Page 1

Kesterheide  aanzet tot een visie ­ en beheerplan                 

 

                               Jeroen Vanhee ­ Lieven Decrick ­ Robin Septor ­ Alwin Loeckx ­ Bart Van Camp ­ Guy Laurijssens 

     


Inhoudstafel  

1.

2.

De Kesterheide (deelgebied 2400009 – 8)  1.1. Beschrijving gebied  1.1.1. Kesterheide  1.1.2. Lombergbos  1.1.3. Den Dael  1.2. Natura 2000 ­ Hallerbos   1.3. Geschiedenis  1.4. Ferrariskaart  1.4.1. Kesterheide ­ Lombergbos ­ 'Lombergbosch'  1.4.2. Den Dael ­ 'Dendaele'  Beheervisie Kesterheide  2.1. Beheervisie Natura 2000  2.1.1. Prioritaire inspanningen  2.1.1.1. Toename van habitat door omvorming van naaldhoutaanplanten en van  populieraanplanten  2.1.1.2. Bosuitbreiding in de vallei  2.1.1.3. Ontwikkelen van 2 kernzones “Brabantse heide”  2.1.1.4. Uitbreiding van de permanente graslandhabitats (typisch landschap met KLE  van de streek)  2.1.1.5. Bufferzones in het valleilandschap  2.1.1.6. V​ ersterken van het netwerk en kleine landschapselementen  2.1.1.7. Visiegebied voor de Kesterheide  2.1.2. Landschapsdoelen  2.1.2.1. Boslandschap  2.1.2.1.1. Brabantse heide: structuurrijke mozaïek van droge heide (4030),  heischraal grasland (6230_droog) en relicten 2330.  2.1.2.1.2. 9120_9190 – Atlantische zuurminnende beukenbossen met Ilex en  soms ook Taxus in de ondergroei en Oude zuurminnende  eikenbossen met Quercus Robur op zandvlakten.  2.1.2.1.3. 9130 – Beukenbossen van het type Asperulo­Fagetum  2.1.2.1.4. 91E0 – Alluviale bossen met Alnion Glutinosa en Fraxinus excelsior,  subtype 91EO_vc – Essenbronbos, 91E0_veb – Vogelkers­essenbos,  91E0_vm_vn – mesotroof en eutroof elzenbroek  2.1.2.2. Valleilandschap van de bronbeken en grote valleien  2.1.2.2.1. 6410 ­ subtype blauwgrasland  2.1.2.2.2. 6430 ­ subtype boszoom 2.1.2.2.3. 6510 ­ subtype Glanshaververbond  2.1.2.2.4. 7220 ­ Kalktufbronnen met tufsteenformatie  2.2. Beheervisie Natuurpunt Pajottenland  2.2.1. ecologische doelstellingen  2.2.1.1. algemee​ n  2.2.1.2. inrichtingsbeheer  2.2.1.3. overgangsbeheer  2.2.1.4. eindbeheer  2.2.2. sociaal – educatieve doelstellingen  2.2.3. cultuurhistorische doelstellingen  2.2.4. samenwerking met lokale organisaties  2.2.4.1. j​ eugdbeweging 

1


3.

4.

2.2.4.2. ruitervereniging 2.2.4.3. jagers  2.2.4.4. mountainbike  2.2.4.5. wandelclubs  2.3. Doelsoorten  2.3.1. Natura 2000  2.3.1.1. vliegend hert  2.3.1.2. zeggenkorfslak  2.3.1.3. vleermuizen  2.3.1.3.1. algemeen  2.3.1.3.2. Gewone dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Franjestaart, Laatvlieger  2.3.1.3.3. Gewone/Grijze grootoorvleermuis, Brandts vleermuis/Gewone  baardvleermuis  2.3.1.3.4. watervleermuis  2.3.2. Overige doelsoorten  2.3.2.1. amfibieën en reptielen  2.3.2.2. dagvlinders  2.3.2.3. nachtvlinders  2.3.2.4. paddenstoelen  2.3.2.5. planten  2.3.2.6. vogels  2.3.2.7. wilde bijen  2.3.2.8. zoogdieren  2.3.2.9. zweefvliegen  Algemeen beheerplan Kesterheide per deelgebied  3.1. Kesterheide  3.1.1. Inleiding  3.1.2. Bronnendal  3.1.3. Grote W​ eide  3.1.4. Helling​ weide  3.1.5. Groene Jager  3.1.6. Heideveld  3.1.7. IJzeren Man Bos  3.1.8. Kesterheidebos  3.2. Lombergbos  3.2.1. Inleiding  3.2.2. Lombergbos  3.2.3. Breedveldbos  3.2.4. Treeveldbos  3.2.5. Zwart Schaap Bos  3.2.6. Steenwegbos  3.2.7. Trambos  3.2.8. Konijnenberg  3.2.9. Kastanjebos  3.2.10. Wasplatenweide  3.3. Den Dael  Bronne​ n 

 

2


1.

De Kesterheide (deelgebied 2400009 – 8)  

1.1.

Beschrijving gebied

© 2012 NGI Topomapviewer   

Het natuurgebied  Kesterheide  is  grofweg  in  drie  deelgebieden  te  onderscheiden,  namelijk  de  ​ Kesterheide  ten  zuiden  van  de  steenweg  N28  (rode  lijn),  het  Lombergbos  (weergegeven  in  toponiemen  Groene  Jager  en  Lombergveld)  ten  noorden  van  de  steenweg,  en  de  vallei  met  moerasbossen  en  schrale hellingweides  Den Dael​  (weergegeven in toponiem Daal) ten zuiden van de Kesterheide, onderaan de kaart.         3 


Niet alleen  de  namen  zijn  verschillend  van  de  gebieden  ten  noorden  en  ten  zuiden  van  de steenweg, ook  de  ondergrond  is  dat.  De  donkerblauwe  en  lichtblauwe  kleuren  op  de  bodemkaart  van  de  Kesterheide  wijzen  op  een  respectievelijke  vochtige  en  droge  zandige  ondergrond.  In  het  Lombergbos   wisselen  vochtige  en  droge  leem  (rode  kleur)  zich  af.  Het  is  niet  verwonderlijk  dat  dit  grote  verschil  in  bodemgesteldheid resulteert in zeer verschillende biotopen en daarmee ook tal van verschillende soorten. 

Lombergbos ­ © 2012 Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen   

De zandige  bodem  van   de  Kesterheide  is  een  ideale  basis voor heidevegetatie – waaraan de Kesterheide  haar  naam  dankt.  Tot  en  met  de  jaren  zeventig  waren  er  nog  grote  stukken  heide  te  vinden,  in  stand  gehouden dankzij oude landbouwtechnieken, bijvoorbeeld door begrazing met schapen.  

Kesterheide ­ © 2012 Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen 

4


De ​ Biologische  Waarderingskaart  (BWK)  is  een  inventarisatie  van  het  biologische  milieu  en  de  bodembedekking van Vlaanderen en Brussel.    

BWK kaart voor Den Dael­Kesterheide, hoe donkerder groen, hoe ecologisch waardevoller.    

Een inkleuring  in  groentinten  duidt  de  biologische waarde van het milieu op een overzichtelijke wijze. In de  verklarende  tekst   bij  de  kaartbladen  van  de  BWK­kartering wordt ook het gebied Kesterheide­Lombergbos  kort  aangehaald.  De  grote  variatie   aan  landschappen  en   biotopen  op  de  beperkte  oppervlakte  werd  ook  hier reeds aangehaald.    

BWK kaart voor het Lombergbos­Paddenbroek, hoe donkerder groen, hoe ecologisch waardevoller.    

5


Er worden bovendien enkele interessante soorten aangehaald waarvan het huidige voorkomen twijfelachtig  is.  Verder  onderzoek  naar  deze  soorten  dringt  zich  op.  Het  gaat   om:  moerasstreepzaad,  zandblauwtje,  ruwe smele en de Europees beschermde waterspitsmuis.     Het  erkend  natuurreservaat  heeft  de  naam  ‘Kesterheide­Lombergbos  E­246’  en  beslaat  in  2012  een  oppervlakte  van  4,1885  ha.  Vanaf  2016  is  er  een  naamsverandering  aangevraagd   voor  het  natuurgebied  en heet het natuurreservaat “Kesterheide”. Begin maart 2016 bedraagt de oppervlakte van dit  natuurgebied  reeds  25,7  ha.  In  het  verleden  zijn  de  belangrijkste  ingrepen  de  kapping  van  een  populierenbosje  (percelen:  A7A/03,  A7/D03,  A7/E03,  A7/F03,  A7/Z02)  en  het  in  maaibeheer  brengen  van  een  hooilandje  (perceel:  A51/P)  geweest.  Het  voormalig  populierenbosje  (Breedveldbos)  werd  gekapt  en  in  november  2007  heraangeplant  met  inheemse  soorten.  Er  werd  tevens  een  brede  boszoom  voorzien  met  onder  andere  meidoorn,  sleedoorn,  iep,  …   Het  hooilandje  A51/P  ter  hoogte  van  de  Groene  Jager   (kant  Kesterheide)  werd  enkele  jaren  niet  gemaaid,  maar  vanaf  2004  werd  het  weer  op  regelmatige  basis  gemaaid,  hoewel  meestal  maar  om  de  2  jaar.  In  2014  werd  een  houtkant  aangeplant  ten  noorden  van  de  Hellingweide aan de Ninoofsesteenweg.  

1.1.1.

Kesterheide

De Kesterheide,  gelegen  op  de  Kesterberg,  maakt  deel  uit  van  een  reeks  getuigenheuvels  die  ongeveer  dezelfde  geologische  structuur  hebben  en  die  zich  op  een  gebogen  lijn  van  Oetingen  (Zavelberg)  tot  Noord­Frankrijk  (Kasselberg)  bevinden.  Ze  zouden  getuigen  van  de  kustlijn  tijdens  het   Diestiaan,  ongeveer  8  miljoen  jaar  geleden.   Deze  periode  is  overigens  genoemd  naar  Diest,  in  het  Hageland,  waar  we  vergelijkbare  heuvels  met  bruine  ijzerzandsteen  kunnen  vinden.  Door  verharding  van  de   ijzerzandsteen   erodeert  deze  heuvel  minder  sterk  dan  omliggende  delen.  Op   de  flanken  vinden  we  bovenop  de  Tertiaire  afzettingen  Kwartaire  leemlagen  (vruchtbaar  löss).  De   bodem  van  de  hogergelegen  zones  is  gekenmerkt  door  een  scherpe  afwisseling  van  zand,  leem  en  klei,  waar de  Tertiaire  afzettingen  dagzomen  ten  gevolge  van  erosie.  Door  zijn  reliëf  vervult  de  Kesterberg  ook   een  belangrijke  hydrologische  functie:  hij  vormt  een  deel  van  de  waterscheidingslijn  tussen  het   Zenne­  en  Denderbekken en er ontspringen vier beken.    De  Kesterheide  wordt  gekenmerkt  door  grote  niveauverschillen   en  een  zeer  gevarieerd  landschap. Kleine  bosjes  wisselen  af  met  hellinggraslanden  en  smalle  beekvalleitjes.  Rond  de  top   (IJzeren  man)  zijn  restanten  te  vinden   van  de  ooit  talrijke  heide.  Sinds  2012  is  Natuurpunt  Pajottenland  eigenaar  geworden  van de Kesterheide en werd van start gegaan met de inrichting van het gebied. 

 

1.1.2.

Lombergbos  

Het Lombergbos  wordt gekenmerkt door een vrij goed bewaard, kleinschalig ‘boccagelandschap’. Veel van  de  oorspronkelijke  houtkanten  en  hagen  zijn  bewaard  gebleven.  Op  de  steilste  hellingen  en  in  de  natste  valleien  zijn  verspreide,  maar  waardevolle  bosjes  te  vinden.  Deze  bossen  hebben  een  uitgesproken  voorjaarsflora. De hellingweides zijn soms nog vrij voedselarm, wat de natuurwaarde alleen maar verhoogt.  Ten noorden van het Lombergbos bevindt zich het natuureducatief centrum de Paddenbroek. 

1.1.3.

Den Dael 

Den Dael  is  een  vrij  onbekende  vallei  met  een  hoge  natuurwaarde.  Het  beekbegeleidend  bos  is  zeer  drassig, terwijl de westelijke valleiflanken veel drogere, schralere graslanden herbergen.   6 


Een ecologisch zeer waardevolle hellingweide in Den Dael (november 2013)   

1.2.

Natura 2000 ­ Hallerbos  

De  Kesterheide  maakt  binnen  het  Natura  2000  project  deel   uit  van  het  algemene  gebied  “Hallerbos  en   nabije  boscomplexen  met  brongebieden  en  heiden”.  De  oppervlakte  van  dit  algemene  gebied  bedraagt  1832.00  ha  en  ligt  op  het  grondgebied  van  Beersel,  Dilbeek,  Galmaarden,  Gooik,  Herne,  Halle,  Lennik,  Pepingen, Sint­Genesius­Rode en Sint­Pieters­Leeuw.    Dit  gebied  ligt  in  de  provincie  Vlaams­Brabant  ten  zuiden  en  zuidwesten  van  Brussel.  Het  is  bekend  voor  zijn  oude  boscomplexen   zoals  het  Hallerbos,  Lembeekbos,  Bos  Ter  Rijst,  Park  van  Gaasbeek,  Gasthuisbos  en  Begijnenbos.   Minder  bekend  maar  even  waardevol  zijn  de  riviervalleien   van  de  Zuunbeek  en  de Mark. Het  gebied  vormt  bovendien  een  essentieel  onderdeel  van  de  groene  gordel,  die  bewaard  is  gebleven  ondanks  de  verstedelijkingsdruk  vanuit  Brussel.  7 


Wie Hallerbos  zegt,  denkt  aan  voorjaarsbloeiers  met  als  bekendste  de  wilde  hyacint.  Het  paarse  tapijt  tovert  het  Hallerbos  in  het  voorjaar  om  tot  een  sprookjesachtige  omgeving.  In  dit  gebied  vind  je  ook  nog  valleien,  brongebieden  en  heide.  Geen   wonder  dat  dit  landschap  zelfs  Breugel  inspireerde.  Het  sterk  uitgesproken  reliëf  van  het  gebied,  typisch voor het Pajottenland, zorgt ervoor dat er een grote variatie aan  bossen,  heide,  grasland,  planten  en  dieren  voorkomt.  De  combinatie  van  menselijke  activiteiten en natuur  brengt   er  een  cultuurlandschap  tot  leven.  Kenmerkend  voor  het  hele  gebied  zijn  de  talrijk  aanwezige   landschappelijke  lijnstructuren.   Denk  maar  aan  hagen  en  houtkanten,  holle  wegen  en  hoogstamboomgaarden.  Zeldzame  vlinders  als  sleedoornpage  en  iepenpage  voelen  er  zich   helemaal  thuis.  Het  gebied  trekt  een  internationaal  publiek  aan  door  zijn  ligging  vlak  bij  Brussel.  Zij   komen   er  wandelen,  fietsen  en  genieten   van  de  natuur  en  de  kasteeldomeinen.   Het  Pajottenland  is  ook  een  belangrijk  landbouwgebied.  Landbouwers  hebben  bijgedragen  tot  het  ontstaan  van  kleinschalige   houtelementen, waardevolle hooilanden en zo meer.    

1.3.

