Issuu on Google+

Designing Olympics

Design and Politics Xtra #1

Editorial team Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Elien Wierenga Editorial team Design and Politics Henk Ovink, Elien Wierenga

Redactie Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Elien Wierenga Redactie Design and Politics Henk Ovink, Elien Wierenga

With contributions by Thijs van Bijsterveldt, Matthijs Bouw, Daniel Casas Valle, Max Cohen de Lara, Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Vincent Kompier, Anne Luijten, David Mulder, Henk Ovink, Oana Radeş, Harm Timmermans, Anna Vos, Bettine Vriesekoop, Elien Wierenga

Met bijdragen van Thijs van Bijsterveldt, Matthijs Bouw, Daniel Casas Valle, Max Cohen de Lara, Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Vincent Kompier, Anne Luijten, David Mulder, Henk Ovink, Oana Radeş, Harm Timmermans, Anna Vos, Bettine Vriesekoop, Elien Wierenga

010 Publishers, Rotterdam 2012

Uitgeverij 010, Rotterdam 2012

1


Contents

4 6

Foreword Introduction

16 30

Olympic Ambition Meeting You, World The Netherlands as Game Changer

46 60

Sport and the City Studio Sport Sport in the City

66

The Netherlands and London 2012 Learning from London 2012

92

Wanted: Vision and Courage. Seeking a Story for the Olympic Games

102 Credits

4 6

Voorwoord Inleiding

Olympische ambitie 16 Meeting You, World 30 Nederland als Game Changer Sport en de stad 46 Studio Sport 60 Sport in de stad

Nederland en Londen 2012 66 Leren van Londen 2012 92 Gevraagd: visie en durf. Op zoek naar een

verhaal voor de Spelen 102 Colofon

2

3


Tastbaar Olympisch   Het Olympisch Plan is een bijzonder proces dat partijen en belangen verbindt om met sport in de volle breedte richting te geven aan de ontwikkeling van Nederland. De ambitie om de Olympische Spelen te organiseren is een katalyserend onderdeel in dit proces van onderzoek en ontwikkeling. Meer dan een stip aan de horizon zijn de Spelen ingebed in elke stap van het proces, nu, morgen en ook na 2028. De toekomstige Spelen kunnen nu al vanuit een gerichte ambitie, thematiek, plek en alliantie van partijen kleur en richting geven aan de bestaande ontwikkelingen. Zo worden bestaande processen versterkt en nieuwe gestart en wordt de Olympische ambitie werkelijk ingezet als katalysator om projecten anders en beter uit te voeren. De Olympische Spelen versterken en verdiepen zo de ontwikkelrichting voor - delen van - Nederland. Focus in combinatie met inspiratie, verbinding en een gericht investeringsbeleid maakt het mogelijk echt te kiezen vanuit het Olympisch perspectief. Het ten volle benutten van de Olympische Spelen voor de ontwikkeling van Nederland betekent dat een projectmatige benadering tekortschiet. De Olympische ambitie vraagt om een proces als een voortdurend samenspel van partijen en belangen. De maatschappelijke meerwaarde van dit proces is gericht op een duurzame ontwikkeling van Nederland vanuit de kracht van de Spelen. Het is een meerwaarde die de complexe en urgente opgaven verbindt met een werkelijk krachtige aanpak. Een meerwaarde gericht op mensen, partijen, belangen en verlangens. De meerwaarde is ook een procesmatige meerwaarde waarbij projecten en processen elkaar versterken en versnellen en kwaliteit, kosten en baten worden gewogen en elkaar versterken. Dit Olympisch proces eindigt niet bij de Spelen zelf maar gaat door tot lang na de Spelen. En het begint niet na toekenning van het bid maar is allang in

4

Tangibly Olympic The Olympic Plan is a unique process that unites stakeholders and interests so that sport in its fullest sense can guide the further development of the Netherlands. The ambition to hold the Olympic Games is a catalysing component in this process of research and development. Much more than a dot on the horizon, the Games are embedded in every step in the process, today, tomorrow and after 2028. Even now, the future Olympics can lend colour and direction to ongoing developments, proceeding from a targeted ambition, theme, place and alliance. In this way, existing processes are enhanced and new ones begun, with the Olympic ambition genuinely deployed as a catalyst towards implementing projects in different and better ways. Enduring, integrated and efficient. The Olympic Games then strengthen and give depth to the direction in which the Netherlands (or parts of it) can develop. Focus combined with inspiration, engagement and a targeted investment policy make it possible to choose from an Olympic perspective. Exploiting the Games to the full to develop the Netherlands means that a project-byproject approach would not suffice. The Olympic ambition requires a process as an unremitting interplay of stakeholders and interests. The added value of this process for the community is targeted at using the power of the Games to develop the Netherlands along sustainable lines. It is an added value that binds the complex and urgent issues with a truly high-powered approach; an added value targeted at people, players, interests and desires. This added value is also process-driven, whereby projects and processes are mutually reinforcing and accelerating, and quality, costs and benefits are balanced out and become mutually reinforcing. This process does not end with the Olympics themselves but long afterwards. Nor did it begin after the bid was won but was

under way long before that. The Games are a strategic moment, a catalyst for the entire process targeted at delivering the stated broad Olympic ambitions. In this process of ambitions, interests, responsibilities and dreams, design has a crucial part to play. Design gives visibility to political decisions and sharpens them. Design underpins the added value, making it transparent, tangible. And design analyses, develops and visualizes an Olympic Games that meshes into the structure and culture of the Netherlands of today and of long after 2028. This process is the narrative of the Dutch Olympics. It is a shared narrative and a shared interest, much more than the sum of the many different, often fragmented and isolated narratives and interests. Narrative, process and design. People, interests and projects. Sport, development and culture. Today, tomorrow and in 2028. It is this layered, multiple and consistent ‘Dutch Approach’ that we have to rediscover so as to really make a difference, the Olympic difference. A new and crucial step in this process comes with the recent decision to designate Amsterdam as the name city and Rotterdam the partner city, and to set to work with the rest of the Netherlands on this Olympic ambition. The decision gives transparency and a base from which to work together and to form, on the road to 2016, a strong coalition that can inspire, unite, visualize and, from now on, deliver tangible results. Tangibly Olympic - in words, images and deeds. Henk Ovink Director of National Spatial Planning, Ministry of Infrastructure and the Environment Co-Curator, 5th International Architecture Biennale, Rotterdam

beweging. De Spelen zijn een strategisch moment, een katalysator voor het hele proces gericht op het realiseren van de gestelde brede Olympische ambities. Ontwerp speelt in dit proces van ambities, belangen, verantwoordelijkheden en dromen een cruciale rol. Ontwerp maakt de politieke keuzes zichtbaar en scherp. Ontwerp onderbouwt de meerwaarde en maakt ze inzichtelijk, tastbaar. En ontwerp analyseert, ontwikkelt en verbeeldt Olympische Spelen die ingrijpen op de structuur en cultuur van Nederland van nu en van ver na 2028. Dit proces is het verhaal van de Nederlandse Spelen. Een gezamenlijk verhaal en een gezamenlijk belang. Veel meer dan de optelsom van de vele verschillende, soms gefragmenteerde en geïsoleerde verhalen en belangen. Verhaal, proces en ontwerp. Mensen, belangen en projecten. Sport, ontwikkeling en cultuur. Nu, morgen en in 2028. Het is deze ‘Dutch Approach’ met een gelaagde, meervoudige en consistente aanpak die we opnieuw moeten durven uitvinden om echt het verschil te kunnen maken, het Olympisch verschil. Het onlangs genomen besluit om met Amsterdam als naamgevende stad en Rotterdam als partnerstad samen met de rest van Nederland nu te werken aan deze Olympische ambitie betekent een nieuwe en cruciale stap in dit proces. Het besluit biedt helderheid en een basis om samen te werken en richting 2016 een sterke coalitie te vormen die kan inspireren, verbinden, verbeelden én vanaf nu ook al concrete resultaten kan boeken. Tastbaar Olympisch in woord, beeld en daad.   Henk Ovink Directeur Ruimtelijke Ontwikkeling, Ministerie van Infrastructuur en Milieu Co-curator 5e Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam

5


Inleiding

Introduction

Tijdens het uitkomen van deze speciale uitgave in de serie Design and Politics zijn de Olympische Spelen 2012 in volle gang. De Spelen van Londen vormden de directe aanleiding voor deze ‘special’. Maar dat is niet de enige reden. Ook Nederland heeft Olympische ambities. Het Olympisch Plan 2028 heeft als ambitie met de kracht van sport en met de organisatie van de Spelen als stip op de horizon van Nederland een topland te maken.  Dit Olympisch Plan, in het buitenland al de ‘Dutch Approach’ genoemd, is uniek vanwege de gefaseerde en langetermijnaanpak, waarbij gestreefd wordt om niet alleen achteraf, maar juist voorafgaand aan het eventueel organiseren van de Spelen zoveel mogelijk resultaten te boeken. De Spelen in 2028 zijn een kers op de taart - ook als ze er niet komen heeft de Olympische ambitie al effect gehad. Een ander uniek aspect aan deze aanpak is de Alliantie Olympisch Vuur, een brede coalitie die het Olympisch Plan steunt. De huidige fase tot 2016 vormt de opbouwfase. In de komende jaren is het doel van het Olympisch Plan om de samenleving te inspireren en ‘op Olympisch niveau’ te brengen op tal van terreinen, van asfalt tot zorg. In 2016 zal de balans worden opgemaakt en worden besloten over de voorbereiding en randvoorwaarden van een mogelijk ‘bid’ voor de Olympische Spelen van 2028. Officiële kandidaatstelling is in 2019 aan de orde. Vervolgens zal in 2021 het IOC de Spelen aan één van de kandidaten toewijzen. De ambities van het Olympisch Plan impliceren een belangrijke ontwerpopgave. Juist ontwerp kan een vitale rol spelen in het zoeken van verbindingen tussen belangen en partijen, en het concretiseren van de mogelijkheden en keuzes die de Olympische ambitie met zich meebrengt. De verschillende voorbeelden hiervan die in deze uitgave worden gepresenteerd zijn te herleiden tot de Olympische speerpunten van de rijksinzet bij het Olympisch Plan: sport

The 2012 Olympic and Paralympic Games were well under way as this special issue in the Design and Politics series rolled off the presses. Indeed, it was the London Games that prompted its publication. But there were other reasons too. The Netherlands has Olympic ambitions of its own. The Netherlands’ Olympic Plan 2028 seeks to use the power of sport, with the hosting of the 2028 Summer Olympics as a dot on the horizon, to transform the Netherlands into a country of world stature.  This Plan, already dubbed the Dutch Approach in international circles, is unique because of its phased, long-term strategy, the aim being to book maximum results before as well as after organizing the Games. The 2028 Olympics are a cherry on the cake - even if nothing comes of them, the ‘Olympic ambition’ will already have made its mark. A further unique aspect of this approach is the Olympic Flame Alliance (Alliantie Olympisch Vuur), a broad coalition founded to back the Olympic Plan. The current phase until 2016 is that of getting the ball rolling. In these years the aim of Olympic Plan 2028 will be to inspire the community and bring it to an ‘Olympic level’ on many fronts, from asphalt to welfare. In 2016 the situation will be assessed and a decision taken on the preparations and preconditions of a possible bid. Bidding is to begin officially in 2019, with the IOC selecting the host city in 2021. The ambitions fostered in the Olympic Plan carry the implications of a major design challenge. Design can play a vital part in seeking links between interests and players and giving tangible form to the possibilities and options that the Olympic ambition brings with it. The examples presented in this publication have their origin in the key components of government input into the Olympic Plan: sports and exercise in the community; the drive to excel in sport; economic value of sport; and spatial planning ambition and the

6

Olympic Games. Interspersed among the contributions are a number of boxes briefly presenting a further selection of studies. Taking everything together, it gives a picture, admittedly far from complete, of the current position on the Olympic Games. The ‘Sketchbook: Room for Olympic Plans’ was the first exploratory study into the potentials for Olympic Games in the Netherlands and it convinced the Dutch House of Representatives, among others, of the opportunities the Games would create. Matthijs Bouw describes the subsequent quest to find the ‘Olympic Main Structure’ requested by the House. This quest elicited an approach that would lay the foundations for thinking about Olympics Games in the Netherlands. The study by DHV engineering consultancy and Must urban designers that followed can be seen as a further test of a number of spatial variants. It is a step along the road map described by Bouw, taken to get a better idea of what decisions need making and when to make them, partly in light of the accessibility effects, so as to learn more about the possible ‘legacy’ and the requisite measures and investments. The contribution from Max Cohen de Lara and David Mulder of XML can be regarded as a further reflection on the ‘agency model’. The study underpinning it, conducted in the context of the International Architecture Biennale in Rotterdam, widens the view of the legacy issue from a historical and international perspective. One building block for such a narrative that occurs throughout the different studies is water. The designs for ‘Floating Games’ and ‘Dutch Delta Games’ are inspirational examples of this line of approach. The link with innovations in the water and water-related sectors moreover holds out opportunities for exploiting the Games to showcase Dutch skills and know-how abroad. The Olympic Games in London show that Dutch expertise in, say, design, sustainability, building

en bewegen in de buurt, uitblinken in sport, de economische betekenis van sport en ruimtelijke ambitie en Olympische Spelen. Tussen de verschillende bijdragen passeren in een aantal boxen een aantal andere studies kort de revue. Zo ontstaat een - overigens lang niet compleet beeld van de huidige stand van zaken over het denken over de Olympische Spelen. Het Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen vormde een eerste verkenning naar de mogelijkheden voor Olympische Spelen in Nederland en overtuigde onder meer de Tweede Kamer over de kansen die Olympische Spelen met zich mee brengen. Matthijs Bouw vertelt over de zoektocht naar de door de Kamer gevraagde ‘Olympische Hoofdstructuur’. Deze zoektocht leverde een benadering op die de basis vormde voor het denken over de Olympische Spelen in Nederland. De studie van de bureaus DHV en Must Stedenbouw die hierop volgde kan gezien worden als een verdere test van een aantal ruimtelijke varianten. Een stap op de door Bouw genoemde routekaart om meer concreet te weten welke keuzes wanneer nodig zijn, mede gelet op de bereikbaarheidseffecten, om meer te weten over de mogelijke ‘legacy’ en de benodigde maatregelen en investeringen. De bijdrage van Max Cohen de Lara en David Mulder kan gezien worden als een verdere doordenking van het ‘agency-model’. Het onderzoek dat hieraan ten grondslag lag vond plaats in het kader van de Internationale Architectuur Biënnale Rotterdam en verruimt de blik op het legacyvraagstuk vanuit historisch en internationaal perspectief. In de verschillende studies komt één bouwsteen voor een dergelijk narratief steeds terug: water. Onder meer de ontwerpen voor ‘Floating Games’ en de ‘Dutch Delta Games’ zijn daar inspirerende voorbeelden van. De koppeling met innovaties in de water- en de daaraan gerelateerde sectoren biedt bovendien kansen om de Olympische Spelen te benutten voor het profileren van Nederlandse kennis en kunde in

7


het buitenland. De Olympische Spelen van Londen laten zien dat Nederlandse expertise, ook op het gebied van ontwerp, duurzaamheid, bouw en logistiek, ook elders in de wereld goed van pas kan komen bij de realisatie van voorzieningen die nodig zijn om een grootschalig evenement te organiseren. De Spelen van Londen vormen daarnaast een uitgelezen kans om lessen op te doen voor de Nederlandse Olympische ambitie. Anna Vos organiseerde een masterclass om te leren van Londen. Zij concludeert dat de Olympische Spelen moeten passen in een al lopend traject, gericht op langetermijndoelen. Dan kunnen de Spelen als katalysator gaan fungeren en tot legacy leiden. De kunst is daarbij om vast te houden aan deze langetermijnstrategie in weerwil van alle pragmatiek van de Spelen zelf. In deze publicatie komen verder twee onderzoeken aan de orde die niet zozeer over de Olympische Spelen zelf gaan, maar bijdragen om Nederland, ook ruimtelijk, op Olympisch niveau te krijgen. Hoe kunnen sportvoorzieningen worden ingepast in de leefomgeving? Ze tonen de ambitie om sport en bewegen in de buurt te stimuleren. Daniel Casas Valle en Vincent Kompier geven een inkijkje in de uitkomsten van hun internationaal vergelijkend onderzoek, ‘Sport in the City’. In ‘Studio Sport’ worden door Thijs van Bijsterveldt en Oana Radeş twee Rotterdamse casestudies toegelicht. Beide studies dragen bij aan de ambitie om sport en bewegen in de buurt mogelijk te maken. Ze schetsen de mogelijkheden voor het inpassen van sportvoorzieningen in het stedelijk weefsel. Hierbij is niet alleen aandacht voor de programmatische en inpassingsaspecten, maar worden nadrukkelijk ook de financiële en organisatorische componenten betrokken, teneinde de ontwerpen ook uitvoerbaar te maken. Tegelijkertijd wordt aangetoond dat sport kan worden ingezet als aanjager van stedelijk kwaliteit. Het mes snijdt hier aan twee kanten. Een blik vanuit de topsport wordt ons gegund door Bettine Vriesekoop. Vriesekoop maakte als tafeltennister en journaliste van dichtbij de ontwikkeling van

8

construction and logistics can serve well in other parts of the world when delivering facilities necessary to organizing a largescale event. The London Games additionally offer the perfect opportunity to learn from experience. Anna Vos organized a masterclass so as to learn from London. She concludes that the Olympic Games need to fit into an already ongoing process targeted at long-term goals. Then the Games can act as a catalyst and help deliver a legacy. The trick is to retain this long-term strategy in the face of all the practicalities attendant on the Games. This book contains two further studies which, rather than being specifically about the Olympic Games, are more concerned with getting the Netherlands up to an Olympic standard, also in spatial terms. How can sports facilities be embedded in our everyday world? There is a clear link here with the ambition to stimulate sport and physical activity in the neighbourhood. Daniel Casas Valle and Vincent Kompier give a glimpse into the findings of their international comparative study. In ‘Studio Sport’, Thijs van Bijsterveldt and Oana Radeş describe two case studies in Rotterdam. Both the above studies fuel the ambition of enabling sport and physical activity in the neighbourhood. They outline the opportunities for embedding sport facilities in the urban fabric. Besides the aspects of programme and integration, they stress the financial and organizational components that are to make the designs feasible. At the same time they show that sport can be mobilized as a spur to urban quality. Here the benefits are mutual. For an opinion from the world of top-level sport we turn to Bettine Vriesekoop. As a table tennis player and journalist, Vriesekoop has experienced from close up the evolution of the Olympic Games in recent decades. In an interview conducted by Daniël de Groot she contends that the Netherlands is going to have to concentrate on keeping sport attractive for young people and so changes are inevitable. And in her view, the Netherlands

should spend less time talking and more on cooperating towards achieving the longterm goals if it is to make good its Olympic ambition. To close, Anne Luijten reports on a debate that took place in mid June of 2012 on the strength of the findings of XML’s study. She confronts this with the experience she gained during the London masterclass she helped organize. The debate didn’t give a cut and dried answer to what the Dutch Olympic narrative should be. The Netherlands as ‘game changer’ sounds appealing, but Luijten has her doubts about the potential of such a strategy. If in London there was a clear challenge that could be matched with the Olympics, in the Netherlands there is as yet no such issue or problem that cries out for an Olympic Games. It takes vision and courage, but the question remains, especially for a strategy of the Netherlands as game changer, whether the Netherlands can make a difference. The contributions to this book together chart the possibilities and challenges of the Dutch Olympic ambition. They have no collective answer to the question of whether the Olympic Games would be a good thing for the Netherlands, let alone the precise form this should take in 2028. However, this is not an issue as yet, in view of the time span and phased implementation of the Olympic Plan. The Olympic ambition is a process that has to move with the social dynamic, a narrative that has to be gradually assembled from smaller narratives - a narrative that extends further than 2028. If this narrative proves strong enough and takes on meaning, the Olympic Games will constitute a logical chapter but also a crucial one. The contributions within these pages are valuable building blocks to that end. Willemieke Hornis Project manager Olympic Main Structure, Ministry of Infrastructure and the Environment

de Olympische Spelen mee. Ze stelt in een interview dat Daniël de Groot met haar had dat Nederland zich zal moeten richten op het aantrekkelijk houden van sport voor de jeugd en veranderingen in de sporten daarom onvermijdelijk zijn. En wil Nederland de Olympische ambitie waarmaken, dan moet er in haar ogen minder gepraat en meer samengewerkt worden om de langetermijndoelen te verwezenlijken. Als afsluiting wordt door Anne Luijten verslag gedaan van een debat dat medio juni jongstleden plaatsvond naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek van XML. Zij confronteert dit met de ervaringen die zij opdeed tijdens de masterclass in Londen die ze mede organiseerde. Het debat leverde geen kant-enklaar antwoord op op de vraag wat het verhaal voor Nederland is. Nederland als ‘game-changer’ klinkt aantrekkelijk, maar Luijten betwijfelt hoe kansrijk een dergelijke strategie is. Er lijkt anno 2012 nog geen momentum of opgave te zijn die schreeuwt om een Olympische Spelen. De verschillende bijdragen in deze publicatie brengen de mogelijkheden en uitdagingen voor de Olympische ambitie in kaart. Samen geven ze geen antwoord op de vraag of de Olympische Spelen voor Nederland wenselijk zijn, laat staan hoe die er in 2028 precies uit zouden moeten zien. Deze vraag is nu ook niet aan de orde, gezien de termijn en fasering van het Olympisch Plan. De Olympische ambitie is een proces dat mee moet kunnen bewegen met de maatschappelijke dynamiek, een verhaal dat gaandeweg moet worden opgebouwd uit kleinere verhalen. Een verhaal dat ook niet eindigt in 2028 maar verder gaat. Als dit verhaal sterk genoeg blijkt en betekenis krijgt vormen de Olympische Spelen een logisch maar ook een cruciaal hoofdstuk. De bijdragen in deze publicatie leveren in dat opzicht waardevolle bouwstenen. Willemieke Hornis Projectleider Olympische Hoofdstructuur, Ministerie van Infrastructuur en Milieu

9


De Olympische Spelen door de zachte ogen van de sporter

The Olympic Games Seen in the Soft Focus of the Athlete

Daniël de Groot in gesprek met Bettine Vriesekoop Voormalig toptafeltennister Bettine Vriesekoop deed mee aan de Olympische Spelen van Seoul, Barcelona en Atlanta. Ze heeft de Spelen in de loop van de tijd zien veranderen. Bij haar eerste Spelen in Seoul lagen de wedstrijdaccommodaties ver weg van het Olympisch dorp met lange transporttijden tot gevolg. Als ze na de wedstrijd dan weer terug kwam in het Olympisch dorp lag er een luchtbedje klaar om de nacht op door te brengen. Qua faciliteiten is het in de loop van de tijd een stuk beter geworden, de positie van de topsporter wordt belangrijker, maar volgens Vriesekoop is het vooral de commercie die in de loop van de jaren (te) belangrijk is geworden, en gaan andere belangen dan die van de topsporter soms nog voor. Een treffend voorbeeld was het bezoek dat toenmalig president Bill Clinton bracht aan de Spelen van Atlanta. De complete stad werd afgezet waardoor onder anderen Vriesekoop zelf te laat arriveerde voor haar wedstrijd. Gelukkig had de organisatie begrip voor de situatie en ontliep ze diskwalificatie. Hoewel ze mee mocht doen, waren de Spelen van 1996 voor haar geen succes. Een van de factoren zat hem in het ontwerp van de tafeltennishal zelf. Deze had een rechthoekige vorm, terwijl Vriesekoop altijd beter presteerde in ovaalvormige zaal. Als ze goed en geconcentreerd speelde kreeg ze ‘zachte’ ogen waar ronde vormen het beste bij passen. De Spelen moeten in het belang zijn van de topsporters, maar ook van het organiserend land. De Spelen als een reizend concept met een nationale invloed. Ze heeft wel een idee wat die nationale invloed van Nederland zou kunnen zijn: de jeugd. Waar Vriesekoop ‘zachte’ ogen kreeg van een tafeltenniswedstrijd, krijgt de huidige jeugd vooral ‘vierkante’ ogen van het gamen. De jeugd loopt vaak niet warm voor de traditionele Olympische sporten.

An interview with Bettine Vriesekoop by Daniël de Groot Former table tennis champion Bettine Vriesekoop competed in the Olympic Games of Seoul, Barcelona and Atlanta. She has watched the Games change over the years. The sports venues at her first Olympics in Seoul were far away from the Olympic Village, so travelling times were burdensome. On returning to the village after a contest, a simple air mattress awaited her for her night’s rest. Much has improved since then as regards facilities, and top athletes are treated with greater respect. But in Vriesekoop’s view it is above all the business side that has gained in importance – perhaps too much so – and other interests sometimes push aside those of the athlete. A striking example was the visit of former American President Bill Clinton to the Atlanta Olympics. Whole areas of the city were barricaded, with the result that Vriesekoop as well as other athletes arrived late for her event. Fortunately the organizers recognized the problem and she was spared disqualification. The 1996 Olympics were nonetheless a disappointment for her. One factor was the actual design of the table tennis hall. It was rectangular in shape, while Vriesekoop always performed better in an oval hall. At maximum concentration her gaze would soften, and rounded shapes were more sympathetic to her state of mind. The Games must serve the interests of the athlete but also those of the host country. They are a travelling concept with national repercussions. She has ideas about where those national repercussions should be in the case of the Netherlands: on youth. While Vriesekoop’s eyes developed the soft focus appropriate to top-level table tennis, today’s youngsters typically have the square eyes of a video game player. Young people in this country don’t care much for traditional Olympic sports, neither as participants nor as

10

spectators. They are less and less interested in tennis and gymnastics, for example, but prefer more extreme sports such as skateboarding and kitesurfing. She also thinks that existing Olympic sports have to be updated to satisfy future expectations. Sport is important not only to teach children the benefits of physical exercise and thereby to counteract obesity, but also to teach them values such as respect, motivation, persistence and cooperation. Sports participation by members of immigrant communities must also improve in the future, according to Vriesekoop. The Olympic ideal and a putative 2028 Games in the Netherlands must help the nation cast off its blinkers and develop a new, positive morality in its multicultural population. As to whether the Netherlands really stands a chance of getting the 2028 Olympics, Vriesekoop has no comment. A lot will depend on the direction taken by the Olympic Games. Will market forces overwhelm the Games, or will their nature be transformed in some other respect? Whether the Netherlands can sell its plans matters, but so too does listening seriously to contrary opinions. If the resistance proves too powerful, we might as well relinquish the Games to a developing country. If we like the idea of the Olympic Games, however, much will have to happen on the way to 2028, Vriesekoop believes. The Netherlands has a propensity to short-term thinking, in her view, but to long-term action. Exactly the opposite is true in a country like China, where Vriesekoop worked as a journalist for several years. China is like a top athlete; nothing must stand in its way and winning is all that counts. The Netherlands should spend less time talking and more on cooperating towards achieving the highest feasible goal.

Niet om te doen en ook niet om naar te kijken. De jeugd van nu interesseert zich steeds minder in tennis of turnen, maar wil meer extreme sporten als skateboarden of kitesurfen. Daarnaast zouden bestaande Olympische sporten ‘geüpdatet’ moeten worden om te voldoen aan het toekomstige tijdsbeeld. Sport is niet alleen belangrijk omdat kinderen zo blijven bewegen en daarmee obesitas tegengegaan kan worden, maar sport leert de jeugd ook een aantal belangrijke waarden als respect, motivatie, doorzettingsvermogen en samenwerking. Ook de sportparticipatie onder allochtonen is iets wat Vriesekoop ziet als iets wat in de toekomst zou moeten verbeteren. De Olympische ambitie en uiteindelijk de eventuele Spelen van 2028 moeten er toe leiden dat Nederland de oogkleppen af kan doen en we een nieuwe positieve moraal in onze multiculturele samenleving kunnen ontwikkelen. Op de vraag of Nederland de Olympische Spelen van 2028 ook daadwerkelijk binnen kan halen moet ze het antwoord schuldig blijven. Veel zal afhangen van hoe de Spelen zich ontwikkelen. Neemt de markt het volledig over of gaan we naar Spelen van een andere orde. Belangrijk is hoe Nederland de plannen kan ‘verkopen’, maar ook dat er serieus wordt geluisterd naar de tegenstanders. Als blijkt dat de tegenstand te groot is kunnen we de Spelen beter gunnen aan een ontwikkelingsland. Als we de Spelen echt een goed idee vinden, dan moet er wel het nodige gebeuren richting 2028 vindt Vriesekoop. Nederland denkt vaak op de korte termijn, maar doet vaak op de lange termijn vindt ze. In een land als China (waar Vriesekoop enkele jaren als journalist werkzaam was) is dit precies het tegenovergestelde. China kan vergeleken worden met een topsporter; er moet resultaat behaald worden en alleen winnen telt. Nederland zal minder moeten gaan praten, maar meer moeten gaan samenwerken om het hoogst haalbare doel te bereiken.

