de huidige naaldbossen op de Veluwe vinden hier hun oorsprong. Saai, eentonig wordt wel gezegd.
 Zoals te verwachten hadden de ontginners ver-

Vrouwen met gemaaide heide bij een van de wallen aan de Drosteweg tegenover de huidige Camping Konijnenburg (bron: gemeentearchief Putten).

schillende motieven. De Utrechtse advocaat mr. Joan Hendrik Schober (1818-1901) had ideeën over maatschappij en economie, belangstelling voor wetenschap en experiment, kapitaal – nieuw geld –, energie en de juiste contacten. Wat wil je nog meer? Dat is een vruchtbaar mengsel.
In januari 1848 – het jaar van de liberale revolutie – kocht hij van de gemeente Putten zijn eerste stuk grond, ten noorden en ten zuiden van de Garderense weg, ruim 80 hectare, voor duizend keer het dagloon van een landarbeider. Het gedeelte ten noorden van de weg was al door de gemeente Putten ontgonnen als een soort werkgelegenheidsproject. Het zuidelijke deel lag er nog woest bij. Op de kaart van de aankopen is dat goed te zien. Ten noorden van de weg zijn de bewerkte percelen voorzien van rechte wegen, vaak begeleid door wallen. Dat waren de eerste tekenen van ontginning van de grond. Ontginning was een verplichting door Domeinen gesteld aan de kopers. Ten zuiden van de weg is de oorspronkelijke perceelindeling van de kadastrale opname uit 1832 nog te herkennen. Putten was nog niet aan de ontginning toe gekomen.

Boven: Wal aan de noordzijde van de Peppelerweg, 1948 (bron: Gedenkboek). Onder: idem, 2015. De wal is te herkennen in het bemoste gedeelte.

Slimme strategie De nieuwe ontginning werd ‘Schovenhorst’ genoemd, vermoedelijk naar de Nederlandse vertaling van het Duitse woord Schober, schoof.
De aankopen uit 1848 werden in de loop van de jaren gevolgd door nog meer aankopen, volgens een slimme strategie: koop zoveel mogelijk grond langs de wegen en paden, dan worden de percelen die niet aan wegen grenzen, minder aantrekkelijk. Die komen later voor een lagere prijs wel aan bod. Op de kaart van de aankopen is de groei van het landgoed te zien.

NIEUWE VELUWE 1/15

39


Kaart van het landgoed Schovenhorst met de verschillende aankopen vanaf 20 januari 1848, schaal 1:2500.


De topografische kaart uit 1845 laat het oudste bosperceel zien: het Leuksche bos (

40

NIEUWE VELUWE 1/15

).

Nieuwe ontginningen waren eigenlijk nooit gepland als pure bossen. Een combinatie van akkerbouw, tuinbouw, veeteelt en bosbouw moest de risico’s van de investering spreiden. Maar vrijwel altijd en overal vormden bossen de kern van de nieuwe ontginningen. De grove den, die nu nog zoveel op de Veluwe voorkomt, was uitermate geschikt om op de schrale zandgronden te planten. Hij heeft weinig nodig om te groeien en – heel belangrijk – remt de wind af, zodat het gevaar van zandverstuivingen vermindert. Een gewas dat snel profijt kon geven, was het eikenhakhout: eikenbosjes waarvan de stammen eens in de tien tot vijftien jaar laag bij de grond werden afgekapt. Het hout diende als brandhout, bij bakkerijen was het populair. Met de schors of eek dat looizuur bevat, werd leer gelooid. Grove den en eikenhakhout treffen we dan ook veel aan in de negentiende-eeuwse ontginningen. Schober nam geen genoegen met deze voor de hand liggende keuzes, maar legde kwekerijen aan, waarin hij allerlei soorten naald- en fruit-

bomen testte op hun geschiktheid. Dat het een serieuze aangelegenheid was, blijkt wel uit de catalogus, die in 1868, twintig jaar na de start van de ontginning, uitgebracht werd. Een van de bijzondere dingen van Schovenhorst is, dat die experimenten volgehouden en de resultaten geregistreerd werden. De experimenten mondden uiteindelijk uit in het Kleine en het Grote Pinetum, waar nu nog een wereld aan naald­ bomen uit heel het noordelijk halfrond te bewonderen is.


Bodemvruchtbaarheid verbeteren Ook het probleem van de bodemvruchtbaarheid had Schobers aandacht. Die was in de loop van de eeuwen sterk teruggelopen door het voortdurend afvoeren van heideplaggen en door het maaien van heide. Voor zijn ontginning was ook Schober aangewezen om deze methode toe te passen, maar hij liet de grond ook verrijken met klei uit de Harderwijker haven en met leem, mergel noemde hij dat. In 1854 kreeg hij het boekje Die Lupine als Feldfrucht nach den neue-


Oogst van douglassparren.



sten Erfahrungen (“de nieuwste ervaringen met lupine als groenbemester”, red.) van W. Kette onder ogen. Het idee dat een plant ergens kan groeien zonder de grond uit te putten, maar hem zelfs verrijkt en dan ook nog allerlei andere nuttige functies kan hebben, sloot naadloos aan bij het idee dat je geen kansen moet laten liggen. Hij paste het direct toe op Schovenhorst en deed er ook verslag van. In Beknopte Handleiding tot de Cultuur der Geele Lupinen beschrijft hij nauwgezet hoe je te werk kunt gaan om met gebruikmaking van het Gold der Wüste de heide te ontginnen. Een inkijkje in een wereld, die de meeste mensen vreemd is. ‘Wanneer van het heideveld, dat men door lupinenbouw, wenscht te ontginnen, de plag wordt afgenomen, deze met 26 hectoliter ongebluschte kalk verpluischt en dan in ronde, goed gedekte hoopen op zet, zoo zal de heide, houtachtig en de heide die zuur reageert, door de inwerking van de kalk en de sterke verhitting bij het blusschen ontstaan, van wilde humus in plantaardig voedsel worden omgezet.’

Wonderplant Wat een werk: afplaggen, aanvoer van kalk, op hopen zetten, diep spitten, dan inzaaien. Afhankelijk van het doel (zaadwinning, hooi, groenbemesting) moest dat in april, mei of juni gebeuren. Het Gold der Wüste was een wonderplant

Het oudste boerderijtje op Schovenhorst.

die stikstof kon binden, had men ontdekt. Een schilderij in woorden: ‘De lupinen tot groene bemesting bestemd, worden, wanneer de bloeitijd is ingetreden of beter nog in vollen bloei, neder gewalscht en wel zoo, dat de ploeg, die er achter komt, altijd de richting volge door den wals aangegeven. […] Achter een of twee ploegen kan ook een vrouw volgen, die waar het noodig is, met een hak of greep, de planten in de vore trekt, opdat alles goed worde bedekt. Indien zeer weelderig opgeschoten planten, door regen of wind in verschillende richtingen, ter neer zijn gedrukt, en waar alzoo de wals geen nut kan doen, wat de richting betreft, moeten zij gemaaid en met de greep in de vore gelegd worden.’

