Page 1

Lotte Sprengers

TRACES

52o 06o 19o N // 05o 06o 58.7o E


Lotte Sprengers

SPOREN NB 52 6 19, // OL 5 6 58.7


Inleiding


De Staatsliedenbuurt verandert. Aan de Talmalaan wordt nieuwbouw gepleegd, in de nabije toekomst zullen ook andere delen van de buurt plaatsmaken voor mooie nieuwe woningen. Maar in dit boek gaan we niet in op de toekomst van deze buurt. Hier maken we een stand van zaken op. Voordat de buurt radicaal verandert, leggen we die vast op foto’s en in de verhalen van bewoners. De Staatsliedenbuurt is een woongebied als vele andere naoorlogse wijken. Net na de oorlog moest er gebouwd worden. Er was woningnood. Jonge mensen, alleenstaanden en gezinnen woonden in kleine, versleten woningen en op kamers, vaak bij hun ouders. Velen hadden zelfs geen eigen toilet of douche. De Staatsliedenbuurt was voor hen een winnend lot uit de loterij. De woningen waren groot, licht, ruim en van alle moderne gemakken voorzien, zoals een ruime keuken en een apart badkamer met een douche. Nu zijn we ruim 55 jaar later. Het zijn nog steeds dezelfde woningen, maar de buurt is intussen danig veranderd. Veel bewoners trokken in de jaren zestig en zeventig naar nieuwbouw aan de rand van Utrecht en naar groeigemeenten buiten de stad. De positie van de Staatsliedenbuurt op de woningmarkt veranderde hierdoor. De buurt kreeg een ander sociaal karakter. Door de relatief lage huur, in vergelijking met de rest van Utrecht, kwamen er mensen terecht met weinig financiële middelen die vaak snel een woning nodig hadden, bijvoorbeeld door een echtscheiding. Omdat het een kleine buurt is, had de overheid weinig oog voor de neerwaartse spiraal waarin de buurt terechtkwam. Grote herstructureringsgebieden als Overvecht en Kanaleneiland kregen alle aandacht. In de jaren negentig leek het uit de hand te lopen in de flats aan de Talmalaan. Er woonden verslaafden. Er werd drugs gedeald. De politie kwam handen tekort. Uiteindelijk besloten gemeente en corporatie om de buurt fors te herstructureren, te beginnen met de flats aan de Talmalaan. Die werden als eerste gesloopt.

Vervolgens maakten rede en daadkracht plaats voor absurditeit en stilstand. Door mismanagement, politiek geharrewar en bestuurlijke besluiteloosheid heeft de herstructurering tien jaar stilgelegen. Geen nieuwe woning kwam erbij. Voor veel bewoners was het onduidelijk wat hun te wachten stond. De problemen in de buurt stapelden zich op. Huishoudens met weinig draagkracht verhuisden uit de grote aandachtswijken naar de Staatsliedenbuurt en namen sociale problemen met zich mee. Problematische gezinnen zorgden voor structurele overlast en hangjongeren maakten het leven van bewoners meer dan zuur. De overheid greep in met een plan van aanpak voor de periode 2007-2010. Een miljoen euro werd vrijgemaakt om gezinnen met problemen te ondersteunen, de criminaliteit tegen te gaan en de betrokkenheid van bewoners bij hun buurt te versterken. In die periode veranderde de bewonerssamenstelling van de buurt. In vijf woonblokken verhuisden de reguliere bewoners en maakten zij plaats voor studenten. Voor hen zijn de woningen overigens ook een lot uit de loterij. Immers, voor weinig geld wonen ze in een ruime studentenwoning vlakbij het centrum. De laatste jaren lijkt de rust weergekeerd in de buurt, wellicht mede door de inspanning van de gemeente. In deze periode hebben wij, fotografe Lotte Sprengers en stadssocioloog Thaddeus Müller, de buurt vaak bezocht. We hopen dat de combinatie van ons beider benadering een gelaagd en genuanceerd beeld geeft van de buurt en zijn bewoners aan de vooravond van grootschalige fysieke en sociale veranderingen.


Thuis in de Staatsliedenbuurt


Hoe leven de bewoners van de Staatsliedenbuurt? Voelen ze zich er thuis, willen ze zo snel mogelijk weg, zijn ze tevreden, klagen ze steen en been? De omstandigheden in de Staatsliedenbuurt zijn verre van ideaal. Er is sprake van criminaliteit en overlast, veel bewoners zijn in de afgelopen jaren vertrokken en de herstructurering is danig vertraagd. Deze buurt, met circa 600 woningen en 1100 inwoners, kan een achterstandbuurt of probleembuurt genoemd worden, maar dat is vooral een label dat buitenstaanders, zoals bewoners van andere buurten en medewerkers van de gemeente, de corporatie en de welzijnsorganisatie, op de buurt plakken. Hoe bewoners tegen het leven in de buurt aankijken is vooralsnog niet goed onderzocht. Hun perspectief wordt hieronder beschreven. Voordat ik dat doe, beschrijf ik in het kort de buurt. De buurt Als we kijken naar de ‘officiële’ kenmerken van de Staatsliedenbuurt, valt op dat die bijna allemaal een negatief karakter hebben. De woningen zijn volgens de moderne normen verouderd, klein en gehorig. Daarom dienen die ook vervangen te worden door nieuwe woningen. Het gaat om een forse ingreep. Afhankelijk van de te kiezen sloopvariant wordt tussen de 40% en 60% van de buurt gesloopt. Door bestuurlijke besluitenloosheid heeft de herstructurering ruim tien jaar stilgestaan en hebben bewoners lange tijd in onzekerheid moeten leven over wat hun te wachten staat. Veel bewoners hebben eieren voor hun geld gekozen en zijn met behulp van de gemeente en de corporatie verhuisd naar een andere, betere woning buiten de buurt. Een aantal flats is al gesloopt en in vijf flats die op termijn gesloopt worden wonen nu (tijdelijk) studenten. In het midden van 2005 constateerden de professionals een cumulatie van problemen in de buurt en besloot de gemeente om extra geld uit te trekken voor de aanpak ervan. De aandacht ging uit naar

1) huishoudens die het moeilijk hebben – in de termen van de gemeente gaat het om de sociale problematiek “achter de voordeur” – en 2) naar het terugdringen van overlast en criminaliteit en het daarmee vergroten van de leefbaarheid, en 3) het betrekken van bewoners bij hun buurt. De aanpak is in 2010 afgerond en de rapportage ervan wordt in de zomer van 2011 gepresenteerd. Uit de jaarlijkse rapportage over de Staatsliedenbuurt in de periode 2007-2009 komt ook een overwegend negatief beeld naar voren. De buurt scoort slecht op criminaliteit (jongerenoverlast, inbraken en subjectieve onveiligheid) en opvoeding. De scores ten aanzien van betrokkenheid bij de buurt leveren geen eenduidig beeld op. De buurt scoort gemiddeld wat betreft verantwoordelijkheid voor de buurt, actieve betrokkenheid bij de buurt, het rapportcijfer voor sociale cohesie en ‘contacten’. De buurt scoort negatief op gehecht zijn aan de buurt en blijven wonen in de buurt, maar dat is ook niet verwonderlijk gezien het aantal bewoners met een tijdelijk huurcontract, de toekomstige grootschalige sloop van de buurt en de onduidelijkheid daarover. Ook het oordeel over de buurt is gemengd. Het rapportcijfer wijkt weinig af van het gemiddelde van de stad, en het toekomstbeeld is daar ook vergelijkbaar mee. Wel is het aantal mensen dat stelt dat de buurt in de afgelopen jaren achteruit is gegaan (veel) groter. Wellicht heeft dit betrekking op de sociale problematiek die zich ontwikkelde in de eerste helft van 2000. Het verhaal van de bewoners In de ruim dertig gesprekken met bewoners zijn drie onderwerpen naar voren gekomen die ook deel uitmaken van de `formele’ beeldvorming over de buurt: de woning, sociale contacten en veiligheid. Hier laten we zien hoe de bewoners tegen deze drie thema’s aankijken.


