Page 1

Hoofdstuk 1: Inleiding 1.4 Functies en beginselen 1.4.1 Individuele rechtsbescherming; nevenfuncties Rechtsbescherming ziet op de bescherming van de rechtspositie van de burger. De rechtsbeschermingsfunctie is de primaire doelstelling van het bestuursprocesrecht. Het onderscheid tussen beide invalshoeken, rechtshandhaving en individuele rechtsbescherming, hebben invloed op de concrete invulling van het procesrecht. - Rechtshandhaving is gebaat met een ruime toegang tot een controlerende instantie die over ruime toetsingsbevoegdheden beschikt. In principe zou iedereen tegen elke bestuurshandeling moeten kunnen opkomen, terwijl die handeling vervolgens in al haar onderdelen getoetst zou moeten worden, desnoods met een herziening ten nadele van eiser als resultaat. - In principe zou individuele rechtsbescherming gereserveerd kunnen blijven voor rechthebbenden die door een bepaalde handeling in een subjectief recht zijn getroffen, terwijl die handeling slechts voor zover door hen bestreden, getoetst mag worden. Geschilbeslechting is meer gericht op de definitieve beĂŤindiging van een conflict, te weten wat partijen achter het besluit verdeeld houdt. Naast de hoofdfunctie van de individuele rechtsbescherming zijn er enige nevenfuncties. - Zo kan een adequaat rechtsbeschermingsstelsel ten goede komen aan de legitimiteit van de overheid. Een voorbeeld hiervan is de trias politica. - Een andere nevenfunctie van een adequaat stelsel van rechtsbescherming is dat het ten goede komt aan de kwaliteit van het bestuur. Te denken valt aan de mogelijkheid om een onjuist besluit in bezwaar of administratief beroep of na een vernietiging door de rechter te verbeteren. Naast dit alles vervullen de afzonderlijke bestuursrechtelijke voorzieningen hun eigen specifieke functies. Zo heeft rechtspraak naast het bieden van individuele rechtsbescherming tevens het bevorderen van de rechtsontwikkeling en de rechtseenheid tot taak. 1.4.2 Beginselen van het stelsel van rechtsbescherming Aan de rechtsbescherming tegen bestuurshandelen liggen de volgende beginselen ten grondslag: - Er moet gelegenheid zijn tot het instellen van beroep bij een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Art. 6 EVRM (hoofdbeginsel). - Aan rechtspraak moet een bestuurlijke heroverweging voorafgaan. Rauwelijks beroep bij een rechter is in het algemeen onwenselijk: de wederpartij dient eerst op de hoogte te worden gebracht van het geschil en in de gelegenheid te worden gesteld daarop te reageren en wellicht met een oplossing te komen. In het bestuursrecht is dan sprake van volledige heroverweging en verlengde besluitvorming. - Er moet rechtspraak in twee feitelijke instanties bestaan. Er moet een mogelijkheid zijn om een rechterlijke uitspraak aan een hogere rechterlijke instantie voor te leggen, ook op het punt van de feitenvaststelling en waardering.


-

-

-

De rechtsbescherming moet toegankelijk zijn. o Het toegankelijkheidsbeginsel eist dat bij een voor bezwaar of beroep vatbaar besluit het daartegen openstaande rechtsmiddel wordt vermeld, en dat een verkeerd geadresseerd bezwaar- of beroepschrift naar het bevoegde orgaan wordt doorgezonden. o Het toegankelijkheidsbeginsel stelt beperkingen aan de hoogte van het griffierecht en aan het financiĂŤle procesrisico. o Het beginsel brengt verder mee dat een justitiabele onder omstandigheden recht heeft op juridische en andere bijstand en dat hij zich mag laten bijstaan of vertegenwoordigen. Zowel de rechtseenheid als de rechtsontwikkeling moet worden gewaarborgd. De rechtsbescherming moet effectief en tijdig zijn. o Het uitgangspunt is dat de gegrondheid van het bezwaar of beroep resulteert in het ongedaan maken van het besteden besluit. o Verder eist het effectiviteitsbeginsel dat de rechtsbescherming tijdig is. De beslistermijnen zijn genoemd in art. 7:10 en 7:24 Awb. De rechtsbescherming moet efficiĂŤnt zijn. Er moeten verschillende soorten procedures zijn; dit in het belang van evenredigheid tussen enerzijds het belang en de complexiteit van de zaak en anderzijds de inzet van personele, materiele en financiĂŤle rechtsbeschermingsmiddelen (art. 8:10, 8:10a, 8:54 Awb).