Nog van alles te zien Dat werk was voor de mensen uit de omgeving: uit Putten en Krachtighuizen voornamelijk. Is er van al dat werk uit de beginperiode nog iets te zien op Schovenhorst? Jazeker. Op meerdere plaatsen liggen nog de wallen waarmee de pas ontgonnen percelen werden afgezet. Het aardige is dat er ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het landgoed in 1948 een gedenkboek is uitgegeven. Daarin zijn foto’s opgenomen van het bos en de wallen, zoals die er toen uit zagen. De wallen zijn ook nu nog goed te herkennen, maar de bossen zijn

Drie wande­lingen op landgoed Schovenhorst In deze editie van Nieuwe Veluwe is de gloednieuwe wandelfolder van landgoed Schovenhorst bijgesloten. Een cadeautje van het landgoed en Nieuwe Veluwe voor trouwe abonnees. De folder beschrijft drie uitgezette themawandelingen: de bomentuinenwandeling, de erfgoedwandeling en de boswandeling. Schovenhorst heeft naast bossen liefst vijf bomentuinen. De routes zijn gemarkeerd door paaltjes met gekleurde plaatjes. Ze voeren langs de vijf bomentuinen: Kleine Pinetum (1852) en Grote Pinetum (1901), Josinapark (1906), Arboretum (1938) en Driecontinentenbos (1967). Op het

drastisch veranderd. Ze zijn veel gevarieerder geworden. Voor wie met de kaart van de aankopen bij de hand in het gebied rond loopt, wordt ook snel duidelijk dat de slingerwegen ten zuiden van de Garderense Weg de restanten zijn van de perceelgrenzen uit 1832. De wonderlijke vorm van het perceel ten oosten van de Oude Prinsenweg in sectie D gaat terug op het oudste stuk bos dat daar al voor de ontginning uit 1848 te vinden was: een eikenhakhoutbos, het Leuksche Bos. Op de topografische kaart van 1845 is de vorm nog precies zo terug te vinden, maar dan middenin de hei. Van de gele lupinen is geen spoor meer te vinden, maar van het echte Gold der Wüste des te meer. Dat zijn de douglassparren, waar Schober zo enthousiast over was. Ze leveren uitstekend en duurzaam timmerhout.
 Schovenhorst is een van de vele heideontginningen op de Veluwe sinds het midden van de negentiende eeuw. Maar ze zijn niet ‘meer van hetzelfde’. Alle hebben ze hun eigen karakter door de bodemgesteldheid, hun omvang, maar vooral door de eigenzinnigheid en onder­ nemingslust van de eigenaren. Het landschap van de heideontginningen is daardoor geen eentonige dennenplantage. Met dank aan Jop de Klein, rentmeester van landgoed Schovenhorst.

landgoed zijn ook vele sporen uit het verre verleden te ontdekken, waaronder grafheuvels en Hanze- en prinsenwegen. De Bostoren biedt uitzicht over het landgoed en de hele Veluwe. De folder is ook te koop op het landgoed, in het horecapaviljoen De Hop-eest. Mensen met meer interesse in het landgoed kunnen het boekje Landgoed Schovenhorst – Een cultuurhistorische wandeling kopen. Verkrijgbaar bij uitgeverij Matrijs (€ 9,95, verzendkosten: € 1,95) en in het horecapaviljoen van Schovenhorst. Meer informatie: www.schovenhorst.nl

NIEUWE VELUWE 1/15

41


Wonderlijke waterwerken

stromen weer

tekst Wim Huijser, foto’s Jaap en Cees van Eijck

De Daniël Georgeplas (tegen de bosrand) met de aansluitingen van de Beek (voorgrond).

Onder monumentnummer 523972 staan ze in het register van de Rijks­ dienst voor het Cultureel Erfgoed: de Waterwerken van Van Beuningen op de Noorderheide bij Vierhouten. Toch hebben ze er tientallen jaren verloren bijgelegen. Totdat de heemkundige vereniging Nuwenspete zich het lot van het vervallen beken- en vijverstelsel aantrok. Na zeven jaar keihard werken worden de vijvers weer geregeld gevuld.

42

NIEUWE VELUWE 1/15

Het landgoed Noorderheide werd in 1920 ver­ worven door de Rotterdamse zakenman, haven­ baron en kunstverzamelaar Daniël George van Beuningen. Kort voor de Tweede Wereld­oorlog liet hij in het gevarieerde, heuvel­achtige land­ schap van loofbossen, dennenbos­sen en heide een villa ontwerpen door Frits Eschauzier, een van de meest gerespecteerde architecten in de jaren dertig. Tot in de kleinste details werd het huis uitgetekend. De schoor­steen­mantels werden voorzien van beeldhouw­werken en de windwijzer op het dak kreeg de vorm van een wild zwijn. De glazen pui met zicht op de hei werd zo ontworpen dat hij in zijn geheel in de grond kon zakken. Jarenlang hingen er wereld­ beroemde schilderijen in het landhuis, waar­ onder De toren van Babel van Pieter Brueghel de Oude. Een groot deel van zijn collectie schonk Van Beuningen in 1941 aan het Rotter­ damse museum Boijmans. Nadat in 1958 zijn gehele kunstverzameling door zijn kinderen aan het museum werd geschonken, verkreeg het de huidige naam: Boijmans Van Beuningen.

Gemetselde beek Van Beuningen had evenzeer een uitgesproken visie op de wijze waarop hij zijn landgoed in­ richtte. Om de verschillende kleine en grote vijvers – vijftien in totaal – in het gebied van water te kunnen voorzien liet hij in de oorlogs­ jaren een 3 kilometer lange gemetselde beek aanleggen. Niet helemaal zeker is of hij hiervoor ook gebruik maakte van de diensten van


Eschauzier. Het hoofdsysteem van de water­ werken bestond uit twee armen waarin een aantal meertjes, watervalletjes en bruggetjes waren opgenomen. Beide armen werden gevoed door een eigen pomp die op het hoogste punt was geplaatst. Daarnaast waren er nog enkele aparte waterbekkens, waarvan één met een handpomp werd gevuld. De aangelegde beek is ongeveer 80 cm breed en de opstaande rand­ jes, op veel plaatsen versierd met veldkeien, zo’n 15 cm hoog. Het koude water werd van zo’n 100 meter diepte opgepompt en stroomde van het bovenmeer in het oostelijk deel van het gebied met verval door het dal en vulde onder­ weg een voor een de betonnen vijvers. Een tweede pomp vulde de vijvers in de nabijheid van het landhuis. De kleine bruggetjes maakten het Van Beunin­ gen mogelijk om op zijn Solex, met schop en hark, langs het hele tracé te rijden. Zo genoot hij niet alleen van de rust die de Noorderheide hem bood, ook het onderhouden van de beek behoorde als het hem uitkwam tot zijn lief­ hebberij. Maar ook zijn kleinkinderen zette hij geregeld aan het werk.

