Issuu on Google+

Gekletter in de Karwendel de beklimming van de Laliderspitze (2594mr) via de Herzogkante 18 juli 2005 Om 7:00u uit Valkenburg met regen vertrokken. Fietsen en rugzakken in de auto. De heenreis zou volgens plan acht uur duren. Dit was echter niet het plan, Mervyn had zeven uur in gedachten. Dit plan zou uitgekomen zijn als niet een of andere malloot op het idee was gekomen om half München om te spitten en open te leggen. Toen we in Hinterriss aankwamen was het dan ook 15:00u. Na nog navraag gedaan te hebben naar een klimgids werden we met een verbaasde blik en een kaartje voor de MTB route de berg opgestuurd. 15:30u vertrek met de mountainbike. De route zou ons binnen 2 uur naar de hut brengen. Te voet zou dit 4 uur duren. Een combi 2 uur en drie kwartier. Voor ons werd het onvoorzien de combi. Rugzakken met klimmateriaal, helm, eten, kleding en touwen in combinatie met puin bezaaide steile paden maakte de eerste honderden meters tot een hel. Zeker omdat het flauw regende, het erg benauwd was en ik mijn windstopper aan had en Mervyn zijn jas. Zweten, vloeken, wegslippen, afstappen, rugzak op de fiets leggen, opstappen, wegslippen, vloeken, toch nog proberen, vloeken, rugzak toch op de rug, weer proberen, afzien, afstappen en lopen waren de ingrediënten van het eerste stuk. Het regent, ver weg onweert het en het is al redelijk laat in de middag. Dit samen met onze bepakking doet een enkele dalende wandelaar en mountainbiker ons een blik toe werpen die doet vermoeden alsof wij met gekkenwerk bezig zijn. Zo voelt het eigenlijk ook wel, afzien is het. Door dat afzien genieten we eigenlijk te weinig van de omgeving. Een lieflijk landschap met in de verte omhoog reizende wanden. 18:15u: der Falkenhütte. Op de hut begint het gissen naar morgen. Tijdens de bockwurst mit sauerkraut wordt ons een kletterführer aangereikt. Een aantal opties worden in beschouwing genomen gezien het weer. Nog voor zehn uhr was hüttenruhe. 19 juli 2005 7:30u, we staan op. 7:45u fruhstück. Het weer lijkt enigszins stabiel, de bewolking hangt hoog en het is droog. We besluiten om de wand in te gaan en om te draaien wanneer het niet gaat. 8:30 vertrek van de hut. Vanaf de hut loopt een pad omlaag naar een bankje, vanaf het bankje loopt tussen wat struikjes een ander pad omhoog dat overgaat in een groot puinveld. Volgens de kletterführer begint de klim op de 2 e rotsband. Tussen ons en de einstieg ligt nog een sneeuwveld. Zonder stijgijzer betreden we het veld. Mervyn begint treden te schoppen richting de einstieg, vermoedelijke einstieg. Na het bereiken van de top van het ijsveld blijkt er een gapend gat tussen de sneeuw en de wand. Te diep en te ver van de 2e rotsband om te kunnen einstiegen. Een stukje afdalen en traverseren naar begaanbaar stukrots is de enige overgebleven optie. Mervyn waagt zich aan de oversteek en bereikt het einde van de traverse. Oei, iets lastiger dan gedacht. Ik zie Mervyn zich vast houden aan een soort van sneeuwgraat en vraag me vrijwel meteen af of deze het houdt. Even schrap zetten, een sprongetje en hij is er. Nu ik nog. Het laatste stuk bij de “graat” ga ik aan het touw, you knever know. De sneeuw voelt steviger dan hij er uit ziet. Kleine aarzeling en dan toch het sprongetje. Deel I voltooit: Einstieg Bereicht.