1.4.3 Functie en beginselen van het bestuursprocesrecht Naast de functies en beginselen van het stelsel van rechtsbescherming zijn er ook functies en beginselen van het bestuursprocesrecht, namelijk: - Onpartijdigheid. Het beginsel van onpartijdigheid impliceert dat degene die over de zaak oordeelt, daar geen eigen belang bij heeft, niet vooringenomen is en overigens in onbevangenheid en vrijheid zijn eigen oordeel over de zaak kan vormen. - Ongelijkheidscompensatie. Het beginsel van ongelijkheidscompensatie komt erop neer dat degene die voor de zaak oordeelt, rekening moet houden met verschillen tussen de machtsposities van partijen. - Hoor en wederhoor. Partijen dienen over dezelfde informatie te kunnen beschikken, en op elkaars standpunten te reageren. Zij moeten voldoende gelegenheid krijgen om hun belangen tegenover het beslissende orgaan schriftelijk en mondeling te bepleiten. - Openbare behandeling. Op grond van dit beginsel dient in ieder geval het onderzoek ter zitting openbaar te zijn (art. 8:62 Awb en art. 121 GW). - Openbare en gemotiveerde uitspraak. Dit beginsel betekent dat de uitspraak in het openbaar moet worden gedaan (art. 8:78 Awb). Een uitspraak dient de gronden te bevatten waarop zij rust. De motivering moet kenbaar en begrijpelijk zijn. - Tijdige behandeling. Het tijdigheidsbeginsel, dat mede in art. 6 lid 1 EVRM is neergelegd, houdt in dat binnen een redelijke termijn een beslissing in de zaak wordt genomen. Alleen voor bezwaar en administratief beroep gelden wettelijke beslistermijnen (art. 7:10 en 7:24 Awb).


1.4.4 Vergelijking met het burgerlijk procesrecht Op het punt van de ongelijkheidscompensatie bestaat een verschil tussen bestuursprocesrecht en burgerlijk procesrecht. - Dit verschil heeft te maken met het idee dat het in het bestuursrecht om verticale rechtsbetrekkingen gaat, tussen een bestuursorgaan dat over veel machtsmiddelen (bevoegdheden, geld, kennis) beschikt, en een individuele burger die tegen zijn wil in een betrekking met het bestuursorgaan geplaatst kan worden, en dergelijke middelen dan niet tot zijn beschikking heeft. - Daarnaast is een opvallend verschil dat het bestuursprocesrecht is gericht op de rechtmatigheidstoetsing ex tunc van een besluit, en het burgerlijk procesrecht op het ex nunc vaststellen van een rechtsbetrekking.

1.7 Enkele kernbegrippen uit de Algemene wet Bestuursrecht De Algemene wet bestuursrecht is gelaagd opgebouwd, van algemeen naar bijzonder. 1.7.1 Het bestuursorgaan Een bevoegdheid tot het verrichten van publiekrechtelijke rechtshandelingen komt niet toe aan een overheidslichaam als rechtspersoon maar aan bestuursorganen als zelfstandige rechtssubjecten; die personen hebben een eigen bevoegdheid, treden bij een beroep op als verwerende procespartij en kunnen soms ook als klagende partij optreden. Volgens art. 1:1 lid 1 Awb worden in beginsel als bestuursorgaan aangemerkt: a. alle organen van de Staat en van andere rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld, zoals provincies en gemeenten, en b. andere personen en colleges die met enig openbaar gezag zijn bekleed. De volgende personen en colleges kunnen als a-orgaan worden beschouwd: 1. de personen en colleges die als organen worden genoemd in de wet die de instellingen en/of organisatie van zo’n rechtspersoon regelt, zoals ministers, gemeenteraad, college van B&W, burgemeesters; 2. alle personen of colleges binnen zo’n rechtspersoon waaraan eigen publiekrechtelijke bevoegdheden toekomen, bijvoorbeeld ambtelijke bestuursorganen, zoals de belastinginspecteur of de ambtenaar van de burgerlijke stand. Volgens de definitie is een b-orgaan een ander persoon of college met enig openbaar gezag bekleed, bijvoorbeeld stichtingen en verenigingen. Openbaar gezag wordt gelijkgesteld met het kunnen nemen van besluiten in de zin van art. 1:3 Awb. B-organen zijn slechts bestuursorganen voor zover ze het hun toekomende openbaar gezag uitoefenen. Volgens art. 1:1 lid 2 Awb valt een groot aantal overheidsorganen, zoals de wetgevende macht, de Kamers van de Staten-Generaal, onafhankelijke gerechten en de Raad van State, niet onder het begrip bestuursorgaan in de zin van de Awb. Op grond van art. 1:1 lid 3 Awb vallen de uitgezonderde organen wel onder de Awb voor zover het hun rechtsbetrekking met hun ambtenaren betreft.

Bestuursprocesrecht preview  
Bestuursprocesrecht preview  
Advertisement