De woning Uit de gesprekken komt naar voren dat de meeste bewoners tevreden zijn over hun woning. Ze maken allen duidelijk dat ze niet willen verhuizen. De starters op de woningmarkt zijn doorgaans erg tevreden. Zij realiseren zich dat ze weinig kans hebben op een goedkope woning vlakbij het centrum van Utrecht. In hun ogen zijn de woningen ook relatief groot. Met name de studenten zijn enthousiast. Voor hen is een woning in de Staatsliedenbuurt een lot uit de loterij. Een studente: “Ja, ik zou hier nog langer willen blijven wonen. Ik heb nu een flatje zeg maar, dat is een hele mooie woonruimte, dat is dichtbij de stad, anders moet je jarenlang op een wachtlijst staan, zeker in Utrecht.” Een vrouw van eind twintig was ook tevreden met haar woning, zeker in vergelijking met wat ze vroeger had: “Ik heb gelezen dat ze de eerste twee jaar blijven staan en daar ben ik heel blij mee, want ik woon hier perfect. Toen ik hier kwam wonen kon ik mijn ogen niet geloven. Ik had echt zoiets van wauw wat groot. Toen zag ik dat er nog een kamertje was.” Een aantal informanten koos vanuit een noodsituatie voor een woning in de Staatsliedenbuurt. Ze waren doorgaans niet in de positie om kieskeurig te zijn. Zo vertelden diverse bewoonsters dat zij na hun scheiding naarstig op zoek gingen naar een woning. Ze hadden een of meer kinderen en moesten zo snel mogelijk iets vinden. Een vrouw vertelde dat ze had gewoond op Kanaleneiland en dat ze na haar scheiding het liefst niet een woning in de buurt wilde krijgen. Daarom was ze ook zo gelukkig met de woning in de Staatsliedenbuurt. Maar ook de bewoners die langer – meer dan vijf jaar – in de buurt wonen zijn te spreken over hun woning. Zij realiseren zich wel dat de woningen gehorig zijn en niet altijd even makkelijk te

verwarmen, maar na verloop van tijd zijn ze eraan gewend geraakt. Tevens hebben ze doorgaans goede contacten in de buurt. Ook zijn ze emotioneel gehecht geraakt aan hun woonomgeving. Bovendien heeft een deel van hen door hun lage inkomen weinig keuze. Een vrouw van in de veertig: “Anders zou ik in Overvecht of Kanaleneiland komen. Nee, dan zit ik hier beter.” In het oordeel over de woning wordt vaak ook verwezen naar de nabijheid van de stad en de omgeving. Zo vertelde een aantal personen dat ze het rustig vonden in de buurt, zeker in vergelijking met waar ze vroeger woonden. Een vrouw van in de twintig: “Wat mij opvalt, is dat er nooit ruzie op straat is. Ik vind het ook fijn dat mensen zich houden aan het eenrichtingsverkeer. Dat vind ik wonderbaarlijk. Waar ik vroeger woonde was dat heel anders. Er was geluid tot diep in de nacht.” Een aantal bewoners had het in het begin moeilijk. Dat lag niet zozeer aan de woning maar aan de staat waarin de buurt verkeerde. Voor een vrouw van begin veertig was het wel wennen. Acht jaar geleden kwam ze als alleenstaande moeder met haar baby in de buurt wonen. Ze kan zich nog herinneren dat ze zich schaamde als mensen bij haar op bezoek kwamen. “De buurt zag er toen nog slechter uit. Ik vroeg me ook af waar ik terecht was gekomen. Het was de uitstraling, gespuis op straat, afval, de rommelige tuintjes op straat. Ik vond het een achterbuurt. Het was de sfeer. Maar nu is het beter, niet te vergelijken met vroeger.” Sociale contacten De meeste bewoners zijn tevreden over de contacten met hun buurtgenoten. Een vrouw van in de vijftig : “Ik woon hier naar tevredenheid. Ik heb contacten met


andere buurtbewoners en ga geregeld naar het buurthuis om te breien, koffie te drinken en te praten.” De contacten kunnen uiteenlopen van een praatje maken met de buren, tot voor elkaar koken en regelmatig bij elkaar op bezoek komen. In een gesprek dat ik met een man van eind dertig had, kwamen zijn dagelijkse contacten in de buurt ter sprake. Hij vertelt dat hij in een blok woont met veel allochtone bewoners. Met de een gaat het beter dan de ander, geeft hij aan. Het contact met de buren beschrijft hij als volgt: “Een praatje maken en als er wat aan de hand is even bij elkaar informeren hoe het zit.” In een gesprek met drie vrouwen werd duidelijk dat zij een vriendenclub hebben. Na verloop van tijd raakte elk van hen gesetteld en ontstonden er ook contacten met andere vrouwen in de straat door gebeurtenissen. De vrouwen zijn een steun en toeverlaat voor elkaar. Soms zien ze elkaar weken niet en dan zijn ze weer drie keer per week samen. Een vrouw van in de vijftig vertelt over wat ze samen doen: “Praten, veel praten, over van alles, over privéaangelegenheden, onze vrienden, over wie het met wie doet.” De informanten geven ook aan weleens overlast van buren te hebben en dan gaat het voornamelijk om geluidsoverlast. Men accepteert dit omdat men weet dat de woningen gehorig zijn. Als de geluidsoverlast niet structureel is, klagen ze er niet al te veel over. Als het uit de hand loopt, spreken ze de ander daarop aan. Een vrouw van in de vijftig: “Ik heb Russische bovenburen en die houden van een flinke borrel. Een feestje vind ik niet erg, maar laatst zag ik mijn plafond op en neer gaan. Toen ben ik naar boven gegaan en heb ik er wat van gezegd.” Veel bewoners geven ook aan dat de algemene sociale sfeer aangenaam is. Ze relateren dit aan het gemengde karakter van de buurt. Een man van begin dertig:

