Issuu on Google+

? nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

Hoezo, vrije meningsuiting?

Ruddy Doom en Sofie Van Bauwel

nummer 30 – april 2009

www.mo.be 


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

MO*papers is een serie analyses die uitgegeven wordt door Wereldmediahuis vzw. Elke paper brengt fundamentele informatie over een tendens die de globaliserende wereld bepaalt. MO*papers worden toegankelijk en diepgaand uitgewerkt. MO*papers worden niet in gedrukte vorm verspreid. Ze zijn gratis downloadbaar op www.mo.be. Bij het verschijnen van een nieuwe paper wordt een korte aankondiging gestuurd naar iedereen die zijn of haar e-mailadres bezorgt aan mopaper@mo.be (onderwerp: alert) Redactieraad MO*papers: Gerrit De Vylder (Lessius Hogeschool Antwerpen), Ann Cassiman (Departement Sociale en Culturele Antropologie, KU Leuven), Nathalie Holvoet (Instituut voor Ontwikkelingsbeleid en -beheer Universiteit Antwerpen), Jan Vannoppen (Velt), Rudy De Meyer (11.11.11), Bart Horemans (11.11.11), Catherine Vuylsteke (De Morgen), Gie Goris (MO*), Lieve De Meyer (eindredactie), Emiel Vervliet (hoofdredacteur). Ruddy Doom en Sofie Van Bauwel zijn verbonden aan de vakgroep Studie van de Derde Wereld van de Universiteit Gent. De meest recente publicatie van Ruddy Doom is Conflict en ontwikkeling. Overleven in de grensgebieden van de globalisering, Academia Press, Gent, 2008. Informatie: mopaper@mo.be of MO*paper, Vlasfabriekstraat 11, 1060 Brussel Suggesties: emiel.vervliet@mo.be Wereldmediahuis is ook uitgever van het maandblad MO* en van de mondiale nieuwssite www.mo.be (i.s.m. het nieuwsagentschap IPS-Vlaanderen). Overname van de teksten is toegestaan mits toestemming van auteur en uitgever.




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

[ inleiding ]

De vrijheid van mening ‘under friendly fire’: de interne aanval op de Amerikanen na 9/11 The illegal we do immediately, the unconstitutional takes a little longer (Henry Kissinger) Informatie en vrije meningsuiting zijn essentiële onderdelen van elke samenleving die democratisch is en wil blijven. Het is immers maar op basis van een geïnformeerde en gevormde publieke opinie dat de overheid ertoe gebracht kan worden haar eigen internationale optreden bij te stellen. De tekst van Ruddy Doom en Sofie Van Bauwel (Universiteit Gent) is een reflectie a posteriori op de manier waarop media en academia er niet in geslaagd zijn hun rol te spelen in de Verenigde Staten na 9/11, en hoe de overheid en de toen dominante belangengroepen er integendeel wel in lukten om een versie van de wereld te construeren en te verkopen die hen de nodige publieke steun verschafte voor het herscheppen van de werkelijke wereld naar het beeld en de gelijkenis van hun eigen ideologie. Toch is deze tekst niet alleen “historisch” interessant. Hij biedt namelijk ook een analysekader voor wie beter wil verstaan hoe de verhevigde oorlog in Afghanistan en het betrekken van Pakistan bij een mogelijke militaire optie geargumenteerd worden door een uiterst gesofisticeerde en uitgebreide consensus building, niet alleen voor het Amerikaanse publiek, maar ook voor de internationale “bondgenoten”. Ook vandaag blijkt er weinig ruimte te zijn voor afwijkende meningen en voor respect voor feiten en historische context. Dat we niet achter de deuntjes van Bush jr. als volleerde rattenvanger aan moesten lopen, was voor velen duidelijk. Maar ook als Obama de passie preekt, past het de boer op zijn ganzen te letten.




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

1. Propaganda in dictatuur en democratie Oorlogen moeten ook op het thuisfront worden gewonnen. Staten die geen moeite doen om hun autoritair karakter te verdoezelen, weten dat een verloren oorlog eventueel de last post voor het regime blaast, zoals in het Portugal van Salazar of voor de militairen in Argentinië. Systemen als dat van de vroegere Sovjet Unie, beseffen al evengoed dat een nederlaag als deze anno 1989 in Afghanistan de afkalving van de loyauteit der elites stimuleert en de verdere passieve afstandelijkheid van de bevolking bevordert. Dat zij alle zeilen bijzetten om de bevolking voor te liegen kan amper verbazing wekken. Uiteraard zijn er grenzen aan de verdraaiing van de feitelijkheid, en moet men de ontvangers niet tezeer onderschatten. Het blijft een raadsel waarom de minister van informatie van Irak, Muhammed Saeed al-Sahaf niet onmiddellijk uit zijn functie werd ontheven. Zijn toespraken waren zo hilarisch, zijn leugens zo grotesk dat er een heuse hype ontstond rond ‘Comical Ali’, alias ‘Bagdad Bob’ (zie www. welovetheiraqiinformationminister.com). Het beeld van ‘MSS’ reflecteert natuurlijk perfect de visie van de vijand als anders, irrationeel, niet ontwikkeld… Dit soort representatie is typisch in iedere conflictbeleving die media mee opbouwt (Scaton, 2005). Het demoniseren van de vijand i.e. de ‘ander’ is dan ook van alle tijden en maakt inherent deel uit van het beeldvormingsproces dat zich vooral laat inspireren door de dichotomie die een conflict met zich meebrengt. Men steunt op de creatie van antagonismen waarbij men probeert de andere vaak als idioot, wild, extreem, onmenselijk, enz. voor te stellen.