Piramiden Hoe komt iemand op het idee om een betonnen beek door zijn ‘achtertuin’ aan te leggen? De waterwerken zouden primair het doel hebben gehad het wild drinkplaatsen te verschaffen. Daarnaast wilde Van Beuningen zijn landgoed verfraaien, legt Jaap van Eijck van de heemkun­ dige vereniging Nuwenspete en initiatiefnemer voor het herstel van de waterwerken en pirami­ den tijdens een rondwandeling uit. Geldt dat ook voor de vier piramides – conisch gevormde landmarks – die Van Beuningen van grote en kleine zwerfstenen liet bouwen in het deel van het landgoed dat grenst aan het Vierhouterbos? Van Eijck kijkt bedenkelijk: ‘Ik denk dat ze fungeerden als een baken langs het pad. Je moet je voorstellen hoe donker het hier is als de avond valt.’ Drie zijn er bewaard gebleven; alleen de Victoriapiramide is verdwenen. Twee dragen de namen van zijn kleinkinderen: Miesje en Peter Paul. Ze werden net als de bijna ver­ loren gegane Daniël Georgepiramide door een groep enthousiaste vrijwilligers in oude luister hersteld. Na het overlijden van Van Beuningen in 1955

Tonnetjesdelle. Om uiteindelijk deze vijver te vullen hebben de vrijwilligers drie dagen nodig.

werd ook weinig of geen onderhoud meer aan de beek verricht. De betonnen goot raakte overwoekerd en er ontstonden scheuren en gaten. Bosbouwmachines verergerden de situatie door soms hele stukken beton los te rijden. Die kwamen her en der op de hei te liggen. Ook toen Staatsbosbeheer in 1983 eigenaar werd van het grootste deel van het landgoed veranderde daar nog niets aan. Het leek erop dat men stilletjes van het cultuur­ monument af wilde. De Noorderheide bleef een stil gebied en het aantal wandelaars is er op de meeste dagen op twee handen te tellen. ‘Waarschijnlijk is het merendeel van hen nooit iets opgevallen’, denkt Van Eijck. ‘Niemand die nog enige belangstelling voor die waterwerken toonde.’

Afbrokkelen en dichtgroeien Toen Van Eijck eind 2008 over de Noorderheide wandelde, zag hij dat de piramides verder afbrokkelden en dat de beken inmiddels dicht­ gegroeid waren. Daarop besloot hij in actie te komen. Samen met Eric de Graaf en Wilco van den Top benaderde hij Staatsbosbeheer met het plan de vervallen piramides en het beekstelsel te herstellen. Een paar maanden later werd officieel toestemming verleend. Het zou in de jaren die volgden echter in hoofdzaak op de inspanningen van een achttal vrijwilligers neer­ komen. Jaar in jaar uit waren ze in wisselende samenstelling in de weer. Dankzij een donatie van Stichting Elise Mathilde en diverse andere

‘De kleine bruggetjes maakten het voor Van Beuningen mogelijk om op zijn Solex, met schop en hark, langs het hele bekenen vijverstelsel te rijden’

NIEUWE VELUWE 1/15

43


‘Vaak ook zat de oud-militair en amateurhistoricus in zijn eentje met een emmertje cement en stenen op de hei te metselen’ schenkingen konden ze de nodige gereedschap­ pen en materialen aanschaffen. Zo leverde een bouwbedrijf het beton- en metselzand en steun­ de de Rabobank de aankoop van een aggregaat. In het eerste jaar werden aan de hand van oude foto’s twee van de drie piramides opnieuw op­ ge­bouwd. Het topje van de grootste piramide bleek als ornament op het terras van de villa te staan. Na een vriendelijk verzoek kon ook dat weer in zijn oorspronkelijke positie worden teruggebracht.

Boven: Cees van Eijck en Geert Bart van Wezel kantelen de brokstukken. Onder: Het waterboordetachement van 101 Geniebataljon uit Wezep boren een nieuwe bron van 75 meter diep.

44

NIEUWE VELUWE 1/15

Emmertje cement en stenen Het beekstelsel was een complexer verhaal. ‘Als je de jonge dennen en berken niet op tijd uit de heide verwijdert, verandert het al snel in bos’, legt Van Eijck uit. ‘Gelukkig liepen hier moeflons die zich tegoed deden aan de jonge berken. Maar sinds de hekken om de Noorder­ heide zijn verwijderd, zien we de kudde niet meer. Dus moeten we zelf aan de slag.’ Naast het aan­smeren en opmetselen van de water­ werken trok de werkgroep tijd uit om de opslag in de buurt van de beek te verwijderen. Een tijd­rovende klus, waaraan ook de Stichting Behoud Dierenwereld Veluwe geregeld mee­ werkte. Vooral het verwijderen van gras en heide aan weerszijden van de beek was enorm zwaar werk. ‘Dat is wat je noemt beuken’, weet Van Eijck als geen ander. ‘Je kunt het maar een paar uur doen, dan ben je bekaf. Weet je hoe zwaar het is om alleen al de beek schoon te vegen?’ Vaak ook zat de oud-militair en ama­ teur­histori­cus in zijn eentje, met een emmertje cement en stenen, op de hei te metselen. Enkele keren moest Staatsbosbeheer een boom omhalen die de betonnen bodem uit zijn ver­ band drukte. Alleen met hulp van een zware machine konden enkele grote stukken beton weer op hun plek worden gelegd. De echte hulp kwam toen in het voorjaar van 2012 een nieuwe pomp in de 40 meter diepe put van het oude pompstation werd geplaatst. Die zomer stroomde er met een snelheid van 2 kuub per uur voor het eerst weer water in de vijvers. Een veel grotere ingreep was nodig aan de oost­zijde van de heide. Daar moest een boor­ detachement van de Genie met groot materieel aan te pas komen om een nieuwe bron te slaan op 75 meter diepte. ‘Ongelooflijk wat die mensen

voor ons hebben betekend’, zegt Van Eijck. ‘Dat hadden we nooit verwacht. Een week lang zijn ze bezig geweest om alles volgens de geldende regels uit te voeren. Alle instanties hadden toestemming gegeven om dit project in een natuurgebied uit te voeren. De pomp daar levert vijf keer zoveel water. Voor onze werk­ groep was dit wel het hoogtepunt van het werk.’