Geschiedenis

De  Kesterheide is  een van de oudste bewoonde sites in het Pajottenland. Reeds  in  de  prehistorie  hadden  zich  mensen gevestigd op de Kesterheide, het hoogste  punt   van  zuidwest  Brabant,  dat  precies  111,86  m  hoog  is.  Daarvan getuigen de  vele  artefacten  in  silex (vuursteen) en Wommersomkwartsiet die hier sinds meer  dan  100 jaar worden gevonden. Op archeologisch gebied is de Kesterheide, met  zijn  strategische  en  praktisch­functionele  ligging,  een  heel  belangrijke  site  voor   het paleolithicum, mesolithicum neolithicum en ijzertijd.      Op   de  enkele  kilometers  verder  gelegen   Congoberg  werd  een  paleolithisch  jachtkamp  gedateerd  op  70.000  BP  (Before  Present).  Op  de  flanken  van  de  Kesterheide  zijn  de  laatste  jaren  ook  enkele  vondsten   gedaan  van   deze  ​ Neanderthal­cultuur​ .  Vermoedelijk  werd  de  Kesterheide  regelmatig  aangedaan  door  zwervende groepen, maar vooralsnog bewijzen alleen losse vondsten hun aanwezigheid.     De  eerste  sporen  van  de  moderne  mens  dateren  van  na   de  laatste  ijstijd.  De  vele  vuurstenen  artefacten  van  deze  ​ mesolithische  jagers­verzamelaars  uit  de periode 12.000 – 7.000 BP die  gevonden werden in  het gebied van de Kesterheide/Lombergbos veronderstellen frequente aanwezigheid.     De  vruchtbare  bodem  in  het  Pajottenland  maakte  dat   de  eerste   ​ neolithische  landbouwers  vanaf  7.000  BP   het  gebied  ontgonnen.  In  de hele  zone van de Kesterheide en Lombergbos (maar  ook in  mindere mate  de  ruime  omgeving)  bewijzen  concentraties  van  vuurstenen  artefacten  (vooral  schrabbers,  maar  ook  gepolijste  bijlen,  stekers,   boren,  en  allerhande  klingen  en  afslagen  uit  silex  van  de  vuursteenmijnen  van  Spiennes en Oubourg) een langdurige bewoning.     Bij  de  aanleg van de  motorcrosspiste ontdekte men in de jaren 60 een ​ hoogtenederzetting ​ uit de ijzertijd  op  de  Kesterheide,  die  aan  de  hand  van  het  aardewerk  gedateerd  werd in de 5de eeuw voor Christus. De  vondst  van ijzerslakken doet vermoeden dat er ook aan ijzerproductie werd gedaan. Recente vondsten van  o.a.  La Tène glaswerk (kralen en armbanden) veronderstellen een continuïteit van deze midden­ijzertijdsite  tot  in  de  late  ijzertijd,  en  wellicht  tot  aan  de  komst  van  de  Romeinen.  Dergelijke  ‘Keltische’  hoogtenederzettingen  in  Vlaanderen  zijn  zeldzaam;  buiten  de  Kesterheide  zijn  er  enkel  nog  de  Kemmelberg,  Kooigembos  en  Kesselberg  bij  Leuven.  Al  tijdens  de  ijzertijd  was  er  een  uitgebreid  netwerk  van  wegen  in  deze  streek.  De  Kesterweg  is  zo'n  oude  prehistorische  weg  die  langs  de  strategisch  belangrijke Kesterheide liep.        8 


De ​ Romeinen  was  het  strategisch  belang  van  de  Kesterheide  ook  niet  ontgaan;  de  weg  uit  de  ijzertijd  werd  een  deel  van  de  belangrijke,  rechtstreekse  oost­west  verbinding  vanuit  Keulen  en  Tongeren  naar  de  Romeinse  zeehaven  van  Boulogne.  De  275  km  lange  vogelvluchtlijn  van  het  Romeinse  hartje  van  Tongeren  tot  aan  de  kademuur  van  Boulogne  snijdt  pal   over  de  top  van  onze  Kesterheide.  Om  –na  de  inlijving  van  de  provincie  Gallië­  de  noordelijke  rijksgrens  te  bereiken legden de  Romeinen  in  de   eerste  eeuw  na  Chr.  de  heerbaan  Bavay­Asse  (en  verder  naar  Rumst  en  Breda)  aan,  die  liep   tot  aan  de  Rijn.  Die  weg  sneed  de  oude  weg  Tongeren­Boulogne.  Op  het   kruispunt  van  die  twee  economisch  en  militair  belangrijke  wegen ontwikkelde  zich  een   Gallo­Romeinse  vicus  (rond  de   huidige  Sint­Jozefkapel  op  de  Edingsesteenweg),  vermoedelijk   vanuit  een  door  de  Romeinen  opgerichte  controlepost.  Binnen  enkele  jaren  tijd  groeide dit kruispunt uit tot  een  belangrijke  handelsnederzetting.  Recent  archeologisch  onderzoek  traceerde aardewerk uit deze vicus  tot  productie­ateliers  in  o.a.  Zuid­Spanje,  de  Vesuviusregio,  de  Champagnestreek  en  Oost­Gallië.  Bodemscans  van  de  vicus  tonen  een  omvangrijke  nederzetting,  waarbij  bodemstructuren  ook  de  aanwezigheid  van  een  Mitras­tempeltje  doen  veronderstellen.  Van  Romeinse  militaire  aanwezigheid  zijn  geen bewijzen gevonden, hoewel de naam Kester (‘Castrum’) daar vaak aan wordt verbonden.  Enkele  Gallo­Romeinse  villa’s  werden  in  de   buurt  van   de  vicus  beschreven.  Zo  onder  meer  de  recente  ontdekkingen  van  een  villa   in  de  Pattenstraat  (Kester)  en  een  villa  langs  de  Drie  Egyptenbaan  (Gooik).  Beide landbouwuitbatingen zijn amper onderzocht. In de jaren 70 is de Gallo­Romeinse villa van Steenberg  (Lombergbos) opgegraven. Vermoedelijk is slechts een deel van het villadomein gedocumenteerd.   De  vicus  werd  zoals  de  meeste  Gallo­Romeinse   nederzettingen   verlaten  in  de  derde  eeuw  na  Chr.  door  gewelddadige  invallen  van  over­Rijnse  Franken.  In  de  loop  van  de  middeleeuwen   is  een  nieuwe  nederzetting  ontstaan,  maar  dan  ruim 500 m naar het zuidoosten, die we  kennen als de huidige parochie Kester.  Op   de  Kesterheide  zelf  zijn  (nog)  geen  sporen  aangetroffen  van  (Gallo)­Romeinse  aanwezigheid,  wat   enigszins  verwonderlijk  is.  Wellicht  omdat het landgebruik (grasland  en  bos)  amper  of  geen  prospectievondsten  oplevert.  Opmerkelijk  is  de  niet­gedocumenteerde  melding  van  een  graf  met  wagen,  ter  hoogte  van   de  voormalige  Groene Jager, en van de  vondst  van  enkele  skeletten  en  urne.  Het  zou  hier  mogelijk  gaan  over  een  Merovingische  context.                                                           Foto’s en tekeningen: © Bart van Camp. 

9


1.4.

Ferrariskaart

Ferrariskaart van het gebied Kesterheide ­ Lombergbos omstreeks 1777. 

1.4.1.

Kesterheide ­ Lombergbos ­ 'Lomberg Bosch' 

Het hele gebied was omstreeks 1777 nog quasi onontgonnen terrein en bestond uit een groot boscomplex  met aan de randen vrij grote akkers die soms door een haag of houtkant waren omrand. De Kesterheide  was toen nog een onderdeel van het “Lomberg bosch” en bestond toen nog uit één aaneengesloten  gebied. Door de aanleg van de Ninoofsesteenweg in 1840 zijn deze bossen fysiek gescheiden van elkaar.  

1.4.2.

Den Dael ­ 'Dendaele' 

Opvallend is hoe weinig dit deelgebied ten zuiden van de Kesterheide in al die jaren is veranderd. Er waren  enkele  kleine  bosjes  en  vochtige  graslanden  aanwezig  en  die  zijn  er  ook  nu  nog.   Enkele  kleine  akkertjes  zijn  nu  steile   hellingweilanden  geworden  die  heel   waardevol  blijken  voor  verschillende  soorten  insecten  zoals dagvlinders.   

10


2.

Beheervisie Kesterheide     2.1.

Beheervisie Natura 2000 

In  1992  is  de  Kesterheide  Natura  2000   ­  Habitatrichtlijngebied  geworden  in  het  kader  van  de  Europese  richtlijn  92/43/EEG.  Het  Besluit  van  de  Vlaamse  Regering  van  24   mei  2002  legt  deze  speciale  beschermingszones  (SBZ)  vast.  De  Kesterheide   behoort  tot   SBZ  BE2400009,  ‘Hallerbos  en  nabije  boscomplexen   met  brongebieden  en  heiden’.  Het  deelgebied  De  Kesterheide  zelf   wordt  aangeduid  met  SBZ BE 2400009­8.   

© 2016 Natura 2000

2.1.1.

Prioritaire inspanningen

Om de waardevolle bossen te versterken zal worden ingezet op het omvormen van populier­ en  naaldhoutbossen en het aanplanten van nieuw bos. In de valleigebieden zal er meer grasland op een  natuurlijke manier beheerd worden. Het netwerk aan bomenrijen, hagen, houtkanten moet ook behouden  blijven. Waar gaten in het netwerk ontstaan, zal opnieuw worden aangeplant. Jagers en landbouwers  kunnen daarbij een belangrijke rol spelen.   

    11 


2.1.1.1.

Toename van  habitat  door  omvorming  van  naaldhoutaanplanten  en  van populieraanplanten  

Op plaatsen  waar potenties voor de prioritaire habitats 9130 en 91E0 aanwezig  zijn, wordt er gekozen voor  habitatherstel.  Een  groot   deel  van deze omvormingen kan gerealiseerd worden binnen domeinbossen (1a  Hallerbos  30­35  ha  91E0  en  9130)  van  het  ANB  of  bossen  die  vallen  onder  het  technisch  beheer  (3  Gasthuisbos,   4  Begijnenbos,…).  In  de  SBZ  komen  in  totaal  ca.  220  ha  naaldhoutbestanden  voor.  Het  merendeel  van  deze  naaldhoutbestanden   wordt  beheerd  door  de  Vlaamse  overheid.  In  deze  bossen  worden  maatregelen   voorzien  die  leiden  tot  bijkomend  habitat  op  termijn.  Dit  zal  gefaseerd  verlopen  over  een tijdspanne van 20 à 40 jaar. In totaal komen ca. 120 ha populierenbos voor in deze SBZ.     Deze  populierenaanplanten  hebben  vaak  al  een  gevarieerde  struiklaag  en  boomlaag  in  onderetage.  Hier  wordt  gekozen  voor  een  langzame  bosevolutie  richting  gevarieerde  valleibossen.  Het  gaat  vooral   over  populierenaanplanten  gelegen  in  de  deelgebieden  6  Markvallei,  8 Kesterheide en 9­10 Zuunbeekvallei. In  de  private  bossen   kan  de  omvorming  gerealiseerd  worden  door  toepassing  van  de  Criteria  Duurzaam  Bosbeheer.  Slechts  een  klein  deel  (10­15  ha)  van  de  populieraanplanten  in  de  valleigebieden  (waaronder  het  habitat  6430  (ruigtes)  vaak  aanwezig  is)  zal omgezet worden naar natte ruigten en dottergraslanden in  functie  van  bosrietzanger,  blauwborst,  waterral,  …  Het overgrote deel kan evolueren naar een structuurrijk  nat  valleibos.  Een   aantal  vogelsoorten  doen  hun  voordeel  met  jonge  aanplanten,  struwelen  en  hakhoutbeheer (zomertortel, goudvink, nachtegaal, matkop, …).   

2.1.1.2.

Bosuitbreiding in de vallei  

Voor de  kleinere  valleibossen  dient  prioritair  gewerkt  te   worden  aan  het  versterken,  beter  bufferen  en  verbinden  van  de  actuele  boskernen.  Binnen  SBZ  is  er  een  richtwaarde  voor  bosuitbreiding  van  87  ha.  Hiervan   wordt  een  bosuitbreiding  van  20  ha  valleibos  en  20  ha  9130  voorzien  om  kleine  boskernen  in  de  valleien beter te bufferen.   

2.1.1.3.

Ontwikkelen van 2 kernzones “Brabantse heide” 

Op de  zandige  koppen  in  het  landschap  worden  2  locaties  voor  de  ontwikkeling  van  Brabantse  heide  uitgekozen.  Er  wordt  gestreefd  naar  een  gevarieerde  mix   van  heischraal  grasland,  droge  heide.  De  Vroenenbos  (deelgebied  1a  Hallerbos)  en  de  Kesterheide  zijn   belangrijke  locaties  voor  natuurherstel.  In  totaal zal 23 ha Brabantse heide hersteld worden.   

2.1.1.4.

Uitbreiding van  de  permanente  graslandhabitats  (typisch  landschap  met KLE van de streek)  

De realisatie  van  een  ecologisch  samenhangend  geheel  van  ecologisch hoog kwalitatieve graslanden  met  de  nodige  verbindingselementen  (KLE’s)  is  een  prioriteit  in  de  valleien  van  de  Zuun  en  de  Mark  en  in  de  omgeving   van  het   Hallerbos,   Lembeekbos,   Begijnenbos,  Gasthuisbos,  Kesterheide.  Dit  impliceert  een  toename  van  de  oppervlakte glanshaverhooiland met 42  ha met als richtwaarde voor uitbreiding 19 ha. Dit   gebeurt  voor  een  belangrijk  deel  in   natuurreservaat  of  naast  de   bosgebieden,  maar  kan  ook  in  samenwerking  met  landbouwers  en  eigenaars.  Vooral  de  locaties  met  veel  taluds  en  steilere  hellingen  hebben  uitstekende  potenties  voor  habitatherstel  van  6510  omwille  van  het  voorkomen  van  relictvegetaties.   

2.1.1.5.

Bufferzones in het valleilandschap 

De inrichting  van  de  grenszone tussen de vallei en het plateau is cruciaal voor de buffering van de habitats  gelegen  in  het  valleigebied.  Deze  overgangszones  (richtcijfer:  25  m)  kunnen  ingericht  worden  met  kleine  12 


bosgordels, ruigten,….  Op  bepaalde  plaatsen  kunnen  deze   zones  ook  een  verbindende  functie  hebben,   bijvoorbeeld:  om  2  boskernen  met  elkaar  te  verbinden.  Dit  zal  gebeuren  na  evaluatie  van  bestaande  bufferelementen.  De  precieze  ligging,  breedte  en  type  van  de  buffer  moet  lokaal  onderzocht  worden.  De  breedte  van  buffers  kan  bepaald  worden  in  functie  van  de   laatste  beschikbare  literatuur.  Dit  kan  in  alle  deelgebieden  van  het  valleilandschap  gerealiseerd  worden  in  samenwerking met de landbouwers (o.a. via  beheerovereenkomsten) en het regionaal landschap.   

2.1.1.6.

Versterken van het netwerk en kleine landschapselementen 

Om een  betere  samenhang  tussen  verschillende  afzonderlijke  kernen  in  de  vallei  te  creëren,  is  een  versterking van de KLE’s essentieel. Versterken van de KLE’s inclusief haagbomen is van belang voor:   

● ● ●

Kamsalamander (deelgebied 6 Markvallei),  als foerageergebied voor de Wespendief (deelgebied 8 Kesterheide),  als  foerageergebied  en  verbindingsgebied  tussen  slaapplaats  en  foerageergebied  voor  vleermuizen;   

Het herstel  van dit landschap verzekert bovendien de instandhouding van verschillende  Rode Lijst soorten:  Sleedoornpage,  Iepenpage,  Geelgors,  Zomertortel,  Patrijs,…  Een  sterke  toename  van  het  netwerk  van  KLE’s  zal  ook  een  landschappelijke  meerwaarde  creëren.  Dit  kan  in  alle  deelgebieden  van  het  valleilandschap gerealiseerd worden in samenwerking met de landbouwers en het regionaal landschap.   

2.1.1.7.

Visiegebied voor de Kesterheide 

Om een  algemene  visie  op  hele  gebied  te  maken  gaan  we  later  verder  in  concreet  overleg  met   de  gemeente  (visie  masterplan  Kesterheide),  VLM  (maatregelen   ruilverkavelingsplan)  en  eventueel  andere  partners.  Dit  zal  concreet  uitgewerkt  worden  in  kader  van  formele  erkenningsdossier  dat  bij  ANB  wordt  ingediend. 

Visie VLM (ontwerp ruilverkavelingsplan). 

13


Visie gemeente masterplan Kesterheide (gemeente Gooik): 

Algemeen kwalitatief herstel gebeurt via:   

● ● ● ● ● ●

de omvorming van populierenbossen naar gevarieerde valleibossen, kappen van solitaire  populieren in graslanden;  de uitbreiding elzenbroekbossen in de beekbegeleidende valleien;  het herstel, uitbreiding en beheer van heischrale graslanden;  het verbinden van bestaande boskernen zodat er een corridor ontstaat die verschillende soorten  kunnen gebruiken om zich binnen de Kesterheide te verplaatsten (groen op kaart);  het verbinden van bestaande graslanden zodat er een corridor ontstaat die verschillende soorten  kunnen gebruiken om zich binnen de Kesterheide te verplaatsten (blauw op kaart);  aanleg en onderhoud van kleine landschapselementen zoals enkele poelen en houtkanten; 

2.1.2.

