Issuu on Google+

Natuur.focus

Afgiftekantoor 9099 Gent X P209602 Toelating – gesloten verpakking Retouradres: Natuurpunt, Coxiestraat 11, 2800 Mechelen

V L A A M S D R I E M A A N D E L I J K S T I J D S C H R I F T O V E R N AT U U R S T U D I E & - B E H E E R – D E C E M B E R 2 0 1 3 – J A A R G A N G 1 2 – N U M M E R 4

V E R S C H I J N T I N M A A R T, J U N I , S E P T E M B E R E N D E C E M B E R

Krijgt de Argusvlinder het te warm?

Onze dagvlinders in cijfers 2009-2013

Wild van ‘nieuwe wildernis’ in Vlaanderen’?


Edito

Nieuwe wildernis Nieuwe wildernis heeft voor- en tegenstanders. Het debat rond zelfstandig functionerende natuurgebieden in onze dichtbevolkte lage landen werd recentelijk gevoerd in de media. Aanleiding was de natuurfilm ‘De nieuwe wildernis – Grote natuur in een klein land’ die in de bioscoopzalen speelde. In deze groots opgezette natuurdocumentaire werd het gedrag en de levensloop van grote grazers zoals paarden, herten en runderen in de Nederlandse Oostvaardersplassen in beeld gebracht, een zo’n 5.000 ha groot gebied. Voorstanders van de nieuwe wildernisaanpak pleiten ervoor dat natuur op zichzelf moet kunnen staan, met zo weinig mogelijk ingrijpen van de mens. Dus geen populatiebeheer van grote grazers, met als uitgangspunt dat de natuur zichzelf dient te reguleren. Tegenstanders daarentegen hebben voorbehoud. Het afwezig zijn van predatie op grote herbivoren leidt tot een overbevolking die, naast aspecten van dierenwelzijn, het landschap volledig herschept in een schrale monotone vlakte zonder mozaïeken van diverse biotopen, en dus met een lagere biodiversiteit. In het opinieartikel in deze Natuur.focus brengt Van Dyck bovenstaande elementen samen en doet hij een oproep tot gestructureerd debat. Vragen die kunnen gesteld worden zijn: Is er in Vlaanderen plaats voor dit concept? Hoe moeten Natuurpunt, wetenschappers en het Agentschap voor Natuur en Bos zich in deze opstellen? Dienen socio-economische, filosofische en ethische kwesties een rol te spelen? Moeten natuur en biodiversiteit gescheiden worden? In de komende nummers is er zeker plaats voor onderbouwde bijdragen rond dit thema; uw visie is dus meer dan welkom. Verder komen in dit nummer weer een waaier aan onderwerpen aan bod. Herremans & Gielen namen de waarnemingen.be databank grondig door op zoek naar een antwoord op de vraag wat nu de vlinderaantallen van de laatste jaren waren. Het immens aantal gegevens in deze door vrijwilligers gevulde databank laat toe om gefundeerde uitspraken te doen, zoals 2009 was een uitzonderlijk en 2013 een eerder goed vlinderjaar. Daarentegen toont onderzoek van Puls et al. aan dat het niet voor alle vlindersoorten rozengeur en maneschijn is. Zo lijkt klimaatverandering verantwoordelijk te zijn voor de achteruitgang van de Argusvlinder in Vlaanderen. Een gericht beheer van specifieke biotopen zoals schrale grazige bermen, en dan voornamelijk buiten de beschermde gebieden, kan soelaas bieden om de soort er weer bovenop te brengen. Ten slotte zetten we de reeks ‘biogeochemie en natuurwaarden’ verder met een vijfde artikel. De Schrijver et al. gingen na hoe natuurherstel op voormalige landbouwgrond het best wordt gefaciliteerd. Fosfor en het verwijderen ervan uit de bodem blijkt hier een belangrijke schakel voor succes te zijn. Natuur.focus heeft nu twaalf jaargangen achter de rug waarin een kleine tweehonderd artikels zijn verschenen. We trachten de lijn verder te zetten en u, als één van de bijna vijfduizend trouwe abonnees, nog meer informatie te geven over natuurstudie en -beheer in Vlaanderen. In naam van de redactie wens ik u dan ook een natuurrijk en informatief 2014!

Natuur.focus is een driemaandelijks tijdschrift over natuurstudie en -beheer in Vlaanderen. Iedereen met een bijzondere interesse voor natuur, natuurbehoud en wetenschap behoort tot de doelgroep. Vooral voor vrijwillige en beroepsmatige natuuronderzoekers en -beheerders vormt dit tijdschrift hét informatiemedium in Vlaanderen. Kennis en informatie worden op een wetenschappelijk onderbouwde, maar leesbare wijze in artikels en rubrieken gebracht. Initiatiefnemer en uitgever is Natuurpunt Studie vzw, dochtervereniging van Natuurpunt, vereniging voor natuur en landschap van Vlaanderen. Redactie Hoofdredactie: Gerald Louette Redactieraad: Lander Baeten (Universiteit Gent), Geert De Blust (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), Jos Gysels (Natuurpunt Educatie), Maarten Hens (Instituut voor Natuuren Bosonderzoek), Marc Herremans (Natuurpunt Studie), ­Olivier Honnay (Katholieke Universiteit Leuven), Kevin ­Lambeets (Natuurpunt Beheer), Dirk Maes (Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek), Hans Van Dyck (Universiteit Louvain-­La‑Neuve) De redactie wordt bijgestaan door diverse experts en ­gelegenheidsreferenten. Eindredactie, drukopvolging en beeldbeheer: Pieter Van Dorsselaer (Natuurpunt Studie) Redactie-adres Redactie Natuur.focus, Natuurpunt Studie vzw, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen, Tel. 015-29 72 20, Fax 015-42 49 21, E-mail: focus@natuurpunt.be Abonnement Wie lid is van Natuurpunt (lidmaatschap € 24) kan zich abonneren op de gespecialiseerde tijdschriften Natuur.focus en Natuur.oriolus. Het abonnement kost € 8,5 voor elk van deze tijdschriften. Wie intekent op beide tijdschriften betaalt slechts € 14,5. Instituten, verenigingen en bibliotheken kunnen een groepsabonnement zonder lidmaatschap nemen. Dit groepsabonnement kost € 25. Betaling van het abonnementsgeld (en eventueel het lidgeld) kan door overschrijving op het rekeningnummer IBAN: BE17 2300 0442 3321, BIC: GEBABEBB. Natuurpunt vzw Natuurpunt is de grootste vereniging voor natuur en landschap in Vlaanderen. Ze telt 90.000 leden en beheert 19.000 hectare natuurgebied. Kerntaken zijn natuurbehoud en -beheer, landschapzorg, beleidswerking, natuurbeleving, natuurstudie, vorming en educatie. Contact: Natuurpunt, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen (www.natuurpunt.be, info@natuurpunt.be). Natuurpunt Studie vzw De kerntaak natuurstudie wordt binnen Natuurpunt behartigd door Natuurpunt Studie vzw. Dit omvat o.a. het uitbouwen van thematische en taxonomische werkgroepen, netwerkvorming met vrijwillige medewerkers in heel Vlaanderen en dienstverlening door professionele stafmedewerkers. Contact: Natuurpunt Studie, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen (www.natuurpunt.be, studie@natuurpunt.be).

Veel leesplezier

Natuurpunt Winkel Stationstraat 40, 2800 Mechelen, Tel. 015-43 16 88, Fax 015-27 46 74, e-mail: winkel@natuurpunt.be Open: woensdag en vrijdag: 10u - 17u30 zaterdag: 10u - 17u - andere dagen na afspraak

Gerald Louette Hoofdredacteur

ISSN-nummer: 1379-8863 v.u. Chris Steenwegen, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen Druk: Geers Offset nv Gedrukt op Respecta 100% gerecycleerd papier Wikkel: biologisch afbreekbare biofolie

Foto’s cover: Klein links: Argusvlinder (foto: Vilda/Jeroen Mentens) Klein midden: Kleine vuurvlinder (foto: Vilda/Rollin Verlinde) Klein rechts: Konikpaarden in de Oostvaardersplassen (foto: Ruben Smit)

138 

december 2013  Natuur.focus


Inhoud

December 2013 – jaargang 12 – nummer 4 EDITO

NIEUWS & TRENDS

Nieuwe wildernis – Gerald Louette (p. 138)

Beheer.focus. Kruidenrijke akkers, net iets anders dan ‘graan voor gorzen’?! (p. 166-167)

ARTIKELS Wordt de grond te warm onder de poten van de Argusvlinder? Is het klimaat verantwoordelijk voor zijn achteruitgang in Vlaanderen? – Rik Puls, Dirk Maes & Dries Bonte (p. 140-144) Focus op biogeochemie – deel 5. Natuurherstel op landbouwgrond: fosfor als bottleneck – An De Schrijver, Stephanie Schelfhout, Andreas Demey, Maud Raman, Lander Baeten, Stefanie De Groote, Jan Mertens & Kris Verheyen (p. 145-153) Was 2013 een super vlinderjaar? Cijfers uit losse waarnemingen 2009-2013 – Marc Herremans & Karin Gielen (p. 154-162) FORUM Wie is er wild van ‘nieuwe wildernis’ in Vlaanderen? Pleidooi voor kritische reflectie. – Hans Van Dyck (p. 163-165)

Biodiversiteit. Loopkevers in bosfragmenten. Wie het kleine niet eert … - Beekschaatsenrijder van de Rode Lijst geschrapt, maar nog niet gered - Everzwijn op een bedje van sieralgen (p. 167-169) Mens & natuur. Bekeken door een verschillend raam – Rups of vlinder? – Maken distels het verschil voor nachtvlinders? – Verandert jacht grote roofdieren in ‘bange wezels’? (p. 169171) Beleid.focus. Ontwerpdecreet geïntegreerd natuurbeheer – GLB – Soortbeschermingsplan Bever wordt wegvangplan? – Einde overbevissing in zicht (p. 171-172) AD VALVAS LIKONA contactdag – EIS-dag 2014 – Brakona contactdag – ANKONA ontmoetingsdag – Vlaamse Libellenstudiedag – 23ste Vlaamse Mycologendag – West-Vlaamse Natuurstudiedag (p. 173-174) BOEKEN & BYTES De amfibieën en reptielen in Vlaanderen – Veldgids Korstmossen – Ontwikkelen van kruidenrijk grasland – Heidebeheer anno 2013 – Veldgids Paddenstoelen. Plaatjeszwammen en boleten – De water - en oppervlaktewantsen van België – Weidevogels in een veranderend landschap. Meer kleur in het grasland (p. 175-177)

Het volgende nummer van Natuur.focus verschijnt in maart 2014 en zal bijdragen bevatten over windmolenparken en biodiversiteit, vleermuizen en exotische waterfauna. Artikels, korte bijdragen, foto’s en reacties op forum- en andere artikels kunnen worden gericht aan focus@natuurpunt.be.

www.facebook.com/Natuur.focus

Natuur.focus  december 2013 

139


Artikels

Wordt de grond te warm onder de poten van de Argusvlinder? Is het klimaat verantwoordelijk voor zijn achteruitgang in Vlaanderen?

Rik Puls, Dirk Maes & Dries Bonte

Dat het niet goed gaat met onze dagvlinders in Vlaanderen is al lang geen nieuws meer. Een van de soorten met de grootste verliezen is de Argusvlinder Lasiommata megera. De Argusvlinder was in Vlaanderen en de rest van Europa een zeer algemene dagvlinder, maar de laatste decennia gaan meer en meer vindplaatsen verloren. Ook in Vlaanderen sprong de soort in de nieuwe Rode Lijst van ‘Momenteel niet in gevaar’ naar de veel hogere categorie ‘Bedreigd’ (Maes et al. 2011). Naar de oorzaken van de achteruitgang is het momenteel echter nog raden. Een mogelijke verklaring voor de achteruitgang van de Argusvlinder in Vlaanderen is een verandering in het microklimaat. Dit werd in de zomer van 2012 experimenteel onderzocht.

Figuur 1. Argusvlinder (foto: Vilda/Jeroen Mentens)

140 

december 2013  Natuur.focus


Artikels

Verspreiding

enkel vóór 1991 laatst tussen 1991-2000 vóór 1991; 1991-2000; na 2001 vóór 1991; na 2001 in 1991-2000, na 2001 na 2001

(Bron: Handboek dagvlinders: kennis voor slimme actie, ongepubl. 2012)

Figuur 2. Verspreiding van de Argusvlinder in Vlaanderen zoals weergegeven in de geactualiseerde verspreidingsatlas van dagvlinders in Vlaanderen (Maes et al. 2013).

De Argusvlinder was vroeger algemeen over een groot deel van Vlaanderen. Bovenstaand kaartje stelt de situatie gunstiger voor dan in werkelijkheid. De soort is praktisch overal verdwenen buiten de kustpolders, het Antwerpse havengebied en ZO-Limburg. Ook in andere West-Europese landen gaat de soort sterk achteruit. Zo blijven in Groot-Brittannië kustpopulaties relatief stabiel terwijl de beïnvloedt niet de alleen de verspreiding van soorten, maar ook De Argusvlinder populaties in het binnenland zeer sterk achteruitgaan. de fenologie, d.w.z. de timing en lengte van bepaalde fasen De Argusvlinder (Figuur 1) is een zandoogje waarvan de Nederlandse naam is afgeleid van de geringde oogvlekken op de vleugels, de argusogen. De Argusvlinder komt voor in open graslanden met een korte vegetatie. De soort heeft twee tot drie generaties per jaar waarvan de eerste vliegt van begin april tot eind juni, de tweede van eind juni tot begin september en de derde van begin september tot eind oktober. De wijfjes zetten de eitjes afzonderlijk af op allerlei grassen waaronder Boskortsteel, Kropaar, Bochtige smele, Gestreepte witbol en struisgras. Dit doen ze vaak op de rand van graspollen of op grassen in open vegetatie tegen muurtjes, afrasteringen of onder een haag. De half volgroeide rups overwintert tussen het strooisel en de verpopping gebeurt onderin een graspol. Vaak gebruikte nectarplanten zijn Vlinderstruik, braam, Rode Klaver, Akkerdistel en Knoopkruid (Maes et al. 2013).

Verspreiding en trend in Vlaanderen De verspreiding van de Argusvlinder vertoont een vrij stabiel beeld tot in de jaren tachtig, maar sindsdien neemt de soort sterk af. De achteruitgang is het grootst op de zandgronden, waar de populaties in de Kempen ondertussen allemaal verdwenen zijn. Op kleigronden in de buurt van de kust lijkt de Argusvlinder nog wel stand te houden (Figuur 2). Andere vindplaatsen van deze vlinder zijn het Antwerpse havengebied, het zuidoosten van Limburg en de Voerstreek. Ook in Groot-Brittannië en Nederland blijven de kustpopulaties relatief stabiel, in tegenstelling tot de populaties in het binnenland die sterk achteruitgegaan zijn.

in het leven van een organisme. Of ook de Argusvlinder lijdt onder het veranderende klimaat is niet bekend. Modellen tonen aan dat het klimaat in België in 2050 nog steeds geschikt zou zijn voor deze soort (Settele et al. 2008). Veranderingen in de fenologie tonen echter aan dat de klimaatverandering de Argusvlinder toch niet ongemoeid laat. Zo is de vliegtijd van de voorjaarsgeneratie van de Argusvlinder in vergelijking met de periode 1981-2000 met twee tot vier dagen naar voren geschoven, terwijl die van de zomergeneratie nu zeven tot tien dagen later ligt dan in de periode 1981-2000 (Maes et al. 2013).

Veldexperiment Of veranderingen in het microklimaat verantwoordelijk kunnen zijn voor de achteruitgang van de Argusvlinder in Vlaanderen, meer bepaald het verdwijnen van de soort in de Kempen, werd in de zomer van 2012 onderzocht (Puls 2013).

Klimaatverandering Klimaatverandering kan optreden als een van de grootste oorzaken van het lokaal uitsterven van soorten, zowel nu als in de nabije toekomst. Zelfs met de minimaal verwachte klimaatverandering (in onze streken langdurigere perioden van hitte en droogte in de zomer en vorst en nattigheid in de winter) zou 11 tot 34% van de soorten uit verschillende taxa hierdoor op termijn uitsterven (Thomas et al. 2004). Klimaatverandering

Figuur 3. Voorbeeld van het veldexperiment in Nieuwpoort. De bloempotten werden ingepakt in fijn gaas om de rupsen niet te laten ontsnappen, maar ook om de rupsen te beschermen tegen predatoren.

Natuur.focus  december 2013 

141


Artikels

Figuur 4. Overzicht van de studiegebieden: Bonte Klepper in Rijkevorsel (1) en Vuilvoort in Herentals (2) in de Kempen en Zelte in Nieuwpoort (3) en Viconiakleiputten in Stuivekenskerke (4) in de Polders.

Hierbij zouden in een opwarmend klimaat de koelere Polders een referentie kunnen zijn voor de vroegere toestand in de Kempen. In de zomer van 2012 werden enkele wijfjes van de Argusvlinder gevangen in het Antwerpse havengebied en naar het labo (UGent) gebracht. Hier lieten we ze eitjes afzetten op gekweekt Rood zwenkgras, waarna de bloempotten met eitjes werden ingepakt in fijn gaas (Figuur 3) en verspreid over vier studiegebieden: Herentals en Rijkevorsel in de Kempen en Nieuwpoort en Stuivekenskerke in de Polders (Figuur 4). Het gewicht van de pop, ontwikkelingstijden van ei tot pop en de overleving van de rupsen werden vergeleken tussen de verschillende studiegebieden. Zowel de temperatuur op 5 cm boven de bodem, waar de ontwikkeling van de rupsen plaatsvindt, als de omgevingstemperatuur in de zon en in de schaduw werden op de locaties elk uur geregistreerd (Figuur 5). De temperatuur dicht bij de bodem was in de Kempen gemiddeld 1,2° C hoger dan in de Polders, terwijl de gemiddelde omgevingstemperatuur in de zon slechts 0,5°  C verschilde in het voordeel van de Kempen. Mogelijk ligt dit aan de snellere en hogere opwarming van zandgronden in de Kempen ten opzichte van de kleigronden in de Polders. Er werd geen verschil in overleving gevonden tussen de verschillende gebieden. De

50 45

Temperatuur (°C)

40 35 30

Kempen 5 cm

25

Kempen zon

20

Polders 5 cm

15

Polders zon

10 5 0 0

6

12 Tijd (uur)

18

24

Figuur 5. Het temperatuurverloop op een warme zomerdag (27 juni 2012) vergeleken tussen de Kempen en de Polders. De temperatuur werd geregistreerd in de vegetatie op 5 cm boven de bodem, wat de temperatuur van het microklimaat voorstelt, en in de zon op 150 cm boven de bodem. De temperatuur van elke regio is steeds het gemiddelde van twee metingen. We zien dat het verschil in temperatuur tussen beide regio’s versterkt wordt in het microklimaat, waar de temperatuur in de Kempen veel hoger ligt.

142 

december 2013  Natuur.focus

ontwikkelingstijd verschilde echter wel tussen de studiegebieden (Figuur 6). De ontwikkeling van de tweede generatie duurde langer in Nieuwpoort dan in Herentals en Rijkevorsel en de ontwikkeling van de derde generatie duurde langer in Stuivekenskerke dan in Herentals en Rijkevorsel. Verder waren de poppen van de derde generatie in Nieuwpoort zwaarder dan in Herentals en Rijkevorsel. Opvallend was ook het verschil in percentage verpopte rupsen tussen beide regio’s. In de Kempen verpopten alle rupsen om een derde generatie vlinders voort te brengen, terwijl in de Polders slechts ongeveer de helft verpopte en de andere helft als rups overwinterde.

Labo-experiment Om na te gaan of de verschillen in het veldexperiment enkel een gevolg zijn van de gemiddelde temperatuur in de vegetatie werd een labo-experiment uitgevoerd. In het najaar werden de gemiddelde zomertemperaturen op 5 cm boven de bodem in de Kempen (19,4 °C) en in de Polders (18,2 °C) nagebootst in het labo en werden de gewichten van de poppen en ontwikkelingstijden vergeleken tussen de beide temperaturen. Er werd geen verschil in popgewicht of overleving van de rupsen waargenomen tussen beide temperatuurregimes. Wel was de ontwikkelingstijd korter bij een hogere temperatuur, die overeenkomt met de zomertemperatuur in de Kempen (Figuur 7). De rupsen die op een lagere temperatuur ontwikkelen hebben dus poppen met een gelijkaardig gewicht. Om dit gewicht te bereiken moeten ze wel langer ontwikkelen dan de rupsen die ontwikkelen op een hogere temperatuur.

Uitsterven van de Argusvlinder in de Kempen: een mogelijke hypothese Uit het onderzoek naar de ontwikkeling van de derde generatie bleek dat er een verschil is in fenologie tussen de Polders en de Kempen. In de Polders ontwikkelde iets meer dan de helft van de rupsen niet meer tot een derde generatie vlinders en overwinterde als rups, terwijl in de Kempen alle rupsen verpopten. Een mogelijke hypothese is dat de populaties van Argusvlinder in de Kempen door de hogere temperatuur, en dus een snellere ontwikkeling, gedwongen worden om alles in te zetten op een derde generatie vlinders. In de Polders worden de nakomelingen van de tweede generatie door de lagere temperaturen gespreid over de derde generatie vlinders en overwinterende exemplaren die uitkomen in de volgende lente (Figuur 8). Het voortbrengen van een derde


Artikels generatie vlinders kan een populatie sterk vergroten en dus in gunstige omstandigheden voordelig zijn. In ongunstige omstandigheden, bijvoorbeeld bij slecht weer of een verlaagd nectaraanbod in de nazomer, kan een derde generatie echter een riskante investering zijn. Als de populaties een slechte derde generatie hebben, worden er minder eitjes afgezet die de basis vormen voor de eerste generatie vlinders van het volgende jaar. In de Kempen zou zo een slechte derde generatie een populatie sterk kunnen verzwakken, terwijl in de Polders de nakomelingen van de derde generatie steeds aangevuld worden met overwinterende nakomelingen van de tweede generatie vlinders van vorige zomer. Hierdoor kan in de Polders het effect van een slechte nazomer en herfst worden gebufferd.

Toekomst

Figuur 6. Vergelijking van de ontwikkelingstijden van de tweede generatie (boven) en derde generatie (onder) tussen de vier studiegebieden in de Kempen en in de Polders. De ruitjes in de boxplots geven de gemiddelden weer van Herentals (H) en Rijkevorsel (RV) in de Kempen en Nieuwpoort (NP) en Stuivekenskerke (VKP) in de Polders. Significante verschillen worden weergegeven met twee verschillende symbolen: * en °. Zo verschilt bijvoorbeeld de ontwikkelingstijd links in Herentals (H) significant van die van Nieuwpoort (NP) maar niet van die van Rijkevorsel (RV) of Stuivekenskerke (VKP).

Omwille van de sterke achteruitgang, de onzekerheid over de oorzaak hiervan en de talloze bedreigingen die de Argusvlinder boven het hoofd hangen, is de soort opgenomen in een soortbeschermingsprogramma in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos (zie Box 1). Om het voortbestaan van de Argusvlinder veilig te stellen, zullen er ook en vooral buiten de reservaten inspanningen moeten gebeuren. Het is namelijk een soort die in Vlaanderen vooral voorkomt buiten de Speciale Beschermingszones en natuurgebieden waardoor de mogelijkheid tot gepast beheer beperkt is. Om nieuwe gebieden te koloniseren of kleine restpopulaties te verbinden, moet de vlinder routes vinden doorheen ons sterk versnipperde en verstedelijkte landschap. Voor de Argusvlinder zouden dit kanaalbermen, wegbermen of rivieroevers kunnen zijn. Dit zijn allemaal typische, vaak relatief schrale, grazige bermen in het landschap waar de Argusvlinder vroeger veelvuldig voorkwam. In de Polders zien we nu nog steeds dat bijvoorbeeld de bermen langs de IJzer of langs fietspaden belangrijke toevluchtsoorden zijn voor deze soort. Als dit ook in de rest van Vlaanderen bereikt kan worden, zou de Argusvlinder zich via de kanalen vanuit het Antwerps havengebied, Sint-Pietersberg of de Polders weer kunnen verspreiden over heel Vlaanderen.