Water in de vijvers Ondanks dat het water weer alle vijvers kan bereiken, blijft de inzet van de vrijwilligers essentieel. Er wordt echter alleen gepompt als de vijvers water nodig hebben. Van Eijck: ‘Om alle vijvers van Bovenmeer naar Tonnetjesdelle – ‘het grote meer’ – te vullen hebben we drie dagen nodig. Dat betekent: ’s morgens de aan­ hanger met het aggregaat ophalen, gedurende de dag diverse malen aftanken met diesel en laat in de middag alles weer veilig opbergen. En dat dus drie dagen achtereen.’ Van Eijck zou graag zien dat met een nieuwe grondkabel de stroomtoevoer van de villa naar het pomp­ station kan worden hersteld, zodat de pomp eenvoudiger kan worden bediend. Als het water zijn weg door de betonnen beek over de Noorderheide vindt, levert dat een prachtig beeld op. Toch hebben weinig voorbij­ gangers het kunnen zien. Voor de vrijwilligers van de waterwerken is dat ook geen doel op zich. Dankzij hun tomeloze inzet ligt het rijks­ monument er weer prachtig bij. Ook de komen­ de jaren is er nog genoeg te doen. ‘Wat veel werk blijft vragen is het dichten van de lekken­ de vijvers en het schoonvegen van de beek. De zwijnen maken er soms een flinke troep van en bij het pompstation zit de beek geregeld vol dennennaalden. Wij zijn pas tevreden als het water de Peter Paulplas instroomt en als we ook de vijvers op het particuliere deel van de villa Noorderheide weer voldoende met water kunnen vullen.’ De Waterwerken van Van Beuningen zijn voor wandelaars te bezoeken via de met blauwe paaltjes gemarkeerde route (6 of 9 km) door het Vierhouterbos. Startpunt is de parkeer­ plaats aan de Gortelseweg tussen Vierhouten en Gortel. Voor meer informatie: sites.google.com/ site/piramidesnoorderheide


tekst en foto Rob Wolfs Een pittige, maar mooie af­wisse­lende wandeling van 18 kilometer over de uitge­strekte Hoog Buur­lose Heide en het Kootwijkerzand. Je zult hier rust en stilte ervaren. Onthaasten op z’n best.

Trage Tocht

Hoog Buurlo: de grote stille heide Het landschap rond Hoog Buurlo is ronduit idyllisch met z’n akkers, schaapskooien en lange beuken­ lanen. De dubbele en driedubbele beukenlanen – samen 40 kilo­ meter lang – zijn aangeplant rond 1880 en waren bedoeld als een netwerk van brandsingels. Op de oudste kaart van Hoog Buurlo van iets na 1600 zie je dat de wegen, schaapskooien en akkers exact dezelfde vorm hebben als tegenwoordig. Grote kans dat je even verder op de heide de schaapskudde tegen­ komt. Aangezien deze schaaps­ kudde van tweehonderd schapen dagelijks bijna 500 ton heide kan opeten, leveren ze een redelijke bijdrage aan de instandhouding van de heide.

Radio Kootwijk Het voormalig zendstation Radio Kootwijk werd in 1923 gebouwd naar een ontwerp van de architect J.M. Luthmann. De Duitse firma Telefunken leverde de zend­ apparatuur. Het zendstation dat

ook wel Gebouw A genoemd wordt, is volledig uitgevoerd in gewapend beton. Luthmann heeft in zijn ontwerp duidelijk elemen­ ten uit de bouwstijl van de Am­ster­damse School overge­ nomen. Vanuit het radiostation klonken op 28 februari 1928 de legen­ darische woorden van koningin Wilhelmina: ‘Hallo Bandoeng, hallo Bandoeng hoort u mij?’ Radio Kootwijk werd het middel­ punt van de wereld voor degenen die contact zochten met Neder­ lands-Indië. De radiotelegrafie werd in de zestiger jaren inge­ haald door telecommunicatie­ satellieten. Een tijdje werd de zender nog gebruikt voor het berichtenverkeer met schepen dat door Radio Scheveningen werd verzorgd. Ook hier kwam een einde aan. Na 75 jaar zweeg Radio Kootwijk definitief.

Kootwijkerzand In zijn boek Een Oud Hoekje der Veluwe (1878) beschreef

Start P

Stuifzand rond Kootwijk.

burge­meester C.A. Nairac van Barne­veld een tocht over het Koot­wijkerzand. ‘De tocht is bar, ’t gaat dwars door de zandver­ stuivingen; een geregelde weg bestaat er niet, hoewel de Garderense molenkar wekelijks de reis door die woestijn maakt. De zogenaamde weg verlegt zich, al naar de wind het goedvindt; waar heden de baan te vlak was,

Rob Wolfs publiceert zijn Trage Tochten op www.wandelzoekpagina.nl. Deze tocht kan gedownload worden op de Wandelzoekpagina onder Trage Tocht Hoog Buurlo: grote stille heide.

zal die morgen door heuvels bedekt zijn.’ Ooit waren de zandmassa’s be­groeid met dichte bossen. Door overbeweiding met schapen en bomenkap ontstonden uit­ge­ strek­te heidevelden. Waar die heidevelden ook weer te intensief gebruikt werden, kreeg het onder­liggende zand vrij spel. Van alles is er geprobeerd om het zand te beteugelen. Pas begin 20e eeuw slaagde men er in de ‘woeste gronden’ te bebossen. Het was de bedoeling om al het stuifzand rond Kootwijk te laten verdwijnen. Op het laatste mo­ ment zag men de grote land­ schappelijke waarde in van het resterende zand. Het is een van de meest barre milieus. Op war­ me zomerdagen kan de tempera­ tuur vlak boven de grond oplopen tot 60 oC. Buntgras en korstmos­ sen gedijen hier goed. Zelfs vliegdennen en jenever­bessen weten zich te handhaven.