Landschapsdoelen

De kwaliteit van de bossen in dit gebied moet verbeteren en er moet bos bijkomen. In het Hallerbos  hebben de bomen te vaak dezelfde leeftijd. Veel van de andere bossen zijn te klein en te versnipperd om  gezond te zijn. Dat maakt ze minder geschikt voor dieren zoals de wespendief en de zwarte specht. Het  water in de valleien en bronbeken moet van goede kwaliteit zijn. En in de beekvalleien moeten grasland­  en bosgebieden beter op elkaar aansluiten.   14 


2.1.2.1.

Boslandschap  

2.1.2.1.1.

Brabantse heide:  structuurrijke  mozaïek  van  droge  heide  (4030),  heischraal grasland (6230_droog) en relicten 2330.  

Subtypes​ : 6230_hn   

Oppervlaktedoelstelling Toename  van  ‘Brabantse heide’ van 6  ha naar 29 ha heischraal grasland en heidevegetaties (toename van  5  ha  4030  en  18  ha 6230).  Er worden 2 kernzones voorzien in de Vroenenbos (deelgebied 2400009­1 ) en  de Kesterheide (deelgebied 2400009 – 8).  Kwaliteitsdoelstelling  Kwaliteitsvereisten:     ● aanwezigheid van een structuurrijke mozaïekvegetatie  ● aanwezigheid  van  natuurlijke  gradiëntrijke  overgangen  naar  boshabitat  (o.a. 9190) onder vorm van  een ijle bosrand  ● aanwezigheid van open zandige zones  ● voldoen  aan  specifieke  vereisten  van  habitattypische  soorten  zoals  Levendbarende  hagedis,  Knopsprietje, Kleine vuurvlinder, Boompieper en Groene zandloopkever  ● beperkt voorkomen van indicatoren voor verbossing, verruiging en vervilting    Streefbeelden: 

    15 


2.1.2.1.2.

9120_9190 –   Atlantische  zuurminnende  beukenbossen  met  Ilex  en  soms  ook  Taxus  in  de  ondergroei  en  Oude  zuurminnende  eikenbossen met Quercus Robur op zandvlakten.  

Oppervlaktedoelstelling Toename  van   de  oppervlakte  van  150  ha  (actueel)  naar  206  ha, met als richtwaarde voor bosuitbreiding 6  ha. De omvorming van naaldhout naar loofhout gebeurt vooral in Hallerbos, Begijnenbos en Gasthuisbos.   

Kwaliteitsdoelstelling Globaal   wordt  een  voldoende  tot  goede   staat  van  instandhouding  nagestreefd  over  de   volledige  bosoppervlakte  binnen dit SBZ. Op middellange termijn (20­40 jaar) wordt  ernaar gestreefd minimaal 50 ha  habitat  met  een  goede  tot  uitstekende  staat  van  instandhouding  te  realiseren  bij  voorkeur  in  de  grotere  oude  boshabitatkernen.  Kwaliteitsvereisten:  zie  habitat  9130.  De  ontwikkeling  van  verschillende  open  plekken   (3­ 5 ha) bestaande uit ‘Brabantse heide’ is noodzakelijk en wordt beschouwd als een meerwaarde  voor het behoud van de habitattypische soorten gebonden aan bossen, bosranden en heide.   

2.1.2.1.3.

9130 – Beukenbossen van het type Asperulo­Fagetum 

Oppervlaktedoelstelling Toename  van   530  ha  (actueel)  naar  650  ha,  met  richtwaarde  voor  bosuitbreiding  44  ha.  Dit  mag   niet  ten   koste gaan van RBB’s.   

Kwaliteitsdoelstelling Globaal   wordt  een  voldoende  tot  goede   staat  van  instandhouding  nagestreefd  voor  de   volledige  bosoppervlakte  binnen  dit  SBZ.  Op  middellange  termijn  (20­40  jaar)  wordt   ernaar  gestreefd  minimaal  160  ha  habitat  met  een  goede  tot  uitstekende  staat  van  instandhouding  te  realiseren bij voorkeur in de grotere  oude  boshabitatkernen.  De  habitatstructuur  kan   verder  verbeterd  worden  door  meer  variatie  in  de  horizontale  en  verticale  structuur  te  brengen  waaronder  het  ontwikkelen  van  een  struiklaag,  het  creëren  van  bijkomende  en  voldoende   grote  open   plekken,  het  verhogen  van  het  aandeel  staand  en liggend dood  hout,  een  gevarieerdere  soortensamenstelling  en  het  creëren  van  interne  en  externe  bosranden  (habitat  16 


6430). Overgangs­  en  gradiëntsituaties  (tussen  droog­nat,  open­gesloten  …)  zijn  waardevol  en  moeten  zeker  versterkt  worden  zodat  ook  habitatverbetering  gerealiseerd  kan  worden  voor  Sleedoornpage  en   Iepenpage. ​ Bij  het  beheer  moet  er  voldoende  aandacht  zijn  voor  het  behoud  van  dode en  holle  bomen (in  functie  van  leefgebied  voor  vleermuizen  –  zie  verder­  en  Boommarter).  Het  aantal  dikke bomen (omtrek >  250  cm)  moet  maximaal  behouden  worden.  Deze bomen  dienen in voldoende mate verspreid in het bos te  blijven   voorkomen.  De  habitatkwaliteit  wordt  als  gunstig  beschouwd  als  volgend  habitattypische  soorten  voorkomen:  Houtsnip,  Havik,  Boommarter,  Wespendief,  Zwarte  specht,  Middelste  bonte  specht,  Vleermuizen,   Vuursalamander,  Das,  Hazelworm,  Kleine  ijsvogelvlinder,   Vliegend  hert.  Een  voldoende  buffering van dit habitat is noodzakelijk.    2.1.2.1.4. 91E0  –  Alluviale  bossen  met  Alnion  Glutinosa  en  Fraxinus  excelsior,  subtype  91EO_vc  – Essenbronbos,  91E0_veb  – Vogelkers­essenbos,  91E0_vm_vn – mesotroof en eutroof elzenbroek   

Subtypes: 91E0_vc, 91E0_veb, 91E0_vm, 91E0_vn    Oppervlaktedoelstelling  Toename  van   165  ha  (actueel)  naar  245  ha,  met  als  richtwaarde  voor  bosuitbreiding  37  ha.  Dit  wordt  voorzien  in  deelgebieden  6  Markvallei  ;  dg  9  en  10  Zuunvallei;  dg  1  Hallerbos;  dg  11  Bos  ter  Rijst;  dg  2  Kesterbeek ; dg 4 Begijnenbos; dg 5 Lembeekbos; dg7 Wolfsputten en dg 8 Kesterheide.  Bebossingen mogen niet ten koste gaan van RBB’s.   

Kwaliteitsdoelstelling Globaal   wordt  een  voldoende  tot  goede   staat  van  instandhouding  nagestreefd  over  de   volledige  bosoppervlakte  binnen  dit  SBZ.  Op  middellange  termijn  (20­40  jaar)  wordt   ernaar  gestreefd  minimaal  115  ha  habitat  met  een  goede  tot  uitstekende  staat  van  instandhouding  te  realiseren bij voorkeur in de grotere  oude  boshabitatkernen.  Habitatkwaliteit  moet  ook  voldoen  aan  de  habitatvereisten  van  Bronlibel  en  Vuursalamander.  Om  de   kwaliteitsdoelstellingen  te  halen  moet  naar  een  natuurlijke  waterhuishouding van  de  vallei  (incl.  ligging  infiltratiegebieden)  gestreefd  worden  en  een  goede  waterkwaliteit  beoogd  worden.  Een grensoverschrijdende aanpak met Wallonië is noodzakelijk (cfr. Europese Kaderrichtlijn Water).   

2.1.2.2.

Valleilandschap van de bronbeken en grote valleien   

2.1.2.2.1.

6410 ­ Grasland met Molinia op kalkhoudende, venige of lemige  kleibodem (EU­Molinion), subtype blauwgrasland 

Oppervlaktedoelstelling Toename van de actuele oppervlakte van 2 ha in de deelgebieden Hallerbos (2400009­1a) en  Kesterbeekvallei (2400009­2) naar 5 ha in dezelfde deelgebieden met als richtwaarde voor uitbreiding 1  ha.   

Kwaliteitsdoelstelling ● optimaliseren natuurlijk hydrologie zodat natuurlijke aanvoer kalkrijk grondwater hersteld wordt  ● behoud specifieke waterkwaliteit  ● spontane verbossing terugdringen  ● Buffering van dit habitat is noodzakelijk.   

Dit is  geen  doelstelling  die  prioritair  is   voor  de  Kesterheide,  maar  we  nemen  deze  toch  op  in  het  beheerplan  omdat  we  op  korte  termijn  kunnen  beschikken  over  een  weide  ten  noorden  van  het  Trambos  waar  we  het  beheer  kunnen  proberen  afstemmen  op het creëren van blauwgrasland. We zouden in eerste  17 


instantie werken  op  korte  termijn  naar  een  dotterbloemgrasland,  dat   op  langere termijn na verschraling en  verarming van de bodem mogelijk kan evalueren naar blauwgrasland.    2.1.2.2.2. 6430 ­ Voedselrijke zoomvormende ruigten van het laagland, en van  de montane en alpiene zones, subtype boszoom  Subtypes:  6430_bz   

Oppervlaktedoelstelling ● Voor de vochtige boszomen wordt gestreefd naar een toename tot ¼ van de externe bosrand.  Toename van 12­15 km.   ● Interne bosranden: toename van 5–8 km.   

Kwaliteitsdoelstelling Om  te  kunnen  evolueren  naar  een  goede  tot  uitstekende  staat  van  instandhouding  is  het noodzakelijk  om  voldoende  brede  (>  5  m)  bosranden  te  ontwikkelen.  De  vegetatie  heeft  geleidelijke  overgangen  van  kruidige  delen  (zoom)  via   struwelen  (mantel)  naar  aangrenzend  bos.  Het  verbinden  tussen  verschillende   open plekken wordt als supplementair zeer waardevol beschouwd.  Dit  is  geen  doelstelling  voor  de  Kesterheide,   maar  we  nemen  deze  toch  op  in  het  beheerplan  omdat  we  beschikken over een aantal zones die hiervoor kunnen doorgaan (IJzerenmanbos en Hellingweide).    2.1.2.2.3. 6510  –  Laaggelegen   schraal  hooiland  (Alopecurus  pratensis,  Sanguisorba officinalis), subtype Glanshaververbond  (Arrhenaterion)   Subtypes:  6510_hu   

Oppervlaktedoelstelling Toename van 30 ha naar 72 ha.   Dit  zal  vooral  gerealiseerd  worden  in  de  deelgebieden  Hallerbos  (2400009­1;  Markvallei  (240000­6;  Wolfsputten  (2400009­7;  Kesterheide  (240000­8;   en  Zuunvallei  (2400009­9  en  10;  dg  2,  3  en  5.  Richtwaarde voor uitbreiding is 19 ha.   

Kwaliteitsdoelstelling Kwaliteitsverbetering  van  de  vaak  gedegradeerde   of  ruige  vormen  met  weinig  sleutelsoorten  via  een  aangepast  hooilandbeheer   en  met  opwaardering  van  KLE’s  in  dit  type  als  extra  maatregel.  Dit  voor   minstens  een  voldoende  staat   van  instandhouding.  Het  ontwikkelen  van  mantelzoomvegetatie  op  eventuele  bosrandzone  wordt  als  supplementair  zeer  waardevol  beschouwd.  Op  hellingen  en  taluds  met   relictvegetaties  van  heischraal  grasland  (6230  of  6510)  of  wasplaten  wordt  gekozen  om  de  graslandhabitats   verder  te  ontwikkelen.  Dit  vormt   een  meerwaarde  in  combinatie  met  het   graslandhabitat  6510.    2.1.2.2.4. 7220 – Kalktufbronnen met tufsteenformatie (Cratoneurion)   

Oppervlaktedoelstelling Minstens behoud waar het fysisch milieu dit toelaat (cf. G­IHD)  Op  dit moment is voorkomen gekend in  deelgebieden Hallerbos Kesterbeekvallei, Lembeekbos, Markvallei,  Kesterheide en Wolfsputten. Bijkomend onderzoek over het voorkomen en habitatkwaliteit is noodzakelijk.   

Kwaliteitsdoelstelling Maximaal  behoud van de  kalkrijke bronzones en brondebieten. Voorzien van voldoende buffering van deze  habitats  (vaak  gelegen  in  valleibossen  91E0  of  blauwgrasland  6410).  Behoud  en  verbetering  van  de  18 


milieukarakteristieken: waterkwaliteit  grondwater,  specifieke   chemische  samenstelling  grondwater,  brondebieten,  ….Uit  voorzorgsprincipe  alle  mogelijke  ingrepen  uitsluiten  die  een  effect  kunnen  hebben op  de  milieukarakteristieken  van  dit  habitat.  Bijvoorbeeld:  ontwatering,  wijzigingen  in het afvoerregime van de  bronbeken, verontreiniging van het grondwater,…   

Dit is  evenmin  een  doelstellingen  voor  de  Kesterheide,  maar  we  nemen  deze  toch  op  in  het  beheerplan  omdat we beschikken over een aantal dergelijke kalktufbronnen in het Trambos. 

2.1.2.3.

Concreet voor de Kesterheide 

Voor Kesterheide werden tot op heden volgende habitatdoelen geformuleerd:    biotoopnummer 

Soort biotoop 

Actueel aanwezig  (ha) 

Potentie tot  uitbreiding  (ha) 

Vraag van ANB  tot plaatsen van  extra doelen uit  andere  deelgebieden 

Wegnemen uit deze  deelzone 

6230

soortenrijk heischraal  grasland op  arme bodems  van  ‘berggebieden’ 

1

1

2

1 (Wolfsputten)  1 (Zuunbeekvallei) 

6510

laaggelegen schraal hooiland 

5

0

13

9 (Wolfsputten)  2 (Hallerbos)  2 (Zuunbeekvallei) 

9120

atlantische zuurminnnende  beukenbossen  met hulst en  taxus 

6

0

 

 

9130

beukenbossen (droger en  hoger  gelegen)​ [1] 

3

0

8

8 (Hallerbos) 

91EO

essen­elzenbroe kvalleibos

16

1

 

 

6430

voedselrijke zoomvormende  ruigten 

0

0

 

 

[1]​  op rijke leembodems met een pH­neutrale bodem en een goed verteerbare sterk gemineraliseerde humuslaag.   

Voor habitattypische  soorten  zijn  er  nog  geen  doelstellingen  gesteld  voor  Kesterheide,  evenmin  als   er   in  het  boekhoudkundige  model  van  hectaretoewijzing  aan  biotopen  rekening wordt gehouden met voldoende  grote leefbare kernen.    

De twee  laatste  kolommen  verwijzen  naar  het  voorstel  van  ANB  om  bijkomende  habitatdoelen  vanuit  andere  deelzones  van  de  SBZ  Hallerbos  naar  deelgebied  Kesterheide  te  verschuiven,  omdat  er  op  Kesterheide nog ruimte is die net in de andere deelzones ontbreekt.  19 


Als we  deze  landschapsdoelen  vertalen  naar   De  Kesterheide,   komen   we  aan  volgende  lijst  met  deze  doelstellingen:   

➔ ontwikkelingen van eikenbossen en beukenbossen;  ➔ ontwikkeling  van  essenbronbos,  elzenbroekbos  en  vogelkers­essenbos  in  de  beekbegeleidende  valleien in het Bronnenbos;  ➔ ontwikkeling van boszomen en mantel­zoomvegetatie;  ➔ ontwikkeling van blauwgrasland;  ➔ ontwikkeling van heischraal grasland op het Heideveld;  ➔ ontwikkeling  van  schraal  hooiland:  waar  mogelijk  glanshaververbond,  indien  mogelijk overgaand in  heischraal  grasland en grasland  met wasplaten. Verder ook ontwikkeling  van mantel­zoomvegetatie  in overgangen naar boskernen;  ➔ beheer van kalktufbronnen in het Trambos;   

2.2.

