Page 1

Expertenadvies prioritair venherstel Turnhouts Vennengebied-West Bestek N4TV02/venherstel

Vlaamse Landmaatschappij i.s.m. Agentschap voor Natuur en Bos 29 augustus 2008 Definitief eindrapport 817131


Hanswijkdries 80 B-2800 Mechelen +32 (0)15 405656 015/40.56.57 info@haskoning.be www.royalhaskoning.com

Documenttitel

Expertenadvies prioritair venherstel Turnhouts Vennengebied-West Bestek N4TV02/venherstel

Verkorte documenttitel

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied

Status

Definitief eindrapport

Datum

29 augustus 2008

Projectnaam Projectnummer Auteur(s)

Opdrachtgever Referentie

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied 817131 Floris Vanderhaeghe, Emiel Brouwer, Hein van Kleef, Saskia Van Den Broeck, Bart Vercoutere Vlaamse Landmaatschappij i.s.m. Agentschap voor Natuur en Bos 817131/R2c/FVH/Mech

Telefoon Fax E-mail Internet


INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING 1.1 1.2 1.2.1 1.2.2 1.2.3 1.3 1.4 1.5

Blz.

Algemeen kader Geohydrologische en hydrografische situering van het Vennengebied Geohydrologie Waterlopenstelsel (figuur 1.3) Intrekgebieden oppervlakkige afvloei van regenwater naar de vennen Doelstellingen Rapportering Leeswijzer

1 1 1 1 4 5 5 5 6

2

OPZET EN METHODIEK 2.1 Opzet van de studie 2.2 Beschrijving van de vennen 2.2.1 Waterpeilen 2.2.2 Water- en bodemkwaliteit 2.2.3 Slibdikte in vennen 2.2.4 Vegetatie 2.2.5 Fauna 2.2.6 Integratie en interpretatie systeemwerking 2.3 Vooronderzoek herinrichting landbouwgronden 2.4 Veldexperiment rond zonnebaarzen 2.5 Uitvoeringsgericht herstelprogramma

7 7 7 7 8 9 9 10 11 11 12 14

3

UITGANGSSITUATIE VAN DE VENNEN 3.1 Waterpeilen 3.2 Water- en bodemkwaliteit in de vennen en in hun omgeving 3.2.1 Grote Klotteraard 3.2.2 Haverven 3.2.3 Peerdsven 3.2.4 Kleine Klotteraard Oost 3.2.5 Kleine Klotteraard West 3.2.6 Zandven 3.2.7 Koeven 3.2.8 Satellietven tussen Zand- en Koeven 3.2.9 Nonnenmoer 3.3 Slibdikte 3.4 Vegetatie 3.4.1 Grote Klotteraard (figuur 3.4) 3.4.2 Haverven, satellietven oost en satellietven west (figuur 3.5a en b) 3.4.3 Peerdsven (figuur 3.6) 3.4.4 Kleine Klotteraard Oost (figuur 3.7) 3.4.5 Kleine Klotteraard West (figuur 3.7) 3.4.6 Zandven en satellietven (figuur 3.8) 3.4.7 Koeven (figuur 3.9) 3.4.8 Nonnenmoer (figuur 3.10) 3.5 Fauna-onderzoek in de vennen

15 15 19 24 31 36 38 38 38 39 39 39 39 41 41 44 48 49 52 52 54 56 56

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

-i-

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


3.5.1 3.5.2 3.5.3 3.5.4 3.5.5 3.6

3.7 3.7.1 3.7.2 3.7.3 3.7.4 3.7.5 3.7.6 3.7.7 3.7.8 3.7.9 3.8 3.8.1 3.8.2 3.8.3 4

5

Grote Klotteraard Haverven Peerdsven Aanvulling voor de prioritaire vennen Gegevens van overige vennen Effect van zonnebaarsnesten op bodembedekking van oeverkruid (Littorella uniflora) en bodemchemie – een pilotstudie in het Zwart water Conclusie vensystemen Grote Klotteraard Haverven, satellietven oost en satellietven west Peerdsven Kleine Klotteraard Oost Kleine Klotteraard West Zandven Koeven Satellietven tussen Zand- en Koeven Nonnenmoer Advies herinrichting landbouwgronden rond Grote Klotteraard en Haverven Grote Klotteraard Haverven Samengevat

56 58 60 62 62

63 66 67 67 68 68 68 68 68 69 69 70 71 72 76

AFWEGING VAN DOELSTELLINGEN EN MAATREGELEN 4.1 Algemene aspecten bij de afweging van maatregelen in het Turnhouts Vennengebied 4.2 Algemeen knelpunt: zonnebaarzen 4.3 Grote Klotteraard 4.3.1 Doelen en knelpunten 4.3.2 Oplossingen 4.4 Haverven, satellietven oost en satellietven west 4.4.1 Doelen en knelpunten 4.4.2 Oplossingen 4.5 Peerdsven 4.5.1 Doelen en knelpunten 4.5.2 Oplossingen 4.6 Kleine Klotteraard Oost 4.7 Kleine Klotteraard West 4.8 Zandven 4.9 Koeven en satellietven tussen Zand- en Koeven 4.10 Nonnenmoer

78 78 79 79 82 83 83 84 85 85 87 87 88 89 91 92

GECONCRETISEERD STAPPENPLAN VOOR DE UITVOERING 5.1 Grote Klotteraard 5.1.1 Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.1) 5.1.2 Stappenplan 5.1.3 Vervolgbeheer en monitoring 5.2 Haverven 5.2.1 Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.2) 5.2.2 Stappenplan

94 94 94 96 96 97 97 98

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

- ii -

78

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


5.2.3 5.3 5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.4 6

7

Vervolgbeheer en monitoring Peerdsven Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.3) Stappenplan Vervolgbeheer en monitoring Lokalisatie van de maatregelen in de overige vennen

98 99 99 100 100 100

TECHNISCHE TOELICHTINGEN BIJ DE MAATREGELENPAKKETTEN VAN DE PRIORITAIRE VENNEN 6.1 Kwantitatieve en technische omschrijving met aanduiding op plan 6.2 Kostenraming

102 102 107

LITERATUURVERWIJZINGEN

109

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

- iii -

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


LIJST VAN ILLUSTRATIES Illustratie 2.1: Zonnebaarskuilen en oeverkruid in de Grote Klotteraard, noordoever anno 1999 (foto: Geert De Blust). ..................................................................................... 12 Illustratie 2.2: Ligging van de studieplots voor het vaststellen van zonnebaarsinvloed op oeverkruidvegetaties. ............................................................................................... 13 Illustratie 2.3: Plotconstructie voor het vaststellen van zonnebaarsinvloed op oeverkruidvegetaties. ............................................................................................... 13 Illustratie 3.1: Waterpeil in de Grote klotteraard en standen in de 3 peilbuizen rond het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets........................................................... 16 Illustratie 3.2: Waterpeilen in de Grote Klotteraard en het Haverven in de perioden 19992000 en 2007-2008. Gegevens verzameld door Marc Smets. ................................ 16 Illustratie 3.3: Waterpeil in het Haverven en standen in de 3 peilbuizen rond het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets................................................................... 17 Illustratie 3.4: Waterpeil in het Peerdsven en standen in peilbuis 46 aan de oostkant van het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets..................................................... 18 Illustratie 3.5: Gehalten aan zwavel, calcium en magnesium in de kleilagen rond en in het Haverven. De klei bevat ongeveer 2-3 maal zo veel calcium als magnesium. . 22 Illustratie 3.6: Relatie tussen de concentratie zwavel (sulfaat) en de som van de concentraties calcium en magnesium in het grondwater rond de drie onderzochte vennen. ..................................................................................................................... 23 Illustratie 3.7: Locaties rond de Grote Klotteraard waar aanvoer van voedingsstoffen is gemeten via oppervlakkige afstroming of nalevering uit overstroomde bodems .... 26 Illustratie 3.8: Gemiddelde samenstelling van het oppervlaktewater in de Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven in 2007 en vergelijking met data uit de perioden 1975-1979 en 1998-2000 (Vanderhaeghe 2000) ..................................... 27 Illustratie 3.9: Verhoudingen tussen de hoeveelheid fosfor, zwavel en ijzer in de verschillende lagen van het veen in de Grote Klotteraard ....................................... 30 Illustratie 3.10: Bezetting van ijzer door zwavel en fosfor en de relatieve beschikbaarheid van fosfaat in de verschillende lagen van het veen in de Grote Klotteraard. In de linkerfiguur is aangegeven onder welk niveau theoretisch geen vrij ijzer meer aanwezig is in de bodem.......................................................................................... 31 Illustratie 3.11: Locaties rond het Haverven waar aanvoer van voedingsstoffen is gemeten via oppervlakkige afstroming of nalevering uit overstroomde bodems .... 32 Illustratie 3.12: Samenstelling van veen en slib en fosfaatbeschikbaarheid (Olsen-P) in het Haverven en van klei rondom het Haverven. Ter vergelijking zijn ook gemiddelde waarden meegenomen van slib uit 17 Nederlandse heidevennen (lopend onderzoek naar duurzaamheid venherstel). ............................................... 35 Illustratie 3.13: Dikte van de sliblaag in de Grote Klotteraard, in meter, uit de scriptie van 2000. Hierbij is zowel de sliblaag als het afgebroken veen beschouwd. De kaart is een interpolatie van puntmetingen. .......................................................................... 40 Illustratie 3.14: Gesteeld glaskroos vormt grote tapijten op de bodem van de Grote Klotteraard, anno 2007............................................................................................. 42 Illustratie 3.15: Waterlobelia en knolrus in het Haverven, begin jaren zeventig (foto: Geert De Blust)......................................................................................................... 45 Illustratie 3.16: Veranderingen in oeverkruidbedekking en ligging van zonnebaarsnesten in de acht studieplots................................................................................................ 64 Illustratie 3.17: Locaties waar in oktober 2007 bodemprofielen zijn gestoken om de fosfaatbeschikbaarheid te bepalen. A = Grote Klotteraard, B = Haverven.............. 73

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

- iv -

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Illustratie 3.18: Diepte (centimeters) waarop een voldoende schrale bodem is aangetroffen voor de ontwikkeling van schraalgraslanden. Boven: Grote Klotteraard, onder: Haverven ................................................................................... 74 Illustratie 3.19: Diepte (centimeters) waarop een voldoende schrale bodem is aangetroffen voor de ontwikkeling van heide of voedselarme venoevers. Boven: Grote Klotteraard, onder: Haverven......................................................................... 75

LIJST VAN TABELLEN Tabel 1.1: Overzicht van de hydrogeologie in de regio Turnhout ..................................... 3 Tabel 3.1: Hoogste en laagste waterstanden in de peilbuizen in de periode januarinovember 2007. De peilen zijn gemeten in centimeter ten opzichte van de top van de peilbuis. Gegevens verzameld door Marc Smets. .............................................. 18 Tabel 3.2: Concentraties (Âľmol/l) van de belangrijkste voedingsstoffen bij mogelijke vermestingsbronnen langs de drie bestudeerde vennen. Concentraties die meer dan 2x zo hoog zijn als in het ven zijn vetgedrukt. .................................................. 24 Tabel 3.3: Gemiddelde samenstelling van het venwater, het grondwater en het instromende oppervlaktewater rond en in de Grote Klotteraard. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milliequivalent/liter. ......................................................................................................... 29 Tabel 3.4: Gemiddelde samenstelling van het venwater, het grondwater en het instromende oppervlaktewater rond en in het Haverven. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milli-equivalent/liter. .................................................................................................................................. 36 Tabel 3.5: Gemiddelde samenstelling van het venwater, het grondwater en het instromende oppervlaktewater rond en in het Peerdsven. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milli-equivalent/liter. .................................................................................................................................. 37 Tabel 3.6: Recente en bijhorende oudere opnamen van de Grote Klotteraard, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007................................................................................................. 43 Tabel 3.7: Schaal van Londo voor het maken van vegetatie-opnamen.......................... 44 Tabel 3.8: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Haverven en satellietven west, volgens heropnamegroep (ligging zie figuur 3.5). Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007. ................................................ 47 Tabel 3.9: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Peerdsven, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007................................................................................................. 49 Tabel 3.10: Recente en bijhorende oudere opnamen van de Kleine Klotteraard Oost en West, volgens heropnamegroep (ligging: zie figuur 3.7). Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007. ................................................ 51 Tabel 3.11: Recente en bijhorende oudere opnamen van Zandven en satellietven, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007................................................................................................. 53 Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

-v-

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Tabel 3.12: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Koeven, volgens heropnamegroep (ligging: zie figuur 3.9). Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007...................................................................... 55 Tabel 3.13: Recente opnamen van regio Nonnenmoer, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo)............................................................... 56 Tabel 3.14: Dominante soorten watermacrofauna in de Grote Klotteraard. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar. .................. 57 Tabel 3.15: Soorten watermacrofauna karakteristiek voor zwakgebufferde vennen aangetroffen in de prioritaire vennen. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar. Soorten van de vrije vangsten zijn aangegeven met een “X�.......................................................................................... 57 Tabel 3.16: Vrij tot zeer zeldzame soorten waterfauna van de Grote Klotteraard. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering...................... 57 Tabel 3.17: Dominante soorten watermacrofauna in het Haverven. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar. ....................... 59 Tabel 3.18: Vrij tot zeer zeldzame soorten waterfauna aangetroffen in het Haverven. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering...................... 60 Tabel 3.19: Dominante soorten watermacrofauna in het Peerdsven. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar. ....................... 61 Tabel 3.20: Vrij tot zeer zeldzame soorten watermacrofauna aangetroffen in het Peerdsven. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering. . 61 Tabel 3.21: De redoxpotentiaal, concentratie ortho-fosfaat en ijzerconcentratie in bodemwater op de rand van en in het nest van zonnebaarzen in het Zwart water. 65 Tabel 3.22: Fosfaatbeschikbaarheid gemeten door middel van een extractie met 0,5 M natriumbicarbonaat. Voor locaties zie illustratie 3.17. Concentraties in micromol per kilogram droge bodem.............................................................................................. 76 Tabel 4.1: Eigenschappen van de zeer zeldzame soorten waterfauna van de Grote Klotteraard. ............................................................................................................... 82 Tabel 4.2: Ecologische eigenschappen van de zeldzame soorten in het Haverven. ..... 84 Tabel 4.3: Ecologische eigenschappen van de zeldzame soorten in het Peerdsven. ... 86 Tabel 6.1: Kostenraming van de maatregelen in de prioritaire vennen ........................ 108 LIJST VAN FIGUREN Figuur 1.1: Situering van de vennen Figuur 1.2: Topografie en geohydrologie Figuur 1.3: Waterlopen in de omgeving van de vennen Figuur 1.4: Theoretisch intrekgebied oppervlaktewater op basis van DTM Figuur 2.1: Peilmeetnet Figuur 2.2: Fauna: vrije vangsten Figuur 3.1: Monsterpunten Grote Klotteraard en Peerdsven Figuur 3.2: Monsterpunten Haverven Figuur 3.3: Slibdiktekaarten Figuur 3.4: Vegetatie 1999 en 2007: Grote Klotteraard Figuur 3.5: Vegetatie 1999 en 2007: Haverven Figuur 3.6: Vegetatie 1999 en 2007: Peerdsven Figuur 3.7: Vegetatie 1999 en 2007: Kleine Klotteraard Oost en West Figuur 3.8: Vegetatie 1999 en 2007: Zandven en satellietven Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

- vi -

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Figuur 3.9: Vegetatie 1999 en 2007: Koeven Figuur 3.10: Vegetatie 2007: Nonnenmoer Figuur 4.1: Afweging afgravingen rond Grote Klotteraard Figuur 4.2: Afweging afgravingen rond Haverven Figuur 4.3: Doelstellingen Grote Klotteraard Figuur 4.4: Doelstellingen Haverven Figuur 4.5: Doelstellingen Peerdsven Figuur 5.1: Lokalisatie maatregelen Grote Klotteraard Figuur 5.2: Lokalisatie maatregelen Haverven Figuur 5.3: Lokalisatie maatregelen Peerdsven Figuur 5.4: Lokalisatie maatregelen Kleine Klotteraard Oost en West Figuur 5.5: Lokalisatie maatregelen Zandven en Koeven Figuur 6.1: Principeschetsen Grote Klotteraard Figuur 6.2: Detailplan afgraving Grote Klotteraard NW Figuur 6.3: Werfwegen en ontwatering Grote Klotteraard Figuur 6.4: Principeschetsen Haverven en Peerdsven LIJST VAN BIJLAGEN Bijlage 1: Chemische gegevens water Bijlage 2: Plantensoortenlijst Bijlage 3: Watermacrofauna in het Turnhouts Vennengebied

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

- vii -

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


1

INLEIDING Lijst van figuren Figuur 1.1: Situering van de vennen Figuur 1.2: Topografie en geohydrologie Figuur 1.3: Waterlopen in de omgeving van de vennen Figuur 1.4: Theoretisch intrekgebied oppervlaktewater op basis van DTM

1.1

Algemeen kader Het Turnhouts Vennengebied is in Vlaanderen een van de grootste (en helaas laatste) bolwerken van zwak gebufferde systemen (met bvb. isoëtide venvegetaties). Tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw is het gebied geleidelijk ontgonnen. De waterafvoer werd verbeterd door het graven van ontwateringsgrachten, de voedselarme zand- en veenbodems werden geploegd en bemest. Daardoor hebben vele vennen in het verleden veel natuurwaarden verloren. Gericht herstel is voor dit gebied meer dan verantwoord. Zo zijn er immers nog veel vennen aanwezig waarvan in het recent geweten is dat karakteristieke vegetaties aanwezig waren. Daarom dat er in het gebied reeds voor de tweede keer een LIFE project doorgaat (coördinatie Natuurpunt) en de Vlaamse overheid sinds enkele jaren een Natuurinrichtingsproject lopend heeft (coördinatie Agentschap voor Natuur en Bos en Vlaamse Landmaatschappij). Hierdoor gaat er veel aandacht uit naar het nemen van maatregelen voor het herstel van de vennen. Deze studie kadert in de nood aan kennis om de correcte én concrete maatregelen te nemen om het natuurherstel in en rond een aantal vennen te realiseren. In het verleden zijn twee vegetatiekundige licentiaatsverhandelingen gemaakt van de Turnhoutse vennen: situatie 1973 (De Blust 1974) en situatie 1999 (Vanderhaeghe 2000). Geert De Blust heeft tevens vegetatieopnamen gemaakt in de tussenperiode 1988-1993; deze opnamen zijn verwerkt in de scriptie van 2000. Beide verhandelingen geven overigens relatief veel aandacht aan het Zwart Water en de direct omliggende vennetjes, die echter geen onderwerp zijn van deze studie (m.u.v. een onderzoek rond zonnebaars, waar het Zwart Water als een van de experimentele locaties heeft gediend; zie 2.4).

1.2

Geohydrologische en hydrografische situering van het Vennengebied

1.2.1

Geohydrologie De bodem in het Turnhouts Vennengebied bestaat aan het oppervlak uit dekzand. Op geringe diepte bevindt zich een tamelijk waterondoorlatende kleilaag. Neerslagoverschotten worden door de aanwezigheid van deze kleilaag slechts langzaam afgevoerd via zijdelingse afstroming. Hierdoor heeft zich in het gebied een uitgebreid systeem van open wateren, moerassen, slenken en beken ontwikkeld. Door Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -1-

29 augustus 2008


de geringe bufferende werking van het zand en de onderliggende klei ontwikkelden zich hier grondwaterafhankelijke vegetaties van zwak zure tot zure bodems; met name heiden en vennen. In het kader van eerder geohydrologisch onderzoek van een groter gebied (Haskoning Belgium 2004), is een grondwatermodel opgesteld. Dit model was niet opgebouwd voor nauwkeurige voorspelling in het hier bekeken Vennengebied, maar het geeft wel een algemeen beeld van de geohydrologische systeemwerking in deze zone. Hieronder volgt een beschrijving van de bovenste geologische eenheden. •

Quartair: Het Quartair bestaat uit een dunne, fijnzandige tot lemigzandige laag. Op sommige plaatsen kan deze laag tot enkele meters dik zijn, op andere plaatsen wordt nauwelijks 0,5 m dekzand teruggevonden. Formatie van de Kempen: De Formatie van de Kempen bestaat uit een afwisseling van kleiige en zandige eenheden. Ze komen zeer verspreid voor. De Formatie van de Kempen verdwijnt in het zuiden. In de Formatie kan altijd minstens één kleilaag teruggevonden worden. Het betreft het Lid van Turnhout of het Lid van Rijkevorsel of een samenstelling van beide. Tussen deze beide leden kan het Lid van Beerse in beperkte mate voorkomen. De bovenste kleiige eenheid is het Lid van Turnhout. Dit is een siltige, mica- en licht glauconiethoudende klei. Daaronder komt het Lid van Beerse lokaal voor. Dit is een halffijn tot fijn zand. Aan de top kan kleihoudend leem of gecompacteerd zand voorkomen. Daaronder bevindt zich het Lid van Rijkevorsel. Dit is een mica-houdende klei.

Het grondwatersysteem kan opgedeeld worden in watervoerende en scheidende pakketten naargelang hun lithologische samenstelling. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de verschillende hydrogeologische pakketten die kunnen onderscheiden worden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -2-

29 augustus 2008


Tabel 1.1: Overzicht van de hydrogeologie in de regio Turnhout Hydrogeologische eenheid

Watervoerend pakket

Laag 1

Dekzand

Waterscheidend pakket

Dikte 0,5 m tot 25 m

Formatie van de Kempen – Tot 19 m Lid van Turnhout Laag 2

Formatie van de Kempen –

Tot 25 m

Lid van Beerse Formatie van de Kempen – Tot 32 m Lid van Rijkevorsel Laag 3

Formatie van Brasschaat

3 m tot 46 m

Formatie van Mol Zandig deel van de Formatie van Lillo Kleiig deel van de Formatie Tot 20 m van Lillo Formatie van Kasterlee Laag 4

Formatie van Diest

66 m – 130 m

Formatie van Berchem Formatie van Boom

Door de Vlaamse Landmaatschappij zijn in het Vennengebied boorgegevens verzameld om de ligging van de Kempische klei beter in beeld te brengen, en de relatie met de vennen te verduidelijken. Deze boorgegevens zijn weergegeven links in figuur 1.2. Daar de boringen niet dieper reiken dan 1,25 of 2,2 meter, is het beeld van het verloop van de kleilaag op veel plaatsen onvolledig. Alleen in de Zandvenheide is een dens netwerk bemeten. Hier is te zien hoe de kleilaag meehelt met het maaiveld richting noordwest. Elders is een directe interpretatie rond de vennen vrij moeilijk. Alleen een voldoende dens netwerk, met voldoende boordiepte, in het vermoede intrekgebied van de vennen, kan hier meer klaarheid scheppen. Het onderhavige onderzoek richt zich niet meteen op de aard en het verloop van het niet-recente bodemsubstraat onder en rond de vennen. Geohydrologische kadering blijft dan ook beperkt tot dit inleidende hoofdstuk, hoewel de rest van het onderzoek rekening houdt met deze basisinformatie. De exacte situering binnen en buiten de vennen van leemlagen, kleilagen en fossiele (compacte) veenlagen, en hun precieze hydrogeologische gedrag (doorlatendheid), is dan ook onduidelijk. Hoewel deze factoren zonder twijfel het gedrag van het grond- en oppervlaktewatersysteem mee aansturen, wegen de kosten van een diepgaand lokaal-geologisch onderzoek en fijne hydrogeologische modellering van elk vensysteem niet op tegen de baten hiervan, aangezien 1) de ‘resultaten’ van deze geologische componenten op het terrein gemeten kunnen worden (waterpeilen, water- en bodemkwaliteit), 2) de vermelde ‘resultaten’ ook mee gestuurd worden door andere factoren (bv. bemesting), en 3) men bijgevolg bij ingrepen moet beseffen dat monitoring en bijsturing altijd nodig zal zijn, hoezeer men ook investeert om vooraf de gang van zaken te kunnen voorspellen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -3-

29 augustus 2008


Omtrent de ondergrond van de vennen zijn in 1999-2000 (Vanderhaeghe 2000) en het huidige onderzoek wel enkele vaststellingen gedaan, betreffende opvallende aanwezigheid van leemlagen of fossiele veenlagen: - Grote Klotteraard: in centrale delen en naar het westen en zuidwesten toe, bevindt zich een compacte, harde veenlaag, veelal bedekt door een sliblaag. Centraal-zuidelijk (proefvlak FVH99031) is onder het slib dan weer een leemlaag aangetroffen, terwijl in het zuidwesten ook lemig zand gevonden kan worden onder het slib (FVH99132). Dit benadrukt de complexiteit van de ondergrond; - Haverven: de minerale ondergrond blijkt leem tot zandleem te zijn. In het zuidoosten (gordel moerasplanten) is in 2008 ook fossiel veen aangetroffen als substraat; - Peerdsven: onduidelijke situatie; onder de sliblaag zijn, zeer afhankelijk van de locatie, klei-, leem- en zandfracties in wisselende verhoudingen aanwezig; - Ook in andere vennen komen dergelijke waarnemingen typisch voor. Zo is ook in de Kleine Klotteraard West een complexe situatie te vinden. Centraal is een profiel geboord waarin een leemlaag voorkomt tussen twee fossiele veenlagen. Veenlagen en lemige fracties zijn ook aangetroffen in het Koeven en het Zandven. Voor puntgewijze detailinformatie dient Vanderhaeghe (2000) te worden geraadpleegd.

1.2.2

Waterlopenstelsel (figuur 1.3) Het Turnhouts Vennengebied is gelegen op de waterscheidingskam tussen het Maasen het Scheldebekken (gevormd door de Kempische microcuesta). In het zuiden vormt de dagzomende klei de microcuesta van de Kempen; een verdere verhevenheid in het gebied zijn de Ravelse Bergen, in het noordoosten. Tussen beide is een zadeldal gesitueerd, dat afhelt naar het noordwesten (stroomdal van de Mark; Maasbekken) en het zuidoosten (stroomdal van de Nattenloop of Aa; Scheldebekken). Om het gebied te ontginnen, en lokaal in het kader van historische blekerijen, is in de loop der eeuwen een grachtenstelsel aangelegd, waarbij de vennen vaak een verzamelen doorstroomfunctie hadden (laag gelegen). Ook nu nog fungeren heel wat vennen hydrografisch gezien als doorstroomsystemen binnen het drainagenetwerk van de recentere landbouwontginningen. Net deze, dikwijls grotere, vennen zijn blijven bestaan omdat ze de laagste en daardoor moeilijkst te ontwateren en in landbouw te brengen oppervlakte vertegenwoordigen. Vele andere historische vennen zijn ontwaterd en actueel in landbouwgebruik. De ligging en stromingsrichting van de grachten is weergegeven in figuur 1.3. Dit betreft de opmeting van 1999-2000, in beperkte mate vervolledigd met in 2007 vastgestelde greppels. De Grote Klotteraard wordt gevoed door enkele kleine grachten uit de directe omgeving, waarvan de gracht uit noordwestelijke richting het meeste water aanvoert. Daarnaast is er een afvoer richting de Kleine Klotteraard, die een groot deel van het jaar functioneert. Het Haverven wordt gevoed door een gracht uit zuidelijke richting en enkele oppervlakkige greppels uit de omringende landbouwgronden. Verder vindt er enige afvoer plaats via de gracht langs het Bels Lijntje. Het Peerdsven wordt alleen gevoed door een greppel uit het bos aan de noordkant en de greppels langs de bermen aan de oostkant. Deze voeren alleen water aan in zeer natte perioden. Er is niet of nauwelijks afvoer vanuit het Peerdsven. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -4-

29 augustus 2008


1.2.3

Intrekgebieden oppervlakkige afvloei van regenwater naar de vennen In het hierna volgend onderzoek wordt geen geohydrologisch model opgesteld om de hydrologie (met name relatie met het grondwater) rond de vennen in detail in beeld te brengen. Hiervoor zou ook meer nauwkeurige informatie nodig zijn van de geologie rondom de vennen. Wel wordt de relatie tussen het ven en het grondwatersysteem geanalyseerd op basis van de waterpeilen in peilbuizen en aan peillatten. Uit ervaring in andere gebieden (bv. Kalmthoutse Heide), kan worden gesteld dat het grondwaterstromingspatroon een globale afspiegeling is van hoe het afstromende regenwater zich beweegt onder invloed van het reliëf. Dit is en blijft uiteraard een ruwe benadering; de realiteit van het grondwatersysteem is complexer. Wel zijn deze intrekgebieden voor oppervlaktewater in dit onderzoek bepaald met behulp van het Digitaal Hoogtemodel van Vlaanderen (DTM), als afspiegeling – met het nodige voorbehoud – van de intrekzones voor grondwater. Dit is weergegeven in figuur 1.4. Een aantal bijzonderheden kunnen worden opgemerkt. Zo reiken de intrekgebieden van Grote Klotteraard en Haverven vrij ver naar het noordwesten. Dat van het Koeven heeft een uitloper naar het westen en het Zandven naar het oosten. Zoals te verwachten uit DTM-verloop en verloop van de top van de klei in de Zandvenheide, is er nauwelijks intrekgebied ten noordwesten van het Zandven. Ten zuiden van het Zandven is dit ook eerder smal.

1.3

Doelstellingen De opdracht omvat twee delen: - DEEL 1. Het uitwerken van een uitvoeringsgericht venherstelprogramma voor drie prioritaire vennen: Grote Klotteraard, Haverven en Peerdsven (zie figuur 1.1). Dit gebeurt op basis van bestaande gegevens en door uitvoering van gericht onderzoek, zowel qua abiotiek, vegetatie als fauna; - DEEL 2: Het beknopter uitwerken van een venherstelprogramma voor de andere vennen, namelijk Kleine Klotteraard Oost, Kleine Klotteraard West, Zandven, Koeven en het tussenliggende satellietven, het satellietven nabij het Haverven, westelijk gelegen van de baan Turnhout-Baarle-Hertog (voor deze studie opgenomen bij ‘Haverven’), en het Nonnenmoer (zie figuur 1.1). Dit gebeurt enkel op basis van bestaande gegevens, verzamelde peilgegevens en aanvullend een vegetatiekartering.

1.4

Rapportering De beschrijving van de huidige toestand en een oplijsting van nodige acties om specifieke doelstellingen te halen, wordt gerapporteerd via het tussenrapport, met uitzondering van enkele aspecten waar een langere tijd benodigd is om alle gegevens te bekomen (laatste waterpeilen, faunagegevens). Bijkomend, om tegemoet te komen aan de specifieke nood van de opdrachtgever, is in de tussenrapportage al verder gegaan voor de prioritaire vennen: nadere toelichting bij de maatregelen, aanduiding op kaart en een eerste, louter richtinggevende kostenraming hiervoor. Normaliter was dit voorzien voor het eindrapport. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -5-

29 augustus 2008


In het eindrapport worden enkele stukken toegevoegd aan het beschrijvende deel, onder andere integratie van verschillende thema’s, zoals de link tussen abiotiek en natuurwaarden, en de recente geschiedenis hiervan. De maatregelen worden verder beschreven, en deze worden gekaderd in een stappenplan (volgorde en duur van maatregelen). De verwachte evolutie van chemie en natuur worden beschreven, alsmede een advies over het vervolgbeheer. Voor de prioritaire vennen worden de maatregelen technisch verder gedetailleerd, zodat de kostenraming kan worden bijgesteld.

1.5

Leeswijzer De twee delen van de opdracht (prioritaire en andere vennen) worden met elkaar geĂŻntegreerd in een logisch opgebouwde studie. In hoofdstuk 2 wordt de aanpak van het onderzoek uiteengezet. In hoofdstuk 3 worden de resultaten gepresenteerd van de actuele situatie en waar wenselijk wordt vergeleken met oudere gegevens. In hoofdstuk 4 gebeurt de afweging welke doelen voor elk ven aangehouden kunnen worden en welke knelpunten daarbij optreden. Oplossingen (types van maatregelen) worden per ven voorgesteld om knelpunten zoveel mogelijk teniet te doen, op een zodanige manier dat het doel zo goed mogelijk kan worden benaderd; dit los van een concrete timing. De concretisering met lokalisatie alsook de timing en onderlinge afstemming van maatregelen bij uitvoering komt aan bod in het stappenplan, hoofdstuk 5. Tenslotte wordt dit stappenplan voor de drie prioritaire vennen gekwantificeerd en technisch verfijnd, aangevuld met detailplannen en een kostenraming voor de werken. Deze uitwerking is te vinden in hoofdstuk 6. Hoofdstuk 7 bevat tenslotte de literatuurverwijzingen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -6-

29 augustus 2008


2

OPZET EN METHODIEK Lijst van figuren Figuur 2.1: Peilmeetnet Figuur 2.2: Fauna: vrije vangsten

2.1

Opzet van de studie Aan de hand van een integrale analyse van waterstanden, water- en bodemchemie, vegetatie en fauna in de vennen, en van de trend hierin, wordt voor elk ven een evaluatie gemaakt welk doel meest haalbaar wordt geacht en welke maatregelen hiervoor nodig zijn. Voor de prioritaire vennen zijn daartoe in 2007 specifieke meetcampagnes opgezet. De vegetatie is bovendien ook in de overige vennen opnieuw gekarteerd. Specifiek onderzoek is ingezet naar de herinrichting van de landbouwgronden rondom de prioritaire vennen (zie 2.3) en naar de effecten van zonnebaarzen op oeverkruid (zie 2.4). Eens de maatregelen duidelijk zijn, kunnen deze verfijnd worden in een stappenplan en een kostenraming.

2.2

Beschrijving van de vennen

2.2.1

Waterpeilen Bestaande of historische gegevens In de periode 1998-2000 zijn de waterstanden in de vennen maandelijks genoteerd (de Louw e.a., 2000). Ook is in die periode een netwerk van peilbuizen geplaatst en gevolgd. De gegevens van deze monitoring zijn gebruikt om te vergelijken met de resultaten uit 2007. Meetcampagne De waterpeilen in de vennen en in bestaande grondwaterbuizen zijn maandelijks genoteerd door Marc Smets vanaf januari 2007. In maart 2007 zijn extra peilbuizen geplaatst. Ook deze zijn daarna maandelijks opgenomen. Peilbuis 105, ten noorden van de Grote Klotteraard, is in het voorjaar beschadigd en in de loop van de zomer opnieuw geplaatst. Van de peilbuizen en de peillatten is de absolute hoogte ingemeten. Een overzicht van de peillatten en peilbuizen in het gebied staat in figuur 2.1. Verwerking en interpretatie Het verloop van de waterpeilen en de waterstanden in de grondwaterbuizen is per ven tegen elkaar uitgezet. Hierbij is de absolute hoogte gebruikt, zodat verschillen in een oogopslag zichtbaar zijn.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -7-

29 augustus 2008


2.2.2

Water- en bodemkwaliteit Bestaande of historische gegevens In het Turnhouts Vennengebied zijn tussen 1973 en 1979 metingen verricht aan de waterkwaliteit van de vennen. Daarna is een tijd vrijwel niet gemeten. In de periode 1998-2000 is de waterkwaliteit juist weer vrij intensief gevolgd (Vanderhaeghe, 2000). Een deel van het peilbuizennetwerk dateert al van 1999. De gegevens uit deze meetperioden zijn gebruikt ter vergelijking met de recent verzamelde gegevens uit 20072008. Meetcampagne In 2007 zijn op 7 maart, 19 april en 1 augustus stalen genomen van het oppervlaktewater en in 2008 op 10 januari. Op 7 maart 2007 is een ronde gemaakt rond de Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven. Begin maart 2007 was het einde van een regenrijke periode. De waterstanden in de vennen waren hoog en er stroomde van allerlei kanten water naar de vennen toe. Er is toen specifiek gelet op deze toestroom. Alle zichtbare toestroom is in kaart gebracht en de samenstelling van het toestromende water is gemeten. Op 19 april is ook bodemvocht verzameld in de bodem van op het oog voedselrijke oevers die in de winter onder water staan. Ook zijn stalen genomen van de sapropeliumlaag en de veenbodem in de Grote Klotteraard. Op 10 maart 2008 zijn bodems verzameld in en om het Haverven. Hiervan is de fosfaatbeschikbaarheid bepaald door middel van een Olsen-extractie en de totale gehalten zijn bepaald door een destructie met salpeterzuur. Op 1 augustus 2007 en 10 januari en 10 maart 2008 zijn stalen genomen van alle peilbuizen rond de drie genoemde vennen; 3 rond de Grote Klotteraard, 3 rond het Haverven en 2 bij het Peerdsven. Peilbuis 105, ten noorden van de Grote Klotteraard, was op 1 augustus stuk. Hier is toen geen water verzameld. De stalen zijn verzameld door de peilbuizen leeg te pompen met een accuboor en een slang, te wachten tot de buizen zich weer gedeeltelijk vulden met vers grondwater en dit verse grondwater op te pompen en te analyseren. Verwerking en interpretatie Van het oppervlaktewater, grondwater en bodemvocht zijn de volgende parameters bepaald: pH, buffercapaciteit en concentraties nitraat, ammonium, orthofosfaat, kalium, natrium, chloride, aluminium, calcium, ijzer, magnesium, mangaan, silicium, totaal zwavel, totaal fosfor en zink. De bodems zijn gedestrueerd in een magnetron met behulp van salpeterzuur. Daarna zijn de totale gehalten aan natrium, kalium, calcium, ijzer, magnesium, mangaan, silicium, totaal zwavel, totaal fosfor en zink gemeten. De gevonden waarden zijn vergeleken met referentiewaarden uit een vijftigtal Nederlandse vennen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -8-

29 augustus 2008


2.2.3

Slibdikte in vennen Bestaande of historische gegevens In de periode 1999-2000 is van de Grote Klotteraard een bathymetrische opmeting gedaan van de dikte van de organische laag. Een kaart hiervan is opgenomen in de scriptie en ook in dit rapport. Meetcampagne In de zomer van 2007 zijn van de drie prioritaire vennen opmetingen verricht van de sliblaagdikte, op een analoge manier als in 1999-2000. Dit wil zeggen dat op geregelde punten (bv. 15 meter interval) op enkele trajecten doorheen elk ven een meting is gedaan van zowel de bovenkant als de onderkant van de organische laag, ten opzichte van het wateroppervlak. Verwerking en interpretatie Op basis van de metingen kan zowel de vorm van de minerale venbodem als de dikte van de organische laag visueel worden weergegeven. Er is geopteerd voor een weergave met punten, omdat deze weergave een betere basis is voor eventuele slibvolumeschattingen later. Een ge誰nterpoleerde kaart houdt immers geen rekening met de lokale kennis van het terrein en de vorm van de oevers, om deze inschatting te kunnen maken.

2.2.4

Vegetatie Bestaande of historische gegevens In de scriptie van 2000 waren alle vegetatieopnamen gedigitaliseerd en verwerkt van 1973-1974, 1988-1993 en 1999. Een deel van de opnamen in 1999 is verricht op de opnamelocaties van de eerdere perioden. Al deze opnamen zijn voor deze studie uniform ondergebracht in een databank, zodat gerichte bevraging mogelijk wordt. Alleen van het satellietven bij het Zandven, satellietven bij het Haverven en het Nonnenmoer zijn geen eerdere opnamen aangetroffen. Van de vennen met bestaande opnamen zijn in 1999 tevens vegetatiekaarten gemaakt. Meetcampagne In alle vennen (prioritaire en overige) is een vegetatiekaart gemaakt in augustus 2007. De vegetatie-eenheden van 1999 zijn aangehouden waar het nog steeds hetzelfde lokale vegetatietype betreft (los van eventueel veranderde grenzen), daarnaast worden ook nieuwe vegetatietypes op de kaart weergegeven. De opnamen, gemaakt in 1999, zijn zoveel als mogelijk of zinvol heropgenomen in 2007.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -9-

29 augustus 2008


Verwerking en interpretatie In 1999 is, met behulp van Twinspan gevolgd door manuele herschikking in functie van agglomeratieve clustering, een vegetatietypologie bepaald. Om de vergelijkbaarheid hiermee te behouden, is deze vegetatietypologie aangehouden in 2007. De nieuwe opnamen zijn dus manueel geïdentificeerd ten opzichte van de typologie van 1999. Het definiëren van echt nieuwe types was immers niet aan de orde, op enkele triviale gevallen (begroeiingen gevormd door één of twee soorten) na. Voor de typologie van 2007 zijn enkele fytosociologisch licht veranderde types ook in hun benaming (bv. variant) licht hernoemd. Zowel de kaarten van 1999 als van 2007 zijn in dit rapport gedigitaliseerd (zie bijgevoegde figuren). Op de kaarten wordt gewerkt met de opnamenummers van 1999 (wegens meest gedetailleerde dekking) en met opnamecodes van 2007 voor nieuwe locaties. Per ven worden alle opnamen van 2007 in tabelvorm weergegeven, samen met alle oudere opnamen die in 2007 zijn heropgenomen (1973-1974, 1988-1993, 1999). In de tabellen worden de bij elkaar horende opnamen samen aangeduid met het opnamenummer van 1999, omdat deze op de bijgevoegde vegetatiekaarten zijn weergegeven. Op basis van de kaarten, de opnamentabellen, terreinwaarnemingen en de bespreking in de scriptie van 2000, worden de vegetatiekundige veranderingen van elk ven besproken en geïnterpreteerd. 2.2.5

Fauna Meetcampagne Om verzuurde en vermeste vennen te herstellen zijn vaak grootschalige ingrepen nodig. Uit eerder onderzoek is gebleken dat ingrijpende herstelmaatregelen weliswaar geschikt zijn om de terugkeer van karakteristieke soorten te faciliteren, maar anderzijds vormen zij ook een bedreiging voor nog bestaande natuurwaarden (Van Kleef et al. 2006). Om bestaande faunawaarden te kunnen behouden bij de uitvoering van maatregelen, is de watermacrofauna van de Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven onderzocht. De inventarisatie van watermacrofauna (met het oog herkenbare waterdieren) is met twee methoden uitgevoerd op 14/05/2007 en 18/10/2007. (1) In elk ven is een standaard macrofaunamonster genomen. Hierbij wordt met een macrofaunanet (20 x 30 cm; maaswijdte 0,5 mm) een monster verzameld over een lengte van 5 meter (totale oppervlakte per ven: 5 bij 0,3 m = 1,5 m 2). Alle op het oog te onderscheiden habitats in het ven worden hierbij proportioneel bemonsterd. Al het materiaal (fauna, planten, modder, etc.) dat zo verzameld is, is meegenomen naar het lab. Daar is het monster uitgespoeld over 3 zeven met respectievelijk maaswijdten van 2, 1 en 0,5 mm. Vervolgens zijn de dieren verzameld, geconserveerd en gedetermineerd. (2) Verder zijn in elk ven vrije vangsten gedaan op locaties, die in het veld zijn uitgezocht vanwege de potentiële aanwezigheid van bijzondere soorten. In tegenstelling tot een standaardmonster wordt er bij een vrije vangst niet een vaste oppervlakte bemonsterd,

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 10 -

29 augustus 2008


maar worden in het veld dieren verzameld totdat er geen nieuwe soorten bij lijken te komen. In figuur 2.2 staan de locaties van de vrije vangsten weergegeven. De gegevens die verzameld zijn tijdens dit onderzoek, zijn aangevuld met bestaande gegevens van libellen en amfibieĂŤn uit diverse rapporten (Anonymus (a), Anonymus (b), Andries 2003, Anonymus 2004, Van den Borre 2004) Verwerking en interpretatie Aan de hand van de dominante en karakteristieke soorten is ieder ven kort getypeerd. Lijsten met karakteristieke soorten zijn verkregen uit Arts (2000). Verder is nagegaan welke bijzondere soorten nog in de vennen voorkomen, opdat eventuele herstelmaatregelen zodanig ontworpen/uitgevoerd kunnen worden dat deze soorten gespaard blijven bij het herstel. Lijsten met de zeldzaamheid van soorten zijn gebaseerd op Nijboer en Verdonschot (2001), Vlaamse rode lijsten van amfibieĂŤn, libellen, wateren oppervlaktewantsen (Bauwens en Claus 1996, Bonte et al. 2001, Knijf 2006) en eigen ervaring. Om na te gaan hoe soorten zullen reageren op herstelmaatregelen en hoe eventuele negatieve reacties kunnen worden voorkomen, is de auto-ecologie van deze soorten op een rij gezet. Specifieke ecologische karakteristieken, die bepalen of een soort gevoelig is voor met name het baggeren van vennen zijn: wijze van voortbeweging, wijze van voortplanting, dieet, substraat voor eiafzet en habitat 2.2.6

Integratie en interpretatie systeemwerking De voorgaande patronen en vastgestelde veranderingen in abiotiek en natuurwaarden, worden vervolgens met elkaar in relatie gebracht.

2.3

Vooronderzoek herinrichting landbouwgronden In november 2007 is in overleg met de opdrachtgever besloten om een deel van het budget aan te wenden voor het verrichten van een vooronderzoek ten behoeve van de herinrichting van landbouwgronden rondom de Grote Klotteraard en het Haverven. Er is onderzocht hoe diep fosfaten na landbouwkundig gebruik zijn doorgedrongen in de ondergrond. Op 15 locaties is met behulp van een Edelman-boor een gat geboord tot 50 centimeter diepte. Op 6 locaties in de venrand of in het broekbos zijn gaten tot 20 centimeter diepte geboord. Van de landbouwpercelen zijn de bodemlagen van 20-30 diepte, 30-40 cm diepte en 40-50 cm diepte meegenomen voor analyse. De bovenste bodemlagen zijn niet meegenomen omdat deze naar verwachting te fosfaatrijk zouden zijn voor de ontwikkeling van vrijwel alle soorten schrale natuur. Van de venranden en broekbossen is juist alleen de laag van 0-10 cm en de laag van 10-20 cm meegenomen, in de veronderstelling dat fosfaatverrijking zich hier zou beperken tot de toplaag van de bodem. Door middel van een extractie met 0.5 molair natriumbicarbonaat (Olsen-extract) is de beschikbaarheid van fosfaat in de bodem bepaald. De resultaten zijn vergeleken met referentiewaarden uit Nederlandse heide- en graslandreservaten.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 11 -

29 augustus 2008


In de paragraaf met de resultaten worden meteen ook de eraan gekoppelde beheeradviezen geformuleerd voor deze omliggende terreinen.

2.4

Veldexperiment rond zonnebaarzen Uit eerder onderzoek is bekend dat grote beheersingrepen, zoals het baggeren van vennen, kunnen leiden tot hoge dichtheden van de invasieve zonnebaars (Lepomis gibbosus). Bij aanvang van het onderhavige onderzoek was de zonnebaars in het Turnhouts Vennengebied bekend van het Zwart Water en de Grote Klotteraard. Al snel bleek de exoot ook aanwezig in het Haverven (redelijk algemeen) en het Peerdsven (vrij zeldzaam). Illustratie 2.1: Zonnebaarskuilen en oeverkruid in de Grote Klotteraard, noordoever anno 1999 (foto: Geert De Blust).

De zonnebaars is een opportunistische alleseter, die indien aanwezig in grote aantallen populaties van andere diersoorten drastisch kan onderdrukken. Uit het Turnhouts Vennengebied kwam verder het bericht, dat de mannetjes door het aanleggen van nestkuilen een negatieve invloed zouden hebben op oeverkruidvegetaties. In een Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 12 -

29 augustus 2008


pilotstudy is in 2007 de impact van de aanleg van zonnebaarsnesten op bodembedekking van oeverkruid in het Zwart water onderzocht. Materiaal en methoden: In april 2007 zijn in het Zwart Water 8 plots van 5 x 5 meter uitgezet op plaatsen waar sporen zichtbaar waren van oude zonnebaarsnesten (illustratie 2.2). De plots werden op de hoeken gemarkeerd door houten palen, waartussen touwen gespannen werden. De touwen bevatten elke halve meter een markering, waarmee een grid van 81 punten werd vastgelegd (illustratie 2.3). Met behulp van dit grid was het mogelijk herhaaldelijk metingen uit te voeren op dezelfde punten. Illustratie

2.2:

Ligging

van

de

studieplots

voor

het

vaststellen

van

zonnebaarsinvloed

op

oeverkruidvegetaties.

Illustratie 2.3: Plotconstructie voor het vaststellen van zonnebaarsinvloed op oeverkruidvegetaties.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 13 -

29 augustus 2008


De metingen zijn verricht voor (27 april) en na de voortplanting van zonnebaars (12 juni). Dat gebeurde door op elk punt in de rasters een schijf met een doorsnede van 15 cm te laten zakken en te scoren of er oeverkruid groeide, er een oude nestkuil aanwezig was of er een nieuwe nestkuil aanwezig was. Met deze data was het mogelijk te berekenen of de nestbouw binnen deze periode leidde tot een afname van de oeverkruidbedekking. oeverkruid is een zogenaamde ecosystem-engineer, een soort die zijn omgeving be誰nvloedt. Dat doet hij door via het wortelsysteem zuurstof uit te scheiden naar de bodem. Hierdoor wordt ijzer geoxideerd, wat zich vervolgens bindt aan fosfaat. Omdat verwacht werd dat zonnebaars de bedekking van oeverkruid zou doen afnemen, is tevens onderzocht of daarmee de binding van fosfaat in de bodem minder zou worden. Op 12 juni 2007 zijn daarom in 15 zonnebaarsnesten monsters verzameld van bodemwater uit de wortelzone. Verder zijn op enkele decimeters van de nesten ook bodemwatermonsters genomen uit nog intacte oeverkruidbegroeiingen. Zowel in als langs het nest is tevens de redoxpotentiaal gemeten. De monsters zijn vervolgens verder geanalyseerd op orthofosfaat en ijzer.

2.5

Uitvoeringsgericht herstelprogramma Op basis van de uit de beschrijving volgende systeemkennis, is het mogelijk om bepaalde doelstellingen te overwegen, knelpunten te identificeren om deze toestand te bereiken, en gedetailleerde maatregelenpakketten voor te stellen voor de vennen. Dit komt aan bod in de hoofdstukken 4 (afwegingen en verantwoording) en 5 (concrete verdere uitwerking met kaarten). In hoofdstuk 6 worden deze kaarten, waar nodig voor uitvoeringsbestekken, verder aangevuld met detailplannen. In dit hoofdstuk komen tevens de specifieke aandachtspunten aan bod die bij het maken van een bestek belangrijk zijn, en wordt een kostenraming weergegeven op basis van het laatste in deze studie bekende maatregelenscenario.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 14 -

29 augustus 2008


3

UITGANGSSITUATIE VAN DE VENNEN Lijst van figuren Figuur 3.1: Monsterpunten Grote Klotteraard en Peerdsven Figuur 3.2: Monsterpunten Haverven Figuur 3.3: Slibdiktekaarten Figuur 3.4: Vegetatie 1999 en 2007: Grote Klotteraard Figuur 3.5: Vegetatie 1999 en 2007: Haverven Figuur 3.6: Vegetatie 1999 en 2007: Peerdsven Figuur 3.7: Vegetatie 1999 en 2007: Kleine Klotteraard Oost en West Figuur 3.8: Vegetatie 1999 en 2007: Zandven en satellietven Figuur 3.9: Vegetatie 1999 en 2007: Koeven Figuur 3.10: Vegetatie 2007: Nonnenmoer

In dit hoofdstuk worden van het beschrijvend onderzoek de resultaten weergegeven over het hele gebied, waarbij de vennen telkens onderling worden vergeleken.

3.1

Waterpeilen Het waterpeil in de peilbuizen en de te onderzoeken vennen is vanaf begin 2007 opgenomen door Marc Smets. De meeste peilbuizen zijn echter nieuw geplaatst en pas vanaf maart 2007 opgenomen. Peilbuis 105 (Grote Klotteraard noordwest) is beschadigd en later vervangen, hier zit dus een gat in de meetreeks. De referentiehoogte van peilbuis 101 (Peerdsven west) is onbetrouwbaar, de verzamelde gegevens zijn niet afgebeeld. In de maanden april en mei was het uitzonderlijk droog, de rest van de zomer was juist tamelijk nat. Het waterpeil in de Grote Klotteraard daalt in de droge maanden april en mei ongeveer 20 centimeter (illustratie 3.1). Al vrij snel na het begin van de natte zomerperiode begint het venpeil en het peil in de grondwaterbuizen weer licht te stijgen. Echter, pas in december wordt het winterpeil weer bereikt. In het eveneens droge voorjaar van 2008 treedt wederom een daling op van ongeveer 20 centimeter. Peilbuis 24 staat in het broekbos langs het ven en het peil reageert sterk op het venpeil. Kennelijk staat het water in contact met het ven. Vanaf de hogere gronden aan de zuidoost- en noordwestkant vindt duidelijk aanvoer van grondwater plaats gedurende vrijwel de hele periode. De peilbuizen (104 en 105) vertonen wel vrij sterke schommelingen. Dit duidt op een zeer korte grondwaterbaan die snel volstroomt maar ook weer snel opdroogt. Dit kleine intrekgebied staat ook afgebeeld in figuur 1.4. De zomer van 1999 was aanmerkelijk droger dan die van 2007. Het venpeil zakte toen ongeveer 20 cm verder uit (gegevens TNO). De grondwaterstanden rond het ven zakten toen tot beneden het venpeil; in drogere zomers komt de wateraanvoer vanuit de omgeving dus tot stilstand. Het hoogwaterpeil in de winter is in beide perioden ongeveer gelijk en wordt vooral bepaald door het stuwpeil van de uitlaat richting de Kleine Klotteraard (illustratie 3.2).

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 15 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.1: Waterpeil in de Grote klotteraard en standen in de 3 peilbuizen rond het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets.

Grote Klotteraard

24 (zuid)

104 (zuidoost)

105 (noordwest)

28.80

Hoogte (T.A.W.)

28.60 28.40 28.20 28.00 27.80 27.60 1-dec

31-jan

2-apr

2-jun

2-aug

2-okt

2-dec

1-feb

2-apr

Datum (2007/2008)

Illustratie 3.2: Waterpeilen in de Grote Klotteraard en het Haverven in de perioden 1999-2000 en 2007-2008. Gegevens verzameld door Marc Smets. 28.6

28.6

Grote Klotteraard

Hoogte (m TAW)

28.4

Haverven

28.4

28.2

28.2

28

28

27.8

27.8

27.6 01-jun-99

01-okt-99

31-jan-00

01-jun-00

27.6 1-Dec-06

2-Apr-07

2-Aug-07

2-Dec-07

De peilfluctuatie in het Haverven is wat groter dan in de Grote Klotteraard. In april en mei 2007 zakt de waterstand hier ongeveer 30 centimeter weg. Het duurt ook wat langer voordat het peil weer stijgt in de natte zomer. In december is het winterpeil nog niet helemaal bereikt. De grondwaterstanden zakken in de peilbuizen vrij diep weg in de zomer, ondanks de vele regen. Waarnemingen uit 1999 (TNO) laten zelfs zien dat de grondwaterstand bij buis 30 in een drogere zomer nog 70 centimeter verder wegzakt, tot beneden 27 meter TAW. De waterstand in het ven zakt dan ook nog eens 20-25 centimeter verder weg (zie illustratie 3.2). Het lijkt er dus op dat het Haverven alleen in Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 16 -

29 augustus 2008


de winter en het vroege voorjaar gevoed wordt met grondwater. Dit grondwater komt voornamelijk uit het zuidwesten en in mindere mate uit het zuidoosten. Aan de noordwestkant vindt alleen in de late winter geen inzijging plaats. De trage reactie op regenbuien duidt er op dat het Haverven gevoed wordt met grondwater uit een iets groter systeem dan in de Grote Klotteraard. Illustratie 3.3: Waterpeil in het Haverven en standen in de 3 peilbuizen rond het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets.

28.70

Hoogte (T.A.W.)

28.50 28.30 28.10

Haverven 30 (zuidoost)

27.90 27.70 1-dec

102 (zuidwest) 103 (noordwest) 31-jan

2-apr

2-jun

2-aug

2-okt

2-dec

1-feb

2-apr

Datum (2007/2008)

De waterstand in het Peerdsven zakt in 2007 slechts 20 centimeter weg, waarbij het laagste peil pas aan het eind van het jaar bereikt wordt. De venpeilen en de grondwaterstanden blijven ook in de natte zomerperiode geleidelijk dalen. Dit wijst er op dat er in het Peerdsven nauwelijks toevoer van grondwater plaatsvindt en dat de peilen vooral het peil van de lokale grondwaterbel aangeven. Het Peerdsven ligt op een hoog punt in het landschap en deze grondwaterbel zal hier dus ook ongeveer zijn top bereiken. Ondanks de nattigheid is de verdamping groter dan de inzijging, waardoor het peil in de zomer geleidelijk daalt. In peilbuis 46 (Peerdsven oost) stijgt alleen midden in de winter het peil iets boven het venpeil. In de zomer zakt het peil 1 tot 2 decimeter beneden het venpeil. Ook in 1999-2000 was de fluctuatie in deze peilbuis gering (gegevens TNO). Wel werden destijds veel grotere fluctuaties vastgesteld in andere peilbuizen rond het Peerdsven, tot wel 1,8 meter per jaar. Dit wijst er op dat het Peerdsven een schijngrondwaterspiegel heeft met een vrij constant waterpeil en dat daarbuiten grotere peilfluctuaties optreden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 17 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.4: Waterpeil in het Peerdsven en standen in peilbuis 46 aan de oostkant van het ven. Gegevens verzameld door Marc Smets.

31.20 Peerdsven

Hoogte (T.A.W.)

31.00

46 (oost)

30.80

30.60

30.40 1-dec

31-jan

2-apr

2-jun

2-aug

2-okt

2-dec

1-feb

2-apr

Datum (2007)

De hoogste grondwaterstanden werden begin maart genoteerd en de laagste grondwaterstand werd vrijwel overal nog voor het begin van de zomer bereikt, namelijk halverwege juni. In tabel 3.1 zijn de hoogste en laagste waterstanden voor de peilbuizen weergegeven. Tabel 3.1: Hoogste en laagste waterstanden in de peilbuizen in de periode januari-november 2007. De peilen zijn gemeten in centimeter ten opzichte van de top van de peilbuis. Gegevens verzameld door Marc Smets. Hoog

Laag

TAW

TAW

Verschil

Buis nr.

m TAW

Top buis Omschrijving

3 maart 07

13 juni 07

hoog

laag

(cm)

24

28.04

Grote Klotteraard zuid

60.00

102.00

27.44

27.02

42.00

104

28.81

Grote Klotteraard zuidoost

37

97

28.44

27.84

60.00

105

28.57

Grote Klotteraard noord

52

125

28.05

27.32

73.00

30

28.33

Haverven oost zuidkant

41.00

93.00

27.92

27.4

52.00

102

28.36

Haverven zuidwest

43

107

27.93

27.29

64.00

103

28.43

Haverven Noord

30

93

28.13

27.5

63.00

46

32.99

Peerdsven oost

55

93

32.44

32.06

38.00

101

32.57

Peerdsven west

70

135

31.87

31.22

65.00

35

29.26

Zandven noordwest

47.00

122.00

28.79

28.04

75.00

36

29.76

Koeven Noord

36.00

130.00

29.40

28.46

94.00

Tussen Koeven en 39

29.88

Zandven

45.00

133.00

29.43

28.55

88.00

41

29.49

Zuidpunt Koeven

32

88

29.17

28.61

56.00

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 18 -

29 augustus 2008


In het Zandven en het Koeven bedraagt de maximale waargenomen peilfluctuatie in de waarnemingsperiode 24 respectievelijk 29 centimeter. Ook TNO nam in 1999-2000 vrij kleine peilfluctuaties waar van ongeveer 3 decimeter. Opvallend is dat de peilbuizen rond het ven een grotere peilfluctuatie kennen, met uitzondering van peilbuis 41. De peilbuizen 35, 36 en 39 zijn de enige peilbuizen die verder van de vennen af staan. Kennelijk komt in het gebied een vrij grote fluctuatie van de grondwaterstanden voor, die direct langs de vennen gedempt wordt door de aanwezigheid van de vennen. Het grondwater staat in de periode met neerslagoverschot (de winter) hoger dan de vennen en in de periode met neerslagtekort (de zomer) lager, waardoor er alleen in de winter grondwateraanvoer naar de vennen plaatsvindt.