NIEUWE VELUWE 1/15

45


Vrienden van de Veluwe

Veluws Verkiezingsdebat Vrijdag 27 februari vond het door de Veluwevrienden en Nieuwe Veluwe georganiseerde verkiezingsdebat plaats in Wageningen, onder leiding van Rob Berends, politiek verslaggever en columnist van de Gelderlander. Behalve lijsttrekkers en kandidaten van dertien partijen waren er ruim zestig mensen op het debat afge­komen. Voor de pauze reageerden de politici op vier stellingen: De Veluwe hoeft niet op nummer 1 te staan als toe­ris­tische bestem­ming, we moeten op de Veluwe kiezen voor meer wild, de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) is een fopspeen voor de natuur en een investeringsimpuls natuur en landschap is essentieel voor de Veluwse economie. Na de pauze boden de grote terreinbeheerders samen met enkele natuurorganisaties, ANWB en Recron het manifest Wild van de Veluwe aan. Als voorzet voor de provinciale investeringsagenda en het nieuwe college-akkoord. Behalve de Veluwe als toeristische topattractie wil het manifest de Veluwe op de Werelderfgoed-

46

NIEUWE VELUWE 1/15

lijst, een wildere Veluwe en nauwere banden tussen het Centraal Veluws Natuurgebied en de randzone tot IJssel, NederRijn en Randmeerkust. In krantenkoppen trok vooral het werelderfgoed de aandacht. In de discussie met de zaal kwamen twee andere punten naar voren, die wij van harte ondersteunen. De behoefte aan een Veluwebreed overleg dat de door de provincie opgeroepen particuliere initiatieven schift, verbindt en coördineert. En een duidelijkere rol voor de provincie als regisseur, want daaraan heeft het de afgelopen regeerperiode ontbroken. Nadere informatie over dit debat zie pagina 18-20 en www.nieuweveluwe.nl en www.veluwevrienden.nl.

Programmatische Aanpak Stikstof Veluwe Eind januari organiseerde de provincie een zeer druk bezochte voorlichtingsbijeenkomst over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Daarbij werd onder andere het computermodel AERIUS gedemonstreerd, dat

De Provinciale-Statenverkiezingen zijn achter de rug. Twaalf van de negentien partijen namen eind februari deel aan het Veluws Verkiezingsdebat. Bij de toon­ aangevende partijen lag de nadruk op – versterking van – de samen­werking tussen economie (landbouw, recreatie, cultuur) en ecologie (Veluwse topnatuur in al z’n diversiteit). Die natuur blijkt daarbij vaker een kostenpost dan de onontbeerlijke groene bron en long van de economie. Rendementsdenken, exploitatie en hobbyisme zijn slecht verenigbaar met dit uitgangspunt.

essentieel is voor het berekenen van de verwachte stikstofdepositie van elke vergunningplichtige economische activiteit, het registreren van de daarop gebaseerde ‘ontwikkelruimte’ van die activiteit en het volgen van de overall effecten van de PAS. Het rekenprogramma heeft een hoog doe-het-zelfgehalte. Begin februari uitte de Gelderse Natuur en Milieufederatie haar belangrijkste kritiekpunten op de PAS (zie ook pagina 21). Heel kort zijn dat: het effect van de ‘bronmaatregelen’ is te gering, de ‘herstelmaatregelen’ kunnen dat tekort niet duurzaam compenseren, 50% van de als gevolg van verwachte natuurwinst te boeken ‘depositieruimte’ wordt besteed aan economische groei (een ontoelaatbaar voorschot op de modelmatig verwachte natuurwinst), het cumulatieve effect van vele kleine emissiebronnen telt nauwe­­lijks en het computermodel AERIUS achter de PAS is onvoldoende transparant. De PAS wordt daarom wel gezien als een ‘afkoopsom’, dat wil zeggen geld dat de overheid betaalt aan be­heerders van bedreigde natuurterreinen voor ‘herstelmaatregelen’ om de ‘business as usual’ in de agrarische sector mogelijk te maken. Strikt genomen draait alles om ‘bronmaatregelen’ zoals minder dieren – ook om andere redenen wenselijk – en het uitplaatsen van bedrijven in bijvoorbeeld landbouwenclaves. Onze eerder aangekondigde publieksbijeenkomst over dit thema is uitgesteld tot de tweede helft van april.

De Veluwe op 1, met een + voor natuur Op 21 januari organiseerden Veluwefonds en provincie Gelderland een Veluwebijeenkomst in de Theaterloods van Radio Kootwijk. Het thema van deze middag: De Veluwe op 1, met een + voor natuur. Maar liefst ruim dertig Veluwepitches werden ten beste gegeven. Zo passeerden onder meer het Apeldoorns Kanaal, nieuwe land­goederen, een Veluws Food Event, Landgoed Logies, de hippische sport en cranberryteelt de revue. Ook de ondertekenaars van Wild van de Veluwe brachten de onderdelen van hun manifest naar voren. Het blijkt te bruisen van initiatieven die ervoor moeten zorgen dat de Veluwe weer de belangrijkste toeristische regio van het land wordt. Het is te hopen dat de Veluwse gemeenten en de provincie gezamenlijk voor de nodige coördinatie en regie zorgen, zodat al deze plannen ook op een goede manier uit­werken voor natuur en landschap. Nog mooier zou het zijn dat bij Veluwse initiatiefnemers en overheden het besef doordringt dat een provinciale ‘Investeringsimpuls Natuur en Landschap’ wel eens de belangrijkste sleutel zou kunnen zijn voor het opstuwen van de Veluwe als toeristische regio.

Lid of actief worden? Vrienden van de Veluwe is op zoek naar (actieve) leden. Aanmelden kan bij: Age de Vries, M: 06-25 48 11 14, E: age.de.vries@zonnet.nl


Boeken

Wijsgeer in het wild – essays over mens en natuur Johan van de Gronden, Athenaeum, als pocket: ISBN 9789025306748, € 19,99; als e-book: ISBN 978902530655, € 13,99, verwacht 6 mei Johan van de Gronden, filosoof en directeur van het Wereld Natuur Fonds, verkent het schemergebied tussen wijs­ begeerte en natuurbescherming. In essays beschouwt hij de grond­­slagen van de natuur­ bescher­­ming en de moraal van de mens. Het boek gaat over wie zijn wij zijn, wat onze plek is op de aarde en hoe we ons daartoe verhouden. Hij neemt ons daar­ voor mee op reis. Onder meer naar het geboortedorp van wildernisprofeet Henry David Thoreau. Aan de oevers van de Hudson zoekt hij naar de inspira­ tie van landschapschilder Thomas Cole en in Suriname waar hij heeft gewoond, gaat hij naar de Surinamerivier. Dichterbij, in Europa, bespeurt hij een wildernisrenaissance. We kunnen maar weer beter wennen aan bevers, zeearenden, elanden en wolven. ‘Het zijn ingebedde verhalen in de praktijk van de natuurbescherming die aan­leiding geven tot reflectie’, zegt Van de Gronden over zijn essays. Zie ook het interview op pagina 34.