“Ik zou hier heel graag willen blijven wonen, voorlopig. Het is niet een must voor mij, maar ik merk wel dat het hier leuk wonen en prettig is. Voor mij is de kwaliteit van de wijk vooral dat er een mix van mensen is.” Het sociale klimaat dat de bewoners waarderen, lijkt te maken te hebben met het gegeven dat geen enkele groep bewoners, autochtoon of allochtoon, domineert in de buurt. Hierdoor heeft zich geen situatie ontwikkeld van buitenstaanders versus gevestigden, waarin sprake is van oplopende sociale spanningen tussen verschillende groepen bewoners. Diverse bewoners roemen de sfeer van hun multiculturele buurt, noemen het “gezellig”, “ontspannen”, “levendig” en zelfs “geniaal”. Ze voelen zich er op hun gemak, zoals ook naar voren komt uit het antwoord van een man in de veertig op de vraag of hij zich thuis voelt in deze multiculturele buurt: ”Ja, zeker. Ik voel me hier erg thuis. Ik wil niet verhuizen, maar ja als het aan de Mitros ligt…” Veiligheid Als het gaat om de veiligheid in de buurt komt naar voren dat het nu volgens bewoners wel meevalt. In het verleden was het wel anders. Toen de flats aan de Talmalaan er nog stonden, was het er erg onrustig. Een bewoonster van in de vijftig gaf aan dat er sprake was van drugscriminaliteit, inbraken en onderhuur aan illegalen: “Het was niet raar dat de politie met een kogelvrij vest liep.” Een aantal informanten gaf aan dat in de eerste helft van 2000 sprake was van veel criminaliteit in de buurt. Een bewoonster van in de veertig: “Ik kan me nog herinneren dat ik met de kinderwagen liep (in 2002, TM) en dat ik iemand op straat zag spuiten.” Ook de voorbeelden van structurele overlast van buren dateren van diverse jaren geleden. Een bewoonster van in de zeventig vertelde dat zij en haar buren veel te duchten hadden van een gezin in de


buurt. Omdat aanspreken niet hielp, is een groep bewoners overgegaan tot een actie om het overlastgevende gezin uit de buurt te plaatsen: “Ik heb die kinderen weleens aangesproken maar ze lachten je uit. En dan werd je ook nog uitgescholden. Ze gooiden eieren tegen mijn raam. We zijn samen met bewoners naar de gemeente, de corporatie en de politie gegaan. Uiteindelijk zijn ze verhuisd, naar Kanaleneiland. We hebben alles bijgehouden wat ze deden. Ze moesten een dossier hebben voordat ze iets konden doen. Toen ze genoeg informatie hadden, zijn die bewoners weggegaan.” In verband met veiligheid spreken de bewoners vooral over twee onderwerpen: inbraken en overlast van hangjongeren. Met name studenten verwijzen naar het grote aantal inbraken in hun flats. Als verklaring geven ze dat er in hun woningen minder sociale controle is omdat ze vaak weg zijn. Ook hebben ze interessante objecten die eenvoudig mee te nemen zijn: mobiele telefoons, laptops, i-pods, et cetera. Bovendien zijn de woningen makkelijk in te breken omdat ze oud en vervallen zijn, aldus de studenten. Ze lijken er weinig onder te lijden. Veel van hen zijn hier tegen verzekerd. De overlast van jongeren op straat is niet gelijkelijk verdeeld over de bewoners. Veel bewoners merken er vrijwel niets van, of trekken zich er weinig van aan. De mensen die weinig overlast ervaren, wonen doorgaans niet dichtbij een plek waar de jongeren rondhangen, zodat ze er eenvoudig afstand van kunnen nemen, zoals naar voren komt uit een gesprek met een man van in de veertig: “Ze zijn te ver weg. Ik weet wat je bedoelt. Ik hoor ze niet. Als ik dichterbij zou wonen, daar op de hoek, zou ik er wel last van hebben, maar nu niet.” Het is niet zo dat iedereen even erg lastig wordt gevallen. Met name vrouwen krijgen te maken

met seksistische opmerkingen. Een man van in de veertig: “Op dit moment zijn er heel veel problemen, met mensen, met jongeren op de Merelstraat, maar ja, een paar jaar geleden was het aan het einde van deze straat. (…) Maar het probleem van die jongens is dat ze zich niet gedragen. Als er een meisje langskomt, slaan ze gelijk rare taal uit en dan wordt ze gelijk uitgemaakt voor rotte vis. Als ze niet gelijk grappig antwoordt, op hun manier zogezegd, en als je er iets van zegt, kun je een grote bek krijgen. En daar heb ik natuurlijk geen zin in.” Voor de meeste personen die geconfronteerd worden met de overlast van hangjongeren gaat het doorgaans om een onprettige ervaring die ze achter zich kunnen laten omdat ze niet in de nabijheid van de hangplek wonen. Een aantal vrouwen die we spraken zegt dat ze zich er weinig van aantrekken, omdat ze de jongens niet serieus nemen. Een vrouw van in de dertig: “Wat ze zeggen is ook zo absurd dat ik er soms gewoon om moet lachen. Het doet me daarom ook bijna niks. Het is gewoon vervelend en daar blijft het bij.” Voor een enkeling is dit niet weggelegd. Zij ervaren structurele overlast die de kwaliteit van hun leven ernstig aantast. Een voorbeeld hiervan komt van de eigenaar van de supermarkt. Ook in dit geval gaat het om een situatie van enkele jaren geleden: “Het ergst was wel wat zij mijn dochter aandeden. Ze zeiden vuile hoer tegen haar en andere gemene dingen.” Zijn vrouw komt erbij staan en wil haar verhaal kwijt: “Dat was het ergste, vond ik. Mijn dochter kon van alle spanning niet meer leren. Ze zat op het gymnasium en heeft een jaar moeten overslaan.” Ze vertelt dat haar dochter een feestje gaf voor haar verjaardag en dat haar vriendinnen, toen ze naar buiten gingen, werden bespuugd door die jongens. In hun gezichten en haar.


De politie greep in nadat de `leider’ van de hangjongeren de eigenaar van de supermarkt had bedreigd met de dood. De `leider’ zou de gevangens in moeten, maar omdat de eigenaar van de supermarkt de aanklacht introk, bleef het bij een straatverbod van een jaar. Na afloop van dit verbod komt de jongen wel eens in de supermarkt. Hij gedraagt zich netjes. Slotbeschouwing Het contrast tussen het formele beeld van de buurt als probleembuurt versus het beeld van de bewoners als een buurt waar ze zich thuisvoelen is groot. Het officiële beeld van de buurt is er een die bestaat uit oude afgeschreven woningen, veel sociale problemen, weinig binding met de buurt, veel criminaliteit en overlast. Dit beeld wordt ondersteund door cijfermatige gegevens over onderwerpen als veiligheid, opvoeding, gezondheid en buurtbetrokkenheid. Maar voor de meeste bewoners is de situatie anders. Zij hanteren een ander perspectief, dat gebaseerd is op hun dagelijkse gedetailleerde ervaringen in de buurt en daarom meer nuances en gelaagdheid kent dan het beeld dat anderen van de buurt hebben. Over het algemeen leiden ze een rustig dagelijks bestaan in een buurt waar doorgaans weinig aan de hand is. Voor de meeste bewoners zijn situaties van onveiligheid en criminaliteit niet dominant aanwezig in hun dagelijkse leven. Het gaat vaak om incidenten, zoals een inbraak of een vervelende opmerking, waar de meeste bewoners binnen afzienbare tijd afstand van kunnen nemen. In gevallen van structurele overlast, zoals bij het gezin van de eigenaar van de supermarkt, doet zich een andere, chronische situatie van overlast en intimidatie voor. Daar is geen thuisgevoel tegen bestand. Het beeld van de huidige bewoners is wellicht ook beïnvloed door de uitstroom van bewoners