Conclusie

Figuur 7. Vergelijking van de ontwikkelingstijd in het labo tussen de gemiddelde zomertemperatuur in de Polders (18,2 °C) en die in Kempen (19,4 °C), afgerond naar respectievelijk 18 °C en 19,5 °C. De ruitjes in de boxplots geven de gemiddelden weer voor elke temperatuur. Significante verschillen worden weergegeven met twee verschillende symbolen: * en °. Een temperatuurverschil van 1,5 °C geeft een gemiddeld verschil van 5,6 dagen in ontwikkelingstijd.

De Argusvlinder is in Vlaanderen de laatste decennia sterk achteruitgegaan. In de Kempen en Haspengouw is de soort nu zelfs volledig verdwenen, terwijl ze in de Polders nog wel standhoudt. Onderzoek in de zomer van 2012 toonde geen verschil in overleving van de rupsen tussen beide regio’s, maar vond wel verschillen in ontwikkeling tussen verschillende gebieden in beide regio’s. Er werd aangetoond dat de Argusvlinder in het warmere microklimaat van de Kempen meer zou moeten investeren in een derde generatie, terwijl in de koelere Polders nakomelingen van de tweede generatie vlinders worden gespreid over een kleine derde generatie en de eerste generatie van het volgende jaar (overwinterende rupsen). Enkele opeenvolgende slechte derde generaties zouden dan tot het uitsterven van de Argusvlinder in de Kempen kunnen leiden. Natuurlijk zijn er ook andere mogelijke oorzaken voor de plotse achteruitgang van deze soort. Om hierover uitsluitsel te geven is bijkomend onderzoek vereist naar de relatie tussen de Argusvlinder en zijn omgeving.

Natuur.focus  december 2013 

143


Artikels 100% Kempen Volgend jaar jaa Generatie 1

Generatie 2

Polders

Generatie 3 42,5% , 57,5%

Figuur 8. Verschil in fenologie van de Argusvlinder tussen Kempen en Polders. Populaties in beide regio’s verschillen in investering in de derde generatie.

Summary: Puls R., Maes D. & Bonte D. 2013. Is it getting too hot for the Wall Brown? Is climate change responsible for its decline in Flanders? Natuur.focus 12(4): 140-144 [in Dutch]. The Wall Brown Lasiommata megera is a butterfly that shows a dramatic decline in Flanders. This decline is accompanied by the extinction of populations in the sandy regions of the Campine region. In the Polder region however, which has a clay soil, most populations seem to persist. The aim of this study, conducted in the summer of 2012, was to discover the effect of the microclimate on the development of the Wall Brown and more specific the impact of temperature on egg and larval development. These insights may shed light on the causes of its decline and hopefully on how to ensure the survival of

AUTEURS: Rik Puls voerde dit onderzoek uit in het kader van zijn masterthesis aan de onderzoeksgroep Terrestrische Ecologie (Universiteit Gent). De thesis werd begeleid door Dries Bonte, professor Ecologie aan de Universiteit van Gent en Dirk Maes, onderzoeker aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO). CONTACT: Rik Puls, Vest 13, 2200 Herentals E-mail: rik.puls@gmail.com Referenties:

Maes D., Vanreusel W., Jacobs I., Berwaerts K. & Van Dyck H. 2011. Nieuwe Vlaamse Rode Lijst dagvlinders. Vlinders 11: 4-7. Maes D., Vanreusel W. & Van Dyck H. 2013. Dagvlinders in Vlaanderen: een nieuwe kennis voor betere actie! Lannoo nv, Tielt. Puls R. 2013. Zijn veranderingen in het klimaat verantwoordelijk voor de achteruitgang van de Argusvlinder in Vlaanderen? Eindverhandeling aan Universiteit Gent. Settele J., Kudrna O., Harpke A., Kühn I., van Swaay C., Verovnik R. et al. 2008. Climatic risk atlas of European butterflies. Pensoft Moscow. Thomas C.D., Cameron A., Green R.E., Bakkenes M., Beaumont L.J., Collingham Y.C. et al. 2004. Extinction risk from climate change. Nature 427: 145-148.

144 

december 2013  Natuur.focus

this butterfly in Flanders. By means of field and laboratory experiments the hypothesis was tested that changes in microclimate impose a fitness reduction in regions where the species got extinct in the last decades, while this is not the case in healthy populations in the polders. After these experiments, we can still not unambiguously explain the decline of the Wall Brown. It could be that the populations in the Campine region invest more in a third generation of butterflies than those in the polders in the west of Flanders, where more than 50% of the larvae hibernate before third generation pupae are formed. In that way the polder-population spread risks and could be less vulnerable to unsuitable conditions during the flight period of the third generation. To conclude, probably the best thing we could do is to keep on studying the Wall Brown and try to find out how this butterfly reacts on a changing environment and why it has declined in the past decades.


Artikels

Focus op biogeochemie – deel 5

Natuurherstel op landbouwgrond: fosfor als bottleneck

An De Schrijver, Stephanie Schelfhout, Andreas Demey, Maud Raman, Lander Baeten, Stefanie De Groote, Jan Mertens & Kris Verheyen

Biodiversiteit staat wereldwijd erg onder druk. Steeds meer soorten en habitats dreigen verloren te gaan (Butchart et al. 2010). Met de Habitat- en Vogelrichtlijn en het Natura 2000-netwerk als belangrijkste instrumenten wil Europa o.a. het verdere verlies van biodiversiteit een halt toeroepen (Dumortier et al. 2009). In Vlaanderen beslaat het Natura 2000-netwerk ca. 165.000 ha en wordt op 33% van dit areaal nog een klassiek landbouwgebruik toegepast. Het beleid in Vlaanderen voorziet dat de volgende decennia de milieudruk gerelateerd aan landbouwactiviteiten moet verlagen en dat daarnaast landbouwgrond wordt omgevormd naar halfnatuurlijke doelhabitattypes (Gobin et al. 2009). Het is echter de vraag of natuurontwikkeling op voormalige landbouwbodems wel mogelijk is.

In een sterk gefragmenteerd landbouwlandschap als Vlaanderen zijn de bodems onder landbouwgebruik door jarenlange bemesting sterk aangerijkt met fosfor. Bij omvormen van landbouwgrond naar natuurgebied vormt fosfor een belangrijke bottleneck. (foto: Stephanie Schelfhout)

Natuur.focus  december 2013 

145


Artikels

Figuur 1. Illustratie van de gemiddelde bemesting versus de gemiddelde opname door gewassen van fosfor in West-Europa. De figuur illustreert dat systematisch meer P bemest werd dan effectief door gewassen kon worden opgenomen, wat resulteerde in een sterke accumulatie van fosfor in de bodem. (bron: Sattari et al, 2012)

Om een succesvolle omvorming van landbouw naar soortenrijke natuur te realiseren is het noodzakelijk om de overmaat aan voedingsstoffen, in hoofdzaak stikstof en fosfor, af te voeren. Soortenrijke, voedselarme vegetatietypen kunnen immers alleen gerealiseerd worden wanneer planten in hun groei gelimiteerd worden door een of meerdere essentiële hulpbronnen (voedingsstoffen, water, licht). In het vorige artikel (De Schrijver et al. 2013b) van deze reeks werd toegelicht hoe te hoge concentraties aan stikstof nadelig zijn voor de biodiversiteit. Maar ook te hoge fosforconcentraties zijn meestal nefast voor soortenrijke habitats. In dit artikel gaan we dieper in op de biogeochemie van fosfor en bespreken we waarom kennis van deze biogeochemie zo essentieel is om natuurherstel op voormalige landbouwbodems te realiseren. Het volgende en laatste artikel in deze reeks sluit hier naadloos bij aan en bespreekt welke maatregelen genomen kunnen worden om natuurherstel op voormalige landbouwbodems op een kosteneffectieve manier te realiseren.

Fosforbemesting: trop was teveel

Figuur 2. De drie belangrijke P-pools in de bodem: de bio-beschikbare pool kan gebruikt worden door planten binnen één groeiseizoen, de traag-circulerende pool kan beschikbaar worden voor planten op lange termijn en van de omsloten pool wordt verondersteld dat deze geen of maar een geringe invloed heeft op plantengroei.

Figuur 3. In ijzerrijke bodems is een lagere fractie van de totale P-pool biobeschikbaar dan in ijzerarme bodems. (De Schrijver et al. 2013a)

146 

december 2013  Natuur.focus

Door het overschot aan mest in Vlaanderen werden landbouwbodems jarenlang intensief bemest met drijfmest of stalmest. Daardoor werd systematisch meer stikstof (N) en fosfor (P) aangevoerd dan gewassen effectief konden benutten. Voor het jaar 2000 werd systematisch zo’n 103 kg N en 24 kg P te veel bemest per hectare (Mulier et al. 2003). Dit maakt dat P in de bodem accumuleerde (Figuur 1) en dat het veel mobielere stikstof onder vorm van nitraten uitspoelde naar het grondwater. Sindsdien zijn de bemestingsnormen sterk aangescherpt, waardoor nu nog zo’n 39 kg te veel N wordt toegediend (Overloop et al. 2012). Omwille van de grote voorraad aan P aanwezig in de bodem voorziet het huidige mestactieplan (MAP 4) dat de P-bemestingsnorm lager ligt dan de P-opname door gewassen. Hiermee zal een automatische en algemene verschraling van landbouwbodems op Vlaams niveau gepaard gaan. Jaarlijks zou zo bijna 2 miljoen kg P uit de bodem onttrokken moeten worden.

Fosfor in de bodem: een complex verhaal eenvoudig uitgelegd In tegenstelling tot N accumuleert P zeer sterk in de bodem. N is in de meeste bodems sterk mobiel en spoelt gemakkelijk uit naar het grondwater of kan in natte omstandigheden vervluchtigen naar de atmosfeer (De Schrijver et al. 2013b). Enkel in sterk venige bodems met veel organisch materiaal kan stikstof accumuleren in de bodem. Fosfor spoelt in de meeste bodems niet gemakkelijk uit en kan niet vervluchtigen, waardoor een jarenlange bemesting resulteert in een vaak extreem hoge voorraad aan P. Honderden tot zelfs duizenden jaren na stopzetting van het voormalige landbouwgebruik worden nog steeds verhoogde P-concentraties in de bodem teruggevonden (Mclauchlan 2006). Deze verhoogde P-concentraties in voormalige landbouwbodems worden zelfs door archeologen gebruikt om te lokaliseren welke sites in het verleden door mensen bezet werden (Mclauchlan 2006). Fosfor komt in de bodem voor in grofweg drie verschillende pools die met elkaar in evenwicht zijn (Figuur 2) (De Schrijver et al. 2012a). Planten kunnen slechts een klein deel van de totale bodem-P-voorraad direct gebruiken. De biobeschikbare of labiele P-pool is een vrij kleine fractie van zowel anorganisch als organisch fosfor (maximaal 20%


Mate van fixatie xatie

Artikels

Zure bodems

Basische bodems

Traag circulerend Fe/Al-P Traag circulerend CaP

2,5

3,5

4,5

5,5

6,5

7,5

8,5

9,5

pH-H2O Figuur 4. Mate van fixatie van P in de bodem aan Fe, Al en Ca in relatie tot de bodemzuurtegraad (pH-H2O). In eerder zure bodems met lage pH is P sterk gebonden aan Fe en Al, terwijl in bodems met hogere pH P gebonden is aan Ca. (Bron: Brady N. 1966. The nature and properties of soils. McMillan Publischer Company New York)

van de totale P-pool) en bestaat uit fosfaat (HxPO4) in de bodemoplossing en fosfaat dat snel kan vrijkomen of mineraliseren uit anorganische en organische bodemfracties. Fosfor in deze pool kan binnen één groeiseizoen worden opgenomen door planten. De traag-circulerende of actieve P-pool is de pool waaruit P relatief eenvoudig kan omgezet worden naar de biobeschikbare P-pool. Deze pool bestaat uit fosfaat geadsorbeerd aan bodemdeeltjes, anorganisch en organisch fosfaat dat gereageerd heeft met elementen als calcium (Ca) of aluminium (Al) en ijzer (Fe) en stabieler organisch P. Wanneer de vegetatie biobeschikbaar P opneemt, dan wordt deze terug aangevuld vanuit de traag-circulerende P-pool. De traag-circulerende pool staat voor fosfor die beschikbaar kan worden voor planten op lange termijn. De omsloten of gefixeerde P-pool blijft gedurende vele jaren in de bodem zonder beschikbaar te komen voor planten en heeft een geringe invloed op de plantengroei. Deze pool bestaat uit anorganische fracties die heel slecht oplosbaar zijn en organische fracties waarvan verondersteld wordt dat ze resistent zijn aan mineralisatie door micro-organismen in de bodem (De Schrijver et al. 2012a). De grootte van de totale P-pool is sterk afhankelijk van de textuur van de bodem en meer bepaald van de concentraties Fe, Al en Ca die daarmee kunnen samenhangen. Zandbodems zullen over het algemeen lagere concentraties totaal P bevatten dan leem- of kleibodems. Door hun lager percentage klei en organisch materiaal hebben zandbodems een lagere capaciteit tot binding van kationen (CEC, zie ook De Schrijver et al. 2012b) en daardoor ook lagere concentraties Fe en Ca dan leem- en kleibodems, waardoor deze ook minder P kunnen vasthouden. Ijzerrijke klei- of leembodems onder landbouwgebruik hebben dus vaak significant hogere P-stocks dan ijzerarme bodems, maar daarom nog geen hogere biobeschikbare fosforconcentraties. Figuur 3 toont dat ijzerrijke bodems een lagere fractie biobeschikbaar P bevatten dan

Droge bodem Fe komt voor als Fe3+ P is sterk gebonden aan Fe3+

ijzerarme bodems. Ijzerrijke bodems met een zeer hoge stock aan totaal P kunnen dus gelijke of zelfs lagere hoeveelheden biobeschikbaar P bevatten dan ijzerarme zandbodems met lagere stocks aan totaal P. De zuurtegraad van de bodem speelt ook een belangrijke rol in de verdeling van P over de verschillende fracties. In bodems met lage pH-waarden (dus eerder zure bodems) is P voornamelijk gebonden aan Al en Fe, terwijl in bodems met hoge pH-waarden P voornamelijk gefixeerd is aan Ca (Figuur 4). Bij pH-waarden lager dan ca 4,5 (hier pH-H20) neemt de fixatie aan Fe en Al echter opnieuw af. Bodemverzuring kan dus aanleiding geven tot hogere biobeschikbaarheid van P. In de landbouwpraktijk wordt de bodem-pH algemeen tussen ca. 6 à 7 gehouden, omdat in dit pH-bereik de biobeschikbare fractie het hoogst is en er nog geen risico bestaat tot vrijstelling van het toxische aluminium (zie De Schrijver et al. 2012b).

Vernatten en fosfor: wat is interne eutrofiëring Het verlagen van de grondwatertafel in functie van landbouw of ten gevolge van waterwinning leidde tot de degradatie van grondwaterafhankelijke natuur zoals natte heide of nat heischraal grasland, dotterbloemhooiland of kleine en grote zeggenvegetaties. Met het oog op het herstel van dergelijke waterafhankelijke habitats is vernatting noodzakelijk. Maar vernatting alleen leidt vaak niet tot een volledig herstel. Bij aanvoer van ijzer of calciumrijk grondwater, waardoor extra fosfaatbinding optreedt, zijn goede resultaten te behalen. Maar wanneer het aangevoerde water arm is aan ijzer of calcium en een aanzienlijke fractie van de P in de bodem aan ijzer gebonden is, kan vernatting net leiden tot een extra vrijstelling van P. Bij vernatting vermindert de zuurstofconcentratie in de bodem, wat maakt dat een deel van het in de bodem aanwezige Fe reduceert van Fe3+ naar Fe2+ (Figuur 5). De binding tussen Fe2+ en P is echter veel minder sterk dan tussen Fe3+ en P (van Gerven et al. 2011). Dit maakt dat vernatting resulteert in een mobilisatie van P in de bodemoplossing en in het geval van een plasdras situatie ook in de bovenstaande waterlaag. Hierdoor wordt de biobeschikbare fractie van P nog groter. Dit probleem van interne eutrofiëring kan nog versterkt worden wanneer het aangevoerde grondwater rijk is aan sulfaat. In organische bodems (veenbodems) kan sulfaat na vernatting gereduceerd worden tot het giftige sulfide. Dit sulfide kan met het gevormde Fe2+ neerslaan tot ijzersulfide (FeS) of pyriet (FeS2). Hierdoor is er minder Fe2+ beschikbaar om fosfaat te binden en blijft meer fosfaat plantbeschikbaar in de bodemoplossing. Wanneer al het Fe in de bodem vastgelegd is als ijzersulfide kan het toxische sulfide zich bovendien ophopen in de bodem (Smolders et al. 2006). Vernatting van voormalige landbouwbodems kan dus ernstige problemen opleveren voor het herstel van soortenrijke natuur. Om in te schatten of een bepaald perceel geschikt is om te

Natte bodem

vernatting

Fe3+ reduceert naar Fe2+ P is zwakker gebonden aan Fe2+

P wordt vrijgesteld Concentratie biobeschikbaar P stijgt = interne eutrofiëring

Figuur 5 Na vernatting van voormalige landbouwgrond treedt vaak interne eutrofiëring op door vrijstelling van fosfaat na reductie van Fe3+ naar Fe2+.

Natuur.focus  december 2013 

147


Artikels

Figuur 6. Biobeschikbare en traag-circulerende P-concentraties in de bodem (0-30 cm) van (a) heischrale graslanden en nabijgelegen akkers of weiland op zandbodem onder landbouwgebruik (Liereman, Turnhouts Vennengebied, Gulke putten) en (b) glanshavergraslanden met Grote pimpernel en nabijgelegen akkers of weiland op leembodem onder landbouwgebruik (Dorent/Zemst). Uit de figuren blijkt duidelijk het verschil in P-concentraties tussen natuur en landbouw. Ook blijkt het verschil in capaciteit tot vastlegging van zand- en leembodems. De zandbodems onder landbouwgebruik zijn wellicht even zwaar bemest als de leembodems, maar toch zijn lagere concentraties traag-circulerend P aanwezig. Zandbodems zijn omwille van hun lagere concentraties Ca en Fe sneller dan leem- en kleibodems verzadigd met P, wat risico op uitspoeling van fosfaat naar het grondwater impliceert.

vernatten is het daarom zinvol om de chemische samenstelling van het grondwater en van de bodem te analyseren. Als het grondwater zeer ijzerrijk is, is het risico op interne eutrofiëring kleiner omdat veel Fe wordt aangevoerd en zo de kans op fosfaatbinding verhoogt. Het grondwater moet wel voldoende doorstroming hebben zodat telkens nieuw Fe wordt aangevoerd. Om in te schatten of een risico bestaat op interne eutrofiëring wordt de (Fe-S)/P-verhouding (te berekenen op molaire basis) in de bodem vaak gehanteerd. Deze verhouding geeft een inschatting van de hoeveelheid ijzer die beschikbaar is voor fosfaatbinding. Wanneer deze verhouding kleiner is dan vijf is het risico op fosfaatnalevering bij vernatting of in natte omstandigheden groot. Wanneer deze verhouding groter is dan tien is het risico op fosfaatnalevering bij vernatting of in natte omstandigheden heel beperkt (Boers & Uunk 1990). Wanneer getracht wordt om voormalige landbouwgrond om te vormen naar natte soortenrijke graslanden treedt vaak overheersing op door Pitrus Juncus effusus (Lamers et al. 2009). In de Nederlandse literatuur beschrijft men dit als ‘verpitrussing’ en wordt gesteld dat dit veroorzaakt wordt door de hoge biobeschikbare P-concentraties. Omdat deze bewering gebaseerd is op vrij weinig meetgegevens (zie Lamers et al. 2009) is bijkomend onderzoek noodzakelijk.

P in landbouwpercelen en in natuurgebied: een wereld van verschil Om natuurherstel op voormalige landbouwbodems te realiseren is het van belang per habitattype streefwaarden op te stellen voor biobeschikbaar en traag-circulerend P. In vergelijking met landbouwbodems bevatten natuurgebieden vaak zeer lage concentraties biobeschikbaar en traag-circulerend P. Deze bodems zijn vaak historisch niet of nauwelijks bemest. Ter illustratie tonen we cijfers van biobeschikbare en traag-circulerend P-concentraties in goed ontwikkelde

148 

december 2013  Natuur.focus

heischrale graslanden in vergelijking met akkers of weilanden in landbouwgebruik op zandbodem (Figuur 6a), en in goed ontwikkelde glanshavergraslanden met Grote pimpernel in vergelijking met akkers of weiland in landbouwgebruik op leembodem (Figuur 6b). De biobeschikbare P-concentraties in heischraal grasland (< 10 mg/kg) en in glanshavergrasland met Grote pimpernel (<15 mg/kg) liggen zeer laag, terwijl landbouwbodems biobeschikbare P-concentraties hebben die kunnen variëren tussen 60 en 150 mg/kg.

Fosfor en biodiversiteit: eveneens een onverzoenbaar duo In het vorige artikel in deze reeks beschreven we hoe additie van stikstof de soortenrijkdom van graslanden doet afnemen (De Schrijver et al. 2013b). Een vergelijkbaar verhaal gaat op voor P. In ecosystemen waar de groei gelimiteerd wordt door een bepaald nutriënt zal toediening ervan immers leiden tot een verhoging van de biomassaproductie. Hierdoor neemt de groei van snelgroeiende plantensoorten toe ten koste van andere soorten en neemt het totaal aantal plantensoorten af. Recent onderzoek toonde aan dat P-gelimiteerde ecosystemen mogelijk een grotere plantensoortenrijkdom kunnen hebben dan N-gelimiteerde ecosystemen (Olde Venterink 2011). Aanrijking met P zou een sterkere bedreiging vormen voor het verlies aan plantensoorten dan aanrijking met stikstof (Wassen et al. 2005, Ceulemans et al. 2011, 2013). Heischrale graslanden behoren tot de meest nutriëntenarme typen. Herstel van dit graslandtype op voormalige landbouwbodem via maaibeheer of uitmijnen is dan ook vaak een proces van zeer lange adem (zie ook het volgende artikel in deze reeks). Goed ontwikkelde soortenrijke heischrale graslanden hebben vaak biobeschikbare P-concentraties die lager liggen dan 10 mg/kg (zie ook Box 1 voor meer informatie over de vele bepalingsmethodes van P). Ongeacht de N-concentraties in de bodem werd vastgesteld dat bij biobeschikbare P-concentraties van meer dan 20 mg/kg de soortenrijkdom


Artikels Box 1: Vergelijk geen appels met peren Voor de bepaling van de biobeschikbaarheid van P bestaan verschillende methodes, waarvan de waarden niet direct te vergelijken zijn. Fosfor wordt uit de bodem in oplossing gebracht in een bepaalde extractievloeistof, zoals water (Pw), een zwakke zoutoplossing zoals CaCl2 (PCaCl2), een natriumbicarbonaatoplossing (POlsen) of een zure oplossing zoals ammoniumlactaat-azijnzuur (PAL). De concentraties die worden vrijgesteld nemen toe in de volgorde PCaCl2 < Pw < POlsen < PAl (Chardon & Smolders 2009). Een algemene opmerking over deze methodes is dat deze opgesteld werden om de P-behoefte van landbouwgewassen in te schatten en ze niet eenvoudigweg te vertalen zijn naar gebruik in habitatherstel. Bij de bodemkundige dienst en in Nederland wordt doorgaans PAL gebruikt, in Duitsland PCAL (in calcium acetaat lactaat), in de UK POlsen en verder zijn ook nog de PBray (in zoutzuur en ammonium fluoride) en PMehlich (azijnzuur, ammonium nitraat, ammonium fluoride, salpeterzuur en EDTA) veel gebruikte methodes die dus niet zomaar met elkaar te vergelijken zijn.

