__MAIN_TEXT__
feature-image

Page 1

Afgiftekantoor 9099 Gent X

Natuur.oriolus

België-Belgique P.B. Antwerpen X 3/1485

VLAAMS DRIEMAANDELIJKS TIJDSCHRIFT VOOR ORNITHOLOGIE l ERK. P706369 l JANUARI-FEBRUARI-MAART 2014 l JG 80 l NR 1 NATUURPUNT l COXIESTRAAT 11 l B-2800 MECHELEN

Monitoring algemene broedvogels

1

Dwergmeeuw nieuwe broedvogel

Late lente 2013

10

15


Natuur.oriolus Vlaams Tijdschrift voor Ornithologie www.natuurpunt.be/oriolus is een voortzetting van het vroegere tijdschrift

REDACTIESECRETARIS: Koen Leysen, p/a Graatakker 11, B-2300 Turnhout koen.leysen@natuurpunt.be KERNREDACTIE: Marieke Berkvens, Gerald Driessens, Marc Herremans, Koen Leysen REDACTIE-ADVIESRAAD: Anny Anselin, Walter Belis, Ron Demey, Jenny De Laet, Koen Devos, Wouter Faveyts, Michel Louette, Guy Robbrecht, Jan Stevens, Dirk Symens, Wim Van den Bossche, Bert Van Der Krieken, Dries Van Nieuwenhuyse, Glenn Vermeersch ABONNEMENT Wie lid is van Natuurpunt (jaarlijks lidmaatschap C 24) kan voor C 8,5 ook een abonnement nemen op . Van verschijnen 4 nummers per jaargang. Indien u bij dit abonnementbundel tevens ook inschrijft op (een jaargang kost normaal ook C 8,5) kosten het lidmaat­ schap en beide abonnementen samen slechts C 38,5 in plaats van C 41. Instituten, verenigingen en bibliotheken kunnen een groepsabonnement zonder lidmaatschap nemen. Dit groepsabonnement kost C 25. Betaling van het abonnementsgeld (en desgevallend het lidgeld) kan door overschrijving op het rekeningnummer 230-0044233-21 van Natuurpunt, IBAN: BE 17 2300 0442 3321, BIC: GEBABEBB met vermelding van de titel van het tijdschrift en (indien mogelijk) je lidnummer. NATUURPUNT VZW Natuurpunt vzw is een vereniging voor natuur en landschap in Vlaanderen. Ze telt 88­­.000 leden en beheert 19.000 hectaren natuurgebied. Kerntaken zijn natuurbe­ houd en -beheer, landschapszorg, beleidswerking, natuurbeleving, natuurstudie, vorming en educatie. NATUURPUNT STUDIE VZW Binnen Natuurpunt staat de dienst Studie in voor de uitbouw van de kerntaak natuurstudie. Dit omvat o.a. dienstverlening aan vrijwilligers in heel Vlaanderen door professionele staf en het ondersteunen van thematische en taxonomische werkgroepen en netwerken van vrijwilligers. OPGELET

Ledenadministratie en abonnementen: Natuurpunt, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen 015/29 72 20, info@natuurpunt.be ARTIKELS EN CORRESPONDENTIE Manuscripten, brieven betreffende de inhoud van , tekeningen en foto’s dienen naar de redactiesecretaris te worden gezonden (uitzondering: foto’s bij seizoens­ overzichten, zie aldaar) Boeken die ter bespreking worden aangeboden dienen eveneens opgestuurd worden naar de redactiesecretaris.

Books to be reviewed should be sent to the editorial secretary Koen Leysen p/a Graatakker 11, B- 2300 Turnhout koen.leysen@natuurpunt.beontvangt wisselnummers vanActa Zoologica Lituanica, Alula, Ardea, Argus, Aves, Bird Study, Charadrius, Ciconia, Der Falke, Der Ornithologische Beobachter, De Takkeling, Die Vogelwarte, Dutch Birding, Egretta, Het Vogeljaar, Irish Birds, Le Héron, Journal of Ornithology, Larus, Limosa, Mergus, Nos Oiseaux, Ökologie der Vögel, Ornis Sveccica, Ornithologische Mitteilungen, Ornithos, Regulus, Scottish Birds, SOVON- nieuws, Vogelk. Nachr. Oberösterreich, Vår Fågelvärld, Vogels Dank aan Walter Belis voor de Franse samenvattingen, Mike Witt voor de Engelse en Marieke Berkvens voor de opmaak van de meeste tabellen en grafieken. Gerald Driessens staat in voor de foto’s (gerald.driessens@natuurpunt.be) VERANTWOORDELIJKE UITGEVER Chris Steenwegen, Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen

Oplage: 5.400 exemplaren

Natuurpunt vzw en Natagora (Reserves Naturelles asbl en Aves) zijn de Belgische partner van BirdLife International. Dit is een wereldomspannende natuur­ beschermingsorganisatie die in bijna 100 landen werkt aan het behoud van natuurwaarden en de soortenrijkdom. http://www.birdlife.net

Uitgave van


Projecten

PROJECTEN •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 1-9 20-30

1

Elke vogel telt!

Zeven jaar algemene broedvogels monitoren in Vlaanderen (project ABV) ❱ Glenn Vermeersch, Iwan Lewylle & Thierry Onkelinx

Sinds 2007 trekken jaarlijks vele vrijwillige tellers de Vlaamse velden, bossen en dorpen in om onze algemene broedvogels te monitoren. Dit artikel vormt een synthese van hun telwerk. Eens de vogels geteld zijn, nemen anderen het werk over om de verzamelde gegevens zoveel mogelijk invloed te laten uitoefenen op regionaal, nationaal en internationaal beleid. Dat is niet altijd evident gezien de grote druk op onze open ruimte, maar dankzij de vele uren die de tellers in het veld doorbrengen zijn we nu tenminste in staat om met wetenschappelijk goed onderbouwde cijfers naar buiten te treden.

❱ Ekster Pica pica (Foto: Glenn Vermeersch) Het aanpassingsvermogen en de intelligentie van kraaiachtigen zoals de Ekster dragen zonder twijfel bij tot hun toename in Vlaanderen.

Inleiding Bij de opmaak van de laatste broedvogelatlas (Vermeersch et al. 2004) was het duidelijk dat er nood was aan een wetenschappelijk onderbouwd monitoringproject voor algemene broedvogelsoorten. Tijdens het schrijven van de soortteksten voor die atlas dienden de verschillende soortauteurs immers vaak terug te grijpen naar erg ruw vergelijkend cijfermateriaal of schattingen. In vele gevallen was er zelfs nauwelijks informatie voorhanden om de trends van alge-

mene soorten te beschrijven. Voor zeldzamere soorten, koloniebroeders en exoten kon men terugvallen op de gegevens van het project Bijzondere Broedvogels Vlaanderen (BBV) (sinds 1994), maar voor de algemene broedvogelsoorten ontbrak een monitoringproject. Bovendien liep Vlaanderen op dat moment al flink achter op veel andere regio’s en landen in Europa waar vaak al vele jaren monitoring van algemene soorten werd uitgevoerd.


2

PROJECTEN

❱ Figuur 1. Voorbeeld van een steekproefhok met daarop het vaste patroon van zes telpunten. ❱ Figure 1. Example of a sample square with six fixed count positions. Ook in allerlei overlegrondes met verschillende belangengroepen zoals die uit de landbouw- en industriesector werd vaak pijnlijk duidelijk dat er nood was aan concrete cijfers. Zo is het zonneklaar dat een soort als Veldleeuwerik Alauda arvensis al decennia lang in heel West-Europa achteruit gaat, maar in overlegrondes op hoger beleidsniveau zijn beweringen die niet gestaafd kunnen worden door gedegen cijfermateriaal van geen tel. Daarom sloegen INBO en Natuurpunt de handen in elkaar en werd er gewerkt aan het opzetten van een nieuw, groot telproject. INBO werkte, op basis van bestaande meetnetten in de buurlanden en Wallonië, een methode uit en Natuurpunt zou instaan voor het coördineren en informeren van de tellers. In 2007 zag het ABV-project het levenslicht en werd een eerste jaar veldwerk verricht.

Methodiek a. Stratificatie van de steekproefhokken en verwerking van de data Er werd geopteerd om broedvogels te gaan tellen in UTM 1x1 kilometerhokken. Vlaanderen telt ruim 14.000 kilometerhokken en bijgevolg was het dan ook nodig om hieruit een steekproef te nemen. Belangrijke randvoorwaarde daarbij was wel dat we trachtten de voor vogels belangrijkste habitattypes op te nemen in die steekproef. Nogal wat biotopen zijn vrij zeldzaam in Vlaanderen, maar wel van groot belang voor heel wat broedvogelsoorten. Een willekeurige selectie uit de meer dan 14.000 kilometerhokken zou er toe leiden dat bijvoorbeeld heidegebonden soorten niet voldoende aan bod komen, waardoor over die soorten achteraf geen uitspraken kunnen worden gedaan. Daarom werden de kilometerhokken gestratificeerd volgens zes grote biotooptypes: 1) landbouw, 2) bos, 3) suburbaan, 4) urbaan, 5) heide en duin en 6) moeras en open water. Om elk hok toe te kennen aan één van deze zes types maakten we gebruik van de Biologische Waarderingskaart (BWK), rekening houdend met een aantal rekenregels. Zo werd een hok toegekend aan het landschapstype ‘landbouw’ indien minstens 70% van de oppervlakte effectief uit landbouwgebied bestond. Voor zeldzamere types zoals ‘heide en duin’ werd de regel minder strikt en was een totale oppervlakte van >20% voldoende om het betreffende hok aan ‘heide’ toe te kennen. Bij conflicten gold de laatste regel. In zeldzamere landschapstypes werden in verhouding meer studieplots gekozen dan in de meer algemene. De selectie bevat samen 7.583 van de 14.211 Vlaamse hokken. Daarvan behoren er 199 tot ‘heide en duin’ en 6.311 tot ‘landbouw’. De steekproef beslaat gemiddeld 10% van de geselecteerde landschapstypes. We tellen echter in 63% van het type ‘heide en duin’ en in slechts 5% van het type

1-9 Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30

‘landbouw’. Hiermee moeten we rekening houden bij de trendberekening omdat ’heide en duin’ anders te zwaar zou doorwegen en ’landbouw’ te weinig. Concreet doen we dat door elke waarneming een aangepast gewicht te geven zodat elk landschapstype een correct gewicht krijgt. ‘Heide en duin’ bevat ongeveer zes keer meer hokken dan gemiddeld en krijgt dan een gewicht van ongeveer 1/6, ‘landbouw’ bevat slechts de helft van het te verwachten aantal hokken en krijgt dan een gewicht van ongeveer twee. Tenslotte merken we nog op dat niet alle types even relevant zijn voor een bepaalde soort. Een soort als Boomklever Sitta europaea die duidelijk gebonden is aan een gesloten habitat (‘bos’), zullen we veel minder frequent aantreffen in een open habitat (‘landbouw’). Vandaar dat we vooraf voor elke soort een overzicht maken van de relevante landschapstypes. Bij de verwerking zullen we dan enkel gebruik maken van puntgegevens uit de voor de soort relevante strata. Dezelfde redenering kunnen we toepassen op de telrondes. Trekvogels zoals Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata arriveren relatief laat, zodat de eerste telronde voor hen niet relevant is. Vandaar dat we tevens a priori een selectie maken van de relevante rondes voor elke soort. b. Veldwerk Finaal werden 1200 hokken van 1x1 km aangeboden aan de vrijwilligers. We rekenden uit dat een totaal van 300 hokken per jaar en dus 900 per telcyclus voldoende zou zijn voor trendberekeningen van het merendeel van de beoogde soorten. Binnen een hok werd een vast patroon van zes telpunten gelegd (Figuur 1). Elk hok dient 3x per jaar bezocht te worden, telkens 1x per vooraf geselecteerde periode (periode1: 01/03-15/04, periode 2: 16/04-31/05, periode 3: 01/0615/07). Op elk van de zes telpunten wordt vijf minuten per bezoek geteld en van alle waargenomen broedvogelsoorten worden de aantallen genoteerd. De telpunten mogen verschoven worden naar de dichtstbijzijnde toegankelijke locatie. De totale tijd die per hok per jaar wordt besteed aan het tellen bedraagt dus 6x5x3=90 minuten, weliswaar exclusief de verplaatsingstijd die daarbij nodig is. Een belangrijke voorwaarde bij het tellen is dat de hokken geteld worden in een 3-jaarlijkse cyclus. Op die manier hebben de tellers de mogelijkheid om meer variatie in hun telwerk te brengen door bv. in het eerste jaar een landbouwhok te tellen, het tweede jaar een hok in urbaan gebied en het derde jaar een hok overwegend bestaand uit bosgebied. In het vierde jaar komt dan het eerste hok weer aan de beurt enz… Na afloop van het veldwerk worden de gegevens ingevoerd op http://broedvogels.inbo.be. c. Statistische verwerking We maken gebruiken van ‘generalised linear mixed models’ van de zogenaamde ‘Poisson’ familie met UTM hok en punt in UTM hok als random intercepts. De modellen worden gefit in R (R Development Core Team 2011) met het package lme4 (Bates et al. 2011). De paarsgewijze verschillen van de indices berekenen we met het package multcomp (Hothorn et al. 2008). Een meer gedetailleerde beschrijving van de statistiek achter de trendberekeningen kan je nalezen in Onkelinx et al. (2013). d. Vrijwilligersnetwerk De bijdrage van de vogelwerkgroepen en andere vrijwilligersnetwerken aan het ABV-project is groot: 33 vogelwerkgroepen van Natuurpunt en twee partners (Vogelwerkgroep Durmevallei en Likona) zorgen ervoor dat de ABV-hokken in hun werkingsgebied worden geteld. Telkens werd ook een regionale coördinator bereid gevonden om het ABV-project lokaal te organiseren. Uit de oorspronkelijke selectie van 1200 hokken werden ruim 900 hokken al minstens 1x geteld en werden de data ervan ingevoerd. Zoals steeds bij grootschalige telprojecten is er een zeker verloop onder


PROJECTEN •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 1-9 20-30

3

❱ Figuur 2. Overzicht van de ABV-hokken mét (groen) en zonder (rood) tellers, toestand januari 2014. Vooral in de lichtgrijze zones zijn extra vrijwilligers meer dan welkom! ❱ Figure 2. Overview of ABV squares with (green) and without (red) counters, situation January 2014. Especially in the light green zones extra volunteers are more than welcome! de tellers. Sommigen blijven jarenlang trouw aan hun hokken, maar vaak moet er gezocht worden naar vervangers of melden zich nieuwe tellers aan. In bepaalde regio’s (zie Figuur 2) komen we nog handen te kort, zoals in het noorden van Limburg, het zuiden van West-Vlaanderen en langsheen de centrale as Antwerpen-Brussel. Hierin zijn nog heel wat hokken gelegen in prachtige natuur­ gebieden zoals de Blankaart bij Diksmuide, de compensatiegebieden op het linkeroevergebied van de Schelde nabij Antwerpen, het Zoniënwoud nabij Brussel of één van de uitgestrekte heidegebieden in de Limburgse Kempen. Maar ook hokken ter hoogte van de lokale kerktoren of in het landbouwgebied net buiten het dorp wachten nog op een teller. Geïnteresseerde medewerkers nemen best contact op met iwan.lewylle@natuurpunt.be.

Resultaten De algemene resultaten worden samengevat weergegeven in Tabel 1, waarbij ze meteen ook in een Europees perspectief worden geplaatst. Hieronder worden een aantal soortgroepen meer in detail besproken. De trends in Tabel 1 zijn gebaseerd op een paarsgewijze vergelijking van hokken geteld in ABV-cyclus 1 (2007-2009) en ABV-cyclus 2 (20102012). De grafieken (Figuren 3-6) geven echter de jaarlijkse schommelingen weer van de indexwaarden (donkerblauwe lijn). De zone tussen de lichtblauwe lijnen is het 95% confidentie-interval. Wanneer in de tekst gesproken wordt over toe- of afnemende aantallen is dat steeds gebaseerd op de paarsgewijze vergelijking van de twee cycli. Tuinvogels en generalisten versus vorstgevoelige soorten Vogelsoorten die er reeds lange tijd in geslaagd zijn zich aan te passen aan tuinen vertonen in het algemeen positieve trends. Voorbeelden zijn o.a. Koolmees Parus major, Groenling Carduelis chloris, Vink Fringilla coelebs, Zanglijster Turdus philomelos en Houtduif Columba palumbus. Dit geldt ook voor generalisten zoals Ekster Pica pica, Kauw Corvus monedula en Gaai Garrulus glandarius (Figuur 3). De oorzaken voor de toename moeten wellicht gezocht worden in het voor

deze soorten kenmerkende aanpassingsvermogen aan het leven in nabijheid van de mens. Ze profiteren in de winter vaak ook mee van de talloze voedertafels. Het is bijvoorbeeld opmerkelijk dat Kool- en Pimpelmees Parus caeruleus sterk toenemen, terwijl meer aan bos gebonden mezensoorten zoals Zwarte Mees Parus ater (Figuur 4) en Kuifmees Parus cristatus afnemen. Beide laatste staan er echter om bekend gevoelig te zijn voor koude, sneeuwrijke winters zoals die van de voorbije jaren (de huidige winter 2013-2014 uitgezonderd). Winterkoning Troglodytes troglodytes, toch ook deels een tuinvogel, vertoont eveneens een negatieve trend (Figuur 4). Die soort is ook in de winter vooral afhankelijk van ongewervelden en profiteert veel minder van het massaal bijvoederen van zaadeters. Wellicht past deze trend dan ook meer in het rijtje van vorstgevoelige soorten zoals Waterhoen Gallinula chloropus en Goudhaan Regulus regulus (Figuur 4). Nochtans is de relatie met winterweer niet altijd even duidelijk. De grafieken suggereren voor sommige soorten een afname die begon vanaf 2008/2009, terwijl de eerste koudere winter pas plaatsvond in 2009/2010. De opzet van het ABV-project is echter trendbepaling. Voor een verklaring van de gedetecteerde trends is in de meeste gevallen bijkomend, soortspecifiek onderzoek nodig. Verdere afname van landbouwsoorten Toen in 2004 de Vlaamse broedvogelatlas verscheen, leek de grootste afname van aan landbouwgebieden gebonden soorten achter de rug en werd voor sommige soorten gewag gemaakt van een stabilisatie van de aantallen. Op enkele uitzonderingen na (bv. Geelgors Emberiza citrinella) lijkt de afname zich nu echter gewoon door te zetten, niet alleen voor de soorten gebonden aan open landbouwgebied (bv. Patrijs Perdix perdix, Veldleeuwerik Alauda arvensis, Kievit Vanellus vanellus, Graspieper Anthus pratensis), maar evenzeer voor soorten gebonden aan heggen en houtkanten in het landbouwgebied (bv. Zomertortel Streptopelia turtur, Ringmus Passer montanus, Spreeuw Sturnus vulgaris en in mindere mate Torenvalk Falco tinnunculus) (Tabel 1, enkele voorbeelden in Figuur 5). Dit is een belangrijk signaal voor het beleid en het toont duidelijk aan dat de huidige inspanningen zoals bv.


4

PROJECTEN

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 1-9

❱ Tabel 1. Trends van 83 algemene en schaarse broedvogels in Vlaanderen op basis van telgegevens van het ABV-project (2007-2012). Legende: Trend= procentuele verandering in indexwaarde tussen de periode 2007-2009 en 2010-2012, Sign.: <significante afname, >significante toename, (<) mogelijk significante afname, maar gegevens nog niet toereikend, (>)mogelijk significante toename, maar gegevens nog niet toereikend, NS niet significant, EU lang= gecombineerde, procentuele langetermijntrend (1980-2011) voor 23 Europese lidstaten, EU kort = gecombineerde, procentuele kortetermijntrend (1990-2011) voor 23 Europese lidstaten. ❱ Table 1. Trends for 83 common and scarce breeding birds in Flanders on the basis of count data from the ABV project (2007-2012). Legend: Trend = percent change in index value in the periods 2007-2009 and 2010-2012. Sign: < significant decline, > significant increase, (<) possible significant decline, but data not yet sufficient, (>) possible significant increase, but data not yet sufficient, NS not significant, EU lang = combined, percent long-term trend (1980-2011) for 23 EU member states, EU kort = combined, percent short-term trend (1990-2011) for 23 EU member states. Soort

Wetenschappelijke Naam

Trend

Sign

EU Lang

EU Kort

Bergeend

Tadorna tadorna

-21,7

NS

-

-

Blauwborst

Luscinia svecica

+34,7

NS

-

+2

Boerenzwaluw

Hirundo rustica

+2,3

NS

-28

-35

Bonte Vliegenvanger

Ficedula hypoleuca

+216,4

NS

-23

-29

Boomklever

Sitta europaea

+19,3

(>)

+76

-9

Boomkruiper

Certhia brachydactyla

-4,1

NS

-7

+39

Boomleeuwerik

Lululla arborea

+8,8

NS

+38

+37

Boompieper

Anthus trivialis

+24,7

NS

-54

-38

Bosrietzanger

Acrocephalus palustris

-36,6

(<)

+7

-20

Buizerd

Buteo buteo

-15

NS

+92

-18

Canadese Gans

Branta canadensis

+39,7

>

-

-

Cetti’s Zanger

Cettia cetti

-85,3

(<)

-

+486

Dodaars

Tachybaptus ruficollis

-61,5

<

-

-

Ekster

Pica pica

+10,5

>

+1

-42

Fazant

Phasianus colchicus

+25,8

>

-

-

Fitis

Phylloscopus trochilus

+5,7

NS

-31

-30

Fuut

Podiceps cristatus

-35,6

(<)

-

-

Gaai

Garrulus glandarius

+20,1

(>)

+22

+31

Geelgors

Emberiza citrinella

+29,9

>

-44

-25

Gekraagde Roodstaart

Phoenicurus phoenicurus

-19,8

NS

+18

+62

Gele Kwikstaart

Motacilla flava

+12,2

NS

-42

+9

Gierzwaluw

Apus apus

+25

(>)

-3

+10

Koekoek

Cuculus canorus

-16,9

(<)

-16

-10

Koolmees

Parus major

+15,8

>

+17

+18

Kuifeend

Aythya fuligula

-0,8

NS

-

-

Kuifmees

Parus cristatus

-7,4

NS

-46

-41

Matkop

Parus montanus

-12,2

NS

-62

-43

Meerkoet

Fulica atra

+19,4

>

+26

-5

Merel

Turdus merula

+0,3

NS

+20

+19

Nachtegaal

Luscinia megarhynchos

-78,9

<

-61

0

Nijlgans

Alopochen aegyptiacus

-1,5

NS

-

-

Patrijs

Perdix perdix

-23,5

NS

-94

-90

Pimpelmees

Parus caeruleus

+25

>

+39

+29

Rietgors

Emberiza schoeniclus

-7,9

NS

-31

-25

Rietzanger

Acrocephalus schoenobaenus

-1,6

NS

-14

+4 -15

Ringmus

Passer montanus

-25,7

<

-59

Roodborst

Erithacus rubecula

-11,2

<

+17

+4

Roodborsttapuit

Saxicola torquata

+21,3

NS

-

+34

Scholekster

Haematopus ostralegus

+7,6

NS

-

-

Sperwer

Accipiter nisus

-13,3

NS

+11

-23

Spotvogel

Hippolais icterina

+10,9

NS

-42

-12

Spreeuw

Sturnus vulgaris

-12,5

<

-52

-6

Sprinkhaanzanger

Locustella naevia

-49,2

NS

-46

-21

Staartmees

Aegithalos caudatus

-27,2

NS

+52

-14

Stadsduif

Columba livia

-31,6

(<)

-

-

Tjiftjaf

Phylloscopus collybita

+11,2

>

+98

-8

Goudhaan

Regulus regulus

-47,1

<

-49

-62

Grasmus

Sylvia communis

+15,1

>

+23

+22

Torenvalk

Falco tinnunculus

-40,1

<

-36

-42

Graspieper

Anthus pratensis

-39,1

<

-68

-57

Tuinfluiter

Sylvia borin

-1,6

NS

-12

-12

Grauwe Gans

Anser anser

-18,1

NS

-

-

Turkse Tortel

NS

+88

+151

Muscicapa striata

-59,6

NS

-36

-9

Streptopelia decaocto

+0,1

Grauwe Vliegenvanger

Veldleeuwerik

Alauda arvensis

-14,3

<

-51

-21

Groene Specht

Picus viridis

-18,6

<

+38

+39

Vink

Fringilla coelebs

+5,1

>

+8

-4

Groenling

Carduelis chloris

+35,4

>

+29

-18

Waterhoen

Gallinula chloropus

-38,5

<

-20

-15

Grote Bonte Specht

Dendrocopus major

+22

>

+61

+20

Wielewaal

Oriolus oriolus

-17,7

NS

+12

+20

Wilde Eend

Anas platyrhynchos

+9,5

NS

+64

-3

Grote Lijster

Turdus viscivorus

-23,2

NS

-20

-7

Winterkoning

-16,4

<

+20

-15

Grutto

Limosa limosa

-1,7

NS

-32

-44

Troglodytes troglodytes

Heggenmus

Prunella modularis

-7,1

<

-36

-20

Witte Kwikstaart

Motacilla alba

-4,4

NS

-8

-24

Numenius arquata

-8,6

NS

-

-

NS

+45

+45

Wulp

+16,7

>

+105

+37

Zanglijster

Turdus philomelos

+11,7

>

+5

+28

+3,1

NS

-63

-8

Zomertortel

Streptopelia turtur

-53,8

<

-74

-30

-12

Zwarte Kraai

Corvus corone

+20,1

>

+21

+5

Parus ater

-54,6

<

-3

-16

+14,4

NS

+62

+3

-6,1

NS

+103

+543

+32,3

>

+150

+58

Holenduif

Columba oenas

+6,6

Houtduif

Columba palumbus

Huismus

Passer domesticus

Huiszwaluw

Delichon urbica

-4,4

NS

-11

Kauw

Corvus monedula

+48,1

>

+20

-19

Zwarte Mees

Kievit

Vanellus vanellus

-20,3

<

-48

-31

Kleine Karekiet

Acrocephalus scirpaceus

+3,1

NS

-1

-1

Zwarte Roodstaart

Phoenicurus ochruros

Zwarte Specht

Dryocopus martius

Kneu

Carduelis cannabina

-3,5

NS

-63

-54

Zwartkop

Sylvia atricapilla


PROJECTEN •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 1-9 20-30

1,6 1,5 1,4 1,3 1,2 1,1

2,6

Koolmees

1,6 1,1 0,6

2007

2008

2009

2010

2011

2007

2012 1,6

Houtduif

1,4

1,4

1,2

1,2

1,0

1,0

0,8

0,8

2008

2009

2010

2011

2012

2008

2009

2010

2011

2012

2008

2009

2010

2011

2012

Ekster

0,6

0,6 2007 2,4

Groenling

2,1

1,0 0,9 0,8 1,6

5

2008

2009

2010

2011

2012

2007 2,8

Kauw

1,9

2,3

1,4

1,8

0,9

1,3

0,4

Gaai

0,8 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2007

❱ Figuur 3. Generalisten en tuinvogels nemen in het algemeen toe. ❱ Figure 3. Great Tit Parus major, Greenfinch Carduelis chloris, Woodpigeon Columba palumbus, Magpie Pica pica, Jackdaw Corvus monedula and Jay Garrulus glandarius. Generalists and garden birds are increasing in general. 3,0

2,0

Zwarte Mees

2,5

1,7

2,0

1,4

1,5

1,1

1,0

0,8

0,5

0,5

0,0

0,2 2007

1,4 1,3 1,2 1,1 1,0 0,9 0,8 0,7 0,6

Goudhaan

2008

2009

2010

2011

2012

2007 2,0

Winterkoning

1,7

2008

2009

2010

2011

2012

2009

2010

2011

2012

Waterhoen

1,4 1,1 0,8 0,5 0,2 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2007

2008

❱ Figuur 4. Vorstgevoelige soorten nemen af, maar de relatie met de strengheid van de voorgaande winters is niet eenduidig. ❱ Figure 4. Coal Tit Parus ater, Goldcrest Regulus regulus, Wren Troglodytes troglodytes and Moorhen Gallinula chloropus. Frost-sensitive species are decreasing, but the relationship with the severity of previous winters is not clear. voorzien in het programmadocument voor plattelandsontwikkeling (PDPO, zie tevens Feys et al. 2014) voorlopig onvoldoende zijn om het tij te keren. Overigens is de situatie elders in Europa gelijkaardig (Tabel 1) en wijst de algehele Europese trend op een falen van de Europese inspanningen waar PDPO deel van uitmaakt.

Wisselend beeld bij bosvogels In tegenstelling tot de hierboven besproken soortgroepen valt er voor bosvogels geen duidelijke lijn te trekken, met grote contrasten tussen de soorten. De opwaartse trend van soorten als Boomklever, Grote Bonte Specht Dendrocopos major, Zwartkop Sylvia atricapilla en Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca lijkt zich, in lijn met de broedvogelatlas, door te zetten (Figuur 6). Daar tegenover staan


6 2,0 1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 1-9

3,5

Veldleeuwerik

3,0

Zomertortel

2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2007

1,8 1,6 1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 0,4 0,2

PROJECTEN

2008

2009

2010

2011

2012

2007 2,5

Graspieper

2008

2009

2010

2011

2012

2008

2009

2010

2011

2012

Ringmus

2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2007

2008

2009

2010

2011

2012

2007

❱ Figuur 5. Soorten gebonden aan landbouwgebieden blijven afnemen. In het geval van Ringmus Passer montanus en Graspieper Anthus pratensis vertonen de grafieken wel een opleving in 2012, maar de getelde aantallen in de periode 2010-2012 liggen wel nog steeds significant lager dan in de periode 2007-2009. ❱ Figure 5. Skylark Alauda arvensis, Turtle Dove Streptopelia turtur, Meadow Pipit Anthus pratensis and Tree Sparrow Passer montanus. Species tied to farmland continue to decline. For Tree Sparrow and Meadow Pipit the graphs show a revival in 2012, but the numbers counted in the period 2010-2012 lie still significantly lower than in the period 2007-2009. forse afnamen van lange afstandstrekkers als Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata en Nachtegaal Luscinia megarhynchos. Zoals steeds is het voor trekvogels niet evident om een uitspraak te doen over de oorzaken van de afname. Ook Groene Specht Picus viridis (Figuur 6) is in de periode dat het ABV-project loopt afgenomen, maar voor die standvogel, net zoals bij de hierboven reeds aangehaalde soorten als Goudhaan, Zwarte Mees en Kuifmees, ligt een deel van de verklaring wellicht bij de vorst- en sneeuwgevoeligheid. Sommige soorten vallen uit de boot, wat nu? Voor een aantal soorten blijkt het ABV-netwerk niet afdoende om een goede trendberekening op te baseren. Wanneer de komende jaren nog meer gegevens worden ingevoerd en het project langer loopt, is de verwachting dat voor heel wat bijkomende soorten wel voldoende data beschikbaar zullen zijn om een trendberekening te maken, maar voor een bepaalde groep van soorten zullen we op basis van ABV nooit goede uitspraken kunnen doen. Een deel van die soorten wordt bovendien niet opgevolgd in het project

❱ Boomklever Sitta europaea (Foto: Glenn Vermeersch) Het beeld voor bosvogels is wisselend. Boomklever is één van de soorten die al geruime tijd flink toenemen.