-1-


De gordels gaan aan, de friends en nuts nemen samen met de setjes plaats op de gordel van Mervyn. Nadat ik me heb aangebonden kunnen we beginnen, althans Mervyn. Het eerste stuk gaat iets lastiger dan verwacht, zodat Mervyn besluit om terug te klimmen en zijn geluk op een andere passage te beproeven. Dit is aanzienlijk makkelijker. De rots is wat vochtig. Wanneer ik na kan komen begint het grote geklungel, het is de eerste keer dat ik met een dergelijke grote rugzak klim en dan ook nog eens op bergschoenen. Klungelend en worstelend kom ik langs de eerst schlinge waarmee de eerste tussenzekering is gemaakt. De volgende meters gaan zowaar volgens bepaalde technieken die ik toch nog blijk te beheersen. Mervyn maakt melding van de eerste haak, we zitten goed. We stijgen via lopend touw, de route heeft meer weg van een klettersteig zonder kabel. Wanneer ik Mervyn weer zie heeft hij stand gemaakt. Na overgave van zekermateriaal en overleg over de te volgen route gaat hij verder. De zekerheid heeft, ook door de regen, nog geen vat op Mervyn gekregen en hij besluit dan ook om de bergschoenen te verruilen voor de wrijvingsschoenen. Wanneer de schoenwissel heeft plaatsgevonden is de zekerheid een stuk hoger. De passage die Mervyn de wissel deed besluiten wordt zonder moeite overwonnen. Niet veel later is hij boven: stand! Tijd voor mijn schoenwissel. In een recordtijd, waar menig “pitstopteam” jaloers op is, verruil ik het comfort en de warmte voor een stukje kou ,stug zelfvertrouwen. Dit is klimmen, dit voelt goed. Het weer is tijdens het stijgen erg wisselvallig. Slecht en heel slecht zijn de weersbeelden die elkaar in rap tempo afwisselen. Bij de standplaats aangekomen raad Mervyn me aan om wat te eten. Ik veranker mijn rugzak en eet een reep. Enkele minuten geleden kon ik in het dal nog een deel van de mountainbike-afzien-route van gister zien, inmiddels bevind ik me in een wolk met regen.Doordat de wolken met een hoge snelheid tegen de wanden van achthonderd meter aan worden “geduwd” moeten deze stijgen waardoor ze afkoelen en het vanzelf gaat regenen. Dit zou de uitleg van Mervyn zijn een dag later. Het staand/ hangend zekeren zorgt niet voor genoeg beweging om kou te voorkomen. Gelukkig; stand, ik mag gaan bewegen. Een lastiger stuk voor de boeg, een 4 e graads passage. De regen, de natte rots en de wind maken het er niet makkelijker op. Ik ben dan ook blij als ik op de standplaats aankom. Naast druppels regent het ook stenen. Menig zoef, tok, klets, voem hebben mijn persoon dan ook al gepasseerd. Er ligt veel los gesteente, zeker op de “wandelstukken”. Hier en daar voelt een rots of steen niet 100% vast waardoor ik op die stukken besluit snel verder te klimmen. Om het hoekje hoor ik vanaf mijn standplaats en grote massa keien en stenen naar beneden razen en Mervyn iets schreeuwen, alleen versta ik hem niet. Het touw blijft slap dus hij staat nog. Wanneer ik na het stand commando zelf om de hoek ben zie ik wat het lawaai veroorzaakt heeft, een Jos Verstappen oftewel een grindbak. Ondanks de regen en de opklaringen vorderen we gestaag. Wanneer de zon het dreigt te winnen van de wolken trekt het dal open en zie ik de duizelingwekkende wanden en vooral enorme afgronden. Maar als snel begint het weer te regen en zit ik met mijn hoofd in de wolken, helaas letterlijk. De kou doet mij besluiten tot een galopje op de plaats waar Bonfire een puntje aan kan zuigen.