Verder bestaan er verschillende eenheden om concentraties uit te drukken. Zo kunnen de P-concentraties uitgedrukt worden in het element (P) of in verbinding (P2O5). Daarnaast kan in mg of mol per 100 g of per kg droge of vochtige bodem worden uitgedrukt. Ook worden P-concentraties soms uitgedrukt per volume-eenheid zoals liter of dm3. Omrekening van deze laatste naar kg-1 bodem is slechts mogelijk na inschatting van de dichtheid van de bodem. Het is van belang dat wanneer concentraties uit verschillende studies vergeleken worden deze in dezelfde eenheden worden uitgedrukt. Als we in dit artikel spreken over biobeschikbaar P bedoelen we de concentratie aan POlsen gezien deze het beste correleert met Popname door planten in soortenrijke graslanden onafhankelijk van andere bodemfactoren (Gilbert et al. 2009). In dit artikel drukken we P-concentraties in de bodem steeds uit in mg P/kg droge ­bodem.

significant lager was (Ceulemans et al. 2009, 2011, 2013). Goed ontwikkelde pimpernelgraslanden hebben eveneens vaak biobeschikbare P-concentraties die lager liggen dan 15 mg/kg (Figuur 7). Ook Gilbert et al (2009) toonden aan dat de hoogste soortenrijkdom in Britse graslanden voorkomt op bodems met minder dan 10 mg P/kg, met een optimum bij 5 mg P/kg. Het probleem van afwezigheid van typische soorten in graslanden onder natuurherstel is echter vaak niet enkel een gevolg van te hoge fosfor- of stikstofconcentraties. Door het sterk gefragmenteerde landschap en de beperkte mogelijkheden van plantensoorten om zich te verbreiden is het zeer moeilijk om ter plaatse te geraken. Bovendien is de kans klein dat in voormalige landbouwgronden nog een levensvatbare zaadbank aanwezig is. Wij vonden in graslanden onder

Figuur 7. Bedekking van typische soorten van pimpernelgraslanden (Grote pimpernel, Knoopkruid, Veldlathyrus, Knolsteenbreek,Goudhaver …) in relatie tot de biobeschikbare P-concentraties (Olsen-P) in de bovenste 10 cm van de bodem. (bron gegevens: INBO)

verschralingsbeheer geen typische soorten van heischraal grasland (Heidekartelblad Pedicularis sylvatica, Tormentil Potentilla erecta, Struikhei Calluna vulgaris, Liggende vleugeltjesbloem Polygala serpyllifolia, Borstelgras Nardus stricta, Blauwe zegge Carex panicea, Tandjesgras Danthonia decumbens, Trekrus Juncus squarrosus en Klokjesgentiaan Gentiana pneumonanthe) wanneer de biobeschikbare P-concentratie hoger was dan 20 mg/kg (zie Figuur 8). Een deel van de groep van graslanden met lage biobeschikbare P-concentraties zijn te beschouwen als referentiesites, die in het verleden niet zwaar bemest werden en waar de plantenpopulaties door landbouwgebruik niet vernietigd werden. In sommige van de graslanden met lage biobeschikbare P-concentraties werden typische soorten door beheerders terug ingebracht nadat de nutriëntenrijke toplaag werd afgegraven of geplagd. Percelen

Figuur 8. Bedekking van sleutelsoorten van heischraal grasland (Heidekartelblad, Tormentil, Struikhei, Liggende vleugeltjesbloem, Borstelgras, Blauwe zegge, Tandjesgras, Trekrus en Klokjesgentiaan) in relatie tot de biobeschikbare P-concentraties (Olsen-P) in de bovenste 10 cm van de bodem.

Natuur.focus  december 2013 

149


Artikels In functie van natuurherstel is het interessant kennis te verwerven over welk nutriënt limiterend is voor de groei (zie verder). Van Duren & Pegtel (2000) screenden verschillende natte graslandgemeenschappen en toonden aan dat dotterbloemgraslanden en grote zeggenvegetaties op veenbodem gestuurd worden door N-limitatie of K-limitatie en niet door P-limitatie. Dit wordt bevestigd door de studies van Koerselman & Meuleman (1996), Wassen et al. (2005) en Van de Riet et al. (2009). Voor andere graslandtypes is er minder informatie beschikbaar over welk nutriënt sturend is voor de biodiversiteit. Voor heischraal grasland, blauwgrasland en heide is het aannemelijk te veronderstellen dat zowel N als P limiterend zijn voor de groei (Van Duren & Pegtel 2000, Blanke et al. 2012, Demey et al. 2013). Voor andere habitattypen zoals kleine zeggenvegetaties, kamgraslanden en bossen is weinig informatie te vinden. Meer onderzoek is essentieel. Voor bossen is het verhaal complexer dan voor grasland. De kruidlaag van bossen wordt meestal gelimiteerd door de beschikbaarheid van licht. Bij de aanleg van nieuwe bossen op landbouwgrond is het van belang rekening te houden met de boomsoort. Wanneer de boomlaag voldoende schaduw produceert, bijvoorbeeld bij boomsoorten als Beuk Fagus sylvatica of Linde Tilia cordata, kan ondanks hoge biobeschikbare P-concentraties de groei van snelgroeiende vegetaties worden tegengaan. Als in deze nieuwe bossen potentie bestaat tot uitbreiding van voorjaarsbloeiers zoals Bosanemoon Heischrale graslanden hebben zeer lage biobeschikbare P-concentraties in de bodem. Het is aannemelijk dat deze graslanden van nature zowel N- als P- gelimiteerd zijn. (foto: Welriekende nachtorchis, Vilda/Rollin Verlinde)

liggen vaak sterk geïsoleerd in een landschap van intensief landbouwgebruik. Zonder het aanbrengen van zaad of maaisel zouden deze sites lang oninteressant blijven door het ontbreken van zaadbronnen of een zaadbank. De andere plots waar de typische soorten volledig ontbreken zijn plots met sterk variërende P-concentraties. De typische soorten werden hier ooit vernietigd door een al dan niet intensief en langdurig landbouwgebruik. In soortenrijke graslanden blijken dus vaak zeer lage biobeschikbare P-concentraties voor te komen. Plantensoorten beschikken in deze omstandigheden over verschillende mechanismen om P te mobiliseren of om beter toegang te krijgen tot P. Zo kunnen plantenwortels bepaalde enzymes uitscheiden die P vrijstellen in de bodem (fosfatase enzymes). Planten kunnen verder een symbiose aangaan met bepaalde schimmels (mycorrhiza’s), die het contactoppervlak met de bodem vergroten en zo maken dat plantenwortels meer toegang hebben tot de P in de bodem. Hierdoor kunnen sommige planten ook bij lage P-beschikbaarheden voldoende P opnemen voor hun groei. Nutriëntenrijke landbouwbodems blijken qua microbieel bodemleven gedomineerd te zijn door bacteriën, terwijl nutriëntenarme bodems sterk gedomineerd zijn door schimmels (Bardgett 2005). Wellicht zijn ook de hogere trappen van het voedselweb sterk verschillend. Een andere microbiële gemeenschap zal bijvoorbeeld invloed hebben op de aantallen en diversiteit van de nematoden, wat weer invloed kan hebben op de vegetatie. Naast nutriëntenconcentraties is immers ook het ondergrondse bodemleven sterk sturend voor de bovengrondse biodiversiteit (De Deyn et al. 2003).

150 

december 2013  Natuur.focus

Jonge lichtrijke bossen aangeplant op landbouwgrond worden als gevolg van de hoge biobeschikbare P-concentraties vaak gekenmerkt door een snelgroeiende vegetatie met Brandnetel, Braam of Zevenblad. In jonge schaduwrijke bossen is de ontwikkeling van een voorjaarsvegetatie wel mogelijk, omdat de beschaduwing van het kronendak de ontwikkeling van dergelijke snelgroeiende vegetaties onmogelijk maakt. (foto: Melisbroek, Vilda/Rollin Verlinde)


Artikels Box 2: P-verzadigde bodems in Vlaanderen Zure, zandige bodems hebben een lage capaciteit om P te binden en zijn bijgevolg erg gevoelig voor P-verzadiging door overbemesting. De P-verzadigingsgraad (FVG) wordt berekend door geadsorbeerde hoeveelheid fosfaat (Pox, P na oplossing in oxalaat) te delen door het fosfaatbindend vermogen. In zure, zandige bodems wordt P voornamelijk gebonden door Al en Fe. Reeds bij een FVG van 25% is uitspoeling van P naar het grondwater een risico. In Vlaanderen zijn de meeste zure zandgronden in landbouwbeheer P kritisch (FVG > 25%) of P verzadigd (FVG > 35%) (Van Meirvenne et al. 2007). Voor andere bodemtypes zou de kritieke FVG gelijk of

lager liggen (Schoumans 2004). Dit betekent dat het areaal aan fosfaatverzadigde gronden heel wat hoger zou kunnen liggen dan eerder aangenomen. Op zandleembodems in West-Vlaanderen werd eerder al aangetoond dat de FVG (25%) voor gronden rond varkenskwekerijen overschreden werd en dit in de helft van de meetpunten in de studie. Binnen P-verzadigde gebieden is de toegelaten P-bemesting gelimiteerd. Maar de actuele wetgeving of de methode om P-verzadigde gebieden te bepalen voldoen echter niet (FVG van 35% als norm i.p.v. 25%) om het P uitspoelingsprobleem op te lossen (De Bolle 2013).

Vanaf een P-verzadigingsgraad van 25 % worden zure zandige bodems als P-kritisch beschouwd in Vlaanderen. De kans op P uitspoeling naar het grondwater is dan hoog. Bodems met een FVG van meer dan 35 % worden als P-verzadigd beschouwd en hierop wordt P bemesting door de wet ingeperkt (Van Meirvenne et al. 2007).

en Slanke sleutelbloem, bijvoorbeeld omdat dit nieuwe bos aansluit bij een oud bos, kan de ontwikkeling van een soortenrijke voorjaarsvegetatie mogelijk zijn (Baeten et al. 2011). Op het moment dat het bladerdek gesloten is, is er voor snelgroeiende soorten als Brandnetel Urtica dioica, Braam Rubus fructicosis en Zevenblad Aegopodium podagraria immers onvoldoende licht voor hun groei waardoor ze niet tot dominantie komen. Beuk heeft wel als nadeel dat hij de bodem sterk verzuurt (De Schrijver et al. 2012b) en een dik pakket strooisel produceert, wat eveneens ongunstig is voor de ontwikkeling van voorjaarsvegetatie. In nieuwe aangelegde lichtrijke bossen is de kans op dominantie van Brandnetel, Braam en Zevenblad ten gevolge van hoge P-concentraties wel zeer waarschijnlijk. Niet enkel de gewijzigde competitieverhoudingen tussen soorten maakt dat typische bosplantensoorten minder kans krijgen. Ook veranderingen in de demografie van bosplantensoorten is van belang. Bosplanten zoals Bosanemoon Anemone nemorosa en Slanke sleutelbloem Primula elatior zullen bij hogere biobeschikbare P-concentraties sneller groeien: hun levenscyclus voltooit zich versneld en ze sterven sneller. Een soort als Slanke sleutelbloem kan deze snellere mortaliteit echter niet compenseren met de vestiging van nieuwe individuen, waardoor de soort zich op langere termijn mogelijk niet zal kunnen handhaven (Baeten et al. 2009).

Biogeochemische kennis is broodnodig Biobeschikbare P-concentraties blijken in een groot aantal natuurdoeltypes zeer laag te liggen (zie Houtmeyers et al. 2013). Referentiesites zijn echter meestal gelegen in natuurgebied en nooit of slechts sporadisch bemest geweest. De vraag stelt zich of de P-concentraties werkelijk zo laag moeten liggen om natuurherstel op voormalige landbouwgrond te realiseren. Is een duurzaam herstel van natuur ook mogelijk bij hogere P-concentraties? Hierbij is het ook van belang te definiëren waarmee we tevreden zijn: welke soortenrijkdom en bedekking van doelsoorten wordt nagestreefd? Verdere kennisverwerving hierover is essentieel en lopend aan zowel het INBO als aan de universiteiten. Om herstel van een bepaald ecosysteemtype te realiseren op voormalige landbouwgrond is het verder van belang te weten welke hulpbron de biomassaproductie het meest stuurt. Als een ecosysteemtype gekenmerkt wordt door stikstoflimitatie, dan zullen de beheermaatregelen anders moeten zijn dan als fosforlimitatie, kaliumlimitatie of colimitatie van stikstof, kalium of fosfor wordt nagestreefd. Via beheermaatregelen kan immers getracht worden een bepaald nutriënt limiterend te maken. Zo kan vernatting de biobeschikbaarheid van stikstof verlagen, maar die van fosfor sterk verhogen. Een heel intensief maaibeheer kan leiden tot kaliumlimitatie (Van Duren &

Natuur.focus  december 2013 

151


Biobe eschikbaar Po (% of total P)

Biobe eschikbaar Pa (% of total P)

Artikels 0-5 cm

20

5-15 cm

15-25/30 cm Denemarken Denmarken België België

16

12

8

4

12

8

4

0

10

20

30

40

0

10

20

30

40

0

10

20

30

40

Bosleeftijd (jaren)

Figuur 9. Evolutie in de biobeschikbare P-concentraties met toenemende leeftijd van eikenbossen aangeplant op voormalige landbouwbodem. Uit deze gegevens blijkt dat de biobeschikbare anorganische P-concentraties (Pa) afnemen, maar dat deze daling gecompenseerd wordt door een toename in de biobeschikbare organische P-concentraties (Po). De totale biobeschikbaarheid van P blijft dus gelijk.

Pegtel 2000). Om fosforlimitatie te bereiken kan uitmijnen overwogen worden (zie volgend artikel in deze reeks). Als extreem hoge P-concentraties voorkomen, dan zal ontgronden of opteren voor een voedselrijker natuurdoeltype soms de enige opties zijn. Het is bovendien van belang om inzicht te krijgen in de verschillende P-fracties in de bodem. Alleen gegevens van biobeschikbare anorganische P-concentraties zijn onvoldoende om de totale pool aan biobeschikbaar P in te kunnen schatten. Met toenemende bosontwikkeling op voormalige landbouwgrond bijvoorbeeld nam de biobeschikbare anorganische P fractie af, maar dit werd gecompenseerd door een stijging van de biobeschikbare snel mineraliseerbare organische P fractie (Figuur 9). De totale biobeschikbare P-pool bleef dus gelijk. Een verschralingsbeheer van zeer rijke landbouwbodems naar schrale vegetaties is een werk van lange adem. Het volgende artikel in deze reeks bespreekt hoe verschraling kan gerealiseerd worden in functie van het herstel van heischrale graslanden op zandbodems. We vergelijken de voor- en nadelen van een klassiek maaibeheer, de techniek van uitmijnen en ontgronden.

Conclusie In tegenstelling tot N accumuleert P zeer sterk in de bodem. P spoelt in de meeste bodems niet gemakkelijk uit en kan niet vervluchtigen, waardoor een jarenlange te hoge bemesting resulteert in een vaak extreem hoge voorraad aan P. Honderden tot zelfs duizenden jaren na stopzetting van het voormalige landbouwgebruik worden nog steeds verhoogde Pconcentraties in de bodem teruggevonden. Natuurgebieden

152 

december 2013  Natuur.focus

worden vaak gekenmerkt door zeer lage P-concentraties in de bodem. Het betreft hier meestal percelen die nooit of slechts sporadisch bemest geweest zijn. Uit recent onderzoek blijkt dat de meest soortenrijke graslanden voorkomen bij zeer lage P-concentraties. Momenteel is nog onvoldoende geweten welke de streefwaarden zijn qua P-concentraties in de bodem om een duurzaam natuurherstel op landbouwgrond te realiseren. Er wordt bovendien enkel rekening gehouden met de biobeschikbare anorganische P-concentraties in de bodem. Weinig kennis is momenteel voorhanden over de snel mineraliseerbare organische P fractie. Cruciaal in het natuurherstel is daarom kennis van de biogeochemie in relatie tot de kansen voor vestiging van typische soorten.


Artikels Summary: De Schrijver A., Schelfhout S., Demey A., Raman M., Baeten L., De Groote S., Mertens J. & Verheyen K. Focus on biogeochemistry - part 5. Nature restoration on agricultural land: phosphorus as bottleneck. Natuur.focus 12(4): 145-153 [in Dutch]. Alarmed by the worldwide loss of biodiversity, several international initiatives are undertaken to gather knowledge on biodiversity conservation and ecosystem restoration. Within the Natura 2000 network, member states of the EU are urged to take measures for maintaining and restoring natural habitats. For Flanders, new natural habitat has to be restored on agricultural land. The restoration of species-rich grasslands on former agricultural land, however, faces major bottle-

necks and restoration has shown variable success. High soil nutrient levels hinder species diversity through favouring fast growing, competitive species which outcompete other, subordinate species. Loss of terrestrial plant biodiversity has been both linked to high levels of nitrogen and phosphorus (P). P is one of the least mobile mineral nutrients and many post-agricultural soils have large reserves as a consequence of heavy fertilisation during decades. This paper focuses on the topic of nature restoration on former agricultural fields, more particular on P as bottleneck for nature restoration. We explain the biogeochemical behaviour of P in the soil and discuss the process of internal eutrophication. We also discuss why biogeochemical knowledge is necessary for nature restoration. In our next paper we focus on which techniques nature managers can use for habitat restoration.

AUTEURS: An De Schrijver, Andreas Demey en Lander Baeten zijn postdoctorale onderzoekers en Stephanie Schelfhout en Stefanie De Groote zijn doctoraatsstudenten aan het Labo voor Bos & Natuur (Vakgroep Bos & Water) van de Universiteit Gent. Kris Verheyen is professor aan hetzelfde labo. Jan Mertens is professor aan de vakgroep Toegepaste Biowetenschappen van de Universiteit Gent. Maud Raman is onderzoekster aan het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. CONTACT: An De Schrijver, Labo voor Bos & Natuur, Geraardsbergse Steenweg 267, 9090 Gontrode (Melle). E-mail: an.deschrijver@ugent.be Referenties:

Baeten L., De Schrijver A., De Keersmaeker L. 2011. Bosplanten in de tang genomen: landschap en bodem als knelpunten voor de ontwikkeling van soortenrijke jonge bossen. Bosrevue 37: 2-5. Baeten L., Vanhellemont M., Van Calster H., Hermy M., De Schrijver A. & Verheyen K. 2009. Zullen bosplantenpopulaties zich ooit vestigen in jonge bossen op voormalige landbouwgronden? De Levende Natuur 110: 215-219. Bardgett R. 2005. The biology of soil. A community and ecosystem approach. Oxford, University Press. Blanke V., Bassin S., Volk M. & Fuhrer J. 2012. Nitrogen deposition effects on subalpine grassland: The role of nutrient limitations and changes in mycorrhizal abundance. Acta Oecologica 45: 57-65. Boers P. & Uunk J. 1990. Methode voor het inschatten van de nalevering van fosfaat door de waterbodem na vermindering van de externe belasting. Lelystad, nota Rijkwaterstaat, Dienst Binnenwateren / RIZA nr. 90.032. Butchart S. H. M., Walpole M., Collen B., van Strien A., Scharlemann J. P. W., Almond R. E., et al. 2010. Global biodiversity: indicators of recent declines. Science, 328: 1164–1168. Ceulemans T., Merckx R., Hens M. & Honnay O. 2013. Plant species loss from European semi-natural grasslands following nutrient enrichment. Is it nitrogen or is it phosphorus? Global Ecology and Biogeography, 22(1), 73–82. Ceulemans T., Merckx R., Hens M., Honnay O. 2011. A trait-based analysis of the role of phosphorus vs. nitrogen enrichment in the loss of grassland plant species across Northwestern Europe. Journal of Applied Ecology 48: 1155-1163. Ceulemans T., Hens M., Honnay O., Merckx R. 2009. Vermesting en soortenrijkdom in heischrale graslanden. Natuur.focus 8: 90-95. Chardon W. & Smolders F. 2009. Grenswaarden voor beschikbaarheid van bodemfosfaat bij natuurontwikkeling. De levende natuur, 110, p. 95. De Bolle S. 2013. Phosphate saturation and phosphate leaching of acidic sandy soils in Flanders: analysis and mitigation options. PhD Universiteit Gent. De Deyn GD., Raaijmakers CE., Zoomer HR., Berg MP., de Ruiter PC., Verhoef HA., Bezemer TM., van der Putten WH. 2003. Soil invertebrate fauna enhances grassland succession and diversity. Nature 422: 711-713. Demey A., Ameloot E., De Schrijver A., Staelens J., Hermy M., Boeckx P. & Verheyen K. 2013. Focus op biogeochemie - deel 3. Sleutelrol voor halfparasieten in de biogeochemie van soortenrijke graslanden. Natuur.focus 12: 68-76. De Schrijver A., Vesterdal L., Hansen K., De Frenne P., Augusto L., et al. 2012a. Four decades of postagricultural forest development have caused major redistributions of soil phosphorus fractions. Oecologia, 169(1), 221–34. De Schrijver A., Wuyts K., Schelfhout S., Staelens J., Verstraeten J. & Verheyen K. 2012b. Verzuring van terrestrische ecosystemen. Natuur.focus 11: 136-143. De Schrijver A., Schelfhout S. & Verheyen K. 2013a. Bepaling van de effectieve potenties voor herstel en creatie van pimpernelgraslanden in deelgebieden 2 en 4 van de SBZ Heesbossen, Vallei van Marcke en Merkske en Ringven met valleigronden langs de Heerlese loop. Studie in opdracht van het Agentschap voor Natuur en Bos. Rapport november 2013, 82p. De Schrijver A., Demey A., De Frenne P., Schelfhout S., Vergeynst J., De Smedt P. & Verheyen K. 2013b. Stikstof en biodiversiteit: een onverzoenbaar duo. Natuur.focus 12: 92-102.

Dumortier M., De Bruyn L., Hens M., Peymen J., Schneiders A., Van Daele T. & Van Reeth W. (red.) 2009. Natuurverkenning 2030. Natuurrapport Vlaanderen, NARA 2009. Mededeling van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, INBO.M.2009.7, Brussel. Gilbert J., Gowing D. & Wallace H. 2009. Available soil phosphorus in semi-natural grasslands: Assessment methods and community tolerances. Biological Conservation, 142(5), 1074–1083. Gobin A., Uljee I., Van Esch L., Engelen G., de Kok J., van der Kwast H. et al. 2009. Landgebruik in Vlaanderen. Wetenschappelijk rapport MIRA 2009 en NARA 2009. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek 2009 (20). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Brussel. Houtmeyers S., Van Broeckhoven E., Vandenbroucke A. &, Vergeynst J. 2013. Zoektocht naar referentiewaarden voor het herstel van soortenrijke natuur. Bachelor Thesis, Universiteit Gent. Koerselman W. & Meuleman A. F. M. 1996. The vegetation N:P ratio: a new tool to detect the nature of nutrient limitation. Journal of Applied Ecology 33: 1441-1450. Lamers L., Lucassen E., Tomassen H., Smolders A. & Roelofs J. 2009. Verpitrussing bij natuurontwikkeling: voorkomen is beter dan genezen. De Levende Natuur 110: 43-46. Mclauchlan K. 2006. The Nature and longevity of agricultural impacts on soil carbon and nutrients : A review. Ecosystems 9: 1364-1382. Mulier A., Hofman G., Baecke E., Carlier L., De Brabander D., De Groote G. et al. 2003. A methodology for the calculation of farm level nitrogen and phosphorus balances in Flemish agriculture. European Journal of Agronomy, 20, 45-51. Overloop S., Bossuyt M., Claeys D., Wustenberghs H., D’hooghe J., Elsen A. & Eppinger R. 2012. Milieuen natuurrapport (MIRA) Vlaanderen, indicatorraport 2012, achtergronddocument 2012 vermesting. Vlaamse Milieumaatschappij. Olde Venterink H. 2011. Does phosphorus limitation promote species-rich plant communities? Plant and Soil, 345(1-2), 1–9. Sattari S. Z., Bouwman A. F., Giller K. E., & Van Ittersum M. K. 2012. Residual soil phosphorus as the missing piece in the global phosphorus crisis puzzle, 109(16). doi:10.1073/pnas.1113675109. Smolders A., Lucassen E., Tomassen H., Lamers L., & Roelofs J. 2006. De problematiek van fosfaat voor natuurbeheer. Vakblad voor Natuur, Bos en Landschap 6: 5–11. Van Gerven L. P. A., Hendriks R. F. A., Harmsen J., Beumer V. & Bogaart P. W. 2011. Nalevering van fosfor naar het oppervlaktewater vanuit de waterbodem. Metingen in het veengebied Krimpenerwaard. Alterra-rapport 2217, Reeks Monitoring stroomgebieden 23. Alterra, Wageningen UR. Van de Riet B. P., Barendregt A., Brouns K., Hefting M. M. & Verhoeven J. T. A. 2009. Nutrient limitation in species-rich Calthion grasslands in relation to opportunities for restoration in a peat meadow landscape. Applied Vegetation Science 1: 1-11. Van Duren I.C. & Pegtel D.M. 2000. Nutrient limitations in wet , drained and rewetted fen meadows: evaluation of methods and results, 35–47. Van Meirvenne M., Tariku M. & Salomez J. 2007. Afbakening van de fosfaatverzadigde gebieden in Vlaanderen op basis van een kritische fosfaatverzadigingsgraad van 35%. Studie in opdracht van de VLM - Mestbank. Finaal rapport: deel 1a afbakening. Wassen M. J., Venterink H. O., Lapshina E. D., & Tanneberger F. 2005. Endangered plants persist under phosphorus limitation. Nature, 437(7058), 547–50.