3.2

Water- en bodemkwaliteit in de vennen en in hun omgeving De drie onderzochte vennen behoren elk tot een ander type ven. De Grote Klotteraard wordt omgeven door hoger gelegen gronden die een groot deel van het jaar grondwater en oppervlaktewater aanvoeren. Tegelijkertijd vindt vooral in de winter veel waterafvoer plaats richting de Kleine Klotteraard. De Grote Klotteraard is daarmee een zeer zwak gebufferd, grondwatergevoed doorstroomven met een vrij geringe peilfluctuatie. Het Haverven wordt ook met grondwater en oppervlaktewater gevoed, maar in veel mindere mate dan de Grote Klotteraard. Ook de afvoer is veel geringer. Het Haverven is dus ook een grondwatergevoed en zeer zwak gebufferd ven, maar heeft veel minder een doorstroomkarakter waardoor de peilfluctuaties ook groter zijn. Het Peerdsven wordt alleen in de winter en slechts zeer lokaal gevoed met grondwater en oppervlaktewater en heeft veel meer het karakter van een geĂŻsoleerd, regenwatergevoed ven. Voor het functioneren van de vennen zijn met name de volgende processen van groot belang: Toestroom van grondwater Het grondwater legt een weg van enkele tientallen tot honderden meters af alvorens het ven wordt bereikt. De bovenste kleilaag functioneert hierbij grosso modo als waterkerende laag. Deze laag varieert in dikte en samenstelling en ontbreekt soms, waardoor veel lokale variatie optreedt in grondwaterstromingen en grondwatersamenstelling. Onderweg lossen allerlei stoffen op. De belangrijkste zijn calcium, bicarbonaat en ijzer. Calcium en bicarbonaat lossen vooral op vanuit de bovenkant van de kleilaag. De kleilaag is echter kalkarm, zodat het bufferend vermogen vrij gering is. Wel lost er plaatselijk veel ijzer op uit de klei en de bovenliggende, tamelijk glauconiethoudende zanden. Rond het Peerdsven is de zandbodem zo ver uitgeloogd dat er sprake is van toestroom van zuur grondwater. Het in het anaĂŤrobe grondwater opgeloste ijzer kan in het ven weer oxideren. Hierbij wordt fosfaat gebonden aan ijzer. Toestroom van grondwater zorgt dus zowel voor enige buffering als voor het in stand houden van een fosfaatarm water. Een derde effect is dat veel kooldioxide wordt meegevoerd, wat de groei van ondergedoken planten van zachte wateren stimuleert op plaatsen met een grote grondwaterinvloed. In open water verdwijnt dit kooldioxide vrij snel naar de lucht.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 19 -

29 augustus 2008


Peilfluctuatie Door het tamelijk uitgesproken reliëf en de dunne laag zand op de waterkerende kleilaag is de watervoorraad in het gebied beperkt. In perioden met een neerslagoverschot zakken de grondwaterstanden vrij snel weg. De doorstroomvennen, zoals de Grote Klotteraard, ontvangen dan minder grondwater maar doordat de afvoer vermindert of stopt blijft het peil toch vrij constant. In vennen met een geringe doorstroom, zoals het Haverven, kan het peil vrij sterk fluctueren. In hydrologisch geïsoleerde vennen is de peilfluctuatie vooral afhankelijk van het waterkerend vermogen van de ondergrond. Als deze groot is, zoals bij het Peerdsven, blijft de peilfluctuatie beperkt tot het neerslagtekort dat in de zomer wordt opgebouwd. Een vrij grote peilfluctuatie kent een aantal voordelen voor vennen. Bij droogvallen klinken sliblagen in, treden grote stikstofverliezen op naar de lucht, wordt gereduceerd ijzer en zwavel in de bodem weer geoxideerd en wordt fosfaat weer extra goed gebonden aan het vrijkomende ijzer. Een nadeel is dat deze oxidatieprocessen ook verzurend werken. Droogvallen van delen van de venbodem leidt dus tot oligotrofiëring en verzuring. Windwerking Door de overheersende zuidwestenwind wordt water aan het venoppervlak van zuidwest naar noordoost geblazen. Hierdoor ontstaat op de venbodem een compenserende waterstroom in tegengestelde richting. Dit leidt er toe dat er twee sterk verschillende milieus ontstaan. De noordoostoever wordt gekenmerkt door golfslag, afvoer van organisch materiaal en dus een zandige bodem. De hoeveelheid opgeloste koolstof in de waterlaag is door de golfslag en de zandige bodem zeer beperkt; specialisten van dit milieu zijn isoëtide waterplanten zoals oeverkruid (Littorella uniflora) en waterlobelia (Lobelia dortmanna). De zuidwestoever is juist luw en daar vindt ophoping van organisch materiaal en verlanding plaats. Depositie van stikstof en zwavel In de twintigste eeuw hebben vennen sterk te lijden gehad van verzuring en vermesting. Tijdens de jaren zestig en zeventig was door de hoge emissies van zwavel de regen sterk zuur. In die periode heeft zich ook veel zwavel opgehoopt in vennen. In de jaren tachtig en negentig was de regen niet zuur meer, maar wel sterk verontreinigd met geoxideerd (nitraat) en gereduceerd (ammonium) stikstof. Dit ammonium wordt in de bodem omgezet in nitraat, waarbij 2 zuur-equivalenten geproduceerd worden. Beide stikstofvormen hebben een sterk bemestend effect op vennen. Inmiddels is de totale zure depositie in Vlaanderen gehalveerd na het hoogtepunt van rond 1980. In 1990 lag de totale stikstofdepositie ten noorden van Turnhout tussen de 60 en 70 kilogram per hectare per jaar (gegevens VMM). Intussen is dit afgenomen tot 40 à 50 kg/ha/jaar. Voor heel Vlaanderen is het gemiddelde wat lager en is in die periode de totale depositie afgenomen van 50 naar 40 kg/ha/jaar. Deze daling komt vrijwel geheel voor rekening van de daling in ammoniak-emissies; de bijdrage van geoxideerd stikstof is ongeveer 20 kg/ha/jaar gebleven. Voor meer details, zie van Gijseghem et al. (2003) en Mira (2006). De afname is een gevolg van de reductie van stikstofemissies in Vlaanderen en in mindere mate van reducties in aangrenzend Nederland. In totaal is de verzurende depositie in Vlaanderen met ruim 40% afgenomen sinds 1990 (Mira, 2006). De sterke afname van de zwaveldepositie heeft grotendeels al voor 1990 Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 20 -

29 augustus 2008


plaatsgevonden, dus ten opzichte van de top rond 1980 is de verzurende depositie met meer dan 50% gereduceerd. Nitraatuitspoeling De meeste landbouwgronden ontvangen momenteel een overdosis stikstof. De overmaat spoelt in de vorm van nitraat uit naar het grondwater. Nitraat is behalve een voedingsstof ook een sterke oxidator, bijna even sterk als zuurstof. In de ondergrond gaan hierdoor allerlei oxidatieprocessen optreden. De belangrijkste voor de vennen zijn de oxidatie van pyriet en van gereduceerd ijzer. De pyrietoxidatie leidt tot een mobilisatie van sulfaat. Dit sulfaat lost op in het grondwater, waardoor het ven sterk belast wordt met sulfaat. Door de oxidatie van gereduceerd ijzer neemt de hoeveelheid ijzer in het grondwater vaak ook sterk af. De genoemde oxidatieprocessen kunnen leiden tot een sterke verzuring van het grondwater. Hierdoor gaat de bodem in het inzijggebied versneld uitlogen; calcium en magnesium worden naast sulfaat vaak in grote hoeveelheden in dit verzuurde grondwater aangetroffen. Waterkwaliteit van de vennen Het gebied ten noorden van Turnhout is waterrijk omdat zich ondiep in de ondergrond klei- en leemlagen bevinden die slecht waterdoorlatend zijn. Op deze lagen bevindt zich een zandpakket dat tot enkele meters dik kan zijn. Dit ondiepe watersysteem is door lage ruggen verdeeld in een groot aantal depressies waarin zich de vennen bevinden. Het intrekgebied van deze vennen is dus beperkt tot de depressie en een deel van de aangrenzende ruggen. De klei- en leemlagen zijn in ieder geval aan de bovenkant sterk uitgeloogd. Ze zijn arm aan calcium en magnesium, maar wel nog vrij rijk aan zwavel en ijzer (illustratie 3.5). De klei bevat ongeveer 20 micromol calcium per gram droge bodem. Dit komt overeen met een kalkgehalte (calciumcarbonaat) van de bodem van ongeveer 0,2%. Het grondwater dat in contact komt met de klei-en leemlagen raakt hierdoor niet of nauwelijks gebufferd.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 21 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.5: Gehalten aan zwavel, calcium en magnesium in de kleilagen rond en in het Haverven. De klei bevat ongeveer 2-3 maal zo veel calcium als magnesium.

Totaal gehalte bodem

S (micromol/g DW)

2500 2000 1500 1000 500 0 0

200

400

600

800

1000

Ca + Mg (micromol/g DW)

De inzijggebieden zijn na ontginning van de heide voor een deel in landbouwkundig gebruik genomen en een deel is beplant met dennenbos. Veel terreindepressies zijn ontwaterd door grachtenstelsels. Deze voeren bovendien grote hoeveelheden voedingsstoffen aan vanuit de landbouwpercelen. Zo is bijvoorbeeld de kaliumconcentratie enkele malen hoger dan in een gemiddeld heideven. De nitraatconcentratie vertoont grote pieken. De gemeten piekconcentraties zijn ook veel hoger dan bijvoorbeeld de ge誰soleerde vennen op de Hoeverheide bij Beverlo, waar de piekconcentraties zelden boven de 10 micromol per liter uitkomen (Bobbink et al. 2007). Ook de samenstelling van het oppervlakkige grondwater wordt sterk be誰nvloed door het landbouwkundig gebruik. In het grondwater worden onder andere zeer hoge concentraties zwavel, calcium en magnesium gemeten. Wanneer de concentraties calcium en magnesium bij elkaar opgeteld worden en worden uitgezet tegen de zwavelconcentratie, blijkt er een zeer strakke correlatie te bestaan (illustratie 3.6). Deze relatie is niet aanwezig in de bodem zelf (illustratie 3.5). Een voor de hand liggende verklaring voor deze strakke correlatie is de uitspoeling van nitraat vanuit de omringende landbouw. Nitraat is een sterke oxidator en spoelt uit naar permanent waterverzadigde, zuurstofloze bodemlagen. In deze bodemlagen is vaak een zekere hoeveelheid pyriet (ijzersulfide) aanwezig. Via een redoxreactie wordt nitraat gereduceerd terwijl pyriet wordt geoxideerd tot ijzer en sulfaat. Bovendien wordt hierbij zuur geproduceerd. Door de verzuring gaat de klei en leem versneld uitlogen; protonen binden aan de bodem en calcium- en magnesium ionen komen vrij. Het resultaat is dat sulfaat, calcium en magnesium in oplossing gaan door de nitraatuitspoeling.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 22 -

29 augustus 2008


Ook ijzer kan in hoge concentraties aanwezig zijn in het grondwater. Dit hangt slechts ten dele samen met pyrietoxidatie en verzuring. De plaatselijk hoge ijzerconcentraties dragen bij aan de binding van fosfaat in en rond de vennen. Verder zijn ook de concentraties chloride en ammonium vaak verhoogd. Dit is gecorreleerd met het sulfaatgehalte, maar niet zo strak als calcium en magnesium. Ammonium zal vooral verhoogd zijn doordat het uitgespoelde nitraat wordt omgezet in ammonium. De verhoogde chlorideconcentratie kan zowel het gevolg zijn van directe uitspoeling uit de bouwvoor als van mobilisatie als gevolg van de verzuring na pyrietoxidatie. De optelsom van de aanvoer van grondwater en van oppervlaktewater pakt voor elk ven verschillend uit en zal per ven worden besproken. Illustratie 3.6: Relatie tussen de concentratie zwavel (sulfaat) en de som van de concentraties calcium en magnesium in het grondwater rond de drie onderzochte vennen.

Grondwaterbuizen

S (micromol/liter)

9000

6000

3000

0 0

3000

6000

9000

12000

Ca + Mg (micromol/liter)

Alle chemische metingen zijn te vinden in bijlage 1.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 23 -

29 augustus 2008


Onderzoek aan vermestingsbronnen in maart 2007 Op 7 maart 2007, direct na een zeer natte periode, zijn alle in het terrein zichtbare bronnen voor vermesting onderzocht. Dit waren grachten met instromend water, oppervlakkig afstromend water van weiland, akkerland, wegbermen en bossen en geïnundeerde broekbossen en landbouwoevers. Op al deze plekken is een watermonster genomen en de watersamenstelling is vergeleken met de samenstelling van het venwater (zie tabel 3.2). Het water dat afstroomt van de landbouwgronden en het water in geïnundeerde broekbossen en landbouwoevers is veel rijker aan orthofosfaat dan het ven. De concentraties stikstof, kalium en sulfaat zijn niet opvallend hoger. Het water dat uit direct uit de omgevende droge bossen komt stromen, is juist niet rijk aan orthofosfaat, maar wel aan sulfaat en vooral nitraat. Tabel 3.2: Concentraties (µmol/l) van de belangrijkste voedingsstoffen bij mogelijke vermestingsbronnen langs de drie bestudeerde vennen. Concentraties die meer dan 2x zo hoog zijn als in het ven zijn vetgedrukt. Nummer Locatie

op kaart

NO3

NH4

PO4

K

S

Klotteraard, pitrusoever weiland

1

2.014

4.013

4.145

140.342

98.85

Plas op maïsland langs Klotteraard

3

1.636

1.166

2.17

117.164

44.90

Zuidrand Klotteraard, langs maïs

4

7.852

0.415

0.968

57.057

30.64

Klotteraard

7

14.182

3.738

0.988

58.116

83.79

Greppel uit wei NW, Klotteraard

8

141.498

0.234

2.563

150.256

120.24

Berkenbroek Haverven

12

20.563

7.8

0.211

165.987

155.63

Greppeltje uit weiland NW, Haverven

13

1.068

0.123

7.369

37.879

13.66

Haverven

14

99.083

4.286

2.013

111.551

137.17

Broekboslaagte westkant Haverven

15

9.991

5.697

2.488

70.584

55.82

17

0.648

6.418

3.967

282.209

25.13

Laagte in bosrand NW, afwaterend op

Stilstaande sloot uit weilanden NW,

Afstroom van maïsakker zuidoostkant Haverven Greppeltje uit maïsakker zuidoostkant Haverven

18

1.837

1.279

4.971

225.006

25.22

Aanvoersloot zuidoostkant Haverven

19

91.217

3.102

3.077

276.674

91.71

Instroom greppel uit bos Peerdsven N

22

792.163

59.918

0.128

57.64

264.23

Instroom uit bos, over pad, Peerdsven

23

720.751

61.596

0.107

44.667

273.03

Peerdsven

25

179.917

20.293

1.109

60.922

281.29

Instroom uit bermsloot oostkant Peerdsven

26

10.355

3.19

0.118

65.495

100.78

Instroom uit bermslootje westkant

3.2.1

Grote Klotteraard Oppervlaktewater De Grote Klotteraard is een ondiep, incidenteel droogvallend en van oorsprong zwak gebufferd ven. De leem- en kleilagen bevinden zich rondom de Grote Klotteraard op Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 24 -

29 augustus 2008


enige decimeters tot enige meters diepte. Het gevolg is dat het ven een vrij aanzienlijke grondwaterstroom ontvangt. Uit de peilschommelingen in het ven en de grondwaterstanden rond het ven blijkt dat er enerzijds gedurende een groot van het jaar grondwateraanvoer plaatsvindt en anderzijds het peil ook vrij snel reageert op variaties in neerslag en verdamping. Waarschijnlijk vindt onder meer vanuit het zuidoosten periodieke grondwateraanvoer plaats en vindt vanuit een noorden een meer constante grondwateraanvoer plaats. Het merendeel van de gronden rondom de Grote Klotteraard zijn ontgonnen en momenteel in landbouwkundig gebruik. Dit geldt ook voor een deel van de oevers. Hierdoor wordt het ven belast met voedingsstoffen via oppervlakkige afstroming, nalevering uit onderlopende landbouwgronden en lokale grondwaterstromen. In illustratie 3.7 is een overzicht gemaakt van de actuele knelpunten. Op twee plekken komen ontwateringsgrachten vanuit de graslanden uit in de Grote Klotteraard. Er is een kleine greppel aan de noordoostkant. Deze is door een zeer lage rug heen gegraven om een laagte in het weiland te ontwateren. Alleen in perioden met een groot neerslagoverschot stroomt er water naar het ven, waardoor de bijdrage aan de nutriĂŤntenaanvoer waarschijnlijk gering is. In de graslandpercelen aan de noordwestkant ligt een diepere gracht die een slenk ontwatert. Deze gracht voert in een groot deel van de winter water en ook in natte perioden in de zomer. Zowel in de zomer als in de winter is de waterkwaliteit hier gemeten. In de winter werd veel nitraat aangevoerd en enig fosfaat, in de zomer is de fosfaatconcentratie juist hoog. Een derde gracht die mogelijk water aanvoert ligt aan de oostkant, in de met pitrus gevulde laagte die in de winter onder water staat. Het water in deze laagte is ongeveer 25x rijker aan fosfaat dan het ven. De greppel watert echter af naar het oosten en levert dus een geringe bijdrage aan de belasting van het ven met voedingsstoffen. De graslandpercelen aan de noordoostkant grenzen direct aan het ven en de laagste delen lopen in de winter en in natte zomers onder water. Net als in de pitruslaagte vindt hier een grote nalevering van fosfaat plaats aan de waterlaag. Het water in de pitruslaagte staat in direct contact met het ven, dus vindt er vanuit de overstroomde delen een aanzienlijke nalevering van voedingsstoffen plaats. Aan de zuidkant en in mindere mate aan de noordwestkant bevinden zich ook Elzen- en wilgenbossen die in de winter onder water lopen. Voedingsstoffen uit het voedselrijke bladstrooisel kunnen dan worden nageleverd aan de waterlaag. De concentratie fosfaat is hier ten opzichte van het ven 5-10x hoger en dus minder hoog dan in de overstroomde graslanden. Eutrafente plantensoorten zoals draadalgen, Klein kroos en Sterrekroos domineren de natte plekken in de broekbossen. Aan de zuidkant van het ven gaat het om een aanzienlijk oppervlak, zodat de bijdrage aan de eutrofiering van het ven aanzienlijk kan zijn. Langs de zuid- en zuidoostkant van het ven liggen akkers. Tijdens natte perioden ontstaan op deze akkers grote plassen, die vervolgens afwateren op het ven. Ook dit water bevat 5-10x zo veel fosfaat als het ven. Gezien de intensieve bemesting valt dit nog mee; door de lage temperaturen en de korte verblijftijd vindt er waarschijnlijk relatief weinig uitwisseling plaats tussen de bodem en het water in de plassen. Toch is de totale bijdrage nog altijd aanzienlijk.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 25 -

29 augustus 2008


In april 2007 is tevens op diverse plekken langs de Grote Klotteraard bodemvocht verzameld. Hieruit kwam naar voren dat het bodemvocht in de wilgen/elzenbosjes zeer rijk was aan ammonium en tamelijk rijk aan fosfaat en dat het bodemvocht in de pitrusvelden grenzend aan het grasland rijk was aan fosfaat. Over het algemeen wordt met het oppervlaktewater vooral fosfaat aangevoerd naar het ven en in mindere mate stikstof in de vorm van nitraat. De concentraties kalium en sulfaat zijn nauwelijks hoger dan die in het ven. Illustratie 3.7: Locaties rond de Grote Klotteraard waar aanvoer van voedingsstoffen is gemeten via oppervlakkige afstroming of nalevering uit overstroomde bodems

Buffering In de jaren zeventig van de twintigste eeuw was de Grote Klotteraard zuur, de pH in de periode 1973-1979 schommelde tussen de 3,6 en 4,9. In de jaren 1998-2000 schommelde de pH net als nu rond de 5,5 (Vanderhaeghe, 2000). Na de extreme droogte van 1976 werd een hoge sulfaatconcentratie gemeten in de waterlaag van meer dan 60 milligram per liter. Dit duidt op de oxidatie van pyriet, waardoor zuur wordt gevormd en sulfaat vrijkomt. Van de drie onderzochte vennen heeft de Grote Klotteraard altijd de hoogste sulfaatconcentraties gehad in de waterlaag. Tussen 1979 en 1998 is de concentratie in het ven gehalveerd en is het ven weer zeer zwak gebufferd geraakt (illustratie 3.8). De pH in het ven lag in 2007 tussen pH 5,1 en pH 5,9, wat alweer richting de pH 5,7 tot 6,3 Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 26 -

29 augustus 2008


gaat die in de jaren dertig van de vorige eeuw werd gemeten. Deze deels opgeheven verzuring heeft ook geleid tot een afname van knolrus en veenmossen en heeft ook de toename van oeverkruid in de Grote Klotteraard mogelijk gemaakt. In deze periode is ook de zwaveldepositie sterk afgenomen (van Gijseghem et al. 2003). Het lijkt er dus op dat de Grote Klotteraard spontaan een zeer zwakke buffering heeft teruggekregen als gevolg van de afgenomen zuurdepositie. Momenteel zijn de sulfaatconcentraties slechts iets hoger dan in het oppervlaktewater waarmee het ven gevoed wordt. Vermoedelijk vindt in het ven zowel verdunning met regenwater als aanrijking met zwavelrijk grondwater plaats. Illustratie 3.8: Gemiddelde samenstelling van het oppervlaktewater in de Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven in 2007 en vergelijking met data uit de perioden 1975-1979 en 1998-2000 (Vanderhaeghe 2000) 8.00

300

Klotteraard

Klotteraard Haverven

Calcium (micromol/liter)

Zuurgraad (pH)

7.00

Peerdsven 6.00 5.00 4.00 3.00

Peerdsven 200

100

0 75-'79

98-2000

2007

75-'79

98-2000

2007

1000

600.0

Klotteraard

Klotteraard

Haverven

500.0

Zwavel (micromol/liter)

Kalium (micromol/liter)

Haverven

Peerdsven 400.0 300.0 200.0 100.0 0.0

Haverven

800

Peerdsven

600

400

200

0

75-'79

98-2000

2007

75-'79

98-2000

2007

De zwavelconcentratie is altijd hoog. Dit is een teken dat er in het ven weinig tot geen zwavelreductie plaatsvindt. Metingen aan het veen en het slib van de Grote Klotteraard bevestigen dit; de zwavelconcentratie is niet hoger dan in een set referentievennen uit Nederlandse heide- en bosgebieden. Er zijn diverse verklaringen mogelijk voor de uitblijvende zwavelreductie: onvoldoende aanwezigheid van makkelijk afbreekbaar organisch materiaal, de sterke windwerking van het ven waardoor de toplaag van het sediment nooit sterk reductief wordt, regelmatig droogvallen van delen van het ven, de periodiek hoge concentraties van het oxiderende nitraat en de lage pH van het ven. Het

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 27 -

29 augustus 2008


resultaat is in ieder geval dat zwavel in de vorm van sulfaat opgelost blijft in de waterlaag en via de drainerende gracht afgevoerd wordt. Omdat zwavel zich niet ophoopt in het systeem, blijft er voldoende vrij ijzer in het systeem beschikbaar om fosfaat te binden. Dit verklaart waarom het in vrij grote hoeveelheden via de grachten aangevoerde fosfaat in het ven niet terug te vinden is. Fosfaat wordt uiteindelijk aan ijzer gebonden in de bodem van het ven. De Fe-P ratio in het slib is aanzienlijk lager dan in de onderliggende veenlagen (illustratie 3.9). Ondanks de hoge kalium- en nitraatconcentraties is het ven dus toch voedselarm. Ook de tamelijk lage concentratie kooldioxide van ongeveer 100 micromol per liter draagt daar aan bij. Omdat er via het grondwater veel ijzer wordt aangevoerd, is het ook niet waarschijnlijk dat er op korte termijn uitputting van ijzer zal plaatsvinden en hiermee fosfaatmobilisatie. Wel kunnen wortelende waterplanten opgelost fosfaat opnemen uit de anaĂŤrobe waterbodem. Op dit moment profiteren vooral oeverplanten, zoals pitrus (Juncus effusus), wolfspoot (Lycopus europaeus) en grote wederik (Lysimachia vulgaris), van het fosfaat uit de waterbodem. In de waterlaag kunnen alleen eutrafente plantensoorten profiteren die de koolstoflimitatie in de waterlaag weten te omzeilen, bijvoorbeeld Nymphaeide soorten als gele plomp (Nuphar lutea). Deze zijn echter afwezig. Gesteeld glaskroos (Elatine hexandra) omzeilt de koolstoflimitatie door zeer dicht tegen het sediment aan te groeien en is wel massaal aanwezig. De Grote Klotteraard onvangt de buffering momenteel vrijwel uitsluitend via het oppervlaktewater. Dit bezit gemiddeld een buffercapaciteit van 0,6 meq/liter (tabel 3.3). Ondanks deze buffering is het ven niet sterker gebufferd dan het toestromende grondwater. Kennelijk vindt er netto zuurproductie plaats in het ven, bijvoorbeeld door oxidatie van opgelost, gereduceerd ijzer dat met het grondwater mee komt stromen. Zonder de toestroom van het gebufferde oppervlaktewater zou de Grote Klotteraard zeer waarschijnlijk zuur zijn. Een belangrijke vraag is of het ven zal verzuren na het nemen van herstelmaatregelen zoals het omleiden van oppervlaktewater, het stopzetten van landbouwkundig gebruik en het afgraven van fosfaatverrijkte bodemlagen. De aanvoer van bufferstoffen via het oppervlaktewater zal sterk dalen. Wanneer echter de bemesting op de landbouwpercelen wordt gestaakt, zal de verzurende invloed van nitraatuitspoeling sterk worden beperkt. Ook zal er nog enige nalevering van bufferstoffen uit de landbouwpercelen aan het grondwater kunnen plaatsvinden. Waarschijnlijk zal de buffercapaciteit van het ven dus dalen, maar zal het ven niet compleet verzuren. Aan de andere kant zal het stopzetten van bemesting een eind maken aan de sterke zwavelmobilisatie en zal de zwavelconcentratie in het ven sterk kunnen dalen. Dit betekent dat de kans op interne eutrofiering tijdens perioden met hoge waterstanden sterk afneemt en dat er mogelijk zelfs weer veenvorming zal kunnen optreden in het ven. De omstandigheden hiervoor zijn namelijk gunstig: een vrij geringe peilfluctuatie, aanvoer van grondwater dat rijk is aan kooldioxide en plaatselijk een venige ondergrond die kooldioxide nalevert en goed vocht vasthoudt. Wel zal het veenmos enige beschutting nodig hebben van hogere planten om een gesloten veenmosdek te kunnen vormen. Dit kunnen bijvoorbeeld snavelzegge, veenpluis, pitrus of veldrus zijn. Voor veenvorming is het huidige peilbeheer middels de stuw richting Kleine Klotteraard geschikt; afvoeren van hoogwaterpieken in de winter en vasthouden van water in de zomer.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 28 -

29 augustus 2008


Tabel

3.3:

Gemiddelde

samenstelling

van

het

venwater,

het

grondwater

en

het

instromende

oppervlaktewater rond en in de Grote Klotteraard. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milli-equivalent/liter. Grote Klotteraard

pH

Buf.

Ca

Mg

Al

NO3

NH4

PO4

K

Na

Cl

Fe

S

Gemiddelden (N waarnemingen) Venwater (4)

5.50

0.11

192

109

11

53

8

0.21

181

347

377

4

300

(7)

6.04

0.60

248

147

31

51

20

3.36

296

287

337

9

203

Grondwater (8)

4.39

0.12

1719

547

163

4

44

0.19

115

1329

1345

139

2372

0.41

0.04

18

10

5

87

8

0.06

20

24

40

2

32

oppervlaktewater

0.31

0.35

139

90

15

76

42

4.32

228

166

237

7

142

Grondwater

0.39

0.14

1480

413

165

7

38

0.19

69

1230

1243

157

2018

Instromend oppervlaktewater

Standaarddeviaties: Venwater Instromend

Veenlaag Grote Klotteraard In de diepere delen van de Grote Klotteraard ligt richting de Kleine Klotteraard nog een enkele decimeters dikke veenlaag, die aan de bovenkant uit slib bestaat. De oeverzone bestaat voornamelijk uit zand. Ook Marc Smets herinnert zich een doorlopend zandige oever uit de jaren vijftig/zestig. De veenlaag is op drie punten bemonsterd. Op elk punt is slib meegenomen van de toplaag, vrij ver afgebroken veen uit de middenlaag en intact veen uit de onderste laag. De afbraaksnelheid van het veen lijkt laag. Er bevindt zich slechts een dunne laag slib op het veen en de veendikten lijken niet gewijzigd ten opzichte van de in 2000 gemeten waarden. Na een eventueel herstel van de vennen bestaat de kans dat de veenlaag nog voedingsstoffen blijft naleveren aan de waterlaag. Het gaat dan vooral om ammonium en fosfaat. Vooral de fosfaatnalevering kan de waterkwaliteit langdurig negatief be誰nvloeden. Er is op twee manieren een inschatting gemaakt van de fosfaatnalevering, via een destructie van de bodem en via een Olsen-extractie. Met een destructie worden de totale gehalten aan stoffen bepaald. De toplaag van de bodem bestaat uit dun slib, wat voor 85% uit water bestaat. Hierdoor zijn de absolute concentraties van allerlei stoffen hier lager dan in het onderliggende veen. Mede daarom is gekeken naar de verhoudingen tussen de concentraties van de belangrijkste stoffen (illustratie 3.9). De verhouding tussen ijzer en zwavel is in de drie gemeten lagen vrij constant. Overal is opvallend veel zwavel aanwezig; kennelijk staat het ven al lang onder invloed van sulfaatrijk water. De toplaag is het rijkst aan sulfaat. De sliblaag blijkt opvallend rijk te zijn aan fosfaat. Ten opzichte van het onderliggende veen bevat de toplaag 3x zo veel zwavel en ijzer en 5x zo veel fosfor. Het slib in de toplaag is gevormd uit zowel afbraak van veen als afzetting van organische en minerale deeltjes uit de waterlaag. Door de afbraak treedt als het ware indikking op van de mineralen die in het Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 29 -

29 augustus 2008


veen aanwezig zijn. Ook afzettingen uit de waterlaag zijn vaak relatief rijk aan mineralen. Omdat de verhouding tussen zwavel en ijzer vooral in het slib dicht bij de kritische grens van 2:1 zit, is er theoretisch kans dat gevormd sulfide niet meer aan ijzer kan worden gebonden. In de praktijk blijft deze kans klein, omdat de toplaag van de bodem in contact staat met het zuurstofhoudende venwater en omdat zowel de bodem als de waterlaag een relatief lage pH hebben. De activiteit van zwavelreducerende bacteriĂŤn is hierdoor klein. De meeste kans op sulfidevorming is aanwezig op luwe, geĂŻsoleerde plekken met een sliblaag, bijvoorbeeld tussen pitruspollen. IJzer kan fosfaat binden, maar zwavel bindt onder zuurstofloze omstandigheden sterker aan ijzer dan fosfaat; er wordt dan pyriet gevormd (FeS2). Wanneer alle ijzer is vastgelegd in de vorm van pyriet of bezet is door fosfaat, kan geen fosfaat meer gebonden worden en gaat de bodem veel fosfaat naleveren aan de waterlaag. Dit is dus theoretisch het geval in de sliblaag (illustratie 3.10). Door de bodems uit te schudden met natriumbicarbonaat (Olsen-extractie) kan deze nalevering ook worden gemeten. De sliblaag blijkt inderdaad veruit het meeste fosfaat na te leveren (illustratie 3.10). Het afgebroken veen levert ook wat meer fosfaat na dan het nog intacte veen. Dit komt doordat in het intacte veen het fosfaat nog ingebouwd zit in het organisch materiaal. Deze gegevens wijzen erop dat voor een herstel van de waterkwaliteit de sliblaag moet worden verwijderd, maar dat het intacte veen kan blijven zitten. Het extra fosfaat in de sliblaag kan niet alleen afkomstig zijn uit afbraak van de onderliggende veenlaag. Zeer waarschijnlijk hebben met het grond- en oppervlaktewater meekomende fosfaten zich in de sliblaag opgehoopt. Ook heeft enige zwavelophoping plaatsgevonden, wat zowel het gevolg van aanvoer met grond- en oppervlaktewater kan zijn, als het gevolg van de hoge zwaveldepositie in het recente verleden. Illustratie 3.9: Verhoudingen tussen de hoeveelheid fosfor, zwavel en ijzer in de verschillende lagen van het veen in de Grote Klotteraard

Fe - S ratio

Fe - P ratio

0.8

7 6

0.6

Ratio

Ratio

0.7 0.5 0.4

5 4 3

0.3

2

0.2

Type sediment

Type sediment

Slib

Venig

Slib

Veen

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

Venig

Veen

817131/R2c/FVH/Mech - 30 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.10: Bezetting van ijzer door zwavel en fosfor en de relatieve beschikbaarheid van fosfaat in de verschillende lagen van het veen in de Grote Klotteraard. In de linkerfiguur is aangegeven onder welk niveau theoretisch geen vrij ijzer meer aanwezig is in de bodem

Fe - (P+S) ratio

Olsen - P micromol / gram DW

0.7

Ratio

0.6 0.5 0.4 0.3 0.2

3200 2400 1600 800 0

Type sediment Slib

3.2.2

Venig

Type sediment

Veen

Slib

Venig

Veen

Haverven Oppervlaktewater Het Haverven ligt in het begin van een slenk die van zuidwest naar noordoost loopt en watert in noordoostelijke richting af. Het ven wordt voornamelijk gevoed door grondwater en in de winter ook door oppervlaktewater. De slenk is begroeid met heide, broekbos en venvegetatie. De hogere gronden aan weerszijden zijn voornamelijk in landbouwkundig gebruik. Aan de noordwestkant liggen graslanden, aan de zuidoostkant ma誰sakkers. In illustratie 3.11 is een overzicht gemaakt van de actuele knelpunten.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 31 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.11: Locaties rond het Haverven waar aanvoer van voedingsstoffen is gemeten via oppervlakkige afstroming of nalevering uit overstroomde bodems

Het Haverven ontvangt alleen in de winter oppervlaktewater. Vanuit het zuiden komt een ontwateringsgracht uit in het ven. Deze is plaatselijk vrijwel geheel gevuld met gevallen blad, waardoor alleen in natte perioden wateraanvoer plaatsvindt. Het water in de gracht is duidelijk rijker aan nitraat, kalium en fosfaat dan het ven. Aan de noordkant is een kleine ontwateringsgreppel aanwezig, die een laagte in het weiland ontwatert. Dit water is vooral belast met fosfaat; de concentratie is ongeveer 30x hoger dan in het ven. Verder is er aan de noordkant ook een vrij diepe sloot die in contact staat met het ven. Hierin is echter geen stroming richting het ven geconstateerd. Tenslotte stroomt er ook water uit het hoogste deel van de slenk naar het Haverven. De hoger gelegen slenk in het westen is deels begroeid met broekbos en deels met vergraste heide, maar staat ook in contact met het grasland aan de noordkant. Het water dat vanuit hier richting Haverven stroomt is zwak verrijkt met fosfaat. De randen van het grasland aan de noordwestkant staan in de winter deels onder water. Een deel van dit water bereikt via oppervlakkige afstroming het Haverven. De samenstelling van het water is niet gemeten, maar zal overeenkomen met het water in de hierboven genoemde laagte en in de laagten rond de Grote Klotteraard. Wel is op twee plekken de samenstelling van het water doorgemeten in de broekbossen die in de winter onder water staan. Een overstroomd berkenbroek aan de noordpunt bleek nauwelijks vermest water te bevatten. Het overstroomde elzen- en wilgenbroek aan de Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 32 -

29 augustus 2008


noordwestkant bleek 5-10x zo veel fosfaat te bevatten in de waterlaag dan het ven. Er werd hier ook oppervlakkige afstroming naar het ven waargenomen in de winter. Afstroming vanuit akkers vindt plaats aan de zuidkant van het ven. Met dit water komt vrij veel fosfaat mee, 10-20x zo veel als in het ven. Ook de concentratie kalium is duidelijk verhoogd. Ook het Haverven is een ondiep, incidenteel droogvallend en van oorsprong zwak gebufferd ven. In tegenstelling tot de Grote Klotteraard liggen de klei-en leemlagen hier echter zeer ondiep of aan het oppervlak. Hierdoor wordt de stroming van grondwater waarschijnlijk flink belemmerd. Illustratief is dat de peilbuizen rond de Grote Klotteraard en het Peerdsven na leegpompen in enkele minuten weer vol zijn, terwijl de buizen rond het Haverven daar een dag over doen. Toch moet tussen de kleilagen door nog een aanzienlijke aanvoer van grondwater plaatsvinden. De hoge concentraties natrium en chloride die in het grondwater voorkomen, zijn in verdunde vorm ook terug te vinden in het ven (tabel 3.4). Uit de peilgegevens blijkt dat deze grondwateraanvoer vooral plaatsvindt vanuit zuidwestelijke richting, dus vanaf de bovenkant van de slenk. Vanuit de zijkanten komt waarschijnlijk alleen midden in de winter enig grondwater toestromen. Daarnaast wordt het ven in natte perioden ook gevoed door een gracht aan de zuidoostkant en tijdens buien ook door water dat oppervlakkig afstroomt van de akkers en weilanden. De indruk bestaat echter dat dit in mindere mate het geval is dan bij de Grote Klotteraard. Het Haverven was rond 1977 verzuurd, maar is net als de Grote Klotteraard weer gebufferd geraakt in de twee daarop volgende decennia (illustratie 3.8). Hierdoor zijn knolrus en veenmossen sterk achteruit gegaan in het ven. De buffercapaciteit is hierbij, althans in 2007, hoger opgelopen dan in de Grote Klotteraard: Kennelijk hebben reductieprocessen in 2007 een grotere invloed op het Haverven dan op de Grote Klotteraard. Een andere aanwijzing hiervoor is de lagere concentratie sulfaat in de waterlaag en de verdere daling van deze concentratie in de zomer. Het instromende oppervlaktewater rondom het Haverven is weliswaar armer aan sulfaat dan rondom de Grote Klotteraard, het grondwater is juist extreem rijk aan zwavel in de vorm van sulfaat. Gelukkig is de zwavelconcentratie in buis 102, aan de zuidwestkant waar het meeste grondwater vandaan komt, juist weer vrij laag (ongeveer 500 micromol/liter i.p.v. 4000 aan de noordwestkant en 8000 aan de zuidoostkant). De lage sulfaatconcentratie in de waterlaag duidt op zwavelreductie in het ven, in ieder geval in een relatief nat jaar zoals 2007. Ook versterkt de relatief lage zwavelconcentratie het vermoeden dat de grondwatervoeding vanuit de wanden van de slenk vrij gering is. De sterkere zwavelreductie in het Haverven in vergelijking met de Grote Klotteraard kan verschillende oorzaken hebben: meer gemakkelijk afbreekbaar materiaal (vrnl. boombladeren), een mindere windwerking en een hogere pH. De pyrietoxidatie leidt niet alleen tot hoge sulfaatconcentraties in het grondwater, maar ook tot verzuring van het grondwater en tot het in oplossing gaan van aluminium. Dit kan op plaatsen waar grondwater uittreedt ook zeer schadelijk zijn voor de fauna. Verder is de invloed van landbouw duidelijk te merken aan de sterk verhoogde concentraties kalium, natrium en chloride. Deze zijn hierdoor ook in het ven 5 tot 10x hoger dan van nature. De effecten op flora, fauna en sturende processen zijn waarschijnlijk vrij gering, maar ook deels weinig onderzocht.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 33 -

29 augustus 2008


Ook de waterlaag van het Haverven blijft fosfaatarm ondanks de belasting met zwavel (grondwater) en fosfaat (oppervlaktewater). De totale zwavelgehalten van het slib en het veen in het Haverven zijn vrij hoog, maar zeker niet uitzonderlijk hoog (illustratie 3.12). Waarschijnlijk valt het Haverven vaak genoeg geheel of gedeeltelijk droog om zwavelophoping en daarmee fosfaatmobilisatie te voorkomen. Het zwavel verdwijnt dan als sulfaat naar de waterlaag en kan via de afvoer langs het Bels lijntje worden afgevoerd in natte winterperioden. De hoge ijzerconcentraties in het grondwater, die waarschijnlijk ook deels een gevolg zijn verzuring na nitraatuitspoeling, dragen bij aan de vastlegging van fosfaat. Evenals in de Grote Klotteraard zijn de totale gehalten aan fosfaat hoger in de het slib dan in het veen en zjjn de totale gehalten aan ijzer ongeveer gelijk. Dit resulteert ook in een verhoogde fosfaatbeschikbaarheid in het slib (illustratie 3.12). Net als in de Grote Klotteraard zal ook de waterlaag in het Haverven ondanks de fosfaataanvoer nog lang voedselarm kunnen blijven dankzij de aanvoer van ijzer via het grondwater. Ook hier geldt echter dat eutrafente plantensoorten fosfaat kunnen opnemen uit de slibbodems en zodoende vooral de oeverzone kunnen overwoekeren.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 34 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.12: Samenstelling van veen en slib en fosfaatbeschikbaarheid (Olsen-P) in het Haverven en van klei rondom het Haverven. Ter vergelijking zijn ook gemiddelde waarden meegenomen van slib uit 17 Nederlandse heidevennen (lopend onderzoek naar duurzaamheid venherstel).

Calcium + m agnesium (m icrom ol/gram DW)

Slib NL (17) Haverven klei/leem (5) Haverven veen (4) Haverven slib (3) 0

40

80

120

160

IJzer (micromol/gram DW)

Slib NL (17) Haverven klei/leem (5) Haverven veen (4) Haverven slib (3) 0

40

80

120

160

Zwavel (micromol/gram DW)

Slib NL (17) Haverven klei/leem (5) Haverven veen (4) Haverven slib (3) 0

40

80

120

160

200

240

Olsen (micromol/liter)

Haverven klei/leem (5) Haverven veen (4) Haverven slib (3) 0

200

400

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

600

800

1000

817131/R2c/FVH/Mech - 35 -

29 augustus 2008


Tabel

3.4:

Gemiddelde

samenstelling

van

het

venwater,

het

grondwater

en

het

instromende

oppervlaktewater rond en in het Haverven. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milli-equivalent/liter. Haverven

pH

Buf.

Ca

Mg

Al

NO3

NH4

PO4

K

Na

Cl

Fe

S

Gemiddelden (N waarnemingen) Venwater (4)

6.27

0.33

185

96

16

16

13

0.23

168

783

927

19

99

(5)

6.67

0.83

325

157

44

20

5

4.56

285

236

326

17

112

Grondwater (9)

4.01

0.02

2529

1061

263

2

69

0.38

195

1871

2447

387

3778

0.20

0.07

40

19

3

20

8

0.05

33

145

229

6

17

oppervlaktewater

0.31

0.26

94

94

12

40

5

1.73

204

258

383

9

166

Grondwater

0.44

0.03

2090

840

250

2

27

0.41

109

604

646

679

3245

Instromend oppervlaktewater

Standaarddeviaties Venwater Instromend

Ook voor het Haverven is het moeilijk om in te schatten in hoeverre het ven zal verzuren als de invloed van bekalking en nitraatuitspoeling vanuit de landbouwpercelen afneemt. De ondiep liggende kleilagen zijn weliswaar sterk uitgeloogd, ze zijn nog altijd aanzienlijk rijker aan basische kationen dan de zandgronden. Het is dus waarschijnlijk dat het Haverven enige buffering zal behouden.

3.2.3

Peerdsven Het Peerdsven is een klein, ondiep, incidenteel droogvallend en van oorsprong zuur ven. Het ligt op het hoogste punt in het landschap, er bevinden zich vrijwel geen klei- en leemlagen in de ondiepe ondergrond. Het ven ontving tijdens het bezoek in maart 2007 water vanuit de greppel langs de weg aan de oostkant, die vlak bij peilbuis 46 in contact staat met het ven. Daarnaast stroomde op diverse plaatsen water vanuit het bos aan de noordkant het ven in. Het Peerdsven was zowel in de periode 1975-1979 als in de periode 1998-2000 zuur (illustratie 3.8). In de tussenliggende periode is wel de zwavelconcentratie met meer dan een factor 4 verminderd. Dit komt overeen met de daling van de sulfaatconcentraties in zure, Nederlandse vennen (van Kleef e.a., in voorbereiding). In 2007 is het Peerdsven echter zwak gebufferd; deze buffering is dus van zeer recente datum. Ook in augustus 2004 werd door Annemie Pals reeds gemeten dat het Peerdsven zwak gebufferd was geraakt (pH 6,5, buffercapaciteit 229 Âľeq./l). De buffering wordt zeer waarschijnlijk veroorzaakt doordat het ven omringd wordt door bomen en nauwelijks afvoer meer kent. De afwateringsbuis naar het Venneke is al tientallen jaren verstopt. Het ven ontvangt aanzienlijke hoeveelheden nitraat via het oppervlaktewater en sulfaat via het grondwater en in mindere mate het oppervlaktewater (tabel 3.5). De bomen rond het ven breken de windwerking, waardoor het oppervlak van het sediment minder belucht wordt en zorgen bovendien voor de aanvoer van makkelijk afbreekbaar organisch materiaal dat ook nog eens extra stikstof en zwavel bevat. Onder deze omstandigheden worden nitraat en Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 36 -

29 augustus 2008


sulfaat gereduceerd, waarbij buffercapaciteit gegenereerd wordt. In droge jaren zal weer zwaveloxidatie plaatsvinden. Echter, wanneer het dan sulfaatrijke water niet wordt afgevoerd, zal het sulfaat in het ven blijven en weer geleidelijk worden vastgelegd in het sediment als gereduceerd zwavel. Naar gelang er meer zwavel vastgelegd wordt, zal ook de kans op fosfaatmobilisatie stijgen, zeker omdat de aanvoer van ijzerrijk grondwater zeer gering is in het Peerdsven. Zover is het nog niet, getuige de nog steeds lage fosfaatconcentraties in de waterlaag. Het Peerdsven was tot en met 2000 een zuur ven en is in 2007 gebufferd door de reductie van nitraat en sulfaat. De sliblaag is zowel de bron van vermesting als de bron voor buffering. In de huidige toestand zal het ven zwak gebufferd blijven zo lang het niet sterk uitdroogt, maar ook geleidelijk steeds voedselrijker worden. Toch is dit proces niet onomkeerbaar. Na verwijdering van de sliblaag en een groot deel van de omringende bomen is het niet waarschijnlijk dat de genoemde reductieprocessen weer snel op gang komen. De periodiek hoge aanvoer van het oxiderende nitraat remt zwavelreductie, maar aan de andere kant draagt reductie van nitraat tot ammonium ook bij aan buffering van de bodem en dus aan de kans op zwavelreductie. Op de langere termijn kan weer enige slibophoping optreden en dan wordt het belangrijk om in natte perioden die volgen op extreme droogte weer water af te kunnen voeren. In de droge tijd zal veel zwaveloxidatie plaatsvinden in het droogvallende slib. Wanneer het ven zich weer vult, lost dit in de vorm van sulfaat op in de waterlaag. Dit sulfaatrijke water kan dan het beste worden afgevoerd om ophoping van zwavel in het ven tegen te gaan. Het is dus niet nodig om de jaarlijkse peilfluctuatie in het ven te vergroten, maar het kan wel nuttig zijn om water af te laten dat zich na een droge periode weer in het ven verzamelt; hiermee kunnen grote hoeveelheden zwavel uit het systeem worden afgevoerd. Droogvallende bodems uit het met zwavel verrijkte ven “De Banen�, bij Weert-NL, verloren meer dan 20% van hun totale zwavelvoorraad. Tabel

3.5:

Gemiddelde

samenstelling

van

het

venwater,

het

grondwater

en

het

instromende

oppervlaktewater rond en in het Peerdsven. Cursief en vet zijn de belangrijkste knelpunten aangegeven. Buf. = buffercapaciteit in milli-equivalent/liter. Peerdsven

pH

Buf.

Ca

Mg

Al

NO3

NH4

PO4

K

Na

Cl

Fe

S

Gemiddelden (N waarnemingen) Venwater (4)

6.35

0.27

134

70

9

9

6

0.19

75

249

268

12

86

oppervlaktewater

4.32

0.07

98

66

94

508

42

0.12

56

266

307

14

213

Grondwater

4.44

0.06

197

123

138

19

15

0.15

34

473

509

54

658

0.48

0.11

24

13

4

15

4

0.07

8

28

49

7

45

oppervlaktewater

1.57

0.11

21

8

73

432

33

0.01

11

36

74

8

97

Grondwater

0.15

0.03

57

82

97

33

5

0.17

12

167

201

30

587

Instromend

Standaarddeviaties Venwater Instromend

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 37 -

29 augustus 2008


3.2.4

Kleine Klotteraard Oost De Kleine Klotteraard is door het Bels Lijntje in twee delen gesneden. Het oostelijk deel staat nog steeds in verbinding met de Grote Klotteraard, waardoor de waterkwaliteit vrijwel gelijk is aan die van de Grote Klotteraard. In de Kleine Klotteraard Oost en de Grote Klotteraard is de waterlaag tussen 1970 en 1980 sterk verzuurd, waarbij in de Kleine Klotteraard in 1974 diverse malen een pH gemeten is van 2,8. Dit duidt op het vrijkomen van grote hoeveelheden zwavelzuur uit de sliblaag na (gedeeltelijk?) droogvallen van de venbodem. De bodem van de Kleine Klotteraard is vrijwel overal bedekt met een meer dan 10 centimeter dikke sliblaag. Rond 2000 is deze verzuring grotendeels verdwenen. Het water is evenals in de Grote Klotteraard weer zeer zwak gebufferd, maar nog wel vrij rijk aan sulfaat. Mogelijk heeft de bodem van de Kleine Klotteraard aanzienlijk meer zwavel opgehoopt dan in de Grote Klotteraard. Een aanwijzing hiervoor is de sterke pH-daling in 1974. Ook heeft de relatief diepe en kleine plas aanzienlijk minder windwerking dan de Grote Klotteraard, waardoor de zuurstofaanvoer naar de bodem lager is. Een mindere doorluchting leidt tot sterker gereduceerde omstandigheden, waardoor zich makkelijker zwavel op kan hopen. Een meer uitgebreide beschrijving van de Kleine Klotteraard Oost wordt gegeven in Vanderhaeghe (2000).

3.2.5

Kleine Klotteraard West De Kleine Klotteraard West is het kleinste van de twee delen van de doorsneden Kleine Klotteraard. Het ven is komvormig, met vaak steile oevers en wordt voornamelijk omgeven door bos. Er heeft zich een vrij dikke sliblaag ontwikkeld, vermoedelijk vooral door de inwaai van boombladeren. Via diverse grachten bereikt door landbouw beĂŻnvloed water het ven. Het water in de Kleine Klotteraard West is sterker gebufferd dan aan de oostzijde. Waarschijnlijk wordt dit veroorzaakt door de anaĂŤrobe afbraak van de inwaaiende boombladeren. Hierbij komen ook vrij grote hoeveelheden voedingsstoffen vrij. Ook worden er voedingsstoffen via de grachten aangevoerd. Er wordt bijvoorbeeld een relatief hoge kaliumconcentratie gemeten. Toch zijn de gemeten fosfaatconcentraties in 1999/2000 vrij laag en groeien er nog waterplanten van voedselarme vennen. Waarschijnlijk is er sprake van enige aanvoer van ijzerrijk grondwater, waardoor fosfaat gebonden blijft aan ijzer. Dit in tegenstelling tot het Peerdsven, waar ook bladinwaai en buffering plaatsvindt, maar tegelijkertijd ook vermesting.

3.2.6

Zandven Het Zandven is tussen 1970 en 1980 sterk verzuurd, met een pH tussen 3,2 en 3,6. Na de droge zomer van 1976 bereikt de sulfaatconcentratie een piek van ruim 80 milligram per liter. Vermoedelijk is het ven toen vrijwel geheel drooggevallen en is een groot deel van het opgehoopte zwavel (pyriet) in het sediment geoxideerd. In 1999/2000 was de pH van het ven opgelopen tot rond pH 4. Er heeft dus enig herstel plaatsgevonden, maar veel minder dan bijvoorbeeld in de Grote Klotteraard en het Haverven. Dit komt waarschijnlijk doordat het ven geen gebufferd oppervlaktewater ontvangt. Toch is de nitraatconcentratie in 1999/2000 hoog, evenals de Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 38 -

29 augustus 2008


sulfaatconcentratie. Mogelijk vindt er veel nitraatuitspoeling plaats uit de omliggende bossen. In het zure water vindt vermoedelijk nauwelijks reductie van nitraat en sulfaat plaats. Omdat er ook geen waterafvoer is, kunnen de concentraties langdurig hoog blijven.

3.2.7

Koeven Het Koeven is in vergelijking tot het naastgelegen Zandven minder zuur en de sulfaaten nitraatconcentraties in de waterlaag zijn in 1999/2000 beduidend lager. Dit ondanks dat er een maïsperceel tot bijna in het ven reikt. De bodem is ook iets lemiger dan in het Zandven. Vermoedelijk is de hogere buffering het gevolg van afstroom van gebufferd water van het landbouwperceel en van sulfaat- en nitraatreductie in de venbodem. Ten opzichte van de jaren zeventig van de vorige eeuw is de pH in 1999/2000 duidelijk gestegen en zijn de concentraties calcium, magnesium en sulfaat afgenomen (Vanderhaeghe, 2000). In de droge jaren zeventig heeft ook hier zwaveloxidatie geleid tot verzuring en vervolgens het oplossen van calcium en magnesium uit de venbodem.

3.2.8

Satellietven tussen Zand- en Koeven Tussen het Zandven en Koeven ligt een klein, ondiep vennetje met een zuur karakter. Van 23 maart 2000 is hiervan een pH-meting beschikbaar van 3,6 (geen staalname of analysen beschikbaar).

3.2.9

Nonnenmoer Het hier beschreven ‘Nonnenmoer’ betreft het noordelijke van de twee plassen, die feitelijk buiten de perimeter van het oorspronkelijke ven zijn gelegen (cf. figuur 3.10). Het oorspronkelijke ven situeerde zich rond de actuele centrale gracht die van zuid naar noord loopt en de actuele akkers draineert. De plas ligt op de grens tussen bos en een koeweide en is rijk aan slib. Twee analysen van 1999-2000 wijzen op een zeer zwak gebufferde kwaliteit, hoogst waarschijnlijk door de toestroom van landbouwwater. Verder valt de lage sulfaatconcentratie op; waarschijnlijk wordt dit vrij snel vastgelegd in de slibbodem. De fosfaatconcentratie is als gevolg van deze situatie zeer hoog in vergelijking met typisch venwater.

3.3

Slibdikte In figuur 3.3 is de vorm van de minerale venbodem van de verschillende prioritaire vennen weergegeven (onder de organische sliblaag), hetzij van een eventuele intacte veenbodem onder de sliblaag, alsook de dikte van de sliblaag (deze met inbegrip van het afgebroken veen in het geval van een oude veenlaag als substraat). De onderzijde van de sliblaag van Grote Klotteraard bevindt zich op minder dan één meter onder het wateroppervlak in 2007 (weliswaar hoge waterstand), en kent een tamelijk vlak patroon, op een lokale hoogte in het midden na die als een eilandje kan droogvallen (zie kaart in scriptie 2000; niet als een aparte vegetatie-eenheid onderscheiden in 2007). In de Grote Klotteraard, bevindt zich centraal en richting Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 39 -

29 augustus 2008


zuidwesten een intacte veenbodem, waarbovenop wat afgebroken veen en een sliblaag zich bevinden. De slibdieptemetingen stoppen op de bovenzijde van het hardere pakket, en hebben aldus betrekking op afgebroken veen + slib. In illustratie 3.13 wordt de interpolatiekaart uit de scriptie van 2000 weergegeven, voor de dikte van deze sliblaag. De puntmetingen van 2007 blijken goed overeen te stemmen met het patroon en de concrete diktes zoals in 1999 vastgesteld. Op de meeste plaatsen betreft het minder dan 20 cm slib, maar op diepere plaatsen gaat dit tot ca. 4 dm en in het zuidwesten tot een halve meter. In het noorden en oosten van het ven zijn grote, zandige stukken aanwezig. Ter hoogte van de pitrusgordels aan deze kanten wordt tot 10 cm slib gemeten. Illustratie 3.13: Dikte van de sliblaag in de Grote Klotteraard, in meter, uit de scriptie van 2000. Hierbij is zowel de sliblaag als het afgebroken veen beschouwd. De kaart is een interpolatie van puntmetingen.

In 1999 is alleen van de Grote Klotteraard een nauwkeurige opmeting gebeurd van de sliblaag. In de overige hier besproken vennen is geen opmeting gebeurd, met uitzondering van enkele opnamelocaties; voor het gehele ven is alleen een algemene inschatting gegeven. Het Haverven heeft een langgerekt patroon en het zeer lemige substraat wordt alleen aan de noordoostelijke zijde iets dieper, nauwelijks meer dan een halve meter onder het relatief hoge wateroppervlak van 2007 (ter vergelijking, in de zomer van 1999 was alleen de centrale gracht waterhoudend). Op vele plaatsen ligt enkele decimeter organisch materiaal, maar richting noordoosten wordt dit zeer beperkt. In het zuidoosten

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 40 -

29 augustus 2008


van het Haverven (zone met moerasplanten) is tijdens terreinbezoeken een veenlaag aangetroffen. Het kleinere Peerdsven kent vanaf de oever een vrij snel dalende, zandige tot zandlemige bodem tot ca. 1 meter onder het wateroppervlak van 2007. De organische laag is op de meeste plaatsen 30 Ă 40 cm dik, maar enkele locaties zonder pitrus en in de omgeving van de oevers zijn quasi mineraal.