De wolf terug – Eng of enerverend? Dick Klees e.a., Kosmos Uitgevers, ISBN 9052109869, € 14.99 Begin maart hield een week lang een door Drenthe en Groningen zwervende wolf de media en ons flink bezig. Wat moesten we van deze wolf vinden? Eng of enerverend? Dan blijkt hoe weinig we eigenlijk weten over de levenswijze van dit intrigerende dier. De meeste mensen kennen wolven alleen nog uit sprookjes, het lied van drs. P en de dierentuin. Dit boekje verscheen ongeveer gelijk met de wolf. Precies op tijd om uiteenlopende vragen over wolven beantwoord te krijgen. Vijf wolvendeskundigen, onder wie Leo Linnartz van Wolven in Neder­ land en Martin Drenthen van Radboud Universiteit Nijmegen, zijn ervoor gaan zitten en geven in deze uitgave heldere antwoorden op vragen als: Is het niet eng zo’n wild dier in ons kleine land? Kun je nog wel in de bossen wandelen en lopen onze huisdieren geen gevaar? Ze vertel­len over het gedrag van wolven, hun geschiedenis, én maken nieuwsgierig naar wat het kan betekenen als wolven zich hier vestigen. Dit boekje is een mooie aanvulling op eerdere artikelen in Nieuwe Veluwe over de komst van de wolf en of de Veluwe dan een geschikt gebied is voor het dier. Zie het decembernummer van 2014.

De hei is groot genoeg – Een geschiedenis van het Belgisch Vluchtoord op de heide te Ede 1915-1917 Gerard van Bruggen, uitgave in de reeks Historische Cahiers Ede, ISBN 97890623228, € 12,50

Natuur aan huis – Meer dieren in uw tuin Hans Peeters, KNNV Uitgeverij i.s.m. Vogelbescherming Nederland en Natuurpunt België, ISBN 9789050115193, € 29,95

Door de Duitse inval in België tijdens de Eerste Wereldoorlog sloegen veel Belgen op de vlucht. In Nederland werden door de regering meerdere vluchtoorden gebouwd en ingericht. Zo ook bij Ede op de heide; er was grond genoeg en de afstand tot het dorp was aanzienlijk. Ede moest een modelkamp worden met moderne voor­ zieningen. Er werden op een rechthoekige plattegrond drie dorpen gebouwd. Een vierde deel bestond uit voorzieningen zoals keukens, een elektrische centra­ le, magazijnen, werkplaatsen, een ziekenhuis, een school en een kerk. De capaciteit was maximaal 10.000 vluchtelingen. In februari 1915 kwamen de eersten en op het hoogtepunt in juli 1915 waren er ruim 4300 inwoners. In het voorjaar van 1917 ver­ trokken de laatste bewoners. Het vluchtoord werd gesloten, omdat het zogenaamd te duur zou zijn. Het boek is een herziene her­ uitgave van het boek van Gerard van Bruggen over de geschied­enis van het vluchtoord.

Een rijk ideeën- en kijkboek over vogel- en natuurvriendelijke tuinen en erven. Het laat zien hoe in alle seizoenen optimaal valt te genie­ten van prachtige natuur aan huis. Bijvoorbeeld door vogels, vlinders, bijen, vleermuizen en andere dieren naar je tuin te lokken. Het boek sluit onbedoeld mooi aan bij de nieuwe Jaarrond Tuintelling van zeven natuurorganisaties (zie pagina 50). De auteur geeft honderden tips en praktijkvoorbeelden, geïnspi­ reerd op 35 bijzondere erven, variërend van in bedrijf zijnde boerderijen, minicampings, woonboerderijen, klooster­ tuinen, een pastorietuin, een kasteelhoeve, theetuinen, een eendenkooi tot een stadserf. In Bennekom bieden vleeskalverhouders Jan en Gerjanne van Ginkel onder­dak aan onder meer tientallen boeren- en huiszwaluwen. Een aantal beschreven tuinen is voor publiek toegankelijk en andere geven een kijkje in hun privédomein.

NIEUWE VELUWE 1/15

47


Passie Wildfoto’s exposeren

48


tekst Annelies Barendrecht, foto Wim van Hof/gaw.nl

Wild, wild en nog eens wild. Honderden geprepareerde dieren en duizenden foto’s. Te bewonderen in de Expositie­ ruimte Veluwe in Barneveld. Het is een ‘kleine’ selectie van het nog lang niet voltooide levenswerk van Andy van Ommeren. Vrijwel dagelijks voegt hij nieuwe foto’s toe aan zijn immense collectie. ‘Als het weer het maar even toelaat ben ik te vinden in de natuur. Op vaste plekken waar ik contact heb met de dieren die daar leven.’

Een prater is de selfmade fotograaf niet. Alles wat hij te zeggen heeft, hangt aan grote panelen en aan de wanden van zijn 1200 vierkante meter grote expositieruimte. Communiceren doet hij vooral via zijn website en zijn boek Andy van Ommeren en zijn Veluwe, een educatief kijkboek vol foto’s van roodwild, moeflons, reewild, damwild, zwartwild, vossen en dassen, Schotse hoog­ landers, hazen en konijnen, marterachtigen en eekhoorns. Dat de expositieruimte tot de nok toe gevuld is met foto’s heeft een doel. ‘Ik wil zoveel mogelijk mensen laten meegenieten van al mijn ervaringen. Ik hoop dat mensen zich in een natuurlijke omgeving wanen en de natuur proeven en ruiken. Hier kan geen biologieles tegenop.’

