Page 1

DOSSIER

JUSTITIE VOOR DE 21ste EEUW De visie van de N-VA


“

Ik zie dikwijls dezelfde personen voor mijn rechtbank verschijnen, voor steeds hetzelfde misdrijf. De straffen die ik opleg, worden vaak te laat en soms zelfs niet uitgevoerd.

2

�

- Veerle (rechter)


Inhoudstafel Voorwoord5

DEEL I.

Justitie in een notendop 1. 2. 3. 4.

DEEL II.

Het kluwen van rechtsregels Wie doet wat binnen Justitie? Organisatie van de rechtbanken Justitie in cijfers

7 7 8 10 14

De knelpunten van Justitie

19

1. 2. 3. 4.

19 24 32 34

Straffeloosheid door gebrek aan visie Justitie is een bedrijf in slechte papieren Hervorming: een aangekondigde teleurstelling Nood aan tabula rasa: een Vlaamse Justitie

DEEL III. Een tienpuntenplan voor Justitie 1. Snelle en rechtvaardige bestraffing op maat 2. Straffen meteen uitvoeren 3. Een gevangenisbeleid met visie 4. Begeleiding en re-integratie: de recidivemonitor 5. Het slachtoffer verdient een plaats 6. Hervorm Justitie: de eenheidsrechtbank 7. Werklastmeting en modern management 8. Informatisering: Justitie voor de 21ste eeuw 9. Hervorm de tweedelijnsbijstand (pro Deo) 10. Tijd voor moderne wetgeving en procedures

37 37 39 41 44 47 49 52 54 55 56

Uitdagingen58

3


Š Anne Deknock

4

Kristien Van Vaerenbergh federaal volksvertegenwoordiger en voorzitter van de Kamercommissie Justitie


Voorwoord.

Justitie voor de 21ste eeuw Een moderne en goedwerkende Justitie. Alleen dát kan het vertrouwen in Justitie herstellen. Want achterblijvende informatisering, overvolle gevangenissen, niet-uitgevoerde straffen, gerechtelijke achterstand, te ingewikkelde procedures en een onaangepaste gerechtelijke organisatie smoren elke kiem van hoop op een vlotte rechtsgang. Al een halve eeuw lang lopen de pogingen om Justitie te hervormen vast. Professor Bekaert werkte twaalf jaar lang (19621974) aan een herziening van het Wetboek van Strafvordering, maar dat draaide op niets uit. In 1998, na de ontsnapping van Marc Dutroux, kwam er een politiehervorming, maar in Justitie kwam er geen omwenteling. Dit zijn slechts twee voorbeelden van de talrijke gemiste kansen. De jongste hervormingspoging van minister van Justitie Annemie Turtelboom (Open Vld) is evenzeer een gemiste kans. Straffen blijven onuitgevoerd, gevangenissen blijven overvol, de gerechtelijke achterstand blijft groeien. Justitie is nog altijd een bedrijf in nood. België is een federaal land. In de meeste federale staten is Justitie minstens gedeeltelijk een bevoegdheid van de deelstaten. Maar niet in dit land. De zesde staatshervorming zal daar niets aan veranderen. Nochtans zouden we met een Vlaamse Justitie specifieke accenten kunnen leggen om criminaliteit en te lange procedures aan te pakken. Een belangrijke stap om het vertrouwen in Justitie te herstellen.

Om tot een performante en eigentijdse Justitie te komen, moeten rechters dankzij moderne computers, informatiesystemen en databanken beter en efficiënter recht­ spreken. Dat is hun kerntaak. Straffen moeten sneller worden uitgevoerd, ook in het belang van de re-integratie in de maatschappij. Met een werklastmeting weten we precies waar gerechtelijke achterstand wordt veroorzaakt en kunnen we die aanpakken. Dit is slechts een greep uit onze ideeën voor een moderne en goedwerkende Justitie. In deze brochure vindt u onze visie voor een Justitie die is aangepast aan haar tijd. U mag van deze brochure veel verwachten, maar ze pretendeert niet volledig te zijn. Want het beleidsdomein Justitie is enorm uitgebreid. Het kent veel facetten en uitdagingen en die kunnen hier niet allemaal aan bod komen. Daarom ligt de klemtoon hier op strafrecht en de gerechtelijke organisatie. De voornaamste problemen komen aan bod. En we stellen tot besluit een plan in tien punten voor. Daarmee willen we Justitie - eindelijk - op orde krijgen, klaar voor de 21ste eeuw. Kristien Van Vaerenbergh Volksvertegenwoordiger

5


“

De inbreker die ik onlangs op heterdaad betrapte, zal niet worden vervolgd. Het parket heeft het dossier geseponeerd omdat de rechtbank de hoeveelheid dossiers niet meer aankan.

6

�

- Eric (politie-inspecteur)


DEEL I. Justitie in een notendop Justitie kent een veelheid aan regels en procedures. Voor wie er niet dagelijks mee bezig is, is de organisatie van Justitie weinig begrijpelijk en transparant. Daarom legt dit eerste deel de werking van de Belgische Justitie kort en eenvoudig uit.

1. Het kluwen van rechtsregels De spelregels van Justitie liggen vast in de Grondwet en ➜➜ in vele wetten. Waar mensen samenleven, zijn nu eenmaal regels nodig. Aan de hand van rechtsregels bepaalt de overheid wat de burger wel of niet mag doen, hoe hij goederen kan verkopen of verhuren, hoe hij kan erven, enzovoort. Al deze regels zijn gebundeld in verschillende ‘rechtstakken’.

Gerechtelijk recht Het gerechtelijk recht bepaalt de regels voor het verloop van een proces voor de burgerlijke rechter, de organisatie van de hoven en rechtbanken en het statuut van magistraten en gerechtspersoneel. Deze regels zijn voornamelijk in het Gerechtelijk Wetboek te vinden.

Dit zijn de belangrijkste rechtstakken:

Handelsrecht Het handelsrecht regelt de relaties tussen handelaren, die vaak hun eigen procedures hebben. Om het handelsverkeer vlot te laten verlopen, zijn de bewijsregels tussen handelaars bijvoorbeeld soepeler dan onder het burgerlijk recht. Dit recht vind je vooral in het Wetboek van Koophandel.

➜➜

➜➜

➜➜

Burgerlijk recht Het burgerlijk recht regelt de relaties tussen burgers in het dagelijkse leven: • hoe personen van elkaar kunnen erven (het erfrecht), • op welke manier ze met elkaar contracten kunnen afsluiten (contractenrecht), ➜➜ • onder welke voorwaarden ze aansprakelijk zijn voor schade (aansprakelijkheidsrecht), • wat ze met hun goederen kunnen doen (het vermogensrecht), • hoe personen kunnen trouwen, samenwonen, scheiden, kinderen adopteren, … (het personenen familierecht). Dit recht vind je vooral in het Burgerlijk Wetboek. ➜➜ Strafrecht en strafprocesrecht Dit is de rechtstak die het meeste media-aandacht krijgt. Het strafrecht bepaalt wat een misdrijf is en welke straf erop staat. Deze regels vind je vooral terug in het Strafwetboek. Daarnaast zijn er de regels voor het strafproces: van het ogenblik dat iemand een misdrijf pleegt, over het gerechtelijk onderzoek, en tot de dag dat de rechter een straf uitspreekt. Deze regels vind je vooral in het Wetboek van Strafvordering.

Sociaal recht Het sociaal recht bestaat uit het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht. Het arbeidsrecht regelt de verhouding tussen werkgevers en werknemers. Het socialezekerheidsrecht bepaalt onder andere de regels over het vervangingsinkomen, verzorging bij ziekte of een arbeidsongeval, maar ook het pensioen. Administratief recht Een burger staat soms tegenover een machtige overheid. Zodra de overheid een eenzijdige beslissing neemt en oplegt aan haar burgers, gelden er bijzondere regels. Dit is het administratief recht. Geschillen tussen een burger en zijn overheid komen voor administratieve rechtbanken. De bekendste hiervan is de Raad van State.

7


2. Wie doet wat binnen Justitie1? RECHTERLIJKE MACHT

UITVOERENDE MACHT

Rechters De rechters zetelen in rechtbanken en spreken vonnissen uit. In de hogere rechtscolleges, zoals het hof van beroep, heten de rechters ‘raadsheren’ en worden de uitspraken ‘arresten’ genoemd. Heel belangrijk voor de rechters is dat zij in alle onafhankelijkheid uitspraken kunnen doen. Beïnvloeding (door de partijen of door de politiek) is dan ook uit den boze. Daarom worden rechters voor het leven benoemd, zodat politici hen niet kunnen afzetten wanneer een vonnis of arrest hen niet zou aanstaan. Enkele bijzondere rechters: • Een onderzoeksrechter spreekt geen oordeel uit over de zaak maar moet de waarheid achter­halen. Hij of zij voert een onderzoek zowel in het voordeel als in het nadeel van de verdachten (‘ten laste en ten ontlaste’). De onderzoeksrechter wordt meestal aangesteld wanneer ingrijpende maatregelen nodig zijn, zoals bijvoorbeeld een voorlopige hechtenis, een huiszoeking of het afluisteren van een telefoon. • De jeugdrechter is gespecialiseerd om met kinderen en jongeren om te gaan, zowel wanneer ze zich in een problematische opvoedings­ situatie bevinden als wanneer ze criminele feiten plegen. Gerechtspersoneel Heel veel mensen werken achter de schermen van Justitie. Zo worden de rechters en het OM in hun werk bijgestaan door griffiers, die de administratie rond een zaak verzorgen. Referen­darissen bereiden het werk van de rechters inhoudelijk voor. En het juridische voorbereidingswerk bij het OM gebeurt dan weer door parketjuristen.

1

Minister van Justitie en de FOD Justitie De Federale Overheidsdienst Justitie (FOD Justitie) is de uitvoerende arm van Justitie. Aan het hoofd staat de minister van Justitie, die het algemene beleid uittekent. De ambtenaren van de FOD Justitie staan in voor de dagelijkse werking van Justitie. De minister van Justitie heeft ook een ‘positief injunctierecht’. Dat betekent dat hij of zij aan het OM de opdracht kan geven om bepaalde personen te vervolgen. Andersom kan niet: de minister kan het OM niet verbieden iemand te vervolgen. Openbaar ministerie (OM) Het OM, ook wel ‘Parket’ genoemd, Gevangenissen staat in voor de opsporing en vervolging De gevangenissen zijn zonder van misdrijven. Het parket wordt geleid twijfel het bekendste onderdeel door een procureur des Konings en in van de FOD. Er zijn in België hoger beroep door een procureur33 gevangenissen en meer dan generaal. Daarnaast is er een federaal parket onder leiding van een federaal 11 000 gevangenen. procureur. Het federaal parket gaat de strijd aan met criminelen die mis­drijven plegen over een groter gebied. Denk maar aan mensenhandel, terrorisme, witwaspraktijken en dergelijke meer. De procureurs-generaal zijn verenigd in het College van procureursgeneraal. Dat adviseert de minister van Justitie en zorgt ervoor dat de parketten goed werk leveren en samen­werken. Het OM heeft een dubbel petje: het behoort zowel tot de rechterlijke macht (om in alle onafhankelijkheid te kunnen vervolgen) als tot de uitvoerende macht (om straffen te doen uitvoeren). Steeds vaker speelt het OM een coördinerende rol bij de strafuitvoering.

Justitiehuizen De justitiehuizen werden in de nasleep van de Dutroux-affaire opgericht met de bedoeling het justitiebeleid klantvriendelijker te maken. Vandaag zijn er 28 justitiehuizen, één per gerechtelijk arrondissement en twee in Brussel. De justitiehuizen staan vooral in voor strafrechtelijke opdrachten, zoals de opvolging van het elektronisch toezicht en de werkstraffen. Daarnaast begeleiden zij de veroordeelden die voorwaardelijk vrijkomen.

Binnen Justitie zijn verschillende spelers actief, met elk hun eigen taak. Op basis van het principe van de scheiding der machten mag de ene niet op het

terrein van de andere komen. Zo mag de minister van Justitie zich bijvoorbeeld niet bemoeien met de uitspraak van een rechter.

8


© Isopix

UITVOERENDE MACHT (vervolg)

De justitiehuizen vangen slachtoffers op en staan hen bij tijdens de gerechtelijke procedure. In burgerlijke zaken treden justitiehuizen ook op, bijvoorbeeld om de familiale situatie te onderzoeken bij vragen over ouderlijk gezag of het recht op persoonlijk contact met het kind. Tot slot organiseren de justitiehuizen de eerstelijnsbijstand, waardoor mensen juridische vragen kunnen stellen aan een advocaat.

WETGEVENDE MACHT

Parlement Ook het parlement is een belangrijke speler binnen Justitie. De verschillende parlementen in dit land keuren immers de wetten goed die iedereen moet naleven en die rechters moeten toepassen. De belangrijkste regels over de organisatie van Justitie liggen vast in federale wetten. Het parlement moet daarom tussenkomen wanneer die worden aangepast. De aanpassing van wetten is soms een politiek spel, waardoor dit proces moeizaam en traag verloopt. Tot slot controleert het parlement de minister van Justitie opdat die zijn of haar taak naar behoren vervult.

Gerechtelijke politie Hoewel de politie geen deel uitmaakt van de FOD Justitie, is zij onmisbaar voor de werking van Justitie. De (lokale of federale) politie is vaak de eerste schakel waarmee mensen in contact komen bij een misdrijf of na een verkeersongeval. De federale gerechtelijke politie doet het onderzoek in opdracht van het OM of een onderzoeksrechter en valt wel onder het gezag van de minister van Justitie. De gerechtelijke politie doet huiszoekingen, verhoort verdachten, getuigen of slachtoffers, of arresteert een verdachte.

Enkele andere belangrijke spelers

• •

Advocaten zijn wellicht de meest bekende beroepsgroep binnen Justitie. Advocaten verdedigen de belangen van hun cliënten in alle soorten van juridische kwesties. Er zijn strafpleiters, advocaten gespecialiseerd in echtscheidingen, verzekerings­ zaken, bouwzaken, enzovoort. Notarissen zijn belangrijke schakels in het burgerlijk recht. Zij staan in voor het opmaken van aktes, bijvoorbeeld bij de verkoop van een huis, de opmaak van een huwelijkscontract of een testament. Zij moeten de partijen onpartijdig informeren. Gerechtsdeurwaarders kunnen mensen oproepen voor een rechtbank (de zogenaamde dagvaarding) en gerechtelijke uitspraken uitvoeren, bijvoorbeeld door beslag op goederen of door uitzetting. Men kan een gerechtsdeurwaarder ook vaststellingen laten doen in een proces-verbaal om het als bewijs te gebruiken.

9


3. Organisatie van de rechtbanken 3.1 Soorten rechtscolleges

Het Hof van Cassatie is het hoogste rechtscollege. Het spreekt zich niet uit over de grond van de zaak (met andere woorden, of de feiten al dan niet bewezen zijn) maar oordeelt daarentegen of de zogenaamde ‘feitenrechters’ de wet correct interpreteren en toepassen. Indien het Hof van oordeel is dat dit niet zo is, dan verbreekt het de uitspraak. Een andere rechter moet dan opnieuw over de feiten oordelen.

Hof van Cassatie

Hof van beroep

Rechtbank van eerste aanleg

Politierechtbank

De politierechter behandelt alle verkeers­misdrijven en de kleinere misdrijven (de zo­ genaamde overtredingen).

10

Arbeidshof

Arbeidsrechtbank

Hof van assisen

Handelsrechtbank

Vredegerecht

De vrederechter staat het dichtst bij de bevolking. Hij of zij is bevoegd voor problemen in het gezinsleven, tussen buren en over huizen. De vrederechter probeert steeds een oplossing op mensenmaat voor te stellen, in overleg met alle partijen.


© Isopix

Hof van beroep: Iedere persoon heeft recht op hoger beroep indien hij/zij niet akkoord gaat met de eerste beslissing. In dat geval zal een hogere rechter de zaak opnieuw onderzoeken en een nieuw oordeel vellen. Dat nieuwe oordeel kan de beslissing van de lagere rechter wijzigen of bevestigen. Het hof van beroep (onderverdeeld in gespecialiseerde kamers) herbekijkt de beslissingen die werden genomen door de rechtbank van eerste aanleg en de rechtbank van koop­handel.

Bij het arbeidshof kan beroep worden aangetekend tegen beslissingen van de arbeids­ rechtbank.

De rechtbank van eerste aanleg behandelt alle zaken die niet aan een andere rechtbank worden toegekend. De rechtbank is onderverdeeld in verschillende ‘kamers’ die gespecialiseerd zijn in een bepaalde rechtstak: de burgerlijke kamer (burgerlijk recht), de correctionele kamer (strafrecht), de jeugdkamer (gericht op min-18-jarigen), enzovoort. De rechtbank van eerste aanleg is de beroepsrechter voor beslissingen genomen door de vrederechter en de politierechtbank.

Betwistingen over een arbeidsovereenkomst, stakingen, collectieve schulden­regeling, betwisting over de sociale zekerheid, … worden beslecht in de arbeidsrechtbank.

Hof van assisen: Als er sprake is van zware misdrijven dan is het de volksjury die een uitspraak doet. Vaak leidt dat tot spraakmakende processen met dramatische pleidooien en veel persaandacht.