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

Nico Carpentier (2007), 103-116) maakte een analyse van het discours in de Irakese Oorlog van 2003. Bepaalde tegenstelling blijven telkens terug te komen, zoals “good/ evil, just/unjust, innocent/guilty, rational/irrational, civilized/barbaric, organized/ chaotic, superior towards technology/part of technology, human/anima-machine, united/fragmented, heroic/cowardice and determined/insecure”. Men probeert de zogenaamde ‘voice of authority’ te zijn die de waarheid spreekt en die het discours rond de vijand probeert de fixeren en vast te leggen. Dit proces eindigt dan meestal in groteske stereotyperingen die meer doet denken aan stripfiguren dan aan mensen. Daarbij valt niet te ontkennen dat het regime in Bagdad er alles aan deed om aan het prototype te beantwoorden. De propagandamachine van Saddam was er één die écht van dik hout planken zaagde. De bloemrijke en gezwollen taal – stromen van bloed, de gebeente der ongelovigen die in de woestijn zullen bleken – waren uiteraard niet voor westerse oren bestemd, of ze aansloegen bij de Irakis is maar de vraag. Of de verwijzing naar Salah al-Din (net als Saddam in Tikrit geboren) gelovige moslims kon overtuigen, laat staan de Koerden valt nog meer te betwijfelen. Ook in de inval in Koeweit werd deze propagandamolen op dezelfde manier aangedreven (zie Long, 2004). De regie was niet alles, en men mag de kritische ingesteldheid van de bevolking niet weggommen, omdat (Westerse) waarnemers zelden de ware gedachten te weten komen in een dictatuur. Maar wat met ‘the land of the free’, de V.S. die van de mondiale verspreiding van democratie hun waarmerk hebben gemaakt? Hoe wordt daar gereageerd op de Irakoorlog? Vietnam had het zelfvertrouwen van de leidende kringen alvast een knauw gegeven. Het idee dat een soort ‘invisible hand’ de oorlogsverslaggevers zou behoeden voor onvaderlandse gedragingen werd er volkomen ondergraven. Militaire operaties als deze in Grenada, Somalië of tijdens de Eerste Golfoorlog werden verslagen door begeleide journalisten die tezamen of embedded met de officiële berichten voor een georchestreerde positivostemming moesten zorgen. Want het was gebleken dat de Amerikanen niet hielden van gruwelijke oorlogen: My Lay beelden kom men dus missen als de pest. Het was dus nodig ‘to glamorise and prettify the war’, om er een soort film van te maken zonder échte doden (Allen, 1999, p. 37). Dit was reeds duidelijk tijdens de eerste golfoorlog waar het onderscheid tussen videogames en de inzet van ‘smart bombs’ onduidelijk was (Baudrillard, 1991) en clean oorlog werd gevoerd. Deze simulatie werd trouwens later ook nog eens overgedaan door NATO woordvoerder Jamie Shee. Universiteiten en universiteitsstudenten, zo was eerder gebleken, waren evenmin natuurlijke bondgenoten. Integendeel: terwijl de gewone jongens in Nam hun bloed vergoten, ondergroeven peaceniks en andere nuttige idioten de vastberadenheid van de bevolking. De autoriteiten zullen er alles aan doen, na 11 september maar vooral met de Irakoorlog, om zowel opiniemakers als de universiteiten in te pakken of te intimideren. De ‘colleteral dammage’ die de grondrechten treft, wordt er als aanvaardbare prijs bijgenomen.




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

2. De strijd om de hersens en hart van de natie Mocht je als machthebber moeten kiezen tussen gevreesd of geliefd worden, dan is het veiliger, wil je de macht behouden, - uiteraard voor een hoger doel – om te opteren voor het eerste. Dat heb je, zoals Machiavelli reeds wist, tenminste zelf in de hand. Maar misschien moeten daar een aantal kanttekeningen bij geplaatst worden. Eén bedenking is alvast dat mensen de leiding volgen wanneer men vreest dat een nog veel grótere ramp dreigt indien men dit níet doet. De verstrengeling tussen leugen, propaganda en informatie is niet typisch of exclusief voor totalitaire regimes, zoals op een rij gezet door Bertrand Taithe en Tim Thorton (1999) in hun werk over progaganda en politieke retoriek van 1300 tot 2000. Het blijft merkwaardig hoe die travestie wordt volgehouden door titels als ‘de Pravda’ (de waarheid) of ‘Renmin Ribao’ (Volkskrant) te verzinnen. Op gevaar af om zelf ‘ontmaskerd’ te worden als vijand van het Vrije Westen, stelt zich de vraag of ook het beleid van de VS n.a.v. de invasie in Irak niet zeer veel ingezet heeft op de angstpsychose via het demoniseren van de tegenstander en het verabsoluteren van het gevaar. Natuurlijk zal niemand evenmin zó naïef zijn om onze ‘vrije pers’ en de ‘mededelingen van algemeen belang’ een maagdelijk statuut toe te kennen. Zelfs de meest fervente verdedigers van de minimale staat bedoelden hiermee nooit een impotente staat, maar veeleer iets wat in de buurt van ‘free economy and the strong state’ (Gamble, 1994). Deze constructie vinden we terug in the ‘free market place’ die Bush jr. voor ogen had; het volstaat om de defensie-uitgaven te bekijken om te zien dat het wel degelijk om een gespierde staat gaat. Marcuse wees er al lang geleden op: “Tolerance is turned from an active into a passive state: laissez-faire the constituted authorities. It is the people who tolerate the government, which in turn tolerates opposition within the framework determined by the constituted authorities” (Marcuse, 1969, p. 95.). Die grenzen van toegelaten tolerantie vernauwen natuurlijk wanneer de staat en de samenleving bedreigd worden. Zelfs in de normale omstandigheden is wat Jacques Elul omschreef als ‘integratie-propaganda’ nooit ver weg. Dit zag hij niet in tegenstelling met een bepaalde vorm van participatie-democratie, integendeel: “Propaganda is




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

needed in the exercise of power for the simple reason that the masses have come to participate in political affairs” (Ellul, 1962, p. 206). Noem het klantenbinding aan het systeem. En uiteraard zal, om het met een moderner schutwoord te noemen het ‘imagemanagement’ toenemen wanneer de WTC-torens in puin worden gelegd (Rutherford, 2000). President Bush speelt opvallend snel in op de aanslagen van 11 september. Ronald Reagan moge dan de titel van ‘the great communicator’ hebben verworven, Bush laat evenmin de gelegenheid liggen om het woord als wapen te gebruiken (Curry, 1992). Dezelfde dag reeds wordt de term “war” in de mond genomen en moet het voor iedereen duidelijk zijn dat uitzonderlijke tijden exceptionele maatregelen vergen. Langs de ene kant wordt natuurlijk verder gebouwd op ‘the war on drugs’, ‘the war against the evil forces’ en zelfs op de gedachte van Pearl Harbor, maar het nieuwe is dat de aanslagen nu op Amerikaans grondgebied gebeurden. De volgende dag reeds wordt de ‘imagined community’ voorgehouden aan de bevolking: “Our city” en dit terwijl de meeste Amerikanen niet wild zijn van New York, “our nation” en in één adem “our way of life” en “our very freedom” en tenslotte “our world, our future”. Er wordt meteen gewaarschuwd dat de oorlog niet zal beperkt blijven, “not one battle…” en dat die zowel zal bestaan uit “dramatic strikes visible on TV” en “covert operations secret even in succes”. Men is dus gewaarschuwd: hier is een oorlogspresident aan het woord die een beroep moet doen op uitgebreidere bevoegdheden (Wells, 2001). Aangezien de president herhaaldelijk spreekt in naam van “we”, “the nation”, plaatsen de lauwen en de tegenstanders zichzelf buiten de natie. 14 september wordt door Bush uitgeroepen tot de ‘National Day of Prayer and Rememberance’ en in zijn toespraak in de kathedraal roept hij de steun van de allerhoogste in: “May He always guide our country” waardoor de president zich tot een soort christelijk amir-al muminin verheft. Zelfs de lichaamstaal van de president verkreeg pontificale allures en onderstreepte het “it ain’t what you say, it’s the way that you say it”. De rest van het verhaal is bekend en leidt na de inval in Afghanistan tot de oorlog in Irak. Deze draaide rond twee punten: de banden van het regime met al-Qaeda en de aanwezigheid van WMD’s (Weapons of Mass Destruction). Lang voor het eerste schot in de ‘oorlog’viel, werd de feitelijkheid reeds de nek omgewrongen want in werkelijkheid was men lang vóór de eerste ‘shock-and-wave’-aanval op het terrein al overgeschakeld van beveiliging (bijvoorbeeld in de no-fly-zones) naar offensieve operaties. Maar nu moesten de publieke opinie en het Congres warm worden gemaakt voor een heuse oorlog. En zoals Bush het in een radio-interview omschreef (24/05/05): “See, in my line of work you got to keep repeating things over and over and over again for the truth to sink in, to kind of catapult the propaganda”. Ook Bush senior had dit goed begrepen en bouwde een gelijkaardige media politiek zoals in de affaire Panama (Thrall, 2000). Volgens Wolfowitz, in een interview met ‘Vanity Fair’ (28/05/2003), waren de WMD’s “… the only reason everyone could agree on…”, en dus werd rond die ‘doomsday weapons’, door Bush, Powell, Cheney, Rumsfeld… steeds opnieuw dezelfde boodschap uitgezonden dat een verdediging wel noodzakelijk was. Het mooi voorbeeld van het fixeren van een discours. Of zoals Nico Carpentier (2007, 103) het formuleert: “When a nation or a people go to war, powerful mechanisms come into play to turn an adversary into the enemy”. Indien Saddam ontkende, dan bewees dit volgens de