die waarschijnlijk wel ontevreden waren over hun buurt. We hebben nadrukkelijk gezocht naar ontevreden buurtbewoners, maar vonden ze niet. De klagers zijn wellicht de laatste jaren verhuisd naar een betere woning, omdat zij als urgente woningzoekers daartoe de gelegenheid kregen van de gemeente en de corporatie, of wellicht omdat sommigen van hen de financiële middelen hadden om voor een andere buurt te kiezen. Op het moment van het schrijven van deze tekst is het nog onduidelijk of de geplande grootschalige sloop gaat plaatsvinden. De bewoners die we spraken, zijn tegen de sloop. Zij zijn over het algemeen te spreken over hun woning, hun sociale contacten en de veiligheid van de buurt. Ze voelen zich thuis in het Staatsliedenkwartier. Thaddeus Müller, januari 2011 Dr. Thaddeus Müller is stadssocioloog. Zijn proefschrift De Warme Stad handelt over de betrokkenheid van stedelingen bij het publieke domein. Over de Staatsliedenbuurt in Utrecht maakte hij eerder voor architectuurcentrum AORTA de film De Staatslieden Ontwaken. Hij is verbonden aan de sectie criminologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam, en leidt tevens De warme stad – Bureau voor onderzoek, advies en beleid op het gebied van stedelijke samenlevingen. Voor bovenstaand onderzoeksverslag interviewde hij in de periode 2008-2011 dertig bewoners, bezoekers en professionals van de Utrechtse Staatsliedenbuurt.


De kinderen waren bijna elke schoolmiddag bij haar. “Ik gaf ze wat fruit en drinken. Ik was een soort naschoolse opvang. Om een uur of zeven gingen ze naar huis.�


De kinderen waren bijna elke schoolmiddag bij haar. “Ik gaf ze wat fruit en drinken. Ik was een soort naschoolse opvang. Om een uur of zeven gingen ze naar huis.�


“De postbode, daar hebben we veel over gesproken. Hij was aantrekkelijk.” Ze wijst naar een van de vrouwen. “Zij wachtte tot hij kwam om een pakje te bezorgen. Dan ging ze in haar badjas naar hem toe.”


Waarom deed u dat? “Ik zat in het maatschappelijk gebeuren. Het ging er mij om die kinderen in het gareel te krijgen. Ik gaf ze wel eens wat mee, kleren, een truitje. Ik zag dat er problemen waren. Ze moesten tot de orde worden geroepen. Er was thuis vaak ruzie. De ouders waren vaak weg. Ze hadden afwijkende beroepen.”

“Ik ving de kinderen op. Het waren een stelletje klieren. Ik heb zelf jaren in de kinderbescherming gewerkt. Het waren kinderen die in de knel zaten.”

Zij vertelt dat ze hier naar tevredenheid woont. Ze heeft contact met andere buurtbewoners en gaat geregeld naar het buurthuis, om te breien, koffie te drinken en te praten. “Het is nu rustig”, zegt ze, “maar een paar jaar geleden hebben ze veel last gehad van kinderen en jongeren.” Ze trok zich hun lot aan en besloot om ze te helpen.

Ze vertelt dat ze twintig jaar geleden hier is komen wonen. Ze was net gescheiden en had een woning nodig. De mensen die hier woonden waren aardig en behulpzaam. Tijdens de verhuizing hebben ze haar geholpen. Nu is iedereen weg, behalve de onderbuurvrouw, die woont hier ook al heel lang.

Helpen

“De kinderen waren gewoon verwaarloosd. Later, toen liep het uit de hand. Uiteindelijk hebben ze hulp gekregen, zijn ze verhuisd naar een groter huis. Ik zie die moeder nog wel eens en dan praat ik met haar.”

Tijdens het gesprek met de vrouw sta ik versteld van haar barmhartigheid. Ik probeer te begrijpen waarom zij dit gedaan heeft. Voor niets. Heeft zij niet het gevoel dat ze misschien misbruikt werd door deze buren? Ze vindt het vanzelfsprekend. Ze heeft er geen moment over getwijfeld. Ze kan niet niksdoen als ze ziet dat het misloopt, dan krijgt ze het gevoel dat ze moet ingrijpen.

“Het was een ongeregeld zooitje. Maar ik moet wel zeggen, voor de familie hebben ze veel over. Ze doen wel alles voor elkaar.”

De kinderen waren bijna elke schoolmiddag bij haar. “Ik gaf ze wat fruit en drinken. Ik was een soort naschoolse opvang. Om een uur of zeven gingen ze naar huis.”

Ze vertelt dat het niet alleen eenrichtingsverkeer was. “Tijdens de Ramadan kookten ze ook voor mij. Zo ging dat heen en weer.”


“De postbode, daar hebben we veel over gesproken. Hij was aantrekkelijk.” Ze wijst naar een van de vrouwen. “Zij wachtte tot hij kwam om een pakje te bezorgen. Dan ging ze in haar badjas naar hem toe.”


“De postbode, daar hebben we veel over gesproken. Hij was aantrekkelijk.” Ze wijst naar een van de vrouwen. “Zij wachtte tot hij kwam om een pakje te bezorgen. Dan ging ze in haar badjas naar hem toe.”


Na verloop van tijd raakten de vrouwen gesetteld en ontstonden er ook contacten met andere vrouwen in de straat. Door gebeurtenissen, vertellen ze. Er was een inbraak en een van de vrouwen wilde niet in haar huis slapen. Toen kon ze bij haar overbuurvrouw logeren. Bij het uitzwaaien van bezoek waren ze toevallig aan de praat geraakt. Via een plantenactie

Judith: “Ik kan me nog herinneren dat ik met de kinderwagen liep en dat ik iemand op straat zag spuiten.” Gerda: “Dat heb ik al jaren niet meer gezien. Nee, de buurt is er zeker op vooruitgegaan.”

Toen Gerda (53) kwam wonen in 1990 stonden de flats nog aan de Troelstralaan. “In het begin was het erg onrustig in de flat Illegalen, onderhuur, criminaliteit, veel drugs, inbraken. Het was niet raar dat de politie met een kogelvrij vest liep. Na de sloop van de flats ging het beter in de buurt. Mensen bleven ook langer wonen.”

Ook Marije (34) voelde zich in het begin niet helemaal op haar gemak. “Het zijn eigenlijk hele lelijke huizen. Ik geneerde me wel, maar ik had wel een hele leuke tuin.”

Het was wel wennen voor Judith (40), acht jaar geleden, toen ze als alleenstaande moeder met haar dochter in de buurt kwam wonen. Ze kan zich nog herinneren dat ze zich schaamde als mensen bij haar op bezoek kwamen. “De buurt zag er toen nog slechter uit. Ik vroeg me ook af waar ik terecht was gekomen. Het was de uitstraling, gespuis op straat, afval, de rommelige tuintjes op straat. Ik vond het een achterbuurt. Het was de sfeer.”