Omdat handelaren hun eigen gebruiken en gewoontes hebben, worden geschillen tussen handelaren beslecht door de rechtbank van koophandel.

11


3.2 Gerechtelijk landschap

Antwerpen Brussel-Halle-Vilvoorde Brugge Veurne

Mechelen

Dendermonde Turnhout Gent Hasselt Tongeren Leuven

Ieper Kortrijk

Luik Verviers Hoei Eupen

Doornik Oudenaarde

Marche

Bergen Charleroi

Neufch창teau

Aarlen

Nijvel

Namen

Kaart 1: Gerechtelijke arrondissementen

Dinant

Gent Antwerpen Brussel

Bergen

Kaart 2: Rechtsgebieden of ressorten 12

Luik


© Dreamstime

Rechtbanken en hoven zijn elk bevoegd binnen een bepaald gebied: •

Er zijn 187 gerechtelijke kantons die vaak bestaan uit enkele gemeenten. Omdat men de vrederechter dicht bij de burger wil hebben, heeft ieder gerechtelijk kanton zijn eigen vredegerecht.

De rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koop­handel zijn georganiseerd op het niveau van de 27 gerechtelijke arrondissementen (zie kaart 1). Enkele arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel zijn nog verder onderverdeeld in aparte afdelingen (bijvoorbeeld de afdeling Aalst, die onder gerechtelijk arrondissement Dendermonde valt).

Voor Brussel-Halle-Vilvoorde is een speciale regeling uitgewerkt. Officieel is het nog steeds één gerechtelijk arrondissement, met andere woorden niet gesplitst. Wel is er een ontdubbeling van de rechtbanken in Nederlandstalige en Franstalige recht­ banken. Daarnaast zijn er twee parketten: een parket Brussel en een parket HalleVilvoorde. Onder druk van de Franstalige politieke partijen en met steun van CD&V, Open Vld, sp.a en Groen komen er in het Nederlandstalige parket Halle-Vilvoorde Franstalige magistraten bij. Van een echte splitsing is dus geen sprake, van een aantasting van de taalevenwichten wel.

Er zijn in totaal 34 politierechtbanken: minstens één per gerechtelijk arrondissement.

Er is één hof van assisen per provincie.

Er zijn vijf rechtsgebieden (zie kaart 2), ook wel ressorten genoemd, met elk één hof van beroep en een arbeidshof. Ook de arbeidshoven zijn onderverdeeld in afdelingen.

Het Hof van Cassatie ten slotte, dat in Brussel zetelt, is bevoegd voor heel België.

13


4. Justitie in cijfers

Cijfers, cijfers, cijfers Justitie is een grote organisatie. De cijfers bewijzen het. Om alles in goede banen te leiden, zijn betrouwbare cijfers noodzakelijk. Maar die gegevens durven al eens te ontbreken binnen Justitie, want niet alle diensten houden cijfers bij. De cijfers die er wel zijn, blijken soms onvolledig of moeilijk te vergelijken. Verschillende diensten hebben hun eigen methodes of willen hun cijfers simpelweg niet delen. Eind december 2011 klaagde het Rekenhof2 dit gebrek aan cijfermateriaal aan. Ook de Europese Commissie3 tikte België recent op de vingers. De Europese Commissie houdt een ‘scorebord’ bij met een vergelijking van Justitie in de verschillende lidstaten. Maar in haar eerste rapport staat bij België keer op keer de vermelding ‘geen cijfers’. Goed beleid is maar mogelijk als men over correct cijfermateriaal beschikt.

20,78% (147 539)

18,76% (133 197)

Luik Gent

15,63% (110 973)

21,71% (154 153)

Brussel Bergen Antwerpen

23,12% (164 149)

Figuur 1: Aantal correctionele zaken per jaar (cijfers van het College van procureurs-generaal 2011)

2

“Maatregelen tegen de overbevolking in de gevangenissen”, Verslag van het Rekenhof aan de Kamer van Volksvertegenwoor-

digers, Brussel, december 2011. 3

“The EU Justice Scoreboard”, Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European

Central Bank, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions, COM(2013)160 final.

14


Š Nationale Beeldbank

15,86% (251 381)

21,48% (340 429)

Luik Gent Brussel

9,67% (153 333)

24,88% (394 385)

Bergen Antwerpen

28,11% (445 628)

Figuur 2: Aantal politiezaken per jaar (cijfers van het College van procureurs-generaal 2011)

Diefstal, afpersing en bedrog Moord, doodslag en onopzettelijke doding Slagen en verwondingen

21,31% (114 013)

2,86% (2 0 901) 3,47% (25 390)

Aanranding, verkrachting, ontucht en seksuele uitbuiting Familiale sfeer Drugs en doping

12,95% (94 698)

4,83% (35 340)

Openbare veiligheid 5,19 % (3 7 95 2)

1,29% (9 417) 1,02% (7 430)

37,22% (272 063)

Volksgezondheid 10,80% (78 967) 1,71% (12 491)

Economische zaken 0,18% (1 349)

FinanciĂŤle aangelegenheden Milieu en stedenbouw Andere

Figuur 3: Aantal correctionele zaken per soort misdrijf (cijfers van het College van procureurs-generaal 2011)

15


2,17%

Naar rechtbank

30,5%

Andere afhandeling (minnelijke schikking, bemiddeling) 67,33%

Zonder gevolg (redenen: zie figuur 5)

Figuur 4: Beslissingen door parket (cijfers College van procureurs-generaal 2011)

3,68% 32,11%

32,11% 31,75%

Opportuniteitsredenen (toestand is geregulariseerd, blanco strafblad, beperkte maatschappelijke weerslag, ‌) Geen misdrijf Onvoldoende bewijzen

13,31% 14,23%

Dader(s) onbekend Administratieve geldboete Andere

Figuur 5: Beslissing tot seponering door parket (cijfers van het College van procureurs-generaal 2011)

2,84%

7,70% 5,49%

Veroordeling Vrijspraak Opschorting Andere 83,97%

16

Figuur 6: Vonnissen door de correctionele rechtbank na gerechtelijk onderzoek (cijfers van het College van procureurs-generaal 2007-2011)


© Imagedesk-Lieven Van Assche

Voorlopige hechtenis

Veroordeelden

Geïnterneerden en anderen

Totaal

Aantal plaatsen

Vlaanderen

1 800

3 250

798

5 848

4 618

Wallonië

1 178

2 812

349

4 339

3 304

Brussel

790

667

126

1 583

907

Totaal*

3 768

6 729

1 166

11 770

8 829

*in 33 gevangenissen die gemiddeld liefst 108 jaar oud zijn

Figuur 7: Overbevolking gevangenissen (cijfers van de FOD Justitie februari 2013)

2000 1800 1600

in miljoen euro

1400 1200 1000 800 600 400 200

20 04

20 06

20 07

20 08

20 09

20 10

20 11

20 03

1106,0

1134,4

1186,3

1274,9 1377,8

1460,6

1534,8

1610,5

1720,0

1738,2

Rechterlijke macht

613,8

635,4

664,1

692,6

777,6

823,6

806,6

847,8

900,1

913,9

941,5

Penitentiaire inrichtingen

282,4

295,5

323,4

373,8

375,7

392,3

408,8

432,9

462,9

462,9

511,4

Totaal

20 05

20 02

20 01

0

1810,7

Figuur 8: Totaal budget (cijfers van de FOD Justitie 2011)

Rechters Parketmagistraten Griffiers Secretarissen Administratief personeel Totaal

1 606 836 1 755 766 5 854 10 817

Figuur 9: Magistraten en personeel hoven en rechtbanken (cijfers van de FOD Justitie 2011) 17


Vaak moet ik veroordeelden die zich aanmelden naar huis sturen wegens plaatsgebrek. Er zijn cellen voor twee personen waar ze nu al met z’n vieren zitten.

18

- Stefaan (gevangenisdirecteur)


DEEL II. De knelpunten van Justitie 1. Straffeloosheid door een gebrek aan visie Justitie kampt vandaag met een vertrouwenscrisis. Daders van misdrijven worden vaak pas na vele jaren bestraft, gevangenisstraffen van minder dan drie jaar worden heel laat of zelfs niet uitgevoerd, de gevangenissen zijn te klein, verouderd en niet aangepast aan een modern strafbeleid. Bovendien zijn er te weinig straffen op maat en worden alternatieve straffen onvoldoende benut. En er zijn te weinig middelen om criminelen te begeleiden en om zo te vermijden dat ze na hun vrijlating nieuwe feiten plegen. Een totaalvisie op ons strafbeleid ontbreekt. Wat verwachten we van een gevangenisstraf? Hoe willen we dat een veroordeelde de gevangenis verlaat? Welke straf is het best geschikt in welke situatie? Dat zijn cruciale vragen voor een goed beleid. Opeenvolgende ministers kondigen hun eigen projecten aan, zonder na te gaan wat werkt en resultaten oplevert. De laatste grote studie over het strafbeleid dateert van 1983. Dit gebrek aan totaalvisie vertaalt zich ook op het terrein: de verschillende actoren van Justitie werken te vaak naast mekaar. 1.1 Trage bestraffing In Noorwegen werd Anders Breivik - de man die in 2011 bomaanslagen pleegde in Oslo en massamoorden beging op het eiland Utoya - een jaar na de feiten veroordeeld. In Nederland werd de moordenaar van regisseur Theo Van Gogh binnen een half jaar na de feiten veroordeeld. In BelgiĂŤ duurde het vier jaar alvorens Kim De Gelder voor het hof van assisen kwam. Marc Dutroux werd pas na acht jaar veroordeeld. Gerechtelijke onderzoeken duren in BelgiĂŤ gemiddeld 17 maanden voor ze aan de strafrechter worden voorgelegd. Ook voor kleinere feiten is de aanpak problematisch: in de grootsteden komt een winkeldief dikwijls pas na de derde diefstal voor de rechter. Minderjarige criminelen ontspringen vaak zelfs helemaal de dans. De Belgische Justitie lijdt gezichtsverlies, het vertrouwen is aangetast. Vooral de slachtoffers zijn daar de dupe van. Niet het minst omdat zij moeten wachten op een uitspraak en een schadevergoeding. Ook de actoren van Justitie worden moedeloos door deze traagheid.

19


Vijf à zes jaar geleden heeft toenmalig justitieminister Marc Verwilghen de bouw van een nieuwe gevangenis in Dendermonde aangekondigd. Het project daarvoor is echter telkens opnieuw uitgesteld, en intussen heeft men nagelaten de nodige investeringen te doen om de gevangenis te doen beantwoorden aan de moderne vereisten inzake veiligheid.

Tony Van Parys, toenmalig CD&V-Kamerlid en Justitiespecialist, Het Nieuwsblad, 19/08/2006

Het spook van de verjaring Verjaring van een misdrijf betekent dat iemand na verloop van tijd niet meer veroordeeld kan worden. Na verloop van tijd wordt het moeilijk om de feiten nog te bewijzen. Bovendien geeft verjaring de zekerheid dat men geen vervolging meer moet vrezen. Of het nu gaat over een diefstal, belastingontduiking of het negeren van een rood licht. Door de gerechtelijke achterstand dreigen veel zaken te verjaren, vooral zaken die te maken hebben met belastingfraude. Heel wat daders dreigen daardoor de dans te ontspringen. Het meest sprekende geval is de zaak van de Bende van Nijvel, die in 2015 onherroepelijk zal verjaren. Daphné Dumery, federaal volksvertegenwoordiger

De verjaringstermijnen verlengen of afschaffen is geen oplossing. Dat zou de problemen enkel onder de mat vegen. De achterstand zal er niet door afnemen. Kortom, we hebben er alle belang bij om de problemen van de gerechtelijke achterstand zeer grondig aan te pakken.

1.2 Gebrekkige strafuitvoering Straffen onder drie jaar worden niet goed uitgevoerd door plaatsgebrek in de gevangenis en door onvoldoende degelijke alternatieven. En dit terwijl de misdrijven waarop korte straffen staan (woningdiefstal, auto-inbraak, druggebruik, …) net die feiten zijn die de burger het vaakst treffen en die de onveiligheid vergroten. Als deze straffen al worden uitgevoerd, dan is dat dikwijls pas jaren na de feiten. Ook het alternatieve systeem van het elektronische toezicht weegt te licht. Het is de minister van Justitie die zelf beslist om gevangenisstraffen tot drie jaar om te zetten naar elektronisch toezicht, hoewel de strafrechter een gevangenisstraf had opgelegd. Bovendien reduceert de minister het elektronisch toezicht tot een minimum en ontbreekt gedegen begeleiding en controle. Maar wat is nog het afschrikkende effect van een straf die niet wordt uitgevoerd of die te kort is? Minister van Justitie Annemie Turtelboom maakt haar belofte om komaf te maken met de straffeloosheid alvast niet waar. Hoeveel veroordeelden er zijn met straffen onder drie jaar? “Jammer genoeg hebben wij deze cijfers niet”, liet de minister weten in de commissie Justitie op 27 maart 2013. De beleidsverantwoordelijke die het zou moeten weten, beweert de cijfers niet te hebben of wil ze niet geven … Zo gebrekkig is onze strafuitvoering. Overbevolking en verouderde gevangenissen De gevangenissen tellen vandaag al meer dan 11 000 gedetineerden terwijl er slechts plaats is voor 9 000. In Vorst en Antwerpen bedraagt de overbevolking zelfs 50 procent.

20


© Dreamstime

Het systeem van spraak k: herkenning in de praktijt4 een veroordeelde vertel

Ondertussen voorziet het Masterplan uit 2008 de bouw van nieuwe gevangenissen, maar dat lost de problemen onvoldoende op. Het plan vervangt slechts de oudste gevangenissen (van de 33 gevangenissen dateert de helft van vóór 1900 en zijn er slechts zes gebouwd na 1940). Men creëert dus nauwelijks nieuwe plaatsen. Ondertussen is er al een derde versie van het Masterplan aangekondigd, maar dat is voorlopig nog een lege doos zonder concrete bouwplannen en budgetten. Daders komen te vroeg vrij Wie wel de gevangenis ingaat, komt veel te snel vrij. Al na een derde van zijn of haar straf kan men in aanmerking komen voor de voorwaardelijke invrijheidstelling, in de volksmond gekend als de oude ‘wet-Lejeune’. Zo kon Michelle Martin (de ex-vrouw van Marc Dutroux) al na een derde van haar straf van 30 jaar de vrijlating vragen. Het absurde gevolg is dat rechters zwaardere straffen uitspreken in de hoop dat de dader toch voldoende lang in de cel zou zitten. De recente verandering van het systeem die minister Turtelboom doorvoerde is onlogisch. Voor langgestraften (opsluiting van 30 jaar of meer) werden de regels verstrengd, voor de anderen niet. Iemand die 29 jaar opgesloten wordt, kan dus nog steeds na een derde van zijn straf vrijkomen. Ook de alternatieve straffen zoals het elektronisch toezicht duren niet lang genoeg. Wie een straf tot acht maanden oploopt, moet gemiddeld slechts 31 dagen thuis zijn straf uitzitten, aldus minister Turtelboom. Zelfs wie al het privilege krijgt om thuis zijn straf te mogen uitzitten, moet dus niet de volledige termijn uitvoeren. Een tiende van zijn straf thuis uitzitten, is amper nog een straf te noemen. 1.3 Geen bestraffing op maat Alternatieve straffen worden stiefmoederlijk behandeld. Het elektronische toezicht, de werkstraf of het volgen van een opleiding zijn nuttige straffen, maar hun potentieel wordt niet goed gebruikt. Deze straffen dienen vandaag vooral om de overbevolking in de gevangenissen tegen te gaan. En niet omdat dit de meest geschikte straf zou zijn, die een dader terug op het rechte pad moet krijgen. Bovendien gaan er te weinig middelen naar deze alternatieven.

4

Bron: De Standa ard, 23/

01/ 2013

21


Nieuwe alternatieven worden ondoordacht ingevoerd, zoals het nieuwe systeem van thuisdetentie met spraakherkenning. Dit houdt in dat gevangenen niet langer een enkelband hoeven te dragen, maar dat ze thuis een vaste telefoonoproep moeten kunnen beantwoorden. Het systeem is goedkoop maar het voorziet amper begeleiding en controle van de veroordeelde. Bovendien blijkt dat het in de praktijk niet goed werkt. 1.4 Te veel buitenlandse criminelen in onze gevangenissen 45 procent van de gedetineerden is van vreemde nationaliteit, en de helft daarvan is bovendien illegaal in het land. Opeenvolgende ministers van Justitie en ministers van Buitenlandse Zaken zetten te weinig druk op de landen van oorsprong om hun criminele landgenoten terug te nemen. De recente terugkeer van enkele Marokkaanse gedetineerden wordt voorgesteld als een succes. Nochtans zijn er sinds de afspraken met Marokko in 2007 slechts negen Marokkaanse gedetineerden teruggestuurd, terwijl er nog 1 200 in onze gevangenissen zitten. Bovendien zijn de voorwaarden van die afspraken met Marokko zo strikt dat hoogstens 190 gedetineerden in aanmerking komen om te worden teruggestuurd.