Beheervisie Natuurpunt Pajottenland   

2.2.1.

ecologische doelstellingen   

2.2.1.1.

algemeen

De  ecologische  doelstellingen  die  we  opnemen  in  dit  beheerplan,  zijn  gebaseerd op de landschapsdoelen   en  prioritaire  inspanningen  die  binnen  het   Natura   2000  project  worden  vooruitgeschoven  voor  het  deelgebied  Kesterheide  2400009  –  8.  Verder  is  er  ook  nauw  samengewerkt  met  vlinderwerkgroep  Thecla  en  vleermuizenwerkgroep  Zuidwest­Brabant die beiden actief zijn in deze regio. De concrete beheerdoelen  op  percelen   die  in  dit  rapport  ter   erkenning  worden  voorgedragen,  kan  u  nalezen  in  punt   3.  “​ Algemeen  beheerplan  Kesterheide  per  deelgebied​ ”.  Zie ook punt 2.1.1.7 voor een toekomstige beheervisie binnen de  ter erkenning aangevraagde perimeter.                                                      Uitzicht vanaf de IJzeren man bovenop de Kesterheide, met zijn 112m het hoogste punt van het Pajottenland.   Op de voorgrond is te zien hoe schaal de begroeiing destijds was, van bomen was er nog geen sprake.         

20


2.2.1.2.

inrichtingsbeheer

In het  algemeen  beheersplan  worden  verschillende  soorten  beheer  toegepast  op  ecologisch  vlak.  We  maken  een  opdeling  in  drie  soorten  beheer:  inrichtingsbeheer,  overgangsbeheer  en  eindbeheer.  Onder   inrichtingsbeheer  verstaan  we  maatregelen  die  slechts  één  keer  hoeven  te  gebeuren  om  het  gebied klaar  te  maken  voor  beheer.  Het  gaat  hier  om  het  verwijderen  van   materiaal  zoals  boomstronken  of  oude  structuren  zoals  een  vervallen  schuurtje. Verder hoort hier bijvoorbeeld ook  de kap van populieren  bij of de  aanplant  van  bosrand  vegetatie.  Deze  maatregelen  hebben  een  onmiddellijk  effect  op  het   landschap  en  moeten niet jaarlijks herhaald worden. 

2.2.1.3.

overgangsbeheer

Daarnaast passen  we  ook  overgangsbeheer  toe.  Hieronder  verstaan  we  alle  maatregelen  waarbij  bestaande  bosranden,  boskernen  en   graslanden  door  middel van gericht beheer worden omgevormd naar  het  gewenste  biotoop.  Dit  beheer  is  intensief,  maar  minder  zichtbaar  in  het  landschap,  aangezien  dit   een  proces  is  die  zich  over  vele  jaren  kan  spreiden.  Het  gaat  hier  bijvoorbeeld  over  schapenbegrazing  van  graslanden,  ontwikkeling  van  een   brede  mantel­zoomvegetatie  en  het  herstel  van  heiderelicten  door  gerichte begrazing.   

2.2.1.4.

eindbeheer

Als laatste   plannen  we  ook  eindbeheer  op  de  Kesterheide.  Hieronder  verstaan  we  het  beheer  dat  toegepast  wordt  op   biotopen  die  gerealiseerd  werden.  Dit  beheer  is doorgaans  minder intensief omdat het  gewenste  biotoop  aanwezig  is  en  enkel  moet  worden  onderhouden.  Het  gaat  hier  bijvoorbeeld  over  het  snoeien dan de vegetatie (struiken) in de bosranden en minder intensief gefaseerd maaibeheer.   

    21 


2.2.2.

sociaal – educatieve doelstellingen 

Vanuit   Natuurpunt  Pajottenland  wordt  er  bewust  gekozen  om  de  Kesterheide  uit  te  bouwen  tot  de  groene  parel  van  Gooik   en  het  Pajottenland.  Een  open  natuurgebied  van  Europees  niveau  in  samenwerking  met  buren,   landbouwers,  recreanten  en  andere  partners.  Concreet  wordt  er  een  beheer­  en  inrichtingplan  opgesteld  om  meer  natuur  op  Kesterheide  een  plaats  te  geven,  voor  en  door  lokale  verenigingen  en  sportclubs  .  Hiervoor  werd  in  2014­2015   al  afgestemd  met  de  Gooikse  sportraad,  jeugdraad,  een  van  de   twee  groepen  jagers  die  actief  zijn  op   onze  terreinen,  natuurwerkgroepen,  de  ruitervereniging  en  mountainbikeclub.  Net  zoals  in  andere  Natura  2000  gebieden  in   de  regio,  o.a.  Hallerbos,  Neigembos,  Zoniënwoud..., blijft er op  Kesterheide dus zeker plaats voor bezoekers en zachte recreatie. Verder wordter  ook  nauw  samen  gewerkt  met  het  educatief  centrum  Paddenbroek,  van  waaruit  ook  verschillende   wandelingen vertrekken naar de Kesterheide.   

2.2.3.

cultuurhistorische doelstellingen 

We blijven samenwerken met lokale cultuur ­ en archeologische organisaties om het brede publiek kennis  te laten maken met de rijke geschiedenis van de Kesterheide tijdens o.a. toonmomenten (zoals ik­hei­wei  project) en begeleide wandelingen. We maakten eerder ook al een cadeaubox Kesterheide. 

2.2.4.

samenwerking met lokale organisaties    2.2.4.1. jeugdbeweging 

In het  voorjaar   2016,  is  samen  met de  Kesterse jeugdbeweging Chiro Heije & Castrum afgesproken dat ze  kunnen  blijven  spelen  in  het  IJzeren  Man  Bos  dat  als   speelbos  zal  fungeren.  Daarnaast  kunnen  zij  natuurlijk  ook  blijven  spelen  op  de  verschillende  hellingen  die  geen  eigendom  zijn  van  Natuurpunt,  de  22 


jeugdbewegingen maken hier zelf afspraken  met de eigenaar. Gezien de lager gelegen graslanden worden  omspannen  met  een  raster  om  begrazing  door  schapen  toe  te  laten,  is  spelen  daarin  enkel  mogelijk  mits  verdere  afspraken  of  op  specifieke  aanvraag  (concrete  afspraken  maken  en  nadien  ev  alueren/bijsturen).Vanuit  Natuurpunt  is voorstel om samen met jeugdraad en gemeente werk te maken van   bijkomende ruimte voor bijkomende speelnatuur en ­bossen centraler in Kester.   

2.2.4.2.

ruitervereniging

In samenspraak  met  ​ ACTIGO  (=  oranisatie  voor  ruitertoerisme),  komt  er  een  nieuwe   doortocht  op  Kesterheide  (geel  op  de  kaart),  vanaf  de  IJzeren  Man  richting  Grote  Weide,  waarna  aansluiting  wordt  gezocht  met  bestaande  openbare  buurtwegen  in  het   gebied  (blauw op de kaart). Dit pad wordt dan  samen   met  de  ruitervereniging  onderhouden.  Het  exacte  tracé  kan  nog  aangepast  worden  om  overlap  met  wandel­ en MTB­routes te vermijden op aantal punten.   

 

2.2.4.3.

jagers

Tussen Natuurpunt  en  een  groep  jagers  werd   in  september  2015  een  beheersjachtovereenkomst  afgesloten.  Deze  overeenkomst  heeft  als  doel  schade  uitgaande  van wilde of verwilderde fauna  binnen  en  omheen  het  natuurgebied  te  beperken.  Om  het  duurzaam  beheer  van  het  natuurgebied  te  verzekeren  en  de  maatschappelijke   functie  niet  in  het  gedrang  te  brengen,  moet  de  uitvoering  van  het  wildbeheersrecht  aan bepaalde voorwaarden voldoen (enkel bejagen houtduif, fazant, wild konijn).   

23


2.2.4.4.

mountainbike

In overleg met de Gooikse Mountainbikeclub komt er een permanent mountainbike parcours (geel parcours  op  kaart)  op  de  Kesterheide,  startend  aan  de  IJzeren  Man,  richting  Grote  Weide.   Het  begrazingsraster   wordt  zo  geplaatst  dat  ertussen  kan  worden  gefietst,  tot  aan  de  westkant  van  de  Grote  Weide.   Op  aanvraag kan er voor speciale evenementen een 2de parcours (blauw parcours op kaart) worden geopend,  enkel  voor   de  mountainbikeclub  en  dit  één  keer  per  jaar.  Verder  sluit  dit  MTB  parcours  aan  op  de  bestaande  openbare  buurtweg  (groen  parcours  op  kaart). Het exacte tracé kan nog aangepast worden om  overlap  met   wandel­  en  routerroutes  te  vermijden  op  aantal  punten.  Vanuit  de  mountainbikeschool  kwam  de  vraag  om  op  de  steile  talud  in  het  beukenbos  (IJzeren  Man  Bos)  een  permanent  technisch parcours in  te  richten.  Gezien  de  erosie  van  de  heuvel  net  op  die  plaatsen  sterk  en  de  talud  in  slechte staat verkeert,  gaan  we  niet  op  deze  vraag  in (eventueel kan dit tijdens terreinbezoek nog eens bekeken worden).  Taxus­  en hulstaanplanting moeten op termijn zorgen voor  een stabilisatie van de helling. In het masterplan van  de  gemeente werd een oefenterrein voor mountainbike voorzien aan de sporthal voor basisniveau.   

Geel: permanent MTB parcours. Blauw: 2de MTB parcours voor evenementen. Groen: bestaande openbare buurtweg. 

2.2.4.5.

wandelen

Natuurpunt opende  in  2013 een nieuw wandelpad aan  de IJzeren Man, op  de  Kesterheide.  Dat  krijgt  de  naam  "Jozef   Geeroms  Heidepad".  Samen  met  zijn  echtgenote  Adrienne  Arijs  verenigde  hij in de loop van 50  jaar het  grootste  deel  van  de  Kesterheide  tot één gebied. Om dit wandelpad op de  Kesterheide  in  de  kijker  te  zetten,  kan  iedereen  gratis  wandelkaarten  downloaden  op  de  site  ​ www.kesterheide.be​ .  ​ Deze  wandelroute  wordt  verder uitgebouwd en verbonden met nieuwe stukken wandeling.  24 


Natuurpunt heeft  de  wandelingen  op  Kesterheide  ook  laten  opnemen  op  de  kaart  van  Wandelnetwerk  Pajottenland om ze zo maximaal kenbaar te maken.   

  MlkOooDe oranje wandeling (Koesterburen) is onderweg educatief uitgewerkt met infoborden over  maatregelen en soorten. De blauwe wandeling (Boeboeks/struikroverspad) is uitgewerkt met  doe­opdrachten voor kinderen en er kan een educatief rugzakje met materiaal ontleend worden in De  Paddenbroek.     

2.3.

Doelsoorten 2.3.1.

Natura 2000   

2.3.1.1.

vliegend hert  

De  soort  is  opgenomen  voor  het  Hallerbos  binnen  Natura  2000,  maar  niet  voor  het  deelgebied  de  Kesterheide.  Het  is  momenteel  onduidelijk  of  het  vliegend  hert  op  de  Kesterheide  voorkomt.  We  onderzoeken  de  aanwezigheid  van  vliegend  hert  op  de  Kesterheide,  omdat  er  vrij   veel  dik  dood  hout  ligt.  Enerzijds  willen  we  via  een  intensieve  inventarisatie  nagaan  of  het  vliegend  hert  op  de  Kesterheide  voorkomt.  Als  uit  deze  inventarisatie  zou  blijken  dat  het  vliegend  hert  toch  voorkomt  op  de  Kesterheide,  willen  we  anderzijds  via  het  beheersplan  de  juiste  condities  creëren  voor   een  leefbaar  habitat  voor  deze  soort.           25 


Kwaliteitsdoelstelling   Realisatie  van  in  totaal  minimum  10  ha  geschikt  leefgebied  in  de  bossen  van  deelgebieden  Begijnenbos,  Meigemheide,  Gasthuisbos,  Hallerbos,  Kesterbeekvallei  en  Zevenbronnen.  Iedere  geschikte  zone  moet  een  minimum oppervlakte van 1 ha hebben. De meest potentievolle zones zijn zuidhellingen en zuidranden  van de bossen. Specifieke aandachtpunten voor de inrichting van leefgebied zijn:    ● Realisatie  van  ijle  bosstructuren  en  open  plekken  aan  de  zuidranden  en  zuidhellingen  van  geschikte bossen. Maximale overschaduwing boomlaag: 50 %.  ● Continuïteit  beschikbaarheid  van   voldoende  dood  hout,  verspreid  over  het   bos  maar   in  het  bijzonder  nabij  potentiële  en  effectieve  broedplaatsen.  Streefcijfers:  min.  3  dikke  (diam.  >  40  cm)   dode  bomen/ha  en  de continuïteit van dit aanbod garanderen. Aanleg van kunstmatige broedhopen  op geschikte locaties tot deze streefcijfers gerealiseerd worden.  ● Maximaal  behoud  van  oude  of  zieke,  aftakelende  bomen  (kwijnende  bomen).  Richtcijfer  >  3  dikke  levende bodem/ha.  ● In  de   hoogstamboomgaarden  :  dode  bomen  laten  staan  en  boomgaarden  opnieuw  aan  te  vullen  met nieuwe hoogstammen.  ● Open  houden  van  het  hakhout  in  holle  wegen  en  beboste  taluds  waar  de  soort  voorkomt  met  recuperatie  van  een  deel  van  het  hout  door  het  aanleggen  van  broedstoven  of  ter  plekke  laten  liggen. Behoud van Robinia op plaatsen waar Vliegend hert voorkomt.    ● Geen  graafwerken   of  herbestemmingen  op  plaatsen  met  hoogstamboomgaarden,  holle  wegen  of  beboste taluds voordat de aanwezigheid van deze soort is gecontroleerd.    Populatiedoelstelling    Ontwikkelen  van  een  duurzame  populatie  in  de  SBZ­H  met  meerdere  broedplaatsen  op  een  onderlinge   afstand  van  maximum  3  km,  kaderend  in   een  soortenbeschermingsplan.  Behoud  en  versterking  van  het  areaal hoogstamboomgaarden, holle wegen en beboste taluds in de betrokken deelgebieden. 

2.3.1.2.

zeggenkorfslak

Kwaliteitsdoelstelling    De  soort  is opgenomen voor het Hallerbos binnen Natura 2000, maar het is onduidelijk of de zeggekorfslak  op  de  Kesterheide  voorkomt.  We  onderzoeken  de  aanwezigheid  van  deze  soort op de Kesterheide omdat  het biotoop voor deze soort wel aanwezig is.    Vanuit   het  voorzorgprincipe:  behoud  van  de  potentieel  geschikte  leefgebieden.  Herstel  van  de habitats tot  een  goede  kwaliteit  in  minimum  de  deelgebieden   waar  de  soort  aanwezig  is  :  Grote  Zeggenvegetaties,  zeggenrijke broekbossen en overgangen naar rietruigten en dottergraslanden.    Populatiedoelstelling    Voldoende  tot  goede  staat  van   instandhouding  van  bestaande  populaties:  deelgebied  Kesterbeekvallei,  Markvallei  (indien  waarnemingen).  Grote  valleigebieden  met  jaarlijkse  overstromingen  (Markvallei  en  Zuunbeekvallei): indien waarnemingen is het doel hier een voldoende tot goede staat van instandhouding. 

  26 


2.3.1.3.

vleermuizen

2.3.1.3.1. algemeen    Er  zijn negen soorten vleermuizen opgenomen voor het Hallerbos  binnen  het Natura2000­project, maar het  is momenteel nog  onduidelijk of alle soorten op de Kesterheide  voorkomen: gewone dwergvleermuis, rosse  vleermuis,  franjestaart,  laatvlieger,  gewone  en  grijze  grootoorvleermuis,  Brandts  vleermuis,  gewone  baardvleermuis en watervleermuis.    Er  zijn  drie  grote  bosgebieden  in  de  nabijheid  van  de  Kesterheide,  waar  deze  negen  soorten  wel  voorkomen:  het  Hallerbos  in  Halle,  Ter  Rijst  in  Pepingen  en  het Domein van Gaasbeek te Lennik. Dit doet  vermoeden dat er minstens enkele soorten ook op de Kesterheide voorkomen.    