❱ Veldleeuwerik Alauda arvensis (Foto: Glenn Vermeersch) De afname van onze aan landbouw gebonden soorten zet onverminderd door.

Bijzondere Broedvogels Vlaanderen (BBV). Het gaat dan vooral om schaarse soorten en/of soorten met een lage trefkans. Een treffend voorbeeld is Matkop Parus montanus. Veel veldornithologen zullen op terrein ervaren dat Matkop in snel tempo verdwijnt uit de Vlaamse bosgebieden (Bulteel 2013). Ook uit de PTT-tellingen blijkt dit (Herremans 2010). Dit wordt gestaafd door trendberekenin­ gen elders in Europa (Tabel 1) waar de soort zowel op korte als op lange termijn fors achteruit gaat. Indien ABV 10 jaar eerder zou zijn gestart, is de kans groot dat Matkop alsnog zou zijn opgepikt in het meetnet dat we nu gebruiken. Momenteel lijkt de soort echter al té


PROJECTEN •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 1-9 20-30

1,8 1,6

Grote Bonte Specht

1,4 1,2 1,0 0,8 0,6 2007 1,8 1,6

2008

2009

2010

2011

2012

2009

2010

2011

2012

2009

2010

2011

2012

Groene Specht

1,4 1,2 1,0

7

digitale applicatie voor broedvogelinventarisatie. Veel conservators en vrijwilligers houden immers al jarenlang minutieus de broedvogelstand bij in door hen beheerde of frequent bezochte gebieden. Medewerkers van INBO- en Natuurpunt-projecten inventariseren jaarlijks een aantal grote gebieden op broedvogels. Hierbij maken ze net als in het BBV-project vrijwel steeds gebruik van de methode van de uitgebreide territoriumkartering. Tot enkele jaren terug bleven deze waardevolle gegevens echter weinig toepasbaar omdat ze niet centraal ter beschikking waren. Met het toenemende succes van AVIMAP ontstaat nu stilaan de mogelijkheid om (regionale) trends van soorten te baseren op werkelijk geïnventariseerde en uniform berekende territoria. Naast de data in AVIMAP kan wellicht een beroep gedaan worden op ringgegevens van uilen en dagroofvogels (KBIN). Nogal wat ringers in Vlaanderen verzamelen immers systematisch gegevens van die soorten met bijkomende info over nestsucces en overleving.

0,8

Toepassingen

0,6 2007 3,5 3,0

2008

Boomklever

2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0,0 2007

2008

❱ Figuur 6. Het algemene beeld bij soorten gebonden aan allerlei bostypes in Vlaanderen is wisselend. ❱ Figure 6. Great Spotted Woodpecker Dendrocopos major, Green Woodpecker Picus viridis and Nuthatch Sitta europaea. The general picture for species tied to various woodland types in Flanders is variable. schaars om nog in voldoende mate vertegenwoordigd te zijn in de ABV-steekproefhokken en slagen we er dus niet in om een uitspraak te doen over de evolutie van deze soort als broedvogel in Vlaanderen. Andere voorbeelden zijn onze uilensoorten. Door hun nachtactieve gedrag zijn ze niet geschikt om op te volgen in een project als ABV. Met uitzondering van de Kerkuil Tyto alba die uitstekend wordt opgevolgd door de Kerkuilwerkgroep Vlaanderen, kunnen we nauwelijks een uitspraak doen over de andere soorten. Het is mogelijk dat de pas opgerichte Steenuilenwerkgroep op termijn zal toelaten om jaarlijks een uitspraak te doen over de evolutie van Steenuil Athene ­noctua in Vlaanderen. Tenslotte weten we ook erg weinig over dagroofvogels. Althans, we hebben onvoldoende cijfermateriaal om onze algemene vermoedens te staven. Zoals in de inleiding reeds aangehaald, is goed cijfermateriaal echter heel belangrijk bij overleg met andere belanghebbenden in het buitengebied. Er zijn een aantal oplossingen mogelijk om tegemoet te komen aan die hiaten in onze kennis. Het idee om meer steekproefhokken toe te voegen aan het bestaande ABV-netwerk en zodoende de statistische kracht te verhogen mag dan wel aanlokkelijk zijn, in de praktijk is het wellicht niet haalbaar zonder de bijkomende inzet van professionele tellers. Bovendien zou het om een grote uitbreiding van het aantal hokken gaan. Aangezien het nu al niet zo eenvoudig is om alle hokken verdeeld te krijgen onder de vrijwillige tellers, zou dit voor een té grote bijkomende werkdruk zorgen. Een mogelijkheid om –ten minste op regionaal niveau- een uitspraak te doen over veel van de soorten waarvoor dit nu niet lukt, is gebruik te maken van de gegevens die in toenemende mate worden ingevoerd via AVIMAP (www.avimap.be), de door Sovon ontwikkelde

De in dit artikel gepresenteerde resultaten worden zowel op regionale, nationale als internationale schaal gebruikt om het (natuur) beleid van informatie te voorzien. Vanuit het kabinet van de Vlaamse Minister voor Leefmilieu bereiken ons vaak parlementaire vragen waarbij o.a. uit de ABV-databank kan geput worden om een antwoord te formuleren. INBO publiceert bovendien jaarlijks een aantal Vlaamse natuurindicatoren. Vanaf 2014 zal de daarin opgenomen broedvogelindicator volledig worden gebaseerd op ABV-gegevens. Data met een ruime verspreiding binnen Vlaanderen zoals die van ABV worden momenteel eveneens aangewend bij het modelleren van zogenaamde ‘ecosysteemdiensten-kaarten’. Jaarlijks worden de in dit artikel besproken trends overgemaakt aan het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) waar ze door de mensen verantwoordelijk voor het soortenbeleid in Vlaanderen kunnen gebruikt worden in allerlei adviezen. In 2013 resulteerde een samenwerking tussen INBO, Natuurpunt, Aves-Natagora, het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM) en ANB in de Belgische bijdrage aan de verplichte zes-jaarlijkse rapportering in het kader van de Europese Vogelrichtlijn. De ABV-data werden daarbij gebruikt om Belgische trends aan te leveren. Er is echter

❱ Matkop Parus montanus (Foto: Glenn Vermeersch) Soorten als Matkop zijn op relatief korte tijd zo sterk afgenomen dat ze tussen de mazen van het ABV-meetnet glippen. Voor dergelijke soorten kunnen we een beroep doen op inventarisatiegegevens die meer en meer verzameld worden via www.avimap.be


8

PROJECTEN

nog (zuiver technisch) werk aan de winkel om de Waalse, Brusselse en Vlaamse monitoringgegevens samen te analyseren. Wellicht krijgen we hierbij hulp van de collega’s van het EBCC (European Bird Census Council) aangezien zij alle Europese monitoringdata verzamelen om vervolgens Europese trends zoals opgenomen in Tabel 1 te publiceren. De verschillende nationale (of regionale) cijfers worden daarbij gewogen aan de hand van een populatieschatting per soort. Het is evident dat een kleine regio als Vlaanderen of een klein land als België weinig zal doorwegen op die Europese cijfers, maar het is wel belangrijk dat ook onze data worden opgenomen. In de toekomst zullen de ABV-cijfers ook worden aangewend bij het berekenen van samengestelde Europese indicatoren op basis van zogenaamde ‘lifehistory traits’. Momenteel ligt de nadruk op landbouwsoorten, bossoorten en overige soorten, maar het zou ook interessant zijn om soorten te groeperen op basis van gemeenschappelijke kenmerken zoals bv. lange-afstandstrekkers, korte-afstandstrekkers, grondbroedende soorten, enz…. In de toekomst zal de Belgische bijdrage aan de Europese Vogelrichtlijn nog uitvoeriger worden toegelicht in een publicatie in Natuur.oriolus of Vogelnieuws, de ornithologische nieuwsbrief van het INBO. Oproep gegevensinvoer Voor ca. 1/3 van de hokken verwachten we nog achterstallige data. Het leeuwendeel van die hokken werd geteld en daarom zou het jammer zijn dat die data niet worden verwerkt. Zoals blijkt uit de hierboven besproken toepassingen zijn de data erg waardevol en breed toepasbaar. Invoeren doe je op http://broedvogels.inbo.be Als je door omstandigheden tijdelijk niet kon deelnemen, gelieve het ook te laten weten. Er werd verder nog flink gesleuteld aan de rapportage-mogelijkheden voor de regionale coördinatoren zodat de jaarlijkse planning van het veldwerk efficiënt en correct kan gebeuren. Ook voor de individuele tellers zullen nieuwe rapporten mogelijk worden. Op de langere termijn zal de hele portaalsite worden aangepakt met als doel de tijd die nodig is voor de gegevensinvoer nog verder in te korten.

Samenvatting – Abstract - Résumé In 2007 werd gestart met het project Algemene Broedvogels Vlaanderen (ABV) om jaarlijks trends van ca. 80 soorten algemene broedvogels te kunnen berekenen. Hiermee houden we de vinger aan de pols voor die soorten waarover we eerder slechts grofweg een uitspraak konden doen. Bovendien kan Vlaanderen nu op een wetenschappelijke manier bijdragen aan de bepaling van Europese broedvogelindicatoren. Cruciaal in het blijvend welslagen van dit project is de samenwerking tussen Natuurpunt (Studie) en INBO. Natuurpunt coördineert het vrijwilligersnetwerk dat instaat voor de gegevensverzameling en INBO stelde eerder de methodiek op punt en is nu verantwoordelijk voor het rapporteren van de trends aan regionale, Vlaamse en internationale overheden. De conclusies na zeven jaar telwerk luiden dat o.a. onze aan landbouwgebieden gebonden soorten nog steeds verder afnemen. Bosvogels vertonen een minder eenduidige trend en generalisten (flexibele soorten die in meerdere leefgebieden gedijen) nemen daarentegen in het algemeen sterk toe. Voor lange-afstandstrekkers is het globale beeld eerder negatief. Voor een aantal schaarse soorten slagen we er niet in om precieze trends te bepalen. Dit zijn bijvoorbeeld soorten als Matkop Parus montanus, dagroofvogels, uilen e.d. Ze zijn te schaars vertegenwoordigd, of moeilijk waarneembaar en vallen zo door de mazen van het ABV-net. In de toekomst kan voor een groot deel van die soorten wellicht informatie gehaald worden uit de dataset verzameld via avimap.be. Avimap berekent territoria volgens de algemeen geldende regels van de territorium-

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 1-9

Dankwoord We willen alle tellers uitdrukkelijk bedanken voor hun inzet en we hopen dat dit artikel mee kan bijdragen tot een blijvende motivering om door te gaan met het telwerk! Een relatief kleine en herhaalde inspanning is van groot belang en kan leiden tot een heleboel gegevens en mogelijke toepassingen! We hopen dat jullie inspanningen kunnen bijdragen tot een verbetering van de leefgebieden voor broedvogels in Vlaanderen. Glenn Vermeersch & Thierry Onkelinx, Instituut voor Natuur en Bos­ onderzoek, Kliniekstraat 25, B- 1070 Brussel; Glenn.vermeersch@inbo.be Iwan Lewylle, Natuurpunt Studie, Coxiestraat 11, B- 2800 Mechelen; iwan.lewylle@natuurpunt.be

Referenties Bates D., M. Maechler & B. Bolker 2011. lme4: Linear mixed-effects models using S4 classes. R package version 0.999375-39/r1282. Bulteel G. 2013. Teloorgang en vernauwde habitatvoorkeur van de Matkop, een voorbeeld uit de Noorderkempen. Natuur.Oriolus 79 (1), 1-9. Feys S., G. Vermeersch & L. De Bruyn 2013. Inschatting van de impact van beheerovereenkomsten op de biodiversiteit in Vlaanderen, Eindverslag. Rapporten van het Instituut voor Natuur en Bosonderzoek, INBO.R.2013.909755, Brussel. Herremans M. 2010. 20 jaar PTT-tellingen, grootste winnaars en verliezers. Natuur.oriolus 76(4): 113-121. Hothorn T., F. Bretz & P. Westfall 2008. Simultaneous inference in general parametric models. Biometrical Journal 50 (3), 346-363. Onkelinx T., G. Vermeersch & P. Quataert 2013. Jaarlijkse Analyse Algemene broedvogel­ monitoring. Intern INBO Rapport, 166pp. R Development Core Team 2011. R: A Language and Environment for Statistical Computing. R Foundation for Statistical Computing, Vienna, Austria, ISBN 3-900051-07-0. Vermeersch G., A. Anselin, K. Devos, M. Herremans, J. Gabriëls, J. Stevens & B. Van der Krieken 2004. Atlas van de Vlaamse broedvogels 2000-2002. Mededelingen van het Instituut voor Natuurbehoud 23 Brussel, 496 pp.

kartering en wordt steeds vaker gebruikt om inventarisatiegegevens in te voeren. De deelname aan het ABV-project door vrijwilligers is zonder meer goed, maar het aantal medewerkers neemt langzaam af. De grote hoeveelheid telprojecten, problemen met de invoer van de data en de strikte methodiek zijn mogelijke oorzaken. Nochtans zijn de telresultaten erg belangrijk én worden ze zeer frequent gebruikt. Een verhoogde feedback, meer rapportage-mogelijkheden op het invoerportaal en op termijn een vernieuwde data-invoer kunnen er wellicht toe bijdragen dat het aantal medewerkers opnieuw toeneemt. Every bird counts! – Seven years of common breeding bird monitoring in Flanders (project ABV) In 2007 a project was started called Common Breeding Birds Flanders (ABV) to calculate trends for about 80 common breeding bird species. This was meant to concentrate on species for which previously trends could only approximately be described. In addition Flanders can now be scientifically represented in European breeding bird indicators. Crucial to the success of this project is the cooperation between Natuurpunt (Studie) and INBO. Natuurpunt coordinates the volunteer network that collects the data and INBO proposed the methodology and is now responsible for reporting of trends to regional, Flemish, and international authorities. The conclusions, after 7 years of counting show, among other things, that our farmland species continue to decline. Woodland species show a less obvious trend and generalists (flexible species that flourish in mul-


Natuur.oriolus I 80 (1) I 1-9 20-30

tiple habitats) are increasing markedly. For long distance migrants, the global picture is rather negative. For a number of scarce species we are unable to determine clear trends. This is, for instance, for species such as Willow Tit Parus montanus, raptors, owls etc. They are so sparsely represented, or difficult to observe and so fall between the cracks of the ABV net. In future, for a great number of these species, information can perhaps be gathered from the database via avimap.be. Avimap calculates territories according to the generally accepted rules of territory mapping and is used increasingly to record inventory data. The participation in the ABV project by volunteers is of course good, but the number of participants is slowly declining. The large number of count projects, problems with the data input, and the strict methodology are possible reasons. Nevertheless the count results are very important and are very frequently used. More feedback, more reporting possibilities and eventually improved data input could lead to the number of participants increasing again. Chaque oiseau compte! - Sept années de suivi d’espèces nicheuses communes en Flandre (projet ABV) En 2007, le projet “Algemene Broedvogels Vlaanderen” (ABV) a été lancé dans le but d’étudier annuellement les tendances d’à peu près 80 espèces nicheuses. Cela nous permet de suivre de près les développements de ces espèces dont nous n’avions que peu d’informations. La Flandre peut ainsi contribuer de façon scientifique à la détermination du système européen d’indicateurs de nidification. Elémentaire pour la réussite de ce projet est la collaboration entre Natuurpunt (Studie) et l’INBO (Instituutvoor Natuur- en Bosonderzoek).

PROJECTEN

9

Natuurpunt assure la coordination du réseau de bénévoles, responsable de la collecte de données et l’INBO met au point la méthode et rapporte les tendances aux différents gouvernements (régional, flamand et internationaux). Après sept années d’études, on a pu conclure e.a. que les espèces liées aux zones agricoles continuent de diminuer. La tendance pour les oiseaux des bois n’est pas uniforme et les généralistes (des espèces flexibles qui s’adaptent à différents milieux) augmentent de façon considérable. Pour les migrateurs de longue distance, surtout, le résultat est globalement négatif. Pour quelques espèces rares nous n’avons pas réussi à déterminer avec précision la tendance. C’était le cas pour par exemple la Mésange boréale Parus montanus, les rapaces diurnes, les chouettes… Leur présence est trop faible ou elles sont difficilement observables et passent ainsi à travers les mailles du filet de l’ABV. A l’avenir nous pourrons probablement obtenir des informations pour une grande partie de ces espèces dans les données collectées grâce à avimap.be. Avimap calcule les territoires selon les règles en vogue et s’utilise de plus en plus pour importer des données. La participation de volontaires au projet ABV est, sans aucun doute, une bonne affaire, mais le nombre de collaborateurs diminue lentement. La quantité considérable de projets de comptage, les problèmes au niveau de l’importation des données et la méthode stricte, sont des causes possibles. Les résultats de comptage sont pourtant devenus très importants et ils sont très fréquemment utilisés. Une rétroaction augmentée, plus de moyen pour rapporter les données et, à long terme, une nouvelle façon pour importer les données, pourront contribuer à une augmentation du nombre de collaborateurs.


in het veld

10 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 10-14 20-30

Eerste broedgeval van de Dwergmeeuw in België en “helping” van vogels in eerste zomerkleed ❱ Jacques Van Impe

In 2013 vond in België een broedgeval plaats van de Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus. Na Brilduiker Bucephala clangula in 2009 en 2010 en Grote Zilverreiger Egretta alba in 2012, is dat al de derde nieuwe broedvogelsoort voor België op korte tijd. Opvallend en onverwacht is dat twee van de drie eerder noordelijke dan zuidelijke soorten zijn.

❱ Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus tweede zomerkleed. 26 april 2010. Bourgoyen, Gent (O) (Foto: Benny Cottele)

Inleiding Wie had ooit durven dromen dat op een eilandje, gelegen in het natuurreservaat Doelpolder-Noord, een Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus tot broeden zou komen. Op 6 juni 2013 zat hier een adulte Dwergmeeuw in prachtkleed in een kuiltje met nestmateriaal, op een brede uitloper van een schraal begroeide zandplaat. Het meer begroeide centrale deel van deze zandplaat was bezet door een kolonie Kokmeeuwen Larus ridibundus. De broedende Dwergmeeuw vertoefde in gezelschap van vier soortgenoten in eerste zomerkleed. In de naaste omgeving van het nest verbleven een 40-tal Kluten Recurvirostra avosetta, waaronder 23 broedende, drie hoedende vogels en twee pulli van enkele dagen oud. Op 23 juni was deze Klutenkolonie uitgegroeid tot 41 nesten.

Verder broedden nog twee paartjes Kleine Plevier Charadrius dubius in de onmiddellijke omgeving van de broedende Dwergmeeuw.

Materiaal en methode Het broedgeval werd geobserveerd vanaf de kijkwand op de dijk die het natuurreservaat Doelpolder-Noord (51°19’N 4°15’ O) scheidt van het omringende akkerland. Het nest lag op ongeveer 300m van deze vaste observatieplaats. Het was niet eenvoudig de broedende vogel te lokaliseren omdat er voortdurend vier tot tien tweede kalenderjaar Dwergmeeuwen in de nestomgeving verbleven. Bovendien werden de zwakke, sternachtige roepjes van de Dwergmeeuwen overstemd door het aanhoudende gekrijs vanuit de Kokmeeuwenkolonie. Alle


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 10-14 20-30

11

❱ Tabel 1/ Table 1 Left to right: Date, Observation time, Time spent breeding, Time spent non breeding (min.), Time spent non breeding (%), Remarks. Datum

Duur waarneming

06 juni

130'

130'

0'

0%

07 juni 08 juni 09 juni

309' 233' 57' 85' 380' 290' 95' 96' 93' 75' 241' 60' 65'

189' 160' 0' 83' 376' 192' 94' 39' 93' 46' 188' 0' 0'

120' 73' 57' 2' 4' 88' 1' 57' 0' 29' 53' 60' 65'

39% 31% 100% 2% 1% 30% 1% 59% 0% 38% 22% 100%

10 juni 11 juni 15 juni 17 juni 18 juni 19 juni 21 juni

Duur broeden

Duur niet broeden

Duur niet broeden

Opmerkingen

- Achtervolgingsvlucht tussen adulte broedvogel en een imm. De achtervolgende adult vliegt in een versnelde vlucht, met opgerichte hals, afgewisseld met glijvluchten met gestrekte hals en vleugels. Hij vliegt over, zijdelings en onder een achtervolgde imm. Deze laatste vertoont een snel draaiende, op- en neergaande vlucht. Duur: drie minuten. - Verjaagt een Kluut die het nest nadert. - Het nest bevat maar één ei. - Driemaal wordt nest verstevigd met aangebrachte takjes. - Verjaagt drie keer een imm. Dwergmeeuw. - Draagt takjes naar nest en verjaagt een imm. Dwergmeeuw.

- Nest is verlaten. - Grondbalts.”Upright posture”. Broedvogel richt hals en kop in één lijn naar boven en staart opgetrokken tot boven de vleugelpunten (Fig.1).

gechronometreerde waarnemingen gebeurden met een telescoop 40x, meestal bij een goede belichting. De opgetekende tijden werden afgerond tot op de minuut en de berekende percentages tot op de eenheid. In de tabellen gebruikte afkortingen: Imm.: immatuur, vogel in het kleed van tweede kalenderjaar of eerste zomerkleed. Alle immature vogels vertoonden een donker, min of meer afgesleten, W-patroon op de bovenvleugel. Hun kop was overwegend wit, met enkele grijze vlekken, vooral ter hoogte van de oorstreek en de kruin. De staart vertoonde een in het midden onderbroken, donkere eindband. Ad.: vogel in adult kleed.

Resultaten Volgens alle getuigen broedde de Dwergmeeuw maar op één ei, dat bij het draaien door de oudervogel zichtbaar was. Het was duidelijk kleiner dan een ei van een Kokmeeuw. Een chronologisch overzicht van het broedgeval met aantekeningen over de broedduur en bijzondere gedragingen van de adulte broedvogel zijn samengevat in Tabel 1. Tabel 2 geeft een overzicht van de voornaamste activiteiten van de immature vogels.

ondervleugel, wat zou wijzen op een adult mannetje (Veen 1980). Vanaf 7 juni werd duidelijk dat wanneer de broedende Dwergmeeuw haar nest verliet, deze maar zeer onregelmatig werd afgelost door een partner. Die dag werden twee doorlopende afwezigheden genoteerd: één van 14 en één van 103 minuten en er werd maar gedurende 39% van de gehele waarnemingstijd (309 min.) gebroed (Tabel 1). Tot 19 juni, de laatste dag dat broeden werd vastgesteld, zijn meermaals langdurige afwezigheden genoteerd. Tijdens de waarnemingsperiodes van 7 tot 19 juni verliet de broedende adult 53 keer het nest. Van deze afwezigheden waren er 38 (72%) van minder dan één minuut. Maar 5 van de overige 15 gevallen (33%) duurden langer dan 20 minuten, met 34, 48, 51, 57 en 103 minuten, waarvan één tijdens hevig regenweer. Zoals algemeen bekend lopen eieren die gedurende lange tijd niet bebroed blijven, gevaar om onderkoeld of oververhit te geraken, als ze al niet door predatoren werden geroofd. Er vielen affiniteiten op tussen de adulte broedvogel en één van de immaturen die steeds op de broedplaats aanwezig was. Zo voerde de broedende adult op 6 juni een imponeer- of achtervolgingsvlucht uit op een immatuur (Tabel 1). Op 21 juni, toen het nest definitief verlaten was, demonstreerde de adulte broedvogel een uitgespro-

Discussie Broedgeval of niet? Het enige ei werd door de broedvogel gedraaid om de 17 ± 11 min. (n= 98). Het beschreven broedgeval in de Doelpolder kan bestempeld worden als ‘zeker broedend’. Het voldoet immers aan twee van de zeven criteria die door Hagemeijer & Blair (1977, p. 83 Romeinse cijfers) in “ The EBCC Atlas of European Breeding Birds”, opgesomd worden om tot een ‘confirmed breeding’ te besluiten, volgens de codes 13 en 15. Deze vermelden respectievelijk: ‘waarneming van broedende vogel’ en ‘nest met eieren’. Gepaarde of ongepaarde broedvogel? Deze vraag bleef bestaan gedurende de gehele observatieperiode en kon niet met zekerheid worden beantwoord. De broedvogel vertoonde naast een volledig zwarte kopkap en afwezigheid van enig zwart aan de vleugelpunten een volledig gitzwarte

❱ Figuur 1. Rechtop dreighouding bij de Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus (uit Moynihan 1955). ❱ Figure 1. Upright Posture in the Little Gull Hydrocoloeus minutus (in Moynihan, 1955).


12 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 10-14 20-30

ken “upright posture” (Moynihan 1955; Cramp & Simmons 1983; zie ook Tabel 1 en Figuur 1) tegenover een immatuur. Moynihan (1955) beschreef deze houding als de meest karakteristieke van het gehele baltsgedrag van de Dwergmeeuw. Ook werd tijdens een afwezigheid van de adulte vogel het nest tweemaal bebroed door een immature Dwergmeeuw, gedurende 4 en 53 minuten (Tabel 2). Rekening houdend met de grote gelijkenis tussen de immaturen onderling, kon niet met zekerheid achterhaald worden of het in beide gevallen om dezelfde vogel ging. De Dwergmeeuw komt tot broeden vanaf het derde kalenderjaar (Glutz von Blotzheim & Bauer 1982; Cramp & Simmons 1983; Zubakin 1990 ; Yudin & Firsova 2002). Veen (in van Rhijn & Groothuis 1985) vermeldt in Nederland een broedend wijfje in het tweede kalenderjaar dat deel uitmaakte van een polygaam trio. Op basis van deze literatuurgegevens, mag voorzichtig de aanwezigheid van een paar Dwergmeeuwen, één exemplaar in adult en één in immatuur kleed overwogen worden, alhoewel hieromtrent geen overtuigend bewijs voor is. Bijzonder gedrag van overzomerende tweede kalenderjaars Dwergmeeuwen op de broedplaats Het was verrassend om bij elk bezoek vier tot tien eerste zomervogels bij de broedplaats van de adulte Dwergmeeuw te zien. Maximaal vier van hen maakten een ondiep nest en bekleedden dit sporadisch met dor plantenmateriaal. De rand van deze nesten werd bedekt met grassprietjes die door de op het nest zittende immaturen met de bek tot tegen hun lichaam werden geschoven. Het draaien van eieren bleef uit, zodat al vlug duidelijk werd dat geen van deze “immature” nesten eieren kon bevatten. Toch was het bijzonder gedrag van deze immaturen één van de boeiendste aspecten van de gehele waarnemingscyclus. Vanaf de eerste dagen viel een associatie tussen meerdere immaturen en de broedende adult moeilijk te ontkennen (Tabel 2). Wanneer de broedvogel zijn nest verliet, liepen meermaals één tot drie immaturen in de richting van dat nest om zich daar als een soort “bewaker” op te stellen. Dit gedrag was bijzonder uitgesproken op 10 juni, toen vier immaturen gelijktijdig naar de rand van het verlaten nest renden om op deze plaats meer dan vijf minuten te blijven staan. Dit alles leek sterk op hulpgedrag dat wel meer bij Laridae wordt vastgesteld (o.m. Pierotti 1980; Riedman 1982; Brown 1998), waarbij ook adoptie van vreemde pulli door ouderparen of door ongepaarde vogels beschreven is. Bijna steeds zijn het volwassen vogels die aan ‘helping’ doen, maar dit gedrag is meermaals ook bij jonge vogels vastgesteld (overzicht o.m. bij Temple et al. 2009). Rond oorsprong, beweegredenen

en evolutie van ‘helping’ zijn een aantal hypothesen geformuleerd (Emlen 1982; Jamieson 1989; Ligon & Stacey 1989; Emlen et al. 1991; Südbeck & Meinecke 1992; Cockburn 1998). Bij de groep van de ‘primitieve gemaskerde meeuwen’ (terminologie van Moynihan 1959 ) is ‘helping’ vastgesteld bij de Reuzenzwartkopmeeuw Larus ichthyaetus , met frequente vorming van crèches door ongepaarde vogels (Panov 2009), de Relictmeeuw L. relictus (Zhang Yin-Sun & He Fen-Qi 1993) en de Zwartkopmeeuw L. melanocephalus (Van Impe 1997). In de geraadpleegde literatuur werd geen helpgedrag van immature Dwergmeeuwen gevonden.