Natuur.focus  december 2013 

153


Artikels

Was 2013 een super vlinderjaar?

Cijfers uit losse waarnemingen 2009-2013 Marc Herremans & Karin Gielen

We hebben een paar bijzondere vlinderjaren achter de rug: van massale invasies in 2009 via de verontrustend slechte jaren 2011 en 2012 naar eindelijk nog eens een goed jaar in 2013. Voor Nederland was 2013 zelfs het beste vlinderjaar van de eeuw (Van Swaay en Plate 2013). Maar het was de afgelopen jaren altijd wel iets: een uitzonderlijk warm en droog voorjaar (2009, 2010, gedeeltelijk 2011), een warme droge zomer tot diep in de herfst (2009), een kletsnatte en koele zomer (2011-2012) of een bijzonder laat en koud voorjaar (2013). Maar hoe geraken we voor Vlaanderen aan cijfers die de respons van de vlinders op dit alles objectief kunnen onderbouwen en documenteren, vooraleer de herinneringen vervagen of zelfs tegenstrijdig worden?

Na een lange periode met een sterke afname was de Kleine vos aan een heel duidelijk herstel bezig. De tweede generatie in de tweede helft van juni 2013 was zeer behoorlijk, maar de piekaantallen in augustus waren buiten proportie (zie Figuur 12). (foto: Marcel Bex)

154â&#x20AC;&#x192;

december 2013â&#x20AC;&#x192; Natuur.focus


Artikels Inleiding Nederland en Vlaanderen hebben bij de hoogste dichtheid aan vrijwillige expert natuurwaarnemers in de wereld. Via het portaal www.waarnemingen.be stromen jaarlijks zo’n 100.000 losse vlinderwaarnemingen binnen, ‘losse’ waarnemingen genoemd omdat ze niet in het kader van een gestructureerd protocol verzameld werden. De afgelopen vijf jaar (20092013) werden uit Vlaanderen 1.280.529 vlinders gemeld door 3.281 waarnemers. Zou daarin niet het nodige te vinden zijn om de variaties in de vlinderstand te documenteren? We gaan uitdrukkelijk op zoek naar cijfers die de grote variatie aan vlinderaantallen maximaal in beeld brengen op korte termijn (dag, week, seizoen en jaar). Waren er veel of weinig? Waren ze vroeg of laat? We zoeken dus naar cijfers om de belevingswaarde van ‘hoeveel vlinders’ te beschrijven. Daarom werken we hier ook met de aantallen gemelde vlinders en niet met het aantal waarnemingen of meldingen. Hoe ziet de vergelijking er in cijfers uit tussen een moment waarvan iedereen zegt ‘nu vliegt er echt niets dit jaar’ of ‘zoveel vlinders heb ik in geen jaren nog gezien’. We focussen dus uitdrukkelijk op variaties in de aantallen op hele korte termijn, om de vraag ‘hoe is de vlinderstand nú?’ te kunnen duiden, en dat met terugwerkende kracht voor de laatste vijf jaar. We zoeken dus niet naar onderliggende trends voor langetermijnmonitoring. De focus van de huidige vergelijking ligt bij het beoordelen van de vraag of 2013 wel degelijk zo’n fenomenaal vlinderjaar was en daarbij refereren we natuurlijk vooral naar 2009, het vorige uitzonderlijk goede jaar. Daarnaast besteden we ook aandacht aan de voorgestelde methode en hoe die de cijfers misschien zou kunnen beïnvloed hebben.

Methoden Bij gebruik van losse waarnemingen wordt het soms als een gebrek aanzien dat de zoekinspanning niet gekend is. Daar valt echter vaak wel een mouw aan te passen, bv. door ‘veelmelders’ te selecteren, want die laten immers een duidelijk ‘spoor’ na van waar ze actief geweest zijn. Een groter probleem is dat het meldingsgedrag van de waarnemers niet gekend is en misschien ook niet constant of consequent is. In www. waarnemingen.be zijn waarnemers vrij om in te voeren wat zij meldenswaardig vinden. Naast de trouwe melders die steeds alle waarnemingen invoeren van een bepaalde groep (bv. alle roofvogels, alle vlinders, alle orchideeën …) of dit minstens uit een aantal favoriete gebieden doen, is het bv. mogelijk dat sommigen selectief en volgens een moeilijk te traceren logica waarnemingen invoeren. Mensen zijn meer geneigd om het uitzonderlijke te documenteren dan het gewone. In dit artikel gaan we op zoek naar manieren om de zoekinspanning van waarnemers te achterhalen en naar selecties van waarnemers die voldoende consequent vlinders melden. Door die beide te koppelen ontwikkelen we indexen voor de relatieve talrijkheid van vlinders. Het verschil in meldingsgedrag kunnen we opsporen in de databank. Voor een te analyseren doel kunnen we zo waarnemers selecteren die best aan het profiel beantwoorden.

Selectie van waarnemers en data Enkel waarnemers die heel veel waarnemingen melden aan waarnemingen.be laten een duidelijk spoor na van hun zoekinspanning; bij onregelmatige melders bestaat dat verband niet tussen wat ze gemeld hebben en waar en hoeveel ze zijn

gaan waarnemen. Eerst maakten we een paar testen op hoeveel vlinderwaarnemingen een waarnemer zou moeten invoeren per jaar vooraleer we ervan konden uitgaan dat hij de meeste vlinders die hij tegenkomt ook invoert in de databank. Zo komen we tot drie verschillende selecties: (a) 635 waarnemers die in 2009-2012 jaarlijks minstens eenmaal een dagvlinder meldden, (b) 151 waarnemers die jaarlijks minstens 40 maal dagvlinders meldden (die noemen we verder ‘veelmelders’), (c) 35 waarnemers die jaarlijks minstens 200 maal dagvlinders meldden (die noemen we ‘allesmelders’). Op www. natuurpunt.be/focus vind je een tabel met het overzicht per soort van de aantallen vlinders gemeld de afgelopen vijf jaar.

Zoekinspanning bepalen Daghokbezoeken

We legden een fijnmazig grid van 100x100 meter over Vlaanderen. Als een vlinderwaarnemer iets gemeld heeft uit een bepaalde gridcel van 100x100 m, dan is dat een bewijs van een bezoek aan die gridcel op die dag. Dat noemen we een daghokbezoek. We gebruikten hiervoor niet alleen zijn vlinderwaarnemingen, maar ook al zijn andere waarnemingen, dus van alle taxonomische groepen: had hij vlinders gezien, dan had hij die immers wellicht ook gemeld. We kunnen niet volledig traceren waar een waarnemer overal is geweest, want soms kan hij, bv. bij een vluchtig bezoek aan een minder interessant gebied, geen waarnemingen melden uit een gridcel, maar de gevolgde werkwijze geeft in totaal wel een goede maat voor hoe ‘meld-actief’ een waarnemer was op een bepaalde dag, week of jaar. We sommeerden al deze daghokbezoeken voor de geselecteerde groep waarnemers per dag, week of jaar als maat voor de totale zoekinspanning. In totaal leverden de geselecteerde 151 waarnemers op die vijf jaar tijd 849.044 bewezen bezoeken aan een 100x100 m gridcel. Die bezochte hokjes lagen over heel Vlaanderen verspreid en halen een grote bedekking, met enkel beduidende gaten in het centrum van West-Vlaanderen, het zuidwesten van Limburg en ten zuidwesten van Brussel (Figuur op www.natuurpunt. be/focus).

Index voor het aantal vlinders De som van alle vlinders gedeeld door de som van de daghokbezoeken geeft een index voor de talrijkheid van vlinders, rekening houdend met de zoekinspanning. Die index berekenen we per week, seizoen en jaar. Omdat de zoekinspanning dezelfde blijft voor alle soorten, kunnen we ook soorten samenvoegen tot een ecologische index, bv. trekvlinders of graslandvlinders, of soorten met één generatie per jaar. De index geeft de ‘vliegactiviteit’ van een soort weer omdat vooral actief rondvliegende vlinders opgemerkt en gemeld worden. Om schaalredenen drukken we de index uit als het gemiddeld aantal gemelde vlinders per honderd bezochte 100x100 m hokken.

Resultaten

Selectie van waarnemers We gaan eerst wat dieper in op de selectie van waarnemers met een verschillend meldingsprofiel. We geven hier voorbeelden van het effect op de cijfers voor soorten met een verschillend voorkomen: van ‘algemeen en wijd verspreid’ tot ‘schaars en plaatselijk’. Het verschil in voorkomen van een soort bepaalt immers zowel de kans dat een waarnemer ze

Natuur.focus  december 2013 

155


Artikels Met alle gegevens van waarnemers >=1 melding/jaar

Voor een selectie ‘veelmelders’ >=40 meldingen per jaar 600

450

350

Indexx aantal vlinders

250 200 150 50 100

Indexx aantal vlinders

400

300

Indexx aantal vlinders

Voor een selectie ‘allesmelders’ >= 200 meldingen per jaar

350 300 250 200 150 100

50

0 2009

2010

2011

2012

2013

400 300 200 100

50

0

500

0 2009

2010

2011

2012

2013

2009

2010

2011

2012

2013

2009

2010

2011

2012

2013

(a) Dagpauwoog

Indexx aantal vlinders

Indexx aantal vlinders

12 10 8 6 4

20

40

18

35

16

Indexx aantal vlinders

14

14 12 10 8 6

0 2009

2010

2011

2012

2013

20 15

5

2

0

25

10

4

2

30

0 2009

2010

2011

2012

2013

(b) Kleine ijsvogelvlinder Figuur 1. Jaarindex 2009-2013 voor de talrijkheid gecorrigeerd voor zoekinspanning: horizontaal twee soorten; links, midden en rechts op basis van verschillende selecties waarnemers.

tegenkomt als het feit of hij ze interessant genoeg vindt om ze te melden. Bij talrijke soorten (bv. Figuur 1a) is het patroon van talrijkheid tussen de jaren gelijk voor de drie selecties waarnemers. Dat is niet zo voor een schaarse en plaatselijke soort (Figuur 1b). Uiteindelijk bouwen we het verhaal verder op de middenmoot, een selectie van 151 waarnemers met jaarlijks minstens veertig vlinderwaarnemingen (maar doorgaans veel meer) (middelste kolom uit Figuur 1): in totaal hebben die nog 716.099 vlinders gemeld de afgelopen vijf jaar (56% van het totaal).

Totaal aantal vlinders over het jaar De lente stelde de afgelopen jaren voor vlinders niet veel voor (Figuur 2). Op de enorme trekpiek van Distelvlinders eind mei 2009 na, bleef het aantal vlinders in de 2009 2011 Gemiddelde 2010/2012 2013

70

50

700

40 30 20 10

Invasies trekvlinders

600

Index aaantal vlinders

Index aanttal vlinders

60

Niet-invasiesoorten

500 400 300 200 100

0 maa

apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

Figuur 2. Index voor het aantal gemelde vlinders per week voor 2009, 2011, gemiddelde 2010-2012 en 2013, gecorrigeerd voor de zoekinspanning.

156 

lente opvallend laag, zelfs in de warme en zonnige lentes van 2009, 2010 en 2011. Juli en augustus daarentegen zijn dé vlindermaanden in Vlaanderen, met doorgaans ca. tien keer meer vlinders dan in de lente. De legendarische ‘junidip’ blijkt wel degelijk te bestaan: in de meeste jaren is er in de loop van juni een duidelijk dieptepunt tussen de lente en de zomer. In 2011 verliep alles vroeg en viel de juni-dip al in mei. We zien trouwens belangrijke verschillen tussen de jaren in timing, waarbij de piek van het vliegseizoen tot vijf weken verschoven is (2011 tegen 2013). De grote trekvlinderinvasies hebben een heel belangrijke bijdrage geleverd (34%) aan het totaal aantal vlinders in 2009, maar hadden slechts een beperkte invloed in 2013 (6%). In 2010-2012 waren er amper trekvlinders (minder dan 1% van het totaal, Figuur 3).

december 2013  Natuur.focus

0 2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 3. Bijdrage van de trekvlinderinvasies aan het jaartotaal voor 2009-2013; totaalindex gecorrigeerd voor zoekinspanning.


Artikels

Inde ex aantal vlinders

500

zorgde ervoor dat Oranjetipjes een maand later vlogen. In totaal werden er maar weinig gemeld en werd 2013 het zwakste jaar in de rij (Figuur 5).

Voorjaar

450

Zomer

400 350 300 250 200 150 100 50 0 2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 4. Index voor het totaal aantal vlinders in voorjaar en zomer 2009-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning.

In Figuur 4 vergelijken we de vlinderstand tussen het voorjaar (tot en met juni) en de zomer (vanaf juli). Het percentage vlinders in het voorjaar varieerde daarbij tussen 10% van het jaartotaal in 2013 en 41% in 2011, toen het een zonnig en warm voorjaar was, maar toen de zomer een flop werd. De afgelopen vijf jaar waren er in het voorjaar steeds minder vlinders, maar dat belette niet dat er in 2013 toch nog best veel vlinders verschenen in de zomer.

Gegevens per soort Het overzicht van de grafieken voor alle talrijkere soorten is te vinden op www.natuurpunt.be/focus. Hier geven we enkel een paar van de markantste voorbeelden. Daarbij focussen we op verschillen in timing van de vliegperiode tussen de jaren en het missen van een generatie (de eerste of de laatste) bij soorten die geen tijdige start maakten in 2013. We zoomen ook in op de trekvlinders. Grafieken van jaren met gelijkaardige patronen worden gecombineerd, om de figuren te ontlasten.

Soorten met één enkele generatie Voor soorten met één enkele generatie per jaar is het erop of eronder. Die kunnen zich later in het jaar niet meer herpakken in een volgende vliegperiode. Oranjetipje In de warme voorjaren 2009-2011 vlogen Oranjetipjes al volop begin april, maar in 2013 was dan de laatste sneeuw amper weg. Het uitzonderlijke koude en late voorjaar in 2013

Overige soorten De late vliegtijd was in 2013 een constante: meestal ging het om een vertraging van twee weken tot een maand, maar bij het Groentje en Groot dikkopje viel de piek zelfs zes weken later in vergelijking met 2011. Hoewel Bruine zandoogjes vliegen in volle zomer, zo’n drie maanden na het einde van de laatste koudegolf in 2013, was ook hier het vliegseizoen nog drie weken later. Ondanks de late vliegtijd volgde er bij de Kleine ijsvogelvlinder toch nog een duidelijk merkbare tweede generatie eind september en begin oktober. De invloed op de aantallen was variabel: 2013 werd een goed jaar voor Kleine ijsvogelvlinder en Bont dikkopje, dat vloog met een grote concentratie begin juni. Het werd slecht voor Groentje en Zwartsprietdikkopje, respectievelijk een vroege en een late soort.

Soorten met twee generaties per jaar Citroenvlinder Bij de Citroenvlinder is er in de lente een vliegperiode van vlinders die overwinterd hebben; later in de zomer volgt een tweede generatie, die op zijn beurt weer gaat overwinteren. In de eerste drie jaren zien we een patroon met meer vlinders in de lente dan in de zomer, wat recent het normale patroon geworden was (Maes et al. 2013a). Maar zowel in 2012 en vooral in 2013 keerde dit helemaal om, met een grote zomerpiek. In 2013 werd die voorafgegaan door veel vlinders in het voorjaar, bovendien gedurende een lange tijd (Figuur 6). Koninginnenpage De eerste generatie van de Koninginnenpage was in 2013 uitzonderlijk zwak, maar dat belette niet dat er midden augustus toch een grote piek werd bereikt omwille van een heel geconcentreerde tweede generatie (Figuur 7). In totaal was het echter toch maar een zwak jaar voor de soort.

Soorten met meerdere generaties per jaar In deze groep geven we voorbeelden van een heel variabel effect van het missen van de eerste generatie en van de laatste generatie die te laat kwam en daardoor beneden normaal bleef.

70

14 Gemiddelde 2009-2010-2011

Index aaantal vlinders

2012 10

60

Indexx aantal vlinders

12

2013

8 6 4

40 30 20 10

2

0

0 (a)

50

apr

mei

jun

(b)

2009

2010

2011

2012

2013

Figuur 5. Talrijkheid van het Oranjetipje 2009-2013 (n=11.097 vlinders): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

Natuur.focus  december 2013 

157


Artikels

2012

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

120

Gemiddelde 2009-2010-2011

20

2013

15

10

5

80 60 40 20

0

0

maa

(a)

100

apr

mei

jun

juli

aug

sep

2009

(b)

2010

2011

2012

2013

2010

2011

2012

2013

2010

2011

2012

2013

2010

2011

2012

2013

Figuur 6. Talrijkheid van de Citroenvlinder 2009-2013 (n=10.789): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

25

Gemiddelde 2009-2010-2011

2,5

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

3

2012 2013

2 1,5 1

20

15

10

5

0,5 0

0

apr

(a)

mei

jun

juli

aug

sep

2009

(b)

Figuur 7. Talrijkheid van de Koninginnenpage 2009-2013 (n=2.813): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

450

80 Gemiddelde 2009-2010

400

Gemiddelde 2011-2012

60

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

70

2013

50 40 30

350 300 250 200 150

20

100

10

50

0

0

maa

(a)

apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

2009

(b)

Figuur 8. Talrijkheid van de Dagpauwoog 2009-2013 (n=52.922): (a) weekindexen, (b) jaarindexen

140

16

Gemiddelde 2009-2010

14

2011

12

2013

120

Indexx aantal vlinders

Indeex aantal vlinders

18

10 8 6

100 80 60 40

4 20

2 0 (a)

0

apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

(b)

2009

Figuur 9. Talrijkheid van de Kleine vuurvlinder 2009-2013 (n=12.670): (a) weekindexen, (b) jaarindexen

158â&#x20AC;&#x192;

december 2013â&#x20AC;&#x192; Natuur.focus


Artikels Dagpauwoog Bij de Dagpauwoog is er normaal een opbouw van de aantallen in de loop van het jaar. De overwinterende generatie is klein, maar zorgt dan voor een driemaal grotere zomerpiek die dan later verder verdubbelt in een nog grotere najaarspiek (Figuur 8). In 2013 was de lentepiek een maand later dan in 2011-2012, maar er volgde een late maar bijzonder hoge zomerpiek begin augustus. Daarmee was alles klaar voor recordaantallen in de derde generatie in september-oktober … maar die kwamen er uiteindelijk niet meer. In tegenstelling met het normale patroon bleek de derde generatie maar half zo talrijk als de tweede. Iets gelijkaardigs gebeurde ook al in 2012. De derde generatie kwam te laat en eindigde in koel nazomerweer. Alles bij elkaar werd 2013 toch nog een bijzonder goed jaar voor de Dagpauwoog. Kleine vuurvlinder Kleine vuurvlinder vliegt in drie generaties waarbij de aantallen zich opbouwen in de loop van het jaar. De najaarsgeneratie is drie tot vijf keer talrijker dan de twee voorgaande generaties. De laatste drie jaren waren zwak voor de soort, en dat startte steeds bij een erg beperkte eerste generatie (Figuur 9). Groot koolwitje Het Groot koolwitje heeft drie generaties, waarvan de laatste twee min of meer overlappen. De eerste generatie van 2013 was bijzonder zwak, maar toch volgde er nog een normale zomer- en najaarspiek (Figuur 10). In totaal was het echter een vrij zwak jaar voor de soort.

Overige soorten Te laat beginnen had ook bij het Icarusblauwtje gevolgen in 2013. In 2009 en in mindere mate in 2012 had het Icarusblauwtje een derde generatie in september. In 2013 bleef het beperkt tot twee generaties en de beide vliegperiodes waren ca. drie weken later dan in de jaren dat er nog een derde generatie volgde. Klein koolwitje had in 2013 een patroon gelijkaardig aan Groot koolwitje: een bijzonder zwakke eerste generatie en dan toch nog behoorlijk herstel naar de herfst toe.

Trekvlinders Oranje luzernevlinder In 2009 waren er drie generaties, met telkens een sterke toename van de aantallen: piekaantallen werden toen bereikt in de tweede helft van september. In 2013 was de eerste aankomstgolf pas vanaf half juni, vier weken later dan in 2009 en de tweede piek (voornamelijk lokale voortplanting) was nog twee weken later, maar wel veel groter dan in 2009. Ook bij deze soort kwam de derde generatie te laat in 2013 en verwaterde (Figuur 11). Kleine vos Na een lange periode met een sterke afname (Maes et al. 2013a) was de Kleine vos aan een heel duidelijk herstel bezig de afgelopen jaren. De tweede generatie in de tweede helft van juni 2013 was zeer behoorlijk, maar de piekaantallen die daarna volgden in augustus waren buiten proportie (ca. vijftien keer hoger) (Figuur 12). In Nederland was eenzelfde fenomeen te zien (www.waarneming.nl): tussen 20 en 29 augustus

160

10

8

140

2012

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

Gemiddelde 2009-2010-2011

2013 6

4

120 100 80 60 40

2

20

0

0

apr

(a)

mei

jun

juli

aug

sep

okt

2009

(b)

2010

2011

2012

2013

2011

2012

2013

Figuur 10. Talrijkheid van het Groot koolwitje 2009-2013 (n=13.533): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

250

Gemiddelde 2010-2011-2012 2009

40

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

50

2013 30

20

10

150

100

50

0 (a)

200

0

mei

jun

juli

aug

sep

okt

(b)

2009

2010

Figuur 11. Talrijkheid van de Oranje luzernevlinder 2009-2013 (n=11.529): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

Natuur.focus  december 2013 

159


Artikels is er blijkbaar een enorme trekgolf van Kleine vossen over de lage landen gepasseerd, die aspectbepalend is voor het hele beeld van de laatste jaren. Afwachten of daar in 2014 nog iets van te merken valt bij de lokale populaties. Atalanta De Atalanta is hoofdzakelijk een trekvlinder in Vlaanderen. Er wordt overwinterd in Vlaanderen, maar de aantallen die na succesvolle overwintering verschijnen in februari-maart zijn buiten proportie klein in vergelijking met wat volgt in de zomer. Van juni tot oktober zijn er nog zeker twee generaties, maar die lopen zo in elkaar over dat ze meestal niet te onderscheiden zijn op de grafiek (Figuur 13). Atalanta presteerde opvallend zwak zowel in 2009 als 2013, nochtans precies de twee topjaren met enorme invasies van andere trekvlinders; een intrigerend gegeven. Overige soorten Er waren in 2013 ca. vier keer zoveel Distelvlinders als de afgelopen drie jaar, maar dat is nog geen 4% van wat er in 2009 gemeld werd. In 2009 waren er duidelijk drie generaties (waarvan de eerste als trekvlinder toekwam); in 2013 waren er in feite maar twee: na een late aankomst eind juni, volgde een tweede generatie begin augustus en later volgden nog amper 78 vlinders in september-oktober, slechts 3% van de aantallen in de zomer. Het patroon bij het Boswitje, met grote pieken in 2009 en 2013 die samenvallen met die van trekvlinderinvasies, laat vermoeden dat er in die jaren ook een stevige influx van zwervende Boswitjes was.