3.4

Vegetatie Voor de beschrijving van de vroegere situatie is in dit gedeelte gebruik gemaakt van passages uit Vanderhaeghe (2000), die dan verder zijn bewerkt. Op de vegetatiekaarten wordt de typologie van 1999-2000 met wetenschappelijke benamingen verder gevolgd, om hiermee in lijn te zijn. In de tekst wordt evenwel gewerkt met Nederlandse namen. Voor een vertaling van de wetenschappelijke namen, zie bijlage 2. Algemeen kan gesteld worden dat de hoge waterstanden in 2007, in vergelijking met 1999, in verschillende vennen hoofdreden zijn voor het andere vegetatiepatroon. In vennen is dit patroon immers jaargebonden en sterk afhankelijk van het waterregime. Hierbij dient ook het gecombineerde effect van golfslag en voedselrijkdom te worden beschouwd: in voedselrijke omstandigheden hebben isoĂŤtide planten als oeverkruid een kleiner wortelstelsel, zodat ze gevoeliger zijn voor golfslag. In de tekst wordt gewezen op enkele interessante vaststellingen voor 2007, ten opzichte van 1999.

3.4.1

Grote Klotteraard (figuur 3.4) Vroeger kwam waterlobelia voor in de Grote Klotteraard. In de jaren 1930 zou deze soort in beperkte mate in het ven hebben voorgekomen. In de periode 1940-1960 echter zou waterlobelia massaal zijn toegenomen, aan de O-en N-zijde. Daarna zou de soort verdwenen zijn. Een soort die van eind de jaren 1980 tot 1999 is achteruitgegaan, is oeverkruid. Eind de jaren 1980 is sprake van brede zones oeverkruid langs de oevers aan de N- en O-zijde. De soort is in 1999 vooral aangetroffen op de min of meer zandige bodems aan de NOzijde. Op een zandbank nabij de ZO-inham zijn eveneens enkele planten gevonden. In 2007 is de vegetatie van het open water sterk veranderd. Gesteeld glaskroos (illustratie 3.14), een kenmerkende soort van gebufferde vennen, is de dominante soort (lagere bedekkingen richting zuidwest). Bovendien is de populatie oeverkruid opvallend uitgebreid in het noordoosten. Knolrus is nog slechts sporadisch aan te treffen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 41 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.14: Gesteeld glaskroos vormt grote tapijten op de bodem van de Grote Klotteraard, anno 2007.

In de jaren 1970 kwam in de Grote Klotteraard, nabij de oevers, pitrus reeds vaak voor, en verder ook veelstengelige waterbies en vlottende bies. Over andere soorten zijn van deze periode niet onmiddellijk gegevens beschikbaar. De gordel met pitrus was, tenminste aan de N- en O-oever, nog smal; brede zandige stranden waren aanwezig v贸贸r deze helofytenbegroeiing. Eind de jaren tachtig (1988, 1989) werd aan de N-oever nog steeds een smalle rand van pitrus waargenomen. Naar het ven toe werd, aan de N-oever, een tot 10 m brede, zandige zone vastgesteld, zeer schaars begroeid met knolrus. Veelstengelige waterbies werd zeker nog waargenomen tot 1990; in 1999 is zij niet aangetroffen. De oevers zijn in 1999 en ook 2007 grondig veranderd ten opzichte van vroeger. Langs de N- en O-oever zijn de vroegere stranden meestal over een breedte van 10 tot 20 m begroeid door een helofytenvegetatie met pitrus als dominant, hoewel hier en daar meer open plaatsen aanwezig zijn. Nergens is open zand waarneembaar, en mosbedekkingen zijn vaak hoog. Ook aan de Z- en de W-oever komt een dergelijke vegetatie voor; aan de W-zijde wordt een breedte van meerdere tientallen meters bereikt. In de ZW-inham neemt deze vegetatie een zeer grote oppervlakte in. In 2007 kan via de opnamen (tabel 3.6) wel een wijziging worden vastgesteld in de grotere pitrusgordels in het westen en zuiden: de bedekking van pitrus is er toegenomen en in de opnamen zijn maar weinig mossen meer vastgesteld (hoewel ze elders verspreid wel voorkomen). Dit wijst op een verdere verdichting van deze pitrusgordels. Zowel in 1999 als 2007 komen dezelfde open plaatsen voor in deze pitrusgordels (zie kaart). Een wijziging in 2007, die ook in een aantal andere vennen is vastgesteld, is de

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 42 -

29 augustus 2008


verschijning van loos blaasjeskruid, die vooral in deze open plaatsen voorkomt. Op een open plaats in het zuidwesten treedt de soort sterk op de voorgrond. Tabel 3.6: Recente en bijhorende oudere opnamen van de Grote Klotteraard, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007. Heropnamegroep

Opname 130 (NO)

Opname 131 (ZO)

Opname 132 (ZW)

Opname 133 (W)

Datum

9/10/1999

29/08/2007

9/10/1999

29/08/2007

9/10/1999

29/08/2007

9/10/1999

29/08/2007

Opnamecode

FVH99130

TH200737

FVH99131

TH200740

FVH99132

TH200739

FVH99133

TH200738

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

82

55

61

100

98

81 (5a)

2 (m2)

Opnameschaal Totale bedekking (%) Waterveenmos

100

50

30

81 (5a)

20 (2)

8 (2a)

1 (m1)

2 (+b)

Knolrus s_l_

2 (1a)

1 (a1)

Waternavel

2 (+b)

2 (m2)

Berk (G)

1 (1p)

Geoord veenmos

1 (+r)

1 (+r)

8 (2a)

7 (1-)

2 (+b)

Ven-sikkelmos

1 (+r)

1 (+r)

18 (2b)

4 (m4)

1 (+p)

Pitrus

1 (+p)

1 (a1)

31 (3a)

70 (7)

7 (1-)

8 (2a)

Moerasstruisgras

1 (+p)

50 (5)

18 (2b)

7 (1-)

1 (m1)

2 (+b)

Zegge (G)

1 (+p) 1 (p1)

18 (2b) 1 (m1)

1 (m1)

Smal tandzaad

1 (+p) 2 (+b)

Klein kroos

1 (1p)

Fioringras

1 (+r)

20 (2)

18 (2b)

2 (m2)

70 (7)

4 (m4)

Geoorde wilg x Grauwe wilg Grote wederik

1 (+r) 12 (1+)

1 (+r)

Kale jonker

1 (+r)

Koninginnekruid

1 (+r)

Pijpestrootje

1 (+r)

Ruwe berk

1 (+r)

Smalle stekelvaren

1 (+r)

Sterrekroos (G)

1 (+r)

Wilgeroosje

1 (+r)

1 (+r) 40 (4)

Zachte berk

1 (+r)

Moeraswalstro

1 (+p)

1 (m1)

1 (+a)

2 (m2)

Wolfspoot

1 (p1)

2 (m2) 1 (+r)

Gewoon watervorkje

1 (p1)

Loos blaasjeskruid

50 (5)

12 (1+)

Paardebloem (G)

1 (+r)

Vlottende bies

1 (+r)

Zwart tandzaad

12 (1+)

1 (a1)

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

2 (a2)

817131/R2c/FVH/Mech - 43 -

29 augustus 2008


Tabel 3.7: Schaal van Londo voor het maken van vegetatie-opnamen Symbool bedekking

Betekenis bedekking (%)

Abundantiesymbool (*)

.1

<1%

Te plaatsen v贸贸r .1, .2 of .4:

.2

1-3%

r: 1-3 individuen

.4

3-5%

p: 4-10 individuen

1-

5-10%

a: 11-100 individuen

1+

10-15%

m: >100 individuen

2

15-25%

3

25-35%

4

35-45%

5

45-55%

6

55-65%

7

65-75%

8

75-85%

9

85-95%

10

95-100%

(*) In aantal individuen per are. Enkel voor bedekkingen < 5%.

Voorts verdient de bijzondere vegetatie aan de oostzijde, op de percelen buiten het ven, specifieke vermelding. Het betreft een relict van heischraal grasland, met onder andere tormentil, tandjesgras, liggende vleugeltjesbloem, struikhei en blauwe zegge.

3.4.2

Haverven, satellietven oost en satellietven west (figuur 3.5a en b) In de jaren 1970 was het ven een belangrijke groeiplaats voor verschillende soorten van de oeverkruidklasse. Vooral in de NO-helft van het ven kwam vrij veel waterlobelia voor (illustratie 3.15), samen met veel knolrus en geoord veenmos. Waterlobelia werd ook aangetroffen in de ZW-helft. Naar de oevers toe kwam op vele plaatsen een zoom van pitrus, biezeknoppen en riet voor; op verschillende plaatsen ging deze over in een begroeiing met pijpenstrootje. Hiertussen werd ook moerassmele aangetroffen. Op vele plaatsen in het ven kwam veelstengelige waterbies voor. Deze situatie wijst op een verzuurd milieu van wat daarvoor een sterker gebufferd ven moet geweest zijn. Oeverkruid groeide vooral op de tongen nabij het Bels Lijntje, net ten noorden en ten zuiden van de middensloot.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 44 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.15: Waterlobelia en knolrus in het Haverven, begin jaren zeventig (foto: Geert De Blust).

In 1999 en 2007 zijn geen waterlobelia en Moerassmele meer aangetroffen. Vermoedelijk zijn deze soorten onder invloed van verzuring en eutrofiĂŤring niet meer aanwezig. Een vaak brede pitrusgordel is overal aanwezig; in de ZW-helft van het ven is deze min of meer aaneengesloten tot het midden. Riet komt op een aantal plaatsen voor. In 1999 kwam veelstengelige waterbies in dichte, maar zeer gelokaliseerde begroeiingen voor; in 2007 zijn zeer uitgebreide groeiplaatsen aanwezig (zie figuur 3.5b). Dezelfde trend geldt voor moerashertshooi, hoewel deze in 1999 wel frequenter optrad dan veelstengelige waterbies. Verschillende soorten zijn nieuw aangetroffen ten opzichte van begin de jaren zeventig, waaronder moerashertshooi en vlottende bies. knolrus lijkt eerder beperkt voor te komen. De in 1999 meest opvallend toegenomen soort t.o.v. 1973, is vensikkelmos, die op alle open plaatsen een 100% bedekkende mat vormde (in dat jaar stond bovendien enkel water in de middensloot). In 2007 heeft de waterbeweging door de hoge waterstand vermoedelijk geleid tot meer opwoeling ter hoogte van de venbodem, waardoor het centraal-oostelijke deel kaal en zelfs vegetatieloos is (met minerale plekken). Op iets beschuttere plaatsen is vensikkelmos nog algemeen, maar meestal in bedekking afgenomen ten gunste van geoord veenmos (tabel 3.8). Lokaal zijn in 1999 nog relicten van de populatie van oeverkruid aangetroffen (zie kaart), meestal tussen hoger opschietende kruiden. In 2007 is geen oeverkruid meer aangetroffen; met de hogere waterstand en het matige doorzicht is dit echter niet 100% sluitend. Wel staat in de vroegere opnamen (van 1999) met oeverkruid, momenteel geen oeverkruid meer. De gevoeligheid van isoĂŤtide plantensoorten voor Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 45 -

29 augustus 2008


golfslag in voedselrijke omstandigheden (losgeslagen worden wegens kleiner wortelstelsel), is een mogelijke reden voor deze verandering. Een opvallende evolutie sinds 1999 is de verdichting en verbossing met wilgen van de pitrusruigtes langs de randen en in het westen. Verder naar het zuidwesten wordt een lange, smalle uitloper van het Haverven door een wal van het centrale ven afgescheiden (in de scriptie 2000 aangeduid met code ‘HVZW’). In 2000 is vastgesteld dat dit kleine, smalle gedeelte rechtstreeks wordt beïnvloed door drainagewater van de maïsakker aan de ZO-zijde. Sinds de jaren 1970 is de venbodem van dit gedeelte reeds voor een groot deel ingenomen door een wilgenbroekbos; zie opname FVH99117 (tabel 3.8). In de jaren 1970 was dit broekbos echter nog meer open. In 1999 bleek het diepste punt van het ven nog een open plaats te zijn (met een diameter van ongeveer 4-5 m). Hier was begin de jaren 1970, en ook nog eind de jaren 1980, witte waterranonkel aspectbepalend. Voorts werd veel knolrus en veelstengelige waterbies aangetroffen. Tussen pijpenstrootje kwam ook moerassmele voor. Eind de jaren 1980 werd ook vlottende bies gevonden. In 1999 (emers) werden echter maar enkele plantjes van witte waterranonkel gevonden (zie heropname FVH99117), en in 2007 (submers) geen enkel. De vegetatie op deze beschaduwde en strooiselrijke plaats is zeer ijl. Tot voor enige jaren groeide ook nog witte waterranonkel in de gracht langs de Steenweg op Baarle-Hertog, ter hoogte van het Haverven.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 46 -

29 augustus 2008


Tabel 3.8: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Haverven en satellietven west, volgens heropnamegroep (ligging zie figuur 3.5).

Bedekking in %;

tussen haakjes de oorspronkelijke

bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007. Nieuwe opnamen: satellietven

Heropnamegroep

Opname 117

Opnamen 80 en 81

Opname 51

Opname 52

Datum

22/08/2007

22/08/2007

31/07/1973

21/08/1989

21/08/1989

31/08/1999

22/08/2007

16/08/1999

16/08/1999

29/08/2007

6/08/1999

29/08/2007

6/08/1999

29/08/2007

Veldopname

TH200702

TH200703

GDB73092

GDB89087

GDB89088

FVH99117

TH200712

FVH99080

FVH99081

TH200732

FVH99051

TH200741

FVH99052

TH200731

Opnameschaal

LO

LO

BDS

BDS

BDS

BDS

LO

BDS

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

Totale bedekking (%)

15

90

35

65

60

12

0.5

90

100

8

95

0

100

100

81 (5a)

93 (5b)

7 (1-)

93 (5b)

31 (3a)

1 (+r)

18 (2b)

1 (+r)

Ven-sikkelmos

1 (+p)

8 (2a)

Moerashertshooi Waternavel

1 (+p)

8 (2a)

Egelboterbloem Waterpostelein

2 (1a)

1 (1p)

2 (1a)

18 (2b)

2 (1a)

Wolfspoot

93 (5b) 1 (+r)

1 (+r)

1 (+r)

1 (+r)

2 (1a)

1 (+p)

1 (+p)

1 (+r)

43 (3b)

1 (+r)

1 (+p)

1 (+p)

2 (1a)

1 (+p)

31 (3a)

8 (2a)

1 (+a)

1 (+r)

1 (+r)

1 (+a)

1 (+r)

Zwart tandzaad

2 (m2) 95 (10)

1 (+r)

Veelstengelige waterbies Pitrus

2 (p2)

Moerasstruisgras

1 (m1)

Moeraswalstro

1 (+a) 1 (+p)

2 (1a)

2 (1a)

1 (+r)

2 (1a)

1 (+p)

1 (p1)

Gevleugeld sterrekroos Klein kroos Geoord veenmos

1 (+p)

Witte waterranonkel Knolrus s_l_

7 (1-)

18 (2b)

8 (2a)

8 (2a)

1 (+r)

3 (1b)

43 (3b)

43 (3b)

3 (1b)

Moerassmele

2 (1a)

Kale jonker

1 (+r)

Kleine zonnedauw

1 (+r)

Gewoon peermos

1 (+p)

Gewoon puntmos

1 (+p)

Gewoon sikkelmos

1 (+p)

Goudkorrelmos (G)

1 (+p)

Hoge cyperzegge

1 (+p)

1 (+p)

Kruipwilg

1 (+p)

1 (+p)

1 (+p)

1 (+p)

Pijpestrootje

90 (9)

1 (+r)

1 (a1)

Basterdwederik (G) Berk (G)

1 (p1)

Duizendknoop (G)

1 (+r)

Fioringras Geoorde wilg x Grauwe wil Gewone dophei

1 (+r)

1 (p1)

2 (a2)

Gewoon watervorkje Grote kattenstaart Grote wederik

1 (+r)

Loos blaasjeskruid

1 (a1)

Moerasdroogbloem

1 (m1)

1 (+r)

Oeverkruid

1 (+p)

Penningkruid

2 (1a)

Perzikkruid

2 (1a)

31 (3a)

8 (2a)

Riet Sporkehout

1 (+r)

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 47 -

29 augustus 2008


Heropnamegroep

Opname 53

Opname 54

Opname 82

Opname 83

Opname 103

Opname 118

Datum

6/08/1999

29/08/2007

6/08/1999

29/08/2007

16/08/1999

29/08/2007

16/08/1999

29/08/2007

24/08/1999

29/08/2007

31/08/1999

29/08/2007

Veldopname

FVH99053

TH200730

FVH99054

TH200736

FVH99082

TH200729

FVH99083

TH200734

FVH99103

TH200735

FVH99118

TH200733

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

BDS

LO

99

100

100

100

100

100

100

100

100

Opnameschaal Totale bedekking (%) Ven-sikkelmos

93 (5b)

Moerashertshooi

1 (+r)

Waternavel

8 (2a)

100

100

100

93 (5b)

95 (10)

93 (5b)

12 (1+)

1 (m1)

93 (5b) 12 (1+)

1 (+r)

93 (5b) 95 (10)

8 (2a) 7 (1-)

2 (m2)

1 (m1)

1 (a1) 1 (+r)

Egelboterbloem

1 (+r)

1 (a1)

Waterpostelein

2 (+b)

1 (a1)

1 (+r)

Wolfspoot

2 (+b)

1 (p1)

1 (+p)

Zwart tandzaad

1 (+a)

Veelstengelige waterbies

1 (1p)

2 (m2)

1 (+p)

7 (1-)

Pitrus

2 (+b)

30 (3)

1 (+r)

2 (a2)

2 (m2)

81 (5a)

40 (4)

Moerasstruisgras

18 (2b)

4 (m4)

20 (2)

2 (m2)

18 (2b)

4 (m4)

Moeraswalstro

1 (+a)

1 (+p)

1 (m1)

Gevleugeld sterrekroos

2 (1a)

Klein kroos

2 (1a)

Geoord veenmos

1 (+p)

1 (+r)

70 (7)

12 (1+)

1 (+r)

1 (+r)

1 (+p)

1 (+p)

1 (+p)

2 (+b)

1 (+r)

1 (+r)

2 (+b)

43 (3b)

1 (m1)

1 (+r)

70 (7)

1 (+a) 1 (+p) 1 (m1) 50 (5)

1 (m1)

18 (2b)

1 (+p) 1 (+r)

7 (1-)

1 (a1)

70 (7)

95 (10)

Witte waterranonkel Knolrus s_l_

18 (2b)

Moerassmele Kale jonker Kleine zonnedauw Gewoon peermos Gewoon puntmos Gewoon sikkelmos Goudkorrelmos (G) Hoge cyperzegge Kruipwilg Pijpestrootje Basterdwederik (G)

1 (+r)

Berk (G) Duizendknoop (G) Fioringras

56 (4a)

Geoorde wilg x Grauwe wil

12 (1+)

1 (+r)

Gewone dophei Gewoon watervorkje

1 (+r)

Grote kattenstaart

2 (a2)

Grote wederik

20 (2)

Loos blaasjeskruid

20 (2)

1 (+r) 20 (2)

50 (5)

1 (p1)

12 (1+)

2 (m2)

8 (2a)

2 (m2)

1 (+r)

12 (1+)

1 (a1)

Moerasdroogbloem Oeverkruid

3 (1b)

Penningkruid Perzikkruid Riet Sporkehout Sterrekroos (G)

1 (m1)

In het oostelijke satellietven (door het Bels Lijntje afgesneden deel van het Haverven) werd in 1988 een vegetatie van knolrus, veelstengelige waterbies, geoord en waterveenmos en blaasjeskruid sp. aangetroffen, en verder pijpenstrootjebulten, gewone dophei, veenpluis en riet. In 1999 en 2007 blijkt deze voormalig open zone sterker vergrast en verruigd. Op de pollen is in 1999 wel nog veenmos sp. en veenpluis gevonden. In 2007 is het voorheen niet beschreven ‘satellietven west’, gedocumenteerd met opnamen. Het betreft het van het Haverven afgesneden kleine deel ten westen van de Steenweg op Baarle-Hertog. De vegetatie hier wijst op een zure situatie (zie tabel 3.8), met knolrus en waterveenmos in het water en pijpenstrootjebulten met gewone dophei, die dichter aaneensluiten hoe verder weg van het centrum.

3.4.3

Peerdsven (figuur 3.6) Op dia' s van eind de jaren 1960 (genomen door A. Riemis) is een lage vegetatie te zien van mossen en knolrus, tot tegen de pijpenstrootje-oevers. In deze vegetatie zijn tevens enkele afgestorven, geïsoleerde bulten pijpenstrootje waar te nemen. Op de dia' s zijn sporadisch enkele pollen pitrus te zien, nabij de pijpenstrootje-oever.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 48 -

29 augustus 2008


Waarschijnlijk was pitrus begin de jaren 1970 al wat meer uitgebreid; vooral langs de Zzijde zou sprake geweest zijn van een wat bredere gordel. Voorts waren typerend: knolrus (met hoge bedekkingen), veenmos sp., en naar de oevers toe pijpenstrootje, waternavel en vensikkelmos. Op één plaats werd witte waterranonkel gevonden. Verder kwam in het ven ook veel moerasstruisgras en veelstengelige waterbies voor. Opvallend is dat de meeste toen gemaakte opnamen (in 2000 niet heropgenomen noch gedigitaliseerd) overwegend door een totale bedekking van minder dan 50% zijn gekenmerkt. Tabel 3.9: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Peerdsven, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007. Heropnamegroep

Opname 128

Opname 127

Datum

20/09/1999

28/08/2007

20/09/1999

28/08/2007

Veldopname

FVH99128

TH200727

FVH99127

TH200728

BDS

LO

BDS

LO

100

100

100

0

Opnameschaal Totale bedekking (%) Geoord veenmos Waterveenmos

81 (5a)

93 (5b)

8 (2a)

Pitrus

43 (3b)

Vensikkelmos

2 (+b)

Moerasstruisgras

1 (+r)

95 (10)

Gewoon watervorkje

2 (m2)

Klein kroos

1 (m1)

Knolrus s_l_

8 (2a)

In 1999 en 2007 blijkt een verregaande verruiging en pitrusverdichting te zijn opgetreden. De totale bedekking is in 1999 overal 100%; in 2007 geldt dit voor de emerse stukken (submers geen vegetatie of weinig vitale knolrus). Op zowat alle plaatsen is een brede gordel van pitrus te zien, het breedst in 1999 (toen stond alleen water in de centrale sloot). Behalve pitrus is ook vrij veel knolrus en Geoord veenmos waargenomen. In 2007 zijn deze pitrusgordels sterk verdicht (bedekking pitrus veel hoger), met weinig andere soorten (tabel 3.9). Naar het centrum toe kwam in 1999 een begroeiing van zeer veel geoord veenmos voor. In 2007 is in het open water (buiten de pitrusgordels) weinig plantengroei aangetroffen, zie eerder. Het geoord veenmos is in 2007 vooral langs de verschillende randen aangetroffen. Een waarneming in 2007 door H. van Kleef, van vlottende bies aan de noordoever is hier voorts vermeldenswaard.

3.4.4

Kleine Klotteraard Oost (figuur 3.7) In één opname van 1973, vermoedelijk meer naar de N- of O-zijde van het ven toe, met een oppervlakte van ongeveer 200 m², kwam oeverkruid voor met een bedekkingswaarde 2a (ca. 8%), in een zone zonder organisch materiaal. Grote zandige stukken waren toen aanwezig. In het water is in 1999 alleen geoord veenmos aangetroffen, en dit enkel in de nabijheid van de oevers; in 2007 was geen onderwatervegetatie aanwezig. In de recente periode is dit ven overwegend gekenmerkt door een organische laag van meer dan 10 cm dik. Langs de oevers komt een zoom voor van pitrus, waternavel, moerasstruisgras , geoord veenmos e.a. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 49 -

29 augustus 2008


Bij vergelijking van de opnamen (tabel 3.10) blijkt een verandering te zijn opgetreden aan de noordoever (opname 100): knolrus neemt af, moerasstruisgras, pitrus en veelstengelige waterbies nemen toe. Nieuwkomer in de opname van 2007 is moerashertshooi.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 50 -

29 augustus 2008


Definitief eindrapport

1 (+r)

1 (+r)

2 (m2)

7 (1-)

1 (+p)

1 (+p)

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied

- 51 1 (+p)

Zwart tandzaad

Zomereik

Wilg (G)

Veelstengelige waterbies

Sterrekroos (G)

Smal tandzaad

1 (+r)

40 (4)

1 (r1)

1 (+p) 1 (+r)

1 (+a)

7 (1-) 1 (+p)

2 (1a)

56 (4a)

8 (2a)

8 (2a) 31 (3a)

8 (2a)

Ruwe berk

18 (2b)

2 (a2) 1 (+p)

1 (+r)

1 (+a)

2 (+b)

8

BDS

FVH99099

1 (p1)

1 (m1)

1 (a1)

7 (1-)

7

LO

TH200705

22/08/2007

Opname 99 24/08/1999

93 (5b)

90

BDS

FVH99098 0

LO

TH200714

22/08/2007

Opname 98 24/08/1999

Bedekking in %;

Ratelpopulier

Pitrus

Pinksterbloem

1 (1p)

1 (+r)

1 (+p)

1 (+r)

1 (+a)

18 (2b)

56 (4a)

1 (+r) 8 (2a)

2 (1a)

1 (+r)

2 (1a)

8 (2a)

1 (+r)

1 (+p)

8 (2a)

18 (2b)

1 (+r)

1 (+a)

1 (+p)

97

BDS

FVH99084

Koningsvaren

20 (2)

2 (1a)

1 (m1)

1 (+p)

2 (1a)

1 (+p)

8 (2a)

81 (5a)

8 (2a)

18 (2b)

100

BDS

GDB88080

16/08/1999

Opname 84 28/07/1988

Gevleugeld sterrekroos

Geoorde wilg

Bitterzoet

1 (+p)

70 (7)

Wolfspoot

43 (3b)

1 (+p)

1 (+p)

Ven-sikkelmos 2 (1a)

7 (1-)

1 (+p)

1 (+r)

1 (1p)

2 (a2)

40 (4)

40

LO

TH200704

22/08/2007

heropnamegroep (ligging: zie figuur 3.7).

Moeraswalstro

Klein kroos

1 (+r) 1 (+p)

Haaksterrekroos

1 (+r) 18 (2b)

1 (+r)

Zachte berk

8 (2a)

1 (+r)

Tandzaad (G)

Sporkehout

Pijpestrootje

1 (+r) 1 (+r)

18 (2b)

3 (1b)

68 (4b)

18 (2b)

1 (+p)

1 (+r)

86

BDS

FVH99101

24/08/1999

Opname 101

Gewoon watervorkje

1 (+p)

8 (2a)

8 (2a)

81 (5a)

1 (+p)

18 (2b)

0

BDS

GDB88081

28/07/1988

Fioringras

20 (2)

7 (1-)

95

LO

TH200706

22/08/2007

18 (2b) 1 (+r)

31 (3a)

31 (3a)

1 (+p)

100

BDS

FVH99102

24/08/1999

Opname 102

Hartbladig nerf-puntmos

1 (+p)

7 (1-)

Grote wederik

31 (3a) 1 (+p)

20 (2)

18 (2b)

3 (1b)

Waterveenmos

8 (2a)

2 (a2)

30 (3)

75

BDS

GDB88082

29/07/1988

1 (r1)

1 (+r)

Moerasstruisgras

8 (2a)

8 (2a)

40 (4)

95

LO

TH200713

22/08/2007

Moerashertshooi

2 (1a)

Waternavel

93 (5b)

100

BDS

FVH99100

24/08/1999

Opname 100

Duizendknoopfonteinkruid

43 (3b)

31 (3a)

Knolrus s_l_

68 (4b)

100

Totale bedekking (%)

Geoord veenmos

BDS

GDB88088

Veldopname

Opnameschaal

29/07/1988

Datum

Heropnamegroep

Tabel 3.10: Recente en bijhorende oudere opnamen van de Kleine Klotteraard Oost en West, volgens tussen haakjes de oorspronkelijke

bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007.

817131/R2c/FVH/Mech

29 augustus 2008


3.4.5

Kleine Klotteraard West (figuur 3.7) In de Kleine Klotteraard West moet ooit waterlobelia hebben voorgekomen. De aanwijzing hiervoor is het feit dat de soort in de zaadbank is aangetroffen (28 zaden, zie zaadbankstudie). Gegevens zijn beschikbaar vanaf 1988. Typisch voor het ven zijn de oeverbegroeiingen met moerashertshooi en duizendknoopfonteinkruid. In 1988 zijn drie opnamen gemaakt; deze proefvlakken zijn heropgenomen in 1999 en twee ervan in 2007 (zie tabel 3.10). Voor wat het voorkomen van de beide vernoemde betreft, zijn er geen duidelijke aanwijzingen voor trends op langere termijn. Moerashertshooi zou in de jaren 1990 echter talrijker hebben voorgekomen dan recenter. In 2007 zijn één vlek kikkerbeet en één vlek waterlelie vastgesteld, recent ingebracht door mensen. In dit ven wordt een duidelijk effect vastgesteld van het waterniveau op de zonering van de lokaal typische soorten. Langs het Bels Lijntje is in 1988 en 1999 koningsvaren aangetroffen (opname 84). Recent zijn de zijkanten van het Bels Lijntje ter hoogte van Kleine Klotteraard gekapt, en is in 2007, aan de zijde van Kleine Klotteraard West, veel populieren- en berkenopslag te zien.

3.4.6

Zandven en satellietven (figuur 3.8) Op het einde van de 19de eeuw was waterlobelia talrijk in het Zandven aanwezig. In de jaren 1930 zou deze soort nog met enkele tientallen exemplaren hebben voorgekomen, nabij de Z-oever. Sindsdien zijn van deze soort geen waarnemingen meer bekend; vermoedelijk is zij in de eerste helft van de 20ste eeuw verdwenen. In 1974 en 1999 werden in het water vooral waterveenmos en knolrus aangetroffen. In 2007 is in de centrale delen van het ven geen vegetatie aangetroffen, enkel slib. Knolrus komt in 2007 slechts beperkt voor. Aan de oevers is vooral pijpenstrootje en lokaal pitrus te zien. Aan de Z-zijde van het ven is een vegetatie met witte snavelbies, veenpluis, kleine zonnedauw en pijpenstrootje aangetroffen (overgangen van zuur ven naar zuur laagveen). De vegetatie van het Zandven van de laatste decennia duidt op een permanent zure toestand. Het satellietven nabij het Zandven, enkel met opnamen beschreven in 2007, wijst eveneens op een zuurminnende vegetatie, met relatief veel veenpluis en witte snavelbies in het zuidelijke, verveende gedeelte; tevens veelstengelige waterbies. In het noorden is in 2007 open water vastgesteld met waterveenmos en knolrus, omgeven door pijpenstrootje-bulten.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 52 -

29 augustus 2008


Definitief eindrapport

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied

- 53 -

18 (2b)

1 (+p)

Ven-sikkelmos

Knolrus s_l_

Veelstengelige waterbies

Pitrus

Witte snavelbies

Veenpluis

Struikhei

Gewone dophei

Pijpestrootje

Geoord veenmos

93 (5b)

100

Totale bedekking (%)

Waterveenmos

BDS

FVH99035

Veldopname

Opnameschaal

2/08/1999

Datum

Heropnamegroep

Veelstengelige waterbies

1 (+p)

1

BDS

FVH99038

2/08/1999

7 (1-)

1 (m1)

1 (m1)

12 (1+)

2 (a2)

4 (m4)

1 (+a)

1 (+a)

81 (5a)

90

BDS

2 (+b)

2 (+b)

7

BDS

FVH99039

2/08/1999

1 (1p)

93 (5b)

98

BDS

FVH99041

2/08/1999

1 (+p)

1 (+p)

93 (5b)

100

BDS

FVH99046

3/08/1999

2 (+b)

2 (+b)

10

BDS

FVH99048

3/08/1999

31 (3a)

81 (5a)

80

BDS

FVH99049

3/08/1999

2 (1a)

81 (5a)

98

BDS

FVH99040

2/08/1999

0

LO

TH200716

28/08/2007

1 (+a)

1 (+p)

31 (3a)

38

BDS

FVH99042

3/08/1999

3/08/1999

18 (2b)

81 (5a)

8 (2a)

43 (3b)

100

BDS

FVH99044

93 (5b)

2 (1a)

93 (5b)

100

BDS

FVH99045

3/08/1999

7 (1-)

2 (m2)

30 (3)

40

LO

TH200717

28/08/2007

Opname 45 (noordwest)

56 (4a)

18 (2b)

80

BDS

FVH99043

3/08/1999

1 (r1)

1 (r1)

4 (m4)

7 (1-)

10

LO

TH200715

28/08/2007

1 (+r)

93 (5b)

18 (2b)

93 (5b)

100

BDS

FVH99047

3/08/1999

7 (1-)

7

LO

TH200718

28/08/2007

Opname 47 (noordwest)

1 (+p)

18 (2b)

15

BDS

FVH99050

5/08/1999

Oostelijke opnamen nabij oevers: 36, 37, 40, 42, 43, 44, 50 FVH99037

2/08/1999

Centralere opnamen: 35, 38, 39, 41, 46, 48, 49

1 (a1)

Witte snavelbies

Pitrus

20 (2) 1 (p1)

20 (2)

60 (6)

Veenpluis

Gewone dophei

Struikhei

4 (a4)

2 (m2)

Pijpestrootje

Geoord veenmos

2 (m2)

43 (3b)

55

BDS

FVH99036

2/08/1999

3 (1b)

7 (1-)

80 (8)

100

LO

TH200710

28/08/2007

1 (+p)

20 (2)

30 (3)

100

LO

TH200709

28/08/2007

Knolrus s_l_

90 (9)

100

LO

TH200708

28/08/2007

Nieuwe opnamen: satellietven

Ven-sikkelmos

95 (10)

100

Totale bedekking (%)

Waterveenmos

LO

TH200707

Veldopname

Opnameschaal

28/08/2007

Datum

Heropnamegroep

Tabel 3.11: Recente en bijhorende oudere opnamen van Zandven en satellietven, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en

Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007.

817131/R2c/FVH/Mech

29 augustus 2008


3.4.7

Koeven (figuur 3.9) De oever van het ven werd vroeger en nu gevormd door meestal aaneensluitende bulten van pijpenstrootje. Begin de jaren 1970 was vrij veel pitrus aanwezig in het ven, vooral tegen de pijpenstrootje-oever. Hiertussen kwam vrij veel knolrus en veelstengelige waterbies voor. Laatstvernoemde is in 1999 en 2007 alleen in de Z-top aangetroffen. Over de vegetatie in het water, zijn niet meteen oude gegevens voorhanden. In 1999 en nu is de venvegetatie van het Koeven op de meeste plaatsen soortenarm. Het betreft een vegetatie van knolrus, in 1999 nog veel (maar weinig vitaal), in 2007 sterk afgenomen. In het water is ook de hoeveelheid waterveenmos afgenomen. Meer naar de oevers toe verschijnt pitrus, die in overwegend smalle gordels voorkomt. Op de pijpenstrootjebulten komt geregeld gewone dophei voor. De vegetatie van de Z-top is afwijkend (1999 en 2007). Overal komen pijpenstrootjebulten voor, met gewone dophei en witte snavelbies. Ertussen bevindt zich waterveenmos (afgenomen in 2007), met knolrus en veelstengelige waterbies.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 54 -

29 augustus 2008


Definitief eindrapport

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied

- 55 -

Ven-sikkelmos

Witte snavelbies

Veelstengelige waterbies

1 (+r) 1 (+a)

1 (+p)

8 (2a)

8 (2a)

31 (3a)

50

BDS

FVH99063

20 (2)

95 (10)

100

LO

TH200724

28/08/2007

Opname 63 8/08/1999

Pitrus

1 (p1)

4 (p4)

95 (10)

100

LO

TH200720

28/08/2007

1 (+p)

1 (+a)

Gewone dophei

Geoord veenmos

1 (+a)

3 (1b)

Waterveenmos

Grove den

1 (+r)

18 (2b)

Pijpestrootje

93 (5b)

100

Totale bedekking (%)

Knolrus s_l_

BDS

FVH99061

8/08/1999

Opname 61

1 (+a)

Opnameschaal

Veldopname

Datum

Heropnamegroep

Witte snavelbies

Veelstengelige waterbies

Pitrus

Gewone dophei

Geoord veenmos

Grove den

BDS

FVH99065

8/08/1999

2 (+b)

43 (3b)

1 (+r)

2 (1a)

45

4 (p4)

90 (9)

100

LO

TH200722

7 (1-)

12 (1+)

7 (1-)

80 (8)

80

LO

TH200725

28/08/2007

Opname 65

1 (+r)

3 (1b)

2 (1a)

Ven-sikkelmos

8 (2a)

8 (2a)

8 (2a)

93 (5b)

100

BDS

FVH99058

8 (2a)

1 (a1)

50 (5)

50

LO

TH200723

18 (2b)

93 (5b)

100

BDS

FVH99057

28/08/2007

Opname 58 8/08/1999

Waterveenmos

95 (10)

100

LO

TH200719

28/08/2007

Opname 57 8/08/1999

Pijpestrootje

93 (5b)

100

Totale bedekking (%)

Knolrus s_l_

BDS

Opnameschaal

FVH99060

Veldopname

28/08/2007

Opname 60

8/08/1999

Datum

Heropnamegroep

BDS

FVH99066

9/08/1999

1 (+r)

1 (+a)

1 (+r)

81 (5a)

8 (2a)

8 (2a)

90

8 (2a)

8 (2a)

18 (2b)

93 (5b)

100

BDS

FVH99056

1 (m1)

12 (1+)

4 (m4)

40 (4)

2 (a2)

80 (8)

95

LO

TH200726

28/08/2007

1 (+a)

1 (+a)

18 (2b)

93 (5b)

100

BDS

FVH99059

8/08/1999

8 (2a)

2 (1a)

3 (1b)

12

BDS

FVH99062

8/08/1999

1 (+p)

8 (2a)

8 (2a)

93 (5b)

100

BDS

FVH99064

8/08/1999

Centrale opnamen 55, 56, 59, 62, 64 8/08/1999

Opname 66

1 (+r)

3 (1b)

8 (2a)

81 (5a)

85

BDS

FVH99055

8/08/1999

7 (1-)

7

LO

TH200721

28/08/2007

figuur 3.9). Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Tabel 3.12: Recente en bijhorende oudere opnamen van het Koeven, volgens heropnamegroep (ligging: zie

Doing en Segal; LO = Londo). Datums in vet betreffen 2007.

817131/R2c/FVH/Mech

29 augustus 2008


3.4.8

Nonnenmoer (figuur 3.10) Het gebied van Nonnenmoer is met opnamen alleen beschreven in 2007; het gaat dan om twee plassen die feitelijk buiten de perimeter van het oorspronkelijke ven zijn gelegen. Het oorspronkelijke ven situeerde zich rond de actuele centrale gracht die van zuid naar noord loopt en de actuele akkers draineert. De twee kleinere vennetjes kennen op dit moment geen grote natuurwaarde. Het grootste ervan is een geĂŤutrofieerde veedrinkpoel met enkele wilgeneilanden en een zoom van waternavel e.a. Het kleine bosplasje heeft zeer steile, hoge oevers en is vooral gekenmerkt door waterveenmos. Tabel 3.13: Recente opnamen van regio Nonnenmoer, volgens heropnamegroep. Bedekking in %; tussen haakjes de oorspronkelijke bedekkingscode (schalen: BDS = Barkman, Doing en Segal; LO = Londo). Datum

29/08/2007

29/08/2007

Veldopname

TH200701

TH200711

Opnameschaal

LO

LO

Totale bedekking (%)

100

60 (6)

Pijpestrootje

20 (2)

Pitrus Moerasstruisgras

2 (p2) 1 (p1)

Grote wederik Waterveenmos

3.5

70

Waternavel

1 (a1) 1 (a1)

95 (10)

Mannagras

20 (2)

Ven-sikkelmos

2 (m2)

Fauna-onderzoek in de vennen In 2007 is het voorkomen van waterongewervelden onderzocht in de Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven. Hierbij zijn 159 verschillende soorten waargenomen. De volledige soorteninventarisatie is weergegeven in bijlage 3.

3.5.1

Grote Klotteraard De waterfauna van de Grote Klotteraard wordt gedomineerd door een drietal dansmugsoorten uit voedselrijke milieus (tabel 3.14, Chironomus spec., Monopelopia tenuicalcar en Procladius spec.). Naast deze soorten treffen we ook in grote aantallen een dansmug aan uit gebufferde vennen (Parakiefferiella bathophila) en een soort van mesotrofe milieus (Ablabesmyia monilis). In het ven komen nog een aantal soorten voor die karakteristiek zijn voor zeer zwak tot zwakgebufferde vennen (tabel 3.15, Psectrocladius gr. psilopterus en Pseudochironomus prasinatus). Deze soorten bereiken ook nog relatief hoge dichtheden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 56 -

29 augustus 2008


Tabel 3.14: Dominante soorten watermacrofauna in de Grote Klotteraard. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar.

Tabel 3.15: Soorten watermacrofauna karakteristiek voor zwakgebufferde vennen aangetroffen in de prioritaire vennen. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar. Soorten van de vrije vangsten zijn aangegeven met een â&#x20AC;&#x153;Xâ&#x20AC;?.

! " # #

!

# # # # "

$

# # " &

'

!

'

% $

$ $

( ) &

*

# # ! "

!

# # '

!

$ $

Tabel 3.16: Vrij tot zeer zeldzame soorten waterfauna van de Grote Klotteraard. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering. + , -

& /

# # . '

! " 0 !

% ! !

!

$ $ $ $

. . . .

. .

#

$

. . .. .1

( "

%

. .. .

*

!

%

.

!

..

In de Grote Klotteraard zijn in 2007 12 vrij tot zeer zeldzame soorten aangetroffen (tabel 3.16), daarnaast worden er in diverse rapporten nog een drietal bedreigde libellen Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 57 -

29 augustus 2008


gemeld. Deze soorten komen niet allemaal op dezelfde plek in het ven voor. De dansmuggen Demicryptochironomus vulneratus en Parakiefferiella bathophila leven op de bodem in het open water. Ook de watermijten Forelia curvipalpis en Piona clavicornis leven in het open water, maar zwemmen daar vrij rond. De overige soorten worden verspreid in de oevervegetatie aangetroffen. De kokerjuffer Agrypnia obsoleta/varia en de dansmug Stenochironomus zijn weliswaar niet in de vrije vangsten langs de oever aangetroffen, maar komen wel voor in de oeverzone. Stenochironomus mineert immers in macrofyten en Agrypnia obsoleta/varia leeft tussen waterplanten. Waarschijnlijk komt de kokerjuffer Tricholeiochiton fagesii ook op meerdere plekken langs de oever voor dan op basis van de inventarisatie blijkt. De dansmug Polypedilum cultellatum is waarschijnlijk minder zeldzaam als in de tabel staat aangegeven aangezien deze soort vaak niet herkend wordt. De meest zeldzame soorten zijn de waterkever Laccophilus poecilus en de watermijt Panisopsis vigilans. Laccophilus poecilus was vroeger waarschijnlijk zeer algemeen in hoogvenen, maar komt tegenwoordig vrijwel alleen nog maar in vennen voor. Daar treffen we de soort aan in zeer dichte oevervegetaties van veenmos, zegges of zelfs pitrus. Panisopsis vigilans is in Nederland bekend van 7 locaties. De meeste vindplaatsen betreffen vennen, waar de soort wordt aangetroffen tussen veenmossen. Voor zover bij ons bekend is deze watermijt niet eerder waargenomen in BelgiĂŤ. In diverse rapporten over het Turnhoutse vennengebied worden nog enkele bijzondere libellensoorten gemeld voor de Grote Klotteraard. De Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) en Glassnijder (Brachytron pratense) staan op de Vlaamse Rode Lijst. In 2007 is door ons alleen de koraaljuffer waargenomen en het is daarom niet duidelijk of de andere soorten daadwerkelijk populaties in het ven hebben of dat het slechts zwervers betreft. Tijdens het macrofaunaonderzoek bleek de exotische zonnebaars redelijk talrijk te zijn in het ven. Ook zijn enkele grote snoek waargenomen. De aantallen snoeken zijn echter klein en kennelijk is deze soort niet in staat om de zonnebaars uit het ven weg te houden.

3.5.2

Haverven De vier meest dominantie soorten (tabel 3.17) in het Haverven duiden op een hoge voedselrijkdom. De fauna bevat echter ook nog elementen uit mesotrofe milieus, zoals de dansmug Ablabesmyia monilis. Deze soort is vooral aangetroffen op de ondiepe oevers met snavelzegge (monsterpunt 1) en veelstengelige waterbies (monsterpunt 3). In het Haverven zijn relatief weinig soorten waargenomen, die karakteristiek zijn voor vennen (tabel 3.15). Deze soorten zijn aangetroffen in monsterpunten 1, 3 en 4 (bijlage 3).

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 58 -

29 augustus 2008


Tabel 3.17: Dominante soorten watermacrofauna in het Haverven. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar.

&

*

0

(

,"

In het Haverven zijn in 2007 16 vrij tot zeer zeldzame soorten aangetroffen (tabel 3.18). Daarnaast worden er in diverse rapporten nog een vijf bedreigde libellen gemeld. Hiermee herbergt het Haverven van alle onderzochte vennen de grootste faunistische natuurwaarden. Opvallend is het voorkomen van drie zeer zeldzame waterkevers Agabus unguicularis, Bidessus grossepunctatus en Laccophilus poecilus. Deze soorten zijn allemaal aangetroffen in ondiep water in de verlandingszone aan de zuidrand van het ven. In dichte begroeiing van moerashertshooi aan de noordoostkant van het ven zijn grote aantallen larven aangetroffen van de koraaljuffer (Ceriagrion tenellum). Dit is een zeldzame soort die op de Vlaamse Rode lijst staat. Op deze locatie is tevens een aantal vrij zeldzame waterkeversoorten waargenomen (Hydroporus scalesianus, Ilybius guttiger, Rhantus grapii), alsmede een volwassen Vinpootsalamander (Triturus helveticus). De Tangpantserjuffer (Lestes dryas) en de waterkever Berosus luridus zijn uitsluitend aangetroffen in de dichte begroeiing van veelstengelige waterbies aan de noordzijde van het ven. In het wilgenstruweel aan de noordwestkant zijn geen bijzondere soorten aangetroffen. Een aantal soorten (Holocentropus stagnalis, Polypedilum cultellatum, Stenochironomus spec., Arrenurus stecki en Hydryphantes crassipalpis) is alleen in het standaardmonster aangetroffen, waardoor van deze soorten geen exacte vindplaats bekend is. Echter op basis van de ecologie van deze soorten kan hierover wel een redelijke inschatting gemaakt worden. De watermijten Arrenurus stecki en Hydryphantes crassipalpis komen waarschijnlijk voor in het open water aan de rand van verlandingszones. De dansmug Stenochironomus mineert in waterplanten, van waaruit de soort al filterend voedsel verzameld. Deze soort is waarschijnlijk verzameld aan de zuid- of noordoostoever. Alleen van de dansmug Polypedilum cultellatum en de kokerjuffer Holocentropus stagnalis is onbekend waar deze zich precies ophouden in het ven. Tenslotte zijn in de loop der jaren een aantal bedreigde libellensoorten waargenomen bij het ven (Gevlekte Witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis), Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Tengere pantserjuffer (Lestes virens), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda), Glassnijder (Brachytron pratense)). In 2006 werden door Geert de Knijf van deze laatste soort meerdere exemplaren (17) aangetroffen bij het ven, wat duidt op een echte populatie (http://www.np-taxandria.be). In hoeverre de overige soorten daadwerkelijk populaties hebben in het ven is onbekend. Zij zijn niet tijdens het onderzoek in 2007 waargenomen. De invloed van de eutrofiĂŤring is dus duidelijk terug te zien in de faunagemeenschap van het ven. Desalniettemin hebben zich in het ven lokaal gemeenschappen ontwikkeld van mesotrofe milieus, waarbij vooral de ontwikkeling van verlandingsvegetaties een belangrijke rol heeft gespeeld. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 59 -

29 augustus 2008


Tabel 3.18: Vrij tot zeer zeldzame soorten waterfauna aangetroffen in het Haverven. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering. + , # # * # # ! " 0 ! & ' 0 ! ) * # # ! / ' 0 ! )

!

$ $ $ $ $ $ $

! ! ! ! ! !

. . .. . . . .

#

. .

"

.. .1

. .

' ! (

) *

.. . .. . . .. .

+

& *

#

!

$

Tijdens het macrofaunaonderzoek zijn enkele zonnebaarzen gevangen in het Haverven. helaas was het water tijdens alle veldbezoeken troebel, waardoor geen goede indruk gekregen kon worden van de abundantie van deze soort. Tijdens de najaarsronde is ook een grote snoek waargenomen.

3.5.3

Peerdsven Ook in het Peerdsven zijn de meest algemene soorten karakteristiek voor voedselrijke wateren (Asellus aquaticus, Procladius spec. en Chironomus spec.). Daarnaast domineren enkele eurytope soorten: het gewoon dwerglopertje (Microvelia reticulata) en de waterslak Physa fontinalis. Er is slechts ĂŠĂŠn soort aangetroffen die karakteristiek is voor zwakgebufferde vennen (tabel 3.15): de vensigaar (Sigara scotti). Minder kritische vensoorten zijn wel aangetroffen: zwart bootsmannetje (Notonecta obliqua), Helochares punctatus (waterkever) en Polypedilum uncinatum (dansmug), echter allen in zeer lage aantallen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 60 -

29 augustus 2008

.


Tabel 3.19: Dominante soorten watermacrofauna in het Peerdsven. Aantallen zijn de gemiddelden van de standaardbemonsteringen in voor- en najaar.

&

*

0

%

,"

( '

'

*

!

'

Tabel 3.20: Vrij tot zeer zeldzame soorten watermacrofauna aangetroffen in het Peerdsven. Aantallen zijn de gemiddelden van de voor- en najaarbemonstering.

, . .

#

, "'

* *

! !

(

.. .

(

.

(

. .

. . .

$ (

) *

+

Met tien (vrij) zeldzame soorten herbergt het Peerdsven van alle onderzochte vennen de laagste faunistische natuurwaarden. In het open water treffen we de watermijt Arrenurus stecki aan en op de bodem de dansmug Polypedilum albicorne. De overige soorten treffen we aan langs de oever en met name in de open pitrusvegetatie aan de zuidkant van het ven. Tijdens eerdere inventarisaties zijn geen andere bedreigde soorten in het ven waargenomen. Alleen van de dansmug Polypedilum cultellatum is onbekend waar deze zich precies ophoudt in het ven. Tijdens het onderzoek zijn enkele zonnebaarsnesten met eieren gevonden. Deze nesten waren gegraven op de organische bodem, wat ongebruikelijk is voor deze soort. Optimaal voortplantingssubstraat (zand of grind) is echter niet voorhanden in het ven en zonnebaarzen hebben dus geen andere keus. De aantallen zonnebaars zijn momenteel nog zeer gering en de soort vormt nu geen probleem voor inheemse soorten. Tevens zijn twee snoeken waargenomen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 61 -

29 augustus 2008


3.5.4

Aanvulling voor de prioritaire vennen Waarnemingen van vissen en amfibieĂŤn die gedaan zijn tijdens het macrofaunaonderzoek zijn ook genoteerd. Het bleek dat in alle drie de onderzochte vennen zowel zonnebaars als snoek voorkomt. De aantallen snoeken zijn echter klein en kennelijk is deze soort niet in staat om de zonnebaars uit de vennen weg te houden. Verder is in het Haverven (monsterpunt 4) een vinpootsalamander gevangen en in het Peerdsven een adulte alpenwatersalamander en enkele larven van vinpootsalamander of kleine watersalamander.

3.5.5

Gegevens van overige vennen Kleine Klotteraard Oost In de Kleine Klotteraard is geen inventarisatie uitgevoerd van de fauna. Recente rapporten melden echter het voorkomen van de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum). Het kan niet worden uitgesloten dat zich nog relicten van bijzondere soorten in het ven bevinden. Kleine Klotteraard West In de Kleine Klotteraard is geen inventarisatie uitgevoerd van de fauna. Recente rapporten melden echter het voorkomen van de Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum). Het kan niet worden uitgesloten dat zich nog relicten van bijzondere soorten in het ven bevinden. Zandven In Zandven is geen inventarisatie uitgevoerd van de fauna. Recente rapporten melden echter het voorkomen van de Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) en Venglazenmaker (Aeshna juncea). Verder zijn er de Heikikker (Rana arvalis) en Vinpootsalamander (Triturus helveticus) waargenomen. Het kan niet worden uitgesloten dat zich nog relicten van andere bijzondere soorten in het ven bevinden. Koeven en satellietven tussen Zand- en Koeven In deze vennen zijn geen inventarisaties uitgevoerd van de aanwezige fauna. Recente rapporten melden echter het voorkomen van de Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) en Venglazenmaker (Aeshna juncea) in dit deel van het gebied. Verder zijn er de Heikikker (Rana arvalis) en Vinpootsalamander (Triturus helveticus) waargenomen. Het kan niet worden uitgesloten dat zich nog relicten van andere bijzondere soorten in het ven bevinden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 62 -

29 augustus 2008


3.6

Effect van zonnebaarsnesten op bodembedekking van oeverkruid (Littorella uniflora) en bodemchemie â&#x20AC;&#x201C; een pilotstudie in het Zwart water Het effect van nestbouw door zonnebaars en oeverkruid is in het Zwart water onderzocht. In illustratie 3.16 is per plot de vegetatie vóór het broedseizoen weergegeven (grijstinten), evenals de ligging van oude en nieuwe nestkuilen (arceringen) en de veranderingen in vegetatiebedekking (plussen en minnen). De nestbouw door de mannelijke zonnebaarzen bleek niet van invloed op de oeverkruidbedekking ( 2-test, p=0.544). In slechts drie van de 32 nestkuilen was de bedekking van oeverkruid afgenomen. Overigens bleek het oeverkruid wel losgewoeld te zijn in de nesten, maar de plantjes bleven door hun uitlopers onderling met elkaar verbonden. Waarschijnlijk lukt het de planten om na het broedseizoen zich weer te wortelen in de bodem, aangezien het merendeel van de oude nesten (uit eerdere jaren) bedekt is met oeverkruid. Overigens geven deze resultaten aan dat er momenteel geen negatieve invloed is van zonnebaars op de vegetatieontwikkeling. De dichtheden van zonnebaars in Nederlandse (opgeschoonde) vennen zijn hoger dan de dichtheden in het Zwart Water. Het kan daarmee dus niet worden uitgesloten dat indien de (nu nog geringe) aantallen zonnebaarzen in het Zwart water toenemen, er alsnog een negatieve impact kan ontstaan op de oeverkruidbedden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 63 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.16: Veranderingen in oeverkruidbedekking en ligging van zonnebaarsnesten in de acht studieplots.

2

3

0 4 4 4 4 / 4

" " "

0 5 6 '

' '

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 64 -

29 augustus 2008


Omdat oeverkruid zuurstof in de bodem brengt, werd er verwacht dat het ontwortelen van oeverkruid door zonnebaarzen bij de nestbouw effecten zou hebben op de bodemchemie: door de afgenomen inbreng van zuurstof, daalt de redoxpotentiaal, wordt minder ijzer geoxideerd en minder fosfaat vastgelegd, waardoor fosfaat vrij kan komen in de waterlaag. Daarom is naast veranderingen in oeverkruidbedekking ook onderzocht of de bodemchemie in nesten afweek van die van buiten de zonnebaarsnesten. Zoals verwacht is de redoxpotentiaal buiten de nesten hoger dan in de nesten, waardoor er ook meer ijzer beschikbaar is (tabel 3.21). Echter zowel het verschil in redoxpotentiaal als in ijzerconcentratie is niet significant doordat er relatief veel variatie in de data zit. Het verschil in fosfaatwaarden is zeer gering. Dat komt doordat er genoeg ijzer in de bodem aanwezig om al het vrij fosfaat te binden. Verhoging van fosfaatconcentraties is daardoor dan ook niet te verwachten in de onderzoekslocaties het Zwart water. Mogelijk treedt fosfaatverrijking wel op in minder ijzerrijke bodems. Tabel 3.21: De redoxpotentiaal, concentratie ortho-fosfaat en ijzerconcentratie in bodemwater op de rand van en in het nest van zonnebaarzen in het Zwart water.

/ 8 9 * 3 4 ; > ;

<!

<! =

/ ,7 (: : :

( :

,7 : :

:

: %%

:

:

De zonnebaars is zeer waarschijnlijk niet op eigen kracht in het Turnhouts Vennengebied terecht gekomen, maar ge誰ntroduceerd door omwonenden. Na de introductie heeft de soort zich uitgebreid via de vele waterlopen die de vennen onderling verbinden. Dispersie via dieren speelt waarschijnlijk geen rol omdat de eieren snel bedekt raken met zand en slib en daardoor niet meer plakkerig zijn. Tevens worden de eieren gelegd in mei/juni wanneer vliegbewegingen van waterwild zeer gering zijn. In het verleden zat er in de vennen (Zwart Water, Grote Klotteraard en Kleine klotteraard) veel meer vis, zoals snoek en baars, dan tegenwoordig. De afgenomen dichtheden van predatoren in combinatie met geschikt broedsubstraat (open zand) maakt dat de vennen nu geschikt zijn voor invasief gedrag van de zonnebaars, alsmede dat bij uitvoering van bagger- en plagwerkzaamheden de vennen geschikt worden voor nog grotere aantallen zonnebaarzen. Hoewel in de vennen geen populatieschatting is gedaan, wijzen waarnemingen op eerder vergelijkbare densiteiten zonnebaars in Zwart Water en Grote Klotteraard en lagere densiteiten in het Peerdsven. Voor het Haverven is een vergelijking met het Zwart Water of de Grote Klotteraard moeilijk te maken op basis van de waarnemingen. Globaal zijn geen zulke hoge densiteiten vastgesteld zoals in verschillende Nederlandse vennen kan worden waargenomen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 65 -

29 augustus 2008


3.7

Conclusie vensystemen De Grote Klotteraard en het Haverven zijn van oorsprong zeer zwak gebufferde vennen aan de bovenkant van een slenk, die voornamelijk gevoed werden door lokaal grondwater uit het bovenste deel van deze slenk en die oppervlakkig afwaterden aan de lage kant van de slenk. Na ontginning is deze voeding deels omgezet in de instroom van oppervlaktewater. Het doorstroomkarakter van de Grote Klotteraard is beduidend groter dan van het Haverven. Het Peerdsven is een van oorsprong zuur ven op een hoog punt in het landschap. Het wordt nauwelijks gevoed door grondwater, en alleen in de winter zeer lokaal door oppervlaktewater. Door nitraatuitspoeling vanuit de landbouw, en in mindere mate uit het bos, wordt pyriet in de ondergrond geoxideerd. Hierdoor is het grondwater zuurder geworden en tevens zeer rijk aan o.a. calcium en sulfaat. Via het oppervlaktewater worden tevens grote hoeveelheden fosfaat aangevoerd. Opmerkelijk is dat dit tot nu toe niet geleid heeft tot een toename van de fosfaatconcentratie in de waterlaag van de vennen. Dat is te danken aan de vrij hoge ijzervoorraad in de vennen, de voortdurende aanvoer van ijzer met het grondwater en het feit dat zwavelophoping wordt voorkomen door waterafvoer in combinatie met o.a periodieke droogval, windwerking, een beperkte beschikbaarheid van afbreekbaar organisch materiaal, een lage pH en buffercapaciteit en de periodiek hoge nitraatconcentraties. Een deel van de vennen in het Turnhouts Vennengebied was in de jaren zeventig van de vorige eeuw volledig verzuurd, maar was al voor 1998 weer gebufferd geraakt. De landbouwinvloed lijkt in dezelfde periode niet wezenlijk gewijzigd, afgaande op de niet significant veranderde concentratie kalium in de vennen. Tussen 1979 en 1998 is de concentratie sulfaat in de vennen fors afgenomen. Dit duidt er op dat de afgenomen zwaveldepositie de belangrijkste reden is voor het herstel van de buffercapaciteit in de vennen. Kennelijk was de buffering vanuit de bekalkte landbouwgronden voor 1979 niet voldoende om verzuring te voorkomen in de vennen, maar na 1998 wel. De belangrijkste bron van buffering is op dit moment de aanvoer van gebufferd en nitraatrijk oppervlaktewater in de winter. Het meegevoerde nitraat wordt in de vennen opgenomen door de vegetatie of omgezet in ammonium. Beide processen dragen bij aan de buffering van de vennen. Verder is duidelijk dat het oppervlaktewater een belangrijke bron van vermesting is van de vennen. Een belangrijke vraag is dus of het stopzetten van het agrarisch gebruik of het omleiden van de grachten niet alleen leidt tot oligotrofiĂŤring van het ven, maar ook tot verzuring. Dit hangt vooral af van de andere bronnen van buffering in het gebied. Dit zijn de aanvoer van grondwater en reductieprocessen in de bodem van de vennen. Het grondwater is momenteel overal zuur, maar mogelijk vindt een stijging van de pH plaats na stopzetten van de nitraatuitspoeling. De kleilagen in het gebied zijn aan de bovenkant sterk uitgeloogd, maar nog wel veel rijker aan calcium dan de zandgronden. Deze kunnen dus in geringe mate bijdragen aan buffering. Reductieprocessen leveren op dit moment vooral een bijdrage aan de buffering en eutrofiĂŤring van het Peerdsven.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 66 -

29 augustus 2008


Kennishiaten: suggesties voor verder onderzoek In het bodemvocht van de Grote Klotteraard zijn soms hoge concentraties zink aangetroffen. Mogelijk is ook een deel van het slib vervuild met zware metalen. In het kader van haar ‘dossier veilig grondverzet’ kan de VLM dit nader onderzoeken.