11


Olympische ambitie Olympic Ambition

12

13


Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen

Sketchbook: Room for Olympic Plans

In het Schetsboek Ruimte voor Olympische Plannen, gemaakt door Twijnstra Gudde en Bureau Nieuwe Gracht in opdracht van het toenmalige Ministerie van VROM, wordt een eerste verkenning gedaan naar de ruimtelijke mogelijkheden van de Olympische Spelen in Nederland. In deze publicatie is het ruimtelijk programma voor de Olympische Spelen in beeld gebracht en zijn verschillende modellen voor ruimtelijke inpassingmogelijkheden uitgewerkt. Op basis van de modellen is geconcludeerd dat de Olympische Spelen in Nederland georganiseerd kunnen worden. Nederland beschikt over voldoende ruimtelijke mogelijkheden om groot-

The first exploratory study of the spatial potentials of a Dutch Olympics was the ‘Sketchbook: Room for Olympic Plans’, produced by Twijnstra Gudde management consultancy and Bureau Nieuwe Gracht design and research office for what was then the Ministry of Housing, Spatial Planning and Environment (VROM). The sketchbook gives a picture of the spatial programme for the Olympic Games and develops a number of models for spatially accommodating them. From these models it concludes that the Netherlands is indeed able to host the Games, having sufficient spatial potential to organize such large-scale events. To create venues for the Games, housing for the

LANDSCHAPSMODELLEN

C C schalige (sport)evenementen zoals de Olympische Spelen te organiseren. Het accommoderen van de Spelen, het huisvesten van de sporters, het vervoer van de bezoekers etc. zal volgens het schetsboek grote, maar haalbare inspanningen vergen die tegelijkertijd grote kansen bieden voor een aantal ruimtelijk opgaven. Daarbij onderkent het onderzoek het belang van de harde deadline van het evenement als katalysator, de noodzaak van de betrokkenheid C van heel Nederland én het bedrijfsleven en de structurerende werking van infrastructuur. De conclusies uit het schetsboek vormden een basis voor de ruimtelijke ambitie van het Olympisch Plan 2028 en waren voor de Tweede Kamer aanleiding om per motie te vragen om een ruimtelijke plan voor de Olympische Hoofdstructuur. Water-land van hoge duinen, afgegeeste strandwallen, dalende oude veenpolders en diepe jonge droogmakerijen; Olympische Spelen op Hollandse hoogten.

competitors, transport for the visitors etc will require great though achievable efforts and at the same time hold out major opportunities for a number of spatial briefs. The study further underlines the importance of the hard deadline of the event as a catalyst, the need C for the entire country - and trade and industry - to be involved and the structuring effect of infrastructure. The sketchbook’sCconclusions laid the groundwork for the spatial ambitions C Dutch of Olympic Plan 2028 and caused the Lower House to table a motion requesting a spatial plan for the Olympic Main Structure C (Olympische Hoofdstructuur).

Games on the brink of water and land show the long line of conquest and cultivation in typical Dutch landscapes: dunes, peatpolders, deep claypolders and many waters.

C

C

C C

C

C

C C C

Water-land van hoge duinen, afgegeeste strandwallen, dalende oude veenpolders en diepe jonge droogmakerijen; Olympische Spelen op Hollandse hoogten. Games on the brink van of water and land show the long line of conquest and cultivation dalende in typical Dutch landscapes: dunes, peatpolders, deep claypolders and many waters. Water-land hoge duinen, afgegeeste strandwallen, oude veenpolders en diepe jonge droogmakerijen;

Olympische Spelen op Hollandse hoogten. Games on the brink of water and land show the long line of conquest and cultivation in typical Dutch landscapes: dunes, peatpolders, deep claypolders and many waters.

ON

ND EI C

C

C

C

14

C

C

I G L AAG L A

ND C

C

C

DeDe rivierrivier als levensader, de uiterwaarden groen strijdperk, de als tribune; sporten inde eendijken poëtisch als buitenlandschap waar (be)leven is dan winnen. als levensader, de als uiterwaarden alsdijken groen strijdperk, tribune; sporten in belangrijker een poëtisch buitenRivers serve as silver transportlines; green meadow banks are in use for arenas; spectators swarm over dikes that serve as tribunes. An exquisite Dutch scenery for Games.

landschap waar (be)leven belangrijker is dan winnen. Rivers serve as silver transportlines; green meadow banks are in use for arenas; spectators swarm over dikes that serve as tribunes. An exquisite Dutch scenery for Games.

15


Meeting You, World Meeting You, World Natuurlijk wilde Craig McLatchey, hoofdadviseur van Rio de Janeiro’s winnende Olympische bid en voormalig secretaris-generaal van de Spelen in Sydney, graag meedoen in ons team1 voor het ontwerp van de Olympische Hoofdstructuur. De gedachte dat een klein, rijk, Europees land als Nederland zich zo vroeg buigt over de vraag ‘welke ruimtelijke maatregelen zijn er nodig om in 2028 de Olympische Spelen in Nederland te kunnen organiseren’ vond hij opmerkelijk, uiteindelijk toch heel logisch, en daarom interessant. De tijd dat alleen grote steden, in landen met grote economieën, de Spelen organiseren, komt ten einde. Ze zijn simpelweg op. In de toekomst zullen het vooral (grondstofrijke) ‘emerging economies’ zijn die een bieding doen. Het IOC zal juist daarom geïnteresseerd zijn in de Nederlandse voorbereidingen: het verbreedt het speelveld en stelt nieuwe vragen. Niet alleen aan Nederland, maar ook aan het IOC. Toen we in 2010 met de OHS begonnen was er nog 18 jaar te gaan. 18 jaar is lang. In 1992, het jaar van de Bijlmerramp, het geboortejaar van Neymar, hadden we nog nauwelijks mobiele telefoons, en gebruikte minder dan 1 promille van de wereldbevolking internet. Het is duidelijk dat de Spelen van 2028 heel andere Spelen kunnen zijn dan die van Beijing. Ook het IOC worstelt met vragen over de impact van media op hun verdienmodel, of de maatschappelijke verantwoording van de grote investeringen die met Spelen gepaard gaan. 1992 is ook het jaar waarin werd besloten een eerste milieueffectrapportage te doen voor de A4 Midden-Delfland. De A4 Midden-Delfland is een extreem voorbeeld van de lange doorlooptijden die gelden in Nederland voor zware infrastructuur. Hoe-

16

Craig McLatchey, the main advisor behind Rio de Janeiro’s winning Olympic bid and former Secretary General to the Sydney Games, was naturally pleased to be on our team1 for the design of the Olympic Main Structure. The idea that a small, prosperous European country like the Netherlands was already tackling the question of what spatial measures would be required to hold the 2028 Olympics on its own soil struck him as odd, but after all quite logical and therefore interesting. The days when only big cities in countries with big economies can hold the Games are numbered. In the future it will be mineral resource-based emerging economies that do most of the bidding. The IOC will therefore be interested in the Dutch preparations. The Dutch approach widens the scope of action and formulates new questions – not only for the Netherlands but also for the IOC. When we started on the Olympic Main Structure (Olympische Hoofdstructuur or OHS) in 2010 there were still eighteen years to go. Eighteen years is a long time. In 1992, the year of the Bijlmer Disaster and the year football star Neymar was born, mobile phones were still a rarity in the Netherlands and less than one per cent of the world population had access to the Internet. It is clear that the Olympics of 2028 will be vastly different from those of Beijing. The IOC is also wrestling with questions on the impact of the media on their business model, and of the social justification for the huge investments involved in the Games. 1992 was also the year in which the decision was taken to make an initial environmental impact report for the A4 motorway extension through Midden-Delfland. A4 Midden-Delfland is an extreme example

of the long procedural times for heavy infrastructure plans in the Netherlands. In principle all infrastructure projects until 2023 are covered by the Multi-Year Programme for Infrastructure, Spatial Planning and Transport (Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport, MIRT) and the main points still to be settled concern the exact routeing and implementation. However, the Olympic timetable (decision on bid in 2016, bid book in 2018, adjudication in 2021 and Games in 2028) makes no real allowance, regarding the construction of infrastructure, for the long time-span involved in decision-making, preparation and implementation in a highlydeveloped, densely built-up and democratic country like the Netherlands. That may look a problem but it could also be seen as an opportunity. The tight timetable of the Olympic Games compels planning to deadlines. It opens up the possibility of giving focus and direction to spatial planning policy. The Mindset: three concepts The Olympic Main Structure, the spatial measures necessary for holding the Olympic Games in the Netherlands in 2028, considers three different angles. Firstly, there is the purely technical angle: how can we satisfy the knock-out criteria which the IOC will use for awarding the Games? Secondly, there is the qualitative (ambition) angle: how can we bring the Netherlands up to an ‘Olympic level’ by boosting the local uniqueness and thereby creating widespread support and a proposal for the Games? The third angle relates to opportunity, as a catalyst or generator: how can the Olympic Main Structure contribute to the spatial (and social and economic) development of the Netherlands, and can a spatial legacy result from this? It is evident that, to stand a chance of success, the OHS must cover all three angles; without balance, the project is not only prospectless but pointless. The Technical–Quality–Opportunity triangle was thus the first concept we introduced in the Mindset, the result of the initial phase of the OHS.

wel in beginsel alle infrastructuur tot 2023 nu al in het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT) zit, en er vooral keuzes te maken zijn in exacte tracering en wijze van uitvoering, zijn de Olympische termijnen (beslissing over het bid in 2016, bidboek in 2018, toewijzing in 2021, Spelen in 2028) voor wat betreft de aanleg van infrastructuur niet echt voorbereid op de besluitvormings- en uitvoeringstijd die nodig is in een hoogontwikkeld, dichtbebouwd en democratisch land als Nederland. Dat kan als een probleem worden gezien, maar ook als een kans. Het strakke tijdschema van de Spelen maakt ’[planne(n)] met een deadline’ (de ondertitel die we ons project meegaven) noodzakelijk. Het biedt de mogelijkheid om het ruimtelijkeordeningsbeleid focus en richting te geven. De Mindset: drie concepten De Olympische Hoofdstructuur, de ruimtelijke maatregelen die nodig zijn om in 2028 de Olympische Spelen in Nederland te kunnen organiseren, heeft zo drie verschillende invalsrichtingen. Allereerst is er de louter technische: hoe te voldoen aan de (knockout)criteria die het IOC bij de toewijzing zal stellen? Daarnaast is er een kwalitatieve (ambitie): hoe Nederland op ‘Olympisch niveau’ te brengen door het versterken van het lokale en zo draagvlak, en een propositie, voor de Spelen te creëren? De derde invalsrichting komt vanuit de opportuniteit (katalysator/vliegwiel): hoe kan de Olympische Hoofdstructuur bijdragen aan de ruimtelijke (en maatschappelijke > gezondheid/sport?) ontwikkeling van Nederland, en kan er ook ruimtelijk ‘legacy’ (nalatenschap) ontstaan? Het is evident dat, om uiteindelijk succesvol te zijn, elk van de drie invalsrichtingen een plek moet krijgen in de OHS: zonder balans is het project niet alleen kansloos, maar ook zinloos. De driehoek Techniek-Kwaliteit-Opportuniteit werd zo het eerste concept dat we introduceerden in de ‘Mindset’, het resultaat van een eerste fase.

17


m pi c l

el

Oly

Olympic Level & unique selling points - Top sport - Amateur sport - Social - Welfare - Economy - Spatial - Events - Media attention - Water - Meeting you - Smart Games

ev

fo r

nt em e

g ga en

crea

Technical

ting work with wo rk r change in Games vehicle fo

agency

T

hnic ec

Large planning briefs: The major projects - Zuidas - OV SAAL / RAAM - Zaan-IJ - Stadshavens - A12 zone - Schiphol 2.0 - Hague Triangle - ... Thematic projects - Landscape - Delta programme - Infrastructure programme - Randstad transport and governance - Population decline - Neighbourhood renewal - Greenports

pp

urtu

n it

y

Olympic knockouts: - 40 minutes’ travel time for Olympic Family - Sustainability - Visitor accessibility - Olympic Village - Security - IOC standard for venues - Hotel capacity for accredited guests - Hotel capacity for Olympic Family - 12 minutes’ travel time for Olympic Family - Olympic lanes

Opportunity

O

ag

or c

ve hic le f

er ett &b

ha ng e in

NL

all

enc y

Olympic Level

faster

18

The next concept was a distinction between IOC Games and what we called ‘Agency Games’. To get an idea of the kind of Olympic Games that would ideally suit the Netherlands and to prioritize our activities in relation to possible trends within the IOC, a second line may be developed, that of ‘Agency’. Just as an agent is something or someone by which others are stimulated or engaged, the Agency Games are primarily the vehicle of other processes, driven by the agendas of both the Netherlands and the IOC. These processes are, for example, seeking flexibility, temporariness and smallness of scale, involving the entire Dutch population and business community, major shifts at global level and changes in the Olympic Games themselves. In what way can the 2028 Olympic Games stimulate these processes? And in what ways can the Games in the Netherlands, rather than elsewhere, contribute to change processes within the IOC? The last concept was the ‘road map’. It is premature to make a concrete design or blueprint now for the Olympics of 2028. It is more appropriate to make it clear what decisions are necessary within the OHS, at which moments of time, in order to actually make those decisions at those moments. In this way the two lines, that of the IOC Games and the Agency Games, can support each other for as long as possible, with a maximum chance of legacy, and without running the risk of losing sight of the goal. In a road map, the two tracks will eventually grow towards each other. At the same time, a dialogue can be started with the IOC and the sports federations (the Olympic Family). The Mindset thus formulates the principal task of the OHS: gaining an insight into the way the different angles of the OHS can come together in time and space, and then organizing an active, internationally-oriented ‘movement’ by which the opportunities for agency (and hence for innovation) can be exploited, thus achieving a better mutual fit between the Netherlands and the Olympic Games.

al

Het volgende concept was het onderscheid tussen IOC-Spelen en ‘Agency’-Spelen. Om zicht te krijgen op Spelen die ideaal passen bij Nederland en voorsorteren op mogelijke veranderingen binnen het IOC is er een tweede lijn te ontwikkelen, die van ‘Agency’. Zoals een agent iets of iemand is waardoor of door wie anderen worden gestimuleerd of geëngageerd, zo zijn de Agency-Spelen primair het voertuig van andere processen, gedreven vanuit de agenda van zowel Nederland, als van het IOC. Deze processen zijn bijvoorbeeld: het zoeken naar flexibiliteit, tijdelijkheid en de kleine schaal, het betrekken van de hele Nederlandse bevolking en het bedrijfsleven, grote transities op mondiaal niveau en veranderingen van de Olympische Spelen zelf. Op welke manier kunnen de Olympische Spelen van 2028 in Nederland deze processen stimuleren? En ook: op welke manieren kunnen juist de Spelen in Nederland bijdragen aan de veranderingsprocessen binnen het IOC? Tot slot was er de ’routekaart’. Het is voorbarig nu een concreet ontwerp, een blauwdruk, te maken voor de Spelen van 2028. Eerder gaat het om het inzichtelijk maken welke keuzes binnen de OHS op welk moment noodzakelijk zijn, om enkel op die momenten de keuzes ook daadwerkelijk te maken. Op die wijze kunnen de beide sporen, die van IOCSpelen en van Agency-Spelen, elkaar zo lang mogelijk versterken, en bestaat de grootste kans dat de legacy maximaal is, zonder het risico te lopen dat eindpunt uit het oog te verliezen. In een routekaart zullen de twee sporen uiteindelijk naar elkaar toe groeien. Tegelijkertijd kan een dialoog met het IOC en de sportfederaties (de zogenaamde ‘Olympic Family’) worden opgestart. Zo geeft de ‘Mindset’ aan wat de centrale opgave is: inzicht krijgen in de wijze waarop de verschillende invalsrichtingen van de OHS in tijd en ruimte samen kunnen komen, en vervolgens een actieve en internationaal georiënteerde ‘beweging’ organiseren waarmee de kansen voor agency (en zo voor inno-

De driehoek Techniek-Opportuniteit-Olympisch niveau. Technical-Opportunity-Olympic Level triangle.

19


vatie) verzilverd kunnen worden en zo Nederland en de Spelen beter bij elkaar te laten passen. Positiespel: de ontwerpagenda In de tweede fase, ‘Positiespel’, werd daarmee een stap gemaakt door het complexe speelveld met de veelheid aan betrokkenen verder te verkennen. Per invalshoek werd een aantal deelprojecten geformuleerd die met stakeholders, experts en ontwerpers (totaal meer dan 300 personen) uitgewerkt werden, in workshops, ontwerpstudies en evenementen. Veel van de concreet ruimtelijke opgaven werden in eerste instantie bestudeerd vanuit de invalsrichting ‘opportuniteit’. Het project Sportlandkaart toonde aan dat de over het hele land verspreide voorzieningen, accommodaties en trainingsfaciliteiten weliswaar een goede basis bieden voor het organiseren van de Spelen, maar dat de zogenaamde ‘Big Five’ (het atletiekstadion, het grote basketbalstadion, het zwemstadion, het Olympisch dorp en het mediacentrum) allemaal nog gebouwd moeten worden. Deze analyse maakte het mogelijk de opgave ‘waar zit het zwaartepunt van de Spelen’ te combineren met de grote ruimtelijke opgaven in Nederland: er was immers nog veel vrijheid om tot een optimale koppeling te komen en zo ‘werk met werk’ te maken. De ontwerpsessies toonden echter aan dat die koppeling niet bij voorbaat eenvoudig is. De maat van de Spelen past moeilijk bij de maat van Nederland: Nederland is ruimtelijk en organisatorisch te kleinschalig en te gefragmenteerd. Gebiedsontwikkelingen in Nederland hebben een veel kleinere korrel dan nu gemeengoed is voor de Spelen. Deze analyses brachten eigenlijk meteen een aloud dilemma in de Nederlandse ruimtelijke ordening naar voren: bundeling versus spreiding. Moet de grote schaal van de Spelen leiden tot een groots, meeslepend ‘plan’, waaraan vooralsnog de overige ruimtelijke en infrastructurele ontwikkeling van

20

Positional game: the design agenda In the second phase, ‘Positional Game’, a step was thereby taken in exploring the complex field of action and the multiplicity of involved parties. A number of part-projects were formulated, classified by angle, and these were elaborated together with stakeholders, experts and designers (more than 300 people in all) in workshops, design studies and events. Many of the concrete spatial questions were initially studied from the angle of ‘opportunity’. The Sportlandkaart (Sports Topographical Map) project demonstrated that the nationally dispersed amenities, venues and training facilities might well provide a good basis for organizing the Games, but that the Big Five (the Athletics Stadium, the Basketball Centre, the Swimming Centre, the Olympic Village and the Media Centre) still needed to be built. This analysis made it possible to combine the task of establishing the ‘centre of gravity’ of the Games with the main spatial planning tasks facing the Netherlands: there was, after all, still sufficient freedom available to arrive at an optimum link between the two, and thus to create ‘work with work’. The design sessions demonstrated, however, that this link is not a simple prima facie one. The scale of the Games is hard to reconcile with the scale of the Netherlands; the country is spatially and organizationally too small-scaled and too fragmented. Area developments in the Netherlands have a much finer grain than is now normal for the Olympics. These analyses, in fact, immediately highlighted a long-existing dilemma in Dutch spatial planning: concentration versus dispersal. Must the scale of the Games lead to a huge, compelling ‘plan’ to which other spatial and infrastructural development of the Netherlands is subordinate? Or must we develop a strategy on which existing local developments can hitch a ride? Support and innovation The Olympic Plan, we increasingly realized,

Agency Games

potential shift in centre of activity input

input shared themes

shared themes 3 layers - urbanization - networks - green/blue

research input

input

IOC Games 2010 800%

Agency locations (temporary, use of existing stand-out places)

2016 400%

2019 200%

Olympic locations

2021 150%

2028 75%

Olympic locations with infrastructure

De routekaart: na verloop van tijd zullen de twee sporen, de ‘Agency-Spelen’ en de ‘IOC-Spelen’, samenkomen. De toekomst zal uitwijzen hoe de balans tussen de twee ligt. In de periode daarvoor zijn er al uitwisselingen tussen de beide sporen, en zullen er op onderdelen harde beslismomenten ontstaan: “om beide sporen nog open te houden. moet nu met project [x] begonnen worden’. Road map. The two lines, the IOC Games and the Agency Games, will eventually merge. The future will reveal what balance between them results. Interactions between the two tracks occur in the intervening period, sometimes resulting in moments for hard decisions (‘to keep both tracks open, we shall have to start project X now’).

21


Nederland ondergeschikt is gemaakt? Of moet een strategie ontwikkeld worden waarop meegelift kan worden door bestaande, lokale ontwikkelingen? Draagvlak en innovatie Het Olympisch Plan, zo realiseerden we ons steeds meer, vormt een mooie manier om met deze spanning om te gaan, maar kan moeilijk zijn vanuit het planningsperspectief, waar de tijdsdimensie immers groter is. De ontwerpsessies toonden echter aan dat een veelheid aan goed functionerende ruimtelijke configuraties nu al mogelijk is in de Randstad. Vanuit het concept van de routekaart is het dus heel goed denkbaar dat nu niet besloten wordt voor een plan, maar dat locaties (en configuraties) afvallen omdat ze niet meer passen bij de dan geldende inzichten wanneer keuzemomenten zich aandienen. Zo kan vooralsnog in de breedte gewerkt worden aan het op ’Olympisch niveau’ (kwalitatieve ambitie) brengen van heel Nederland, en aan het ‘passend’ krijgen van de Spelen; aan engagement en aan innovatie. In de workshops en de ontwerpende onderzoeken die we organiseerden vanuit de invalsrichting ‘Olympisch niveau’ stond niet de verdeling van ruimtelijk programma over Nederland, maar juist de kansen voor heel Nederland, en het gezamenlijke verhaal achter ‘onze’ Spelen centraal. Hier vallen, ook al op korte termijn, de meeste generatieve effecten, de meeste ‘spin-off’, van de OHS te verwachten. Op lokaal niveau studeerden we bijvoorbeeld op ‘Olympische wijken’, waar sport en het Olympisch gedachtegoed gebruikt worden om de sociale structuur te versterken en gezondheidsvraagstukken op te pakken. De ‘Olympische wijk’ kan een label worden, dat zelfs commercieel interessant is. In Londen 2012, maar ook bijvoorbeeld voor het WK in Qatar, zien we steeds meer ontwikkelingen van tijdelijke accommodaties, die na het evenement afgebroken en zelfs verscheept worden. De ‘slimme Spelen’, die Nederland vanwege haar kleinschalig-

22

is a good way to deal with this tension, but it can present difficulties from a planning perspective, for which the temporal dimension is after all larger. The design sessions showed that a multiplicity of well-functioning spatial configurations is possible in the Randstad even now. From the standpoint of the road map concept it is thus quite plausible that we do not opt for a plan now, but that locations (and configurations) fall by the wayside because they no longer fit the current understanding when moments of decision arrive. Work could better proceed in breadth, on bringing the whole of the Netherlands up to ‘Olympic level’ (qualitative ambition) and on modifying the Games to ‘fit’ – on engagement and on innovation. In the workshops and design-oriented studies that we organized from the angle of ‘Olympic level’, we concentrated not on the allocation of spatial functions over the Netherlands but on the spin-off for the country as a whole and on the joint narrative behind ‘our’ Olympic Games. It is here that the most generative effects of the OHS are to be expected, even in the short term. At the local level, for instance, we studied ‘Olympic Districts’ where sports and the Olympic ideals can be used to reinforce the social structure and to tackle health issues. The Olympic District could even prove to be a label of commercial value. We also see more and more developments of temporary venues – for the 2012 London Olympics, and also for example for the World Cup in Qatar – which can be dismantled after the event or even transported for use elsewhere. The ‘smart Games’ that the Netherlands would have to organize on account of its small scale would necessarily push this development to new frontiers. Starting the development of temporary concepts now, in the context of the OHS, would generate spin-offs for commerce and for Dutch Design. The Agency track of the OHS thus presents a framework for innovation. Developments that are ongoing anyway in the areas of media, temporariness, technology

Aquatic Games Water Spelen

International InternationaleGames Spelen

> Totaal oppervlak Total surface area 16301630 Ha Ha 270%270% of briefopgave

Max.Games OS programma Max. programme 600 600 Ha Ha opgave 100% 100% of brief

Infill Games Inbreidings-Spelen

> oppervlak Total Totaal surface area 20302030 Ha Ha opgave 340% 340% of brief

> Max.Games OS programma Max. programme 600 600 HaHa opgave 100% 100% of brief

oppervlak Total Totaal surface area 400 Ha 400 Ha opgave 70% 70% of brief

Max.Games OS programma Max. 600 Ha programme 100% 600 Ha opgave 100% of brief

Mogelijke ruimtelijke configuraties in en rond Amsterdam. In de figuur is te zien dat er op dit moment voldoende ruimte is voor de plaatsing van Olympisch programma. Possible spatial configurations in and around Amsterdam. The figure shows that there is currently space enough for Olympic functions.

23


Verdienmodellen De legacy van het Olympisch Plan, zo leerde het ontwerpen aan de OHS, zit hem slechts ten dele in de concrete ruimtelijke opgaven, in het ‘werk met werk’ maken. Het nu al koppelen van opgaven kan, vanwege de ongelijkvormigheid van de ruimtelijke

24

Business Models The potential legacy of the Olympic Plan, as we learned from our design efforts on the OHS, lay only to a limited extent in concrete spatial operations, in creating ‘work with work’. Linking concrete projects together at this stage would have disadvantages and elements of inefficiency because of the dissonance between spatial development in the Randstad and development for the Olympic Games. The longer decisions about Olympic locations (which after all must mesh with the existing infrastructure and existing developments) can be postponed, the greater the prospect of a positive net spatial legacy. The real legacy will result mainly from joining forces to make the Olympic Games

0 (No benefits)

+ (Partial mutual benefits)

++ (Full mutual benefits)

0 (Not related)

+ (Partially related)

Spatial brief

++ (Fully related)

The major projects Zuidas (Amsterdam) OV SAAL / RAAM (Schiphol – Amsterdam – Almere) /North Randstad infrastructure improvement projects Zaan-IJ (Amsterdam) Stadshavens (Rotterdam) A12 zone (Utrecht) Schiphol 2.0

REGIO RONDOM SCHIPHOL SCHIPHOL

METROPOOL REGIO AMSTERDAM

Hague Triangle (The Hague)

RANDSTAD, NEDERLAND, WERELD

... Thematic projects Landscapes Delta programme

Criteria of two examples explained

and water and may be placed in this wider framework and as far as possible aligned to it. While we were working on the OHS, moreover, we learned that being too specific about locations at too early a stage impedes expending the maximum possible energy and thinking at the right scale. In Rotterdam, for instance, a team looked into the idea of floating Olympic venues in the harbour. In Amsterdam, the private, logistically impossible ‘Floating Games’ was considered. In Almere, the ‘Floating Life’ foundation worked on floating residential estates which could double as an Olympic Village. In a joint workshop within the framework of the OHS, all these three teams came to the conclusion that they were now too sharply focused on their own proposals and saw one another as competitors, while they actually should be working on such issues as regulations, production techniques, saleability and transportability, irrespective of location. If they were to work on questions of this kind under the umbrella of the OHS, it would not only enhance the feasibility of holding the Olympic Games in the Netherlands but a legacy would spin off at an early stage in the form of a new industry with potential applications in river deltas all over the world.