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

perschef van het Witte Huis, Ari Fleisher, alleen maar dat hij loog (Press Briefing, 09/01/2003). De import uit Niger van ‘yellowcake uranium’ - die moest leiden tot de aanmaak van een atoombom - was het dieptepunt van wat alleen maar als één van de grootste desinformatiecampagnes ooit kan worden omschreven (met de Plame-affaire in de slipstream). “Selling the war on Iraq” noemde Susan Thompson (2002) het: “Public language (re)created a national identity…”. Om dit ‘effect’ de bereiken waren alle middelen goed (Silberstein, 2002, xiii), en traden de “Weapons of mass deception” in werking (Rampton & Stauber, 2003). De nieuw opgerichte ‘Office of Global Communication’ die vooral het buitenland moet bestrijken, wordt aangemaand: “to use advertising techniques to persuade crucial target groups” (Thompson, 2002). Charlotte Beers, de CEO van één der top advertising bureaus wordt aangetrokken om aan ‘brand management’ te doen o.m. via een hip teen-lifestyle tijdschrift “Hi”, Radio-Sawa en het T.V.-kanaal al-Hurra (De Vrije). Om het zo uit te drukken: het is een waar tapijtbombardement om de mentale weerstand van de bevolking plat te krijgen. Geheel in de stijl van Orwell werden propagandisten omschreven als ‘artificial reality imagineers’; zo werd Scott Forza de ex-art-director van ABC-News, aangetrokken voor de mise-en-scène van de presidentiële boodschappen. Het zou uiteraard verkeerd zijn te geloven dat de Bush-administratie frontaal tegen de publieke opinie in moest gaan na 9/11. Voor een groot deel was die al vóór de aanslagen doordrenkt van de ideologie die Bush aan de macht had gebracht: opvattingen van de neo-cons en religieus fundamentalisme (en wat gefrunnik bij de uitslagen). Kevin Phillips noemde die basis een cocktail van ‘radical religion, oil and borrowed money’ (Philips, 2006). De idee dat er een civiele samenleving was die spontaan als krachtcentrale zou fungeren om de waarheid – en ruimer de mensenrechten – in bescherming te nemen klopte al niet. De terroristische aanslag – en de manier waarop die live op het netvlies werd gebrand, als de iconische hyperrealische beelden van de hedendaagse samenleving – maakte dat je vlak na de aanslag alleen haviken en super-haviken had, met enkele schaarse stemmen van wat je als sceptisch conformisme zou kunnen omschrijven. De samenleving was rijp, of liever rijp gemaakt, om een overgedramatiseerde boodschap te aanvaarden en zich te laten overspoelen door de emo-politiek. Daarenboven ontbrak het niet aan sociale controle om de rotte appelen in de vaderlandslievende mand op te sporen. Geheel in de traditie van het McCarthyisme was er een heropleving van de ‘sneak and peep’ cultuur, die niet wakker lag van het waarheidsgehalte van hun aantijgingen. De Patriot Act voluit ‘Uniting and strengthening America by providing appropriate tools required to intercept and obstruct terrorism’ (2001, pp. 107-156), was gericht tegen het zg. ‘domestic terrorism’. Volgens ACLU (American Civil Liberties Union) was dit een regelrechte aanslag op de privacy die haast geruisloos door het Congres werd geloodst. In 2005 volgde de ‘Intelligence Authorisation Act” die het FBI ongeveer ongehinderd onderzoeksbevoegdheden gaf in de strijd tegen het globale terrorisme. De ‘Mobilization against Terrorism Act’ (2001) moest volgen John Ashcroft de gevaren bezweren die “darkened the USA and the civilized world on September 11” en had het over “those who lend support to terrorism” wat een wel erg rekkelijk begrip is. De natie werd enerzijds zoals de ganzen gegaffeerd met waarheid en anderzijds behoed voor het kwade: de Amerikaanse bevolking werd de ‘consent manufactured’ (Robinson, 2004, 97).




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

3. De mening van de media Quid de private media? Het beeld van de integere correspondent die zijn leven veil heeft om de waarheid wereldkundig te maken, is steeds goed voor een spannend filmscenario. In werkelijkheid ligt het meestal wel iets genuanceerder (Pedeltry, 1995). ‘The best war ever’ luidde de sarcastische titel van ‘Center for Media and Democracy’medewerkers Rampton en Stauber (Rampton & Stauber, 2006). De relatie terrorismepers is er steeds één vol paradoxen geweest. Terrorisme creëert nieuws en nieuwsmakers spelen daar op in (Livingstone, 1994). Hoe cynisch het ook moge klinken, een terroristische aanslag heeft een hoge spektakelwaarde. Naarmate infotainment aan belang wint, kan geen enkele krant eraan voorbijgaan, terwijl voor de TV-zenders een real timeuitzending à la WTC haast een geschenk uit de hemel is. Reclame en nieuwsitems zijn voor Amerikaanse zenders sinds lang geen volkomen onderscheiden terreinen meer (Farsetta & Price, 2006) en globale media hebben een monopolie over de beelden en dus ook over het nieuws. In de oorlog tegen het terrorisme aarzelde de regering niet om regelrechte fictie als nieuwsitems te verspreiden (Jackson, 2004). De ‘embedded journalists’ die vooral de gevolgen wilden ontlopen het beslissend beeld te zullen missen, liepen veelal braaf aan de hand. Het meest gekende voorbeeld was de “bevrijding” van de vrouwelijke militair Jessica Lynch, waarover NBC een TVfilm ‘Saving Jessica Lynch’ maakte, en waaraan predikant Eric Horner de ontroerende ballade “She is a hero” wijdde. Veelal was er zelfs geen nood aan wat ‘managed journalism’ heet maar werkten de zelfcensuur en behaagzucht vanzelf. Uitzendingen als ‘Entertainment Tonight’ voerden een zelfuitgeroepen ex-minares van Saddam op, die niet alleen verklaarde dat “I did it my way” van Sinatra de favoriete song van de president was, maar zeker wist dat hij en Bin Laden met elkaar contact hadden (http://www.salon.com/people/wike/2002/09/ MO/mistress). Misschien kon de houding van de Amerikaanse pers het duidelijkst worden geïllustreerd door de positie van ‘Fox News’. Niemand betwijfelt dat Rupert Murdoch uit conservatief hout is gesneden, het is geweten dat de hoofdredacteur van zijn ‘Weekly Standard’ William Kristal, tevens de voorzitter van ‘Project for the New




nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

American Century is (zie verder) (Lobe, 2003) en dat Bill O’Reilly een onversneden patriot is die door Karl Rove (één van de spindoctors van Bush) werd gecoached is evenmin een geheim. (Conway et. al., 2007). Men mag ook een ander aspect niet uit het oog verliezen: dank zij de O’Reilly factor in de oorlogsverslaggeving stak Fox CNN voorbij als grootste radio- en TV-zender (Frau-Meigs, 2008). Er is dus vaak evenzeer een collusie van financiële belangen, dan wel een louter ideologische symbiose. Oorlog en nieuws in ruime zin worden consumptiegoederen die gepositioneerd moeten worden op de markt en een bepaalde marktwaarde bezitten. Wie de kruisvaartstijl hanteert, sabelt ook onverbiddelijk de tegenstanders neer. De meest ranzige argumenten worden ingezet tegen al diegenen die de eenheid van denken en handelen aantastten. Wie tegen de stroom oproeide werd ter orde geroepen door organisaties als ‘Perspectives on World History and Current Events’, de ‘Jameston Foundation’s Terrorism Movement’ of de ‘Heritage Foundation’ die op hun invloedrijke websites een ware ‘name-and-shame-campaign’ opzetten tegen al diegenen die meespeelden in een ‘anti-coalition propaganda’ en zich bezig hielden met ‘inventing conspiracies’. Uiteraard liet in deze Amerika’s meest beruchte internet journalist met rechts-populistische inslag Matt Dudge – in de NYT ooit omschreven als ‘an idiot with a modem’ – zich niet onbetuigd, o.m. door met modder te smijten naar diegenen die door de berichtgeving rond Abu Ghraib meeheulden met de vijand. Ook in Groot-Brittannië zag men de houding van de grote nieuwszenders en media veranderen tijdens de oorlog en “as the memory of “liberation” fades in the face of the realities of occupation, critical media voices are returning and popular disaffection is growing.” (Couldry & Downey, 2004, 280). Er waren van meetaf aan onder journalisten en publicisten een aantal dwarsliggers. Over één groep hebben we het hier niet, namelijk diegenen die de officiële versie in twijfel trokken en de aanslag zagen als het gevolg van een interne samenzwering (Everett, 2005; Zwicher, 2006). Het gaat ons om diegenen die zich afzetten tégen het ‘embedded journalism’ en die dus de lakmoesproef van de ware patriotten niet doorstaan. Uiteraard kan een beeldenstormer als Chomsky niet ontbreken. Hij had reeds vroeger in verband met de pers verklaard “propaganda is to democracy what the bludgeon is in totalitarian states” (Chomsky, 2002, p. 152). Met zijn boek ‘9/11’ verschaft hij niet alleen een andere verklaring en invalshoek, maar hekelt hij tevens de volgzaamheid van de pers. Dit levert hem de koosnaampjes op als ‘talking head’ en een leider van de ‘diaboligarchy’. John Pilger was ook al zo’n luis in de pels van het establishment. Hij publiceerde in 2002 ‘The new rulers of the world’ waarin hij de VS betichtte zélf daden van terrorisme te plegen waardoor hij een andere inhoud gaf aan het begrip ‘schurkenstaat’. De rechtse pers smeedde daarop een nieuw woord: ‘pilgering’, wat gelijkstond met “to present information in a sensationalist manner to reach a foregone conclusion” (deze definitie uit de ‘Oxford English Dictionary of New Words’ moest later verwijderd worden). Opnieuw kreeg Pilger met zijn poging tot inhoudsverschuiving de volle lading omwille van zijn ‘alternatieve’ benadering. Velen deden zoals Allan Greenspan: wachten met het uitbrengen van ‘the inconvenient truth’ – the Iraqi war is largely about oil – tot de emotionaliteit rond de Twin Towers wat geluwd was (Greenspan, 2001). Divina Frau-Meigs 2008) kwam tot de conclusie dat de gerenommeerde opiniemakers hun rol van waakhond slechts zeer minimaal speelden (Over de rol van de hoofdredacteur in het ‘framing and conceptualizing’ van de bijdragen gaan we hier voorbij; zie Decoodt, 2007, p. 27).

10


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

De ‘nieuwe’ media, websites en blogs, die wellicht minder dienden te vrezen voor ‘klantenverlies’ of derving van reclame vulden deels deze lacune op, al bestreken die aanvankelijk vooral dit segment van de bevolking dat al niet echt tot de believers behoorde. ANSWER (Act Now to Stop War and End Racism) organiseerde reeds op 29 september 2001 een eerste protestmanifestatie (dus vóór de oorlog met Irak). Met de aanval op Bagdad verbreedde dit front bijvoorbeeld in bewegingen als ‘United for Peace and Justice’, wat zo’n 70 organisaties overkoepelde (Heany & Rojas, 2007). Via websites en blogs gingen deze civiele bewegingen in tegen de officiële berichtgeving en deze van de mainstream pers. Andere verenigingen als de Pen-Club (met Ariel Dorfman en Salman Rushdie voorop) of het reeds vernoemde ACLU richten hun pijlen dan weer vooral op de negatieve gevolgen van de Patriot Act. Maar, de tegenstanders bleven aanvankelijk een zeer heteroclyt gezelschap, dat geen massale demonstraties op de been kreeg, door de Republikeinen werd weggehoond en door de Democraten met veel koudwatervrees werd bejegend (Rolland-Diamond, 2008). Veel activisten wilden zélf geen toenadering tot de Democraten, zelfs niet tot de speaker Nancy Pelosi. (Zie voor de websites o.m. www.readerprivacy.com; www.promo.org; www.citizen.org; www. aclu.org; www.classroomtools.com enz…)

4. Het beleg der universiteiten De universiteiten en ruimer gesteld de ‘intellectuelen’ – toch al een besmette benaming – genoten van de speciale aandacht van de voorvechters voor de waarheid in een smear-and-snear campagne. Daar zijn minstens twee redenen voor aan te voeren. Eén: het hoger onderwijs levert een aanzienlijk deel van de maatschappelijke elites (hoewel de president in deze géén lichtend voorbeeld is). Elk maatschappelijk systeem zal pogen de vorming van een tegen-elite te verhinderen via gerichte hegemonie. En het is meestal zo dat regimeveranderingen voorafgegaan worden door periodes van desertie van de heersende elite. Twee: we leven in een tijdperk dat Sorell omschrijft als ‘scienticism’ d.w.z. we hebben wetenschap tot gids van het handelen uitgeroepen: “science is the only valuable part of human learning” (Sorell, 1991, p. 1). Vooral in de exacte wetenschappen en het positivisme worden de empirische data maar al te graag als de eerste, enige en universele argumenten aanzien die de objectieve waarheid bewijzen. (Zelfs het islamcreationisme dat gepersonaliseerd wordt in Harun Yahya, vindt het nodig om zich te