3.7.1

Grote Klotteraard De Grote Klotteraard is een zeer zwak gebufferd ven met een zandbodem en een sterke doorstroming van zowel grondwater als oppervlaktewater. Hierdoor zijn de peilschommelingen gering, behalve in extreem droge zomers wanneer ook de grondwaterstanden langdurig diep wegzakken. De relatief geringe peilschommelingen en de aanvoer van koolzuurrijk, zuur grondwater maken de oevers van het ven geschikt voor veenmosgroei en veenvorming. Dit heeft in het verleden ook plaatsgevonden, getuige de veenbodems in het ven. Momenteel zijn de oevers begroeid met plantensoorten die profiteren van het met ijzerfosfaat opgeladen slib in het ven. Door de sterke windwerking is de waterlaag arm aan koolstof en daarom geschikt voor de groei van isoëtide waterplanten zoals oeverkruid (Littorella uniflora). Alleen net boven het slib is de koolstofbeschikbaarheid waarschijnlijk groter en kan Gesteeld glaskroos zich uitbreiden. De sterke windwerking draagt bij aan de doorluchting van het bovenste sliblaagje en voorkomt hierdoor mede de diffusie van in het slib opgeloste fosfaten naar de waterlaag. Na afname van de zuurdepositie heeft de Grote Klotteraard terug zijn zeer zwak gebufferd karakter verworven van begin 20e eeuw. De recente uitbreiding van oeverkruid kan hiervan het gevolg zijn.

3.7.2

Haverven, satellietven oost en satellietven west Het Haverven was in 2007 een zwak gebufferd ven met een leembodem, enige doorstroming van grondwater, enige aanvoer van oppervlaktewater en in de zomer op de leemlaag stagnerend venwater. Het grondwater is voornamelijk afkomstig uit de hoogste delen van de slenk, die niet in landbouwkundig gebruik zijn. Het extreem zwavelrijke en verzuurde grondwater nabij de landbouwgronden bereikt vermoedelijk slechts in geringe mate het ven. De buffering is voornamelijk afkomstig uit het oppervlaktewater, maar in een nat jaar als 2007 ook uit de reductie van zwavel in het ven. Door de grotere peilfluctuatie is het ven minder geschikt voor veenmosgroei dan de Grote Klotteraard maar wel geschikt voor vegetaties uit de Oeverkruidklasse. Ook het Haverven kende een geschiedenis van tijdelijke verzuring rond de jaren zeventig. dit was ook te zien in de vegetatie, die toen door knolrus werd gedomineerd. Waterlobelia is wellicht in die periode vrij snel verdwenen, gezien deze soort geen langdurig zure toestanden verdraagt. De buffering nadien ging gepaard met eutrofiëring en verruiging.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 67 -

29 augustus 2008


3.7.3

Peerdsven Het Peerdsven is een zuur ven dat voornamelijk gevoed wordt door regenwater en uit het bos afstromend oppervlaktewater. Het kent een gemiddelde peilschommeling. Door interne reductieprocessen, aangejaagd door de bladinwaai en inspoeling van nitraat en sulfaat, is het ven tussen 2000 en 2004 gebufferd geraakt en zal ook de waterlaag op termijn voedselrijk worden. Zure vennen met een geringe grondwatertoestroom hebben van nature een soortenarme vegetatie met voornamelijk knolrus (Juncus bulbosus), veenpluis (Eriophorum angustifolium) en gewone dophei (Erica tetralix). De actuele voedselrijkdom verklaart de dominantie van Pitrus.

3.7.4

Kleine Klotteraard Oost De Kleine Klotteraard is van oorsprong een zeer zwak gebufferd, schotelvormig ven met een zandbodem en een vegetatie met isoëtide waterplanten. Het is een doorstroomven omdat grond- en oppervlaktewater wordt aangevoerd en oppervlaktewater wordt afgevoerd. Na de doorsnijding zijn twee delen overgebleven die min of meer komvormig zijn en waar veel minder windwerking plaatsvindt. Hierdoor zijn beide delen minder geschikt geworden voor een isoëtidenbegroeing. In de jaren zeventig waren nog grote zandige stukken aanwezig met oeverkruid, wat bevestigt dat het ven, door contact met de Grote Klotteraard en mits een zandige bodem, sterke potenties heeft voor oeverkruidgemeenschappen.

3.7.5

Kleine Klotteraard West De Kleine Klotteraard West is momenteel een zwak gebufferd ven dat zijn buffering ontvangt door de aanvoer van door landbouw beïnvloed water en van anaërobe afbraak van inwaaiende bladeren. Daarnaast houdt aanvoer van ijzerhoudend grondwater de fosfaatbeschikbaarheid in het water laag, waardoor waterlaagvullende venplanten van voedselarme en gebufferde wateren zich kunnen handhaven zoals moerashertshooi en duizendknoopfonteinkruid.

3.7.6

Zandven Het Zandven is van oorsprong een zeer zwak gebufferd ven met een zandbodem, dat via lokaal grondwater gebufferd werd. Deze lokale grondwaterstroom is verzuurd, waardoor het momenteel een verzuurd ven is. Omdat er geen waterafvoer van oppervlaktewater is, is er alleen enige doorstroming via lokale wegzijging. Hierdoor is de peilfluctuatie relatief groot. De vegetatiegeschiedenis weerspiegelt deze evolutie: gaande van gemeenschappen met waterlobelia begin 20e eeuw (zeer zwak gebufferd) naar knolrus- en waterveenmosgedomineerde gemeenschappen in de zure toestand.

3.7.7

Koeven Het Koeven is momenteel een zuur ven. Mogelijk is het ven van oorsprong zeer zwak gebufferd, maar er zijn nauwelijks gegevens van vóór 1970 voorhanden. Het voorkomen Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 68 -

29 augustus 2008


van Veelstengelige waterbies wijst op de toestroom van lokaal grondwater. Waarschijnlijk is het ven evenals het Zandven verzuurd nadat deze lokale grondwaterstroom verzuurd is, getuige de (grotendeels afgestorven) knolruspakketten anno 1999 die daarv贸贸r (tijdens verzuring) dominant zullen geweest zijn.

3.7.8

Satellietven tussen Zand- en Koeven Het satellietven is momenteel een zuur ven (plasje in het noorden) met een uitgebreide natte laagte ten zuiden. Gezien de geringe waterdiepte van deze laagte zal het ook in het verleden regelmatig zijn drooggevallen en zal de grondwatertoestroom gering geweest zijn. Ook in het verleden is het dus waarschijnlijk een zuur ven geweest. De vegetatie is actueel gelijkend met het Zandven en Koeven voor overeenkomstige standplaatsen, maar de plasdras-situatie is er uitgebreider. Hierdoor zijn veenmosbulten, gewone dophei, veenpluis en witte snavelbies aspectbepalend.

3.7.9

Nonnenmoer Het oospronkelijke ven moet, gezien zijn lage ligging, een toestroom hebben gekend van (lokaal) grondwater. In het kader van eventueel herstel van het originele ven ligt hier dan ook de sleutel om geschikte condities te cre毛ren (waterkwaliteit). De actuele plas is hoger gelegen en ge毛utrofieerd.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 69 -

29 augustus 2008


3.8

Advies herinrichting landbouwgronden rond Grote Klotteraard en Haverven Het landbouwkundige gebruik van de percelen rond het Haverven en de Grote Klotteraard wordt al langer gezien als een knelpunt bij het behoud en herstel van de waterkwaliteit, flora en fauna van de vennen. Een deel van de betreffende percelen zal op korte termijn uit landbouwkundig gebruik worden genomen. Hieronder volgt een verslag van een beperkt vooronderzoek naar de mogelijkheden om deze percelen weer te verschralen. Meststoffen van de landbouwpercelen hebben momenteel langs drie wegen een negatief effect op de waterkwaliteit in de vennen. Ten eerste lopen de laagst gelegen delen bij hoge venwaterstanden onder water en kunnen er voedingsstoffen direct vanuit de landbouwbodem naar het venwater diffunderen. Ten tweede vindt er via slootjes, greppels en natuurlijke laagten oppervlakkige afspoeling naar de vennen plaats van met meststoffen verrijkt regenwater. Ten derde spoelen vooral nitraat en kalium uit naar het lokale grondwater en dit grondwater stroomt deels ook naar de vennen toe. Het opgeloste nitraat zorgt tevens voor een verhoogde sulfaataanvoer naar de vennen en mogelijk ook voor een verlaagde ijzeraanvoer. Bodems die bij hoog water onderlopen met venwater moeten in de ideale situatie geen voedingsstoffen naleveren aan het ven en voldoende schraal zijn voor de ontwikkeling van typische venvegetaties. Het grootste deel van de onderzochte landbouwgronden ligt echter buiten het bereik van het ven. Hier zijn meerdere doelen mogelijk. Het eerste doel zal zijn dat de gronden geen voedingsstoffen meer naleveren aan de vennen. Hiervoor is het voldoende om de bemesting te beĂŤindigen. De uitspoeling van stikstof en kalium zal binnen enkele jaren afnemen naar een laag niveau. Fosfaat blijft gebonden aan de bovenste bodemlagen en zal niet uitspoelen. Een mogelijke uitzondering wordt gevormd door de laagst gelegen delen die gedurende langere tijd onder water kunnen staan. IJzergebonden fosfaat kan dan in oplossing gaan en naar de waterlaag diffunderen. Indien er een afvoer is naar het ven kan dit fosfaatverrijkte water het ven bereiken. Het tweede doel kan zijn dat de landbouwpercelen zelf voldoende verschraald worden om de ontwikkeling van schrale, bloemrijke graslanden mogelijk te maken. Het meest voor de hand ligt vochtig en matig droog, heischraal grasland. In het gebied zijn nog steeds soorten aanwezig van heischraal grasland, bijvoorbeeld tandjesgras (Danthonia decumbens) en tormentil (Potentilla erecta). Het derde doel kan zijn het herstel van de heidevelden zoals deze over grote oppervlakten voorkwamen in de negentiende eeuw. Restanten van heidevegetaties komen nu nog voor langs de vennen en in de bossen. Een goed ontwikkelde natte en droge heide komt nog voor rondom het nabijgelegen Zwart water. Onderzoekcentrum B-ware en de afdeling Ecologie van de Radboud Universiteit Nijmegen hebben de afgelopen 5 jaar vrij veel ervaring opgedaan met de ontwikkeling van schraalgraslanden en heide- en vensystemen vanuit landbouwpercelen. De stikstofen kaliumbeschikbaarheid lopen na het beĂŤindigen van bemesting snel terug. Echter, vanwege de hoge stikstofdepositie wordt stikstof niet limiterend voor de plantengroei (Bobbink et al., 1998). Vooral de hoeveelheid beschikbaar fosfor is daarom van invloed Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 70 -

29 augustus 2008


op de vegetatie-ontwikkeling. De voorraad fosfaat in landbouwbodems is in vrijwel alle gevallen echter zo groot dat met maaien en afvoeren (uitmijnen) pas op termijnen van tientallen of honderden jaren voldoende fosfaat is afgevoerd om de ontwikkeling van schraalgrasland mogelijk te maken (Lamers et al. 2006). Gebleken is dat de fosfaatbeschikbaarheid het beste kan worden bepaald door middel van een extractie met natriumbicarbonaat (Olsen-extractie). Aanvullende informatie over de totale hoeveelheid beschikbaar fosfor en ijzer kan het inzicht in de fosforbeschikbaarheid nog vergroten. Percelen in landbouwkundig gebruik hebben meestal een fosforbeschikbaarheid (OlsenP) van 2000 tot 3000 micromol per kilogram droge stof in de bovenste 30 tot 50 centimeter. Voor schraalgraslanden is deze waarde 200 tot 500(-1000) en voor heideen venvegetaties 50 tot 200 micromol per kilogram droge stof. Door dus op deze manier de hoeveelheid beschikbaar fosfaat in de verschillende bodemlagen te bepalen, kan met vrij grote betrouwbaarheid voorspeld worden voor welk type vegetatie een geschikte standplaats gecreĂŤerd wordt (Smolders et al., 2001). Rondom de Grote Klotteraard en het Haverven is op 21 locaties de fosfaatbeschikbaarheid bepaald op verschillende diepten, middels een Olsen-extractie (illustratie 3.17). Van de percelen in landbouwkundig gebruik werd verwacht dat de bovenste 20 centimeter in ieder geval te rijk zou zijn aan fosfaat en deze laag is daarom niet gemeten. Van de percelen met een natuurfunctie werd verwacht dat de fosfaatverrijking zich zou beperken tot de toplaag en hier is juist alleen de bovenste 20 centimeter doorgemeten. De resultaten van de metingen aan de fosfaatbeschikbaarheid zijn samengevat in tabel 3.22. Op vrijwel alle locaties wordt een duidelijke gradiĂŤnt aangetroffen van een fosfaatrijke bovenlaag naar een fosfaatarme onderlaag. De landbouwpercelen zijn vrijwel allemaal op 20-30 centimeter diepte nog sterk verrijkt met fosfaat, waardoor het zeer aannemelijk is dat de niet gemeten toplaag ook te fosfaatrijk is. In de onderstaande bespreking wordt voorlopig enkel uitgegaan van de fosfaatbeschikbaarheidsprofielen, om dieptes voor afgraven voor te stellen. In hoofdstuk 4 volgt een afweging en selectie op basis van bijkomende argumenten, zoals het beschermen van of voorzichtig omspringen met het archeologisch patrimonium in de ondergrond. In verband met archeologische criteria, zal de VLM de concrete randvoorwaarden bepalen voor afgravingen, door middel van proefboringen, en dit in relatie tot het archeologisch advies in RAAP (2003).

3.8.1

Grote Klotteraard De rand van de Grote Klotteraard die grenst aan landbouw is in relatief geringe mate verrijkt met fosfaat (illustratie 3.18 en tabel 3.22). Locatie 11 ligt het verst in het ven en is ook in de toplaag nauwelijks verrijkt met fosfaat. Locatie 12 tot en met 14 grenzen aan grasland en hier is de bovenste 10 tot 20 centimeter te rijk aan fosfaat. Aangezien het hier gaat om bodems die nu of na herinrichting direct in contact staan met het ven of die in ieder geval langdurig nat zijn en afwateren op het ven, is hier elke fosfaatnalevering ongewenst. De bodems moeten dus bij voorkeur een fosfaatbeschikbaarheid hebben die kenmerkend is voor heide- en venvegetaties. Op locatie 11 is dit reeds het geval, locatie 14 is op 10 cm diepte voldoende fosfaatarm. De andere twee locaties zijn op 10 Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 71 -

29 augustus 2008


tot 20 cm diepte slechts licht verrijkt met fosfaat. Waarschijnlijk volstaat het hier dus om de bovenste 10 centimeter te verwijderen. De percelen aan de noordwestkant van de Grote Klotteraard vertonen sterk dalende fosfaatconcentraties tussen de 30 en 50 cm diepte. Ontgronding tot 30 cm diepte zal hier plaatselijk tot mogelijkheden voor schraalgrasland leiden en plaatselijk tot pitrusvorming. Aanvullend verschralingsbeheer is mogelijk voldoende om op de meeste plaatsen schraalgrasland te ontwikkelen. Ontgronding tot 40 cm diepte is waarschijnlijk voldoende om in het hele deelgebied schraalgrasland te kunnen ontwikkelen en ontgronding tot 50 cm diepte is voldoende voor de ontwikkeling van natte heide. De twee metingen in het perceel aan de oostkant van de Grote Klotteraard geven een zeer verschillend beeld; een sterke fosfaatverrijking in het noorden en weinig fosfaatverrijking in het zuiden. Dit is in ieder geval voor een deel reĂŤel; in de zuidrand van dit perceel bevinden zich ook nu nog soorten van schraalgrasland. Het streefbeeld zal hier waarschijnlijk bestaan uit uitbreiding van het huidige restant schraalgrasland. Dit kan het beste gebeuren door rondom het huidige restant 20 cm diep te ontgronden. Meer naar het noorden toe lijkt een grotere ontgrondingsdiepte raadzaam. Voor de percelen aan de zuidkant geldt het zelfde als voor de percelen aan de noordwestkant. De laagst gelegen delen van deze percelen lijken tot op minder grote diepte verrijkt te zijn met fosfaat, waarschijnlijk doordat hier minder inzijging plaatsvindt en meer invloed van grondwater aanwezig is. Hier lijkt het verwijderen van de bovenste 20 (laagste delen) tot 30 cm voldoende.

3.8.2

Haverven In het broekbos aan de westkant van het Haverven lijkt alleen de organische toplaag verrijkt te zijn met fosfaat. Indien er broekbos wordt verwijderd, is het dus raadzaam om tegelijk ook de strooisellaag te verwijderen. De dan blootkomende bodem zal waarschijnlijk vrijwel geen fosfaat naleveren aan het ven en ook geschikt zijn voor de vestiging van oevervegetatie van vennen. Ook rond het Haverven is er een relatie tussen de hoogteligging van landbouwgrond en de diepte tot waarop fosfaatverzadiging heeft plaatsgevonden. Goed ontwaterde bodems, vooral in het perceel aan de noordkant, zijn tot op 40-50 cm te fosfaatrijk. Laaggelegen delen zijn slechts tot op 30 cm diepte te fosfaatrijk.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 72 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.17: Locaties waar in oktober 2007 bodemprofielen zijn gestoken om de fosfaatbeschikbaarheid te bepalen. A = Grote Klotteraard, B = Haverven

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 73 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.18: Diepte (centimeters) waarop een voldoende schrale bodem is aangetroffen voor de ontwikkeling van schraalgraslanden. Boven: Grote Klotteraard, onder: Haverven

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 74 -

29 augustus 2008


Illustratie 3.19: Diepte (centimeters) waarop een voldoende schrale bodem is aangetroffen voor de ontwikkeling van heide of voedselarme venoevers. Boven: Grote Klotteraard, onder: Haverven

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 75 -

29 augustus 2008


Tabel 3.22: Fosfaatbeschikbaarheid gemeten door middel van een extractie met 0,5 M natriumbicarbonaat. Voor locaties zie illustratie 3.17. Concentraties in micromol per kilogram droge bodem.

Fosfaat (Olsen-extract, micromol/kg droge stof) 0-10 cm 10-20 cm 20-30 cm 30-40 cm 40-50 cm Grote Klotteraard 1 Grote Klotteraard 2 Grote Klotteraard 3 Grote Klotteraard 4 Grote Klotteraard 5 Grote Klotteraard 6 Grote Klotteraard 7 Grote Klotteraard 8 Grote Klotteraard 9 Grote Klotteraard 10 Grote Klotteraard 11 Grote Klotteraard 12 Grote Klotteraard 13 Grote Klotteraard 14 Haverven 1 Haverven 2 Haverven 3 Haverven 4 Haverven 5 Haverven 6 Haverven 7 Haverven 8 Haverven 9

3.8.3

155 1197 712 722

317 2123

2525 1714 2936 3220 1864 272 2164 2281 1184 93

825 1127 360 971 3007 172 564 1636 338 42

362 169 393 438 934 169 350 230 626 20

40 40 30 40 50 20 40 40 30 20 0 10 10 10

50 40 > 50 50 > 50 30 50 50 50 20 0 > 20 20 10

2463 2569 1578 2895 841

1073 2246 349 1056 190

240 464 73 170 144

1760 1703

323 377

52 92

40 40 30 40 30 0 10 30 30

50 50 40 40 30 > 20 20 40 40

79 532 391 141

471 270

Centimeter verwijderen Olsen-P Olsen-P < 500 < 200

Samengevat In het algemeen kunnen de volgende ontgrondingsadviezen worden opgesteld, die in hoofdstuk 4 nog verder worden afgetoetst aan archeologische (*) en hydrologische criteria: - De broekbossen zijn nooit in landbouwkundig gebruik geweest en hier voldoet het verwijderen van de strooisellaag. - De pitrusvelden die grenzen aan landbouwgronden zijn in de toplaag verrijkt met fosfaat. Hier volstaat over het algemeen het afgraven de van bovenste 10 cm om een voedselarme oever te krijgen. - De laaggelegen landbouwgronden zouden voldoende verschraald kunnen worden door de bovenste 30 cm af te graven. - Op de laagst gelegen delen zal vermoedelijk enige pitrusgroei gaan optreden na de hierboven geadviseerde ontgronding, omdat veel fosfaat aan ijzer gebonden is en in de zuurstofloze bodem in oplossing kan gaan. Pitrus zal echter niet gaan domineren en zeker bij aanvullend maaibeheer ook binnen enkele jaren weer afnemen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 76 -

29 augustus 2008


-

-

De goed ontwaterde landbouwgronden dienen in principe voor een voldoende verschraling 40 cm (schraalgrasland) tot 50 cm (heide) diep te worden ontgraven. Het aantal metingen is te laag om een betrouwbaar beeld te geven van de lokale variatie op de bovengenoemde trends. Het uitmijnen met grasklavermengsels kan overwogen worden voor natuurontwikkeling op die omliggende gronden waarvoor afgraving tot op de gewenste diepte voor een schrale situatie, geen optie is (zie hoofdstuk 4). Wegens de beperkte ervaring hiermee en het gebrek aan experimenteel onderzoek terzake, kan echter voor het Turnhouts Vennengebied niet worden voorspeld of deze maatregel succesvol zal zijn. Voor de afgegraven gronden dient een geschikte bestemming te worden gezocht. Ruilverkaveling Merksplas en het gesaneerd stort zijn mogelijke denkpistes.

(*) In verband met archeologische criteria, zal de VLM de concrete randvoorwaarden bepalen voor afgravingen, door middel van proefboringen, en dit in relatie tot het archeologisch advies in RAAP (2003).

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 77 -

29 augustus 2008


4

AFWEGING VAN DOELSTELLINGEN EN MAATREGELEN Lijst van figuren Figuur 4.1: Afweging afgravingen rond Grote Klotteraard Figuur 4.2: Afweging afgravingen rond Haverven Figuur 4.3: Doelstellingen Grote Klotteraard Figuur 4.4: Doelstellingen Haverven Figuur 4.5: Doelstellingen Peerdsven

In dit hoofdstuk wordt, op basis van de verzamelde gegevens, voor elk ven aangegeven welke doelstellingen binnen bereik worden geacht, welke problemen daarvoor moeten worden opgelost en welke types van maatregelen hierbij geschikt worden geacht (algemeen beschouwd vanuit de systeemkennis). Omdat zonnebaarzen als een algemener knelpunt kunnen worden beschouwd, wordt dit aspect vooraf behandeld.

4.1

Algemene aspecten bij de afweging van maatregelen in het Turnhouts Vennengebied Algemeen kan het probleem worden aangehaald van exotische planten- en diersoorten (ook bv. watercrassula (Crassula helmsii) in bepaalde Nederlandse vennen als Padvindersven en Flesven), die in bepaalde gevallen zeer dominant op de voorgrond treden en andere, gewenste soorten kunnen verdringen. Dit is een moeilijk probleem, waar geen algemene oplossing voor te formuleren is. Er kan verwacht worden dat in de toekomst nog exoten zullen opduiken, en dat deze via beheer niet voor 100% uit te sluiten zijn. Veeleer dient beheer zich te richten op het inperken van nadelige gevolgen, geval per geval. Aan de hand van de eigenschappen van diersoorten kan worden bepaald in hoeverre zij gevoelig zijn voor het uitbaggeren van het ven en of zij goed in staat zijn zich in het herstelde ven te handhaven. Zo zijn vooral zwemmende soorten in staat om graafmachines te ontwijken. Dat kunnen ze natuurlijk alleen als het ven niet geheel wordt drooggelegd. Verder lijken carnivore soorten vaak problemen te krijgen na de uitvoering van maatregelen, vanwege een tijdelijk voedseltekort. Tevens zijn veel soorten afhankelijk van bepaalde vegetaties en vegetatiestructuren, omdat zij daarin jagen, schuilen, eieren afzetten, etc.. Tenslotte zijn soorten die zich snel voortplanten (meerdere generaties per jaar) vaak goed in staat om herstelde vennen te koloniseren en daarmee minder kwetsbaar bij herstel. Voor de prioritaire vennen wordt in dit hoofdstuk per ven de afweging gemaakt welke randvoorwaarden gelden, uitgaande van de eigenschappen van de soorten.

4.2

Algemeen knelpunt: zonnebaarzen De Grote Klotteraard, het Haverven en het Peerdsven herbergen alledrie zonnebaars populaties. Momenteel zijn deze populaties nog gering in omvang. Echter door het baggeren van de vennen is het vrijwel zeker dat de zonnebaarspopulaties sterk zullen groeien. Dit heeft grote gevolgen voor met name de ongewervelden in de vennen. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 78 -

29 augustus 2008


Op dit moment is er nog geen goede manier om de zonnebaars effectief te bestrijden. In Nederland is meerdere malen tevergeefs geprobeerd om populaties af te vissen. De enige manier waarmee de soort tot nu toe effectief bestreden is, is het verondiepen van de bevolkte vennen. Hierdoor vallen de vennen tijdens warme zomers droog, waardoor de vissen sterven. Dit is echter een grote ingreep, waarmee ook veel andere soorten dieren uit de vennen worden geweerd. Deze vorm van bestrijding is niet wenselijk gezien de beoogde natuurdoelen in het Turnhouts Vennengebied. Er is dus dringend ervaring nodig met andere bestrijdingsvormen. Hierbij kan gedacht worden aan introductie van inheemse predatoren. Voor de vennen in deze studie is een combinatie van methoden voor de hand liggend. Om het baggeren van de vennen te vergemakkelijken kan de waterstand verlaagd worden. Hierdoor zullen de vissen zich in de waterhoudende delen concentreren, waardoor ze kunnen worden weggevangen. Helaas zal het bijna onmogelijk zijn om daarmee alle zonnebaars weg te vangen. Indien kort na de uitvoering van de maatregelen inheemse piscivore vissen, zoals snoek en baars, worden uitgezet, kan de aantalsontwikkeling van de zonnebaars mogelijk worden geremd of misschien wel worden tegengegaan. Het gebruik van pisciciden is ongewenst, omdat dit ook leidt tot sterfte van ongewervelden. Het is realistisch te verwachten dat, zonnebaarspopulaties zich kunnen herstellen, gezien de onderlinge verbindingen tussen vennen en waterlopen. Vennen waar zonnebaars is betsreden, kunnen daarom beter worden geïsoleerd van de rest. Het ziet er naar uit dat zonnebaars altijd in het gebied aanwezig zal zijn, en dat het dus aangewezen is om te voorzien in ‘schuilpaatsen’ (refugia) waar andere diersoorten veilig zijn voor predatie door zonnebaars. Plantengroei onder water, met voldoende schuilmogelijkheden, kan hierin het beste voorzien. Bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden is het dus aan te bevelen om delen van de oorspronkelijke vegetatie te sparen. Dit biedt het merendeel van de ongewervelden schuilmogelijkheden tegen predatie door zonnebaars, maar ook tegen de uitgezette snoek en baars. Hierdoor hebben de snoeken tevens een uitvalsmogelijkheid van waaruit zij kunnen jagen. Het sparen van delen van de vegetatie is overigens ook van belang voor het behoud van de actuele natuurwaarden (zie volgende paragrafen). Momenteel wordt er gewerkt aan een Nederlands-Vlaams initiatief voor de bestrijding van de zonnebaars (INTERREG III – projectvoorstel: ‘Bedreigende exoten’). Er zal worden uitgezocht wat de bijdrage kan zijn van het Expertenadvies prioritair venherstel Turnhouts Vennengebied en het daarop volgende venherstel in dit initiatief.

4.3

Grote Klotteraard

4.3.1

Doelen en knelpunten Voor de Grote Klotteraard wordt een zeer zwak gebufferd ventype met oeverkruid en gesteeld glaskroos als haalbaar doel geacht. Op termijn kan in verlandingsvegetaties op de oever ook veenmosgroei op gang komen. Voor de omgeving wordt gestreefd naar voornamelijk open omgeving, die een mozaïek is van droge tot vochtige heischrale vegetatie en voedselrijker grasland met ruigtes. Om de windwerking op het ven verder

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 79 -

29 augustus 2008


te bevorderen en het heischrale milieu kansen te geven, wordt aan de zuidwestkant meer open terrein nagestreefd. Knelpunten om deze situatie te realiseren, zijn: - het aanwezige slib (minder zandig substraat); - het vele bos langs de oevers (beperkte windwerking, bladval); - de nutriĂŤntentoevoer via grond- en oppervlaktewater vanaf de aanpalende percelen; - de ophoping van aan ijzer gebonden fosfaat in het het slib; - om de omliggende terreinen natuurlijker te kunnen maken, is de actuele vermesting een probleem. De instroom van voedingsstoffen vanuit de landbouw heeft vooral de vegetaties van voedselarme venoevers sterk gereduceerd. Stopzetten van de aanvoer van fosfaat via het oppervlaktewater en afvoer van het opgehoopte fosfaat (slib) zijn twee absolute voorwaarden voor een voorspoedig herstel van deze oevervegetaties. De watervegetatie is nog steeds behoorlijk ontwikkeld, maar zich ook verder ontwikkelen na verwijderen van opgehoopt slib. Het intacte veen levert nauwelijks voedingsstoffen na aan de waterlaag en kan dus worden gespaard tijdens de ontslibbing. Het verminderen van de oppervlakkige afvoer is ook gunstig voor het doorstroomkarakter van het ven. Neerslagwater wordt langer vastgehouden in het inzijggebied en zal voor een groter deel als jong grondwater het ven bereiken. De (grond-)wateraanvoer naar het ven zal in droge perioden langer naijlen en het aangevoerde water zal op zijn weg door de bodem kooldioxide en ijzer oplossen. Dit is gunstig voor de voedingstoestand van het ven en zal tevens de veenmosgroei bevorderen. Na het stopzetten van de aanvoer van door landbouw beĂŻnvloed oppervlaktewater zal het ven verzuringsgevoelig worden. Het is vooraf vrijwel onmogelijk om in te schatten in welke mate dat het geval zal zijn. Dit hangt tevens af van de mate waarin gebufferde landbouwgronden worden ontgraven en of oppervlaktewater van deze gronden het ven nog kan bereiken. De pH van het grondwater is weliswaar laag, maar er zitten tevens grote hoeveelheden basische kationen in het grondwater. Indien de nitraatuitspoeling stopt, zal enerzijds de hoeveelheid basische kationen in het grondwater afnemen, maar zal anderzijds de pH van het grondwater stijgen. Wanneer het ven wordt drooggelegd om slib te verwijderen, zal ook de onderliggende veenlaag aan de lucht worden blootgesteld. Wanneer dit slechts gedurende een tamelijk korte periode het geval is, maximaal 2 maanden, zullen de positieve effecten overheersen. Het veen is tamelijk rijk aan ijzer en zwavel. Bij oxidatie komt sulfaat vrij en slaat ijzer neer. Het sulfaat kan via de waterlaag worden afgevoerd. Het ijzer zal in het systeem achterblijven, waardoor het fosfaatbindend vermogen van de veenbodem zal toenemen. De oxidatie zal ook leiden tot tijdelijke verzuring, waardoor de veenafbraak sterk geremd zal worden. Na inundatie zal de verzuring weer worden opgeheven. In het slib boven het veen in de zuidwesthoek van de Grote Klotteraard zijn ook de zinkgehalten bepaald. Deze liggen tussen de 300 en 500 milligram per kilogram drooggewicht. Op het eerste gezicht lijkt er dus geen probleem te ontstaan met door zink verontreinigd slib. Door derden zal voorafgaande aan de ontslibbing een nader zware metalen onderzoek plaatsvinden. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 80 -

29 augustus 2008


De broekbossen leveren bij overstroming voedingsstoffen na aan het ven. De hoeveelheden zijn echter niet zeer groot, zeker niet in vergelijking met de instroom van voedingsstoffen via het oppervlaktewater. Omdat het oppervlak broekbos bij de Grote Klotteraard klein is, zijn extra maatregelen hier dus niet dringend. Anderzijds is het voor de doelstellingen meest ideaal indien deze maatregelen genomen kunnen worden: idealiter ontbossen en ontslibben, indien niet mogelijk verwijderen van strooisel en de humuslaag. Het broekbos tussen Grote en Kleine Klotteraard was reeds aanwezig in de jaren 1970 (pers. med. Geert De Blust). In de jaren 1960 bevond zich hier nog een vliegplaats van het gentiaanblauwtje (med. Alex Riemis via Marc Smets). De hier aanwezige broekbossen zijn te beschouwen als recent en de vegetatie staat duidelijk onder invloed van vermesting (ruigtesoorten). Op basis van deze afweging wordt ervoor gekozen om dit bos te kappen en ook hier te ontslibben. Door de verbindingssloot met de Kleine Klotteraard te dempen zal er oppervlakkige afstroming over het maaiveld gaan plaatsvinden richting de Kleine Klotteraard. In figuur 4.1 zijn de graafdieptes, zoals overwogen in illustratie 3.18 en illustratie 3.19, weergegeven in meter TAW (voor bereiken van fosfaatconcentraties van hetzij heischraal grasland, hetzij heide- en venvegetatie). De voorkeur wordt eraan gegeven om deze maatregelen alleen verder te overwegen wanneer zij niet leiden tot fysische uitbreiding van het ven. Bovendien geldt als randvoorwaarde om geen archeologisch (potentieel) interessante sites te verstoren (kaarten uit RAAP 2003). Op basis van figuur 4.1 betekent dit dat alleen de volgende locaties in aanmerking komen, aan de Grote Klotteraard: - het noordwestelijke perceel, waar in het centrale deel extra aandacht geldt voor archeologische opvolging bij bodemingrepen; - het zuidelijke deel van het perceel aan de oostkant (met depressie en actueel hoger gelegen heischrale ruggen). Daarbij wordt gestreefd naar uitbreiden van oppervlakte schrale vegetatietypes (vochtig en droog), met behoud van actueel nog schrale relicten; - de zuidelijke en zuidoostelijke landbouwpercelen. In tabel 4.1 staat een overzicht van de belangrijkste eigenschappen van de zeldzame diersoorten uit de Grote Klotteraard. Alle soorten blijken eigenschappen te hebben waardoor ze kwetsbaar zijn voor opschoningsmaatregelen (niet kunnen zwemmen, seksuele voortplanting, carnivoor of afhankelijk van oevervegetaties). Voor zwemmende soorten is het van belang dat het ven altijd water blijft voeren. Dit is ook belangrijk voor carnivoren, omdat hun voornaamste voedsel (zoรถplankton) dan behouden blijft.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 81 -

29 augustus 2008


Tabel 4.1: Eigenschappen van de zeer zeldzame soorten waterfauna van de Grote Klotteraard. &

& /

# # . '

0'

?

7 # .

! " 0 !

!

* * *

! !

* *

#

$

* * *

"

@ @ @ @

3< 6 0 3< 6 0

1

*

!

!

*

?#

*

& &

0 0

B' B' B'

@ @ @

& & &

0 0 0

,5 6

@

&

0

B'

@

0 4 & 4

4

1 1 1

0 0 0

,

%

?#

@ 3

0 5 6

A A 4 0"

4* ' & 4* '

&

5 6

De in het ven aanwezige zonnebaars kan sterk in aantal toenemen als het ven gebaggerd wordt. Het is daarom belangrijk om stappen te ondernemen voor de bestrijding van deze soort.

4.3.2

Oplossingen Als prioritaire oplossingen worden beschouwd: - stopzetten van de bemesting op de aangrenzende percelen of, indien niet meteen realiseerbaar, alvast zorgen dat het ven geen aangerijkt water meer ontvangt; - vermijden dat water rondom het ven stagneert op voedselrijke bodem (al dan niet voormalige landbouw) alvorens naar het ven af te stromen. Het stagneren leidt immers tot aanrijking met nutriënten, fosfaat in het bijzonder; - verwijderen van een groot deel van het bos rond het ven. Dit bevordert de windwerking, vermindert bladval en creëert kansen voor heideherstel. Het kappen houdt ook het ruimen van kroonhout en strooisel in; - verwijderen van slib en afgebroken veen. Op deze manier wordt de nutriëntennalevering vanuit de bodem tot een minimum herleid en wordt meer zandig substraat beschikbaar voor de doelvegetaties; - bij dit ontslibben een aantal structuurrijke pitrusgordels sparen voor fauna. Eventuele zeer dense pitrusbegroeiingen die hierbij aansluiten, dieper uitgraven i.p.v. enkel afplaggen, zodat tijdelijke poelen voor fauna worden gecreëerd in de oeverzone; - monitoren van de zuurgraad van het ven en bij te sterke verzuring de oeverzone en/of de afgeplagde landbouwpercelen bekalken. Als optioneel wordt beschouwd: - in het geval het niet mogelijk is om de broekbossen te kappen en te ontslibben: ruimen van strooisel en humuslaag in deze broekbossen, dit om de nutriëntennalevering verder te beperken; Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 82 -

29 augustus 2008


-

lokaal afgraven van enkele omliggende terreinen tot op een voldoende voedselarme ondergrond, zodat hier terug voedselarme natuur ontstaat (zie afweging afgravingen en natuurdoelstellingen in vorige paragraaf).

Voor diersoorten met seksuele voortplanting is het van belang dat er zoveel mogelijk dieren gespaard blijven opdat zij in staat zijn partners te vinden. Voor soorten die afhankelijk zijn van vegetatie als eiafzetplek of larvaal habitat kunnen stukken vegetatie gespaard blijven. De uitwerking van deze oplossingen tot concrete en gelokaliseerde maatregelen, komt aan bod in hoofdstuk 5 (stappenplan voor praktische uitvoering).

4.4

Haverven, satellietven oost en satellietven west

4.4.1

Doelen en knelpunten Voor het Haverven wordt een zeer zwak tot zwak gebufferd ventype met o.a. Waterlobelia, moerashertshooi en vlottende bies als haalbaar doel geacht. Er dient ook aandacht te worden gegeven aan de nodige structuurrijkdom voor aanwezige of te verwachten fauna. Actuele knelpunten voor deze doelstellingen zijn: - de verruiging en verbossing (minder ruimte voor schrale vegetaties en tevens minder windwerking en meer bladval); - het aanwezige slib (minder zandig substraat); - de nutriëntentoevoer vanuit omliggende broekbossen en vermeste percelen (via oppervlakte- en grondwater); - de nalevering van nutriënten uit het slib; - de niet-maximale toestroom van grondwater wegens drainerende sloten in het zuiden en noorden. NB. momenteel voorkomt de drainage waarschijnlijk dat er veel extreem zwavelrijk grondwater naar het Haverven toestroomt. Dit is dus vooral een potentieel knelpunt, in een situatie waarin de gronden uit landbouwkundig gebruik zijn genomen. Het ven is enigszins verzuringsgevoelig omdat het grondwater zuur is. Wel is dit grondwater rijk aan calcium. Het oppervlaktewater is een bron van buffering, maar tevens een belangrijke bron van vermesting. Het Haverven kent een zeer vlakke oever, waar zich een aanzienlijke oppervlakte broekbos ontwikkeld heeft. Waarschijnlijk zorgt nalevering van voedingsstoffen uit de broekbosbodem voor een significante bijdrage aan de vermesting van het Haverven. Juist deze droogvallende oevers bezitten goede potenties voor de ontwikkeling van vegetaties uit de Oeverkruidklasse. De maïspercelen aan de zuidkant vormen momenteel een groot probleem. Er spoelt veel voedselrijk oppervlaktewater direct of via de gracht het ven in. Daarnaast is er in de winter ook sprake van toestroom van vervuild grondwater. Dit grondwater is zeer sterk verrijkt met sulfaat en ook met kalium, natrium en chloride. Gelukkig ziet het er naar uit dat het landbouwkundig gebruik hier kan worden stopgezet. In figuur 4.2 zijn de graafdieptes, zoals overwogen in illustratie 3.18 en illustratie 3.19, weergegeven in meter TAW (voor bereiken van fosfaatconcentraties van hetzij Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 83 -

29 augustus 2008


heischraal grasland, hetzij heide- en venvegetatie). De voorkeur wordt eraan gegeven om deze maatregelen alleen verder te overwegen wanneer zij niet leiden tot fysische uitbreiding van het ven. Bovendien geldt als randvoorwaarde om geen archeologisch (potentieel) interessante sites te verstoren (kaarten uit RAAP 2003). Op basis van figuur 4.2 betekent dit dat er in de praktijk geen uitgesproken mogelijkheden zijn om afgraving te verantwoorden. De topografische helling is dermate geleidelijk en de benodigde graafdiepte is zo diep dat het zou neerkomen op het creĂŤren van een veel groter, voedselarm ven, wat vanuit historisch oogpunt niet wordt verkozen. In tabel 4.2 staat een overzicht van de belangrijkste eigenschappen van de zeldzame diersoorten uit het Haverven. Alle soorten blijken eigenschappen te hebben waardoor ze kwetsbaar zijn voor opschoningsmaatregelen (niet kunnen zwemmen, seksuele voortplanting, carnivoor of afhankelijk van oevervegetaties). Voor zwemmende soorten is het van belang dat het ven altijd water blijft voeren. Dit is ook belangrijk voor carnivoren, omdat hun voornaamste voedsel (zoĂśplankton) dan behouden blijft. Tabel 4.2: Ecologische eigenschappen van de zeldzame soorten in het Haverven. & # #

0'

)

* # # ! " 0 ! & ' 0 ! ) * # # ! / ' 0 !

* 5 6

7 # . @ @ @ @ @ @ @

! !

* *

!

* *

! ! !

5 )5 6

?

!

*

1

5 6

? C C *6

*-

5 " 5

B' B'

**

#

B' * B' B' B' B' B'

!

& &

0 0

,

? 0 5 # A A * 5 C * 5 DC0 # +5 5*6 * 5 86 / ! *

& *

?#

3< 6 0

* ,

1

B'

*

0 0

5 6 & 4 & 4

4

1

4 0"

4* ' 4* '

@ @

& &

0 0

@ @ @ @ @ @ @

& & & &

0 0 0 0

&

0

@

0 "

@ #

0 5 6

4 4 4 4 4 5 6 4

4

De in het ven aanwezige zonnebaars kan sterk in aantal toenemen als het ven gebaggerd wordt. Het is daarom belangrijk om stappen te ondernemen voor de bestrijding van deze soort.

4.4.2

Oplossingen Als prioritaire oplossingen worden beschouwd: - stopzetten van de bemesting op de aangrenzende percelen of, indien niet meteen realiseerbaar, alvast zorgen dat het ven geen aangerijkt water meer ontvangt; - na ontslibbing en stopzetten van de aanvoer van gebufferd oppervlaktewater wordt het Haverven verzuringsgevoelig. Aangezien de hoeveelheid grondwater die zijdelings toe komt stromen gering is, verdient het de voorkeur om bij een te sterke verzuring de droogvallende en opgeschoonde oevers van het ven te bekalken. De ervaring leert dat de kans op verzuring het grootste is in de eerste Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 84 -

29 augustus 2008


-

-

5 jaren na opschonen van een ven. Dit omdat dan al het slib verwijderd is en oxidatieve, verzurende processen overheersen in de onderwaterbodem; grachten dempen ten noorden en zuiden van het Haverven, om de drainerende werking hiervan te beperken en zodoende toestroom van grondwater naar het (zuurgevoelig) ven te maximaliseren; verwijderen van slib over het grootste deel van het ven, in principe met inbegrip van helofytenvegetaties en wilgenstruwelen, maar rekening houdend met huidige waarden van vegetatie en fauna. Vooral de zuidoostoever kent een bijzondere fauna; verwijderen van een deel van de bomen en boomopslag rond het ven, om windwerking te stimuleren en bladval enigszins te beperken, waarbij ook het strooisel en kroonhout wordt geruimd en stronken verwijderd. in het geval het niet mogelijk is om de broekbossen te kappen en te ontslibben: ruimen van strooisel en humuslaag in deze broekbossen, dit om de nutriĂŤntennalevering verder te beperken;

Als optioneel wordt beschouwd: - openmaken en ontslibben van de laatste open plek in de slenk in het zuidwesten (uitloper Haverven met laatste vindplaats witte waterranonkel, rond opname FVH99117); - plaggen van de depressie ten oosten van het Bels Lijntje en lokaal ontbossen om het zicht vanaf het Bels Lijntje te verbeteren. Voor diersoorten met seksuele voortplanting is het van belang dat er zoveel mogelijk dieren gespaard blijven opdat zij in staat zijn partners te vinden. Voor soorten die afhankelijk zijn van vegetatie als eiafzetplek of larvaal habitat kunnen stukken vegetatie gespaard blijven. De uitwerking van deze oplossingen tot concrete en gelokaliseerde maatregelen, komt aan bod in hoofdstuk 5 (stappenplan voor praktische uitvoering).

4.5

Peerdsven

4.5.1

Doelen en knelpunten Het Peerdsven wordt gedomineerd door een zuurminnende vegetatie, maar is toch zeer zwak gebufferd. Dit is waarschijnlijk vooral het gevolg van interne alkalinisatie in de sliblaag. Het ven ontvangt grote hoeveelheden nitraat en ook vrij veel sulfaat. Wanneer dit wordt gereduceerd in de onderwaterbodem, vindt ook buffering plaats. De buffering is een recent verschijnsel; het ven kent vrijwel alleen een zure historie. Bovendien gaat de buffering gepaard met eutrofiĂŤring. Het lijkt daarom beter om in dit ven te kiezen voor het bestrijden van vermesting en het streven naar een voedselarm, zuur ven. Het Peerdsven ligt in het hoogste deel van het Turnhouts Vennengebied en kent een vrij grote waterstandsfluctuatie en weinig grondwateraanvoer. Hierdoor zal het ven zich niet ontwikkelen richting een echt hoogveenven. Na herstel ontstaat vooral een gunstige situatie voor soorten als Veenpluis (Eriophorum angustifolium), Waterveenmos (Sphagnum cuspidatum) en Getand veenmos (Sphagnum denticulatum). Wel zijn er op de oever mogelijkheden voor de ontwikkeling van een natte heide, met bijvoorbeeld Gewone dophei (Erica tetralix), Kleine zonnedauw (Drosera intermedia), Bruine Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 85 -

29 augustus 2008


snavelbies (Rhynchospora fusca), WItte snavelbies (Rhynchospora alba) en mogelijk zelfs Moeraswolfsklauw (Lycopodiella inundata) en Gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata). In het Peerdsven zijn een aantal zeldzame diersoorten aangetroffen (Microvelia umbricola, Hydroporus neglectus, Hydrometra gracilenta, Agabus melanocornis, Sigara scotti, Tricholeiochiton fagesii, Polypedilum cultellatum en Holocentropus stagnalis). Op basis van de ecologie van deze soorten en kennis van hun voorkomen in het ven, kunnen herstelmaatregelen zodanig ontworpen worden (hier valt te denken aan fasering en timing) dat deze soorten tijdens herstel gespaard blijven. In tabel 4.3 staat een overzicht van de belangrijkste eigenschappen van de zeldzame diersoorten uit het Peerdsven. Ook in dit ven hebben alle soorten eigenschappen waardoor ze kwetsbaar zijn voor opschoningsmaatregelen (niet kunnen zwemmen, seksuele voortplanting, carnivoor of afhankelijk van oevervegetaties). Tabel 4.3: Ecologische eigenschappen van de zeldzame soorten in het Peerdsven. &

0'

?

7 # . @

#

*

1

3< 6 0

* 1

0 1

B'

, "'

* *

! !

$ (

) *

+

,5 6 +*

& &

'

B' B' B'

0

0 0

4

1 1

4 0" 1

4* '

@

&

0

@ @

& &

0 0

& &

@ @ @

& &

0 0

&

4* ' 4

Veruit de meeste van deze soorten worden aangetroffen in de zuidelijke pitruszone, die een relatief open structuur heeft. Op een enkele soort na, zijn deze soorten allemaal afhankelijk van deze vegetatie omdat zij daarop hun eitjes afzetten en een groot deel van hun leven daar verblijven. De kokerjuffer Tricholeiochiton fagesii en de dansmug Polypedilum cultellatum komen elders in het ven voor, het is echter niet precies bekend in welke delen. Aangezien deze soorten ook elders in Turnhouts Vennengebied voorkomen en daar grotere aantallen hebben, is het minder urgent om de herstelmaatregelen in het Peerdsven voor deze soorten aan te passen. Knelpunten voor bovenstaande doelstellingen zijn: - de hoge bladval vanuit het omringende bos; - instroom van voedselrijk water uit het bos en de wegbermen; - de nutriĂŤntenrijke sliblaag; - soms is stroming vastgesteld van het Venneke naar het Peerdsven (2000); - het is niet uit te sluiten dat landbouwwater in de toekomst naar het Peerdsven wordt gebracht via de (nu niet functionele) constructies in het westen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 86 -

29 augustus 2008


De in het ven aanwezige zonnebaars kan sterk in aantal toenemen als het ven gebaggerd wordt. Het is daarom belangrijk om stappen te ondernemen voor de bestrijding van deze soort.

4.5.2

Oplossingen Als prioritaire oplossingen worden beschouwd: - kappen van bos op de oevers (incl. ruimen kroonhout en strooisel, ontstronken), gepaard met afplaggen waar zich een organische laag heeft ontwikkeld (veelal met pijpenstrootje). Mooie laanbomen (dreven langs zuid- en oostkant) kunnen blijven staan; - verwijderen van de sliblaag (incl meeste pitrusvelden), zodat een successie wordt ingezet vanuit een voedselarm, zandig en ongebufferd milieu (zuur ven met vorming van zuur laagveen en hoger op oevers venige dopheivegetatie); - door aan de zuidkant van het ven een deel van de vegetatie te sparen (smallere en meer structuurrijke pitruszone), blijven bijzondere diersoorten behouden en zijn zij ook in de toekomst verzekerd van een geschikt habitat; - het ven isoleren van het gebufferde (opgepompte) water van het Venneke (oostkant); - dempen van het greppeltje dat aan de noordkant uit het bos komt. Als optioneel wordt beschouwd: - een regelbare stuw plaatsen aan de afloop naar het Venneke (tevens als barrière voor dit gebufferde water) om peilregeling mogelijk te maken en de afloop van Peerdsven naar Venneke te controleren. Ook kan het op termijn gunstig zijn om in de winter na een na droge zomer (sulfaatrijk) water af te voeren. Hiermee wordt zwavelophoping en eutrofiÍring van het Peerdsven voorkomen; - het ven isoleren van het water aan de westkant, zodat er geen verbinding is en dus ook in de toekomst geen toestroom meer mogelijk is van oppervlaktewater uit het westelijk gelegen landbouwgebied. Door aan de zuidkant van het ven een deel van de vegetatie te sparen blijven de zeldzame diersoorten behouden en zijn zij ook in de toekomst verzekerd van een geschikt habitat. Indien tijdens de uitvoering van de maatregelen het ven niet geheel wordt drooggelegd, dan zullen zwemmende soorten de maatregelen zeer waarschijnlijk overleven. De uitwerking van deze oplossingen tot concrete en gelokaliseerde maatregelen, komt aan bod in hoofdstuk 5 (stappenplan voor praktische uitvoering).

4.6

Kleine Klotteraard Oost Gezien de aanwezigheid van oeverkruidvegetaties in de jaren 1970, vergelijkbaar met de situatie in de Grote Klotteraard, is een versterking van de relatie tussen beide vennen (die met elkaar al in contact staan) het beste mogelijk door een gelijkaardige doelstelling na te streven in de beide vennen. Op die manier is er geen risico op conflicten die verschillende doelstellingen voor elkaar zouden veroorzaken (bv. op gebied van bladinwaai, nutriĂŤntennalevering). Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 87 -

29 augustus 2008


In de huidige situatie zijn het vele bos, het opgestapelde slib en de toestroom van nutriĂŤnten de knelpunten. Met uitzondering van enkele relictvegetaties op de oever (met veelstengelige waterbies en moerashertshooi), is het dan ook aangewezen om het ven te ontslibben en in de omgeving bos te verwijderen en oevers (veelal pijpenstrootje) te plaggen. Bemesting op omliggend landbouwgebied dient te worden stopgezet. Voor behoud van eventuele relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. Hiervoor zijn een aantal vuistregels voorhanden. Waarschijnlijk komt ook in dit ven zonnebaars voor. Aangezien de aantallen van deze exotische soort explosief kunnen toenemen, nadat er met herstelmaatregelen geschikt voorplantingshabitat is gecreĂŤerd, is het verstandig om maatregelen te nemen ter bestrijding van de zonnebaars. Voor behoud van mogelijk aanwezige relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. - Omdat veel soorten afhankelijk zijn van specifieke vegetatiestructuren is het belangrijk om daarvan delen te sparen. Hiervoor lijkt de noordoosthoek het meest geschikt. Door middel van nader onderzoek zouden te sparen delen gerichter kunnen worden aangewezen. - Nat-baggeren heeft de absolute voorkeur. Hierbij dient water met ongeveer 10 cm diepte te blijven staan tijdens de uitvoering. Voor bestrijding van zonnebaarzen kunnen de volgende maatregelen worden uitgevoerd: - Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen kan de waterstand het beste worden verlaagd. Dit vergemakkelijkt de baggerwerkzaamheden. Op dit moment dienen met zegens en elektronisch visgerij zoveel mogelijk van de zonnebaars weggevangen te worden. - Nadat het waterpeil weer is gestegen, kan er roofvis worden uitgezet in de vorm van een combinatie van snoek en baars om achtergebleven en eventuele nieuwe zonnebaarzen op te eten en uitbreiding van de soort te onderdrukken. De concrete lokalisatie van de maatregelen komt aan bod in hoofdstuk 5.

4.7

Kleine Klotteraard West In de Kleine Klotteraard West bevindt zich een oude, compacte veenlaag. Dat hier zaden van waterlobelia zijn gevonden, doet vermoeden dat in bepaalde delen (mogelijk enkel langs randen van het ven) deze veenlaag afwezig is (waterlobelia groeit op minerale bodems), en dat er zich op deze plaatsen eerder recent een sliblaag heeft opgestapeld. De exacte omlijning van het veen, en hoeveel slib zich waar bevindt zou moeten bepaald worden om de doelstellingen beter af te wegen. Uitgaande van het behoud van de veenlaag en van de veronderstelling dat deze veenlaag over het grootste deel aanwezig is, is de potentiĂŤle oppervlakte met oeverkruid en waterlobelia beperkt. Bijkomend knelpunt voor een dergelijke doelstelling vormt het omgevende bos. Momenteel heeft zich in de randzones een vegetatie ontwikkeld met moerashertshooi en duizendknoopfonteinkruid, die gebonden is aan water dat rijker is aan kooldioxide. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 88 -

29 augustus 2008


Dit vegetatietype is bovendien vrij goed ontwikkeld in dit ven. Er wordt om deze redenen aanbevolen om de huidige situatie te optimaliseren. Actuele knelpunten in dit opzicht zijn de aanwezigheid van kikkerbeet en waterlelie, de naar verwachting snelle verlanding aan de oevers met slib wegens de vele bladval, en de toestroom van nutriëntenrijk oppervlaktewater. Dat kikkerbeet zich kan handhaven, wijst op eutrofiëring en alkalinisering door bladinwaai en reductieprocessen of door aanvoer van landbouwwater. Kikkerbeet is een soort van voedselrijker en tamelijk sterk gebufferd water. In hoeverre het aanwezige slib een bedreiging vormt voor de doelstellingen (nutriëntennalevering), kan alleen worden bepaald op basis van metingen aan dit slib. Oplossingen zijn het verwijderen van deze ongewenste planten, het vrijzetten van de randen van het ven (ontbossen en afplaggen) en het omleiden van nutriëntenrijk drainagewater van het landbouwperceel ten noorden. Door deze maatregelen kan het ven verzuringsgevoelig worden. Deze verzuringsgevoeligheid zal beperkt zijn indien het slib in het midden van het ven niet verwijderd wordt. Voor behoud van eventuele relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. Hiervoor zijn een aantal vuistregels voorhanden. Waarschijnlijk komt ook in dit ven zonnebaars voor. Aangezien de aantallen van deze exotische soort explosief kunnen toenemen, nadat er met herstelmaatregelen geschikt voorplantingshabitat is gecreëerd, is het verstandig om maatregelen te nemen ter bestrijding van de zonnebaars. Voor behoud van mogelijk aanwezige relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. - Omdat veel soorten afhankelijk zijn van specifieke vegetatiestructuren is het belangrijk om daarvan delen te sparen. Door middel van nader onderzoek kunnen te sparen delen worden aangewezen. - Nat-baggeren heeft de absolute voorkeur. Hierbij dient water met ongeveer 10 cm diepte te blijven staan tijdens de uitvoering. Voor bestrijding van zonnebaarzen kunnen de volgende maatregelen worden uitgevoerd: - Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen kan de waterstand het beste worden verlaagd. Dit vergemakkelijkt de baggerwerkzaamheden. Op dit moment dienen met zegens en elektronisch visgerij zoveel mogelijk van de zonnebaars weggevangen te worden. - Nadat het waterpeil weer is gestegen, kan er roofvis worden uitgezet in de vorm van een combinatie van snoek en baars om achtergebleven en eventuele nieuwe zonnebaarzen op te eten en uitbreiding van de soort te onderdrukken. De concrete lokalisatie van de maatregelen komt aan bod in hoofdstuk 5.