Olympic programme

heid moet organiseren, zullen noodzakelijkerwijs de overtreffende trap van deze ontwikkeling zijn. Door nu te beginnen met het ontwikkelen van tijdelijke concepten in het kader van de OHS ontstaan er kansen voor het bedrijfsleven, en voor ‘Dutch Design’. Het agency-spoor van de OHS biedt zo een kader voor innovatie. Ontwikkelingen op het gebied van media, tijdelijkheid, technologie en water zijn sowieso gaande en kunnen in dit grotere kader gezet en, waar mogelijk, afgestemd worden. En daarbij, zo leerden wij tijdens het werken aan de OHS, is het voor het benutten van de maximale energie en het denken op het juiste schaalniveau goed om nog niet te vroeg te concreet te worden over locaties. In Rotterdam studeert men op drijvende Olympische locaties in de havens. In Amsterdam bestaat het private, logistiek onmogelijke, plan ‘Floating Games’. In Almere werkt de stichting ‘Floating Life’ aan drijvende woonwijken die zouden kunnen dienen als Olympisch dorp. In een gezamenlijke workshop in het kader van de OHS kwamen alle drie tot de conclusie dat ze nu te veel gericht waren op de eigen propositie, en ze elkaar als concurrenten zagen, terwijl juist gewerkt zou moeten worden aan vraagstukken als regelgeving, productietechnieken, afzetbaarheid en verscheepbaarheid, los van de plek. Als vanuit de OHS gecoördineerd aan dit soort vraagstukken wordt gewerkt, neemt niet alleen de haalbaarheid voor de Spelen in Nederland toe, maar ontstaat er al vroeg een legacy in de vorm van een nieuwe industrie met toepassingsmogelijkheden in ’s werelds deltagebieden.

Infrastructure programme Randstad transport and governance

- ...- ...

Population decline++ Neighbourhood renewal ++ Greenports ... (++) considerable overlap with Olympic Ambitions Large-scale developments generate enough mass for investments in infrastructure

++ Helps

Natural development of transformation areas is difficult

++

Room for progressive insight

++ Helps

Helps

Organic Zaan-IJ won’t work It is difficult for the Zaan-IJ transitional area to transform naturally and organically. The opportunity to develop it in one big go aided by Olympic functions, gives critical mass to lay out serious new infrastructure.

IJmeer line: investing gives flexibility The line can accommodate the Olympic programme at different places. There is sufficient space and air: it makes one flexible in accommodating new insights. It is the only place in the Netherlands where such space still exists, both physically and in planning terms.

Overzicht van de invalsrichting ‘opportuniteit’, de koppeling tussen de ruimtelijke opgaven en het Olympisch programma. Overview of the ‘opportunity’ angle, the link between spatial projects and questions and the Olympic programme.

25


ontwikkeling van de Randstad en die van de Spelen, leiden tot nadelen en inefficiënties. Hoe later er beslist kan worden over de Olympische locaties - ze zullen immers toch moeten aansluiten op bestaande infrastructuur en bestaande ontwikkelingen - hoe groter de kansen voor een netto positieve ruimtelijke legacy. De werkelijke legacy is vooral te realiseren in het met vereende krachten werken aan het passend maken van de Spelen voor Nederland, via het agency-spoor. Hier ontstaat ruimte voor innovatie, voor participatie van bevolking en bedrijfsleven, voor de ontwikkeling van een gezamenlijk verhaal. Bijkomend voordeel is dat deze legacy eerder zichtbaar wordt, de bevolking eerder engageert, en zo sterker bijdraagt aan de ontwikkeling van draagvlak. Ook is het zo dat het minder cruciaal is dat het bid ook daadwerkelijk gewonnen wordt om legacy te bereiken. Of we krijgen Nederland en de Spelen passend, en winnen het bid, of de Spelen en Nederland zijn niet passend te krijgen, en dan is er niet getreurd: de zogenaamde ‘white elephants’ zijn ons dan bespaard gebleven. De door ons team voorgestelde manier van plannen, meer vanuit een ‘routekaart’ die vanuit de breedte steeds verder focust, dan vanuit een ‘plan’, maakt het Rijk en de Alliantie Olympisch Vuur tot gelijkwaardige partners in het planningsproces. Maatschappelijke discussies en ontwikkelingen kunnen niet alleen een plek krijgen, maar moeten zelfs actief worden gestimuleerd. Er ontstaat een vorm van ‘uitnodigingsplanning’, waar samenleving en bedrijfsleven uitgenodigd en gestimuleerd worden om mee te doen met de Olympische Hoofdstructuur. Op die wijze krijgen nu nog kleine investeringen een maximale spin-off. En door vanuit de breedte steeds wissels te definiëren en per wissel de stand van zaken op te nemen gaat de OHS zich steeds specifieker richten. Een echte ‘grote parallelactie’, waarbij de hele samenleving betrokken is, levert niet alleen

26

appropriate to the Netherlands, as we proposed in the Agency track. It is here that room will open up for innovation, for public and business participation and for developing a shared narrative. An additional advantage is that this legacy will be apparent earlier, and will so contribute to the development of public engagement. Moreover, actually winning the bid becomes less crucial for the achievement of legacy. Either we achieve a satisfactory fit between the Netherlands and the Olympic Games and win the bid, or it turns out that the two are incompatible. The latter situation is no reason for regret because it prevents us saddling ourselves with a herd of white elephants. The method of planning proposed by our team, using a ‘road map’ which continually narrows down from an initially broad outlook, rather than following a ‘plan’, makes the ‘Olympic Flame 2028’ alliance and the State into equal partners in the planning process. Societal discussions and development can not only be integrated but must indeed be actively stimulated. The outcome is a kind of ‘planning by invitation’, in which society and business are invited and stimulated to take part in the Olympic Main Structure. In this way, what are still small investments at present will generate a maximum spin-off. And by starting from a broad outset, continually defining path points and evaluating the state of play at each path point, the OHS will become increasingly specific about its destination. A true ‘Parallel Campaign’ with which the whole of society feels engaged yields not only a maximum spin-off but also a satisfying narrative which can be presented internationally in the coming decade, among other things in the form of concrete innovations and products. Such a strong narrative, we learned from Craig McLatchey, just might win us the Olympic Games.

maximale spin-off op, maar ook een mooi verhaal dat de komende tien jaar internationaal uitgedragen wordt, ook in de vorm van concrete innovaties en producten. Zo’n sterk verhaal, zo leerden we van Craig McLatchey, zou ons zomaar eens de Spelen op kunnen leveren. Matthijs Bouw 1 Matthijs Bouw, directeur van One Architecture, ontwierp samen met Rein Jansma (Zwarts & Jansma Architecten) de eerste twee fases van de Olympische Hoofdstructuur.

Matthijs Bouw 1 Matthijs Bouw, director of One Architecture, designed the first two phases of the Olympic Main Structure together with Rein Jansma (Zwarts & Jansma Architecten).

27


Spelen met water

Playing with water

De Olympische ambitie heeft tot nu toe al velen geïnspireerd om te komen met innovatieve ideeën die niet alleen de Spelen mogelijk maken, maar ook een legacy creëren voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland. Daarbij wordt vaak aansluiting gezocht bij ruimtelijke opgaven waar Nederland voor staat, denk aan de fileproblematiek of de stedelijke vernieuwingsopgave. Een thema dat ook regelmatig terugkomt is water. De Dutch Delta Games en de Floating Games zijn twee voorbeelden die de mogelijkheden voor de koppeling tussen de wateropgave en Olympische Spelen laten zien. Naast het feit dat de Olympische Spelen kunnen fungeren als showcase voor Nederlandse waterexpertise blijkt dat drijvende voorzieningen een oplossing kunnen zijn voor het afzetprobleem na de Spelen. Drijvende voorzieningen kunnen na afloop makkelijker worden gedemonteerd of verscheept naar andere plekken waar behoefte is aan drijvende woningen of stadions. De Dutch Delta Games zijn in opdracht van de gemeente Rotterdam ontwikkeld door De Urbanisten. Dit resulteerde in een aantal slimme delta-interventies die effect hebben voor, tijdens en na de Spelen op sociaal en economisch terrein, in Rotterdam, Nederland en zelfs elders in de wereld waar vergelijkbare waterproblemen spelen. Zo is bij de Boompjes de stad weer in verbinding gebracht met de rivier door hier een dijk aan te leggen welke is gecombineerd met een tunnel voor auto’s. Hierop is een nieuw stadsbalkon gecreëerd, dat tijdens de Olympische Spelen als Medal Plaza kan functioneren en daarna kan worden ingericht als groene promenade. Een ander voorbeeld is het drijvende Olympisch dorp. Deze wordt opgebouwd in de havens van de RDM-Campus. Tijdens de Spelen kunnen hier 3.000 drijvende woningen worden gerealiseerd voor de atleten en officials. Na de Spelen zal een

The Dutch ambition to host the 2028 Olympic Games has already inspired a host of cutting-edge ideas that not only make the Olympics possible but go on to create a legacy for spatially developing the Netherlands. Often they seek to lock into planning tasks facing this country, the traffic congestion issue, for example, or the urban restructuring brief. One theme that keeps cropping up regularly is that of water. The Dutch Delta Games and The Floating Games are two designs that illustrate the possibilities for hitching the water brief to the Olympics. Besides the fact that the Olympic Games could act as a showcase for Dutch expertise on water-related matters, floating facilities could prove to be a solution for when the Games are over. The floating facilities can be more easily dismantled or shipped to other places to be reused as floating houses or stadiums. De Urbanisten urban research and design DRIJVEND DORP office developed the Dutch Delta Games at the behest of the City of Rotterdam. It elicited a number of smart delta interventions that Met een drijvend Olympisch dorp would have an impactlaat before, duringdeand Rotterdam wereld zien hoe after the Games bothwe socially and in economiduurzaam Nederland kunnen Nadien zijn and de woningen uit cally, In Rotterdam, inleven. the Netherlands het dorp multi-functioneel inzetbaar, even elsewhere in the world where comin Nederland of elders in de wereld. parable water issues obtain. For example, at Boompjes the city is reconnected to the River Meuse by combining a dyke with a tunnel for cars, topping this off with a new city balcony. This public space will be the Medal Plaza during the Olympics and a pleasant green promenade afterwards. Another example is the floating Olympic Village. Constructed in the building docks of the RDM Campus, it can comprise 3000 floating houses for the athletes and officials during the Games. After the Olympics, a share of the floating village will remain in place. Another share of the houses can be shipped to other delta cities, for example to provide safe houses in flood risk areas. The Floating Games is another example. A

28

real estate firm (Kondor Wessels Vastgoed) and an architectural practice (OeverZaaijer) have worked up a scenario for the 2028 Olympics of floating and demountable stadiums in the IJ Inlet in Amsterdam. A basketball stadium is to float at the head end of KNSM-eiland, with cruise ships moored at Surinamekade to provide hotel accommodation. The heart of the Olympic City is to be the Olympic Bridge joining Java-eiland and Amsterdam-Noord. During the Games the quayside will be the nerve centre for ceremonies and festivities, the place where athletes and public meet. The stadiums can later be reused elsewhere.

gedeelte van het Olympisch dorp kunnen blijven liggen. Een ander deel kan worden versleept naar andere deltasteden, bijvoorbeeld om veilige onderkomens te realiseren in overstromingsgevoelige gebieden. Een ander voorbeeld zijn de Floating Games. Voor de Olympische Spelen is door Kondor Wessels Vastgoed en OeverZaaijer een plan ontwikkeld met drijvende en demontabele stadions in het IJ in Amsterdam. Aan de kop van het KNSM-eiland wordt een drijvend basketbalstadion gerealiseerd en voor de Surinamekade zullen diverse cruiseschepen als hotels worden afgemeerd. Tussen het Java-eiland en Amsterdam-Noord komt de Olympic Bridge, het hart van de Olympische stad. Tijdens de Olympische Spelen zal de kade functioneren als het zenuwcentrum voor ceremonies en feesten, de plaats waar sporters en publiek elkaar ontmoeten. Na de Olympische Spelen kunnen de stadions op andere locaties worden hergebruikt.

DOEPEL STRIJKERS ARCHITECTS

29


Nederland als Game Changer The Netherlands as Game Changer De Olympische Spelen zijn het grootste ‘megaevent’ in de wereld. Zo doen aan de Zomerspelen van 2012 in Londen meer dan 10.000 atleten mee in 26 sporten op 34 verschillende locaties voor de ogen van 8,8 miljoen toeschouwers en een wereldwijd televisiepubliek van ruim 4 miljard mensen. Om het Olympisch park in Londen - dat ruim 2,5 km2 groot is - te kunnen bouwen was 2,8 miljoen fte arbeid nodig. De totale investering in infrastructuur en accommodaties bedroeg ruim 15 miljard euro, waarvan 1 miljard euro werd bijgedragen door de stad Londen. Het organiseren van de Spelen is in alle opzichten een ingrijpend evenement en vraagt daarom om een groot politiek, sociaal en financieel commitment van de organiserende gaststad en samenleving.1 Als het gaat om de ruimtelijke organisatie van deze inspanning legt het IOC sterk de nadruk op compacte Spelen. Kort samengevat: hoe korter de reistijd tussen het Olympisch dorp en de verschillende sportlocaties, hoe beter. Op basis van dit uitgangspunt is het concept ontstaan van de ‘Olympic Zone’. Hierbij worden de vijf grootste Olympische locaties, de zogenaamde ‘Big Five’ (het Olympisch stadion, het zwembad, basketbalhal, het mediacentrum en het Olympisch dorp), dicht bij elkaar geplaatst. Als gevolg van dit ruimtelijk voorkeursmodel hebben de Olympische Spelen daarom in ruimtelijk opzicht een sterk gecentraliseerd karakter, zoals onder meer te zien is in het Olympic Park in Londen waar verreweg het grootste deel van het Olympisch programma dicht bij elkaar is gerealiseerd. Olympische Hoofdstructuur Voor de inpassing van de Spelen in Nederland zijn,

30

The Olympic Games are the world’s biggest mega-event. Over 10,000 athletes, in 26 sports and at 34 venues, are taking part in the 2012 Summer Olympics in London witnessed by 8.8 million spectators and a worldwide television audience of over 4 billion. An effort of over 2.8 million working weeks was required to build London’s 2.5 km2 Olympic Park. The total investment in infrastructure and facilities exceeded 15 billion euros, of which 1 billion was contributed by the City of London. The organization of the Games is in every respect a major operation and demands considerable political, social and financial commitment on the part of the host city and its population.1  As to the spatial organization of these activities, the IOC gives high priority to a ‘compact Games’: that is, the less the journey times between the Olympic Village and the venues, the better. This principle has given rise to the Olympic Zone concept in which the ‘Big Five’ Olympic venues – the Olympic Stadium, the swimming pool, the basketball hall, the media centre and the Olympic Village – are sited close together. A consequence of the IOC’s preferred spatial model is that the Olympic Games have a strongly centralized character in spatial respects, as is evident for example in London’s Olympic Park where by far the largest proportion of the Olympic building programme has been realized in close vicinity. Olympic Main Structure Several spatial variants have been developed under the heading of an Olympic Main Structure for hosting the Olympic Games in the Netherlands. The most recent study by DHV and Must Stedenbouw (November 2011) takes the Big Five as a basis for

developing five variants, with the preference going to three variants based on local concentration. Two of the models are concentrated in Amsterdam (‘IJ-Spelen’ and ‘Amstelspelen’) and one in Rotterdam (‘Stadsspelen). Now that Amsterdam has been designated as the name city for a Dutch bid with Rotterdam as a partner city, the question remains how to interpret this partnership spatially. Since the Big Five venues constitute a centre in the IOC’s preferred spatial model, investments will concentrate around this centre. The IOC at present allows only a city and not a country to put itself forward as a candidate for hosting the Games. The named city of the Dutch bid will, on the basis of the present spatial concepts, be the place in the Olympic Main Structure where the Big Five are located. Within the present (spatial) model of the Games, the choice of a name city will therefore have major consequences for the way investments in infrastructure and facilities will take place on a relatively long term. An important difference between the Dutch urban pattern and that of cities like Madrid (2020), Durban (2024) and Cape Town (2024), is that the latter are coherent urban systems that function relatively autonomously. In this sense they are classic cities which manifest themselves by virtue of the contrast between centre and periphery, or between city and hinterland. This is less true of urban regions like Istanbul (2020) and Tokyo (2020), although these areas do also form coherent systems each with a unified administration. Doha (2020), as the capital of Qatar, is a similarly dominant centre. In each of these candidacies, there is an overlap of the political space in which the decision to participate is made, the physical space in which the Games will be realized, the economic space that generates the investments, and the public space of the legacy. It is therefore easier for these cities to accommodate a compact Games. The Dutch cities, on the other hand, are historically part of a fine-meshed, decentralized urban fabric and therefore form a prominent exception in this field.

onder de noemer Olympische Hoofdstructuur, verschillende ruimtelijke varianten ontwikkeld. In de meest recente studie van DHV en Must Stedenbouw zijn, uitgaand van de ‘Big Five’, vijf varianten ontwikkeld waarbij de voorkeur bleek voor de drie varianten die uitgaan van concentratie. Twee modellen concentreren zich in Amsterdam (‘IJ-Spelen’ en ‘Amstelspelen’) en één in Rotterdam (Stadsspelen). Nu Amsterdam is aangewezen als naamstad van een Nederlands bid met Rotterdam als partnerstad, zal het de vraag zijn hoe dit partnerschap ruimtelijk ingevuld gaat worden. Omdat de Big Five in het ruimtelijke voorkeursmodel van het IOC een centrum vormt, zullen de investeringen zich op dit centrum concentreren. Het IOC staat vooralsnog alleen toe dat een stad (en niet een land) zich kandidaat stelt voor de Spelen. De naamstad van het Nederlandse bid zal op basis van de huidige ruimtelijke concepten in de Olympische Hoofdstructuur de plek zijn waar de Big Five zal worden ondergebracht. De keuze voor de naamstad heeft dus, binnen het huidige (ruimtelijk) model van de Spelen, grote consequenties voor de manier waarop investeringen in infrastructuur en accommodaties over een langere periode zullen plaatsvinden. Een belangrijk verschil tussen de Nederlandse stedelijkheid en steden als Madrid (2020), Durban (2024) en Kaapstad (2024) is dat laatstgenoemde coherente stedelijke systemen zijn die relatief autonoom functioneren. Het zijn daarmee klassieke steden, die zich manifesteren vanuit de tegenstelling tussen centrum en periferie, stad en achterland. Voor de stedelijke regio’s Istanbul (2020) en Tokyo (2020) geldt dit laatste minder, maar ook deze gebieden vormen een coherent systeem, met een eenheid van bestuur. Ook Doha (2020) is een dominant centrum, als hoofdstad van Qatar. In elk van deze kandidaturen overlappen de politieke ruimte waarin tot deelname wordt besloten, de fysieke ruimte waarin de Spelen worden gerealiseerd, de economische ruimte waar de investering

31


wordt gedragen en de publieke ruimte van de legacy. Het is voor deze steden daarom eenvoudiger om een compacte ontwikkeling als de Spelen op te nemen. De Nederlandse steden zijn historisch onderdeel van een fijnmazige decentrale stedelijkheid en vormen daarom in dit veld een uitzondering. Asymmetrie Omdat Nederland geen stad heeft die groot genoeg is om de Olympisch Spelen alleen te organiseren, en het de stedelijke regio Randstad ontbreekt aan een bestuurlijk mandaat, kent het Nederlandse bid in vergelijking tot de andere kandidaturen in het onderzoek daarom een intrinsieke asymmetrie. Enerzijds dwingt het ruimtelijke voorkeursmodel van het IOC tot een concentratie van het Olympisch programma in de naamstad, anderzijds is het de vraag hoe deze concentratie van programma, en daarmee van investeringen, zich verhoudt tot de fijnmazige decentrale stedelijkheid van de Randstad. Dit roept sterk de vraag op hoe competitief een Nederlands bid is binnen dit veld van steden en tegen welke prijs een Nederlandse kandidatuur kans zou maken in het huidige model van de Spelen. Cycli van twintig jaar De Olympische Spelen zijn geen neutraal, autonoom, onveranderlijk evenement, maar zijn in de loop van de geschiedenis nauw verbonden geweest met politieke, economische en sociale ontwikkelingen. In elke historische periode betekenen de Spelen bovendien iets anders. Waar afgezien van Teheran en Los Angeles geen enkele stad de Olympische Spelen van 1984 wilde organiseren - na het bijna-faillissement van Montréal (1976) - zijn de Spelen anno 2012 het grootste mega-event ter wereld. Een analyse van de Olympische geschiedenis laat zien dat deze is opgebouwd uit cycli van ongeveer twintig jaar. Elk van deze periodes vormt een eigen

32

Asymmetry Because the Netherlands does not have a single city large enough to organize the Games on its own and the Randstad urban region lacks an administrative mandate, the Dutch bid is characterized by an intrinsic asymmetry in comparison to the other candidates in the study. On the one hand, the IOC’s preferred spatial model imposes a concentration of the Olympic programme in the name city, while on the other hand it is unclear how this concentration of developments (and hence investments) can relate to the fine-meshed decentral urban fabric of the Randstad. This inherent asymmetry between the decentralized urban and administrative environment of the Netherlands and the current format of the Olympic Games as a mega-event begs the question whether a Dutch bid can be truly competitive in this playing field given the profiles of other players and, if so, at what cost. Twenty-Year Cycles The Olympic Games are not a neutral, autonomous, unchanging event. They have been closely bound up with political, economic and social developments throughout their history. The Games take on a different significance moreover in each historical period. Following the near-bankruptcy of the Montreal Games in 1976, Teheran and Los Angeles were the only cities to express an interest in holding the Olympics; yet in 2012 the Games have become the world’s biggest mega-event. A closer look at the history of the Olympics reveals a series of cycles, each lasting about 20 years. Each cycle creates its own paradigm for the meaning of the Games and for what the Games mean in their era. The period following the first Olympic Games in Athens was, for instance, focused on establishing the legitimacy of the Games, whereas those held between the World Wars served as a platform for international rivalry. The 1936 Olympics marked the start of a period when the Games were overshadowed

by the dangers and the aftermath of World War II. The period that followed was primarily one of post-war reconstruction, with the Olympic Games going to Italy, Germany and Japan. The 1984 Games in Los Angeles marked the origin of the Olympic Games in their present form. It was at Los Angeles that the current business model, relying heavily on income from television rights and sponsoring, emerged. It was also the first time professional athletes were allowed to participate. The Olympic Partnership, the exclusive sponsoring programme of the IOC, was established a year after the Los Angeles Games. This model has continued to develop, buoyed up by free market capitalism, and has become rather like a franchise formula, aiming to open up new markets with Olympic Games in Sochi (2014), Rio (2016) and Pyeongchang (2018). Reset The Olympic bids compared in the study, including the Dutch one, have hitherto all been developed under the current paradigm of the Games as a mega-event. In the light of the twenty-year cycles that mark Olympic history, however, it is not improbable for a new cycle to start around 2028. Therefore, the crucial issue for a possible Dutch Olympic bid is to establish which paradigm will define the Olympic Games in 2028 and how this paradigm will be shaped if the Olympics were to be held in the Netherlands. However, an answer to this question requires a reset: the Netherlands as Game Changer. Long-term developments such as climate change, the growth of cities, migration, tourism, digitalization and other developments in media and technology will have a huge impact on what the world will be like twenty years from now. A Dutch candidacy could break new ground by bringing the utopian potential of the Olympic Games into play as a reaction to these long-term developments. The question for a distinctive Dutch bid is therefore not what the Netherlands has to

paradigma voor de betekenis van de Spelen en voor wat de Spelen betekenen in hun tijd. Waar de periode volgend op de eerste Spelen in Athene bijvoorbeeld vooral in het teken stond van het bestaansrecht geven aan de Spelen, waren de Spelen in de periode tussen beide wereldoorlogen een platform voor internationale competitie, vergelijkbaar met de wereldtentoonstellingen. De Spelen van 1936 vormden het begin van een periode waarin de Spelen in het teken stonden van dreiging en de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. De daaropvolgende periode waren de Spelen vooral een wederopbouwproject met Olympische Spelen in Italië, Duitsland en Japan. De Spelen van 1984 in Los Angeles zijn de basis van de Spelen in hun huidige vorm. In Los Angeles werd het huidige businessmodel uitgevonden dat sterk leunt op inkomsten uit televisierechten en sponsoring, mochten voor het eerst professionele sporters meedoen en een jaar na de Spelen van Los Angeles werd The Olympic Partnership opgericht, het exclusieve sponsorprogramma van het IOC. Dit model is op de golven van het vrijemarktkapitalisme doorontwikkeld en zoekt in de huidige tijd, vergelijkbaar met een franchiseformule, nieuwe markten met Spelen in Sochi (2014), Rio (2016) en Pyeongchang (2018). Reset De Olympische bids die in het onderzoek zijn vergeleken, inclusief het Nederlandse, worden tot nog toe allemaal ontwikkeld binnen het huidige paradigma van de Spelen als mega-event. In het licht van de Olympische geschiedenis, als opeenvolging van cycli van twintig jaar, is het echter niet onwaarschijnlijk dat rond 2028 een nieuwe cyclus begint. De cruciale vraag voor een eventuele Nederlandse kandidatuur is daarom niet wat de Spelen nu zijn, maar in welk paradigma de Olympische Spelen in 2028 plaatsvinden en hoe de Spelen in Nederland dit paradigma zouden kunnen definiëren. In het vormgeven aan en beantwoorden van die vraag ligt

33


de grootste opgave voor een eventueel Nederlands bid. Om deze vraag te kunnen stellen is echter een reset nodig: Nederland als Game Changer. Langetermijnontwikkelingen als klimaatverandering, de groei van steden, migratie, toerisme, digitalisering en ontwikkelingen in media en technologie zullen een enorme impact hebben op hoe de wereld er over twintig jaar uitziet. Een Nederlandse kandidatuur zou zich kunnen onderscheiden door het utopisch potentieel van de Spelen te gebruiken om te reageren op deze langetermijnontwikkelingen. De vraag voor een onderscheidend Nederlands bid is daarom niet wat Nederland - binnen Nederland zelf - de wereld te bieden heeft, maar aan welke mondiale uitdagingen Nederland kan bijdragen om zo momentum te geven aan een kandidatuur. In plaats van een etalage voor de eigen handelswaar, kunnen de Spelen zo - opnieuw - een internationaal verbindend project worden. Het vormgeven aan een Nederlands bid vanuit het nadenken over de betekenis en vorm van de Spelen in relatie tot veranderingen in de wereld zou een interessant aanbod aan het IOC kunnen zijn. Het IOC staat de komende decennia niet alleen voor de opgave een nieuw businessmodel te ontwikkelen dat reageert op de veranderende rol van televisie, maar ook de schaal van de Spelen als mega-event wordt voor veel (westerse) landen steeds meer een probleem. Zoals de recente terugtrekking van de Italiaanse kandidatuur voor de Spelen van 2020 laat zien, is het voor veel landen steeds lastiger om het precaire evenwicht tussen grootschalige publieke investeringen en het behouden van draagvlak waar te maken. Zonder vernieuwing loopt het IOC kans dat de Spelen in hun huidige vorm op termijn alleen nog mogelijk zijn in centraal geleide landen met een onstuimige economische groei. De vraag is hoe dit zich op den duur verhoudt tot de humanistische idealen in het Olympisch Handvest en daarmee tot de geloofwaardigheid van de Olympische Beweging.

