Page 1


geert grote pen 2011

Vanaf deze plaats bedanken we de juryleden voor hun scherpe blik, hun waardevolle adviezen en hun aanwezigheid in de Latijnse School. Wij bedanken ook degenen, die zich wekenlang hebben beziggehouden met de voorselectie van de ingezonden scripties in alfabetische volgorde: Dr J.D.J. Buve (Deventer), Dr J.H.M. Ettema (’s Gravenhage), Dr A.D. Forsten (Leiden), Drs W. Gooijer (Amsterdam) en Dr H. van Kampen (Wedde). Ook een groot woord van dank voor MWFY Beeld & Taal, die alle ondersteuning bood in de aanloop naar de pennenstrijd. De firma Waterman voor het ter beschikking stellen van de luxe vulpennen. De Deventer Universitaire Pers voor de bijdragen in natura; de Geert Grote Universiteit voor de uitgebreide ontvangst na afloop van de uitreiking: DANK. Wie een groot hart heeft voor de filosofie, voor de Nederlandse taal, voor Geert Grote en zijn inspiratie, nodigen wij uit lid te worden van de Geert Grote Alliantie Deventer. Door steun van velen kan onze Geert Grote Pen jaarlijks worden uitgereikt. Een lidmaatschap kost €50 per jaar. Studenten betalen €12,50. GGP-donaties zijn welkom. www.geertgrote-alliantie.nl


inhoud 7

woord vooraf juryrapport

9

de masterscripti es nietzsche, taylor en de tegengestelde krachten van de moraal

13

michiel meijer, universiteit van tilburg winnaar geert grote pen

2011

aan het einde van de geschiedenis. geschiedfilosofie en geschiedwetenschap in een overgangstijd gijs van andel, universiteit leiden

verveelde goden: kierkegaard, ironie en postmodernisme michiel bellon, katholieke universiteit leuven

59

133

‘(…) denn dieser eingang war nur für dich bestimmt.’ over derrida’s interpretatie van kafka’s vor dem gesetz 193 toni van gennip, radboud universiteit nijmegen

artificieel bewustzijn en the explanatory gap. een zoektocht naar de fundamenten van het bewustzijn rob van de ven, universiteit van tilburg

colofon

5

287

249


woord vooraf

woord vooraf

V

oor u liggen de fraaie academische pennenvruchten van 5 jonge filosofen, genomineerden voor de Geert Grote Pen 2011, een prijs voor de beste masterscriptie filosofie geschreven in de Nederlandse taal. De Pen is voor het eerst uitgereikt op 29 juni jongstleden in de door Geert Grote en later Alexander Hegius zo beroemd geworden Latijnse School van Deventer, waar grootheden als Adrianus VI, Desiderius Erasmus en Viglius van Aytta vele jaren onderwijs genoten. Van de vijf Geert Grote Pen-kandidaten bleken er vier een bewuste keuze te hebben gemaakt voor het schrijven in de moedertaal. We noemen Toni van Gennip, die alleen met zijn eigen idioom het woordenspel van Derrida adequaat bleek te kunnen weergeven; Gijs van Andel, die er altijd al vast van overtuigd was dat filosoferen uitsluitend mogelijk is in je moeders taal; winnaar Michiel Meijer, die een strijd voerde om zijn scriptie over zin en moraal in het Nederlands te mogen uitvoeren; Michiel ‘Kierkegaard’ Bellon uit Leuven, die zich zeer thuis voelde bij de in Vlaanderen bestaande Nederlandstalige stroom; Rob van de Ven tenslotte, de techneut, die automatisch van wal stak in zijn moedertaal en eerlijk toegaf ‘dat het hem eigenlijk niets uitmaakte, Engels was ook goed geweest’. De stellingname van de Geert Grote Alliantie is daarmee meteen in kaart gebracht: wie denkend EN schrijvend in zijn moedertaal de studie filosofie wil voltooien, zou daarin niet gehinderd mogen worden. In de filosofie, de wetenschap die bij uitstek gedijt bij een perfecte taalbeheersing en een rijke woordenschat van haar beoefenaars, vormt de ‘natuurlijke’ taal de sleutel tot begrip. Taal, het teken van je denken, van jezelf… De rol van taal als pijler van onze identiteit, onze biotoop, met bijbehorende woordenschat, komt echter steeds vaker ernstig in botsing met de rol van taal als louter instrument van communicatie. De kritische denker en wetenschapper Geert Grote (1340-1384) leek in zijn tijd genoemd probleem te hebben ingezien. Vanuit zijn geboortestad Deventer bracht hij een Europese beweging op gang van ‘vernieuwde innerlijkheid’: de Moderne Devotie, waarbij hij zijn pijlen met name richtte op de oude stijl van ‘veruiterlijking en oppervlakkigheid’ van de geestelijk leiders. In de praktische uitoefening van zijn missie toonde hij zich een man met inlevingsvermogen. Voor een breed publiek maakte hij teksten toegankelijk door ze