Was 2013 een supergoed jaar? Voor dertig soorten maakten we de balans op voor 2013 in vergelijking met 2009. Op basis van de totaalindex voor het hele jaar klasseerden we het jaar per soort als slecht, gemiddeld, goed of supergoed. We deden hetzelfde op basis van de piekwaarde die de index bereikte (Tabel 1). Twee soorten vlogen supergoed in 2013 (Kleine vos en Citroentje), maar voor het overige was er een balans tussen soorten die het slecht, gemiddeld of goed deden. In elk geval komt 2009 er veel sterker uit dan 2013. Als we naar de piekwaarden kijken, dan verandert daar voor 2009 niet veel aan, maar voor 2013 zijn er wel een paar verschuivingen richting goed en supergoed jaar. 2013 was in feite maar een halfgoed vlinderjaar: het voorjaar was slecht voor de meeste soorten, maar in de zomer (vooral in augustus) werd er door heel wat soorten bijzonder geconcentreerd gevlogen. Dat gaf de indruk van een uitzonderlijk goed jaar.

Discussie Gegevens ‘selecteren’ ruikt wetenschappelijk altijd een beetje verdacht. Nochtans, als je een goed gerecht wil klaarmaken, dan is het niet ongebruikelijk dat je de groenten eerst kuist, zodat je enkel die delen gebruikt die het meest geschikt zijn voor het doel. In een enorme databank waar heel divers materiaal binnenkomt, is het ook niet ongepast om ballast te verwijderen voor je begint aan een specifieke analyse. We doen dat ook al voor we beginnen door enkel waarnemingen te gebruiken die gevalideerd werden (goedgekeurd, zeker, geen nulwaarnemingen). Figuur 1 toont aan dat die selecties van waarnemers er in feite zelfs niet zo toe doen voor de talrijke 450

150

400

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

Gemiddelde 2009-2010-2011 125

2012

100

2013

75 50

300 250 200 150 100

25

50

0

0

apr

(a)

350

mei

jun

juli

aug

sep

okt

2009

(b)

2010

2011

2012

2013

2010

2011

2012

2013

Figuur 12. Talrijkheid van de Kleine vos 2009-2013 (n=18.457): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

400

50

Gemiddelde 2009-2010-2011

45

2012

40 35

350

Indexx aantal vlinders

Inde ex aantal vlinders

55

2013

30 25 20 15

250 200 150 100

10

50

5 0 (a)

300

0

apr

mei

jun

juli

aug

sep

okt

(b)

2009

Figuur 13. Talrijkheid van de Atalanta 2009-2013 (n=40.321): (a) weekindexen, (b) jaarindexen.

160 

december 2013  Natuur.focus


Artikels

soorten. Dat wil zeggen dat alle melders samen gemiddeld vlinders melden op een selectieve manier die toch representatief is voor het werkelijke voorkomen zoals we dat gedocumenteerd zien door de allesmelders. De wet van de grote getallen zorgt hier kennelijk voor een gemiddelde waarde ondanks afwijkend individueel meldingsgedrag. Strengere selecties, waarbij het aantal meldingen van vlinders beter aansluit bij de nauwkeuriger gekende zoekinspanning, zijn intuïtief meer betrouwbaar, maar voor de talrijkere soorten maakt het dus weinig uit voor het verkregen patroon. Waarnemers die alle vlinders melden lopen in feite samen een groot virtueel vlindermeetnet, zij het dat de trajecten niet vast liggen. Voor schaarsere soorten, die maar op een beperkt aantal plaatsen voorkomen in specifieke habitats, moeten waarnemers al gericht moeite doen om ze waar te nemen. Die gerichte inspanning kan verschillen van jaar tot jaar, vooral wanneer je de selectie van het aantal waarnemers verkleint. Bij die soorten wordt de grens van de hier beschreven methode bereikt en moet ze verder verfijnd worden. Daarom vind je in dit overzicht soorten als Heideblauwtje, Heivlinder, Argusvlinder, Aardbeivlinder, Veldparelmoervlinder en Grote

weerschijnvlinder niet terug. Om die soorten op te volgen is een meer specifieke aanpak nodig, zoals bv. momenteel voorgesteld door het INBO in de blauwdrukken voor monitoring via soortspecifieke transecten (Maes et al. 2013b). Bij vogels hebben vooral de waarnemingen van schaarsere soorten een bruikbaar verband met de geleverde zoekinspanning (Herremans 2010) en zijn er vooral problemen met het te weinig melden van talrijke soorten (van Strien et al. 2013). Tellingen van dagvlinders geven aan hoe actief vlinders rondvliegen. Dat is niet hetzelfde als hoeveel vlinders er werkelijk zijn. Bij te koud en nat weer kunnen er veel vlinders zijn, maar je ziet ze amper, en vlinders verbergen zich evengoed bij te warm weer. Hetzelfde geldt voor te vroeg en te laat op de dag (en ’s nachts). De berekende indexen zijn gebaseerd op het aantal vlinders dat werd waargenomen (en gemeld). Dat is dus vooral een maat voor hoe actief en zichtbaar de vlinders waren. We gaan er hier van uit dat een jaar waarin veel vlinders op veel dagen goed zichtbaar actief zijn ook een goed jaar is voor vlinders. Dat is trouwens ook de basisveronderstelling voor alle andere vlindertellingen en meetnetten. Helemaal zeker is dat echter niet: het zou ook kunnen dat vlinders in een korte carrière net zo goed alle taken kunnen volbrengen in amper een paar geschikte vlieguren i.p.v. dat ze gebaat zijn bij weken mooi weer aan een stuk. Een kleine aanwijzing hiervoor is bv. dat sommige soorten met meerdere generaties per jaar soms in jaren met een barslecht voorjaar waarop ze amper hebben kunnen vliegen, later in het jaar toch tevoorschijn komen in normale aantallen tijdens de volgende generatie(s): 2013 was hier een goed voorbeeld van (bv. Koninginnenpage, Groot koolwitje, Klein koolwitje). Die schaarse vliegtijd tijdens een slecht voorjaar was dan blijkbaar toch voldoende om alle essentiële aspecten van de levenscyclus te kunnen volbrengen. Iets gelijkaardigs treed soms op tussen jaren: een slecht jaar wil niet noodzakelijk zeggen dat

Groot koolwitje (foto: Gunther Groenez)

Oranje luzernevlinder (foto: Marc Herremans)

Kleine vuurvlinder (foto: Vilda/Rollin Verlinde)

Oranjetipje (foto: Marc Herremans)

Totaalsom volledig jaar slecht

gemiddeld

goed

super

2009

5

9

10

6

2013

8

12

8

2

Piekweek slecht

gemiddeld

goed

super

2009

4

9

11

6

2013

6

11

10

3

Tabel 1. Vergelijking van de talrijkheid van 30 vlindersoorten in 2009 en 2013, voor de totaalindex voor het hele jaar en voor de week met de vliegpiek.

Natuur.focus  december 2013 

161


Artikels de populatie ook het volgend jaar nog in de problemen zal zitten (zie bv. het herstel van Boomblauwtje in 2013). Er is dus meer onderzoek nodig om te weten of we met deze indexen (en met vlindertellingen en meetnetten meer algemeen) niet onrechtstreeks vooral meten hoe lang vlinders geleefd hebben in een jaar (omdat er zo dus cumulatief meer vlogen op meer dagen) i.p.v. hoeveel er echt geweest zijn. Misschien dat een piekindex die enkel een beperkte selectie van de beste vliegdagen in rekening brengt hier meer uitkomst biedt. Van Swaay en Plate (2013) volgden deze benadering om te evalueren hoe uitzonderlijk 2013 was in Nederland. Ze kwamen uit bij het beste jaar van deze eeuw, maar in vergelijking met 25 jaar geleden zou het maar een heel gewoon jaar geweest zijn. De indexen die we nu berekenden kunnen indien nodig nog op meerdere manieren verfijnd worden, bv. door enkel ‘nuttige zoekinspanning’ in rekening te brengen. Alleen dagen met voldoende goed weer zijn echt relevant en enkel die delen van de dag waarop vlinders actief zijn. Beperken tot zoekinspanning binnen de verspreiding is zeker nodig voor soorten met een beperkte verspreiding. Voor talrijke, wijd verspreide soorten gaan die correcties niet zoveel veranderen omdat al deze zoekinspanningselecties sterk onderling gecorreleerd zijn met de totale zoekinspanning zoals we die bepaald hebben a.d.h.v. bewezen daghokbezoeken.

Box: Hoe verder vlinders monitoren? Hoe kunnen we in de nabije toekomst best waarnemingen verzamelen om de vlinderstand zo goed mogelijk op te volgen? 1. Voer zo veel mogelijk alle waarnemingen in als puntwaarnemingen in www.waarnemingen.be. Geef hierbij de nodige details op: is het een rups of een vlinder (imago)? Is het aantal een exacte telling of een schatting? Vermijd zoveel mogelijk om samengevoegde gegevens of totaalschattingen voor een groot gebied in te voeren: splits dit op over deelgebieden of voer alles mobiel in als puntwaarnemingen, zodat er een duidelijke link ontstaat met waar en hoeveel er gezocht is. Met de informatie van ‘allesmelders’ kunnen we het meeste doen. Er zijn intussen in Vlaanderen ook niet zoveel vlinders meer, zodat alle waarnemingen invoeren hier best haalbaar is geworden. 2. Doe dit zoveel mogelijk via een mobiele applicatie op de smartphone (Obsmapp). Dat gaat snel en dan zijn bovendien de coördinaten en het uur nauwkeurig gekend. Voor het analyseren van functioneel ruimtegebruik in relatie tot landschap, ecologische hulpbronnen en beheerevaluatie zijn gegevens met dit detail de meest bruikbare. 3. Knoop al die losse waarnemingen nadien vast aan slimme streeplijsten, zodat er ook geweten is wat je niet gezien hebt. Soorten die te talrijk zouden zijn om alle individuen in te voeren kunnen via streeplijsten geregistreerd worden als ‘soort gezien, maar niet geteld’. Maak streeplijsten voor langere bezoeken (een paar uur) aan gebieden, maar doe dit ook voor kortere punttellingen (bv. vijf minuten in een cirkel van 10 meter of tien minuten in een cirkel van 50 meter). 4. Doe mee aan de meetnetten en loop monitoringroutes voor de selectie soorten waarvoor deze meetnetten uitgewerkt en aangeboden worden.

162 

december 2013  Natuur.focus

De hoeveelheid data die momenteel beschikbaar is voor het berekenen van de indexen uit de losse waarnemingen is onvergelijkbaar groter dan ooit tevoren. Via losse waarnemingen komen er dagelijkse gegevens binnen uit alle hoeken van het land. Bovendien lopen losse waarnemingen binnen zonder bijkomende inspanning, coördinatie, aansturing of stress van specifieke teldagen al dan niet in vooraf opgelegde gebieden. We moeten waarnemers wel blijven motiveren om zoveel mogelijk en zo constant mogelijk vlinders waar te nemen en deze waarnemingen zoveel en zo nauwkeurig mogelijk te melden. Daar moet trouwens nog behoorlijk wat groei op kunnen zitten. Zeker bij de overstap naar mobiel invoeren vanaf een smartphone (momenteel via de app Obsmapp) moet het mogelijk zijn om een groter aantal vrijwilligers te overtuigen om (meer) systematisch en consistent alle waarnemingen van een bepaalde taxonomische groep in te voeren. Voor de monitoring van vlinders valt wel degelijk veel te doen met een gepaste selectie losse waarnemingen die achteraf vastgeknoopt wordt aan een overeenkomstige zoekinspanning. Vooral op korte termijn geeft dit snel voldoende betrouwbare inzichten over de toestand. Dat kan in principe zelfs elke dag, zodat we bv. in www.waarnemingen.be dagelijks een terugkoppeling kunnen geven over hoe de toestand van de vlinders actueel evolueert.

Dank: Deze analyses konden niet tot stand komen zonder de volgehouden inzet van de duizenden vrijwilligers die hun natuurwaarnemingen met ons delen via het portaal www.waarnemingen.be. Volhouden mensen: er vallen fantastische dingen mee te doen! En graag zoveel mogelijk en zo consistent mogelijk waarnemingen melden. Mobiel invoeren via de smartphone is hier dé oplossing.

AUTEURS: Marc Herremans is diensthoofd en Karin Gielen is ­medewerker van de dienst Studie van Natuurpunt. CONTACT: Marc Herremans, Natuurpunt Studie, Coxiestraat 11, 2800 Mechelen. E-mail: marc.herremans@natuurpunt.be Referenties:

Herremans M. 2010. Monitoren via waarnemingen.be. Natuur.oriolus 76(3): 94-108. Maes D., Vanreusel W. & Van Dyck H. 2013a. Dagvlinders in Vlaanderen. Nieuwe kennis voor betere actie. Lannoo Campus. Maes D., Westra T., De Knijf G. & Pollet M. 2013b. Blauwdruk voor meetnetten soortenmonitoring: dag- en nachtvlinders. Manuscript INBO. van Strien A.J., van Swaay C.A.M. & Termaat T. 2013. Opportunistic citizen science data of animal species produce reliable estimates of distribution trends if analysed with occupancy models. Journal of Applied Ecology. Doi: 10.1111/1365-2664.12158. Van Swaay C.A.M., Plate C.L. 2013. Vlinderzomer 2013: veel vlinders. Vlinders 2013/4: 6.


Forum

Wie is er wild van ‘nieuwe wildernis’ in Vlaanderen? Pleidooi voor kritische reflectie

Hans Van Dyck

De prachtige film ‘De Nieuwe Wildernis’ over het bonte wel en wee van het bruisende leven in de Oostvaardersplassen is niet ongemerkt gepasseerd. Ook in Vlaanderen kreeg de film een flinke dosis aandacht in de media. Natuurpunt schaarde zich als vereniging voor natuurbehoud graag achter de film. Maar is ‘wilde natuur’ een tijdelijke dwaling of toch een waardevol concept voor het natuurbehoud, ook in Vlaanderen? Natuurpunt heeft er goed aan gedaan om deze fraaie bioscoopfilm van onze noorderburen tot bij ons te brengen. Als gedragsecoloog zag ik mooie sequenties van het gedrag van dieren. Handig gemonteerde parallellen tussen bijvoorbeeld het paargedrag van stoere Konikpaarden en ruziemakende mannen van strontvliegen openen voor het grote publiek de rijke en fascinerende wereld van het dierengedrag. Een aantal aspecten van de documentaire worden uit een klassiek maar erg degelijk vaatje getapt (bv. de vier seizoenen, emotionele band opbouwen met het zwakke paardje dat sterft, enz.). De strijd van leven en overleven wordt subliem in beeld gebracht. Ook het geluid versterkt de beleving voor de toeschouwer. De kunstzinnige beelden van vorst en storm prikkelen en deden me soms terugdenken aan de fascinerende film Koyaanisqatsi uit de jaren 1980.

Wildernis als model?

Konikpaarden in de Oostvaardersplassen (foto: Ruben Smit)

Maar is de casus van de Oostvaardersplassen ook overtuigend om als model te dienen voor de aanpak van het beheer voor andere gebieden? De film wordt vanuit die optiek ook gezien als een ode aan ‘wilde natuur’. Vanuit dit perspectief is de film een promotiefilm, eerder dan een kritische documentaire. Dat is uiteraard de artistieke vrijheid van cineast Ruben Smit. Maar wat is ‘wilde natuur’ anno 2013 in een afgesloten gebied in een van de meest drukke antropogene regio’s ter wereld? Wil Natuurpunt ook die bredere boodschap rond de film uitdragen om ‘wilde’ natuur te promoten? Is het dan als alternatief bedoeld voor meer klassieke vormen van natuurbeheer en -herstel waarbij de mens een leidende rol speelt? Dat lijkt me een goed onderbouwd debat waard. Natuur waarbij de mens niet of toch zo min mogelijk tussenkomt voor het sturen van de ecologische processen, lijkt ook in Vlaanderen voor sommige actoren een aantrekkelijke piste. ‘Niets doen’ dus als hoogste schavotje waarop natuurbeheer kan belanden. Maar of de Oostvaardersplassen daarvan een overtuigend voorbeeld vormen, blijkt bij onze noorderburen

Natuur.focus  december 2013 

163


Forum voer voor debat. Er bestaat zelfs een tegenbeweging. Zo wordt een filmpje verspreid onder de titel ‘De Nieuwe Wildernix’. Hierin wordt gewezen op de negatieve effecten van extreme overbegrazing door de onnatuurlijk hoge densiteit aan grote grazers. Ook in de vakliteratuur zijn er belangrijke argumenten tegen de ‘wilde natuur met grote grazers’ benadering die zich grotendeels baseerde op de hypothese van Frans Vera die de prehistorische natuur als een bosweide ziet. Uit recent onderzoek (o.a. op basis van recente vondsten van prehistorische botten en pollenanalyses) blijkt, in tegenstelling met dat idee, dat de prehistorische begroeiing in onze streken overwegend uit bos bestond en dat wilde grote grazers relatief weinig voorkwamen (bv. Kooijmans 2012).

Permanent leerproces Natuurbehoud wordt het best benaderd als een permanent leerproces (Wilhere 2002). Nieuwe ideeën en inzichten moeten kritisch op hun waarde afgewogen worden. Natuurbehoud is op zich geen wetenschap, het is een maatschappelijk streven. De hoofdrolspelers van het natuurbeleid en -beheer kunnen zich bij de vele complexe vraagstukken wel beroepen op wetenschappelijke inzichten, concepten en benaderingen. Zo kan een beheerder beroep doen op ecologie. Ecologie is de biologische wetenschap die zich toelegt op het begrijpen van de relaties tussen organismen onderling en organismen en hun omgeving. Maar natuurbehoud is meer dan ecologie alleen. In Vlaanderen zit het natuurbehoud toch nog vaak in het hoekje van het dogmatisch denken. Er blijken rabiate ‘believers’ en ook ‘non-believers’ te zijn van de ideeën achter ‘wilde natuur’. Filosoof en bioloog Ruben Mersch schreef onlangs in zijn column in De Standaard wijze woorden, zij het in een andere context (Mersch 2013): ‘Mensen die geconfronteerd worden met argumenten die hun overtuiging tegenspreken, gaan nog harder geloven in hun eigen grote gelijk’. Voorlopig zie ik weinig tekenen van een goed debat. Dat is een gemiste kans. De film had een goede aanleiding kunnen zijn voor een boeiende conferentie of workshop rond deze vraagstukken. Het actuele thema van de wildernis als strategie voor het natuurbehoud beperkt zich bovendien niet tot deze film. Sinds

Een Heckrund kijkt toe vanuit de modder. (foto: Ruben Smit)

164 

december 2013  Natuur.focus

enkele jaren bestaat er een beweging en organisatie onder de naam Rewilding Europe (www.rewildingeurope.com). Er wordt nagedacht over de kansen en wenselijkheid van meer wilde natuur in Europa. Dan gaat het vooral om ruige, grote landschappen die niet omheind zijn. Ondertussen heeft de organisatie vijf pilootprojecten opgestart. Over de rol van ‘nieuwe wildernis’ wordt ook in de vakliteratuur nagedacht (bv. Lupp et al. 2011). Op zich is een debat over wildernis niet nieuw. Ook in Amerika kregen de verschillen voor een aanpak in het voordeel van wilde natuur enerzijds en voor het behoud van biodiversiteit anderzijds ook al heel wat aandacht (bv. Sarkar 1999). Dat kan een boeiende inbreng bieden voor discussie en denkoefeningen dichter bij huis.

Is een ongeschoren poedel een wolf? Deze forumbijdrage is niet de plaats om de eigen argumenten pro en contra wilde natuur uitvoerig te bespreken. Het kernpunt van deze bijdrage is een oproep tot gestructureerd debat. Er is een link met wat in de vakliteratuur aangeduid wordt als ‘de paradox van het natuurbeheer’ (bv. Cole 2000). En dat heeft alles te maken met de meervoudige definitie van het concept ‘natuur’ en de (schijnbare) verwarring die daaruit voortkomt. De klassieke definitie van ‘natuur’ verwijst naar datgene dat zonder toedoen van de mens tot stand is gekomen. Waar de mens een dominante rol speelt, spreken we van cultuurlandschap. Om toe te geven dat het een continuüm betreft, kwam men met ‘halfnatuurlijke’ landschappen op de proppen. Die benadering is erg geënt op een wereldbeeld waarbij er een harde grens is tussen mens en dier. Deze benadering mist een evolutionaire kijk op de zaak. Homo sapiens is zelf een product van de biologische evolutie, maar is inderdaad uitgegroeid tot een dominante factor voor de verdere evolutie van andere soorten (Ehrlich & Ehrlich 2008). Die dominante invloed is vaak negatief, maar kan ook een gunstige vorm aannemen door geschikte omstandigheden te scheppen voor andere levensvormen. Dan speelt de mens de rol van Bever, van ecologische ingenieur. De paradox zit in het feit dat we door menselijk ingrijpen condities kunnen scheppen die erg gunstig zijn voor ontwikkelingen van fauna en flora. Meer natuur door menselijk ingrijpen klinkt dan inderdaad als een paradox op basis van een lastige definitie van natuur, toch zeker in de Lage Landen, die de mens meteen uitsluit. Het is dus vooral een thema voor gebieden die al een lange historie van menselijke invloed achter de kiezen hebben. Natuurlijke ontwikkelingen in de zin van ‘spontane’ ontwikkelingen gebeuren ook in plaatsen met een sterke menselijke impact (bv. wilde of spontane natuur in de stad, Rink 2009). Dat schept voor sommige soorten en gemeenschappen wilde dynamieken op schalen die minder passen bij onze romantische beschouwingen over ‘wilde’ landschappen, maar daarom niet minder medebepalend zijn voor de verdere evolutie van levensvormen op onze planeet. ’Natuur’ zit in natuurgebieden, biodiversiteit zit overal! Voor soorten die op een andere ruimtelijke schaal functioneren dan paarden en edelherten kan de stad een minstens zo ‘ruige’ omgeving zijn. Dat is natuurlijk wat anders dan de courante, menselijke perceptie en beleving die bij natuurbehoud uiteraard ook belangrijke factoren vormen. Die moeten ook in een goed debat opgenomen worden. We zouden trouwens meer aandacht moeten


Forum besteden aan ‘conservation psychology’, het fusie domein van natuurbehoud en psychologie (Clayton & Myers 2009). Deze beschouwingen doen me terugdenken aan een geestige metafoor. Als ik me niet vergis komt die uit het boek ‘Moeder Natuur naakt’ van Jan Desmet (1994), een boek over natuur en natuurbehoud in de Lage Landen dat trouwens nog steeds het lezen waard is. ‘Wilde natuur is als een wolf, maar de plukjes zorgvuldig beheerde natuur in Vlaanderen waar gekapt, gemaaid of geplagd wordt zijn nog hooguit met een poedel te vergelijken’, stelde hij. Laten we voor de sport even doorgaan op deze metafoor. Als we een poedel niet meer scheren en lekker ruig laten leven… wordt dat terug een wolf? Of blijven we met een stinkende, ongewassen poedel zitten?