De toename van de wereldpopulatie van de Dwergmeeuw Pas in de jaren 1955-1960 werden de eerste zomerwaarnemingen van Dwergmeeuwen in het Scheldegebied noordelijk van Antwerpen opgemerkt, met een maximum van vier vogels per waarneming (Vande Weghe 1962; vele waarnemers in Van Damme 1967). Het is niet de eerste keer dat de Dwergmeeuw in de belangstelling komt op de Wase Linkeroever. In mei 1983 werden hier herhaaldelijk vier- tot vijf groepjes Dwergmeeuwen gezien, deels in adult en deels in eerste zomerkleed, tijdens baltsvluchten over een opgespoten terrein (Van Impe 1984), waarvan de ligging nu niet meer te traceren is. Niet alleen deze baltsvluchten, maar ook de aantallen (tot 15 ex.) waren destijds opmerkelijk. Buiten meerdere broedgevallen in Noord-Amerika, is het nestelen van Dwergmeeuwen onregelmatig vastgesteld in Nederland, Engeland, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Duitsland, Polen en Roemenië (Glutz von Blotzheim & Bauer 1982; Cramp & Simmons 1983; Zubakin 1990; Viksne & Bourne 1997; Yudin & Firsova 2002; BirdLife International 2004, 2013; Parkin & Knox 2010; Helcom Red List 2013). Belangrijk onderzoek over de broedbiologie van de Dwergmeeuw werd verricht door Veen (1980, 1984), toen tijdens de jaren 1970 en 1980 een maximum van 61 paren, over vijf kolonies verspreid, tot broeden kwam in het Lauwersmeer (NL.). Vrij recent zijn o.m. in het noordelijk Deltagebied broedgevallen gevonden op de Hellegatsplaten, met twee nesten in 1998. Geen van deze recente broedgevallen kende enig succes (Koffijberg 2002). Het zwaartepunt van het Europese broedbestand ligt in de Baltische Staten (1850 - 5200 broedparen), Finland (10.000 - 13.000 BP), WitRusland (1.800 - 2.300 BP), Oekraïne (min. 300 BP) en Europees Rusland (10.000 - 30.000 BP) (Viksne & Bourne 1997; Mischenko 2004; Kurlavičius 2006; Väisänen et al. 2011). Deze landen herbergen het voornaamste broedbestand in Europa. In Europees Rusland breidt

❱ Tabel 2/ Table 2 Left to right: Date, Observation time, Number of first year Little Gulls present on the breeding place, Remarks. Datum

Duur waarneming

Aantal 1e jaars

Opmerkingen

06 juni

130'

4

07 juni

289'

7

08 juni 09 juni

233' 57' 85' 380' 290'

7 6 10 8 9

95' 96' 96' 75' 241' 60' 65'

6 8 8 7 10 7 7

10 juni 11 juni 15 juni 17 juni 18 juni 19 juni 21 juni

(Zie Tabel 1) Achtervolgingsvlucht. De imm. is de achtervolgde. - Drie imm. zitten in ondiep kuiltje met schrale nestbekleding. Wellicht schijnbroedend. - Een imm. vervangt ad. broedvogel op zijn nest gedurende 53 min. - Vier imm. in ondiep kuiltje, zeker schijnbroedend. Volgende dagen zitten max. vijf imm. op een primitief nest. - Een imm. blijft naast het nest staan bij afwezigheid van ad vogel ged. 33 min. - Alle imm. verplaatsen zich tot op een straal van 20 m. van de adulte broedvogel. - Een imm. vliegt voortdurend over leeg nest van ad. broedvogel. - Vier imm. zitten gedurende 6 min. op 10 m van leeg nest van ad. broedvogel. - Een imm. vliegt heen en weer over tijdelijk verlaten nest van ad. broedvogel ged. 3 min. - Een imm. blijft naast verlaten nest van adult staan gedurende meerdere min. - Broedvogel verlaat nest, vier imm. rennen naar het lege nest en nemen plaats aan nestrand gedurende meer dan 5 min.

- Een imm. vervangt adulte broedvogel gedurende 4 min. - Het nest is verlaten. - Grondbalts. “Upright posture” (zie Tabel 1 en Fig.1).


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 10-14 20-30

❱ Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus adult op nest. 12 juni 2013. Doel (O) (Foto: Chris Steeman). Deze bewijsfoto werd genomen vanaf de kijkwand om verstoring te vermijden. Elk spoor afkomstig van een fotograaf die het nest bezoekt kan het voor predatoren zoals Vos Vulpes vulpes gemakkelijker maken om het nest te vinden.

het broedareaal opvallend uit in noordelijke richting (Kokhanov 1993; Bakkal 1996; Amosov 2004 ). Al deze landen samen vertegenwoordigen maar een fractie van het bolwerk van het Dwergmeeuwenbestand in West-Siberië, met uitlopers tot in Oost-Siberië (veel bronnen in Zubakin 1990; Yudin & Firsova 2002). In Rusland kent de broedpopulatie een stijgende trend, vooral in sommige Arctische streken (Mischenko 2004; Kokhanov 2006), maar in West-Siberië blijven zowel de aantallen als de populatietrend onbekend. De trekwaarnemingen suggereren dat ook hier de populatie toeneemt.

Toekomstperspectieven De voortdurende aanwezigheid van immature Dwergmeeuwen op Linkeroever in de nabijheid van een broedvogel, geeft hoop op een voortplanting in de komende jaren. Vermoedelijk zal de omgeving van de nestplaats eenzelfde uitzicht bewaren, maar in de huidige omstandigheden hebben zowel eieren als kuikens van een Dwergmeeuw uiterst weinig kans om te overleven. Het niet volwassen worden van jongen in 2013 bij alle 41 Klutenlegsels in Doelpolder-Noord in de omgeving van de broedende Dwergmeeuw en bij 13 Klutennesten op de andere uitloper van het eiland, was toe te schrijven aan de uitbreiding van de centraal gelegen kolonie Kokmeeuwen op het eiland. Eenzelfde scenario speelde zich in de voorgaande jaren af. Ook op andere broedplaatsen van de Wase Linkeroever stellen Kokmeeuwen die hun groter wordende jongen komen voederen, zich steevast agressief op tegenover broedende Kluten. Sinds meerdere jaren is ons bekend dat een samen broeden van Kluten met Kokmeeuwen in dit gebied niet mogelijk is. Alhoewel het maar zelden tot schermutselingen tussen beide komt, delven de Kluten in alle gevallen het onderspit. Kokmeeuwen vergroten hun actieradius naargelang hun opgroeiende jongen zich verspreiden. Daardoor worden broedende Kluten en overige steltlopers gedwongen hun nest te verlaten. Om deze reden kan het aangewezen zijn dat de kolonie Kokmeeuwen in het reservaat Doelpolder - Noord zou geweerd worden of sterk gereduceerd.

Referenties Amosov P.N. 2004. (Nieuwe gegevens over de verplaatsingen en de biologie van de Dwergmeeuw Larus minutus in de oblast Archangel’sk). Russkiy Orn. Zhurnal 13, Ekspress-vypusk 252: 120-121. (Russ.) Bakkal S.N. 1996. (Nieuwe gegevens over de Dwergmeeuw Larus minutus in de oblast Moermansk). Russkiy Orn. Zhurnal 2, Ekspress-vypusk 2: 8-10. (Russ.). BirdLife International 2004. Birds in the European Union: a status assessment. Wageningen, The Netherlands: BirdLife International.

13

Brown K.M. 1998. Proximate and ultimate causes of adoption in Ring-billed Gulls. Anim. Behaviour 56: 1529-1543. Cockburn A. 1998. Evolution of helping behavior in cooperatively breeding birds. Annu. Rev. Ecol. Syst. 29: 141-177. Cramp S. & K.E.L. Simmons 1983. Handbook of the Birds of Europe, the Middle East and North Africa . The Birds of the Western Palearctic. Vol. 3. Larus minutus - Little Gull. Pp. 730-739. Oxford, Oxford University Press. Emlen S.T. 1982. The evolution of helping.I. An ecological constraints model. Am.Nat. 119: 29-39. Emlen S.T., H.K. Reeve, P.W. Sherman et al. 1991. Adaptive versus nonadaptive explanations of behaviour: the case of alloparental helping. Am.Nat. 138: 259-270. Glutz von Blotzheim U.N. & K.M. Bauer 1982. Handbuch der Vögel Mitteleuropas. Band 8/1. Charadriiformes (3.Teil). Pp. 225-251. Wiesbaden, Akademische Verlagsgesellschaft. Hagemeijer W.J.M. & M.J. Blair 1997. The EBCC Atlas of European Breeding Birds. Their distribution and abundance. London, T. & A.D. Poyser. Jamieson I.G. 1989. Behavioral heterochrony and the evolution of birds’ helping at the nest: an unselected consequence of communal breeding?. Am. Nat.133: 394-406. Koffijberg K. 2002. Dwergmeeuw – Larus minutus. Pp. 232-233 in : Hustings F. & J.-W. Vergeer. Atlas van de Nederlandse broedvogels. SOVON Vogelonderzoek Nederland.2002. Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV. Uitgeverij & European Invertebrate Survey. Leiden, Nederland. Kokhanov V.D. 1993. (Het nestelen van de Dwergmeeuw Larus minutus op het schiereiland Kola). Russkiy Orn. Zhurnal 2 (2): 256-257. Kokhanov V.D. 2006. Apatity settlement vicinity, Kola Peninsula, Russia. P. 5 in: Soloviev M. & P. Tomkovich. Newsletter of the International Breeding Conditions Survey. Arctic Birds N°8. Kurlavičius P. (Hrsg.). 2006. Litauischer Brutvogelatlas. Kaunas. Ligon J.D. & P.B. Stacey 1989. On the significance of helping behavior in birds. Auk 106: 700-705. Mischenko A. (Ed.) 2004. Estimation of numbers and trends for birds of the European Part of Russia. (“Birds in Europe-II”). Moscow, Soyuz Okhrana Ptits Rossii. Moynihan M. 1955. Some aspects of reproductive behavior in the Black-headed Gull (Larus ridibundus ridibundus L.). and related species. Behaviour. Suppl. N° 4. Leiden, E.J. Brill. Moynihan M. 1959. A revision of the family Laridae (Aves). Amer. Mus. Novitates N° 1928. Panov E.N. 2009. The social and communication behaviour of the Great Black-headed Gull. British Birds 102: 72-83. Parkin D.A. & A.G. Knox 2010. The Status of Birds in Britain and Ireland. London WID 3QY, Christopher Helm. Pierotti R. 1980. Spite and altruism in gulls. Am.Nat. 115: 290-300. Riedman M.L. 1982. The evolution of alloparental care and adoption in mammals and birds. Q. Rev. Biol. 57: 405-435. Südbeck P. & H. Meinecke 1992. Grauspecht-Weibchen Picus canus als Helfer an der Bruthöhle. J. Orn. 133: 443-446. Temple H.J., J.I. Hoffman & A.W. Amos 2009. Group structure, mating system and extra-group paternity in the co-operatively breeding White-breasted Thrasher Ramphocinclus brachyurus. Ibis 151: 99-112. Väisänen R.A., M. Hario & P. Saurola 2011. Population estimates of Finnish Birds in: Valkama J., V. Vepsäläinen & A. Lehikoinen. The Third Finnish Breeding Bird Atlas. Finnish Museum of Natural History and Ministry of Environment. Van Damme B. 1967. Nota over het overzomeren van Dwergmeeuwen Larus minutus Pallas in België. Giervalk 57: 221-224. Vande Weghe J.P. 1962. De Dwergmeeuw Larus minutus Pallas in België. Giervalk 52: 354-369. Van Impe J. 1984. Baltsende Dwergmeeuwen (Larus minutus) te Antwerpen-Linkeroever. Veldornithologisch Tijdschrift 7: 41-44. Van Impe J. 1997. La Mouette mélanocéphale Larus melanocephalus comme aide à la Mouette rieuse L. ridibundus pendant sa reproduction. Alauda 65: 7-12. Van Rhijn J. & T. Groothuis 1985. Biparental care and the basis for alternative bond-types among gulls, with special reference to Black-headed Gulls. Ardea 73: 159-174. Veen J. 1980. Breeding behaviour and breeding success of a colony Little Gulls Larus minutus in the Netherlands. Limosa 53: 73-83. Veen J. 1984. On the functional significance of long call components in the Little Gull. Neth. J. Zool. 35:63-86. Viksne J.& W.R.P. Bourne 1977. Little Gull - Larus minutus. Pp. 326-327 in: Hagemeijer W.J.M. & M. J. Blair The EBCC Atlas of European Breeding Birds. Their Distribution and Abundance. London,T. & A.D. Poyser. Yudin K.A. & L.V. Firsova 2002. Fauna of Russia and neighbouring countries. Charadriiformes VoI. II, Issue 2. Part I, Larus (Hydrocoloeus) minutus. Pp. 487-507. St Petersburg, “Nauka”. (Russ.). Zhang Yin-Sun & He Fen-Qi 1993. A study of the breeding ecology of the Relict Gull Larus relictus in Ordos, Inner Mongolia, China. Forktail 8: 125-132. Zubakin V.A. 1990. Hydrocoloeus minutus (Pallas, 1776). Pp.202-211 in : Il’icev V.D. & V.A. Zubakin (Hrsg.). Handbuch der Vögel der Sowjetunion. Band 6/1 Charadriiformes (Lari). Wittenberg Lutherstadt, A. Ziemsen Verlag.

Webreferenties http://www.birdlife.org .BirdLife International 2013. Species factsheet: Larus minutus. www.helcom.fi. Helcom Red List Bird Expert Group 2013. Species information Sheet. (wintering).


14 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 10-14 20-30

DANKWOORD Veel dank gaat uit naar de eerste getuigen van het broedgeval: Guido Bulteel, Jef De Ridder, Gerald Driessens en Paul Maes. Vooral dank voor hun enthousiasme, hun inspanningen en hun commentaar in de betrachting dit niet eenvoudige broedgeval op te lossen. Verder dank aan de kernredactie van Natuur.oriolus voor nazicht tekst en opmaak tabellen en aan Chris Steeman voor de bewijsfoto. Jacques Van Impe, Dr. Van de Perrelei, 51b, B - 2140 Borgerhout Jacques.vanimpe@telenet.be

Samenvatting – Abstract – Résumé In juni 2013 werd een broedgeval van de Dwergmeeuw vastgesteld in een natuurreservaat ten noorden van de gemeente Doel, provincie Oost-Vlaanderen. Het nest dat maar één ei bevatte, werd bezet door een broedende adult, waarschijnlijk een mannetje. Het bevond zich op een karig begroeide zandplaat van een eilandje, te midden van een kolonie Kluten van 23 nesten en twee nesten van de Kleine Plevier. Het centrale deel van het eiland was ingenomen door een kolonie Kokmeeuwen. Broeden werd vastgesteld van 6 tot 19 juni; op 21 juni was het nest verlaten. In de omgeving van het bebroed nest waren bij elk bezoek vier tot tien Dwergmeeuwen in eerste zomerkleed aanwezig. Enkele van hen bouwden een primitief nest, waarop met onregelmatige tussenpozen broedgedrag werd waargenomen. Geen van deze nesten bevatte eieren. De adulte broedvogel werd bij het verlaten van het nest nooit afgelost door een adulte partner en maar zelden door een immatuur. Slechts tweemaal werd deze broedend op het nest aangetroffen, nl. gedurende 4 en 53 minuten. Het nest van de adult bleef dan ook gedurende lange perioden onbezet. Alhoewel op 6 juni een merkwaardige achtervolgingsvlucht is waargenomen tussen de adulte broedvogel (achtervolger) en één immatuur gedurende drie minuten, bleef het onduidelijk of de adulte broedvogel met één van deze immature vogels een paar vormde. De immature vogels vormden een onmiskenbare associatie met de adulte broedvogel. Zij vertoonden niet te miskennen helpgedragingen ten gunste van het behoud van het nest van de adulte broeder, die vooral tot uiting kwamen wanneer deze zijn nest had verlaten. Het ‘helpen’ bestond uit een herhaald heen- en-weervliegen over het verlaten broednest en het gemeenschappelijk rennen van één of meerdere immature vogels naar dit nest om dicht bij de nestrand de wacht te houden. In totaal werden een tiental waarnemingen verricht over dit blijkbaar niet eerder beschreven helpgedrag van Dwergmeeuwen in eerste zomerkleed. First breeding of the Little Gull Hydrocoloeus minutus in Belgium and helping by birds in first summer plumage In June 2013 a nest of the Little Gull was discovered in a nature sanctuary in the northern part of the village of Doel, in the province of East Flanders , Belgium. The nest contained one egg and was incubated by an adult Little Little Gull in full summer plumage. It was located on a sparsely vegetated sandbank on a small island. A colony of Avocets Recurvirostra avosetta of 23 nests and two nests of the Little Ringed Plover Charadrius dubius surrounded the breeding Little Gull. The centre of the breeding island, an area with higher vegetation,was inhabited by a dense colony of the Black-headed Gull Larus ridibundus. The Little Gull was seen incubating its egg from 6th – 19th of June. On June 21th, the breeding bird did not return to its nest. During each visit four to ten Little Gulls in first summer plumage were present in the vicinity of the nest of the adult breeding bird. Some of them built a primitive nest which was kept warm at irregular intervals. All these nests remained empty during the course of the observations. When the breeding adult left its nest, incubation was never taken over by another adult and only rarely by an immature. The latter happened only twice, during four and 53 minutes respectively. Consequently, the

nest of the breeding gull often remained unoccupied with long periods of absence of 57 minutes up until 103 minutes. Although on 6th of June a display - pursuit flight was observed during three minutes between a pursuer (the adult breeding bird) and a pursued (an immature), no certainty could be reached whether they really formed a pair bond. An association between the immature birds and the breeding adult was obvious from the beginning of the observation period. At intervals, the immatures seemed to help the adult to care for the nest. When the adult bird left its nest, some immatures repeatedly flew back and forth above the unoccupied nest. Also, as soon as the adult left, one immature ran to the border of the adult’s nest to keep watch. On 10th of June a closed group of four immatures repeated this peculiar behavior for more than five minutes. About ten examples of a helping behaviour were observed during the whole time of observation. We suggest that this phenomenon could be described as the existence of altruistic behaviour performed by birds in immature plumage for the conservation of the adult’s nest . In as far as we are aware, such behaviour has not been described in immature Little Gulls before. Première indification de la Mouette pygmée Hydrocoloeus minutus en Belgique et aide intraspécifique d’oiseaux en plumage de premier été En juin 2013 une nidification de la Mouette pygmée fut observée dans une réserve naturelle située au nord du village de Doel, province de la Flandre Orientale, Belgique. Le nid, ne contenant qu’un oeuf, fut couvé par un adulte en plumage nuptial. Il se trouvait sur une petite île, pourvue d’une végétation clairsemée. Le nid fut entouré par une colonie d’Avocettes Recurvirostra avosetta comptant 23 nids et deux nids du Petit gravelot Charadrius dubius. Au milieu de l’île, sur une végétation plus dense, se trouvait une colonie de Mouettes rieuses Larus ridibundus. La Mouette pygmée incubait son oeuf unique du 6 au 19 juin. Le 21 juin elle ne s’y montra plus. Lors de chaque visite, quatre à dix Mouettes pygmées en plumage de premier été se présentaient aux alentours du nid de la Mouette pygmée. Quelquesunes d’entre elles construisaient un nid primitif, qui fut couvé à des intervalles irréguliers. Tous ces nids sont restés vides au cours des observations. Lorsque l’adulte-nicheur quitta son nid, il ne fut jamais remplacé par un conjoint adulte et rarement par un immature. Celui-ci ne se présentait que deux fois comme nicheur, pendant 4 et 53 minutes. Le nid de l’adulte nicheur restait par conséquent inoccupé pendant de longues périodes, s’étalant jusque 57 et 103 minutes. Bien que le 6 juin une parade nuptiale de poursuite fut observée durant trois minites entre l’adulte-nicheur (poursuivant) et un immature (poursuivi), on n’a jamais sû avec certitude si l’adulte nicheur fut apparié à un des oiseaux en plumage immature. Dès le début des observations une association entre plusieurs immatures et l’adulte nicheur devenait évidente. Elle se présentait comme une forme primitive de concours (‘helping’) de la part de ceux-ci, semblant vouloir protéger le nid de l’adulte nicheur. Lorsque celui-ci quitta son nid, quelques immatures performaient des vols répétés d’aller et retour au-dessus du nid abandonné. En outre, peu après l’envol de l’adulte nicheur, un immature se précipita vers le bord du nid abandonné pour y prendre une position de garde. Ce comportement fut repris le 10 juin par l’ensemble de quatre juvéniles pendant plus de cinq minutes. En tout, une dizaine d’observations de “helping” ont conduit à la conclusion prudente d’une existence d’un comportement altruistique chez des Mouettes pygmées en plumage immature, un fait apparemment non décrit dans la littérature.


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

15

Invloed van uitzonderlijke voorjaren 2011 en 2013 op fenologie van trekvogels ❱ Marc Herremans

We waren het ondertussen gewoon dat zomervogels steeds vroeger terugkeren naar de broedplaatsen. Maar toen kwam het voorjaar 2013 met uitzonderlijk late koude. Welk effect had dit op de aankomst van zomervogels en het vertrek van overwinterende soorten? We becijferen de timing van aankomst en vertrek aan de hand van www.waarnemingen.be en ontdekken in de vergelijking dat ook 2011 en 2012 bijzonder waren.

❱ Boerenzwaluw Hirundo rustica. 9 mei 2011. Lesbos (Gr) (Foto: Raymond De Smet)

Inleiding

Extreem voorjaar 2013

De aankomst van zomervogels wordt al jaren goed gedocumenteerd (Driessens 2008, 2009, 2011, Driessens & Herremans 2010, Leysen 2005, 2006, 2007, Leysen & Herremans 2004). Uitzonderlijk warme of koude voorjaren zoals 2011 en 2013 hebben hierop allicht een beduidende impact: dat werd in elk geval door veel waarnemers vooral in 2013 (soms anekdotisch) ervaren (zie ook elders in dit nummer). In dit artikel stellen we de vraag of we die indruk ook kunnen duiden met cijfers, zowel wat betreft aankomst van zomervogels als vertrek van overwinterende vogels in 2013. En als we dan toch aan het rekenen en vergelijken zijn, vallen ook meteen ongewone patronen op in de vorige jaren 2011 en 2012.

De winter 2012-2013 was normaal, met vorst- en sneeuwperiodes in de eerste helft van december, van 11-27 januari en 8-14 en 20-26 februari. Omdat we van 1997 tot 2009 een lange rij heel zachte winters hadden (2006-2007 was zelfs de allerzachtste tot hiertoe), leeft het gevoel dat 2012-2013 een strenge winter was, maar tot eind februari was alles vrij normaal (www.meteobelgie.be › Klimatologie › Jaar 2013). Maar het abnormale moest toen nog komen! De lente (maart-mei) werd zeer uitzonderlijk koud: de koudste in 43 jaar (http://www.meteobelgie.be/ artikelen/81-jaar-2013/1528-lente-2013.html). Op 4 en 5 maart was het met net geen 20°C nochtans heel zacht! Maar dan ging het heel snel weer bergaf en van 11 maart tot 10 april bedroeg de gemiddelde temperatuur amper 2.3°C. Er waren maar liefst 18 dagen met vorst in maart (waarvan 10 in de laatste decade!) en nog 6 in april. Op 11 en 12 maart bleef het de ganse dag vriezen en lag er een dik pak verse sneeuw. Op 13 maart werden op meerdere plaatsen in het land minima genoteerd onder -15°C, ook in Vlaanderen. De eerste maal dat 20° gehaald werd, volgde pas op 14 april en op 25 april volgde de eerste zomerdag met >25°C.

Om plaats te besparen zijn de twee overzichtstabellen op onze website geplaatst: zie www.natuurpunt.be/oriolus . Tabel 1 geeft de afwijking van de aankomst van zomervogels t.o.v. gemiddelde, vroegste en laatste jaar weer en Tabel 2 de afwijkingen van het vertrek van wintervogels t.o.v. het gemiddelde en ‘traagste’ jaar.


IN HET VELD

gemiddelde 2008-2012

+ 6 dagen

80

+17 dagen

70

+21 dagen

60

+14 dagen

50

+9 dagen

40

+6 dagen

30

+8 dagen

20

+14 dagen

10

- 6 dagen 12 apr

08 apr

04 apr

31 mrt

27 mrt

23 mrt

19 mrt

15 mrt

11 mrt

07 mrt

28 feb

03 mrt

24 feb

20 feb

16 feb

12 feb

08 feb

0

31 jan

Als kenmerk voor de aankomst van zomervogels werd in het verleden vaak gewerkt met de vroegste waarneming. Die datum is echter erg gevoelig voor de geleverde zoekinspanning. Sinds de komst van www.waarnemingen.be is de gedocumenteerde zoekinspanning fors toegenomen. De eerste waarneming is bovendien niet noodzakelijk ook representatief voor het komen en gaan van de rest van een populatie, terwijl dat laatste ons net meer interesseert dan die eerste uitschieter. Daarom maken we hier opnieuw gebruik van de werkwijze van cumulatieve aankomstcurven (Herremans 2007, 2010, 2012) op basis van alle waarnemingen. Hierbij hebben we alle uit Vlaanderen aan www.waarnemingen.be gemelde vogels per soort dag na dag bij elkaar opgeteld binnen een relevante periode en als een groeicurve uitgezet tegen de datum. Omdat er op weekends en vrije dagen meer naar vogels gekeken wordt dan op werkdagen, zitten er onregelmatigheden in deze groeicurve die het gevolg zijn van verschillen in zoekinspanning. Door de dagwaarden uit te drukken relatief tot het overeenkomstige aantal daghokbezoeken (aantal 500x500m hokken waaruit per dag vogelwaarnemingen gemeld werden) kan het effect van verschillen in zoekinspanning gecompenseerd worden (Herremans 2010). Deze methode laat ook toe om de aankomst te bepalen van zomervogels die soms overwinteren, waar het bepalen van wat “de eerste aankomst” is, anders een moeilijke zaak vormt. Voor soorten die hier overwinteren en in de lente vertrekken, kan op een gelijkaardige wijze de vertrekcurve beschreven worden door eerst alle waargenomen vogels binnen de referentieperiode op te tellen tot een beginwaarde en dan per dag af te trekken tot ze allemaal weg zijn.

2013 90

04 feb

Materiaal en methoden

100

27 jan

Januari 2012 was zacht, maar aan het eind begon een hele strenge koudeperiode die duurde tot 12 februari. De eerste 10 dagen van februari waren bijzonder koud (gemiddelde temperatuur Ukkel -6.2°C): het was van 1917 geleden dat het in die decade zo koud was. Dat was echter de enige vorstperiode na Nieuwjaar en de rest van februari was boterzacht, met in de derde decade temperaturen ver boven normaal (gemiddelde temperatuur van 6.8°C). Maart was zonnig, droog en warm: tweede helft van de maand werd al op drie dagen 20°C gehaald. De eerste helft van april was fris en wisselvallig, en de tweede helft was gewoon wisselvallig. April was frisser dan maart.

23 jan

…en ook wel een beetje in 2012

19 jan

Het contrast tussen 2013 en de winter en lente van 2011 kon moeilijk groter zijn. Van januari tot mei 2011 lag de gemiddelde temperatuur boven het langjarige gemiddelde; in april zelfs bijna 5 graden. Er was maar 5 maal (lichte) vorst in februari en 8 maal in maart (geen in april). De lente van 2011 was de tweede warmste ooit, met al 6 zomerdagen (>25 °C), drie in april en drie in mei.

Op basis van de grafieken van het volledige verloop van aankomst of vertrek kunnen we kencijfers berekenen; die kunnen we ook vergelijken tussen jaren. We gebruiken de datum waarop respectievelijk in totaal reeds 10%, 20%, 30%, 40%, 50%, 60%, 70%, 80% en 90% van alle waargenomen vogels werden vastgesteld als kencijfers (resp. de percentielen Q10, Q20, Q30 enz. en de Mediaan). Per 10%-interval bepalen we het aantal dagen verschil in aankomst tussen twee jaren. Die negen verschillen tellen we op tot een totale percentielen-afwijking-som (PASwaarde) die het verschil (vervroeging of vertraging) tussen twee curven beschrijft (Figuur 1). Om de vertraging of vervroeging van een bepaald jaar te beoordelen, vergelijken we met de gemiddeld aankomstcurve van de overige vijf jaren (2008-2013). Aankomst- of vertrekcurven verlopen niet altijd mooi parallel: soms beginnen soorten vroeg aan te komen, maar vertragen ze dan om toch ongewoon laat te eindigen, of omgekeerd: min en plus waarden worden dan tegen elkaar uitgevlakt.

15 jan

…maar evenzeer 2011

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

Cumulatief aantal vogels tov. zoekinspanning

16 •

❱ Figuur 1. Vergelijking van de kencijfers voor de cumulatieve aankomstcurve van Boomleeuwerik Lullula arborea in 2013 (rode lijn) en het gemiddelde van 2008-2012 (blauwe lijn), gecorrigeerd voor zoekinspanning en herschaald naar percentages. Eind januari 2013 waren al relatief veel Boomleeuweriken aanwezig (Q10% 6 dagen voorsprong), maar dan kwam er heel lang bijna niets meer bij tot de tweede week van maart (Q20% al 14 dagen vertraging). Ondanks het koude weer namen de aantallen dan toch snel toe, maar alle verdere Q waarden blijven wel nog op vertraging staan. Tijdens de koude tweede helft van maart kwamen weer relatief minder vogels toe dan gemiddeld de vorige jaren (Q70% loopt zelfs op tot 21 dagen vertraging). Samen wordt dit in totaal verrekend tot een kencijfer van “percentielen-afwijking-som” PAS = 89 dagen vertraging voor 2013 t.o.v. het gemiddelde.

❱ Figure 1. Comparison of the characteristics of the cumulative arrival profile of Wood lark Lullula arborea for 2013 (red line) and the average arrival during 2008-2012 (blue line), corrected for search effort and rescaled to percentages. By the end of January 2013 quite a few Wood larks had already arrived ((Q10% 6 days advanced), but hardly any new arrivals occurred till the second week of March (Q20% already delayed by 14 days). Numbers increased rapidly from then, despite the cold weather, but all further Q-values remained delayed. During the cold second half of March relatively fewer birds arrived compared with the average situation of the previous years (Q70% reaches as much as 21 days delayed). These percentile deviations are summed up to constitute the PAS reference number, which is in this example 89 days delayed in 2013 compared with the average.