Vreemdelingen in Belgische gevangenissen 45 procent van de gevangenen in Belgische gevangenissen zijn vreemdelingen. In totaal zitten burgers van meer dan 120 landen in onze gevangenissen.

België

11%

Marokko

5%

Algerije

3%

Roemenië Andere

55%

26%

Figuur 10: Vreemdelingen in de gevangenissen (cijfers van de FOD Justitie 2011)

2%

2%

2%

2%

2%

2%

20%

22

20%

Ex-Joegoslavië

Ex-Joegosla

Frankrijk

Frankrijk

Nederland

Nederland

Andere

Andere


© Shutterstock

Geïnterneerden: de vergeetput van Justitie Geïnterneerden zijn personen die na een strafbaar feit ontoerekeningsvatbaar worden verklaard en opgesloten omdat ze een gevaar vormen voor de maatschappij. Soms gaat het over daders die slechts banale misdrijven hebben gepleegd, maar soms gaat het ook om gevaarlijke psychopaten die heel wat op hun kerfstok hebben. Pas wanneer hun toestand verbetert na behandeling (die niet altijd mogelijk is), kunnen ze worden vrijgelaten of onder begeleiding gaan wonen. Een vijfde van de geïnterneerden - in absolute cijfers zijn er dat ruim tweehonderd - wordt zo al meer dan vijftien jaar opgesloten. Vandaag zitten er in België meer dan 1 100 geïnterneerden in de gevangenis. Zij horen daar niet thuis, want in onze oude gevangenissen bestaat weinig aangepaste hulp. Geïnterneerden zijn in de eerste plaats geesteszieken die verzorging nodig hebben. Het gebrek hieraan leidt tot schrijnende toestanden, waarvoor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens België keer op keer veroordeelt.

lementslid Helga Stevens, Vlaams Par ator sen aps sch een en Gem

De bouw van twee nieuwe forensisch psychiatrische centra voor geïnterneerden, in Antwerpen en in Gent, is een stap vooruit. Toch blijft het afwachten of men deze instellingen met voldoende middelen en personeel omkadert. Zo niet worden het slechts veredelde gevangenissen in de plaats van beveiligde ziekenhuizen. Met een capaciteit van 450 plaatsen weten we bovendien nu al dat er plaatsgebrek zal zijn.

1.5 Geen recidive-aanpak: begeleiding en re-integratie zijn onderontwikkeld Bijkomende gevangeniscellen zijn broodnodig, daarover bestaat geen twijfel. Maar een strafbeleid dat zich enkel blind staart op het bijbouwen van cellen is gedoemd te mislukken. Zonder langetermijnvisie op het strafbeleid kan men blijven bijbouwen. Het contrast met Nederland is enorm. Daar heeft men de afgelopen jaren geïnvesteerd in zowel bijkomende cellen als in recidive-aanpak. Het resultaat is er dan ook: Nederland gaat gevangenissen sluiten. Op een bevolking van 16 miljoen inwoners gaat Nederland van 12 500 plaatsen naar net geen 11 000. In België, met een bevolking van slechts 11 miljoen inwoners, hebben we vandaag al 11 000 gedetineerden én zijn er veel plaatsen te weinig. In België komen veel veroordeelden nog steeds vrij zonder enige vorm van begeleiding. Er is nog te weinig toegang tot psychologische hulp. En er zijn nog onvoldoende kansen om een nieuwe job te leren. Sommige gevangenen, bijvoorbeeld seksuele delinquenten, zitten zelfs bewust hun termijn uit opdat ze géén begeleiding buiten de gevangenismuren zouden moeten volgen. De hulp die wel bestaat in de gevangenissen, stopt bovendien bijna volledig wanneer iemand de gevangenis verlaat. Nochtans is dat het cruciale ogenblik om iemand op de rails te houden. Dat onze oude gevangenissen niet aangepast zijn (te weinig leslokalen, sportfaciliteiten en werkateliers) verergert het gebrek aan begeleiding en re-integratie nog. 23


De Vlaamse Regering heeft ondertussen een veelbelovend systeem uitgewerkt voor de begeleiding van veroordeelden. Maar een Franstalige tegenhanger blijft uit, ondanks herhaald aandringen van het gevangeniswezen. Het gebrek aan begeleiding en re-integratie is vooral voor de korte straffen tot en met drie jaar problematisch. Als de straf al wordt uitgevoerd, is er geen effectieve controle of begeleiding. De weinige begeleiding die wel al bestond, werd intussen zelfs afgebouwd. Zeker wanneer de veroordeelde huisarrest krijgt met een enkelband. Bovendien weten we niet wie er in onze cellen zit, of wie we de straat opsturen met een enkelband. Een risicoprofiel van de veroordeelde wordt bijna nooit opgemaakt. Zo plaatsen we mensen onder huisarrest, die daar helemaal niet thuis horen. Of zetten we bepaalde criminelen samen in de cel, terwijl ze beter uit mekaar worden gehouden. Dat leidt tot het perverse effect dat zij in de gevangenis hun criminele netwerk nog kunnen uitbreiden. Het resultaat? Bij hun vrijlating hervallen veroordeelden in oude criminele gewoontes. Recidive troef dus. Hun opsluiting is dan enkel nuttig geweest om hen even van straat te houden.

2. Justitie: bedrijf in slechte papieren 2.1 Mexicaans leger België heeft dubbel zoveel magistraten per inwoner als Nederland. Het probleem van Justitie ligt hem dus niet zozeer in een tekort aan mensen. Maar de organisatie van het geheel is een ramp. Zowel op het vlak van efficiëntie als qua transparantie. In sommige gerechtelijke arrondissementen komt men handen tekort om alle dossiers te kunnen verwerken, terwijl andere het best met minder personeel zouden kunnen doen. Momenteel zijn er 27 gerechtelijke arrondissementen met elk hun aparte voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de rechtbank van koophandel en van de arbeidsrechtbank. En dan hebben we het nog niet over de 187 vredegerechten en 34 politierechtbanken. Daarnaast tellen we de vijf hoven van beroep met elk een parket-generaal, en vijf arbeidshoven met elk een arbeidsauditoraat-generaal. Justitie is een Mexicaans leger met veel te veel bazen. Eén op de zes magistraten is korpschef (in de hervormingsplannen van minister Turtelboom wordt dat één op de acht) en dus baas over zijn of haar eigen kleine territorium. Dat is totaal onwerkbaar. Elke rechtbank heeft bovendien zo zijn eigen aparte regeltjes. Elke aparte rechtbank heeft dus eigenlijk een eigen gerechtelijk wetboek. Dat is totaal niet transparant en creëert onzekerheid tegenover de rechtszoekende.

24


© Shutterstock

De vermindering van het aantal arrondissementen lost dit probleem deels op. Toch missen we hier een gigantische kans. Van een eenheidsrechtbank is geen sprake. Er komt dus niet één baas in heel het arrondissement. En meer nog: in de toekomst wordt dit onmogelijk. Want de arbeidsrechtbanken en rechtbanken van koophandel worden georganiseerd in een groot rechtsgebied, terwijl de rechtbank van eerste aanleg wordt georganiseerd in een kleiner gerechtelijk arrondissement per provincie. En dat terwijl net over de nood aan die eenheidsrechtbank een vrij grote consensus bestaat in Vlaanderen. 2.2 Gerechtelijke achterstand Geen cijfers De gerechtelijke achterstand geraakt maar niet weggewerkt, vooral niet in burgerlijke zaken. Meer nog: in veel arrondissementen werd de achterstand de voorbije jaren nog groter. Wetgevende initiatieven in het verleden om hieraan te verhelpen bleken soms zelfs het omgekeerde effect te hebben. De rechtszoekende moet daardoor steeds langer wachten op een uitspraak van de rechter. Parlementaire vragen naar hoe groot de gerechtelijke achterstand nu juist is, leveren steevast hetzelfde antwoord: “Er zijn geen cijfers beschikbaar.” We moeten ons dus baseren op top­ magistraten die, vaak bij het begin van het gerechtelijk jaar, aan de alarmbel trekken. Zo stelde de Gentse procureur-generaal Anita Harrewyn in september 2012 dat het aantal hangende burgerlijke zaken voor het hof van beroep van Gent tussen 2009 en 2011 met 8 procent was gestegen (van 8 660 naar 9 389 zaken). Bij de vrederechters steeg het aantal hangende zaken volgens diezelfde procureur-generaal in die periode met liefst 39 procent 5. De oorzaken van dat stijgende aantal zijn veelvuldig: verouderde procedures, personeels­ kaders die niet worden ingevuld wegens budgettaire krapte, gebrek aan informatisering van Justitie, soms ook luie of incompetente rechters tegen wie men niet kan optreden. Brussel In Brussel is de achterstand traditioneel het grootst. Dat probleem wordt nog groter door de BHV-hervorming van het gerechtelijke arrondissement. De regering-Di Rupo hanteerde bij die hervorming immers een foute verhouding van 80 procent Franstalige tegenover 20 procent Nederlandstalige medewerkers. Door die verdeelsleutel moest Nederlandstalig personeel afvloeien. En dat terwijl zeker 30 procent van de zaken voor een Nederlandstalige kamer zou komen.

5

Bron: De Standaard Online (www.standaard.be/cnt/dmf20120903_067) en Het Laatste Nieuws (www.hln.be/hln/nl/957/

Binnenland /article /detail/1495102/2012/09/03/Gentse-hof-van-beroep-beperkt-achterstand-vredegerecht-naar-stockvan-44-000.dhtml), 3/09/2013

25


Het is totaal onbegrijpelijk dat in afwachting van die werklastmeting een verhouding wordt gehanteerd die meebrengt dat de Nederlandstalige rechtbanken in Brussel niet meer op normale wijze zullen kunnen functioneren.

Gaby Van den Bossche, voorzitter arbeidsrechtbank Brussel, De Tijd, 7/06/2012

De Vlaamse meerderheidspartijen werden gesust met een belofte van Di Rupo6: “Als de cijfers voor de verdeling van de kaders fout blijken te zijn, dan zullen zij worden aangepast. In het akkoord is voorzien in een evaluatie en wij zullen onze verbintenissen nakomen.” Het is maar de vraag of de gemaakte regeling ook effectief zal worden herzien, nu ze in het voordeel van de Vlamingen blijkt uit te vallen. Met andere woorden: of de Vlaamse meerderheidspartijen zich niet opnieuw zullen laten rollen door de Franstaligen. Een ander ‘verborgen’ gevolg van deze BHV-hervorming is dat voortaan enkel en alleen een Franstalige procureur aan het hoofd van het parket zal staan in Brussel. Ook bij het openbaar ministerie in Brussel schuift men de Vlamingen dus volledig aan de kant. De procureur des Konings is een procureur der Franstaligen geworden.

Het Brusselse Justitiepaleis staat symbool voor gebrek aan visie Het Justitiepaleis van Brussel is al jarenlang een toonbeeld van de snelheid waarmee ons justitieel apparaat achteruit boert. Magistraten voelen zich er niet veilig omdat er weinig veiligheidsmaatregelen worden genomen, en dat in een gebouw waar men dagelijks zware criminelen berecht. Er wordt regelmatig ingebroken en met 28 ingangen is het nauwelijks te controleren wie er binnen- en buitengaat. Sommige delen van het gebouw zijn bouwvallig en gevaarlijk. De onderhoudskosten belopen nu al twee miljoen euro per jaar. Voorgestelde oplossingen worden maar half uitgevoerd, tegengewerkt of weer herroepen. Toch zijn er nu enkele stappen in de goede richting gezet. Onlangs beëindigde men een proefproject met twee ingangen. De resultaten van dat proefproject waren positief, maar nu is het wachten op de eerste blijvende maatregelen. Begin 2013 stelde de regering haar masterplan voor het bouwvallige gerechts­ gebouw voor. Dat bevat interessante ideeën.

Karl Vanlouwe, senator

Na jaren talmen is het nu tijd voor actie. Met plannen alleen zullen we er niet komen. Uit een parlementaire vraag van N-VA-senator Karl Vanlouwe bleek immers dat er geen meerjarenplanning bestaat7. Het wordt in elk geval een heel dure en lang aanslepende restauratie en renovatie. De vrees voor de lange baan is niet onterecht …

6

Bron: Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, Bespreking regeringsverklaring, 10/12/2011, p. 42, www.dekamer.be/

doc/PCRI/pdf/53/ip060.pdf 7

Bron: Het Laatste Nieuws (www.hln.be/hln/nl/957/Binnenland/article/detail/1587198/2013/02/27/Masterplan-

Brussels-justitiepaleis-werk-van-zeer-lange-adem.dhtml), 27/02/2013

26


© Imagedesk-Dieter Telemans

2.3 Gebrek aan informatisering Phenix, Cheops, Just-X, … De 21ste eeuw is al goed opgeschoten. Daar valt in ons gerechtelijk apparaat nochtans weinig van te merken. Legislatuur na legislatuur, minister na minister, gooide men projecten van de voorganger de vuilnisbak in om opnieuw van nul te beginnen. Het Phenix-project van minister Marc Verwilgen (Open Vld) is uitgedraaid op een totale catastrofe. Zijn project kostte de Belgische staat al 9 miljoen euro aan de ontwikkelaar. En al enkele honderdduizenden euro’s aan advocaten, in een vruchteloze poging om dat geld terug te krijgen. Ook het Cheops-project van minister Jo Vandeurzen (CD&V) en van zijn opvolger en partijgenoot Stefaan De Clerck is blijven liggen zonder enig resultaat van betekenis. Zoals zo vaak is de burger het eerste slachtoffer van politieke spelletjes en van de onwil om iets te veranderen. Toch reikten de verschillende projecten ook bruikbare oplossingen aan. Minister van Justitie Turtelboom heeft intussen, in alle stilte, de elektronische procesvoering uitgesteld tot ten vroegste 2015. E-mail? Elektronische betaling? Door die opeenvolgende mislukkingen moeten advocaten nog steeds hun documenten persoonlijk gaan afgeven op het Justitiepaleis, dat slechts beperkte openingsuren heeft. Of ze moeten de documenten per post versturen, wat duur is. We spreken hier trouwens niet over te verwaarlozen bedragen: jaarlijks spendeert Justitie liefst 20,5 miljoen euro aan postkosten. Hoe langer we wachten, hoe meer het blijft kosten. Van e-mails heeft men bij wijze van spreken nog nooit gehoord. Eenzelfde verhaal met de fax. Die wordt ondertussen bijna niet meer gebruikt in onze samenleving, maar Justitie is zelfs nooit op die kar gesprongen. Officieel heeft men nooit gebruik mogen maken van de fax, hoewel sommige rechtbanken het uit eigen beweging wel toestonden. Hier en daar wordt oogluikend toegestaan dat er gecommuniceerd wordt via (onbeveiligde) e-mails. Dat zo’n onbeveiligde e-mails de deur naar misbruiken openzetten, hoeft geen nadere uitleg. Johan Van Driessche van de Orde van Vlaamse Balies vatte het mooi samen in de Juristenkrant8: “Het meest choquerend vind ik eigenlijk dat het in 2013 voorpaginanieuws moet zijn dat we een mail kunnen sturen naar de rechtbank.”

8

Juristenkrant nr. 263 van 13/02/2013, blz. 8 en 9

27


“

Stel je voor: ik kan mijn documenten niet per e-mail naar de rechtbank versturen. Ik moet alles eigenhandig gaan afgeven.

28

�

- Susan (advocaat)


© Isopix

Betalen voor het openen van een dossier bij de rechtbank (de zogenaamde rol­rechten) of voor andere administratieve kosten zoals kopieën kan nog steeds niet elektronisch. Betalen moet meestal in cash geld of via een griffiebon. Betaal je cash, dan heeft de griffier op het einde van de dag behoorlijk wat geld, dat hij dan meestal zelf en zonder beveiliging naar de bank moet brengen. Betaal je via de griffiebon, dan wordt de griffier geconfronteerd met de administratieve afhandeling ervan.

Ook de algemene veiligheid en de overheidsbegroting ondervinden er de nadelen van. Vandaag moet men verdachten immers van de gevangenis naar de rechtbank voeren om er hun dossier te kunnen inkijken. Als de dossiers elektronisch bestonden en als de gevangenissen over een computer beschikten, dan zouden gevangenen hun dossier in de cel kunnen inkijken. Zo zouden de dure en risicovolle transporten van gedetineerden tussen de gevangenis en het gerechts­ gebouw kunnen worden afgeschaft.

Dat gebrek aan informatisering brengt natuurlijk een hele resem nadelen met zich mee. Wanneer de advocaat zich effectief naar de rechtbank moet verplaatsen om zijn documenten af te geven, betekent dit een gigantisch tijdsverlies voor de advocaat en dus een duurdere factuur voor de cliënt. Aan­gezien de politiek er na jaren van fiasco’s maar niet in slaagt Justitie te moderniseren, gaat men in het veld logischerwijze op zoek naar eigen oplossingen. Daardoor bestaan vandaag verschillende systemen die niet op mekaar zijn afgestemd en die soms verouderd zijn. Wanneer gegevens worden doorgegeven, moeten deze vaak manueel worden overgetypt, met tijd­verlies en kans op fouten tot gevolg.