-2-


Zoef, zoef, zoef; het snel door mijn ATC razende touw doet mij vermoeden dat de komende touwlengte, zoals gehoopt, makkelijk is. Daar zijn we wel aan toe even iets makkelijks, niet dat het zo ontzettend moeilijk is maar de kou de regen en de ietwat gladde rots in combinatie met veel loszittend gesteente maken de passages er niet makkelijker op. Op de vorige touwlengte was Mervyn het een beetje zat en heeft bekend een luttele seconde gebruik gemaakt te hebben van de haak, diezelfde haak die ook ik gebruikte als hulpstuk. Maar zoals verwacht is de volgende touwlengte makkelijk. De volgende standplaats is op een graat. Links en rechts afrond en voor ons twee grote rotstorens. De twee torens staan achter elkaar en daarboven is het vervolg van de route te zien. Mervyn besluit om de eerste rotstoren heen te gaan om de tweede ook te kunnen ontwijken om zo vermoedelijk bij een van de laatste standplaatsen van onze beklimming te geraken. Na Mervyn het richeltje getraverseerd te zien hebben verdwijnt hij de hoek om. Het touw gaat weer vlug door mijn ATC en geeft aan dat er om de hoek waarschijnlijk weer een makkelijk stuk zal verschijnen. Het dal is nog steeds niet te zien. Stand! Ik ga zitten en strek mijn benen om zo het smalste stuk van de graat te overwinnen. Het is weer even helder. Links van mij is een enorme diepte, rechts is het niet anders. Een stap brengt mij bij de wand van de rotstoren, waar de richel op loopt. De eerste stap op de richel voelt vast maar mijn handgreep voelt niet zo. Bij de volgende stap valt de steen uit mijn handen en hoor hem in de diepte vallen. Mijn besluit is om dit stuk maar snel door te klimmen. Pfjiew, ik ben het hoekje om en zie een makkelijk stuk voor me verschijnen, ook zie ik Mervyn al. De keuze: links om of rechts om. Volgens de beschrijving is er zo’n honderd meter onder de top een splitsing. Het lijkt er op dat we dit punt bereikt hebben. Dezelfde beschrijving geeft aan dat links om makkelijker is, maar we zien het probleem aan de rechter kant niet. Na kort overleg besluit Mervyn om rechts te gaan, ongeveer een meter hoger legt hij nog een tussenzekering. Een stukje traverseren en Mervyn staat voor een drie meter hoge, ietwat overhangende, passage. Het gaat moeizaam, zodra hij met redelijk wat moeite door het stuk heen is schrik ik. Schrikken we allebei. Voor mijn ogen zie ik Mervyn een groot stuk steen ter grootte van een voetbal de diepte in trappen zodra hij met zijn standbeen de laatste afzet doet om de passage definitief achter zich te laten. Gelukkig blijft het touw ook nu slap want de veilige haven is bereikt. Relatief veilige haven. Ik ben blij dat ik niet in zijn schoenen sta, zeker omdat er een van die schoenen net in het luchtledige bungelde. De komende touwlengte gaat langzaam en ik ben Mervyn uit het oog verloren. Stand. Voor het eerst ben ik niet blij dat ik mag nakomen. Met het beeld van het vallende gesteente nog voor mij maak ik de tussenzekering los en ga richting de “brokkelwand”. “Kom op je moet”, fluister ik mezelf moed in en besluit zacht te zingen. “When doves cry” komt in me op. Een nummer van Prince en gecoverd door de Eindhovense reggaeformatie Beef. Waarom? Geen idee. Met een diepe zucht kijk ik naar boven en bedenk wat het makkelijkste zal zijn, ik sta goed maar wat nu? Mijn linker arm strekt zich uit en ik pak met mijn linkerhand rots vast. Mijn rechterhand volgt dezelfde procedure en ga aan mijn armen hangen. F*ck! Het houvast voor mijn linker arm begint los te komen, in een wanhopige poging probeer ik mijn voeten ergens te plaatsen en mijn handen naar te rechts te bewegen. Te laat. Uit een reflex begin ik achterwaarts naar beneden te lopen alsof ik aan het abseilen ben. “Wanneer is de rek uit het touw? Wanneer hang ik stil? Niet dieper!” Deze drie zinnen zeg ik voor mijn gevoel wel vijftien keer