11


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

verhullen in de ‘Bilim Arastirma Vakyi’, zijnde ‘Stichting Wetenschapsonderzoek’). Maar wat wordt precies bedoeld met “gidsen”? Het valt op dat de liefde voor de wetenschap gepaard gaat met grote conceptuele mistigheid. Zoals koningen eertijds filosofen tot hovelingen kneedden en hen de illusie lieten dat ze werkelijk over macht beschikten, zo worden humane wetenschappers ingeschakeld in het beleid: ze verspreiden geloof maar noemen het wetenschap. De ‘Trilateral commission’ maakte in haar studie van 1975 ‘The Crisis of Democracy’ reeds gewag van twee soorten intellectuelen: de ‘policy-oriented intellectuals’ en de ‘value-oriented intellectuals’ (Crozier et. al., 1975). De eersten waren uit op constructieve ondersteuning van het beleid, de laatsten wilden het leiderschap ondergraven. Op een bizarre manier worden Gramsci’s categorieën van ‘traditionele’ en ‘organische’ intellectuelen hier haast gepersifleerd. Traditionele intellectuelen zijn volgens hem de experten in legitimatie, in het rechtpraten van wat krom is, of wat volgens de ‘value-oriented’ niet in de haak is. Wellicht zijn ze heden ten dage prozaïscher te omschrijven als de ideologische managers van het systeem: “The wellbred intelligentsia operate the pump handle, conducting mass mobilization in a way that is, as Laswell observed, cheaper than violence or bribery, and much better suited to the image of democracy” (Chomsky, 2003,72). Dit lijkt op een eerste gezicht tegenstrijdig maar spoort wel degelijk in het politieke bedrijf. Politiek gaat om macht en de strijd betreft het verkrijgen van greep op de waarheid. Die waarheid is nooit feitelijke waarheid en noch veel minder wetenschappelijk. Waarheid wordt gemaakt, en het waarheidsgehalte wordt in de politiek afgelezen aan het effect (Hall, 1997, p. 49). Vandaar dat in een totalitaire regime politieke waarheid en wetenschap samenvallen (en soms gepersonaliseerd wordt zoals ooit in Elena Ceaucescu). Eén van de vluchtwegen, om te ontsnappen aan wetenschappelijke kritiek zonder de “wetenschap” af te vallen, is uiteraard de metafoor die de feiten vervangt. Smith wijst er terecht op hoe de 20e eeuwse boegbeelden van het racisme enkel grabbelen in de ton van pseudo-genetica en nep-biologie (Smith, 2003, 16). Bloed is bijvoorbeeld niet zoals in de genetica simpelweg materie, maar een symbool met atavistische connotaties. Erfelijkheidswetten zijn dan niet langer een resultaat van willoze processen, maar de uitdrukking van een soort ‘historical design’. Het begrip ‘staat’ wanneer het wordt gehanteerd in het discours ondergaat een zelfde lot: het laat uitschijnen dat er een bibliotheek onderzoek achtersteekt, maar appelleert in feite aan sentimenten, die allemaal samen een irrationeel maar moeilijk te ontwrichten constructie bieden. Dit geldt evenzeer voor de civiele samenleving, een begrip met rizomische allures en evenmin te ontdoen van bijbetekenissen.Voor een wetenschappelijke analyse is die meerduidigheid en schimmigheid niet bepaald een zegen, in het verwerven van hegemonie is het zelden een remmende factor. Zoals gezegd berusten dominante ideeën eerder op aanvaarding dan op bewijsvoering. Het principe van ‘academic freedom of speech’ krijgt door een ‘transformative use’ wel een heel specifieke invulling.

12


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

5. Waarheid op de campus Het punt waarop wij ons in wat volgt concentreren is de smalle scheidingszone tussen academische conceptualisering en politieke strategie, en het besmettingsgevaar dat uitgaat van het politiek machtsdenken op het wetenschappelijke. De meest manifeste veruiterlijking van vermenging is de personele bezetting van instituten, waarbij sleutelfiguren op regelmatige tijdstippen overstappen maken en concepten uit het machtsdenken binnensmokkelen. Het type-voorbeeld is iemand als Paul Wolfowitz, de vroegere directeur van de Wereldbank. Wolfowitz ijverde ooit in de lobbygroep ten voordele van het ABM-systeem, samen met Richard Perle, de ‘prince of darkness’ en Paul Nitze, één van de architecten van de koude oorlog. Nitze loofde Wolfowitz’s documenten die een dam opwierpen tegen de desinformatie van “polemical and pompous scientists”. Wolfowitz ging later zélf als onderzoeker aan de slag bij de ‘Paul Nitze School of Advanced International Studies’, een departement van de John Hopkins Universiteit. Daar, samen met politici als Donald Rumsfeld, Jeb Bush, Dick Cheney…, werkte hij het ‘Project for the New American Century’ uit. Dit vormde dan weer de achtergrond voor de ‘Defense Planning Guidance for the 1994-99 fiscal years’, spoedig de Wolfowitz-doctrine genoemd. Dit document dateerde van de periode dat hij ‘US Undersecretary of Defense’ was. Het was niet bestemd voor publicatie, maar werd gelekt naar ‘The New York Times’. Het uitgangspunt was duidelijk: “The US must show the leadership necessary to establish and protect a new order, that holds the promise of convincing potential competitors that they need not aspire to a greater role or pursue a more agressive posture to protect their legitimate interests” (Tyler, 1992). Het ideeëngoed van unilateralisme, oliebelangen, pre-emptive interventions… passeerden allemaal de revue, vrijwel onmiddellijk ná 9/11 maar vóór Irak. Het ganse verhaal rond machtsvacuüm, de falende staten en de ‘national security’, was er prominent in aanwezig, en deze benadering druppelde dan weer door in meer academische benaderingen. De zogenaamde neo-cons zijn, in tegenstelling tot hun voorgangers géén isolationisten, maar toegewijde internationalisten. Of, ze zijn dit althans wanneer de inherente morele superioriteit van de VS een verlengstuk krijgt in een ongecontesteerde