Het strafregister geraakt maar niet geïnformatiseerd

Het hoeft geen betoog dat hier enorme efficiëntiewinsten te boeken zijn, denk maar aan personeel dat nuttiger kan worden ingezet om de doorlooptijden te versnellen. Kortom, een doorgedreven informatisering betaalt zichzelf in geen tijd terug. Overbodig transport Niet enkel de mensen in het veld en de rechtszoekenden zijn het slachtoffer van het niet-gedigitaliseerde justitieapparaat.

Het centrale strafregister, dat alle veroordelingen moet bevatten, is nog altijd niet betrouwbaar. De administratie moet ongeveer 250 000 gegevens per jaar manueel invoeren. Zo komen er regelmatig fouten terecht in het register. En de invoering gaat traag. Gevolg: een rechter kent niet steeds het criminele verleden van een dader omdat, bijvoorbeeld, een veroordeling van een half jaar eerder nog niet in het register staat. De rechter kan dus ook geen zwaardere straf opleggen wegens herhaling, gewoonweg omdat hij niet op de hoogte is. Ook voor voorlopige maatregelen (zoals bijvoorbeeld een voorlopige vrijlating in afwachting van het proces) kan een rechter niet vertrouwen op het strafregister. Maar als een dader eerder veroordeeld werd voor partnergeweld, dan wil de onderzoeksrechter dat wél weten alvorens hij beslist de man naar huis te sturen in afwachting van zijn proces. Justitie­ minister Turtelboom kondigde een elektronisch strafregister aan voor eind 2012. Maar dat zou nu pas in 2015 worden ingevoerd.

29


Justitie mag nog steeds een federale bevoegdheid zijn, in de feiten is de splitsing al een hele tijd aan de gang. Zowel de wetgeving als de rechtspraak groeien uiteen en zelfs de modernisering van Justitie is communautair gekleurd.

Jo Stevens, voorzitter Orde Vlaamse Balies, in zijn nieuwjaarstoespraak op 31/01/2011

2.4 Geen modern management Werklastmeting, waar? Om Justitie te hervormen zouden we een beroep moeten kunnen doen op een werklastmeting. Die stelt vast welke rechters waar hoeveel werk hebben. Zo kan men op basis van objectieve gegevens Justitie reorganiseren. Maar, zoals zo vaak, blijkt dat in België een onmogelijke opdracht. Men sprak reeds in de tijd van minister van Justitie Marc Verwilghen (1999-2003) over zo’n werklastmeting. Veel resultaten zijn er vandaag nog niet. Dat dit zo lang moet duren, ligt niet enkel aan de vele ministers van Justitie die sindsdien de revue gepasseerd zijn, maar ook aan het hof van beroep van Bergen. Zo sloot minister van Justitie Vandeurzen in 2008 een protocol af met de rechterlijke orde om een werklastmeting te organiseren. De hoven van beroep van Antwerpen en Bergen fungeerden als pilootprojecten. Men hoopte toen om tegen het einde van 2010 de eerste resultaten te kunnen voorleggen. Begin 2011 vroeg Sonja Becq (CD&V) naar die resultaten. Haar partijgenoot en toenmalig minister van Justitie Stefaan De Clerck moest bekennen dat Bergen had afgehaakt. De reactie van Becq was niet mals: “Niet enkel frustrerend, maar onverantwoordelijk.”9 Naar de reden van het afhaken van Bergen hoeven we niet lang te zoeken. Uit de tussentijdse resultaten zou immers gebleken zijn dat de Henegouwse magistraten heel wat minder werk verzetten dan hun Antwerpse collega’s … Ondertussen gaat de discussie verder. Aan de eerste resultaten van de werklastmeting bij het hof van beroep wordt nog steeds gewerkt. Men zou nu ook de andere rechtbanken onder de loep nemen. Al blijft het over een werklastmeting bij de vredegerechten nog muisstil. En dat terwijl in sommige kantons jaarlijks minder dan duizend zaken worden behandeld, en in andere kantons een veelvoud daarvan. Wc-papier en gloeilampen De hervorming moet erop gericht zijn Justitie meer als een bedrijf te organiseren, met een korpschef aan het hoofd die als manager fungeert. Minister Turtelboom kondigde zo’n korpschef-­ manager aan, en dat is een goede zaak, mits de korpschefs daar de nodige opleiding voor krijgen. Toch wordt het werk van de korpchefs er niet gemakkelijker op: door het uitblijven van een eenheidsrechtbank blijft de structuur van de hoven en rechtbanken te ingewikkeld voor een degelijk management. Als men in de rechtbank van Veurne, bijvoorbeeld, zonder wc-papier zit, dan moet men dat via Brussel bestellen. In het vredegerecht van Genk hebben de bezoekers en medewerkers meer dan een jaar zonder licht gezeten omdat de lampen maar niet werden vervangen. Dat moest namelijk in Brussel worden geregeld. Dergelijke wantoestanden moeten eruit.

9

30

Nieuwsbrief CD&V, 23/2/2011, http://nieuwsbrief.cdenv.be/actua/nieuws/bergen-blokkeert-werklastmeting


© Dreamstime

Complexe wetgeving: procedurefouten en verjaring Ook onleesbare juridische teksten kenmerken de juridische wereld. Magistraten en advocaten hanteren vaak oubollige taal. En de Belgische wetgeving is gigantisch complex. Dat is het gevolg van een jarenlange aaneenschakeling van ondoordachte wijzigingen. De waan van de dag en steekvlampolitiek zijn in Justitie eerder de regel dan uitzondering. Daarnaast bevat onze wetgeving talrijke oude regeltjes die niet meer worden gebruikt. Zo bestaat er nog een wet uit 1791 die bepaalt dat de overheid geen affiches mag drukken op gekleurd papier. Ook de wetgeving van 1804, die regels bevat over gebieden die volledig afgesloten moeten worden na het uitbreken van de pest, is niet echt noodzakelijk meer te noemen. Een en ander leidt ertoe dat België met een onwaarschijnlijke wirwar aan wetgeving kampt. Voor sommige materies hebben enkel nog de grote en vaak peperdure advocatenbureaus voldoende personeel. Dat heeft vaak negatieve gevolgen voor de rechtszoekende burger. Door het gebrek aan overzicht en de veel te complexe procedures komen er jaarlijks bovendien veel te veel criminelen vrij door procedurefouten. Een vereenvoudiging van, in de eerste plaats, ons Wetboek van Strafvordering betekent dus zeker niet enkel een voordeel voor de juristen. Alle burgers hebben daar belang bij. De hele samenleving heeft er nood aan. De complexe wetgeving zet de deur ook open voor problemen met de verjaringstermijnen. Door de complexiteit van de wetgeving duren rechtszaken langer, waardoor een zaak uiteindelijk kan verjaren. De rechter kan dan niet meer over de feiten oordelen. Daarbovenop komt dan ook nog eens de overvloed aan verjaringstermijnen. Het Belgische recht kent - ongelooflijk maar waar - meer dan duizend verschillende verjaringstermijnen. Hoog tijd dus voor een vereenvoudi­ ging, ook op dat vlak. De N-VA heeft alvast een resolutie ingediend om het aantal verjarings­ termijnen drastisch te verminderen.

31


3. Justitiehervormingen: kroniek van een aangekondigde teleurstelling Dat het een schier onmogelijke opdracht is om bij Justitie iets wezenlijks te veranderen, blijkt duidelijk als je kijkt naar de verschillende hervormingspogingen van de laatste vijftig jaar. Vaak ontbrak de politieke wil of kwam er tegenstand vanuit de praktijk.

1976 Commissie voor de herziening van het Strafwetboek (o.l.v. prof. M. Chatel en prof. J. D’Haenens) De commissie brengt verslag uit in 1979. Dat verslag blijft zonder gevolg.

1962

1976

1991

1983

1983 Koninklijk commissaris voor de herziening van het Strafwetboek (prof. R. Legros)

1962 Koninklijk commissaris voor de herziening van het Wetboek van Strafvordering (Ere-procureur-generaal en prof. H. Bekaert) Bekaert legt in 1974 een ontwerp­t ekst neer. Die ontwerptekst blijft zonder gevolg.

32

In 1985 overhandigt prof. Legros zijn voorontwerp aan de minister van Justitie. Dat voorontwerp blijft zonder gevolg.


2009 Atomiumoverleg 1998 Octopus-akkoord Dit politieke akkoord volgt in de nasleep van de ontsnapping van Marc Dutroux. Het voegt de gemeentepolitie, rijkswacht en gerechtelijke politie samen in een geïntegreerde politie met twee niveaus: de lokale en de federale politie. Een structurele hervorming van Justitie blijkt helaas niet haalbaar. Het enige resultaat is de geboorte van het federale parket en van de Hoge Raad voor Justitie, twee instanties die de voorbije jaren absoluut hun nut hebben bewezen. Aan de dagelijkse werking van Justitie verandert er niets. Het blijft wachten op een hervorming zoals de politie die eind jaren negentig heeft ondergaan.

1998

In oktober 2009 roept toenmalig minister van Justitie De Clerck (CD&V) negen politieke partijen, onder wie de N-VA, aan de onderhandelingstafel om Justitie grondig te hervormen. De tekst die hij voorlegt, voorziet eindelijk de grote hervorming die Justitie nodig heeft. Maar onder druk van de PS moet De Clerck zijn basisnota stelselmatig afzwakken. Het Atomium­overleg blijft een lege doos. De Franstalige partijen willen geen vernieuwing en ontmantelen de tekst. Van de eenheidsrechtbank, waar aan Vlaamse kant vrij grote eensgezindheid over bestaat, komt niets in huis. Nochtans was dat voorzien in het regeer­ akkoord van Leterme I. In december 2009 besluit de N-VA dan ook niet langer mee te doen aan dit trieste schouwspel. De regering-Di Rupo heeft in haar regeer­ akkoord delen van het Atomiumoverleg opgenomen. Ondanks een aantal positieve elementen blijkt de aangekondigde hervorming echter een flauw afkooksel van een echte hervorming.

2009

1991 Commissie strafprocesrecht (o.l.v. prof. P. Franchimont) Deze commissie wordt opgericht naar aanleiding van de aanbevelingen van de ‘Bendecommissie’ (parlementaire commissie over het onderzoek naar de Bende van Nijvel). Op korte termijn moet zij dringende hervormingen van het strafproces voorstellen: de zogenaamde ‘Kleine Franchimont’. Op lange termijn moet de commissie een volledig nieuw strafprocesrecht uitwerken: de zogenaamde ‘Grote Franchimont’. De Kleine Franchimont wordt goedgekeurd in 1998. Dit verankert het opsporingsonderzoek (dat voorheen niet wettelijk geregeld was) in de wet, het versterkt de onafhankelijkheid van de onderzoeksrechter en het zet de eerste stappen naar een betere positie van het slachtoffer. De Grote Franchimont leidt niet tot een nieuw Wetboek van Strafvordering. Van een grote omwenteling komt weer niets in huis. De bespreking van de nieuwe teksten strandt in het parlement. Nog maar eens een gemiste kans.

33


Politie, parket of rechtbanken houden vaak geen rekening met Vlaams beleid. Daarom moet er een eigen Vlaams gerechtelijk systeem komen.

Renaat Landuyt, Justitiespecialist sp.a, Het Nieuwsblad, 18/05/2004

4. Nood aan tabula rasa: een Vlaamse Justitie 4.1 Verschil in visie en rechtscultuur Veel moeilijkheden binnen de Belgische Justitie zijn te verklaren door een verschil in visie en rechtscultuur. Franstalig België blijft blind voor de hervormingen die Justitie broodnodig heeft. Wallonië weigert de heilige huisjes van Justitie te slopen. Maar de ‘ivoren toren’-mentaliteit en de vele procedureregeltjes verhinderen een vlot werkende Justitie die in de eerste plaats ten dienste van de mensen moet staan. De meeste Vlaamse politici willen echter wel dat Justitie opereert als een goed geoliede machine, waarbij de korpschefs ook denken als echte managers. Eerder in deze brochure gaven we al aan dat Franstalig België slechts schoorvoetend meestapt in de werklastmeting. Toen Antwerpen en Bergen aangeduid werden als pilootproject voor de nieuwe werklastmeting, stapte Bergen zeer snel uit het project. Uit de voorlopige cijfers bleek Bergen immers een stuk minder productief dan Antwerpen. Daardoor liep het hele project vertraging op. Ondertussen is de discussie hierover al bijna vijftien jaar aan de gang. Waarom moet dat zo lang duren? Dit fundamentele verschil in visie en cultuur vertraagt de broodnodige hervormingen in Justitie. Zo zijn bijna alle Vlaamse partijen voorstander van de zogenaamde eenheidsrechtbanken, waarbij de rechtbanken van koophandel en de arbeidsrechtbanken als aparte kamer in de rechtbanken van eerste aanleg zouden opgaan. Op die manier zou men rechters mobieler kunnen inzetten op basis van werklastmeting en worden de korpschefs echte managers die hun budget optimaal moeten aanwenden. Dat alles om de klantgerichtheid te optimaliseren. Franstalig België ligt op dat vlak dwars. Men zou zich beginnen afvragen of Franstalig België wel voorstander is van een correcte bestraffing en uitvoering van de oplegde straf. Het jeugdsanctierecht komt maar niet van de grond. Nochtans is dat echt noodzakelijk, want het veel zachtere jeugdbeschermingsrecht kan bezwaarlijk een succes genoemd worden. Jonge boefjes staan zó weer op straat. Ze voelen zich onaantastbaar. Gelukkig komt deze bevoegdheid eindelijk over naar Vlaanderen. Ook de bestraffing van verkeersovertredingen blijkt voor Franstalig België geen prioriteit te zijn. Het gevolg is natuurlijk dat de Vlaamse chauffeur de federale staatskas stevig spijst.

34


© Nationale Beeldbank

4.2 Huidig federaal model De deelstaten hebben reeds een beperkt aantal bevoegdheden op vlak van Justitie (onder andere milieu, ruimtelijke ordening en jeugdbescherming), maar vaak is het nog de federale overheid die instaat voor de hand­ having en voor de financiering ervan. Dat spoort de deelstaten niet aan om hun verantwoordelijkheid op te nemen in deze domeinen. Bovendien geraakt het beleid daardoor versnipperd. In de zesde staatshervorming komen enkel de justitiehuizen en het jeugdsanctierecht over naar de deelstaten en krijgen de deelstaten beperkte inspraak in het vervolgingsbeleid. Over de rest van de strafketen - zoals het gevangenisbeleid of het strafprocesrecht - mag Vlaanderen zich niet uitspreken. Hierdoor kunnen we geen eigen, efficiënt strafbeleid voeren. 4.3 Naar een Vlaamse Justitie Alleen door Justitie over te hevelen naar de deelstaten kunnen we met een volledig propere lei beginnen. Zo kan elke deelstaat naar eigen inzicht Justitie hervormen. Vlaanderen zou op die manier verregaande hervormingen kunnen doorvoeren zodat er een nieuwe dynamiek ontstaat, waarbij de klemtoon komt te liggen op klantvriendelijkheid, zo veel mogelijk resultaat met zo weinig mogelijk middelen, kortere procedures voor de rechtbanken, een krachtdadig bestraffingsbeleid, de evaluatie van rechters, enzovoort. Ook van de noodzakelijke informatisering kan dan eindelijk werk worden gemaakt.

In veel federale landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland en Canada, is Justitie geheel of gedeeltelijk een bevoegdheid van de deelstaten. Hoewel België al enige tijd een federaal land is, is Justitie nog altijd niet toegewezen aan de Gemeenschappen. Nochtans betreft dit een persoons­ gebonden aangelegenheid. De oproep om van Justitie een deelstatelijke bevoegdheid te maken is dus verre van een revolutie, maar een logische volgende stap in de omvorming van België naar een con­ federale staat. Het zou dan ook perfect mogelijk zijn om onze rechtscolleges onder Vlaamse bevoegdheid te brengen. Ook zou Vlaanderen de procedures moeten kunnen moderniseren. Ten slotte zou Vlaanderen probleemloos een vervolgings­ beleid met eigen accenten kunnen uitstippelen, alsook een eigen beleid inzake strafuitvoering kunnen volgen. Voor zware en grensoverschrijdende criminaliteit kan Vlaanderen dan nog steeds samenwerken, niet enkel met Wallonië, maar ook met onze buurlanden. Vlaanderen wil voluit meewerken aan de Europese samenwerking op vlak van politie en Justitie.

35


“

De rechter heeft de dader veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf. Die straf werd pas na een jaar uitgevoerd. De dader zit nu twee maanden thuis met een enkelband in plaats van acht maanden.

36

�

- Marie (slachtoffer van slagen en verwondingen)


DEEL III. Tienpuntenplan voor Justitie 1. Snelle en rechtvaardige bestraffing op maat Naar een performant snelrecht De dader van een misdrijf moet zo snel mogelijk voor de rechtbank komen. Dossiers mogen niet blijven liggen bij het openbaar ministerie, bij de onderzoeksrechter of bij de rechtbank, zoals in sommige (vaak Franstalige) arrondissementen het geval is. Voor bepaalde categorieën van misdrijven moet snel worden opgetreden. Op dit vlak is het positief dat het snelrecht naar alle arrondissementen werd uitgebreid. Maar dat mag niet betekenen dat het gewone strafproces vertraging oploopt. Het snelrecht moet vooral dienen om voor eenvoudige zaken een lik-op-stukbeleid te voeren. Bijvoorbeeld bij rellen of winkeldiefstallen moet het veiligheidsapparaat snel kunnen reageren. Een en ander moet onderdeel zijn van het bredere hervormingsverhaal van Justitie: het strafprocesrecht moet dringend worden hervormd. Alleen met duidelijke, efficiënte en eenvoudige spelregels is een snelle Justitie mogelijk.