Verder zijn  er  ten  zuiden  van  de  Kesterheide  acht  bunkers  rond  de  dorpskern  van  Kester te vinden. Deze  maakten  deel  uit  van  een  verdedigingslinie  uit  de  Tweede  Wereldoorlog.  Deze  bunkers  bieden  een  uitstekende  slaapplaats  en  winterverblijfplaats  voor  vleermuizen,  maar  waren  tot  voor  kort vrij toegankelijk  waardoor  er  relatief  veel  verstoring  was.  Vier  van  de  acht  bunkers  werden  in  2014  in  samenwerking  met  INL  (Intergemeentelijke  Natuur  en  Landschapszorg)  ingericht  als  winterverblijfplaats.  Deze  bunkers  zijn  niet  meer  vrij  toegankelijk  om   verstoring  te  vermijden.  Twee   van  deze  vier   bunkers,  op  de  Voetberg  en  Utveld,  liggen  net  ten  zuiden  van  de  Kesterheide  en  worden  waarschijnlijk   bezocht  door  populaties  uit  dit  gebied.  In  deze  twee  bunkers  zijn waarnemingen gedaan van baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  Initieel  nemen   we  deze  drie   soorten  samen  met  de  watervleermuis  op  in  ons  beheerplan.  In  samenwerking  met  de  vleermuizenwerkgroep  Zuidwest­Brabant,  zal  er  in  de  zomer  van  2016  een  inventarisatie  voor  vleermuizen  worden  georganiseerd  met  batdetectoren.  Naar  aanleiding  van  deze  inventarisatie  zullen  de  soorten  die  in  dit  beheerplan  worden  opgenomen,  in  2017  geëvalueerd  worden.   

Kwaliteitsdoelstelling:  

● ● ●

Bescherming, optimalisatie en behoud in een goede staat van alle gekende zomer­ en  winterverblijfplaatsen in gebouwen (en restanten ervan) in het SBZ­H en haar omgeving  Zoeken naar opportuniteiten om nieuwe verblijfplaatsen te creëren of te optimaliseren.  Toename van het aantal bomen met holten (naar boven uitgerotte spechtenholten, andere  rottingsholten en losse schors), met een goede spreiding ervan over de boscomplexen.  Richtwaarde uit de literatuur : 7 à 10 bomen met holten/ha (Meschede & Heller, 2000). De kans op  holteontwikkeling neemt toe met de diameter van de bomen. Uit een studie (Dufour. D, 2003) blijkt  dat de kans op holten sterk toeneemt vanaf 250 cm omtrek (=5 % kans op holten). 1 op 3 bomen  met een omtrek van 300 cm bleek holten te bevatten. Een sterke toename van het aandeel dikke  bomen is dan ook aangewezen.  Zorgen voor een hoge insectenrijkdom in de leefgebieden (hoog voedselaanbod) 

Populatiedoelstelling:  

Het voordragen  van  populatiedoelen  voor  deze  soorten  is  zeer  moeilijk,  aangezien  voor  alle  soorten  te  weinig   gekend  is  van  de  populaties in het SBZ. Vanuit het voorzorgsprincipe is  het echter aangewezen om  aan  te  geven  op  welke  vlakken  de  leefgebieden  voor  de  vleermuissoorten  in het  SBZ­H kunnen verbeterd  worden.  Aangenomen  wordt  dat   indien  de  biotopen  maximaal  verbeterd  worden,  de  vleermuissoorten  die  daarbij  gebaat  zijn  eveneens  in  een  goede  staat  van  instandhouding  zullen  verkeren.  Iedere  soort  heeft  haar  eigen  ecologische  niche  en  dus  haar  eigen  vereisten  inzake  zomerverblijfplaatsen,  jachtgebieden,  winterverblijfplaatsen  en  connectiviteit.  Toch   zijn   er een aantal algemene kwaliteitseisen te identificeren en  kunnen  op  basis  van  de   jachtbiotopen,  aanvullende  kwaliteitseisen  geïdentificeerd worden. Met die kennis  kunnen verbeteropgaven voor de leefgebieden in het SBZ­H geformuleerd worden.  27 


2.3.1.3.2.

gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, franjestaart, laatvlieger 

Kwaliteitsdoelstelling:  

● ● ● ● ●

Vergroten horizontale structuur van bossen: verhogen aandeel insectenrijke open plekken(ruigte,  bloemrijk hooiland, Brabantse heide) en goed ontwikkelde interne en externe bosranden. Deze  verbeteropgave is vervat in de geformuleerde doelstellingen voor de boshabitattypen.  Vergroten verticale structuur (gelaagdheid) van bossen. Deze verbeteropgave is vervat in de  geformuleerde doelstellingen voor de boshabitattypen.  Realiseren van geschikte verbindingen tussen boscomplexen  Aandacht voor dreven en dreefbomen  Zones die niet volledig bebost zijn: behoud en ontwikkeling landschappelijke diversiteit. en behoud,  herstel en versterking lijn­ en puntvormige KLE’s  Beheer van parken en dreven met bijzondere aandacht voor behouden van bomen met holten en  scheuren die als kolonieverblijfplaats of overwinteringsplaats van vleermuizen kunnen dienen. 

Voorkomen in bosgebieden in nabijheid Kesterheide:   

● ● ● ●

laatvlieger:​ Ter Rijst, Domein van Gaasbeek en Hallerbos.  gewone dwergvleermuis:​  algemeen in de regio.  franjestaart:​  Domein van Gaasbeek en Hallerbos.  rosse vleermuis:​   Ter Rijst, Domein van Gaasbeek en Hallerbos. 

2.3.1.3.3.

gewone/grijze grootoorvleermuis, brandts vleermuis/gewone  baardvleermuis

Kwaliteitsdoelstelling:  

● ●

Vergroten horizontale structuur van bossen: verhogen aandeel insectenrijke open plekken(ruigte,  bloemrijk hooiland, Brabantse heide) en goed ontwikkelde interne en externe bosranden. Deze  verbeteropgave is vervat in de geformuleerde doelstellingen voor de boshabitattypen.  Vergroten verticale structuur (gelaagdheid) van bossen. Deze verbeteropgave is vervat in de  geformuleerde doelstellingen voor de boshabitattypen.  Aandacht voor dreven en dreefbomen. 

Voorkomen in bosgebieden in nabijheid Kesterheide:   

● ● ● ●

gewone grootoorvleermuis: Hallerbos en Domein van Gaasbeek.  grijze grootoorvleermuis:​  Hallerbos.  brandts vleermuis:​  Hallerbos.  baardvleermuis:​  Domein van Gaasbeek en Hallerbos. 

2.3.1.3.4.

watervleermuis

Kwaliteitsdoelstelling:  

Handhaving of herstel van ecologisch waardevolle vijvers: goede waterkwaliteit, natuurlijk  visbestand in evenwicht met de draagkracht van het systeem en natuurlijke oevers. Deze  verbeteropgave is deels vervat in de geformuleerde doelstellingen voor het habitattype 3150.  Verlichting in de omgeving van open water kan de kwaliteit van de zone als jachtgebied sterk doen  afnemen (o.a. voor de lichtschuwe Watervleermuis). Waar mogelijk moet verlichting worden  aangepast of uitgeschakeld. Nieuwe verlichting of verhoogde blootstelling aan verlichting (bv. door  verwijderen van vegetatiescherm) moet vermeden worden.  28 


Behoud en aanleggen van stroken met kruidige vegetaties (ruigten, bloemrijk hooiland) in de  nabijheid van waterpartijen (verhogen insectenaanbod). 

Voorkomen in bosgebieden in nabijheid Kesterheide:   

watervleermuis:​ Ter Rijst, Domein van Gaasbeek en Hallerbos. 

2.3.2.

Overige doelsoorten    

2.3.2.1.

amfibieën en reptielen 

Slechts 4  soorten  amfibieën  en  reptielen  werden  waargenomen  op  de  Kesterheide.  De  droge,  zandige  plekken   zouden  voor  reptielen  nochtans  interessant  kunnen  zijn.  De  Hazelworm  is het enige  reptiel dat op  de  Kesterheide   voorkomt,  al  zijn  de  waarnemingen  bijzonder  schaars.  Ook  amfibieën  worden  zeer  weinig  gemeld  uit   het  gebied.  De  weinige  poelen  herbergen  een  aantal  soorten   zoals  de  Bruine  kikker,  Alpenwatersalamander  en  de   Vinpootsalamander.  Waarschijnlijk  kunnen   we  daar  ook  nog  de  Kleine  watersalamander  en  de  Gewone  pad  aan   toevoegen  maar  tot  op  heden  werden  die  niet  gemeld.  Het  vooropgestelde  beheer  zou  voor  amfibieën   (extra  poelen,  houtkanten)   en  reptielen  (heischraal  grasland)  positief moeten zijn.    

2.3.2.2.

dagvlinders  

Op de  Kesterheide  komen  momenteel  24  dagvlindersoorten  voor.  De  meeste  van  deze  vlinders  worden  jaarlijks  waargenomen,  zoals  bijvoorbeeld  de  sleedoornpage.  Andere  vlinders  zijn  zeldzamer  en  worden  eerder  occasioneel  waargenomen,  zoals  het  zwartsprietdikkopje  en  het  bruin  blauwtje.  Enkele  vlinders  werden  slechts  één  keer  waargenomen   en  hebben  bevestiging  nodig,  zoals  bijvoorbeeld  de  iepenpage,  eikenpage en het hooibeestje.   

Soort

Vroegste datum 

Aantal

#

Laatste datum 

1 2  3  4  5  6  7  8  9  10  11  12  13  14  15  16  17  18  19  20  21  22  23  24 

Sleedoornpage ­ Thecla betulae  Icarusblauwtje ­ Polyommatus icarus  Kleine vuurvlinder ­ Lycaena phlaeas  Bruin zandoogje ­ Maniola jurtina  Klein geaderd witje ­ Pieris napi  Koninginnenpage ­ Papilio machaon  Oranje luzernevlinder ­ Colias croceus  Oranje zandoogje ­ Pyronia tithonus  Groot dikkopje ­ Ochlodes sylvanus  Oranjetipje ­ Anthocharis cardamines  Landkaartje ­ Araschnia levana  Bont zandoogje ­ Pararge aegeria  Klein koolwitje ­ Pieris rapae  Dagpauwoog ­ Aglais io  Boomblauwtje ­ Celastrina argiolus  Citroenvlinder ­ Gonepteryx rhamni  Kleine vos ­ Aglais urticae  Zwartsprietdikkopje ­ Thymelicus lineola  Atalanta ­ Vanessa atalanta  Bruin blauwtje ­ Aricia agestis  Groot koolwitje ­ Pieris brassicae  Iepenpage ­ Satyrium w­album  Gehakkelde aurelia ­ Polygonia c­album  Eikenpage ­ Favonius quercus 

2007­11­27 2008­05­25  2008­05­05  2008­06­25  2009­04­11  2008­07­31  2009­07­16  2008­07­31  2008­05­25  2008­05­05  2008­07­31  2008­05­05  2008­07­01  2010­04­10  2008­07­01  2011­04­25  2010­07­31  2014­06­27  2008­06­25  2009­09­14  2008­07­01  2010­07­30  2009­04­11  2008­07­01 

16 7  7  11  6  4  4  6  9  12  6  16  7  12  10  4  5  2  7  2  3  2  4  1 

115 25  10  52  17  4  5  26  13  19  10  55  10  14  15  4  5  2  8  2  4  2  4  1 

2015­10­04 2015­09­30  2015­09­20  2015­08­02  2015­08­02  2015­08­02  2015­08­02  2015­08­02  2015­06­28  2015­04­25  2015­04­25  2015­04­25  2015­04­25  2015­04­12  2015­04­12  2015­04­10  2015­03­10  2014­06­27  2014­04­25  2013­08­20  2013­05­01  2010­07­30  2010­05­19  2008­07­01 

29


In samenwerking  met  vlinderwerkgroep  Thecla  werden  een  aantal  doelstellingen  opgenomen  in  dit  beheerplan,  specifiek  voor  dagvlinders.  We  willen  hier  graag   een  onderscheid  willen   maken  tussen  enerzijds  de  dagvlinders  die  reeds  occasioneel   voorkomen  op  de  Kesterheide  en  waar  we  via  beheer  tot  een  meer  duurzaam  biotoop  willen  komen.  Anderzijds  willen  we  via  gerichte   beheersmaatregelen  de  optimale  condities  creëren  om  een  aantal  soorten  dagvlinders   aan  te  trekken die waargenomen worden in  de brede omgeving van de Kesterheide, alsook dagvlinders die in Vlaanderen aan een opmars bezig zijn.    ➔ Doelsoorten die reeds occasioneel werden waargenomen op de Kesterheide:    ● iepenpage  ● eikenpage  ● sleedoornpage  ● bruin blauwtje  ● zwartsprietdikkopje  ● citroenvlinder  ● oranje luzernevlinder   

Oranje luzernevlinder ­ ​ Colias croceus f. helice    Zwartsprietdikkopje ­ Thymelicus lineola              Iepenpage ­ Satyrium w­album 

➔ Doelsoorten die  in  de  brede  omgeving  van  de  Kesterheide  waargenomen  worden  of  die  aan  een  opmars bezig zijn in Vlaanderen:    ● ● ● ● ●

kaasjeskruiddikkopje hooibeestje  grote weerschijnvlinder  braamparelmoervlinder  keizersmantel 

Kaasjeskruiddikkopje ­ ​ Carcharodus alceae        Grote weerschijnvlinder ­ Apatura iris                 Braamparelmoervlinder ­ Brenthis daphne 

Deze  twaalf   dagvlindersoorten  werden  in  overleg  met  vlinderwerkgroep  Thecla  mee  opgenomen   in  het  beheersplan  voor  de  Kesterheide.  De   verschillende  beheersmaatregelen  die  nodig  zijn,  worden  mee  opgenomen in het algemeen beheersplan voor de Kesterheide.    30 


2.3.2.3.

nachtvlinders

Tot  28/02/2016   werden  223  soorten  nachtvlinders  waargenomen  in  het  gebied.  Zeventien soorten hiervan  zijn  zeldzaam  of  zeer  zeldzaam.  De  meest  bijzondere   zijn   ​ Dwerglangsprietmot  (​ Cauchas  fibulella)​   ­  ereprijs  als  waardplant,  ​ Kleine   slakrups  (​ Heterogenea  asella)​   ­   beuk  en  soms  eik,  ​ Geelkoplichtmot  (​ Salebriopsis  albicilla​ )  ­   verschillende  bomen,  ​ Koekoeksbloemspanner  (​ Perizoma  affinitata​ )  ­  silenesoorten,  ​ Geelbruine  bandspanner  (​ Plagodis  pulveraria​ )  ­  vooral  wilg,  ​ Beukentandvlinder  (​ Drymonia  obliterata​ )  ­  beuk,  eik  en   berk,  ​ Esdoorntandvlinder   (​ Ptilodon  cucullina)​   ­  esdoornsoorten  en  Donkere iepenuil​  (​ Cosmia affinis)​  ­ iep en eik. 

Dwerglangsprietmot op de Kesterheide   

2.3.2.4.

paddenstoelen

Maar liefst   323  paddenstoelen  werden  gevonden  in  het  gebied.  Daarvan  zijn  21  soorten  zeldzaam.  Van  deze  soorten  zijn  er  een  pak  gebonden  aan  schrale  graslanden,  waaronder   de  Zonnegloedknotszwam  ­  Clavaria  incarnata​ ,  Bleke  sikkelkoraalzwam  ­  ​ Clavulinopsis subtilis,​  Fijngeschubde aardtong ­ ​ Geoglossum  fallax​ , Kabouterwasplaat ­ ​ Hygrocybe insipida ​ en Weidewasplaat ­ ​ Hygrocybe pratensis.    

Gewoon vuurzwammetje op de Kesterheide  31 


2.3.2.5.

planten

Een  mooie  lijst  van  309  plantensoorten  is er bekend van  de Kesterheide. De meest bijzondere soorten zijn  afkomstig  van  de  vochtige  plaatsen  en  moerasbossen  en  van  heischraal  grasland.  Moerasstreepzaad,  moerasbasterdwederik  en  eenbes  zijn  zeldzame  soorten  van  vochtige tot natte groeiplaatsen. Van  schrale  groeiplaatsen  zijn  eenkoorngras,  akkerandoorn,  donkere  vetmuur,  aardbeiganzerik,  dicht  havikskruid,  akkerklokje,  klein   vogelpootje,  muizenoortje,   struikheide,  zandblauwtje,  tormentil  en  liggende  vleugeltjesbloem.  Opvallend  is  dat  enkele  zeer  waardevolle  soorten  van  schrale  graslanden  heden  zijn  verdwenen  zoals  tormentil  en  liggende  vleugeltjesbloem.  Van  zandblauwtje  werd  in  2014  toevallig  een  enkel,  weinig  groeikrachtig  plantje  herontdekt  op het Pervivo­grasland. Het  herstel  van heischraal grasland  in  combinatie  met  begrazing  zal  voor  de  overgebleven  soorten   ongetwijfeld  gunstig  zijn  en  hopelijk  weten  ook de verdwenen soorten zich vanuit de zaadbank terug te vestigen.    

klein vogelpootje op de Kesterheide   

2.3.2.6.

vogels

Tot  2015  werden  63  vogelsoorten  in  het  gebied  waargenomen.  Verschillende  daarvan  zijn  trekvogels  (zwarte  wouw,  smelleken,  boomleeuwerik,  …).  Deze  soorten  vliegen  ook  enkel  over  zonder  ter   plaatse  te  blijven.  De  meer  bijzondere  vogels  uit  het  gebied  zijn de wespendief, boomvalk, kleine bonte specht en de  geelgors.  Enkel  de  geelgors  behoort  tot  de  akkervogels,  de  andere  zijn  bosvogels  die   soms  wel   open  terrein   gebruiken  om  bijvoorbeeld  te   jagen.  Het  behoud  van  voldoende  aaneengesloten bos met daarrond  een kleinschalig landschap is voor vogels aangewezen.  