13


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

internationaal leiderschap (Lobe & Bary, 2002; Berlet & Matthew, 2000). IPScorrespondent Jim Lobe omschrijft hen als “an infrastructure of the right-wing counterestablishment … that acts as a vast echochamber for each other and the media” (Lobe, 2003). Lawrence Summers is nog zo’n man met ervaring in het hinkelspel: ChiefEconomist van de W.B., ‘Secretary of the Treasury’ onder Clinton, van 2001 tot 2006 president van Harvard, en nu topadviseur voor president Obama. De VS zijn de enige niet-imperialistische supermacht, placht Summers te poneren. Een uitspraak van de ‘power-nerd’ – zoals zijn talrijke tegenstanders hem doopten – die op zich reeds getuigt van enige selectieve blindheid (Kissinger H. A. & Sumners, L. H., 2004). Summers werd niet zozeer op zijn vingers getikt omwille van dit wel erg geïndividualiseerd herschrijven der geschiedenis, als wel langs rechts voorbijgestoken. Zoals Mallaby opmerkt: “This anti-imperialist restraint is becoming harder to sustain as disorder in poor countries grows more threathening” (Mallaby, 2002). Op het groeiende probleem van falende staten kon niet langer gereageerd worden via manke antwoorden zoals ontwikkelingshulp en nation-building programma’s, ging de tekst verder. Een unilateraal ingrijpen van de VS wakkerde alleen maar blind antiAmerikanisme aan, terwijl de VN besluiteloos bleven en het vetorecht van de VR China en Rusland vervelend waren. Gelukkig was er nog Wolfowitz die met de oplossing kwam. “Like the coalition that opposed the Iraqi aggression, we should expect future coalitions to be ad hoc assemblies, often not lasting beyond the crisis being confronted…” (Tyler, 1992). Of zoals dit treffend werd omschreven ‘a coalition of the willing.’ Zo ‘willing’ was die coalitie tenandere niet, want naast de vaste bijslaap GB, en de overduidelijke steun van de Aznars en Berlusconi’s, werden heel wat medestanders gevonden “…through coercion, bullying, bribery and the implied threats of US action that would directly damage the interests of the country” (Anderson, et. al., 2003, 1). België behoorde in deze tot Rumsfelds ‘old Europe’, werd afgeschilderd als ‘a weasel country’ zodat Willy Claes reeds vreesde voor bombardementen op het koninklijk paleis. De kruisbestuiving onderzoeksinstituten – politieke denktanks is niet alleen te vatten via dubbelmandaten van sleutelpersonen of netwerkoverlapping. De accaparatie-aandrift houdt tevens een ontradingsstrategie in, bijvoorbeeld door de alternatieve waarheid als staatsgevaarlijk en de verdedigers ervan als objectieve bondgenoten van de vijand te bestempelen (zoals in de ‘Patriot Act’). De ‘library provision’ – sec. 215 – staat toe dat men nagaat bij bibliotheken, boekenwinkels… welke boeken persoon x raadpleegt. Je moet in dezen niet eens als ‘verdachte’ worden beschouwd. Waarheid is blijkbaar niet tegensprekelijk en mensen dienen in bescherming genomen te worden tegen desinformatie of ze worden als potentieel subversief gecatalogiseerd. De regering doet alvast een poging via de OGC (Office of Global Communications) “… to ensure consistency in messages that will promote the interests of the United States abroad, prevent misunderstanding, build support for and among coalition partners.” (Rampton & Stauber, 2003). Maar er zijn ook de vele ‘officieuze’ organisaties zoals AVOT die zich in de strijd werpen en “take to task those groups and individuals who fundamentally misunderstand the nature of the war we are facing”. De ‘Americans for Victory over Terrorism’ (zie www.avot.org) willen vooral via spreekbeurten op de campussen van de middelbare scholen de harten winnen. Steunende krachten achter AVOT zijn o.m. Jeane Kirckpatrick, Paul Bremer, Eliot Cohen en Richard Perle.

14


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

Democratie wordt aldus vernauwd tot onversneden en kritiekloos patriottisme, zoals dit door de presidentiële kringen wordt voorgehouden. Wie het niet eens is met het beleid wordt meteen verdacht van anti-Amerikanisme. Sommigen was het opgevallen dat MESA-leden (Middle East Studies Association) de tendens vertonen “to dislike their own country”. ‘Sommigen’, dit wil zeggen de ‘Campus Watch’, een organisatie opgericht door Daniel Pipes, die tot doel heeft “to monitor and gather information on professors who fan the flames of disinformation, incitement and ignorance (Beinin, 2002). Pipes is tevens lid van hogervermelde AVOT. Hetzelfde geldt voor Lynne Cheney, echtgenote van, en mede-oprichter van ACTA (American Council of Trustees and Alumni), die tot doel heeft om de ‘dominant campus orthodoxy’ te weerleggen (Aziz, 2004). Dit is het ‘minitrue in action’ (Orwell’s Ministry of Truth) dat om de eenheid van de ‘good thinkers’ te stroomlijnen, retorische vragen stelt als waarom ACLU (Americian Civil Liberties Movement) niet meteen een ‘Zacarias Moussaoui Protection Act’ voorlegt? Het spreekt vanzelf dat het verspreiden van de foutieve boodschap moet gesanctioneerd worden. Een optimale carrièreplanning of het aantrekken van onderzoeksfondsen wordt – zeker voor jongere academici – niet bevorderd wanneer men geoormerkt wordt als onbetrouwbaar. De strijd om dominantie is niet steeds zo openlijk dramatisch, de banalisering van de inlijving is helaas even prominent aanwezig. Het zou net zo verkeerd zijn om alles te herleiden tot complottheorieën als onderdeel van een stapsgewijze goedgeplande strategie, waaraan geen ontkomen mogelijk is. Het meest verontrustende is dat er sprake is van spontane reproductie en herarticulatie van machtsrelaties, en dat bij dit alles nog weinig druk ervaren wordt van de kant van diegenen die, zoals het hert dat naar het koele water snakt, naar de waarheid worden geleid. Macht is op die manier gedecentraliseerd “… not reducible to interpersonal domination but … constitute of social life” (Calhoun, 1995, 118). Het zou daarenboven van verregaande simpelheid getuigen de academische wereld te zien als een bolwerk van maagdelijke zuiverheid dat door de malafide politieke wereld wordt belaagd. De voorbeelden zijn legio – en niet alleen in totalitaire regimes waar het de regel is – van wetenschappers die zichzelf met gretige graagte tegen de macht aanschurken. Decennia geleden had Cruise O’Brien het al over het fenomeen dat “power in our time had more intelligence in its service, and allows that intelligence more discretion as to its methods, than ever before” (Cruise O’Brien, 1967). ‘The new mandarins’ noemde Chomsky ze ooit: de aanhangige intelligentsia, uit overtuiging, uit opportunisme, of doodgewoon uit geestelijke luiheid en morele inertie (Chomsky, 1996). “If power is never anything but repressive, if it never did anything but to say no, do you really think one would be brought to obey it?” (Foucault, 1980, 61). Of, anders uitgedrukt: mensen – en dus ook diegenen die wetenschap bedrijven - voelen zich niet constant het ‘slachtoffer’ van macht, het verleent ook structuur aan denken en zijn. Shall they overcome…? “In Europa onderschatten we niet alleen het conservatisme in de VS, maar ook de innovatieve mediastrategie” zei de mediasociologe Divina Frau-Meigs in een interview (DM, 16/02/2008). De desinformatiecampagne betrof niet alleen de pers, maar werd zeer gericht beheerd door de overheid. Meer dan ooit tevoren in het Westen hanteerde deze een actieve stick-and-carrot strategie die alle neuzen in dezelfde richting moest doen wijzen. En toch werd het géén onverdeeld succes, alle inspanningen ten spijt. De samenleving in de VS is multigelaagd en een overheid beschikt nooit over de