-3-


binnen drie seconden. In een waas zie ik het blok waar ik me aan vast had met mij naar beneden suizen. Een halve kubieke meter rots en steen. Wanneer het touw strak hangt krijg ik op vrijwel het zelfde moment een blok op mijn linker bovenbeen, niet groot maar wel groot genoeg voor het bekende ijsbeentje. Ik vloek. Ik bibber van angst, en probeer makkelijker te gaan staan en moet iets om hoog klimmen. Voorover leunend op de wand hijg en bibber ik en probeer wat tot rust te komen. Mervyn roept wat. Dat wil zeggen, ik hoor geluid. “JA” roep ik terug. Het besef dat ik verder moet maakt plaats voor de behoefte om de val te verwerken. Terug kan niet, het is al te laat. Via een omweg kom ik weer bij de passage aan. Voormalig passage! Deze ligt waarschijnlijk zevenhonderd meter lager. Tot mijn verbazing zie ik dat de bult waar ik mij aan vast hield vervangen is door een vierkante meter vlakke plaat. Het ziet er makkelijker uit dan eerst. Maar door de kou en vooral de schrik zijn mijn benen niet geheel in staat om te doen wat ik wil. De eerste stap in de hoogte heb ik gemaakt, mijn rechterhand gaat omhoog. Een goede greep. Mijn lichaam moet zo goed als volledig aan deze arm hangen. Ik zet aan en voel het gesteente onder mijn rechter voet wegzakken en ik pak me zo snel mogelijk met mijn linker hand vast op de rots boven mij. Samen met het puin valt mijn laatste vertrouwen in de rots naar beneden. De kracht uit mijn armen vloeit weg. Ik kan niet meer , maar ik heb geen keuze. Met sportklimmen is dit een moment dat je blok roept en het wel voor gezien houdt. Blok is geen optie. Geen vertrouwen in de rots. Geen vertrouwen in mijzelf. Angst. Het enige dat me goed gezind is, is het weer. Het hele dal is te zien en de zon schijnt zwak. Joeri je moet, hoor ik mezelf zeggen. Alles of niets. Uit alle macht en angst werk ik mijn zwaartepunt omhoog. Ik ben er. De volgende twintig meter zijn een hel. Iedere steen die ik vastpak of waar ik op sta blijkt los te zitten. Zwetend scheldend en zuchtend kom ik aan bij Mervyn. “Meteen door” is het devies van Mervyn, die zegt wel eens op een fijnere standplaats gestaan te hebben. Mijn val heeft aan het comfort van de standplaats niet bijgedragen. Een grote pilaar doemt voor me op, voor mijn gevoel zeker honderdvijftig meter. Mervyn is de pilaar al ingeklommen en staat zon vijfentwintig meter hoger, beredeneer ik aan de hand van het uitgegeven touw. De pilaar is dus maximaal zestig meter hoog. Het gaat redelijk snel. “Hoeveel touw heb je nog?” schreeuwt Mervyn, ik laat zien wat ik in huis heb. “Als het touw op is moet je nakomen, ik ben er bijna”. Ik knik, maar tegelijkertijd slik ik ook. Aan lopend touw? Zestig meter klimmen, met al die losse shit? Als ik val redden we het nooit. Gelukkig zijn de stenen en blokken dit laatste stuk vaster en komt mijn vertrouwen weer iets terug. Ik hoor een kreet van vreugde, Mervyn is op de top, nu ik nog. Het laatste stuk waar ik mee bezig ben ziet er spectaculair uit en hangt ietsje over. Nog een klein stukje. Ik hoor Mervyn en zie de rode helm verschijnen. Voor het eerst in mijn leven ben ik binnen twintig minuten (denk ik, het besef van tijd op de rots volledig kwijt geraakt) twee keer nog nooit zo blij geweest dat ik een rode helm te zien met Mervyn eronder. Schoenen aan. Lekker warm. Nog vijf meter omhoog wandelen en we staan op de Laliderspitze. Een high-five en een omhelzing gaan vooraf aan de, bij een aantal Nederlandse beklimmingen zo omstreden, topfoto. Twee foto’s voor de zekerheid. Nu afdalen naar het bivak, want het is al te laat om naar de hut af te dalen. Natuurlijk gaat het pad naar de bivakhut door los gesteente. De onzekerheid van het bovenkomen heeft