2.3.2.7.

wilde bijen 

Door  de  steilwandjes,  de  zandige  ondergrond  en  het  microklimaat  op  de Kesterheide is het een potentieel  zeer   interessant  gebied  voor  bodembewonende,  wilde  bijen.  Bij  een  toename  aan  het  staand  dood  hout  zullen  ook  houtbewonende  soorten  meer   nestgelegenheid  kunnen  vinden  op  de  Kesterheide.  Tijdens  een  verkennend  onderzoek  (2  veldbezoeken)  in  2014  en  2015  werden  al  een  aantal  bijzondere  soorten  opgemerkt.  In   2014  en  2015  werden  in   totaal  36  soorten  wilde  bijen,  waarvan  6   soorten  hommels,  waargenomen.    

32


Aan de  rand  van  de  Grote  Weide  werd  een  kolonie  van  grijze  zandbij  en  grote  zijdebij  gevonden.  Op  het   heideveld  nestelde  de  goudpootzandbij  en  de paardenbloembij. De meest zeldzame waarnemingen waren   die van een vrouwtje brilmaskerbij (2014) en de dubbeldoornwespbij (2015).     De  ​ brilmaskerbij  is  een  soort  voor  heideachtige  terreinen  en  duinen  en kan daardoor als doelsoort worden  beschouwd.  Ze  knaagt  zelf  een  nestgang  uit  in  oude  plantenstengels.  Voedsel  zoekt  ze  volgens  de  literatuur  vooral  op  zandblauwtje,  maar  die  plant  is  nauwelijks  aanwezig  op  de  Kesterheide.  Onze  vondst  werd  gedaan  op  knoopkruid.  Het   behoud  van  een   meerjarige  ruigte  aan  de  rand   van  een  (hei)schraal  grasland  is  voor  deze  soort  absoluut  nodig.  Moet  het  beheer  aanleiding  geven  tot  het  vestigen  van  het  zandblauwtje zou dit ook positief zijn voor de soort.     De  ​ dubbeldoornwespbij  is  een  zeer  zeldzame  bij  die  parasiteert  op  de  paardenbloembij.  Met  slechts  4  waarnemingen  op  waarnemingen.be  is   dit  misschien  wel  de  meeste   bijzondere  soort  van  het  gebied.  Opvallend  is  dan  3  van  de  4  waarnemingen  in  de  regio  werden  gedaan.  Ter  bescherming  van  de  dubbeldoornwespbij  is  het  vooral  belangrijk  te  zorgen  voor   een  voldoende  grote  populatie   van  de  paardenbloembij.  De  paardenbloembij   is  een  bij  van  de  schrale,  extensief  beheerde  weilanden,  wegbermen en dijken. Naast paardenbloem is deze vrij grote bij ook gezien op andere, gele composieten.  Andere  bijzondere  waarnemingen  zijn  deze  van  de  blauwe  ertsbij,  net  als  de  brilmaskerbij  een  soort  die  profiteert  van  overjarige  ruigte  en  schrale,  bloemrijke  graslanden.  De  heggenrankzandbij  werd  gevonden  op  haar  enige  voedselplant,  heggenrank.  De  nesten  worden  meestal  in  vrij  harde,  niet  begroeide  bodem  gemaakt.  Aanplanten  en  spontane  ontwikkeling  van   houtkanten  en  bosranden  met  heggenrank  zijn  voor  deze soort belangrijk.     In  het  algemeen zal het toekomstige beheer voor wilde bijen zeer positief zijn. Veel (zeldzame) soorten zijn  immers  gebaat  bij   een  combinatie  van  meerjarige  ruigten,  schraal,  bloemrijk  grasland,  open,   zandige  plekken  en steilrandjes. Ook de aanwezigheid van vroegbloeiende bomen  en struiken zoals wilg, sleedoorn  en  meidoorn  is  voor  veel  bijen  zeer  belangrijk.  Opvallend  is  de   quasi  afwezigheid  van  houtbewonende  soorten door een gebrek aan zonbeschenen, staand dood hout.    

tweekleurige zandbij op de Kesterheide     

33


2.3.2.8.

zoogdieren

  Het  rijke  en  gevarieerde  landschap  op   de  Kesterheide  vormt  een  geschikt  leefgebied   voor  verschillende  zoogdieren.  De  Kesterheide   is  echter  nooit  onderzocht  op  het  voorkomen  van  zoogdieren  en  dus  beperkt  de  soortenlijst  zich  tot  toevallige  waarnemingen  en  verkeersslachtoffers.  De  vos  heeft  vier  burchten  op  percelen  van  Natuurpunt,  waarvan  één  ten  zuiden  van  de  steenweg.  Natuurpunt  staat  niet  toe dat vossen  bejaagd  worden  op   haar  percelen.  Incidenteel  worden  door  onze  jagersgroep  reeën  aangetroffen,   die  echter snel ten prooi vallen aan stropers of andere jagers.   

Bunzing en  steenmarter  werden   dood  aangetroffen  als  verkeersslachtoffer  op  de  Ninoofsesteenweg.  Van  rode  eekhoorn  zijn  enkele  zichtwaarnemingen  bekend,  maar  toch  ook  weer   een  verkeersslachtoffer.  Het  gaat   blij  rode  eekhoorn  om  een  kleine  populatie  die  pendelt  tussen  de  vele   bosfragmenten.  Een  meer  aaneengesloten bos zou voor de eekhoorn interessant zijn.    

De meest  bijzondere  waarneming  is  die  van  eikelmuis  in  het  deelgebied  den  Dael.  Er  zal   moeten  onderzocht   worden  of  deze  soort  ook  in  de  rest  van  het  gebied  voorkomt.  Geplande  beheerwerken  zoals  aanplanten   van houtkanten, maken van open plekken  in het bos e.d. zouden ook voor de eikelmuis gunstig  moeten zijn.    

2.3.2.9.

zweefvliegen

De rijke  en  gevarieerde  bossen  brengen  ook  een  hoop  bijzondere  zweefvliegen  met  zich  mee.  Tot  2015  werden  58  soorten  zweefvliegen  waargenomen.  Moesdistelgitje  ­  ​ Cheilosia  chloris,​   Vroegste  Gitje  ­  Cheilosia  fasciata​ ,  Bosglimmer  ­  ​ Orthonevra  brevicornis,​   Beek­bronzweefvlieg  ­  ​ Sphegina  elegans  en  Iepenschaduwplatvoetje ­ ​ Platycheirus splendidus zijn enkele van de zeldzame soorten die er tot eind 2015  werden  gezien.  Ongetwijfeld  zullen  de  komende  jaren  nog  meer  bijzondere  soorten worden ontdekt. Deze  meeste  van  de  gevonden  soorten  zijn  gebonden  aan  bosrijke  milieus  met  voldoende  open  plekken  om  nectar  te  zoeken.  Deze   open  plekken  moeten   niet  perse  zeer  schraal  zijn   maar  wel  bloemrijk.  Ruigtekruiden  zoals  zevenblad,   gewone  berenklauw,  etc.   en  vroegbloeiende  bomen en struiken zoals wilg  en meidoorn vervullen voor zweefvliegen een zeer belangrijke rol.    

Enkele van  de  waargenomen,  bijzondere soorten leven in vochtige bossen, zoals het moesdistelgitje, in de  buurt  van  moesdistel,  de  beek­bronzweefvlieg  nabij  bronbeekjes  en  het  vroegst  gitje  bij groeiplaatsen van  daslook.  Het  behoud  en  herstel  van  open  plekken,  lichtrijke  bospaden  en  geleidelijke  mantel­zoomvegetaties zijn voor veel insecten en zweefvliegen in het bijzonder zeer nuttig.    

Pluimwoudzwever op de Kesterheide  34 


3.

Algemeen beheerplan Kesterheide per deelgebied 

3.1.

Kesterheide 3.1.1.

Inleiding 

We hebben  de  Kesterheide  opgedeeld  in  verschillende  deelgebieden  zodat  we  aan  optimaal  beheer  kunnen  doen  in  functie  van  verschillende  types  gebied  zoals  grasland,  bos  ­  en  heideherstel.  Verder  stelt  dit  ons  ook  in  staat  om  verschillende  types  van  beheer  toe  te  passen  waardoor  we  andere  soorten  fauna  en  flora  kunnen  herstellen  of  aantrekken.  De  verschillende   deelgebieden  zijn:  Groene  jager,  Bronnendal,  Heideveld,  Hellingweide,  Ijzeren  Man  Bos,  Grote  Weide  en  Kesterheide  Bos.  Alle  deelgebieden  worden  hieronder uitvoerig belicht in functie van beheermaatregelen voor  doelsoorten en habitats. Dit zijn gebieden  die Natuurpunt in eigendom of beheer heeft en waar we inrichting en beheer kunnen ondernemen:   

             

©2016 Google 

35


3.1.2.

Bronnendal

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Het Bronnendal is gelegen ten zuiden van de Ninoofse steenweg.    ➔ beschrijving gebied​ :     Het  Bronnendal  is  het  komvormig  brongebied  van  de  Hoezenbroekbeek.  Het   westelijk  deel  dat  grenst  aan  de  het  heideveld  en  het   noordelijk  deel  naast  het  huis  zijn  deels  opgehoogd  met  steenpuin.  Verschillende,  kleine  bronnetjes komen hier aan de oppervlakte. De flanken zijn steil en ronde de kwel­  en  bronzones  is het zeer drassig.  In het jonge moerasbos groeien enkele typische voorjaarsbloeiers en  beekbegeleidende plantensoorten. Het dal herbergt veel houtsnippen.    ➔ beheer in functie van exotenverwijdering en ontwikkeling broekbos:    ◆ streefdoel​ :   ­ Ontwikkeling nat broekbos met inheemse soorten.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  zeggenkorfslak.  ­ andere​ : grote weerschijnvlinder, goudveil, bronlibel, eenbes, wilde narcis, slanke  sleutelbloem, houtsnip.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten:  ­ inventarisatie boswilg i.f.v. grote weerschijnvlinder.  ­ Openhouden van grote zeggenvegetaties en verwijderen eventuele drainage in  functie van de zeggekorfslak (aanwezigheid te onderzoeken)    ◆ beheermaatregelen voor habitats​ :   ­ spontane ontwikkeling van broekbos.   ­ exotenbestrijding (acacia).  ­ vrijmaken en openhouden van ‘avonturenwandelpad’.  ­ spontane ontwikkeling brem aan Ninoofsesteenweg.      36 


◆ beheertype en timing​ :  ● inrichtingsbeheer:  ○ vrijmaken van wandelpad in 2017.  ○ inventarisatie boswilg in 2017 i.f.v. grote weerschijnvlinder.  ○ openmaken van grote zeggenvegetaties en verwijderen eventuele drainage  in functie van de zeggekorfslak in 2017­2018.   ● overgangsbeheer:  ○ spontane ontwikkeling broekbos.  ○ bestrijden van exoten.  ○ spontane ontwikkeling brem aan Ninoofsesteenweg.  ○ openhouden van grote zeggenvegetaties in functie van de zeggekorfslak.  ● eindbeheer:  ○ openhouden wandelpad.  ○ beheer zeggenvegetaties.   

3.1.3.

Grote Weide 

©2016 Google 

➔ locatie​ :     De Grote Weide is centraal gelegen op de Kesterheide tussen het Kesterheidebos en het Heideveld.    ➔ beschrijving gebied​ :     De  Grote  Weide  is   een  grasland,  aan  de  westzijde  volledig  omsloten  door  bos.  Het  gebied  bestaat uit  een  vrij  rijk  grasland  met   enkele  bomen   en  bomenrijen.  Richting  de  ‘Groene  Jager’  wordt  de  bodem  minder  zanderig  en  zuur  en  bevinden  zich  rijkere,  kalkrijkere  weiden,  akkers  en  bosjes.  Een  van  de  eerste acties van natuurpunt was de aanplant van een houtkant/bosrand aan de noordoostzijde van het  terrein,  tegen  het  bestaande  boekbosje  aan.  Er  werd  gekozen  voor  enkele  gewone,  maar  tevens  enkele  bijzondere  soorten:  er  werd  aangeplant  (soorten  met  *:  autochtoon  plantmateriaal):  gele  kornoelje,   rode  kornoelje*,  zomereik,  haagbeuk*,  spaanse  aak,  eenstijlige  meidoorn*,  wilde  appel,  wilde  peer,  zwarte  populier,  sleedoorn*,  wegedoorn,  gelderse roos*, hondsroos*, esdoorn, hazelaar en  fladderiep.  Het  grasland  heeft  verder  op  dit  moment maar weinig natuurwaarde. Op  de natste plaatsen  groeien enkele exemplaren van moesdistel.         37 


➔ beheer in functie van verschraling en vernatuurlijking van het terrein:    ◆ streefdoel​ :   ­ Graslandhabitat als grote ‘open plek’ in het bos.   ­ Extensieve schapenbegrazing zorgt ervoor dat het terrein open blijft maar toch  krijgen bloemen en jonge struiken de kans uit te groeien.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  watervleermuis.  ­ andere:​   hazelworm, tengere grasjuffer, gaffelwaterjuffer, muizenoortje, vogelpootje,  eenkoorngras, akkerandoorn, donkere vetmuur, zandblauwtje, tormentil, liggende  vleugeltjesbloem, roodborsttapuit. Verder vooral grasland en bosrand vlindersoorten:  kaasjeskruiddikkopje, bruin blauwtje, zwartsprietdikkopje, iepenpage,  sleedoornpage, hooibeestje en citroenvlinder.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ gefaseerd maaibeheer van het begrazingsraster i.f.v. grasland vlindersoorten.  ­ verdere ontwikkeling van bosrand omheen het begrazingsraster met aanplant van  iep, sleedoorn, ratelpopulier, ​ kardinaalsmuts, zoete kers, meidoorn, braam,  sporkehout en haagbeuk​  i.f.v. bosrand vlindersoorten.  ­ Open houden steilwandjes voor wilde bijen  ­ Onderhoud houtkanten, vooral aan de zuidgerichte bosranden in functie van  eikelmuis en insecten.   ­ Behoud en aanleggen van stroken met kruidige vegetaties (ruigten, bloemrijk  hooiland) in de nabijheid van poelen i.f.v. de watervleermuis.    ◆ beheermaatregelen voor habitats​ :   ­ Verwijderen van populierenrijen en vrijstaande populieren.   ­ Instellen van een begrazingsraster.   ­ Heraanleg van een poel.    ◆  ​ beheertype en timing:   ● inrichtingsbeheer:  ○ kapping van vrijstaande populieren en populierenrijen in 2016­2017.   ○ heraanleg van een poel in 2016­2017.   ○ plaatsing van een schapen­begrazingsraster in 2016­2017.  ○ aanleggen van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen  tegen 2020.  ● overgangsbeheer:.  ○ ontwikkeling van bosrand omheen begrazingsraster.  ○ schapenbegrazing i.f.v. verschraling grasland.  ● eindbeheer:  ○ gefaseerd maaibeheer in begrazingsraster.  ○ beheer van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen.           

38


Voor de schapenbegrazing wordt, indien mogelijk, samengewerkt met lokale herder die er ook  natuureducatieve acties aan koppelt vanuit De Paddenbroek. 

3.1.4.