15


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

mogelijkheid om alle dissidentie aan te pakken: een tijdelijke en passieve instemming is meestal de enige haalbare kaart. Onmiddellijk na september 11, was het voor de journalisten duidelijk dat ze hun routinereferentie opgaven ten voordele van een soort overgave, maar lang duurde het niet vooraleer de vraag van Jay Rosen “What are journalists for?” opnieuw bovendreef. (Zelizer & Allen, 2002; Rosen, 2001). De academische wereld liep er eerst ook wat beduusd bij toen ze door Martin en Neil in ‘Defending Civilization’ werden beticht van een laffe ‘Blame America First’ en er een nieuwe versie van de dolkstootlegende circuleerde met de universiteiten als ‘weak link in Americas response to terrorisme’ (Martin & Neal, 2001). Maar ook zij krabbelden snel recht na de eerste inslag, en ACTA (die ‘Defending…’ sponsorde) werd het ‘Arbitrary Committee for the Talibanization of America”. Wat wellicht nog hoopvoller was, countrygroepen zoals de ‘Dixy Chicks’, zelf afkomstig uit Texas, bleven kritiek uitoefenen op het beleid, zelfs nadat ze door een aantal radiostations op de blacklist werden geplaatst. Het feit dat ze ondanks de ganse hetze een Grammy Award kregen was een signaal dat niet iedereen in het gelid te dringen was. Zoals al vaak gebleken was had je niet noodzakelijk academische kwaliteiten nodig om gezond verstand te hebben. Nochtans namen de repressieve maatregelen steeds draconischer allures aan. Zo kan men met de ‘Blocking property of certain persons who threaten stabilization efforts in Iraq’ (17/07/2007) de eigendommen aanslaan van ngo’s die werkzaam waren in Irak, en die de economische heropbouw van het land zouden kunnen bedreigen. Preventieve acties krijgen op die manier wel een erg lange slagschaduw (Chossudovsky, 2005). En dan zijn er natuurlijk de feiten, de doden, de gewonden en diegenen met mentale stoornissen (1 op 10!). Tegen feiten zijn woorden op de duur niet opgewassen. Het totaal aantal doden liep begin 2008 volgens ‘The Lancet’ op tot zo’n 650.000, maar laten we ervan uitgaan dat Iraakse slachtoffers iets minder hoog scoren op bodybags. Daarenboven blijkt de walkover, laat staan de steun van de ‘bevrijde Iraki’s’ een fictie en blijft de uitweg uit de situatie bijzonder onduidelijk. Organisaties zoals IVAW (Iraqi Veterans Against the War) laten niet na dit te onderstrepen. En dan is er het kostenplaatje. Volgens Stiglitz zou dit oplopen tot $ 3 biljoen, een bedrag dat de verbeelding te boven gaat maar wellicht toch indruk maakt op al diegenen die rond of onder de armoedegrens leven (Stiglitz & Bilmes, 2008). Toen bij het begin van het conflict het cijfer van $200 miljoen werd naar voor geschoven, had Rumsfeld het over ‘baloney’ en Wolfowitz bleef het maar hebben over de terugwineffecten van de oorlog. De ‘smoking gun’, zijnde de WMD’s kunnen niet op harde bewijzen steunen, en de beweringen van het hoofd van de CIA dat de ontdekkingen een ‘slam dunk’ zouden zijn, krijgen hilarische proporties. Halve en hele leugens werden het waarmerk van de regering. In de aanloop (2002-2003) alleen al rekende het ‘Center for Public Integrity’ voor, legde de Bush-administratie 935 valse verklaringen af. Toen Robert Wexler Condoleezza Rice in het congrens met dit cijfer confronteerde, had ze het over de ‘collective wisdom’ van de inlichtingendiensten die in de richting van WMD’s wezen en de aantijging van leugens noemde ze ‘simply not true’. De schandalen en schandaaltjes zijn niet bepaald hartverwarmend, vooral niet wanneer de indruk groeit dat de ene Amerikaan omvergeschoten wordt en de andere er financieel beter van wordt. Vooral Halliburton met links met de politieke elite werd nog al eens met de vinger gewezen (Windfalls of War. Center for Public Integrity; http://www.icig.org/wow

16


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

De leugens bleken een bermbom te zijn die de ‘Washington Ratpack’ uit elkaar speelde. Collin Powel heeft het zinkend schip verlaten, “The world is beginning to doubt the moral basis of our fight against terrorism” schreef hij op 15 september 2006 aan senator Mc Cain, toen voorgesteld werd om ook nog eens aan de Conventie van Genève te morrelen. George Tenet, het hoofd van de CIA stapte op nadat het geklungel/ leugens van de dienst onomstotelijk waren. Karl Rove, het hoofd van de ‘White House Iraq Group’, Lewis Libby, de ‘vice-presidential chief of staff’ en perschef Ari Fleischer moesten aftreden naar aanleiding van de Plame-affair. Richard Perle moest zijn voorzitterschap van de ‘Defence Polity Board’ inleveren, nadat Seymour Hersch in een CNN uitzending ‘Lunch with the chairman’ (9 maart 2003) belangenvermenging aantoonde. Perle’s reactie was tekenend “Hersch is the closest thing in American journalism to terrorism”. Rumsfeld moest baan ruimen na de ‘generals revolt’, die zijn onbekwaamheid aankloegen. Op 8 november 2007 kondigde de president dit officieel aan, nadat hij een week daarvoor nog luidop verklaarde: “I stand by Rumsfeld”. Read my lips? Wolfowitz verhuisde naar de Wereldbankgroep waar hij struikelde over een betwiste promotie van Shaha Riza. Paul Bremer die de ‘Coalition Provisional Authority’ in Bagdad leidde, werd bedolven onder de aantijgingen van belangenvermenging en fraude. Bush ziet zijn populariteit weliswaar dalen, maar blijft dezelfde boodschap verhalen, verblind door zijn eigen leugens en verlicht door de Allerhoogste. De ganse operatie ‘Patriot Act’, de intimidatie tegen de universitairen, de stigmatisering van de vredesactivisten hebben niet tot de verhoopte resultaten geleid. Er zijn duidelijk nogal wat burgers, van alle pluimage, die niet zo makkelijk in te pakken zijn. Maar, tot een brede anti-oorlogsbeweging komt het voorlopig niet. Op een gegeven ogenblik legde één van de iconen, de ‘anti-war mom’ Cindy Sheenan van ‘Gold Star Families for Peace’ er zelfs het bijltje bij neer, nadat ze een artikel had geschreven “Come Together, Right Now…” uit frustratie rond het gebrek aan eenheid bij de beweging (Pollack). In het vooruitzicht van de verkiezingen, bleven de leiders van de activisten vooral verdeeld over diegenen die nog hun hoop stellen op de Democraten, en diegenen die gewoonweg een terugtrekking op korte termijn eisen. Maar er zijn nog vele andere punten van onenigheid en het zou van naïviteit getuigen om alle tegenstanders van een verdere interventie te zien als even zoveel voorstanders van een andere, meer positieve rol van de V.S. binnen het wereldgebeuren.