7


geert grote pen 2011

uit het Latijn in het Middelnederlands te vertalen – ook in omgekeerde richting werd gewerkt – en als geen ander maakte hij gebruik van ‘de volkstaal’ als taal van onderwijs en wetenschap. Rondom de uiterst begaafde magister Geert, liefhebber van het geschreven woord en een fanatiek verzamelaar van boeken, vormde zich een brede kring van lekenbroeders en – zusters, die zich onder andere bezighield met de zorg voor en onderwijs aan de honderden ‘studenten’aan de Latijnse school aan het Grote Kerkhof in Deventer. Zo exploiteerden de broeders schrijfateliers, waar kopieerwerk in het Latijn en het Middelnederlands werd verricht. Studenten, vanuit alle windstreken naar Deventer gekomen, konden met ambachtelijk schrijfwerk bij deze ‘broeders van de penne’ op vele manieren hun voordeel doen: het leverde schrijfvaardigheid op, geestelijke vorming en – ook toen niet onbelangrijk – een mooie bijverdienste. Met de Geert Grote Pen voor de Nederlandstalige academische filosofie eren wij deze Geert. Geert Grote, de denker, de onderwijsvernieuwer. Zijn boodschap van toen straalt af op de dag van vandaag. JUIST in de geesteswetenschappen, waarin de mens en zijn denken, zijn taal en cultuur centraal staan, betekent een steeds dikker wordend laagje Engelstalig vernis een onaanvaardbaar afdekken van culturele biodiversiteit. En dat terwijl we in ons dagelijks leven meer dan ooit hunkeren naar identiteit en authenticiteit, kleur, verscheidenheid in natuur en landschap, kraak en smaak. Bovendien, zolang het Nederlands geldt als eerste taal van het land zal van de taalvaardigheid van bestuurders, rechters, politici en anderen die zich bezighouden met het nemen van belangrijke beslissingen het uiterste gevraagd mogen worden. Het lijkt ook daarom logisch dat beheersing van de landstaal een wezenlijk onderdeel blijft van zowel het hoger als het academisch onderwijs. Niemand verlaat Deventer zonder een boek. ‘Belonen en tonen’, dat was van begin af aan onderdeel van de praktische uitvoering van de Pen-gedachte. Met steun van de gemeente Deventer en leden van de Geert Grote Alliantie, en verder door de welwillende medewerking van de uitgevers van de Deventer Universitaire Pers, is het beloofde podium voor jonge denkers aanzienlijk verbreed. De scriptie van Michiel Meijer, de winnaar van de Pen in 2011, is samen met die van de overige genomineerden gebundeld tot een heel complete uitgave: Geert Grote Pen 2011. In het volle besef dat het Engels als taal van’vervoer van gedachten’een geheel eigen functie vervult, blijft de Geert Grote Alliantie zich inzetten voor het behoud van de Nederlandse taal in cultuur en wetenschap. Zij voelt zich in dit streven verbonden met zowel de Geert Grote Universiteit in opbouw als de Deventer Universitaire Pers. Jonge denkers , ‘broeders en zusters van de penne’, dagen wij uit ook het volgend studiejaar de pennenstrijd aan te gaan, met ontknoping in onze oude ‘stad van geest’. Corrie Dolmans, Bemmel/Deventer, 12 oktober 2011. Voorzitter Geert Grote Alliantie Deventer www.geertgrote-alliantie.nl 8


N

amens de jury, bestaande uit professor Rudi te Velde, professor Paul van Tongeren en mijzelf, heb ik het genoegen het juryrapport van de Geert Grote Pen 2011 voor u uit te spreken. De jury heeft met veel plezier de vijf scripties gelezen, die de Geert Grote Alliantie voor ons had geselecteerd. In totaal waren er 18 scripties ingestuurd, waarvan de Geert Grote Alliantie er eerst 8 en vervolgens 5 heeft uitgekozen om aan de jury voor te leggen. De shortlist van 5 scripties is dus niet de keuze van de jury, maar van de Alliantie zelf. De jury heeft de geselecteerde scripties zorgvuldig gelezen en vervolgens heeft ieder jurylid een eigen rangorde opgesteld, die vervolgens het punt van onderhandeling werd tijdens een lange, maar zeer aangename en inspirerende juryvergadering. Ik noem nu eerst nogmaals kort de scripties in alfabetische volgorde, dus trekt u daaruit nog geen voorbarige conclusies.

‘Aan het einde van de geschiedenis’ is een interessante en goedgeschreven scriptie over de geschiedenisfilosofie, onder meer naar aanleiding van de stelling Fukuyama’s einde van de geschiedenis. De auteur neemt de toegang tot het onderwerp van zijn onderzoek niet voor lief, maar schenkt ook aandacht aan de verhouding van de geschiedwetenschapper en/of filosoof tot de geschiedenis en de gebeurtenissen die daarin plaatsvinden. Doordat de auteur de geschiedenis niet objectiveert, maar zijn eigen identiteit als onderzoeker daarin betrekt, getuigt deze scriptie niet alleen van een persoonlijke betrokkenheid van de auteur, maar ook van originaliteit. ‘Artificieel bewustzijn en the explanatory gap’ is een boeiende en zeer bondig geschreven scriptie over de zoektocht naar het bewustzijn in de cognitiewetenschappen. De auteur onderzoekt de vraag of een machine ‘qualia’ (een fenomenaal bewustzijn) kan hebben. Hij/zij volgt het spoor van Dennett in de gedachte dat de klassieke scheiding tussen lichaam en geest een illusie is en dat er – als het om bewustzijn gaat – geen kloof zou bestaan tussen mens en machine. De stelling dat machines in de toekomst net zo goed van aardbeien met slagroom kunnen genieten als mensen is gewaagd, maar de kracht van deze scriptie zit vooral in de heldere beschrijving van de theoretische standpunten binnen de cognitiewetenschap, die zich echter wel louter tot de Angelsaksische benadering beperken. ‘(…) denn dieser Eingang war nur für dich bestimmt’ Goed uitgewerkte en scherpzinnig geschreven scriptie over het probleem van de wet aan de hand van een interpretatie van Jacques Derrida van Kafka’s Vor dem Gesetz. In het licht van deze parabel wordt de nadruk gelegd op Derrida’s begrip van de woorden ‘verantwoordelijkheid’ en ‘singulariteit’. Via deze begrippen onderzoekt de auteur de eindigheid van de mens – zowel daar waar het gaat om zijn verantwoordelijkheid (die principieel tekortschiet) als ook waar het gaat om zijn fundamenteel singuliere toegang tot zoiets als een wet of een te lezen tekst. Daarnaast 9