4.8

Zandven Het Zandven is een van oorsprong zeer zwak gebufferd tot vrijwel zuur ven. In het begin van de twintigste eeuw werd in een deel van het ven de vegetatie gedomineerd door Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 89 -

29 augustus 2008


veenmos en in een deel kwam waterlobelia (Lobelia dortmanna) voor. Tijdens de periode met maximale verzuring in de jaren zeventig was deze alleszins verdwenen. Het verwijderen van slib en veenmos uit het ven zal mogelijk leiden tot kieming van nog aanwezige zaden van waterlobelia. Zo lang er echter geen aanvullende maatregelen tegen verzuring worden genomen, is de kans groot dat Lobelia door het zure karakter van het ven weer achteruit zal gaan of verdwijnen. De inlaat van oppervlaktewater is waarschijnlijk geen optie, omdat dit behalve zwak gebufferd ook rijk is aan meststoffen. Mogelijk kan bekalking van het inzijggebied voor enige buffering zorgen. Echter, het betreft hier een vrij groot ven en er zal bekalking over een zeer aanzienlijke oppervlakte moeten plaatsvinden. Wellicht is het beter om pas maatregelen te nemen als de zuurdepositie vanuit de lucht verder is afgenomen. Een andere mogelijkheid is het bekalken van de droogvallende delen van de oever na verwijderen van slib. In het Scherpven, een bekalkt opgeschoond en vaak droogvallend ven op de Landschotse heide nabij Tilburg, blijft vermesting van de oeverzone achterwege en blijft de buffering goed op peil. Er kunnen hoeveelheden van 2 tot 3 ton kalk per hectare worden gebruikt. Behalve waterlobelia zijn er naar verwachting geen andere karakteristieke venplanten die zullen profiteren van het verwijderen van slib en aanvullende maatregelen tegen verzuring. Mogelijk kan oeverkruid zich vestigen vanuit de omgeving. Vooral aan de zuidkant bevindt zich plaatselijk nog een tamelijk soortenrijke natte heide met onder andere gewone dophei (Erica tetralix), witte snavelbies (Rhynchospora alba) en wrattig veenmos (Sphagnum pappilosum). Deze natte heide lijkt vooral voor te komen op plekken waar lokaal en zeer jong grondwater naar het ven stroomt. Het verwijderen van bosopslag op en rond deze plekken zal de soorten van de natte heide bevoordelen doordat er meer licht komt en doordat de verdamping wordt beperkt en grondwaterstromen worden versterkt. Rond de plekken met veenmosrijke, natte heide kan beter niet worden bekalkt; het is nog onvoldoende duidelijk wat het effect hiervan is op veenmosvegetaties. Voorts dient hier te worden opgemerkt dat het uitgestrekte dennenbos tussen Zandven en Koeven (zie luchtfotoâ&#x20AC;&#x2122;s) inmiddels is gekapt en geplagd in het kader van het Deelprojectuitvoeringsplan II binnen Natuurinrichting. Hierdoor zal de verdamping in het zomerhalfjaar sterk afnemen en dus ook de peilfluctuatie. Naar verwachting zal de natte heide vegetatie hiervan gaan profiteren. Voordat er concrete maatregelen worden geformuleerd moeten eerst de effecten van de grootschalige boskap op de hydrologie en heidevegetatie enkele jaren goed gevolgd worden. Voor behoud van eventuele relictpopulaties van bijzondere diersoorten kan het ontslibben het beste voorzichtig worden uitgevoerd. Hiervoor zijn een aantal vuistregels voorhanden. Het is niet bekend of er in dit ven zonnebaars voorkomt. Aangezien deze soort de effectiviteit van herstelmaatregelen kan verminderen is het van belang te onderzoeken of deze soort in dit ven voorkomt. Mogelijk kan de soort het ven bereiken via de gracht aan de oostkant. Deze kan het beste worden afgesloten.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 90 -

29 augustus 2008


Voor behoud van mogelijk aanwezige relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. - Ontslibben kan het beste in de winter worden gedaan als de heikikker en vinpootsalamander het water uit zijn om te overwinteren. - Omdat veel soorten afhankelijk zijn van specifieke vegetatiestructuren is het belangrijk om daarvan delen te sparen. Hiervoor lijkt de zuidrand het meest geschikt. Deze plek lijkt geschikt voor de beide witsnuitlibellen die hier zijn waargenomen. Door middel van nader onderzoek zouden te sparen delen nog gerichter kunnen worden aangewezen. - Nat-baggeren heeft de absolute voorkeur. Hierbij dient water met ongeveer 10 cm diepte te blijven staan tijdens de uitvoering. De aanwezigheid van zonnebaarzen kan worden vastgesteld door middel van een inventarisatie. Eventuele zonnebaars kan het beste worden weggevangen tijdens het ontslibben als de waterstand wordt verlaagd. De gracht die uitkomt aan de oostzijde van het ven kan het beste worden afgesloten om immigratie van zonnebaars te voorkomen. De concrete lokalisatie van de maatregelen komt aan bod in hoofdstuk 5.

4.9

Koeven en satellietven tussen Zand- en Koeven Gezien de aanwezigheid van bultvormende veenmossen in de omgeving (Sphagnum compactum en S. papillosum) en gezien de aanwezigheid van elementen van zuur laagveen en dopheivegetatie (witte snavelbies, waterveenmos, gewone dophei, veenpluis), zijn de potenties hoog voor ontwikkeling van hoogveenbulten binnen deze context, langs de randen van het ven. Als doelstelling kan hiertoe het beste een zwak zuur, ongebufferd en voedselarm ven worden aangehouden, met een voldoende stabiel venpeil. Knelpunten in dat opzicht zijn het nu nog ontbrekende afgestemde peilbeheer en de toevloed van nutriĂŤnten uit omgevend landbouwgebied en wellicht ook uit broekbosranden. Stopzetting van deze toestroom door stopzetten van bemesting in de omgeving (meest dringend de direct aanpalende akker in het westen), het verwijderen van broekbos en van het strooisel en humuslaag ter plaatse zijn aangewezen. In hoeverre het aanwezige slib een bedreiging vormt voor de doelstellingen (nutriĂŤntennalevering), kan alleen worden bepaald op basis van metingen aan dit slib. Om de ontwikkeling richting hoogveenachtige vegetaties maximale kansen te bieden kan er worden gestreefd naar een zo stabiel mogelijk peil. Dit wordt al bevorderd door de grootschalige boskap. Aan de oostkant van het Koeven ligt een gracht die het ven verbindt met een oostelijk gelegen laagte. Om drainage van deze laagte uit te sluiten is het beter om deze greppel te dempen. Aan de zuidkant van het Koeven is een afvoerende gracht. Deze kan mogelijk worden verondiept of gereguleerd. Stimulering van de hoogveenontwikkeling in het satellietven komt ook de fauna te goede. Vooral beide soorten witsnuitlibellen die hier zijn waargenomen zullen hiervan profiteren, samen met vele andere karakteristieke soorten.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 91 -

29 augustus 2008


Indien in het Koeven slib wordt verwijderd, kan dit het beste voorzichtig worden uitgevoerd om het behoud van eventuele relictpopulaties van bijzondere diersoorten veilig te stellen. Hiervoor zijn een aantal vuistregels voorhanden. Het is niet bekend of er in het Koeven zonnebaars voorkomt. Aangezien deze soort de effectiviteit van herstelmaatregelen kan verminderen is het van belang te onderzoeken of deze soort in dit ven voorkomt. Voor behoud van mogelijk aanwezige relictpopulaties van bijzondere diersoorten kunnen herstelmaatregelen het beste voorzichtig worden uitgevoerd. - Ontslibben kan het beste in de winter worden gedaan als de heikikker en vinpootsalamander het water uit zijn om te overwinteren. - Omdat veel soorten afhankelijk zijn van specifieke vegetatiestructuren is het belangrijk om daarvan delen te sparen. Hiervoor lijkt de zuidzijde het meest geschikt. Door middel van nader onderzoek zouden te sparen delen nog gerichter kunnen worden aangewezen. - Nat-baggeren heeft de absolute voorkeur. Hierbij dient water met ongeveer 10 cm diepte te blijven staan tijdens de uitvoering. De aanwezigheid van zonnebaarzen kan worden vastgesteld door middel van een inventarisatie. Eventuele zonnebaars kan het beste worden weggevangen tijdens het ontslibben als de waterstand wordt verlaagd. De concrete lokalisatie van de maatregelen komt aan bod in hoofdstuk 5.

4.10

Nonnenmoer Het voormalige ven het Nonnenmoer is geheel ontgonnen en momenteel in agrarisch gebruik. Net ten noorden van het voormalige ven ligt nog een klein watertje, dat ook wel als Nonnenmoer wordt aangeduid. Voor herstel van het voormalige ven is het essentieel dat de voormalige venbodem nog min of meer intact is, dat wil zeggen dat deze min of meer onvergraven is en niet te sterk verrijkt is met voedingstoffen uit de landbouw. De kans hierop lijkt zeer gering; het ven is ontwaterd door enkele grachten die dwars door het voormalige ven lopen en waarschijnlijk vindt de intensieve landbouw nu plaats op de voormalige venbodem. Door profielen te steken kan worden bekeken of het ven destijds gedempt is of alleen ontwaterd. In het eerste geval zou verwijdering van de aangebrachte laag een goede optie kunnen zijn. De ontwateringsgracht zou dan moeten worden gedempt met een waterkerende klei- of leemlaag. “Herstel” van het Nonnenmoer zou in het geval van een niet gedempt ven neerkomen op een vorm van “natuurbouw” op een locatie van een voormalig ven. Dat neemt niet weg dat deze natuurbouw zeer succesvol kan zijn. Door de met fosfaat verrijkte toplaag te verwijderen en de huidige ontwatering grotendeels ongedaan te maken kan zich weer een grondwater gevoed ven ontwikkelen. Evenals bij de bestaande vennen zullen zich mogelijk wel problemen voordoen met de aanvoer van door de landbouw beïnvloed grond- en oppervlaktewater.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 92 -

29 augustus 2008


Indien serieus overwogen wordt om op deze locatie weer een ven te ontwikkelen zal allereerst moeten worden bepaald tot hoe diep fosfaat in de bodem is doorgedrongen. Gezien de ervaringen bij het Haverven en de Grote Klotteraard ligt een diepte van ongeveer 30 cm het meest voor de hand, tenzij de bodemopbouw verstoord is door bijvoorbeeld diepploegen. Ten tweede is het ook zinvol om de kwaliteit van het ondiepe grondwater door te meten op locaties die in de toekomst in de stroombaan van naar het ven toestromend grondwater zullen liggen. Ook hier geldt dat waarschijnlijk deels gebruikt kan worden gemaakt van de ervaringen hiermee die momenteel worden opgedaan langs het Haverven en de Grote Klotteraard.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 93 -

29 augustus 2008


5

GECONCRETISEERD STAPPENPLAN VOOR DE UITVOERING Lijst van figuren Figuur 5.1: Lokalisatie maatregelen Grote Klotteraard Figuur 5.2: Lokalisatie maatregelen Haverven Figuur 5.3: Lokalisatie maatregelen Peerdsven Figuur 5.4: Lokalisatie maatregelen Kleine Klotteraard Oost en West Figuur 5.5: Lokalisatie maatregelen Zandven en Koeven Het hier beschreven stappenplan is erop gericht de concrete aard, volgorde en eventuele duur van maatregelen weer te geven, alsook welk vervolgbeheer en monitoring in elk ven zijn aangewezen. Technische toelichting van de maatregelen komt aan bod in hoofdstuk 6, voor de prioritaire vennen.

5.1

Grote Klotteraard

5.1.1

Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.1) -

-

-

stopzetten van de bemesting: in alle aanpalende (al dan niet voormalige) landbouwpercelen. In het zuiden en zuidoosten wordt een grens aangenomen die gelegen is op een lokale rug. Verder dan deze rug is het immers de verwachting dat oppervlakte- en grondwater weg van het ven stromen. In het noordwesten komt ook nog oppervlaktewater vanaf het perceel langs het Bels lijntje tot in het ven. Dit perceel watert ook deels af op de Kleine klotteraard. Stopzetten van bemesting is hier dus gunstig voor 2 vennen; zorgen dat het ven geen aangerijkt water meer ontvangt: hiertoe worden de uit de landbouwpercelen toestromende grachten gedempt, in het noordwesten en noordoosten. In het noordwesten kan alternatief de werkwijze worden gevolgd van de volgende paragraaf (uitdiepen en verbreden), maar dit kan een negatief effect hebben op waterstanden en grondwatertoestroming; enkele actuele depressies in het noordwesten kunnen worden uitgediept en verbreed tot voedselarme poelen. Dit gebeurt samen met het afgraven van dit perceel (zie verder); ontslibben: in principe kan het hele ven tot aan de hoogwaterlijn ontdaan worden van slib. Er zijn echter enkele belangrijke uitzonderingen ten behoeve van de macrofauna; deze worden verder vermeld. De plekken waar nu Oeverkruid groeit zijn vrijwel slibvrij; ook deze kunnen grotendeels worden ontzien. Daar waar zich nog een min of meer intacte veenbodem bevindt, hoeft alleen het bovenliggende slib te worden verwijderd. Bij het droogtrekken van de Grote Klotteraard om te ontslibben (uit te voeren in zomerperiode) kan de Kleine Klotteraard worden geĂŻsoleerd. Het is de verwachting dat zich in de Kleine Klotteraard vanzelf een watervolume zal isoleren bij het droogtrekken van de Grote Klotteraard en van de verbinding tussen de beide vennen. Alleen indien men in de Kleine Klotteraard terug meer water wenst op te houden dan over blijkt gedurende de werkzaamheden, is het raadzaam om bijkomend een tijdelijk dammetje te plaatsen (dit kunnen zandzakjes zijn, â&#x20AC;Ś) om neerslag- en

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 94 -

29 augustus 2008


-

-

-

-

toestromend water te stockeren. In dat verband kan men ook best wachten met het ontslibben van de verbinding tussen de beide vennen tot wanneer de Grote Klotteraard zelf is ontslibd; tijdelijke poelen voor fauna creĂŤren in de oeverzone; ontbossing: omwille van windwerking en meer natuurlijk karakter van het landschap wordt geopteerd om het dennenbos in het zuidwesten te kappen, alsook een smalle strook bomen in het noordwesten. Het bos ten noorden van het ven is structuurrijker en kan behouden blijven gezien zijn minder belangrijk geachte relatie met het ven. Het kappen houdt ook het ruimen van kroonhout en strooisel in. Wel verdient het aanbeveling om zeer verspreid enkele, niet te grote bomen te laten staan, die als stapstenen dienen voor fauna. Ontbossing gebeurt eveneens in de nattere bossen zodat deze geen bijkomende nutriĂŤnten meer naleveren, en daarom gecombineerd met ontslibbing (komt neer op plaggen voor de minder natte delen); afplaggen pijpenstrootje-oevers in de te ontbossen gedeelten (dennenbos in het zuidwesten, bosstrook in het noordwesten): hiermee wordt bedoeld tot op de onderliggende zandige bodemlaag af te plaggen. Bekalken na plaggen is in deze zones wenselijk om tijdelijke ammoniumpieken te beperken, indien er geen (gebufferd) venwater op komt te staan. Naar verwachting leidt het opschonen van het ven (ontslibben) in de eerste jaren tot verzuring van het water, omdat door het verwijderen van slib de bijdrage van reductieprocessen aan de buffering tijdelijk tot vrijwel nul gereduceerd wordt. Wat betreft mogelijke verzuring van het ven en van de oevers na afplaggen, is wel het verstandigst om eerst het effect van bekalking van aangrenzende percelen af te wachten. Indien toch verzuring wordt vastgesteld na opschonen, is het aan te raden bijkomend de opgeschoonde/afgeplagde oevers (tussen gemiddeld hoog en laag water) te bekalken met 1 ton kalk/ha; verbinding met de Kleine Klotteraard: het verwijderen van boomopslag en pijpenstrootje begroeing in de slenk tussen de Grote en de Kleine Klotteraard. Dempen van de verbindingsgracht, zodat water over maaiveld kan afstromen. Het dempen mag echter niet leiden tot een significante peilverhoging in de Grote Klotteraard, omdat hiermee het doorstroomkarakter wordt verkleind. afgravingen: het noordwestelijke perceel wordt in eerste instantie aangepakt door 40 cm af te graven. Verder wordt ook het zuidelijke deel van het oostelijke perceel geselecteerd (met depressie en actueel hoger gelegen heischrale ruggen). Daarbij wordt gestreefd naar uitbreiden van oppervlakte schrale vegetatietypes (vochtig en droog), met (oostelijk perceel) behoud van actueel nog schrale relicten. In het oosten wordt de pitruslaagte 15 cm uitgediept en het gedeelte weiland in het zuidoosten 20 cm afgegraven. Hogere, actueel schrale koppen (met o.a. zwarte zegge, kamgras, sterspoorsatijnzwam (Entoloma conferendum) en loodgrijze bovist (Bovista plumbea)) worden daarbij ontzien. Dit betekent dat heel exacte grenzen van de graafwerken het beste aangegeven worden tijdens de werken zelf.

Om de overlevingskans van zeldzame diersoorten te vergroten kunnen de volgende stappen ondernomen worden: - Het ven tijdens de uitvoering van maatregelen niet geheel droogleggen, maar 10 cm water laten staan (ten behoeve van Demicryptochironomus vulneratus, Parakiefferiella bathophila, Forelia curvipalpis en Piona clavicornis). - Vegetatie van veenmossen en snavelzegge aan de westzijde van het ven sparen over een lengte van 70 m. (ten behoeve van Agrypnia obsoleta/varia, Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 95 -

29 augustus 2008


-

Tricholeiochiton fagesii, Stenochironomus spec., Panisopsis vigilans, Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda) en Hydrometra gracilenta). Tevens dient dit deel als voortplantingshabitat van roofvissen. Verlandingsvegetatie aan de oostzijde van het ven sparen over een lengte van 30 m. (ten behoeve van Agrypnia obsoleta/varia, Tricholeiochiton fagesii, Stenochironomus spec., Laccophilus poecilus, Polypedilum cultellatum, Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), mogelijk van belang voor Vroege glazenmaker (Aeshna isoceles) en Glassnijder (Brachytron pratense)).

Recente ervaringen met zonnebaars bestrijding hebben geleerd dat de soort moeilijk te verdelgen is met ĂŠĂŠn enkele ingreep. Bestrijding in de Grote Klotteraard heeft waarschijnlijk de grootste kans van slagen als er een combinatie van maatregelen wordt gehanteerd: - Door een stuw te plaatsen tussen de Kleine en Grote Klotteraard blijft ontwatering vanuit de Grote Klotteraard mogelijk, maar wordt migratie van zonnebaarzen voorkomen. - Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen kan de waterstand het beste worden verlaagd. Dit vergemakkelijkt de baggerwerkzaamheden. Op dit moment dienen met zegens en elektronisch visgerij zoveel mogelijk van de zonnebaars weggevangen te worden. - Nadat het waterpeil weer is gestegen, kan er roofvis worden uitgezet in de vorm van een combinatie van snoek en baars om achtergebleven en eventuele nieuwe zonnebaarzen op te eten en uitbreiding van de soort te onderdrukken. - Geen pisciciden gebruiken, aangezien deze ook toxisch zijn voor ongewervelden.

5.1.2

Stappenplan 1) 2) 3) 4) 5) 6)

5.1.3

Stopzetten van bemesting op landbouwpercelen Verwijderen bos Droogpompen ven en selecteren van delen van het ven die gespaard blijven Verwijderen van slib Plaggen oevers, dempen grachten Afgraven van landbouwgronden

Vervolgbeheer en monitoring Na de hersteloperatie zal het ven zich weer vullen met water. Vervolgens dient de waterstand in het ven gemonitoord te worden en de pH. Bij te hoge peilen dient de afvoer richting de Kleine Klotteraard te worden verdiept. Bij te sterke verzuring moet bekalking van de afgegraven percelen en/of de venoevers worden overwogen. Op de afgegraven landbouwgronden zal vervolgbeheer nodig zijn indien de met fosfaat verrijkte bodem niet geheel wordt afgevoerd. Vooral op natte bodem of indien de OlsenP beschikbaarheid boven de 500 micromol/kg droge bodem blijft, is een vervolgbeheer van maaien en afvoeren wenselijk.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 96 -

29 augustus 2008


5.2

Haverven

5.2.1

Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.2) -

-

-

-

-

-

-

-

stopzetten van de bemesting: in alle aanpalende (al dan niet voormalige) landbouwpercelen; bekalking indien verzuring optreedt, dit om verzuring na slibverwijdering te voorkomen. Het inzijggebied van het Haverven wordt geacht groter te zijn aan de noordzijde (cf. figuur 1.4), en deze percelen komen eerder onder beheer van de inrichters komen dan de zuidelijke. Echter wijzen de grondwaterstanden er eerder op dat er nauwelijks grondwater van de noordkant komt. Het is dan ook beter om de opgeschoonde oevers zelf te bekalken als het te zuur wordt. Monitoring zal tevens moeten uitwijzen of een eenmalige bekalking volstaat; grachten dempen ten noorden en zuiden van het Haverven, om de drainerende werking hiervan te beperken en zodoende toestroom van grondwater naar het (zuurgevoelig) ven te maximaliseren. Deze maatregel kan alleen genomen worden na het stopzetten van de bemesting. Zo lang er bemesting plaatsvindt zal meer grondwatertoevoer vanaaf deze zijden leiden tot meer aanvoer van sulfaat naar het ven; ontslibben: De nog intacte veenlagen in het ven dienen te worden gespaard. Het is sowieso de bedoeling het grootste deel van het ven aan te pakken, in principe met inbegrip van helofytenvegetaties en wilgenstruwelen (aangeduid met ‘ontbossen en ontslibben’), maar rekening houdend met huidige natuurwaarden van vegetatie en fauna. Vooral de zuidoostoever kent een bijzondere fauna. De stukken die gespaard moeten blijven, zijn verder behandeld; ontbossen van een bosstrook in het zuiden, getypeerd door berk, grove den, zwarte els en zomereik, om windwerking over het oostelijke deel van het Haverven te stimuleren, waarbij ook het strooisel en kroonhout wordt geruimd en stronken verwijderd. Hiermee wordt tevens een open zicht gecreëerd aan deze zijde. Hetzelfde gebeurt voor de nattere bossen, gecombineerd met ontslibbing (komt neer op plaggen voor de minder natte delen); strooisel en humuslaag verwijderen uit broekbossen om nutriëntennalevering te beperken. Het betreft hier alle broekbos rondom het Haverven waar geen ontbossing wordt voorzien, hetzij administratief niet mogelijk is, daar het water van het Haverven er ’s winters stagneert; openmaken en ontslibben van de laatste open plek in de slenk in het zuidwesten (uitloper Haverven met laatste vindplaats witte waterranonkel, rond opname FVH99117): dit betekent het verwijderen van het wilgenstruweel en ontslibben over een gedeelte van de slenk, zodat de natuurlijk verlopen successie een heel stuk wordt teruggezet en er terug een voedselarmer venmilieu ontstaat; plaggen van de depressie ten oosten van het Bels Lijntje: op deze manier worden kansen gecreëerd voor planten van licht gebufferde tot zure venmilieus. De begroeiing met pijpenstrootje wordt hiertoe verwijderd en de bodem geplagd, maar met behoud van enkele relicten (veenpluis, dophei); lokaal ontbossen om het zicht vanaf het Bels Lijntje te verbeteren.

Om de overlevingskans van zeldzame diersoorten te vergroten kunnen de volgende stappen ondernomen worden:

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 97 -

29 augustus 2008


-

-

-

-

-

Het ven bij tijdens de uitvoering van maatregelen niet geheel droogleggen, maar 10 cm water laten staan (ten behoeve van Arrenurus stecki, Hydryphantes crassipalpis, Agabus unguicularis, Bidessus grossepunctatus, Hydroporus scalesianus, Ilybius guttiger, Laccophilus poecilus en Rhantus grapii). Verlandingszone aan de zuidrand van het ven sparen over een lengte van 30 m. (ten behoeve van Holocentropus stagnalis, Agabus unguicularis, Bidessus grossepunctatus, Laccophilus poecilus, Rhantus grapii en mogelijk Gevlekte Witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) en Glassnijder (Brachytron pratense)). Dichte begroeiing van moerashertshooi aan de noordoostkant van het ven sparen over een lengte van 15 m. (ten behoeve van Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), Tricholeiochiton fagesii, Hydroporus scalesianus, Ilybius guttiger, Rhantus grapii, Vinpootsalamander (Triturus helveticus) en mogelijk Venwitsnuitlibel (Leucorrhinia dubia), Noordse witsnuitlibel (Leucorrhinia rubicunda)). Dichte begroeiing van veelstengelige waterbies aan de noordzijde van het ven sparen over een lengte van 15 m. (ten behoeve van Koraaljuffer (Ceriagrion tenellum), Tangpantserjuffer (Lestes dryas), Tricholeiochiton fagesii, Berosus luridus, Ilybius guttiger en mogelijk Tengere pantserjuffer (Lestes virens)) Ven in de wintermaanden baggeren (ten behoeve van de Vinpootsalamander (Triturus helveticus)). Dit heeft geen consequenties op de effectiviteit van de zonnebaars bestrijding, aangezien deze zich niet ingraaft in de wintermaanden.

Recente ervaringen met zonnebaars bestrijding hebben geleerd dat de soort moeilijk te verdelgen is met ĂŠĂŠn enkele ingreep. Bestrijding in het Haverven heeft waarschijnlijk de grootste kans van slagen als er een combinatie van maatregelen wordt gehanteerd: - Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen kan de waterstand het beste worden verlaagd. Dit vergemakkelijkt de baggerwerkzaamheden. Op dit moment dienen met zegens en elektronisch visgerij zoveel mogelijk van de zonnebaars weggevangen te worden. - Nadat het waterpeil weer is gestegen, kan er roofvis worden uitgezet in de vorm van een combinatie van snoek en baars om achtergebleven en eventuele nieuwe zonnebaarzen op te eten en uitbreiding van de soort te onderdrukken. - Geen pisciciden gebruiken, aangezien deze ook toxisch zijn voor ongewervelden.

5.2.2

Stappenplan 1) 2) 3) 4) 5) 6)

5.2.3

Stopzetten van bemesting op landbouwpercelen Verwijderen bos Droogpompen ven en selecteren van delen van het ven die gespaard blijven Verwijderen van slib Plaggen van oevers, dempen van grachten Afgraven van landbouwgronden

Vervolgbeheer en monitoring De bodem van het Haverven bevat tamelijk veel zwavel. Na droogleggen in de zomer zal dit voor een belangrijk deel worden omgezet in sulfaat. Na de hersteloperatie zal het Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 98 -

29 augustus 2008


ven zich weer vullen met water en hierin zal dit sulfaat oplossen. De eerste winter na de hersteloperatie kan daarom het beste flink wat water uit het ven worden afgevoerd. De pH van het ven dient te worden gemonitord. Indien er te sterke verzuring optreedt, moet worden overwogen om de oeverzone van het ven te bekalken. Op de afgegraven landbouwgronden zal vervolgbeheer nodig zijn indien de met fosfaat verrijkte bodem niet geheel wordt afgevoerd. Vooral op natte bodem of indien de OlsenP beschikbaarheid boven de 500 micromol/kg droge bodem blijft, is een vervolgbeheer van maaien en afvoeren wenselijk.

5.3

Peerdsven

5.3.1

Concretisering en lokalisatie maatregelen (figuur 5.3) -

-

-

ontslibben, zodat een successie wordt ingezet vanuit een voedselarm, zandig en ongebufferd milieu (zuur ven met vorming van zuur laagveen en hoger op oevers dopheivegetatie): het gehele ven met uitzondering van de zuidkant van het ven (smallere en meer structuurrijke pitruszone voor fauna); kappen van bos op de oevers (incl. ruimen kroonhout en strooisel; stronken af te frezen aan maaiveld), gepaard met afplaggen waar zich een organische laag heeft ontwikkeld (veelal met pijpenstrootje). In figuur 5.3 is ernaar gestreefd de natuurlijke depressie van het Peerdsven te volgen, waar verwacht wordt dat zich een gradiënt van zuurminnende ven- en veenvegetatie over natte heide naar droge heide kan ontwikkelen. Mooie laanbomen (dreven langs zuid- en oostkant) kunnen blijven staan; een regelbare stuw plaatsen aan de westzijde; dit is reeds voorzien in PUP II (bouw 2008); een regelbare stuw plaatsen aan voormelde afloop naar het Venneke, als barrière voor Zonnebaarzen, als barrière voor het gebufferde en mogelijks geëutrofieerde water van het Venneke (Peerdsven hydrologisch isoleren) en ook om peilregeling mogelijk te maken en de afloop van Peerdsven naar Venneke te controleren;

Optioneel: - het herstel van de duiker naar het Venneke, dit uit cultuurhistorisch perspectief; - aan de westzijde kunstwerk en duiker verwijderen, zodat er geen verbinding is en dus ook in de toekomst geen toestroom meer mogelijk is van oppervlaktewater uit het westelijk gelegen landbouwgebied. Om de overlevingskans van zeldzame diersoorten te vergroten kunnen de volgende stappen ondernomen worden: - Het ven tijdens de uitvoering van maatregelen niet geheel droogleggen, maar 10 cm water laten staan (ten behoeve van Arrenurus stecki, Polypedilum albicorne, Dytiscus dimidiatus, Hydroporus neglectus en Rhantus grapii). - De zuidelijke pitruszone die een relatief open structuur heef, sparen over een lengte van 20 m. (ten behoeve van Holocentropus stagnalis, Tricholeiochiton fagesii, Kleine vijverloper (Hydrometra gracilenta), Slank dwerglopertje

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 99 -

29 augustus 2008


(Microvelia umbricola), Dytiscus dimidiatus, Hydroporus neglectus en Rhantus grapii) De dansmug Polypedilum cultellatum komt elders in het ven voor, het is echter niet precies bekend in welke delen. Aangezien deze soort ook elders in Turnhouts Vennengebied voorkomt en daar talrijker is, is het minder urgent om de herstelmaatregelen in het Peerdsven voor deze soort aan te passen. Recente ervaringen met zonnebaars bestrijding hebben geleerd dat de soort moeilijk te verdelgen is met ĂŠĂŠn enkele ingreep. Bestrijding in het Peerdsven heeft waarschijnlijk de grootste kans van slagen als er een combinatie van maatregelen wordt gehanteerd: - Tijdens de uitvoering van de herstelmaatregelen kan de waterstand het beste worden verlaagd. Dit vergemakkelijkt de baggerwerkzaamheden. Op dit moment dienen met zegens en elektronisch visgerij zoveel mogelijk van de zonnebaars weggevangen te worden. - Geen pisciciden gebruiken, aangezien deze ook toxisch zijn voor ongewervelden. - Het is van belang om aanvoer van nieuwe zonnebaars te voorkomen. Daarom dient de verbinding met het Venneke aan de oostkant van het ven afgesloten te worden. - Omdat in het Peerdsven herstel van een zuur ven nagestreefd wordt, heeft het geen zin om roofvissen uit te zetten omdat deze de lage zuurgraad niet kunnen overleven.

5.3.2

Stappenplan 1) 2) 3) 4)

5.3.3

Verwijderen van bos Dempen van de gracht aan de noordkant Droogpompen van het ven en slib verwijderen Plaatsen van een stuw

Vervolgbeheer en monitoring In het Peerdsven is geen monitoring van de abiotiek nodig. Wel is het raadzaam om te blijven volgen of er niet te veel blad het ven in waait. Vooral indien er weer bladophoping plaats vindt is het raadzaam om in de late winter water af te voeren uit het ven, zeker na droge zomers. Er kan dan sulfaat uit het ven worden afgevoerd.

5.4

Lokalisatie van de maatregelen in de overige vennen In figuur 5.4 en figuur 5.5 zijn de maatregelen op kaart weergegeven, die reeds werden vermeld in hoofdstuk 4. Het betreft het ontslibben van de Kleine Klotteraard Oost, het omleiden van landbouwwater en het vrijstellen van oevers van de Kleine Klotteraard. Mogelijke bekalkingszone voor het Zandven, vrij te stellen oever van Koeven en maatregelen om deze beide vennen te beschermen tegen influx van Zonnebaars, zijn weergegeven.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 100 -

29 augustus 2008


Er dient te worden benadrukt dat deze maatregelen verdere onderbouwing benodigen (slibmetingen, fauna-inventarisatie, â&#x20AC;Ś) wil men de vennen optimaal kunnen herstelllen. De voorgestelde maatregelen voor de overige vennen moeten dan ook worden beschouwd als best expert judgement op basis van gekende gegevens, en met het nodige voorbehoud worden aanzien.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 101 -

29 augustus 2008


6

TECHNISCHE TOELICHTINGEN BIJ DE MAATREGELENPAKKETTEN VAN DE PRIORITAIRE VENNEN Lijst van figuren Figuur 6.1: Principeschetsen Grote Klotteraard Figuur 6.2: Detailplan afgraving Grote Klotteraard NW Figuur 6.3: Werfwegen en ontwatering Grote Klotteraard Figuur 6.4: Principeschetsen Haverven en Peerdsven

6.1

Kwantitatieve en technische omschrijving met aanduiding op plan Als plannen bij de bestekken voor uitvoering, kunnen de figuren worden aangewend van hoofdstuk 5. Aanvullend zijn principeschetsen benodigd bij het indienen van een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning. Dit zijn geschematiseerde dwarsdoorsneden, die voor deze maatregelen meer zijn aangewezen dan feitelijke dwarsdoorsneden (deze dienen aan een vaste vorm te voldoen, o.a. schaal 1/100 in de hoogte, zodat 20 cm afgraven nauwelijks te onderscheiden is). Principeschetsen zijn bijgevoegd, zie figuur 6.1 en verder. Om een vlotte en verantwoorde uitvoering van de werken mogelijk te maken dient zo snel mogelijk door de opdrachtgever, in nauw overleg met alle betrokken partijen, een aantal aanvullende beslissingen te worden genomen om de uitvoering van de werken te concretiseren. Deze beslissingen kunnen worden gebaseerd op (o.a.) de meest recente onderzoeksresultaten, de meest recente kostenraming, de beschikbare budgetten,... Deze beslissingen vormen de basis voor de uitvoering (zowel op korte als op lange termijn) van de werken (o.a. opeenvolging van de werken i.f.v. schade aan de bodem, gebruik van omliggende terreinen die later afgeplagd worden,...). In het bestek voor uitvoering van de werken wordt, om de impact van de werken op de omgeving en de ecologische waarde van het projectgebied te beperken, best concreet invulling gegeven aan onderstaande zaken, op basis van dit advies (zie verder en in hoofdstuk 5). Hierbij dient aandacht te worden gegeven aan volgende zaken (niet limitatief): -

fasering van de werken: zie stappenplannen hoofdstuk 5 timing werken: er wordt geopteerd om de ontwaterings- en ontslibbingsingrepen uit te voeren in de zomer, na het broedseizoen milieukwaliteit van de vrijgekomen (water)bodem bestemming van de vrijgekomen (water)bodem mogelijk gebruik van terreinen in de omgeving werfinrichting transportroutes en werfwegen (voorstel zie figuur 6.3) uitvoeringsmethoden (nat grondverzet <> droog grondverzet) ontwateringsmethode ven en slib

Het overlaten van beslissingen over bovenvermelde zaken aan de uitvoerende aannemer verhoogt het risico op onoordeelkundig werken met onnodige schade aan de ecologische waarden van het gebied. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 102 -

29 augustus 2008


Per maatregel worden de meest relevante zaken hieronder verder uitgewerkt. Ontslibben Ontslibben in den droge Voor het uitvoeren van de ontslibbing zijn er verschillende uitvoeringsmethoden. Een eerste mogelijkheid is het ontslibben d.m.v. het klassieke droge grondverzet. Hiertoe dient het ven voorafgaand aan de werken te worden ontwaterd, door de aanwezige stuwen weg te nemen, eventueel bijkomende drainagegrachtjes te graven en een open put bemaling te plaatsen. Doordat de grondwerken in den droge worden uitgevoerd is het resultaat van de ontslibbing ter plaatse direct visueel vast te stellen. Deze werkwijze heeft als groot voordeel dat er zekerheid bestaat over de volledigheid van ontslibben (geen mors). Samenvattend kunnen volgende aanvullende bemerkingen worden gemaakt rond het ontslibben in den droge: • De bestaande aanwezige dieptes kunnen maximaal worden ingeschakeld binnen de open put bemaling. Extra drainagegrachtjes moeten beperkt worden gehouden in aantal, lengte en diepte; • De toegestane termijn voor ontwatering van het ven wordt vastgesteld tot maximaal één maand; • Er dient een 10-tal cm waterdiepte behouden te blijven als tijdelijke overleving van aquatische organismen; • Bij het ontwateren moet de waterstand in de Kleine Klotteraard opgevolgd worden. Indien het waterpeil te hard zakt dienen milderende maatregelen te worden getroffen. (vb. extra dam met zandzakjes,…); • De locatie van werfwegen en aan- en afvoerroutes moeten in detail bekeken worden. Een voorstel voor de werfwegen in en in de nabije omgeving van het ven is weergegeven op figuur 6.3; • Ter hoogte van het Peerdsven en het Haverven kan het water gravitair worden afgewaterd via de aanwezige baangrachten; • Mogelijk ontstaat bij het ontwateren van het ven hinder van het aanwezige slib in het water. Dit slib kan best worden verwijderd in een al dan niet natuurlijke slibvang; • Ter hoogte van de Grote Klotteraard kan de Kleine Klotteraard worden ingeschakeld als slibvang. Omwille van ecologische redenen is dit niet aangewezen. Bij voorkeur wordt daarom de slenk in het terrein ten ZO van de Grote Klotteraard gebruikt. Aanvullend kan deze slenk worden verbreed om een betere slibvang te creëren. Bij het Peerdsven en het Haverven is er geen natuurlijke slibvang aanwezig. Eventueel kan daar geopteerd worden om de aanwezige grachten na de werken te ruimen en het overtollig slib te verwijderen; • Er zijn relatief veel aannemers beschikbaar die deze werken kunnen uitvoeren. (relatief eenvoudige uitvoeringsmethode). Ontslibben in de natte Een tweede mogelijkheid is het ontslibben d.m.v. nat grondverzet (baggeren). Kleinschalig baggeren met een cutterzuiger (snijkopzuiger) is hierbij het meest aangewezen. Andere baggertechnieken zouden te veel schade aan de omgeving brengen of slecht uitvoerbaar zijn en worden niet verder besproken. Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 103 -

29 augustus 2008


Samenvattend kunnen volgende bemerkingen worden gemaakt rond het ontslibben d.m.v. kleinschalig baggeren • Er zal door het opwoelen van het slib steeds een gedeelte slib achterblijven (mors). Op basis van gegevens van een gespecialiseerde aannemer kan dit worden geraamd op ca. 5 cm; • Het opgebaggerde slib kan eenvoudig worden verpompt door kunststofleidingen naar een depot in de omgeving. In het depot kan dan de ontwatering plaats vinden; • Een minimale waterdiepte (na baggeren) is noodzakelijk om het gebruik van een cutterzuiger toe te laten; • Begroeiing (pitrus, wilgenopslag,…) moet klassiek verwijderd worden en kan niet mee gebaggerd worden. Vermoedelijk is in de begroeide zones de waterdiepte ook de beperkt om te kunnen baggeren. Droog/klassiek grondverzet (vb. door het gedeeltelijk legen van een ven) is aanvullend noodzakelijk; • De kostprijs van kleinschalig baggerwerk is op basis van literatuurgegevens gelijkaardig aan de kostprijs van droog grondverzet; • Er zijn slechts een beperkt aantal aannemers beschikbaar die deze werken kunnen uitvoeren (zeer specialistisch). Op basis van voorliggende gegevens is door de verschillende betrokkenen een voorkeur uitgesproken voor werken in den droge. Dit gedeelte over ontslibben in de natte kan dan ook als louter informatief worden bekeken. Milieuhygiënische kwaliteit Op dit moment is de milieuhygiënische kwaliteit van het slib in de vennen nog onvoldoende bekend. De impact van de milieuhygiënische kwaliteit van het slib op de uitvoering van de werken is zeer groot. Zo kunnen de afzetmogelijkheden van het slib pas bekeken worden als de kwaliteit bekend is. Dit zal sterk kostprijsbepalend zijn (transportkosten, kosten voor overname eventueel vervuild slib, ontwatering slib,...) Of het slib wordt ingedeeld binnen het Vlarea of het Vlarebo heeft een belangrijke impact op vereiste analyseresultaten. Eventueel dient op basis van de analyseresultaten in overleg met een bodembeheersorganisatie een technisch verslag opgemaakt te worden. Ontwatering slib De randvoorwaarden voor het ontwateren van het ven en het slib worden best zo snel mogelijk vastgelegd zodat de aannemer deze mee kan opnemen in zijn prijsberekening. De meest eenvoudige oplossing is een ontwatering op een depot in de nabijheid van het ven. Na ontwatering kan geopteerd worden om het aanwezige slib alsnog naar een andere locatie te transporteren. De akker ten NW van de Grote Klotteraard kan hiervoor worden ingeschakeld, daar deze later wordt afgegraven/afgedekt. Om deze akker hiervoor in te schakelen, dienen rond de akker dijkjes te worden aangelegd zodat het volume te stockeren slib in de buffer ca. 3 maal het volume van het in situ slib is. Op deze akker is voorzien om de oppervlakkige de bodem af te graven en af te voeren. Dit wordt best pas uitgevoerd nadat het slib op de akker is verwijderd. Indien het slib op relatief kwetsbare akkers wordt gestockeerd, moet ten allen tijde uitloging naar de onderliggende bodem worden vermeden. Dit kan door enerzijds de termijn van ontwateren te beperken, en anderzijds ervoor te zorgen dat de gestockeerde gronden niet volledig uitdrogen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 104 -

29 augustus 2008


Eventueel kan, als er geen locatie voor een tijdelijk depot beschikbaar is, of als het slib te verontreinigd is om in depot te ontwateren, een mobiele mechanische ontwateringsinstallatie worden ingeschakeld (vb. zeefbandpers). De kosten hiervan zijn een veelvoud van de kosten van ontwatering op een lokaal depot. Uitvoeringswijze graafwerken De grote lijnen van uitvoeringswijze van de graafwerken dient (o.a. om een correcte prijsvergelijking te kunnen maken) zo snel mogelijk vastgelegd te worden (gewenste uitvoeringswijze, verschillende zoneringen binnen het ven, vaste laadplaatsen aan/in het ven, ...). Bestemming slib De bestemming/ afzetlocatie voor het slib heeft een grote invloed op het verloop van het project. Een locatie in de onmiddellijke omgeving van het ven heeft voordelen naar kostprijs (transport) en hinder voor omgeving en omwonenden. Indien eventueel verontreiniging wordt aangetroffen in het slib zullen de afzetmogelijkheden beperkter zijn. Een bouwvergunning dient te worden aangevraagd om de desbetreffende terreinen definitief op te hogen. Daarnaast moeten op het ontvangende terrein eventueel een aantal ringdijkjes worden aangelegd om wegvloeien van het slib te voorkomen. Afrekening graafwerken Om een correcte afrekening mogelijk te maken wordt voorgesteld om een tegensprekelijke topografische opmeting te doen voor en na de werken (vb. met Flepos GPS). Op die manier kan de ontgraven hoeveelheid "vaste m³" slib bepaald worden en is een correcte afrekening van de vermoedelijke hoeveelheden (VH) mogelijk. Een afrekening met forfetaire hoeveelheden (FH) of een totaalprijs (TP) geeft, gezien de grote onzekerheid over de af te voeren hoeveelheden, een verhoogde kans op discusies bij afrekening van de werken. Ook de klassieke discussies over het watergehalte van het slib (en de bijbehorende invloed op de getransporteerde volumes) worden hiermee vermeden. Milieukundige begeleiding Om aannemers de mogelijkheid te geven een correcte prijs te kunnen opmaken, dient de opvolging van de werken duidelijk vastgelegd te worden. Bepaalt de aannemer meestal zelf de te ontslibben diepte? Of bepaalt de opdrachtgever dat zelf tijdens een permanente aanwezigheid op de werf? De permanente aanwezigheid van een "milieukundige begeleider" staat borg voor een correcte uitvoering, maar kan voor een (zeer beperkte) vertraging van de werken zorgen, die de aannemer moet kunnen inschatten bij zijn prijsvorming. Verwijderen toplagen en strooisellagen Voor de herprofilering van de landbouwgrond ten NW van Grote Klotteraard is een detailplan bijgevoegd, zie figuur 6.2. Onderstaande punten lopen hoofdzakelijk analoog aan het ontslibben van het ven: Milieuhygiënische kwaliteit Op dit moment is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem onbekend. Op basis van de analyseresultaten moet in overleg met een bodembeheersorganisatie een technisch verslag opgemaakt te worden.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 105 -

29 augustus 2008


Bestemming ontgraven grond De bestemming/afzetlocatie voor de ontgraven grond heeft een grote invloed op het verloop van het project. Een locatie in de onmiddellijke omgeving van het ven heeft voordelen naar kostprijs (transport) en hinder voor omgeving en omwonenden. Een bouwvergunning dient te worden aangevraagd om de desbetreffende terreinen definitief op te hogen. Bijkomend dient te worden opgemerkt dat het overdragen van overtollige gronden aan de aannemer zelden voordelig is, gezien de beperkte gebruiksmogelijkheden (veel organisch materiaal) van de toplagen. Een bestemming voor de gronden binnen het projectgebied valt te verkiezen. Afrekening graafwerken Om een correcte afrekening mogelijk te maken wordt voorgesteld om een tegensprekelijke topografische opmeting te doen voor en na de werken (vb. met Flepos GPS). Op die manier kan de ontgraven hoeveelheid "vaste mÂł" grond bepaald worden en is een correcte afrekening van de vermoedelijke hoeveelheden (VH) mogelijk. Een afrekening met forfetaire hoeveelheden (FH) of een totaalprijs (TP) geeft, gezien de grote onzekerheid over de af te voeren hoeveelheden, een verhoogde kans op discussies bij afrekening van de werken. Aanvullend bestaat hier de mogelijkheid om af te rekenen per ton (als vrachtwagens gewogen worden op een weegbrug), doch deze biedt weinig voordelen. Milieukundige begeleiding Om aannemers de mogelijkheid te geven een correcte prijs te kunnen opmaken, dient de opvolging werken duidelijk vastgelegd te worden. Bepaalt de aannemer meestal zelf de af te plaggen diepte? Of bepaalt de opdrachtgever dat zelf tijdens een permanente aanwezigheid op de werf? De permanente aanwezigheid van een "milieukundige begeleider" staat borg voor een correcte uitvoering, maar kan voor een (zeer beperkte) vertraging van de werken zorgen, die de aannemer moet kunnen inschatten bij zijn prijsvorming. Kappen bomen Om een correcte inschatting van kostprijs/afrekening van de te kappen bomen te maken valt het aan te bevelen de te kappen bomen te tellen en onder te verdelen in de dikteklasses uit het standaardbestek. Afrekening per stuk en per dikteklasse biedt het meeste voordelen t.o.v. een forfetaire afrekening of een afrekening per oppervlakte. Bekalken Gezien de grote variĂŤteit aan kalksoorten die beschikbaar zijn op de markt (met elk een eigen "rendement" dient de gewenste kalk zeer duidelijk omschreven te worden. Ook de gewenste uitvoeringswijze dient voldoende omschreven te worden, om een correcte prijsvergelijking te maken. Voorgesteld wordt om de kalk te verspreiden met een tractor en een strooitoestel. Het type kalk dient voldoende omschreven te worden om een correcte vergelijking mogelijk te maken. Voorgesteld wordt om het type kalk "dolokal korrels" of gelijkwaardig te gebruiken (mengsel korrels van 80% CaCO3 en 20% MgCO3). Voorgesteld wordt om 2 Ă 3 ton/ha te verspreiden. Dit kan eenvoudig met een tractor en een strooimachine. Moeilijk bereikbare plaatsen kunnen manueel worden bekalkt.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 106 -

29 augustus 2008


Dempen grachten Grachten die worden gedempt, dienen bovenaan gedempt te worden met voedselarm zand. Gezien het grote overschot op de grondbalans is het aangewezen de voedselarme gronden zo veel mogelijk binnen het projectgebied te recuperen van de overige graafwerken of bijkomend binnen het projectgebied te ontgraven.

6.2

Kostenraming In tabel 6.1 is de kostenraming weergegeven op basis van de actuele maatregelenpakketten. Alle prijzen zijn exclusief BTW. In de hier weergegeven raming is uitgegaan van beschikbaarheid van grond om slib op te deponeren, gelegen op 10 km van het betreffende ven. Hoe groter deze afstand, des te groter de eenheidsprijs. Het is dus van zeer groot belang, indien men prijzen wil drukken, om het slib te kunnen deponeren op gronden in de omgeving. Wat betreft de af te graven gronden, is zoals in het tussenrapport uitgegaan van 10 EUR per m続, wat betekent dat de grond voor de aannemer is. Ook hier is evenwel eenzelfde gedachtengang mogelijk als voor het slib. Uitzondering is het perceel ten noordwesten van de Grote Klotteraard, waar de afgegraven grond ter plaatse wordt verwerkt (zie figuur 6.1). Er is voorts van uitgegaan dat het slib en de grond vrij verwerkt mogen worden in type 2 bestemmingen. De eenheidsprijs voor het plaggen gaat uit van het achterlaten van het plagsel in of vlakbij het perceel in kwestie. Een gemiddelde diepte van 15 cm plaggen is aangenomen bij de kostenraming.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 107 -

29 augustus 2008


Tabel 6.1: Kostenraming van de maatregelen in de prioritaire vennen Geraamde

Geraamd

Geraamde

eenheidsprijs

subtotaal

Eenheid

hoeveelheid

(EUR)

(EUR)

inrichting werfwegen en laadplaatsen

-

-

-

10.000,00

stopzetten bemesting

ha

10

0,00

0,00

grachten dempen (afsteken vanaf rand)

m

350

8,00

2.800,00

voedselarme poelen uitgraven

3700

10,00

37.000,00

ontslibben (uitgraven + transport 10 km + afzet op akker)

21000

8,00

168.000,00

Maatregel Grote Klotteraard

poelen voor fauna creëren in oeverzone

1750

10,00

17.500,00

ontbossing (incl ruimen en ontstronken)

ha

5,25

7.950,00

41.737,50

18500

3,00

55.500,00

2000

10,00

20.000,00

9000

10,00

90.000,00

afgravingen: prioriteit 1: ten N-NW (verwerking ter plaatse) afgravingen: prioriteit 2: ten O (incl. overdracht aan aannemer) afgravingen: prioriteit 3: ten Z (incl. overdracht aan aannemer) Subtotaal Grote Klotteraard zonder afgravingen

277.037,50

Subtotaal Grote Klotteraard met 1e afgraving

332.537,50

Subtotaal Grote Klotteraard met alle afgravingen

442.537,50

Haverven inrichting werfwegen en laadplaatsen

-

-

-

stopzetten bemesting

ha

12

0,00

10.000,00 0,00

grachten dempen (afsteken vanaf rand)

m

550

8,00

4.400,00

ontslibben (uitgraven + transport 10 km + afzet op akker)

8000

8,00

64.000,00

ruimen strooisel broekbos

ha

2

850,00

1.700,00

plaggen depressie oosten van Bels Lijntje

ha

0,15

15.000,00

2.250,00

ontbossen thv Bels Lijntje

ha

0,2

7.950,00

1.590,00

Subtotaal Haverven

83.940,00

Peerdsven inrichting werfwegen en laadplaatsen

-

-

-

10.000,00

ontslibben (uitgraven + transport)

3800

10,00

38.000,00

ontbossing (incl ruimen en stronken affrezen)

ha

1,6

7.950,00

12.720,00

afplaggen

ha

1,6

15.000,00

24.000,00

Subtotaal Peerdsven

84.720,00

Eindtotaal (zonder afgravingen Grote Klotteraard)

445.697,50

Eindtotaal (met 1e afgraving Grote Klotteraard)

501.197,50

Eindtotaal (met alle afgravingen Grote Klotteraard)

611.197,50

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 108 -

29 augustus 2008


7

LITERATUURVERWIJZINGEN Andries, T. (2003) Vengebieden in de Kempen. Actions for oligo- mesotrophic aquatic habitats in the Kempen. Integraal beheersplan Turnhouts vennengebied. Natuurpunt, Mechelen. Anonymus (a). Lijst van libellen omgeving Turnhout Anonymus (b) Stad Turnhout - Actieplan Natuurlijke entiteiten (vervolg gemeentelijk natuurontwikkelingsplan) 2004-2009. Provinciaal instituut voor hygiëne, Antwerpen. Anonymus (2004) Natuurinrichtingsproject Turnhouts Projectuitvoeringsplan - 2. Rapport. Vlaamse Landmaatschappij.

vennengebied-west.

Arts, G.H.P. (2000) Natuurlijke levensgemeenschappen van de Nederlandse binnenwateren deel 13, Vennen. Achtergronddocument bij het “Handboek Natuurdoeltypen in Nederland”. Expertisecentrum LNV, Ministerie van landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Ede-Wageningen. Bauwens, D. & Claus, K. (1996) Verspreiding van amfibieën en reptielen in Vlaanderen. De Wielewaal, Turnhout. Bobbink, R., Hornung, M., Roelofs, J.G.M., 1998. The effects of air-borne nitrogen pollutants on species diversity in natural and semi-natural European vegetation. Journal of Ecology 86: 717-738. Bonte, D., Vandomme, V., Muylaert, J. & Bosmans, R. (2001) Een gedocumenteerde Rode Lijst van de water- en oppervlaktewantsen van Vlaanderen. Universiteit Gent, Gent. Bobbink, R., S. de Goeij, J. Vogels & P. Verbeek, 2007. Wetenschappelijke onderbouwing van de beheergerichte maatregelen in het gebied Hoeverheide (Kamp van Beverlo). Onderzoekcentrum B-ware, Bureau Natuurbalans & Stichting Bargerveen, in opdracht van Vlaamse Overheid, Agentschap voor Natuur en Bos. Brouwer, E., 2001. Restoration of Atlantic softwater lakes and perspectives for characteristic macrophytes. PhD thesis, Katholieke Universiteit Nijmegen, Nijmegen, 133 pp. De Knijf G. (2006) De Rode Lijst van de libellen in Vlaanderen. In: De Knijf G., Anselin A., Goffart P. & Tailly M. (eds.) De libellen (Odonata) van België: verspreiding - evolutie - habitats. Libellenwerkgroep Gomphus ism Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. 241-257. De Louw, P., Boeye, D., Van der Aa, M., Vanderhaeghe, F., Stuurman, R., 2000. Ecohydrologische systeemanalyse van het Turnhouts Vennengebied - Deel 2: Actuele en gewenste grond- en oppervlaktewatersituatie. Studierapport in opdracht van AMINAL Afd. Natuur, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 109 -

29 augustus 2008


Gijseghem, D. van., L. Lauwers, A. Sanders, S. Lenders, M.Dumortier & S. Overloop. Milieu- en natuurrapport Vlaanderen. MIRA achtergronddocument 2003. Vlaamse Milieu Maatschappij. Haskoning Belgium 2004. Grondwatermodellering en MER in het kader van de hervergunning van de winningen te Turnhout en Beerse. Lamers, L., E. Lucassen, A. Smolders & J. Roelofs 2005. Nieuwe natte natuur; fosfaat als adder onder het gras. H2O 17: 28-30. Nijboer, R.C. & Verdonschot, P.F.M. (red.) (2001) Zeldzaamheid van de macrofauna van de Nederlandse binnenwateren. Themanummer 19, Werkgroep Ecologisch Waterbeheer/Alterra, Wageningen. RAAP Archeologisch Adviesbureau BV, 2003. Natuurinrichtingsproject Turnhouts Vennengebied-West; archeologische beleidsadvieskaart. Rapport in opdracht van AMINAL â&#x20AC;&#x201C; Afdeling Natuur, Buitendienst Antwerpen en Vlaamse Landmaatschappij, Provinciale Afdeling Herentals. Rommens, W., Vanstraelen, T., Van Assche, J., 2000. Zaadbankstudie in het Turnhouts Vennengebied-West. Katholieke Universiteit Leuven, Laboratorium voor Plantenecologie. Studierapport in opdracht van AMINAL Afd. Natuur & Vlaamse Landmaatschappij. Smolders, A.J.P., L.P.M. Lamers, M. Moonen, K. Zwaga & J.G.M. Roelofs 2001. Controlling phosphate release from phosphate-enriched sediments by adding various iron compounds. Biogeochemistry 54: 219-228. Van Avermaet P., van Hooste H., Overloop S., 2006. MIRA 2006. Milieurapport Vlaanderen, Achtergronddocument 2006, Verzuring, Van Avermaet P., van Hooste H., Overloop S., Vlaamse Milieumaatschappij, www.milieurapport.be Van den Borre J. (2004) VBWG-excursie: Turnhouts Vennengebied, 4 september 2004. Van Kleef, H.H., W.C.E.P. Verberk, R.S.E.W. Leuven, H. Esselink, G. van der Velde & G.A. van Duinen (2006) Biological traits successfully predict the effects of restoration management on macroinvertebrates in shallow softwater lakes. Hydrobiologia 565 201216. Vanderhaeghe, F., 2000. Historisch-ecologische studie van de vegetatie van Turnhoutse vennen. Licentiaatsscriptie, Universiteit Gent, 265 pp. (online: http://hdl.handle.net/1854/5892) VLM i.s.m. AMINAL Afdeling Natuur, 1999. Natuurinrichtingsproject Turnhouts Vennengebied - West. Onderzoek naar de haalbaarheid. Rapport VLM - AMINAL Afdeling Natuur, 95 pp., kaarten, tabellen.

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech - 110 -

29 augustus 2008


Bijlage 1: Chemische gegevens water

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Bijlage 2: Plantensoortenlijst

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Agrostis canina

moerasstruisgras

Eleocharis multicaulis

veelstengelige waterbies

Pohlia bulbifera

Bolletjes-peermoes

Agrostis capillaris

Gewoon struisgras

Eleocharis palustris

Waterbies

Pohlia nutans

Gewoon peermos

Agrostis stolonifera

Fioringras

Epilobium species

Basterdwederik (G)

Polygonum hydropiper

Waterpeper

Alnus glutinosa

Zwarte els

Erica tetralix

Gewone dophei

Polygonum persicaria

Perzikkruid

Alnus species

Els (G)

Eriophorum angustifolium

Veenpluis

Polygonum species

Duizendknoop (G)

Betula pendula

Ruwe berk

Eupatorium cannabinum

Koninginnekruid

Populus tremula

Ratelpopulier

Betula pubescens

Zachte berk

Fossombronia species

Goudkorrelmos (G)

Potamogeton polygonifoliu

Duizendknoopfonteinkruid

Betula species

Berk (G)

Galium palustre

Moeraswalstro

Quercus robur

Zomereik

Bidens connata

Smal tandzaad

Glyceria fluitans

Mannagras

Ranunculus flammula

Egelboterbloem

Bidens frondosa

Zwart tandzaad

Glyceria nota s. declina

Getand vlotgras

Ranunculus ololeucos

witte waterranonkel

Bidens species

Tandzaad (G)

Gnaphalium uliginosum

Moerasdroogbloem

Rhamnus frangula

Sporkehout

Calliergon cordifolium

Hartbladig nerf-puntmos

Gymnocolea inflata

Broedkelkje

Rhynchospora alba

Witte snavelbies

Calliergonella cuspidata

Gewoon puntmos

Hydrocotyle vulgaris

Waternavel

Riccia fluitans

Gewoon watervorkje

Callitriche hamulata

Haaksterrekroos

Hypericum elodes

moerashertshooi

Rorippa amphibia

Gele waterkers

Callitriche platycarpa

Gewoon sterrekroos

Hypochaeris radicata

Gewoon biggekruid

Rumex species

Zuring (G)

Callitriche species

Sterrekroos (G)

Juncus acutiflorus

Veldrus

Salix aurita

Geoorde wilg

Callitriche stagnalis

Gevleugeld sterrekroos

Juncus bulbosus

knolrus s.l.