Zullen we het ooit leren? Vlaanderen heeft nauwelijks een debatcultuur. Er wordt wel eens gekakeld over een onderwerp, maar de verheven vorm van een constructief-kritisch, intellectueel steekspel wordt

Summary: Van Dyck, H. 2013. Who gets wild of the idea of new wilderness in Flanders? A plea for a debate. Natuur.focus 12(4): 163-165 [in Dutch]. The recently released movie ‘The New Wilderness’ (cineast: ­Ruben Smit) focusing on the wildlife of the Oostvaarderplassen in the ­Netherlands received a lot of media attention. NGO Natuurpunt took the initiative to promote the movie in Flanders. The movie shows great behavioural portraits of several emblematic species, including the introduced large herbivores like Konik horses. However, the

Dank Dank aan de voltallige redactieraad van Natuur.focus voor de constructieve feedback op dit manuscript en aan Natuurpunt om me uit te nodigen voor de filmvertoning.

AUTEUR: Hans Van Dyck is professor gedragsecologie en natuurbehoud aan het Earth and Life Institute van de UCL (Louvain-la-Neuve). Hij maakt deel uit van de redactie van Natuur.focus. CONTACT: H. Van Dyck, Earth and Life Institute (UCL), Croix du Sud 4-5, bte L7.07.04, 1348 Louvain-la-Neuve (hans.vandyck@uclouvain.be)

hier nauwelijks bedreven. Dat is erg jammer want voor complexe materies zoals het beheer van het leven op aarde lijkt het net een noodzaak voor de hoofdrolspelers in het natuurbeheer om nieuwe inzichten en opinies kritisch tegen het licht te houden. Daar ligt voor Vlaanderen een belangrijke rol weggelegd voor actoren zoals ANB, Natuurpunt, INBO, e.a. Ook universiteiten dienen in dit kader hun rol van kritische denkers voluit te spelen. Natuurlijk gaat het voor vele thema’s in het natuurbehoud niet alleen over natuurwetenschappelijke kwesties. Ook ‘rewilding’ draagt meerdere socio-economische, filosofische en ethische kwesties in zich die de natuurbehoudswereld meer systematisch zou kunnen behandelen. Ook Natuur.focus mag daarbij niet aan de kant blijven staan. Constructieve vormen van debat lijken maar weinig plaats te krijgen binnen het huidige natuurbehoud. Tijd om dit hoogst nuttige cultuurproduct in dienst van natuurvraagstukken weer van stal te halen en de vrije loop te geven, al hoeft het niet meteen een wild debat te worden...

­ ovie is not only seen as a documentary on animal life and behavm iour, but primarily a tribute to the idea of new wilderness, i.e. natural systems with very limited, if any, human interference to manage ­processes of vegetation development. The case of the Oostvaarders­ plassen is actually very controversial as unnaturally high densities of large grazers induce strongly negative impacts for biodiversity. I argue that nature organisations and agencies should take the opportunity of this film to organize a well-structured debate on the issue of ‘wild nature’ in our landscapes.

Referenties:

Clayton S. & Myers G. 2009. Conservation psychology. Understanding and promoting human care for nature. Wiley-Blackwell. Cole D.N. 2000. Paradox of the primeval: ecological restoration in wilderness. Ecological Restoration 18: 77-86. Desmet J. 1994. Moeder Natuur naakt! Over de schone schijn van onze natuur- en dierenliefde. Uitgeverij Kritak/Uitgeverij Jan van Arkel. Ehrlich P.R. & Ehrlich A.H. 2008. The Dominant Animal: Human Evolution and the Envrionment. Island Press. Kooijmans L.P.L. 2012. Holland op z’n wildst? De Vera-hypothese getoetst aan de prehistorie. De Levende Natuur 113: 62-66. Lupp G., et al. 2011. ‘Wilderness’ – A designation for central European landscapes? Land Use Policy 28: 594-603. Mersch R. 2013. Doorgeprikt: Welles-Nietes. De Standaard 01/10/2013, p. 39. Rink D. 2009. Wilderness: the nature of urban shrinkage? The debate on urban restructuring and restoration in Eastern Germany. Nature and Culture 4: 275-292. Sarkar S. 1999. Wilderness preservation and biodiversity conservation – keeping divergent goals distinct. BioScience 49: 405-412. Wilhere G.F. 2002. Adaptive management in habitat conservation plans. Conservation Biology 16: 20-29.

Natuur.focus  december 2013 

165


Nieuws & Trends

Beheer.focus Kruidenrijke akkers, net iets anders dan ‘graan voor gorzen’?! De aanleg of opwaardering van halfnatuurlijke landschapselementen in het buitengebied zorgt voor een aantrekkelijker landschapsbeeld. Dit is zeker zo vanuit een belevingsstandpunt, maar zelden resulteert dit in biotoopverbetering voor meer kwetsbare soorten van het agrarisch landschap. Een enorme intensivering van de landbouw vanaf de eerste wereldoorlog resulteerde in een groteske monotonie en sterke versnippering van het agrarisch landschap. Samen met de steile opmars van pesticiden bleken dit de grondleggers van de sterke achteruitgang van zgn. ‘agrobiodiversiteit’. Zo nam de Veldleeuwerik sinds 1960 af met maar liefst 95%, het aantal Geelgorzen met 80% terwijl het aantal Grauwe gorzen de afgelopen tien jaar met 70% daalde (Dochy & Hens 2003). De Hamster, nog zo een typische bewoner van het akkerlandschap, is zo goed als verdwenen uit Vlaanderen (ZWG & van Gils 2011). Agrarisch natuurbeheer, vaak ondersteund via gesubsidieerde beheerovereenkomsten, blijkt het tij amper te keren. Niet geheel onterecht staan de gesubsidieerde beheerovereenkomsten tegenwoordig onder zware druk vanuit de natuursector (Kleijn 2013). Maar toch blijkt ‘agrarisch natuurbeheer’, vaak als lokale initiatieven door terreinbeheerders, enige vruchten af te werpen (bv. in Hoegaarden, Guelinckx 2007). De zogenaamde ‘kruidenrijke akkers’ blijken niet alleen interessant voor gorzen (Dochy & Hens 2003), maar evengoed herbergen ze een rijke en zeldzame ongewerveldenfauna (Lambrechts et al. 2007). Maatregelen zoals minder bemesting, de aanleg van kruidenrijke (fauna)stroken of biologische landbouw leiden trouwens tot hogere aantallen bestuivers in landbouwgebied (Alterra 2013). Over beheer voor akkerfauna werd dus al wat verteld, maar vanuit botanisch perspectief was het nog altijd ‘trial-and-error’ als het aankwam op goede beheerpraktijken. Net zoals voor akkervogels en de Hamster blijkt grosso modo de intensivering van de landbouw aan de basis te liggen van de snelle achteruitgang van akker(on)kruiden, zowel op zandgronden (bv. Korensla, Klein tasjeskruid) als op de zwaardere klei- en leembodems (bv. Naakte lathyrus, Kleine wolfsmelk). Een langlopend onderzoek van Natuurmonumenten (in 2010: 40 akkers op zandgronden, Eichhorn & Ketelaar 2011; in 2012: 42 akkers op zwaardere bodems, Eichhorn & van den Broek 2013) zorgt voor nieuwe inzichten in de complexe materie van botanisch akkerbeheer. Het rapport belicht expliciet kruidenrijke akkers met als doelstelling het beschermen van zeldzame akkerflora. De auteurs bespreken de verschillende groepen akkerplanten a.d.h.v. hun ecologische strategieën (eenjarig , overblijvend, habitatpreferentie, ...) en sommeren de negatieve indicatoren (cf. reeks ‘Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring’, Staatsbosbeheer). De grootste boosdoeners voor de ontwikkeling van kruidenrijke akkers blijken concurrentiekrachtige wortelkruiden zoals Akkerdistel, Akkermelkdistel, Klein hoefblad, Kweek en Ridderzuring. Op basis van de bodemgesteldheid en het gevoerde beheer (teeltkeuze) verdeelt de auteur kruidenrijke akkers over zeven subtypes. De uitgebreide beschrijvingen maken het

166 

december 2013  Natuur.focus

Foto 1. Akkerreservaat Katerspoel in het natuurgebied Rosdel, Hoegaarden. Wintergraanakker onder wisselbraak, typische akkersoorten van kalkrijke akkers komen hier voor. Door de gradiënt van dagzomende kalksteen (‘lemige kalkakker’) naar eerder uitgeloogde grindrijke kalkzand (‘lemige kiezelkopakker’) komen hier heel wat typische akkersoorten van voedselarmere, gebufferde bodem voor. Spiesleeuwebek is zeer talrijk met daartussen talrijk Kleine wolfsmelk, Kleine leeuwebek, Gladde ereprijs en de grootste gekende populatie van Eironde leeuwebek in Vlaanderen. Op de kiezelkoppen steken sporadisch Groot spiegelklokje en Blauw walstro de kop op en typische soorten van meer zandige, gebufferde bodems zoals Akkerandoorn, Korenbloem en Gele ganzenbloem. (foto: Robin Guelinckx)

Foto 2. Zeer soortenrijk akkercomplex nabij Namen. Hier worden vnl. wintergranen geteeld. Naast meer algemene akkerkruiden (Korenbloem, Grote klaproos) prijken soorten zoals Groot spiegelklokje, Akkerboterbloem, Getande veldsla en Akkerleeuwenbek in de rand, allen soorten die baat hebben met een ondiepe, niet-kerende bodembewerking en lang kiemkrachtig blijven. (foto: Kevin Lambeets)

de terreinbeheerder makkelijk het voorkomend type te bepalen o.b.v. groei-aspect en soortensamenstelling. Alles start dus met een gebiedsbrede inventarisatie van akkerplanten vooraleer geschikte percelen en het te ontwikkelen subtype toe te wijzen. Via een heldere uitleg krijgt de terreinbeheerder een goed zicht op de mogelijkheden voor herstelbeheer. De essentie is hier: verschralen via uitmijnen m.b.v. geschikte gewassen(rotatie). Uitmijnen betreft het verschralen van de bodem d.m.v. het toedienen van een stikstofbemesting


Nieuws & Trends (artificieel of via klavers) en het oogsten van een gewas. Hiertoe wordt een beperkend element toegediend. Kalium wordt vnl. toegediend bij grasklaverteelt aangezien klavers slecht bestand zijn tegen een laag kaliumgehalte, terwijl additie van calcium tot doel heeft om de zuurtegraad van de bodem voldoende hoog te krijgen, i.e.range kationen-buffering, om zo fosfaten te mobiliseren en meer plant-beschikbaar te maken. Het gevoerde eindbeheer moet aansluiten op de specialisatie van de verschenen vegetatie én bodem. Verder bespreken de auteurs de mogelijkheid tot uitwisseling van zaden via opbrengen van ongeschoond zaaigoed voor hoog opgaande doelsoorten of via uitwisselen van maaisel en grond voor laagblijvende doelsoorten. Een interessante benadering die in Vlaanderen, mits goed gedocumenteerd en onderbouwd, nog aan terrein moet winnen (Mergeay & De Meester 2010). Algemeen blijken uit dit onderzoek zes krachtlijnen voor een goede beheerpraktijk van kruidenrijke akkers: • zeer weinig tot niet bemesten: hoe voedselarmer de bodem, hoe rijker de akkerflora • granen worden dun ingezaaid (50-75kg/ha) eens het herstelbeheer achter de rug is; een verticale graanbedekking van 10-20% zorgt voor een goede doorgroei van akkerkruiden • continuïteit teeltkeuze; kies dus óf voor wintergraan óf voor zomergraan • intensieve bestrijding van wortelkruiden via niet-kerende, ondiepe bodembewerking (15-20 cm; min. 3x-jaarlijks tijdens droge periodes) • groenbemesting, stoppels, braak of wisselbouw worden zelden of nooit toegepast; de grondbewerking na de oogst wordt ten vroegste drie weken na de oogst uitgevoerd • er wordt pas geoogst vanaf eind juli en minstens 15 cm boven de grond om doelsoorten te sparen. Wegens de hoge kostprijs (500-800 euro/ha) wordt aangeraden slechts een aantal percelen binnen een groter extensief akkerlandschap te selecteren en hier integraal in te zetten op een waardevolle akkerflora. Een voorstudie van oud kaartmateriaal blijkt daarbij cruciaal. Historische akkerlocaties die heden als grasland zijn ingericht, dus waar de zaadbank niet herhaaldelijk werd aangesproken bij het omkeren van de bodem, bieden de meeste kansen om over een kiemkrachtige zaadbank te beschikken. De multifunctionaliteit van een akkercomplex verzorgt het landschappelijk kader, zo krijgen verschillende percelen een verschillende functie; fauna-akkers wisselen af met biologische akkerbouw met productiedoelstelling en verspreid enkele percelen met puur botanisch akkerbeheer. Agrarisch natuurbeheer wordt best gereserveerd voor kerngebieden waar de abiotische randvoorwaarden nog geschikt of kansrijk zijn en waar nog hoge aantallen van de doelsoorten voorkomen (Kleijn 2013, Eichhorn & van den Broek 2013). Dat een heropwaardering van het agrarisch landschap en haar typerende fauna en flora vanuit de landbouwsector zelf zou worden gestimuleerd, is pure naïviteit, denk maar aan de huidige polemiek betreffende de hervorming van Europees en Vlaams landbouwbeleid (cf. Publiek geld voor publieke diensten en correcte prijzen voor een duurzame landbouw. Positietekst over het Europees Gemeenschappelijk Landbouwbeleid Vredeseilanden, Natuurpunt, Wervel, Oxfam en BBL). De netto natuurwinst aan biodiversiteit is echter zodanig groot, te midden de enorme leemte van het eentonige en intensief gebruikte hedendaagse landbouwlandschap, dat dergelijke

kruidenrijke akkeroases meer dan verantwoord zijn. De boer op met natuurbeheer! Kevin Lambeets (kevin.lambeets@natuurpunt.be) Natuurpunt Beheer Referenties

Alterra 2013. Wilde bestuivers profiteren van agrarisch natuurbeheer. www.natuurbericht.nl/?id=10726 Dochy O. & Hens M. 2003. Van de stakkers van de akkers naar de helden van de velden. Beschermingsmaatregelen voor akkervogels. Rapport van het Instituut voor Natuurbehoud IN.R.2005.01. Brussel. Eichhorn K. & Ketelaar R. 2011. Ecologie en beheer van kruidenrijke akkers op zandgronden. Eichhorn Ecologie en Natuurmonumenten. www.eichhorn-ecologie.nl Eichhorn K. & van den Broek T. 2013. Ecologie en beheer van kruidenrijke akkers op de zware en basische grondsoorten. Eichhorn Ecologie en Natuurmonumenten. www. eichhorn-ecologie.nl Guelinckx R. 2007. Graan voor Gorzen, het succes van akkerreservaten. BRAKONA-Jaarboek 2006-2007: 82-99. Kleijn D. 2013. De effectiviteit van agrarisch natuurbeheer. Alterra. www.natuurbericht. be/?id=10347 Lambrechts et al. 2007. Natuurontwikkeling in Hoegaarden en de effecten op bodembewonende ongewervelden. www.velpe-mene.be Mergeay J. & De Meester L. 2010. (Her)introducties en rationaliteit in het natuurbeheer. Natuur.focus 9: 124-127. ZWG Natuurpunt & van Gils W. 2011. Opinie: Natuurpunt trekt aan alarmbel over hamster. www.natuurbericht.be/?id=6680

Biodiversiteit Loopkevers in bosfragmenten. Wie het kleine niet eert … Dat de versnippering van natuurgebieden een belangrijke oorzaak is van de achteruitgang van de biodiversiteit, is algemeen bekend. Er wordt dan ook terecht veel aandacht aan besteed in onderzoek en beleid (MIRA 2007). Toch blijven er nog veel vragen onbeantwoord, met implicaties voor inrichting en beheer. Onderzoekers van het KBIN en Universiteit Gent onderzochten wat het relatief belang is van toevalsfactoren, die vooral nefast kunnen zijn bij kleine populaties, en de zgn. randeffecten van versnipperde gebieden. Aan de rand van een min of meer homogeen gebied zijn de ecologische omstandigheden anders dan in het midden. Op een warme zomerdag is het in het bos voelbaar koeler dan aan de buitenkant. Randen en overgangen tussen habitats leveren meestal wel veel biodiversiteit op, maar er wordt aangenomen dat dat ten koste gaat van de gebiedseigen soorten. Om dat uit te zoeken hebben Eva Gaublomme, Hilde Eggermont en Frederik Hendrickx een experiment opgezet in het Zoniënwoud en bosfragmenten in de groene rand rond Brussel. Ze onderzochten de soortendiversiteit bij loopkevers met behulp van grondvallen. Ze kwamen tot de vaststelling dat de soortensamenstelling binnen en buiten de bossen zeer verschillend was, maar ook dat niet-bossoorten nergens ver doordrongen in het bos. Omgekeerd vonden de onderzoekers de typische bossoorten ook dicht bij de rand van het bos. In elk geval bij loopkevers blijken de randeffecten dus eerder beperkt te zijn, en dat zowel in grotere bossen als in de kleine bosfragmenten. De soortenrijkdom in het bos was wel afhankelijk van de grootte. Grotere bossen herbergen duidelijk meer gespecialiseerde (vaak vleugelloze en daarom weinig mobiele) bossoorten. Wat kunnen we hieruit besluiten? Het is een bevestiging dat

Natuur.focus  december 2013 

167


Nieuws & Trends grote gebieden onontbeerlijk zijn om leefbare populaties van typische soorten te behouden. Maar ook dat kleine fragmenten minstens voor sommige soorten(groepen) nog altijd interessant zijn als woongebied. Wel is er nood aan voldoende verbinding voor (her)kolonisatie. In een sterk versnipperd verstedelijkt landschap zoals Vlaanderen, is dat een belangrijke conclusie. Jos Gysels (jos.gysels@natuurpunt.be) Natuurpunt Educatie Referenties

Gaublomme E., H. Eggermont & F. Hendrickx. 2013. Local extinction processes rather than edge effects affect ground beetle assemblages from fragmented and urbanised old beech forests. Insect Conservation and Diversity. doi: 10.1111/icad.12036. MIRA 2007. Milieurapport Vlaanderen, Achtergronddocument Versnippering. Gulinck H., Peymen J. & Stalpaert L. Vlaamse Milieumaatschappij. www.milieurapport.be.

Beekschaatsenrijder van de Rode Lijst geschrapt, maar nog niet gered De Rode Lijst van de water- en oppervlaktewantsen uit 2001 klasseerde de Beekschaatsenrijder, een zeldzame oppervlaktewants gebonden aan stromend water, in de categorie ‘met uitsterven bedreigd’ (critically endangered). In de nieuwe Rode Lijst gepubliceerd in het Bulletin van de Belgische Entomologische Vereniging is de soort ‘momenteel niet (langer) in gevaar’ (least concern) (Lock et al. 2013). Ook andere beeksoorten lijken er spectaculair op vooruit te gaan, te wijten aan een verbeterde waterkwaliteit? De aanpassing van de status van de soort gebeurde in hoofdzaak op basis van het aantal hokken met waarnemingen tussen 1978 en 1999 versus 2000-2011. Voor de Beekschaatsenrijder is dat aantal gestegen van 18 naar 21. Een stijging van 11%. De nieuwe hokken zijn allemaal gelegen aan de oostelijke rand van het areaal (zie de verspreidingskaart in Stoffelen et al. 2013). Die regio is in de jaren ’90 niet grondig onderzocht, maar er zijn wel oudere waarnemingen bekend. De kans is dan ook groot dat er geen sprake is van uitbreiding,

Beekschaatsenrijder (foto: Marianne Horemans & Paul Wouters)

168 

december 2013  Natuur.focus

maar van een waarnemerseffect . In de zuidoostelijke uithoek van het areaal zijn nog twee hokken ingekleurd van een kleine populatie die met zekerheid omstreeks 2010 is uitgestorven. Rekening houdend met die informatie, is het areaal helemaal niet uitgebreid, integendeel wellicht afgenomen. Bovendien is de grootte van veel populaties in de provincie Antwerpen, waar de meeste Beekschaatsenrijders te vinden zijn, tussen 1995 en 2005 significant afgenomen (Gysels & Puls 2009). Is er dan geen verbetering? De Beekschaatsenrijder heeft omstreeks 2008 terug een populatie gevestigd op de Kleine Nete. Dat kan erop wijzen dat onze waterlopen opnieuw een geschikt biotoop vormen. Maar aan de andere kant blijven soorten zoals de Beekschaatsenrijder bijzonder kwetsbaar door hun beperkte mobiliteit. Beekschaatsenrijders kunnen niet vliegen en zijn zeer honkvast. Daarnaast zijn de meeste populaties te vinden op afwateringsgrachten (‘taplopen’) die gevoed worden door water uit de Kempische kanalen. Die taplopen zijn zelf een bedreigd biotoop, als gevolg van functieverlies (als irrigatiekanaal) en tekort aan water in de kanalen. Ook grote infrastructuurwerken, zoals de mogelijke aanleg van een nieuw sluizencomplex in Mol, kunnen veel leefgebied verloren laten gaan. Kortom, er zijn nog altijd genoeg redenen om ‘concerned’ te zijn en aandacht te blijven hebben voor het lot van de Beekschaatsenrijder en andere kwetsbare beekorganismen. Jos Gysels (jos.gysels@natuurpunt.be) Natuurpunt Educatie Referenties

Gysels, J. & Puls H. 2009. Beekschaatsenrijder en Bosbeekjuffer in de provincie Antwerpen (1995-2008). Antenne 3(1): 12-15. Lock K., Stoffelen E., Vercauteren T., Bosmans R. & Adriaens T. 2013. Updated Red List of the water bugs of Flanders (Belgium). Stoffelen E., Hendrickx H., Vercauteren T., Bosmans R. & Lock K. 2013. De water- en oppervlaktewantsen van België: sleutels en beschrijvingen. KBIN. Bonte D., Vandomme V., Muylaert J. & Bosmans R. 2001. Een gedocumenteerde Rode Lijst van de water- en oppervlaktewantsen van Vlaanderen. RUG, Gent.