juryrapport

juryrapport geert grote pen 2011


geert grote pen 2011

ensceneert de scriptie een boeiende confrontatie tussen het gedachtegoed van Jacques Derrida en Giorgio Agamben. ‘Nietzsche, Taylor en de tegengestelde krachten van de moraal’ Zorgvuldig uitgewerkte en in een vloeiende stijl geschreven scriptie over de confrontatie tussen Nietzsche’s nihilisme en Taylor’s onontkoombaarheid van morele zin. De uitwerking van deze ontmoeting roept vele, inspirerende vragen op over de fundamentele situatie van de mens in de 21e eeuw. De relatie tussen Taylor en Nietzsche is om tweeërlei reden van belang. Enerzijds omdat Nietzsche een nauwelijks zichtbare sparringpartner in het werk van Charles Taylor is, en anderzijds omdat in die confrontatie een essentieel probleem van onze eigen tijd naar voren komt: hoe om te gaan met ons onvervreemdbaar verlangen naar zin in een tijdperk waarin elke zin-constructie problematisch lijkt te zijn geworden. Anders gezegd: het probleem van de verhouding van waarheid en zin. ‘Verveelde Goden. Kierkegaard, Ironie en Postmodernisme’ is een goed geschreven scriptie, waaruit een krachtig engagement spreekt, dat langzaam en zorgvuldig wordt opgebouwd. In het eerste deel wordt een boeiende analyse gegeven van Kierkegaards kritiek op de louter ironische levenshouding, in het tweede deel wordt Kierkegaards analyse ingezet als remedie tegen de ‘kwalen’ – zoals het nihilisme en het anything goes principe – uit het postmodernistisch klimaat. De auteur gaat er wellicht iets te snel van uit dat het tijdsgewricht waarin Kierkegaard leefde met onze huidige (post)moderne tijd vergeleken kan worden, maar maakt daarmee het gedachtegoed van de Deense denker wel verrassend actueel. U begrijpt dat wij ons als jury voor een zware taak gesteld zagen om uit al deze prachtige scripties een winnaar te kiezen. Behalve dat de scriptie zowel academisch als filosofisch verantwoord moest zijn, heeft de jury niet alleen op de inhoudelijke aspecten van de scriptie gelet, maar ook op de stijl, die immers binnen de alfawetenschappen, waar men niet zozeer algemene wetten of formules nastreeft, maar een nieuwe en altijd ten dele ook subjectieve interpretatie van de werkelijkheid wil geven, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Het ging er voor de jury uiteraard niet om dat er bellettrie bedreven werd, zo hoog legden wij de lat uiteraard niet, maar wat wel telde was de signatuur van de auteur, die zichtbaar moest worden in de tekst. Ook hebben we gekeken hoe origineel of vernieuwend de auteurs waren in hun aanpak van een onderwerp. Hoe was de eigen inbreng van de auteurs en wat hebben zij daadwerkelijk toegevoegd aan wat reeds eerder geschreven is? Dat kon schuilen in een verrassende ontmoeting tussen denkers of in een originele benadering van een probleem. Uiteindelijk is het de jury gelukt om unaniem een winnaar van de Geert Grote Pen 2011 aan te wijzen. De winnaar is: de auteur van Nietszche, Taylor en de tegengestelde krachten van de moraal. Daarom nog enkele woorden over de winnende scriptie. Deze scriptie vond de jury van een uitzonderlijke helderheid, en getuigen van analytische begaafdheid. Karakteristiek voor de heldere opbouw is dat elk ‘deel’ wordt afgesloten met een uitstekende ‘conclusie’ waarin niet alleen kort wordt geresumeerd wat in dat deel is 10


Amsterdam, 28 juni 2011 Joke J. Hermsen

De jury voor de Geert Grote Pen 2011 bestond uit: −− Dr Joke J. Hermsen (voorzitter), schrijfster en filosofe −− Prof. dr Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek te Nijmegen en bijzonder hoogleraar ethiek te Leuven −− Prof. dr Rudi te Velde, hoofddocent filosofie Universiteit van Tilburg en bijzonder hoogleraar filosofie vanwege de Stichting Thomas More aan de Universiteit van Amsterdam

11

juryrapport

gezegd, maar ook werkelijk daaruit een conclusie wordt getrokken. Daardoor blijft de lezer geboeid door het betoog. Dat effect wordt nog versterkt doordat de auteur regelmatig de volgende stap van zijn betoog aankondigt door middel van vragen. Deze scriptie verbindt de confrontatie van Nietzsche en Taylor aan een reële culturele problematiek, namelijk de vraag naar de zin van het leven in een grotendeels seculier geworden tijd. Hoe kan een geheel onttoverde ontologie, in de woorden van de auteur, nog betekenis geven aan de ervaringen van creativiteit, moraliteit en schoonheid. De auteur geeft als belangrijkste aanzet tot het beantwoorden van die vraag een nieuwe definitie van nihilisme, zijnde het besef van een gemis dat voortkomt uit een diepgewortelde, maar obsoleet geworden gewoonte: het afhankelijk maken van zin aan een statische en absolute waarheid. Nietzsche heeft laten zien dat articulaties van waarheden altijd veranderlijk en cultuurgebonden zijn. De filosoof van de toekomst die Nietzsche uiteindelijk voor ogen stond, heeft zich van elk dogmatisch verlangen naar absolute waarheid vrijgemaakt en streeft een open, pluralistische en creatieve levenshouding na, waarbij hij of zij het nihilisme achter zich heeft gelaten. Daarover was naar het oordeel van sommige leden van de jury in de scriptie minder te lezen, maar wellicht komt dat in het vervolg op deze scriptie nog aan de orde. Het openingscitaat van Nietzsche, dat de auteur als motto aan de gehele scriptie meegaf, is in die zin hoopvol te noemen:’Der Mensch muss von Zeit zu Zeit glauben, zu wissen, warum er existiert.’ Van Nietzsche is overigens ook de bekende uitspraak dat nihilisme uit ‘een vertwijfelde, dodelijke vermoeide ziel’ voortkomt. Welnu, dames en heren, het verheugt mij dat ik u op dit punt meteen kan gerust stellen, want de auteur stelt in een van zijn laatste conclusies, ‘dat de nihilist’ als de persoon die de nihilisme problematiek volledig heeft geinternaliseerd, niet bestaat.’ Ik hoop van ganser harte dat hij gelijk heeft, maar enige twijfel kan ik mij hierover helaas niet ontzeggen, als ik zo af en toe eens wat links en vooral ook rechts om me heen kijk. Wij kunnen u in ieder geval wel ervan verzekeren dat er niets ‘dodelijks vermoeids’ bij de auteur van deze winnende scriptie viel waar te nemen, die ik dan ook namens de voltallige jury van harte met de prijs wil feliciteren.