-4-


plaatsgemaakt voor nieuwsgierigheid naar het bivak interieur. Bij het bivak aangekomen blijkt dat er genoeg dekens en warmte aanwezig zijn. Er is zelfs eten, alleen gas om dit te verwarmen ontbreekt. Snel alles af en uit om de afdaalroute voor morgen te gaan zoeken. Mervyn vindt deze wanneer ik op hetzelfde moment boven de bivakhut nog wat foto’s maak. De route wordt gemarkeerd door Mervyn, die een aantal steinmänner maakt. Nu snel het bivak en de warmte in, het avondeten wacht. Heerlijk, mueslirepen en snickers. Tijdens het avondmaal blijkt mijn ijsbeentje toch iets heftiger dan gedacht. Mijn dijbeen bevat een ei met daarop gedroogd bloed. Nadat ik de wond ontsmet besluit ik onder de dekens te kruipen. Morgen afdalen. 20 juli 2005 5:45u. Ik hoor de wekker wel maar ik blijf nog even sukkelen, om 6 uur schrik ik weer wakker. Door het zonnedak in de hut zie ik dat het licht is en besluit Mervyn te wekken. Binnen vijftien minuten zijn we op pad op weg naar de Spindler Slucht, een kloof die is ingericht om te abseilen. Voordat we er zijn moeten we eerst door een geröllveld. Eerst dalen en daarna klimmen. Volgens de kletterführer die Mervyn gister in de hut uitgebreid bestudeerd heeft moeten we langs een markante en een brede rotstoren. Diezelfde verwijst naar groene markeringen die we moeten volgen. Inmiddels zijn we markeringen op het spoor, dit zijn echter geen groene maar rode. Nja dat zal wel een oud “kletterführertje” geweest zijn of er zijn allerlei scheikundige processen gaande geweest die resulteerde in de rode kleur. Tijdens de halfuur durende tocht merk ik dat mijn zekerheidsgevoel op losgesteente niet is zo als het voor mijn val was. De eerste abseil. Mervyn maakt de touwen vast en begint te dalen. Wat een imposante omgeving. De kou maakt zich weer meester over me, ik sta aardig op de tocht en kan niets anders doen dan wachten. Ineens word ik opgeschrikt door enorm lawaai. Het is weer zover, stenenregen. De afdaling zal dus naast opletten voor het touwverloop ook wel opletten voor stenen gaan bevatten. Door het touw tegen mijn voet te houden voel ik of er nog spanning op het touw zit. Minutenlang sta ik te wachten. Het touw wordt slap, staat strak en wordt weer slap. Dan klinkt het verlossende woord; “touw vrij”. Snel maak ik me aan het touw vast. ATC en de prusik zitten vast, zelfzekering los en gaan. Ik ben onder de indruk van de kloof; “even wat anders als Beez of Freyr”, merkt Mervyn terecht op. Het lange wachten, verklaarde Mervyn, was te wijten aan het feit dat hij een haak voorbij was gegaan en weer een stuk omhoog moest klimmen. Niet zo raar omdat de haak ergens om de hoek was bevestigd. De volgende abseil is redelijk vlak, zodat ik Mervyn de hele tijd kan zien. Ook zie ik dat het touw een rotsblok losmaakt en, net voor dat dit over de rand valt, in tweeën splitst.

Bij de volgende markering aangekomen blijkt een haak te ontbreken. Dat wordt lopen. Het stuk is niet moeilijk. Normaal gesproken niet. Met een gespannen lichaam leg ik het