Judith: “Soms zijn het wilde verhalen, over mannen.” De andere vrouwen bij het gesprek lachen nu. “De postbode, daar hebben we veel over gesproken. Hij was aantrekkelijk.” Ze wijst naar een van de vrouwen. “Zij wachtte tot hij kwam om een pakje te bezorgen. Dan ging ze in haar badjas naar hem toe.” Ze beamen allen dat hij een mooie man is. Een van de vrouwen zegt: “Hij gaf je altijd een goed gevoel, hij zei altijd iets aardigs, besteedde op een speciale manier aandacht aan je.” Een van hen is erachter gekomen dat de postbode getrouwd was. Hij komt niet meer langs bij de vrouwen. Ze denken dat zijn vrouw hier achter zit. Ze weten het niet zeker. Ze moeten er hard om lachen.

Een van de vrouwen had mij opgebeld om te zeggen dat de wijk ook een andere kant kent, een niet problematische kant. De vrouwen hebben elkaars sleutels, helpen elkaar, passen op elkaars hond en komen gezellig samen en praten over hun wel en wee.

Ze zijn een steun en toeverlaat voor elkaar. Soms zien ze elkaar weken niet en dan zijn ze weer drie keer per week samen. Praten, veel praten, over van alles, over privéaangelegenheden, hun vrienden, over wie het met wie doet. Vandaar ook dat ze het Melrose place noemen.

Marije: “Ik heb de laatste jaren meer contact gekregen. Ineens maak je dan deel uit van de buurt. Dat kwam door het plantjesproject. Ik was hier ook minder aanwezig door mijn werk. Ik wist niet dat dit het Staatsliedenkwartier was.”

is er weer een andere vrouw bijgekomen.

Melrose Place


Ben je niet bang dat ze iets met je motor doen? “Nee, alles is beveiligd. Er is een alarm.” Hoe werkt dat? “Dat vertel ik niet.” Gaat het wel eens af ? “Twee keer in de week”.


Ben Ik heb je niet heel bang wat zien dat ze gaan iets enmet komen. je motor Ik woonde doen? “Nee, hieralles fijn. De is beveiligd. buurt wasEr bekend is een voor mijHoe alarm.” en jewerkt had vroeger dat? “Dat ookvertel veel winik kels. Er niet.” Gaat woonden het welhier eens rechercheurs, af ? “Twee keer leraren in de week”. en een advocaat.


Mag ik iets vragen over de buurt? vraag ik terwijl de man van drie hoog naar beneden kijkt. “Vraag maar.” Hoe vindt u deze buurt? Bent u tevreden? “Ja, ik ben tevreden.” Waarom? “Verdraagzaamheid.” Hoe bedoel je dat? “Leven en laten leven.” Heb je geen problemen met hangjongeren? “Nee.” Voel je je thuis in deze multiculturele wijk?

Niet iedereen wil met ons praten. Anderen zijn kortaf. Het is een druilerige dag en we lopen langs een grote glimmende motor, een super motor cruiser, die we al vaker hebben gezien. Lotte wil een foto maken. Dan horen we van boven: “Dat heb ik liever niet.” Als ik vraag waarom, zegt hij: “Daar heb ik mijn redenen voor.” Als ik vraag wat die zijn, zegt de man dat hij die liever voor zich houdt.

“Ja, zeker. Ik voel me hier erg thuis. Ik wil niet verhuizen, maar ja, als het aan de Mitros ligt…..” Ben je niet bang dat ze iets met je motor doen? “Nee, en alles is beveiligd. Er is een alarm.” Hoe werkt dat? “Dat vertel ik niet.” Gaat het wel eens af? “Twee keer in de week. Jongens willen er graag aan zitten. Maar dat is geen probleem. Ik moet nu weg.” Vind je het goed als ik dit opschrijf? “Ja, doe dat maar.” Hij heet je? “Ronald.” Hoe oud ben je? “46.” Bedankt. “Graag gedaan.”

Super motor cruiser


“Ik ben een mixer. Ik heb familie aan alle kanten.” Terwijl hij dit zegt, wijst hij om zich heen, naar oost en naar west.


“Ik ben een mixer. Ik heb familie aan alle kanten.” Terwijl hij dit zegt, wijst hij om zich heen, naar oost en naar west.


“Ik ben een mixer. Ik heb familie aan alle kanten.” Terwijl hij dit zegt, wijst hij om zich heen, naar oost en naar west. “Ik ben Hindoestaans en mijn vrouw Pools en wij doen alles op zijn Nederlands, waardoor alles rustig gaat.” Ik vraag hem hoe het gaat met hun religies. Ik neem aan

Heb je weleens last van de jongens die hier rondhangen? “Ze zijn te ver weg. Ik weet wat je bedoelt. Ik hoor ze niet. Als ik dichterbij zou wonen, daar op de hoek, zou ik er wel last van hebben, maar nu niet.” En als je langs ze loopt? “Nee, niets. Geen last.” Hij maakt duidelijk dat het geven en nemen is in de stad. Niet iedereen gedraagt zich hetzelfde. “Het heeft geen zin om je druk te maken”, probeert hij uit te leggen. Hij praat over zijn grootvader. “Mijn opa zei altijd: niet haten, maar loslaten.”

Hij heeft geen problemen met mensen in de straat. Hij zegt dat de meeste mensen aardig zijn. Hij heeft contact met zijn buren en geeft ze weleens wat te eten. “Dat doen wij in Suriname zo”, zegt hij met een brede lach. Als ik vraag of hij weleens overlast ervaart van andere bewoners, zegt hij dat het wel meevalt. Hij voelt zich veilig. “Er is niks aan de hand hier.”

Met een glimlach op zijn gezicht zegt hij dat hij wil meerwerken aan een interview. Bij onze afspraak is hij in zijn witte werkkleding. Hij werkt in het ziekenhuis. Al een lange tijd. Onregelmatige tijden. Hij klaagt niet. Hij is tevreden, over zijn inkomen, over zijn leven, over wat hij bereikt heeft in Nederland. Hij maakt meteen duidelijk dat hij zich thuis voelt in deze buurt. Hij heeft goede contact met de mensen. Hij woont hier ruim twintig jaar. Juist het multiculturele karakter vindt hij prettig. Toen hij net in Nederland kwam wonen was het wel wennen. In het begin was het moeilijk om aan te passen, vertelt hij. Alles was anders, maar hij leerde snel en veranderde.

dat zij katholiek is. Hij beaamt dat en zegt: “Wat geloof betreft zijn wij vrij van mening.” Zijn vrolijke en pragmatische levenshouding geeft me een goed gevoel. Het is prettig om hem te interviewen. Hij heeft er ook plezier in.

Hij woont in het midden van de buurt in een straat waar de meeste mensen tevreden zijn, zo bleek uit de gesprekken. Het is een zonnige dag als ik hem aanspreek. Hij blijkt een van de meest enthousiaste bewoners van de buurt te zijn.

Ik ben een mixer


Ik heb van alles gedaan wat verboden was. Ik had schijt aan alles en iedereen en ik wilde dat laten zien aan mijn vrienden.


Ik heb van alles gedaan wat verboden was. Ik had schijt aan alles en iedereen en ik wilde dat laten zien aan mijn vrienden.