geert grote pen 2011 Michiel Meijer (1984) voltooide een studie aan de Hogere Hotelschool Maastricht. Hij behaalde zijn master filosofie aan de Universiteit van Tilburg. Sedert oktober 2011 werkt hij aan een promotie-onderzoek over Nietzsche en Taylor aan de Universiteit van Antwerpen. m_migi@hotmail.com

12


michiel meijer

nietzsche, taylor en de tegengestelde krachten van de moraal michiel meijer

winnaar geert grote pen 2011

13


inleiding

1

17

taylors ‘ nietzsche probleem ’

2

michiel meijer

inhoud

morele lobotomie

19

22

3

nihilisme als onontkoombaar

4

betekenis als onontkoombaar

25

3.1 Het Europese nihilisme 25 3.2 Nihilisme als vraagteken 27 3.3 Nihilisme als condition humaine 28

31

4.1 Onvermijdelijke referentiekaders 31 4.2 De mens als betekeniswezen 32 4.3 Betekenisloosheid als grenservaring 35

5

weg met de moraal ?

38

5.1 Nietzsche: moreel realist? 38 5.2 Moraal als construct 39

6

7

waarheidsgebod versus zinsgebod

6.1 Waarheidsstreven als gebod 42 6.2 Morele verstikking 44 6.3 Zinvol leven als gebod 45 6.4 Continuïteit, geen contingentie 48 nihilisme als funderingsdenken

42

51

7.1 Nihilisme als ‘bacterie’ 51 7.2 De behoefte aan een fundament 52

8

slotperspectieven literatuur

15

57

55


H

oewel het voor de hand ligt Nietzsches atheïsme en Taylors theïsme tegenover elkaar te stellen, is het doel van dit artikel eerder het tegenovergestelde. Het is nog maar de vraag of Nietzsche en Taylor wel zo gemakkelijk als opponenten kunnen worden beschouwd, als de filosoof van de zinloosheid versus de filosoof van de zin. Wie Taylor leest, merkt als snel dat hij er een nogal wisselende waardering van Nietzsche op nahoudt.5 Waarom zou dat zijn? Het is in dit verband het vermelden waard dat Taylor Nietzsche niet uitsluitend als tegenpartij presenteert, maar hem tegelijk aanmerkt als voorbeeld en medestander. Niet alleen had Nietzsche, beweert Taylor, ‘more insight than most modern philosophers’6en is zijn filosofie ‘much richer and more believable’ dan zijn neonietzscheaanse volgelingen (SS, p. 102), de uitdaging die in Nietzsches denken besloten ligt is bovendien ‘based on a deep insight’ in de menselijke conditie (SS, p. 516). Een dergelijke houding van welwillendheid ten aanzien van Nietzsche zien we vervolgens opnieuw in Taylors meest recente boek, A Secular Age,7 waarin Taylor weliswaar bekent de dood van God anders te interpreteren dan ‘the originator of the phrase’ (p. 560), maar tegelijk meent dat zijn eigen versie ‘niet erg ver’ van die van Nietzsche afstaat.8 Taylors uiteenlopende waardering van Nietzsche roept verschillende vragen op. Raakt Nietzsche misschien, zoals Redhead beweert, een zwakke plek binnen Taylors betoog?9

Nietzsche duikt telkens weer op in het oeuvre van Taylor – hetzij in negatieve, hetzij in positieve zin – omdat beide denkers delen in dezelfde grondproblematiek: de problematiek van de vraag naar de zin van het leven in een seculiere tijd. Bovendien hebben Nietzsche en Taylor gemeen dat zij breken met het geijkte onderscheid tussen ‘gelovige’ en ‘ongelovige’. Beiden laten zien dat zowel gelovigen als ongelovigen worstelen met dezelfde vragen en onzekerheden, namelijk die vragen en onzekerheden die zij ten aanzien van de ontwikkelingen van de westerse moderniteit ondervinden. Waar het om gaat is, kort

6  Taylor C 1985, ‘The Concept of a Person’, in: Human Agency and Language: Philosophical Papers vol. 1, Cambridge University Press, p. 113. 7  Taylor C, 2007, A Secular Age, Cambridge, Massachusetts and London, Belknap Press of Harvard University Press. In het vervolg SA, gevolgd door het paginanummer. 8  In de noot bij deze opmerking verwijst Taylor naar Die fröhliche Wissenschaft, aforisme 125, ‘Der tolle Mensch’. Echter wanneer een aantal bladzijden verder (p. 586-7) zonder enig voorbehoud wordt geciteerd uit het omstreden (postuum uitgegeven) boek Der Wille zur Macht, rijst de twijfel of Taylor Nietzsche wel zo serieus neemt. 9  ‘Taylor’s misreading of Nietzsche parallels many of the problematical aspects of Taylor’s moral thought’ (Redhead 2001, p. 82).