17


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

[ bibliografie ] Allen, T. (1999). Perceiving contemporary wars, in Allen, T. and Seaton, J. (eds.). The media of conflict: war reporting and representation of ethnic violence. London: Zed Books. Allen, T. & Seaton, J. (Eds.) (1999). The media of conflict: war reporting and representation of ethnic violence. London: Zed Books. Anderson, S., Bennis, P. & Cavanaugh, J. (2003). Coalition of the willing of coalition of the coerced? How the Bush administration influences allies in its war on Iraq. IPS Paper. Washington: Institute for Policy Studies. Aziz, N. (2004). Campus insecurity: the right’s attack on faculty, programs and departments at U.S. universities. The Public Eye, 18(1), 10-17. Baudrillard, J. (1991). La Guerre du Golfe n’a pas eu lieu. Paris: Galillée. Beinin, J. (2002). Who is watching the watchers. History New Network, 2002, 30 september. Carpentier, N. (2007). Fighting discourses: Discourse Theory, War and Representations of the 2003 Iraki War. In S. Maltby & R. Keeble (Eds.), Communicating War. Memory, media and Military (pp.103-116). Suffolk: Arima. Chomsky, N. (1996). American power and the new mandarins. New York: The New Press. Chomsky, N. (2001). 9/11. New York: Seven Stories. Chomsky, N. (2002). Media control: the speculator achievement of propaganda. New York: Seven Stories. Chomsky, N. (2003). Objectivity and liberal scholarship. New York: The New Press. Chossudovsky, M. (2005). America’s war on terrorism. S.l.: Global Research. Crozier, M., Huntington, S.P. & Watanuki, J. (1975). The crisis of democracy. New York, New York University Press.Cruise O’Brien, C. (1967). Politics and the morality of scholarship. In M. Black (Ed.), The morality of scholarship (pp. 59-88). Ithaca: Cornell University Press. Couldry, N. & J. Downey (2004). War or peace? : Legitimation, dissent, and rhetorical closure in press couverage of the Iraq war build-up. In S. Allan & B. Zelizer (Eds.), Reporting war. Journalism in wartime (pp.266-282). London: Routledge. Curry, R. (1992). Thought control and repression in the Reagan-Bush era. Los Angeles: First Amendment Foundation. Dayan, D. (2006). La terreur sepctacle: terrorisme et télévision. Bruxelles: De Boeck. Decoodt, F. (2007). Representations of conflict and violence in mainstream news media: exploring content, context and power relations. Niet-gepubliceerde paper, Sussex University. Ellul, J. (2001). Propaganda: the formation of men’s attitude. New York: Vintage Books. Everett, M. (2005). Bush, Cheney, Rumsfeld and 9/11: a scandal beyond what has been seen before. The Journal of Psychohistory, 32(3), 202-238. Farsetta, D. & Price, D. (2006). Fake TV-news: widespread and undisclosed. Madison: Centre for Media and Democracy. Foucault, M. (1980). Truth and power. In Colin, G. (Ed.), Power/knowledge-selected interviews and other writings, 1972-1977. New York: Pantheon.

18


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

Frau-Meigs, D. (2005). Qui a détourné le 11 septembre? Journalisme, information et démocratie aux Etats-Unis. Bruxelles: De Boeck. Frau-Meigs, D. (2008). Les médias et l’information dans l’Amérique de George Bush. Vingtième siècle: revue d’histoire, 97(1), 143-157. Frum, D. & Perle, R. (2003). An end to evil: how to win the war on terror. New York: Random House. Gamble, A. (1994). The free economy and the strong state: the politics of Thatcherism. Basingstoke: Palgrave Macmillan. Greenspan, A. (2007). A time of turbulence: adventures in a new world. London: Penguin Press. Heany, M.T. & Rojas, F. (2007). Partisans, nonpartisans, and the antiwarmovement in the United States. American Political Research, 35(4), 431-464. Jackson, R. (2004). Security, democracy and the rhetoric of counter terrorism. Democracy and Security, 1(2), 147-171. Kissinger, H.A. & Sumners, L.H. (2004). Renewing the Atlantic partnership. Independent Task Force Report. New York: Council on Foreign Relations Press. Libby’s guilty verdict: media and myths and falsehoods to watch for. Geraadpleegd op 25 maart 2008 op http://mediamatters.org/items/200703060008 Livingstone, S. (1994). The terrorism spectacle. Boulder: Westview Press. Long, J.M. (2004). Saddam’s war of words. Politics, religion, and the iraqi invasion of Kuwait. Austin: University of Texas Press. Lobe, J. (2003). The neocon web. Geraadpleegd op 25 maart 2008 op http://www. lewrockwell.com/ips/lobe40.html Lobe, J. (2003). What a tangled web the neocons weave. Geraadpleegd op 25 maart 2008 op http://www.antiwar.com/ips/lobe122303.html Lobe, J. & Barry T. (2002). U.S. foreign policy: attention, right face, forward march. Foreign Policy in Focus: Policy Report. Mallaby, S. (2002). The reluctant imperialist: terrorism, failed states and the case for American empire. Foreign Affairs, 81(2), 2-8. Marcuse, H. (1969). Repressive tolerance. In R.P. Wolf, Barrington Moore Jr. & H. Marcuse, A critique of pure tolerance (pp. 95-137). Boston: Beacon Press. Martin, J.L. & Neal, A.D. (2002). Defending civilization: how our universities are failing America and what can be done about it: a project of the defence of civilization trust. Washington: American Council of Trustees and Alumni. Moore, J. & Slater, W. (2006). The architect: Karl Rove and the master plan for absolute power. New York: Crown. Pedeltry, M. (1995). War stories: the culture of foreign correspondents. London: Routledge. Phillips, K. (2006). American theocracy: the peril of politics of radical religion, oil and borrowed money in the 21st century. New York: Viking. Pilger, J. (2002). The new rulers of the world. London: Verso. Pollack, A. (2008). U.S. antiwar movement falters: an insiders view. Geraadpleegd op 25 maart 2008 op http://www.socialistaction.org/pollack32.htm Rabay, M. (2008). Bij Fox News staat de bagger altijd klaar. De Morgen. 2008, 16 februari.

19


nummer 30 – april 2008 [ Hoezo, vrije meningsuiting? ]

Rampton, S. & Stauber, J. (2003). Weapons of mass deception: the uses of propaganda in Bush’s war on Iraq. London: Penguin Books. Rampton, S. & Stauber, J. (2006). The best war ever: lies, damned lies and the mess in Iraq. London: Penguin Books. (Robinson, P. (2004). Resaerching Us media –state relations and twenty-first century wars, In S. Allan & B. Zeliver (eds.), Reporting War. Journalism in Wartime.London: Routledge. Rolland-Diamond, C. (2008). S’opposer à la guerre dans l’Amérique de George W. Bush. Vingtième siècle: revue d’histoire, 97(1), 175-186. Rosen, J. (2001). What are journalists for? New Haven: Yale University Press. Rutherford, P. (2000). Endless propaganda: the advertising of public goods. Toronto: University of Toronto Press. Seaton, J. (2005). Carnage and the media: the making and breaking of news about violations. London: Penguin Books. Silberstein, S. (2002). War of words: Language, politics and 9/11. London: Routledge. Smith, H.W. (2003). Het verhaal van de slager: moord en antisemitisme in Duitsland, 1900. Amsterdam: Ambo. Sorell, T. (1991). Scientism: philosophy and the infatuation with science. London: Routledge. Stiglitz, J. & Bilmes, L. (2008). The three trillion dollar war: the true cost of the Iraq conflict. London: Penguin Books. Taithe, B. en Thorton, T. (Eds.) (1999). Themes in History. Propaganda.Political Rhetoric and Identity 1300-2000.Phoenix: Sutton. Thompson, S. (2002). Selling the war on Iraq. Geraadpleegd op 26 maart 2008 op http:// www.cuc.claremont.edu/interfth/Selling-Iraq/welcome.htm Thrall, A.T. (2000). War in the Media Age. New Jersey: Hampton Press. Tyler, P.E. (1992). US strategy plan calls for insuring no rivals develop a one-superpower world: Pentagon’s document outlines ways to thwart challenges to primacy of America. New York Times. 1992, 8 maart. Wells, S. (2008). Une présidence de temps de guerre: étude de la centralisation des pouvoirs aus Etats-Unis après le 11 septembre 2001. Vingtième siècle: revue d’histoire, 97(1), 9-24. Zelizer, B. & Allen, S. (Eds.). (2002). Journalism after september 11. London: Routledge. Zwicher, B. (2006). Towers of deception: the media cover-up of 9/11. Gabriola Island: New Society Publishers.

20


MO*paper #30: Hoezo, vrije meningsuiting?