“Ik heb vroeger op straat rondgehangen, met mijn vrienden of ik dacht dat het mijn vrienden waren. Ik heb van alles gedaan wat verboden was. Ik had schijt aan alles en iedereen en ik wilde dat laten zien aan mijn vrienden. Zo heb ik gezegd dat ik duizend fietsventieltjes zou stelen. Ik bewaarde alles in een doos en toen ik er duizend had heb ik het aan mijn vrienden laten zien.”

Ik leg hem uit wat ik doe in de wijk en of hij me iets kan vertellen over overlastgevende hangjongeren. Of hij ze misschien kent en mij kan uitleggen waarom ze zich zo gedragen. Hij moet lachen en zegt dat hij er zelf een is geweest. Hij vertelt me dat hij daar eigenlijk met niemand over wil praten, maar omdat ik hem, zoals hij het zelf stelt, met een open houding benader wil hij mij graag iets vertellen over wat hij gedaan heeft.

Ik kom hem tegen in het buurthuis terwijl ik op iemand wacht die niet komt opdagen. Hij is begin twintig. Draagt een baseballpetje boven een trainingspak. Hij komt hier voor een stage. Ik vraag of ik met hem mag praten. Hij is stug in het begin, maar ontspant zienderogen.

Tussendoor vertelt hij me dat hij niet wil dat zijn naam genoemd werd. Ik mag een andere naam verzinnen. “Mo of zo.” Waarom niet je eigen naam? “Omdat ik niet wil dat mensen mij herkennen. Ik wil opnieuw beginnen. Ik wil een goed mens worden, weet je.”

En je ouders, hadden die niets in de gaten? “Nee, mijn vader is oud en begrijpt deze wereld niet. Ik kon alles tegen hem zeggen en hij geloofde me. Hij weet niets van school en als ik zei dat ik vrij was van school geloofde hij het.” Heb je toen nooit gedacht aan wat je de anderen aandeed? “Nee, dat doe je juist niet, je wil laten zien dat je hard bent, dat je schijt hebt.”

Wat heb je nog meer gedaan? “Inbraak. Gewoon om stoer te zijn. Kijken wat ik kan. Fietsen zonder handen. Zo is het. Ik ben al begonnen toen ik twaalf was. Toen ik zestien was, was ik crimineel.”

Crimineel


Ik heb heel wat zien gaan en komen. Ik woonde hier fijn. De buurt was bekend voor mij en je had vroeger ook veel winkels. Er woonden hier rechercheurs, leraren en een advocaat.


Ik heb heel wat zien gaan en komen. Ik woonde hier fijn. De buurt was bekend voor mij en je had vroeger ook veel winkels. Er woonden hier rechercheurs, leraren en een advocaat.


Ze heeft contact met twee buurvrouwen. De een kent ze al lang. Ze komen regelmatig bij elkaar op visite. De ander woont hier sinds kort en is midden twintig. Toen er problemen waren met een gaslek heeft ze haar oude buurvrouw gerustgesteld. Zondag komen haar kinderen in ieder

Ze heeft contact met haar buren, maar het is niet meer zoals vroeger. Dat vindt ze eigenlijk niet zo erg omdat ze toch op zichzelf is en veel aanloop heeft van haar kinderen en achterkleinkinderen. Handwerken doet ze graag, en puzzelen en natuurlijk lezen.

Een van haar kinderen is een jaar geleden overleden. Haar man is vier jaar geleden gestorven. “Mijn man was meubelmaker en stoffeerder.” Ze laat de meubels in de woonkamer zien die haar man heeft gemaakt.

“Vroeger was het een nette buurt. Ik heb heel wat zien gaan en komen. Ik woonde hier fijn. De buurt was bekend voor mij en je had vroeger ook veel winkels. Er woonden hier rechercheurs, leraren en een advocaat. Het contact met de buren was toen goed. Het hele portiek kwam met verjaardagen bij elkaar. De mannen gingen ook goed met elkaar om. Het was altijd: buurvrouw hoe gaat het?”

Ze woont al 56 jaar in de buurt. Ze waren heel blij toen ze hoorden dat ze een eigen woning kregen. “We hadden alleen een kleine slaapkamer. Via de CNV zijn we hieraan gekomen. Het was een paleisje. We hadden drie slaapkamers. We moesten stapelbedden voor onze vijf kinderen gebruiken.”

Ze zit nu heel veel binnen. Ze leest “dikke pillen”. Ze laat me er een zien en zegt: “Ik kom niet zo heel veel buiten. Dat interesseert me ook niet. Ik doe waar ik zin in heb. Ik heb hard gewerkt met vijf kinderen, dat kan je wel begrijpen. Nu heb ik tijd voor mezelf.”

“Ik heb weleens die kinderen aangesproken. Maar ze lachten je uit. En dan werd je ook nog uitgescholden. Ze gooiden eieren tegen mijn raam.” Waarom deden ze dat? “Omdat ze een hekel aan ons hadden.” Waarom? “Omdat we met de buurt daar iets aan wilden doen, aan de overlast.” Wat deed u dan? “We zijn samen met bewoners naar de gemeente, de corporatie en de politie gegaan. Uiteindelijk zijn ze verhuisd, naar Kanaleneiland. We hebben alles bijgehouden wat ze deden. Ze moesten een dossier hebben voordat ze iets konden doen. Toen ze genoeg informatie hadden, zijn die bewoners weggegaan.”

Vroeger hadden zij en ook andere bewoners problemen met een gezin schuin aan de overkant. “De kinderen bleven tot ’s avonds laat buiten. Volgens mij waren het Marokkanen, maar dat weet ik niet zeker, en dat doet er ook niet toe. Er zijn ook hele nette allochtone gezinnen.” Dit gezin had problemen. “De vuilniszakken werden naar beneden gegooid. We waren blij dat ze weg waren.”

geval. De kleinkinderen komen ook vaak, twee keer in de week. Haar kleinzoon is maandagmiddag nog geweest.

Dikke pillen


Ik heb geen zin in dat geluid als ik rustig thuis zit. Ze zijn niet crimineel, maar wel hinderlijk. Ik wilde ze niet meer voor mijn huis hebben.


Ik heb geen zin in dat geluid als ik rustig thuis zit. Ze zijn niet crimineel, maar wel hinderlijk. Ik wilde ze niet meer voor mijn huis hebben.


Een half jaar geleden is er bij hem ingebroken. Ze hadden een computer, een beeldscherm en een i-pod meegenomen. “Het is vooral dat je

Op zijn galerij wonen twee Marokkaanse zusjes. “Ze wonen hier al vijf jaar”, zegt hij, “ze zijn vriendelijk”. Hij kent ook de onderburen, twee jonge vrouwen. Daar mag hij zijn scooter in de tuin zetten. Hij vindt een van hen leuk. Hij kent haar al langer. “Ik heb wel eens bier met haar gedronken. Soms zit ik in de achtertuin.” Hij vertelt dat hij regelmatig contact heeft met een buurman. “Hij is filmmaker. Hij rookt buiten. Van zijn vriendin mag hij niet in huis roken. Met hem maak ik wel een praatje buiten op de galerij, over van alles, de inbraken, zijn projecten, wat ik ga doen de komende tijd.”