De N-VA pleit voor een DNA-databank voor verdachten Een DNA-profiel is een numerieke en unieke code op basis van celmateriaal. Vandaag kunnen speurders zo’n DNA-profiel van een verdachte al opstellen, maar ze mogen dat niet opslaan. Daardoor gaat belangrijke informatie telkens weer verloren, terwijl sommige personen keer op keer als verdachte opduiken. Het opstellen van DNA-profielen is bovendien duur. Bij verkrachtingen is DNA vaak het enige beschikbare bewijs. Maar omdat we niet weten van wie het DNA is dat men vindt, gaan de daders vrijuit. In België leidt slechts vier procent van de verkrachtingen tot een veroordeling. Vaak gaat het echter om dezelfde daders. De N-VA pleit daarom voor een nieuwe DNA-databank, net zoals die al jaren in Frankrijk, Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië bestaat. Uiteraard mét waarborgen, zodat niet iedereen plots ‘verdacht’ is, zodat gegevens worden afgeschermd en zodat ze slechts door een rechter kunnen worden geraadpleegd.

Inge Faes, senator

37


Snelle bestraffing op maat Strafrechters moeten betere instrumenten krijgen om gericht te straffen. Ze moeten er vooral op kunnen vertrouwen dat de straf die zij uitspreken ook effectief wordt uitgevoerd. Vandaag heeft de rechter veel bestraffingsmogelijkheden. Maar hij weet niet altijd welke het meest haalbaar zijn. Er zijn legio mogelijkheden: naast de klassieke gevangenisstraf en de geldboete, is het ook mogelijk om iemand tot een voorwaardelijke gevangenisstraf of geldboete te veroordelen. Zolang de veroordeelde dan bepaalde voorwaarden naleeft - bijvoorbeeld een contactverbod of het volgen van een opleiding of behandeling - moet hij niet naar de cel of moet hij geen boete betalen. Daarnaast is ook de werkstraf een bestraffingsmogelijkheid. Om de juiste straf te kunnen kiezen, moeten rechters sneller dan vandaag een volledig profiel van de dader en zijn omgeving krijgen. De politie en het parket (voor de veiligheidsaspecten) en een justitieassistent (voor de sociale aspecten) moeten dat opstellen. De N-VA wil van het elektronisch toezicht een volwaardig alternatief maken. Weliswaar enkel op voorwaarde dat er voldoende omkadering, begeleiding en controle is. Soms is het beter om een dader van een licht misdrijf meteen te kunnen straffen met huisarrest in plaats van met een gevangenisstraf. Zo kan Justitie hem van dichtbij opvolgen in zijn normale leefomgeving. Dat verlaagt sterk het risico op recidive. Maar vandaag kan de rechter iemand niet meteen veroordelen tot huisarrest met enkelband. Hij moet de dader eerst veroordelen tot een gevangenisstraf, waarna de minister van Justitie op eigen houtje kan beslissen om straffen tot drie jaar naar elektronisch toezicht om te zetten. Dat is niet logisch. Met de juiste instrumenten is de strafrechter het best geplaatst om te beslissen. Vindt hij dat iemand in de cel thuishoort, dan is het eigenlijk niet aanvaardbaar dat de minister van Justitie de straf omzet naar elektronisch toezicht. Vindt de rechter daarentegen dat elektronisch toezicht de beste straf is, dan moet dit meteen kunnen. Bovendien mag het elektronisch toezicht geen automatisme zijn waarbij alle begeleiding en controle ontbreekt. Vandaag lijkt het die richting uit te gaan. De minister van Justitie heeft beslist dat alle straffen tot drie jaar meteen zullen worden uitgevoerd met elektronisch toezicht. Enkel in uitzonderlijke gevallen moet er begeleiding zijn. In de praktijk wordt het effect van deze nieuwe ‘straf’ meteen ondergraven. Een alternatieve straf is immers niet altijd zaligmakend. Niet elke veroordeelde komt in aanmerking voor elektronisch toezicht. Ook voor zijn omgeving (familie, vrienden, …) is het niet altijd evident dat de veroordeelde niet wordt opgesloten. In veel gevallen zal de rechter dan ook moeten terugvallen op de klassieke gevangenisstraf. Dit toont nog maar eens het belang van een goed gevangenisbeleid en een beleid dat gericht is op de re­integratie van de veroordeelde.

38


© Imagedesk-Lieven Van Assche

Hoe het moet: de drugsbehandelingskamer in Gent De N-VA pleit voor een uitbreiding van het proefproject in Gent, waarbij verslaafden die kleine misdrijven plegen de kans krijgen om af te kicken in plaats van een gevangenisstraf uit te zitten. Zij starten een traject binnen de hulpverlening en worden begeleid bij onder andere het afkicken en het zoeken naar werk of een woning. Zolang de dader maandelijks voor de rechtbank kan bewijzen dat hij het traject volgt, hoeft hij niet naar de gevangenis. Zeven op de tien verdachten kiest voor dit programma. 45 procent van hen doorloopt het traject met succes. Deze stok-achter-de-deur is een intensieve procedure maar leidt alvast tot veelbelovende resultaten.

Naar een jeugdsanctierecht De N-VA pleit voor een snelle bestraffing van jeugdcriminelen. Er is nood aan een echt jeugd­ sanctierecht vanaf 12 jaar. Jonge criminelen op hun verantwoordelijkheid aanspreken, het herstel van de slachtoffers centraal zetten en constructief en effectief op maat straffen, zijn de kernelementen van een goed jeugdsanctierecht. De jongere mag zijn verantwoordelijkheid niet ontlopen. Tegelijkertijd moet hij een positieve impuls krijgen om zich te herpakken. Ook de ouders moeten hun rol spelen. Dat alles vraagt doorgedreven begeleiding van de jongere en zijn omgeving. Lukt dat niet, dan moet de jongere worden opgesloten in een jeugdinstelling, waar hij met aangepaste programma’s terug op het rechte pad wordt gezet. Het is positief dat het jeugdrecht een Vlaamse bevoegdheid wordt. Want een goed jeugdsanctie­ recht was tot nu toe niet mogelijk omdat Vlamingen en Franstaligen er tegengestelde ideeën over hebben. Door de bevoegdheid over te hevelen, kan Vlaanderen eindelijk het jeugdsanctierecht uitwerken. 2.

Straffen meteen uitvoeren

Aankondigen dat de straffeloosheid op drie jaar tijd kan worden weggewerkt zonder evenwel een langetermijnvisie te presenteren, lost niets op. De zoveelste steekvlampolitiek, de zoveelste aankondiging van de zoveelste minister van Justitie lost het probleem niet op en leidt alleen maar tot verspilling van kostbare middelen. Meteen straffen is geloofwaardig straffen Een straf die niet meteen wordt uitgevoerd, heeft geen effect. Voor de dader lijkt het alsof zijn misdrijven door de vingers worden gezien. Voor het slachtoffer en de samenleving lijkt het alsof ze niet serieus worden genomen. Door meteen te straffen, is het afschrikkende effect van de straf groter. Vandaag is meteen straffen helaas niet mogelijk door een gebrek aan plaatsen in de gevangenis. De straf die de strafrechter het meest geschikt vindt, blijft zo dode letter.

39


Openbaar ministerie, politie, justitie-assistenten, strafuitvoeringsrechtbanken, gevangenisdirectie, psychosociale diensten, de diensten van de gemeenschappen moeten één keten vormen, één project in functie van de aanpak van de proble­ matiek van de gedetineerde en dus de voorkoming van recidive. Het regeer­ akkoord geeft daarvoor geen aanzet. De fundamentele hervorming van de straf­ uitvoering zal nochtans in deze richting moeten gaan. Wachten kan niet meer.

Tony Van Parys, voormalig minister van Justitie (CD&V), De Tijd, 23/12/2011

Is de best mogelijke straf niet praktisch haalbaar, dan pleit de N-VA ervoor dat de strafrechter zou kiezen voor de straf die wél meteen kan worden uitgevoerd. Straffen hebben maar zin als ze effectief worden uitgevoerd. Een gevangenisstraf of een werkstraf eisen als er geen plaats is, is nutteloos. Een opleiding opleggen als de volgende lessenreeks pas over een half jaar start, heeft al evenmin zin. Daarom moet er meer structureel overleg komen tussen alle actoren op het terrein: openbaar ministerie, politie, rechters, justitiehuizen, gevangenisdirectie, advocaten, OCMW, ... Die actoren mogen niet naast elkaar werken. Het strafrecht is een keten waarin elke schakel zijn rol moet spelen. Vraag en aanbod voor het straffen moeten op elkaar worden afgestemd.

Het SAM-project in Antwerpen De N-VA pleit voor de algemene toepassing van het Antwerpse SAM-project. Bij dit ‘Stuurgroep Alternatieve Maatregelen’-project stemmen Justitie en hulpverlening hun acties op elkaar af. SAM moet nagaan wat haalbaar is. Hoeveel verkeerslessen of trainingen in geweldloze communicatie, bijvoorbeeld, kan de hulpverlening daadwerkelijk uitvoeren? Hoeveel werkstraffen zijn realistisch? SAM moet ook duidelijk maken hoe zinvol de voorwaarden zijn die aan de veroordeelde worden opgelegd. Wie de voorwaarden oplegt, zit samen rond de tafel met wie die voorwaarden uitvoert.

40


© Dreamstime

3.

Een gevangenisbeleid met visie

Een coherent beleid voor en door de gevangenissen ontbreekt. De federale regering bouwt nieuwe gevangenissen. Dat is hoogstnodig, maar zonder visie op het strafbeleid en het gevangeniswezen weten we niet waar we landen. Er is nood aan een totaalconcept. Wat verwachten we van een gevangenisstraf? Welke beveiliging, begeleiding en re-integratie zijn er nodig? Wat is het profiel van elke gevangene? Hoe groot is de kans dat hij of zij opnieuw hervalt na zijn vrijlating? Zonder antwoorden op deze essentiële vragen kan men geen goed beleid voeren. Vandaag heeft de regering deze antwoorden niet. De N-VA pleit voor een globale evaluatie van ons gevangenisbeleid en voor een kruis­ bestuiving van goede ideeën. De 33 gevangenissen hebben elk afzonderlijk, met de beperkt beschikbare ondersteuning, een eigen intern beleid ontwikkeld. Daardoor is automatisch een soort strafdifferentiatie ontstaan. De gevangenis van Brugge, bijvoorbeeld, is ‘gespecialiseerd’ in gevaarlijke gedetineerden en de gevangenis van Leuven in langgestraften. Dat is niet noodzakelijk negatief, maar de verschillen zijn te groot geworden. Naar Nederlands voorbeeld Zoals in Nederland moeten we kiezen voor een capaciteitsuitbreiding op basis van doordachte investeringsplannen met duidelijke visie, planning en kostprijs. Nederland breidde eerst de capaciteit uit, waardoor elke straf kon worden uitgezeten. Dat heeft er op middellange termijn toe geleid dat de criminaliteit daalde en dat er minder mensen terechtkwamen in gevangenissen. Daardoor kan Nederland vandaag zijn verouderde gevangenissen sluiten. Nieuwe gevangenissen zijn duur en het plannen en bouwen ervan duurt al snel vier of vijf jaar. De bouw van een gevangenis van 450 plaatsen kost al gauw vijftig miljoen euro. De exploitatie en de inzet van personeel kosten daarenboven gemakkelijk vijftien miljoen euro per jaar. Maar deze kost is onvermijdelijk doordat de federale regering jarenlang onderinvesteerde. Niettemin zijn de oudere gevangenissen ook een zegen. Gekoppeld aan de bouw van nieuwe gevangenissen zorgen ze er mee voor dat er overcapaciteit kan worden gecreëerd. Daarmee kunnen we alle straffen effectief uitvoeren. In combinatie met goede begeleiding en re-integratie kan de gevangenispopulatie dalen. Ook in België kan men zo op termijn de oude gevangenissen sluiten. Bijkomende cellen huren in Nederland Niet alleen door de bouw van nieuwe gevangenissen maar ook door gevangenissen te huren in het buitenland, kan België extra capaciteit creëren. Zo huurt België sinds 2010 de gevangenis van het Nederlandse Tilburg, die leegstond.

41


Het wordt steeds duidelijker dat ten aanzien van stakingen van cipiers in gevangenissen enkel een minimale dienstverlening tot een bevredigende oplossing kan leiden en kan voorkomen dat de politiecapaciteit overmatig belast wordt.

Annemie Turtelboom, toenmalig minister van Binnenlandse Zaken (Open Vld), Het Laatste Nieuws, 21/02/2011

Zoals hierboven al aangehaald plukt Nederland vandaag immers de vruchten van een lange­ termijnplanning. Sinds de jaren negentig gaan nieuwe gevangenissen daar hand in hand met doorgedreven begeleiding en re-integratie. Het resultaat mag er zijn. Na de gevangenis van Tilburg zou België nu ook de gevangenissen van Maastricht en Sittard (met plaats voor nog eens vierhonderd gedetineerden en geïnterneerden) kunnen huren. Uiteraard is dat geen goedkope oplossing. De huur van de gevangenis en het personeel van Tilburg kost nu al 39 miljoen euro per jaar. Maar in combinatie met de bouw van nieuwe gevangenissen kunnen we naar Nederlands voorbeeld een tijdelijke overcapaciteit creëren zodat de oude gevangenissen op termijn kunnen worden gesloten. De gevangenis van Sint-Gillis In Haren (Brussel) wil men tegen 2016 een Brusselse supergevangenis bouwen die de gevangenissen van Vorst, Sint-Gillis en Berkendael moet vervangen. Deze supergevangenis zal nog te klein zijn, want de voorziene capaciteit is kleiner dan de huidige gevangenisbevolking in Brussel. Dat het middeleeuwse Vorst sluit is logisch, gezien de slechte staat waarin de gevangenis verkeert. Maar in Sint-Gillis werden in 2012 nog 102 nieuwe cellen geopend. Kostprijs: 7,5 miljoen euro. Deze gevangenis in 2016 sluiten is onverantwoord. Door Sint-Gillis daarentegen te behouden naast Haren, creëren we in Brussel voldoende plaatsen.

Staking in de gevangenis? Tijd voor minimale dienstverlening! Wanneer cipiers vandaag staken, moet de politie de bewaking overnemen. Maar dat is niet de taak van de politie. Politieagenten krijgen geen specifieke opleiding en zijn onvoldoende op de hoogte van de specifieke ‘spanningen’ in de gevangenis. Bovendien is de politie op die manier minder beschikbaar voor haar gewone taken. In 2012 staakten de cipiers 209 dagen, in 2011 105 dagen. Meer dan 5 000 politieagenten moesten daarvoor opdraven. Ondanks herhaalde klachten van de politie en de opeenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken (met inbegrip van minister Turtelboom, die daarna minister van Justitie werd), blijft een goede regeling uit. De N-VA pleit daarom voor een minimale dienstverlening bij stakingen in de gevangenissen. Tegelijkertijd pleit de N-VA voor een betere veiligheid voor het gevangenispersoneel - een van de redenen waarom cipiers staken. Van elke gevangene is een risicoprofiel nodig waarop men de beveiliging en begeleiding kan afstemmen. Zo weet het personeel wat te verwachten. Er is ook nood aan speciale afdelingen voor moeilijke en gevaarlijke gevangenen. Daarnaast is er behoefte aan meer opleidingen om beter te leren omgaan met geweld en aan psychologische begeleiding na geweldfeiten.

al Koenraad Degroote, federa volksvertegenwoordiger

Tot slot pleit de N-VA voor goed opgeleide en uitgeruste interventie-eenheden in de gevangenissen, die snel en kordaat kunnen optreden bij schermutselingen.