19

michiel meijer

1

taylors ‘nietzsche probleem’


geert grote pen 2011 Gijs van Andel (1977) studeerde geschiedenis en filosofie aan de Universiteit Leiden en is momenteel werkzaam als docent filosofie in het middelbaar particulier onderwijs. vanandel77@hotmail.com

58


gijs van andel

aan het einde van de geschiedenis Geschiedfilosofie en geschiedwetenschap in een overgangstijd gijs van andel

59


1

2

aanleiding en these

1.1 Aanleiding 63 1.2 These 66

gijs van andel

inhoud 63

fukuyama ’ s end of history

70

2.1 Fukuyama’s ervaring 70 2.2 Het tekort van de moderne wetenschap 72 2.3 Geschiedfilosofische rechtvaardiging 75 2.4 Ambiguïteit 81 2.5 Indifferentiëring 85

3

eigentijdse geschiedwetenschap

89

3.1 De herformulering van thymos 90 3.2 Wetenschappelijke rechtvaardiging 91 3.3 Het ontstaan van de democratische wederkerigheid 97 3.4 De veronderstellingen van het prisoners’ dilemma 101

4

jünger an der zeitmauer

104

4.1 Jüngers ervaring: Schwund 104 4.2 Jünger, de dichter 109 4.3 Waarheid en rechtvaardiging van gestalten 117 4.4 Jüngers Hoffnung 121

5

afronding literatuur

61

128 131


4.2 Jünger, de dichter Gezien haar atmosferische aard is het innemen van een subjectief standpunt tegenover de mobilisering niet mogelijk, en daarmee vervalt ook de mogelijkheid van ieder propositioneel, dat wil zeggen objectiverend spreken. De mobilisering is in die zin totalitair dat zij onmogelijk overzichtelijk of overdenkbaar tegenover het individu kan verschijnen. Iedere hypothese die wordt opgeworpen ten aanzien van de arbeid behoorde er als werkhypothese al toe. Het woord Totale Mobilmachung betreft dan ook niet de objectieve weergave van alle economische verschijnselen van de werkelijkheid, maar betreft de wijze waarop de werkelijkheid en de omgang ermee als arbeid moeten verschijnen. Jüngers beschrijving van de totale Mobilmachung behelst dus niet primair een Lagebeurteilung, zoals hij zijn schrijven op enkele plaatsen kenschetst. De ‘beschrijving’ van de verschijnselen van de Totale Mobilmachung die door middel van de techniek de aarde transformeert in een Werkstättenlandschaft is maar één kant van de medaille. Zij betreft slechts de typologie van de verschijnselen.188 Het is echter niet de techniek die de wereld van aangezicht verandert, maar de ‘eigenartige Wille’ die achter haar staat; de techniek is een projectie van een Lebensart zonder welke zij niets dan speelgoed zou zijn geweest.189 Deze andere 184  Idem, 37. ‘Demgegenüber bezeichneten wir als die Haltung eines neuen Geschlechts den Heroischen Realismus, der ebensowohl die Arbeit des Angriffes wie die des Verlorenen Postens kennt, aber dem es von untergeordneter Bedeutung ist, ob das Wetter besser oder schlechter wird.’ Idem, 82. 185  Blok, Vloedlijn, 150-151. 186  ‘Will man nicht rein als Nomade leben, so ist in einer Erdbebenlandschaft der Werkstättenstil der einzig vernünftige, der einzig, wenn auch nicht haltbare, so doch tragfähige.’ Jünger, Maxima - Minima, 353. 187  Jünger, Arbeiter, 84. 188  Heumakers, A. en Oudemans, Th.C.W, De horizon van Buitenveldert (Amsterdam 1997), 88. 189  Jünger, Arbeiter 90.

109

gijs van andel

Om aan deze mogelijke zin te beantwoorden neemt Jünger in Der Arbeiter de houding aan van de heroïsch realist.184 Evenals de wetenschapper affirmeert Jünger de arbeidswereld, maar niet door er als vrijwilliger van zijn tijd restloos in op te gaan.185 De heroïsch realist affirmeert de realiteit van het elementaire, vlucht niet in oude zekerheden, maar beseft tegelijkertijd dat de pan-anarchische, elementaire ruimte niet is te bewonen. In de ungesonderte stroom van het leven valt niet te bestaan, zij behelst het thuisloze bij uitstek. Het Werkstättenlandschaft maakt het elementaire slechts temporeel draagbaar.186 Het elementaire – wat Jünger in An der Zeitmauer aanduidt met het titaanse – moet derhalve noodzakelijk worden beteugeld binnen de vermoede nieuwe orde. Binnen deze nieuwe ordening zal ook de mens zijn nieuwe plaats en bestemming moeten vinden; dit vergt van de heroïsch realist zelf overgankelijk te worden naar de vermoede nieuwe toewending. Het heroïsche duidt daarop dat de heroïsch realist beseft dat hij zijn identiteit als vrij individu, als moral agent moet afleggen voor zijn eigen gestalte die vanuit zijn huidige positie bezien ongewis is. Op dit punt ligt voor eenieder van ons de aanspraak van het middernacht van de geschiedenis: ‘Wir leben […] in einem Zustande, in dem man zunächst sehen lernen muß.’187 Van de lezer vergt Jünger dat hij zelf in de overgang geraakt naar datgene wat hij niet weet wat hij al is. Een nieuwe oogopslag is daarvoor vereist, een dichterlijk oog.


geert grote pen 2011 Michel Bellon (1988) studeerde wijsbegeerte aan het HIW te Leuven, daarna reisde hij enige maanden door Oost-Europa ‘om levenservaring op te doen’. Hij volgt nu in deeltijd een programma Europese Studies en in zijn vrije tijd bestudeert hij het Servo-Kroatisch. michiel.be@gmail.com

132


michiel bellon

verveelde goden Kierkegaard, ironie en postmodernisme michiel bellon

133


1

voorwoord

137

ten geleide

138

ironie als existentiekunst

michiel bellon

inhoud

140

1.1 Inleiding: retorische versus existentiële ironie 140 1.2 De existentiële ironie 142 1.2.1 De algemene context 142 1.2.1.1 De existentiële wanverhouding in de ironie 142 1.2.1.2 Ironicus versus kleinburger 144 1.2.2 De existentiële ironie als praktische levenshouding 145 1.2.2.1 De ironie als oneindige absolute negativiteit 145 1.2.2.2 De ironie als genots- en vrijheidsbevorderend instrument 148 1.2.3 Existentiële ironie in of/of 151 1.2.3.1 Of/of: een extatische voordracht 152 1.2.3.2 De wisselbouw 154 1.2.4 Poëtisch leven en zelfvergoddelijking als ultiem doel 159 1.2.4.1 Poëtisch leven en zelfvergoddelijking 159 1.2.4.2 Van romantische zelfvergoddelijking naar de postmoderniteit 162