In het blok waar hij woont, zitten veel studenten. Hij is zelf 23 jaar en voelt zich hier thuis, maar zegt ook dat hij niet zo veel merkt van de aanwezigheid van de studenten. “Ja, er zijn feestjes in de achtertuin, maar verder is het eigenlijk rustig.” Over anderen in de buurt zegt hij: “Er zijn ook nog oude bewoners. Ik zie ze wel, echte lokale types. Met de meeste van deze oudere bewoners heeft hij geen contact. Hij maakt wel eens een praatje met de eigenaar van de supermarkt.

Hij is een rossige jongen met een wit gezicht. Hij is zoekende. Hij weet nog niet wat hij precies wil. Hij vindt zijn woning een goede plek om te leven, om terug te komen als hij een tijdje weg is geweest. Deze woning en de goedkope huur geeft hem een kans om te verkennen wat hij echt wil van het leven. Hij studeerde voor chemisch laborant maar dat beviel hem niet. Toen heeft hij bijna twee jaar voor de Staatsloterij gewerkt, in het callcenter.

Hij zegt dat hij officier zeedienst wil worden. Misschien is het wat voor hem. Hij weet het niet zeker. Hij ziet wel.

Hij geeft aan dat de buurt op de hangjongeren na eigenlijk rustig is. Hij vertelt dat er een groep een tijd voor zijn woning hing. “Ik heb die groep bestudeerd. Het is geen vaste vriendengroep, jongens komen en gaan. Als ze moe zijn gaan ze op een plek hangen. Dat was recht tegenover mijn woning. Ik kon zo op ze neer kijken. Iedereen komt erbij. De plek waar ze gaan zitten maakt eigenlijk niet uit. Er komen fietsen, scooters en een auto, en dan heb je geluidsoverlast tot ’s avonds laat. Ik heb geen zin in dat geluid als ik rustig thuis zit. Ze zijn niet crimineel, maar wel hinderlijk. Ik wilde ze niet meer voor mijn huis hebben. Toen heb ik overdag een fles limonade leeggegooid op die plek waar ze altijd rondhingen. Toen had ik geen last meer van ze, zijn ze twintig meter verderop gaan zitten.”

“Ik voel me niet zozeer fysiek onveilig, maar het is wel je huis. In het begin trapte ik altijd tegen de deur of die niet al open was.” Hij vertelt dat hij dit weekend gaas voor het raam gaat zetten, ook omdat hij binnenkort een maand weg is.

schrikt. Niks was nieuw. Ik denk dat het me 25 euro heeft gekost. Ik zie wel eens jongens rondlopen. Ze bellen dan aan of iemand thuis is. Ze zeggen dan dat ze verkeerd hebben aangebeld. Onder is ook ingebroken en verder op de galerij ook. Het is heel makkelijk voor ze. Ze tikken het glas stuk en kunnen zo via het raam naar binnen.”

Aangebeld


het nu wel goed gaat in de wijk, ook met de allochtonen. Ze komen ook bij hem in de winkel. “Nu kan je ze tenminste verstaan, vroeger was dat anders�


het nu wel goed gaat in de wijk, ook met de allochtonen. Ze komen ook bij hem in de winkel. “Nu kan je ze tenminste verstaan, vroeger was dat anders�


Hij vertelt dat hij op een gegeven moment een ander meldnummer kreeg van een agent, en dat hielp, een soort noodnummer. Binnen een

Ik praat met hem terwijl hij in zijn zaak werkt en boodschappen afrekent. Hij vertelt dat ze ruim een jaar geleden erg veel last hadden van die jongens. Hij zegt dat het inderdaad allochtone jongens waren, “maar dat doet er niet toe.” Ik vraag wat ze gedaan hebben. “Ze hebben mijn auto beschadigd. Grote krassen op de zijkant en de voorruit is ingegooid.” Heb je de politie gebeld? “Ja, elke keer, maar in het begin kwamen ze niet of te laat.”

Maar dat is niet het enige wat Johan dwarszit. Er zijn ook “van die jongens, pubers eigenlijk” die voor zijn zaak hangen en vervelend doen tegen mensen. Maar de laatste tijd valt het eigenlijk mee, is het rustig vergeleken met vroeger.

Als het aan de projectontwikkelaars ligt en in het bijzonder aan Mitros, moet hij zijn familiezaak opdoeken en verplaatsen. Hij verzet zich daartegen op een nette, democratische manier. Hij organiseert de bewoners in zijn straat en laat Mitros weten dat zij niet willen verhuizen. Maar waarschijnlijk maakt hij geen kans. De plannen liggen al jaren klaar om uitgevoerd te worden. Volgens Mitros heeft de zaak van Johan geen economisch bestaansrecht in de wijk.

Ik praat met hem in zijn kleine supermarkt waar hij al jaren werkt. Hij zegt dat het nu wel goed gaat in de wijk, ook met de allochtonen. Ze komen ook bij hem in de winkel. “Nu kan je ze tenminste verstaan, vroeger was dat anders”, zegt hij.

Hoe is het afgelopen? De vrouw zegt dat ze hulp hebben gekregen van een raadslid. Die heeft zich voor hen ingezet. De politie is vaker langsgekomen. Johan vertelt dat er ook een incident was geweest in zijn zaak. Een zo’n jongen kwam binnen en deed vervelend. “Hij was de leider. Ik werd kwaad en toen gebeurde het. Ik heb hem vastgepakt en de straat op gegooid. Zijn vrienden zagen dat en dat kon hij niet hebben. Toen heeft hij gezegd dat hij terug zou komen en me zou doodmaken. Ik ben naar achteren gegaan om iets te pakken om me te beschermen, maar mijn vrouw heeft me tegengehouden. Dat was misschien wel goed. Anders waren er ergere dingen gebeurd. Toen hebben we de politie gebeld. Die kwamen meteen omdat hij me met de dood had bedreigd. Hij is meteen opgepakt. Zijn zus en die jongen zijn nog langs geweest. Ze hebben gesmeekt dat ik de aanklacht zou laten vallen. Ander moest hij de gevangenis in omdat hij meer had gedaan. Ik heb over mijn hart gestreken. Sindsdien is hij erg beleefd.”

“Het is wel nog een tijd doorgegaan. Het ergst was wel wat ze mijn dochter aandeden.” Wat deden ze dan? “Ze zeiden vuile hoer tegen haar en andere gemene dingen.” De vrouw van Johan komt erbij staan en wil haar verhaal kwijt. “Dat was het ergste, vond ik. Mijn dochter kon van alle spanning niet meer leren. Ze zat op het gymnasium en heeft een jaar moeten overslaan.” De vrouw vertelt dat haar dochter een feestje gaf voor haar verjaardag en dat haar vriendinnen, toen ze naar buiten gingen, werden bespuugd door die jongens. In hun gezichten en haar.

vloek en een zucht stond de politie voor de deur. Hield het toen op?

Grote krassen


Toch deren de inbraken de studenten niet zo heel veel. In het begin voelen ze zich onveilig, maar deze vorm van criminaliteit weegt niet op tegen de positieve kanten van de wijk.


Toch deren de inbraken de studenten niet zo heel veel. In het begin voelen ze zich onveilig, maar deze vorm van criminaliteit weegt niet op tegen de positieve kanten van de wijk.