Salix cinerea

Grauwe wilg

Calluna vulgaris

Struikhei

Juncus conglomeratus

Biezeknoppen

Salix repens

Kruipwilg

Calypogeia fissa

Moerasbuidelmos

Juncus effusus

pitrus

Salix species

Wilg (G)

Cardamine pratensis

Pinksterbloem

Lemna minor

Klein kroos

Salix x multinervis

Geoorde wilg x Grauwe wil

Carex canescens

Zompzegge

Lemna species

Eendekroos (G)

Salix x reichardtii

Boswilg x Grauwe wilg

Carex pseudocyperus

Hoge cyperzegge

Littorella uniflora

oeverkruid

Scirpus fluitans

vlottende bies

Carex species

Zegge (G)

Lobelia dortmanna

waterlobelia

Solanum dulcamara

Bitterzoet

Cephalozia bicuspidata

Gewoon maanmos

Luronium natans

Drijvende waterweegbree

Sparganium angustifolium

Drijvende egelskop

Cephaloziella species

Draadmos (G)

Lycopus europaeus

Wolfspoot

Sparganium natans

Kleinste egelskop

Chamerion angustifolium

Wilgeroosje

Lysimachia nummularia

Penningkruid

Sphagnum cuspidatum

Waterveenmos

Cirsium palustre

Kale jonker

Lysimachia vulgaris

Grote wederik

Sphagnum denticulatum

Geoord veenmos

Deschampsia setacea

Moerassmele

Lythrum portula

Waterpostelein

Sphagnum palustre

Gewoon veenmos

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Nederlandse naam

Dicranella species

Pluisjesmos (G)

Lythrum salicaria

Grote kattenstaart

Taraxacum species

Paardebloem (G)

Drepanocladus aduncus

Gewoon sikkelmos

Molinia caerulea

Pijpestrootje

Utricularia australis

Loos blaasjeskruid

Drepanocladus fluitans

Ven-sikkelmos

Osmunda regalis

Koningsvaren

Utricularia minor

Klein blaasjeskruid

Drosera intermedia

Kleine zonnedauw

Phragmites australis

riet

Utricularia species

Blaasjeskruid (G)

Drosera rotundifolia

Ronde zonnedauw

Pinus sylvestris

Grove den

Elatine hexandra

Gesteeld glaskroos

Dryopteris carthusiana

Smalle stekelvaren

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -2-

29 augustus 2008


Bijlage 3: Watermacrofauna in het Turnhouts Vennengebied

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


5 6 ** " ! @ @ * < * 5 6 7 5 C6 D5 6 + * +0 E 5 4 6 5 5 C6 C *6 ,C * ,C * <

/

, # #

%

# # + ' &

* "

' & A

# # 0

# # 6

0

" #$ % ? C * 0 < 45 # 49C 6 *)5 6 5 6 # & 9 9 9 ' # @E

*60

5 6

'$ ?0 0 C ?0 0 C *6 ?0 0 C *5 ?5 5 * 5 @6 @6 @6 *@ * @ C *@ C * @ C 5 @5 * C 5C * 5 6 7 5 6 - * 7 5 6 * * * + *6C ** * 55 / *"# # 0 6 *6 C * 5 C * *5 C * 5 5 *5 5 5 -* * 5 5 < 0 5 5 * C * 5 6 * , 5 6 *) C * " . ) C *-

(

( % %

# ( ) #$ > 5 ** > 5 > C 5 6 " + 5 + 5 / * 5 5 5 0 0 )*6C

%

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

%

817131/R2c/FVH/Mech -2-

29 augustus 2008


5 6 ** " ? C

E

' ? @

# E 5 C 9*

@C

% 5

* * C DC 5

/

5

(

' A " & & "

*

5 5 5< #

%

5

5 95 5 9 5 5 5 #5 C# 5 5

5 5 /*5 / 5 , , , , ,

, -

< #

.' ' ' * ' * '

A & '

%

'

' 5 6 * ' 0

" *

(

C# * '

<

C#

(

' % A *5 -& ' @* 6 6 # @C 0 # @C *6 * 5 # 7 5 6 5 5 7 5 6 5 6 * *6 5 # 5 6 * 5 C 0 # 5* C C *6 * C * C6 5*6 C * C 6 C * * C * 0 C 5 C E DC0 # +5 5*6 * 5 / 5 5 86 ,5 *5 #

( %

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -3-

29 augustus 2008


5 6 ** " ! ? 9 * @ @ * < * 5 6 D5 6 + C + * + C6 C *6 ,C * ,C * ,C * < ,C *

/

, ". 0 # #

+ )

( * '

& A A ,

# #

* # # * # # # # 6 0 6 0 6

0

" #$ % ? C 9 5 ? C * < 6C *? C * *5 * *55 5 * ) 05 )5 6 5 6 # & 9 9 9 '$ ?0 ?0 ?0 @6 @6 @6 @6 @ 7 7

0 0 0

( *60

%

C C *6 C *5 -

%

% ( <* -

5

-

** 5 6 - * 5 6 * * * + *6C *5 * 5 6 * * 55 4 65 C* 5 C* C* *5 C* 5 5 *5 5 5 # -5 6 5 5 < 0 5 5 * C * , 5 6 *) C* * 5 ) C *B

( %

%

( %

%

# ( ) #$ ? 0 ? 5 " C *5 C C*6 5 ** + 5 + #

? C ' ? @

E

%

5

# E 5 C9*

(

( 5

* % 6C # , > ' ,*6 *5 -

(

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -4-

29 augustus 2008


+%$ @

5 6 ** " % *

/

% @ 5 9* @ 9* 5 C# @C 5 *

& "* ' "' ' .' A " & * & ' " ' ' ' A * & ' " ' ' * ' .'

0 #5* * 5 95 * 5 9 60 C# DC5 5 5 #5 C# 5 5 5 5 , , , , ,

5 5< #

< #

, -

(

%

C#

( * '

<

C#

' % ? 0 0* ? 0 5 # A A * 5 A *5 -& ' @ C0 #5 @C0 @C*6 * 5 # 7 5 6 # # 7 5 6 5 5 7 5 6 5 6 * 7 5 6 5 * #5 * *5 ' 5 6 * 5 C 5 6 5 C C*6 * C * * C * *0 5 C * 5 C * 0 C 5 * C 5 C E DC0 # +5 5*6 * 5 / 5 5 86 / ! * 86

#

%

%

(

%

0

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -5-

29 augustus 2008


5 6 ** " ! @ * < * 5 6 D5 6 + * + C6 C *6 ,C * ,C * < " #$ % 5 * )5 6 5 6 & 9 9 9

/

, -

+ ' & A

* # # * # # # # 6 0

#

*60

' # @ 9 '$ ?0 0 C ?0 0 C * 5 5 -@6 *@ C *@ C 5 7 5 6 - * * * * + *6C *5 6 5 * * 55 C * 05 C * 5 C * *5 C * 5 5 *5 ) C *$ * * *B

%

(

(

(

# ( ) #$ ? 5 " + 5

( (

0 *

5

? C ' ? @

E

5

# E 5 C9*

%

% 5

* % 6C # , > ' ,*6 *5 +%$ @

(

% *

%

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -6-

29 augustus 2008


5 6 ** " % @ 9* 5 C# @C 5 * C 5 DC 5 5 5 5 5 5 05 /*5 / 5 5 / 5 0E , 5 , 5 , , , < C#

/

, ' '

" ' .' * ' ' ' ' * , "' * 5 6 * ' 0 B' 0

(

% & * '

' % ? 0 5 @ 05 @* 6 6 C 5 # 7 5 6 5 5 5 6 * 5 *6 E C 5 # C C *6 * C * C * 5 C * * 86 / ! * 86 ,5 *5 #

(

" C 5

0

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech -7-

29 augustus 2008


Figuren

Advies venherstel Turnhouts Vennengebied Definitief eindrapport

817131/R2c/FVH/Mech 29 augustus 2008


l

   



   

$ %&   '

#+

$ %&   ')( # 

 

* +  % + -,% . 

 

 

!"#

m

Ÿ ¡ž¡  ¡ ¢ £¤ ¥ž¥B¦ ¦  §' ¦ ¨©£¤  ¡ ´ £±²­ ¤ £¤ ¦ ­ ®©¯B¤ ¬ ­ °¡ «ž ±²­  µ³ž ¡ Ÿªž«ž o¬ ¦ ­ ®©¯©¤ ¬ ­ °¡ «ž ±²­  ž³ž ¡

>? 9 ; @ = E4? 9 2;43 ? M2:<258M"12;<2;2M8M2;2M AB3 CD ;629 = |8}202;43 9 ;2M2521<? ;~083 ? C83 ? 9 5 ? 32<8;2M272;83 ~89 ; @ >843 M272C829 ~€;2M2M2;2M2:8;2 ? ;21 /02143 568729 :8;<2;83 = €‚8ƒ„? … ~2… †…'‡"ˆ L LB3 C8M2=

PNQ V^ O T_ P fR `Q g RQhSi V gO Wj P Pak gPT bk U g V V W S V U O W Pc deX R Yc fZ f [ R^ O WY \Q YR Q Y \ V \ T Q ] ]

ž529 †= —2˜8™ š2›8™ —2š2š2œ F8G H2I8I8J K

nmomqpmomsrtu t v&w E86272585 @ = xey z8{8{8{8{

‰Š‹Š  ŒŽŠŠ ‘ ’

¶ · ¸ ¹ º » ¼ » ½¾ ¿ À ½ ¼ Á Â8Ã Ä Ã · ¶ · » ¸ Å ¼Æ ¹ Ç È ¼ ¿ ¸&É Ê É Ê ÊeÍο Ï Ð ¿ À ¿ » Ñ Ò ¿ À Ó Ô Õ Ë ÌÌ Ñ Ê Ó Ö ×ÎØ Ê × Ù × Ù Ñ Ú · Û Ó Ô Õ Ì Ñ Ê Ó Ö ×ÎØ Ê × Ù × Ü ¼ » Ú º Ý Ð · ¸ ¹ º » ¼ » ½ Þ Ã ¿ Å Å Å Þ È º ß · À Ð · ¸ ¹ º » ¼ » ½ Þ Ï º  “”•–




 4'

1

35! 4 231

65&

_





 5  6

;



`

 

ÿ





 

 '



5  7



il vwh }~n~ xji hijgf ~€~ noy hglhk ‚‚ hz non nm g{| ohpjkm {}} j vt sqr o ijgittq lu nqq iu

ÿ







%&





 0

ú

û

ú ÷þ !

ÿÿ

þþ

;

"

("*-

,$

.3





:





)

9





8





ûÿÿ

" .0

.0

./

("*-

,$

+ *

 ()

ÿÿ

'

 

# $ "!" & %

û

ú ÷ý !

ûÿ

   !"

 

 



*+

( ' ' ) '

%&

ú ÷

÷ý

LK8EM 898>878=8^87R;878:876

.0

./

*+

2 (1



 

ú

÷þ

     

 





 







 

  

û

ú ÷ü !

ÿ

÷

ú

֟

ûÿ







0

%

ÿ







)













)



/.  



ú ûÿ





 

 

 

÷ùøö

ôõ

,

"

e

e

e

cd

ba

$



#

-   













!

 

 





 

 



§§ §ª

¦§ 8¨§

Ü èÊË

Ü çÊç Û

å

å

å

‰ ˆ„

§§­ ª

§§«

¦ ¨8¦ §

‹ ‘ ¨8¦ §



·

å

8¨¦ § ¨8¦ § §§­ §§¬ ª ¦¦ 8¨¦¦ § 8¨§ § §§­ §­ª

·

Ü ÊçÈ Ü Êæ Ü Êß Û Êß Û ÛÝ Ûæ Ê Üß Ü Êçç Ü ÊçÈ Ü Êæ æ Ý

å

§§¬

8¨¦ § §« ¦ 8¨¦ §



´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´

´

å

å

å

§«

8¨¦ § ©ª ¦ 8¨¦ §

´

œ

¤¥

£ ¢

› ž¡

š

Ÿ

š ž

š

› ™š

„‹

‰”˜ †„

– †„

…



‰‹

—

”” •

´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´´ ´ ´ · ´

Ü ËÊ Ü ÊÝ Û ÊÝ Ü Êà Ü ÊÊ Ûà Ûæ Ê Ûà Ûß Êß Ü ÊË Ü Ýæ ÊÝ Ü Êà à à

å

C]8:8=8=> < 877 < 87> \ @ ? < 8>87= < 878;87: 89876 [ RV8MM I N 8DZYX BW RJ8MV CKP Q D LF BU P S 8JDT8G8D8SRQOPD N M KL8DJ I B GHD 8F8ED CB4 A









)

  



û

ú ÷ù !

ó å

„‹

„‹‹

Š

„…

”‹ ’“

„

‰†

‹ Ž„ ‘



… †‘

 Ž„

Œ

´ ´ ´ ´´ ´

´ ´

¾

á

äÙ

âã

Ö ¿Õ

» ½¾

Ä

¿

Ä¼Ä ¿

Ä Ô»

ÂÂ

· ´

†‡ ˆŠ „‹

„‰ ˆ„

… ƒ„

Ü Ëà

Ü ÊÈ ÛË

Þ È

Ûß Ü

È ß

ÛÈ

Þ

±

°¯

®¯ ²³

´ ´ ´ A ´ ´ ´ ´ ´ ´

Ë

Ü ÈÊ

Ü

Þ ÜÚ Û ÝÈ

Þ

Ý

ÛÚ Ü8Ú

Þ

× ØÙ

Ö

Ö ¿Õ

» ½¾

Ô»

Ó ¿» Ò ÅÆ

´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´

ÏÐ ÍÎ

ÉÇ Ì ÊÊ

Ñ

·

ÅÆ

´

´

Ñ

òÍ

ÏÐññ ð

Æï

ÏÇ

ÏÐ ÍÎ

Ä

ü ÁÂ

À»

´ ´ ´ ´ ´

îí

ì

ëê

êé

´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´

¿

¼ ¿¿

» ½¾

¼» º»

´

´ ´ ´

´

´

´

´ ´ ´ ´ ´· · ´ !´´ ´ ´ ´ ´ · ´ ´ · ´ ·´ · ´ ´ ´ · ´ · ´ ´ ´ · ´ ´ ´ ´ ´ · ´ ´ ´ ·· ´ ´ · · ´ ´ ´ ´´ ´ ´ · ´· ´ ´ · · · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ · ·

´

ÏÐ ÍÎ

É8ÇÈ Ì ÊË

Ñ

·· ´ · ·· ´ ·

´

·

·

´

´

·

·· · ·· ´· · · · · · ´ · ´ · · · ´ ´´´ ´ ´ ´ · ´´ ´ · ´ · ´ · · · ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´· ´ · · ´ · · ´ ´ ´ ´´ ´ · ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ¹ ´ ´ ¶ ´ ´ · ´´ · ´ ´ ´ · · ´ ´· · ´ ´ ´ ´ ´ ´ · ´ · · · ´ · · · · · ´ ´ ´ · ´ · · · · ´ · · ´´ ´ · · · · · · · ·´ · ´ ´ · ´ ¸ ´ ´ ´ ´ · · ´ · · ´ · ´ ´ · ·´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ · · · ´ · · · · · · · · · · · · ´ ·· · · · · · · · · · ´ · ´ ´ ´ · · · · · · ´ ´ · · ´ ´ ´ ´ · ´ ´ ´ ´ ´ · · · · ´ · · · · · · · ´ · · · · · · ·´ · · · · ´ · · · · ´ ´ ´· · ·· · · · ´ ·· ´ · ´ ´ ´ · · · ´ · · · · ´ ´ · ´ · · · ´ ´ · ´ · · · · · · ´ · ·´ · · · ´ · ´ ´ · · · · ´ · · ´ · ´ · · · · · · · · ´ · ´ · · · · · · · · · ´ ´ · · · · ´· · · ´ · ´ · ·· · · · ·· · ´ · · ´ ´ · · · · · · · · · · · ´ ´ ´ · · · · · · ´ ´ ··· · ´ ´ ´ · · · · · · ´ ´ ´ ·· ´ ´ ´ ´ ´ ´ · · · ·´ · · ·· ´ ´ · ´ ·· · ´ · ´ ´ ´ · ´· ´ · · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´´ ´ ´ ´´ ´ · ´ ´ ´ ´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ · ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´µ · ´ ´ ´ · · ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´´´ ´ ´ ´ · ´ · · · ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ · ´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ · ´· ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ( ·´ ´ ´´ · ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ P

··

´

´

· ·

· ·

·

·

´ · ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´

·

´· ´ ´ ´

·

·

·

· ·

·

·

´

´

·

´

´

··

´

·

·

´·

´ · ´

´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´· ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´´ ´ ´ ´ ´ ´ ´ ´

·

·

´

´

´

··

´ ´

·

´ ´

·

·

´´

´

´ ´

´

´´


&%$  $

 

 

 '( )) )*

!"#  

³¼ Á«š ž Ÿ¼ ½š¶ µ š› £² š› ¿² ·³­¯¸¹ºµ À ž ž œŸ À žž  œŸ ¹»­ ± ¹¾ ¥ ¢¦ <;:9

¨À

¨¨

TYWhi SabUc ilmimkj TY RSTURSQ i ZdSe WV YZYRfg YXV fhha ZS[U^UX\] _ TUR ` ZWY\ ` T_T\

L

HI

IK J

E

GE

E

FE

E

ƒ

ƒ ~„

Š

‡‡ “

&10   1 2  1   !3   

$/ 

ƒˆ

‹Œ

‹‡‡

š› ™ ž œ ·¯³­ ® ¯­¬ ¨ž›š ™ ž   Ÿ ¸¹ºµ °­ ©Ÿ ¤¢ £¡Ÿ ¹»­»¹ ¢±¢ ² «¢› ªœŸ ¥ ¢ž £ ¬­ §š ¦¦ D C BC > A > ?@ > =

¢¶ ³´£µ

Š …~

˜

‡‚ ‰… ƒˆ

‹Œ

8

$  

2  



7  

 

  2

2

 56     



 ˆ‡

„‡

€ „„†

‚ƒ „…





 



 

ƒƒŠ ~

„

† „…‰

†

4

MN

 

 P 

OPP

, +)   , -) (  )).



 





  

 



€€ ~



x}

| z{

y wx

uv Œ „•

”

–—

‘’



Ž

Ž







qr t

no so

p

o




/210./-

ž´ ‘ ’ – ¯ Ž ¥ Ž ²¥ ³ ‘‘“ ’ ³ ‘‘“  ¤˜ ’ •™

³›

››

UZXij TbcVd jjlk UZ STUVSTR jmnn [eTf XW Z[ZSgh ZYW giib [T\V_VY]^ ` UVS a [XZ] a U`U]





° ¦¯¨©ª • ¦§¨©ª– ¢¨«¬¦ ¢¦ ¨«¬ ­ ¬®¬± ­ ¬®¬®

&' 



 





 

‘‘“ 

Ž Œ









(

(

MN

OP   QQ 

     







 

 

 %    ) 

     

*

  ) %  % 

>= 9< 545;: 9 5458547 56543

    +,  

      %  

 !  %

      ) 

 



  %

¡ ¢Ÿ ‘Ž› Œ “ ’ • ”–  £ •¤ ž•Ž ’œ’ —˜ ’ ••‘ ¥– Ÿ  š ™™ CD5BA 56545;5:5@54?85457543

#$ # % #

!"

L

IK

IJ

E

E

H

E

E

G

E

E

F

E

w}

x ‰

Št‹

xv y

| ˆu

‚v}

‡… „w

xv y

tu

~ xv y

…

†v y

ƒ „…

v

‚x‚

w

v €z

v ~

x z} y

|u

v{ yz

vwx

o

q

o

o

o

o

o

pp

r

s

r

p


L 

       



   

  

 

 



     

          

    



  

  



 

 



 

MON M MQP M MSRUT V T W X



·¹¸»º¹¸¹¼»½¹¾ 

¬ ­ ® ¯ ° ± ® ² ­ ³ ¬­ ® ¯ ¯ ´ µ µ ­ ³ ¶­ ³ ³ ­ ³

!  "  #  ! " d`   .   # $ %   ] ^      .    !  _`  ! $  !   !    .    _   " a  .  $ a  _ b  . .  .   c !             b e fg! h _ h dh i j - $ . 

1/2 ?7 0 @5 1 3F A2 G 32H4 I 7 0G 8 J1 1BK 1G5 CK 6 G 7 8 4 7 6 0 8 1D E 9 3 :D F; < F 3? 0 8 : = 2 :3 2 : = 7 = 5 2 >

‚   a d | } ~} ~€ } }  ' () * * + ,

&     " Y Z[ \ \ \ \ kSlm

nopo r qsqoot v uw

ƒ „ … † ‡ ˆ ‰ˆ Š ‹ Œ  Š ‰Ž   ‘  „ ƒ „ ˆ … ’ ‰“ † ” • ‰ Œ … – — – — — š Œ › œ Œ Œ ˆ  ž Œ  Ÿ ¡ ˜ ™™  — Ÿ ¢ £ ¤ — £ ¥ £ ¥ ¦„ § Ÿ   ¡ ™ — Ÿ ¢ £ ¤ — £ ¥ £ ¨ ‰ˆ ¦ ‡ © œ „ … † ‡ ˆ ‰ˆ Š ª  Œ ’ ’ ’ ª • ‡ « „  œ „ … † ‡ ˆ ‰ ˆ Š ª › ‡  xyz{


¨°«§¨®« ¶ª°« ¨ ¯ ª ÿ ÄÀÂÁ ¦¥žœ¤ ¯ª²°¹º¨¬±«²± ©¯³¨«§²«¹®§« ž £Ÿ¡Ÿ¡¢œ ¯«´¨²«° ©ª²´¨±­ ›Ÿœ ¼º ¼«

> ? @ ? A B C ? D EF G HI> ? E@ ? A J C ? D JK L M H NOP Q F àRÔßá S T UPæçÙÜÕ R VC ÝìÜØW J ? X õçóJ C óøçõ@ Y7àÙÜÚ ú Zß×ë M [ \ Ù ë ä Ö å Ö Ø × Ú Ø ú Ù Þ ã Ö × Ý ï ô ò ï ô ò ó ê Û Ü ì Õ Ô í ç í ç ç Ú æ ù ì é Õ Ô é é Õ â ñ Ý Ø è ñ Ó Ô b]` acd    )'(% & 5576 ÙÖÓØ×ÔÕ ïíÝîðÜ ïíöðÔ÷ öÙ×Ø å×ûâ ú _ ]^   9=<9;8 ::  ! hsifgoipqrt kpmun|zf{  ,$ ] $   .  lnjfgkeij mxynhwmguv }€k|}~

,$    , - $ $  #34    $     $  ,$   1 , 22 $  /   * +     -0 # 

ÈÅ ÆËÉÊÆÇ ƒ ‚

™ š˜—– ±§«¨®«§°

Ì ÍÊ  "





“‘’ ˆ‹

Ž ŠˆŠˆ • – ‰„‡Š‹Œˆ†… ª»¯»§°¹«°¹

ÆËÊÆÇ

”‰‡ˆ…ˆ

È ÍÇ ÐÑÒ ÆÇÏ

¨ ® Ð Æ « Ï © ² ª µ Î ¸ º ¹ ÿ ÄÀÂÁ ·¶³³°«±§° ª¯°¹º ¶ª¯³ª«°¹±«½´ ª»§ Ç ¦¥žœ¤£Ÿ¡ ³¯«´­«°¨±²«®§¨ µ ©³¯¯«¬¨°º«¹º½°¨ ¯³ª¨«°¨²±¨´§«¹ ¯»¯°¹«°¹±§«¨®±² Ÿž ›¡¢œŸœ ©ª«­¬§¨ ª³³«´°½¨´± ¶»¯©ª´«¾ ©ª·©«®¨¹² ¼¼¼¼



©¯ª°¹º ª¸·¶³¹º°« ÿ ÄÀÂÁ ¦¥žœ¤Ÿ¡£ ³¨¬«´«­¨±² ª¯±¨«°¹º¨¬± ³©« ž ›Ÿ¡¢œŸœ ¼¯°«º° ¼¯ª«²±«´² ¼¯ª§¹¹º°´¬






¸½

ž´ ‘ ’ °© ¦¯¨ – ¯ ª Ž ¥ Ž ²¥ ¬­¦ ¢«¨ ³ ‘‘“ ’ ³ ‘‘“  ¬  ¤˜ ’ ¬± •™ ® RQPO

³›

››

ru†‡ q€s w‡Š‹ r pqrso ‡‹‰‡ˆ wx‚qƒ pqut wxwp„… wqysvt „†† x|svz{ } rsp ~ xuwz ~ }rz

)

3; :2

Ñ

·¾ À

¶ ¼½

»

8' 0&

+/ 72 GH '92 : )

DE% DF D-

ABC 56

·ÇÆ

Å ¹½ ȼ

·Ä



‘‘“ 

Ž Œ

¿Ã

 ¿ÀÁ

½

¾¶ ¼½

» ¹º

·¸ µ¶

ª ¡ ‘ Œ ’ ­¬¢¦ ¨« ¢ Ÿ£  Ž› œ’ “• –” ¬¬  •¤ ž•Ž ’ —˜ ’ ®® ••‘ –¥ Ÿ  š ™™ a n Um Y j Y Tl W T V T S

•© §¦–¨

¶ ¼½

»º ¼½

Ê

É »Æ À

½¶

¾¾

 

N

,; $ KL 2 6' 3' 12 3, 0 2; &' / 4& & + ) F' 7 ;; A '9 % '; F6 8' 23 % 2 ' M% + %& 2% 7 ';9 '0 2 F &' (

ÏÐ

Î

ÍÌ

ËÌ

"#

!! 

F &'

&' &&' 7

./ () ÕÖ Ù

ÖØ ×

Ò

Ó

Ó

Ú

Ò

k V Y Y Xj i XY h gY f be d c ab ` _ ^ ] \ [ XZ T Y XY T W T UV T S

+ 0+

> =< &, *+ > ?< <? -) ?@

+2

2+

3 J(

3 I2

;9 ; &'

()

C 3; ' $%& 2 2,6 ; 'F 7

'' 1

';

Ù

ÖØ ×

ÕÖ

Ò

Ò

Ô

Ò

Ó

Ò

























  







 







    













 



 









































 























 








š ›™˜— –—       

0

            

  

  

ˆ‡…ˆ‚ƒ†‚†‰ …‘ˆ“‚‚ƒ†’‰ Ž‚ „€‚ƒ ŒŽ …•ˆ‚ƒ† ƒŠ‹ Š”

K L M N L O P Q RS T U ©¢ª§¨ ¯°¢¬Ÿ­¥ž® ¦µ¥¡´ ¼¾° K L RM¼Á°¾L N V©¢ŸP¥¡£ ÃQ W X¢Ÿ ¨´¡£  ÃY Z ¦ ½ ¼ » ¸ ½ ¼ » ¸ ³ ° ¤ ¥ ž  µ ° ° ¶ ¯ ¶ £  ž  ² ² ² µ « ž º ¦ º œ ¡  ± ¢   ¿ ¡ ¢ ¸ ¦ ¹ ¸ ¹ Ÿ   ¡ ¥ À  · ¶ !& 6534 EBDC œž ¶¿  Ä®« à )'( IJFIFG HH *+./-, !9 fqgdemgnopjlr inkslzxdy v h k  i e d 2    2= $9 ;2 1 cgh wlfkuest {~iz{|} ! 2(9  2 :29($  @A<)9 ?? #  <$2 %"$ 78 2(  :> 1$2 `[^_ab ] [\ [


œ

œ

œ

œ

œ

œ

  

2543120

œ

œ

œ

œ

œ

¾ ÏпÑÒ

'





   *+  

 

&% ('

')

¹ºº¼ ¸

¶· µ

    )

 %

  ,











)



     

 

)

 





./

›

œ







’…… ˆ‹ ™ ‰ …‡ ‹Š‹ „ ‘ Œ• šˆ –

‰

Œ„ „ƒ …‰  … ‡” ‹ Ž— Œ ˜…  Ž Š˜ ŽŠ  ‹‰— „ …” ‘

—

$

 

 

    ! "#  !





 -

,   - 

­

ª¬

ª«

§§

©

¨§

§

­

ª¬

¯®

®

ª«

§§

©

¨§

§

°® ÓËÏÉ Ê ËÉÈ ·¶º µ ¼ » ÑÔÕ ÌÉ Ä Å» ¾ÀÁ ½¿» ±² ÖÉÕÕ ¾Í¾ ΠǾ· Ƹ» à  ±³´ × ¿ º ¾ ÈÉ ¶ Â Ú × 6 C`8:8=8=_ < 8^= < 8]= \[VR8MM NI8DZYX W B RJ8MV CKPQD FLU B PS8JTD8G8D8SRQPO ND M LK8DJ BIGHD 8F8ED CB3 A@ <? 8>8== < 878;87: 89876 LK8EM 898>8=8=8b87R;878:87a

Ü ¹ÝÄ º »Ø ¶Ù ÏØÑÒ ¶¿ ¹ Ó ¶· Î ¶· ÛÎ ËÉÏÔÕÑ ¹ºº¼ ¸ ¹º ¸ » Ü Í¹Á Ü º¼ » ÖÉÕÕ× ¾Â

ÄÇÄ

fkiz{ estgu {{}| fk defgdec {~ lvew ih klkdxy kemgjh xzzs lpgjno q fgd r likn r fqfn

œ

¢ ž ¥Ÿ ž ¥ ž ¡ ž ¥ ž  ž ¥ ž ›£ £ ¥› ¢£ ›¡ £ ›

œ

 ¥¦ £¤ ¡£   ž8 ž ›¡ ž ¥ ž   ž ž £ ž Ÿ ¤ ¤› £  ¥  ¢¡ ›

œ

Ž‰ … ƒ„ …  …† ‡ Š“ ‹… ‰ˆ… „ ‡ ŠŽ Š‹… …†† Œ Š‹’ Œ Ž…  ‘ ”• ˆŽ ˆ – ‰ „ ‹‘ ‡ …‡ ’…… ‰ Ž … ˆ 4

€

€

€

€

€ 

‚












ij

fg

gh

ec

dc

c





./

..

 ,-

'









+ " )! * & * !

§’ ´­¦ “ Ÿ Ì °Í

£™ž ¯ ™ Ÿ °

’

“ ¯Ÿ

™“  Ÿ

™™

’—ž™™

§’ ´



 











676 5  &! 8 6  '  9: (! ) 

+4 $%

‘ ‘ › › › §™   ˝“ ” šŸ

§’ ´­¦ “ Ÿ Î °Í

“

£“š“

¢ ™š ¨

—“ µ

Ê

Ãò





































































÷ø ö ú÷ ûú ü ÷ ÿ ÷û ö ûýúû ùü ø ýÿ þ ø÷ûú ù ø÷ ýû ü úûûý ùü ÿÿ øÿ üùü ü ú ÿ ÿû ÷ bU a HI H`MM HJHK G FEDC

rwu†‡ q€sr pqrso ‡Š‹‡‹‰ˆ wx‚ pqut ‡ qƒxw wv wp„…„† xqystv } |sz{ ~ xuwz ~ rsp}rz

 Ÿ¦

£ž ­

““ž µ

¶Ž £™ž™ Ÿ ¶Ž —“ µ ‘ “ ‘ ¢ ™š ¨ ’“ ›   ’ ““š ’ ” ž‘— –Ÿ § ¯¨¯ £“™   ’• œ ’ ¨” ’’• “  Ÿ §“ ´¨ŸŸ ™  Ÿ —™š –˜ “ ¯Ÿ ™™  ¨Ÿ ’‘ ¬ª«  ’  §§• ¸·Ÿ¨ ® ›‘—’ £™ž™ ¯Ÿ “§  ¹ ™  Ÿ¦   ±   Ÿ¨Ÿ ›• œ· § ¡ ž“§  Ÿ ““  ¨ ™¸ ‘“ – ‘ ˜˜ “ž“ “™  Ÿ ¢¡

B



 

\LM]L^MMJ_

kl  nmn  n  

Y

M

7

3

3

D

B

?

3

Z

7

3

L3

3

;

83

3

D

;

3

7

3

7

;

:

<

<

4

6

=

4

< 6

<

<

6

4X

:

96

O

C

C

C

C

C

C

C

C

C

D

D

3

D

B

7

7

3

D

;

?

D

;

;

?

;

B

?

K

;

L

D

B

K

8

7

;

L

7

;

M L

;

D

B

7

3

K3

3

<

<

<

Q

Q

P

6

:

6

:

6

A

4

6

=

N

=

J

½ ¾¿

¼»

º»

>

;

?

7

;

3

3

7

;

8

7

3

3

/

<

4

=

6

9:

56

5

4

2

1

G

C

C

>

D

;

?

D

;

;

?

;

B

?

8

7

3

3

7

3

;

?

7

;

3

3

7

;

8

7

3

3

/

<

<

<

6

:

6

:

6

A

56

5

4

2

@1

4

=

6

9:

56

5

4

2

01

M [ Z Y XV W RSTUV Q OP HLN HLMM HK J HI G

1 0.  1 .2-  ..3

!  % ?@ "! # " =!  ' +   *"  !       8  *  " >  2 &( ! ;; * +   ! ; 8 * %! & * *' "!   A   .  .<  & !(  * !8  

áÙØ Ü ÙÛ Ù ààÞ

â æÞç

—™ µ —™ µ § ´Ÿ¨ “› “› • ™§“ Ÿ  °ô  °ô £“ž ¢ §— ôô ôô “ Ë Ÿ  Ÿ±Í Íõ

ó ó

Ç ð êé è ÃÉ Â ìë ñ Ùã å ÛØ äàÞ ÙÓ ß ÐÑÒ Ï Ê êí î áÙÑØ ÖÙ ÙÖ Õà ÐÓ ï ÙÛ áãÑ áÑÙØ Ð ÔÕ à ÙØ Ù Ö Ô áÙÛ àÞ ÙÛ à ÛÙ ààÞ Ð×ÓÓ ØÑÙ áÙ àÞ áÛ ÖØ ÝÖâ ÛØÑ ØÙÑ ÖÙÛ Ú Ù à Ù ÝÖâ Õ Ù ÕÚ ÝÖâÙ Ù à ÓÛ ÛãÙ Õ Ù àÕÚ Ù ÕÚ Ý×ÙØ Ü Ñ à ãÛ Ûã Õ Þ Ñ ÙÑ Õ ÙÑ à Ñà Ñ

Áà À šž © ŒŽ šž © ŒŽ ¥ž ¤ ŽŒ ÁÇ ÆÄÅ §’ Ÿ  §’  Ÿ ‘ ‘§ ¦ ‘ ÈÃÁÁÉ ’‘™ ‘ ’‘™  ¥§“  ¨  ™ Ÿ ’“ ” ™ Ÿ ’“ ” £š ¨ ’“ ” Ê ª«¬¬­ ’’• ª«¬¬­ ’’• ™ž Ÿ ’’• ¢ ’ ® —™š –˜ ¢ ’ ® —™š –˜ ’“šž —™š –˜ £™ž ¯  £™ž ¯  ©  ™ Ÿ ›• œ ™ Ÿ ›• œ §’’‘  Ÿ ›• œ ²  ± ‘“ –˜ ²¥   ± ‘“‘ –˜ ™™ Ÿ ‘“‘ –˜ §“ž ¦ ‘“ž ˜ —’‘ Ÿ “ž ˜ ¬ª«­ “ž ˜ —™š –˜ ““™  Ÿ ˜ ““™  Ÿ ¢ ’ ® ““™  Ÿ ¢¡ ¢¡ ¢¡ › £™ž™ Ÿ £ž™™ Ÿ £™ž™ ¯Ÿ £ž™™ Ÿ ’——³ “   “     ° ›“   › › ¥ž  ¤¦ ¥ž  ¤¦   §‘ §‘ ¥§“  ¨ ¥§“  ¨ £šž ¨ £š™ž ¨ ™Ÿ Ÿ ’“ ’“  

F

>

;

?

7

;

3

3

7

;

8

7

3

3

<

E

4

=

6

9:

56

5

4

2

1

GH

F

>

;

?

7

;

3

3

7

;

8

7

3

3

<

E

H

4

=

6

9:

56

5

4

2

1

H

0

F

>

;

?

7

;

3

3

7

;

8

7

3

3

<

E

4

=

6

9:

56

5

4

2

1

I

H

H

(

$

#

"

)

!)

!

!)

!

!

'

!

!%

!

!

.

+

*

&

&



-

,-

W

U

TS

S

V

R





 

 

























   







 

     

   







^

cc ]

\

\

\

[


¥ ‚ ƒ ~‡  ~ – ~ £– ¤ ‚‚„ €ƒ ¤ ‚‚„ € •‰ ƒ †Š A@?>

Œ¤

ŒŒ

chfwx bpqdr x{|x|zy ch abcdab` x isbt fe hihauv hge uwwp ibjdmdgkl n cda o ifhk o cnck



)* +,

++



$



~¡š — ™ › ž“—‘™œ ¢‘ Ÿ

' # '

(  &

± Ó ±­ Ý ² ® ® ®³ ´¹ ¼® º º ­¼® ±²¯ Ô ® ®­  ±² Ï´¹ °° Ê ° ¹ ­ ʺ ­³° ® Õ ¶®° ´ ±® ®­ ®± ¾ ®­ ®± µ ¿¶ ¶³ · ¶® ¸ ¶· ·

 °Í  Î ´¹ Èà ·¯ ¶°® ºË´ ±¯ ® ° µ¶ ´

= ~ }



  " :;   '        '  5 #% ' (   ' 5" '$    <    # %  '   5  342  # 35  3  $ 67 % & 

(1 !"

‚ € ›“—‘ ’ “‘ ‚Œ~ } ‚„„ ƒ ž™œ ‘” ƒ † ‡… ‘ †• † €Žƒ ˆ‰ ƒ ŸŸ †‚† ‡– ‘ ‹~ ŠŠ R S DO I H H CJ F C E C B

†š ˜—‡™

° Î ´¹Í Èà ·¯ ¶®° ºË´ ±¯ ® ° µ¶ ô È ¯Ë ¶ ®±·³ Ç ® à ·± ¶ Ì´ ·Â± ´¶ º ¹ ²·°

±Û ±Û ¶¹ ¶¹ Å·· ´ Å·· ´ Á­® Á­® ·º ·º à ·¹ à ·¹ ¶®° ˺´ ¶®° ˺´ È ±·¯ È ±·¯ ® ® ­ Ú¶ ­ Ú¶ ¶®­³ ¶®­³ ·­ ·­ ² Ƕ ² Ƕ ¼®­ ºÛ °¾  ¼ ¹º ®° ¶·­ °· º · ´¹

° Í ± Û¹ ± Û¹ Î ´¹ ¶· ¶· È ·¯ ÅÁ·­ ´ ÅÁ·­ ´ ·® º ·® º à ·¹ à ·¹ ­ Ú¶ ±² Ï ´ ¶®­³ °³°­ ¹¹ ·­ ² ¶® à ­ Ƕ °® ´ È ¶­ Ú °Ç

 _ 

^__

 

¶®° ˺´ ±¯ ® ° µ¶ ô ±² Ï´ ° ¹¹ ­³° ¶®° ´ ® à ² Ƕ

·­

¶³®­

­ Ú¶

°²·

¹

´¶ º

¶®° ˺´ ±¯ ® ° µ¶ à ±´ ¶ ´Ì ·±

©ª« Ø

Z[

WX

XY

T

V

T

U

T

¶®° ˺´ Ù§ ±¯ ® ° µ¶ à ±´ ¶ ´Ì ·± ´¶ º¹ °²·

RN O O Q L NP NO L M L K J I H GH C F C DE C B

\]

. -+  . +/*  ++0

'

%

% 9





°¹ » ¯¹ ²´

±² Ï´

®

±®

°­ µ

®°

±®

­ ¾¹

¼® º

¹

±²® ¹

­®Â Ç

®

±²¯

Â

î

°Ä

$ (       / 88 8

±Û ° ¶ ¹ ® ܺ Å·· ´ ® ¾¹ Á­® ­® µ ·º Ô Ã · ¹ ³° ¹Æ ¶®° ˺´ ­°® ºº ±¯ α ´¹ ® ® ° µ¶ à ´ ±²° Ϲ´ ­ Ú¶ ¹ ³° ¶³®­ ¶­® ·­ ° ´ ² Ƕ ® ±²¼ µ °± ¹ ºÕ

© Ö× ¼®­ ºÛ ®¼­ ºÛ °¾ °¾   ¼ ¹º ¼ ¹º °® ®° ¶·­ º ¶·­ º ·° ·° ´ ´ °·° ¹´Ô · ¹¾Ô ° ²²Â° ± Ƕ ± Ƕ °± µ °± µ ºÕ º Õ

¼® º ¹Ò à °® ´´  °® Í » έ ´¹Ç ®Â ±²® ¹ ±Â ® ¼®­ ºÛ °¾  ¼ ¹º ®° ¶·­ º °· ·°° ´¹´Ô ° ± Ƕ °± µ ºÕ

¼® º ¼® º ­ Ĺº ¹Ò Ò¹ ² à °® ´´ à °® ´´ ¶°®± ´   ­¹ °® Í °® Í °² ´¸ » έ ¹´Ç » έ ¹´Ç ®Â ®Â ±²® ±²® ±Â ¹  ¹ ® ¼®­ ºÛ °¾  ¼ ¹º ®° ¶·­ º °· · ´¹Ô ²²Â° ¾ ± Ƕ °± µ ºÕ

×

¨ æäå ±² Ï´ °Â Ä ±² Ï ° ¹¹ à ® ²± º ³°­ ³ µ¹ ² ¶®° ´ ®° ¾º Á®®Â ® Î ´¹Í °® ºº » м®° º ­®Â Ç Á±®° ¹ º ±²® ¹ ÄÅ ¶®° ˺´  °·¼ ¹ ¼º ³ È ·¯± ®­·² ° ¾¹ ®° ±² º Á¶Â°­ ´ ® Î ´¹Í ¶ ¹º É·­ ¹ ·È ¯ ® ®­® ·±² º´ µ ® ® Á®Â ±²¯® °® º º¹ Á°±® ± ¿¶ ¶³ · ¶® ¸ ¶· · ¶¼ ´º ³° ¹ ¶ ´¹ ·

·¹

°¾

º

®­²³ Æ´

±Ï °Ñ ²± ¼ ²² º ® ´¹Ò ÂÊ Á®®Â ®±· ´ °® º ²® º ¹º Á±®° Á®Â°® º ÄÅ º¹ °·¼ ¹ Á±®° ³° ÄÅ ¹¾ Á¶Â°­ ´ °·¼³ ¹ °¾ É·­ ¹ Á¶­ ¹ ®­® ° ´ ®Â µ · ¹ ®· ´ ¼­® º ±² º Á­® ® µ Ю° À ¼® ´Ò¹ ®·±² ´º Â Ê Á® ®· ´ ®Â ±² º °® º ® º Á®Â Á°±® ¹ °® º º¹ ÄÅ Á±®° ·°³¼ ¹ ÄÅ ° ¾ ·° ¹ Á¶­ ¹ ¼³ ° ´ ° ¾¹ ¹ Á¶Â°­ ´ à ±·®­ Á ±· ¹ ­®® µ ®­ ± ¿¶ ÂÌ ³ ²· º ¶· ·³°± ¹ ¶® ¸ ± ¶· ° ¹ ±· ¼® º ®­Â Ì Á±®® º ²· º¹ ¶ ³°±· Ю®° ´ ±° ¹ º ­ ÄÅ º ¶¾ ­¼¯ ¶²° º´

°Ñ À ¼® ´¹Ò ®·±² ´º Â Ê Á® ®· ´ ®Â ±² º °® º ®­ º¹ ÂÌ Ã ®Æ ²· º¹ ²³®­ ´ ·³°± ° ¾ ± ·¹ °¹ » ° ¶¼ ´º ¼ º ¶³° ¹ ¼® º ±· ´¹ ± ® Ю® ³ ÄÅ ±® ²¯  ¹¹ ¶­· ÄÅ ® ·° ¹ ¶²¯° ¼³ ° ¾¹ ¶®· Á¶­Â° ´ ±² µ ¼°± ¹ ·¹ ɺ ­¼® ® ³ ÄÅ ¶²¯ ¶­·® ²¯° ¶® ·

°Ñ

º

¶¼ ´º ³° ¹ ¶ ´¹ ±· ® ³ ÄÅ ¶²¯ ¶­·® ²¯° ¶® ·µ ±²¼ °± ¹

·¹

°¾

Æ´ ²³®­

î

º¹

°® º

Á®Â

®· ´À ±² º ®

®° ´ ®·±² ´ºÀ  à ®° Á® ¼ º ®Â°® º  ¹ º ®· ´ Á°±® ¹ ±² º ± ® ¿¶ Á®Â ¶³ °® º · º¹ ¶® ¸ Á®°± ¶·· ®¼¯ ʹ °± ´ ºÒ Ю·° Ô ­° ·³ È ­¾ ¹Í³ ¶¯ ¶·°± ´¹º¸ ·Õ

­® Ó

° ³ ÄÅ ®· ´À ¯ ƹ´ ®· ´À · ÄÅ ¹ ®· ´À ¼ Ñ ²¶¯ ±² º ¶² ǹ ²± º °¼ ±² º ® ´¹Ò ® ® ³ ® ¶­·® Á®Â È ¼³ ¸ Á®Â ° ¾¹ Á® ±²¯ Ê ²¯° °® º ¯°­ °® º Á¶Â°­ ´ °® º ® ¶® ® º¹ Á­ ¹¸ ® º¹ ¹ ® º¹ Á®Â° º à · ¼ ¶² ´ ¼ à · ¼ ® º ¯ ƹ´ °® º °® º ³ ÄÅ °® º °±® ¹ ɼ ¶² ǹ ·±² ´µ ®· º¹ ·±² ´µ ¶²¯­· ·±² ´µ Á± ¿¶ ¼ ± È ³­¯° ¸ °±¼± ¹ ¼­ ¹µ °±¼± ¹ ¶®²¯° °±¼± ¹ ¶³ º ® º º · Á­ ¹´¸ ® ÄÅ ± ¿¶ ®± ¿¶ ¶®±· ®± ¿¶ ¶® ¸ ¶² · ¶³ ³ ® ³ ¶·± à ¼ °¼³ ¹ ·® ¸ ¶· ¯ ƹ ¶· ·® ± ˹µ ° ¾¹ ¶¶· ¶® ¸ ¶² ´Ç¹ ¶® ¸ ­ ÄÅ º ® Á¶ ±· ¶· ¶· ¶ ¾ · °­ ´ ¼ È ·¯ ¹ ®® º¹ à · ÄÅ È ³¯°­ ¸ à · ­¼¯² à · · ·° ¹ º ­¼­® ¼³ Á­ ¹´¸ ¶° ´ ° ¶®Â ¹ Á¶ ¾¹ ¶²¼ ­® º ­Â° ´ ¶± ʹ à · ¹ ® µ ³ ÄÅ ¶²¯ ¶­·® ²¯° ¶®± ·®

± ­¬ Ю° ° Ñ ¯°±® º ¼® ´¹Ò ®­²³ Æ´ ²±¯ Ê °²³ ´ ° ¾ ® µ¶ · · ¹ Á®Â°® º ¶°± ´¹º¸ ¶¼ ´º º¹ ³° ¹ ·» ¶ ´¹ ®¼® º °¼ º à ·­ Á­ ¼ Â Ì ­®·¯ ½®­ º ²· º¹ ® ¹ ®® ·³°± ±® µ ­·¯° ± ¿¶ ² °± ¹ ¶³ µ¹ ® ·® ¸ ·³± ¾ ­ ÄÅ º ¶ ®® ¶ ¾ ¶··» ¯ ± ¿¶ ¯­¼ ±² ´ ¶³ ¶²° º´ à ® ¶·® ¸ ¶· ·» ¯ ²´





± Ï ° ͳ ° Ï ²± ­° ¾ °± º ²² º Á­ ¬ ®° Á­·­® ¼ º ·¯ ®¯°± Á°±­ ¬ ® ¹µ °²³ ­® ¬ ´ ®¯°± ®¯°± · µ¶ ¶ ´¸ ³°² ´ °²³ °± ¹º ´ µ¶ µ¶ · ¶·°± ´¹º¸ ¶·°± ´¸ Á¼®­ º ¹º ­® · · ·¯® ¹ à ®µ ³ µ¹ ®³ ¾º´¶ ­· º ® Á·°± ®­²³ Æ´ °¾ ·¹ ¶¼ ´º ³° ¹ ¶ ´¹ ·

§

ª«©

¨© ¦§

éêê ëììí

¹

à ±ê ²¯ ¶Ð®± ¹

®

±¼

°

± è¯

ç

á

àß

Þß âã









 





 


£ €  |… ž |} ” }| ¡” ¢ €€‚ ~ ¢ €€‚ ~ “‡  „ˆ @?>=

Š¢

ŠŠ

afduv `nobp vyzvzxw af _`ab_`^ v gq`r dc fgf_st fec suun g`hbkbeij l ab_ m gdfi m alai

§ ¦­ Ó

§¨ å

¨å

©ª­«



'  %

¨ ÃÁ Â

ª­«

À­

¨ ¦Á Â

() *+

**



#

|Ÿ˜ •ž— ™ ›œ‘•—š ››  

& " & 

Ð­Æ ÂÑ

ÁÆÆ

« ÏÈ Ð­Æ ÂÑ

ÁÆÆ

« ÏÈ

|} {

231  " 24  2  # 56 $ % 

'0 !



<

ª­«

À­

¨ ¦Á  ª­«

À­

¨ ¦Á Â

¨« È ¦Ó

©«¬ Ã

¨

Á ­

­§

ʨ



Z[

 ] 

\]]

 

- ,*  - *.)  **/

¶ ¦ÏÖ

ÂÈ

¨« à ¦Ó

« ËÁ

Ǩ

¨¨ ÎÂ

¨Æ ¦§

ÁÆ

¨

¬Æ ¦­ È

Ç

§¨

¬­

XY

UV

R

T

R

S

R

VW PL M M O J LN LM J K J I H A G FG B E B CD B A

&

&

&

$

$ 8 # '   $     &   & )* 4   *7   

Î Ä ¨ ÃÁ Â Ä ¨ ÃÁ  « ¦­ «© ÔÂÈ ÁÆ Å ¨ ¦§ ¨ È ¥ ÂÈ Ê¨ Ç« ÂÁ ­« ­§ ¦È Á ­ ƨ© «© ÔÂÈ ¨ ¨È ¤§ ¨Ê È

í

­È

¨ì ­ ¦Ö

  ! 9:   &        &  4 "$ & '   & 4! &#    ;    " $  &   4 

 







   

Ä Æ ¦§ È Ä Æ ¦§ È Ä Æ ¦§ È ­§Ê ÉÁ «© ÔÈ ¨ ¦Á À­ ÁÆ ¨Ê È ª  § ¨­ ­« Ä ©§ ËÁ §Á ­ Ä ¨ ÃÁ Â Ò É ¨ ÉÁ §Á ­§Ê ¨ ˧ ÁÆ § © ËÁ §

Ð­Æ ÂÑ

ÁÆÆ

« ÏÈ

€ ~ ™‘•  ‘Ž €}Š| { €‚‚  œ›—š ’ ‹ „ …ƒ ›› „“ „} ~Œ †‡   „€„ …” Ž ‰| ˆˆ P Q CM A G G BH E B D B A

„˜ –•…—

Òª

Ê ÂÈ ÒÄ ª ¦Î

§­

¥Æ ÂÈ

¨Ø

¥Æ ÂÈ

¨Ø « æ­

ݹ¼

Ü»

õ ¹½

¨« à ¦Ó

« ËÁ

Ç

ÂÈ

¨« à ¦Ó

« ËÁ

Ǩ

¨¨ ÎÂ

ÁÆ

¨ Î

ÂÖÈ ¨« à ¦Ó

« ËÁ

Ç

©¨©

ÁÆ

¨ ¨Æ ¦§

¦ÏÖ

¨Æ ¦§

Ç

§¨ ¬Æ ¦­ È

¦ÏÖ

¬­

¬Æ ¦­ È

Ç

§¨

¬­

¬­ ¬­ ¦ÏÖ Ä ¦äÈ Ä ¦Èä ¨§ ¨ ­  ¨ ­ Â Ç Ç­ Ç­ ¬Æ ¦­ È ¨ Õ ¨¥ ØÂÈ Õ ¨¥ ØÈ ÁÆ ¨Æ ¦§ Ë­ Ë­ ÂÖÈ Ç§©­ ǧ©­ Î «È «È ©¨© Ç­« Ç­«

¬­

½

¾Û êë ¦

Æ©©

­ ¦ÈÂ

Ç­¨

æ­

¨Æ ¦§

ÁÆ

¨ ÂÈ

§¨ È

Á¨ Â

Ê ¦§ éÈ

­«

Á¨ ÙÂÈ «Æ ¦

Æ ÃÁ

©Ê¨ Â

¨«

­ª è§

óô ¶Û

½¾

¶¹¸

©Æ Âí

¬­

Á

ÊÈ

­§

Ъ ç

¨Ô Ѩ« ¦

¦ À­

Òª

¥Æ ÂÈ

¨Ø

­«

Òª

¨Æ ¦Á Â

¨ ¦á

¬­

¨

Á ­

­§

ʨ

¨È

©« ÔÂÈ

¨à ¬­ Â Ä Ç­ Èäå Ê ÃÖÈ Ê ÖÃÈ ¦­ ¦­ ¨ Ø ¨ Ø Õ ¥ ÂÈ Õ ¥ ÂÈ Ë­ Ë­ ǧ ǧ ©­« È ©­« È Ç Ç ¬­Æ ¦ ¬­Æ ¦ © ©©§ ©§« ¦­ « ¦­ Á Á È Ç­Æ ¦È Ç­Æ ¦ ©  « ¦­ ©« ¦­ Â Ñ Ñ­ ­Ç­ Ç­¨ ¨­ ¦¦È ¦ ­ ¦È Ѩ« Ѩ« Í Á« Á«Ê Í ÊÁÆ ÁÆ ­ ­ ÁÆ Ù ÁÆ Ù ÁÆ ÁÆ ¨ã

¦ È

©ª­«

§ í

§

­­

È

¨Ç  Æâ§

ÑÁ

¨È

¬¨Ê Ö

ÆÐ à

¨«

­Ñ ¦È

Ç­¨

Ñ­

­

«© Ô «©© ¦ ¦

ÆÐ à ­Æ Þ È ¬¨Ê Ö ©« ¦­  ¨ È Ñ­ æÁ Ç­ ¨Ç  ¨ ¦¦ Ƨ È ­Ñ È ­« «¨

« ¦­

ÆÐ à Ъ ç ­Ê ¤Â È ­ ©Ö ¬¨Ê Ö Ê§Á È ¨Æ§ ¨ È ¬­ È ÑÁ  ¬Á ©  ǨÆâ§ Â Æ Ã­ ʨÁ ¦È È Ä Æ È ­­ Ñ­ § §Æ í§ ª§ ­È Ç­Æ Ã ©Â

¨«

­Ñ ¦È

Ç­¨

Ñ­

­

«© Ô «©© ¦

Æ­ Þ ÊÐ à Æ­ Þ ©« ¦­  ©ªÁÆ ©« ¦­  ѭ ­Á Ñ­ Ç­¨ §©ª¨ Ç­¨ ¦ ¦ ­ ¦È Ä ­ÁÆ ­ ¦È Ѩ« ¤ª ¬­ Á«Ê Í © ÈÂ Æ ¦¨  ÁÆ Á ËÈ © à ­ Ò ¬Ê «¬¨ È ÁÆ Ù ª¨ Ù « ÁÆ §Ñ « ¦­ È ©§Á Ù ÆÐ à Ä ¬¨ È ¬ ÊÖ À «Æ Èí ¨Ñ È Æ Á Ò ª ¨ÇƧ  ÄÈ

Þ ¶ ÊÐ à Æ­ ß ©ªÁÆ ©«  ¦­ ­Á Ñ­ § Ç­ ©ª¨ ¨ ¦ ­ÁÆ ­ ¦È ­« ¬­ ¤ª È Æ ¦¨  ©Á ÂËÈ © à «¬ È Ò ¬Ê Ù ¨« ª¨ « ¦­ §Ñ Á« Í È ©§Á ÂÙ ÊÁÆ ¬ ­ ÁÆ Ù Ä ÁÆ ÆÐ à ¨Ê¬ ÈÖ ¨È ÑÁ ¨Â Ä ÇƧ È

ݹ

Û¶¹Ü Ú

Òª

¥Æ ÂÈ

¨Ø

¦Á

¦Ö

È

ÁÆ

ÆÁ Ù

­

ÁÆ

Ê

Á« Í

¬­«

¨Ã

ªÈ

ÁÆ

¬Ê

Á

«Ç

ت

¨

¬­

Ç

©­« È

ǧ

Ë­

¨Õ È

©« ÔÂÈ

«­ ת

¦Á

¦Ö

È

ÁÆ

Ê

Á« Í

¬­«

¨Ã

ªÈ

ÁÆ

¬Ê

Á

«Ç

ت

¨

¬­

Ç

©­« È

ǧ

Ë­

¨Õ È

©« ÔÂÈ

«­ ת

ÁÆ

ËÁ

ÆÆ© ÂË

ÃÏÖ

¨Æ ¦§

ÁÆ

¨ ÂÈ

¬Æ ¦­ È

Ç

§¨

­È

ª§

§Æ

Ñ­ ¦

¬­

Ç

È

©­« È

ǧ

Ë­

¨Õ È

©« ÔÂÈ

¥ ÂÈ

¦­

¨ ¦§

¦ ʨ ¤§ È

¬­

Ç

È

©­« È

ǧ

Ë­

¨Õ È

©« ÔÂÈ ª­«

À­

¨ ¦Á Â

Ä ¨ ÃÁ Â Ð­Æ ÂÑ « Å ÁÆ Ä Æ ¦§ È Ç ÂÁ À­ « ¦ ¦Á¨ Â Ä Æ¨© È Æ ÒÄ ª ÉÁ ­§Ê ­§Ê ÉÁ ÁÆ ÁÆ §© § § ËÁ © ËÁ §Ó ¬­ ¦ «© ÔÂÈ ¨È ª ©­« Â

ÁÆÆ

« ÎÏÈ

ÌÍÂ

Æ© Ë º

¶¹

¾ µ¶

¶¿

½¾

¶¹¼

¶»

¶¶¹

¶ ¤¥ ¬­«

©ª«¨

¨ ¦§

°®¯¯

¶·¸ ´ ³µ ±²

òñ

ð

ïî

îí




= > ? > @ A B @ CD E FG= > C? > @ H B > HI J Kñêåòïð L M ÷øêçõNíæö O F PQRîýíéü S T øUB V H Bø W HX Bñêçíéëè ? YZ êèðüë[ \ ] c^a bde  ) 9 îìêçäëíéèåæ ôäåéæó ÷øûú ù þøúîþÿí þøúþå ýêåæèé çîýèéåæöèó `   &( ' 687 ^_ $< ^   #$.: ;;   itjghpjqrsu lqnvo}{g|

 ,   ,  o m



$0#  -

$%"# kghlfjk nyzoixnhvw ~‚l}~€ /.  ,  ! ,    45  3 

    !     *+     2!1 , 3   !  ÝËÑÒÌÇ ÜËÑÚÛÒÇÎÌÌ × ËÑÑÒÒÐÓÎ ËÑÑËÒÐÎÇ ÇÐÏÍÉ ØÙÖ ÌÆÉ × Ê ÍÎÏÆÉÆ ÎÃÄ ŠÆÉÆÇÈ ¿ ½ã ÊËÊ ÌÉÆÆÉ ËÑÒÌÉÎÐÞ Á¿ ½À½ ÔÕ âÀ½á Å ÆÇÈ ÎÓ ¼ ½¾ ß à ­©«¬ª Ÿž ˜’ ¡ žž ˜˜‘ —— ’œ’Ž Ÿ¨ ¦™ ­ •  § › ’ ‘ § « ž š ” » º © ª ¹ ˜ š ³ ´²°± žž ¸ •— Ž˜™– §§Ÿ ™¢Ž’ Ÿ§ Ž˜ «ª«¬ ’ ¯ ° ·¶ ’Ž¦– ¡ “ ‘Ž‘’ ” ¥Ÿ£ ¦¤¤ Ÿž¥ Ž’šŽ ªŸž ‘’Ž šµ ’˜– Š‰Šˆ „ Œ‹ ŽŽ Ÿž š’˜¢ •Œ—® ˜™– ¥Ÿ ˜š’’ †ƒ „‡„… «


















































'( )*

))



"



&  $ % ! %

€r– s t o’‹ ˆ‘Š ox r‘ Œ po ‡ po ”‡ Žˆ‚„Š • srsu qt • rssu q Ž‚ †rz t Ž“ w{  A@?>

}}

TYWhi SabUc ilmimkj TY RSTURSQ i ZdSe WV YZYRfg YXV fhha ZS[U^UX\] _ TUR ` ZWY\ ` T_T\

èé

åæ

æç

äš

ãš

š

½¡Ÿ

§¾

¦ ¥ ͦ¿

¥Ã Í

&/

rs q Œ„ˆ‚ ƒ „‚ sp}o n suu t ŽŠ ‚… t~ w xv ŽŽ‚ w† €wp qt yz t  wsw x‡ ‚ |o {{ L K IJ H G G CF E C D C B

op n



Ë ÖÊ» Ë ÖÊ» ¡ ¡ Ʀ Ʀ §½ ¡ §½ ¡ ¡¥ ÍÌ ¡¥ ÍÌ ¾À ¾À ½½ Ö¦¦ ½½ Ö¦¦ Ÿ Ÿ §ž ͦǿ §ž ͦǿ Ÿ Ÿ ˾À ÊÄ Ë¾À ÊÄ ÆÌ ÆÌ Ë¥½¥ Ë¥½¥ Ç Ç ¥À Í ¥À Í ¡Ÿ ÙÍ ¡Ÿ ÙÍ Ì Ì ž¥ ͦ ž¥ ͦ ¡ ÛÚ ¡ ÛÚ  ž¡  ž¡ ¡ ¡ Ç Ç ŸÈ ŸÈ ÐÑÑÏ ÐÑÑÏ ¤ ¦Ó ¤ Ë ¦Ó ɟ  Ç žÆŸ ¦ ¡¾ ¦  ¡ Ç ½   ¡¡ Ç ÉŸžÆ ¦ Ÿ ËÆ Û Ç ½¥ §¡¾ §Æ ¥¡ Ÿ §¡¾ ž  ž ¡¦ Ì Æ ÊË ¡ Ʀ §½ ¡ ¡¥ Í Ì ¾

120  ! 13  1  " 45 # $ 

ŸÈ

Ç

Æ¡½ ¦

ÉÆ¥

ŸÕ

ž¥

žŸ ¦ ŸÀ Ä

˝

w‹ ‰ˆxŠ

¾ž½

¾ Ǧ

Æ¥

ÎÃ

Ö»

ž¥ Ç

¥Ã¡

Ÿ Ç

¥Õ

ɞŸ

Ÿ ÔÇ

´

·â

=

  :;   %        %  3 !# % &   % 3 %"    <    ! #  %   3 

°¹

µ

°µ¶ ´

³ ­¯´

°

° ­¯±²



Æ ¡

¡œ

ÇÍ

§ Ö× §¾ §Æ Ǧ¿ ½¥ §¾¾ ØØ ¾ Í

ž¾

Ÿ¡Æ ¦

ɧ ÍÃ

˽¥¡

Ì ¥Æ

É¥ Ç ¥ ËƟ ÍÊ

É

¡

%

Æ

3

9

MN

 P 

OPP

 

, +)  , )-(  )).