Hellingweide

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Driehoekige weide naast de Ninoofsesteenweg.     ➔ beschrijving gebied​ :   De  weide  en  spontaan  bos  ontstonden  bij  kapping  van  een  populierenaanplant  in  2013.  Op  het  hele  terrein   zijn   jonge  populieren  en  andere  bomen  spontaan  weer  opgeschoten.  Het  terrein  is  anno  2015  vrij  sterk  verruigd.  Aan  de  straatkant  werd  in  2014  een  jonge  houtkant  aangeplant  die  eind 2015 werd  vrijgesteld.    39 


➔ beheer in functie van herstel van schraal grasland.    ◆ streefdoel​ :   ­ Schaal hellinggrasland omgeven door een houtkant. Hier en daar in het  hellinggrasland staat een solitaire struik of boom.    

◆ mogelijke doelsoorten​ :  ­ Natura 2000 soorten:​  geen  ­ andere:​  Braamsluiper, wasplaten, hazelworm, eikelmuis. Verder vooral grasland en  bosrand vlindersoorten:  kaasjeskruiddikkopje, bruin blauwtje, zwartsprietdikkopje,  iepenpage, sleedoornpage, hooibeestje, citroenvlinder en oranje luzernevlinder.  Verder ook mogelijk braamparelmoervlinder indien deze vlinder zich blijft uitbreiden  naar Vlaanderen toe.   

◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ gefaseerd maaibeheer van het begrazingsraster.  ­ verdere ontwikkeling van bosrand omheen het begrazingsraster met aanplant van  iep, sleedoorn, ratelpopulier, ​ kardinaalsmuts, zoete kers, meidoorn, braam,  sporkehout en haagbeuk​  i.f.v. bosrand vlindersoorten.   

◆ beheermaatregelen voor habitats​ :  ­ Instellen van een schapenbegrazingsraster om het moeilijk begaanbare terrein te  begrazen.   ­ Herstel schraal hellinggrasland met kleinschalige begrazing.  ­ Ontwikkeling houtkanten met ruigtestroken.    

◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ instellen van een schapenbegrazingsraster in 2016­2017.   ● overgangsbeheer:  ○ ontwikkeling bosrand en houtkanten met ruigtestroken.  ○ herstel schraal hellingsgrasland door schapenbegrazing.  ● eindbeheer:  ○ gefaseerd maaibeheer in begrazingsraster.   

3.1.5.

Groene Jager 

©2016 Google 

40


➔ locatie​ :   Naast de Ninoofsesteenweg ter hoogte van het voormalige café ‘Groene Jager’.     ➔ beschrijving gebied​ :   Het  moerasbosje  en  de  kleine  hooiweide  zijn  al  langer  in  beheer  bij  natuurpunt.  Zo  bezitten  ze   een  hoge  natuurwaarde.  In   2004  werd  het  toen  verruigde  hooilandje  opnieuw  gemaaid.  De  resultaten  van  de  eerste  maaiwerkzaamheden  waren  veelbelovend  met  soorten  als  margriet,   knoopkruid  en   boerenwormkruid.  Andere  soorten  die  hier  toen  voorkwamen  waren  gewoon  duizendblad,  slipbladige  ooievaarsbek,  veldlathyrus,  Sint­Janskruid en wilde peen. Moerasspirea, reuzenpaardenstaart, gewone  engelwortel,  gewone  berenklauw  en  moesdistel  werden  gevonden  op  de  overgang  naar  het  moerasbosje  en  op   de  natste  plekken  kwam   slanke  sleutelbloem  voor  in  het  grasland.  (monitoringsrapport  Kesterheide­Lombergbos)   Het  bosperceel  bestaat  uit  een  goed  ontwikkeld  bronbosje  met  onder  meer  reuzenpaardenstaart  en  eenbes,  als  topsoorten.  Bij  een  inventarisatie  in  april  2010  werd  voor  het  eerst   Europese  vogelkers  aangetroffen  (jonge  plant).  Er  is  een  duidelijke  toename  van  dood  hout,  maar  in  de  kleinere  dikteklasse.  In  dit  perceel  zijn  weinig  dikke  bomen  aanwezig.  (monitoringsrapport  Kesterheide­Lombergbos).  Er  komen  ook  Japanse  duizendknoop  en  (veelvuldig)  Canadese  guldenroede  voor,  we  willen  graag  vermijden  dat  deze  soort  zich  uitbreidt naar   andere gebieden in de Kesterheide. Een volgehouden exotenbestrijding is nodig.    ➔ beheer in functie van ontwikkeling schraal grasland en moerasbos.     ◆ streefdoel​ :   ­ ontwikkeling schraal grasland en moerasbos.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  zeggenkorfslak, watervleermuis.  ­ andere:​  goudveil, bronlibel, eenbes, wilde narcis, slanke sleutelbloem,  grote  weerschijnvlinder. Verder ook enkele typische graslandvlinders zoals  zwartsprietdikkopje en bruin blauwtje.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ inventarisatie boswilg i.f.v. grote weerschijnvlinder.  ­ Behoud en aanleggen van stroken met kruidige vegetaties (ruigten, bloemrijk  hooiland) in de nabijheid van poelen i.f.v. de watervleermuis.   

◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ gefaseerd graslandbeheer.  ­ moerasbos verder laten ontwikkelen.   ­ exotenbestrijding: Japanse duizendknoop en guldenroede.   

◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie boswilg in 2017.  ○ aanleggen van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen  tegen 2020.  ● overgangsbeheer:  ○ exotenbestrijding Japanse duizendknoop en guldenroede.  ○ ontwikkeling moerasbos.        41 


eindbeheer: ○ gefaseerd graslandbeheer.  ○ beheer van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen. 

 

3.1.6.

Heideveld

©2016 Google  ➔ locatie​ :    Gelegen tussen het Bronnendal en het bos van de IJzeren Man enerzijds en de Grote Weide  anderzijds. Ten noorden ven het Heideveld ligt de Ninoofsesteenweg.    ➔ beschrijving gebied​ :  Het  oostelijke  deel  van  de   Kesterheide  is  tevens   het  schraalste.  Het  is  hier  dat  de  meeste  restanten  van  de  vroegere  heide  nog  zijn terug te vinden. Er groeien  zowaar nog enkele plantjes met Struikheide  (​ Calluna  vulgaris​ ).  Een  andere  bijzondere  soort  die   hier  voorkomt  is  de  Akkerandoorn  (​ Stachys  arvensis​ ),   een  zeldzame  pionier  van  schrale,  ruderale  grond. Andere vermeldenswaardige soorten zijn  Gewone  agrimonie  (​ Agrimonia  eupatoria)​   en  Klein  vogelpootje  (​ Ornithopus  perpusillus)​ .  Aan  de  westzijde  hiervan  vinden   we  een  smal  populierenbos, met hiernaast  een stuk grasland dat omwille van  de stenige verharding als schraal ‘grasland’ te beschouwen is.     ➔ beheer in functie van herstel heischraal grasland:    ◆ streefdoel​ :   ­ ontwikkeling heischraal grasland met herstelde Brabantse heide.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :  ­ Natura 2000 soorten:​  watervleermuis.  ­ andere:​  graslandvlinders: hooibeestje, zwartsprietdikkopje, kaasjeskruiddikkopje,  bruin blauwtje, oranje luzernevlinder, struikheide, vogelpootje, muizenoortje,  zandblauwtje, tormentil, eenkoorngras, akkerandoorn, donkere vetmuur, liggende  vleugeltjesbloem, groene zandbij, heizijdebij, hazelworm.    ◆ beheermaatregelen voor soorten​ :   ­ herstel en verdere ontwikkeling van de heide.  ­ gefaseerd maaibeheer van het begrazingsraster i.f.v. grasland vlindersoorten.  ­ heraanleg van een poel i.f.v. de Bruine kikker, Alpenwatersalamander en de  Vinpootsalamander.  42 


­

Behoud en aanleggen van stroken met kruidige vegetaties (ruigten, bloemrijk  hooiland) in de nabijheid van poelen i.f.v. de watervleermuis. 

◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ ontbossen van het smal stuk populierenbos.  ­ verwijderen van zwerfafval en ingestort ‘weekendhuisje’ in de strook bos.  ­ frezen van de stronken in het bosje.  ­ plaggen van de humuslaag in het te ontbossen stuk bos.  ­ verwijderen van enkele bomen in het noordoosten van het perceel.   ­ inrichting van een schapenbegrazingsraster.   ­ proefvlak plaggen i.f.v. herstel heide.  ­ behoud en verder ontwikkeling van houtkant als buffer tegen de steenweg.  ­ behoud van een stapsteen bos rond een vossenburcht.    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ ontbossen van het smal populierenbos in 2017.  ○ frezen van de stronken in 2017­2018.  ○ verwijderen van zwerfafval en ingestort ‘weekendhuisje’ in 2017.  ○ verwijderen van enkele bomen in 2017.  ○ behoud van een vossenburcht.  ○ inrichting van een schapenbegrazingsraster in 2016­2017.  ○ heraanleg van een poel in 2016­2017.  ○ proefvlak plaggen 2016­2017.  ○ aanleggen van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen  tegen 2020.  ● overgangsbeheer:  ○ behoud en ontwikkeling van houtkant tegen 2020.  ○ schapenbegrazing i.f.v. herstel en verdere ontwikkeling van de heide.  ● eindbeheer:  ○ gefaseerd maaibeheer van het begrazingsraster.  ○ beheer van stroken met kruidige vegetaties in de nabijheid van poelen.   

De hazelworm ​ (​ Anguis fragilis)​ , nog steeds een bewoner van de Kesterheide? 

43


3.1.7.

IJzeren Man Bos 

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Gelegen langs het wandelpad ten oosten van het gebied, op het hoogste punt van de Kesterheide en  tevens van het Pajottenland.     ➔ beschrijving gebied​ :   Relatief  jong  kastanje­beukenbos  met  weinig  ondergroei.  De  IJzeren  man  bevindt  zich  op het hoogste  deel  van  de  Kesterheide.  Het  bestaat  uit  een  relatief  jong  bos met  Beuk, Zomereik ​ (​ Quercus robur)​  en  Tamme  kastanje  ​ (​ Castanea  sativa​ )  rond  de  ijzeren  man  en  een  graziger,  lager  gelegen  deel met berk   en  interessante  voorjaarsbloeiers  zoals  boswederik,  wilde  hyacint  en  bosviooltje.  Het  bosdeel  rond de  ijzeren man heeft sterk te lijden onder erosie. Veel bomen hebben daardoor blootliggende wortels.     ➔ beheer in functie van zachte recreatie en herstel zicht­as:   

◆ streefdoel​ :   ­ herstel lichtrijk, schraal bos met rijke ondergroei.   

◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  vliegend hert, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ andere:​  brem, kamperfoelie, eikenpage, keizersmantel.   

◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ inventarisatie ruig viooltje en andere soorten viooltjes in de directe nabijheid van de  bosranden als waardplant van de keizersmantel.  ­ aanplant van taxus en/of hulst onder de beuken/takkenwand zetten.  ­ behoud oude bomen en dood hout i.f.v. het vliegend hert.  ­ inventarisatie eikelmuis.  ­ wilde bijen: behoud tallud met open vegetatie voor nestgelegenheid wilde bijen.  ­ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer graslanden  en bloemenweides i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.    44 


◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ gefaseerd kapbeheer met herstellen van zicht­as richting Meerbeke­Ninove (enkele  bomen).  ­ ontwikkelen wandelpaden en mountainbike routes.  ­ aanleggen takkenwal tegen erosie.  ­ aanplanten schaduwtolerante struiken zoals hulst en taxus.    ◆ beheermaatregelen voor monumenten:  ­ vrijstellen van de IJzeren Man voor betreding door mountainbikers  ­ vrijstellen van het monument i.f.v. visibiliteit ervan    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie viooltjes in 2016­2017.  ○ aanleggen takkenwal tegen erosie: 2017.  ○ aanplanten schaduwtolerante struiken zoals hulst en taxus: 2017.  ○ inventarisatie eikelmuis: 2016­2018.  ● overgangsbeheer:  ○ herstellen van zicht­as richting Neigembos (noord­noordwest) tegen 2018.  ○ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer  graslanden en bloemenweides tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ onderhoud wandelpaden en mountainbike routes.  ○ behoud oude bomen en dood hout.  ○ behoud talud voor nestgelegenheid wilde bijen.  ○ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten.   

3.1.8.

Kesterheidebos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Ten zuiden (zuidwesten) van de Kesterheide.    ➔ beschrijving gebied​ :   Het Kesterheidebos is een vrij divers, zuur bos met onder andere boshyacint, zoete kers, zomereik,  wilde kamperfoelie. Een groot gedeelte van het droge bosdeel was tot februari 2016 beplant met  45 


populier. Het zuidelijk deel bestaat uit een divers valleibos. Op het laagstgelegen deel in het westen ligt  bronbos. Het is niet bekend of er in dit deel interessante voorjaarsvegetatie aanwezig is.     ➔ beheer in functie van ontwikkeling divers bos:    ◆ streefdoel​ :   ­ biodivers bos met brede mantel­zoomvegetaties en overgang naar randgebieden.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  vliegend hert, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ andere: eikelmuis, eikenpage en keizersmantel.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ behoud of aanplant van een braamrand aan de zon beschenen zuidrand i.f.v.  keizersmantel.  ­ inventarisatie ruig viooltje en andere soorten viooltjes in de directe nabijheid van de  bosranden als waardplant van de keizersmantel.  ­ inventarisatie eikelmuis.  ­ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer graslanden  en bloemenweides i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.    ◆ specifieke beheermaatregelen voor habitats:  ­ kapping van populieren.  ­ omvorming en aanplant naar diverser bos.     ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ kapping van populieren in 2016.  ○ inventarisatie ruig viooltje en andere soorten viooltjes in 2016­2017.  ○ inventarisatie eikelmuis: 2016­2018.  ● overgangsbeheer:  ○ omvorming en aanplant naar diverser bos: 2016­2017.  ○ onderhoud van braam aan de bosranden.  ○ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer  graslanden en bloemenweides tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten.           

46


3.2.

Lombergbos   3.2.1.

Inleiding

Ook  hier  hebben  we  Lombergbos  opgedeeld  in  verschillende  deelgebieden zodat we aan optimaal beheer  kunnen  doen  in  functie  van  verschillende  types  gebied  zoals  grasland  en  bosgebied.  Verder  stelt  dit  ons  ook  in  staat  om  verschillende  types  van  beheer  toe  te  passen  waardoor  we  andere soorten fauna en flora  kunnen  herstellen  of  aantrekken.  De  verschillende  deelgebieden  zijn:  Wasplatenweide,  Treeveldbos,  Steenwegbos,  Breedveldbos,  Kastanjebos,  Lombergbos,  Trambos,  Zwartschaapbos en Konijnenberg. Alle  deelgebieden  worden  hieronder  uitvoerig  belicht  in  functie  van  beheermaatregelen  voor  doelsoorten  en   habitats. 

©2016 Google     

   

47


3.2.2.

Lombergbos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Gelegen op de helling ten zuiden van de trambedding tussen 2 bestaande bossen.   ➔ beschrijving gebied​ :   Droog, vrij zuur hellingbos met veel berk en tamme kastanje. Onderaan vochtiger met klein beekje.     ➔ beheer in functie van ecologisch bosbeheer:    ◆ streefdoel​ :   ­ ontwikkeling van een biodivers bos.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  vliegend hert, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ andere:​  eikenpage, grote weerschijnvlinder, iepenpage, eikelmuis.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ inventarisatie boswilg i.f.v. grote weerschijnvlinder.  ­ inventarisatie en aanplant van iep i.f.v. iepenpage.  ­ ontwikkeling geleidelijke bosrand met voldoende vochtige plekken.  ­ inventarisatie eikelmuis.  ­ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer graslanden  en bloemenweides i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.    ◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ verwijderen van exoten.     ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie boswilg in 2016­2017.  ○ inventarisatie en aanplant van iep in 2016­2017.  48 


○ inventarisatie eikelmuis: 2016­2018.  overgangsbeheer:  ○ ontwikkeling geleidelijke bosrand tegen 2020.  ○ verwijderen van exoten tegen 2020.  ○ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer  graslanden en bloemenweides tegen 2020.  eindbeheer:  ○ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten.  ○ gefaseerd beheer graslanden en bloemenweides. 

3.2.3.