34

offer the world from within its own borders, but what global challenges the Netherlands could respond to in order to give its candidacy momentum. Instead of being a shop window for national merchandise, the Games could thus return to being an internationally unifying project. A Dutch bid shaped by careful consideration of the significance and form of the Games in relation to changes going on in the world could be an interesting offer to the IOC. The tasks awaiting the IOC in the coming decades include not only developing a new business model that responds to the changing role of television, but solving the problem of the scale of the Games as a mega-event pressing more and more on many (principally Western) countries. The recent withdrawal of the Italian candidacy for the 2020 Games demonstrates how difficult it is becoming to achieve the precarious balance between large-scale public investments and the preservation of public support. Without innovation, the IOC faces the prospect of the Games in their present form gradually moving out of reach of any but centrally governed states with burgeoning economies. The question is how this prospect relates to the ideals of Olympism and, in extension, the credibility of the Olympic Movement. Three models As a postscript, couched in design terms, to the comparative study, three models have been developed for how the Netherlands could present the 2028 Olympics as a response to long-term global developments and thereby impart momentum to a Dutch bid. Deltapolis. Or, Reinventing Suburbia In the Deltapolis model, the Games are considered as a means of creating a coherent urban region in the western Netherlands. This urban region, unlike the individual cities of Amsterdam and Rotterdam, would have sufficient scale to support an event of the magnitude of the Olympic Games. Unlike

the Randstad, whose name alone (meaning ‘Edge City’) conveys aspirations to a contrast between urban fabric and the open countryside of the Green Heart, Deltapolis is a holistic zone that achieves a symbiosis between tracts of landscape and the city. Local communities, in this model, take the initiative to put themselves forward as candidates for parts of the Olympic programme. Individual urban centres could present themselves as locations for specific Olympic activities, for example ‘Amsterdam South, Olympic Media Centre’, ‘Haarlem, Home to Olympic Baseball’ or the ‘Breille Olympic Fan Zone’. These locations are then joined up. The core of this model’s spatial strategy is to let the daily urban system of the Deltapolis overlap with the connections required for the Olympic Main Structure. The Olympic project serves in this model as a way of reflecting integrally on the future of the city in the Netherlands and in the world at large. By seeking to define a new relationship between city and country, Deltapolis can grow with the help of the Olympic Games aura into an international examplar of urban innovation. Holding the 2028 Olympic Games in the Netherlands would in this sense be a reaction to the historic turning point of 2007 when over fifty per cent of the world’s population became city dwellers. The internal project for building up the west of the Netherlands into a competitive urban region coincides under this model with the international issue of devising new urban models. Virtual Games. Or, The City As Interface In the Virtual Games model, technological developments and especially digital media are put to maximum advantage for the organization of the Olympic Games and for the spatial organization of the Netherlands. The breakthrough of digital technology ensures not only a different way of using the city but will also have consequences for the future of the Olympic Games. The popularity of the event is after all heavily dependant on

Drie modellen Als een als ontwerp vormgegeven post-script bij het vergelijkend onderzoek zijn drie modellen ontwikkeld voor de manier waarop Nederland de Spelen van 2028 zou kunnen inzetten om te reageren op langetermijnontwikkelingen in de wereld en om momentum te geven aan een Nederlands bid. Deltapolis, of: reinventing suburbia In het model Deltapolis worden de Spelen ingezet voor het creëren van een coherente stedelijke regio in het westen van Nederland. Deze stedelijke regio heeft, in tegenstelling tot Amsterdam of Rotterdam afzonderlijk, een schaal die groot genoeg is om een evenement met de omvang van de Olympische Spelen te kunnen dragen. Anders dan de Randstad, dat alleen al in naam de tegenstelling zoekt tussen verstedelijking en de open ruimte van het Groene Hart, is de Deltapolis een holistisch gebied waarin stukken landschap en stad een symbiose aangaan. Lokale gemeenschappen nemen in dit model het initiatief om zich kandidaat te stellen voor een onderdeel van het Olympisch programma. Zo kan elk van deze kernen zich manifesteren als Olympische locatie: ‘Amsterdam-Zuid Olympic Mediacenter’, maar ook: ‘Haarlem Home to Olympic Baseball’ en ‘Brielle Olympic Fanzone’. Deze plekken worden vervolgens onderling verbonden. De kern van de ruimtelijke strategie in dit model is het laten overlappen van het ‘daily urban system’ van de Deltapolis en de verbindingen die noodzakelijk zijn voor een Olympische Hoofdstructuur. Het Olympisch project wordt in dit model gebruikt om integraal na te denken over de toekomst van de stad in Nederland en in de wereld. In het zoeken naar een nieuwe relatie tussen stad en land kan de Deltapolis, als gevolg van de uitstraling van de Olympische Spelen, uitgroeien tot een internationaal voorbeeld van stedelijke innovatie. De Olympische Spelen van 2028 in Nederland zijn zo een reactie op het historische breekpunt dat sinds 2007

35


its manifestation as a media event. The spectator capacities of the Olympic programme’s physical venues may be cut by up to half of the present numbers, while technology will turn the Games into an online virtual event with billions of spectators (as opposed to a television audience). Olympic activities could be scattered to locations all over the Netherlands, joined by high-throughput data links. A follower of the games might opt for immersion in a 3D projection of the Games, for a social experience in the fan zone with an interactive hologram, or for live viewing of an event combined with an augmented reality display of the differences between the runners accurate to one thousandth of a second. In this model, the Games themselves take the form of a social medium in which visitors have various ways to log in. There are moreover prospects for a business model that generates income by means other than the sale of advertising space for television viewers. The capacity of the Games can thus expand vastly while the physical impact is minimized.

Now City Building a suburb Centre Masterplan Opposition between city and landscape Car or public transport Consumer Blueprint Decision making Noordvleugel vs. Zuidvleugel Disneyland Centre vs. Periphery Zoning Fossil Fuels Provincial governance

36

Then Region Reusing the suburb Network Collaborative plan Diffuse borders Integrated network Reuser Narrative Inspired participation Deltapolis Grand Tour Polycentric Patchwork Renewable energy Greater Deltapolis Authority

Global Games. Or, Cities As Alternative Economies In reaction to the declining role of nation states and the increasing global role of cities, the Global Games model proposes a new organizational model for the Olympic Games aimed at reinventing the Games as a unifying international project. It would seek a return to the core ideal of Pierre de Coubertin, the Olympic founder who saw the Games as a way of promoting international cooperation, by organizing the Games in cities all over the world. The role of a host city, or a host region such as the Randstad, would become more like that of an exhibition curator: the host city would select cities anywhere in the world on the basis of pressing themes (e.g. climate change) and these cities would in turn host specific Olympic events. Following the opening ceremony, the competing athletes would swarm out around the world, to return later for the medal

meer dan de helft van de wereldbevolking in de stad leeft. Het interne project voor het versterken van het westen van Nederland tot een competitieve stedelijke regio komt in dit model samen met het internationale vraagstuk waarin gezocht wordt naar nieuwe stedelijke modellen. Virtual Games, of: de stad als interface In het model ‘Virtual Games’ worden de mogelijkheden van technologische ontwikkelingen, met name digitalisering, maximaal gebruikt voor de organisatie van de Olympische Spelen en voor de ruimtelijke inrichting van Nederland. De doorbraak van digitale technologie zorgt niet alleen voor een ander gebruik van de stad, maar zal ook veel gevolgen hebben voor de toekomst van de Olympische Spelen. De populariteit van het evenement is immers voor een groot deel afhankelijk van haar manifestatie als ‘media-event’. Terwijl de toeschouwerscapaciteit van de fysieke locaties van het Olympisch programma in dit model tot maximaal de helft van het huidige aantal toeschouwers wordt teruggebracht, worden de Spelen middels technologie tot een online virtueel evenement met miljarden bezoekers, in plaats van televisiekijkers. Olympische sporten worden op plekken door heel Nederland ondergebracht, verbonden door hoogwaardige dataverbindingen. Iemand kan zich thuis onderdompelen in een 3d-projectie van de Spelen, een ander kan in de fanzone de sociale ervaring van een interactief hologram ondergaan en een derde bekijkt live de sport terwijl zijn augmented reality tot op de duizendste seconde nauwkeurig de verschillen tussen de hardlopers weergeeft. In dit model nemen de Spelen zelf de vorm aan van een sociaal medium, waar bezoekers op verschillende manieren op kunnen inloggen. Het businessmodel opent zich bovendien om andere inkomsten te genereren dan de verkoop van advertentieruimte voor televisiekijkers. De capaciteit van de Spelen neemt zo enorm toe, terwijl de fysiek ruimtelijke impact geminimaliseerd wordt.

37


ceremonies and for the concluding ceremony. The ceremonies could be combined with a week of knowledge interchange conferences, comparable to the TED conferences, to enable sharing of the knowledge acquired in the course of preparing the Games. The network of Olympic cities foreseen by the Global Games model supports the development of urban prototypes on the basis of specific themes. The Olympic Games would in this way contribute to the rise of a new political and economic system, facilitating development of the economic, ecological, spatial and democratic models needed to respond to the urgencies of this era.

Now Urban map NBC Viewer Attend Admission tickets Bigness Broadcasting Live Postmodern City Randstad Centralisation Mega-Event Real Estate Games

38

Then Information layers Twitter User Play Foursquare check-in Multiplication Narrowcasting Personal Augmented Reality Posthuman Village Netherlands Decentralisation Virtual Event Smart Games

The Netherlands As Game Changer Instead of taking the present desiderata of the IOC as a starting point, the three models, each based on a distinct narrative, illustrate how a Dutch–organized Olympics could respond to long-term developments in the world. In the first model, Deltapolis, the spatial model of the Games is modified while the organizational and business models remain the same. In the Virtual Games model, both the spatial model and the business model are different while the organization model is unchanged. The Global Games model, finally, changes the business, spatial and organizational models of the Games. In each of the three models, the Olympic Games are reinvented at a point in time when the sustainability of the present model of the Games is under strain. The Dutch Olympic ambition could in this respect stand out not by organizing the Olympic Games but by changing it. A Dutch bid would gain momentum as well as significance by using the utopian potential of the Games as a unifying national and international project to reflect and act on the global urgencies of the twenty-first century. Max Cohen de Lara and David Mulder 1 http://www.london2012.com/documents/general/ london-2012-media-fact-pack.pdf

Global Games, of: steden als alternatieve economieën In reactie op de afnemende rol van natiestaten en de toenemende rol van steden in de wereld, wordt in het model ‘Global Games’ een nieuw organisatiemodel voor de Olympische Spelen voorgesteld, waarbij wordt ingezet op het heruitvinden van de Spelen als een verbindend internationaal project. Terugkerend naar de kern van het ideaal van oprichter Pierre de Coubertin, die de Olympische Spelen zag als een manier om tot internationale samenwerking te komen, worden de Spelen in dit model georganiseerd in steden over de hele wereld. De rol van de gaststad of gastregio, bijvoorbeeld de Randstad, is daarbij te vergelijken met die van een curator: de gaststad selecteert steden in de wereld op basis van urgente thema’s (bijv. klimaatverandering) die op hun beurt de afzonderlijke Olympische evenementen organiseren. De atleten zwermen na de openingsceremonie uit over de wereld en keren terug voor de medailleceremonies en sluitingsceremonie. Deze ceremonies worden gecombineerd met een week van conferenties voor kennisuitwisseling, vergelijkbaar met de TED-conferenties, waar kennis die is ontwikkeld in het voorbereidingstraject van de Spelen kan worden gedeeld. In het netwerk van Olympische steden dat ontstaat in het model Global Games worden aan de hand van thema’s stedelijke prototypes ontwikkeld. De Olympische Spelen dragen zo bij aan de opkomst van een nieuw politiek en economisch systeem, waarbinnen de noodzakelijke economische, ecologische, ruimtelijke en democratische modellen kunnen worden ontwikkeld die in staat zijn te reageren op de vraagstukken van deze tijd. Nederland als Game Changer In plaats van het huidige wensenpakket van het IOC als uitgangspunt te nemen tonen de drie modellen - steeds vertrekkend vanuit een specifiek narratief - een manier waarop door Nederland

39


http://www.bostonglobe.com/sports/specials/olympics http://www.guardian.co.uk/sport/video/2012/jan/03/ olympics-2012-numbers-animation http://www.metro.co.uk/news/292291-olympic-tax-rebels- face-jail-for-33-33-bill

georganiseerde Spelen een reactie zouden kunnen zijn op langetermijnontwikkelingen in de wereld. In het eerste model Deltapolis verandert het ruimtelijk model van de Spelen en blijven zowel het organisatie- als het businessmodel ongewijzigd. In het model Virtual Games veranderen zowel het ruimtelijk als businessmodel, het organisatiemodel blijft ongewijzigd. In het model Global Games tenslotte veranderen het business-, ruimtelijk en organisatiemodel van de Spelen. In elk van de drie modellen worden de Olympische Spelen opnieuw uitgevonden op een moment waarop de houdbaarheid van het huidige model van de Spelen onder druk staat. De Nederlandse Olympische ambitie zou zich daarom kunnen onderscheiden door het aanbod de Olympische Spelen niet te organiseren, maar te veranderen. Een Nederlands bid zou daarbij betekenis - en momentum - kunnen krijgen door het utopisch potentieel van de Spelen, als verbindend (inter)nationaal project, te gebruiken voor het denken over en het vormgeven aan de mondiale urgenties van de eenentwintigste eeuw. Max Cohen de Lara en David Mulder

Now Nation Exclusive Hub Paternalistic idealism Concentration Corporation Shareholders Investment Window on a nation Static brand Uniform Destination Bus One size fits all Sprint National pride Time zones Prime time Old boys’ club

40

Then City(state) Inclusive Network Pragmatic idealism Distribution Cooperation Sharing Trade Global mosaic Thematic event Heterogenic Voyage Airplaine Distinctive diversity Relay Global confidence Global time 24 Hours Transparent network

1 http://www.london2012.com/documents/general/london- 2012-media-fact-pack.pdf http://www.bostonglobe.com/sports/specials/olympics http://www.guardian.co.uk/sport/video/2012/jan/03/ olympics-2012-numbers-animation http://www.metro.co.uk/news/292291-olympic-tax-rebels face-jail-for-33-33-bill

41


Rekenen en tekenen aan de Olympische Hoofdstructuur

The Olympic Main Structure: working it out, working it up

In een onderzoek door de bureaus DHV en Must Stedenbouw zijn vanuit een aantal hoofdvragen ruimtelijke mogelijkheden, consequenties, kosten en tijdspad - vijf verschillende denkbare ruimtelijke varianten van de Olympische Spelen in Nederland onderzocht. Vertrekpunt voor het ontwerp vormde het accommoderen van de ‘Big Five’ (de vijf grootste voorzieningen voor de Spelen: Olympisch dorp, Olympisch stadion, perscentrum, zwembad en indoorhal), die vanwege hun potentie na afloop van de Spelen en hun impact op ruimte en mobiliteit in de Randstad terecht moeten komen. Uitgangspunt bij de varianten was dat ze allemaal een ‘goed verhaal’ hebben, maar verschillend scoren op uiteenlopende criteria. In groepen met experts en partners zijn de verschillende varianten aangepast, verfijnd, gecombineerd en uitgebreid. Deze optimalisatie gebeurde op basis van kosten en baten, de IOC-richtlijnen, ‘legacypotentie’, risico’s en flexibiliteit in de besluitvorming, koppeling met andere plannen van Rijk en regio en het slim benutten van bestaande voorzieningen. Uit het onderzoek blijkt dat de Spelen zowel geconcentreerd rond de stad Amsterdam als rond Rotterdam mogelijk zijn. Verdere spreiding kan ook, maar dit heeft een aantal nadelen. Concentratie van de belangrijkste Olympische voorzieningen biedt meer mogelijkheden om deze te benutten voor bestaande opgaven en wordt ook door het IOC gunstiger beoordeeld, mede vanwege de beperkte reistijden. De verschillende varianten brengen verschillende ruimtelijke uitdagingen met zich mee. In Rotterdam liggen deze uitdagingen vooral bij de kosten van additionele structurele infrastructuur, terwijl het in Amsterdam vooral gaat om de kritische termijnen voor grondverwerving. Het proces van rekenen en tekenen werd versterkt door het parallelle proces van de Verkenning Maat-

DHV engineering consultancy and Must urban designers conducted a study into five distinct spatial variants of the Olympic Games in the Netherlands, based on the primary issues of spatial potential, consequences, costs and time-frame. The design’s departure-point was to accommodate the ‘Big Five’ (the five largest facilities for the Olympic Games: Olympic Village, Olympic Stadium, press centre, swimming pool complex and indoor sports hall) whose post-Games marketing potential and impact on space and mobility mean that they have to be sited in Randstad Holland. A proviso when making these variants was that they all had to say something worthwhile but score differently on wide-ranging criteria. Groups of experts and partners then adapted, refined, combined and enlarged the variants. This efficiency drive was carried out on the basis of costs and benefits, IOC guidelines, legacy potential, risks and flexibility in the decision-making, hitching the variants to plans by the national government and the region, and smart exploitation of existing facilities. The study showed that it was possible to concentrate the Olympic Games around Amsterdam or around Rotterdam. They could also be dispersed over a wider area but this has a number of disadvantages. Concentrating the key Olympic facilities holds out more opportunities for exploiting these for existing briefs and will be judged more favourably by the IOC, partly because of the shorter travel times involved. The variants create planning challenges of their own. For Rotterdam these lie primarily in the costs of additional across-the-board infrastructure, whereas in Amsterdam they mainly reside in the critical time spans for acquiring property. The process of working out and working up was enhanced by an exploration of costs and benefits carried out in parallel by Rebel and Arup on behalf of the Ministry of Health, Welfare and Sport (VWS). One result relevant to

42

the follow-up is the importance of opting for and deepening the aimed-for Olympic effects and the strategy this should follow, as we can learn from earlier experiences, positive as in Barcelona and negative as in Athens. Smart designing in a subsequent phase gives maximum cost-efficiency. The prospect of a positive balance of costs and benefits is opened up by increasing the benefits and reducing the costs through cutting-edge solutions and a strategy that promotes legacy and taps into the Dutch briefs and context.

schappelijke Kosten en Baten (VMKB), dat werd uitgevoerd door de bureaus Rebel en Arup in opdracht van het Ministerie van VWS. Relevant voor het vervolg is het belang van een verdere verdieping van en een keuze voor de beoogde Olympisch effecten en de strategie volgens welke deze worden gerealiseerd, zoals we ook kunnen leren uit eerdere ervaringen, bijvoorbeeld in Barcelona in positieve zin en Athene in negatieve zin. Slim ontwerpen kan in een volgende fase leiden tot kostenoptimalisatie. Het vergroten van de baten en het verkleinen van de kosten door innovatieve oplossingen en een strategie die inzet op legacy en aansluit bij de Nederlandse opgaven en context, biedt uitzicht op een positieve balans van kosten en baten.

Nederland > Amsterdam > Amstelspelen

V5

27

1

2

3

4

5 6a V2

Amsterdam 11 18

7

12 14 16

H 22 24

22

24 H 19

16 17 27

26 13

14

18

12

H 16

24

Utrecht 6b V1

24

V3

Rotterdam

8a 8b

H 16 16 24

V4

Bereikbaarheid Openbaar vervoer

Accommodaties 6b

Nummers worden verklaard in de

30 minuten

volgende tabel, bollen op de kaart

60 minuten

geven verhoudingsgewijs de benodigde

Auto

capaciteit van de wedstrijdaccommo-

30 minuten

daties weer.

60 minuten 21 H

22 20 H 16 19

(Geplande) A1 wedstrijdaccommodatie, ongebruikt in varianten (H: Hal, #: specifieke sportaccommodatie)

bron: Sportlandkaart bijlage 2

Sport- en trainingsvelden

DHV must

43


Sport en de stad Sport and the City

44

45


Studio Sport Studio Sport Sport is sexy en het is overal. Het is verweven met mode, muziek, leefstijl, de media, de straat en de stad. Was sport vroeger het exclusieve domein van de vereniging, tegenwoordig is het een onlosmakelijk onderdeel van onze maatschappij en het dagelijks leven. Sport heeft zich bovendien ontwikkeld van een doel op zich tot een middel. Een middel in de handen van beleidsmakers ten behoeve van sociale en maatschappelijke doelstellingen, een middel om geld mee te verdienen in de handen van commerciële sportaanbieders en een middel om stadsmarketing mee te bedrijven door gemeentes. Elke Nederlandse stad wil een sportstad zijn, zo niet dé sportstad. Ook de sport en de sporter zelf staan niet stil. Er komen steeds meer sporten bij en de zogenaamde ongebonden sportbeoefening, los van de sportvereniging, neemt snel toe. Deze ongebonden sport vindt in toenemende mate plaats in de openbare ruimte van de stad. De verwachting is dat deze trend zich doorzet aangezien zij aansluit bij de behoefte aan flexibiliteit van de moderne stedeling. ‘In de ruimtelijke ordening zullen (...) sport- en beweegstructuren nadrukkelijker op de agenda moeten komen, zodat de stedelingen aantrekkelijke mogelijkheden worden geboden om te sporten en bewegen in de openbare ruimte’1. De maatschappelijke en economische waarde van sport wordt breed uitgemeten door politiek, ambtenarij en media. Sport is goed. Goed voor de gezondheid, goed voor de sociale samenhang, goed voor het imago. De ruimtelijke waarde van sport blijft echter vaak onderbelicht. Zij bestaat uit de meerwaarde voor de stad en haar publieke domein. Sport biedt tegenwicht aan de verschraling van de openbare

46

Sport is sexy and it’s everywhere. You’ll find it in fashion, music, lifestyle, media, street and city. If sport was once the exclusive domain of associations, these days it is an indispensable part of our society and daily life. Not just that, sport has developed from an end in itself into an instrument. An instrument for policymakers to achieve their aims in society and the community, an instrument for commercial sports providers to earn money, an instrument for municipalities to implement city marketing. Every Dutch city wants to be a city of sport, if not the city of sport. Sports and sportspeople are moving ahead too. The number of sports is growing, as is so-called non-organized sport not conducted by a club or sports association. This lastnamed variety is increasingly come across in urban public space. The trend is expected to continue, as it corresponds to the need for flexibility of the modern urbanite. ‘Sport and physical activity structures will need placing more firmly on the spatial planning agenda, so that city-dwellers are offered attractive opportunities to engage in sport and physical activity in the public domain.’1 Sport’s value for the community and the economy is getting major coverage in politics, the civil service and the media. Sport is good - good for your health, good for social cohesion, good for your image. Sport’s value for planning, however, is often largely overlooked. Sport can benefit the city and its public domain. It provides a counterbalance to the impoverishment of public space by charging it with activity and dynamic. Sport is one of the most powerful means to get people out of their protective home environment during their leisure time. It provides frameworks for encounter and interaction, two conditions for a vibrant public domain. In

addition, qualitative sport facilities enhance a city’s attractiveness as a place for companies to settle and for those seeking a home. In the modernist city planning of the 1950s and ‘60s sports parks were allotted a place in the green zones sometimes in but more often around the city. The sports park was a way of escaping city life. Many sports facilities had to make way for new residential and work areas in later urban consolidation developments and expansion schemes. As a result many sports parks shifted ever further outwards to end up in isolated leftover areas and ragged edges of the city, often right up against motorways or railways. This backseat status held by sport in spatial planning is at odds with the new policy and sport’s development in the community. High time, then, that sport’s key place in the community is reflected in the city in spatial terms - less by erecting iconic temples to the Dutch Olympic dream as by making sport an integral part of our (inner) city and city life. This calls for inventive spatial, programmatic and organizational responses that enlist sport to enrich the public domain. The question is one of what sport can mean for the city and, conversely, what the city can mean for sport. In Studio Sport, an ongoing research by design study, Shift Architecture Urbanism shows how, where and why sport should be mobilized as a spur to urban quality. The study is made possible by the Netherlands Architecture Fund, the Cities of Amsterdam, The Hague and Rotterdam, and NOC*NSF. In a series of case studies in Rotterdam, The Hague and Amsterdam, prepared in association with the city councils and other stakeholders, Shift explores ways of embedding sport in public urban space. The issue on the one hand is to stitch existing, often isolated sport locations to their urban surroundings and on the other to integrate new sports grounds and physical activity structures into the inner city. A set of design tools is developed parallel to the individual case studies, one that can be generally put to use in integrating sport and city.

ruimte door deze te laden met activiteit en dynamiek. Sport is een van de meest krachtige middelen om mensen in hun vrije tijd uit de beschermende privéomgeving van de woning te halen. Het biedt kaders voor ontmoeting en interactie, twee voorwaarden voor een levendig publiek domein. Daarnaast vergroten sportmogelijkheden de attractiviteit van de stad als vestigingsplaats voor bewoners en bedrijven. In de modernistische stadsplanning van de jaren vijftig en zestig kregen sportparken een plek in de groene zones die soms in, maar vaker rondom de stad lagen. Het sportpark was een mogelijkheid om te ontsnappen aan het stedelijk leven. In latere verdichting- en uitbreidingsplannen moesten veel sportvoorzieningen wijken voor nieuwe woon- en werkgebieden. Daarmee schoven veel sportparken nog verder op en kwamen terecht op geïsoleerde restgebieden en rafelranden van de stad, vaak pal naast snelwegen of spoortrajecten. Deze ondergeschoven plaats van sport binnen de ruimtelijke ordening staat haaks op nieuw beleid en de maatschappelijke ontwikkeling van sport. Het wordt hoog tijd dat de centrale plek van sport in de maatschappij zijn ruimtelijke weerslag krijgt in de stad. Niet zozeer door de Nederlandse Olympische droom van iconische sporttempels te voorzien, maar juist door sport in ruimtelijke zin tot een integraal onderdeel van onze (binnen)stad en het stedelijk leven te maken. Dit vraagt om inventieve ruimtelijke, programmatische en organisatorische oplossingen die sport inzetten ter verrijking van het publieke domein. De vraag is wat de sport voor de stad kan betekenen en andersom: wat de stad voor de sport kan betekenen. Met het ontwerpend onderzoek Studio Sport laat Shift architecture urbanism zien hoe en waar(om) sport ingezet dient te worden als aanjager van stedelijke kwaliteit. Het onderzoek is mogelijk gemaakt door het Stimuleringsfonds voor Architectuur, de gemeenten Amsterdam, Den Haag en Rotterdam en het NOC*NSF.

47


In verschillende case-studies in Rotterdam, Den Haag en Amsterdam, opgezet in samenwerking met de gemeentes en andere stakeholders, wordt de inbedding van sport in de openbare stedelijke ruimte onderzocht. Enerzijds gaat het om het verbinden van bestaande, vaak geïsoleerde, sportlocaties met de stad en anderzijds om het integreren van nieuwe sportplekken en beweegstructuren in de bestaande stad. Parallel aan de specifieke case-studies wordt er een toolbox van ontwerpgereedschappen ontwikkeld die algemeen inzetbaar zijn bij de verweving van sport en de stad. Om tot een relevant ontwerpend onderzoek te komen dienen er echter meer trajecten gevolgd te worden dan alleen die van het ruimtelijk ontwerp. Met name de financiële, de programmatische en de organisatorische component zijn cruciaal bij de totstandkoming en de instandhouding van succesvolle sportplekken. De tijd dat de gemeente het volledige traject van initiatie, aanleg en beheer voor haar rekening nam lijkt voorbij. Studio Sport onderzoekt dan ook in hoeverre nieuwe allianties een rol kunnen spelen. In het navolgende worden twee Rotterdamse case-studies toegelicht. Rotterdam Sportstad In de diverse Rotterdamse beleidsrapporten wordt het belang van sport voor de stad onderkend en worden er ambitieuze doelstellingen geformuleerd. Zo moet een beweegoffensief de sportparticipatie omhoog brengen van 52% naar 70% in 2016. Daarnaast wordt er aansluiting gezocht bij de Olympische ambitie en tot slot wordt ernaar gestreefd om Rotterdam uit te laten groeien tot een van de bekendste sportsteden van Europa. De feitelijke sportcultuur in Rotterdam staat echter in schril contrast met deze ambitie. De sportparticipatie in de Rotterdamse regio is het laagste van heel Nederland. Daarnaast zijn Rotterdamse kinderen significant dikker dan hun leeftijdsgenoten elders in het land.