42


© Shutterstock

Strafuitvoering op maat Voldoende capaciteit creëren is een evidentie, maar ook de manier waarop het penitentiair beleid moet worden ingevuld in de 21ste eeuw verdient een grondig debat. De eenheidsworst, waarbij alle gedetineerden zonder veel onderscheid in eenzelfde regime worden geplaatst, is niet de goede methode. De N-VA wil niet alleen bestraffing, maar ook goede begeleiding en re-integratie. Onze gevangenissen moeten hiervoor aangepast zijn. De N-VA pleit dan ook voor meer differentiatie in de bouw van gevangenissen. Naar het voorbeeld van Noorwegen willen we nadenken over kleinere detentiehuizen. Hier zouden bepaalde veroordeelden, zoals adole­ scente criminelen of criminelen die voor het eerst werden veroordeeld, een aparte aanpak kunnen krijgen. Deze beveiligde huizen kunnen bovendien worden gebruikt ter voorbereiding op de vrijlating uit de gevangenis. Dit alles zorgt voor meer maatwerk in onze gevangenissen. De N-VA pleit dan ook voor een proefproject. Buitenlandse gedetineerden horen niet thuis in onze gevangenissen 45 procent van de gevangenisbevolking bestaat uit vreemdelingen. Bovendien is de helft van deze groep illegaal in het land. Als er een consequent terugkeerbeleid zou bestaan, dan hadden deze criminelen nooit een misdrijf kunnen plegen in België. Voor de N-VA moet een illegale vreemdeling die een licht misdrijf pleegt, meteen zonder bestraffing terug naar zijn land van oorsprong. In theorie kan dit al, maar in de prak-

tijk wordt het amper gedaan. Zware criminelen moeten wel in ons land worden veroordeeld. Ten laatste op het einde van zijn straf moet de illegale crimineel dan wel meteen worden uitgezet, mét een inreisverbod. Veroordeelde vreemdelingen moeten hun straf uitzitten in hun land van oorsprong. Binnen de Europese Unie is dat goed geregeld en de N-VA pleit dat maximaal gebruik wordt gemaakt van die regeling. Voor landen buiten de EU eist de N-VA dat de ministers van Justitie en van Buitenlandse Zaken meer druk uitoefenen op landen om veroordeelde burgers terug te nemen. In het bijzonder moet het verdrag met Marokko worden heronderhandeld. Het is onaanvaardbaar dat in het beste geval slechts tien procent van de Marokkaanse gevangenen kan worden teruggestuurd. Geïnterneerden hebben eigen aanpak nodig Geïnterneerden horen niet thuis in de gewone gevangenis. Voor de N-VA moet er voor geïnterneerden een aangepaste behandeling zijn in een eigen beveiligd kader. De bouw van de nieuwe forensisch psychiatrische ziekenhuizen in Antwerpen en Gent mag niet het eindpunt zijn. Integendeel, daarmee begint het pas. De N-VA wil een juiste omkadering van deze centra. Dit betekent duidelijke afspraken op vlak van volksgezondheid (de behandeling), welzijn (de begeleiding) en justitie (de veiligheid). Budgettair moet er één kostenplaats komen voor internering. Voor een optimaal beleid pleit de N-VA voor de volledige overheveling van dit beleid naar de Gemeenschappen.

43


We moeten bovendien af van het verouderde zwart-witbeeld waarbij een crimineel met psychische problemen ofwel volledig geestesziek is of daarentegen volledig gezond. Dit strookt niet met de realiteit. Bovendien lijkt het alsof een geesteszieke dader zo niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Naar Nederlands voorbeeld pleit de N-VA voor een systeem van gradatie van geestesziekte, waarbij geïnterneerden in vijf categorieën worden ingedeeld. De categorie bepaalt dan de geschikte straf en behandeling. Geïnterneerden met een hoog en mediumrisico horen thuis in gesloten psychiatrische centra. Geïnterneerden met een laag risico moeten zo snel mogelijk kunnen worden doorverwezen naar een extern zorgcircuit van psychiatrische ziekenhuizen of, bij verbetering van hun toestand, naar de gevangenis. Voor de N-VA wordt dus niet elke geïnterneerde ontslagen van zijn verantwoordelijkheid. De N-VA pleit voor een Vlaams penitentiair onderzoeks- en klinisch observatiecentrum (POKO), naar analogie met het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie. Wettelijk is zo’n centrum al mogelijk sinds 1999. Maar de federale regering weigert er werk van te maken. In het Vlaamse POKO moet een geesteszieke dader langdurig worden geobserveerd, waarna de rechter een gefundeerde uitspraak kan doen met de bepalingen voor een juiste behandeling. Kortom, gedaan met de dramatische en tegenstrijdige debatten tussen psychiaters voor de rechtbank. Gerechtspsychiaters hebben nood aan een volwaardig statuut. Vandaag wordt de specialiteit ‘gerechtspsychiatrie’ niet officieel erkend in België. Bovendien worden gerechtspsychiaters amper vergoed. Voor een psychiatrisch onderzoek in strafzaken krijgt een expert bij ons een forfaitair bedrag van 355 euro bruto, ongeacht de werklast. Een eenvoudig dossier brengt al gauw twaalf uur werk met zich mee, tegen een bruto uurloon van 29,60 euro. Een moeilijker dossier betekent al gauw zestien uur werk, aan een uurloon van 22,20 euro. Een zeer complex dossier is vierentwintig uur werk aan een uurloon van 14,80 euro. In Nederland is dat vier tot vijf keer meer. De kwaliteit is navenant. 4.

Begeleiding en re-integratie: naar een recidivemonitor

Uiteindelijk komt elke gevangene vroeg of laat weer vrij. Daarom moeten we hem intensief voorbereiden op zijn re-integratie in de maatschappij. De kernopdracht: vermijden dat de dader nieuwe feiten zal plegen. Begeleiding en re-integratie zijn essentieel. Binnen de Vlaamse Regering heeft de N-VA meegewerkt aan een plan voor kwaliteitsvolle hulp- en dienstverlening aan gedetineerden. Dit moet voor de N-VA in de komende jaren het kader worden voor een goede begeleiding en re-integratie.

44


© Shutterstock

Seksuele delinquenten en druggebruikers In het bijzonder vraagt de N-VA aandacht voor een beter uitgebouwde behandeling van seksuele delinquenten en druggebruikers. Bijna twintig procent van de daders in onze gevangenissen is veroordeeld voor seksuele misdrijven. Eén op de drie gevangenen blijkt druggebruiker te zijn. Bovendien zitten velen van hen vast wegens drugsmisdrijven of drugsgerelateerde misdrijven (bijvoorbeeld een diefstal om drugs te kunnen kopen). Drugsbehandeling moet dus al in de gevangenis starten. De N-VA pleit voor aparte gevangenisvleugels voor gevangenen die willen afkicken. Het voorbeeld van de drugsvrije afdeling in Brugge verdient navolging. Tot slot moet men vermijden dat drugs worden binnengesmokkeld. Nood aan integrale ketenvisie Een strafbeleid dat louter focust op bestraffing is gedoemd om te mislukken. De gedetineerde voorbereiden op zijn re-integratie in de maatschappij moet een logisch verlengstuk van een goed werkend strafbeleid zijn. Wanneer een gevangene vrijkomt, moet hij zo snel mogelijk opnieuw kunnen meedraaien in de samenleving: een job en een woning vinden, zijn plaats zoeken binnen de familie, administratieve zaken zoals de ziekteverzekering in orde brengen, opnieuw leren omgaan met dagelijkse beslommeringen, … Zo niet verhoogt het risico dat hij snel weer in oude gewoontes hervalt en opnieuw misdrijven pleegt. Dit is slechts mogelijk wanneer alle actoren samenwerken. De N-VA pleit voor een integrale ketenvisie waarbij alle actoren, van politie over rechtbank en gevangenis tot de welzijnssector, afspraken maken en informatie uitwisselen. In het meest ideale scenario is de opdracht van deze actoren geslaagd wanneer een dader nadien niet meer in aanraking komt met Justitie. Opdat al deze actoren informatie kunnen uitwisselen moet er een geïntegreerd informatica­ systeem zijn. Alle actoren gedurende het volledige verloop van de strafuitvoering moeten op die manier alle relevante informatie van gedetineerden kunnen opvragen en opvolgen. Ook informatie van begeleidende diensten zoals OCMW en VDAB moet worden opgenomen. Het SAM-project (zie blz. 40) is ook op dit vlak belangrijk. Het sluitstuk zijn duidelijke afspraken tussen alle actoren, zeker ook over het beroepsgeheim en het gebruik van de beschikbare informatie. Het individueel detentieplan Goede begeleiding is slechts mogelijk als men het profiel van de veroordeelde kent. Heeft de veroordeelde een behandeling nodig? Hoe wordt hij het beste begeleid en voorbereid op zijn vrij­ lating? Heeft hij een achterstand op vlak van onderwijs en opleiding? Er is dringend nood aan een individueel detentieplan. Hierin moet het risicoprofiel van de veroordeelde staan, welke begeleiding hij nodig heeft, welke controle aangewezen is bij zijn vrijlating. Sinds 2006 is dat mogelijk, maar opnieuw talmt de federale regering.

45


Begeleiding mag niet stoppen aan de gevangenispoort Begeleiding in de gevangenis moet automatisch overgaan in begeleiding en controle na de vrij­ lating. Gedetineerden die hun straf uitgezeten hebben, moeten worden aangemoedigd om zich nog vrijwillig te laten begeleiden. Idealiter komt hiervoor een centraal aanspreekpunt, naar analogie met het SAM-project, dat diensten zoals OCMW, gemeentelijke sociale diensten en VDAB rond de tafel brengt. De veroordeelde blijft verantwoordelijk, maar het centrale aanspreekpunt zorgt er wel voor dat de verschillende diensten op mekaar worden afgestemd. Soms moet de begeleiding na vrijlating verplicht zijn, zeker bij seksuele delinquenten. De N-VA pleit voor een ruimere toepassing van het systeem van terbeschikkingstelling. Bij de terbeschikkingstelling wordt een gevaarlijke gedetineerde op het einde van zijn gevangenisstraf letterlijk ‘ter beschikking gesteld’ van de strafuitvoeringsrechtbank gedurende 5 tot 15 jaar. Deze rechtbank beslist dan of deze persoon in de gevangenis moet blijven dan wel of hij vrijkomt onder toezicht en onder bepaalde voorwaarden. In de praktijk wordt deze mogelijkheid vandaag onvoldoende toegepast wegens onvoldoende omkadering en middelen. In 2012 bleken er amper 130 personen onder het systeem van de terbeschikkingstelling te staan. Bovendien kiezen veel seksuele delinquenten ervoor om geen gebruik te maken van de voorwaardelijke invrijheidstelling. Zo kunnen ze een behandeling na de vrijlating ontlopen. Voorwaardelijke invrijheidstelling (VI) Daarnaast is er nood aan een verstrenging van de voorwaardelijke invrijheidstelling, wat ook een vorm van verplichte begeleiding na vrijlating is. De voorwaardelijke invrijheidstelling (VI), in de volksmond bekend als de wet-Lejeune, is een gunst – geen recht – waardoor een gevangene onder strikte voorwaarden vroeger kan vrijkomen. Voor de N-VA mag dit slechts mogelijk zijn nadat de gevangene drie vijfde van zijn straf heeft uitgezeten (in plaats van na één derde). Is de dader een recidivist, dan kan hij pas na drie kwart van zijn straf vrijkomen. De periode die de dader langer in de cel doorbrengt, moet dan worden benut om hem intensief voor te bereiden op zijn terugkeer in de maatschappij. Uiteraard vergt dit een groter aantal cellen. Toch pleit de N-VA voor het behoud van de VI, mits goede voorbereiding en opvolging. De VI is een belangrijk instrument om recidive tegen te gaan. De maatschappij heeft er alle belang bij dat een dader, na snelle en rechtvaardige bestraffing, niet hervalt. Tijdens de VI is er strikte controle en begeleiding, die er niet meer is wanneer een dader pas op het einde van zijn straf vrijkomt. Hij heeft dan immers zijn hele straf uitgezeten. Bij de VI krijgt de dader strikte voorwaarden opgelegd. Als hij deze niet respecteert, wordt hij meteen weer opgesloten. De VI – een gunst, geen recht – is een belangrijke stimulans voor een veroordeelde om mee te werken aan zijn terugkeer in de samenleving. Bovendien gaat het agressie in de gevangenis tegen, omdat gevangenen de gunst om vroeger vrij te komen niet willen verspelen. Uit de praktijk blijkt dit systeem efficiënt en daalt het risico op recidive. Als tenminste de juiste investeringen gebeuren bij de justitiehuizen, die instaan voor de begeleiding en controle.

46


© Isopix

Meten is weten. Naar een recidivemonitor Sinds de jaren zeventig voert Nederland op regelmatige basis gestandaardiseerde metingen uit om de effectiviteit van straffen en alternatieve maatregelen te bepalen. Op die manier meet men de recidive, met andere woorden: hoe snel daders opnieuw met Justitie in aanraking komen door nieuwe misdrijven. Daarnaast bestudeert men de typische ‘criminele carrière’ en het profiel van daders. De recidivemonitor is een belangrijk instrument geworden in het strafbeleid in Nederland. Dankzij het nauwgezet bewaren en analyseren van statistische gegevens heeft men gericht het beleid kunnen bijsturen. De resultaten mogen er vandaag zijn. Al drie jaar op rij daalt in Nederland de recidive, zowel bij volwassenen als bij minderjarigen. Deze aanpak toont een wereld van verschil met ons land. Vaak worden bij ons geen cijfers bijgehouden en de cijfers die wel beschikbaar zijn, blijken niet vergelijkbaar met elkaar. Ook wordt het strafbeleid te weinig afgestemd op deze cijfers, waardoor nieuwe beleidsaankondigingen veelal nattevingerwerk blijken. Uit een recente Europese studie10 bleek nog maar eens dat België de slechtste leerling van de Europese klas is, samen met Bulgarije en Roemenië, als het aankomt op het verzamelen van cijfers.

Sophie De Wit, federaal volksvertegenwoordiger

De N-VA pleit voor een inhaalbeweging: een volledige recidivemonitor met duidelijke, uniforme cijfers, met snelle analyses en wetenschappelijke omkadering. Binnen Justitie zijn te veel diensten bezig met hun eigen cijfers. Deze moeten worden samengebracht in één instantie, die het centrale punt wordt voor recidive en de effectiviteit van ons strafbeleid.

5.

Het slachtoffer verdient een plaats

Slachtoffers krijgen vandaag lang niet altijd de aandacht die ze verdienen. Politiediensten, magistraten en gerechtspersoneel beseffen soms onvoldoende wat het slachtoffer doormaakt. Niet alleen heeft het slachtoffer bepaalde feiten meegemaakt, deze persoon herleeft de feiten opnieuw wanneer de zaak voor het gerecht komt. Een goede omgang met slachtoffers hangt nog te veel af van persoonlijke initiatieven van mensen binnen Justitie. Opleiding en ondersteuning zijn vandaag onvoldoende. Ons slachtoffer­ beleid is niet aangepast. Zeker niet wanneer het slachtoffer ook nog eens wordt geconfronteerd met problemen als de gerechtelijke achterstand en het falende strafbeleid. Slachtoffer­begeleiding moet een wezenlijke reflex worden van politie, magistraten en justitiepersoneel. Dat vraagt een toegankelijke, verstaanbare en klantvriendelijke Justitie. En dat vraagt ook de nodige opleiding en materiële ondersteuning. Gelukkig is er de voorbije jaren wél vooruitgang merkbaar.

10

“The EU Justice Scoreboard”, Communication from the Commission to the European Parliament, the Council, the European

Central Bank, the European Economic and Social Committee and the Committee of the Regions, COM(2013)160 final.

47


De drama’s die de slachtoffers meemaakten moeten leiden tot een grondige hervorming van het strafrechtelijk systeem anders was al dat leed zinloos geweest. De verantwoordelijkheid van het parlement staat hier ten volle op het spel.

Uit het eindverslag van de commissie-Dutroux, april 1997

Eén aanspreekpunt De rol van de justitieassistent slachtoffer­ begeleiding moet worden opgewaardeerd. Hij of zij moet de spil zijn voor alle vragen die het slachtoffer heeft, of het nu over de procedure gaat of over de inhoud van de zaak. Vandaag bestaan er veel slachtofferdiensten die soms naast elkaar werken. De oplossing is één aanspreekpunt. Dat vereist structureel overleg tussen justitiehuizen, het openbaar ministerie, de rechtbank, de politie en de advocatenbalie, zoals vandaag al in sommige arrondissementen gebeurt. Elk slachtoffer heeft recht op informatie in elke stap van het proces. Via het centrale aanspreekpunt van de justitieassistent moet het slachtoffer uitgebreide informatie krijgen over het verloop van het strafonderzoek en het strafproces dat erop volgt. Het systeem van ‘benadeelde persoon’, waarbij een slachtoffer zich laat registreren om op de hoogte te blijven, moet verder worden uitgebouwd en gecentraliseerd. Indien het slachtoffer dat wenst, moet men hem of haar ervan op de hoogte brengen dat een verdachte wordt aangehouden of vrijgelaten. Zo weet het slachtoffer dat zijn zaak wordt opgevolgd. Even belangrijk is het dat een slachtoffer op voorhand weet dat hij een verdachte, die bijvoorbeeld is vrijgelaten in afwachting van zijn proces, plots kan tegen­ komen op straat. Omdat het om een verdachte gaat, die in afwachting van het proces onschuldig is, kan men de naam en woonplaats van de betrokkene niet vrijgeven. In Antwerpen werkte het parket met succes een proefproject uit.