8 &    "   %     8     66  6 ! %  ( 3   ))7

É

¡¥

¡ŸÀ ¦

¥ž Ôͦ Ç

ž

¡ Í

ÐÑÑ

ÐÑÑÒ

§¡¾ Ç ž¾

Ʀ

Ÿ ̦

Æ ¡

¡

žÑ

§¾ ¿ §

º¼» §ž §½¡¾













ý

ÿû











ÿ ýü þ û ÿ ÿ ÿý ÿ þ





























































































ùþ ú þ üý þü þ ýÿ þ þ ü þÿ þ ý þ ÿ ý ÿ ý ú ý ý þ ÿ ý þú





þ ù û üý ý



úý

ùÿ

Ó

Ǧ ¾À §½ Í ÂÁ Ÿ § Ç ŸÃž À Ä §  ½¡ ÂÁ À ¡ ÄÁ §¡½ ½  ¡Æ ÂÅ §¡½ ÂÅ ¡¦ ¡ Ç ¡Æ ¦ ŸÈ ¤ Ç ÐÑÑÏ Ÿ È ÍÓ ÉŸÆ žŸ ¦  ¡ Ç Ë ÇÊ ÆÌ Ë¥½¥ ¡Ç Í É§ Íà Ÿ¡Æ ¦ ¾ž Îà ƥ ¾ Ǧ ¾ ž½Ÿž ¦ Ÿ ÐÑÏ ÑÒ

žÌ

¡

§

ޟ Â

Á

º»





















³¹

µ ´

·¸

µ¶°¶ ´

³ ­¯´

°

ù





ýþ

ý 

ÿ 

ÿú



ÿ üý 





ý

ý









©ªª«

¦

¤£ ¥ž¡ ¦ §¨ž

þ üý

úû

øù û

ýÿ

ž ¢££

ž

Ÿ ¡

ž œ

ž œ Ÿ ¡

°® ­¯±² ¬

£

¢££

¬

ó

òó

öö÷

ôõ

ìò ññ

ð ïë

ì íî

ì êë

áà

ß

ÞÝ

ÝÜ

$

"

!

#







 











›

š

™š

˜

˜

—˜


Z[\Y  • © ¸ ˜ – — – ”• “ ’ ª › ¹’ • ¸£     ¸žš —–˜ – ”• “ ª’ · ´• – — ¶ ± ³ ± ²¥ ­°± «¥ § ¯ ® ­ µ «´’ ±³ ³ ± ¥ ² ­°± «¥ § ¯ ® ­ › š «¬ XV W – š › š ª © š ¨ ¥ ¥ ¤ ¦§ UST ¥ ¤ “ š £— ”¢ ¡ —   –“ ’ ‘ OQS R ž’ žŸ  —œ ˜ › š ™ ˜ – — – ”• “ ’ ‘ OPON 7 i i hfg f       

 

úIbI ùüIú õ û



úIbI ùüIú õ û





y xxm m umn k n vw zsxuurpy u €



kllpqroqsltn

}l~rsrk ‚…†‚†‚ „ o mrs | klmn 6 5 5



jmrp‚ƒ lz{n 5 43 2         / 01  / % . 0 .?I H GF E E E: D # C0 B 1         

   



  #;   /  / / 0 1 :   %  /  "   :    /  0 # #  #%  0 : #     /    98     &%  $

 

, + * * ) ('

 



/    #    :!/  /   /  A 0  @ 5 5 ? 4 / ?  > > >= < #      0  1   # "

 

M 5 5 4 K <L5 K 5 J !    

 

I ] ^

]

Œ   Œ Œ ‹I Š ‰ ‡ˆ

          

 Œ  Œ Œ ‹ I Š ‰ ‡ˆ

 Œ  Œ Œ ‹ I Š ‰ ‡ˆ

Ž Œ  Œ Œ ‹I Š ‰ ‡ˆ

Ê

   $ $  #     $       $ $  #      $  "#                                           !                                      (   '           &   % , / . - , *+)

 0          7  1   + 5        & 6    $ $  #                  &      %

 $ 1    8      !  &  6            5+ 4           3 2 1     &       $ 1  0   , / . : ;;</ / : * 9 L K K JG A+G BI H G F E+B D C AB @ ? =>

ú I I b ù cb ø ÷ L ÷ bc ö õ ô

ó   ò  ñ  ï  ð  ï î

Ó Å Ó Å Û Û ¿Ó Å Ø ¼ Å â Ô ¿ ¿ Ý Û Ä¿ Õ Ô½ ¿ Þ Õ ¿¾ Þ ¿ Ý ¿ Ã Ú Ä½ Ôļ Ãç é Ó Å Ó Å ÛÛ ¿Ó Å Ø ¼ Å  â ¿ à ռ ¿ Û ½ è Þ ¿ Ý ¿ Ã Ú Ä½ Ôļ Ãç ¾ Å Õ Þ¿ à » Ó Ã × Ø ¼ ë × ê Ú Ã ¼ Ò ½ × » Ö æ ½ ¿ Õ Ä¿ Þ ¿ å × Ø Å ¿ × Ø äÖ  Ú ¾ Å Õ ½ ÄÙ » Ó Å ? Ø ¾ Å ¼ Ò ½ × » Ö Ú Ó Å Ó Å ÛÛ  ¿ ÓÅؼÅã â á à ß Ô½ ÞÝ ¿ » » Þà ¿ Õ ½ Æ ¼ ¿ Ý Ã Ü Û Ã¼ ¿ Ò ¿ Õ Õ Ã Õ Â ¼ ¿ ÕÕ  ½ ¾ Ú ¾ Å Õ ½ ÄÙ » Ó Å 3 Ø ¾Å¼Ò½×» Ö ¼ ¿ Õ ÔÃ Ó ¿ Ò ¼ ¿ ¿ ¼ ½ Ñ Ù ¼ ¿ Õ Ô½ ¼ ¿ »  à ¼ ¿ ß ß Ô¿ ݾ ÔÄÅ ¿ » Þà » ½  Ó ¿ ļ Ô¿ ß Ô ¿ ¿ Å Õ ¼ ¿ Ý ¿ ¾ Å Õ ½ ÄÙ » Ó Å Ø3¾ Å ¼ Ò ½ × »  Ö ¼½ Ý ¼ ÕÕ¿ ½ç Ù ¼ ¿ Õ Ô½ ¼ ¿ » à ¼ ¿ ß ß Ô¿ Ý ¾ ÔÄÅ ¿ » Ã Þ » ½  Ó ¿Õ ÃÞ  Ò Òü  ¾ Å Õ ½ ÄÙ » Ó Å Ø3¾ Å ¼ Ò ½ × »  Ö ¼½ Ý ¼ ÕÕ¿ ½ç ¾ Å Õ ½ ÄÙ » Ó Å 3 Ø ¾Å¼Ò½×»  Ö Ó ¿ í ß ÔÅ  » ¿ ÄÙ ¿ Þ » ÞÓ ¿ ì ÐÌ Î Ï Î Ì Í  Ì Ë É È È Ǽ ? Ä Æ Å Ä¿ ¼ » à  Á Á Á 0 À ¼ ¿ ¾½¼ » º

e db cF b a ` 0 ] I ] _

ÿ 0 I ] I ] þ

ý 0 I ý I ý _

-


! "#

""







wi j k f‰‚ ˆ fo iˆ ƒ gf ~ gf ‹~ …y{„ Œ jijl hk Œ ijjl h …†y }iq k … n r Š‡ 9876

tt

KPN_` JXYLZ `c`ba KP IJKLIJH `d Q[J\ NM d PQPI]^ POM ]__X QJRLULOST V KLI W QNPS W KVKS



     

Á£  ££ Àà ¾ ¸¡ ¨ ¾£  ġ À¨ £ Å © ¡ À Á©¡ ¾¡ À½ ¹¨

¢

¾£

¾£

礣

¡» ¨

礣

¡» ¨

§ ¿À¨

§ ¿À¨

Î

§ ¨À¨

£Â

§ ÔÂ



*+)   *, *   -.   

(

ÑÒÓ

» ÊË ¾§ ¨Â £À ££  ¡Ì ¸É ©£ È ¸ ÈÍ ¾£ ££ ¨Â ¡ ÎÏÐ

©¢

½ ¡ È

ɟ

¹» ¨

©À ¨ ©¸¡ À

¢¹ ¨

¾¡ È

§¸

£À

ÆÇÃ

fg e

·©

©º ©¹ ¹» £½¾ ¼ § £ ¨ ½

¹£

©¸

ij h ƒ{y z {yx jgtf e jll k …„ |y uk n om ……†y n} wng vhk pq k ‡‡ njn o~ xy sf rr C B @A < ? ? ;> = ; < ; :

n‚ €o

§»

§ À¨

¡ ÌË

¡ ÂÀ¨

£¨

§ ¿À¨

¹» Ê

©º ©¹

¹£

©¸

·©

ÆÇ

£ Â

¼© À

¡» ¨

§ ¿À¨

£

¡Ò

¹ ¡ Â

££

§Ÿ

ÈÂ

¸¨

¨ÕÒ

¾Ñ

ÜÝ

ÜÝ

èä êä ï

åÞ ëëç ì íî

5







   23         

, 

    ,   

4  

  



  ,

ï

íîî

ñ ðî

åÞ ëëç

êä

èä éáä

âáã

éáä

æãä

àå áä

Ýà

à áÝ

ÝÞß

åÞ ç

âáã

À

¼ ©§¹ ¹

¹ ¼©

©¸

·©

£

¹£

§¹

¡¢

åÞ ç

æãä

àå áä

Ýà

à áÝ

ÝÞß

£ Â

¼© À

¡» ¨

§ ¿À¨

£

¨

Á£

£ ¨Ò

£¡ Â

½£ Ñ

¹Ÿ¾

¾£ Ñ

± ¯° óó

³

± ¯°

²± ¶

´µµ

³ òó

²±

"

DE

 GG 

DF



% $"  % "&! 

""'





1

"0

!

   





& // /



«¬¬­

¤¥ ¦ ¥¥ §Ÿ ©ª£ ¨  ¨

£

¡¢

žŸ

®

Ù

Ø×

Ö× ÚÛ

•• “ “ ”•

“

•œ

“ ”” “ ”•

“ •

”– “

“ •›

“

”—

”˜ “

“ •š •™ “

’

‘

‘





Ž


}

}}

¶·

p ”‡o

st

;=, < :;9

ssu qr s qr t su • †zr • t {w

p ‡o

ox

• €r–

TW abS hiYi cUT STURQ ikij YZd SRWSV mlm Se YZY YX Rfg ZS[UVX fhh U a_ ^\] Z TURT__\ W` Y\\ T`

šµ

œ

¼Á

µ

›ž

›·

š½

Ÿ

›

ž

µ º

š

™

µ ™¶½Ï

Ÿ

œ

µº

%  

!





$

()

(

&' (



»

œ

Š‹

“

Ž



Ž ‚

Ž ˆ‚Š

Œ„

’o ˆ‘

µº

ž ·

š

º

ž ½·

š

ž ½·

š

Ÿ

œÎ

Ÿ

œÎ



$

#

œš ·

0

#

34

01 0 2

š

²³

%/

´´

 

"

!





 

p no

··

·™

½

·

À

À

š ™

›› ™

žµ

œ

µÁµ

ž

š¼

œœ

š

À

Ÿ½

œž

š¼

›™

µ š

¼

¼¶ ½

··

œœ



›ž

Á  

š









!

$

$

$

8

%

  2

 $

™Ì

¶¾

Ë Ê

š

›½

Ÿ›µ

¼¶ ½

›Ÿ

›Ÿ

œš

σ

œš

σ

sus qr Œ„ ƒ „ p}s no t u vw ‚Ž ˆŠ ‚…‚ t~ x Ž ‚ w† €p qtw z ty Ž ‡w {|  s xw ‚ {o  JI@HG @F@E@?@E@D@?CB@?@A@?>

w‹ ˆ‰ xŠ

—³

œ µ

š

"

" 

 

2



$





 

 

2



76    $ 

½

›µ Ã



 







Í À 

½





$

$

$

4

§±

°¯

§¨

¨

¯¨ ®

§ «­

¬«

§

§ª ¦

*

P

P

OP

NM

(.

(

+ '

(-

+ ( ,



%

(5

(

'



 

!







 

 





 

™³ ¶Ç

µ

›ž ½™

³ ȶ

›š ½

¿¹

Ÿ ž

› ½À



¹³µ

Ÿ

³

ž

Ä ›¼ Æ

™³

Ÿ

› ½À



¹³µ

Ÿ

³

ž

Ä ›¼ Æ º³

œ³µ

L

µº

¹³µ

ž ¸³

K

@ŝ

›Ä µ ¶½˜

º

½

™½

Â

›

ž½

›ž¹

ϵ

µš

¼

ž

µš

ݦ

¼Á³

¿ ¶

™¾ œ™

œ¹

¿ Àš

Ÿ

¼ ½½

œ ž

š

»¼

³µ

³µ ´´

¹³µ

ž ¸³

½

™½

Â

›

ž½

›ž¹

ϵ

µš

¼

ž

µš

ݦ

¼Á³

¿ ¶

™¾ œ™

œ¹

¿ Àš

Ÿ

š

Á

œ

»

›½

à œž ¶½

§±

°¯

§¨

¨

¯¨ ®

§ «­

¬«

§

©§ª

§¨ ¦

Ÿ ž

›

—˜ œž

› ™š

¢£

¡¢

¤¥

· Á ž

žšœ



œš

ϵ

š

·

¶½Ï

žœ Ð œ³ ™















 






’“



‘

‹

Ž

‹



‹

Œ





  

ÑÓ

tfŠ g h c† |…~ cl f… € dc { dc ˆ{ ‚|vx~ ‰ gfgi eh ‰ fggi e ‚ƒv zfn h ‚ k o ‡„ ?> 210/

qq

GLJ[\ FTUHV \_\^] GL EFGHEFD \` MWFX JI ` LMLEYZ LKI Y[[T MFNHQHKOP R GHE S MJLO S GRGO

Î

‹

Ê

Ê

Í

k }|l~

  %&   



!  "# "$ "

ÎÑÒ

Í ÎÑÒ

Ê



cd b

Ê

Ê

.

  +,            $      $     -        

$ 

ÍÐ ÍÐ ÑÒ ÌÎ Î

Ê

™

˜ —•

– ”•

þÿ

ý

üý

úû

ÊËÆ ÇÈÉ

Ï ÍÌ ÍÌ ÌÎ Î

Ê

¿À ÁÂÃ

£–œ– › š• ¿À ½ ˜ ž œž — À ÂÄ ÅÀ ¤ž ž Ÿ ¢ ¡ — ž¦ ¥ ˜ž ž— ™ §

¨ »º¾

»¼½ ¹º

fg e €x|v w xvu gdqc b gii h ‚~ vy hr k lj ‚‚ƒv kz tkd esh mn h „„ kgk l{ uv pc oo 5= : 4 9 4< 7 4 6 4 ; 3 : 4 89 4 7 4 56 4 3

ÌÎÑÒ

Í

Ð ÍÏ ÍÏ ÍÏ ÌÎ Î Î

Ê

ÍÐ

Ê

Ê

Ê

Ê

™

ªœž ¥—

ϩ

³¸

³· ¶²

³

³´µ ±²

@A C

BCC  



        

%'   (       *      '         )

°¯

¨

¬­ «





>

=

?

£

<

¢



–

•

;

¡

”

“

¥

{

÷

¦

|

¤



$

£

ù

ö



÷

õ

ô

c de

î

f



‚

‚

M

~

}~

KL

N

{

.

,

|

-

'

z

y

%

-

&

&

š

™

˜

—

±

y

¯

°

¨

t

²

wx

x

q

¦

§

rs

©

s

T

÷

ö

A

U

î

í

V

B

D

$

@ ?

õ

E

T

C



B

x

ì

%

ô

&







m

ú

ë





n

V

'

o



x









¦

™

§

Ì

¥

š

Ê

#

ã

¤

Ç

Ë

Í

â

˜



Å

—

Ú

Æ

È

Ù

*&

!%

á

¹

¸

Ø



à

´



³

×

·

'





r



²



q

&

Ê

d



‹



‘



c

±

É

·

Œ

%



p

€



ª

’

©

b

È

r



m

$



Ž

o



µ





~

h

a

Ç

q



¨

n





#

´

p

}

i





l



§









o

k

g





*

*

!%



f

û



ò



ú





#

ù

ñ



ò





ð



ð

ñ



é

Â

ø



À



ç



*

'

!"

ó



è

Á

µ

ï





¬

³



ê

‘

Ã

´

Í

´





ÎÏ

Ä







«



ÅÆ

Ð



Ç



!







Ä

µ









´

·

ÅÆ

ê

°

è







¯

¸¹

é

á

³



ß

Ç



ë

®

à



"

²

º







â

­





Ž

ò

e



q



€

í

f

‚

c

ó

g

•

ðñ

r

l

op

.

î

d

ëì

e

”

m

jk

,

1

-

#

/

–

6

h

/

”

ë

0

“

2

•

/

é

7

f

8

æ

ê

“



’

ì

'+

!"

ä

0

N

å

1

ç

L

E

M

O

C

9

D

3

F

2

ˆ

2

‡

S

*



¿

)

z

y

R

{

1

TU

³

€

†

À

(

~

ST

|

x

0

´

}

…

¾

z

V

'

½

w

y

$

²



"

U

!







±



‘

ã



%







z

&

ä

Þ

â

á

’



l

ß







y

“

Ý







ž



Ü

'



x

k

Ÿ



™



'

”

&

j



š›



w



¡





i

¼

œ

%

º

»

·



½

$

µ

¸



#





(

*

)

!"

)*





!



¼





»

+





"

º



Œ

‹

ÿ





~

¹

É

}



c

à

Š

À

·

Ê Ë

d

b

e

|

´

‰



Á Â

c

d



ß

{

Ì



B

Ø

f

C

Ã

Þ



A

Ù

Ï







B

e

A

ÐÑ

Ù

@

@

Ð

?

U

S

K

T

_

V

I

J

a `

°

U

L

±

W V

«

¬

¯

b

ú

®

ª

X

û

øù

ñ

©

¿

j

i

¾

ò

ïð

²

±

ª



½

C

¨

h

Ž

©





‡

°

F

›

«

¼

‘

D

…

E

œ

g

†

¯

O

ž

ˆ

G H

ô



ò

N



P

F

ï

ó

þ

í

ý

Q

O

õ



I

î





ð

þ

P

ü

ý



~



R

û

û

ü

Q





t

ü

û

€

o

rs

u

Š

Ç

ý



mn

p



þ

¾

‹Œ

È

/

Æ

‚ƒ

¿

Å

(



½

0 1

¼

„

›

) *

œ

–

$



2

—



˜

û

%&



+



:



s

ÿ

ü

ž

‚

ƒ

'

ø

1

c

ý

™

t

u

;



d





a

þ

g

2

*

b

9

ù÷

ö÷

b



„

Y

8

()

"

+

h

0

i



R

Ï

ö

I

`

Î

a

v

Š



J

/

!

P

#

Z

‰

Â

[

Q

ñ

s

Á

_

L

‡

÷ ø



M

G

†

j



H

H

n

Í

tu

F

ˆ

ò

Ã

ó



\

G

À



K

op

=

…

q



Ì

ù

º

k

G

Ä

‡



J

l

¿

v

ô

>

„

]

»

W

Â

‘

E

l m

æ

q

Á

?

D

M

<

¹

^

X

_



Y

ä

å

Ý



ç

;

¸



N O



n

Û

Ü

Þ

K



X

J

`

ö





Z

À



J

V

I

P

»

U







"

"

I

Á

õ

¿





'

H

¼

H

º

T

¾





&

ô

Ê

a

G

¹

É

Î

S

`

%

b

T

™

É

`

Ï Ð

®

È

_

a

­

$





_

Ê Ë

U

˜

¥

^

¤

Ç



V





—

Ñ

¬



Ö

Ô





Ž

Ì

Õ

£

Í

W

–

Ë

«

×

Ì



¢



Î

ß

k

7

i









Ú

à

:

j

i

Þ

89

g

Ý







#

Û

l

h

Ù

;<





Ø

j

:

à

$)

!"

=

Ø

á

ß

C

Þ

B

Ù

:

× Ö

Ò

9

A

ÐÑ

Ó

Å

8

ÃÄ

Æ

@

]

â

 

÷

7

[

Ú

ãä

F

^

‚

ù ø

_



D



E

\

ÛÜ

E

]

y

¯

ƒ„

ú

C

G

®

å



D

¢

`

z{

¡

F

Ý

7







­

…

^

^



!"

.







]

|

6

Ë

¬

]

Ê



\

#

5

¾

-

Ÿ



\

½

#

,

É

4

[



[

¼

$%

!"

+

,

È

Z

»

#

-.

<

$%

#

3

=>



Ü

/

Ö

Ú

45

Â

Û

Ô

Ñ

?

&

×Ø

$(

!"

Ò

Ý

—

½

!





Ó

ÃÄ

6

ÒÓ

Õ

‰

˜

¾¿

Ù







–



Å

Š

Ô

•

À

ˆ



‡













T



{

r

³

T



÷

V

r

ª









U

R

ø

t

›

V

S

W

ù

s

#







Q







t

R

œ

u

Q

W

š

ú

™

Ž

N

P

!%

!"

P

u

Œ

Æ

L

‹

M

M

O

î

O

Á

K

L

Ç

N

0

é

ï

È

ð

Â

3

1

ê

2

Ã

ë

4

É

ñ

¥

5

¤

3

Ä

ì

Ÿ



6

œ

£



˜

—

ž



Ú



¢

›



#

"

#

Ñ



–





š





Û







Ù

•

Ø





'%

!"

Ò

=

Ð

Ï



9



















>











<





;



:

8



7

¨

è

©

†



…

æ

ç

£

ã

é

¤

ƒ



§

‚

á

â

ä

„

¦

¢



Ò



ƒ

¡



ì

Ó

Í

Ô

€

*

ç





Î

í

Ï

{

êë

Õ

.







è

+

åæ

÷



Ð

J

#



)

ø

K

A

I





H

(

ù

-





B



@

?

!)

!"

,





ü

W

ó

V

ý þ

XY



ô

WX

õ



Z

Ÿ







Y

ÿ







š







¡

ö





›œ

#

¢





Ô

!&

!%







Ë

Õ





Ö

Ì

»

º

Í

®



­

×

¹





Î

Ü





¬

6

¸

ˆ

‘



Ÿ

«

ž





‰

¸

‡

’

·



†

°

€

¯

~





}





ª

¥

’

®

«¬

µ

‰

¦§

“

­

=

Š

­

”

q

@

>

<



;

¨

‹

•

l

A

v

?

=

>

Œ

Ó

Ñ

q

Þ

!"

v



w

Ò

Ü

Ê

²

Ý

È

l



Õ

w

^

V

ß

p

[

]

Ò

É

Ó

¥

Ô

T

t

s

Ö

k

Y

#

S

É

x

\

\

³

e



tu

±

x

Z

R

°

Z

¦

[

fg

¤

Y

£

X

î

Q



ÿ

W

þ

v

å

ï

ìí

ö



õ

h



æ

ãä



ý

ô

|

ü

Ü

w

ó

ï

í

}



×



î

Û

ÚÛ

ê

è

x





{



é

î

Ö

ÕÖ

z





v

é

u



§

6



4

ž

9

5





¨



7

5





8



Ÿ

©



8







ª

q

¡





:

ÿ

·

q

3



a



p

4

5

µ



4

‹

ˆ

Œ

5

‰

.

34

'

4

Ž

&

,-

Ê

-

Š

É

%

T

å

È

r

à

$

ú

æç

V

Ç



õ

áâ



t

>

è

W

=

?

ã

u

<

ÙÚ Ü

Ýß

×

Ûß

ßá

Üâ

ß

Üá

Þß ß



à

Ý

ØÙ

×ØÛ

Ø

Ø Ö×

ÔÕ

;

”

“

†

…

’

{

„

‘

m

|

ƒ

n


”œ

—

¨

•

”•

‘’

‘

”¸

Ÿ

¢

Ÿ

Ÿ

–

“

©

š

{zyx

·

·

‘–”¥¦ žŸ’ ¦©¦¨§ ‘– ‘’Ž ¦ª —¡¢ ”“ ª –—–£¤ –•“ £¥¥ž —˜’›’•™š œ ‘’  —”–™  ‘œ‘™

ú

·

û

c

ø

øý

ÀÁ

¾

¾

™

—

•

”•

‘’

”

•



–

“

©

³

–

¿

½

¹

¼

¹

»

¹

º

¹

Jb

ýþÿ

aO

‘´

­

°µ

°

°±

²

¤

¬¯

ª¤

¦

®

¬

ª³

™

­

°

°

°±

²

²

¤

¬¯

ª¤

¦

®

š¬

« ª

ú

ú

üû

û

øù

øþÿ

¥

™•

™

™¨

š

©

§

¤

£¤

¦

Å

Ó

þÿ

™’

¢

Ÿ

’

‘•

£¤

–

“¡

–



jkb [\

û

øù

ú

ú

‘

ž

›œ

—

™

—

•

”•

‘’

mlK QU ]X ln L l S ^V op M_MX ` O

ú





–

š

˜

–

“



æ

äà

ßà

Ò

Æ

Ñ

Ì

ÌÔ

Ì

Ì

Ä

Ê

Ä

Õ

Å

ÓË

Ë

û

üû

ø

øù

øý

Æ

Ç

Ì

Ì

Î

Ì

Ê

ÃÉ

ÅÏÐ

Í

ÅË

È

ú

Ö

û

øù

øý

î

î

ë

î

î

èì

é

èéêë

ó

òð

í

ïðñ

í

ç

Ç

Ã

ô

Å

Â

õö÷

w

HI

FGG

DE

XR J \ tu Y WX Ya V MX L MU ZL R L MaQ O n ]_ Ma j M K aM n\ a^ XY K M vK XQ KL M ] X_ K Ma MX V nL MN

Æ

ÃÄ

ˆ ‡ ~† ƒ } ‚ }… € }  } „ | ƒ } ‚ } € } ~ } |

P Y `X

ú

øý

Ç

Ì

ÊØ

Ê

×

á

áå

á

áâã

Þ

ÚÜ

ÚÛ

Ý

Ù

‰Š

VQ  Q NO

‹Œ

TU

f ed LPQ f eg R hee SO i

Ma

MX_

_ sQ

a]

XY

Ma

a^

_K

^XQ

Qq

a^

oq JKL rM M NO ^K

¬

<



:

9

g

&

h

%

H

I

­

G

F

#



œ

‘

3

›

’



h

i

2





0



W

”

•

U

“

Œ

i

’



‹

Š

]

\

[

Z





"# p ,

, -. /

6 45 7



J

H

ÿ

+

I

*

• “” –

K

ý



ü



(



Õ



Ñ

 

Ò

ß

þ

ý

Ô

Ö

‰ˆ ‡ †

Ó



Û ÜÝ

á

à



Ð

ü

Ï

} ~ €



  

 

)

"q p

BA @ ?

þ

· ¸¹ º

** ) (

R PQS

^_ t \

× ØÙ Ú

V

µ ³´ ¶

—

X

á ßà â

_^ ] \

1

Ð ÑÒ Ó

g

à áâã

ð ñò ó

ž

  

ÂÃ Á À

—

$

r pq s

®

  

§ ¨© ª i

¬

¦ §¨ ©

ÊÉ È Ç

‹Œ Š ‰

®

­ «¬ ®



;

­

h ij k «

¿ ÀÁÂ

Ó ÔÕ ï Ö ðñ ò

â

û

F

k

Ÿ

l

D

E

¡

G

r

ô õö

, -. »

T UV W

j

Þ

÷

 

*+ ) (

¢

è

éê



£ ¤ ¥

¦

O

N

M

¿

^‘ ] \

P

O

ÀÁ





N

× ØÙ Ú

*+ ) (

ë

L

M

'

[



"# !

Â

\

&

%



Z



Y



U

T

S

â

ù

R

ú

ö

•

õ

–

ô

”

“

ø

û

í

ú

î

÷

ù

ì

ë

ú øù

ø

·

@

A B

¯ °± ²

µ



j

‘



k

Ž

l

ê ë èé

m

Î

Í

Ì

Ë

C

g

™

h

i



›

]

j

_

`



\

[

v

o

"

#

u

Z

 

"q p



l mn

!





Y



ï

ÿ

.

t

,

î



à ÄÅ Æ ã äå æ

ä åæ ç !" #

¾ ¿ ¼½

^

^‘ t \

u vw x

  

š

˜

à ÄÅ Æ

   

û

´

® ¶ ° ± ƒ „ ‚

Í Î ËÌ

nq

& $% & %$ ' '

÷

× ïÙ ð



á ßà

  



$

^_ ] \

p

st

nr

-

ð



s





…~

}~

ñò





©

ó



ö

ª

§¨







r



–

b `a

q

ÿ

c





¯ °±

p

<:

Ç

o

²



Å

; 9:

Æ

Ä

ÈÉ

ñ

‰

9 87 :

ù ûú ü

ó ôõ



   8 9: ;

/

ì

­® ¬ « í

m

ˆ

‡ˆ

l

k

ò



P

ð

Ê

ï





Q

NO

j

K

T

R

S

"

U

T

L

#

Ä

×

V

Ù

ÚÛ Ù Ø

Ö

Ÿ ¡ ¢

0/ . -

3 21 52

€ ~ 

!

Ã

Ø

Ñ ÏÐ Ò

Â

W

³

œ š› 

Å

W

X

õ

ô

ó

ö

¢

³

& $% ' ¡

Y

±

Ú » ½¼ ¾

Ù ×Ø V

² ±

— ˜™š

J

H JI K



Ã

I

` ab c

‹

Q

°

¤ ¢£ ¥

¹º ¸ ·

T UVW

£

²





´

a

¤





v

nu

*

(

b

å æ ãä





+

…†

}~

no

þ üý ÿ

<B

; 9:

‰







‹

Œ

‡ˆ



H IJ K

4

6

5

*

)

+

6

3 21 5

(

7

È

É

Ç

v wx y · ¸¹ º

/ 01 2 y z{ |

*+ ) (

^_ ] \

p

â

H

G

à

Æ

ã

 

á

6

E

\

}~

 €

¹

·

¸

‰

‹

Š

‡ˆ

/

.

0

Ç ÈÉ Ê

-

ß

º

’‘  

 

; :9 =<

ƒ



„…

 

µ

êé è ç

® ¯ ° ± •” “ ’

² ³´ µ

7

ON M L

F

4



Þ

†



:

<

=

Ü Û



$

€

% &

?> = <

;

3 21 54

Ú

‚

÷ øù

'

Ý

ú





  

G FED C



c



d

ab

 Œ

^

Ž

Ž Œ‹ Š

‹

_

ÿ ýþ

]





‚

ƒ

}~

«

(

†

'

& $%

{

'

^

`

}

O

ˆ

‡

N LM

|

…

€

}~

~

­

a

‰

Á

ë ìí

9C

w

5

4

[

‰

î

R

žŸ ¡

Y

‰

|

P

t

x y

z

Š

Œ

‡ˆ

Ž

Ž

‡ˆ

S

˜™







,

+

>

?

C

Î ÌÍ Ï

  

@ AB



v

no

65 4 3

—

óô ò ñ

Q

£ ¤¥ ¦

X

r st u

; 9:

Z

‡ …† ˆ

; :9 >?

_

À

d ef g û üý þ

+ ,- .

`

t

Õ



)

Ó

64

i

h

Ò

g

p

f

sr

nr

9

8

»

º

õ ö÷ ø

7

Ù

¯

°

Ú

×





<B

6

®

­



‰

¹

Œ

Š

‡ˆ

Ð

Ñ

ì íî ï

¸

×Ö ÕÔ

ž œ ›

; 9:

Ø

­¬ «ª

[Z Y X

Ġ

}~

}| { z

88



éê è ç

3 12

Ô

<

3 12

*

=





FG E D

š



Ï

Ï ÐÑ Ò ë íì î Û ÜÝ Þ

{

nt

w



y

?

C

=

>

@

ƒ„

}~

D

AB

46

«

¬

ª



s

u



× ØÙ Ú

z

0 12 3



3 12

Î

x



©

t

Ý

L



À

­

Þ

v

nx

‰

C

Ê

Ë

Á

Í

J

K

M

, -. /

v

Ü

; :9 >@

Û

«



Ì

D

AB

Œ

‡ˆ

p

:

sx

nr

§

;



P

p

¥

9

¦

¨

nx

8

Q

NO

67

'

& $%

3 12

 …

}~

¿ ÀÁ Â





‰

¯



¾½ ¼ »



[

; :9 =<

 

  





\

Y

å

‹



ˆ

‡ˆ

æ





ä



ã





o

q

3

0

f

2

[

,



\

4

1

2

e

¬

1

­

3

p

®

Z

‰

.

Y

m

«

Šˆ

‡ˆ

/

k

l

À

× ØÙ Ú

«

! "# $

"

n

g

st

nt

Á

n

@

h

>

ä

i

é

ê

çè

3 21 52

f de g





æ

å

w

nt

—

–



g

, -. /

42

¾

b

i

ç

z

¿

¼½

cd

st

y

y

e

Í ËÌ Î

 Ž 

j

»

½

7

6

8



ž



c

€

¼

¾

‚

Ÿ

œ

de

f

  

  

‰

Š

Æ ÄÅ Ç

















ˆ









‡

D

B

C

E

}

{

|

~











+* ) (

ËÊ É È n m l P QR S o

…„ ƒ ‚

5

ÖÕ Ô Ó

™˜ — – ' & %    (

>= < ;

  

g

A

?

*+ ) (

­



; 9: h ji k A: 3 12

 

!

ßÞ Ý Ü



}~

}~

µ ³´ ¶



p

h

Z XY [

„

…

ƒ


Ú ÛÜ

ÞßàÝ

ÔÕÙ ÔÖØ × ÔÕÔÓ

p

˜

—



Ÿ

–

&

'

‚

^

\

-

_



œ

ãä 3

o

™ %

Ž

V



$

›



OP

R

”•

“

’

c

Ø

Õ×Ö

Á



±

®

Ç

ž

È

 

°

¯

Æ

œ



J



I

&

%

Ž

Ž

ö

H

õ



ô

$





G

ó

Ü

#



Û

¦

Ž  Œ %

¥

¯

¤

Ú

©§§¨ £

Å

Ã

Â

«

‡

/0

\

^

\

l

a

¬

f

˜

™ ˜

†

Á

ª

†

`

)

©



œž ›

—

b

À

e

g

d

ÿ þý

¤

Æ

P

¸

·¹¸

s

£

Å

R

ç æ

x

å ãä

<;: 9

…

¥

r

¢

Ä

Q

Ü

Û

P

m

o

Û

n

Ú

?



g

>

å

á

>

f

=



Ì

Í

Ë



Ê

â

à

ß

8 6 76



}

ä

f

{

¡

z

e

X

89: 7

Œ

Ž

þ

“

’

Vx

V

ý

 

”

E

È

ò

É

È

ü

D

ðñ

ó

G



€ ‚





‚ƒ  €

°

F

o

m

­

n

   D

Ç

™

Æ

À ¿¿¾

È

78

8

Ò

L

ç



K

˜

€ ~

€

Ì

Å

—

Ó

Ñ

Ð

<



<

€



;





~



5 43

º 6

‡ …† ˆ



f

þ

ý



É



d

È ÇÆ



œ

Ð

›

Ï

f

\

š

de

š

º

Î

|~ } |

«¬ ª«

^

û

À¿ ¾ _

ü

 

;



:

¥

9

¦



¤

8

£

¹

™

¹

Í

ö

Ú

Ø

¸

Û

Ù

ª

©

ó

U TS R

õ

ô

«¬

=





=

W

n

M

o

X

<

V

U



È

Ç

ËÌ Ê É

Æ

Í á â Ç

('& %

é

ê

Ó



é

c b

è

 

x

å ãä

Ô

À ¿ ¾¿

FGH E

Õ

A

"

!

”





“

B

l

A



º

·¹¸

Ï

k

’

@

j

Î

Î

i





¤

£





à

¢

*

ß

{









Ž





Þ

å

Ý

ã

Ù

IH G F

Œ

/

rs





×Ø

Ú

ä

.

.

.

-

ã

Y

')X

7



8

-

6



‘



5

á



+

Ž

<

·

;

>?

µ

<=

:

L

J

K

9

Q PO N

J

   [

Z

v

€

u



Ã



Ä

~

à

}

 

8 :;9 Y

Þ

Ý

Á

a

a

` _^

`

_

  



^











uv t s





˜

`

E

D



—

C

B

û ü ùú

–

T

S

R

Q

*

|

”•– “

z

y

vw

t

ut

u

ßÞ Ý Ü

°±² ¯

,

')R

Ï

Î

Í

†

…

Š

g

>

f

=

e

„



Î

‹

h

   

Œ

?@

45

2

ù

ú

ø

ÿ

÷

3

¹

/

¸

.

ç

9

:

è

1

8

·

0

æ

/

2

1

å

³

,

 

-

.

â

ã

²

á

±

^

ÿ

mn

ÁÂ

§ ¤¥¦

Ë

l

Ù

Ì

Ø

k

÷

÷

(' &

   ôò÷ø   ó ðñòó ïò÷õ ñÿ þ ýýò ò úòó ð óÿøýúú÷õþ  ûü   ú   ÷ø÷ð  ñ  ðññõö÷ôöøñùó

Ñ ÒÐÏ

Å

Ö

Ä

’



‘

! 





F®¬­

)*+,

Ž



Œ

‘’“ 



—

– •”









¸

`

ˆ

  

_

…

^

6

9

­

“

4

7

Q

=>

8

¬



Œ

‹

Š

¸

}~

¹

·

D

ê

é

f

{|

è

C

L

¸

+

7

6

,

ò

ž



q

5

*

j i gh

ñ

ð

â àá ë êéè ç   ã  ²± ° ¯ ‘’  

ÃÄ °

¿À ¾ ½

0

à

\

l



|



9

×

Ê

3

2

{

Ž Œ ‹

{

É





=C

>



ÿ



ž

z

·

"

Ã

!

0

a

‡

†

ÿ

µ

¯

®

Â









F

E

Aù – ?



d

c

b

T

a

U





S

N

L

ò

ç

d

š

ð

ï

s rq

ñ

R





)

œ

‹

4

H

G



›

7

4







zy

E

A

B



µ

VW

ì

A



U

@

T

^] \ [

‰

´

í

j

}

Õ×Ö

o

ë

=

|

>

³

€

²

‚

c

m

n

m

l

¸¹· ¨¶£ Ÿ¤µ « – ´ ´ Í Ä Ì Ë¹ Ê Ê¦ ½ Ê É © ·=¤  ¿ Ÿ– ™ ž  œ › š ˜™— –=• ” “ ’



±

<

°

;

¯









~



ÿ

}

‘

½

¿

V

·¹ö¸

U





Ÿ

T



ž





<

;

;

:

²

±

°

¯

LM K J

 

  

  



om n m

W

 

~

ÃÄ Â Á

€

(



®

Ó



^



 



Ò

67



54

n

m

Ñ

â

K L IJ

x w NM L KJ Ø

D



)

· ¸ ¶ µ <> = <

ñ òïð

E



~

ÞÝ Ü Û

F



Ì



Ë

Ê

É

m

¹

n

ê

ˆ



¶ µ ³´



, + )*

h



*



ÁÀ ¿ ¾ ôó ò ñ 

Ö ×Ø Ö ¬ ª« © A– • ?

œ›

1

-, *+



'

\

l

l

h

g

m

n

Ð

m

o

à

f

k





þ

DE C B

á

M

L

¾

ß





ý

e







‰

½



Ž

‡



Î

Í



ˆ

¬­ ¬ «

`_ ^ ]

N

&



‡

Ì

Œ

¦

\ [Z ]

'



%

‹

§

Ë

ó

A B ?@

ô

EG

ò ñ

{

æå ä ã

$

¤

Š

Š

‰

8

Ÿ

9

7

6

ž



EF



z

y

y

N



M

ú

GI

L

K

þ

ù

r pq

GH

ý ü

ü

ø





÷

j

RQ P O

 

‘

k



Ú

?@@

È

j

Ç

Æ



¬

­









Þ

Ý

`





×

ÖÔ

¬

ÕÔ

_

$



%

Ü

Ø

#

"

±°

Ö

«

~



Û

  

î íì ï

<

í î ëì

Õ

¡

®¯

Ÿž

}

]



|

{

|

…

:

„

z

;

Ä Ã Â ‡† … „ Å

Å

i

E

F







D

C





^





{

:

y

ƒ

6

R

Q

‚

L

ö

N õ

5

w

t

P

O

­

d bc

Ä ÃÂ Å

ýþ ü û

v

u

4

3



©ª ¨ §

¾½ »¼

9

Q OP N

A?



=C

i

O

j

N

M

h

#

>?

9

"

g

=<

Ã

Ä

µ´ ³ ²

"

!

å ä

L

=C

>

Z

â

J

6

Â

Á

45

7

N

rs q p

N

M

ÜÛ Ú Ù O

H

¢

Ÿ

2

1

^

q

,

]

1

‘

â

ã

Ì Ë ÉÊ



\

[



ì

á

ë

à



ê

M

æ

ã

å ãä L

NO

r



å

q

é

ä

ã

q

=

o

"

f

!

\

‰

B

]

A



š

d

Š

þ

"#$ !

p



r

#$

C

F•

ð

@

 

6 45

7

~} | 

™š ˜ — u v t s

VU T S

p

0

-

+

*

r

ò

s

ðñ

ô

·¶ ´µ



o

ÇÈ Ç Æ

¡

012 /

Œ ‹ Š‰

( '& %

íî ì ë W

I

o

  

€ ~ }

ã

X

ýü û ú Y

K

?@     ðñ ð ï

[

p ø ÷ö I GH ÿ Q P O N " !  ù J 65 4 



° ± ¯® ¥

‹

ÚÙ Ø ×

Œ

¡

¹·¸º

ì

S

í

Ô

T

ë

R

ê

Õ

Q

Ó

Ò

Ú

Ø

7

ý

Û

H

\

© ¦§¨

ÿ

d

ÿ

e

6

ˆ

c

c

b



±

[

ý

‡

œ

5



b a

d

ü

#

X

$

²

°

+

¯

*

4

¸

·

›

«

Ç

#

)

Ú

Ø

Û

Ù

Å

©ª

"

(

Æ

µ

xw v u

L

W

š

©

V

DB C B

K

J



 –

–

$



Å

Š



‹



‰

#



ˆ

_

"

I GH J



¿

r



s

À

^

q

p



Ÿ

s

t

ž

¾

]

!

Ù

•



½

Ø

õ

s

ô

3

\

”



X



¢

“

2

Ø

£

r



Á

À

ó

1

’

¢

f

×

Ï

<



¿

t r sr

0

Ð

ò

Í

;

:

<

J

¾

K

w

³

o

y

I

´

H

x

-

,

mn

p

Ö

³

þ

ê

é

¥

½

w

»

+

¦

K

ý

J

Õ

¼

³

Ú

Ø

ÚÛ

´

¾

Ù

Ø

ü

*

¤

º

Î ÎÏÐ

^

ç

»



³

û

k

j

£

¹

i

ï

_

?

€

î

]

²

i

í

O

Ê



Ë ÉÊ Ì



<> = <

¼

õ ôó

è

²

«

ª



×

I

Õ

Ô

Ö Õ ÔÕ

Ö

~ }| J

Ô

÷

©

c

d



>

P

Ë

~

c

=



ì

&

É



N

'

P

È

b

M



%

O

Z

B

¢

£

   &

  

ÌÍËÊ å æäã

>

\

¨

/ -. 0

!

O

N

A

Y

C

Y

D

X

¢

»

¼

Ý

@

B

Þ

¡

A

S

w

0

R

?

»

œ

ï

po



í

mn

Ü

v

0

Û

Q

P

v

u

Ø

œ

t

T RS

u

Ù



)

m

×

(

 $

W





 

a

N

L

t

¸

¸

.

û

ù

X

X

þ ý

ú

pq

n

œ

ù

È

h

‰ˆ‰Š

V

g







›



f

‡†… „

8

e



z

{

y

x





Ž

€ ~

‘



s

,-

U

/

Vx

x

4

I

1

2 32 1

ü

H

û

5

2

3 2

ûü

ú

ù

ê

lm

H

ë

¢

õ

òð

ô

š

/

q

ó

»

¼

NO

L

”

¸

™

(

r

˜

ª

p

©

)

o

ò

»

•

“

’

" "#$

(

‰ º

ˆˆ‡

¹

¯

'

 

§

& %

®

­

½

!

$

"

¼

ù

Ò

ÈÇ Æ Å

¬

Ó

»

#

Ñ

ß áâà

ø

Ð

÷

Ñ

Ï





º

Î

Ð

`

ø

‡

†

¸

°



·

`

µ

†

…

  

ýþ

„

üû

À

Â

ÃÄ Â Á

Á

¿

U

\

ƒ

[

ñ

Z

“



g f

DE

Â

;

T

:

S

')*(

Ÿ

ð

Y

˜

’

8



¹

—



ï

n



¸

¸

‘



e

Ç

·





Ø

m

î

[

ú ù



]

×

È

·

Æ

Å

µ

´

´

³

W

½ ¼ »¼  

ø

YZ

Z

X YWV

d

[

l

Z

Õ

p

n

È

»

Y

Ä

¼

¼

»

í

Ó

k

[

k

Ã

j

ì

Ï ÎÍ Ð î

Ô

Ò

À

÷

º

Ñ

¿

‘

X



Â

¹

^

\

º

a

_

_

l

b

`

D

½



Û



.

E

Œ

Ú



/

4

i

¹

Ú

Ì



Ë

h

‹

Ù



3





3

2

¢

¡ Ÿ

ï



C

Á

Ž

ô

-

ð

Õ×ó

,

G

î

H

í

Š

ïî

ñ

Ê

œ

|

}

{

z

í

î

ì

ë

§

¦

¥

.

¤



ÿþ

!

Ü



Õ

Ö

Ô

Ó



‚

€



p

É

^

_

] \

no

ml

mq

å

ç

è

æ

ef

d

c

¿À

¾

½

y

Ë

É

Ê

É



µ¶ ´ ³ € ƒ~‚ h g ef % $ # , *+

›

É

š

ê

™

ì

¥ ¦ ¤£

÷

9

«

Ï

ª

:

ë

Y

Á

Þ

Ü

Â

¤

Z

Î

ô

I

£

c

b

H

G

è

F

8

©

É Ê¶ ÇÈ

¿

µ ´³

õ

L KJ M

ö

é

ï

ç

F

´



VW

ö





æ

ê

¾

X

¢

7

Û

Ý

a

Ü

Í

ö



Ì

W

¿

¨

Ü

½

õ

¬

¡

¼

­

Û

`







¦

¯

w

Ú

x

¬

NO

L

M

ó

èéê ç

®

™

Þ

 

­



8



«

˜

‚ Ý



9

†

w

—





û

ú

…

Ï

ý



7

v

ü

„



Î

ú

6

åæ



ä ã

¨

ù

ð

û

ï

ƒ

î

û

é

ø

ù

ú

è

í

ç

¦

ø

ì

æ

Ì

Â

í

Ä

Þ

ÜÝ



¼»

Š‹

ˆ

æ

å

å

ä

132

G

n

È

/

0



o

.





-





F

á

â

à

p

ß

y

E

ž

ã

å

ä

1

ò

ã

1



ÿ



3

-

.

,-

~

2

z

wx

«

œ

À

ðñ

ó





o



Ç

Æ

tu

s

mq

n

r

Å

–

ƒ„

‚



Ä

®

¯

­

¬

x

«

¨

w

Ÿ

ž

f



a

_

h

c

`

g

g

v

Œ

+



‹

Š

Ð ÒÑ st Ð rq



*



ÿ

)

j



i

i

›

h

›

(

œ

ñ

œ

ž

Ó Ò

ó

š

š

ô

æ

™

ò

ð

ï

™

œ

À

Ñ

ó

¡

ò



'



Ð

Ÿ

)

< ;:   = ú ü û

˜

 ‰Šˆ 132B ž œ›Ž ‹Œ hijg€‚ƒ



º¹      

‰



F

 

]

_

ë

z

ˆ

‰

ê

‡

†

®

­

lk j i



y

x

ÿ

¬

i

w

L



x

6

h



5

}

|

4

¨

§

3

w

¦

¥

Ö

—

–

Ô

~

}

v

í

î

ì

ë

Õ

³´

²

Ð

±

² ³´

²

Ô

QR

ç

é



è



ç

PO



ª

©

€

{



!

(

}

ÓÔ

Z

)

ÒÑ #

"

[

Y

X

¿

À

ÁÂÀ¿

'

T

S

U

V

Ï ÐÍÎ "

&

Ñ

Ø Õ ×Ö §

¾

½

K

L

&

J

I

»¼ ¥ ¤ º¹ ¢£

~

 P ON   Q

|

Ò

ýþ ; : 9 8 ®¬Fï üû y

j

M

/0 . -

k

‘’   N

û

AC @ ? ýþ

ü

fe

¨

Ð

%

×

$

ò

ó

ñ

Õ

… ƒ„ † Ö

Ô

#

j

« ¬ ª«

 8 76 9

ò

ãà â á à Þß Ý Ü

| { z y  

^

\

Â

L

˜ —–• ” d bc e

gh

¦ ¥

i

A

†



‰

‡

u



¼

ˆ

»

i



‡

»



º

ä

”

@

•

?@

á

‡

“

‡

‰

…

h

ã

â

—

c

¡

Ÿ

ž

R

Q

P

•

™š

©ª

O

¨§

˜—

Œ

”

Ž





¤

S

P

Ò

R

Q

(



á

u

v

Ô

u

Ñ

t

Ó

ž



·

ß





'

Ð

ƒ

*

ø

  b bc a

a

`

56 4

3

\

^

l

_

C

D

B

A

­

¬

Ý

Þ

U

Ü

ˆ‰

Û

ß

?

à

ñ

T

£

¢£

&

'

&

Þ

ð

%

Ý

©ª

‡†

¨

§

J

I

@

I

>

T

YZWX

=

H

ï

”

•

“

’

t

r

+

à

n



s

o

î



r

m

Ò

÷

µ

78

8

; : 98

ä

ß

Á

¿

Ï

À

p

‚

˜



)

´

Ñ

q

ð

ßÞÝ



—

ö

(

õ

n

–



u

;<

:

U

9

w

Î

v

v

Ï

•

#% #$



I H

á

ž

T

œ

²

‘

S

³

±

Î



›š



o

´

É

Ç

Ž

Ù

È

çæ

°

Ú

³

ƒ„

Ù

²

Ç

Í

‚

Ø

pq

n

o

±

mn

p

˜™



‚

¨

Ç

€

m

n



T U RS



©

| { }|



ª

åä Û Ú ÙÚ



_

lm

¦

A

@







Æ



Å

  

V



 



{ yz x



o

Ë

Ì

Ë Ê

 

ñò

' (&%

„

ï

¢ ¡¡

JK

â

kl qr ij p o XY î XW í ìë

S

ã

` a ^_ •

–

Ã

•

Â

Š‰ ”

‰ˆ

Â

Á

À

a

1

þ

¿

ý üû

0

Á

/

.

…



ƒ

§

BC



µ

³

´

½¼» º

³

ß

Ä

â

â

& ¹· &% ij

@A npqo  ‘’?>

l

Ó ÔÒÑ

%& $#  ¢ ¡  Ÿ

äåæã ô ±ó°¯óò 9

h ùú ú g g f ø ÷ ùøù b

ö ôõ  ô

–

å äã

„

’

st

s

‡

X YX W ˆ

®

­

  fe d ³ c - , +

¾



†

„

f e kl B ùd c ji ú ø ÷ .

á

¡ Ÿ ž âãâ á 3 2 1 0   yx²w bcda  œ›š—™ ˜Å —ÃÄ È 9 8 7 Ç ÆÅ Æ

  

Ã

„ƒ ‚ 

ÔÓ Ò Ñ §

Í

\] [ Z

¦



ô



ß

Ü

  

°

V

I GH VW

ÜÝÞ Û

š

W WX V

X

ÆÇÈ Å 

<=> ;

õö ô ó

c ba d

ÝÞ Ü Û î

ÌË Ê É G

·

µ

>= < ;:

X

íì

¸· ¶ µ

ð

Í ÎÌË

B

° ®¯ ±

  

ÿ ýþ

¾

Z



ë

) (' † …„ * ‡

Ö

\

º¸ ¹ ¸

´ ²³

][

\[

•

n

Ö× Ö Õ

»

–

AB @ ?

9

Á

®­ ¬ «

V

ž

ÚÅÆ Ù Ø

Ä

Ã

\ [ [ Z

…

ö÷

ù

Z

Ø×

º

G F 

†

ª ©¨ «

ÙÚ

Ë ÊÉ Ì 0Š / .

Õ Ö ÔÓ

XX Y W Ü Ý ÜÛ

1 0/ .