48

In order to arrive at a relevant research by design study, however, more paths need following than just that of the spatial design. The financial, programmatic and organizational components are particularly crucial to achieving and sustaining successful sports grounds. The days when the city council assumed responsibility for the complete package of initiation, installation and maintenance seem to be over. Studio Sport therefore assesses the part new alliances can play. Two Rotterdam case study projects are outlined below.

Ruimtelijke opgaves ten behoeve van sport. Sport-related planning briefs.

CENTRAAL

Rotterdam, City of Sport A number of Rotterdam policy reports have acknowledged the importance of sport and formulated some ambitious objectives. One of these is for a physical activity offensive that is to increase participation in sport from 52% to 70% in 2016. There are also efforts to relate such objectives to the Olympic ambition. Lastly, there is the drive to have Rotterdam grow into one of Europe’s most eminent cities of sport. That said, Rotterdam’s present-day sport culture is a world away from such ambitions. Less people take part in sport in the Rotterdam region than anywhere else in the Netherlands. On top of that, children in Rotterdam are significantly more obese that their peers elsewhere in the country. A scan of Rotterdam shows that its ‘bombed-out inner city’ has a wide range of neglected spots that could profit from an injection from the world of sport. Public space in Rotterdam’s inner city is often chronically oversized and with no specific use value. So there is physical space for inner urban sport along with the need to enliven the public domain. An analysis of the various forgotten places with potential for sport gave the following categories: existing parks and squares, courtyards, roofs, central reservations, ‘on-off’ locations (locations used only part of the time, e.g. shopping malls, market squares, car parks), restricted zones, traffic intersections and so-called waiting grounds.

BLAAK

MAAS

Plekken met sportpotentie in de binnenstad van Rotterdam. Places with potential for sport in Central Rotterdam.

verkeerspleinen roundabouts and traffic intersections

verkeersplein verkeersplein

middenbermen middenbermen middenbermen central reservations

restrictiezones restrictie restrictiezones zones restricted zones

on-offlocaties on/off on/offlocaties locaties on-off locations

(semi)openbare (semi) (semi)openbare openbare binnenterreinen binnenterreinen binnenterreinen public and semi-public courtyards

bestaande bestaande bestaande pleinen en parken pleinen pleinenenen parken parken existing squares and parks

daken daken daken roofs

waiting grounds “waiting “waitinggrounds” grounds” waiting grounds

Categorisering plekken met sportpotentie. Categories of places with potential for sport.

49


Een scan van Rotterdam leert dat haar ’kapotte binnenstad‘ over een groot scala aan vergeten plekken beschikt die kunnen profiteren van een sportieve impuls. De publieke ruimte in de Rotterdamse binnenstad heeft vaak een flinke overmaat en een onbestemd karakter. Er is dus zowel fysieke ruimte voor binnenstedelijke sport als de noodzaak om de publieke ruimte te verlevendigen. Een analyse van de verschillende vergeten plekken met sportpotentie levert de volgende categorieën aan plekken op: bestaande parken en pleinen, binnenterreinen, daken, middenbermen, on-offlocaties, restrictiezones, verkeerspleinen en ‘waiting grounds’. Sportplein Binnenrotte Het Binnenrotteplein is het grootste plein van Rotterdam. Het functioneert als een typische on-offlocatie. De pleininrichting is afgestemd op de grote centrummarkt met meer dan 400 kramen die er tweeënhalve dag per week plaatsvindt. De rest van de week is het plein echter een grote desolate leegte, midden in de Rotterdamse binnenstad. Op deze dagen roept het plein tevergeefs om activiteit. On-offlocaties lenen zich bij uitstek voor intensivering middels meervoudig ruimtegebruik. In eerste instantie vraagt een dergelijke locatie om een plaatsspecifiek ruimtelijk kader dat als drager kan fungeren voor de verschillende activiteiten. Vervolgens gaat het om flexibele inrichtingstypologieën voor elk specifiek programma die het meervoudig ruimtegebruik als uitgangspunt nemen. Het voorstel is om het ongebruikte potentieel van de Binnenrotte te benutten voor een binnenstedelijk sportplein met een gevarieerd aanbod van openbare sportfaciliteiten. Sportplein Binnenrotte maakt Rotterdam Sportstad manifest, geeft concrete invulling aan de Rotterdamse ambitie om de sportcultuur op Olympisch niveau te brengen en voorziet het centrum van de broodnodige dynamiek die eens niet in het teken staat van consumptie. Het functioneert viereneenhalve dag in de week, op sportdagen, als

50

Binnenrotte Urban Sports Park Binnenrotteplein, lying alongside the street called Binnenrotte, is Rotterdam’s largest square and is a typical ‘on-off’ location. The square is fitted out to accommodate the large central city market (400-plus stalls) which is open two and a half days a week. For the remaining time the square is a vast desolate expanse deep inside Rotterdam’s inner city. It is then that the square cries out for activity. On-off locations are perfect for intensifying through multiple use of space. In the first instance, a place such as this calls for a site-specific spatial framework that can act as a support for the different activities. In the second instance, it is about flexible types of fitout for each specific programme, stepping off from the multiple use of space. We propose using the untapped potential of Binnenrotteplein for an inner urban sports park with a variety of public sport facilities on offer. Binnenrotte Urban Sports Park makes manifest the ‘Rotterdam City of Sport’ concept, gives concrete shape to Rotterdam’s ambition to raise its sport culture to an Olympic level and gives the city centre the dynamic it sorely needs, a dynamic that has nothing to do with consuming. For four and a half days in the week, on sport days, it functions as the premier metropolitan sports venue for all Rotterdam residents. A place for jogging and skating, football, tennis and hockey; a place for sport clinics, tournaments and the gym class for the surrounding schools; a place for informal activities, play and culture. The planning concept for the new Binnenrotteplein anchors the square in the city. The square is to unite, not divide. The concept additionally seeks to differentiate the square, add green space and create places conducive to spending time. Two new crossings divide the linear space into three city chambers that give the market and a wide range of sports a place of their own. These chambers are stitched together by a tree lined track, an urban athletics track that acts as shared space for pedestrians, cyclists, runners and skaters.

1. multifunctionele vloer (zoab) 1. multifunctionele vloer (zoab) 1. multi-purpose floor (gap graded asphalt concrete)

2.2.sportgordijn sportgordijn 2. roller fences

Binnenrotte op een marktdag. Binnenrotte on a market day.

3. ledveld 3. ledveld 3. LED-lined ground

4. bewegend dakveld 4. bewegende dakveld 4. mobile roof plane

Binnenrotte op een niet-marktdag. Binnenrotte on a non-market day.

5.5.verborgen veld verborgen veld 5. hidden ice rink

INFO

6. clubhuis “clubhuis” 6.6.clubhouse

8.8.parcours parcours 8. athletics track

7. tribune 7. tribune 7. grandstand

9.9.plug-in-sportattributen plug-in sportattributen 9. plug-in sport attributes

Toolbox voor de Binnenrotte. Toolbox for Binnenrotte.

51


Impressie multisportvelden. Impression of multi sport fields.

Impressie kerkplein en dakveld. Impression of church square and mobile roof plane.

Impressie parcours en sportgordijn. Impression of athletics track and roller fences.

Impressie tribune en verborgen veld. Impression of grandstand and hidden ice rink.

Impressie marktdag vanaf de Blaak. Impression of market day seen from Blaak.

Impressie sportdag vanaf de Blaak. Impression of sports day seen from Blaak.

52

Impressie Hoogstraat, doorsteek en dakveld Impression of Hoogstraat, passageway and mobile roof plane.

53


dé metropolitane sportplek voor alle Rotterdammers. Er wordt gevoetbald, getennist, gehockeyd, hardgelopen, geskatet en geschaatst. Daarnaast worden er sporttoernooien gehouden, gymles gegeven en clinics georganiseerd. Het ruimtelijk concept voor het nieuwe Binnenrotteplein neemt de verankering van het plein in de stad als uitgangspunt. Het plein moet verbinden in plaats van scheiden. Daarnaast gaat het concept in op de ambitie om het plein te differentiëren, te vergroenen en te voorzien van plekken met verblijfskwaliteit. Twee nieuwe oversteken delen de lineaire pleinruimte op in drie stadskamers. In deze kamers krijgt de markt, alsmede een gevarieerd aanbod van sportprogramma’s, haar plek. Ze worden bij elkaar gehouden door een met bomen begeleid parcours, een stedelijke atletiekbaan die functioneert als shared space voor voetgangers, fietsers, joggers en skaters. Om de Binnenrotte flexibel te kunnen inrichten en het meervoudig ruimtegebruik te kunnen faciliteren is er een sporttoolbox ontwikkeld met een specifieke set van ontwerpgereedschappen. Deze worden ingezet om de drie stadskamers van het stedenbouwkundig raamwerk geschikt te maken voor zowel de markt als een gedifferentieerd sportprogramma. In de noordelijke kamer zijn twee multisportvelden gesitueerd. Deze zijn voorzien van geautomatiseerde rolgordijnen die na elke marktdag neerdalen vanuit een pergolastructuur. Hun zoabondergrond met geïntegreerde led-belijning leent zich voor dubbelgebruik door verschillende veldsporten en de markt. In de middenkamer bevindt zich het bewegende dakveld met kunstgras. Op sportdagen daalt deze neer op het plein, als ondergrond voor voetbal, hockey en speelplek voor de omliggende scholen. Tijdens marktdagen vormt het een overdekte ruimte waaronder de markt doorloopt. De zuidelijke kamer wordt voorzien van een ‘verborgen kunstijsbaan’, die op sportdagen als een overdekte schaatsbaan fungeert. Tijdens marktda-

54

In order to be able to fit out Binnenrotteplein flexibly and facilitate the multiple use of space, Shift developed a sport toolbox with a particular set of design tools. These are used to prime the three city chambers of the urban framework to accept both the market and a varied sports programme. The northern chamber houses two multi sport fields. These are equipped with automatic roller fences that roll down from a pergola structure after each market day. Their ground of gap graded asphalt concrete with integrated LED lines is perfect for dual use by different field sports and the market. The central chamber contains the mobile roof plane covered with artificial grass. On sports days this descends onto the square as a field for football and hockey and as a playground for the schools round about. During market days it forms a roofed space with the market running through it. The southern chamber is provided with a ‘hidden’ ice rink that can be brought into action on sports days. During market days, the roof can be lowered to act as a wooden market floor with the ice rink concealed below it. Finally, a sun-oriented grandstand accommodates a clubhouse underneath with changing rooms, showers, and the office for the manager of the sport square and the market. To build up sufficient public support for Sportplein Binnenrotte, Shift engaged in intensive contact with local residents and potential stakeholders. The project is supported by Pro Groen residents’ platform representing 13 residents’ associations in the Binnenrotteplein area, the NOC*NSF and the Richard Krajicek Foundation. This last-named body is prepared to adopt the sports ground and provide the necessary software, that is, organize activities for and with the locals. Binnenrotte Urban Sports Park has been developed by Shift Architecture Urbanism in association with landscape architect Paul Zuidgeest as part of the Studio for Unsolicited Architecture initiated by the Netherlands Architecture Institute and the Netherlands Foundation for Visual Arts, Design and Architecture.

Feyenoord Neighbourhood Sports Park The Rosepark site is a unique open spot where Kop van Zuid meets the Feyenoord area. It comes within the category of restricted zones because of the railway tunnel running beneath it, which rules out heavy development. At present the linear open space some 40 metres wide and 400 metres long is fitted out as a park whose monofunctionality is a discouragement to use. This and the lack of good connections with the surrounding residential area add up to a vague and desolate strip, a sliver of green leftover space. The brief is to transform Rosepark into a public and recreational sports park that is well connected to the surrounding residential area. It was the need to replace Feyenoord’s sports hall and a number of community centres that initially prompted the project. Combining these duties in a new sport-oriented multi-functional accommodation (MFA) together with a varied outdoor sport and play programme creates a unique opportunity; an opportunity to assemble an urban sport landscape that would be a spur to the proposed housing development in Kop van Feyenoord, the northernmost extremity of Rotterdam Zuid; an opportunity to forge a link between the two residential areas and their residents; and lastly an opportunity to deliver an emancipatory machine that can give a powerful thrust to the social cohesion in the area. Shift Architecture Urbanism worked up two urban design variants. Both step off from a new park type that seeks to strike a balance between a formal sports facility and an informal and recreational local park. The crucial difference between the two is the positioning of the MFA, the programmatic centre of activity of the new Rosepark. This design study is part of a feasibility study into a new sport and welfare facility at Rosepark (MFA Rosepark). The feasibility study was commissioned by Feijenoord submunicipality and carried out by the City of Rotterdam’s Sport and Recreation Depart-

gen is het dak naar beneden geschoven en functioneert het als een houten marktvloer die de ijsbaan verbergt. Ter hoogte van de bibliotheek komt een op de zon georiënteerde tribune. Eronder bevindt zich het ‘clubhuis’ met kleed- en doucheruimtes, alsmede het kantoor van de sportplein- en marktbeheerder. Om draagvlak op te bouwen voor het Sportplein Binnenrotte is er intensief contact geweest met bewoners en potentiële stakeholders. Het project heeft de steun van bewonersplatform Pro Groen, vertegenwoordiger van 13 VVE’s rondom de Binnenrotte, het NOC*NSF en de Richard Krajicek Foundation. Deze is bereid het sportplein te adopteren en de noodzakelijke software, het organiseren van activiteiten voor en met de buurt, te verzorgen. Sportplein Binnenrotte is door Shift architecture urbanism ontwikkeld in samenwerking met Paul Zuidgeest Landschapsarchitectuur in het kader van de door het NAi en het Fonds BKVB geïnitieerde Studio for Unsolicited Architecture. Buurtsportpark Feyenoord Het Rosepark vormt een unieke open plek op de grens van de Kop van Zuid en de wijk Feyenoord. Vanwege de onderliggende spoortunnel die geen zware bebouwing toestaat valt de locatie binnen de categorie restrictiezones. De lineaire open ruimte van ongeveer 40 meter breed en 400 meter lang is op dit moment ingericht als park dat vanwege een monofunctionele inrichting niet tot gebruik uitnodigt. Samen met het ontbreken van goede verbindingen met de omliggende wijk levert dit een onbestemde en desolate strip op met het karakter van een groene reststrook. De opgave bestaat uit transformatie van het Rosepark tot een openbaar en recreatief sportpark dat goed verbonden is met de omliggende wijk. De vervanging van de sporthal en meerdere buurthuizen in Feyenoord vormen de directe aanleiding voor het project. Door de bundeling van deze programma’s in een nieuwe sportgeoriënteerde MFA (multifuncti-

55


onele accommodatie) in combinatie met een gevarieerd buitensport- en spelprogramma ontstaat een unieke kans. Een kans om een stedelijk sportlandschap te creëren dat een aanjager vormt van de voorgenomen woningbouwontwikkeling op de Kop van Feyenoord. Een kans om een sportieve brug te slaan tussen de twee wijken en hun bewoners. En de kans om een emancipatiemachine te verwezenlijken die de sociale samenhang in de buurt een krachtige impuls geeft. Een tweetal stedenbouwkundige ontwerpvarianten zijn uitgewerkt. Beide varianten gaan uit van een nieuwe parktypologie die de balans zoekt tussen een formele sportinrichting en een informeel en recreatief buurtpark. Het cruciale verschil tussen beide varianten is de positionering van de MFA, het programmatische zwaartepunt van het nieuwe Rosepark. De ontwerpstudie maakt onderdeel uit van een haalbaarheidsstudie naar een nieuwe sport- en welzijnsvoorziening aan het Rosepark (de MFA Rosepark). De haalbaarheidsstudie is in opdracht van de deelgemeente Feijenoord uitgevoerd door de dienst Sport en Recreatie van de Gemeente Rotterdam. Het programma voor de MFA en het sportlandschap is opgesteld door Sport en Recreatie (drs. Rosemarie Maas, beleidsadviseur ruimtelijke ontwikkeling) in overleg met de deelgemeente Feijenoord (drs. Femke Stam, beleidsadviseur fysiek). Buurtsportpark Feyenoord, variant 1, kopgebouwen Het nieuwe Rosepark wordt opgespannen tussen markante bouwvolumes op de koppen van de locatie. Aan de noordzijde bevindt zich de MFA. Deze bestaat uit een op het Rosepark georiënteerde sporthal die ingepakt is met sport- en buurtprogramma. Om het volledige buitensportprogramma te kunnen huisvesten wordt het dak van de sporthal benut als opgetild maaiveld waarover het recreatieve sport-

56

ment. The programme for the MFA and the sport landscape was compiled by the above Department (Rosemarie Maas, policy advisor on spatial development) in deliberation with Feijenoord submunicipality (Femke Stam, policy advisor on physique). Feyenoord Neighbourhood Sports Park, variant 1: end-buildings The new Rosepark is slung between two striking building volumes at the site’s extremities. At the north end is the MFA, consisting of a sports hall oriented to the park and encased in programmes relating to sports and the neighbourhood. To accommodate the entire outdoor sports programme, the roof of the hall is used as a raised ground plane across which the recreational sports park extends. This is where the multi sport fields are; these are also available to the child day care centre housed in the MFA. At the centre of Rosepark is a large play and sports meadow, a green recreational hub of a multi-functional character. An athletics track stitches sports grounds and playgrounds together, framing them. By combining the clubhouse of the tennis club in the south with an indoor climbing tower, Rosepark’s south side gets a remarkable end-building of its own. Feyenoord Neighbourhood Sports Park, variant 2: central MFA Here the MFA is set centrally in the plan. The sports hall attached to it is designed as a transparent volume placed atop the tunnel. It is covered by a large roof that also shelters part of the outdoor sports fields and an entrance court. This sports roof dramatically increases the options for using the outdoor sports facilities all year round. The two extremities of the project are fitted out as green sport and play space with a park-like ambience. At the northern extremity is a multipurpose grassy expanse, the southern part of Rosepark being given over to tennis courts with a public character and a ‘play forest’.

Vogelvluchtperspectief variant 1. Aerial view of variant 1.

Boven: Grasveld en MFA met verhoogd multisportplein. Onder: Tennisvelden en openbaar plein. Above: Grassy expanse and MFA with raised multi sports fields. Below: Tennis courts and public plaza.

57


park doorloopt. Hier bevinden zich de multisportvelden die tevens benut kunnen worden door de in de MFA gelegen kinderdagopvang. Een duidelijk herkenbaar parcours dat refereert aan een atletiekbaan rijgt de verschillende sport- en spelvelden aan elkaar en kadert deze in. Centraal in het Rosepark is een grote speel- en sportweide gesitueerd. Hierdoor ontstaat een groen en recreatief middelpunt met een multifunctioneel karakter. Door het clubgebouw van de zuidelijk gelegen tennisclub te combineren met een klimhal ontstaat ook aan de zuidzijde van het Rosepark een duidelijke kopgebouw.

Thijs van Bijsterveldt, Oana Radeş, Harm Timmermans 1 Translated from Remco Hoekman and Annet Tiessen Raaphorst, Sporten in de stad: ontwikkelingen in de stedelijke sportdeelname, in Mark van den Heuvel, Remco Hoekman and Hugo van der Poel (eds), Sport in de stad: over de maatschappelijke, ruimtelijke en economische rol van sport in de stedelijke context, Nieuwegein: Arko Sports Media, 2011.

Vogelvluchtperspectief variant 2. Aerial view of variant 2.

Buurtsportpark Feyenoord, variant 2, centrale MFA De MFA bevindt zich centraal in het plan. De eraan gekoppelde sporthal is vormgegeven als een transparant volume dat op de tunnel is geplaatst. Zij bevindt zich onder een groot dak dat tevens een deel van de buitensportvelden, alsmede een toegangsplein, overkapt. Deze overkapping, het sportdak, vergroot de gebruiksmogelijkheden van de buitensportfaciliteiten drastisch en introduceert een voor Nederland unieke openbare stedelijke sportfaciliteit waar in de open lucht, overdekt en binnen gesport wordt. De beide koppen van het project worden ingericht als groene sport- en spelruimte met een parkachtig karakter. Aan de noordelijke kop ligt een multifunctioneel grasveld, het zuidelijk deel van het Rosepark wordt bestemd voor een tennispark met een openbaar karakter en een speelbos. Thijs van Bijsterveldt, Oana Radeş, Harm Timmermans 1 Remco Hoekman & Annet Tiessen-Raaphorst, Sporten in de stad, Ontwikkelingen in de stedelijke sportdeelname, artikel in Sport in de stad, redactie Mark van den Heuvel, Remco Hoekman en Hugo van der Poel.

58

Boven: Grasveld en overdekt multisportplein met pannacourts. Onder: Sportzaal, openbare doorgang en overdekt hockeyveld. Above: Grassy expanse and roofed multi sports fields with panna football pitches. Below: Sports hall, public passageway and roofed hockey pitch.

59


Sport in de stad Sport in the City Wie de huidige relatie tussen stad en sport in Nederland bekijkt kan tevreden zijn. De dekkingsgraad van sportaccommodaties is hoog, de sportparticipatie is, in vergelijking met andere landen, in Nederland zeker niet slecht. Hier en daar tonen architectonische hoogstandjes aan dat sport er mag zijn. Maar wie scherper en beter kijkt, ziet dat de relatie tussen stad, sport en bewegen vaak slechter is dan het eerste gezicht doet vermoeden. Want waarom wordt sport bij stadsplanning nog altijd als een louter kwantitatief programmaonderdeel beschouwd? Kan en mag het kwalitatief een onsje meer zijn? En hoe kan worden voorkomen dat met architectonische ingrepen het aanzien van sport weliswaar kan verbeteren, maar het gebruik en de vervlechting met het stadsleven het onderspit delven? Deze vragen zijn - met ondersteuning van het Stimuleringsfonds voor Architectuur en de Dienst Ruimtelijke Ordening Amsterdam - onderzocht en beantwoord en hierbij is vooral inspiratie opgedaan in het buitenland. Immers, sport kent generieke maten en kan daarom goed op internationaal niveau worden bekeken. In de onderzochte steden wordt sport breder gezien dan alleen breedtesport. Sport is er ingebed in een breder beleid om de bevolking aan het bewegen te krijgen. Door in een vijftal Europese steden (Amsterdam, Berlijn, Kopenhagen, Porto en Valencia) een aantal geslaagde projecten te bezoeken en uitvoerig te analyseren is een beeld verkregen welke potenties er in Nederland nog onbenut blijven als het om intensivering gaat. Gekeken is naar plekken waar de balans tussen ligging, inbedding, programma en vormgeving sterk is. De resultaten zijn geabstra-

60

A quick glance at the current relationship between city and sport in the Netherlands gives a sense of satisfaction. Sports centres provide good coverage and participation in sports generally is pretty good compared to other countries. An architectural tour de force here and there shows that sport is held in high esteem. But take a better, more focused look and the relationship between city, sport and physical activity looks less rosy than at first glance. For why is sport still regarded by the city planning department as a purely quantitative component? Could - and should - the quality aspect be stepped up? How are we to avoid the situation where architectural interventions can improve the look of sport but their use and integration with city life are inadequately addressed? We have studied and answered these questions (with support from the Netherlands Architecture Fund and the City of Amsterdam’s Department of Physical Planning), with much of our inspiration coming from abroad. Indeed, sport has generic dimensions and is therefore easy to compare internationally. In the cities we studied, sport is embedded in a broad policy to get the population literally on the move. A number of successful projects in five European cities - Amsterdam, Berlin, Copenhagen, Porto and Valencia - were analysed in depth to give a picture of which potentials are still unexploited in the Netherlands in the drive to intensify sporting activities. We looked at places where a strong balance obtains between the project’s physical position, embedding, programme and design. The results we then abstracted into a toolbox with such spatial aspects as the alignment and position in the city and the relationship with public space; visibility, distance and

Matrikel No.8 Kopenhagen. Matrikel No.8 Copenhagen. nearness; accessibility and legibility; and the ability to be opened up or closed off. Smart combinations with other amenities have been addressed for aspects of programming, and target group, use and management scrutinized for aspects of organization. Together these aspects give a picture of the potentials of sport and physical activity in the city. They are all brought together in a toolbox which can be used for improving existing situations or for new briefs whose goal is to integrate spatial and programmatic components. Like living and working, sport and physical activity deserve to be addressed much more broadly and qualitatively that is customary. The qualitative aspects can be studied and named at an early stage of the planning process with the aid of the toolbox. Since sport and design culture differ immensely, the researchers argue for a strengthening of crossover knowledge development. By this is meant that designers must develop greater knowledge on use, organization and management; land development experts ought to take cognizance of the huge spatial and programmatic potentials; and sport policy mak-

heerd naar een toolbox met ruimtelijke aspecten zoals: de ligging en positie in de stad, de relatie met openbare ruimte; zichtbaarheid, afstand en nabijheid; toegankelijkheid en herkenbaarheid; openbaarheid en afsluitbaarheid. Voor programmatische aspecten zijn slimme combinaties met andere voorzieningen belicht; bij organisatorische aspecten zijn doelgroep, gebruik en beheer onder de loep genomen. Tezamen geven deze aspecten een beeld van de potenties van sport en bewegen in de stad. Alle aspecten zijn samengevat in een toolbox die inzetbaar is bij het verbeteren van bestaande situaties of voor nieuwe opgaven waarbij ruimtelijke en programmatische integratie het doel is. Sport en bewegen verdienen het om, net als wonen en werken, veel breder en kwalitatiever benaderd te worden dan gebruikelijk. In een vroeg stadium van planvorming kunnen met behulp van de toolbox kwalitatieve aspecten worden onderzocht en benoemd. Omdat de sport- en ontwerpcultuur sterk van elkaar verschillen pleiten de onderzoekers voor het versterken van cross-overkennisontwikkeling. Dat houdt in dat ontwerpers meer kennis over

61


Turia Valencia.

gebruik, organisatie en beheer moeten ontwikkelen, grondexploitatiedeskundigen kennis behoren te nemen van de enorme ruimtelijke en programmatische mogelijkheden en sportbeleidsmakers met de blik vooruit mogelijke nieuwe sportontwikkelingen in beeld kunnen brengen. Wisselwerking en afstemming van de ruimtelijke partijen met sporters en sportorganisaties is noodzakelijk. Dit met een open vizier waarbij sport en bewegen in de stad geen afgeschermde en ge誰soleerde activiteiten zijn, maar midden in de samenleving zijn opgenomen. Het zoeken naar nieuwe combinaties en symbiose tussen sport en activiteiten als bewegen en recreatie is daarbij essentieel. Voor meer informatie: www.sportinthecity.net

ers must look ahead and bring potential new developments into view. It is essential that there is exchange and attunement between planners, sporters and sport organizations. This must take place openly, with urban sport and physical activity no longer as activities that are screened from view and isolated but taken up in the community. To this end, it is vital that we find new combinations and a symbiosis between sport and such activities as exercise and recreation. More information at www.sportinthecity.net Daniel Casas Valle and Vincent Kompier

Daniel Casas Valle en Vincent Kompier

62

63


Nederland en Londen 2012 The Netherlands and London 2012

64

65


Leren van Londen 2012 Learning from London 2012 Londen is de eerste stad die het bid voor de Olympische Spelen heeft gewonnen op het argument van legacy. De maatschappelijke meerwaarde in de vorm van een integrale upgrade voor Oost-Londen, waar de lokale bevolking van zou moeten gaan profiteren, zou de doorslag hebben gegeven bij de keuze van het Internationale Olympisch Comité. Uiteraard spelen de Londense Spelen zich op meerdere plekken af, in bestaande voetbalstadions in de UK, en op betekenisvolle plekken in Londen, zoals de paardendressuur in Greenwich en het beachvolleybal bij Buckingham Palace. Maar het masterpiece is het Olympisch park, waar een aantal majeure sportaccommodaties zoals het Olympisch stadion en het Aquatics Centre, het Olympisch dorp voor de sporters en het perscentrum zijn gerealiseerd. De keuze die in 2001 is gemaakt om het Olympisch park in de Lea Valley nabij Stratford te realiseren was voor Labourman Ken Livingstone, van 2000 tot 2008 de eerste gekozen burgemeester voor Greater London, fundamenteel: Oost-Londen heeft aandacht nodig en ook al zou Londen de Spelen niet winnen, dan zou het openbaar vervoer in ieder geval al geoptimaliseerd zijn.1 Er is geen verhaal dat zo veelvuldig verteld wordt als dat de gemiddelde levensverwachting in Londen van west naar oost per metrohalte een jaar afneemt. Oost-Londen is een achterstandsgebied, ruimtelijk, sociaal en economisch. Het gebied verdient het duurzaam te profiteren van de majeure investeringen ten behoeve van de Olympische Spelen. Eerste winstpunt is dat de bouw al 12.000 arbeidsplaatsen impliceert. Wat kunnen we leren van Londen 2012? Die vraag stond centraal op een masterclass gehouden in

66

which responsibilities? What is the outcome and what indeed are the prospects of the promised legacy?