48

Bij de veroordeling van een dader moet de strafrechter het slachtoffer in normale bewoordingen de straffen uitleggen die hij heeft uitgesproken. Ook moet hij het slacht­ offer inlichten over de concrete strafduur die de veroordeelde zal moeten ondergaan alvorens hij in aanmerking kan komen voor alternatieven zoals de voorwaardelijke invrijheidstelling of het elektronisch toezicht. De rechter zal dus rekening moeten houden met eerdere veroordelingen en met de duur van de voorlopige hechtenis. Ook tijdens de strafuitvoering moet het slachtoffer voldoende informatie krijgen, vooral in geval van voorwaardelijke invrijheidstelling. Vandaag krijgt het slachtoffer pas op de zitting van de strafuitvoeringsrechtbank te horen welke voorwaarden worden voorgesteld. Hierdoor heeft het slachtoffer geen tijd om zich voor te bereiden. Daarom moet hij of zij op voorhand worden ingelicht over de voorwaarden die in zijn belang worden voorgesteld. Nood aan een centraal slachtoffer­ register De intentie om de slachtoffers en hun familie op de hoogte te houden blijft dode letter zolang de informatie niet beter wordt gedeeld. Als een verdachte in de politiezone Antwerpen wordt vrijgelaten en direct opnieuw wordt gearresteerd in politiezone Brasschaat, dan heeft de politie van Brasschaat geen inzage in de gegevens van Antwerpen. Bijgevolg weet Brasschaat niet altijd wie ze op de hoogte moeten brengen. Bovendien zijn de informaticasystemen van politie en parket onvoldoende op elkaar afgestemd. Er is dus dringend nood aan een centraal slachtofferregister dat alle actoren van Justitie kunnen raadplegen.


© Isopix

Recht op een kosteloze Justitie voor slachtoffers gewelddaden Het slachtoffer dat zich burgerlijke partij heeft gesteld, moet in het geval van vrijspraak soms opdraaien voor de gerechtskosten zoals DNA-onderzoeken, telefoontap of deskundigenonderzoek. Zo zou het kunnen gebeuren dat een dader wegens gebrek aan bewijzen vrijuit gaat terwijl het slachtoffer van gewelddaden wordt ‘gestraft’ omdat hij een proces heeft ingesteld voor gebeurtenissen die hij in de verste verte zelf niet heeft gewild. De N-VA pleit ervoor dat de strafrechter in zo’n geval moet kunnen beslissen dat het slachtoffer niet opdraait voor de gerechtskosten. Het Fonds Slachtofferhulp moet deze kosten dragen. Vandaag komt het fonds al tussen om de schade te vergoeden van slachtoffers van opzettelijke gewelddaden wanneer de dader geen inkomsten heeft of onbekend is. De N-VA legt deze beslissing wel bij de rechter. Zo vermijden we dat onnodige of onterechte rechtszaken worden ingesteld omdat die de klager toch niets meer zouden kosten. Herstelgericht beleid voor slachtoffers moet centraal staan Na een misdrijf heeft het slachtoffer nood aan herstel op vele vlakken. Niet alleen is er materiële schade, mogelijk is er ook psychologische schade. Vaak blijft het slachtoffer achter met veel vragen en wil hij begrijpen wat er is gebeurd en waarom de feiten zijn gebeurd. Daarnaast wil het slachtoffer ook vaak de dader doen inzien wat hij hem heeft aangedaan en verwacht het slacht­ offer van de dader een tegemoetkoming. Een herstelgericht beleid wil hiervoor het juiste kader scheppen. De N-VA pleit ervoor dat instrumenten zoals de bemiddeling tussen dader en slachtoffer verder worden uitgewerkt en ondersteund.

6.

De eenheidsrechtbank

6.1 Minder arrondissementen De 27 gerechtelijke arrondissementen die we vandaag kennen, moeten drastisch in aantal worden verminderd. Die schaalvergroting moet in de eerste plaats leiden tot meer efficiëntie. In de tweede plaats wordt er op die manier komaf gemaakt met de kleine eilandjes die vandaag bestaan. De N-VA is van mening dat twaalf arrondissementen voldoende is. De arrondissements­ grenzen zouden in dat geval gelijklopen met de provinciegrenzen, met een uitzondering voor Eupen en Brussel.

49


Turtelboom durft die fusie niet aan omdat de PS en de syndicaten daar tegen zijn. Maar heel de wereld lacht ons uit over dit systeem.

Prof. Paul Van Orshoven (KU Leuven), Vandaag.be, 19/02/2013, over de eenheidsrechtbanken

3 1

4

2 5 6 8 7

1 West-Vlaanderen 2 Oost-Vlaanderen 3 Antwerpen 4 Limburg 5 Vlaams-Brabant + Brussel (NL) 6 Brussel (FR) 7 Henegouwen 8 Waals-Brabant 9 Luik 10 Namen 11 Luxemburg 12 Eupen

9 10

12

11

Figuur 11: Twaalf arrondissementen in plaats van 27, zoals voorgesteld door de N-VA

Voor Brussel voorzien we een arrondissement Vlaams-Brabant/Brussel Nederlandstalig en een apart arrondissement Brussel Franstalig. Dit voorstel trekt de logica van het wetsvoorstel van Hugo Vandenberghe (CD&V) door11. De splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) zoals de regering-Di Rupo die voorstelde, is geen splitsing. Er is eerder sprake van een achteruitgang ten opzichte van de toestand voorheen. Het is bovendien opvallend dat Waals-Brabant wel een apart arrondissement wordt en Vlaams-Brabant niet, wat nog verduidelijkt dat men niet van een splitsing kan spreken. De regering-Di Rupo stelt trouwens voor om naar 12,5 arrondissementen te gaan12. Het is immers zo dat elk gerechtelijk arrondissement één procureur des Konings zal hebben - op één uitzondering na: het gerechtelijk arrondissement Henegouwen zal kunnen genieten van twee procureurs des Konings. Men doet zelfs niet de moeite om hier een degelijke argumentatie voor te ontwikkelen. Dit is gewoonweg het gevolg van een politieke discussie tussen Bergen en Charleroi. Uiteindelijk heeft men er dan maar voor geopteerd om de premier in zijn eigen thuisstad een cadeautje te geven in de vorm van een extra postje in Bergen.

11

Het wetsvoorstel van Hugo Vandenberghe stelde een territoriale splitsing voor van het parket (Nederlandstalig parket

Halle-Vilvoorde en een tweetalig parket Brussel-Hoofdstad) en een functionele splitsing van de zetel (Nederlandstalige rechtbank die bevoegd is voor het grondgebied Halle-Vilvoorde-Brussel-Nederlandstalig en een Franstalige rechtbank bevoegd voor Brussel-Hoofdstad). 12

Op 17 juli 2013 werd het eerste wetsontwerp rond de hervorming van het gerechtelijk landschap in de Kamer goedgekeurd.

In september 2013 wordt het wetsvoorstel normaal gezien besproken in de Senaat.

50


© Dreamstime

6.2 Eenheidsrechtbank

rechtbank eerste aanleg (eerstelijnsrechtbank)

rechtbank eerste aanleg

arbeidsrechtbank

strafuitvoeringskamer

jeugdkamer

fiscale kamer

correctionele kamer

burgerlijke kamer

strafuitvoeringskamer

familie- en jeugdkamer

fiscale kamer

koophandelkamer

arbeidskamer

vredegerecht

verkeerskamer

correctionele kamer

burgerlijke kamer

rechtbank van koophandel

vredegerecht

politierechtbank

Figuur 12: Schematische voorstelling eerstelijnsrechtbank

Een zeer belangrijk onderdeel van de structurele reorganisatie van het gerechtelijke landschap is de invoering van de eenheidsrechtbank en, daarmee samenhangend, een eenheids­ parket. Dat wil zeggen dat in elk arrondissement de rechtbank van eerste aanleg (met zijn burger­lijke kamer, strafkamer, fiscale kamer, jeugdkamer en strafuitvoeringskamer), de rechtbank van koophandel, de arbeidsrechtbanken, de vredegerechten en de politierechtbanken als één eerstelijnsrechtbank worden georganiseerd, onder leiding van één korpschef-manager die het geheel moet aansturen. Voor de burger verandert er niet veel, aangezien de huidige zittingsplaatsen van de verschillende rechtbanken perfect kunnen blijven waar ze zijn. De nabijheid bij de burger blijft dus gegarandeerd. Zo’n eenheidsrechtbank biedt tal van voordelen: ➜➜

In de eerste plaats dringt een eenheidsrechtbank het grote aantal bazen terug. Bovendien maakt ze de organisatie veel eenvoudiger en transparanter, niet het minst voor de rechtszoekende.

➜➜

De bevoegdheidsconflicten worden maximaal beperkt en men kan de werklast beter spreiden over de magistraten.

➜➜

Een eenheidsrechtbank laat toe dat magistraten zich beter en meer kunnen specialiseren in bepaalde materies. Dat komt het niveau van de rechtspraak ten goede. De nieuw op te richten familie- en jeugdrechtbank is daarvan een voorbeeld.

➜➜

Tot slot genereert één grote eenheidsrechtbank heel wat flexibiliteit en mobiliteit.

51


De tucht binnen de magistratuur is niet geloofwaardig omdat het een intern onderonsje is.

Professor Paul Van Orshoven (KU Leuven), De Morgen, 14/02/2013

Een eenheidsrechtbank hoeft zich trouwens niet te beperken tot de rechtbank van eerste aanleg. Ook op het niveau van het hof van beroep moeten we die keuze durven maken. Het arbeidshof wordt zo geïntegreerd in het hof van beroep, dat een ‘eenheidshof’ wordt. Het is erg jammer dat de hervorming van minister Turtelboom een eenheidsrechtbank in de toekomst feitelijk onmogelijk maakt, doordat ze verschillende rechtbanken op verschillende niveaus organiseert. En dat terwijl net over die eenheidsrechtbank aan Vlaamse kant een vrij grote consensus bestond. Toen toenmalig Justitieminister Stefaan De Clerck zijn nota voor het Atomiumoverleg voorstelde, zei hij nochtans het volgende: “Ik zoek nog altijd het ultieme argument om vrederechters of handelsrechters niet in het groter geheel op te nemen. Als hun bevoegdheid dezelfde blijft, wat is dan het probleem?”13 Op dat moment ging hij er nog vanuit dat de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de rechtbank van koophandel zouden worden samengevoegd. Maar zelfs dat blijkt vandaag jammer genoeg nog een brug te ver ...

7.

Werklastmeting en modern management

7.1 Meten is weten In Nederland gaat een grondige evaluatie van de huidige situatie grote hervormingsplannen vooraf. Nederland begon tien jaar geleden met deze oefening. Vandaag draait Justitie bij onze noorderburen als een goed geoliede machine. Een dergelijke werkwijze zou ook in België een evidentie moeten zijn. Maar dat is niet het geval. Nochtans, men zou toch mogen verwachten dat een hervorming van Justitie gebeurt op basis van objectieve gegevens. Meer nog: een degelijke hervorming, die Justitie voor de komende decennia op de rails moet zetten, is nagenoeg onmogelijk zonder dat we de resultaten kennen van een werklastmeting bij al onze magistraten. Wil men een gerechtelijk apparaat waarborgen dat naar behoren functioneert, dan is het niet meer dan logisch dat men beschikt over een correcte inschatting van de personeelsbehoeften en -invulling van de hoven en rechtbanken in functie van het aantal te behandelen zaken. En dat is nu net die werklastmeting waar iedereen het over heeft. Zonder die cijfers is het quasi onmogelijk een hervorming door te voeren. Een werklastmeting is de logische eerste stap.

13

52

Bron: De Standaard, 10/10/2009


© Nationale Beeldbank

7.2 Modern management De resultaten van de werklastmeting kunnen vervolgens ook worden gebruikt om een rechtbank meer als een bedrijf te runnen. De korpschef staat daarbij aan het hoofd van de rechtbank en stuurt het geheel aan als manager. Modern management is niet enkel nodig voor het dagelijkse beheer zoals de aankoop van wcpapier of het vervangen van een lamp. Ook voor de interne organisatie is het hoog tijd voor een meer bedrijfstechnische aanpak in de magistratuur. De korpschef-manager moet een duidelijk zicht hebben op wat er leeft in zijn arrondissement. In functie van de noden moet hij kunnen schuiven met het personeel en de magistraten. Op die manier kunnen mensen worden ingezet waar ze het best tot hun recht komen en waar ze het meest nodig zijn. Vandaag is die mobiliteit van magistraten een ramp. Er bestaat op dat vlak zo goed als geen flexibiliteit. Dat leidt ertoe dat sommige rechtbanken verdrinken in het werk omwille van een onderbezetting, terwijl de medewerkers op een andere rechtbank een pak minder dossiers hoeven te behandelen. De mobiliteit van magistraten moet dus beter. Dat is een bij­komend argument voor een eenheidsrechtbank, die echte mobiliteit mogelijk maakt. Modern management betekent ook een dege­ lijke evaluatie van magistraten en personeel. Die evaluaties kunnen en moeten worden gebruikt om bij te sturen waar nodig. Evaluaties worden niet gebruikt

als een vorm van bestraffing. Om wangedrag van rechters te straffen bestaat immers het tuchtrecht voor magistraten. Dat tuchtrecht is ook aan een grondige hervorming toe. Vandaag worden magistraten in een tuchtrechtbank beoordeeld door andere magistraten. Het ‘ons kent ons’-sfeertje is zelden ver weg. Daarom pleiten wij ervoor om externen, zoals academici en advocaten, als volwaardige rechters toe te voegen aan de tuchtrechtbank. 7.3 Taalgebruik en vormingen Er is nood aan extra vorming voor magistraten, net zoals veel andere bedrijven en organisaties dat aanbieden aan hun personeel. Een eenheidsrechtbank maakt het mogelijk dat magistraten zich meer dan vandaag kunnen specialiseren in een bepaald soort zaken. Dat zou het niveau van de vonnissen en de rechtspleging in het algemeen verbeteren. Daarnaast moet het Instituut voor Gerechte­ lijke Opleiding, dat vandaag instaat voor de opleiding van magistraten en gerechtspersoneel, het kenniscentrum voor opleidingen worden. In die vormingen zou men eveneens aandacht moeten schenken aan een begrijpelijker taal­gebruik in de vonnissen en arresten. Dat is trouwens niet enkel een probleem in de rechtspraak, maar evenzeer in de wetgeving. Voor een niet-jurist zijn juridische teksten vaak zo goed als onleesbaar. Daardoor is het contact met de rechtszoekende en de transparantie ten opzichte van de burger niet steeds even vlot.

53


8.

Informatisering: Justitie voor de 21ste eeuw

Dat de digitale wereld en Justitie vandaag nog steeds vreemden zijn voor elkaar is onbegrijpelijk en onaanvaardbaar. Digitalisering zou daarom bovenaan het prioriteitenlijstje van elke minister van Justitie moeten staan. Maar politieke spelletjes gooiden tot nog toe roet in het eten. Het uitstel naar 2015 dat minister van Justitie Turtelboom aankondigde, is de druppel die de emmer doet overlopen. Velen vrezen bovendien dat 2015 zelfs niet zal worden gehaald. Er is vandaag dus nood aan actie. De inzet moet zijn om alle dossiers elektronisch te beheren, van bij het prille begin tot het absolute einde. Dit wil zeggen dat elke nieuwe zaak die wordt opgestart door de burger, zijn advocaat of het openbaar ministerie op een elektronisch platform beschikbaar moet worden gesteld. Dat platform moet makkelijk toegankelijk zijn met de elektronische identiteitskaart. Alle betrokken partijen kunnen er de nodige documenten inkijken of nieuwe documenten aan het dossier toevoegen. We denken daarbij trouwens niet enkel aan magistraten, advocaten of rechtszoekenden. Ook een verdachte zou zijn elektronisch dossier moeten kunnen raadplegen vanuit de gevangenis. Dat bespaart het veiligheidskorps alweer een rit, tijd en dus geld. Ook bij afloop van het proces moet de digitale weg worden gevolgd. Zo moet het mogelijk zijn om de uitspraak van de rechter naar de betrokkene op te sturen langs elektronische weg (elektronische betekening). Het is ook dringend tijd voor een centraal elektronisch strafregister, opdat alle actoren van Justitie op de hoogte zijn van het criminele verleden van daders. Het wordt hoog tijd dat de regering hier voldoende middelen voor vrijmaakt en vooruitgang boekt. Een dergelijke investering is immers in een mum van tijd terugverdiend. De tijd, het personeel en het papier dat Justitie met een degelijke informatisering kan besparen is enorm. Hoe langer we ermee wachten, hoe meer geld het ons kost. Bovendien hoeven we ons niet te beperken tot elektronische procesvoering. Ook op andere vlakken dringt een modernisering zich op. We moeten bijvoorbeeld ook maximaal inzetten op videoconferenties. Door de raadkamer en de gevangenis uit te rusten met de juiste technologie moet het mogelijk zijn een verhoor op afstand af te nemen. Op die manier kan het aantal transporten van gedetineerden tussen gevangenissen en justitiepaleizen tot een minimum worden beperkt. Dat maakt niet alleen de kans op ontsnappingen kleiner, maar het maakt ook weer tijd vrij voor het personeel dat nu moet instaan voor het transport. Ook voor het aangeven van kleine misdrijven of het geven van getuigenissen biedt de informatisering oplossingen. Denk maar aan een webapplicatie voor aangiftes of een gesprek via webcam. De aangever of getuige hoeft zich niet meer te verplaatsen naar het politiekantoor en kan buiten de kantooruren aangifte doen. Het risico op schrijffouten wordt kleiner. Tot slot is er zo ook meteen een schriftelijke of audiovisuele weerslag van de aangifte of het gesprek, wat de administratieve afhandeling door de politie vermindert.