ú

   " ! #

¨

e ef d ñð

ê

tuv s

G

é

  

›

‚ €  0

¡



¹ º ¸· È Ç

/

º



')R

R

q po

*

+

567 4

1

Ú

r

U



ž

Ÿ

ð

i hg

½

l k ij  å äåæ ­ ¬«  ® u w v u õ

 UTV S

ö

j

_` _ ^ yz    Žxw  Œ ‹ €‘ ’ ƒ~ ‚ƒ €

 

¡

de

g

;

> =<

Î

k

£t ¤ ¢£ l

×

QP O N ø



 _ m : V [ l - , +g ;l KJM N ;\O M Q RS h` <

§ L §¨ O S¦ d J M ;fO M Q  RS  h` i IH S : V [ ] g ] KJM N ;\O M Q RS h` < X WV = jkO RM M d hJ R\ RN M W g Zj` a_^ KJM N ;\O M Q RS h` < Y FE ° > ®¯ S O ^ S h_: ^ J ` h^ RM ;8O KM Š O ˆ‰ dS N Y RS M \ P:M O \ CD ;TO M L ^ \ W M ;aM 6 ‹ O M a a J d KY O \ O P M O M Y Y \ Ka O c  d bc Î ÏÎ Í ­ O M Y Y \ Ka O c    ñ ïðæ O dM M \ PN;M R: dS M Y L M \ Q K K\ O M U Q ST RS ` K J ^ R M L RM a RKg M M ƒ ƒ „… O ` KS Y R ')(R KM S d c c b f R S ?S= á O à ß dM M RV M N V f ^ \ a L O S PdN ;\` O KJ Y PM: M Pa` O KKJ M T N K\ e f 345 2 g fe â O M @a ?>a dJ KY O c DC B A O PM: J ^ PRO ;MO M N N S ;bY \ a O A M O O M 5  JM Y Y RM N M L O M Q RS ` ÷ K öJ õö _ ^ : ;Vs [ ] K \ ;K[ Z LW M J ·¹ ¸ ·  r q p ,+ âá à ß z{ z y   O M ;N: M ÿ L K W V RS U %$ # " * ) Š ‹Œ Š L O S T K M;;:O ;M R: RS M vQw O PMO _ M ^ ] N JM L K J  I ` ‘ u t ¸¹º ·  H GE E F CDE A  BA@   ‚ƒ ‚  [ Z Y ! \  g h R KM Y S L S X ³ ² ±² >?f e = < ;6: 897 6 5 â áà ÿ á  Ò  ÑÒÓ  ô õ ò ó ñ ð Õ Ô ÔÓ ptpsprpopqopn ó ò E & ('' FDE

Vx

y

m

  “’ ‘  

l





‡† … „ @A @ ? Ÿ ž ›œvuw

M

[\] Z Y

\] [ Z þ





ø÷ ö õ



tvuw é êèç ¼ ½ »¼ € ƒ ~ M L JK ~ |} 132 î  í ì ë   o n Ú Ù Ø × ‹ Š ˆ‰ m

§ ¥ ¦ ¥ -/ -.

Â





ƒ

9

0

ê éè .0 / †‡…„

ß

¼½ ¼ »

')*R

a` _ ^

Z

wx

€ ~ ¨ª © ¨



IJ I H

?

Í



õö

÷ø

£

,

+





4

cd b VU •  ©=Á  œ µ  µ µ ¤À ¿ ½ › ¥ « ¾ µ =–¥ ¨ ST ” ¢  › ½ –  ¾ µ  ž¤– ©=— ©› –= ©« – “¤™ ½ © ™ ž • — µ  › –= “ =¼» Ÿ ›™ ˜ ” ¬ «– ª



“

jk i h



>





6

² ± ° ° ¯ ®=­



?



F

• =–— — =– › › ¢« È Ç › «™ – ÅƵ  =¢ œ  – › — ¡ — { z xy Ä ¦ © › — ½ © =¢— ™ à «  Ÿ =¢ ©› ¨

@

™

ba ` _ + * ) ¯° , ® ­ !  " ç æå ä } | ÁÃÄ ¢¡ Ÿ z{ y x {

¤¥ £¤ ÚÛ Ú Ù   )( ' & Ð Ï Î Í 



G

Ï Î Î ÒÐ Ñ ÎÐ Ï Î § Ÿ ¦ ¥ › —¤£

a

   

po n m





pq

 Ž 

§©­

>

O

N

™š ˜ —

P

š™ —˜

Ö

   

ÑÒÓ Ð B C A @

UT RS

F E CD



R

]

T SUT    



É

êé è ç

Q R PQ Ê

Q

êé çè

êë é è xyz w

–

MN L K

Ë

Ï ÎÎÍ

=

æ

¦¥ ¤ £

è

é

  Ž

î î í ëì ê Ÿ ¢=— — š ¡ ˜

ý

–

–

E

76 5 4





45 3 2

“

EF D C Ê

G

F

b   



23 “ 12 ‘’ ”

¢

 Œ‹

•– ” “

|

Ž

10 / .

Ã

àß ß Þ

q

p

é è¤æ ” ç æ§å ä áÍáÍã

Ù

a

N

L

¦¥ ¤ £

21

 

KM L K

œ ›š

£ ¢ ¡



O M NM

À ¿¾



ðñòï ad

b



ú øù ÷

€

&

°

®

    

_

ÿ

 $ 3   % 4    3      3  • – ” “ %  2  /   " lmn k " ! ,.,. ,.,1  -- (+, (+, && " )* (  0()*  ' &/ &   $% #  " !        

        



m lk n

• –“”

Q

š

LM K



'

km l k "#$ !



î í :; ëì 9 8



ƒ

(

±


‘

m

?@ => >

¨ §¦¥ ¦B

¾

Æ

š

Z Y WX X



  

  

‰ ˆ‡†

†

cba ` a

< =>

Õ ×Ö Ö

¡Ÿ

À

̰ °

°±

ʽ

Ä» ­Ã

À ¬

Æ

À¯¾

§°®

°Ã

À° ¯

Ë°

»Ê ¯ É

Ð ÑÒ Ó ± ²³ ²

°À

®

ÀÇ »® ¯ Ã



Ë& Ê š É È

?

® ¯°

°À

Æ

¬Æ ÈÂ

à} ß ÞÝ

ÀÇ ÀÇ ® ¯þ ¯ à ¾à ÿ  »®® °À à „ ~À° }| °À »À ¿ ®¯ Á À ¾à  °À Ã

æ 5è 5

« ­¬ ¬

æ 5è é

ÃÄ ÁÂ Å

¼°± °À

°± ­

½ ¾¿

»® º

\

’ w‘

Äà °À ¯ ¾ ½ ¾ ¿ À °Å Ư ° à LKIJ °¾ M ­

¼¬À

°± ¯

½½¬

»Ä ­Ã

¬À Â

°°À Á

˜– —



¡

 ƒ‚

qrpo o

„

¢   





}

||~ z{

y x

ž ‰{Ÿ

†

††

y x  ||~ z{ }

|}

XGV W

   É Ê’È

×} ÕÖ Ø

Y

stq r r



&-

,%

”

ýþü û ü

÷ øù

56 5 7 Ër Ì ËÊ 5

N OP O

89

34

ú

K JI J

“”

x› ‘š

’€” ‘“

L K JIH M

d ef g

j

i gh

Œ‹Š Ž

•

†

4

îì í ì

š

Õ

wâá à à

h ij k

76 5 5

ï ðñ

°À

ʧ

ò

¹

¶¸

¶·

¶ ´µ

³ ²³

“• ”

ãá â YZX W ä [ “

X=WVU Y





D

ª

¨©

^E] \ _

E@ D CBA

Ü ÝÞ

ú :ùø û

6  



¨d § W¦¥

B A @? @

Ü

O MN P

÷ øù

(* )

êì ë

ú

í

€ ‚ ƒ

43 2 1 0 /

ÓÕ Ô

ƒ }‚

~ € 

|~| z{ }

y wx

„… „x

  

Êr Ì ËÊ

¥

Ú×Ø Ù Û

+  -, . 

 

ö ÷ø ö GMGFL K GFGJFGI GHGFE

%-

/0 - .-,

Ê

 = < ž  $% ¸ ¹º ¸ Ÿ  & ( % I ' /HG  )% " <;9 : & #   " J  # ] \ [Z : 7  * [ + b c d c 3 + ) C DE -  - 7 !  % i jk î -  (%  ˆ Š‰ˆ Í ÌËÊ ( )* ) œ ›3š ™ *˜ }w  &% ~} û úùø     æ è ç  æ >  [ ZYX < ' ; :9  +% ³ ² = ‡±°      ) P - RQ Q # % 7  Ì Ë ÉÊ B ( CD C

¢¤ £

0

0

F

:

4

‘

Ò.Ñ Ð Ó

#

"!

xw v Gut

WX V U U

 

§ ©¨ ª  ! ¡

 X  X

VW

UT

./

.

2

.1

./

-

;

+ %

+

à Á  Ä

Ô

¬ )+ * ,

^ » º¹ º

ì íî ï

Ï( 3 2&1

¬ ­®

¿À¾½¼ ¼

453 2 3

% &' &



.

! 

pqo n r

˜– U

V

ò

ˆ ÊÉ ,ÉÈ G

‡‰ ˆ

€ ~ ~

  

F € ~ 

êr Ì éÊ

‹ Œ





rqo p o

# $%

?@ => A

$

    

 ©  ¨ §

»

} ~ }

¶ Œ Ž

è ç  æ å

àZ ß ÞÝ

Ž

‚&!€ €

i *ShQ

!"

Ï Ê ÉÈ

… †‡ ˆ

    

  

ð ñò ó

l mn o

† „… ‡

l

Ž 

‚

2

‘

¤

PQN O R

î

5 j hi k

J LK M

} ~ €

 ¥ 

3 45 6

&'$ % (

ÅÆ ÃÄ Ç

i jk {

ä ãâ â5

/ 01 2

û ú ùø



¦ §¨ §    

F GH F

þ ÿ

& '( )

& Þ ÝÜ Ü

9:7 8 ;

rB pq s

ì óî ô

ë

±³ ² ´

õó ô ö

ø ú ùø

”



: à Þß á

û ê  ú è

÷ ö ôõ ô

Ä ÃÁ <ÂÁ

Q

MO N M

r

á âã

  

Œ Ž 

Ï Ê ÎÈ

â

±

G³±²

K LM p

ì íî ô

qo p

ä

Õ Ö× Ø

ù ø 3 ÷ ö !" # ÿ þýü g  ú ùø M LK L& .,  + *

 žŸ

  

íë ì

$ '& D

PN O



& Ò !ÑÐ Ñ

Õ ï× ï àr Ë Ê A   A  Ì 

$ '& D

ì íî ô

 SQ

y

S TU V

þÿü ý

 ÿþ



} ~ €

  

î: í  ì ë

Z

»  º ¹ ¹^

Ër Ì  Ë Ê

YW X

c

™

¦ §¨

 

Þ

¦



L

h ij k

K8I J

_ `a `

Š' ‰ ˆ‡



s tu v



¹ q¸8·¶

ñ ©  R §

þ ÿ

vLu t w

þ

s

.

º¸ ¹

« ¬­ ®

z

¼ » º¹ F · ¶µ´ µ

(& '

U !" #

VWT U

 ( '& )

<=; : :

¸  · ¶ ·

\ ]^ ]

)

6

á âã Ö ×Ø ä Ö Å ÆÇ

›œš ™ š ³± ²

²

È

×ÖÔ Õ

~ €

ïí î î

Õ   

¾ ½(& ¼ »

è êúè

( &'%$

¸¹·¶ º

c ba` aG

hig f j

ôõò ó



ö

qLo p

  

r

‹ Š‰ˆ

  ŽŒ © ª « ¬ ‘ _ ^] ^

ÜiÛ Ú Ú

| ~Ø|

df e g

/120/ À ÁÂ

  

åç æ

¼ º» º

å

Ÿ ž

h ij

t

$ %& .

Ù ÛÚ Ú

W XY

ã äå æ



v ' & % $ $(

ã äå

§ SRQ

¡ &$Ÿž





 

Î Í  Ì Ë



à ÅÄ Æ

š ˜™— ›

  

ã ã äå ã

…

àâ á á



ú ûü û

GE F

GTR S



U F

T&SR R

Ù

Ø Ö× L

-

j

FD E

igh

~} | |

  

* +,

D

Á¿ À À

B:A @ C ö ÷ø

! "

ù

´" #

ÒÔ Ó

y{ z z

Õ

ãå ä æ

‘ ’“ ”

­ ®¯ °

ò5ñ ð ñ

X ZY [

ó ôõ

¥ ¤£¢ £¦

ü ýüû

‘ ’“

½ ¿¾ À ö ÷ özRõô

ø & ÷ ö ÷(

ý nñð ï ò

• —–

«

 !

— ˜™ š

å æç è

m

žŸœ

˜

  

¨ª ©

1 ®G­ ¬ ¼¾ ½ ¯ ¿ qs r

lj k

h ij k 0 12

Ï ÎB6ÍÌ

°

¯ °±

¯± °

^ _`

B • ”“ –

s

¥ ¤ £ ¦

r

êé

FE

¯

Ÿ ž    Z

l mn m

` ab c

6 78 9

 ! "

 !

”

Á]À ¿ Â

<> =

c b  a `

ã

û



)

³ ±² üþÿý  ´

!" Ž

‚„ ƒ

î ïð ñ © «ª  ¬ 6 78 9   

 BA @ ?>=

 

— ˜™ š

3 45 6

 ê   è

÷œ ö õô

l mn l

Y X [Z \

: 987 ;

d ef e

7

` _'^]

k

Q S*RQ

tv u

T SRQ

¡ ' %&$#

¦ §¨ §

h

igh

Ü ÝÞ ß

À

3 5 ‚

% &'%$

% $#" #&

@ ? >=<

675 4 8

` ba c   

Ô w Ó Ò Ü Û'ÚÙ Ói ú? ù  ø ÷ $ %& ' ¼ » º¹ ¡1 Ÿž  l  m e fed û êè _ ^]\ ÙÛ Ú † …'„ƒ G IHG û êè 4  5 43   ÿ Ü “ ’'‘ : ¿ ¾½¼ < ; = üþ ý > ÿ µ ´³² ° ±² ³ › š™ e 

 œ gf h Ÿwž åã ä æ Æ Å Äà    Ç _ Ê _^ Ð Ï Ï¾Î Ñ  ƒ ‚ „ ‚ (* ) ¶ µ´ · ) æ çè é 6  6Ñ ¸

%' & %$

­ ¯® ­ ® ¯ ® I JK L ° × Ö Ö.Õ í ïî î g ]^\ [ _  

0 12 3

‹ŒŠ ‰ ;<: 9  9   A   

@ ?>=

¦¥ ¤£

íì ë î

;

 

! "

© ª « ¬ ŒŠ‹ O NM 3 ¼ ½¾ Š ‹Œ   ¿ ª© ¨ ª © § ¨ ¦ P ¾ ½¼ T z « | { « ¢¤£t¡ } ¼ ÛcÚ Ù Ö Õ^ÔÓ Ô Í ÏÎ ` ab Ü Þ Ý Ö Õ × £ ¤^W£¢ Ü Ð ÙØ × ÖÕ c   ß ñ ©  ñ ð ¯ ^ ® ­ ) * ( ' ì óî í  ô :ËÊ É °   Ê k   + 0 ´³² Ý]Ü Û øù ÿ þ üý > ?@ A ‘’ xv w ú Œ AB ?@  “^ ” Þ g hi û y C j å æç è d ef g ü ýþ

  !

ëC éê ì

8 9:

 

‚ƒ € „

è éê ë   

¨ ©ª ©

6 78

  

ì óî

Ú ÛÜ Ú

_^ ] !\[

˜q—–• ™

32 1 4

 Ž 

Ý ßÞ à

y z{

3 45 4

òóñ ð ñ

y  

  

;: 9 87

»

Y Z[ Y ø ú  ù ø

 

P ON Q

+ ,-

-., + Ø3 Ú ÙšØ /

Õ Ö× Ø

Ýß Þ

su t

  

ä åæ ç

ëF éê ê ? b a`

  

¥ ê  ú è E DC F G

–˜ — ˜ — –• ™ ¤]£ ¢ £

èÙ  ê   è

/ 01 2

Ù

ÛÚ

È Ç ÆÅ É » º ¹¸

© ª« ¬



65 4 3 2 1

| ~ }|

IC GH J

ÑÐ Ï ÎÍÌ

à

· ¸¹ º

xz y

É Ê ÎÈ

Ä ðò <ñð

˜ –— Œ Z —

£>¡ ¢

ƒ

‹ Œ

‚ƒ€ 

u vw x     

     n lm

œ

# ú  " ø &  ›œ ž G—• – ˜

Ø ÙÚ Û

™›š

 ƒ‚ ° ±² ³

­

Æ ÇÈ É á ßà B   A  Æ â

¬ ­®

T SRQ

1/ 0

 ÃÄ Å † …„ƒ h ij k < !"

$# " #

H GFE F

" #$ %

â àá 

DEC B F

B A @? G FED ò óô õ  C H ù& ÷ø ø

Ê' É  È Ç

Ò Ñ ÐÏ Ï

f( û & ü ù

ß àá â

f  e d d7

T SQ



é



K LM p

X' & W$

L ë éê

€~ 

 ©  ¨ §

Í ÌË Ë}

d Ä Ã Â À Á  = ‚ € à ‰ Š‹ Œ x w vu ƒ v °F ¯ ®­

T VU W

 Ž

5

8756

æ çè é



õ3 ô óò

µ· ¶

hC g Afe

» º ¹¸·

/ 10 0

<    

H

) *+ ,

\ ]^ _

P ON Q ¥ ¦§ ¨ R

¬2 « ª©

S TU V

4( 3 & 2 1

 

E FG

„ ~  } |

s tu v

i *ShQ   

š ›œ 

vwu t x

°7 ¯ ¨®­

ê

Ž

0 /. 21

¸ ¹º

È *ÇÆÅ

ù( û & ú ù

2( 3 & 2 1

A   A 

{z y L x w

®

–z •  ” “ ­?¬ «

ýþü û ÿ

Ï ÎÍ ÎÐ

· ¶´  µ ´

¢ £¤ ¥

¡ b Ÿ  G



 ‹Œ ì ê ë Œ Ž

WV U ,TS

Û£ Ú ÙØ×

r st u

G H! H

G F DE H

ì ë ì í3š

g hi j

lF k ji

ñJï ð

V

  

  

"

ô õšôšó

Ý Þß Þ

ó õô ö h ij k

h ij k

  g

ê

é çè 

>  ? = <

ÒÓÑ Ð Ô

z y wx {

¤ ¥¦ §

¡ £¢ ¤

” “*’‘

d ef d

ý3 Ú ýšØ

_^ ] \ [

û ê   è

‹ Œ

   (' & %$ ž  L œ › £ ˆ ¢ ¡  ¢ • ”  “ ’ /. - +,* ba`   ;: ž œ       9  8 7   c   æ çè é V UT ?TS à  & C Á À i jk j P QR S 7 65 8 ß àá Ù Ø  ×  Ö Î   B   A  Ü ~ }| 9 ÐÏ |}  ~  ‘ ’  Ñ h j  Y XW € WZ Z \[ ç æå Ï ÎÍ è & T S RQ  Ÿ [ ¡  ! ‚ ¿ ÀÁ ¿ Q Ð  ¢ µ* …„ƒ S RQ | ê  ú è % #$ & G m lk †   à ÂÁ Ä   l ' ¿½ ¾    G  c ba Å 1  À ùûú IH J d ± ²³ ´ ù *( ) S TU V ( Ô Ó 8ÒÑ Å *ÇõÅ è êúè  s qr † ‡ˆ ï1 î /íì " #$ %  Z : T SR nml k su t  t df } ‰ Ò ÓÔ U    Ò ý( $ %& D o v û & ü ù . g ê é èç 

 ´  i %   o nm  *   … p 1 { yzx  |  - ~ 7  ~}



  Í   Ì ËÊ 7   G³±²

&

 ‘’

<

 SQ

& % $# '

)

BCA @ @

ª © ¨§

z

ú #ø ‹Š ‰  ˆ ‡ #

: ~ |} |

yw x

L. K J I

k lm n

Ñ ÒÓ Ô

¡ £¢ ¤ FD EDC  Ԏ Ó Ò/Ñ

: ;< = • —– ˜

  

·.¶ µ ¸

ËÊ É Ì

ì íî í

û ê  ú è

  

Å

< => =

õó ô Ç B È ÇÆ ö

  A 

¸ · ¶µ   i jk j   êè

È ÉÊ É

CA B

 ÃÄ

ì îí £¤ ï

¾ ½¼ „  ½ ~ }|

‡ˆ …† †



‡ ˆ‰

«¬ ® ­¬ Š ¦¥ °± ¯ § ¤

| { z y á âã ä

{ |} | â; á 9àß ( *)(

°­

ÌÅ °À ¯

¬

±Á

v

ã äå ä

9:8 7 ;

‡

s tu

³ ´µ ¶

„† …

Á ¿À Å *ÇõÅ ¿

ÒÔ Ó

5  Ž 

z |{ z

œrš ›

—3–• •

K LM K

G w! G

¶ ´µ ´

Î ÍÌ ñ . Ï

fg.ed d

òóð ñ

¯

™

!" # o pq r p bon  l  m d K LM N Ž    n Ï' Ð ÏÎ (' & %$ Ç3 Æ ÅÄ Ì ÍÌË Ë Ê  É  È “ ”• “ ê é èç lnm m ÿ …„‚ ƒ

• Œ  y†| wx ¬  — ‘‹“– g — ‹‘“– ‹ŠŽ‹ N O P Q € ‰ }‡zˆ —˜ ‹ —˜ ‹ — ™ — ™ | € € y }€ Š‹ œ ™ SRGQP HGGMGFGLGOGFNJGFGI GFE 

/. - ,+*

è ê éžè {ƒ ž „€ ‹ Š‰ˆ g ŒADCB@A?



  

Ú ÛÜ Ý

†z „… ‡

¾r ½ ¼» { } | {z

@ Ž 

Æ@Å Ä Ç d “ ’‘

h ij k

X YZ X  

”• ’“ –

š › œ  563 4

  

ú ûü ý \_ ij[k] ë ,ìí apqq \ Z[\]Y qsqtur abl[m Z[_^ ² ³ ´ µ š › œ  Q PON u ab 3 a`  5 ‚ è ê úè aZno b[c]`^ + -,+ npp ]   û ú'ùø ig f\]Zde b \gd _h ad \h

cdb a e

ñ&ðïî ò

G H! ¢

÷ ~ Ø|

‰

i Æk Ç   I

ï ðñ ð

  cdba` Z [\  e

[ …Ÿž 0 /.- K L M K JLK % &'%$ ^p no ^ _^] q û ê è M s rq ' É Ê ÉÈ     r DBCA@? · ( ¶ . µ ¶ v wx h S * h  Q : ] [\ y ™ š› ˆ ‡†… 

² ± °¯ L M N O

…½» ¼

¬À  L K °À ¯ JIH M± ¦ Ä° Í ÆÄ O ¾QRP §¬Ä Í P À ¬   ª ÇÈ É

¬®Ê

§»°±

°

˻
°À ­

»Ä Å

°À Î

°Ã

°¤

¬ ÎÂ

°º

|;{ z { ª © ¨§

ÞGÝ



  

Î

«d ©ª ª   C  p no  o

¦

Ë Í&Ì

wx y + -, . lm

3

Œ‹‰Š

34

¥§ ¦

>

<


s u



ö‚&ø ƒ

ß ÝÞ Ü

T RS Q 

Þ ê ç è«é

   É

ÜnÛ Ý

' d & '( a b c

\ Y Z [

k    Ì Ï Í Î

ý þÿ

í é êìë

  

• ~ ’ “X” { |]}

Y U VXW   

3

i ¸,¹wº f f g0h - .0/ 1

ÇHÆ È

 $Ó Ò Ô …†n‡ ˆ  

"$#&% '

   

PP

Õ

10 2 ƒ

B @A ? ™ršw› œ

 

   ¾

`

¦

^_



] o

m$l n

) ½ º »¼ Ô Ò Ñ Ó ž>ž Ÿ

½ º »¼

ù ÷ø ö m klj

¼½»

„ …… †

a$` b

¶ ·¶ µ

õ

W VU T

] \[ Z

_ ]^ \

G FE D

ß ÞÝ Ü

ö ó ôTõ

,

ñ âð à

þ þÿ ý

ˆ ‰#Š ‹

, -+

á

á>à â

 žTŸ

Í Ê Ë+Ì



óò ô ç

ÚHÛJÜ 

å/ä æ 

z y z#{

uvFw

%

"$! # â àá ß

, #$ "

¹¸ º

Û ÚÙ Ø

ë

®

¬« ­

Ê

û ûü ú

¾ ¿ÁÀ

œ q p ™ šj›

K

|

C+DFE G

° ±“² ³

qFÐTs Ñ

ò óô õ Œ Š‹ ‰ 1

˜ /$. 0   

 e } ~€ b cd .

ó ò ójô „ K IJ H € ƒ‚   

˜ — ™

& '% M L MN



1,2#3 4 £

>



NM O

K H IFJ

À,Á, Ã

ý ûü

ù ö ÷rø 8 67 5

 X XY W  

è æ æsç

ú

L •s – —

 ž“Ÿ 

w   F ¬H­H® ¯ C D$E t uRv

ý

ûú ü

Ö Ó ÔÕ

Ð Í ÎFÏ

® ª «­¬

V S TU

y

wv x

S O PR Q

 ™ šœ› ©

* & ')( _ `+a b



« ©ª ¨

© ª¨



ä åã

NM O þ ýþ ÿ

ì/íî ï



~ } ~ <>=:? @

Ë È É#Ê 9

ã

67$8

¤¥ £

  

’

a _` ^

y/x z

¡

}



’ ‡

W VU T

~{

† ‡ˆ

z{

‚ƒ

„ ƒ…

c



’

˜ • –s— ‰ ŠŠ

…

†“ ” ‘’

üFû ý

¯ª

ž‡ § ‡…

¬ §­ ‡

¨§

®ª­

’

‡

ü

§° …

á ß à › †Þ …

Õ¥Ô Ö

±²³ Ÿ‡

„ ‡ˆ

‡

‹ Œ

°

Û

´­ ’

M L MN

’

Ž

× «§ ±

ƒ

  

«

·

µ §­

•–

   

g hji k

¹¸

— ƒ˜

)*,+

„ |} ‚ƒ 

¯

‰ ŠŒŠ ‹ À ¾ ½ ¿

˜



±­

·« ’

ö¥÷&ø  ’ƒ ¸,¹wº »  —  ƒ ™‡  R PQ ”~ O ” f de

ï ë ìîí

Î ÌÍ º ± Ë

‡

“”

k ij h

äã å

” ~‡



ë ì5ì í

›

š

á à â

æ

ö÷ø ù

„‡ “

^ Z []\ „ …‡… †

ß ÝÞ Ü

67$8 

D ¢¡ EF G Å Ä ÅtÆ

î ìí ë

!  

o,prq p 

›Fš œ

ŒŽ T

9

¶ ·j¸ ¹

{



› œ› š V

U

O PRQS Ê$ËDÌ Í

  

Ì ÍÏÍ Î

T

Ù ÚÛ Ú

R Q RTS

óò ô

W

T

£ ¢¡

¸ ¸¹ ·

õ

T

ç ä åæ

É % #$ Å "ÆÈÇ

ã áâ à

þ ÿ



“ ’‘ 

[\ ZY

o l lnm

œ œ ›

ÿ

ñ ð ñTò

«+ª ¬

®­ ¯

P

 



­

`

XY

<< =

; <; :

±¥².³ ´

ÏÎ Ð

ect

p æ no m

š — ˜™

›

’ ‘

e dc b ‹FŠ Œ

Ñ

¤ ¢£ ¡

Ž& 

°

ñ ïð î

¦ §¨ ©

uvw

2

g+h-i j

/ 0#1 2

)+¤-, ¤

¶ ³ ´ µ

uxy

%

~ } | | 5 34 2

k lm n

 {  x yRz

Ö ×Ø Ù

ß Ü Ý Þ

‘  Ž

‰ ŠD‹

¸/· ¹

uy

1

 /

€ ~  ~

¡¡ ¢

u



  "0

ž  Ÿ

>Ž Ž

p qsq r

ð ï ð.ñ

Ä ÂÃ Á

$ #! "

½¼ ¾

 

à À ÁÂ

( &' %

¿

; 7 8:9

R O PQ



IH J

s+t-u v



#! "

Î Ë ÌÍ

/ 

0

:

¼ º» ¹

ÚHÛJÜ Ý



ö¥÷&ø ù

‘ ’‘ 





Ò/ÓÔ Õ ÷Fø+ù ú

 "

0

9

@A  / 2/34 5 6/78 9  : ;< = ' > 9    &( & 0 B  "$%' # !    9 > >  ?A @ ,  & ?> G )+*     . 0 1 <1 DFC  E  0     -/  : 78 &

M  L$MDN

<

0 

 9

‡ ˆ‰ Š



 

l l kk` heh ck `h`a^ f hija mt trt df_gab e^rs de fe _q ^_b_c fpe on ]^_`a `a _m

” “ •

XY$Z



Î Ê Ë+Ì

| {z y

 "



=

;

VU W

ž



 

 



 





(



2 3546

Î Ê Ë+Ì





hg i

Â$ÃHÄ Å

º

Ž ‹ Œ

 € ‚

‡ „ … †

°>¯ ±

Ø>× Ù

X

[

¶ µ ϳ

 

¸ ¶· µ

a ^ _0 `   A BDE C

 

c dfe

Ø ÖÖ×

Æ ÅÄ Ã

0

'

²

¥H¥J¦ § 9

–/—˜ ™

ñ î ïDð

67$8

 Â





 

  

Ù ÙÚ Ø

  § 9 



9



Ç ÅÆ Ä

z xy w ¤ ¢£ ¡



² ³´ µ

ÈÇ É

ò ñð ï

éFè ê

­,¬ ® 0



å ãä â fe g

t q r s

–

! 

” ‘ ’n“

§ ¥¦ ¤

 

b a` _ h

} z {|

<< = g

+ )* )



7 56 4

j

qFrTs t

¬ ¨ ©«ª 

v>u w

¿Ç Ó Á À ⠾ ¿À ÅÔ ¼½¼ ¿ã ‰ Í †‡Nˆ ÊÊ â Ê

 €  Ï Ð Ñ … ‚ƒ„

43 5

¯

>

Ò

ll m

” ’ ƒ’ “

r + o p]q () *

BCD

6

  

ü ûúù

+,-

BED

 &

  ;

ÕÏÑ

. ”

n

õ óó+ô

BC

ÈÄ

Á À ⠾ ¿À áÔ ¼½ § Ð ¥¦ n Ù no Ù p 99 :¿ Þ ¥ ×Å Ø 0 × Ø – Á À ÕÖ Ä .,ÕÞ ¼ß / ”>• ×ÚÛÜ ÕÏÑ



B” F  ‘“’ '

Ä ÅÃ %

‘ Ž N

ê èé ç



? @BA C l

ƒ+„-… †

34

ÏÛ

×ÚÛÜ

ÏÛ

ÄÓ

X XY Z



B>A C

i j j k

Ê >ÇÈ É

ú+ûFü û ¾H¿JÀ Á ö¥÷&ø     ˜ –— • FHGJI K

¢¡ £



B

x

Ú

¡ ž Ÿ

\  \ ] [ èé+é ê  

T S T#U

»

Ë ËÌ ö¥÷&ø ˆ Ê þ âá à v

ÈÉÇ

$

56

ÎÏÏÑÒ

» ¼½

GHI

˜ • –$—

6

Z []\ ^

Æ

· ´ µ¶

?+@-A B



¢

¨$©Hª «

6

tuwv x

ã$ä&å æ



¾ ¿À



Ó ÏÐÒÑ

)+*-, .

  

 

® ¯ ¯°

)( *

ÑÐ Ò



ÁË¾Ì Í

ÝÛà

Û

ÔÄ

Á Ľ

O PRQS

> < =Ý Ý;

Å ÀÄ

» À½Ê¼

Á ÀÂ

J

 

á âá à



     

ö¥÷&ø ù

HIH

 ÀÁ ¿

: 89 7

f de c

±+²F³ ´ ø  ê è é N LM K õ ö÷ þ ÿ Ø Ö× Õ ç / + ,.-

¿ ½¾ ¼

× Ô Õ Ö

¶ ´µ ³

 

Ó

)+¤-, ¥

@ ?> =  | }D~

J

à ÂÄ



!  

r rts u

È

a

© ¦ §]¨

€ ‚

ÁÅ ÆÇ

 ž Ÿ

î ìí ë

ˆ … †ƒ‡

£¥¢ ¤ 

  ÿ

$ ! " #

Û Ù ÙfÚ

G H IJ H K H L M H G LN

¤¤¥ È ¼ ÎÏ ÈÉ

² ¯ °A±

 

O K LNM

‡ “ †

“—™

‘ …’

ƒˆ

© ª«

—“ œ ‡˜

¦§

;  8 9.:  

Y

W+V X °±


abcd –<Ž £ ³‘  Ž Œ$‹ ¤ Ž´‹” œ ³=;™™;™ “ — ³‘  Ž $Œ‹ ¤²± ®Ž   ž«­«° ¬h« ª ¥ž§ $©¨ $§ ‹¯ ® ¥   ` _  “ ¤“” ž«­«­ £$¬h/“«¡¢ª ¥ž§ žž Ÿ  $©¨ § “” ¦ ¥ Y]^ ž $Œ“ ›œ  š h™ $Œ ‹$Š W[\ Z ‹ —<˜ —$–•  ‘ ” “’(‘  Ž $Œ‹$Š VWXWY

ghf e

ll=ki;ji   

/.-,,+ *) RQQU$STQ$SRQ     

˽¿ ÉEÝ¿ : ß Ýº È¢ ÝÊ ß² Äà ¹É Âà É¿ ÆÚ(Á¢¿ Ä=à Šº Éà Šà=ËÉÃE ÝÀ Å Íà !ÛÃ(¶ Éà ÛE ÈÛ ;Æ ÉÂÁ Þ ËÉà (ÛÛ È Æ; ÉÂÁ Å ÉËËÃËÉà ÁÁ Å $Û ÉÂ Þ ÉË(ÃÊEÊE¿ ÆÚ ß²Ë¿ÉËËÃËÉà ÁÁ Å $Û ÉÂ Þ ËÉú ÈÝ ÄËÉËÃÉËà ÚEËÚ¿ ÜÁ Å ÛEÉà ÉEÉˢõ ËÉÃ(ÊEÊE¿ ÆÚÉËËÃËÉÃ Æ Æ² ÁÂÃ Ù È ÄE6 Ø ºh×EÖ Õ'Ò Ô&Ò'Ó'Ò Ñ;(ÐÏ=ÏIÎ ÉË ÚÃ Å Æ Ä=à Â@¿¼  (ÍÌ¢¿ ËÄÊ=ÉÃEÀ Ȣà ÆǺ Å Ä= Âà ¢Á¿EÀE¿²¾ : ½ ¼h»²¶º K ¹ ·¸=¶µ ç!æã!åâãä!ãâá

{{p| p xpq n „„}v{xxus| yzq „ ‚x ƒ

 opq <nmpus„…† o}~q noosturtvowq …ˆ‰…‰… ‡ r puv€ouvun‚ 564!3 2$# 1 1L? P ON N N9 M4B >  

 A222@? > ;9 # 2   =<9 2 ; # :9 2  87 ('   &%$# " = 9LK J 2I= 9# $$  # 3G F 2  HG F 2 $E 6D    9  C# B   !

0


^ _ ` _ a _ b c d e fg h i

^ _ f ` _ a _ j c d e j kml h i n o p n h q r s[t[u ) /0

"& '(

-", .+

)* $ #%

" %  !

" !# !  

  

J



GH

J



&5 %!% <>

<A

03/0

86;<0

86;<0

%4

=0<>

)% C " !# ! B5  ?" !

=0<>

2 1 2: 2: 8& 9 8 9 67 % ?6 @

(C

" 4!# ! 5&  D

.++ C +

IJ

XY X ]  

Õ·

©°

©°

©°

­ª

­ª

­ª

Q ¬

P

 

± F



³ ¨

³ ¨

´µ

´µ ³

  



¨

¨

±²

±²

±²

²

 ²

° ®­

° ®­

«

«

«

¯

¯

¯

­®

­®

­®

© ¬«

© ¬«

© ¬«

©ª

©ª

©ª

§¨

§¨

 F



° ®­

 

F E

F 

VW

T

  

MT S UT   NR

F

E

§¨

¾ ¥ ¼

ÒÓ

£

ÑÐ

¡¢

ºÃ ¼

ÏÐ Ì

ÂÁ

Ì š Î

À¼ “

¹

M

M

F   N M F       F K L 



¨ ²

M  

³



¨

´µ ³

   O



± ³

F

²

² ±





 

¬

…… „„yz ~| yyzw „ z‚ƒ †‹ }x€ w‹Œ~ }~{ ~ ŽŽ xŠ ’ z{wxx| ~‰‡zˆ ŽŽ‘’ vwxy y ~| x† y

M 

­

¬ ²

 

¶·

­



  

 Ô·

­



X\[Z XY[Z  

™ ¾Á ”—

¹ ½À “

š

¾¿

Ì ™œ

¹½ »¼ 

¸¹º

Í ”—

– “

 ›

“ –

”—

Ì

Ÿ “ “

¦ ž

£

¡¢ “

”ž “ š ™ž – ¤

”—

”• £

“ “

¡¢

”œ

É ÊË “

˜

– œ

”— “ “ Ä “

–

Ç ÆÈ ÅÆ


²¨ ¤¥ £±§ª

­¨ ¤¡© °« ¤¤¥

°¨ ° ¡ ¾ ¿ «¯­® ¥¢¥¬©¤ ¹¨® ¤¢§¡ »½ « ©¬¤ ·¸® ¤§¡ º »¼ « ª¥¬¡ °¶ ¨ ©ª§¢ §¥ ¡ £¤¥¦ °´ §±µ ›œ žŸ  ¡¢ ³ ¥¢

d e f e g e h i j d k l m no* 01 d e kf '&"e g e p ?i j dr qstu B * & ? D #'%+()$& ##-.&/," 61430&5 2 =>19<=371; =>19<=371; #6C"$! #6'!)5"$! D !" !E/,, D # @ $ " # 9 ' : 9 : ! & 8 7 A  @ 7    KJK ] H I Z\[

     

ac^

a ^_b ``   U T

G    Q G        SR 

 N

  G   P  N GG   O N    G   G  LM 

 FTY

  W N XXX   OV F G 

Œ‚‰  „‰†ŒŽ  ‚€ˆ‚‰Š‹ ‡•“” ƒ…‡€„…† †‘€’‡‡ –š–™ ~€‚ƒ ‚†€Ž „•—˜† { |}z vyx z vw



v


m º‹»’¼ ½q¾¿¼ À¿Á’ »*Ã Ä ÅÀ Á Æ ½qÀÃÀ”»

n

    „   … †‚  O‡O‡ O †‚   O  ˆ‰  ‹Š            }~   O          O    €  O  € ‚‚O O O  ƒ        ‚Œ   Ž  Ž Ž’‘“”N on

pqnn

rts7rvu2w

N   O

RPS X` Q Va R gT bS h STi U j X hQ Y k R Rcl Rh V dl W h X X Y U X W Q Y Re f<Z T [e g \ g ] g T` Q Y [ ^S [T S [ ^ X ^ V S _ _

´  €  µ ¶· µ ¸· ¹ µµ ¶   

    x<y z { | |

! " # $ % & ' & (*) + , ( ' - . / 0 / " ! " & # 12'3 $ 4 5 ' + #76 8 9 : 6 8 8<;2+ = > + , + & ? @ + , A B C : ? 8 A D E2F 8 E G E G ? H " I A B C : ? 8 A D E2F 8 E G E J ' & H % K> " # $ % & ' & ( L / + 1 1 12L 5 % M " , > " # $ % & ' & ( L = % .

•—––

˜š–›— ¡ ¡ £ ¢¤ ¥ ¦§ ¨ ¥¥•©–—– ¥© ™ ˜ªš«–§©› Ÿ¨­ «žœ¥ž ¬© šš®• ¡ š› ¡ ¯ •°±²³


k

«­¬

¬

®

«

¡ ©)¥ © £ ÂuÃ Ä ÅÇÆxÈ6à ÉÇÊÌËxÈ6ÍÏÎ1à ÆÇÐ ¡ ©‚ª

¡ ¤)¥ ¨ £

¡ ¨£

¡ ¨§

¡ ¤)¥ ¤ £

¡ ¢§ ¡ ¡ ¢£ ¡ ¦§

«­¬

¬

®

«

¯°µ½

¯¯¹»

¯°¯¸

¯°¯º ¯°¯À

¯¯³¸

l

mnlol

pqlolsrutv txw y

¯¹¯

¯°±

¯°´

אØxÙxØ­Ú Ä ÆÇÈ

¯°¯¾

¯°¯½ ¯¯¹¼

Û È6Í­Î1Ã ÆxÐ

¯³µ

¯°¯¶

ÂuÃ Ä ÅÇÆxÈ6à ÉÇÊÌËxÈ6Íϯ Î1° ¯ à ² ÆÇÐ

¯µ·¸

      M       M ‡     M M      M      €   M         M    ‚ ƒ  M  ƒ …„… MM M  †           „‰ˆŠ  ‹  ‹ Œ‹nŽL L  M PN1Q V^ O T_ P eR `Q f RQg S h V fO W i P Pja fP T bj U f V V W S V U O W Pc d)X R Yc eZ e [ e R^ O W Y \Q YR Q Y \ V \ T Q ] ]

¯³´

¯°¿

¯¹µÀ ¯°·

Ñ  ƒŒ  ÒÓÔ ÒÕÔ ÖÒÒÓ   

¯³·½

¯°·Á    z|{ }~~~

‘’“’ • ”–’—“˜ ! " # $ % & % ')( * + ' & , -. / . ! š ™› ! % " 01& 2 # 3 4 & * "65 7 8 9 5 7 7):1* ; < * + * % ‘˜“’’ = > * + ? @ A 9 = 7 ? B C1D 7 C E C E ”’ œ = F ! G ? @ A 9 = 7 ? B C6D 7 C E C H –—“ & % F $ I< ! " # $ % & % ' J . * 0 0 01J 4 $ K ! + < ! " # $ % & % ' J ; $ - žŸ


Bijlage waterchemie

Ven Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Grote Klotteraard Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Haverven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven Peerdsven

Monsterpunt Datum 1 7/03/2007 2 7/03/2007 3 7/03/2007 4 1/08/2007 4 10/01/2008 6 7/03/2007 7 7/03/2007 8 7/03/2007 8 1/08/2007 8 10/01/2008 9 7/03/2007 27 19/04/2004 27 1/08/2007 27 10/01/2008 29 10/01/2008 30 19/04/2004 30 7/03/2007 30 10/01/2008 BV1 19/04/2007 BV2 19/04/2007 BV3 19/04/2007 BV4 19/04/2007 BV5 19/04/2007 BV6 19/04/2007 BV7 19/04/2007 pb104 1/08/2007 pb104 10/01/2008 pb104 10/03/2008 pb105 10/01/2008 pb105 10/03/2008 pb24 1/08/2007 pb24 10/01/2008 pb24 10/03/2008 10 10/01/2008 11 19/04/2004 11 7/03/2007 11 1/08/2007 11 10/01/2008 12 7/03/2007 13 7/03/2007 14 7/03/2007 15 7/03/2007 16 7/03/2007 17 7/03/2007 18 7/03/2007 19 7/03/2007 20 7/03/2007 pb102 1/08/2007 pb102 10/01/2008 pb102 10/03/2008 pb103 1/08/2007 pb103 10/01/2008 pb103 10/03/2008 pb30 1/08/2007 pb30 10/01/2008 pb30 10/03/2008 21 7/03/2007 22 7/03/2007 23 7/03/2007 24 7/03/2007 25 7/03/2007 26 7/03/2007 28 19/04/2004 28 1/08/2007 28 10/01/2008 pb101 1/08/2007 pb101 10/01/2008 pb101 10/03/2008 pb46 1/08/2007 pb46 10/01/2008 pb46 10/03/2008

Watertype Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Bodemvocht Bodemvocht Bodemvocht Bodemvocht Bodemvocht Bodemvocht Bodemvocht Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Oppervlaktewater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater Grondwater

Opmerking Klotteraard, Pitrusoever weiland greppel uit pitruslaagte Plas op ma誰sland langs Klotteraard Klotteraard broekbos OW Klotteraard broekbos Klot uitstroom Laagte in bosrand NW, afwaterend op Klotteraard Greppel uit wei NW, Klotteraard Klotteraard instroom wei NW Klotteraard gracht NW Grote klotteraard klotteraard Grote klotteraard Klotteraard Klotteraard Pitruspoel NW sloot langs akker Zuidrand Klotteraard, langs mais Klotteraard aardappelakker pitrus klotteraard pitrus klot exclosure klot wilg/els zuidkant klot toplaag veen klot slib op veen klot toplaag veen klot slib op veen Klotteraard Peilbuis 104 GW buis 104 Buis Klotteraard ZO GW buis 105 Buis Klotteraard NW Klotteraard Peilbuis 24 GW buis 24 Buis Klotteraard Zuid Haverven gracht ZO haverven Afvoer Haverven Haverven OW Haverven Berkenbroek Haverven Greppeltje uit weiland NW Sloot uit weilanden NW Broekboslaagte west instroom laagte ZW Maisakker afwatering Maisakker Sloot uit zuid Sloot Bels lijntje Haverven peilbuis 102 GW buis 102 Buis Haverven ZW Haverven peilbuis 103 GW buis 103 Buis haverven NW Haverven peilbuis 30 GW buis 30 Buis Haverven ZO Peerdsven noord Instroom greppel uit bos Peerdsven N Instroom uit bos, over pad, Peerdsven Peerdsven west Instroom uit bermslootje westkant Peerdsven Instroom uit bermsloot oostkant Peerdsven peerdsven Peerdsven OW Peerdsven Peerdsven peilbuis 101 GW Peerdsven west Buis Peerdsven W Peerdsven peilbuis 46 GW Peerdsven oost Buis Peerdsven O

pH 5.46 4.97 5.77 4.962 5.334 5.56 5.09 6.15 6.226 6.088 5.91 5.141 5.15 5.798 5.841 5.848 5.65 6.567 5.679 5.732 5.366 6.516 6.63 6.464 6.389 5.158 4.462 4.353 4.587 4.358 4.124 4.274 3.796 6.614 6.17 6.29 6.538 6.078 4.31 6.7 6.26 5.07 6.32 6.7 7.11 6.24 5.38 4.385 4.463 3.985 4.493 4.009 3.825 4.199 3.315 3.388 6.15 3.44 3.39 3.5 4.06 6.14 6.549 6.913 5.797 4.637 4.44 4.501 4.32 4.203 4.521

Alkaniteit (meq/L) ext. 0.2929 0.1580 0.3037 0.07547 0.031 0.2472 0.9651 0.1255 0.3955 1.115 0.053 0.5919 0.1222 0.05215 0.1272 0.006 0.1538 0.6095 0.7398 0.1384 0.9114 1.138 1.165 1.012 1.084 1.478 1.074 0.8469 0.4299 0.048 0.06951 0.1222 0.1131 0.03667 0.023 0.04494 0 1.147 0.3518 0.3617 0.2344 0.019 0.3771 0.2298 0.7606 1.037 0.1181 0.5602 0.7599 1.022 0.4792 0.1432 0.03896 0.04 0.04985 0 0.07546 0.025 * 0 0.01388 0.026 * 0 0.1534 0.1951 0.2771 0.4071 0.022 0.2226 0.09276 0.029 0.06181 0.05435 0.04273 0.005 0.02949 0.1029

turb

TIC

10

HCO3/CO2CO2

HCO3

240.4699 366.3694 32.80706

2.8

916.2288 456.6139 232.0584

1.0

22

20

106.8852 0.057418 101.0813 54.81539 97.92246 527.9917 803.868 0.292448 621.9734

25.52292 151.9411 181.8946

287.7768 2084.183 2240.903 2493.003 594.6065 649.93 702.0759 567.1627

440.6602 413.0322 501.7311 240.3095 809.6136 1150.574 848.0709 576.4422

1336.369 2117.721 2117.923 2330.614

16.06846 19.81148 33.95927 22.05558

2236.907 1348.38 369.2761 0.61383 188.1991

17.44601 3.498328 630.0853 115.5223

2497.215 2742.634 2733.312 1404.22 1800.504 1550.147 1143.605 2882.134

2057.5

303.7214 2.7

0.198175 0.223897 0.096394 1.361595 1.770305 1.207948 1.016361

5.803889

122.1048 225.8381 112.1619

177

1454.969 831.1596 10.01688 1859.369 7.454417

19

2269.3 323.7376 1.371644 606.1633 1.681271

14

4237.947 635.2539 0.544497 963.5602 0.977073

3.5 51

4.1

215.738 1.469089 87.37553 354.6234 234.4321 1798.056 1189.181 1225.095 2540.925 1713.826 1661.008

128.3624 60.96285 13.59239 16.11454 11.3505 22.87809

NO3 2.014 27.399 1.636 0.855 0 157.272 14.182 141.498 4.361 179 182.416 28.005 1.538 1 0 -0.024 7.852 19 0.699 0.514 2.546 33.114 40.279 42.79 5.348 0.872 2 1 11 1 18.814 0 1 3 0.737 20.002 42.822 1 20.563 1.068 99.083 9.991 17.903 0.648 1.837 91.217 35.861 2.874 1 0 1.674 2 1 3.818 5 1 31.657 792.163 720.751 785.43 179.917 10.355 0.017 0.952 3 0.769 0 31 0.998 0 82

NH4 4.013 10.81 1.166 19.227 173 17.892 3.738 0.234 8.072 8 18.216 10.778 1.95 3 12 7.395 0.415 114 24.433 6.737 314.582 145.57 334.676 147.739 152.118 10.345 18 22 33 23 56.772 65 124 14 18.69 6.898 4.502 20 7.8 0.123 4.286 5.697 44.848 6.418 1.279 3.102 13.956 54.23 28 35 77.454 100 76 107.516 76 65 2.559 59.918 61.596 31.115 20.293 3.19 8.253 2.459 9 19.088 20 15 12.365 6 15

PO4

K 4.145 6.901 2.17 1.662 4.00 0.22 0.988 2.563 12.83 3.54 0.285 0.23 0.15 0.19 2.72 0.303 0.968 1.11 9.315 7.671 2.66 1.175 0.207 0.515 1.299 0.265 0.17 0 0.49 0 0.376 0.26 0 3.42 0.281 0.257 0.193 0.18 0.211 7.369 2.013 2.488 0.959 3.967 4.971 3.077 1.414 0.415 0.85 0 0.21 0.16 0 1.185 0.50 0.096 0.125 0.128 0.107 0.085 1.109 0.118 0.296 0.204 0.15 0.482 0.10 0.03 0.11 0.14 0.039

140.342 141.653 117.164 140.833 281 170.104 58.116 150.256 647.674 419 177.3 192.336 154.817 200 74 169.845 57.057 511 186.307 166.895 194.97 164.706 214.039 162.814 176.142 129.906 144 161 239 110 57.583 49 30 603 193.384 167.754 120.966 190 165.987 37.879 111.551 70.584 152.888 282.209 225.006 276.674 199.196 143.961 136 55 161.96 159 120 386.707 339 256 68.088 57.64 44.667 37.598 60.922 65.495 84.683 77.46 69 32.339 36 15 43.831 50 28

Na 191.833 217.14 94.368 401.925 734 323.577 176.706 236.13 394.456 489 321.183 373.284 360.616 334 236 397.945 49.046 348 484.364 542.664 843.278 473.953 544.957 493.017 350.647 748.861 693 604 285 237 3290.506 3079 1698 686 995.066 746.388 670.787 721 658.777 49.911 964.895 122.854 1643.508 109.858 123.256 209.275 284.33 1348.419 1523 807 2119.383 1959 1726 2800.419 2507 2045 223.799 292.557 280.367 290.948 431.181 224.865 230.99 286.827 255 241.753 500 302 566.442 672 557

Cl 180.151 225.381 66.329 433.828 1210 329.956 142.095 142.47 525.716 551 327.982 426.007 370.145 385 228 444.314 57.553 571 589.836 466.354 1422.183 694.759 596.185 758.419 599.951 803.184 736 685 228 137 3647.168 2381 2141 998 1251.769 879.489 712.369 863 924.979 53.307 934.219 158.253 1855.306 156.35 154.024 269.809 377.81 2248.438 2282 1147 2513.023 2482 2165 3443.368 3134 2612 224.345 355.869 342.771 319.273 487.692 222.36 254.211 339.02 254 259.612 518 271 640.482 737 627

Al 16.30 8.80 29.70 11.57 41 14.67 26.22 27.87 20.89 36 15.39 15.76353 7.16 7 15 9.458858 37.14 58 66.97554 110.1557 137.6205 5.778354 3.269088 19.14381 17.63158 52.85 36 33 74 51 461.45 307 285 39 16.42698 18.34 12.36 16 24.70 34.93 72.46 49.89 20.85 33.39 50.93 62.94 41.85 56.34 43 41 131.50 179 149 633.43 551 580 14.66 142.03 130.10 139.58 132.62 10.75 8.435878 6.52 5 70.39 60 35 199.37 277 187

Ca 158.06 147.80 104.87 216.47 428 163.90 76.72 182.04 360.28 337 170.53 195.0848 189.05 215 310 255.2395 59.78 436 662.6747 571.1078 580.5888 516.2176 567.6148 579.3413 401.1976 554.64 633 799 639 665 3932.14 3336 3191 435 198.2285 227.52 132.68 184 162.92 266.97 403.44 96.86 306.89 277.45 416.92 227.62 146.26 478.04 472 522 1901.95 2030 1797 5346.81 4900 5309 118.06 95.28 78.44 107.76 138.12 121.11 154.5409 154.99 110 110.58 226 152 195.11 266 231

Fe 12.22 9.66 4.38 14.88 76 4.01 7.38 3.39 7.62 9 4.85 6.173679 1.66 2 6 6.529991 6.28 23 85.46106 50.92211 99.85676 2.535363 1.389436 3.26231 3.321397 164.62 37 32 26 30 222.92 482 119 30 24.63742 11.61 17.07 21 12.75 5.38 11.75 8.45 8.27 13.64 16.02 18.64 11.38 69.54 35 71 762.94 20 21 2084.15 300 124 6.84 11.85 22.44 17.77 35.61 6.61 13.83169 20.50 7 62.27 23 21 57.71 63 101

K 150.49 146.70 124.17 137.67 285 170.23 64.17 159.46 650.90 407 176.01 198.8491 150.82 194 78 176.0358 63.09 522 192.3529 170.2046 191.867 168.2609 214.9872 166.6752 173.7084 144.22 145 203 231 144 60.08 53 75 585 195.4987 180.69 113.71 191 166.45 50.18 127.19 75.32 164.86 289.51 233.58 281.59 198.18 161.41 137 138 179.82 161 157 423.53 377 441 74.76 57.37 48.36 45.55 68.26 71.56 85.98465 82.35 67 35.27 41 24 38.52 48 37

Mg 96.30 102.14 66.75 108.97 163 93.74 61.32 111.60 235.56 196 96.71 112.9218 107.08 120 281 120.7819 27.85 274 210.6173 168.1893 153.2922 127.6543 146.2963 137.572 91.39918 211.77 251 337 234 213 1077.37 1027 1022 323 101.07 107.28 68.23 109 80.70 127.78 141.48 67.04 85.64 96.09 132.22 106.46 71.81 295.84 320 332 738.27 745 688 1979.42 2037 2415 64.77 74.86 58.93 61.56 43.37 65.27 85.47325 76.46 55 39.00 67 46 181.23 226 180

Mn 1.35 2.88 1.09 2.02 4.2 0.77 0.22 0.36 2.83 1.9 0.73 1.008373 1.74 0.4 0.6 0.080087 0.89 15.8 1.443393 0.875501 1.709137 0.253003 0.362213 1.148526 0.245723 2.82 4.6 6.0 4.6 2.7 9.61 9.4 11.0 6.4 0.475064 0.45 0.80 2.0 2.68 0.19 0.69 1.40 0.66 0.32 1.22 0.92 5.49 5.69 6.4 7.0 11.15 11.0 11.2 64.20 56.1 56.3 0.43 6.19 4.00 2.18 1.67 0.37 0.242082 0.63 1.0 1.76 3.0 2.1 1.19 1.5 1.9

Na 125.97 149.02 29.72 350.72 783 245.72 107.44 164.72 330.67 493 245.80 384.4715 304.87 331 224 395.8243 -15.95 359 465.8547 527.6207 826.4463 468.4645 540.2349 498.0426 349.7173 768.60 734 760 280 307 4043.06 3763 3346 692 993.9104 687.69 635.06 768 624.18 -13.94 915.18 53.28 1634.19 38.72 53.63 137.76 209.83 1564.16 1675 1703 2421.49 2254 2092 3504.13 3090 3238 154.63 219.44 209.70 223.49 356.59 153.81 227.8382 221.97 236 168.51 555 383 497.17 686 625

P 9.44 10.93 5.28 3.81 9.5 1.51 3.32 5.85 18.04 8.3 1.79 1.905069 0.99 1.2 5.1 1.640297 2.98 7.7 14.24927 8.824669 5.169519 2.473361 0.99774 1.637068 1.898612 1.31 1.0 0.9 1.8 0.6 1.19 1.2 0.8 7.5 2.02454 1.99 1.53 2.1 2.11 13.29 5.79 6.16 2.78 10.66 10.01 7.29 4.35 0.57 0.4 0.6 0.74 0.6 0.3 1.84 1.2 0.7 0.69 0.63 0.87 0.44 3.22 0.85 1.808201 1.25 1.0 1.57 0.5 0.5 0.83 0.8 0.8

S 98.85 167.20 44.90 319.93 464 256.03 83.79 120.24 353.91 292 252.10 316.4952 316.81 315 286 202.9935 30.64 374 237.73 211.7244 180.2307 71.25039 101.0602 94.16901 44.43405 710.94 929 1044 1044 903 5266.60 4861 4219 403 96.25819 116.21 75.83 106 155.63 13.66 137.17 55.82 113.41 25.13 25.22 91.71 128.69 451.82 480 664 3258.50 2953 2676 8518.86 7867 7131 109.73 264.23 273.03 273.18 281.29 100.78 133.0215 30.70 71 188.12 357 202 606.80 855 1736

Si 9.53 67.68 10.07 24.00 130 9.36 36.17 19.91 34.72 37 13.18 8.501246 4.43 8 15 5.06586 32.31 39 157.209 203.6668 319.5087 288.0384 284.7277 353.293 160.3418 163.58 132 128 111 119 696.33 702 642 120 4.065504 17.08 13.49 46 13.80 39.48 90.74 52.33 88.32 41.30 76.43 99.93 64.65 426.84 412 374 465.29 480 459 725.17 854 863 62.34 190.39 180.49 193.91 141.08 58.31 24.6529 30.80 16 213.14 205 169 311.07 353 306

Zn 1.01 1.29 0.81 0.78 0.5 0.80 0.95 0.76 1.02 0.7 0.78 0.816639 0.89 1.0 0.6 0.198807 0.51 1.1 85.96116 90.51843 63.31243 15.29286 33.27726 21.16532 0.35 0.6 0.6 1.6 2.7 14.32 12.6 9.8 0.7 0.275271 0.39 0.18 0.4 1.17 0.18 0.58 1.21 0.52 0.15 0.13 0.46 1.16 2.95 0.7 1.1 2.63 11.5 4.6 10.75 18.2 15.3 0.37 3.88 3.99 4.41 2.54 0.24 0.113167 0.06 0.1 0.80 0.4 0.3 0.72 1.1 0.4


 

          

  










      

 

 

 

 


      

 

 

 


      

 

 

 


      

 

 

 


      

 

 

 


      

 

 

 

 

Ecohydrologische venstudie Turnhouts Vennengebied  

Ecohydrologische venstudie

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you