Everzwijn op een bedje van sieralgen De Everzwijnen rukken op in Vlaanderen, tot ergernis van de landbouwers en zelfs van natuurbeheerders. De varkens kunnen een serieuze ravage teweegbrengen in keurig beheerde graslanden. Maar toch is niet alles negatief. In de vallei van de Zwarte Beek, een bekende hotspot voor Everzwijnen, maken ze het veld vrij voor bijzondere vegetaties van zeldzame algen. Het natuurbericht hierover haalde zelfs vlot de nationale kwaliteitskranten. Sieralgen zijn microscopische wiertjes met een voorkeur voor matig voedselarme en niet verzuurde waters. Het zijn onopvallende maar sterke kwaliteitsindicatoren. Sieralgen kunnen voorkomen in zeer uiteenlopende milieus, van vennen en ander open water tot veenmostapijten en zelfs droogvallende regenwaterplassen. Een bijzondere groeiplaats zijn waterverzadigde plekken op de overgang van mesotroof (d.i. matig voedselrijk) en eutroof moeras. Dat biotoop komt meestal maar voor in een smalle strook aan de rand van beekvalleien en alleen waar voldoende kweldruk is van niet te voedselrijk grondwater. Zonder beheer groeit het moeras er snel dicht met bv. Riet en later wilgen. Dat is niet direct een biotoop waar sieralgen zich thuis voelen. Anders wordt het als


Nieuws & Trends

Boven: Het ridderkruis Micrasterias rotata is soms in grote aantallen te vinden op slijkerige plekken. Onder: Grote sieralgen van moerassige plaatsen. Op de voorgrond Closterium striolatum, op de achtergrond Netrium digitus (links) en Euastrum oblongum (rechts). (foto’s: Jos Gysels)

Everzwijnen zich met de zaak gaan bemoeien en door hun gewoel de vegetatie terugdringen en slijkplaten doen ontstaan. Een aantal bijzondere soorten vinden hier een groeiplaats. Daaronder veel Ridderkruisen (Micrasterias), die beschouwd worden als de orchideeën onder de sieralgen. Het verhaal van de Everzwijnen en de sieralgen staat niet op zich. Nog zichtbaarder is het effect van het omwoelen op het creëren van nieuwe kiemplaatsen voor Klokjesgentiaan of Beenbreek in de vochtige hei van de Ziepbeek of Purperorchis in bosranden in Voeren. Dit alles moet uiteraard niet opgevat worden als een simplistisch pleidooi voor het uitzetten van Everzwijnen. Het houdt wel het denken levendig over de rol van grazers en woelers in het natuurbeheer en misschien nog meer over de afstemming tussen ‘gestuurde’ natuur en ‘wilde’ natuur.   www.natuurbericht.be/?id=11174

gebaseerd op argumenten, overtuigingen en (hele of halve) waarheden. In een recent nummer van Landschap, het tijdschrift van de Werkgemeenschap Landschapsecologisch onderzoek, hebben medewerkers van de universiteit van Wageningen op basis van empirisch onderzoek gezocht naar samenhang in de verchillende stellingen en posities. Ze onderscheiden in het natuurbehoudsbeleid vijf ‘frames’ die, hoewel gebaseerd op de Nederlandse realiteit, ook inzicht kunnen verschaffen in de situatie in Vlaanderen. De onderzoekers zien in de openbare discussie rond natuur, die in Nederland de laatste jaren nogal heftig was, vijf verschillende kaders: • Vooral natuurverenigingen doen een beroep op het bestaande breed draagvlak voor natuur. • Er is kritiek die gevoed wordt door de kloof tussen het technocratisch beleid van de professionals en de afwijkende natuurbeleving van de lokale bewoners. • Er is kritiek op een te streng natuurbeleid dat belemmerend werkt voor de economische ontwikkeling. • Er heerst een algemeen cynische visie op de onwil en het ivoren torenbeleid van de overheid. • Biodiversiteit en de intrinsieke waarde van natuur komen voor alles en staan dan ook boven draagvlak. Het laatste kader, dat vroeger dominant was in het natuurontwikkelingsverhaal, blijkt vandaag sterk aan belang in te boeten. Het eerste kader is in Nederland dan weer meer op de voorgrond getreden als gevolg van de politieke afbraakronde. Daarmee is onbedoeld ook de maatschappelijke rol van de natuurvereniging, zelfs met een krimpend ledenaantal, weer duidelijk geworden. De algemene conclusie en tevens aanbeveling van de onderzoekers is dat de natuurbeweging in de toekomst nog meer dan vandaag zal moeten leren omgaan met heel verschillende en evoluerende raamwerken, waarvan geen enkel nog echt dominant is. We kunnen daar nog aan toevoegen dat dit betekent dat ook en allereerst binnen de beweging of vereniging plaats moet zijn voor verschillende inzichten. Al te vaak worden verschillen ‘opgelost’ door kritische geluiden te verdringen ten voordele van het dominante raamwerk. Dat men zich daardoor extra kwetsbaar opstelt tegenover de diversiteit in de buitenwereld dringt weinig door. Jos Gysels (jos.gysels@natuurpunt.be) Natuurpunt Educatie Referentie

Buijs A., Mattijssen T. & Kamphorst D. 2013. Framing. De strijd om het nieuwe natuurbeleidsverhaal. Landschap, 2013-1: 33-40.

Jos Gysels (jos.gysels@natuurpunt.be) Natuurpunt Educatie

Mens & natuur Bekeken door een verschillend raam Niet iedereen is even overtuigd van het belang van natuur en al evenmin van de noodzaak van natuurbehoud. Voor- en tegenstanders staan tegenover elkaar, ook publiekelijk en op het politieke forum. Er worden pro’s en contra’s gehanteerd

Rups of vlinder? RSPB, de grootste natuurvereniging in Groot-Britannië en BirdLife-partner, gaat de natuurbetrokkenheid van kinderen meten. Op hun website kan je een eenvoudige test invullen. Als uitkomst krijg te horen of je een ei, rups, pop of vlinder bent. Voor de wetenschappelijke onderbouwing van de meetlat is gebruik gemaakt van Amerikaans onderzoek naar factoren die, direct of indirect, onze houding tegenover de natuur bepalen. De meeste studies leggen een (positief) verband tussen kennis en gedrag. De relatie tussen emotionele betrokkenheid en

Natuur.focus  december 2013 

169


Nieuws & Trends gedrag blijft vaak onderbelicht. In de studie die aan de basis ligt van de enquête is daar wel aandacht aan besteed. Op basis van een steekproef in enkele scholen is onder meer nagegaan wat de interesse van jongeren om deel te nemen aan natuuractiviteiten ‘verklaart’. Het blijft vooral het gevoel van betrokkenheid bij de natuur dat maakt dat jongeren deelnemen aan natuuractiviteiten. En voor die betrokkenheid is dan weer de houding van de ouders de belangrijkste factor, naast de aanwezigheid van natuur in de buurt. Om jongeren ook te engageren tot natuur- en milieuvriendelijk gedrag is een bijkomende factor van belang: hun geloof in het eigen kunnen om iets te veranderen. PS. Je kan de enquête ook zelf invullen. Zelf geraakte ik niet verder dan een pop: ‘Give it a chance, something beautiful could break out ...’  www.rspb.org.uk/getoutdoors/index.aspx Jos Gysels (jos.gysels@natuurpunt.be) Natuurpunt Educatie Referentie

Chen-Hsuan Cheng J. & Monroe M. 2012. Connection to Nature: Children’s Affective Attitude Toward Nature. Environment and Behavior, 44(1) 31–49.

Maken distels het verschil voor nachtvlinders? Herbergen biologische landbouwbedrijven een hogere biodiversiteit? Vaak wordt aangenomen van wel, al is de wetenschappelijke literatuur daarover niet eenduidig. Wat nachtvlinders betreft, werd aangetoond dat biologische landbouwbedrijven hogere aantallen herbergen; een effect dat zich ook doorvertaalde in hogere aantallen vleermuizen (Wickramasinghe et al. 2004). Boutin et al. (2011) vonden echter nauwelijks een verschil tussen nachtvlindergemeenschappen op biologische en conventionele boerderijen. Wat is er nu van aan?

Een nieuwe studie geeft gelukkig een erg genuanceerd beeld van de verschillen in nachtvlinderdiversiteit op boerderijen in Zuid-Zweden met een verschillende bedrijfsvoering (Jonason et al. 2013). Deze auteurs brachten ook de historiek van biologische bedrijven in rekening en onderzochten het verschil tussen recent opgestarte (jonger dan 6 jaar) en ‘oude’ (ouder dan 15 jaar) biobedrijven. Hoewel het terreinwerk voor deze studie beperkt was (simultaaninventarisaties gedurende zes nachten in augustus), leverde ze toch verrassende resultaten op. Jonason & collega’s stelden vast dat de soortenrijkdom op jonge biobedrijven opvallend groter was dan op oude biobedrijven. De bepalende factor, aldus de wetenschappers, is de aanwezigheid van bloeiende Akkerdistels. De overgang van een klassieke naar biologische bedrijfsvoering wordt vaak gekenmerkt door het ontstaan van distelhaarden. Die verdwijnen echter na een aantal jaren, waarna nachtvlinderaantallen ook dalen. Akkerdistels staan bekend om hun hoge nectarproductie. Wellicht komen veel nachtvlinders, een over het algemeen vrij mobiele groep, foerageren op deze plekken met veel distelnectar. Het is opmerkelijk dat de nachtvlinderaantallen en -diversiteit op ‘oude’ biologische landbouwbedrijven niet hoger was dan die in conventioneel agrarisch gebied. Waar conventionele bedrijven herbiciden gebruiken om distels te bestrijden, maken biologische bedrijven gebruik van alternatieve systemen zoals teeltrotatie, waarvan de effecten zich pas na een tijd manifesteren. Op lange termijn is het aanbod van distelnectar echter ook op de oude biobedrijven heel laag. Wim Veraghtert (wim.veraghtert@natuurpunt.be) Natuurpunt Studie Referenties

Jonason D. et al. 2013. Transient peak in moth diversity as a response to organic farming. Basic and Applied Ecology 14: 515-522. Boutin C. et al. 2011. The value of woody hedgerows for moth diversity on organic and conventional farms. Environmental Entomology 40: 560-569. Wickramasinghe L.P. et al. 2004. Abundance and species richness of nocturnal insects on organic and conventional farms: effects of agricultural intensification on bat foraging. Conservation Biology 18: 1283-1292.

Verandert jacht grote roofdieren in ‘bange wezels’?

Zuringuil (foto: Wim Veraghtert)

170 

december 2013  Natuur.focus

In het decembernummer van het tijdschrift Biological Conservation houden enkele Noorse onderzoekers het fenomeen ‘trofeejacht’ tegen het licht (Ordiz et al. 2013). In tegenstelling tot stropen is de praktijk volledig legaal, maar daarom niet minder omstreden. Het is de jacht op charismatisch wild, waarbij de jager een vergoeding betaalt gelinkt aan de waarde van de geschoten ‘trofee’. Voorstanders wijzen erop dat trofeejacht belangrijke inkomsten kan genereren, die dan gebruikt kunnen worden voor de bescherming van populaties en hun biotoop (Dickson et al. 2009). Het is bij dit positieve aspect dat de Noorse onderzoekers enkele kritische kanttekeningen maken, en dit specifiek voor de jacht op grote carnivoren. Wolven, beren, leeuwen ..., grote roofdieren spelen in een ecosysteem vaak een sleutelrol omwille van hun positie aan de top van de voedselketen. Lokaal uitsterven of zelfs maar een daling in populatiegrootte van deze toppredatoren heeft onmiddellijk gevolgen voor de hele ecologische gemeenschap,


Nieuws & Trends

Beleid.focus Ontwerpdecreet geïntegreerd natuurbeheer

Wolf (foto: Vilda/Yves Adams)

met veelal een verlies aan biologische diversiteit tot gevolg. Bij herintroducties zijn omgekeerde effecten ook snel zichtbaar. Zo is het bv. mooi gedocumenteerd hoe de rivieroevers binnen Yellowstone National Park snel herbebosten na de herintroductie in 1995 van wolven aldaar en ook hoe dit dan bevers, zangvogels, vissen, kikkers tot zelfs beren toe spectaculair ten goede komt (Monbiot 2013). Die ecologische rol wordt vaak aangehaald als dé reden voor het behoud en herstel van toppredatoren. Omwille van politieke en economische belangen doet men echter vaak de toegeving om een deel van de populatie te reserveren voor ‘duurzame’ trofeejacht. In het artikel stellen de onderzoekers zich echter de vraag of grote roofdieren nog wel functioneren als toppredatoren wanneer ze bejaagd worden. Ze tonen immers aan dat trofeejacht tot gevolg heeft dat de dieren steeds op hun hoede moeten zijn voor jagers. Deze simpele wijziging in gedrag en habitatgebruik hertekent op haar beurt het ‘land­ scape of fear’ voor hun prooiorganismen, waardoor deze laatsten hun voorkeurslocaties verschuiven op basis van de gewijzigde predatierisico’s (Laundré et al. 2010). Dit kan leiden tot drastische veranderingen binnen het hele voedselweb en op die manier haalt de trofeejacht haar eigen natuurbehoudsargument onderuit, namelijk ecosysteemherstel. Dus, alhoewel trofeejacht mogelijks een populatie grote carnivoren duurzaam kan beheren, is dit blijkbaar enkel getalsmatig zo, en leidt bejaging ertoe dat ze hun voor het ecosysteem uiterst gunstige rol als toppredator functioneel verliezen (Ordiz et al. 2013). Thomas Merckx (thomas.merckx@uclouvain.be) Earth and Life Institute (UCL, Louvain-la-Neuve) Referenties

Dickson B. et al. 2009. Recreational Hunting, Conservation and Rural Livelihoods. WileyBlackwell, Oxford. Laundré J.W. et al. 2010. The landscape of fear: ecological implications of being afraid. The Open Ecology Journal 3: 1-7. Monbiot G. 2013. Feral – Searching for Rewilding on the Frontiers of Enchantment. Allen Lane, Londen. Ordiz A. et al. 2013 Saving large carnivores, but losing the apex predator? Biological Conservation 168: 128-133.

Op 13 november 2013 keurde de Vlaamse regering het ontwerpdecreet geïntegreerd natuurbeheer voor de eerste keer principieel goed. Het decreet wil het onderscheid tussen natuur- en bosbeheer opheffen, de instandhoudingsdoelstellingen implementeren en de subsidiekanalen openstellen voor iedereen (zonder onderscheid). Natuurpunt trok vlak voor de goedkeuring nog aan de alarmbel over een aantal pijnpunten - en met resultaat! Zo kregen we een sterker stand-still principe, het beheerplan als resultaatsverbintenis (en contract) mét middelen, een beter evenwicht tussen Europese natuur en regionaal belangrijke natuur en een faire doorvertaling van de afgesproken focus in het aankoopbeleid, voor drie jaar. Toch is er nog werk aan de winkel. Natuurpunt wil nog steeds een volwaardige biodiversiteitsstrategie, in uitvoering van de afspraken in Nagoya, de EU biodiversiteitsstrategie en het Pact 2020. De engagementen van ANB en de andere overheden zijn te zwak en door de tijdsdruk moeten er ook een reeks technische zaken gerepareerd worden. Wim Van Gils (wim.vangils@natuurpunt.be) Natuurpunt Beleid

GLB Op 21 november 2013 keurde het Europees Parlement de finale teksten voor het hervormde landbouwbeleid goed. Deze hervormingsronde is een maat voor niets. Van vergroening van de inkomenssteun komt niets in huis en nog steeds slokt de intensieve en grootschalige landbouw de bulk van het geld op. Dit was de eerste keer dat het Europees Parlement meebesliste over de toekomst van het landbouwbeleid. De overgrote meerderheid stemde echter voor een akkoord dat niet groener, niet eenvoudiger en niet eerlijker is. De randvoorwaarden en vergroeningsmaatregelen werden volledig uitgehold. Landbouwers mogen de Kaderrichtlijn Water, de Richtlijn Duurzaam Pesticidengebruik en onderdelen van de Habitat- en Vogelrichtlijn overtreden en toch inkomenssteun blijven trekken. Dit druist in tegen het principe van de vervuiler betaalt. Ook het sluitstuk van deze hervormingsronde, de vergroening, draait uit op een sisser. De oorspronkelijke voorstellen zijn stuk voor stuk uitgehold en een hele rits van uitzonderingsmodaliteiten maakt dat zo goed als geen enkele landbouwer de vergroening zal moeten uitvoeren. Natuurpunt is zeer teleurgesteld met dit akkoord en stelt zich ernstige vragen over de legitimiteit van dit beleid en de daaraan gekoppelde budgetten, die nog steeds 40% van het totale EUbudget opslokt. Het is maar de vraag of de Europese burgers zullen willen blijven betalen voor diensten die niet geleverd worden. Annelore Nys (annelore.nys@natuurpunt.be) Natuurpunt Beleid

Natuur.focus  december 2013 

171


Nieuws & Trends Soortbeschermingsplan Bever wordt wegvangplan? De Bever rukt op in Vlaanderen: ze shoppen in hartje Leuven en bouwen dammen in een woonwijk, landbouw- en natuurgebied. Deze landschapsarchitect is overal beschermd door Europese wetgeving, maar niet overal geliefd. De overheidsadministraties ANB en VMM zochten samen naar een goede aanpak wanneer een Bever zorgt voor overlast en goten die onlangs in een ontwerp soortenbeschermingsprogramma (SBP), een light-versie dan wel. Doel is om met deze regeling Bevers van de ene naar de andere plaats te verhuizen (onder voorwaarden). Dit is nooit gezien: een beschermingsprogramma dat vooral dient om van een soort af te geraken. Natuurpunt is ontzet dat een belangrijke beschermingsmaatregel op deze manier wordt misbruikt. Het is logisch dat de administraties zoeken naar goede oplossingen, en Natuurpunt zoekt graag mee naar een goed afwegingskader bij conflicten. Maar een SBP moet in de eerste plaats mikken op beschermingsmaatregelen, met als doel het voortbestaan en de gezondheid van de bestaande populaties te verzekeren. Een verplaatsingsplan, met enkel de waterbeheerder als bever-manager, en zonder duidelijkheid over wat (aanvaardbare) schade nu is en hoe daaraan verholpen moet worden, is er vér over. Overigens, binnen het huidige wetgevend kader kan er geen SBP voor de Bever opgemaakt worden. Natuurpunt vraagt ofwel een SBP opgemaakt mét alle nodige beschermingsmaatregelen, wetenschappelijke inzichten en uitgebreider afwegingskader, ofwel hebben we beter geen SBP.

Einde overbevissing in zicht In februari nam het Europees Parlement een eerste belangrijke stap om visserij duurzamer te maken. In het nieuwe Gemeenschappelijk Visserijbeleid koos ze voor het principe van de duurzame opbrengst. Zo kunnen de visbestanden zich vanaf 2015 herstellen, na decennia van overbevissing. Maar om die hervorming in de praktijk te kunnen doorvoeren, moet ze ondersteund worden door een hervormd subsidiebeleid. In oktober zette het Europees Parlement haar eerdere beslissing kracht bij door ook in het subsidiebeleid te kiezen voor meer vis, en niet voor meer boten. Overcapaciteit is immers de belangrijkste driver van de overbevissing. De subsidiemogelijkheden voor de bouw van nieuwe schepen zijn dan ook verworpen en er worden meer middelen ingezet op monitoring en handhaving. Natuurpunt is tevreden met de grote lijnen van de beslissing van de parlementsleden, ook al zijn er een aantal elementen die een blijvend gevaar kunnen vormen voor de overbevissing: subsidies voor de vervanging van motoren van ‘kleine’ vissersschepen en subsidies voor wie een nieuw visbedrijf wil starten, kunnen de capaciteit nog steeds verhogen. Nu gaat het Europees Parlement in gesprek met de Europese Ministerraad. Natuurpunt vraagt om verder in te zetten op het herstel van de visbestanden. Dat is nodig om de visserij een duurzame toekomst te geven, want zonder vis, geen vissers.. Nathalie Desnijder (nathalie.desnijder@natuurpunt.be) Natuurpunt Beleid

Benno Geertsma (benno.geertsma@natuurpunt.be) Natuurpunt Beleid

Nieuwe online Natuurpunt Winkel Op 1 januari 2014 sluit de Natuurpunt Winkel in Mechelen zijn deuren. Als alternatief stellen we je graag de vernieuwde online Natuurpunt Winkel voor. Je kan er vanaf 16 september 2013 dag en nacht terecht voor het vertrouwde en zeer ruime assortiment natuurproducten. Bij elke aankoop steun je bovendien Natuurpunt en de natuur in Vlaanderen. Je vindt in de online winkel alles wat je zoekt! Ontdek het verruimde aanbod natuurboeken, veldgidsen en naslagwerken voor binnen- en buitenland. Meer dan 6.500 titels zijn beschikbaar. Een uitgebreide keuze aan zoekkaarten en determinatietabellen vult het assortiment aan. En met onze grote keuze aan verrekijkers, vlindernetjes, loeppotjes en andere excursiematerialen hebben we alles in huis voor een succesvolle excursie. Bovendien hebben we het assortiment uitgebreid met schuiltentjes, kledij en fotografiemateriaal. Voor de kinderen hebben we een uitgebreid gamma aan spelletjes, boeken en knuffels. En dankzij ons gamma tuinproducten, voer en nestkasten kan je zowel in de stad als op het platteland meewerken aan meer natuur. Nergens in Vlaanderen vind je zo’n breed assortiment. Natuurpuntleden genieten 10% korting op het volledige aanbod! Bovendien bieden we je regelmatig unieke promoties aan. Bestellen is gemakkelijk:  www.natuurpunt.be/winkel E-mail: winkel@natuurpunt.be Telefoon: 015-43 16 88 - Fax: 015-27 46 74 Per post: het bestelformulier is beschikbaar in de Natuurpunt bezoekerscentra of op eenvoudig verzoek.

172 

december 2013  Natuur.focus


Ad Valvas

LIKONA contactdag

Brakona contactdag

Op zaterdag 18 januari 2014 organiseert de Limburgse Koepel voor Natuurstudie (LIKONA) haar 23ste jaarlijkse contactdag in de Universiteit Hasselt, Campus Diepenbeek.

Programma Op zaterdag 1 februari 2014 vindt de 15de editie van de Brakona contactdag plaats. Ben je een enthousiast natuurliefhebber en begeesterd door natuurstudie? Dan is deze dag vast iets voor jou! Natuurstudievrijwilligers brengen een gevarieerd aanbod aan presentaties over het reilen en zeilen van de natuurstudiewereld in de provincie Vlaams-Brabant. Je komt er meer te weten over de verspreiding van de Knautiabij, de ideale omstandigheden om te trektellen, de impact van kleine landschapselementen op nachtvlinders, de nieuwe Steenuilenwerkgroep en zoveel meer. Tijdens de pauzes kan je de boekenwinkel van Natuurpunt en ­diverse infostands bezoeken of je ervaringen uitwisselen met andere natuurliefhebbers bij een versnapering. Met andere woorden: deze dag is een must voor iedereen met een gezonde interesse in ­natuurstudie.

Programma In de voormiddag brengen de verschillende werkgroepen van LIKONA verslag uit over hun werking van het voorbije jaar en interessante onderzoeksresultaten uit hun interessegebied. In de namiddag staan deze voordrachten op het programma: - Waterlobelia terug dankzij de eerste natuurprojectovereenkomst in Vlaanderen (Jo Packet) - Belgische mierenatlas met Limburg als hotspot? (François Vankerkhoven) - Soortbeschermingsprogramma’s voor Heivlinder, Bruine eikenpage en Argusvlinder (Ilf Jacobs) - De Wijers, Bosland en de Hoge Kempen door een historisch-ecologische bril (Arnout Zwaenepoel) - Op zoek naar de Wilde kat en de Boommarter (René Janssen) Info en inschrijven Deelnemen is gratis maar inschrijven is noodzakelijk. Voor inlichtingen en inschrijvingen kan je terecht op www.likona.be en in Het Groene Huis. (Tel. 011-26 54 50 - E-mail: likona@limburg.be)

EIS-dag 2014 Heide is het thema van de komende EIS-dag op zaterdag 25 januari 2014. Ook deze winter organiseert Stichting European Invertebrate Survey (EIS) Nederland weer de landelijke dag. Met een afwisselend aanbod aan lezingen over typische heidesoorten en hun beheer is het niet alleen een dag voor insectenliefhebbers alleen, maar juist ook voor terreinbeheerders. Je kan ook je eigen kennis testen met de ‘Mysterie insecten competitie’, eveneens toegespitst op het thema,.en aan het eind van de dag kan alles nog eens rustig doorgesproken worden onder het genot van een hapje en een drankje. De EIS-dag begint om 10u00 en gaat door in het auditorium van museum Naturalis te Leiden. Meer informatie vind je op www.EIS-nederland.nl of bij John Smit (john.smit@naturalis.nl).

Info en inschrijven De Brakona Contactdag gaat door in het Provinciehuis, Provincieplein 1, 3000 Leuven. Deelnemen kost 5 euro (incl. broodjesmaaltijd). Inschrijven kan tot 25 januari op www.brakona.be. Meer info op www.brakona.be of bij Griet Nijs. (Tel. 015-77 01 61 – E-mail: brakona@natuurpunt.be)

ANKONA ontmoetingsdag Op zaterdag 8 februari 2014 organiseert ANKONA, de Antwerpse Koepel voor Natuurstudie, samen met het departement Biologie van de Universiteit Antwerpen haar jaarlijkse ontmoetingsdag. Het thema van deze 17de editie is ‘Van het monitoren met e-DNA overgaan tot soortenbescherming’ Programma In de voormiddag kan je kiezen tussen vier workshops: • Microscopie: ‘Kijken naar de anatomie van bladeren’ • (A)biotisch en toch actief! • Onder en boven water • Wat vliegt daar? Vogels en vleermuizen In de namiddag kan je de praktische workshop ‘Vleermuizen onderzoeken in de fortengordels’ volgen of lezingen bijwonen over: • Waardebepaling van hoogveenrelicten in de provincie Antwerpen • Onderzoek natuurlijke en niet-natuurlijke tuinen • Voorstel Europese Verordening ‘invasieve soorten’: wat betekent dit op het terrein? • Vlaams meldpunt voor invasieve exoten: samen op de uitkijk Info en inschrijven De ANKONA-ontmoetingsdag gaat door in Campus Groenenborger van Universiteit Antwerpen, Groenenborgerlaan 171, Antwerpen. Deelname aan de studiedag is gratis maar inschrijven voor 1 februari is noodzakelijk. Voor meer informatie en inschrijving kan je terecht op www.ankona.be en bij Koen Cuypers (Tel. 03-240 59 88 – E-mail: ankona@admin.provant.be)

Natuur.focus  december 2013 

173


Ad Valvas

Vlaamse Libellenstudiedag

23ste Vlaamse Mycologendag

Op zaterdag 15 februari 2014 organiseert Libellenvereniging Vlaanderen in het Natuur.huis in Mechelen de Vlaamse Libellenstudiedag rond het thema ‘Monitoring van libellen’.