54


© Imagedesk-Lieven Van Assche

9. Hervorm de tweedelijnsbijstand (pro Deo) Juridische tweedelijnsbijstand wordt verleend door een advocaat in het kader van een juridische procedure of proces. Die bijstand is (deels) kosteloos voor wie onvoldoende inkomsten heeft. De overheid betaalt in dat geval de advocaat op basis van een puntensysteem. Elke procedure is een aantal punten waard en elk punt heeft een vaste waarde (ongeveer 26 euro). De voorbije tien jaar zijn de kosten voor de tweedelijnsbijstand gestegen van 25 miljoen euro in 2001 tot bijna 70 miljoen euro in 2011. Door de Salduz-wet (recht op bijstand tijdens het verhoor) komt daar nog 17 miljoen euro bovenop. Deze stijging is onhoudbaar. Een vierde van dat budget, circa 17 miljoen euro, gaat naar advocaten die asielzoekers, illegalen en andere vreemdelingen gratis bijstand verlenen. Voor een simpel naturalisatieverzoek krijgt een advocaat meer dan 250 euro, terwijl dat vaak knip- en plakwerk is. Wordt het verzoek geweigerd, dan is de verleiding groot om in beroep te gaan, want ook dat levert een mooi bedrag op. Dit hoger beroep is vaak niet nuttig. Want minder dan 5 procent van deze procedures draait positief uit voor de vreemdeling. In zijn rede bij de opening van het gerechtelijk jaar op 1 september 2011 zei de Antwerpse procureur-generaal daarover het volgende: “Ook de balie heeft haar verantwoordelijkheid. Elke advocaat die met dit soort zaken te maken heeft zou zich moeten afvragen of hij zich niet medeplichtig maakt aan asieltoerisme door voor elke cliënt die zich voordoet als ‘politiek vluchteling’ een procedure op te starten.” Ondertussen heeft minister van Justitie Turtelboom haar hervormingsplannen uit de doeken gedaan. De federale regering kondigt daarin aan: • de invoering van remgeld wanneer je naar een advocaat stapt, • een proefproject met abonnementenadvocaten in vreemdelingenzaken, • meer controle- en sanctiemogelijkheden voor de bureaus voor de juridische bijstand, • het vermoeden van onvermogen wordt weerlegbaar, • een ‘label’ voor pro-Bonoadvocatenkantoren, • en tot slot de recuperatie van het honorarium door de advocaat indien de cliënt een schadevergoeding krijgt. De minister stelt een aantal zaken voor die zeker een meerwaarde kunnen betekenen. Maar eigenaardig genoeg beperkt de minister zich tot louter budgettaire maatregelen die de symptomen van de problemen aanpakken, maar niet de oorzaken. Structureel verandert er weinig, en dat terwijl de advocatuur net roept om structurele hervormingen. Men blijft alweer hangen in losse maatregelen, die niet of nauwelijks overlegd zijn met de advocatuur. De last wordt afgewenteld op de rechtszoekende en de advocaat, maar de problemen raken er niet door opgelost. Een gemiste kans.

55


Onze procedures voor rechtszaken en zeker voor strafzaken zijn totaal verouderd en onwerkbaar. Justitie verstikt in de proceduremogelijkheden. Maar dat aanpakken vergt moed en vooral een grondig werk waar ministers van Justitie hun tanden stuk op kunnen bijten. Het is nochtans de enige echte oplossing. Zolang we de hele procedurechaos niet herdenken, zullen opeenvolgende ministers van Justitie hun heil zoeken in lapmiddelen, die niets veranderen aan de kern van het probleem.

Lars Bové, De Tijd, 24/07/2013

De mistoestanden moeten dringend stoppen. De N-VA stelt, om te beginnen, drie concrete maatregelen voor om de rechtsbijstand te hervormen: ➜➜

➜➜

➜➜

56

1. Werklastmeting bij advocaten. Meten is weten. Deze werklast­meting moet bepalen hoeveel tijd een advocaat gemiddeld aan welke zaak besteedt. Met die informatie kan de puntenlijst (nomenclatuur) van de advocaten worden geactualiseerd. Zo garanderen we dat advocaten een eerlijke vergoeding krijgen voor het geleverde werk. Daarnaast moet het parlement regel­ matig de puntenlijst evalueren, op advies van het Rekenhof. Zo vermijden we toekomstige scheeftrekkingen. 2. Fonds voor Tweedelijnsbijstand. Dit Fonds moet de kosten voor pro-Deoadvocaten betaalbaar houden. Net als het Fonds voor Slacht­offers van opzettelijke gewelddaden zou het Fonds Tweedelijnsbijstand worden gespijsd door mensen die veroordeeld worden tot een correctionele of criminele straf. Op die manier draaien zij die het systeem belasten mee op voor de kosten. Volgens het Rekenhof zou dit wetsvoorstel liefst 14 miljoen euro in het laatje brengen. Waarop wachten we nog? 3. Externe controle op de tweedelijnsbijstand. De N-VA wil dat de overheid het systeem van pro-­ Deo­ advocaten controleert. Die controle gebeurt vandaag door de advocatenbalies. Maar die zijn niet altijd even kritisch. Daardoor blijven misbruiken bestaan. De advocatenbalies moeten samen met de minister van Justitie de criteria voor deze externe controle afspreken. De eigenlijke controle door de overheid zou via steekproeven kunnen gebeuren.

10. Tijd voor moderne wetgeving en procedures 10.1 Wetboeken vernieuwen Onze wetboeken zijn aan een grondige moder­ nisering toe, zeker het Strafwetboek (dateert van 1810, deels aangepast in 1867) en het Wetboek van Strafvordering (dateert van 1808). Deze wetboeken zijn verouderd en onoverzichtelijk geworden na jaren van opeenvolgende ondoordachte wetswijzigingen. Het globale plaatje werd daarbij uit het oog verloren. Ons strafrecht is er onbegrijpelijk en weinig transparant door geworden. Hervormingspogingen uit het verleden, zoals de ‘Grote Franchimont’ (zie bladzijde 33), draaiden op niets uit door een gebrek aan politieke wil en door tegenstand vanuit de praktijk. Daarom stelt de N-VA voor om van bij het begin alle actoren te betrekken bij het opmaken van nieuwe wetboeken. Daarbij zou men het volgende stappenplan kunnen volgen: • De regering zou per wetboek een commissie moeten samenstellen waar experten uit de praktijk (magistraten, advocaten, gerechtspersoneel, gevangenispersoneel), samen met professoren werken aan een nieuw wetboek. Parallel moet een politieke stuurgroep knelpunten doorhakken en keuzes maken. • Elke commissie moet een duidelijk stappenplan uitwerken met een concrete timing. Het streefdoel moet zijn om het werk af te ronden in vier jaar tijd. • De regering moet hiervoor de nodige budgetten vastleggen, in eerste instantie voor een nieuw Wetboek van Strafvordering en een nieuw Strafwetboek. Later volgt dan het Gerechtelijk Wetboek. • Het einddoel moet een modern wetboek zijn, dat in begrijpelijke taal een coherent overzicht geeft van de rechtsregels en procedures. Dit moet Justitie opnieuw toegankelijk en transparant maken.


© Dreamstime

Wetsevaluatie moet de regel worden Vandaag hebben we wetgeving die nog stamt uit de tijd van Napoleon en die dus vaak verouderd is. Dit kan men vermijden door voor elke wet meteen een evaluatie te voorzien na een bepaalde tijd. De Salduz-wetgeving, bijvoorbeeld, werd na één jaar geëvalueerd en dat heeft zijn nut zeker bewezen. Naargelang het onderwerp van de wet kan men na één, vijf, tien of twintig jaar een evaluatie van de wet voorzien. In de Verenigde Staten is de zogenaamde ‘Sunset Clause’ bijvoorbeeld volledig ingeburgerd. Dat houdt in dat een bepaalde wet na een specifieke datum ophoudt te gelden, tenzij men beslist de levensduur ervan te verlengen. Een evaluatie is niet alleen een garantie tegen verouderde wetgeving. Tijdens die oefening kan ook worden bekeken of de wet het gewenste doel heeft bereikt. Is dat niet het geval, dan kan en moet er direct worden bijgestuurd. Dat moet ons, na verloop van tijd, in staat stellen om constant te kunnen genieten van een actuele regelgeving van hoog niveau.

Sarah Smeyers, federaal volksvertegenwoordiger

10.2 Tijd voor frisse ideeën – hervorm het hoger beroep Justitie kan, naast alle bovenstaande hervormingsplannen, natuurlijk ook nog wat andere nieuwe en creatieve oplossingen gebruiken. Zeker op het vlak van de mogelijkheden om in beroep te gaan, moet worden nagedacht hoe we de toestroom van zaken in beroep kunnen verminderen. Want die ingestelde beroepen zorgen voor veel extra werklast en vertraging, terwijl het niveau van bescherming van de rechtszoekende er niet noodzakelijk beter door wordt. Soms lijken partijen de behandeling in eerste aanleg eerder te beschouwen als een ‘opwarming’ om pas in hoger beroep in de ‘match’ te komen. We moeten dus op zoek durven gaan naar niet voor de hand liggende oplossingen: • We moeten vermijden dat partijen al hoger beroep kunnen aantekenen tegen beslissingen van een rechter, bijvoorbeeld tegen de gekozen procedure, alvorens die rechter een vonnis heeft kunnen uitspreken. • Moet de rechter in hoger beroep zich altijd opnieuw over de feiten van de zaak uitspreken? De eerste rechter heeft die immers uitvoerig bekeken. Beperkt de rechter in hoger beroep zich niet beter tot de toepassing van het recht? Enkel wanneer de eerste rechter zich manifest zou vergist hebben over de feiten, zou de rechter in hoger beroep de feiten opnieuw moeten kunnen bekijken. • Tot slot kan ook worden gedacht aan een systeem van voorafgaande toelating, bijvoorbeeld van de voorzitter van het rechtscollege in hoger beroep, alvorens een zaak in hoger beroep kan worden behandeld. Een andere mogelijkheid is het oplossen van conflicten buiten de rechtbank. Sommige problemen kunnen burgers zelf oplossen, zonder dat er een rechter aan te pas moet komen. Het gebruik van arbitrage en bemiddeling aanmoedigen is dus zeker aangewezen om de overvloed aan gerechtelijke dossiers terug te dringen. Burgers moeten een helder wettelijk kader aangereikt krijgen om hun conflicten buiten een rechtbank te beslechten. 57


Uitdagingen 1. Snelle en rechtvaardige bestraffing op maat De N-VA wil de dader van een misdrijf zo snel mogelijk voor de rechtbank. Bij eenvoudige zaken zoals drugszaken, rellen of winkeldiefstal moet een performant snelrecht leiden tot een lik-op-stukbeleid. Straffen moet niet alleen snel, het moet ook op maat van de dader om het beste effect te hebben. De N-VA wil ook een echt jeugdsanctierecht vanaf 12 jaar, waarbij slachtofferherstel centraal staat. 2. Straffen meteen uitvoeren Geloofwaardig straffen is meteen straffen, anders mist een straf zijn effect. De strafrechter moet niet alleen op maat straffen, hij moet ook kiezen voor de straf die meteen uit te voeren is. De N-VA pleit voor structureel overleg tussen Justitie, gevangenisdirectie en hulpverlening opdat vraag en aanbod op elkaar worden afgestemd. Het strafrecht is een keten waarin elke schakel zijn rol moet spelen. 3. Een gevangenisbeleid met een visie De N-VA wil een langetermijnplan voor meer capaciteit. Die realiseren we door nieuwe gevangenissen te bouwen en tijdelijk cellen te huren in Nederland. Zo kunnen we alle straffen uitvoeren. In combinatie met een recidiveaanpak daalt zo het aantal gevangenen, zoals in Nederland. Buitenlandse gevangenen moeten hun straf in eigen land uitzitten. Geesteszieke criminelen hebben een eigen aanpak nodig. 4. Begeleiding en re-integratie: naar een recidivemonitor Meten is weten. De N-VA wil een recidivemonitor die bijhoudt welke straf werkt en hoe snel een dader nieuwe feiten pleegt. Daarop moeten we ons beleid afstemmen. Voor elke dader moet er een individueel traject komen: wat is zijn profiel? wat is de meest geschikte begeleiding en re-integratie? Begeleiding moet worden verdergezet na vrijlating, zeker voor seksuele delinquenten en druggebruikers. 5. Het slachtoffer verdient een plaats Slachtofferbegeleiding moet een reflex van politie en Justitie worden. Zij moeten de nodige opleiding en ondersteuning krijgen. Slachtoffers hebben recht op één aanspreekpunt om informatie te krijgen in elke stap van de procedure, ook bij de vrijlating van de dader. Daarom pleit de N-VA voor een centraal slachtoffer­ register. Slachtoffers van geweld hebben ook recht op een kosteloze procedure.

58


© Shutterstock

6. Hervorm Justitie: de eenheidsrechtbank Justitie moet een goed geleid bedrijf worden. De huidige structuur is een kluwen van rechtbanken waarin één op de zes magistraten korpschef is. Dat is niet werkbaar. De N-VA pleit voor een nieuwe indeling in twaalf arrondissementen: één per provincie, met een uitzondering voor Brussel en Eupen. In elk arrondissement moet een eenheidsrechtbank komen, met aan het hoofd één korpschef-manager. 7. Werklastmeting en modern management Justitie heeft nood aan een werklastmeting, opdat de korpschef-manager mensen en middelen optimaal kan inzetten. De N-VA pleit voor meer mobiliteit binnen de eenheidsrechtbank, met meer specialisatiekansen en opleiding voor magistraten en personeel. Dat leidt tot snellere en betere rechtspraak. Opleidingen moeten meer aandacht hebben voor omgang met de burger. 8. Informatisering: Justitie naar de 21ste eeuw Justitie moet digitaal gaan. Elk dossier moet worden beheerd op één elektronisch platform met een beveiligde toegang voor alle gebruikers. Een verdachte moet zijn dossier online kunnen bekijken vanuit de gevangenis. Ook de betekening van het vonnis of de aangifte van een misdrijf moet via internet kunnen. Het verhoren van verdachten en getuigen moet mogelijk zijn via videoconferentie. 9. Hervorm het systeem van de pro-Deoadvocaat De N-VA wil het puntensysteem voor de vergoeding van de advocaat hervormen op basis van een werklastmeting die vastlegt hoeveel tijd voor elk dossier nodig is. Eenvoudige dossiers moeten minder punten waard zijn. Ook wil de N-VA een pro-Deofonds om het systeem betaalbaar te houden. Elke veroordeelde moet hieraan bijdragen. Tot slot wil de N-VA een betere controle van het systeem. 10. Tijd voor moderne wetgeving en procedures Onze wetboeken zijn aan modernisering toe, zeker in het strafrecht. De N-VA pleit per wetboek voor een werkgroep van experten, met een duidelijk stappenplan, een timing en een budget. Parallel moet er een politieke stuurgroep komen die knopen doorhakt. Wetten moeten vanaf nu systematisch worden geëvalueerd. Ook wil de N-VA de procedures hervormen, te beginnen met het hoger beroep.

59


Recht moet weer rechtvaardig worden De Belgische Justitie heeft iets van een draak. Een traag en log gedrocht waarop menig witte ridder zijn dure eed stuk sloeg. En wie in de ban komt van de draak, geraakt niet snel uit diens greep verlost. Een burger doet er daarom beter aan die monstruositeit te allen tijde te vermijden.

In deze brochure vindt u de visie van de N-VA op Justitie. Op een bevattelijke wijze schetsen we het kluwen van parketten, magistraten en rechtbanken. Daarnaast geven we duidelijk aan waar de knelpunten zitten: straffeloosheid, gerechtelijke achterstand, overbevolkte gevangenissen, …

september 2013

Maar we zetten ook een stap verder. Wij presenteren een tienpuntenplan om Justitie klaar te maken voor de moderne uitdagingen van de 21ste eeuw. Wij verlaten de platgetreden paden van de goede voor­ nemens en formuleren concrete voorstellen om Justitie te hervormen.

v.u.: Piet De Zaeger, Koningsstraat 47 bus 6, 1000 Brussel

Dat kan niet de bedoeling zijn. Justitie staat ten dienste van de burger. Maar er loopt veel mis in onze rechtspraak. Het is niet omdat iets recht is, dat het ook rechtvaardig is. Normaal gezien bewaart het gerecht het evenwicht tussen beide. Maar daarin schoten we de afgelopen jaren schromelijk te kort.

Met deze brochure hopen wij een aanzet te geven tot een echte hervorming van Justitie. Een hervorming die de efficiëntie van het gerechtelijke apparaat verhoogt en de dienstverlening aan de burger verbetert. Een hervorming die van de draak weer een waakhond van gerechtigheid maakt.

Bart De Wever Algemeen voorzitter N-VA

Koningsstraat 47 bus 6, 1000 Brussel tel. 02 219 49 30 – info@n-va.be – www.n-va.be

Brochure: Justitie voor de 21ste eeuw  

Met deze brochure wil de N-VA de aanzet geven voor een echte hervorming van Justitie. Want om tot een performante en eigentijdse Justitie te...

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you