London is the first city to win the bid for the Olympic Games with the argument of legacy. The social benefits of an across-the-board upgrade for East London from which the local population was to profit would seem to have been the overriding factor in the International Olympic Committee’s decision. Needless to say, the London Games are to be distributed among several locations, existing football stadiums in the UK and at places of significance in London, such as equestrian dressage in Greenwich and beach volleyball at Buckingham Palace. But the masterpiece is the Olympic Park, home to several major new sports venues including the Olympic Stadium and the Aquatics Centre, the Olympic Village for the athletes and the press centre. For Labour Party politician Ken Livingstone, from 2000 to 2008 the first selected Mayor for Greater London, the choice made in 2001 to lay out the Olympic Park in the Lea Valley near Stratford was a crucial one: East London needs attention and even if London were not to secure the Games, public transport would at least have been brought up to maximum efficiency.1 No story does the rounds as much as the one about the average life expectancy in London decreasing from West to East by one year for each tube stop. East London is a deprived area in spatial, social and economic terms. It deserves to profit in the long term from the major investments made for the benefit of the Games. The first plus is that the construction implies work for 12,000. What can we learn from London 2012? This was the key question at a masterclass held in 2011.2 How did they manage to get everything ready within the short space of seven years since the IOC’s decision in July 2005? Which parties have assumed

The brief: what’s it all about? In London it’s been all about creating added value for the surrounding area since preparations for the bid began. Civil servants of the Greater London Authority (GLA), the mayor’s office, have been quick to bring up Canary Wharf and the adjoining Poplar where this failed to take place - which carries with it the promise that this time it will be different. Whether East Londoners will be healthier in future and find jobs more easily remains to be seen. The aspect most focused on in the masterclass was the way new interventions in and around the Olympic Park will slip into the existing city, spatially and programmatically. What were the planning tools used? What kind of impact can the Olympic Games have for the surrounding residential areas? Does the spatial concept hold out the option of eventually splintering the ‘implant’ that is the Olympic Park and meld it with the surrounding areas, the boroughs? The logo designed by KCAP to illustrate the essence of the ‘Legacy Masterplan’ personifies the brief set for the masterclass. So rather than just pay the Olympic Park a visit, we literally explored its limits. Lower Lea Valley: it’s the location! The wonderful world of the Olympic Park nestles in the once swampy and then industrialized area of Stratford Marsh in the Lower Lea Valley, now dolled up and planted with tall trees and grass verges, fitted out with countless paths, bridges and public spaces and boasting an array of architectural masterworks. Venture beyond the fences of the park and you get a disarming view of the many timeframes that add up to London: the landscape of the Lea Valley, miles of footpaths along arms of rivers and canals, narrow boats, locks, new small businesses in former factories and warehouses, imposing industrial

2011.2 Hoe is het gelukt om in de krap zeven jaar sinds het besluit van het IOC in juli 2005 alles op tijd op orde te krijgen? Welke partijen hebben welke verantwoordelijkheden op zich genomen? Wat is het resultaat en is er inderdaad zicht op de beloofde legacy?

De opgave: what is it all about? Vanaf het begin is in Londen ingezet op meerwaarde voor de omgeving. Er wordt door de ambtenaren van de Greater London Authority (GLA), het bureau van de burgemeester, niet geschroomd te verwijzen naar Canary Wharf en het aangrenzende Poplar, waar dat niet gelukt is. Daarmee wordt indirect de belofte uitgesproken dat het nu anders zal gaan. Of de Oost-Londenaren in de toekomst gezonder zullen worden en eerder werk kunnen vinden, de tijd zal het leren. Er is in de masterclass vooral gestudeerd op de wijze waarop nieuwe ingrepen in en om het Olympisch park zich zullen gaan voegen in de bestaande stad, ruimtelijk en programmatisch. Wat voor planningsinstrumenten zijn ingezet? Wat voor impact kunnen de Olympische Spelen hebben voor de omliggende wijken? Biedt het ruimtelijk concept de kans om het Olympisch park als ‘implantaat’ uiteindelijk te doen versplinteren en versmelten met de omliggende wijken, de boroughs? Het logo dat door KCAP is ontworpen om de essentie van het ‘Legacy Masterplan’ te verbeelden, staat model voor de opgave van de masterclass. De masterclass heeft dan ook niet alleen een bezoek gebracht aan het Olympisch park. We hebben letterlijk alle randen verkend. Lower Lea Valley: it’s the location! De wondere wereld van het Olympisch park ligt in het ooit zompige en nadien geïndustrialiseerde gebied van de Stratford Marsh in de Lower Lea Valley, nu opgedoft en ingeplant met hoge bomen en bermbegroeiing, voorzien van talloze paden, brug-

67


Links: wandelpaden, rechts: ondernemerschap. Left: footpaths, right: enterprise.

Links: nieuw en/in oud, rechts: Wick Village en stadion. Left: new and old, new in old, right: Wick Village and stadium.

Links: Abbey Mill Pumping Station, rechts: laag tij met zicht op Canary Wharf. Left: Abbey Mill Pumping Station, right: low tide with view of Canary Wharf.

Links: Greenway op negentiende-eeuws riool, rechts: Park Three Mills. Left: Greenway atop 19th-century sewer, right: Park Three Mills.

68

complexes, spanking new apartment buildings, a hip restaurant. A string of images will have to suffice here.3 Many walks and endlessly studying and tracing maps and aerial photographs give a picture of a complex whole, of old and new, of a vast quantity of infrastructure above and below ground, of landscape and city, where the Olympic Park may be an integral part but where a great deal more is afoot. Boosts for East London: it’s the economy! It will take more than the Olympic Games to get East London up to scratch. The choice of site is part of planning policy in the much longer term. ‘We would certainly never have had the Games if East London hadn’t already been a strategic project’, the GLA stresses. Everything falls under the economic perspective. And this is much wider than just East London. The London Thames Gateway Development Corporation (LTGDC) emphasized the importance of developing East London further in terms of London’s ranking on the world scale: how can we stay ahead of Frankfurt? This issue was the prime mover behind developing Canary Wharf, the Millennium Dome and London City Airport, and is now that behind development of the Olympic Zone and redevelopment of the Royal Docks into a Green Enterprise District. East London is important for the future of London as a whole. And East London is much more than just the Olympic Zone. In the masterclass, the question was raised as to what economic profile the post-Olympic site and the Lower Lea Valley would need to distinguish the area from other hot spots. We then sketched a profile founded on innovation and education, on the back of its industrial past4 and with an eye to the schooling opportunities for the East End youth. This steps off from the new-build for the University of East London and the transformation of the Olympic Media Centre, the last word in internet facilities, which can become a Silicon Valley in synergy with the creative entrepreneurs from nearby Hackney Wick.

gen en openbare ruimten, en met een keur aan architectonische meesterwerken. Wie zich buiten de hekken van het park waagt is een verrassende blik gegund op de vele tijden die Londen tegelijkertijd is: het landschap van de Lea Valley, mijlenlange wandelpaden langs rivierarmen en kanalen, narrowboats, sluizencomplexen, nieuwe bedrijfjes in oude fabrieken en pakhuizen, imposante industriële complexen, spiksplinternieuwe woongebouwen, een hip restaurant. We moeten hier volstaan met een reeks beelden.3 Vele wandelingen en het eindeloos turen op en overtekenen van kaarten en luchtfoto’s leveren een beeld op van een complex geheel, van oud en nieuw, van heel veel infrastructuur, bovengronds en ondergronds, van landschap en stad, waar het Olympisch park weliswaar een structureel deel van uitmaakt, maar waar nog veel meer aan de hand is. Impulsen voor Oost-Londen: it’s the economy! Het is niet alleen aan de Olympische Spelen om Oost-Londen op te stuwen in de vaart der volkeren. De keuze voor de locatie past in het planningsbeleid op veel langere termijn. ‘Als Oost niet al een strategisch project was geweest hadden we zeker geen Spelen gehad’, onderstreept de GLA. Voor alles is er het economische perspectief. En dat is veel groter dan alleen Oost-Londen. De London Thames Gateway Development Corporation (LTGDC) benadrukte het belang van de verdere ontwikkeling van Oost-Londen vanuit de ranking van Londen op de wereldschaal: hoe kunnen we voorblijven op Frankfurt? Die vraag was de drijvende kracht achter de ontwikkeling van Canary Wharf, de Millennium Dome, het City Airport, en is dat nu achter de ontwikkeling van de Olympische locatie en de herontwikkeling van de Royal Docks tot een Green Enterprise District. Londen-Oost is van belang voor de toekomst van Londen als geheel. En Oost is dus veel omvangrijker dan de Olympische locatie alleen.

69


In de masterclass is de vraag gesteld welke economische profilering voor de post-Olympische locatie en de Lower Lea Valley mogelijk is in onderscheid van andere hotspots? Er is een profiel geschetst met innovatie en educatie als pijlers, in het verlengde van het industriële verleden4 en met het oog op de opleidingskansen voor de Oost-Londense jeugd. Startpunt vormen de nieuwbouw voor de University of East London en de transformatie van het Olympische Mediacenter, top of the bill wat betreft internetfaciliteiten, dat een Silicon Valley kan worden in synergie met de creatieve ondernemers uit het nabijgelegen Hackney Wick. In fysieke zin bouwt de keuze voor de Lea Valley als locatie voor de Olympische Spelen voort op drie eerder in gang gezette transformaties, die passen in het economische perspectief: 1. Lea Valley Regional Park 2. Stratford International 3. Westfield Stratford City 1. Het Lea Valley Regional Park bestaat als zodanig sinds 1967 en omvat een gebied van 4000 ha, over een lengte van 26 mijl. De oorspronkelijke moeraslanden zijn volgestort met vuile grond en puin, de rivieroevers zijn afgegraven voor de zandwinning en het gebied is door de industrialisatie sterk vervuild. Sinds 2000 is er een plan, dat beleid formuleert voor wat betreft natuurherstel, leisure en recreatie en dat voorziet in voorstellen daarvoor. Twee van die projecten zijn de aanleg van 88 voetbalvelden in de Hackney Marshes en de Fatwalk, een 8,5 mijl lang lineair park/voetpad van Three Mills tot het East India Dock. Het Lea Valley Regional Park speelt een belangrijke rol in het tot stand brengen van duurzame legacy. ‘We zijn (na de Spelen) eigenaar en beheerder van vier van de accommodaties voor de Olympische Spelen - Lee Valley White Water Centre, Lee Valley VeloPark, Lee Valley Tennis Centre en Lee Valley Hockey Centre. We zijn ook eigenaar van eenderde van het parkgebied op de Olympische locatie en

70

Physically, the choice of Lea Valley as the location for the Olympic Games builds on three transformations set in train earlier that fit into the economic perspective: 1. Lea Valley Regional Park 2. Stratford International 3. Westfield Stratford City 1. Lea Valley Regional Park has existed since 1967 and covers an area of 4000 hectares over a length of 26 miles. The original marshland was filled with contaminated soil and rubble, the riverbanks were dug off to extract sand and the area was heavily polluted by industrialization. Since 2000 there has been a plan that outlines policy on nature restoration, leisure and recreation, and makes proposals in these areas. Two such projects entail the construction of 88 football pitches in Hackney Marshes and The Fatwalk, an eight-and-a-half mile long linear park cum footpath from Three Mills to the East India Dock. Lea Valley Regional Park is playing a key role in delivering an enduring legacy. ‘After the Games we will own and run four London 2012 venues - Lee Valley White Water Centre, Lee Valley VeloPark, Lee Valley Tennis Centre and Lee Valley Hockey Centre. We also own a third of the parklands on Olympic Park and are working closely with the London Legacy Development Corporation to create a park that is vibrant, popular and sustainable while making the best use of public resources.’5 2. The second major project is Stratford International. The ‘international’ part is misleading. There are no international Eurostar trains stopping there as originally intended due to the limited demand and the loss of travel time, according to Eurostar. The deal now is that passengers with a Eurostar ticket can travel for free on an inland Southeastern train, as long as it stops in Stratford. The idea is that other operators will come to use Stratford International as a stop, for example Deutsche Bahn for a direct link between

Frankfurt and London. Though scarcely an ideal situation, the construction of Stratford International has meant that in the bid for the Olympic Games it was possible to promise a special shuttle service, the Javelin, between St. Pancras and Ebbsfleet International with a stop at Stratford International. It is expected that more than 80% of visitors to the Games will arrive by train or underground. The Javelin service with its eight trains an hour will take care of 10% of the total of 250,000 hourly travellers. The other 90% will arrive by regional train and underground at Stratford Regional. With the overhauled Stratford Regional and the new Stratford International, Stratford is one of the most easily reachable places in London, a hub as they say, which is to be strengthened even further in 2018 with Crossrail, the rapid link with Heathrow Airport. 3. Westfield Stratford City is the third project in the vicinity of the Olympic Park. The Westfield Group showed a fine business sense when it decided to invest £ 1.5 billion in this area formerly given over to railway works where 6000 workers once assembled and maintained locomotives and wagons. Stratford City has already created 8500 jobs in retail alone. It is a remarkable choice of site, in that reachability by public transport figures at least as prominently as that by car, which is itself excellent.6 The catchment area is gigantic: four million people can reach Westfield Stratford City within 45 minutes. The complex with its 300 shops, restaurants, cinema and casino combines a roofed mall, streets and plazas. Westfield Stratford City additionally boasts some 5000 housing units, including the Olympic Village, office space (for roughly 20,000 jobs) and schools.7 Many reactions have been scathing: it is outrageous that something like this could have been built. Westfield would spell curtains for Stratford Centre, the shopping centre dating from the 1960s. Without Westfield, construction of the Olympic Park

werken nauw samen met de OPLC om een levendig, veelgebruikt, geliefd en duurzaam park te creëren.’5 2. Het tweede majeure project is Stratford International. De benaming ‘international’ is verwarrend. Er stoppen geen internationale Eurostartreinen, wat ooit wel de bedoeling was, vanwege de beperkte vraag en het tijdverlies, aldus Eurostar. De deal is nu dat je met je Eurostarticket gratis op een binnenlandse Southeastern trein mag stappen, die wel in Stratford stopt. In de toekomst zouden andere operators dan Eurostar Stratford International als halte willen gaan gebruiken, zoals Deutsche Bahn voor een directe verbinding Frankfurt-Londen. Ook al is de situatie dus niet optimaal, de aanleg van Stratford International heeft het wel mogelijk gemaakt om in het bid voor de Olympische Spelen een speciale shuttleservice te beloven tussen St. Pancras en Ebbsfleet International met een stop op Stratford International, de Javelin. De verwachting is dat meer dan 80% van de bezoekers per trein of metro naar de Spelen zal komen. De Javelin service neemt met acht treinen per uur zo’n 10% van de in totaal 250.000 reizigers per uur voor haar rekening. De andere 90% komen dus met regionale treinen en metro’s aan op Stratford Regional. Met het vernieuwde Stratford Regional en het nieuwe Stratford International is Stratford een van de best ontsloten plekken van Londen, wat je noemt een hub, die in 2018 met Crossrail, de snelle verbinding met Heathrow, nog eens wordt versterkt. 3. Westfield Stratford City is het derde project in de omgeving van het Olympisch park. De Westfield Group heeft een goede neus gehad met het initiatief voor de 1,5 miljard pond investering in het gebied van de voormalige spoorwerkplaatsen, waar ooit 6000 mensen werkten aan de bouw en het onderhoud van locomotieven en wagons. Stratford City genereert alleen al in de retail 8500 banen. De keuze van de locatie is opmerkelijk, omdat de

71


Fatwalk. The Fatwalk.

Entree Stratford Centre. Way in to Stratford Centre.

Opgang naar brug en Westfield vanaf Stratford Centre. Ascent to bridge and Westfield from Stratford Centre.

Brug tussen Westfield en Stratford Centre. Bridge between Westfield and Stratford Centre.

could have been a major boost for Stratford Centre. One thing is certain: Westfield had planning permission (in 2004) before it was known that London had secured the bid for the Games. Who knows, maybe construction of the Olympic Park can be a boost for Stratford Centre with Westfield. It is ironic that that old shopping centre had been the first step in Stratford’s post-industrial regeneration, when jobs were in short supply after the railway works closed down, and was no doubt faced by the same kind of criticism. It stands on an island hemmed in by main roads but most strategically sited between Stratford Regional and the bus terminus on one side and the old centre and residential areas on the other, certainly in view of what is on offer there in the less expensive shops, market stalls and outlets supplying day-to-day necessities. With the increase in the amount of accommodation in and around the Olympic Park, custom would likewise increase, particularly in the above segment. The shops in Westfield have (or need) a far greater range. The challenge will be to make the old Stratford Centre stronger in its kind, say by specializing in the food it has on offer. This would mean that Westfield - with its non-daily range of products - would engage with it synergetically rather than compete with it. The heavy flow of pedestrians across the new bridge linking the two centres gives grounds for hope. In point of fact, the Olympic Park is the fourth project in the Lea Valley, after the green-blue infrastructure of Lea Valley Park, the grey infrastructure of the public transport hub in Stratford and the facilities cluster in Westfield and Stratford Centre, and as such is part of the long-term policy to accommodate London’s growth eastwards. The Olympic Park is essentially a spatial logistic brief in which a number of athletics facilities with a high architectural profile have taken their place in the rural setting of a spruced-up Lower Lea Valley. The ground has been decontaminated - a ‘soil hospital’ was set up on site to wash

72

bereikbaarheid met openbaar vervoer minstens zo’n grote rol speelt als de overigens ook uitstekende autobereikbaarheid.6 Het catchment area is gigantisch: 4 miljoen mensen kunnen Westfield Stratford City binnen 45 minuten bereiken. Het complex met 300 winkels, restaurants, cinema en casino is een combinatie van een overdekte mall, straten en pleintjes. Westfield Stratford City omvat daarnaast zo’n 5000 woningen, inclusief het Olympisch dorp, kantoorruimte (voor zo’n 20.000 banen) en scholen.7 Veel reacties zijn ronduit abject en furieus: het is verschrikkelijk dat zoiets gebouwd kan worden. Westfield zou het einde betekenen voor Stratford Centre, het winkelcentrum uit de jaren zestig. Zonder Westfield had de aanleg van het Olympisch park een impuls kunnen zijn voor Stratford Centre. Een ding is zeker: Westfield had (in 2004) een bouwvergunning voordat er zekerheid was over de Olympische Spelen. Misschien kan ook mét Westfield de aanleg van het Olympisch park een impuls betekenen voor Stratford Centre? Ironisch is dat datzelfde oude winkelcentrum de eerste stap was in de postindustriële regeneratie van Stratford, toen de werkgelegenheid tanende was na sluiting van de spoorwerkplaatsen, en waarschijnlijk toen op soortgelijke kritiek kon rekenen. Het ligt op een eiland ingesloten door verkeerswegen, maar wel zeer strategisch tussen Stratford Regional en het busstation enerzijds en de oude kern en de woonwijken anderzijds, zeker gezien het aanbod, dat met de goedkopere winkels, marktstalletjes en outlets voorziet in dagelijkse benodigdheden. Met de toename van het aantal woningen in en om het Olympisch park zal de klandizie met name voor dit dagelijkse segment toenemen. De winkels in Westfield hebben een veel groter bereik (nodig). De uitdaging zal zijn om het oude Stratford Centre in zijn soort sterker te maken, bijvoorbeeld door specialisatie in het aanbod van food. Dan zal Westfield - met juist non daily aanbod - geen concurrent zijn, maar kan er sprake zijn van synergie. De

73


enorme voetgangersstroom over de nieuwe brug die beide centra verbindt stemt hoopvol. Met de groenblauwe infrastructuur van het Lea Valley Park, de grijze infrastructuur van de openbaarvervoersknoop in Stratford, en het voorzieningencluster in Westfield en Stratford Centre is de aanleg van het Olympisch park tenslotte het vierde project in de Lea Valley, dat past in het langetermijnbeleid om de doorgroei van Londen oostwaarts te accommoderen. Het Olympisch park is in essentie een ruimtelijk-logistieke opgave, waarin een aantal in architectonische zin spraakmakende accommodaties hun plek hebben gekregen in de landschappelijke setting van een opgeschoond Lower Lea Valley. De bodem is gesaneerd - waarvoor ter plekke een soil hospital is ingericht om de grond te wassen en te zeven - en het water gezuiverd. Zonder de Olympische Spelen zou deze operatie niet, en zeker niet op zo’n korte termijn, zijn uitgevoerd. De kip-en-eivraag is nauwelijks interessant. Onmiskenbaar versterken de vier gigaprojecten in de Lea Valley elkaar. Er is sprake van een omvangrijke basisinfrastructuur van grijze, groene en blauwe elementen en stedelijke voorzieningen (sport en retail), die hoge verwachtingen schept ten aanzien van de implementatie in dit raamwerk van meer ‘gewone’ programma’s in de sfeer van wonen en werken. Kansen op de lokale schaal: it’s about relief In de masterclass is het begrip ‘relief’ geïntroduceerd om een manier van kijken en handelen te schetsen, die in het post-Olympische tijdperk een legacy kan produceren, waarin de grootschalige interventies, zoals beschreven

74

and sieve the soil - and the water purified. This operation would never have taken place had there been no Olympic Games, and certainly not at such short notice. The chicken-and-egg aspect is of little interest. Clearly, the four mega projects in the Lea Valley are mutually strengthening. There is, then, an extensive basic infrastructure of grey, green and blue elements and urban facilities (sport and retail), one that arouses huge expectations in terms of using this framework to implement more ‘regular’ programmes relating to living and working. Opportunities at the local scale: it’s about relief In the masterclass, the concept of ‘relief’ was introduced to sketch a way of looking and acting that can produce a legacy in the post-Olympic age, one that would achieve a balance between the big interventions as described above under ‘Boosts for East London: it’s the economy!’ and the local characteristics as embodied in ‘Lower Lea Valley: it’s the location!’ ‘Relief’ can be interpreted in several ways, every one of which has significance for a development strategy for the Lower Lea Valley. These different forms of relief distinguish the Lea Valley from its surroundings. Building upon these qualities gives an area with a London identity of its own. Relief can mean: - the difference in height between the higher- lying drylands (the Hams) and Lower Lea Valley with its tidal regime; - relics, traces and remains from the illustri- ous past, such as the Cathedral of Sewage (Abbey Mills Pumping Station), the gas holders, the locks and tidal mills, and soon joined by the Olympic venues; - the liberation or diversion afforded by a leisure landscape. A future Westham Beach on the soon-clean Lea is the reward after an arduous journey! - the concepts of deviation, enlivenment, daring to be different in a positive sense: ways of countering uniformity. Which is why it is appropriate to embrace the

existing difference in grain size in the future as well. It can also, for example, provide a handrail to strengthen the culture of ‘keep-outs’. Make use of the limited porosity and reachability, refrain from making more ‘urban fabric’ and strengthen the archipel- ago character. Environments full of surprises and deviating from the norm infuse all the adjoining residential areas with quality of life. This turns a swampy marsh and residual tract into a place to be; - lastly, relief means the lightening or removal of a burden: in this case the industrial burden with all its pollution. The Olympic Games means no less than a new future for the area. The masterclass raised questions about the forced stitching together and binding of the boroughs either side of the valley, as the Legacy Plan seems to be doing with an extensive infrastructure network and the yet-to-be-developed ‘neighbourhoods’. Limited permeability can preserve the exceptional state of the Lea Valley and its wealth of differences. The ‘zipper dilemma’ illustrates this. Connectivity is important but must not result in the different identities dissolving.8 The relief strategy can sketch a future that accords with what is exceptional about and germane to the Lower Lea Valley: a totality of surprises from many eras, one that can provide added advantages to the surrounding housing estates in terms of recreation and sport, green economics, urban farming and peri-urban qualities. The open setting of the Olympic Park design holds up myriad opportunities for this development. Organization: it’s about cooperation and communication It has proved to be a real puzzle finding out who is actually responsible for what. First of all, there are the organizations concerned with the Olympic Games themselves. The Olympic Delivery Authority (ODA) sees to it that the venues are all ready on time. The London Organising Committee for the Olympic Games (LOCOG) is entrusted with

in Impulsen voor Oost Londen: it’s the economy! Stratford City en de karakteristieke gebiedskenmerken, zoals verbeeld in Lower Lea Valley: it’s the location!, met elkaar in balans worden gebracht. Het begrip ‘relief’ kent meerdere interpretaties, die ieder voor zich betekenisvol zijn voor een ontwikkelingsstrategie voor de Lower Lea Valley. Deze verschillende vormen van ‘relief’ onderscheiden de Lea Valley van haar omgeving. Doorbouwen op deze kwaliteiten leidt tot een gebied met een typisch eigen, Londense identiteit. ‘Relief’ staat voor: - het hoogteverschil of reliëf tussen de hogergele- gen hams en de laaggelegen, aan getijden onderhevige Lower Lea Valley; - relicten, sporen en resten uit het roemruchte verle- den, zoals de sewage cathedral, de gashouders, de sluizen en getijdemolens, maar straks ook de Olympische accommodaties; - de bevrijding of verstrooiing, dat een vrijetijdsland- schap kan bieden. Westham Beach aan de (in de toekomst schone) Lea is de beloning na een inspannende tocht! - het begrip afwijking, verlevendiging, het anders durven zijn in positieve zin: een doorbreking van eentonigheid. Het past dan ook het bestaande verschil in korrelgrootte ook voor de toekomst te omarmen. Ook kan het bijvoorbeeld een handvat geven om de cultuur van ‘keep-outs’ te versterken. Maak gebruik van de beperkte ‘doorwaadbaarheid’ en toegankelijkheid, maak er juist geen ‘stedelijk weefsel’ van, maar versterk het karakter van een eilandenrijk. Andersoortige, verrassende milieus voegen direct kwaliteit van leven toe in alle aan- grenzende woonwijken. Van een zompig moeras en restgebied wordt het zo een place to be; - tenslotte betekent ‘relief’ opluchting: de industriële last met al zijn vervuiling wordt weggenomen. De Olympische Spelen betekenen niets minder dan een nieuwe toekomst voor het gebied. In de masterclass zijn dan ook vragen gesteld bij

75


Korrelgrootte (Illustraties: Marije ten Kate). Grain size (Illustrations: Marije ten Kate).

The zipper dilemma. The zipper dilemma.

Keep out. Keep out.

Key assets. Key assets.