2

ironie en postmoderniteit

– een concrete toepassing 165

2.1 Inleiding 165 2.2 Ironie en deconstructie 165 2.3 Ironie en Richard Rorty 168 2.4 Kierkegaards kritiek op de ironicus 175 2.4.1 Ironie als interne contradictie 175 2.4.2 Zelfverlies, fragmentatie en verveling 179 2.4.3 Besluit 184 besluit literatuur

135

186 190


michiel bellon

voorwoord

O

ver zijn poëzie wist Hugo Claus ooit lichtelijk teleurgesteld te vertellen dat zij slechts gelezen werd door ‘twaalf lezers en een snurkende recensent’. Claus moest eens weten: in het geval van een academische thesis als deze zouden dertien lezers reeds een gigantisch succes genoemd mogen worden! Het besef dat deze thesis na vluchtig te zijn doorgenomen door drie man en een paardenkop gedoemd is te verdwijnen in de stoffige archiefkasten van het filosofisch instituut hielp mij haar belang gedurende de tergende maar tedere nachten die ik met haar doorbracht enigszins te relativeren. Een thesis brengt (net als een studie filosofie) steeds bepaalde verwachtingen met zich mee. Men hoopt iets bij te dragen aan het vakgebied. Men verwacht diepe inzichten omtrent de aard van het zijn. De betekenis van het alfa en het omega (42) te doorgronden. Helaas, niets van dat alles! Het voornaamste inzicht dat slapeloze nachten, bijwijlen Kierkegaardiaanse dipjes en veel stress mij hebben bijgebracht is dat woorden slechts woorden zijn en al bij al niet zoveel waarde hebben. Die ontdekking betekende een absolute bevrijding. Woorden zijn ongetwijfeld interessant en vaak onderhoudend, maar niet van wezenlijk belang. Voor velen zal dit de evidentie zelve lijken, maar professionele woordenvreters als filosofen durven het wel eens te vergeten. Misschien had Hermann Hesse wel gelijk toen hij zijn Siddhartha liet zeggen: Van een steen kan ik houden, Govinda, en ook van een boom of een stuk schors. Het zijn tastbare zaken en van wat tastbaar is, kan men houden. Maar van woorden kan ik niet houden. Daarom zie ik niets in een leer, zij bezit geen hardheid, geen zachtheid, geen kleuren, geen oppervlak, geen reuk en geen smaak, woorden vormen haar enige bezit. Misschien is het dit wel, wat het jou onmogelijk maakt om vrede te vinden, misschien zijn het al die woorden wel.1

Hoe het ook zij, in dit voorwoord wens ik nog enkele bijzondere mensen te vermelden zonder dewelke deze thesis niet geschreven zou kunnen zijn. Vooreerst mijn promotor, Paul Cruysberghs. Hij was altijd bereid om tijd voor mij te maken wanneer dat nodig was en de voorlopige schetsen van mijn thesis snel van behulpzame commentaar te voorzien. Van onze contacten zullen mij echter vooral de lange gemoedelijke gesprekken bijblijven. Gesprekken die rustig van hier naar daar meanderden, soms wellicht het onderwerp 1  Hermann Hesse, Siddhartha. p. 183/184.

137


geert grote pen 2011 Toni van Gennip (1983) studeerde staats-en bestuursrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Aan dezelfde universiteit behaalde hij vervolgens een master in de rechtsfilosofie. Hij werkte enige tijd als jurist, maar is op dit moment junior-docent aan de VU Amsterdam. tonivangennip@gmail.com

192


toni van gennip

“(…) denn dieser eingang war nur für dich bestimmt” Over Derrida’s interpretatie van Kafka’s Vor dem Gesetz toni van gennip

193


geert grote pen 2011

inhoud inleiding

197

Motivatie 197 Jacques Derrida: schrift en deconstructie 197 Verantwoordelijkheid en singulariteit 199 Werkwijze 200

1 vooroordelen 201

1.1 Achtergrond colloquium 201 1.2 Hoe te oordelen? 202 1.3 Drie hypothesen, vooronderstellingen 205 1.3.1 Derrida’s positie 205 1.3.1.1 Edmund Husserl 205 1.3.1.2 Martin Heidegger 206 1.3.1.3 Sigmund Freud 207 1.3.1.4 De epoche volgens Derrida 207 1.3.2 De intellectuele verhouding met Lyotard 207 1.3.3 Jean-François Lyotard 207

2

de tekstlezing

209

3

een disseminale lezing

4

de kwestie literatuur

210

3.1 Vier axiomatische trivialiteiten 210 3.2 De programma’s van deze Kafka-lezing 212 3.3 Voor de wet verschijnen van het verhaal (en vice versa) 212 3.4 Freuds brieven aan Fliess en de ontoegankelijkheid van de oorsprong van de wet 214 3.5 Totem en taboe 215 3.6 ‘Vor dem Gesetz’/ ‘vor dem Gesetz steht ein Türhüter’ 216 3.7 ‘L’origine de la différance’: een verboden verbod 217 3.8 De essentie zonder essentie 219 3.9 Het sluiten van de deur 221 3.10 De plaats van Lyotard 224 3.11 Deelconclusie 225

226

4.1 Hoe te oordelen over literatuur? 226 4.2 ‘La soustraction’ 226 4.3 Geen relativisme of positivisme 228 4.4 ‘Voorbij de literatuur’ 229

194


witte kiezelstenen

231

6

een kritiek op derrida ’ s lezing vanuit giorgio agamben

6.1 Giorgio Agamben: een korte inleiding 237 6.2 De visie en kritiek van Agamben op Derrida 238 6.3 De alternatieve lezing van Giorgio Agamben 239 6.4 De steekhoudendheid van Agambens kritiek 241