Breedveldbos

©2016 Google 

➔ locatie​ : Langs veldweg en in het verlengde van de Breedveldstraat.     ➔ beschrijving gebied​ :   Valleibos  met  beekje  dat  er   ontspringt.  Zeer  vochtig   met  interessante  voorjaarsbloeiers  en  enkele  kleine  poeltjes.  De  populieren  werden  in   het  bos   gekapt   en  het  bosje  werd  heraangeplant  met  inheemse soorten. Aan de rand werd een brede houtkant voorzien met onder andere meidoorn en iep.     ➔ beheer in functie van voorjaarsflora en bosrandsoorten:    ◆ streefdoel​ :   ­ Biodivers moerasbos met goed ontwikkelde mantel­zoom vegetatie.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  zeggenkorfslak.  ­ andere:​  kleine watersalamander, wezel, hermelijn, iepenpage, grote  weerschijnvlinder, eikenpage, sleedoornpage.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ inventarisatie boswilg i.f.v. grote weerschijnvlinder.  ­ ontwikkelen brede bosrand met iep en sleedoorn i.f.v. iepenpage en sleedoornpage.  ­ inventarisatie eikelmuis.    49 


◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ gefaseerd terugzetten van houtkant rond het bos.    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie boswilg t in 2016­2017.  ○ inventarisatie eikelmuis: 2016­2018.  ● overgangsbeheer:  ○ ontwikkeling brede bosrand tegen 2020.  ○ gefaseerd terugzetten van houtkant rond het bos.  ○ ontwikkelen brede bosrand met iep en sleedoorn.  ● eindbeheer:  ○ gefaseerd bosrandbeheer.   

3.2.4.

Treeveldbos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Klein bosje langs veldweg die uitkomt op Breedveldbos.    ➔ beschrijving gebied​ :   Heraangeplant populierenbosje met rijke ondergroei.     ➔ beheer in functie van bosbeheer:    ◆ streefdoel​ :   ­ vochtig, biodivers loofbos    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  geen  ­ andere:​  eikenpage.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ aanplant zomereik i.f.v. eikenpage.    ◆ beheermaatregelen voor habitats:  50 


­ geleidelijk kappen van populieren.  ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ gefaseerd kappen van populieren tegen 2020.  ● overgangsbeheer:  ○ aanplant zomereik tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ Momenteel geen eindbeheer gepland.   

3.2.5.

Zwartschaap Bos 

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Klein bosje langs de kruising van de Treeveldweg en de Zwartschaapstraat.    ➔ beschrijving gebied​ :   Beekbegeleidend broekbos.    ➔ beheer in functie van bosbeheer:    ◆ streefdoel​ :   ­ vochtig, biodivers loofbos.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  geen  ­ andere:​  eikenpage.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ aanplant zomereik i.f.v. eikenpage.    ◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ geleidelijk kappen van populieren.  ­ uitbreiding door aankoop van nieuwe percelen in de directe nabijheid van het huidig  stukje bos.    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  51 


● ●

○ gefaseerd kappen van populieren tegen 2020.  ○ uitbreiding door eventuele aankoop nieuwe percelen tegen 2030.  overgangsbeheer:  ○ aanplant zomereik tegen 2020.  eindbeheer:  ○ Momenteel geen eindbeheer gepland. 

3.2.6.

Steenwegbos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Bosje langs Ninoofsesteenweg.    

➔ beschrijving gebied​ :   Na de kapping van populieren werd het bosje heraangeplant met zomereik. De eerste jaren na de kap  kleurde het bosje geel van de brem.    

➔ beheer in functie van bosbeheer en ontwikkeling schrale vegetatie:   

◆ streefdoel​ :   ­ open, lichtrijk bos met schrale begroeiing.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  vliegend hert.  ­ andere:​  brem, eikenpage, bruin blauwtje, kleine vuurvlinder.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ ontwikkeling van bosrand met schrale vegetatie.    ◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ open houden van losweg.    ◆ beheertype en timing​ :    ● i​ nrichtingsbeheer:  ○ Momenteel geen nieuw inrichtingsbeheer gepland.    ● overgangsbeheer:  ○ onderhoud en openhouden bospad.  52 


○ ontwikkeling van bosrand met schrale vegetatie.  eindbeheer:  ○ Momenteel geen eindbeheer gepland. 

3.2.7.

Trambos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Langs beide zijden van de voormalige trambedding.     ➔ beschrijving gebied​ :  Het  trambos  is  een  zeer  nat  moerasbos  met  diverse,  soms  kalkrijke  bronnen.  Quasi  de  volledige  bosoppervlakte  is  bedekt  met  een  tapijt  van  voorjaarsbloeiers  in  de  lente.  Bosanemoon  heeft  er  een  grote groeiplaats. De zeldzame eenbes groei er op enkele beperkte groeiplaatsen.     ➔ beheer in functie van bosrandsoorten en ontwikkeling open plekken:    ◆ streefdoel​ :   ­ goed ontwikkeld moerasbos met mantel­zoomvegetatie.   ­ meer lichtrijke, kalkrijke bronnen.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  zeggenkorfslak, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ andere:​  bosuil, hermelijn, bunzing, vos, daslook, vroegst gitje,  braamparelmoervlinder, sleedoornpage, iepenpage. Verder ook typische  graslandvlinders zoals bruin blauwtje, zwartsprietdikkopje, kaasjeskruiddikkopje.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten:  ­ ontwikkeling van brede mantel­zoom vegetatie door aanplanten van enkele struiken  en bomen zoals iep, meidoorn, sleedoorn, en zomereik i.f.v. eikenpage,  sleedoornpage en iepenpage.  ­ brede bosrand is ook interessant voor zoogdieren zoals de eikelmuis  ­ aanplanten van bloeiende struiken voor diverse zeldzame zweefvliegen.   ­ afdammen drainagegrachten. 

53


­

­

behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer graslanden  en bloemenweides i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis. 

◆ beheermaatregelen voor habitats​ :   ­ inventarisatie en onderhoud moerassoorten en soorten van kalkrijke bronnen.   ­ open maken van kalkrijke bronnen.  ­ demping van drainagesloten.  ­ geleidelijk kappen van kwijnende populieren.  ­ verhinderen instroom afvalwater    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie moerassoorten en soorten van kalkrijke bronnen in 2016­2017.  ○ open maken van kalkrijke bronnen in 2016­2017.  ○ demping van drainagesloten in 2016­2017.  ○ kappen van populieren tegen 2020.  ● overgangsbeheer:  ○ beheer moerassoorten en soorten van kalkrijke bronnen.  ○ ontwikkeling van brede mantel­zoom vegetatie tegen 2020.  ○ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer  graslanden en bloemenweides tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten.  ○ gefaseerd beheer graslanden en bloemenweides.  ­ 

 

Een zogenaamde ‘mijn’ van het Vroegst gitje (zweefvlieg) in de bladeren van Daslook ​ (​ Allium  ursinum​ )​ . Het Vroegst gitje is een kleine, zwarte zweefvlieg die zeer vroeg op het seizoen vliegt  op plaatsen waar Daslook veel voorkomt. Vermits ze haar eitjes enkel op Daslook afzet kan ze  niet voorkomen op plaatsen waar de plant ontbreekt.   

54


3.2.8.

Konijnenberg

©2016 Google 

➔ locatie​ : De konijnenberg ligt ten noorden van de voormalige trambedding, omgeven door het Trambos.     ➔ beschrijving gebied​ :   De  hellingweide  langs  de  trambedding  werd  in  2015  aangekocht  en  is  zeer  interessant.  Vooraleer  de  weide  werd  verlaten,  werd  er  nog   kleverige  wasplaat,  een   zeldzame  paddenstoel  gevonden.  Momenteel is de weide sterk verruigd en groeien er al enkele jonge bomen in.    ➔ beheer in functie van ontwikkeling schraal hellinggrasland:    ◆ streefdoel​ :   ­ schraal hellinggrasland, omgeven door een brede bosrand met  mantel­zoomvegetatie.    ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  geen.  ­ andere​ : hazelworm, graslandvlinders zoals bruin blauwtje, zwartsprietdikkopje en  kaasjeskruiddikkopje.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten:  ­ ontwikkeling van brede mantel­zoom vegetatie door aanplanten van enkele struiken  en bomen zoals iep, meidoorn, sleedoorn, en zomereik i.f.v. eikenpage,  sleedoornpage en iepenpage.  ­ beheer van braam i.f.v. braamparelmoervlinder en keizersmantel.    ­ open houden open plek voor zeldzame graslandpaddenstoelen zoals Kleverige  wasplaat    ◆ beheermaatregelen voor habitats​ :   ­ open houden van hellingweide.  ­ beheer schraal hellinggrasland: plaatsing van een schapen­begrazingsraster.    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ plaatsing van een schapen­begrazingsraster in 2016­2018.  55 


overgangsbeheer:  ○ open houden van hellingweide d.m.v. schapenbegrazing.  ○ ontwikkeling van brede mantel­zoom vegetatie tegen 2020.  eindbeheer:  ○ gefaseerd beheer schraal hellinggrasland.   ○ gefaseerd braambeheer. 

3.2.9.

Kastanjebos

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Bos gelegen middenin weide en akkergebied, in de buurt van een wandelwegje.     ➔ beschrijving gebied​ :  Droog bos gedomineerd door tamme kastanje.     ➔ beheer in functie van ontwikkeling zuur en droog eiken­berkenbos met brede bosranden:    Dit is momenteel nog niet mogelijk.  Het bosje is momenteel te klein om interne bosranden aan te  leggen. Bij aankoop naastliggende gebieden wordt beheer wel mogelijk.    ◆ streefdoel​ :   ­ Uitbreiding bestaand bos met randgebieden zodat een brede bosrand kan  ontwikkeld worden.     ◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  vliegend hert, baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ­ andere:​  bosuil, eikenpage.     ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ aanplant zomereik i.f.v. eikenpage.  ­ behoud van oude en dode bomen met holtes i.f.v. bosuil.  ­ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  56 


­

zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer graslanden  en bloemenweides i.f.v. baardvleermuis, gewone dwergvleermuis en  grootoorvleermuis.  ◆ beheermaatregelen voor habitats:  ­ spontane evolutie bos, geleidelijke omvorming naar bos met meer boomsoorten.     ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ Momenteel geen inrichtingsbeheer gepland.  ● overgangsbeheer:  ○ aanplant zomereik tegen 2020.  ○ spontane evolutie bos tegen 2025.  ○ zorgen voor een hoge insectenrijkdom als voedselaanbod door beheer  graslanden en bloemenweides tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ behoud van oude en dode bomen.  ○ behoud van bomen met holten zoals naar boven uitgerotte spechtenholten en  andere rottingsholten.   

3.2.10.

Wasplatenweide

©2016 Google 

➔ locatie​ : Net naast Ninoofsesteenweg, op het hoogste punt van de bocht.     ➔ beschrijving gebied​ :   Klein  (ca.  30are)  graslandje  met  zeer  interessante  mycoflora,  waaronder  maar  liefst  9  soorten  wasplaten  en  7  soorten  knotszwammen,  koraalzwammen  en  aardtongen.  Ook  de  Echte  guldenroede  (​ Solidago  virgaurea​ ) is vermeldenswaard. Vanaf  het najaar van 2012 kwam het  graslandje in beheer bij  natuurpunt  en  werd  het   voor  de  eerste  keer degelijk gemaaid  en afgevoerd. Er wordt dus verwacht dat  er nog bijzondere soorten te ontdekken zijn.     ➔ beheer in functie van graslandpaddenstoelen:    ◆ streefdoel​ :  ­ instandhoudingsbeheer van schraal grasland, ontwikkeling van houtkant aan  noordzijde.   57 


◆ mogelijke doelsoorten​ :   ­ Natura 2000 soorten:​  geen.  ­ andere:​  gele wasplaat, weidewasplaat, kabouterwasplaat, grauwe wasplaat,  ereprijszandbij, fluitenkruidbij. Verder ook bruin blauwtje, zwartsprietdikkopje,  kaasjeskruiddikkopje, sleedoornpage, iepenpage.    ◆ beheermaatregelen voor doelsoorten​ :   ­ aanplant van een houtkant met o.a. iep en sleedoorn i.f.v. sleedoornpage en  iepenpage.    ◆ beheermaatregelen voor habitats:   ­ gefaseerd maaibeheer.    ◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inrichtingsbeheer voltooid.  ● overgangsbeheer:  ○ verdere aanplant van een  houtkant in 2016.  ● eindbeheer:  ○ gefaseerd maaibeheer.     

3.3.

Den Dael  

©2016 Google 

➔ locatie​ :   Den Dael bestaat uit een kleine vallei ten zuidwesten van de Kesterheide.     ➔ beschrijving gebied​ :  Het  gebied  ligt   in  een  uitgestrekt  landbouwgebied  maar  de  vallei  zelf  is ecologisch  zeer waardevol. Ze  wordt  gekenmerkt  door een nat moerasbos en is aan één kant geflankeerd wordt door soms zeer steile  hellingweides.  Veel  bijzondere  soorten  zijn  er  tot  nu   toe  niet  gemeld, maar dat ligt veeleer aan de zeer   geringe  zoekinspanning  dan  aan  de  aard  van  het  gebied.  Toch  vermeldenswaard  zijn  rapunzelkolkje  en  kleine  vuurvlinder,  beiden  uit  een  zeer  steile  hellingweide  met  andere  plantensoorten  zoals  zwartwordende  wasplaat,  gewone margriet, muizenoortje en knoopkruid. Aangezien het gebied te klein  58 


is om  er  aan  effectief  beheer  te doen, bestaat het “beheer” erin nieuwe percelen aan te kopen zodat er  een groter aaneengesloten gebied ontstaat.     ➔ beheer in functie van aankoop nieuwe percelen:   

◆ streefdoel​ :   ­ uitbreiding van het huidig perceel.   

◆ mogelijke doelsoorten​ :  ­ Natura 2000 soorten:​  zeggenkorfslak.  ­ andere:​  in visiegebied, niet in beheer of eigendom: eikenpage, rapunzelkolkje,  zwartwordende wasplaat, gewone margriet, muizenoortje, knoopkruid en eikelmuis.   

◆ beheermaatregelen voor doelsoorten:  ­ inventarisatie eikelmuis, bevestigen waarneming.  ­ aanplant houtkanten, creëren open plekken in bos i.f.v. eikelmuis.   

◆ beheermaatregelen voor habitats​ :   ­ aankoop nieuwe percelen in de directe nabijheid van huidig perceel.   

◆ beheertype en timing​ :    ● inrichtingsbeheer:  ○ inventarisatie eikelmuis: 2016 ­ 2018.  ○ aankoop eventuele nieuwe percelen tegen 2025­2030.  ● overgangsbeheer:  ○ aanplant houtkanten, creëren open plekken in bos tegen 2020.  ● eindbeheer:  ○ Momenteel nog geen eindbeheer gepland.   

4.

Bronnen

● ● ● ● ●

● ● ● ● ● ● ● ● ●

Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen, 2012, Bodemkaart.  Agentschap voor Geografische Informatie Vlaanderen, 2012, BWK­kaarten.  Brichau,  I.,  Ameeuw,  G.,  Gryseels,  M., Paelinckx, D., 2000, Biologische waarderingskaart,  versie 2,  Instituut voor Natuurbehoud en Brussels Instituut voor Milieubeheer.  Deboelpaep,  E.,  Professor  Koedam,  N.  (2012).   Natuurbeheer  ­  2012.  De  Kesterheide,  Pajotse  Parel & Vlaanderens Mooiste.  Decleer,  K.  (red.)  (2007).  Europees  beschermde  natuur  in  Vlaanderen  en  het Belgisch deel van de  Noordzee.  Habitattypen  |  Dier  ­  en  plantensoorten.  Mededelingen  van   het  Instituut  voor  Bos  ­  en  Natuuronderzoek INBO.M.2007.01, Brussel, 584 p.   Heemkundige Kring Gooik (2011). Op de sofa van de Kesterheide, Heemkundige Kring Gooik.  Maes,  D.,  Vanreusel,  W.  &  Vandyck,  H.  (2013).  Dagvlinders  in  Vlaanderen:  nieuwe  kennis  voor  betere actie. Tielt: uitgeverij Lannoo nv.  Nationaal Geografisch Instituut, 2012, Topomapviewer.  Wynhoff,  I.,  van  Swaay,  C.,  Veling,  K.,  Vliegenthart,  A.  (2009).  De   nieuwe  veldgids  dagvlinders,  KNNV, Zeist, 328 p.  Waarnemingen.be:​  ​ www.waarnemingen.be  www.natuurenbos.be  www.natura2000.be   www.natura2000.vlaanderen.be   www.vlinderwerkgroepthecla.be   59 

Aanzet beheerplan Kesterheide (5 april 2016)  
Aanzet beheerplan Kesterheide (5 april 2016)  
Advertisement