Op zaterdag 15 maart 2014 organiseren OVMW en de Onderzoeksgroep Mycologie van de Universiteit Gent de Vlaamse Mycologendag. Vanaf 10u00 beginnen de presentaties.

Programma In de voormiddag staan naast de algemene ledenvergadering en een libellenquiz deze lezingen op het programma: • Libellenmonitoring in Nederland: ervaringen na 16 jaar tellen (Tim Termaat) • La surveillance des libellules en Wallonie (Grégory Motte & Philippe Goffart ) • STELI, bilan après trois années de test en région Nord - Pas-de-Calais et en France (Cédric Vanappelghem)

Na de middagpauze houdt de KVMV haar jaarlijkse Algemene Vergadering. Wie een korte mededeling wil doen over bijzonder vondsten, kan dit voor 1 februari 2014 melden met een mailtje aan Annemieke ­Verbeken (mieke.verbeken@ugent.be) of Peter Verstraeten (verstraeten.peter@ skynet.be).

In de namiddag: • Monitoring van libellen in Vlaanderen (Geert De Knijf) • Discussie rond monitoring • Actievere larven aan het front: oorzaak en gevolgen bij de Gaffelwaterjuffer (Lieven Therry) • Fotoverslag van minder bekende Europese libellen (Jan Van Der Voort) • Wat leert de stamboom van het genus Coenagrion? (Janne Swaegers) • De Kempense heidelibel: stand van zaken in het vijvergebied van Midden-Limburg (Roy Hendrix) • Libellen en venherstel in het Hageland en de Zuiderkempen (Jorg Lambrechts)

Deelnemen is gratis. Het volledige programma en alle praktische informatie vind je op www.kvmv.be

De studiedag gaat door in de Universiteit Gent, K.L. Ledeganckstraat 35 (ingang via de Plantentuin).

Info en inschrijven De libellenstudiedag gaat door in het Natuurpunt Huis, Coxiestraat 11 in Mechelen. De studiedag is gratis voor LVV-leden, niet-leden betalen 5 euro. ­Gelieve via mail in te schrijven bij: geert.deknijf@inbo.be  www.odonata.be

West-V laamse natuurstudiedag

West-Vlaamse Natuurstudiedag

zaterdag 1 maart 2014 9 u-16.30 u (met receptie)

Op zaterdag 1 maart 2014 vindt de jaarlijkse West-Vlaamse Natuurstudiedag plaats op de KULAK in Kortrijk. Natuur prikkelt op veel manieren! Prikkelende soorten en prikkelende communicatie zijn het thema dit jaar. En natuurlijk ontbreken de prikkelende hapjes en infostands niet.

V.U.: Peter Norro, Koning Leopold III-laan 41, 8200 Brugge - Foto: Oorkwal © Hans Hillewaert

Info en inschrijven Deelnemen kost 5 euro (incl. lunch), 2 euro voor studenten. Inschrijven kan tot 25 februari. Meer informatie vind je op www.wmfkoepel.be/natuurstudiedag of bij de West-Vlaamse Milieufederatie (Tel. 050-70 71 07).

@ KU Leuven KULAK

Etienne Sabbelaan 53, 8500 Kortrijk

Pr ik kelende natuur... Kw allen • Dis tel s • Muggen • EHBO • W ildc amer a • Natuur s ex y maken (JNM, A NB, V TM) • Multimedia www.wmfkoepel.be/natuurstudiedag

174 

december 2013  Natuur.focus


Boeken & Bytes

Nieuw in de Natuurpunt Winkel De amfibieën en reptielen in Vlaanderen Jooris R., Engelen P. Speybroeck J., Lewylle I., Louette G., Bauwens D. & Maes D. 2013. De amfibieën en reptielen van Vlaanderen. Recente verspreiding en toelichting bij de nieuwe Rode Lijst. Rapport Natuurpunt.Studie 2013/6, Mechelen. 50 blz. ISBN: 978-90-5718-320-1 Prijs: 12,00 euro Een nieuwe up-to-date Rode Lijst voor de Vlaamse amfibieën en reptielen werd opgesteld door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en Hyla, de amfibieën- en reptielenwerkgroep van Natuurpunt. Hierbij horend publiceerde Hyla zopas het rapport ‘De amfibieën en reptielen van Vlaanderen. Recente verspreiding en toelichting bij de nieuwe Rode Lijst’, een uitgebreid overzicht van alle soorten die in Vlaanderen voorkomen met foto’s en verspreidingskaartjes.

Veldgids Korstmossen (tweede druk) Van Herk K. & Aptroot A. 2013. KNNV Uitgeverij. 425 blz. ISBN: 978-90-5011-470-7 Prijs: 40,00 euro – Ledenprijs: 35,00 euro Bestelcode: M21821 Het korstmossenboek uit de topreeks veldgidsen van de KNNV Uitgeverij was al een hele tijd niet meer verkrijgbaar, maar het werd zopas herdrukt. De veldgids werd geschreven door dé experts op dit gebied in Nederland en omvat beschrijvingen, foto’s en informatie over verspreiding en ecologie van ruim 400 soorten korstmossen.

Ontwikkelen van kruidenrijk grasland (herziene uitgave) Schippers W., Bax I. & Gardenier M. 2012. Bureau Groenschrift. 110 blz. Prijs: 22,00 euro – Ledenprijs: 19,80 euro Twee generaties terug zagen graslanden er heel anders uit: meer dan de helft was kruidenrijk. Tegenwoordig is nog slechts een paar procent te kwalificeren als kruidenrijk grasland en het overgrote deel daarvan is gelegen in natuurgebieden. Uit oogpunt van biodiversiteit zijn dergelijke graslanden van grote betekenis. Deze gids is te gebruiken door iedereen die betrokken is bij het omvormen van soortenarme, uniforme graslanden tot kruidenrijke vormen daarvan. Met deze veldgids kan je uitgangssituatie en ontwikkelingsfasen herkennen, en aan de hand van grondsoort en vochttoestand bepaalt je vervolgens een doelgerichte gebruikswijze voor het ontwikkelen van kruidenrijk grasland. Naast een stappenplan en overzichtelijke diagrammen zijn er veel foto’s opgenomen van graslandtypen en karakteristieke plantensoorten.

Natuur.focus  december 2013 

175


Boeken & Bytes Heidebeheer anno 2013 Economy and Ecology of Heathlands. Diemont W.H., Heijman W.J.M., Siepel H. & Webb N.R. 2013. KNNV Uitgeverij. 464 blz. ISBN: 978-90-50114-61-5 Te koop in de Natuurpunt Winkel (www.natuurpunt.be/winkel) Prijs: 59,95 euro – Ledenprijs: 53,95 euro Heidebeheer - Moderne methoden in een eeuwenoud landschap. Smits J. & Noordijk J. 2013. KNNV Uitgeverij. 176 blz. ISBN: 978-90-50114-62-2 Te koop in de Natuurpunt Winkel (www.natuurpunt.be/winkel) Prijs: 19,95 euro – Ledenprijs: 17,95 euro Het afgelopen decennium investeerde men in Nederland veel tijd en energie in onderzoek rond het beheer van heidelandschappen. Dit leidde tot veel nieuwe inzichten die vrij te raadplegen zijn via de talloze rapporten op www.natuurkennis.nl. In het afgelopen jaar verschenen daarnaast twee complementaire boeken over heidelandschappen. Het eerste boek, Economy and ecology of heathlands, belicht de opkomst, de ondergang en de toekomst van heidesystemen in het Atlantische deel van Europa. Zoals vele Europese landschappen hebben ook deze een lange geschiedenis van menselijke invloed achter de rug. In het eerste deel van het boek illustreert men aan de hand van voorbeelden van Spanje tot Noorwegen treffend hoe heide via begrazing ontstond en een rol als half-agrarisch landschap, jacht- en landbouwgebied vervulde. Ondanks de culturele verschillen komen de problemen gekoppeld aan enerzijds intensiever landgebruik en anderzijds het verlaten van woeste gronden in heel wat van deze voorbeelden terug. Bijna overal leidt dit tot achteruitgang (zowel in kwaliteit als kwantieit) en dus ook diversiteitverlies. In een tweede luik wordt dieper ingegaan op ecologische aspecten zoals begrazing, de impact van N-depositie en het belang van de juiste nutriënten voor insecten en insectivoren. Binnen het derde luik gaan de auteurs dieper in op de mogelijkheden om de kosten voor herstel en behoud van deze gebieden ook in de toekomst te waarborgen. Kunnen

Plaggen als herstelmaatregel op droge zandgronden heeft potentieel nadelige effecten voor de ongewerveldenfauna. Op de Stabrechtse Heide herdert men een kudde Drents Heideschaap na verwijderen van het naaldhout. (foto: Kevin Lambeets)

176 

december 2013  Natuur.focus

nieuwe vormen van gemeenschappelijke zorg en gebruik hierbij helpen, of bieden andere typen van doorstroming van opbrengsten van de heide betere mogelijkheden? Zo wordt het beheer van de NoordHollandse duinen bijvoorbeeld betaald door de opbrengsten van waterwinning. Het tweede boek, Heidebeheer - Moderne methoden in een eeuwenoud landschap, is van de hand van Jap Smits (boswachter bij Staatsbosbeheer) en Jinze Noordijk (bioloog bij EIS-Nederland). Beide delen een passie voor ongewervelden en voor praktisch natuurbeheer, wat ook duidelijk naar voor komt in dit mooi geïllustreerd boek. Deze praktijkgids voor natuurbeheerders, zowel professionelen als vrijwilligers, slaagt erin de vele nieuwe inzichten bevattelijk samen te vatten. De keuze om de lezer niet te overladen maar waar nodig door te verwijzen naar o.a. www.natuurkennis.nl verhoogt sterk de informatieve waarde van het boek. Hopelijk wordt dit boek breed opgepikt zodat huidige dogma’s in heidebeheer zoals grootschalig plaggen verdwijnen. Van bij de start benadrukken de auteurs het belang van overgangen en variatie, niet alleen in het landschap (bv. van nat naar droog) maar ook in gebruikte beheermaatregelen (bv. van intensief tot niet-begraasd). Deze maatregelen worden vervolgens uitgebreid toegelicht. Concepten als visgraatplaggen, wandelende bosjes, branden, akkeren … zijn duidelijk geïllustreerd. Ook slecht uitgevoerde maatregelen, waar veel uit te leren valt, worden besproken. De uitwerking van beheermaatregelen per heidebiotoop (zandverstuivingen, droge en vochtige heides en vennen) toont aan hoe belangrijk maatwerk per biotoop is. In het laatste hoofdstuk breken de auteurs een lans voor een goede opvolging. Zonder gerichte monitoring valt er immers weinig te leren over de effectiviteit van uitgevoerde maatregelen. Ondanks enkele kleine schoonheidsfoutjes (bv. de gangbaar toegediende dosis bij bekalking is 2 ton/ha i.p.v. de vermelde 200 ton/ha) blijft dit boek een heuse aanrader voor iedereen die betrokken is bij het beheer van heideterreinen, klein of groot, vrijwilliger of ambtenaar! Wout Opdekamp (wout.opdekamp@natuurpunt.be) Natuurpunt Beheer


Boeken & Bytes Veldgids Paddenstoelen – Plaatjeszwammen en boleten Dam N. & Kuyper T. W. 2013. KNNV Uitgeverij. 432 blz. ISBN: 978-90-5011-463-9 Te koop in de Natuurpunt Winkel (www.natuurpunt.be/winkel) Prijs: 39,95 euro – Ledenprijs: 35,95 euro Bestelcode: M23771 ‘Kan men niet eens een boek maken waarin alleen de algemene paddenstoelensoorten staan?’ Deze vraag krijg je als gids geregeld te horen op paddenstoelenwandelingen en –cursussen. Twee vooraanstaande Nederlandse mycologen hebben zich van deze taak gekweten en presenteren met de ‘Veldgids paddenstoelen’ een nieuw basiswerk voor beginners. Voor ze aan deze publicatie begonnen, maakten de auteurs een nuttige oefening: zij gingen na welke paddenstoelensoorten er volgens ‘Spot’, de waarnemingendatabank van de Nederlandse Mycologische Vereniging, de meest voorkomende zijn. Zo kwamen ze tot een lijst van 500 ‘soorten’ die zowat 95% van alle waarnemingen uitmaken en in het veld herkenbaar zijn Daarbij beperken ze zich tot plaatjeszwammen en boleten, twee erg populaire groepen. Die opzet op zich maakt deze veldgids vernieuwend; daar waar nagenoeg alle andere Nederlandstalige geïllustreerde paddenstoelboeken vertalingen waren van buitenlandse literatuur, waarin ook soorten opgenomen zijn die bij ons niet voorkomen, bespreekt dit boek naar eigen zeggen enkel (vrij) algemene zwammensoorten. De soortselectie doet soms toch de wenkbrauwen fronsen. Scharlaken wasplaat en Groensteelsatijnzwam (beide minder dan tien vindplaatsen in Vlaanderen) zijn wel opgenomen, een opvallende soort als Spechtinktzwam, Prachtmycena of Kleverige wasplaat niet wegens te zeldzaam in Nederland. Over het algemeen is de Nederlandse mycoflora goed vergelijkbaar met de Vlaamse, maar er zijn toch wel een paar soorten die bij ons blijkbaar veel meer voorkomen dan in Nederland en omgekeerd. Ook in andere opzichten is dit werk vernieuwend. Het is het eerste Nederlandstalige boek dat determinatiesleutels combineert met mooi geïllustreerde soortbesprekingen. Het gebruik van die sleutels vormt eigenlijk een voorwaarde om te kunnen werken met dit boek. De soortbesprekingen staan namelijk alfabetisch gerangschikt op wetenschappelijke naam. De auteurs geven daarmee het signaal dat het niet de bedoeling is het boek louter te doorbladeren, op zoek naar de meest passende foto. Bij paddenstoelen werkt dat plaatjes kijken trouwens heel slecht. Een aantal basiskenmerken moeten bekeken worden om tot een juiste determinatie te komen.

Beginners maken vaak dezelfde fouten door niet goed genoeg te kijken naar de kleur van het sporenpoeder, de aanhechting van de plaatjes en afhankelijk van de soortgroep de geur, smaak, begeleidende bomen en bepoedering van de steel. Dit boek behoedt beginners voor het maken van kemels door eerste te sleutelen en dan te bladeren. Een hele serie soortbesprekingen gaan over soortcomplexen. Aangezien je een vrij groot aandeel van de soorten enkel met een microscoop kan herkennen, heeft het geen zin om al die soorten als aparte besprekingen op te nemen. Daarom is een lastig genus als Vaalhoed (meer dan 30 soorten in Vlaanderen) hier samengevat op één pagina: de oranjebloesemzwammen Hebeloma sacchariolens sensu lato, de radijsvaalhoeden H. crustiliniforme s.l. en de tweekleurige vaalhoeden H. mesophaeum s.l. Verder zijn de soortbesprekingen zeer uitgebreid. Er wordt veel aandacht besteed aan de beschrijving van de ecologie van de soort in Nederland, wat een pluspunt is t.o.v. vertaalde boeken uit het buitenland. Zo zou de zeldzame Fraaie gifgordijnzwam in Nederland vooral voorkomen in droog loofbos op zandgrond, terwijl de soort elders in Europa karakteristiek is voor vochtige sparrenbossen. Met de ‘Grote paddenstoelengids voor onderweg’ zou je deze determinatie in twijfel trekken op basis van het biotoop dat niet klopt. Bovendien wordt heel vaak verwezen naar gelijkende soorten, waarbij gewezen wordt op de kenmerkende verschillen met deze soort(en). Tenslotte zijn de foto’s van hoge kwaliteit en vrij groot afgebeeld. Jammer genoeg werd er niet altijd goed gekadreerd zodat je af en toe met afgeknipte hoeden zit. Voor sommige soorten werd er met inzetstukjes gewerkt om meer detail te geven. Die inzetstukjes bieden niet altijd een meerwaarde omdat ze in een aantal gevallen veel te klein zijn. Zo kan je op het inzetstukje van Zwerminktzwam de kenmerkende beharing van de hoed, die je onder de loep ziet, helaas niet waarnemen op de foto. Als besluit kunnen we meegeven dat dit werk een echte aanrader is voor beginners die veel willen bijleren en niet teveel kemels willen maken. De auteurs plannen in de toekomst ook voor de andere paddenstoelgroepen een goede veldgids te maken. Maar in afwachting daarvan is de ‘Grote paddenstoelengids voor onderweg’ de veldgids voor absolute beginners waarin alle soortgroepen vervat zitten. Roosmarijn Steeman (roosmarijn.steeman@natuurpunt.be) en Wim Veraghtert (wim.veraghtert@natuurpunt.be) Natuurpunt Studie

Natuur.focus  december 2013 

177


Boeken & Bytes De water - en oppervlaktewantsen van België Stoffelen E., Henderickx H., Vercauteren T., Lock K. & Bosmans R. 2013. Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. 256 blz. ISBN: 978-90-73242-27-2 Prijs: 45 euro Te bestellen bij: bestellingen@natuurwetenschappen.be Waterwantsen zijn samen met waterkevers de enige insecten waarvan zowel larven als adulten onder water leven en die in bijna iedere waterpartij voorkomen. Zopas verscheen over deze wantsen voor het eerst een Nederlandstalig boek. Het nieuwe Belgische wantsenboek is een topper omwille van de 450 originele foto’s en de grote gebruiksvriendelijkheid op verschillende punten: Voor het benoemen van de lichaamsonderdelen is gebruik gemaakt van foto’s en eenvoudige bewoordingen maar wie vertrouwd is met de vakterminologie vindt deze tussen haakjes ook in de tekst terug. De dichotome determinatiesleutel staat steeds op de linkerpagina met meteen de bijbehorende foto’s op de rechterpagina, dikwijls verduidelijkt met pijltjes die wijzen naar de te vergelijken kenmerken. Het boek is in A4-formaat, waardoor de foto’s goed tot hun recht ­komen.

Weidevogels in een veranderend landschap. Meer kleur in het grasland Van der Geld J., Groen N. & van’t Veer R. 2013. KNNV Uitgeverij. 192 blz. ISBN: 978-90-50114-57-8 Te koop in de Natuurpunt Winkel (www.natuurpunt.be/winkel) Prijs: 29,95 euro – Ledenprijs: 26,95 euro Bestelcode: M21777 De Nederlandse situatie van de weidevogels is minstens even dramatisch tot dramatischer dan in Vlaanderen. Diverse studies en praktijkervaringen spreken elkaar tegen wat betreft de oorzaak, en dus is het hoog tijd om eens goed uit te zoeken wat nu de echte oorzaak is en hoe we de vrije val kunnen stoppen. Het boek begint met een opdeling van de weidevogels in diverse types naargelang de vereisten. Daarna worden alle mogelijke oorzaken overlopen met hun relatief belang: landschapsveranderingen, waterbeleid, mest (toepasselijk ‘de mythe van bemesting’ genoemd), predatie, jacht en het Nederlandse beleid. De aandacht gaat vooral naar de typische weidevogels zoals de Grutto en minder naar soorten als Watersnip en Wulp. De conclusie is in ieder geval duidelijk: ‘het weidevogelbeleid en het gevoerde beheer in haar huidige vorm is failliet’. Wie deze hoofdstukken aandachtig bekeken heeft, merkt hoe de auteur het rijke weidevogellandschap wenst te herstellen, hetgeen op het einde uitvoerig aan bod komt met de mogelijke valkuilen. De ondertitel ‘meer kleur in het grasland’ verklapt al veel. Het geheel is op een eenvoudige manier geschreven zodat beginnende beheerders van weidevogelgebieden en geïnteresseerde

178 

december 2013  Natuur.focus

Je leert hoe je concreet aan de slag kan om wantsen te gaan vangen. Het boek bevat de nodige basiskennis om begrip te krijgen van de lichaamsbouw, levenswijze, biotoopvoorkeur en ecologie van deze erg interessante diergroep en is dus ook uitermate geschikt voor geïnteresseerde natuurliefhebbers zonder enige voorkennis van wantsen. Van de 64 soorten die ons land rijk is, vind je uitgebreide beschrijvingen, foto’s en recente informatie over het voorkomen, biotoop en levenswijze. Bij iedere soort staat ook de Rode Lijstcategorie volgens de internationale IUCN-standaard. De determinatiesleutel is enkel geschikt om adulte dieren op naam te brengen en geeft gelukkig duidelijk het onderscheid tussen nimfen en adulten aan. Als je weet dat er ca. vijf verschillende larvenstadia zijn, begrijp je dat het al puik werk is om de adulten te beschrijven in dit nu al meer dan 250 pagina’s tellende boek. Hoewel de sleutel erg goed geïllustreerd is, zal je enkel de meest opvallende soorten in het veld kunnen herkennen en is voor de determinatie van het gros van de soorten een stereomicroscoop met vergroting tot 40 x noodzakelijk. Dit is echter onvermijdelijk en als er al een boek is waarmee je wantsen in het veld op naam kan brengen, dan is het dit boek omwille van de vele foto’s. Het enige minpuntje is de kleurencombinatie in de verspreidingskaarten. Doordat de oudere gegevens weergegeven zijn als kleine bollen en de recentere gegevens als grote bollen kan je meteen de trend in de verspreiding zien, maar de weergave van hokken waarin zowel oude als recente waarnemingen zijn, is een grote bol met daarin een kleine bol en hierin is de combinatie van blauw en rood niet zo goed gekozen. Maar dat is een klein detail in een verder meer dan rijkelijk geïllustreerd boek. Haal de schepnetjes maar boven! Nobby.thys (nobby.thys@scarlet.be)

vogelliefhebbers dit makkelijk kunnen volgen. Het boek is rijkelijk geïllustreerd: ‘een goede illustratie zegt vaak meer dan duizend woorden’, zeker als het om structuur van graslanden gaat. Ook voor de meer ervaren beheerder zullen er zeker nieuwe elementen opduiken en biedt de literatuurlijst een aanknopingspunt voor de meer wetenschappelijke literatuur. Voor zij die de weidevogels een warm hart toedragen is dit boek een noodzakelijk item in de boekenkast. Tim Struyve (tim.struyve@natuurpunt.be) Natuurpunt Beheer


©

Natuur- en fotografiereizen met ervaren Nederlandstalige gidsen Reizen op maat voor werkgroepen Themaweekends in Wallonië

www.starlingreizen.be

“Simply stunning” Ga nu naar onze facebookpagina en win een gegidst weekend Belgische Ardennen op maat voor twee.

faceb

ook

waard wedstrijd ev 740 e an uro !


13e editie Zaterdag 22 februari 2014 Drie Eikencampus UA - Wilrijk

What is a Great Birder? and how to become one Martin Garner (VK)

Grauwe kiekendief: De trek ontrafeld - Ben Koks (NL) Fototips: Het Hoge Noorden - Marc Slootmaekers 2013 onder de loupe - Gerald Driessens

Ò Vogelquiz - Olivier Dochy Ò Vogelbeurs met diverse stands Ò Interactieve sessies over vogels en onderzoek

Meer info: www.natuurpunt.be/vogeldag Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek


Natuurfocus 2013-4