Naast de gezelligheid en het onderlinge contact is er ook een negatieve kant aan het leven in de Staatsliedenbuurt. Er wordt veel ingebroken. Dit wordt ondersteund door gegevens over criminaliteit in de wijk. In

Uit de gesprekken met andere bewoners blijkt dat die geen last hebben van de studenten, ook geen geluidsoverlast van feestjes. Een aantal bewoners vindt het zelfs leuk dat de studenten kwamen. Het gaf extra reuring in de wijk, geeft een van hen aan.

De studenten zijn op verschillende manieren aanwezig. Als het aangenaam weer is zitten studenten op hun woonkamerbanken in de tuin. Ook zie je ze vaak op de galerij een praatje maken en een sigaretje roken. Ook vallen hun fietsen op die massaal voor een van de flats staan.

We spraken met diverse studenten. Uit de gesprekken komt naar voren dat de sfeer gemoedelijk is en dat de studenten op een vriendelijke manier met elkaar omgaan. Een jonge vrouw vertelt enthousiast dat ze een “hele leuke flat heeft met veel leuke mensen.” Ze lopen bij elkaar in en uit. Vaak drinken ze even wat samen voordat ze uitgaan. Deze vrouw was bevriend geraakt met een paar andere vrouwelijke studenten, waar ze vaak mee uitgaat.

In de afgelopen jaren is een aantal blokken in zijn geheel verhuurd aan studenten. Dat is ook terug te zien in de demografische cijfers. 20% van de bewoners is tussen de 18 en 24 jaar. Het gaat om 222 personen. In 2008 was dat nog maar 10% van de bevolking van de Staatsliedenbuurt.

De flats waar de studenten wonen, worden binnen afzienbare tijd gesloopt.

Een van hen: “Ja, ik zou hier nog langer willen blijven wonen. Ik heb nu een flatje zeg maar, dat is een hele mooie woonruimte, dichtbij de stad. Anders moet je jarenlang op een wachtlijst staan, zeker in Utrecht.”

Voor de studenten is hun woning in de Staatsliedenbuurt een uitkomst. De huur van de woningen is laag en ze hebben meer dan de gebruikelijk acht vierkante meter van een studentenkamer. Ze zien op tegen de sloop en zouden nog langer willen blijven wonen in de buurt.

Toch deren de inbraken de studenten niet zo heel veel. In het begin voelen ze zich onveilig, maar deze vorm van criminaliteit weegt niet op tegen de positieve kanten van de wijk. Een studente: “We hebben heel veel last van inbraken, en dat is op het moment wel wat vervelend.” Waarschijnlijk zijn de meeste studenten verzekerd of beschikken zij of hun ouders over voldoende middelen om hun verlies te compenseren. Voor mensen die niet over financiële reserves beschikken, is het effect van een inbraak wellicht minder makkelijk te verteren.

2005 waren er acht woninginbraken en in 2009 44. Kennelijk hebben inbrekers een nieuwe markt ontdekt in de Staatsliedenbuurt.

Studenten


In de kleine wereld van de Staatsliedenbuurt is voor kinderen alles voorhanden.


In de kleine wereld van de Staatsliedenbuurt is voor kinderen alles voorhanden.


Hij vertelt dat hij op een gegeven moment een ander meldnummer kreeg van een agent, en dat hielp, een soort noodnummer. Binnen een

Ik praat met hem terwijl hij in zijn zaak werkt en boodschappen afrekent. Hij vertelt dat ze ruim een jaar geleden erg veel last hadden van die jongens. Hij zegt dat het inderdaad allochtone jongens waren, “maar dat doet er niet toe.” Ik vraag wat ze gedaan hebben. “Ze hebben mijn auto beschadigd. Grote krassen op de zijkant en de voorruit is ingegooid.” Heb je de politie gebeld? “Ja, elke keer, maar in het begin kwamen ze niet of te laat.”

Maar dat is niet het enige wat Johan dwarszit. Er zijn ook “van die jongens, pubers eigenlijk” die voor zijn zaak hangen en vervelend doen tegen mensen. Maar de laatste tijd valt het eigenlijk mee, is het rustig vergeleken met vroeger.

Als het aan de projectontwikkelaars ligt en in het bijzonder aan Mitros, moet hij zijn familiezaak opdoeken en verplaatsen. Hij verzet zich daartegen op een nette, democratische manier. Hij organiseert de bewoners in zijn straat en laat Mitros weten dat zij niet willen verhuizen. Maar waarschijnlijk maakt hij geen kans. De plannen liggen al jaren klaar om uitgevoerd te worden. Volgens Mitros heeft de zaak van Johan geen economisch bestaansrecht in de wijk.

Ik praat met hem in zijn kleine supermarkt waar hij al jaren werkt. Hij zegt dat het nu wel goed gaat in de wijk, ook met de allochtonen. Ze komen ook bij hem in de winkel. “Nu kan je ze tenminste verstaan, vroeger was dat anders”, zegt hij.

Hoe is het afgelopen? De vrouw zegt dat ze hulp hebben gekregen van een raadslid. Die heeft zich voor hen ingezet. De politie is vaker langsgekomen. Johan vertelt dat er ook een incident was geweest in zijn zaak. Een zo’n jongen kwam binnen en deed vervelend. “Hij was de leider. Ik werd kwaad en toen gebeurde het. Ik heb hem vastgepakt en de straat op gegooid. Zijn vrienden zagen dat en dat kon hij niet hebben. Toen heeft hij gezegd dat hij terug zou komen en me zou doodmaken. Ik ben naar achteren gegaan om iets te pakken om me te beschermen, maar mijn vrouw heeft me tegengehouden. Dat was misschien wel goed. Anders waren er ergere dingen gebeurd. Toen hebben we de politie gebeld. Die kwamen meteen omdat hij me met de dood had bedreigd. Hij is meteen opgepakt. Zijn zus en die jongen zijn nog langs geweest. Ze hebben gesmeekt dat ik de aanklacht zou laten vallen. Ander moest hij de gevangenis in omdat hij meer had gedaan. Ik heb over mijn hart gestreken. Sindsdien is hij erg beleefd.”

“Het is wel nog een tijd doorgegaan. Het ergst was wel wat ze mijn dochter aandeden.” Wat deden ze dan? “Ze zeiden vuile hoer tegen haar en andere gemene dingen.” De vrouw van Johan komt erbij staan en wil haar verhaal kwijt. “Dat was het ergste, vond ik. Mijn dochter kon van alle spanning niet meer leren. Ze zat op het gymnasium en heeft een jaar moeten overslaan.” De vrouw vertelt dat haar dochter een feestje gaf voor haar verjaardag en dat haar vriendinnen, toen ze naar buiten gingen, werden bespuugd door die jongens. In hun gezichten en haar.

vloek en een zucht stond de politie voor de deur. Hield het toen op?

Kinderen


Lotte Sprengers »Traces 52˚ 06‘ 19” N // 05˚ 06‘ 58.7” E«  

Lotte Sprengers »Traces 52˚ 06‘ 19” N // 05˚ 06‘ 58.7” E«

Read more
Read more
Similar to
Popular now
Just for you