Algemeen patroon aankomst

❱ Grasmus Sylvia communis. 12 mei 2007. Kalmthout (A) (Foto: Glenn Vermeersch)

Maart en april 2011 waren uitzonderlijk zacht en zonnig, maar op de vroegst aankomende soorten, vooral korte-afstandtrekkers, had dit maar weinig effect: de meerderheid liep zelfs wat vertraging op (Figuur 2a). Enkel de vroege golf Bontbekplevieren Charadrius hiaticula was er heel vroeg bij. In de tweede helft van april en begin mei verschenen een hele reeks Afrika-trekkers opvallend vroeg in 2011 (groene cirkel in Figuur 2a). Soorten als Bosruiter Tringa glareola, Gekraagde Roodstaart Phoenicurus phoenicurus, Grasmus Sylvia communis, Gierzwaluw Apus apus, Nachtegaal Luscinia megarhynchos, Nachtzwaluw Caprimulgus europaeus, Woudaapje Ixobrychus minutus en Zwarte Stern Chlidonias


Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

niger presteerden hier de vroegste aankomst van de afgelopen zes jaar. Bosrietzanger Acrocephalus palustris (PAS=41), Rosse Grutto Limosa lapponica (PAS=219) en Zwarte Ruiter Tringa erythropus (PAS=108) zijn echter Afrika-trekkers die in 2011, tegen de vroege trend in, grote vertraging opliepen. Over Bosrietzanger werd al vroeger bericht (Herremans 2012); het had te maken met de droogte in de Hoorn van Afrika. In 2012 was het net andersom (Figuur 2b). De vroeg aankomende soorten, die ten noorden van de Middellandse Zee overwinteren, liepen voor op het schema; behalve dan de twee allervroegste soorten Ooievaar Ciconia ciconia en Boomleeuwerik Lullula arborea. De vroege golf Bontbekplevieren was er zelfs heel vroeg bij (PAS=-220; weggelaten uit Figuur 2). Een hele kliek trekkers die uit Afrika moest komen tussen half april en half mei liep echter forse vertraging op in 2012 (groene cirkel Figuur 2b): Boompieper Anthus trivialis, Bosruiter, Braamsluiper Sylvia curruca, Gele Kwikstaart Motacilla flava, Grasmus, Groenpootruiter Tringa nebularia, Kleine Karekiet Acrocephalus scirpaceus, Tuinfluiter en Zomertortel Streptopelia turtur presteren nu net de laatste aankomst van de afgelopen zes jaar. Bonte Vliegenvanger Ficedula hypoleuca, Rietzanger Acrocephalus schoenobaenus, Koekoek Cuculus canorus, Gierzwaluw, Nachtegaal, Sprinkhaanzanger Locustella naevia, Woudaapje en Wespendief Pernis apivorus waren eveneens behoorlijk aan de late kant. Het valt op hoeveel soorten hier tussen zitten die in Afrika vochtige of rijkere habitats opzoeken (zie discussie). Opmerkelijk echter dat onder de Afrika-trekkers vier watervogels helemaal tegen deze trend in veel vroeger dan normaal terug waren in 2012: Zomertaling Anas querquedula, Rosse Grutto, Zwarte Ruiter en Lepelaar Platalea leucorodia (gele blokjes in Figuur 2b). Zoals te verwachten was, werden vooral de vroege soorten getroffen door het uitzonderlijk late winterweer in 2013 (Figuur 3c). Dat leverde grote vertraging op bij verreweg de meeste vroeg aankomende soorten. De zes korte-afstandtrekkers die het dichtst bij de gemiddelde aankomsttijd arriveerden (donker groene punten Figuur 3c) zijn allemaal winterharde soorten die frequent overwinteren in West Europa: Ooievaar, Kraanvogel Grus grus, Rode Wouw Milvus mil-

❱ Sprinkhaanzanger Locustella naevia. 27 april 2008. Essen (A) (Foto: Glenn Vermeersch)

IN HET VELD •

17

vus, Witgatje Tringa ochropus, Bruine Kiekendief Circus aeruginosus en Dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus (in volgorde van gemiddelde aankomstdatum). Kraanvogels waren in 2013 zelfs net iets te vroeg omdat ze gereageerd hebben op die twee warme dagen 4 en 5 maart. Dat bleek achteraf een jammerlijke vergissing toen ze in maart nog in de sneeuw belandden (bv. Gelpke et al. 2013). Ook de meeste Afrikatrekkers liepen belangrijke vertraging op in 2013. Er waren maar twee soorten die in 2013 het vroegst aankwamen van de laatste zes jaar, nl. Visarend Pandion haliaetus (paars blokje in Figuur 3c) en Kwartel Coturnix coturnis. Voor Kwartel was 2013 een bijzonder jaar: er waren al heel vroeg in maart en april een aantal vogels, maar nadien volgden er maar heel weinig. In totaal werd het dus het magerste kwarteljaar in de rij, maar relatief veel van die vogels kwamen heel vroeg toe. Soorten die in 2013 na 10 mei aankwamen, waren wel min of meer op tijd. Zwartkopmeeuw Larus melanocephalus (bleek groene bol) en Visdief Sterna hirundo (geel blokje) waren uitzonderlijk laat in 2013. De som van al die PAS-waarden voor alle 61 soorten zomervogels, geeft weer of “de zomervogels” in een bepaald jaar eerder vroeg of laat toekwamen (voor overzicht zie Tabel 1: op www.natuurpunt.be/ oriolus). Die totaalsom van de PAS-waarden bedroeg voor 2011= -462, voor 2012=-209 en voor 2013=1724, wat ook weer goed aangeeft dat 2011 een jaar was met vooral veel vroege vogels en 2013 met heel veel laatkomers. Wanneer we de PAS-waarden per soort optellen (met weglaten van het negatieve teken) voor de verschillende jaren, dan krijgen we een maat voor de variabiliteit van de aankomst van soorten. De 10 soorten die de afgelopen drie jaar de meest stabiele timing aanhielden waren (in volgorde): Kleine Plevier Charadrius dubius, Beflijster Turdus torquatus, Zwarte Wouw Milvus migrans, Tapuit Oenantje oenanthe, Bruine Kiekendief, Oeverloper Actitis hypoleucos, Regenwulp Numenius phaeopus, Kraanvogel, Bonte Vliegenvanger en Koekoek. Op Kleine Plevier en Beflijster kon je de klok gelijk zetten: op 10 april was de helft van de eerst soort aangekomen en op 16 april de helft


IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

100

(a) 2011

75 50

0 -25 -50 -75

25 0

1 0,8 0,6 0,4 0,2 0

-50 -75

30 mei

25 mei

20 mei

15 mei

10 mei

05 mei

30 apr

25 apr

20 apr

15 apr

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

25 feb

01 mrt

11 mrt

korte afstand lange afstand

-125

06 mrt

dagen vroeger

-25

Gemiddelde aankomstdatum

Late aankomst van Afrika-trekkers in 2012

300

dagen vertraging

❱ Figuur 3. Cumulatieve aankomstcurven van Tuinfluiter Sylvia borin 2008-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 3. Cumulative arrival profiles of Garden Warbler Sylvia borin during spring 2008-2013, corrected for search effort.

(c) 2013

275 250 225 200 175 150 125

Het tegendeel gebeurde in 2012, deels met dezelfde soorten Afrikatrekkers. Gele Kwikstaart is daar een sterk voorbeeld van (Figuur 4). Het duurde tot eind april vooraleer er beduidende aantallen Gele Kwikstaarten opdaagden. De soort was dus heel laat en er werden er maar heel weinig gemeld. In Figuur 3 zien we dat ook Tuinfluiter in 2012 het laatste toekwam van de afgelopen zes jaar.

75

van de tweede doorgetrokken. De 10 soorten met de meest variabele aankomst waren (in volgorde): de vroege golf van Bontbekplevier, Dwergmeeuw, Rosse Grutto, Zwartkopmeeuw, Zwarte Stern, Zwarte Ruiter, Gierzwaluw, Boomleeuwerik, Zomertaling en Visdief. Bij Gierzwaluw slaan de gegevens uiteraard niet alleen op de (heel discrete) broedvogels, maar vooral op de jeugdbendes (“bangers”) die later in het voorjaar luidruchtig de broedplaatsen komen verkennen.

4 3 2

29 apr

27 apr

25 apr

21 apr 23 apr

19 apr

17 apr

15 apr

13 apr

11 apr

09 apr

07 apr

05 apr

01 apr 03 apr

30 mrt

0

28 mrt

1

26 mrt

05 apr 07 apr 09 apr 11 apr 13 apr 15 apr 17 apr 19 apr 21 apr 23 apr 25 apr 27 apr 29 apr 01 mei 03 mei 05 mei 07 mei 09 mei 11 mei 13 mei 15 mei 17 mei 19 mei

zomervogels t.o.v. het gemiddelde 2008-2013 voor (a) 2011, (b) 2012 en (c) 2013. 0,2 Elk punt is de PAS-waarde die het verschil tussen aankomstcurven voor een soort 0 beschrijft: boven nul was de aankomst in het betrokken jaar later dan gemiddeld, onder nul kwam de soort vroeger dan gemiddeld toe. ❱ Figure 2. Overview of the advancement or delay of arrival of summer migrant birds compared with the average pattern 2008-2013 for (a) 2011, (b) 2012 and (c) 2013. Each point is the PAS-value for a species, which captures the differences between arrival curves: positive values indicate arrival later than average, negative values earlier arrival.

5

24 mrt

❱ Figuur 2. Overzicht van de voorsprong of vertraging van de aankomst van 0,4

2008 2009 2010 2011 2012 2013

6

22 mrt

30 mei

25 mei

20 mei

15 mei

10 mei

05 mei

30 apr

25 apr

20 apr

15 apr

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

Gemiddelde aankomstdatum

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

0,6

11 mrt

0,8

06 mrt

01 mrt

1,6

25 feb

25

20 mrt

2008 2009 2010 0 1,4 2011 -25 lange afstand 2012 -50 1,2 korte afstand 2013 -75 1 50

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

dagen vroeger /

100

❱ Figuur 4. Cumulatieve aankomstcurven van Gele Kwikstaart Motacilla flava 2008-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 4. Cumulative arrival profiles of Yellow Wagtail Motacilla flava during spring 2008-2013, corrected for search effort. Late aankomst van vroege soorten in 2013 Soorten als Roodborsttapuit Saxicola rubicola (Figuur 5), Tjiftjaf Phylloscopus collybita en in mindere mate ook Witgatje en Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros, die na een reeks zachte winters in toenemende aantallen overwinteren in Vlaanderen, vertoonden over de laatste zes jaren een typisch patroon van verschil in aankomst. Na

6 5 4 3 2 1 0

20 mrt

50

1,2

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

75

1,4

05 apr 07 apr 09 apr 11 apr 13 apr 15 apr 17 apr 19 apr 21 apr 23 apr 25 apr 27 apr 29 apr 01 mei 03 mei 05 mei 07 mei 09 mei 11 mei 13 mei 15 mei 17 mei 19 mei

(b) 2012

100

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

30 mei

25 mei

20 mei

15 mei

10 mei

30 apr

05 mei

25 apr

20 apr

15 apr

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

11 mrt

25 feb

01 mrt

Gemiddelde aankomstdatum 125

-100

2008 2009 2010 2011 2012 2013

1,6

korte afstand lange afstand

-150

dagen vertraging

Vroege aankomst van Afrika-trekkers in 2011

-100 -125

/

Specifieke aankomstpatronen De Tuinfluiter vormt een goed voorbeeld van de ongewoon vroege aankomst van Afrika-trekkers in 2011 (Figuur 3). Reeds vanaf half april start het aantal waarnemingen (normaal pas in de laatste dagen van april) en 2011 laat zijn voorsprong niet meer los: heel het voorjaar 2011 door bleven er relatief veel (vooral zingende) Tuinfluiters gemeld worden uit Vlaanderen.

25

06 mrt

dagen vroeger

/ dagen vertraging

18 •


2 1,5 1 0,5

19 apr 24 apr 29 apr

10 mrt 15 mrt 20 mrt 25 mrt 30 mrt 04 apr 09 apr 14 apr

30 jan 04 feb 09 feb 14 feb 19 feb 24 feb 29 feb 05 mrt

0

❱ Figuur 5. Cumulatieve aankomstcurven van Roodborsttapuit Saxicola rubicola 2008-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 5. Cumulative arrival profiles of Stonechat Saxicola rubicola during spring 2008-2013, corrected for search effort. de laatste zachte winter uit een lange reeks, namen de aantallen begin 2008 al heel vroeg en geleidelijk toe. Na de meer normale winters die daar op volgden, is er amper nog sprake van wintergevallen en reeds toenemende aantallen in januari-februari. De aankomst verloopt daarentegen snel en geconcentreerd in maart, vrijwel vanaf nul. De aankomst in 2013 was nog eens systematisch beduidend later (en met minder vogels) dan de vijf voorgaande jaren. Zwartkop Sylvia atricapilla volgt ook dit patroon, maar de geleidelijke vroege aankomst in januari-maart ontbreekt bij deze soort (ook in 2008). Met al heel wat vogels aanwezig in januari-februari 2013, liepen Boomleeuwerik (Figuur 1) en Zanglijster Turdus philomelos duidelijk voor op het gemiddelde schema. Nadien viel het echter helemaal stil, waardoor ze uiteindelijk nog een forse achterstand opliepen.

Zoals de 2009 cumulatieve curven voor aankomst hierboven, kunnen we 2010 ook aftelcurven opstellen om het vertrekpatroon van wintergas2011 ten in beeld te brengen. In 2011 vertrokken 15 van de 23 overwin2012 2 2013 terende soorten voor hun normale schema. Zeven soorten waren flink vroeg weg (PAS-waarden kleiner dan -20): Rotgans Branta ber1,5 nicla, Kievit Vanellus vanellus, Goudplevier Pluvialis apricaria, Wilde 1 Zwaan Cygnus cygnus, Klapekster Lanius excubitor, Kokmeeuw Larus ridibundus en Stormmeeuw Larus canus. Vooral Rotgans liep uitzon0,5 derlijk voorop (rood punt in Figuur 7a). Volgende acht vertrokken iets voor het gemiddelde: Kleine Zwaan Cygnus columbianus, Brandgans 0 Branta leucopsis, Brilduiker Bucephala clangula, Grote Zilverreiger Egretta alba, Keep Fringilla montifringilla, Koperwiek Turdus iliacus, Sijs Carduelis spinus en Waterpieper Anthus spinoletta. Velduilen Asio flammeus en Kemphanen Philomachus pugnax bleven het langst plakken. 2,5

15 mrt 17 mrt 19 mrt 21 mrt 23 mrt 25 mrt 27 mrt 29 mrt 31 mrt 02 apr 04 apr 06 apr 08 apr 10 apr 12 apr 14 apr 16 apr 18 apr 20 apr 22 apr 24 apr 26 apr 28 apr 30 apr

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

2,5

15 jan 20 jan 25 jan

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

3

19

3 Algemeen 2008 vertrekpatroon

2008 2009 2010 2011 2012 2013

3,5

Het vertrek was in 2012 mooi verdeeld tussen 12 soorten die vroeger dan gemiddeld weg waren en 11 die later vertrokken (Tabel 2, zie website). Maar de soorten die vroeger vertrokken hadden wel meer voorsprong dan de late soorten achterstand: dat geeft alles samen voor de 23 soorten een negatieve (voorsprong) PAS-waarde =-378 (Tabel 2). Die voorsprong op het normale schema was zelfs nog ietsje groter dan in “het vroege jaar” 2011 (PAS=-323): in 2012 waren er bv. 7 soorten met een heel vroeg vertrek (PAS-waarden kleiner dan -50), terwijl dit er in 2011 maar 4 waren. Grootste afwijkingen zaten in 2012 bij Grote Zilverreiger, Velduil en Koperwiek (vroeg) en Rotgans en Tureluur Tringa totanus (laat). Blijkbaar vormde de plotse overgang van zeer koud naar zeer zacht weer half februari 2012 een sterker vertreksignaal voor overwinteraars dan het continu te zachte weer in 2011.

Late aankomst van Afrika-trekkers in 2013 Een gelijkaardig patroon van sterk vertraagde aankomst vinden we ook terug bij meerdere Afrika-trekkers in 2013, zeker bij de gemiddeld vroeg aankomende soorten Blauwborst Luscinia svecica, Rietzanger, Fitis Phylloscopus trochilus (Figuur 6), Zomertaling, Koekoek en Gekraagde Roodstaart. Maar ook bij gemiddeld laat aankomende soorten als Gierzwaluw, Wielewaal Oriolus oriolus, Tuinfluiter (Figuur 3), Nachtzwaluw Caprimulgus europaeus en Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata.

Cumulatief aantal vogels t.o.v. zoekinspanning

3 2,5 2

2008 2009 2010 2011 2012 2013

1,5 1 0,5 0

15 mrt 17 mrt 19 mrt 21 mrt 23 mrt 25 mrt 27 mrt 29 mrt 31 mrt 02 apr 04 apr 06 apr 08 apr 10 apr 12 apr 14 apr 16 apr 18 apr 20 apr 22 apr 24 apr 26 apr 28 apr 30 apr

29 apr

IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

❱ Figuur 6. Cumulatieve aankomstcurven van Fitis Phylloscopus trochilus 20082013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 6. Cumulative arrival profiles of Willow Warbler Phylloscopus trochilus during spring 2008-2013, corrected for search effort.

❱ Zwarte Roodstaart Phoenicurus ochruros mannetje. 14 april 2003. Kalmthout (A)  (Foto: Glenn Vermeersch) Vooral van de gemiddeld vroeg vertrekkende soorten zijn er in 2013 veel langer dan normaal achter gebleven (Figuur 7b). De meeste vertrokken zelfs met een record achterstand (Tabel 2, zie www. natuurpunt.be/oriolus): Goudplevier, Kievit, Klapekster, Kokmeeuw, Kolgans Anser albifrons, Koperwiek, Nonnetje Mergellus albellus, Sijs en Stormmeeuw. Veel Rotganzen (rood punt in Figuur 7b) verdwenen uitzonderlijk vroeg, maar het is mogelijk dat deze in februari deels nog verder zuidelijk getrokken zijn op vlucht voor de late winterinval. Als we voor Rotgans enkel de gegevens nemen na 20 februari, dan past de soort wel in het plaatje, met in feite zelfs nog vrij veel laat achterblijvende vogels in 2013 (oranje punt in Figuur 7b). Ook een heel pak Brandganzen, Kleine Zwanen en Wilde Zwanen verdween reeds in februari 2013, maar ook voor Brandgans is het niet zo duidelijk in welke richting. Bij Grote Zilverreiger gebeurde in 2013


IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

iets gelijkaardigs als bij Zanglijster en Boomleeuwerik: al heel vroeg vertrokken er relatief veel vogels, maar nadien blokkeerde alles en liepen ze uiteindelijk toch ook achterstand op. Velduilen bleven lang aanwezig, maar Blauwe Kiekendief, Brilduiker, Keep en Waterpieper daarentegen vertrokken op het normale tijdstip in 2013. Gemiddeld later vertrekkende soorten liepen geen achterstand op in 2013: Kemphaan, Tureluur en Smelleken Falco columbarius (groene punten in Figuur 7b) vertrokken zelfs relatief vroeg. Voor Kemphaan en Smelleken gebeurde dit nadat de vorst definitief geweken was. Bij Tureluur was er misschien in maart ook eerst nog wegtrek naar het zuiden.

een flink aantal bleef relatief langer aanwezig. In 2012 werden er daarentegen zeer weinig gezien en ze vertrokken heel vroeg. In het voorjaar 2011 lagen de aantallen hoog, maar ze vertrokken relatief vroeg.

2010

100

2011

125 100

2008 2009 2010 2011 2012 2013

25

75

50 20 0 15

(b) 2013

125

30 apr

05 mei

10 mei

03 apr

06 apr

25 apr 28 mrt

31 mrt

20 apr

15 apr

25 mrt

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

11 mrt

06 mrt

01 mrt

25 feb

15 apr

12 apr

09 apr

22 mrt

19 mrt

16 mrt

13 mrt

10 mrt

07 mrt

04 mrt

01 mrt

27 feb

Gemiddelde vertrekdatum 24 feb

0

21 feb

5

20 feb

-100

15 feb

-50 10 -75

❱ Figuur 9. Vertrekcurven van Goudplevier Pluvialis apricaria 2008-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 9. Departure profiles of Golden Plover Pluvialis apricaria during spring 20082013, corrected for search effort.

100 75 50

/

25 0 -25 -50 -75 10 mei

05 mei

30 apr

25 apr

20 apr

15 apr

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

11 mrt

06 mrt

01 mrt

25 feb

20 feb

15 feb

10 feb

-100

Gemiddelde vertrekdatum

❱ Figuur 7. Overzicht van de voorsprong of vertraging van het vertrek van wintervogels t.o.v. het gemiddelde 2008-2013 voor 2011 (a) en 2013 (b). Elk punt verwijst naar een soort: boven nul was het vertrek in 2011 of 2013 later dan gemiddeld, onder nul was de soort vroeger weg dan gemiddeld. ❱ Figure 7. Overview of the advancement or delay of departure of winter visitors compared with the average pattern 2008-2013 for 2011 (a) and 2013 (b). Each point is the PAS-value for a species: positive values indicate departure later than average, negative values earlier departure.

Specifieke vertrekpatronen Omdat aantallen t.o.v. zoekinspanning weergegeven worden, valt uit Figuur 8 ook op te maken hoe groot de variatie in het aantal Sijzen was de laatste jaren. In het voorjaar van 2013 waren er vrij veel Sijzen en

Er werden ongewoon veel Goudplevieren gezien in het voorjaar 2013 en ze bleven heel lang in ongewoon grote aantallen ter plaatse (zie ook elders in dit nummer). Dit lezen we ook duidelijk af van de berekende vertrekcurven (Figuur 9). “Vertrek” moet hier genuanceerd worden, want het ging, afhankelijk van de datum, zowel om vogels die nog opnieuw naar het zuiden vluchtten, als over vogels die geblokkeerd aan de grond zaten, als om de traditionele groepen op lentetrek. Bontbekplevier is een apart geval. De aankomst en doortrek blijkt in twee discrete golven te verlopen: een eerste kleine golf waarnemingen in maart en een tweede grotere in mei, met tussenin maar heel weinig vogels in april (Figuur 10). In 2013 verliep het grondig anders: zeer grote aantallen tijdens de late koudeperiode in de tweede helft van maart en begin april en veel kleinere aantallen in de tweede periode, waarbij relatief veel vogels nog lang nableven eind mei en begin juni. De piek eind maart 2013 gaat wellicht vooral om vogels die al verder noordelijk waren, maar daar voor het winterweer zijn gevlucht, of om doortrekkers die hier geblokkeerd geraakten en lang ter plaatse bleven (bv. in de IJzermonding) terwijl ze normaal snel doortrekken (en dus minder opgemerkt worden). De toestand gelijkt goed op wat er de Grutto’s Limosa limosa overkwam in 2013

20

15

10

5

0

15 feb

Cumulatief aantal vogels tov. zoekinspanning

29 apr

22 apr

15 apr

08 apr

01 apr

25 mrt

18 mrt

11 mrt

26 feb

04 mrt

19 feb

12 feb

29 jan

05 feb

22 jan

15 jan

0

18 feb

29 apr

10 mei 22 apr

15 apr

30 apr

05 mei 08 apr

25 apr

01 apr

20 apr

25 mrt

15 apr

11 mrt

04 mrt

26 feb

19 feb

12 feb

05 feb

18 mrt

10 apr

05 apr

31 mrt

26 mrt

21 mrt

16 mrt

11 mrt

06 mrt

Gemiddelde vertrekdatum 29 jan

15 jan

08 jan

01 jan

0

22 jan

25 feb

01 mrt

20 feb

15 feb

20

150 dagen vertraging

20

-25

-100 40 -125

40

25

dagen vroeger

-75

2013

60

10 feb

dagen vroeger

-50

2013

60

01 jan

2012

-25 80

2012

15 feb

0

2011 80

Cumulatief aantal vogels tov. zoekinspanning 10 feb

2009

dagen vertraging

2008

25

2010

100

150

(a) 2011 120

25

2009

❱ Figuur 8. Vertrekcurven van Sijs Carduelis spinus 2008-2013, gecorrigeerd voor zoekinspanning. ❱ Figure 8. Departure profiles of Siskin Carduelis spinus during spring 2008-2013, corrected for search effort.

/

50 Cumulatief aantal vogels tov. zoekinspanning

/ dagen vertraging

75

2008

08 jan

Cumulatief aantal vogels tov. zoekinspanning

120

Kleine Zwaan, Keep, Brilduiker, Kramsvogel Turdus pilaris en Brandgans waren de soorten met meest stabiele vertrekdatum de afgelopen drie jaar. Goudplevier, Koperwiek, Velduil, Rotgans en Kievit die met de grootste variatie. Koperwiek en Kramsvogel reageerden sterk verschillend op de ongewone temperaturen: Koperwiek liep flink voorop tijdens het warme 2011 en 2012, Kramsvogel niet. Omgekeerd, in 2013 liep Koperwiek sterk achterop, maar Kramsvogel niet. Koperwiek blijkt een grotere opportunist te zijn, die zijn timing makkelijker laat beïnvloeden.

dagen vroeger

10 mei

20 •


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

21

❱ Bontbekplevier Charadrius hiaticula. 14 mei 2008. Lesbos (Gr) (Foto: Raymond De Smet) (zie elders in dit nummer). Wanneer we deze cijfers tussen jaren echter vergelijken met cumulatieve grafieken opgebouwd vanaf 1 maart, dan lijkt het echter alsof de doortrek extreem vroeg was in 2013, terwijl voor beide doortrekgolven te zien is dat de vogels in 2013 later waren. Dat is vooral omdat de verhouding van de aantallen tussen de twee periodes omgekeerd was in 2013. Het is dus altijd best om eerst het patroon te inspecteren vooraleer de cijfers door de molen te draaien. Een afzonderlijke analyse van curven voor de twee tijdsintervallen (tot 15 april en na 15 april) lost hier het probleem op (Tabel 1). 600 Gemiddelde 2008-2012

2013

400 300 200

14/06

09/06

04/06

30/05

25/05

20/05

15/05

10/05

05/05

30/04

25/04

20/04

15/04

10/04

05/04

31/03

26/03

21/03

16/03

11/03

0

06/03

100

01/03

totaal aantal vogels per dag

500

❱ Figuur 10. Doortrekpatroon van Bontbekplevier Charadrius hiaticula in 2013 t.o.v. het gemiddelde 2008-2012 (niet gecorrigeerde aantallen). ❱ Figure 10. Passage of Common Ringed Plover Charadrius hiaticula in 2013 compared to average 2008-2012 (raw data).

Discussie Een potentiële zwakte van de gebruikte methode is dat de waargenomen zomer- of wintergasten niet noodzakelijk pas toegekomen of “aan het vertrekken” zijn wanneer ze gerapporteerd worden. Zoals hierboven bij Goudplevier vermeld, gaat het soms zelfs om vogels die in tegengestelde richting trekken: de ene dag nog wegvluchten, de volgende week terug de andere kant op. En dat op een verschillend tijdstip in opeenvolgende jaren. Voor sommige soorten gaat het ook om meerdere populaties door elkaar: terwijl de grotere groepen overwinterende Kieviten in de lente vertrekken, komen onze broedvogels verspreid aan op hun broedterritoria. Door het eerste fenomeen neemt het aantal gemelde vogels af (minder meldingen van grote groepen), door het tweede neemt het toe (meer meldingen van enkele verspreide baltsende vogels). Voor soorten met een complex patroon (vb. Bontbekplevier, Figuur 10) riskeert het berekenen van verschillen tussen cumulatieve grafieken tot een verkeerde conclusie te leiden. Dat kan ook voor andere soorten die in de late winter heen en weer trekken, flirtend met de wintergrens, een rol spelen (zie abnormale patronen Rotgans en sommige steltlopers). De werkelijke timing zou dus voor sommige soorten misschien kunnen afwijken van de hier gereconstrueerde curven op basis van alle waarnemingen. Maar in de praktijk blijken dergelijke cumulatieve of aftelcurven voor de meeste soorten redelijk goed de aanwezigheid en dus ook de snelle toename bij aankomst en de snelle afname bij vertrek te beschrijven. Ze gaan uit van het simpele maar bekoorlijke principe: eerst is er niets en nadien veel, … wel dan is er tussen die twee momenten aankomst geweest. En omgekeerd: eerst zijn er nog veel en dan niet meer, … dan zullen ze tussenin wel vertrokken zijn (mits er gecorrigeerd wordt voor de zoekinspanning zoals hier gebeurde). Voor soorten met een complexer patroon is de keuze


22 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

❱ Grauwe Vliegenvanger Muscicapa striata. 5 mei 2011. Lesbos (Gr) (Foto: Raymond De Smet) van de tijdspanne waarover de curve opgebouwd wordt belangrijk. Voor soorten waar specifiek moet naar gezocht worden op typische plaatsen en voor soorten die in grote groepen voorkomen en waarvan er dan flinke aantallen ineens geteld worden, riskeert de curve eerder getrapt te verlopen zoals bij Paarse Strandloper Calidris maritima (niet gebruikt in de analyses), of - zij het in mindere mate- bij Goudplevier (zie Figuur 9, jaar 2013). De methode werkt dus vooral goed voor soorten die men overal kan tegenkomen in eerder kleine aantallen en vooral wanneer ze ook frequent gerapporteerd worden. Het is altijd verleidelijk om fenologische patronen te verklaren aan de hand van plaatselijke weersituaties: het is hier bij ons ongewoon warm, dus komen de zomervogels vroeger toe en zijn de wintervogels rapper weg. Bij een koud voorjaar hier, gebeurt het omgekeerde. Figuur 2a en b geven echter aan dat we vooral voor soorten die diep uit Afrika komen toch wat ruimer moeten leren denken. Met die soorten kan veel gebeuren in de winter en tijdens de trek, wat in belangrijke mate hun timing kan beïnvloeden. Bovendien volgen soorten niet allemaal eenzelfde route naar Europa: de meeste komen via het zuidwesten terug, maar er zijn ook enkele soorten die via het zuidoosten uit oostelijk Afrika terugkomen. Het uitzonderlijk koude voorjaar in 2013 lag vooral geconcentreerd over West-Europa, terwijl het weer in het zuidoosten bij momenten wel normaal was. Niet te verbazen dus dat Braamsluiper Sylvia curruca en Bosrietzanger die via die hoek terugkomen, zelfs vroeger dan normaal bij ons aankwamen in 2013. In tegenstelling tot veel zuidwest-trekkers, zoals Fitis, waren Braamsluipers ook in Duitsland op tijd terug in 2013 (König et al. 2013). Over de invloed van de droogte in Oost Afrika en het laat aankomen van een paar oostelijke trekkers werd al eerder bericht (Herremans 2012). Maar nu zien we ook sterke patronen bij soorten die naar West Afrika trekken. En ook dat correleert goed met de

regenval ginder. In de nazomer van 2010 was de regenval in de Sahel overvloedig (http://jisao.washington.edu/data/sahel/). Dat geeft veel gebieden met gunstige habitatcondities voor de overwintering, zelfs relatief ver naar het noorden, en voor veel vogels goede overleving en vroeg vertrek in goede conditie. Dat zien we ook in de vroege aankomsten (Figuur 2a) en grote aantallen (Figuur 3). In de nazomer 2011 was de regen in de Sahel ver ondermaats met winterse droogte tot gevolg: vogels moeten dan in miserabele omstandigheden overwinteren, of verder zuidelijk trekken en in de lente is er een grotere strook van troosteloos gebied te overbruggen. Dat weerspiegelt zich in latere aankomst (Figuur 2b) en lagere aantallen (Figuren 3 en 4). Dat enkele soorten watervogels precies het omgekeerde deden (Zomertaling, Rosse Grutto, Zwarte Ruiter en Lepelaar), en in zo’n omstandigheden toch vroeger naar Vlaanderen terugkeren kan misschien te maken hebben met een tekort aan wetlands. Iets gelijkaardig kennen we van Steltkluten Himantopus himantopus die vroeg naar hier doorschuiven als het in het Iberisch schiereiland een droge winter is. De link tussen de toestand in Afrika en de aantallen trekkers in Nederland wordt voor de betrokken jaren bv. ook in de Vogelbalans aangehaald (Sovon 2012), en het principe wordt ook goed geduid in het boek “Living on the Edge” (Zwarts et al. 2009). Regenval en habitatcondities zijn echter niet de enige zaken die een rol kunnen spelen in Afrika. Bij het oversteken van de Sahara in de lente maken de meeste soorten gebruik van een krachtige rugwind op grote hoogte. Aan de grond is er stevige tegenwind (noordoostpassaat), maar boven een windkering op 1-2km hoogte staat er doorgaans een krachtige zuidelijke tot westelijke stroming. Maar soms gaat het mis en valt die windkering voor meerdere dagen weg. Dan gaat de deur over de Sahara dicht en voor veel gestrande vogels ook al snel het licht uit. Wie het overleeft, loopt dagen tot zelfs weken vertraging op voor hij voldoende gerecupereerd is voor een volgende oversteekpoging.


Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

We leven klimatologisch in woelige tijden. Het is altijd wel iets tegenwoordig: 1998-2008 zonder noemenswaardige winter, met 2006-2007 de zachtste ooit, 2011 tweede warmste lente, 2012 bijna 100 jaar geleden dat het nog zo streng vroor, 2013 de koudste lente in een halve eeuw, 2013-2014 tweede zachtste winter ooit. Dat heeft duidelijk zijn invloed op de vogels, maar het aanpassingsvermogen van veel soorten is toch ronduit verbazend. Dat aanpassingsvermogen heeft soms echter een genetische basis (micro-evolutie) en zorgt voor een “geheugen-effect” van vorige winters. Zo stelde Dhondt (1983) al vast dat het aantal overwinterende Roodborsttapuiten meer afhing van de strengheid van de vorige winter dan van de winter waarin ze werden opgemerkt. Het eerste voorjaar van deze studie (2008) valt na de reeks van 20 jaar met zeer zachte winters en volgde één winter na de recordzachte winter 2006-2007. Zo zien we inderdaad in Figuur 5 dat er in 2007-2008 veel Roodborsttapuiten overwinterden in Vlaanderen en dat er al relatief veel vogels heel vroeg bij het eind van de winter begonnen terug te keren, wellicht omdat ze terugkwamen van minder ver afgelegen overwinteringsplaatsen. Het wordt interessant om de timing van de aankomst van Roodborsttapuiten dit voorjaar (2014) te vergelijken met Figuur 5: wordt het een curve zoals 2008 omdat ze volgt op een heel zachte winter 2013-2014, of eentje zoals de jaren 2009-2013 omdat ze volgt één jaar na een normale winter? Helm (2002) toonde anderzijds aan dat de trekafstand van Roodborsttapuit na 1980 niet echt beduidend korter was dan ervoor, maar de reeks erg zachte winters werd na het einde van haar studie wel nog flink langer en extremer. Soms valt er natuurlijk wel een prijs te betalen voor plasticiteit: de erg late aankomst en het “verteren” van de late winterprik heeft in 2013 bij veel vogels zoveel tijd en conditie gekost, dat het tot een slecht broedseizoen heeft geleid; al geldt dat niet voor alle soorten (Gelpke et al. 2013). Zo noteerde men in Duitsland bv. ook dat Visarend, Rode Wouw en Bruine Kiekendief verbazend vroeg terugkeerden in 2013 en weinig hinder ondervonden van de late winterperiode (König et al. 2013). Bij het uitzonderlijke warme voorjaar 2011 werden veel trekkers vroeger en in grotere aantallen opgemerkt dan normaal. Daar zit-

❱ Tjiftjaf Phylloscopus collybita. 30 januari 2014. Almere (Nl.) (Foto: Robert Heemskerk)

IN HET VELD •

23

ten meerdere soorten bij die hun aanwezigheid vooral auditief laten merken: Nachtegaal, Nachtzwaluw, Woudaapje en Tuinfluiter. Het is dus verleidelijk om te geloven dat vooral de grotere waarneembaarheid van bij dit mooie weer frequenter zingende vogels (mee) tot dit resultaat heeft geleid. Anderzijds zien we dit patroon evengoed bij soorten die vooral visueel waargenomen worden zoals Bosruiter en Zwarte Stern. Het uitzonderlijke patroon van 2011 zal dus allicht hooguit ten dele aan een toegenomen trefkans te wijten zijn. Toch mogen we het fenomeen van variatie in trefkans ook bij fenologie niet uit het oog verliezen. 2013 was daar een uitstekend voorbeeld van. Tjiftjaffen waren in beduidende aantallen toegekomen toen de koude toesloeg in maart. In plaats van individueel verspreid in territoria uitbundig te zingen en dus makkelijk opgemerkt te worden, zaten ze her en der in flinke groepen bij elkaar, bv. weggedoken in het riet langs een vuile gracht of aan de zonnige kant van dicht struikgewas langs een mestvaalt. Dit gedrag van dagenlang samentroepende Tjiftjaffen bij het aankomen in de lente was nog niet eerder opgemerkt in West-Europa, maar in 2013 werd het van overal gemeld. Dit leidde tot opmerkelijke gedragingen zoals Tjiftjaffen die zwijgzaam in losse groepjes de ‘vloedlijn’ van water afspeurden als waren het Grote Gele Kwikken Motacilla cinerea of zelfs al biddend prooien oppikten van het wateroppervlak. Het is een interessante oefening om via de statistiekenpagina van www.waarnemingen.be een vergelijking te maken tussen de piek aan zingende Tjiftjaffen in 2012 & 2013 en de rapportage van “alle vogels” (inclusief de niet zingende). De piek met meer dan 500 waarnemingen van zingende vogels viel in 2012 op 24 maart, en pas op 17 april in 2013 (beide natuurlijk in het weekend). Nochtans werden er al veel vroeger flinke aantallen gemeld op 24 maart en 7 april 2013. Het is duidelijk dat zulke grote verschillen in gedrag de kans dat een waarnemer een soort opmerkt, en bijgevolg ook de inschatting van wanneer de soort is “aangekomen” sterk beïnvloeden. In de toekomst zal het becijferen van de variaties in de trefkans een belangrijke corrigerende aanvulling moeten gaan worden. Op basis van eenvoudige streeplijstjes van alle soorten die je hebt waargenomen valt dit te becijferen, mits er voldoende “gestreept” wordt en er dus voldoende herhalingen zijn. Daarom andermaal


24 •

IN HET VELD

een oproep: voer zoveel mogelijk waarnemingen mobiel in vanaf de smartphone (dat gaat het snelst en is precies). Koppel waarnemingen dan achteraf (thuis via de PC) zo veel mogelijk aan een streeplijst die je aanvult met alle andere waargenomen soorten (voor meer informatie over streeplijsten maken, zie Herremans & Vanreusel 2011 http://biodivenquete.natuurpunt.be/telmee/ downloads/Natuur.oriolus_77-4_2011_mbt_streeplijsten.pdf of zie handleiding waarnemingen.be downloadbaar van deze site). Uit waarnemingen die ook aan streeplijsten gekoppeld werden, kunnen we in de toekomst de beste resultaten halen.

Dankwoord Alle gebruikers die hun waarnemingen delen en beschikbaar stellen via www.waarnemingen.be worden hier uitdrukkelijk voor bedankt. Zoals ook weer blijkt uit dit artikel: iedere waarneming telt ! (al was het maar om te weten waar er overal met welke intensiteit gezocht werd). In totaal werden in dit overzicht 12,5 miljoen gemelde vogels verwerkt en 783.605 daghokbezoeken. Een ongelooflijke rijkdom aan informatie: volhouden mensen, er zijn buitengewone dingen mee te doen! Marc Herremans, Natuurpunt Studie Coxiestraat 11, B- 2800 Mechelen marc.herremans@natuurpunt.be

Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

Referenties Dhondt A. 1983. Variations in the number of overwintering Stonechats possibly caused by natural selection. Ringing & Migration 4: 155-158. Driessens G. 2008. Fenologie: resultaten en bespreking 2007. Natuur.oriolus 74(1): 8-10. Driessens G. 2009. Fenologie: resultaten en bespreking 2008. Natuur.oriolus 75(1): 5-7. Driessens G. 2011. Fenologie: resultaten en bespreking 2010. Natuur.oriolus 77(1): 4-8. Driessens G. & M. Herremans. 2010. Fenologie: resultaten en bespreking 2009. Natuur. oriolus 76(2): 51-58. Gelpke C., C. Köning, S. Stubing & J. Wahl. 2013. Märzwinter 2013: bemerkenswerter Zugstau und Vögel in not. Der Falke 60: 180-185. Helm B. 2002. Seasonal timing in different environments: comparative studies in Stonechats. Dissertation der Fakultät für Biologie an der Ludwig-Maximilians-Universität Munchen. http://edoc.ub.uni-muenchen.de/937/1/Helm_Barbara.pdf Herremans M. 2007. Fenologie ruimer bekijken in relatie tot klimaatverandering. Natuur. oriolus 73(1): 1-9. Herremans M. 2010. Fenologie: ‘aankomst’ bij overwinterende vogelsoorten. Pp. 72-73 in: Herremans et al. Jaarverslag 2008-2009. Markante resultaten van Natuurpunt Studie. Natuurpunt Studie, Mechelen, België. Herremans M. 2012. Fenologie: goden uit oosten laat in 2011. Natuur.oriolus 78(2): 55-61. König C., S. Stubing & J. Wahl. 2013. Frühjahr 2013 – Späte Kurtzstreckenzieher, frühe Langstreckenzieher. Der Falke 60: 274-279. Leysen K. 2005. Fenologie: resultaten en bespreking 2004. Natuur.oriolus 71(1): 9-12. Leysen K. 2006. Fenologie: resultaten en bespreking 2005. Natuur.oriolus 72(1): 14-18. Leysen K. 2007. Fenologie: resultaten en bespreking 2006. Natuur.oriolus 73(1): 10-12. Leysen K. & M. Herremans. 2004. Fenologie: resultaten en bespreking zomervogels 2003 en anlalyse trends sinds 1985. Natuur.oriolus 70(1): 33-42. Sovon. 2012. Vogelbalans 2012. Sovon vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Zwarts L., R.G. Bijlsma, J. van der Kamp & E. Wymenga 2009. Living on the edge: Wetlands and birds in a changing Sahel. KNNV Publishing, Zeist.

Samenvatting – Abstract – Résumé De lente van 2011 was uitzonderlijk warm. De meeste Afrika-trekkers arriveerden heel vroeg en in grote aantallen, maar dat zal meer aan de overvloedige regens in de Sahel in 2010 gelegen hebben dan aan de uitzonderlijk warme lente bij ons. Bosrietzanger arriveerde heel laat, maar die trekt via de Hoorn van Afrika, die toen getroffen werd door droogte. In de winter van 2011-2012 heerste er droogte in de Sahel en de volgende lente kwamen veel van de Afrika-trekkers laat aan in Vlaanderen, en in kleinere aantallen. Vier watervogels (Zomertaling, Rosse Grutto, Zwarte Ruiter en Lepelaar) kwamen helemaal tegen deze trend in veel vroeger dan normaal terug in 2012. Tijdens de uitzonderlijk koude lente van 2013 keerden de meeste soorten laat terug, zowel korte-afstandstrekkers als Afrika-trekkers (Tabel 1, zie www.natuurpunt.be/oriolus). De zes soorten korteafstandstrekkers die het kortst na de normale datum arriveerden (Ooievaar, Kraanvogel, Rode Wouw, Witgatje, Bruine Kiekendief en Dwergmeeuw), zijn winterharde soorten die regelmatig in West Europa overwinteren. Visarend en Kwartel waren wel vroeg in 2013. Zwartkopmeeuw en Visdief waren uitzonderlijk laat. Voor alle 61 soorten zomervogels samen bedroeg de vervroeging 462 dagen in 2011, 209 in 2012, terwijl er een gecumuleerde vertraging was van 1724 dagen in 2013: 2011 was een jaar met vooral veel vroege vogels en 2013 met heel veel laatkomers. De tien soorten met meest stabiele aankomst de afgelopen drie jaar waren Kleine Plevier, Beflijster, Zwarte Wouw, Tapuit, Bruine Kiekendief, Oeverloper, Regenwulp, Kraanvogel, Bonte Vliegenvanger en Koekoek. Die met de meest variabele aankomst: de vroege golf van Bontbekplevier, Dwergmeeuw, Rosse Grutto, Zwartkopmeeuw, Zwarte Stern, Zwarte Ruiter, Gierzwaluw, Boomleeuwerik, Zomertaling en Visdief. In 2011 vertrokken 15 van de 23 overwinterende soorten voor hun normale schema. Zeven soorten waren flink vroeg weg: Rotgans, Kievit, Goudplevier, Wilde zwaan, Klapekster, Kokmeeuw en Stormmeeuw. Velduilen en Kemphanen bleven het langst plakken. Het vertrek was in 2012 mooi verdeeld tussen 12 soorten die vroeger dan gemiddeld weg waren en 11 die later vertrokken. Maar de soor-

ten die vroeger vertrokken hadden wel meer voorsprong dan de late soorten achterstand: in 2012 waren er bv. 7 soorten met een heel vroeg vertrek, terwijl dit er in 2011 maar 4 waren. Grootste afwijkingen zaten in 2012 bij Grote Zilverreiger, Velduil en Koperwiek (vroeg) en Rotgans en Tureluur (laat). Vooral de gemiddeld vroeg vertrekkende soorten zijn in 2013 veel langer dan normaal achter gebleven (Figuur 7b). De meeste vertrokken zelfs met een record achterstand (Tabel 2, zie www.natuurpunt. be/oriolus). Blauwe Kiekendief, Brilduiker, Keep en Waterpieper daarentegen vertrokken op het normale tijdstip. Kleine Zwaan, Keep, Brilduiker, Kramsvogel en Brandgans hadden de afgelopen drie jaar de meest stabiele vertrekdatum. Goudplevier, Koperwiek, Velduil, Rotgans en Kievit hadden de grootste variatie. Koperwiek laat zijn vertrektijd dus veel meer beïnvloeden dan Kramsvogel. Bontbekplevier passeert in de lente in twee golven en vergt dus een opgesplitste behandeling van de data. Variatie in trefkans kan een probleem vormen voor de interpretatie van losse waarnemingen voor de analyse van fenologie. Meer streeplijstjes maken zou toelaten hiervoor in de toekomst te compenseren. Effects of the exceptional springs of 2011 and 2013 on the phenology of migrant birds Spring 2011 was exceptionally warm. Most trans-Sahara migrants arrived very early and in good numbers. This is probably more due to good rains in the Sahel in 2010, and less related to the warm spring in Flanders. Marsh warbler Acrocephalus palustris arrived late in 2011, but this species migrates via the Horn of Africa, which had then been drought-stricken. Drought also prevailed in the Sahel in winter 2011-2012 and many transSahara migrants arrived late and in smaller numbers in Flanders in spring 2012. Four waterbirds (Garganey Anas querquedula, Bar-tailed Godwit Limosa lapponica, Spotted Redshank Tringa erythropus and Eurasian Spoonbill Platalea leucorodia) arrived early, against all odds. During the exceptionally cold spring of 2013, most migrants returned late, both short-distance migrants and trans-Sahara migrants (Table


Natuur.oriolus I 80 (1) I 15-25 20-30

1, see www.natuurpunt.be/oriolus). All six short-distance migrants that arrived closest after the normal date (White Stork Ciconia ciconia, Common Crane Grus grus, Red Kite Milvus milvus, Green Sandpiper Tringa ochropus, Marsh Harrier Circus aeruginosus and Little Gull Hydrocoloeus minutus), are winter-resistant species that regularly overwinter in Western Europe. Surprisingly, Osprey Pandion haliaetus and Common Quail Coturnix coturnix arrived substantially early in 2013. Mediterranean Gull Larus melanocephalus and Common Tern Sterna hirundo were exceptionally late. For all 61 summer migrants together, the advancement was 462 days in 2011, 209 in 2012, but there was a cummulated delay of 1724 days in 2013: 2011 had mostly early birds, 2013 late ones. The ten species with most stable arrival dates the last three years were Little Ringed Plover Charadrius dubius, Ring Ouzel Turdus torquatus, Black Kite Milvus migrans, Northern Wheatear Oenanthe oenanthe, Marsh Harrier, Common Sandpiper Actitis hypoleucos, Whimbrel Numenius phaeopus, Common Crane, Pied Flycatcher Ficedula hyopoleuca and Common Cuckoo Cuculus canorus. Those with the most variable arrival dates: the early wave of Common Ringed Plover Charadrius hiaticula, Little Gull, Bar-tailed Godwit, Mediterranean Gull, Black Tern Chlidonias niger, Spotted Redshank, Common Swift Apus apus, Woodlark Lullula arborea, Garganey and Common Tern. Fifteen of the 23 wintering species left early in 2011, seven of them substantially so: Brent Gosse Branta bernicla, Northern Lapwing Vanellus vanellus, European Golden plover Pluvialis apricaria, Whooper Swan Cygnus cygnus, Great Grey Shrike Lanius excubitor, Black-headed Gull Larus ridibundus, and Mew Gull Larus canus. Short-eared Owl Asio flammeus and Ruff Philomachus pugnax remained behind with the largest delay. Departure was evenly split in 2012 between 12 species that left early and 11 that remained later than average. But the lead of the former was larger than the delays of the latter. In 2012 there were seven species that left much earlier than normal, but only four did so in 2011. Great Egret Egretta alba, Short-eared Owl and Redwing Turdus iliacus (all early) and Brent Goose and Common Redshank Tringa totanus (both late) showed largest deviations from the average in 2012. Many species had record delays in departure in 2013 (Fig. 7b; Table 2 see www.natuurpunt.be/oriolus), but four species (Hen Harrier Circus cyaneus, Common Goldeneye Bucephala clangula, Brambling Fringilla montifringilla and Water Pipit Anthus spinoletta) left on time. Tundra Swan Cygnus columbianus, Brambling, Common Goldeneye, Fieldfare Turdus pilaris and Barnacle Goose Branta leucopsis had the most stable departure dates during the last three years. European Golden Plover, Redwing, Short-eared Owl, Brent Goose and Northern Lapwing the most variable. Departure time of Redwing is thus far more affected by temperatures than that of Fieldfare. Common Ringed Plover passage is bimodal in spring and requires the data to be split accordingly. Variation in detection probability may pose a challenge for the interpretation of roving records in the analysis of phenology. Making more systematically checklists would allow to compensate for this in future. Influence des printemps exceptionnels de 2011 et 2013 sur la phénologie des oiseaux migrateurs Le printemps de 2011 a été particulièrement doux. La plupart des migrateurs venant d’Afrique sont arrivés très tôt et massivement, mais ceci est plutôt dû aux pluies bienfaisantes du Sahel en 2010 qu’au printemps chaud chez nous. Toutefois, la Rousserolle verderolle Acrocephalus palustris est arrivée très tard, mais la migration qui passe par la Corne d’Afrique a été touchée par la sécheresse. Durant l’hiver 2011-2012, une sécheresse a frappé le Sahel, ce qui explique que le printemps suivant beaucoup de migrateurs d’Afrique sont arrivés tard en Flandre, et en quantités plus restreintes. Quatre

IN HET VELD •

25

espèces d’oiseaux d’eau (la Sarcelle d’été Anas querquedula, la Barge rousse Limosa laponnica, le Chevalier arlequin Tringa erythropus et la Spatule blanche Platalea leucorodia) sont arrivées plus tôt que d’habitude en 2012, contrairement à la tendance. Pendant le printemps singulièrement froid de 2013, la plupart des espèces, aussi bien les migrateurs de courte distance que les migrateurs d’Afrique, sont arrivées plus tard (Tableau 1, cf. www.natuurpunt.be/ oriolus). Les six espèces de migrateurs de courte distance arrivées le plus tôt après la date normale (la Cigogne blanche Ciconia ciconia, la Grue cendrée Grus grus, le Milan Royal Milvus milvus, le Chevalier culblanc Tringa ochropus, le Busard des roseaux Circus aeruginosus et la Mouette pygmée Hydrocoloeus minutus), sont des espèces qui supportent bien le froid et qui passent régulièrement l’hiver en Europe occidentale. Le Balbuzard pêcheur Pandion haliaetus et la Caille des blés Coturnix coturnix sont arrivés tôt en 2013. La Mouette mélanocéphale Larus melanocephalus et la Sterne pierregarin Sterna hirundo par contre étaient exceptionnellement tard. Pour les 61 espèces estivales, il y avait au total 462 jours d’avancement en 2011 et 209 en 2012, tandis qu’il y avait un retard accumulé de 1724 jours en 2013. Alors que l’L’année 2011 était surtout marquée par des arrivages précoces, 2013 l’était par des arrivages tardifs. Les dix espèces aux dates d’arrivée les plus stables ces trois dernières années étaient le Petit Gravelot Charadrius dubius, le Merle à plastron Turdus torquatus, le Milan noir Milvus migrans, le Traquet motteux Oenanthe oenanthe, le Busard des roseaux, le Chevalier guignette Actitis hypoleucos, le Courlis corlieu Numenius phaeopus, la Grue cendrée, le Gobe-mouches noir Ficedula hypoleuca et le Coucou gris Cuculus canorus. Celles aux dates d’arrivée les plus variables étaient: le Grand Gravelot Charadrius hiaticula, la Mouette pygmée, la Barge rousse, la Mouette mélanocéphale, la Guifette noire Chlidonias niger, le Chevalier arlequin, le Martinet noir Apus apus, l’Alouette lulu Lullula arborea, la Sarcelle d’été et le Sterne pierregarin. En 2011, 15 des 23 espèces hivernantes sont parties en avance sur le schéma habituel. Sept espèces bien en avance: la Bernache cravant Branta bernicla, le Vanneau huppé Vanellus vanellus, le Pluvier doré Pluvialis apricaria, le Cygne chanteur Cygnus cygnus, la Pie-grièche grise Lanius excubitor, la Mouette rieuse Larus ridibundus et le Goéland cendré Larus argentatus. Les Hiboux des marais Asio flammeus et les Combattants variés Philomachus pugnax se sont attardés le plus. En 2012 le départ était bien partagé entre 12 espèces qui sont parties plus tôt que d’habitude et 11 qui sont parties plus tard. Cependant, l’avance des premières était plus considérable que le retard des secondes. En 2012 il y avait par exemple 7 espèces avec un départ très avancé, tandis qu’en 2011 il n’y en avait que 4. On a noté les écarts les plus importants en 2012 pour la Grande Aigrette Egretta alba, l’Hibou des marais et la Grive mauvis Turdus iliacus (tôt) et la Bernache cravant et le Chevalier gambette Tringa totanus (tard). Surtout les espèces habituellement précoces sont restées beaucoup plus longtemps en 2013 que d’habitude (Fig. 7b). La plupart d’entre elles sont parties avec un retard record (Tableau 2, cf. www.natuurpunt.be/oriolus). Le Busard Saint-Martin Circus cyaneus, le Garrot à œil d’or Bucephala clangula, le Pinson du Nord Fringilla montifringilla et le Pipit spioncelle Anthus spinoletta en revanche sont partis vers la date normale. Le Cygne de Bewick Cygnus columbianus, le Pinson du Nord, le Garrot à œil d’or, la Grive litorne et la Bernache nonnette Branta leucopsis avaient ces trois dernières années la date de départ la plus stable. Le Pluvier doré, la Grive mauvis, le Hibou des marais, la Bernache cravant et le Vanneau huppé montraient les plus grands écarts. La date de départ de la Grive mauvis fluctue plus que celle de la Grive litorne. Le Grand Gravelot passe au printemps en deux vagues et le traitement des dates est plus complexe. La variation de probabilité de detection peut causer un problème d’interprétation, dans le cas de d’observations isolées, pour l’analyse de la phénologie. L’utilisation, à l’avenir, de plus de listes d’observations pourra y remédier.


26 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 26-30 20-30

Opmerkelijke aantallen pleisterende Grutto’s in Vlaanderen tijdens de voorjaarstrek van 2013 ❱ Koen Devos, Emmanuel Desmet & Ignaas Robbe

De voorjaarstrek van Grutto’s Limosa limosa ondervond in 2013 veel hinder van ongunstige weersomstandigheden. Als gevolg van strenge vorst, zware sneeuwval en een gure wind zagen veel vogels zich genoodzaakt om de trek te onderbreken ter hoogte van Noord-Frankrijk en het westen van Vlaanderen. Op verschillende plaatsen werden uitzonderlijk hoge aantallen pleisterende vogels waargenomen.

❱ Grutto’s Limosa limosa en Pijlstaarten Anas acuta. 14 maart 2013. Lo-Reninge (W) (Foto: Wim Debruyne)

Inleiding Grutto’s zijn uitgesproken trekvogels. De broedgebieden situeren zich van IJsland, over het noorden van Europa tot in westelijk Siberië. Overwinteren doen ze vooral in zuidelijk Europa en Afrika. Er worden verschillende ondersoorten en biogeografische populaties onderscheiden waarvan de migratiepatronen onderling aanzienlijk verschillen. De vogels die broeden en doortrekken in Vlaanderen behoren hoofdzakelijk tot de West-Europese deelpopulatie van de nominaatvorm L. l. limosa. Hiervan broedt de hoofdmoot in Nederland. De belangrijkste overwinteringsgebieden situeren zich in West-Afrika maar een (klein) deel van de vogels trekt niet verder dan Spanje en Portugal. De Grutto’s die naar West-Afrika vliegen verblijven daar voornamelijk in de rijst- en mangrovezone van Zuid-Senegal tot Guinee Bissau (Beintema & Drost 1986, Kuiper et al. 2006). Een klein deel van de Vlaamse doortrekkers behoort tot de

IJslandse populatie L. l. islandica die als een aparte ondersoort wordt beschouwd en voornamelijk overwintert langs de Europese kusten van het Iberisch schiereiland, Frankrijk en Groot-Brittannië. L. l. islandica heeft in tegenstelling tot L. l. limosa een voorkeur voor zout – en brakwatergebieden. Het westen van Vlaanderen ligt pal op de trekroute van de Grutto’s tussen broed- en overwinteringsgebieden. Van de najaarstrek is hier meestal relatief weinig te merken. Na afloop van het broedseizoen blijken de meeste broedvogels zeer snel door te trekken naar Afrika (Beintema & Drost 1986). De jonge vogels volgen iets later, lassen meer tussenstops in en zijn dan ook in Vlaanderen regelmatig in groepjes van enkele tientallen exemplaren te zien (vooral in augustus). De voorjaarstrek is veel opvallender. Vanaf half december beginnen de eerste Grutto’s Afrika te verlaten en komt de voorjaarstrek al op


Natuur.oriolus I 80 (1) I 26-30 20-30

gang. Daarbij worden verschillende tussenstops ingelast. Eerst vliegen ze naar Marokko, Portugal en/of Spanje waar ze geruime tijd verblijven in uitgestrekte rijstvelden (Kuiper et al. 2006, Lourenço et al. 2010). In februari-maart zetten ze via Frankrijk hun tocht verder naar de broedgebieden in de Lage Landen en Duitsland. In Vlaanderen worden de eerste doortrekkende Grutto’s meestal rond midden februari gesignaleerd. Het hoogtepunt van de doortrek valt doorgaans in de eerste twee decaden van maart met een jaarlijkse doortrekpiek rond 10 maart. Op tal van plaatsen zijn dan groepjes van enkele tientallen tot honderden exemplaren te zien. Het gros van de voorjaarstrekkers vliegt echter over Vlaanderen zonder dat we het merken. Of doortrekkende groepjes al dan niet even een tussenstop maken op Vlaamse bodem hangt van verschillende factoren af, die in hoofdzaak bepaald worden door weersomstandigheden en de aan- of afwezigheid van geschikte terreinen om te foerageren of te rusten. Dit werd duidelijk geïllustreerd in 2013 toen doortrekkende Grutto’s boven Noord-Frankrijk en Vlaanderen geconfronteerd werden met zeer ongunstige trekomstandigheden. Dit leidde in een aantal gebieden in het westen van Vlaanderen tot nooit eerder geziene pleisterende aantallen. In deze bijdrage geven we een overzicht van beschikbare telresultaten en gaan we dieper in op de factoren die geleid hebben tot deze situatie.

Trekverloop in het voorjaar 2013 Aanvankelijk leek het een heel gewoon voorjaar te worden voor de Grutto. Op 13 februari werden de eerste exemplaren gesignaleerd te Roksem (W). In de daaropvolgende dagen werden ook in de rest van Vlaanderen her en der zeer kleine aantallen gezien. Midden februari werden in Vlaanderen tijdens de watervogeltellingen in totaal 30 exemplaren geteld. Hiermee leken de Grutto’s op het schema van de vorige jaren te zitten. Omstreeks 20 februari begon echter een koudeperiode met een zeer gure NO-wind, stevige nachtvorst en temperaturen die overdag rond het vriespunt schommelden. De aanvoer van Grutto’s uit het zuiden stokte, wat in die tijd van het jaar niet ongewoon is. Toen vanaf 4 maart de wind naar zuidoostelijke richting draaide, kregen we enkele dagen met vroege lentetemperaturen die plaatselijk opliepen tot meer dan 17°C. Ideale omstandigheden dus voor de Grutto’s om alsnog de trektocht van Zuid-Europa naar de noordelijke broedgebieden aan te vatten. Niet onbelangrijk is dat er op 8 en 9 maart ook heel veel regen viel in het westen van Vlaanderen. Tal van beken en rivieren traden daarop uit hun oevers. In een deel van de ruim 3000ha grote IJzerbroeken en de Handzamevallei (W) deden zich aanzienlijke overstromingen voor. Maar ook langs de Bovenschelde en kleinere waterlopen zoals de Heulebeek in Ledegem-Moorsele (W) liepen graslanden onder water. Op 9 maart kregen de massaal doortrekkende Grutto’s boven NoordFrankrijk en België een onaangename verrassing te verwerken. De temperatuur kende plots een sterke terugval waardoor er boven het natte Vlaanderen op grote schaal mist ontstond. Veel doortrekkende steltlopers zagen zich genoodzaakt om de trek te onderbreken en aan de grond te komen. Ondermeer in Zuid-West-Vlaanderen en de Oost-Vlaamse regio Schelde-Leie werden op tal van plaatsen ongewone aantallen steltlopers gesignaleerd. Zo landden op een overstroomde akker in Ouwegem (O) een groep van 44 Bonte Strandlopers Calidris alpina en op een akker in Moen (W) een groep van 17 ex. Het meest opvallend waren de grote groepen Grutto’s. Bij valavond zaten er in de Heulebeekmeersen rond Ledegem (W) zo’n 450 en in de West-Vlaamse Scheldemeersen meer dan 500 op elkaar gepakt. De dag erna leverde een totaaltelling in de IJzerbroeken tussen Diksmuide en de Frans-Belgische grens ruim 1750 ex. op. De vogels profiteerden volop van de vele ondergelopen graslanden en akkers die een optimaal foerageer- en rustgebied vormden.

