Page 1

Bijstand: “De bijstand in de praktijk 2018”. H1: Inleiding Participatiewet. §1.1. Algemeen. De uitvoering van de Pw is overgedragen aan het college van B&W. De naamgeving van de dienst of afdeling die de Pw uitvoert is per gemeente of samenwerkingsverband verschillend. Hier wordt het uitvoerend orgaan de ‘sociale dienst’ genoemd.

§1.2. Historie. Het begon in de 19e eeuw met de Armenwet. Hier speelde de overheid nog niet zo’n grote rol. Vanaf 1965 werd dit de Algemene Bijstandswet (ABW). Toen kreeg de overheid de plicht tot bijstandsverlening over te gaan in situaties dat mensen geen geld hadden om in hun levensonderhoud te voorzien. De ABW werd gewijzigd in de Abw. De ‘vangnet-functie’ werd de ‘trampoline-functie’. Pas als geen beroep meer kon worden gedaan op andere voorzieningen, kon aanspraak worden gemaakt op bijstand. De Abw werd in 2004 vervangen door de Wet Werk en Bijstand (WWB). Er moest alles aan worden gedaan om de cliënt weer aan het werk te krijgen. In 2015 werd toen de PW ingevoerd en hiermee was de WWB niet meer van toepassing. De verplichtingen zijn aangescherpt en de maatregelen verzwaard. De kostendelersnorm is ingevoerd en daarmee is ook de normering van de bijstand ingrijpend gewijzigd. Per 2016 is de kostendelersnorm aangepast en is de Wet Taaleis ingevoerd.

§1.3. Plaats binnen sociale zekerheid. De Pw is het sluitstuk binnen de sociale zekerheid. Het wordt uitgevoerd door gemeenten. De minister van SZW is eindverantwoordelijk voor het gehele socialezekerheidsstelsel. Het toezicht wordt uitgevoerd door Toezicht Sociaal Domein (TSD). De vier inspecties die binnen de TSD samenwerken zijn: - De inspectie voor de Gezondheidszorg; - De Inspectie van het Onderwijs; - De Inspectie Veiligheid en Justitie; - De Inspectie SZW. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) is belast met de uitvoering van de: - Algemene ouderdomswet (AOW); - Algemene nabestaandenwet (Anw); - Algemene kinderbijslagwet (AKW); - Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO). Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) voert de Werkloosheidswet (WW, de Toeslagenwet (TW) en diverse arbeidsongeschiktheidsregelingen zoals de Wajong, de WAO en de WIA uit. De gemeente is zelf primair verantwoordelijk voor de uitvoering van de Pw.


§1.4. Structuur uitvoering werk en inkomen. De wet SUWI is een overkoepelende wet voor diverse instanties die zich in de ontwikkeling, uitvoering en controle bezighouden met werk en inkomen. Werk wordt uitdrukkelijk boven uitkering gesteld. Werkplein: samenwerkingsverband tussen UWV en gemeenten. De complementaire dienstverlening wordt gerealiseerd volgens de volgende principes: - Eén aanspreekpunt; - Een goede diagnose aan de kop van het proces; - Een cliëntbenadering die uitgaat van vertrouwen en een snelle dienstverlening; - Geen verschil in gedrag en houding van de medewerkers van de partners; - Een sluitend cliëntvolgsysteem; en - Een gezamenlijke werkgeversbenadering. De medewerkers van de gemeente dienen het gehele proces rond werk, inkomen, participatie en zorg te regisseren. Zij dienen het hele proces te bewaken en zorg te dragen voor een effectieve en efficiënte ondersteuning. Onder procesbewaking en doelmatige ondersteuning vallen onder meer de onderstaande taken: - Verificatie en controle van verkregen gegevens; - Eventueel instellen bijzonder onderzoek; - Besluitvorming over het recht op een uitkering; - Administratieve verwerking van de gegevens; - Betaling van de uitkering; - Re-integratie en participatie van werkzoekenden; - Controle op de rechtmatigheid van de uitkering en de doelmatigheid van de re-integratie.

§1.5. Kerntaken. De hoofddoelstellingen van de Pw zijn: - Beperken van de instroom; - Vergroten van de uitstroom; - Het correct verstrekken van uitkeringen aan rechthebbenden. Hierin speelt het Werkplein een grote rol. Iedereen die een bijstandsuitkering ontvangt, dient zich dan ook volledig te richten op werk en re-integratie. De gemeente kan als ondersteuning voor de arbeidsinschakelingen voorziening treffen zodat de kansen op het verkrijgen van werk worden vergroot. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in personen jonger dan 27 jaar en personen van 27 jaar en ouder. De Pw is onder te verdelen in twee soorten (art. 5 Pw): 1. De uitkering voor levensonderhoud: een maandelijkse verstrekking waarmee de cliënt in de noodzakelijke levensbehoeften kan voorzien. 2. De bijzondere bijstand: een geldelijke vergoeding voor bijzondere kosten die o.g.v. individuele omstandigheden niet uit het reguliere inkomen kunnen worden betaald (individuele inkomenstoeslag en individuele studietoeslag).


Onderdeel fiscaal: “Fiscale verdieping sociaal zekerheidsrecht, heffingskortingen, persoonsgebonden aftrek en voorlopige aanslag in samenhang met de Participatiewet (2018)”. H1: Inleiding. Uitkeringsgerechtigden zullen, naast het sociale zekerheidsrecht, te maken hebben met fiscale wetgeving. Omdat er voor de uitkering grote gevolgen kunnen optreden bij een wijziging in de persoonlijke of financiële omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde, is het van belang hier nader op in te gaan.