76

regulating the use of all those venues and all the logistics involved during the Games. The two organizations are directly responsible to the Olympic Committee. The ODA appointed Populous and Allies and Morrison to masterplan the park as well as the architects who were to design the venues. Government has played a crucial role in all this. Thus, for example, the city decided what would be temporary and what permanent. It is in fact the true client, with the IOC as a temporary demanding user. The IOC’s contract partner is the Mayor of London. The Mayor’s office, the Greater London Authority (GLA), is to make sure that all London can profit from and enjoy the Games and is responsible for transport and security. The GLA has delegated the enduring postGames use of space to the London Development Agency (LDA), deviser of the notion of legacy, with Design for London (DfL) as its think-tank. These have targeted the planning process for the period after the Games from the start. To this end they established the Olympic Park Legacy Company (OPLC), with the City of London and the National Government as equal shareholders. The OPLC has been the client for the so-called Legacy Plan. The relation with the local authorities, traditionally in the opposition with regard to city hall, always entails a degree of friction.9 The boroughs have taken the initiative to make the ‘Fringe Plans’, supported in this substantively by Design for London. In Tower Hamlets, for example, we see a new local centre, Bromley by Bow, developed consisting of a supermarket, library, hotel and housing. Newham has had the Stratford Metropolitan Masterplan drawn up, incorporating the ‘family neighbourhood on the Chobham Farm site’, an upgrade of the 1960s shopping centre, the reboot of urban regeneration in Carpenters and a qualitative upgrade in the Sugar Lane/Three Mills area. Waltham Forest has had an Area Action Plan drawn up for the area around Lea Bridge, where Leyton Industrial Village is waiting to be requalified. The Olympic Games have

het geforceerd aan elkaar breien en verbinden van de boroughs aan weerszijden van de vallei, zoals het Legacy Plan lijkt te doen met een uitgebreid infrastructuurnetwerk en de nog te ontwikkelen ‘buurten’. Beperkte doorwaadbaarheid kan de bijzondere conditie van de Lea Valley en haar rijkdom aan verschillen juist waarborgen. Het begrip ‘zipperdilemma’ illustreert dit. ‘Connectivity’ is van belang, maar moet er niet toe leiden dat de verschillende identiteiten als het ware oplossen.8 De ‘relief’-strategie kan een toekomst schetsen die recht doet aan het uitzonderlijke, het eigene van de Lower Lea Valley: een geheel van verrassingen uit vele tijden, en die juist daarmee meerwaarde kan bieden aan de omliggende wijken, in de sfeer van recreatie en sport, groene economie, urban farming en stadsrandkwaliteit. De open setting van het Olympisch park ontwerp biedt daartoe vele kansen. Organisatie: it’s about cooperation and communication! Het is een ware puzzel gebleken om te weten te komen wie eigenlijk waar over gaat. Allereerst zijn er de organisaties die zich bezig houden met de Olympische Spelen zelf. De Olympic Delivery Authority (ODA) zorgt ervoor dat de accommodaties allemaal op tijd klaar zijn. De London Organising Committee for the Olympic Games (LOCOG) zorgt voor het inregelen van het gebruik van al die accommodaties en van de gehele logistieke gang van zaken gedurende de Spelen. Beide organisaties werken direct in opdracht van het Olympisch Comité. De ODA was de (inhoudelijke) opdrachtgever aan de planners van het park, Populous en Allies and Morrison, en aan de diverse architecten voor wat betreft de accommodaties. De overheid heeft daarbij een cruciale rol gespeeld. Zo heeft de stad bepaald wat tijdelijk en wat permanent zou worden. Zij is eigenlijk de echte opdrachtgever, met het IOC als tijdelijke veeleisende gebruiker.

77


De contractpartner voor het IOC is de burgemeester van Londen. Het bureau van de burgemeester, de Greater London Authority (GLA), ziet erop toe dat heel Londen kan profiteren en genieten van de Spelen, en is verantwoordelijk voor het transport en de veiligheid. De GLA heeft het duurzame ruimtegebruik na de Spelen gedelegeerd aan de London Development Agency (LDA), uitvinder van het idee van legacy, met als denktank Design for London (DfL). Zij hebben vanaf het eerste begin ingezet op planvorming voor de periode na de Spelen. Daartoe is de Olympic Park Legacy Company (OPLC) opgericht, met als aandeelhouders de stad Londen (50%) en het Rijk (50%). De OPLC is de opdrachtgever geweest voor het zogenaamde Legacy Plan. De relatie met de lokale overheden, traditioneel in de oppositie ten opzichte van het stadsbestuur, is altijd enigszins gespannen.9 De boroughs hebben het initiatief genomen om de zogenaamde Fringe Plans te maken, daarbij inhoudelijke ondersteund door Design for London. Zo wordt in Tower Hamlets, Bromley by Bow, een nieuw buurtcentrum ontwikkeld met een supermarkt, bibliotheek, hotel en woningen. Newham heeft het Stratford Metropolitan Masterplan laten maken, waarin opgenomen de ‘family neighbourhood on the Chobham Farm site’, een upgrade van het shoppingcentre uit de jaren zestig, de herstart van de stadsvernieuwing in Carpenters en de kwaliteitsverbetering in het gebied Sugar Lane/Three Mills. Waltham Forest heeft een Area Action Plan op laten stellen voor het gebied nabij Lea Bridge, waar Leyton industrial village wacht op rekwalificatie. De Olympische Spelen hebben versnelling aangebracht in de planvorming van de boroughs. Plannen zijn vooral van belang om belanghebbende en geïnteresseerde private partijen ervan te verzekeren dat er veranderingen aankomen en om duidelijk de prioriteiten aan te geven. Inmiddels is de organisatie aan de overheidskant sterk vereenvoudigd: om de toekomstige ontwikkelingen goed te begeleiden is een nieuwe organi-

78

shifted planning in the boroughs into a higher gear. Plans are of particular importance in assuring stakeholders and interested private parties that changes are on the way and in spelling out the priorities. Meanwhile, the organizational structure on the government’s side has been drastically simplified: a new body, the London Legacy Development Corporation (LLDC), has been called into being to carefully stage-manage future developments. Under the authority of the Mayor of London, it includes representatives from the Olympic Host Boroughs. The LLDC takes over the duties of the OPLC and those of the LTGDC, which formerly supervised the regeneration of East London. The LLDC is responsible for land disposal to private parties, guaranteeing new users for the Olympic venues and managing the Park. The question arises of whether there is a risk that the Olympic Park area will be given preferential treatment over the development areas on the fringes of the boroughs. What do the four represented boroughs and the LLDC together see as priorities in the yet-tobe-developed areas? When organizing the planning process it has been important that this proceeds synchronously with working up a masterplan for the post-Games situation as well as a plan for the situation during the Games driven by both ODA and OPLC. The London firm of Allies and Morrison was appointed to lead work on these plans. Working with other design and engineering offices, including the Dutch firm KCAP, it drew up the Olympic Legacy Masterplan, entitled ‘A walk around Queen Elizabeth Olympic Park’.10 We can identify three related layers in the masterplan: 1. The situation as it exists at the time of the Olympic Games. The two principal aspects that have guided this three-dimensional puzzle and determined the positioning of the venues are logistics - back of house and visitors’ side - and safety - of the athletes, authorities and visitors. The

Populous design practice had the lead here. This is the Olympic and Paralympic Games Masterplan.11 It must be obvious that ODA and LOCOG have also had a large say in its creation.

2. Some facilities are to be demolished as soon as the Games are over. These fall under both architecture and urban design. A number of the venues, such as Wilkinson Eyre Architects’ magnificent Basketball Arena, are not permanent and can be reused elsewhere. Or components are not permanent, such as the ‘water wings’ to seat extra spectators at Zaha Hadid’s Aquatics Centre. Populous’s Olympic Stadium will itself be trimmed down to make it more appropriate for future use. A major urban design operation is to demolish the 100,000 m2 temporary infrastructure, suture the new routes to the surrounding road network, address reachability from the A12 and reinstate the bridge over Carpenters Road. Once the 70-kilometre-long Olympic perimeter fence has been removed it will give, in the summer of 2013, a publicly accessible park boasting many sites for future devel- opment. This means getting private parties interested in acquiring land from the LLDC in leasehold. The Transformation Master- plan provides a high-grade intermediate phase after the Games and prior to redeveloping the Park.12 3. A glimpse is given of a possible final situation so as to be able to sketch a potential future in images and figures. This is the Olympic Legacy Masterplan.13 It determines to the nearest hectare how much is to be public park and therefore how much is leasable land. The Legacy Masterplan defines a number of ‘neigh- bourhoods’ on this leasable land for ‘con- necting to East London’s vibrant com munities’.14 On 27 June 2012 the Olympic Legacy Masterplan was approved. ‘We are

satie opgericht, de London Legacy Development Corporation (LLDC), onder gezag van de burgemeester van Londen, waarin ook de boroughs zitting hebben. De LLDC neemt de taken over van de OPLC en van de LTGDC, die voorheen de regeneratie van Oost-Londen begeleidde. De LLDC is verantwoordelijk voor de erfpachtuitgifte aan private partijen, het zorgdragen voor nieuwe gebruikers van de Olympische accommodaties en het parkbeheer. De vraag dringt zich op of niet het risico bestaat dat het gebied van het Olympisch park ‘voorgetrokken’ gaat worden ten opzichte van de ontwikkelingslocaties in de randen van de boroughs. Hoe gaan de vier boroughs en/in de LLDC onderling prioritering aanbrengen in de nog te ontwikkelen locaties? Voor de organisatie van het planproces is van belang geweest dat er gelijktijdig is gewerkt aan een masterplan voor de situatie na de Spelen en aan een plan voor de situatie van de Spelen zelf, aangestuurd door zowel ODA als OPLC. Het Londense bureau Allies and Morrison fungeerde als hoofdopdrachtnemer. Zij hebben samen met andere ontwerp- en ingenieursbureaus, waaronder KCAP, gewerkt aan het Olympic Legacy Masterplan, getiteld ‘A walk around Queen Elizabeth Olympic Park’.10 Er is daarin sprake van een drietal samenhangende planlagen: 1. de situatie zoals die zal bestaan ten tijde van de Olympische Spelen. Het is vooral de logistiek - back of house en bezoekerszijde - en de veilig- heid - van sporters, autoriteiten en bezoekers -, die deze ruimtelijke puzzel hebben gestuurd en de positionering van de accommodaties hebben bepaald. Het ontwerpbureau Populous had hierin de lead. Dit is het ‘Olympic and Paralympic Games Masterplan’.11 Het zal duidelijk zijn dat ODA en LOCOG ook een flinke stem hebben

79


Olympisch Park in 2007. The Olympic Park site in 2007.

Transformatie Masterplan. The Transformation Masterplan.

Masterplan. Masterplan.

Olympic Legacy Masterplan. Olympic Legacy Masterplan.

© London Legacy Development Company/Allies and Morrison/MacCreanor Lavington/Witherford Watson Mann/Vogt landscape.

80

delighted with the decision to approve our planning application for one of the most important regeneration projects in London’s history. These five neighbour- hoods will stitch together the surround- ing communities of a formerly isolated area through new homes, schools, shops, parks, infrastructure and jobs.’15 The division of roles between market and government in the UK is unlike that in the Netherlands. It was Margaret Thatcher who brought an end to centralized planning. The UK authorities are obliged by law to judge the initiatives of market players on their merits and after negotiations deviate if need be from fixed strategies such as the Local Development Frameworks (LDF). The Olympic Games themselves revert to a more central control. And who could expect otherwise? In 2001 a site was chosen for potential Olympic Games, an area with a fragmented land ownership and gigantic environmental pollution. In 2005 it was clear that there would be an Olympics and that there were only six years left before the venues were to be ready for a dry run. For the record, planning applications had already been made in 2004, before it was known that the bid was successful. With hindsight, we can safely state that there would have been no London Olympics had there not been a Mayor for Greater London. It is a miracle that land could be expropriated and alternatives found for its owners, overhead power lines relocated underground and the land cleaned up, all in such a short time. And brilliant that it proved possible to create the landscape in advance, so that it had time to grow. So there is no question of relief from the rules. Central government has taken on much of the action, thereby overruling the boroughs. As far as the future is concerned, the Legacy Masterplan will have to demonstrate its flexibility when private investors arrive with plans and British spatial development (with the accent on development) is brought back into practice.

gehad in de totstandkoming van dit plan. 2. na afloop van de Spelen zal een aantal voor zieningen direct worden geamoveerd. Het gaat dan om zowel stedenbouwkundige als architec- tonische elementen. Een aantal van de accom- modaties is niet permanent, zoals de prachtige Basketball Arena van Wilkinson Eyre architecten, die elders kan worden hergebruikt. Of onderde- len zijn niet permanent, zoals de tribunevleugels van het Aquatics Centre van Zaha Hadid. Ook het Olympic Stadium van Populous zal gaan krimpen om toekomstig gebruik opportuun te maken. Een majeure stedenbouwkundige opera- tie is de sloop van de 100.000 m2 tijdelijke infra- structuur, de aanhechting van de nieuwe routes op het omringende wegenstelsel, de toeganke lijkheid vanaf de A12, alsook het herstel van de doorgang over de Carpenters Road. Na het afbreken van het 70 km lange Olympische hek ontstaat in de zomer van 2013 een openbaar toegankelijk park, met vele nader in te vullen ont- wikkellocaties. Daarvoor zullen private partijen moeten worden geïnteresseerd die de grond van de LLDC in erfpacht krijgen. Het ‘Transformation Masterplan’ voorziet in een kwalitatief goede tussenfase na de Spelen en voor toekomstige invullingen.12 3. Om de mogelijkheden voor de toekomst te schet- sen en getalsmatig in beeld te brengen is een doorzicht gegeven naar een mogelijke eindsitu- atie. Dit is het ‘Olympic Legacy Masterplan’.13 Op de hectare nauwkeurig is bepaald hoeveel open- baar park er straks moet zijn, en dus hoeveel uit- geefbaar terrein er is. In het Legacyplan is op de uitgeefbare locaties een aantal ‘buurten’ gedefini- eerd ‘in aansluiting op Oost-Londens levendige communities’.14 Op 27 juni 2012 is goedkeuring verleend voor het Legacyplan. ‘We are delighted with the deci- sion to approve our planning application for one

81


of the most important regeneration projects in London’s history. These five neighbourhoods will stitch together the surrounding communities of a formerly isolated area through new homes, schools, shops, parks, infrastructure and jobs.’15 De rolverdeling tussen markt en overheid is in de UK anders dan in de Nederlandse situatie. Met Thatcher is een einde gekomen aan de centralistische planning. In juridische zin is de overheid in de UK verplicht initiatieven van marktpartijen op hun merites te beoordelen en na onderhandeling eventueel van vastgestelde kaders zoals een Local Development Framework (LDF) af te wijken. Voor de Olympische Spelen is teruggegrepen op een meer centralistische sturing. Hoe kan het ook anders? In 2001 wordt een gebied gekozen voor mogelijke Olympische Spelen, een gebied met een versnipperd grondeigendom en een gigantische milieuvervuiling. In 2005 is duidelijk dat de Olympische Spelen doorgaan en dan resten nog slechts zes jaar voordat in 2011 de diverse accommodaties klaar moeten zijn om proef te kunnen draaien. Overigens is al voor het winnen van het bid in 2004 gestart met de vergunningenprocedures. Achteraf kan worden geconstateerd dat de Olympische Spelen er nooit gekomen zouden zijn als er niet een burgemeester voor Greater London was geweest. Het is een wonder dat het in zo’n korte tijdspanne is gelukt grondeigenaren te onteigenen en uit te plaatsen, hoogspanningsleidingen ondergronds te brengen en het terrein op te schonen. Het is ook groots dat het gelukt is de aanleg van het landschap naar voren te halen. Er is dus zeker geen sprake van een relief van de regels. De centrale overheid heeft veel naar zich toegetrokken, daarmee de boroughs overrulend. Voor de toekomst zal het Legacy Masterplan zijn flexibiliteit moeten tonen wanneer private investeerders met plannen komen en de Engelse development-geleide ruimtelijke ontwikkeling weer in praktijk zal worden gebracht.

82

It’s the legacy, stupid! What does that leave? At all events a ‘clean’ area, several venues and an Olympic Village. But this scarcely distinguishes it from other Olympic cities such as Helsinki, Rome, Barcelona and Munich, where the legacy is now part and parcel of the city. And of course we have Anish Kapoor’s ‘Orbit’, the sculpture that is to make the area a top tourist attraction. There is concern about how the venues will be used in the future, but in view of the pressure on London there is little cause to expect a repeat of what happened in Athens. All the same, the partly demountable stadium designed by Populous whose capacity can be reduced from 80,000 to 25,000 spectators, has not been embraced wholeheartedly. As yet, no decision has been taken about its future. Allies and Morrison showed an inspirational model at the masterclass: a stadium that is recognizable as such but has been absorbed in the urban fabric, as in Lucca. Dismantling and selling it to Qatar for the FIFA World Cup in 2022 is perhaps not such a bad idea after all. Will it be possible to exploit the Aquatics Centre post-Games? Symbolic status alone, such as in Beijing where the vacant Icecube attracts 150,000 Chinese admirers daily, has no part in London’s non-monumental tradition. The Copperbox, the handball stadium and another Populous design, should prove easier to exploit. The outdoor racing track enveloping Hopkins Architects’ elegant Velodrome is to be reconfigured for wider cycling use after the Games. The athletes’ living quarters in the Olympic Village are to be transformed into apartments. However, the most important physical legacy resides in the repositioning and future upgrading of the Lower Lea Valley as a whole. Not just the Queen Elizabeth Olympic Park, but also the Fatwalk, the Greenway across a 19th-century sewer, the 88 football pitches and the plans for greenhouses in the gasholders are pointers to this future. What about the non-physical legacy? The

boroughs, armed with the Queen Elizabeth Olympic Park, are in an excellent starting position for a more far-reaching process of self-emancipation. The first signs are already there: house prices have shot up (not that this is good for everyone) and statistics are reflecting the first improvements in the psychological, social and physical conditions of those living in the boroughs. It may not have anything to do with the Games, but there are increasing numbers of runners, walkers and cyclists in evidence in East London. That said, the bright yellow vests of the cyclists betray their special status. For the Mayor of Newham, Sir Robin Wales, there can be no possible doubt about the benefits of the Games. Gerard Dielessen, general director of NOC*NSF, outlines the situation in Newham in figures: ‘A quarter of the population are living in poverty. More than fifty per cent of the children are living in poverty. Unemployment is almost fifty per cent. There are few places in the UK where childhood obesity is so extreme as in Newham.’ ‘Sir Robin Wales describes the Games, particularly the sport, as a wonderful means of addressing these challenges. Since it became known that the Games would be held in London, and for a major share in Newham, countless initiatives have been launched to give shape and substance to the “soft legacy” under the heading “Be inspired, learn and achieve in 2012.’16 The legacy in London resides in the investments made in the infrastructure brief - green, blue, grey and a few red ‘attractors’ - for future developments. The Olympic Park is a structural building block together with Lea Valley Regional Park, Stratford public transport hub and Westfield. The Olympic Park is part of a snowball effect, a transformation process set in train to open up the Lea Valley literally and metaphorically, where a new urban landscape can emerge in synergy with the surrounding boroughs. Whether it will succeed in becoming a global destination, a piece of the city that contributes to London’s world ranking, depends less on the tourist

It’s the legacy, stupid! Wat houden we er aan over? In ieder geval een ‘schoon’ gebied, een aantal accommodaties en het Olympisch dorp. Maar dat is niet echt onderscheidend ten opzichte van Olympische steden als Helsinki, Rome, Barcelona en München, waar het erfgoed vanzelfsprekend onderdeel is van de stad. En we hebben natuurlijk de Orbit van Anish Kapoor, de trekker die het gebied tot een toeristische topattractie moet maken. Het toekomstige hergebruik van de accommodaties baart zorgen, maar gezien de druk op Londen zal het risico voor Atheense toestanden niet groot zijn. Toch wordt het door Populous ontworpen deels demontabele stadion, waarbij de capaciteit kan krimpen van 80.000 naar 25.000 toeschouwers, niet zomaar ‘omarmd’. Er is nog geen uitsluitsel voor de toekomst van het stadion. Allies and Morrison lieten een inspirerende maquette zien: een stadion dat weliswaar nog herkenbaar is, maar is opgegaan in het stedelijk weefsel, naar voorbeeld van Lucca. Demontage en verkoop aan Qatar ten behoeve van de WK voetbal aldaar is misschien toch geen gek idee? Kan het Aquatics Centre straks geëxploiteerd worden? Uitsluitend als symbool betekenis hebben, zoals in Beijing, waar de leegstaande Icecube iedere dag 150.000 Chinese bewonderaars trekt, past niet in de Londense non-monumentale traditie. Voor de Copperbox, het handbalstadion en ook van de hand van Populous, zal het wellicht gemakkelijker zijn de exploitatie rond te krijgen. Rond het elegante Velodrome van Hopkins architecten wordt een groot openluchtcomplex voor wielersport gerealiseerd. In het Olympisch dorp worden na de Spelen de sportersaccommodaties omgevormd tot appartementen. De belangrijkste fysieke legacy ligt echter in de herpositionering en (toekomstige) herwaardering van de Lower Lea Valley als geheel. Niet alleen het Queen Elizabeth Olympic Park, maar ook de Fatwalk, de Greenway over het negentiende-

83


eeuwse riool, de 88 voetbalvelden en de plannen voor plantenkassen in de gashouders zijn de voorboden van die toekomst. Hoe staat het met de niet fysieke legacy? De boroughs komen met het Queen Elizabeth Olympic Park in een uitstekende uitgangspositie voor een verdergaand proces van zelfemancipatie. De eerste tekenen zijn er: de huizenprijzen zijn al flink gestegen (wat natuurlijk niet voor iedereen gunstig is) en in de statistieken tekenen zich de eerste verbeteringen af voor wat betreft de psychologische, sociale en fysieke condities van bewoners van de boroughs. Of het nu door de Spelen komt of niet, er is in OostLonden in ieder geval sprake van een toenemend aantal joggers, wandelaars en fietsers. De felgele hesjes van de fietsers verraden echter nog hun uitzonderlijkheid. Voor de burgemeester van Newham, Sir Robin Wales, is er geen twijfel mogelijk over de meerwaarde van de Spelen. Gerard Dielessen, algemeen directeur NOC*NSF, schetst de situatie in Newham in cijfers: ‘Een kwart van de bevolking leeft in armoede. Meer dan vijftig procent van de kinderen leeft in armoede. De werkloosheid is bijna vijftig procent. Bijna nergens in het Verenigd Koninkrijk is het obesitasprobleem bij kinderen zo hoog als in Newham.’ ‘Sir Robin Wales (noemt) de Spelen, vooral de sport, een prachtig middel om deze uitdagingen aan te gaan. Sinds bekend is dat de Spelen in Londen, en voor een belangrijk deel in Newham worden gehouden, zijn er oneindig veel initiatieven genomen om de zogenoemde ‘soft legacy’ vorm en inhoud te geven onder de titel: Be inspired, learn and achieve in 2012’16 De legacy in Londen is gelegen in de investeringen in de infrastructurele randvoorwaarden - groen, blauw, grijs plus enkele rode ‘trekkers’ - voor toekomstige ontwikkelingen. Het Olympisch park is, met het Lea Valley Regional Park, met de openbaarvervoershub Stratford, en met Westfield, een van de structurele bouwstenen. Het Olympisch park is deel van een sneeuwbal: er is een transformatieproces

84

attractions of the Orbit than on the quality of programme added in the future. The conditions for this could not be better. It will become clear in the years to come whether the process is going to work, physically through supplementary private investments and, in the long run, socially. Have local employment opportunities improved? Are the locals engaging more in sports and physical activity? Has their immediate living environment improved? Will it eventually mean an increase in life expectancy? In conclusion Major investments in an event with a short lifespan, however large in scale, logically lead one to the question of legacy: what will we have left? This is a socially urgent issue in view of the wide range of experiences with previous host cities. We can draw the following lessons from London 2012: There needs to be a major issue, one much larger than the Olympics itself. A project such as the Olympic Games should be able to be ‘used’ in an already ongoing process targeted at longer-term goals. In that case the incident that is the Games can act as a catalyst and help deliver a legacy. Legacy up front, in other words: up-front investments in regenerating and repositioning an area that in the long run can become appreciated and appropriated for new means of use. The choice of the Lea Valley will impact at the global scale of London and at the city scale of the boroughs. A centralized, maybe temporary culture is required when organizing a sustainable legacy from the Olympic Games, so as to be able to guide the planning and development process. The trick is to target the decisionmaking structure at the longer-term goals - the legacy - and resist the practicalities of the incident and the moment. For Olympic Plan 2028 it is these very issues that are crucial: do we have a problem that is big enough, and does it befit our culture to deal with it along these lines?

With thanks to those who took part in the masterclass: Olga Arandjelovic, Stefan Bekx, Annelies van der Does, Marina Eenschoten, Erik van den Eijnden, Loes Gratama, Bart van der Heijden, Joacim de Kam, Marije ten Kate, Mirjana Milanovic, Ellen Monchen, Ria Ramdjan, Esther Reith, Bert van Swol, Peter Verbon and Harry de Vries; the discussion partners in London: John Allen, Bob Allies, Deirdra Armsby, Eleanor Fawcett, Liza Fior, Kathryn Firth, Charlie Forman, Simon Fraser, Gordon Glenday, Dan Hawthorn, Daniel Hill, Tom Holbrook, Kay Hughes, David Hynes, Christian Jameson, Chris Jopson, Judith Loesing, Gerard Maccreanor, Jane Manning, Selina Mason, Dominic Papa, Michelle Reeves, Nick Smales, Emad Sleiby, Leon Welford and Kevin Whittle; and the discussion partners in the Netherlands: Markus Appenzeller, Max van den Berg, Tom Bergevoet, Matthijs Bouw, Zef Hemel, Paul van Hemert, Jason Hilfgefort, Rein Jansma, Maarten Kloos, René Miesen, Henk Ovink, Hugo van de Poel and Maarten van Tuyll. Anna Vos 1 His Conservative successor Boris Johnson recently began his second term as Mayor after defeating Livingstone in 2008. 2 The two-yearly Masterclass was organized on the initiative of Zef Hemel, Deputy Director of the City of Amsterdam’s Department of Physical Planning (dRO). In 2011, a group of 16 civil servants from national, local and provincial government, some of whom are directly involved in studies relating to the possibility of an Olympics in the Netherlands in 2028, analysed the preparations for London 2012 in a masterclass led by master Anna Vos and coordinator Anne Luijten. This article is the responsibility of its author, who nonetheless seeks to take full account of the findings of those who took part in the Masterclass as well as discussions with participants. 3 An extended version of this article, including a description of the area, is available at www.annavos.nl 4 Jim Lewis, Industry and Innovation: The Technological Revolution in the Lea Valley, Faringdon: Libri Publishing, 2010. 5 www.leevalleypark.org.uk. 6 Westfield has contributed financially to delivering the infrastructure as a private party, as had happened earlier in Canary Wharf. The gigantic multi-storey car park will not be publicly accessible until after the Games. Westfield has been collaborating with the London Organising Committee for the Olympic Games (LOCOG) on the logistics at the

ingezet waarin de Lea Valley mentaal en fysiek is ontsloten en een nieuw stadslandschap kan ontstaan in synergie met de omliggende boroughs. Of het lukt er een global destination van te maken, een stuk stad dat bijdraagt aan Londens ranking op de wereldranglijst, hangt niet zozeer af van de toeristische aantrekkingskracht van de Orbitt, maar van de kwaliteit van toekomstige programmatische toevoegingen. De randvoorwaarden die daarvoor geschapen zijn, zijn optimaal. In de komende jaren zal duidelijk worden of het proces gaat lukken, in fysieke zin door aanvullende private investeringen en uiteindelijk in maatschappelijke zin. Is er meer werk in de buurt te vinden? Zijn de mensen meer gaan sporten? Is hun directe woonomgeving verbeterd? Zal de levensverwachting er uiteindelijk stijgen? Tot slot Majeure investeringen voor een evenement van korte duur, hoe groots ook, maken de vraag naar ‘legacy’ alleen maar heel logisch: wat houden we er aan over? De wisselvallige ervaringen van eerdere hoststeden maken die vraag maatschappelijk urgent. Uit Londen 2012 kunnen we een aantal lessen trekken: Er is een groot vraagstuk nodig, veel groter dan de Olympische Spelen zelf. Een project als de Olympische Spelen moet ‘gebruikt’ kunnen worden in een al lopend traject, gericht op doelen voor de langere termijn. Dan kan het incident van de Spelen als katalysator dienen en tot legacy leiden. Legacy vooraf dus: voorinvesteringen in de regeneratie en herpositionering van een gebied, dat op de langere termijn gewaardeerd en ‘toegeëigend’ kan gaan worden voor nieuwe manieren van gebruik. De keuze voor de Lea Valley zal zijn uitwerking gaan hebben op de (wereld)schaal van Londen én op de (stedelijke) schaal van de boroughs. Voor de organisatie van duurzame legacy van de Olympische Spelen is een (tijdelijke) centralistische cultuur nodig om het plannings- en ontwikkelings-

85


proces te sturen. De kunst is om de besluitvormingsstructuur in te richten op de doelen van langere termijn - de legacy - en weerstand te bieden aan de pragmatiek van het incident en het moment. Voor het Olympisch Plan 2028 zijn dat ook precies de cruciale vragen: hebben we wel een probleem dat groot genoeg is en past het wel in onze cultuur om zoiets te regelen? Met dank aan de deelnemers van de masterclass: Olga Arandjelovic, Stefan Bekx, Annelies van der Does, Marina Eenschoten, Erik van den Eijnden, Loes Gratama, Bart van der Heijden, Joacim de Kam, Marije ten Kate, Mirjana Milanovic, Ellen Monchen, Ria Ramdjan, Esther Reith, Bert van Swol, Peter Verbon en Harry de Vries; de gesprekspartners in Londen: John Allen, Bob Allies, Deirdra Armsby, Eleanor Fawcett, Liza Fior, Kathryn Firth, Charlie Forman, Simon Fraser, Gordon Glenday, Dan Hawthorn, Daniel Hill, Tom Holbrook, Kay Hughes, David Hynes, Christian Jameson, Chris Jopson, Judith Loesing, Gerald Maccreanor, Jane Manning, Selina Mason, Dominic Papa, Michelle Reeves, Nick Smales, Emad Sleiby, Leon Welford en Kevin Whittle; en de gesprekspartners in Nederland: Markus Appenzeller, Max van den Berg, Tom Bergevoet, Matthijs Bouw, Zef Hemel, Paul van Hemert, Jason Hilfgefort, Rein Jansma, Maarten Kloos, René Miesen, Henk Ovink, Hugo van de Poel en Maarten van Tuyll. Anna Vos 1 Zijn conservatieve opvolger Boris Johnson is recentelijk aan een tweede termijn begonnen als burgemeester, nadat hij de verkiezingen van oud-burgemeester Ken Livingstone had gewonnen. 2 De tweejaarlijkse masterclass wordt georganiseerd op initiatief van Zef Hemel, adjunct-directeur dRO Amsterdam. In 2011 heeft een groep van zestien ambtenaren van Rijk, provincies en gemeenten, waarvan een aantal directbetrok- kenen bij studies in het kader van mogelijke Olympische Spelen in Nederland in 2028, onder leiding van master Anna

86

time of the Games and is an official sponsor. 7 It is the only project to be continued by Westfield. All others have been put on hold due to the crisis. 8 For a more detailed account of the results of the Masterclass see the extended version of this article at www.annavos.nl.  9 Labour produced the mayors of all four surrounding boroughs, whereas the Mayor of London, Boris Johnson, is a member of the Conservative Party. 10 A walk around Queen Elizabeth Olympic Park, OPLC, 2011. 11 ibid, p. 145. 12 idem, p. 146. 13 idem, p. 147. 14 idem, pp. 16-19. 15 Daniel Moylan, chairman of LLDC, quoted at www. tiqstratfordcity.com/news. It continues: ‘The five new neighbourhoods are: Chobham Manor, East Wick, Sweetwater, Marshgate Wharf and Pudding Mill. Around 40% of the homes are family homes with the majority of the neighbourhoods drawing inspiration from London’s heritage of terraced housing. Up to 35% will be affordable housing in line with the London Plan.’ 16 Translated from Gerard Dielessen, blog 120504.