IN HET VELD •

27

❱ Grutto Limosa limosa. 12 maart 2013. Ledegem (W) (Foto: Ignaas Robbe). Filmbeelden van deze Grutto’s die in de sneeuw hun kostje bijeen proberen te scharrelen terwijl ze gestalkt worden door agressieve meeuwen, vind je op youtube (zoekopdracht “Grutto’s Ledegem”).

Voor de meeste steltlopers zou de tussenstop in het westen van Vlaanderen langer duren dan voorzien. Op 10 maart zakte de temperatuur ook overdag onder het vriespunt en waaide een ijzige noordelijke wind. In de nacht van 10 op 11 maart werd een groot deel van Vlaanderen onder een dik pak sneeuw bedekt. Het hoeft geen betoog dat deze omstandigheden bijzonder ongunstig waren voor steltlopers. Door de windwerking bleven echter veel ondiepe plassen minstens gedeeltelijk ijsvrij en door de isolerende sneeuwlaag was de ondergrond niet keihard bevroren. Hierdoor bleven er voldoende foerageermogelijkheden voor de Grutto’s aanwezig, terwijl soorten als Kievit Vanellus vanellus en Goudplevier Pluvialis apricaria (wegens hun korte poten en snavels) wel genoodzaakt waren om in grote aantallen opnieuw zuidwaarts te trekken. Ook tijdens de daaropvolgende dagen overheerste vrieskou en sneeuwbuien. ‘s Nachts zakte de temperatuur in het westen van Vlaanderen zelfs tot -10°C. Het leverde op veel plaatsen uitzonderlijke beelden op van groepen verkleumde Grutto’s in bijna Siberische omstandigheden. Midden maart steeg de gemiddelde temperatuur opnieuw boven het nulpunt. In het zuiden van West-Vlaanderen namen de aantallen Grutto’s met het verdwijnen van het water in de overstroomde weilanden geleidelijk af, terwijl de aantallen in de nog steeds zeer drassige IJzerbroeken recordhoogtes bereikten (Figuur 1). Op 15 en 16 maart werden er in de IJzerbroeken bijna 5500 exemplaren geteld, met als grootste groep 3070 exemplaren in het Westbroek in Reninge. In de nabijgelegen Handzamevallei pleisterden tot ongeveer 800 Grutto’s. Ook in de rest van Vlaanderen werden meer

❱ Kleptoparasitisme van Kokmeeuw Larus ridibundus op Grutto Limosa limosa. 12 maart 2013. Heulebeekmeersen Ledegem (W) (Foto: Ignaas Robbe)


28 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 26-30 20-30

4000

10

3000

5

2000

0

1000

-5

Dat de aantallen Grutto’s in maart 2013 naar Vlaamse normen zeer uitzonderlijk waren, blijkt wanneer we vergelijken met gegevens uit vorige jaren. In de IJzerbroeken bedroeg de gemiddelde voorjaarspiek in de periode 1988-2012 iets meer dan 750 ex., met als uiterste maxima 135 en 2005 ex. Ook in het zuiden van West-Vlaanderen werden alle records gebroken (Figuur 3). Hier zijn de jaarlijkse schommelingen nog groter, gaande van quasi afwezigheid naar maxima van 300 tot bijna 400 ex. De piekaantallen in 2013 waren dus dubbel tot driedubbel zo hoog als in vorige jaren. De grote schommelingen in de jaarlijkse voorjaarsaantallen tonen ook duidelijk aan dat deze geen weerspiegeling zijn van een populatietrend, maar vooral bepaald worden door omstandigheden tijdens de trek. Het gaat in 2013 duidelijk om zeer hoge aantallen voor Vlaanderen maar 6000 wat betekent dat in een internationale context? De laatste 5000 6000

Aantal

15/4/13

12/4/13

09/4/13

06/4/13

03/4/13

31/3/13

28/3/13

25/3/13

22/3/13

19/3/13

16/3/13

13/3/13

10/3/13

07/3/13

04/3/13

01/3/13

26/2/13

23/2/13

fig 1

Aantal

20/2/13

17/2/13

14/2/13

-10

ijzerbroeken 1000 800

0 1000

0

200

0

zw vl

900 800 1000 700 900

15/4/13

12/4/13

09/4/13

06/4/13

03/4/13

31/3/13

28/3/13

25/3/13

22/3/13

19/3/13

16/3/13

13/3/13

10/3/13

07/3/13

04/3/13

01/3/13

26/2/13

23/2/13

20/2/13

17/2/13

14/2/13

-10

❱ Figuur 1. Dagmaxima van pleisterende Grutto’s Limosa limosa in de IJzerbroeken

(boven) en Zuid-West-Vlaanderen (onder) tijdens het voorjaar 2013, in relatie tot het verloop van de gemiddelde temperatuur (°C) (gegevens Ukkel, KMI). Bleekblauwe balkjes hebben betrekking op tellingen die niet het volledige gebied bestreken en moeten beschouwd worden als absolute minima. ❱ Figure 1. Daily maximum numbers of staging Black-tailed Godwits Limosa limosa in the floodplain of the river Yzer (above) and the region SW-Flanders (below) during the spring of 2013, in relation to average temperature (°C). Bars with lighter colour refer to incomplete counts and have to be considered as absolute minimum numbers.

fig 3

zw vl 1000fig 3

-5

0

2000 3000

15

5 400

3000 4000

1000 2000

10

600

4000 5000

20

Aantal Aantal

Aantal exemplaren

Uitzonderlijke aantallen

1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

0

dens de midmaandelijkse watervogeltelling op 16 en 17 maart 2013. ❱ Figure 2. Distribution of Black-tailed Godwits Limosa limosa in Flanders during the midmonthly waterbird count on 16 and 17 March 2013.

1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

15

❱ Figuur 2. Verspreiding van pleisterende Grutto’s Limosa limosa in Vlaanderen tij-

600 800 500 700 400 600 300 500 200 400 100 300 0 200 100 0

1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

5000

Op 7 en 8 april kregen we eindelijk de lang verwachte weersomslag die het einde van de winter inluidde. De koude NO-wind zwakte af en veranderde later van richting. Nachtvorst bleef achterwege. De aantallen pleisterende Grutto’s in Vlaanderen namen nu snel af. Het broedseizoen kon beginnen.

❱ Figuur 3. Voorjaarsmaxima van pleisterende Grutto’s Limosa limosa in de

1988 1989 1990 1991 1992 1993 1994 1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013

20

Temperatuur

6000

Temperatuur

Aantal exemplaren

Grutto’s gemeld dan in vorige jaren, weliswaar in kleinere groepen van enkele tientallen tot honderden exemplaren. De watervogeltelling in het weekend van 16 en 17 maart leverde een Vlaams totaal van 8580 ex. op, drie tot vier keer zo veel als in andere jaren. Het grote overwicht van de aantallen in de IJzerbroeken blijkt duidelijk uit het verspreidingskaartje in Figuur 2. Lang bleven deze grote aantallen Grutto’s niet pleisteren in Vlaanderen. Veel vogels profiteerden van de verbeterde weersomstandigheden om verder door te trekken naar Nederland. Die wegtrek werd bovendien in de hand gewerkt door het gaandeweg droogvallen van de drassige terreinen. Het aantal Grutto’s in de IJzerbroeken daalde zienderogen. Op 18 maart verbleven er nog amper een 1000-tal ex. Op 20 maart viel er opnieuw veel regen waardoor in de IJzerbroeken weer heel wat graslanden onder water kwamen te staan. Enkele dagen later bleek de winter van geen wijken te weten. Vanaf 23 maart werd het opnieuw fors kouder met sneeuwbuien en stevige nachtvorst. Het was het begin van een lange periode met een strakke en gure noordoostenwind, weerom allesbehalve ideale trekomstandigheden voor Grutto’s. Heel wat vogels hielden opnieuw halt op Vlaamse pleisterplaatsen met o.a. meer dan 4000 ex. in de IJzerbroeken. Hoewel nergens melding werd gemaakt van opvallende zuidwaartse vorsttrek van Grutto’s, bleken er toch te zijn die even de omgekeerde trekbeweging hadden gemaakt. Een gekleurringde Grutto die op 19 maart bij Koudem in Nederland werd gezien, zat op 4 april weer nabij Klemskerke (W) (med. J. Buckens). Ook in het verleden werd reeds vastgesteld dat felle vorst Grutto’s soms kan terugdringen. In het voorjaar van 1996 bijvoorbeeld zakte de gemiddelde temperatuur van 10 tot en met 13 maart sterk onder het vriespunt en werden boven Zuid-West-Vlaanderen 1174 zuidwaarts trekkende Grutto’s genoteerd.

IJzerbroeken (boven) en Zuid-West-Vlaanderen (onder), periode 1988-2013. ❱ Figure 3. Spring maximum numbers of staging Black-tailed Godwits Limosa limosa in the floodplain of the river Yzer (above) and the region SW-Flanders (below), 1988-2013.


Natuur.oriolus I 80 (1) I 26-30 20-30

IN HET VELD •

29

❱ Grutto Limosa limosa. 24 maart 2013. Uitkerke (W) (Foto: Johan Buckens) ‘officiële’ schatting van de West-Europese deelpopulatie van de nominaatvorm bedraagt 160.000 tot 180.000 vogels (Wetlands International 2014). Op basis van recente analyses van kleurringgegevens wordt de populatiegrootte tegenwoordig echter eerder geschat tussen 133.000 en 140.000 exemplaren (Lourenço et al. 2010). De IJslandse populatie is met 50.000 tot 75.000 individuen aanzienlijk kleiner. De 1% norm van beide populaties bedraagt respectievelijk 1700 en 610 exemplaren (Wetlands International 2014). Een deel van de doortrekkers in Vlaanderen behoort tot de IJslandse populatie. Vooral goed uitgekleurde mannetjes zijn vrij eenvoudig te onderscheiden van hun soortgenoten van de nominaatvorm. Bij mannetjes in winterkleed en vrouwtjes ligt het iets moeilijker. Het is niet gemakkelijk om bij tellingen telkens systematisch de vogels van de IJslandse ondersoort er uit te halen, zeker bij grote groepen. Op basis van steekproeven bleek in maart 2013 het aandeel (typische) IJslanders vaak rond de 10% te liggen, soms iets hoger. Bij dat percentage moet enige reserve in acht worden genomen, maar dit zou impliceren dat bij het maximumaantal van 5500 ex. in de IJzerbroeken wellicht minstens een 600-tal tot de IJslandse ondersoort behoorden en dat dus de 1%-norm net gehaald werd. De 5000 ex. die behoren tot de nominaatvorm vertegenwoordigden ongeveer 3 % van de respectievelijke populatie. Het ging dus in beide gevallen om internationaal belangrijke concentraties. Piekaantallen zeggen bovendien niet alles, zeker in perioden van sterke doortrek. Het totaal aantal Grutto’s dat in de loop van het volledige voorjaar een tussenstop maakte, lag ongetwijfeld veel hoger dan het hoogste aantal dat op één bepaalde dag genoteerd werd. De zogenaamde ‘turnover’ is tijdens de voorjaarstrek immers bijzonder hoog. Sommige vogels blijven hooguit enkele uren pleisteren, andere meerdere dagen. Daarna zetten ze de trek verder en worden ze ten dele vervangen door nieuw aangekomen vogels. Zo waren de ruim 4000 Grutto’s die op 26 maart in de IJzerbroeken verbleven, ongetwijfeld voor het grootste deel andere vogels dan de 5500 exemplaren die er op 15 en 16 maart pleisterden. We kunnen dus aannemen dat het aantal Grutto’s dat in de loop van het voorjaar gebruik heeft gemaakt van de IJzerbroeken meer dan 10.000 ex. bedraagt en in werkelijkheid mogelijk zelfs nog een veelvoud.

Belang van geschikte pleisterplaatsen tijdens de voorjaarstrek Als gevolg van een gestage populatieafname staat de Grutto sinds 2006 op de Wereldlijst van Bedreigde Soorten van de IUCN. De grootste knelpunten liggen in de broedgebieden en zijn gelinkt aan een intensivering van landbouwpraktijken. Er worden te weinig jongen grootgebracht om de populatie op peil te houden (Schellerman & Müskens 2000). Maatregelen voor een populatieherstel zijn bijgevolg meestal gericht op een aangepast landbouwbeheer op de broedplaatsen (Kleijn & Lammertsma 2013). Voor een goede staat van instandhouding van de populatie is het echter ook essentieel dat er voldoende kwaliteitsvolle gebieden beschikbaar zijn in de winterperiode en tijdens de trek. Dit is opgenomen als één van de actiepunten in een Management Plan van de Europese Commissie (European Commission 2007). Aan de functie van Vlaamse waterrijke gebieden voor doortrekkende Grutto’s is tot heden relatief weinig aandacht besteed. Ook Kuiper et al. (2006) - die de voorjaarstrek van de soort in Afrika en Europa uitgebreid in kaart hebben gebracht - maken geen melding van relevante gebieden in Vlaanderen. Maar ook al zijn de Vlaamse pleisterplaatsen niet van dezelfde grootteorde als die in Spanje, Portugal of Frankrijk, toch zijn er elk jaar duizenden Grutto’s die er even de trek onderbreken om te rusten of te foerageren. Voor de meeste vogels is het wellicht de laatste halte voor ze aankomen in de Nederlandse en Duitse broedgebieden. Zo vormt Vlaanderen een relatief kleine maar niet onbelangrijke schakel in de migratieroute van de Grutto. Het is opvallend dat grote groepen Grutto’s hier vaak in de late namiddag arriveren. Dit doet vermoeden dat ze non-stop van pleisterplaatsen in WestFrankrijk of eventueel zelfs het Iberisch schiereiland naar gebieden in westelijk Vlaanderen trekken. Een recent opgestart zenderonderzoek door Nederlandse en Spaanse onderzoekers zal hier de komende jaren wellicht meer duidelijkheid in brengen. De aanwezigheid van Grutto’s op Vlaamse pleisterplaatsen is aan grote fluctuaties onderhevig en die worden vooral bepaald door de waterstanden in laaggelegen gebieden op het ogenblik van de doortrek. Het meest geprefereerde habitat tijdens de trekperiode zijn immers overstroomde graslanden. Dergelijke natte graslandgebieden


30 •

IN HET VELD

zijn de voorbije decennia echter steeds zeldzamer geworden. Met het oog op landbouwintensivering en beveiliging van bewoning tegen overstromingen is het beleid en beheer van deze gebieden meestal gericht op een zo snel mogelijke waterafvoer. Door het aanleggen en verhogen van dijken zijn veel valleigebieden ook afgesneden van de waterloop waardoor overstromingen in het natuurlijke winterbed van een rivier of beek nauwelijks nog voorkomen. Het spreekt voor zich dat de waarde van deze gebieden voor steltlopers hierdoor sterk is afgenomen. Wanneer dan echter toch nog eens inundaties optreden wordt duidelijk dat er nog steeds grote potenties aanwezig zijn. Dat is de voorbije jaren ondermeer gebleken in de Heulebeekmeersen te Moorsele-Ledegem. Hoewel dit gebied allicht tot de traditionele stopplaatsen hoort voor Grutto’s tijdens hun voorjaarstrek, werd het belang ervan pas vrij recent ontdekt. Vogelwerkgroep Zuid-WestVlaanderen pleit dan ook voor een betere bescherming van dit gebied en het oprichten van een weidereservaat. Het gebied dreigt immers de komende jaren zijn belang als pleisterplaats voor doortrekkende steltlopers verder te verliezen. De waterstanden langs de Heulebeek bereikten tijdens de piekregenval in 2012-2013 weliswaar recordhoogtes, maar ondertussen werden grondige maatregelen getroffen voor de snellere afvoer van water. Zo werd de Heulebeek tussen Ledegem en Gullegem op verschillende plaatsen uitgediept en werd het slib uitgebaggerd. Bovendien zal in Heule een bypass voor de beek gegraven worden met een snellere waterafvoer om in de toekomst overstromingen in het centrum van Heule zelf te vermijden. Zolang echter stroomopwaarts landbouwgebied blijft omgezet worden in industrie- en woongebied, is de kans op overstroming groot. Voor andere gebieden zijn de perspectieven voor het behoud en herstel van hun natuurwaarden beter. De Scheldemeersen tussen Avelgem en Spiere-Helkijn (W) zijn sinds maart 2002 opgenomen in het natuurinrichtingsproject West-Vlaamse Scheldemeersen van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). De IJzerbroeken stroomopwaarts Diksmuide zijn al geruime tijd erkend als Europees Vogelrichtlijngebied en Ramsargebied. Het is één van de weinige gebieden in Vlaanderen waar nog regelmatig en op grote schaal

Natuur.oriolus I 80 (1) I 26-30 20-30

inundaties in het winterbed van een waterloop optreden. Toch is het waterbeheer ook daar vooral gericht op het zo kort mogelijk houden van de winterse overstromingen. Gunstige omstandigheden voor steltlopers en andere watervogels zijn bijgevolg soms zeer beperkt in de tijd. Inmiddels is in een deel van het gebied wel een eerste stap gezet naar een graduele verhoging van de waterpeilen waardoor op termijn ook beter aan de vereisten van trekkende steltlopers zal tegemoet gekomen worden. Koen Devos, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, Kliniekstraat 25, B- 1070 Brussel, koen.devos@inbo.be Emmanuel Desmet, Goethalslaan 16, B- 8501 Heule, emmanuel-desmet@skynet.be Ignaas Robbe, Noordstraat 19, B- 8500 Kortrijk, ignaasrobbe@outlook.com

Referenties Beintema A.J. & N. Drost 1986. Migration of the Black-tailed Godwit. Giervalk 76: 37-62. European Commission 2007. Management plan for the Black-tailed Godwit (Limosa limosa) 2007-2009. Technical Report - 019- 2007. Kleijn D. & D. Lammertsma 2013. Conserving the Black-tailed Godwit. Legislation, implementation and conservation in Belgium, Germany and The Netherlands. Alterra report 2366. Alterra, Wageningen (NL). 48 pp. Kuiper D.P.J., E. Wymenga, J. van der Kamp & D. Tanger (Eds.) 2006. Wintering areas and spring migration of the Black-tailed Godwit. Bottlenecks and protection along the migration route. A&W-rapport 820. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Veenwouden. Lourenço P.M., R. Kentie, J. Schroeder, J. Alves, N. Groen, J. Hooijmeijer & T. Piersma 2010. Phenology, stopover dynamics and population size of migrating Black-tailed Godwits. Ardea 98: 35-42. Schekkerman H. & G. Müskens 2000. Produceren Grutto’s Limosa limosa in agrarisch grasland voldoende jongen voor een duurzame populatie? Limosa 73: 12-134. Wetlands International (2014). “Waterbird Population Estimates” . Retrieved from wpe.wetlands.org on Friday 7 Feb 2014.

Samenvatting – Abstract - Résumé Tijdens de voorjaarstrek in 2013 werden trekkende Grutto’s boven Noord-Frankrijk en België vanaf 10 maart geconfronteerd met overwegend zeer ongunstige weersomstandigheden. Hevige sneeuwbuien, vriestemperaturen en een harde noordoostelijke wind verhinderden de vogels om verder door te trekken naar de meer noordelijk gelegen broedgebieden. Dit leidde vooral in het westen van Vlaanderen tot uitzonderlijke aantallen pleisterende vogels, met de grootste concentraties in een aantal gebieden met ondergelopen graslanden als gevolg van eerdere hevige regenval. Vooral in de IJzerbroeken werden grote aantallen genoteerd met als maximum bijna 5500 ex. op 15 en 16 maart. In Zuid-West-Vlaanderen bedroeg het maximum ruim 950 exemplaren. Midden maart werden in geheel Vlaanderen 8580 ex. geteld, ongeveer drie keer zoveel als in vorige jaren. In deze voor Grutto’s ongunstige omstandigheden bleek nogmaals het grote belang van overstroomde graslanden die als foerageer- en rustgebied kunnen dienen. Exceptionally high numbers of staging Black-tailed Godwits Limosa limosa in Flanders (Belgium) during spring migration in 2013 During the spring migration in 2013, from 10th March, migrating Blacktailed Godwits above Northern France and Belgium were confronted with mainly very unfavourable weather conditions. Heavy snow showers, freezing temperatures and a strong north-easterly wind hindered the birds from migrating further to their more northerly lying breeding areas. This led, mainly in West Flanders to unusually high numbers of birds stopping over, with the largest concentrations in a number of areas

with submerged grassland as a result of earlier heavy rainfall. Above all in the IJzer valley large numbers were noted with a maximum of almost 5500 individuals on 15th and 16th March. In SW Flanders the number was about 950 individuals. Mid March, 8580 individuals were counted in the whole of Flanders, about three times as many as in previous years. In these unfavourable circumstances for Black-tailed Godwits, this emphasises the importance of submerged grassland for foraging and rest. Nombres remarquables de Barges à queue noire Limosa limosa faisant escale en Flandre pendant la migration printanière de 2013 Pendant la migration printanière de 2013, à partir du 10 mars, des Barges à queue noire ont été confrontées au-dessus du nord de la France et de la Belgique à des conditions météorologiques défavorables. De fortes chutes de neige, des gelées et un vent très fort soufflant du nord-est ont empêché les oiseaux de poursuivre la migration vers les lieux de nidification plus au nord. Ceci a donné, surtout dans l’ouest de la Flandre, des nombres exceptionnels d’oiseaux faisant escale, avec les plus grandes concentrations dans quelques prairies submergées suite aux fortes pluies. Surtout dans les IJzerbroeken des nombres considérables ont été notés avec un maximum de presque 5500 ex. les 15 et 16 mars. Dans le sud-ouest de la Flandre il y avait plus de 950 exemplaires. A la mi-mars, on a compté dans toute la Flandre au total 8580 ex., trois fois plus que les années précédentes. Pendant ces conditions défavorables pour les Barges à queue noire, l’importance de prairies submersibles pouvant servir de lieux d’escale et de repos a été démontrée.


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 31-35 20-30

31

Koude voorjaar verstoort trek Goudplevieren Gold rush over binnenland ❱ Stijn Raymaekers

De Goudplevier Pluvialis apricaria “zoekt na den broedtijd de bebouwde vlakten en zeekusten op, die hij in kleine benden bezoekt”, schreef Karel Dupond meer dan een halve eeuw geleden. In het voorjaar 2013 namen die ‘bendes’ in het Belgische binnenland echter enorme proporties aan. Op verschillende telposten en in enkele regio’s werden records gebroken. Het overzicht hieronder spitst zich toe op het Vlaamse binnenland met name de provincies Antwerpen, Henegouwen, Limburg, Luik, Namen, Vlaams-Brabant en Waals-Brabant. De cijfers zijn gebaseerd op www.waarnemingen.be en www.trektellen.nl. Dubbeltellingen werden er zoveel mogelijk uitgefilterd. Er blijft een zekere foutenmarge , maar de algemene trend is onmiskenbaar. Het verloop van de influx wordt in dagboekvorm voorgesteld waarbij Figuur 1 een visueel overzicht geeft.

❱ Goudplevieren Pluvialis apricaria. 20 maart 2013. Rutten (L). (Foto Carine Richerzhagen)

Begin maart De eerste grote groepen Goudplevieren kondigen zich begin maart aan bij relatief warm weer. Zo bedroeg de gemiddelde maximumtemperatuur tussen 4 en 8 maart 15,7°C, terwijl dit gemiddeld 10,4°C is voor de ganse maand maart. Op dinsdag 5 maart worden in Vlaams-Brabant al in totaal 124 overtrekkende Goudplevieren gemeld. ’s Anderendaags zetten er in Henegouwen verschillende exemplaren voet aan de grond (242 ex. in totaal). In dezelfde provincie, te Angre, worden op vrijdag 8 maart 210 individuen geteld, terwijl in Gingelom (Limburg) 120 ex. (groepjes van 104 en 16) worden waargenomen. Die groep van 104 is meteen de grootste groep pleisterende Goudplevieren ooit in Limburg vastgesteld (vorige maximum was 93 ex. op 1 maart 2011).

Zaterdag 9 maart Een regenzone trekt door in de voormiddag. Als die voorbij is, komt een duidelijke trekgolf over het binnenland op gang. V. Leirens telt te Angre tussen 7u20 en 10u00 minstens 470 noordoost vliegende

ex., met nog eens 96 ex. aan de grond. Zelfs voor Henegouwen zijn dit hoge aantallen. In Vlaams-Brabant worden er 183 noordwaarts overtrekkende vogels waargenomen, waaronder groepjes van 60, 40 (Tienen) en 31 (Hoegaarden). Op de akkers van Outgaarden worden er 181 ex. aangetroffen. In Herstappe (Limburg) wordt een groep van 96 ex. opgetekend, ook op akkerland en in het noorden van Limburg (Lommel) worden in totaal 87 overtrekkende ex. geteld.

Zondag 10 maart De trekgolf blijft aanzwellen. Onder meer in de provincie Limburg gaat het om ongeziene aantallen trekkers en pleisteraars. Over trektelpost Kristallijn te Lommel worden 329 overtrekkers gemeld. Het vorige trekrecord dateerde van 25 augustus 2008 met 124 ex. over De Maten) en in Gingelom zorgt een onwaarschijnlijke zwerm van 450 ex. voor spectaculaire taferelen. In Limburg alleen al worden er 1508 ex. gemeld (613 overtrekkend en maar liefst 895 pleisterend). Ook in de provincie Antwerpen was het raak met over trektelpost


32 •

IN HET VELD

Anderstad te Lier in totaal 235 ex., ook voor deze post met een toch lange traditie het hoogste voorjaarsaantal ooit (vorige was 232 op 11 maart 2011). In de zeven provincies worden in totaal ongeveer 1300 overtrekkende ex. gezien en zowat evenveel pleisteraars.

Natuur.oriolus I 80 (1) I 31-35 20-30

Zuidlimburgse leemplateau wordt een groep van 200 ex. gevonden. Er worden vandaag ongeveer 3000 Goudplevieren waargenomen in de zeven provincies waarvan ca. 2600 pleisterend.

Donderdag 21 maart

❱ Goudplevieren Pluvialis apricaria. 10 maart 2013. Montenaken (L). (Foto Paul Matthys)

Maandag 11 maart Binnen enkele dagen slaat het weer helemaal om van zomers aandoende temperaturen naar onvervalst winterweer. Bedroeg de maximumtemperatuur op woensdag 6 maart nog 19,1°C en op zaterdag 9 maart nog 9,8°C, vandaag klimt het kwik niet hoger dan -0,7°C. Als echte vorstvluchters reageren de Goudplevieren hier onmiddellijk op. Dit levert voor trektelpost Tienen met 587 zuidwaarts trekkende ex. ongeziene taferelen op. De vogels zitten vaak “loeihoog” met een groep van 150 ex. als grootste groep. Ook Kieviten Vanellus vanellus en Buizerds Buteo buteo trekken terug richting zuid. In de avond begint het te sneeuwen en tegen dinsdagmiddag ligt België weer onder een dik sneeuwtapijt. Het duurt tot 16 maart eer de gemiddelde temperaturen boven het vriespunt komen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de eerste groepjes Goudplevieren pas op 17 maart beginnen binnen te sijpelen. Maar vanaf 20 maart is het hek opnieuw van de dam…

Woensdag 20 maart Op woensdagmorgen 20 maart schuift een intensief regenfront langzaam op naar het noordoosten. Wanneer vogelkijkers na de regen de vruchtbare leemgronden van midden-België afspeuren, stoten ze op grote groepen pleisterende Goudplevieren. Ongeziene aantallen. In Henegouwen strijken minstens zeven groepen van 100 ex. of meer neer (100, 128, 200, 275, 370, 400 en 500). Ook op het

Dé piekdag in de Goudpleviersaga. Vandaag barsten de groepen op vele plekken uit hun voegen. Uitschieter is de fenomenale groep van 1696 ex. in de provincie Namen. De grootste groep pleisterende Goudplevieren voor deze provincie stond tot dan op 200, geboekstaafd op 10 januari 2001. Op 6 december 2012 zag H. Dufourny tijdens een uurtje trektellen trouwens niet minder dan 518 Goudplevieren zuidwaarts vluchten voor de sneeuw, toen ook al een fameus provinciaal record. Op hetzelfde grote leemplateau, maar dan noordoostwaarts, op de taalgrens in Haspengouw, verwijst een groep van +800 Goudplevieren het Limburgse én Luikse pleisterrecord (resp. 450 en 263) naar de prullenmand. Ook in Tienen in Vlaams-Brabant wordt opnieuw een grote groep van minstens 300 vogels opgemerkt, komende vanuit het noorden. In totaal worden er vandaag in het binnenland zo’n 4500 Goudplevieren gemeld, waaronder meer dan 3500 pleisteraars, daarvan zitten er 2931 in Limburg en Namen. En dan zouden we nog vergeten dat het een weekdag is vandaag.

Vrijdag 22 maart Ook vandaag zijn het de provincies Limburg en Namen die het hoofdaandeel voor hun rekening nemen. En opnieuw gaat het vooral om pleisteraars. Van de ongeveer 3100 Goudplevieren die gemeld worden, zitten er meer dan 1800 in de twee eerder genoemde provincies. Ook de provincie Luik doet een duit in het zakje, er worden groepen gemeld van 250 en 400.

Zaterdag 23 maart Met temperaturen die blijven zakken , verdwijnen de grote groepen stilaan uit de noordelijke provincies en schuiven ze door naar het zuiden en de kuststreek. In de provincie Henegouwen worden opnieuw verschillende groepen gemeld met een gezamenlijk totaal van rond de 700 exemplaren. De volgende dagen blijft het ongewoon koud voor maart (tussen 23 en 31 maart werd er een gemiddelde maximumtemperatuur van 3,3°C genoteerd), en de vogelkijkers in Henegouwen en Namen verwelkomen grote groepen Goudplevieren op de akkers. In Henegouwen worden op 27 maart op één plateau minstens 1200 ex. geteld, precies het dubbel van de 600 ex. in februari. Begin april slinken ook de aantallen bij onze Waalse vrienden.

❱ Goudplevieren Pluvialis apricaria. 22 maart 2013. Rutten (L). (Foto Carine Richerzhagen)


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 31-35 20-30

Maandag 8 april Als de temperaturen weer de hoogte in klauteren, worden op verschillende plekken grote noordwaarts trekkende groepen Goudplevieren gemeld met o.a. maar liefst 1500 ex. in Henegouwen. Hierbij dient aangestipt dat dit ook meer naar het westen niet ongemerkt voorbijging. In Doel (O) worden 389 overtrekkers gemeld en over trektelpost De Fonteintjes bij Blankenberge (W) 2167 ex., een nieuw dagrecord (was 1731 op 12 maart 2011).