H2: Wet Inkomensbelasting 2001. Wet Inkomensbelasting 2001 = Wet IB 2001. Verschillende inkomsten worden in aparte boxen belast: boxenstelsel. De Wet IB 2001 onderscheidt drie boxen, met daarin bijbehorende soorten belastbare inkomens die verschillend worden belast. Elk soort inkomen is ondergebracht in een aparte box met een eigen tarief: - Box 1: inkomen uit werk en woning (progressief belast, oplopend van 36,55% tot 51,95%); - Box 2: inkomen uit aanmerkelijk belang aandelen (belast tegen een tarief van 25%); - Box 3: inkomen uit sparen en beleggen (belast tegen een tarief van 30%).

§2.1. Box 1. In box 1 worden inkomsten uit werk en woning betrokken. Het inkomen uit werk en woning bestaat ondermeer uit het gezamenlijke bedrag van: a) Winst uit onderneming; b) Loon uit tegenwoordige en vroegere dienstbetrekking (zoals pensioen en sociale uitkeringen); c) Resultaat uit overige werkzaamheden (uit bijvoorbeeld freelancewerkzaamheden); d) Periodieke uitkeringen en verstrekkingen (bijvoorbeeld lijfrentetermijnen en alimentatie); e) Inkomsten uit de eigen woning (koopwoning). Box 1 kent een progressief belastingtarief. Dat wil zeggen dat de belastingdruk groter wordt naarmate het totaalinkomen in box 1 hoger is. De opbouw van het tarief van box 1 voor 2018 ziet er als volgt uit: Schij f 1 2 3 4

Belastbaar inkomen

Tarief tot AOW-leeftijd1

Tarief bij AOW-leeftijd2

t/m € 20.142 meer dan € 20.142 tot € 33.994 meer € 33.994 tot € 68.507 meer dan € 68.507

36,55% 40,85% 40,85% 51,95%

18,65% 22,95% 40,85% 51,95%

De voor de schijven 1 en 2 opgenomen tarieven zijn samengesteld uit een belastingtarief en een tarief voor de premieheffing volksverzekeringen (gecombineerde heffingstarief van box 1).

1 Artikel 2.10 Wet IB 2001 2Artikel 2.10a Wet IB 2001


§2.2. Box 2. Aandeelhouders van een rechtspersoon (met name een BV of NV) zijn vanaf een privébezit van 5% van de aandelen ‘aanmerkelijk belanghouder’. Voordelen uit dergelijke aandelen worden apart in box 2 in de belastingheffing betrokken.

§2.3. Box 3. Bezittingen en schulden van een natuurlijke persoon vallen in box 3, voor zover het positieve saldo ervan meer bedraagt dan € 30.000. - Persoonlijke zaken voor dagelijks gebruik (zoals een auto, TV en computer) zijn van de heffing in box 3 vrijgesteld. - Een eigen woning valt in box 1 en niet in box 3.

§2.4. Heffingssystematiek. Inkomsten kunnen maar in één box worden belast, zodat er geen sprake kan zijn van dubbele belastingheffing. De inkomsten kunnen worden verlaagd met aftrekbare kosten, verliezen uit voorgaande jaren of persoonlijke aftrekposten. Als laatste wordt de uiteindelijk berekende belasting verminderd met de heffingskorting. Als het inkomen in een box negatief is, kan dat niet worden verrekend met een positief inkomen in een andere box. Wel is binnen box 1 en 2 verrekening mogelijk met een positief inkomen uit dezelfde box van vorige of komende jaren. In box 3 is dat niet mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er kosten zijn die niet inkomen- en dus niet box-gerelateerd zijn. Dergelijke uitgaven horen dan niet in een afzonderlijke box thuis, maar kunnen in bepaalde gevallen toch tot een lager belastbaar inkomen leiden. Ze vormen dan persoonsgebonden aftrekposten. Deze persoonsgebonden aftrekposten zijn (art. 6.1 e.v. Wet IB 2001): - Betaalde alimentatie en andere onderhoudsverplichtingen; - Uitgaven voor specifieke zorgkosten; - Weekenduitgaven voor gehandicapten; - Kosten van studie of scholing; - Uitgaven voor monumentenpanden; - Aftrekbare giften. Deze persoonsgebonden aftrekposten verminderen het inkomen in box 1. Is het box 1 inkomen ontoereikend, dan komt het meerdere in aftrek bij box 3 en pas daarna bij box 2 (art. 6.2 Wet IB 2001). De persoonsgebonden aftrekposten kunnen dus niet tot een negatief bedrag in een box leiden. Na toepassing van de persoonsgebonden aftrekposten wordt per box afzonderlijk de belasting berekend. Vervolgens worden de berekende belastingen van box 1, 2 en 3 samengeteld. Het totaal van de individueel toe te passen heffingskortingen vormt een korting op de totaal berekende belasting van box 1, 2 en 3. De hoogte van de heffingskorting is afhankelijk van persoonlijke omstandigheden zoals leeftijd en het al dan niet hebben van een baan, fiscale partner en/of kinderen.

Preview reader sor2  
Preview reader sor2  
Advertisement