7

conclusie

242

7.1 Verantwoordelijkheid 242 7.2 Singulariteit 244 7.3 Ethiek en deconstructie 245 7.4 Mijn visie 245 literatuur

195

247

237

toni van gennip

5

5.1 Een wederzijdse verdieping 231 5.2 ‘Im Dom’ 231 5.3 Witte kiezelstenen 232 5.4 Post scriptum: definief en beslissend is alleen het leed 236


toni van gennip

inleiding

Motivatie Filosofen kunnen veel van literaire teksten leren. Tijdens mijn studie wijsbegeerte raakte ik steeds meer van deze opvatting overtuigd. Het deed mij ertoe besluiten een literaire tekst als uitgangspunt te nemen voor een filosofische verhandeling. Waarom dienen filosofen zich dan op het literaire terrein te wagen? Bepaalde auteurs zijn in staat gebleken een wereld te omschrijven, waarbinnen de lezer zich kan verplaatsen. Juist omdat een roman een fictief karakter heeft, staat het op een afstand. Dankzij deze afstand kan een roman ons iets leren over onze eigen wereld. De lezer kan de verwikkelingen van een personage volgen en daarmee zijn of haar verbeeldingsruimte vergroten. Deze ruimte biedt de mogelijkheid om onze eigen levenshouding of positie te heroverwegen. Doordat de lezer de verwikkelingen van een personage kan beschouwen vanuit een zekere distantie, is er de mogelijkheid bepaalde elementen uit de desbetreffende roman te herkennen in de eigen leefwereld. Literatuur kan zo een proeftuin bieden en zodoende ingenomen standpunten op bepaalde kwesties verbreden, bekritiseren en uitdiepen. De lezer kan zich hierbij verhouden tot een veelheid aan werelden en daartoe een positie innemen. Eén van die werelden die mij – mede door mijn juridische achtergrond – zeer aangesproken heeft, is de wereld van Franz Kafka (1883-1924). De raadselachtige wereld die door deze Tsjechoslowaakse schrijver geschetst wordt, is voor vele interpreten een belangrijke bron van inspiratie geweest. Bovendien is één van deze interpreten van het werk van Kafka een filosoof die tijdens mijn studie belangrijk is geweest; de Franse filosoof Jacques Derrida (1930–2004). Alle ingrediënten zijn dus aanwezig om deze bestuiving van literatuur naar filosofie hier te laten plaatsvinden. We richten ons voornamelijk op Derrida’s interpretatie van het als enige door Kafka zelf gepubliceerde deel(tje) van de beroemde roman Der Prozess dat tijdens het leven van Kafka gepubliceerd is: de korte parabel Vor dem Gesetz. Precies omdat het een zeer korte literaire tekst betreft, leent deze zich goed voor een gedetailleerde (filosofische) interpretatie.

Jacques Derrida: schrift en deconstructie Het is niet eenvoudig om in een kort aantal inleidende opmerkingen de filosofie van Derrida te kenmerken. Toch dien ik hier – hoe rudimentair ook – een algemene schets te maken om enigszins voor ogen te krijgen wat er bij hem op het spel staat. 197


3.5 Totem en Taboe Derrida maakt vervolgens een andere Freudiaanse associatie om innovatieve werkingen in zijn Kafka-lezing te ontdekken waarover deze paragraaf zal handelen. Het thema van de oorsprong van moraal in Freudiaans verband blijft Derrida in dit kader namelijk interesseren. Indien Freud namelijk refereert aan Kants categorische imperatief doet hij dat in een zeker historisch kader. Dit historische kader betreft namelijk de vertelling in Totem en Taboe over de vadermoord. Freud postuleert in dit werk dat door sterke, onbewuste motivaties er maar twee echt ‘universele’ taboes bestaan: incest en vadermoord. Voor Derrida is hier met name van belang wat aan het einde gebeurt van dit verhaal betreffende de vadermoord: de zoon toont namelijk berouw over het feit dat hij de (oer)moord heeft gepleegd.43 De zonen zijn geen van allen in staat gebleken de plaats van de vader (let op de analogie met de wet) in te nemen en daarmee wordt hun daad tot nutteloos gekwalificeerd. In deze vertelling blijkt zelfs dat de vader nadat hij vermoord is, alleen maar meer 43  ‘Wir haben die ersten Moralvorschriften und sittlichen Beschränkungen der primitiven Gesellschaft als Reaktion auf eine Tat aufgefaßt, welche ihren Urhebern den Begriff des Verbrechens gab. Sie bereuten diese Tat und beschlossen, daß sie nicht mehr wiederholt werden solle und daß ihre Ausführung keinen Gewinn gebracht haben dürfe. Dies schöpferische Schuldbewußtsein ist nun unter uns nicht erloschen. Wir finden es bei den Neurotikern in asozialer Weise wirkend, um neue Moralvorschriften, fortgesetzte Einschränkungen zu produzieren, als Sühne für die begangenen und als Vorsicht gegen neu zu begehende Untaten.’ Freud (1974), p. 441.

215

toni van gennip

cruciale wending in Kafka’s verhaal, aangezien het een beslissing betreft om niet te beslissen. In deze beslissing vindt er een vertraging of een opschorting – zie de relatie met paragraaf 1.3.1 over de epoche - plaats, die de aanwezigheid van de wet tegelijkertijd in zich op laat houden en (daarmee) uitsluit. Deze komt nog eens expliciet tot uitdrukking in de passage ‘Es ist möglich,’sagt der Türhüter, ‘jetzt aber nicht.’ Derrida suggereert dat het hier precies de leesbaarheid (mogelijkheid) en onleesbaarheid (onmogelijkheid) van een literaire tekst betreft. Hij voegt hier de suggestie aan toe dat het noodzakelijk is dat men zich verhoudt tot deze wet, terwijl het tegelijkertijd een verboden karakter in zich draagt. De onmogelijke plaats van de wet brengt mee dat er geen methode of route bestaat toegang te krijgen. Deze ontoegankelijkheid verwart de landman, omdat hij dacht dat de wet bij uitstek algemeen is en dus voor iedereen toegankelijk (‘das Gesetz soll doch jedem und immer zugänglich sein, denkt er, (…)’). Deze universaliteit van de wet die de landman vooronderstelt, gaat voorbij aan zijn eigen begrensde, middellijke positie. Het is duidelijk dat het hoofdthema singulariteit hier wordt geëntameerd. Derrida geeft vervolgens een interessante overweging over het positieve (of gestelde) recht. Over het algemeen behoort men het gestelde recht namelijk te kennen in de veronderstelling dat men kan lezen. Deze leesbaarheid (toegankelijkheid of algemeenheid van de leestekens) duidt op de ontastbaarheid van een wettelijke tekst. Deze ontastbaarheid is pas mogelijk omdat de tekst leesbaar en dus statisch of gesteld is. Derrida meent nu te kunnen stellen dat de onleesbaarheid of ontoegankelijkheid (van de vorige alinea) niet meer tegenover de leesbaarheid staat. Sterker nog, de leesbaarheid en onleesbaarheid zijn aan elkaar gekoppeld en typeren de paradoxale structuur van de wet. Dit correspondeert precies met het feit dat de deur tot de wet in Kafka’s parabel open blijft staan, terwijl de toegang tot de wet tegelijkertijd ontoegankelijk en dus verboden blijft.