Dinsdag 9 april Ook nu blijken er tussen de buien door forse groepen over te komen, vaak op grote hoogte. Op trektelpost Kristallijn te Lommel, zien gelukkige tellers die dag niet minder dan 1275 Goudplevieren overtrekken, het hoogste aantal ooit voor Limburg. Bij De Fonteintjes kwam de teller op 3241 ex, een nieuw nationaal dagrecord! De grootste groep Goudplevieren die ooit in ons land geregistreerd geweest is, was op 7 maart 1984 te Wevelgem (W) en telde 4000 ex. In het verre binnenland worden er in totaal 3357 Goudplevieren waargenomen. Nemen we daar de waarnemingen voor Oost-Vlaanderen nog bij (471 ex.), dan mogen we gerust zeggen dat er vandaag in België meer dan 7000 Goudplevieren zijn gezien. Ter vergelijking: tijdens een georganiseerde Goudplevier-telling in oktober 2008 werden er in België 3229 ex. geteld, de som van tellingen in wetlands en losse waarnemingen (Gillings et al. 2008). Ook de maandelijkse watervogeltellingen in de winter leveren zelden meer dan 3000 to 5000 Goudplevieren op, maar er worden ongetwijfeld soms grote groepen gemist (buiten de traditionele telgebieden) (Devos & Onkelinx 2013). Na dit alles mag het niet verbazen dat de top tien van Belgische trektelrecords voor Goudplevier voor april bijna volledig bestaat uit tellingen van 2013.

Donderdag 11 april Op sommige plekken blijven er ook nog mooie groepen Goudplevieren pleisteren, maar op 11 april zijn die aantallen fors teruggelopen. Het lijkt er op dat ze eindelijk naar hun broedgebieden vertrokken zijn. Hopelijk hebben al deze perikelen de broedconditie niet te veel aangetast. pleisterend temperatuur

5000 4500

overvliegend

14 12

4000

10

3500

8

3000

6

2500

4

2000

2

1500

0

1000

-2

500

-4

0 01/03

-6 06/03

11/03

16/03

21/03

26/03

31/03

05/04

10/04

❱ Figuur 1. Overzicht pleisterende en overvliegende Goudplevieren Pluvialis apricaria in het Belgische binnenland, voorjaar 2013 (gegevens gebaseerd op www.waarnemingen.be en www.trektellen.nl) ❱ Figure1. Overview of staging and overflying Golden Plovers Pluvialis apricaria in inland Belgium, spring 2013 (data based on www.waarnemingen.be and www.trektellen.nl ).

De Goudplevier nader bekeken De winterkwartieren van Goudplevieren bevinden zich voornamelijk op de Britse eilanden, zuidwest-Europa en Marokko. In ons land zijn ze vooral te zien tijdens de trek in het voor- en najaar. In het midden van de winter slinken de aantallen meestal, hoewel er tijdens zachte winterperiodes soms wel enkele duizenden aan onze kust

33

gezien worden (bijvoorbeeld in januari 2013). Wintergebieden zijn belangrijk voor Goudplevieren. Dat bleek onder meer uit een onderzoek naar een populatie Goudplevieren in het noordoosten van Schotland, waar werd aangetoond dat een aantalsafname eerder verband hield met de overleving in wintergebieden dan hun broedsucces in de zomer (Parr 1992). Dat de soort naast de kustregio ook akkers in het binnenland aandoet, is geweten, maar de aantallen die velen onder ons in maart en april in het binnenland zagen waren zeer ongewoon. De Goudplevier heeft in het verleden nochtans een sterkere band gekend met het binnenland. Dat blijkt uit de binnenlandse steltlopertellingen in Nederland waar – in de periode oktober en november – de aantallen in agrarische gebieden sinds de jaren ’70 (begin van de tellingen), een significante dalende trend vertonen, hoewel de soort globaal genomen toeneemt. Deze “vlucht” vanuit de agrarische gebieden blijkt ook uit het Meetnet Watervogels bij onze noorderburen, waar Goudplevieren ze meer en meer links laten liggen ten voordele van de zoute en zoete wetlands in de kustregio (Kleefstra et al. 2009). De oorzaak van deze verschuiving is niet helemaal duidelijk. Mogelijk spelen gewijzigde landbouwpraktijken en klimatologische omstandigheden een rol. Goudplevieren zijn oogjagers, die een korte vegetatie nodig hebben om vooral op vochtminnende organismen zoals regenwormen te jagen die naar de oppervlakte komen (Onrust 2013). Komen er op de akkers minder regenwormen voor door te veel mest en ontwatering, staat de vegetatie tijdens de doortrekperiode al te hoog, of zijn er nog andere oorzaken? In Duitsland merkte men op dat de Goudplevieren die begin maart 2013 door de barre weersomstandigheden werden teruggedrongen naar het zuidwesten, vooral de zeldzaam geworden natte weilanden opzochten en soms bij gebrek aan alternatieven op akkers landden (Gelpke 2013). Sinds 1982 is ook de jacht op Goudplevieren in Denemarken verboden waardoor de soort zich langer ophoudt in het noorden (Kleefstra et al. 2009). Goudplevieren worden op akkers wellicht ook systematisch onderschat gezien ze daar veel minder opvallen dan op graslanden (SOVON 1987). De Goudplevier staat net als de Kievit te boek als een echte vorstvlieder; bij vriestemperaturen of sneeuwval neemt hij de wijk naar gebieden waar de voornaamste voedselbronnen bereikbaar blijven. Tijdens de wintermaanden vallen er traditioneel minder Goudplevieren te noteren, maar bij zachte winters zonder sneeuw en vorst kunnen de aantallen hoog blijven, zoals het geval was in Nederland in de winter van 1982-1983. Wanneer in de winter de dooi invalt na een koudeprik, zullen Goudplevieren niet zo snel terugkeren als Kieviten. In Engeland overwinterende Goudplevieren doen dat wel (SOVON 1987). Tegen maart trekken Goudplevieren weer naar het noorden. De doortrek in België heeft gewoonlijk een piek tijdens de tweede en derde decade van maart, maar deze kan sommige jaren ook wel eind februari vallen (2008 was zo’n jaar) (www.trektellen.nl).

Het voorjaar 2013 – de Goudplevier aan de jojo De zeer zachte temperaturen begin maart 2013 gaven voor soorten zoals Kievit, Goudplevier en Kraanvogel Grus grus na twee koude maanden blijkbaar het startschot om massaal hun zomerverblijven weer op te zoeken. Op 4 en 5 maart trokken er tienduizenden Kraanvogels over ons land en enkele dagen later volgden ook de Goudplevieren met dan al opvallend grote groepen voor het binnenland. Maar in tegenstelling tot Kraanvogels, die zich weinig aantrekken van koufronten, trokken de Goudplevieren zich massaal terug toen op 10 en 11 maart een serieuze koudeprik werd uitgedeeld (zie Figuur 2). Blijft de vraag waarom er in het binnenland, al voor de koude intrad, ongewoon grote groepen Goudplevieren doortrokken. De weerkaarten van 4 tot en met 7 maart tonen dat er een occlusiefront vanuit het Iberisch schiereiland oprukt naar de Lage Landen. Werden de Goudplevieren hierdoor vooruit gedreven of waren het eerder de uitzonderlijk hoge temperaturen na een lange periode met


34 •

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 31-35 20-30

noordwaarts gem. temperatuur

1600

zuidwaarts

14 12

1400

10

1200

8

1000

6

800

4

600

2

400

0

200

-2

0

-4 06/03

07/03

08/03

09/03

10/03

11/03

❱ Figuur 2. Trekbewegingen van Goudplevieren Pluvialis apricaria over het Belgische binnenland, begin maart 2013 ❱ Figure 2. Migration movements of Golden Plover Pluvialis apricaria over inland Belgium, begin March 2013. koud weer die voor de sterk geconcentreerde doortrek zorgden? Op 8 maart komen de eerste echte groepen toe en de meeste lijken voet aan de grond te zetten, mogelijk vanwege een tweede neerslagzone die in het zog van de eerste volgt. Er valt die dag een niet onaanzienlijke 10mm neerslag. De volgende dag verlaat de regenzone stilaan ons land en daarna trekken er opnieuw grote groepen Goudplevieren over het binnenland. Als op 10 maart een koufront boven België stilvalt en de temperatuur naar beneden duikt, nemen zowel de zuidwaarts trekkende als pleisterende Goudplevieren in aantal toe. Op figuren 3 en 4 lijkt het er ook op dat het koufront onze

❱ Figuur 3. Weerkaart Europa, zondag 10 maart 2013 06u00 (www.knmi.nl). ❱ Figure 3. Weather map Europe, Sunday 10th March 2013 06.00 hrs (www.knmi.nl).

❱ Figuur 4. Weerkaart Europa, zondag 10 maart 2013 18u00. Let op het stagnerend koufront boven België (www.knmi.nl). ❱ Figure 4. Weather map Europe, Sunday 10 March 2013 18.00 hrs. Notice the stagnant cold front above Belgium (www.knmi.nl).

❱ Figuur 5. Spreiding van Goudplevier Pluvialis apricaria tussen 23 september 2012 en 8 april 2013 in de noord-Franse regio Champagne-Ardenne (www.faune-champagne-ardenne.org). ❱ Figure 5. Distribution of Golden Plover Pluvialis apricaria between 23th September 2012 and 8th April 2013 in the North France region Champagne-Ardenne (www.faune-champagne-ardenne.org). kuststreek achter zich heeft gelaten, waardoor de stuwing in de richting van het binnenland nog meer nadrukkelijk is. De Goudplevieren blijken mee op te schuiven met het koufront dat op 11 maart al boven Frankrijk ligt Eén dag later valt in het Vlaamse binnenland amper nog een Goudplevier te bespeuren. Half maart klimmen de temperaturen uit het dal, met een bescheiden piek van 6°C op 18 maart, om daarna opnieuw te kelderen. Op 20 maart, na de doortocht van een regenfront, worden er grote groepen pleisterend waargenomen op de binnenlandse akkers. Hebben de warmere temperaturen van de voorbije dagen de Goudplevieren aangezet om een nieuwe poging te ondernemen voor hun trek naar het noorden en stuitten ze hierbij op de regenzone? Het heeft er alle schijn van dat de hoge aantallen de som zijn van zuidwaarts gevluchte exemplaren en van achterblijvers die nu mee noordwaarts trekken. Vanaf de volgende dag (21 maart) hebben we weer te maken met vriesdagen en groeien de groepen pleisteraars nog verder aan. Het lijkt erop dat het ditmaal de koude is die de volgende lading Goudplevieren een halt toeroept en hen aan de grond dwingt. Verschillende waarnemers merken deze dag op dat de Goudplevieren regelmatig opvliegen in grote groepen, vaak hoog over de akkers, soms weer gaan zitten, maar geen aanstalten maken om verder te trekken. In totaal worden er in het binnenland op 21 maart 4286 Goudplevieren gemeld, het hoogste dagtotaal voor dit voorjaar. Ook op 22 maart blijven de groepen in het binnenland nog steeds omvangrijk. Maar de koude houdt aan en op 24 maart zakt de gemiddelde temperatuur zelfs onder het vriespunt. Voor de Goudplevieren blijkt dit van het goede te veel en de meeste trekken weer zuidwaarts – sommige ‘pechvogels’ zonder twijfel al voor de tweede keer – en we vinden een aantal van hen op de plateaus in het zuiden van het land. Vooral de provincie Henegouwen blijkt in trek, meer in het bijzonder de buurt van Chimay, Neufvilles en Neufmaison, waar eind maart groepen van meer dan 500 ex. worden waargenomen. Die aantallen worden ook waargenomen in het noorden van Frankrijk, in de


IN HET VELD •

Natuur.oriolus I 80 (1) I 31-35 20-30

regio Champagne-Ardenne (zie Figuur 5). In de Vlaamse provincies Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant worden in deze periode nauwelijks pleisteraars gevonden. Een groepje van 30 exemplaren is zowat het enige.

35

Dankwoord Dit artikel kwam mede tot stand dank zij de vele vrijwilligers die gegevens invoeren op www.waarnemingen.be, www.trektellen.nl en www.faune-champagne-ardenne.org. In het bijzonder wil ik de volgende personen nog bedanken voor het aanreiken van aanvullende informatie, het kritisch nalezen en/of het ter beschikking stellen van de foto’s: Peter Collaerts, Pieter Cox, Vincent Leirens, Koen Leysen, Marieke Berkvens, Paul Matthys en Carine Richerzhagen. Stijn Raymaekers, Kerkplein 13M, B-3720 Kortessem, stijn.raymaekers@telenet.be

Referenties

❱ Figuur 6. Weerbeeld op 9 april om 16u00. Goudplevieren trekken op dat moment weer noordwaarts. (www.buienradar.nl). ❱ Figure 6.Weather situation on 9th April at 16.00 hrs. Golden Plovers migrate again northwards (www.buienradar.nl). Vanaf 1 april klimt het kwik weer moeizaam omhoog en de groepen pleisteraars beginnen stilaan te slinken. Toch duurt het nog tot 8 april – de gemiddelde temperatuur komt nog eens boven de 6°C uit – eer grote golven Goudplevieren noordwaarts worden gemeld. Vooral in de namiddag van 9 april zien waarnemers grote groepen hoog doortrekken in hun klassieke boemerang-formaties. Met een regenzone die net voorbij getrokken is, een pittige regenzone die hen nog op de hielen zit en vooral een lekker rugwindje (zie Figuur 6), lijkt de tijd eindelijk rijp om hun verblijf in het Belgische binnenland op te zeggen. Het ga ze goed.

Devos K. & T. Onkelinkx 2013. Overwinterende watervogels in Vlaanderen – populatieschattingen en trends (1992 tot 2013). Natuur.oriolus 79(4): 113-130. Dupond K. 1943. De Vogels van België. Vermogen van het Koninklijk Natuurhistorisch Museum van België, Brussel Gelpke C., C. König, S. Stübing & J. Wahl 2013. Märzwinter 2013: bemerkenswerter Zugstau und Vögel in Not. Der Falke 60(5): 180-185. Gillings, S., A. Avontins, O. Crowe, S. Dalakchieva, K. Devos, J. Elts, M. Green, T.G. Gunnarsson, R. Kleefstra, V. Kubelka, T. Lehtiniemi, W. Meissner, E. Pakstyte, L. Rasmussen, G. Szimuly & J. Wahl 2012. Results of a coordinated count of Eurasian Golden Plovers Pluvialis apricaria in Europe during October 2008. Wader Study Group Bull. 119(2): 125–128. Kleefstra R., E. van Winden & M. van Roomen 2009. Binnenlandse steltlopertellingen in Nederland – toelichting op gegevens van landelijke tellingen in oktober en november 2008. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Parr R. 1992, The decline to extinction of a population of Golden Plover in north-east Scotland. Ornis Scandinavica 23(2):152-158. Onrust J. 2013. Wat wil de worm – De invloed van wormen op weidevogels. Mens & Vogel 51(2): 20-31. SOVON 1987. Atlas van de Nederlandse vogels [red. J. Bekhuis et al.]

Webreferenties http://waarnemingen.be/soort/view/100 http://trektellen.nl/grafiek.asp?soort=145&telpostland=2&telpost=-1&Jaar=None&Jaar2= 2013&my=mnd&eerstemaand=3&au=num http://www.meteo.be/meteo/view/nl/10163988-maart+2013.html http://www.knmi.nl/klimatologie/daggegevens/weerkaarten/ http://www.faune-champagne-ardenne.org/index.php?m_id=30096 http://europa.buienradar.nl/hist.aspx http://www.sovon.nl/sites/default/files/doc/Binnenlandse steltlopertellingen in Nederland_rap2009_14.pdf

Samenvatting – Abstract - Résumé In het voorjaar 2013 werden in het Belgische binnenland uitzonderlijk hoge aantallen van Goudplevier Pluvialis apricaria genoteerd. Op verschillende plekken en trektelposten sneuvelden er records. Er wordt in dit artikel aandacht besteed aan het aantalsverloop van de Goudplevieren in relatie met de bijzondere weersomstandigheden die zich tussen begin maart en begin april voordeden. Die periode werd voornamelijk gekenmerkt door een ongewone koudeperiode, die plotseling intrad op 10 en 11 maart. Er kunnen drie grote pieken worden onderscheiden: een zuidwaartse terugtrek tussen 9 en 11 maart, grote groepen pleisteraars tussen 20 maart en 1 april en een massale noordwaartse trek op 8 en 9 april. De gegevens over de aantallen zijn gebaseerd op www.waarnemingen.be en www.trektellen.nl. De weersgegevens komen van www.buienradar.nl en www.knmi.nl. Cold 2013 spring upsets Golden Plover Pluvialis apricaria migration In spring 2013 unusually large numbers of Golden Plover were observed in inland Belgium. At different places and count posts records were beaten. Attention is given in this article to the numbers of Golden Plovers in relation to the unusual weather conditions which were present between begin March and begin April. This period was characterized by an unusual cold snap, which suddenly began on 10th and 11th March. Three

large peaks can be seen: one southwards retreat between 9th and 11th March, large groups of stopover birds between 20th March and 1st April and a massive northwards migration on 8th and 9th April. The data are from www.waarnemingen.be and www.trektellen.org. The weather data come from www.buienradar.nl and www.knmi.nl. La migration des Pluviers dorés Pluvialis apricaria perturbée par les basses températures du printemps de 2013 Durant le printemps 2013, des nombres considérables de Pluviers dorés ont été notés à l’intérieur de la Flandre. A différents endroits et sur plusieurs postes de comptage, des records ont été battus. Cet article examine l’évolution des effectifs des Pluviers dorés en relation avec les conditions météorologiques exceptionnelles de début mars au début du mois d’avril. Cette période a été marquée par une vague de froid inhabituelle qui a surgit soudainement les 10 et 11 mars. On a pu distinguer 3 pointes: une régression vers le sud entre le 9 et le 11 mars, de grands groupes faisant escale entre le 20 mars et le 1er avril et une migration massive vers le nord les 8 et 9 avril. Les données de comptage sont basées sur www.waarnemingen.be et www.trektellen.nl. Les données météorologiques nous viennent de www.buienradar.nl et www.knmi.nl.


36

IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 36-37 20-30

Vogelparadijs Bichterweerd Op trektelpost Bichterweerd nabij de Maas zijn in het verleden al heel wat fraaie vogelwaarnemingen gedaan, maar de lijst aan zeldzaamheden die we er in de eerste jaarhelft van 2013 bijeen sprokkelden was ronduit indrukwekkend. Een ideale aanleiding om dit gebied eens voor het voetlicht te halen. ❱ Emiel Opdenacker & Jan Geens

Het gebied De Bichterweerd is gelegen langs de Maas tussen Rotem en Elen in de gemeente Dilsen-Stokkem (L). “Bichter” verwijst naar het dorp Grevenbicht aan de overzijde van de Maas en”Weerd” naar “waert”, de Middeleeuwse benaming voor “grond aan een rivier”. Het gebied ligt centraal in de Limburgse Maasvallei en werd na ontgrinding ingericht als natuurgebied. Er liggen twee plassen, een westelijke en een oostelijke, gescheiden door een hoge winterdijk waarop een fietspad werd aangelegd. De meeste grindplassen langs de Maas zijn tot tientallen meters diep en hebben een badkuipprofiel dat voor de natuur weinig kansen biedt, maar wel gewaardeerd wordt door waterrecreanten. In de Bichterweerd is de situatie echter iets anders geëvolueerd. De westelijke plas werd (nadat het grindpakket verwijderd was) nog verder uitgediept voor drinkwaterwinning door het onderliggende zand over te pompen naar de andere plas. Daardoor werd deze waterpartij minder diep en ontstond een lichtglooiende oever die bij hoge waterstanden gedeeltelijk overstroomt. Zo ontwikkelde zich een brede zandige tot slikrijke oever, uniek in de regio. Vogels maken er gretig gebruik van. Grondbroeders zoals Graspieper Anthus pratensis, Gele Kwikstaart Motacilla flava, Veldleeuwerik Alauda arvensis, Kievit Vanellus vanellus en Kleine Plevier Charadrius dubius zijn in het voorjaar met tientallen paartjes aanwezig. Maar ook trekvogels weten deze oevers te waarderen. Als door een magneet aangetrokken zie je de overtrekkende steltlopertjes invallen. In het voorjaar blijven de meeste maar korte tijd ter plaatse; deels in hun haast tijdig de broedgebieden te bereiken en deels omdat er dan maar weinig te eten valt. In het najaar blijven ze iets langer pleisteren omdat er dan meer leven zit in water en slik. De trektelpost van Bichterweerd is gelegen op de fietsdijk. Deze locatie heeft zowel voor- als nadelen. Men heeft een mooi panoramisch uitzicht (voorlopig althans) op de slikoever en men kan er kilometers ver rondkijken. Maar het kan er ook winderig en koud zijn. Bovendien passeren er veel fietsers die de trektellers wel eens uit hun concentratie kunnen halen. Anderzijds kun je aan geïnteresseerde voorbijgangers uitleggen met welke bedoeling vogels worden geteld en hen mee laten genieten van de aanwezige vogels. In de winter en het voorjaar van 2013 werden een opmerkelijk aantal zeldzame soorten gezien (tabel 1), de aanleiding voor het schrijven van deze bijdrage.

Belangrijke opmerking: de foto’s die in dit artikel werden gebruikt zijn niet van topkwaliteit. Ze zijn via digiscopie tot stand gekomen en vooral van op een behoorlijke afstand (ruim 200m!). De telpost op de dijk ligt immers vrij ver van de slikplaat af en de rust van de vogels primeert bij ons. Dichterbij gaan voor betere foto’s zou ongetwijfeld verstoring veroorzaakt hebben. We hebben onszelf de discipline opgelegd om het gebied niet te betreden (zeker niet in de trek- en broedperiode) en we hopen dat ook andere vogelkijkers zich daar aan houden.

Uitzonderlijke waarnemingen late winter en voorjaar 2013 Wat er in de late winter en het voorjaar van 2013 op de Bichterweerd werd gezien tart alle verbeelding. Zelfs een opsomming van de meest in het oog springende waarnemingen is al indrukwekkend (Tabel 1). 30/mrt

Regenwulp

04/apr

Roodhalsgans

15 ex. trekkend N.

06/mei

Ortolaan

15/mei

Kleine Strandloper

07/apr

Kolgans

09/apr

Regenwulp

10/apr 11/apr 13/apr

Engelse Kwikstaart

15/apr

Visdief

de eerste

17/apr

Kraanvogel

18/apr 18/apr 20/apr

Zwartkopmeeuw

20/apr

Grote Stern

18/mei

Citroenkwikstaart

21/apr

Grote Zee-eend

laatste datum (max. 6 ex.)

26/mei

Krombekstrandloper

25/apr

Dwergmeeuw

tweede groep (120 ex.)

28/mei

Grauwe Klauwier

26/apr

Middelste Zaagbek

mannetje

30/mei

Gestreepte Strandloper

3000 ex., laatste datum

15/mei

Terekruiter

33 ex.

15/mei

Grote Stern

Taigarietgans

16/mei

Griel

Rouwkwikstaart

16/mei

Noordse Stern

18/mei

Zeearend

18/mei

Bontbekplevier

50 ex.

de laatste

18/mei

Drieteenstrandloper

2 ex.

Kluut

de eersten

18/mei

Kleine Strandloper

3 ex.

Dwergmeeuw

de eerste groep van 40 ex

18/mei

Breedbekstrandloper

4 ex.

18/mei

Zilverplevier

Steenloper

27/apr

Ortolaan

30/mei

02/mei

Strandplevier

03/jun

Velduil

02/mei

Kanoetstrandloper

11/jun

Lepelaar

02/mei

Drieteenstrandloper

12/jun

Dwergstern

02/mei

Temmincks Strandloper

10 ex.

15/jun

Reuzenstern

02/mei

Lachstern

de eerste

18/jun

Lachstern

04/mei

Bijeneter

21/jun

Witwangstern

05/mei

Lachstern

de tweede

2 ex. (en op 27 mei 3 ex.)

de derde

de tweede

❱ Tabel 1. Chronologisch overzicht van de belangrijkste zeldzaamheden waargenomen op de Bichterweerd februari-juni 2013. ❱ Table 1. Chronological overview of the most important rarities seen on the Bichterweerd February-June 2013.

Het verhaal bij enkele ontdekkingen Terekruiter, 15 mei 2013 Op 15 mei zag ik (EO) op de grindvlakte langs de Maas in het noordelijk deel van de Bichterweerd veel pleisterende meeuwen. Een Grote Stern Sterna sandvicensis trok mijn aandacht. Dan viel mijn oog op een steltlopertje aan de rand van het water. Ondanks de afstand (ca 120m) viel de vrij lange opgewipte snavel op. Ik dacht meteen aan Terekruiter Xenus cinereus maar de pootkleur leek me eerder grijs

❱ Lachstern Gelochelidon nilotica (links). 18 juni 2013. Bichterweerd, Dilsen (L) (L)  Gestreepte Strandloper Calidris melanotos (rechts). 30 mei 2013. Bichterweerd, Dilsen (L) (Foto: Jan Geens)


IN HET VELD

Natuur.oriolus I 80 (1) I 36-37 20-30

37

Discussie

❱ Terekruiter Xenus cinereus. 15 mei 2013. Bichterweerd, Dilsen (L) (L) (Foto: Jan Geens) dan geel. Het wippen met het achterlijf en de donkere schouderstrepen wezen in de richting van Terekruiter, maar gezien de zeldzaamheid van deze soort hield ik de mogelijkheid open van een andere steltloper met een afwijkende snavel. Ik maakte met de losse hand enkele foto’s door mijn telescoop.  Na de voorbije weken al onterecht een Noordse Nachtegaal en een Aziatische Roodborsttapuit geclaimd te hebben aarzelde ik om collega-vogelaars te verwittigen. Bij de meer zuidelijk gelegen slikplaat ontmoette ik Peter Gabriëls. Toen ik hem de digitale foto’s toonde was hij snel overtuigd dat het wel degelijk om een Terekruiter ging. Samen haastten we ons terug naar de grindvlakte waar we de vogel terugvonden. Voor we betere foto’s konden maken vloog de vogel onverhoeds laag weg over de Maas in zuidelijke richting. Daarbij zagen we duidelijk de witte vleugelachterrand en hoorden we een onbekend wuuwuuwuuroep. Even later waren ook Geert Beckers, Stijn Raymakers en Carlo Vanderydt gearriveerd. Na enig zoekwerk vond Carlo de vogel terug op de slikplaat in het gezelschap van een viertal Oeverlopers Actitis hypoleucos . Het gaat hier over de eerste zekere en met foto’s gedocumenteerde waarneming van Terekruiter in Limburg. Breedbekstrandloper, 18 mei 2013 Wat een memorabele dag in de Bichterweerd! Om7 u in de ochtend gaf een groep van 33 foeragerende Tureluurs Tringa totanus al aan dat het wel eens een goede waadvogeldag zou kunnen worden. Om 8u25 barstte het pas goed los. Een grote groep steltlopertjes viel in op de slikplaat. In dit kluwen van meer dan 50 Bontbekstrandlopers Charadrius hiaticula en enkele Kleine Strandlopers Calidris minuta en Drieteenstrandlopers C. alba viel ons oog plots op een zeer donker beestje. De witte V op de rug en de lichte strepen op het kopje gaven echter direct zekerheid omtrent de identiteit: Breedbekstrandloper Limicola falcinellus! Jammer dat we door het felle tegenlicht van de laagstaande zon geen degelijke foto’s konden maken . Even later vloog de hele groep op en vertrok hoog naar noordwest. De inderhaast opgetrommelde vogelaars kwamen dus ruim te laat om ook een Breedbek op Limburgse bodem te kunnen aankruisen. Op 12 mei 2008 ontdekte Geert Beckers al eens een Breedbekstrandloper in de Bichterweerd. Gestreepte Strandloper, 30 mei 2013 In de namiddag van 30 mei 2013 fietste ik (EO) eens te meer naar de Bichterweerd. De slikplaat afspeurend zag ik een steltlopertje dat me aanvankelijk deed denken aan een Kemphaan Philomachus pugnax maar duidelijk te klein was. Ik spoedde me weer naar huis om mijn vogelgids erbij te halen. Nadat ik grondig alle veldkenmerken bekeken en vergeleken had met hetgeen ik zag in mijn boek durfde ik Jan Geens te verwittigen. Samen met nog een vijftal andere gelukkigen konden we nog een paar uur genieten van deze voor de Bichterweerd eerste Gestreepte Strandloper Calidris melanotos (en de tweede voor Limburg; de vorige waarneming was 1 ex. op 8 mei 2011 in De Maten Genk, waarnemer Marc Lodewijckx)

Dat de kuststreek in Vlaanderen heel wat zeldzaamheden kan opleveren is algemeen bekend. Ook uitgestrekte natuurgebieden scoren op dat vlak soms goed. Hier gaat het echter om een vrij klein gebied in het verre binnenland dat overduidelijk dé hotspot was voor vogels in het voorjaar van 2013. Hoe valt dit te verklaren? Uiteraard is één cruciale factor de waarnemingsintensiteit. Zoveel te meer er gekeken wordt, zoveel te meer kans om bijzondere vogels te ontdekken. Verder speelt de kennis van de lokale waarnemers een rol. Daarnaast zal de Maas als ruwweg Z-N georiënteerde grotere rivier een kanaliserende en geleidende rol spelen voor een aantal trekvogels. Tenslotte dient aangestipt dat Bichterweerd in het noordoosten van het land ligt en heel wat van de waargenomen zeldzaamheden een meer oostelijke origine en trekroute hebben. Denken we maar aan Breedbekstrandloper, Reuzenstern Hydroprogne caspia, Lachstern Gelochelidon nilotica en Witvleugelstern Chlidonias leucopterus.