Tweede leven Overigens, om maar even op de educatieve toer te blijven, zijn er ook vierhonderd dieren fysiek aanwezig in de tentoonstellingshal. Geprepareerd door iemand die net als hij respect heeft voor de natuur en ze bijna tot leven wekt. Korhoenders met hun rode petjes, buizerds die zich met kennelijke graagte tegoed doen aan een malse fazant, een manshoog edelhert en een imposant hoofd van een Schotse hooglander. En nog heel veel meer. Ook die verzameling groeit met de dag. Er komt van alles binnen, van verkeersslachtoffers tot afgeschoten wild. Mensen weten onder­ tussen dat veel dieren bij hem een tweede leven krijgen. Van Ommeren groeide op in een ondernemersgezin. Als kind wist hij niet beter dan dat hij na schooltijd in de zaak bezig was. Een groothandel in producten voor de handel en industrie met ves­ tigingen in het hele land. Na de lts kreeg hij meer verantwoordelijk­ heden en verhuisde hij naar Zuid-Limburg om daar een vestiging te beheren. Na 33 jaar werd het familiebedrijf opgekocht, alle vestigingen gingen dicht. Het ging de familie wel aan het hart, want met hard werken, in eerste instantie vanuit een boerenschuur, hadden ze met elkaar een mooi bedrijf opgebouwd. Het pand in Barneveld bleef echter onverhuurd, een geluk bij een ongeluk, want Van Ommeren wist er wel raad mee. Hij kan nu doen waar hij zich elke dag opnieuw op verheugt: foto’s maken op de Veluwe. Bijna therapeutische ervaring Wild fotograferen doet hij al sinds hij als twaalfjarige jongen zijn eerste analoge camera kreeg. Voor die tijd was hij ook al veel op de Veluwe, maar bleef het bij wachten en kijken door een verrekijker. Nog steeds ervaart hij buitenzijn als een bijna therapeutische ervaring. ‘Het maakt je hoofd schoon. Toen ik nog een bedrijf had, vond ik fotograferen in de natuur zó rustgevend. De stilte, de con­ centratie van het kijken, het ‘afschakelen van alle drukte’; het is voor mij als ademhalen. Ik kan niet zonder.’

Hij fotografeert vooral op de wildbaan, vaak in een voor het publiek afgesloten stuk bos, en bij vliegveld Terlet waarvoor hij een speciale vergunning heeft. De dieren zijn aan hem gewend en hij aan hen. Ze hebben een speciale band met elkaar en dat komt de fotografie ten goede. ‘Ik heb steeds dezelfde kleding aan, daar herkent het wild me aan. Sommige dieren kijken me, als ze me zien, alleen maar aan met een blik van ‘daar heb je hem weer’.’

Onvergetelijke ervaringen De kans dat hij wild ziet is in de loop der jaren groter geworden. ‘Er zijn wildcorridors en er wordt minder afgeschoten. Het is veel gemakkelijker voor dieren om een gebied te vinden waar ze kunnen grazen.’ Niet dat wild fotograferen door de aanwas aan wild een fluitje van een cent is geworden. Vaak wacht hij uren in zijn schuilplaats totdat er wat gebeurt. ‘Maar juist die spanning dat je niet weet wat er gaat komen, maakt het steeds weer boeiend om op stap te gaan.’ Wijzend op een foto van een groep moeflons vertelt hij dat die plotseling voor zijn neus stond te grazen, terwijl hij weggekropen zat achter een grote eik. Een onvergetelijke ervaring, zoals hij er zo vele heeft. Elk jaargetijde heeft zijn eigen charmes, maar het voorjaar heeft toch wel zijn voorkeur. ‘Die pasgeboren kalfjes zijn zó leuk om naar te kijken. Ze zijn spontaan en zich nog van geen gevaar bewust. Ik zal nooit vergeten dat ik achter een vliegden verscholen zat en er op een afstand van zo’n vijftien meter een stuk of vijftien herten in de hei gingen liggen. Drie uur lang heb ik mijn adem ingehouden, want ik wilde ze niet storen, toen gingen ze weer op pad.’

‘Hopelijk wanen mensen zich hier in een natuurlijke omgeving en proeven en ruiken ze de natuur’ Wisselende exposities Zo heeft elke foto zijn eigen verhaal. Van Ommeren heeft de foto’s dan ook zo lief dat hij er geen afstand van kan doen. Liever wisselt hij de expositie geregeld en loopt hij dagelijks langs alle beelden met herinneringen. Over later denkt hij nog niet na. Bij het idee van een museum lacht hij even. Wie weet. Vooralsnog gaat hij gewoon vrijwel elke dag op pad met zijn 600 mm telelens en statief, in zijn bekende kloffie, weer of geen weer. ’s Avonds kan hij niet wachten om de beelden op de computer te bekijken. Een beetje aansnijden, even wat scherper maken; dat is het wel zo’n beetje. Puur natuur, tot in de finesses.’ De expositieruimte aan de Harselaarseweg 2 in Barneveld is elke zondag tussen 14.00 en 18.00 uur geopend. Andy van Ommeren geeft, indien gewenst, rondleidingen.

NIEUWE VELUWE 1/15

49


Actueel Natuurorganisaties zetten groot nationaal tuinonderzoek op Zeven natuurorganisaties zijn samen de Jaarrond Tuintelling gestart om beter in beeld te krijgen wat er in de Nederlandse tuinen aan natuur te beleven valt. Veel is bekend over dieren in de natuur, maar nog relatief weinig over dieren in tuinen, zeggen de organisaties Vogel­ bescherming Nederland, Sovon Vogelonderzoek Nederland, Zoog­ diervereniging, Ravon, Floron, Eis en De Vlinder­stich­ting. En dat terwijl alle tuinen samen een natuurgebied vormen dat vijf keer

groter is dan de Oostvaarders­ plassen. In tuinen zitten meer bijzondere soorten dan mensen vaak denken. Maar ook over de gewone soor­ ten is nog veel onbekend. Welke vogels zitten er eigenlijk en vooral, wanneer? Welke vlinders maken gebruik van bloeiende planten? De organisaties hopen er meer zicht op te krijgen met hulp van vele tuinenbezitters die het hele jaar door het leven in hun eigen tuin gaan tellen. Met de telling willen de organisaties

Agenda Kunst & cultuur Sinds 1 maart Voerman Museum Hattem Klokbekers, het kindergraf van Assenrade Bijzondere vondsten van opgravingen bij Hattemerbroek, Hanzelijn en Assenrade, waaronder een kindergraf uit de Klokbekercultuur met een complete Veluwse klokbeker en een -schaal. www.voermanmuseumhattem.nl

50

mensen ook meer betrekken bij de natuur in eigen tuin. De in­ rich­ting ervan bepaalt welke soorten er kunnen leven en welke verdwijnen. Na het officiële startschot op 22 maart bij het radioprogramma Vroege Vogels namen al veel mensen de moeite zich in te schrijven als deelnemer. U kunt zich ook inschrijven via de website tuintelling.nl. Op de website staan ook tips om het dierenleven in de tuin en op het balkon te bevorderen.

foto Koos Dansen

18 t/m 24 april diverse locaties Museumweek Doe een Museum Na jaren achtereen Museumweekenden is het evenement uitgegroeid tot een Museumweek vol activiteiten. www.nationalemuseumweek.nl