geert grote pen 2011 Rob van de Ven (1985) behaalde eerst een bachelor kennistechnologie in Maastricht, vervolgens behaalde hij zijn master filosofie aan de Universiteit Tilburg. In 2011 startte hij een onderzoeksmaster filosofie aan dezelfde universiteit. robvandeven@gmail.com

248


rob van de ven

artificieel bewustzijn en the explanatory gap Een zoektocht naar de fundamenten van het bewustzijn rob van de ven

249


rob van de ven

inhoud 1 inleiding 253 1.1 Artificieel bewustzijn en the explanatory gap 254 1.2 De opzet van het artikel 256

2

een wetenschappelijke benadering van het bewustzijn

2.1 Een ontologisch dualisme 257 2.2 Van dualisme naar monisme 258 2.3 Idealisme en solipsisme 259 2.4 Het fysicalisme 261 2.5 Reductief materialisme / identiteitstheorie 261 2.6 Het functionalisme 262 2.7 Het Cartesiaanse theater 263 2.8 Hofstadters mierenhoop 263 2.9 Fame in the brain 264

3

kritische kanttekeningen

266

3.1 What is it like to be a bat? 266 3.2 The easy and the hard problem 267 3.3 Mary’s room 268 3.4 Naturalistic dualism 270 3.5 Epifenomenalisme 270

4

the explanatory gap , feit of fictie ?

272

4.1 Élan vital 273 4.2 Zwakke en sterke emergentie 274 4.3 Exit epifenomenalisme 274 4.4 De kracht van de Turing test ter discussie 275 4.5 Dansende qualia 278 4.6 The Chinese room 279 4.7 Het bewustzijn verklaard? 281

5

conclusie literatuur

251

282 284

257


geert grote pen 2011

4

the explanatory gap , feit of fictie?

I

n de huidige Philosophy of Mind debat zijn er ruwweg twee kampen ontstaan aangaande het thema van dit essay. Zij die het bestaan van een explanatory gap illusoir achten, en zij die het serieus nemen. Met andere woorden, zij die het bewustzijn in fysische en functionele termen uiteen trachten te zetten, en zij die claimen dat een dergelijke aanpak per definitie te kort schiet. Team A: Dennett, Hofstadter, Minsky, de Churchlands, Clark, Lycan etc. aan de ene kant, en team B: Chalmers, Nagel, Levine, Searle, Block, McGinn enz. aan de andere kant. Op 15 februari 2001 vond er een debat plaats over deze kwestie tussen Dennett en Chalmers op de Northwestern University in Evanston te Illinois. Dennett schreef een reflectie op dit debat met de titel The Fantasy of First-Person Science (Dennett, 2001). Hierin typeert hij het meningsverschil tussen de twee teams als volgt. Immanuel Kant stelde zichzelf de volgende vraag: ‘How is it possible for something even to be a thought (of mine)? What are the conditions for the possibility of experience (veridical or illusory) at all?’

Wanneer er nu wordt voorgesteld Kants vraag te substitueren door Turings vraag: ‘How could we make a robot that had thoughts, that learned from ‘experience’ (interacting with the world) and used what it learned the way we can do?’ Dan is de reactie van team A onder leiding van Dennett: ‘Cool! Turing has found a way to actually answer Kant’s question!’ en de reactie van team B onder leiding van Chalmers: ‘Aaaargh! Don’t fall for it! You’re leaving out . . . experience!’. In mijn optiek geeft Dennett met deze analyse het meningsverschil tussen beide teams correct weer. Team B onder leiding van Chalmers acht het bestaan van the explanatory gap reëel. Een uiteenzetting louter bestaand uit fysische en functionele termen kan daarom volgens hen nimmer tot een bevredigende bewustzijnstheorie leiden. Een dergelijke theorie laat namelijk het subjectieve aspect, de fenomenale ervaring, de qualia, buiten beschouwing. Ook Turings test zwijgt in hun optiek daarom over de aan- of afwezigheid van qualia. Chalmers’ hard problem zal derhalve serieus genomen moeten worden om de kwestie volledig te kunnen doorgronden. Team A met aanvoerder Dennett beweert daarentegen dat hun antagonisten de conceptuele fout maken qualia te immuniseren door ze te beschouwen als iets wat niet functioneel te verklaren valt. Qualia zijn volgens team A echter wel degelijk in fysische en functionele termen uit te drukken. Volgens hen leert Mary, die volgens het experiment alle mogelijke fysische informatie bezit, dan ook helemaal niets nieuws wanneer ze uit haar kamer stapt. Ook claimen zij dat wetenschap ons wel degelijk kan vertellen hoe het is om een vleermuis te zijn. Zij beschouwen the explanatory gap als een conceptuele fout en Chalmers’ hard problem als illusoir. In plaats van de subjectieve gewaarwording te immuniseren zou team B 272


Geert Grote Pen 2011  

Nederlandstalige Masterscripties van 5 Jonge Filosofen