Onzekere toekomst Er zijn jammer genoeg ook een paar ernstige negatieve ontwikkelingen die het voortbestaan van de Bichterweerd als vogelparadijs bedreigen. In de eerste plaats begint de openheid te verdwijnen door opslag van wilgen en andere houtige gewassen. Onlangs werd door Natuurpunt gestart met extensieve begrazing met runderen. Dit kwam eigenlijk te laat om die negatieve ontwikkeling terug te schroeven, want het noordelijk deel is al uitgegroeid tot een wilgenbos. In het zuidelijk deel van de westoever is er al veel opslag van wilgen en Rode Kornoelje, maar hier zou machinaal beheer nog soelaas kunnen bieden om de openheid en bijgevolg de broed- en foerageergelegenheid van veel vogels te behouden. Een tweede probleem vormt de gemeentelijke eis tot openstelling van het gebied voor vissers en wandelaars. Inmiddels heeft Natuurpunt (eigenaar van de Bichterweerd) contact genomen met de gemeente DilsenStokkem en het Regionaal Landschap Maas en Kempen om de openstelling van het gebied in goede banen te leiden. Om deze en andere bedreigingen het hoofd te bieden en het gebied leefbaar te houden voor broed- en trekvogels is er vanuit de schoot van Natuurpunt een werkgroep ‘de vrienden van de Bichterweerd’ opgericht. De toekomst zal uitwijzen of de Bichterweerd zijn status van uniek vogelparadijs in Vlaanderen zal kunnen behouden. Emiel Opdenacker, Kloosterbemden 20, B- 3680 Maaseik; emiel. opdenacker@telenet.be Jan Geens, Tuinstraat 7, 3950 Bocholt; jan-geens@telenet.be

Samenvatting – Abstract - Résumé In dit artikel wordt de Bichterweerd, een gebied in Dilsen-Stokkem (L) langs de Maas, kort voorgesteld. De belangrijkste vogelwaarnemingen van de eerste jaarhelft van 2013 worden opgelijst met enkele gevalsbeschrijvingen. Bird Paradise Bichterweerd Bichterweerd, an area in Dilsen-Stokkem (L) along the River Maas is briefly introduced in this article. The most important bird observations of the first half of 2013 are listed with some descriptions. Bichterweerd, au paradis des oiseaux Dans cet article nous présentons Bichterweerd, une réserve naturelle à Dilsen-Stokkem (L.), le long de la Meuse. Nous faisons l’inventaire des observations d’oiseaux les plus importantes de la première moitié de 2013 avec une description de quelques cas.


opmerkelijk vogelnieuws

38 •

OPMERKELIJK VOGELNIEUWS

Natuur.oriolus I 80 (1) I 38-39 20-30

Zeldzame vogels najaar 2013 › Simon Feys

Met ingang van dit nummer wordt het overzicht van zeldzame soorten lichtjes uitgebreid naar alle BAHC-soorten, en regelmatig aangevuld met andere opvallende waarnemingen. Opname in dit overzicht betekent niet dat de soort aanvaard werd door het BAHC, hiervoor dient een beschrijving van de waarneming te worden opgemaakt en doorgestuurd naar het BAHC.

❱ Grote Kruisbek Loxia pytyopsittacus mannetje. 26 januari 2014. Vallei van de Ziepbeek, Lanaken (L) (Foto: Filip De Ruwe) Een soort die sowieso een plaats in dit overzicht verdient is de Kuhls Pijlstormvogel Calonectris borealis die op 11 sep langs De Panne vloog (D. D’Hert & F. Vanhove). Vale Pijlstormvogels Puffinus mauretanicus werden zoals verwacht vooral eind aug – begin sep gezien. De eerste twee vlogen op 31 aug langs De Panne (D. D’Hert), gevolgd door vogels op 10 sep langs Nieuwpoort (P. Vanmeerbeeck, R. Gailly, D. Gailly e.a.), op 11 sep langs zowel Mariakerke (K. Moreau), Koksijde (J. Mussche) als De Panne (D. D’Hert), op 20 okt één of twee op zee vanaf een schip tijdens een vogelexcursie (K. Helsen, G. Devolder, C. Jacobs e.a.), en de laatste twee vlogen op 30 okt langs Koksijde (D. D’Hert & C. Gruwier). Op 10 sep vloog zowel langs Koksijde (J. Mussche) als De Panne (F. Stocman & V. Dufour) een Stormvogeltje Hydrobates pelagicus, een dag later was er bij De Panne nog een waarneming (D. D’Hert & F. Vanhove). Op 7 nov werd een levend

exemplaar gevonden op een schip, na revalidatie in het VOC van Raversijde kon het snel weer worden vrijgelaten (mededeling M. Deryckere). Net zoals in de ons omringende landen waren er het afgelopen najaar ook bij ons verschillende waarnemingen van Zwarte Ibis Plegadis falcinellus, een broedgeval lijkt iets voor de nabije toekomst. Op 6 okt vloog er één over Gavere - Baaigemkouter (F. Verbelen & J. Verhoeye), gevolgd door vier exemplaren die op 19 okt richting oost over Brugge - Industriezone Pathoekeweg vlogen (J. Meire). Mogelijk dezelfde groep zat op 20 en 21 okt te Watervliet Sint-Jorispolder (P. Dhaluin, B. Vandevoorde, D. Camerlinck e.a.), nog op 20 okt zaten er maar liefst zes te Kieldrecht - Vrasenepolder (D. Kösters). Twee vogels trokken op 25 okt over Oostende (F. Vandewalle), en één exemplaar vloog op 29 okt over Assenede Oesterputbrug (W. Hamelinck). Op 30 en 31 okt was er één ex. aan-


Natuur.oriolus I 80 (1) I 38-39 20-30

wezig te Diksmuide - IJzervallei (L. Derutter, D. D’Hert, H. Loobuyck e.a.), deze kreeg van 1 nov t.e.m. 1 dec gezelschap van een tweede exemplaar. Op 8 nov was het weer raak op de telpost te Gavere Baaigemkouter (F. Verbelen & H. Van Doorslaer), nu met twee overtrekkende vogels. Van 15 t.e.m. 22 nov zat er één met een Spaanse kleurring te Gent - Bourgoyen-Ossemeersen (L. Teugels, P. Vantieghem, S. Hotton e.a.), deze vogel werd voor en na zijn bezoek aan België ook in Nederland gezien. Op 30 nov tenslotte vloog er één over Eke (T. Mathys). Nog een soort die hier de laatste jaren regelmatiger gezien wordt is Grijze Wouw Elanus caeruleus, meestal gaat het echter om overvliegende of slechts kort pleisterende vogels, dat was niet anders bij deze vogel die op 21 okt over Lichtervelde - Heihoek vloog (L. Delecluyse & B. Van Thuyne). Ook Steppekiekendief Circus macrourus was tot een aantal jaren terug zeer zeldzaam in onze contreien, maar wordt recent meer gezien; niet echt een verrassing dus dat er ook in het najaar van 2013 enkele vogels werden waargenomen. Een eerstejaars vogel vloog op 11 sep over Boechout (S. Keteleer) en pleisterde iets later te LierKoningshooikt (A. Jacobs & S. De Smedt). Deze werd gevolgd door een tweedejaars vogel op 28 sep over Kooigem/Sint-Denijs (E. Desmet, F. Claerbout, J. Nuttin e.a.) en nog een eerstejaars op 30 okt. Deze laatste werd eerst gezien te Laarne - Kalkense Meersen (K. Waelkens), en een tijdje over de telpost te Gavere - Baaigemkouter (F. Verbelen). Ronduit spectaculair was de waarneming (en de bijhorende foto’s!) van een overvliegende Kleine Torenvalk Falco naumanni op 26 okt te Koksijde (D. D’Hert & C. Gruwier). Dit betreft de eerste waarneming van deze soort in België. Het enige Klein Waterhoen Porzana parva van het najaar was een eerstejaars vogel op 26 en 27 sep te Gent - Bourgoyen-Ossemeersen (L. Teugels, B. Cottele, S. Vyncke e.a.). Vanaf 11 nov werd, net zoals in eerdere winters, weer regelmatig een Aziatische Goudplevier Pluvialis fulva gezien in de Doelpolder Noord (G. Driessens, K. Hessel, F. Vanhove e.a.), mogelijk betreft het hier een steeds terugkerende vogel. Kleinste Jager Stercorarius longicaudus is geen beoordeelsoort, maar de waarnemingen van een exemplaar in de omgeving van Gavere tussen 30 aug en 2 sep zijn toch het vermelden waard (A. Devos, B. Deduytsche, D. De Groote e.a.). Op 2 sep werd deze vogel opgeraapt bij Schelderode (H. Verstraete) maar even later ontsnapte hij en vloog hoog en ver weg. Na eerdere berichten over waarnemingen van Vale Gierzwaluwen Apus pallidus in onder andere Nederland en het Verenigd Koninkrijk was er ook in Vlaanderen een influx van deze soort. De eerste werd gezien op 7 okt te Oostende (B. Steeman), gevolgd door één op 22 okt te Nieuwpoort (D. D’Hert), nog één op 24 okt te Brecht - Groot Schietveld (K. Dierckx), en twee waarschijnlijke ex. op 26 okt in Blankenberge (F. Stocman, F. Hollander & J. De Vos). Mogelijk dezelfde twee vogels pleisterden op 27 en 28 okt in Oostende (R. De Jaegher, P. Beirens, J. Buckens e.v.a.). Eén van deze vogels werd op 29 okt voor het oog van verschillende vogelkijkers aangevallen door een Ekster Pica pica, waarna hij overgebracht werd naar het Vogelopvangcentrum. Op 1 nov werd deze vogel terug losgelaten. Mogelijke exemplaren vlogen op 27 okt over Heist (F. De Ruwe) en op 2 nov over Middelkerke (B. Zurings & B. Geelhand). Een erg makke Siberische Boompieper Anthus hodgsoni zat op 12 okt te Zeebrugge - Voorhaven (H. Verstraete, W. Courtens, J. Buckens e.a.). Op 7 sep was er een ringvangst van een Noordse Nachtegaal Luscinia luscinia te Mechelen - Mechels Broek (G. Smets, R. Nossent & K. Van Asten). De Izabeltapuit Oenanthe isabellina die van 1 t.e.m. 5 okt pleisterde in de Baai van Heist (D. Gailly, J. Baert, K. Hessel e.a.) trok veel bekijks. Op deze locatie was er ook een melding op 26 en 27 okt (N. Debusschere & J. Mussche). De Daurische Klauwier Lanius isabellinus die zich op 27 sep liet bekijken te Leefdaal (B. Nef, P. Collaerts, R. Stoks e.a.) was nog maar de vierde waarneming van

OPMERKELIJK VOGELNIEUWS •

39

deze soort in België. De determinatie van de Daurische of Turkestaanse Klauwier Lanius isabellinus/phoenicuroides die op 11 nov te Zeebrugge - Visserskruis zat (J. Buckens, J. Elst, D. Van den Schoor e.a.) blijkt moeilijker dan verwacht, voorlopig kon deze vogel nog niet op (onder)soort worden gebracht. Raaf Corvus corax blijft een grote zeldzaamheid in Vlaanderen, de waarnemingen op 18 okt over Herk-de-Stad - Schulensbroek (G. Huygens) en op 17 nov over Neerpelt - Het Hageven (P. Schuurmans) staan in dit overzicht dus zeker op hun plaats. Een soort die rake klappen kreeg tijdens de voorbije koude winters is Graszanger Cisticola juncidis: Er waren tijdens heel het najaar slechts drie waarnemingen: op 12 aug te De Panne - De Westhoek (R. Billiau), op 24 aug te Brecht - Groot Schietveld (P. Symens & S. Borny) en op 7 sep te Willebroek (W. Van den Bossche). Ook van Struikrietzanger Acrocephalus dumetorum waren er drie waarnemingen, het betroffen alle ringvangsten: op 21 sep te Koksijde - Doornpanne (D. D’Hert & J. Seys), op 28 sep te Mechelen - Mechels Broek (J. Elst, K. Van Asten, R. Nossent e.a.), en op 30 sep te Mechelen - Beemden Stuivenberg (G. De Weerdt, J. Rottiers & G. Smets). Een Veldrietzanger Acrocephalus agricola liet zich op 12 okt bekijken te Zeebrugge - Voorhaven (H. Verstraete, W. Courtens, D. Herman e.a.). Er waren maar twee meldingen van Bruine Boszangers Phylloscopus fuscatus, beide uit het binnenland: op 5 okt te Alken Plein (J. Stevens) en op 2 nov te Eine - Snippenweide (D. De Groote, S. Feys, D. Van de Populiere e.a.). Een Raddes Boszanger Phylloscopus schwarzi werd op 28 sep geringd in Bellem (N. De Regge & K. Hessel). Nog een leuke vangst was de Noordse Boszanger Phylloscopus borealis die op 22 sep in de netten hing te Koksijde - Doornpanne (D. D’Hert, H. Tyteca, F. Vandeputte e.a.). De eerste Pallas’ Boszanger Phylloscopus proregulus van het najaar zat op 16 en 17 okt te Koksijde (R. Recour, D. D’Hert, S. Morreeuw e.a.), gevolgd door exemplaren op 22 okt te Zeebrugge - Voorhaven (J. Buckens), op 26 okt te De Haan (K. Hessel), op 9 en 10 nov te Heist (J. Buckens, P. Beirens, R. Felix e.a.), op 11 nov een ringvangst te Tongeren (E. Colson), en op 16 nov een ringvangst te Houthulst, deze vogel bleef aanwezig t.e.m. 19 nov (M. Demeulemeester & S. Morreeuw). Een Grauwe Fitis Phylloscopus trochiloides was van 15 t.e.m. 17 sep aanwezig te Heist (D. De Groote, J. Elst, T. Goossens e.a.). Op 25 nov was er een melding van een Witstuitbarmsijs Carduelis hornemanni te Nerem (E. Colson). Het was al enige tijd geleden dat er nog eens een invasie van Grote Kruisbekken Loxia pytyopsittacus ook ons land bereikte, maar in het najaar van 2013 was het nog eens prijs. Het begon met enkele vogels die vanaf 11 okt af en toe gezien werden bij de telpost te Averbode Bos en Heide (D. Plu, K. Leysen, G. & D. Van den Heuvel e.a.), gevolgd door een mannetje op 19 okt te Nieuwpoort - Ideeëntuin (W. Debruyne), maximaal twee vogels te Meeuwen - Gruitrode vanaf 26 okt (G. Beckers & D. Herman), regelmatig overvliegende exemplaren te Genk - De Maten vanaf 29 okt (C. Vanderydt), een groepje van zeven overvliegend te Riemst - Tiendeberg op 31 okt (G. Beckers) en twee op 11 nov te Rekem - Vallei van de Zijpbeek (K. Goemaere, O. Dochy, W. Declercq e.a.) met daar maximum 21 exemplaren op 17 nov (F. De Ruwe). De meest bezochte vogels waren deze van de Kalmthoutse Heide, daar waren waarnemingen vanaf 11 nov, met vanaf 18 nov grotere aantallen die opliepen tot maximum 43 vogels (G. Vermeersch, J. Dewolf, J. Buckens e.v.a.). De kleinere invasie van Witbandkruisbek Loxia leucoptera lijkt ons niet te hebben bereikt, er was enkel een mogelijk exemplaar op 19 en 20 okt Zeebrugge - Visserskruis (W. Faveyts, J. Elst, T. Goossens e.a.). Afsluiten doen we met de tweede nieuwe soort voor de Belgische lijst van het najaar, de ringvangst van een Witkeelgors Zonotrichia albicollis op 12 okt te Berendrecht (G. Goris). Simon Feys, simonfeys@yahoo.com


raadselfoto

40

RAADSELFOTO

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 40

Oplossing Raadselfoto 53 Er namen 42 lezers deel aan deze raadselfoto, die in het teken stond van de rapportage over watervogels in het vorige nummer. Zaten de deelnemers al voldoende in de watervogelsfeer voor dit vliegende eendje?

❱ Wilde Eend Anas platyrhynchos vrouwtje (Foto: Herwig Wils)

❱ Wintertaling Anas crecca vrouwtje (Foto: Gerard Janse)

Vier deelnemers (10%) dachten dat het om een Wintertaling Anas crecca ging. Al was er bij sommigen onder hen wel wat twijfel omdat de vleugelspiegel overduidelijk blauw was in plaats van groen. Het snaveltje, die koptekening… het zou kunnen. Zo maar eventjes 38 personen of 90% stemden op een vrouwtje Wilde Eend A. platyhrhynchos. Blauwe vleugelspiegel met witte afboording; de meest logische keuze. De meerderheid had het daarmee echter bij het verkeerde eind, het was een Wintertaling. Een enkeling voelde het zelfs al aan: hier klopt iets niet. Structuurkleuren kunnen (in tegenstelling tot pigmentkleuren) verschillen naargelang de hoek of de belichting waarin de vogel wordt waargenomen. Wanneer je in detail naar een Wintertaling kijkt, merkt je dat de spiegel van kleur verandert naargelang de hoek waarin hij beweegt. Wanneer je de vogel bv. in achteraanzicht ziet, wordt die spiegel blauw. In het veld zou deze Wintertaling wellicht een groene spiegel vertonen, maar net deze bevroren houding toont een blauwe kleur. In de voorste vleugel tonen de toppen al iets groener. We fixeren ons dus duidelijk steeds op de meest opvallende kenmerken, want eens we in detail gaan kijken merken we dat dit hoegenaamd geen Wilde Eend kan zijn. De snavel is veel te dun en smal voor een Wilde Eend. We zien ook de wat oranje basis die de meeste Wintertalingen vertonen en niet de centrale donkere zone van de meeste Wilde Eenden. De toppen van de tenen die net in de zon steken onder de staart) zien er donkergrijs uit, zeker niet fel oranje en dat was een goede aanwijzing. Het koppatroon met een smalle oog- en wenkbrauwstreep en een donker petje blijft een goed Wintertaling-karakter weergeven. Het vleugelpatroon en in het bijzonder de tekening van de spiegel is anders: hier zien we dat de buitenste armpennen zwart gecentreerd zijn, bij Wilde Eend loopt de gekleurde spiegel door. Het glanzende deel van de spiegel vertoont bovendien geen zwarte aflijning tussen donkere spiegel en witte toppen van armpennen en grote dekveren. Pierre Nowosad specialiseerde zich in het fotograferen van vliegbeelden van eenden en fotografeerde deze Wintertaling op 7 april 2012 in de Hobokense Polder (A). Op bijgaande foto’s tonen we de beschreven kenmerken nog eens netjes naast mekaar op foto.

Bart Dierickx was één van de vier enige die het juist had en ontvangt een boekenbon ter waarde van 30 euro. Gefeliciteerd! Gerald Driessens, gerald.driessens@natuurpunt.be

Opgave Raadselfoto 54 Stuur je oplossing zo snel mogelijk door naar de auteur en maak kans op een boekenbon ter waarde van 30 euro! gerald.driessens@natuurpunt.be (Coxiestraat 11, B-2800 Mechelen).


RAADSELFOTO

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30

Voor de perfecte kijkbelevenis. Leica Ultravid HD verrekijkers.

Het verschil zit hem in de details. Deze hoogwaardige verrekijker laat zien wat de moderne technologie mogelijk maakt: fluoridehoudende lenzen zorgen voor briljante kleurgetrouwheid en perfect contrast, met ongeëvenaarde beeldhelderheid en betoverende helderheid tot gevolg. Zijn uitstekende prestatie wordt nog verhoogd door de efficiënte onderdrukking van strooilicht. robuust, compact en licht geoptimaliseerde scherpstelactie voor zeker, snel en nauwkeurig scherp stellen water- en vuilafstotende AquaDura® lens coating Modellen: 8 x 32 HD, 10 x 32 HD, 7 x 42 HD, 8 x 42 HD, 10 x 42 HD, 8 x 50 HD, 10 x 50 HD, 12 x 50 HD

Meer informatie op www.leica-sportoptics.com H. De Beukelaer & Co. NV / Boomsesteenweg 77 / 2630 AARTSELAAR / BELGIË / www.debeukelaer.be / info@debeukelaer.be

41


nieuws

42 •

NIEUWS

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 42

Rapport over bijzondere broedvogels in de Dendervallei in 2012 Voor de derde keer op rij publiceerde Vogelwerkgroep Cinerea (Dendervallei) een rapport over bijzondere broedvogels in de Denderstreek, dit maal met betrekking tot het jaar 2012. Enkele van die soorten horen tot de bijzondere broedvogels op Vlaams niveau, die worden in het kader van het project Bijzondere Broedvogels Vlaanderen opgevolgd door het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek. Daarnaast treffen we in de Denderregio ook soorten aan die op regionaal niveau zeldzaam of schaars zijn. Voor de opvolging van deze regionaal interessante soorten werken met een rouladesysteem, waarbij een bepaalde groep soorten om de drie jaar opnieuw aan bod komt. In 2012 waren de bosvogels aan de beurt.

Specht (3-4 territoria), Vuurgoudhaan (5 territoria), Glanskop (25-26 territoria met een maximale dichtheid van 9,6 territoria/100ha in het belangrijkste gebied voor de soort) en Boomklever (88 territoria – het merendeel huist in de grotere bosgebieden, met dichtheden variërend tussen 13,7 en 18,7 territoria/100ha in de best onderzochte gebieden). De soort blijft verder uitbreiden naar nieuwe, minder traditionele broedgebieden zoals populierenbossen). Op Zwarte Specht na gaat het zeker of vermoedelijk om ondertellingen. We vonden geen enkel territorium van Fluiter en Goudvink en Kuifmees blijft bij gebrek aan naaldhout vanzelfsprekend een zeer zeldzame soort (slechts 1 territorium). Appelvink blijft zeer zeldzaam, maar wordt wellicht vaak gemist.

Wat de BBV soorten betreft vermelden we de volgende opmerkelijke resultaten: 3 territoria van Zomertaling, een totaal van 161 bezette nesten van Blauwe Reiger (een daling van 14% t.o.v. 2011), 9 territoria van Wespendief, 3 territoria van Havik en van Slechtvalk, en 33-35 territoria van Grote Gele Kwikstaart. Er werden slechts 4-5 territoria van IJsvogel opgetekend en voor het eerst sinds 2005 was er geen territorium van Cetti’s Zanger. Eindelijk kon een waarschijnlijk broedgeval worden vastgesteld van Middelste Bonte Specht (de huidige regiopopulatie wordt op minstens 1-5 territoria geschat). Van echte zeldzaamheden zoals Kwartelkoning, Engelse Gele Kwikstaart en Orpheusspotvogel noteerden we telkens één territorium. Eenmalige zangposten van Woudaapje en Porseleinhoen hadden wellicht betrekking op doortrekkers.

Voor de regionaal bijzondere soorten die geen bijzondere aandacht kregen in 2012 (niet-bossoorten dus) zijn de volgende cijfers vermeldenswaardig: Grutto (1 territorium), Zomertortel (nog amper 2 gemelde territoria – het verdwijnen als broedvogel uit de regio lijkt stilaan onafwendbaar!), Graspieper (1 territorium), Nachtegaal (16 territoria – een prima jaar), Wielewaal (34 territoria – de zuidelijke Dendervallei is thans wellicht één van de betere gebieden voor deze soort in Vlaanderen), Matkop (45 territoria – zelfde opmerking als bij Wielewaal) en Geelgors (54 territoria).

Bij de regionale bijzondere soorten leverde de specifieke aandacht voor bossoorten volgende gegevens op: Houtsnip (4 territoria), Zwarte

Het volledige rapport van 2012, evenals de vorige rapporten van 2010 en 2011, is beschikbaar op de website van Vogelwerkgroep Cinerea: http://dhost.info/cinerea/publicaties.php. Wouter Faveyts – Vogelwerkgroep Cinerea

Natuurpunt vogelcursussen De interesse voor vogels lijkt (gelukkig) nog steeds te groeien. Zo zijn er opmerkelijk veel inschrijvingen op de vogelcursussen die door Natuurpunt Educatie worden georganiseerd, zoals bv. de cursussen Vogelzang in de tuin die in deze periode georganiseerd worden. Een ronduit spectaculair voorbeeld van zo’n succesverhaal is de superlange vogelcursus die georganiseerd wordt door Natuurpunt Westerlo i.s.m. Vogelwerkgroep Falco peregrinus met Koen Leysen van Natuurpunt Educatie als lesgever. Deze jaarcursus beslaat 12 theorielessen en 9 excursies waaronder drie busuitstappen. Hij ging van start in januari 2014 en er zijn maar liefst 70 deelnemers ingeschreven en nog een 20-tal geweigerd. Meer info over vogelcursussen? Zie bij de natuurpunt activiteiten of mail naar educatie@natuurpunt.be

Zuid-Limburgse Vogeldag 2014 Op vrijdag 18 april 2014 om 19u30 organiseert Vogelwerkgroep Fruitstreek haar jaarlijkse Zuid-Limburgse Vogeldag. Locatie : Natuur.Huis, Kleinveldstraat 54, Gelinden. Programma : • Wat vloog er in 2013 over onze telpost in Oetersloven? Pierre Vandersmissen. • Werkgroep Tongeren was weer een jaartje zoet met het ringen van vogels. Eddy Colson. • Grauwe gors blijft ons zorgenkind. Remar Erens vertelt wat er in 2013 gebeurde om deze soort proberen te redden. • Hoofdspreker van de avond : Philippe Smets, de steenuilenkenner bij uitstek wijdt ons in in de wereld van dit sympathieke beestje. • Een overzicht van de mooiste waarnemingen in 2013 in de Fruitstreek door Dirk Ottenburghs. • Uitreiking van de Houten Freek. Wie wordt één jaar wereldberoemd in de Fruitstreek met de beste waarneming van het jaar. Niet te missen voor iedereen die vogels kijkt in Zuid-Limburg of daarbuiten.


Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30

De meest heldere premium verrekijker ter wereld.

NIEUWS â&#x20AC;˘

43


44 •

NIEUWS

Natuur.oriolus I 80 (1) I 20-30 44

Eerste aankondiging van de Wim Dings “De Wielewaal” Ornithologieprijs Ter nagedachtenis van veldornitholoog Wim Dings (19272012) zal vanaf 2015 tweejaarlijks een ornithologieprijs worden uitgereikt door de Universiteit Antwerpen. Wim Dings was een enthoesiast veld­ornitholoog en actief lid van vereniging “De Wielewaal”, nu deel van Natuurpunt, en in het bijzonder de Turnhoutse afdeling. De doelstelling van de Wim Dings “De Wielewaal” prijs voor ornithologie is het wetenschappelijk veldornithologisch onderzoek in België te ondersteunen via een financiële aanmoediging en een verhoogde visibiliteit. De prijs zal tweejaarlijks worden uitgereikt en zal in 2015 tweeduizend euro bedragen. De prijs wordt uitgereikt door de Universiteit Antwerpen en beoordeeld door een jury van experts binnen en buiten de universiteit. De laureaat wordt uitgenodigd om zijn of haar resultaten te komen voorstellen op de Vogeldag of een gelijkaardig forum.

Hoe deelnemen? De prijs wordt uitgereikt voor een thesis (Master of doctoraat) of artikel van tenminste 3000 woorden, met een samenvatting in het Engels en het Nederlands, en een korte biografie (1 pagina). De documenten worden in Word of PDF formaat opgestuurd naar Prof. Erik Matthysen, Departement Biologie, Universiteit Antwerpen (erik.matthysen@uantwerpen.be), ten laatste op 1 oktober 2014. De prijs wordt toegekend aan individuele kandidaten, eerder dan teams. De voorkeur wordt gegeven aan jonge onderzoekers (predoctoraat of maximaal 2 jaar post-doctoraat) en/of niet-academische onderzoekers met werk van hoog wetenschappelijk niveau. Het bekroonde werk moet van recente aard zijn (afgelegd of gepubliceerd ten laatste 2 jaar voor de indiendatum) met een expliciete focus op ornithologie. Voor niet-academisch onderzoek moet er een aantoonbaar wetenschappelijk niveau zijn (gepubliceerd in internationale tijdschriften, en/of direct gelinkt aan een academisch project). Criteria voor de beoordeling zijn (i) de wetenschappelijke waarde, (ii) originaliteit van het werk, (iii) maatschappelijke relevantie inclusief waarde voor het natuurbehoud, (iv) de link met veldornithologie. Elk van deze criteria hebben een gelijk gewicht in de beoordeling. Meer informatie volgt binnenkort op www.uantwerpen.be/ornithologieprijs.


foto: shutterstock.com

P TE KOO in onze t rpun Natuu l Winke ACTIE

Waarom krijgt een specht geen koppijn?

Natuur is om de hoek

Crossbill Guide: Loire Valley

Observatietent

€ 19,95 / € 17,96 (leden)

€ 24 / €21,60 (leden)

€ 9,95 / € 8,95 (leden)

Natuur is dichterbij dan je denkt! Overal en altijd valt er te genieten van en in de natuur. Natuurfotograaf Jeroen Stel heeft een scherp oog voor dieren die in het wild leven.

De ultieme natuurreisgids voor avonturiers die dit unieke Franse gebied echt willen leren kennen

Dit is de ideale tent om vogels en andere dieren ongestoord te observeren en fotograferen.

De 100 leukste, verrassendste en opvallendste vogelvragen beantwoord! Een feiten- en weetjesboek over de wereld van vogels.

€ 89,95 € 74,95

NIEUW

Swarovski ATS 65 HD body + 25-50x oculair

Kite Toucan 8x42

€ 2050 / € 1845 (leden)

De nieuwste Kite kijker combineert scherpte en helderheid met een aantrekkelijke prijs.

De instaptelescoop van Swarovski, topkwaliteit voor een gunstige prijs. Compacte afmetingen, kraakhelder beeld en groot bediengemak.

€ 343 / € 309 (leden)

Zoekkaart Weide- en waadvogels € 1,50 Een zoekkaart met de meest voorkomende weide- en waadvogels. Er zijn ook enkele ganzensoorten opgenomen.

Bestel online: www.natuurpunt.be/winkel


Natuur.oriolus JANUARI-FEBRUARI-MAART 2014 – JAARGANG 80 – NUMMER 1

IN DIT NUMMER PROJECTEN

Glenn Vermeersch, Iwan Lewylle & Thierry Onkelinx Zeven jaar algemene broedvogels monitoren in Vlaanderen (project ABV)

1-9

IN HET VELD

Jacques Van Impe Eerste broedgeval van de Dwergmeeuw in België en “helping” van vogels in eerste zomerkleed Marc Herremans Invloed van uitzonderlijke voorjaren 2011 en 2013 op fenologie van trekvogels Koen Devos, Emmanuel Desmet & Ignaas Robbe Opmerkelijke aantallen pleisterende Grutto’s in Vlaanderen tijdens de voorjaarstrek van 2013 Stijn Raymaekers Koude voorjaar verstoort trek Goudplevieren. Gold rush over binnenland Emiel Opdenacker & Jan Geens Vogelparadijs Bichterweerd

10-14

15-25

26-30

31-35

Voorplaat: Fitis Phylloscopus trochilus Tekening: Gerald Driessens

36-37

OPMERKELIJK VOGELNIEUWS

Simon Feys Zeldzame vogels najaar 2013

38-39

RAADSELFOTO

Gerald Driessens Oplossing Raadselfoto 53, opgave Raadselfoto 54

40

NIEUWS VAN EN VOOR DE VOGELWERKGROEPEN

Wouter Faveyts Rapport over bijzondere broedvogels in de Dendervallei in 2012 42

Natuurpunt is partner van Birdlife International

Profile for Natuurpunt

Natuur.oriolus 2014-1  

Natuur.oriolus 2014-1  

Advertisement

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded

Recommendations could not be loaded