17 april Nationaal Park Veluwezoom, Rheden Dieren kijken Wandel de avond tegemoet en ontdek de sporen van imposante edelherten tot kleine bosmuisjes en alles daar tussenin. www.natuurmonumenten.nl

25 april t/m 27 september Kröller-Müller Museum, Otterlo Van Gogh & Co. Dwars door de collectie In het Van Goghjaar 2015 vergelijkt het museum werk van Vincent van Gogh met dat van voorgangers, tijdgenoten en navolgers. www.krollermuller.nl

18 april Landgoed De Schaffelaar, Barneveld Zintuigenwandeling Maak kennis met natuurbeleving met uw zintuigen: zien, horen, ruiken, voelen maar vooral natuur proeven op een nieuwe manier. www.glk.nl

Natuur & landschap

5 april t/m 20 september Beeldengalerij Het Depot, Wageningen Dood en Leven De dood én het leven horen bij elkaar als compagnons. Dat was in de oudheid zo en vandaag de dag is daar niets aan veranderd. www.hetdepot.nl

11 april Tongerense Heide en Wisselse Veen, Epe Lange lentewandeling In het hoge gebied van de Tongerense Heide wisselen bos, heide en vennetjes elkaar af. Afdalend naar het Wisselse Veen wordt het terrein vlakker en natter. Wandeling van 18 km. www.glk.nl

25 april t/m 12 september Noord-Veluws Museum, Nunspeet Schapenschilders Schapen en herders horen bij de Veluwe en vormden een onderwerp voor schilders. www.noord-veluws-museum.nl

14 en 28 april en 12 mei IVN, Apeldoorn Vlindercursus De nadruk ligt op overdag vliegende vlindersoorten en hun voedsel- en waardplanten. https://ivn.nl/afdeling/apeldoorn

NIEUWE VELUWE 1/15

Gekraagde roodstaart.

25 april Ugchelen Nordic-Wandeldag Stichting Nordic Walking Veluwe heeft routes uitgezet van 10, 20 en 30 km met lussen van ongeveer 5 km, zodat ook 15 of 25 km is te lopen. www.nw2daagse.nl 29 april Wolfheze Op pad met de Haagse School De schilders van de Oosterbeekse en Haagse School waren gefascineerd van de natuur rond Wolfheze. Aan de hand van een aantal schilderijen gaat u op zoek naar bijzondere plekken. Bezoek vervolgens of juist ervoor de tentoonstelling Holland op z’n mooist (t/m 30 augustus in Gemeentemuseum Den Haag). www.natuurmonumenten.nl


Het Veluwefonds investeert in een duurzame Veluwe

Het Veluwefonds wil dat iedereen er nog lang kan wonen, werken en genieten. Het fonds zet zich dan ook in voor een duur­zame ontwikkeling van de Veluwe. Door initiatieven en economische bedrijvig­heid te ondersteunen, die de Veluwe nog mooier én leuker maken.

Investeer ook in een duurzame Veluwe.

gaw ontwerp+communicatie

Ga naar www.veluwefonds.nl en wordt donateur van het Veluwefonds, vanaf € 50 per jaar.

De makers van Nieuwe Veluwe doen veel!

Werk mee aan een stevig fundament onder Nieuwe Veluwe

Voor u of uw organisatie gaan we ook graag

Neem een abonnement of geef een abonnement

aan de slag. Bijvoorbeeld voor een huisstijl, folder, brochure, e-nieuwsbrief, website, (e-)boek en nog veel meer. We ontwerpen, schrijven of redigeren teksten en fotograferen. Neem eens vrijblijvend contact met ons op. oF meldt u aan voor onze nieuwsbrief via info@gaw.nl.

Een jaarabonnement op Nieuwe Veluwe (4 nummers) kost e 31,00 bij automatische incasso; anders e 33,00. Wilt u betalen via automatische incasso, ga dan naar www.nieuweveluwe.nl, klik op ‘abonnement’ en vul het formulier in. U betaalt dan slechts e 31,00. U kunt ook een abonnement nemen of geven door een mail met naam, adres, postcode en woonplaats te sturen naar abonnementen@nieuweveluwe.nl. U krijgt dan een nota voor het abonnementsgeld à e 33,00.

Schip van Blaauw Generaal Foulkesweg 72 6703 BW Wageningen T 0317 425880

Nieu weVel

NATUUR, KUNST EN CULTUUR

info@gaw.nl www.gaw.nl Op de hoogte blijven? www.facebook.com/ nieuweveluwe

uwe


Foto Willem van Leuveren

50 klompenpaden Door het cultuurlandschap van Gelderland en Utrecht Klompenpaden zijn rondwandelingen in het agrarisch cultuurlandschap. Ze gaan zoveel mogelijk over historisch tracé en voeren over onverharde paden via boerenland en landgoederen. Rust, kleinschaligheid en de combinatie van cultuur en natuur bepalen de sfeer en vertellen bewoners en wandelaars over de geschiedenis van hun omgeving. Met het herstellen en zichtbaar maken van deze wandelroutes dragen Landschap Erfgoed Utrecht en Stichting Landschapsbeheer Gelderland bij aan de beleefbaarheid van het landschap en de cultuurhistorie.

en fotograaf Willem van Leuveren liepen ze allemaal en legden ze vast in woord en beeld. Hun impressies worden aangevuld met gedichten van Aad van Eerland, grafiek van Jan Hiensch en recepten van Christian Weij.

Columns Wim Huijser, Foto’s Willem van Leuveren, Gedichten Aad Eerland, Grafiek Jan Hiensch, Recepten Christian Weij Otabind, 12 x 17 cm, 320 pagina’s met afbeeldingen ISBN 978-90-75271-86-7, NUR 502, prijs € 15,00 Uitgave in samenwerking met Landschapsbeheer Gelderland en Landschap Erfgoed Utrecht

De eerste 50 klompenpaden vormden de inspiratie voor dit boekje. Columnist Wim Huijser

Bestellen via de boekhandel of via www.uitgeverijblauwdruk.nl

Generaal FoulkesweG 72 . 6703 Bw . waGeninGen . 0317 425890 . inFo@uitGeverijBlauwdruk.nl . www.uitGeverijBlauwdruk.nl

Profile for GAW ontwerp + communicatie

Nieuwe Veluwe 1 2015  

Nieuwe Veluwe gaat over natuur en landschap, kunst en cultuur en biedt een platform voor discussie en opinie. Nieuwe Veluwe beoogt een inhou...

Nieuwe Veluwe 1 2015  

Nieuwe Veluwe gaat over natuur en landschap, kunst en cultuur en biedt een platform voor discussie en opinie. Nieuwe Veluwe beoogt een inhou...

Advertisement