-5-


stuk af, bij iedere stap aarzel ik. De val is me niet in de koude kleren gaan zitten. Onzekerheid en woede, vooral op mezelf, zijn de gevoelens die van binnen met elkaar worstelen. Mervyn loopt boven mij en zekert me, door het touw vallen er zo nu en dan stenen langs me heen. De stenen zijn vaak niet groter dan een bonk, een van de grotere knikkers uit mijn weinig succesvolle knikkertijd. Een van deze stenen schopt het zelfs zo ver om op mijn helm te belanden. “Joeri kijk uit” klinkt en galmt het van boven af. Uit een reflex maak ik mijzelf zo klein mogelijk en druk mezelf zo dicht mogelijk tegen de anderhalf meter hoge muurtje waar ik naast sta. Het volgende moment voel ik een brokstuk op mijn rugzak en voor een deel op mijn schouderblad vallen. Heel even ontneemt het blok, dat de grote heeft van een twee liter cola fles, me de adem. Mijn rugzak heeft de grootste klap opgevangen en, zoals later blijkt, er ook een scheurtje aan over gehouden. Mijn arm voelt stijf en tintelt een beetje. Ik voel een licht zeurende pijn. Aan lopend touw bereiken we de volgende markering, met haak deze keer. Een abseil bevordert het tempo waarin we dalen. Vier of vijf touwlengtes kunnen er achterelkaar worden abgeseild, zonder dat we hoeven te lopen. Het dal, puin en sneeuwvelden zijn inmiddels een stuk groter geworden. Voor mijn gevoel is het niet ver meer voordat we zelf op het sneeuwveld staan. Telkens als Mervyn me voor gaat, gaat dit bijna altijd gepaard met geluid van vallende stenen en brokstukken. De markering is matig, wanneer je het meest logische verloop van de kloof zou volgen zouden we de haak telkens missen. Dit komt omdat de haken steeds om een hoek geplaatst zijn. Lastig zeker omdat je dan moet traverseren, dit wordt moeilijker gemaakt doordat het touw je de andere kant op trekt. Na de vijf touwlengtes bevestigt Mervyn mijn vraag, “moeten we lopen?”, met een antwoord waar ik niet op hoopte. “Ja” we moeten weer een stuk lopen. Het is echt niet ver meer, maar de gedachte om de laatste honderd meter te lopen, zeg maar schravelen, maakt me niet blij. Nadat ik tien meter heb afgedaald en me zo goed en zo kwaad, vooral op mezelf, door een spleet naar beneden worstel tref ik een haak aan. Als we weer eens een hoek omgaan passeer ik Mervyn over een niet al te brede richel waarna ik over een blok moet stappen. Ik sta in een brede glijbaan van dring met in het midden een kabel. De kabel zit goed vast aan de bovenste haak, dit is verder het enige punt waar de haak aan vast zit. Ik besluit om met een schlinge een prusikknoop te maken om me zo vasthoudend aan de kabel te laten zakken. Onder aan de kabel zie ik een plateautje omringd door stenen torens, een veilige haven. Voordat ik daar ben moet ik ernaar toespringen. De sprong is niet bijster groot en de landing ook niet. De toegang tot het plateautje is net breed genoeg voor mijn lichaam. Tijdens mijn sprong daal ik een stukje. Mijn voeten en handen hebben alleen een steunpunt, mijn bovenlichaam leunt iets voorover. Schrap zetten, diep ademhalen en gaan. Voor ik het besef sta ik al tussen de rotstorens. Mervyn staat niet veel later voor me. Hij maakt de sprong niet maar klimt over me heen. Bij mijn voeten is een gat waardoor ik de afgrond inkijk. Dit gat leidt me ook naar Mervyn. Zodra ik bij Mervyn sta heeft deze al besloten om me het laatste stuk te laten abseilen. Zodra ik onder aan de wand sta wordt me een touw toegeworpen wat ik opschiet en in mij rugzak doe. Nog een klein stukje over gesteente tussen de rotsblokken en mijn voeten hebben eindelijk een sneeuwveld onder zich. Het sneeuwveld gaat over in een enorme massa van keien. Iedere stapje dreigt je een beetje naar beneden te sleuren. Hier ben ik niet bang voor, dit is leuk. “Surfing USA” van de Beach Boys is dan ook het enige nummer dat in me opkomt. Me

-6-


naar beneden laten glijden en zo nu en dan met verbazing naar de Herzogkante kijken, zijn de bezigheden waarmee ik dichter bij de Falkenhütte kom. Hebben we die beklommen? De achthonderd meter hoge graat staat majestueus in de zon. Ik voel me enorm nietig nu en ik besef op wat voor kolos ik me begeven heb. Een klein half uur na het verlaten van de wand zijn we weer op de hut. Een warm welkom staat ons te wachten en dat is niet alleen te danken aan de temperatuur. Gitaarmuziek, geneurie en gezang van een groep Oostenrijkse bergwandelaars maakt de omgeving af. Groene almen, alpen bloemen en het gezang zijn het decor waarin we onze spullen inpakken. Ik waan me in een van de Duitse filmpjes die mijn moeder regelmatig achter de buis doet kluisteren. “Dokter am alm” ofzo. In het echt is het best gezellig moet ik zeggen. We bestijgen de fiets en dalen af, wat overigens meer weg heeft van stuiteren. De snelle afdaling wordt in den beginne nog iets afgeremd door de lekke band van Mervyn, maar een uur later staan we bij de auto. Negen en een half uur daarna staan we weer in Valkenburg. Drie dagen weg van huis en een avontuur rijker. Joeri Schouten

-7-


Gekletter in de Karwendel