Vos en coördinator Anne Luijten de voorbereidingen voor London 2012 geanalyseerd. Dit artikel is geschreven op ver- antwoordelijkheid van de auteur, maar probeert zoveel moge- lijk recht te doen aan de bevindingen van de deelnemers aan de masterclass en de gesprekken met betrokkenen. 3 Een uitgebreide versie van dit artikel, waarin opgenomen een gebiedsbeschrijving, is beschikbaar op www.annavos.nl 4 Jim Lewis, Industry and Innovation, the Technological Revolu- tion in the Lea Valley, Libri Publishing, 2010. 5 www.leevalleypark.org.uk. 6 Westfield heeft als private partij financieel bijgedragen aan de realisatie van de infrastructuur, zoals dat eerder in Canary Wharf is gebeurd. Tot na de Olympische Spelen zal de gigan- tische parkeergarage niet openbaar toegankelijk zijn. West- field werkt samen met de London Organising Committee for the Olympic Games (LOCOG) aan de logistiek ten tijde van de Spelen en is ook officieel sponsor. 7 Het is overigens het enige project dat met de crisis door Westfield is gecontinueerd, alle andere projecten zijn getem- poriseerd. 8 Voor een meer gedetailleerde toelichting op de resultaten van de masterclass, zie de uitgebreide versie van dit artikel op www.annavos.nl 9 Labour levert de burgemeesters in alle vier de omliggende boroughs, terwijl de burgemeester van Londen, Boris John- son, deel uitmaakt van de Conservatieve partij. 10 A walk around Queen Elizabeth Olympic Park, OPLC, 2011. 11 Idem, p.145. 12 Idem, p.146. 13 Idem, p.147. 14 Idem. p.16-19. 15 Daniel Moylan, voorzitter LLDC, geciteerd op www.tiqstratfordcity.com/news. De tekst vervolgt met: The five new neighbourhoods are: Chobham Manor, East Wick, Sweetwater, Marshgate Wharf and Pudding Mill. Around 40% of the homes are family homes with the majority of the neighbourhoods drawing inspiration from London’s heritage of terraced housing. Up to 35% will be affordable housing in line with the London Plan. 16 Gerard Dielessen, blog 4 mei 2012.

87


Economische impact van sport

The Economic Impact of Sport

De economische betekenis van sport is groot. In Nederland wordt aan sport jaarlijks ruim 9 miljard euro uitgegeven. De totale exportwaarde van de Nederlandse sportindustrie wordt geraamd op 1,1 miljard euro. Nederland kent een aantal wereldmarktleiders op het gebied van sport. Denk aan het kunstgras van Ten Cate, de klapschaats van Maple Skate en de sportvoeding van DSM. Grootschalige sportevenementen bieden mogelijkheden om

Sport carries considerable economic weight. The Netherlands spends over 9 billion euros on sports annually. The total export value of the Dutch sports industry has been estimated at 1.1 billion euros. The Netherlands can boast several world market leaders in sports products. Examples are the synthetic grass produced by Ten Cate, the clap skates of Maple Skate and the sports nutritional products of DSM.

88

Large-scale sports events hold out opportunities to showcase the Netherlands, the Dutch and Dutch products and services, particularly in the realms of design, planning, construction and logistics. Venues and infrastructure designed or built by Dutch companies can be found in, say, South Africa (for the Football World Cup in 2010), Sochi (2014 Winter Olympics) and Beijing (2008 Olympics). The Olympic Games in London have similarly benefited from a substantial contribution from Dutch companies.

Nederland, Nederlanders en Nederlandse producten en diensten op internationaal niveau te etaleren, ook op het gebied van ontwerp, planning, bouw en logistiek. Door Nederlandse bedrijven ontworpen of gebouwde accommodaties en infrastructuur zijn onder meer te vinden in Zuid-Afrika voor het WK voetbal in 2010, in Beijing voor de Olympische Spelen van 2008 en in Sochi voor de Winterspelen van 2014. Ook aan de Olympische Spelen in Londen hebben Nederlandse bedrijven een substantiĂŤle bijdrage geleverd.

89


Gevraagd: visie en durf Wanted: Vision and Courage

90

91


Gevraagd: visie en durf. Op zoek naar een verhaal voor de Spelen Wanted: Vision and Courage. Seeking a Story for the Olympic Games Een mogelijk bid van Nederland voor de Spelen van 2028 heeft anno 2012 al de nodige publieke ophef veroorzaakt. Het laatste nieuws is dat Amsterdam de officiële kandidaatstad zal zijn, mocht het tot een Nederlands bid komen in 2016. Het discours over nut en noodzaak van het organiseren van een Olympische Spelen wordt tot nu toe langs twee lijnen gevoerd, die van de topsport en in het kielzog daarvan het verhogen van de breedtesportparticipatie, en die van de stedelijke ontwikkeling van Nederland, waarvoor een Olympische Hoofdstructuur een katalyserende werking moet hebben. Wat echter nog mist is het grote, overkoepelende verhaal, hét onderscheidende thema van een Nederlands bid. ‘Wat is ons verhaal’ was dan ook de centrale vraag van een debat1 in het Nederlands Architectuurinstituut, dat werd georganiseerd door het Ministerie van Infrastructuur en Milieu en waarin gezocht werd naar maatschappelijke urgentie en de mogelijkheid van Nederland zelfs om het gehele concept van de Spelen opnieuw uit te vinden. Nederland als gamechanger: gedurfd of hoogmoed? De focus van de discussies en onderzoeken tot nu toe ligt vooral op de betekenis voor Nederland zelf: wat houden we eraan over (legacy), zelfs al voorafgaand aan de Spelen? Het organiseren van een topsportevenement zou onder het motto ‘heel Nederland naar Olympisch niveau’ de breedtesport moeten stimuleren en de jeugd aan het sporten moeten krijgen, als onderdeel van de legacy vooraf. Maar in een land als Nederland, met een sportparticipatie die met

92

The prospect of the Netherlands bidding to host the 2028 Olympics has already raised a public rumpus in 2012. The latest news is that Amsterdam will be officially nominated as the host city, should it come to a Dutch bid in 2016. The discourse on the utility and necessity of hosting the Olympics has so far followed two lines, one of top-level sport and participation in sports by the general public, and another of Dutch urban development, on which an Olympic Main Structure is supposed to have a catalytic effect. What is still missing, however, is an impressive, allembracing ‘story’, a narrative that could make the Dutch bid stand out from all others. ‘What is our story going to be?’ That was the central question for a debate1 held in the Netherlands Architecture Institute by the Ministry of Infrastructure and the Environment. The participants pondered the social urgency of the undertaking and the idea of the Netherlands reinventing the entire concept of the Olympics – the Netherlands as ‘gamechanger’. Would that be a case of courage or of self-overestimation? Discussions and studies so far have mainly focused on the significance for the country itself. What legacy would we retain, including assets accruing in advance of the actual Games? One such up-front legacy could be the proposed stimulative effect of hosting top-level sporting events on public sports participation, particularly among young people. But in a country like the Netherlands, with 70% of the public already participating in sports (one of the highest proportions in the world) and

with 80% living within two kilometres of a sports facility, it seems a rather ambitious objective in sports researcher Paul Hover’s view. The second argument alongside these social objectives is that of spatial legacy. With the future Olympic Games as a catalyst, we could sort out our infrastructure and problem areas. But using these arguments is rather like spending a fortune to throw a party because it would force you to repair the long-defunct doorbell, author/columnist Jonathan van het Reve wrote in Het Parool, and because you would have a couple of lovely new bar tables left over. Van het Reve expresses the mood that currently prevails in the media and, undoubtedly, among a large part of the Dutch population: it’s the feeling that ‘a bunch of stuck-up slobs are preparing a lavish feast, but in our house and on our credit card.’ The additional expenditure is in the best case an investment that would have to be made anyway, and the spatial legacy would certainly have to amount to more than just a few bar tables. The question is, though, what is our doorbell and what are our bar tables? A social justification for such large investments is not only a legitimate wish but is indispensable if they are to attract sufficiently wide public support. Motivation The debate in the NAi was hence above all an expression of the current momentum towards formulating a motivation for the candidacy, which could set a direction and give a justification for further efforts. Since the social urgency of holding the Olympics is not yet self-apparent, we have to search for it. ‘Do we have what it takes?’ pondered the introductory speaker Henk Ovink, Deputy Director General for Spatial Planning of the Ministry of Infrastructure and the Environment. The advantage of the long run-up period is that it facilitates the development of a larger, integrated story which also covers the larger scale level. The debating panel included representatives of both the sports world and the spatial world. The prelude to

70% van de bevolking al een van de hoogste in de wereld is (en 80% van de bevolking die binnen twee kilometer van een sportvoorziening woont), is dat een redelijk ambitieuze doelstelling, stelde sportonderzoeker Paul Hover. Naast deze maatschappelijke doelstellingen is het tweede argument de ruimtelijke legacy. Met de toekomstige Olympische Spelen als katalysator zouden we onze infrastructuur en probleemgebieden op orde kunnen brengen. Alsof je ‘een peperduur feest geeft omdat je dan eindelijk de bel kunt repareren’, aldus schrijver en columnist Jonathan van het Reve in Het Parool: ‘En er achteraf ook nog een paar mooie statafels aan overhoudt’. Van het Reve verwoordt de stemming die er momenteel heerst in de media en ongetwijfeld bij een groot deel van de Nederlandse bevolking: ‘Het gevoel dat een stel ballen een patserig feest voorbereidt, maar wel in óns huis en met de gemeenschappelijke pinpas’. Idealiter zijn de extra kosten uiteraard investeringen die toch al gedaan zouden moeten worden, en de ruimtelijke legacy zou inderdaad meer moeten behelzen dan een paar mooie statafels. De vraag is daarmee: wat is onze bel en wat zijn onze statafels? Een maatschappelijke verantwoording van dergelijke grote investeringen is niet alleen legitiem maar ook domweg noodzakelijk voor het benodigde draagvlak onder de bevolking. Motivering Het debat in het NAi was dan ook vooral een uiting van het huidige momentum om tot een motivering voor de kandidaatstelling te komen, die richting en rechtvaardiging kan geven aan de verdere inspanningen. Nu de maatschappelijke urgentie om de Spelen te organiseren zich (nog) niet als vanzelfsprekend aandient, gaan we er naar op zoek. ‘Hebben we wel genoeg in huis?’, vroeg inleider Henk Ovink, plaatsvervangend directeur-generaal Ruimte en Water, zich af. Het voordeel van de lange voorbereidingsperiode is dat het mogelijkheden biedt

93


om een groter, integraal verhaal te ontwikkelen waarin ook het hogere schaalniveau is meegenomen. In het debatpanel was zowel de sportwereld als de ruimtelijke wereld vertegenwoordigd. Input voor het debat vormde een presentatie van het onderzoek van het bureau XML, dat was gevraagd om de nationale, interne focus te doorbreken door te onderzoeken hoe de Spelen in 2028 als een evenement ingebed in een internationaal krachtenveld eruit zouden kunnen zien. XML onderzocht megatrends als klimaatverandering, migratie en de verschuiving van geopolitieke zwaartepunten en hun betekenis voor een mogelijke Nederlandse kandidatuur en kwam zelfs tot een concept van ‘Nederland als Game Changer’: hoe zou Nederland het concept van de Spelen zélf kunnen veranderen door het evenement terug te brengen van een megaevent (met bijbehorend kostenplaatje) naar een evenement van een meer menselijke schaal. Nederland zou het ‘utopisch potentieel van de Spelen als verbindend internationaal project’ moeten aanspreken en in haar bid met een passend antwoord moeten komen op de gestelde wereldproblematieken. Het concept van Nederland als game-changer kun je zowel gedurfd en visionair als een uiting van hoogmoed noemen, maar het is als denkexperiment zeker interessant om even los te breken van de deels bekende en voorspelbare discussies en de Spelen met een frisse blik te bekijken, op zoek naar een bredere relevantie. Oftewel: hoe kunnen de Olympische Spelen ‘meer zijn dan een etalage van wat wij kunnen’, aldus XML tijdens hun presentatie. De voorbeelden die XML uitwerkt zijn op zichzelf ook zeker interessant. In Deltapolis gaat de decentrale stedelijkheid van de Randstad functioneren als internationaal aansprekend voorbeeld van de innovatieve stad waarin thema’s als de stadlandtegenstelling en duurzaamheid zijn getackeld. Kan Nederland in het tijdperk van de megacities de wereld op een nieuw model van stedelijkheid trakteren? In Virtual Games worden de Spelen tot een online virtu-

94

the debate was a presentation of the study conducted by architectural firm XML, who had been asked to break out of the national, internal focus by considering what the 2028 Games might be like when embedded as an event into the international arena. XML looked into mega-trends such as climate change, migration and the shifting of geopolitical centres of gravity and their significance to a possible Dutch candidacy, and arrived at the concept of ‘the Netherlands as gamechanger’: how the Netherlands could alter the very concept of the Olympic Games by reducing the event from a mega-event (with a concomitant price ticket) to one of a more human scale. The Netherlands would have to address the ‘utopian potential of the Games as a internationally unifying project’ and propose an apt answer to the stated global problems in its bid to host the Olympics. The concept of the Netherlands as a gamechanger could be described either as daring and visionary or as mere overconfidence, but it is an interesting thought experiment for detaching oneself momentarily from the rather familiar and predictable discussions so as to take a fresh look at the Olympics, in search of broader relevance. In other words, how can the Olympic Games become more than a shop window for what we can do? XML asked in their presentation. The examples that XML worked out are certainly noteworthy in their own right. In Deltapolis, the decentralized urban fabric of the Randstad could offer an internationally appealing example of the innovative city, where themes like the town/country distinction and sustainability are tackled. Can the Netherlands, in the era of megacities, regale the world with a new model of urbanity? In Virtual Games, the Olympics turn into an online virtual event with a minimum of spatial impact. In World Games, the Olympics take place all over the world, while Amsterdam/the Randstad functions merely as a host city or a ‘curator’. The upshot is a network of Olympic Cities, as a manifestation of international cooperation, which must contribute to the

rise of a 21st century political and economic system that is no longer based on nation states but on cities. These are rather distant prospects, but what counts in this case is the mental exercise of discarding the narrow focus on the Netherlands and the strict IOC demands such as a spatial clustering of the big five venues. Wider vision The debate that followed the presentation of XML’s research results sought a reconciliation between ‘what good is it to us?’ and ‘what good is it to the world?’ Can we move from thinking in terms of a legacy for the city, as in the justification of the winning London bid, to a legacy for the whole world? What problem areas might come into development under the influence of an Olympic catalyst? Is Rotterdam-South our East London, where, for the wider perspective, innovations relating to cities and water may be demonstrated? The redevelopment of the London location falls in line with a ‘logical’ development of the Lower Lea Valley and East London in the context of the development of London as a whole, and can thereby play the part of a booster. Choosing a location thus requires a vision for spatial development on that larger scale, and of the Netherlands as a whole, along with the governmental/political will to stick to the choices made. That too is an important lesson which we (o the irony of it!) could learn from London, which decided to keep the green belt around the city open by imposing building restrictions which were strictly enforced by the Greater London Authority. Consequently, the growing city had no option but to look east towards its unfashionable side for room to build the homes needed, and to the marshy ground of a completely degenerated area for the construction of luxury flats for the streams of arriving international knowledge workers. The Netherlands’ difficulty with formulating a story, of appealing to a self-evident urgency, is probably connected to the cultural identity crisis of the West and particularly of Europe,

eel evenement met juist een minimale ruimtelijke impact. In het model World Games worden de Spelen over de gehele wereld georganiseerd en fungeert Amsterdam/de Randstad slechts als host-city of ‘curator’. Zo ontstaat een netwerk van Olympische Steden als manifestatie van internationale samenwerking dat moet bijdragen aan de opkomst van een eenentwintigste-eeuws politiek en economisch systeem dat niet meer uitgaat van de natiestaten, maar van steden als drijvende kracht. Dat zijn nogal vergezichten, maar het is de denkoefening voorbij de op Nederland gerichte focus en voorbij de strikte IOC-eisen zoals een ruimtelijke clustering van de vijf belangrijkste venues, die in dit geval telt. Grotere visie In het debat dat volgde op de presentatie van de onderzoeksresultaten van XML werd gezocht naar het verbinden van ‘wat hebben we eraan’ met ‘wat heeft de wereld er aan’? Van legacy voor de stad, de inzet van het winnende Londense bid, naar legacy voor de hele wereld? Welke probleemgebieden zouden met een Olympische katalysator tot ontwikkeling kunnen komen? Is Rotterdam-Zuid ons Oost-Londen, waarin dan voor het bredere perspectief innovaties op het gebied van steden en water worden getoond? Maar leren van Londen laat ook zien dat de Spelen als katalysator voor ruimtelijke ontwikkeling alleen werken als het Olympisch gebied onderdeel is van een al langer lopende en een veel groter gebied beslaande ontwikkeling. De herontwikkeling van de Londense locatie past binnen een ‘logische’ ontwikkeling van de Lower Lea Valley en Londen-Oost binnen de context van de ontwikkeling van Londen als geheel en kan zodoende een rol als aanjager vervullen. Het kiezen van een locatie vereist dus een visie op de ruimtelijke ontwikkeling van dat grotere schaalniveau, en van Nederland als geheel, plus bestuurlijk-politieke doorzettingsmacht om vast te houden aan de gemaakte keuzes. Ook dat is een belangrijke les die

95


wij, o ironie?, kunnen leren van Londen, dat onder meer heeft gekozen voor het openhouden van de greenbelts om de stad door middel van een bouwrestrictie die streng werd gehandhaafd door de Greater London Authority. Waardoor er voor de bouw van de benodigde woningen voor de groeiende stad geen andere optie was dan oostwaarts te kijken, naar de ‘slechte’ kant van de stad en de zompige grond van een volkomen gedegenereerd gebied geschikt te maken voor de bouw van luxeflats voor de toestromende internationale kenniswerkers. Het onvermogen van Nederland om een verhaal te formuleren, om te appelleren aan een vanzelfsprekende urgentie, hangt wellicht samen met de door Sjors de Vries geconstateerde culturele identiteitscrisis van het Westen en Europa in het bijzonder. Onze Olympische Spelen zouden dan juist een wenkend perspectief moeten bieden, ‘licht aan het eind van de tunnel’, dat zou moeten bestaan uit een visie op duurzame stedelijkheid. Een Olympisch plan zou niet alleen de sportparticipatie maar ook de maatschappij op andere domeinen ‘verder moeten brengen’, aldus Jeroen Straathof, oud-topsporter en voorzitter van de atletencommissie NOC*NSF. Het op peil houden van onze verzorgingsstaat door middel van sport zou als voorbeeld kunnen dienen voor de wereld. Het thema water, dat in 2028 alleen maar in urgentie zal zijn toegenomen, werd eveneens genoemd als vanzelfsprekend thema voor Nederland en haar innovatieve bedrijfsleven. Voor De Vries moet het Nederlandse thema zeker ook aansluiten bij een groter, internationaal thema zoals de plek van Nederland/Europa in de wereld, duurzaamheid of de wateropgave. Maar het zoeken naar ‘het drama’ van het grotere verhaal werd vanuit de zaal getemperd door de oproep om de ambities vooral klein te houden. Het idee dat wij, Nederland, de wereld iets te vertellen zouden hebben is naast een nobel streven immers tegelijkertijd ook tamelijk hautain.

96

as noted by Sjors de Vries. So our Olympic Games should offer an inviting prospect, a light at the end of the tunnel, consisting of a vision on sustainable urban development. An Olympic plan should not only promote sports participation but should ‘take society further’ in other domains, according to Jeroen Straathof, a former top athlete and a representative of sports professionals from the NOC*NSF. Keeping our welfare state up to the mark by means of sports could serve as an example to the whole world. The question of water, which will inevitably be all the more urgent in 2028, was also mentioned as an obvious theme for the Netherlands and its innovative business community. For De Vries, the Dutch theme should certainly also connect up to a larger, international one such as the place of the Netherlands/Europe in the world, sustainability or the task of dealing with water problems. But the search for the ‘drama’ of a bigger story was tempered from the audience side by an appeal to keep the ambitions at least modest. The idea that we, Holland, might have something to tell the world may well be a noble aspiration but it is also rather arrogant. Momentum Paul Hover accordingly insisted on the formulation of realistic goals together with a strategy for implementation. ‘Now we have to do it’ was a widespread British reaction after winning the London Olympic bid, on recognizing the obligation to promote sports participation and public health as well as fulfilling all the other objectives in the bid book (including of course building the Olympic Park). There is naturally always a gap between the formulated objectives and their feasibility, for example in the costs of any typical large-scale project which almost inevitably turn out to be higher than first estimated. So bid high, or in the case of costs, low: he who dares not, wins not, and not only the IOC but the public needs a convincing answer to ‘what do we get in return?’ Relinquishing those utopian, world-

embracing and game-changing ambitions focuses attention all the more sharply on the host city itself. London developed a momentum and urgency in the light of a task that consisted not only of redeveloping a neglected area but strengthening London’s position in its international competition with Frankfurt, Paris and suchlike cities. Time, place and future perspectives coincided and practically generated the story of their own accord. Amsterdam currently lacks a story of that kind, Zef Hemel, deputy director of the Amsterdam Urban Planning Department, pointed out, speaking from the audience. ‘It starts with the city. In 2000, London was a city risen from the dead. It radiated growth and dynamism. It is the city itself that has to radiate an aura. It must have something magic about it. Sport comes only after that.’ That Amsterdam does not yet have such a momentum may be a blessing; after all, if the momentum were there now, it will surely have evaporated again well before 2019 when the bid must be submitted. This also makes it clear how difficult it is to arouse enthusiasm for an Olympic Games so far in advance of the event. The necessary magic is absent by definition. Looking back to former Olympic cities, the story and momentum have almost always carried a political/social charge and have been tied to a certain juncture. Rome, for example, was an embodiment of the progressive ideals of post-war reconstruction and the jettisoning of Fascism, while Beijing symbolized the rise of China as a global economic power. The study by XML at least demonstrates, in Ovink’s view, that latching onto a momentum of that kind, the defining spirit of a certain era, is of crucial importance. Repositioning The debate did not yield concrete inputs for constructing the Dutch story. With 2028 still a dot on the horizon, it appears impossible to create that story right now, so it should be seen rather as part of an ongoing process. The time span is simply too long and the eco-

Momentum Paul Hover maande dan ook tot het formuleren van reële doelstellingen plus een strategie voor de uitvoering. ‘Shit, now we have to do it’ is een bekende uitspraak van de Engelsen na het winnen van het bid toen ze voor de taak stonden de sportparticipatie en de volksgezondheid te vergroten en al die andere doelstellingen uit het bidbook te realiseren (waaronder uiteraard ook de realisatie van het Olympisch park zelf). Natuurlijk is er altijd een zekere spanning tussen de geformuleerde doelstellingen en de haalbaarheid daarvan, net zoals de kosten die, net zoals bij de meeste grootschalige projecten, meestal hoger uitvallen dan tevoren begroot. Hoog, of in het geval van de kosten juist laag inzetten, want wie niet waagt die niet wint en niet alleen het IOC maar vooral ook de eigen bevolking heeft behoefte aan een aansprekend antwoord op ‘wat krijgen we er voor’. Het terugbrengen van de utopisch-wereldomspannende en ‘game-changing’ ambities brengt de focus weer des te meer op de stad zelf. Zoals Londen een momentum had en een urgentie, een opgave die er niet alleen uit bestond om een achtergebleven gebied tot ontwikkeling te brengen, maar die Londen ook moest versterken in de internationale concurrentiestrijd met steden als Frankfurt en Parijs. Tijd, plaats en toekomstperspectief vallen samen en vormen als vanzelf het verhaal. Zo’n verhaal heeft Amsterdam op dit moment niet, meldde Zef Hemel, adjunct-directeur van de Amsterdamse stedelijke dienst, vanuit de zaal. ‘Het is eerst de stad. Londen was in 2000 de stad die opstond en herrees. De stad straalde groei uit, dynamiek. Het is de stad die iets moet uitstralen, iets magisch moet hebben. De sport komt pas daarna.’ Misschien is het een zegen dat Amsterdam dat momentum nu nog niet heeft, de kans is immers groot dat het momentum in 2019, wanneer het bid moet worden uitgebracht, al lang verleden tijd is. Het maakt tegelijkertijd duidelijk hoe moeilijk het is om al zo lang van te voren de handen op

97


elkaar te krijgen voor een Olympische Spelen. De noodzakelijke magie ontbreekt per definitie. Verhaal en momentum hebben, terugkijkend naar de Olympische steden, vrijwel altijd een politiek-maatschappelijke betekenis en zijn nauw verbonden met een tijdperk. Zo is Rome de belichaming van het vooruitgangsideaal van de wederopbouw en het afschudden van het fascisme, en Beijing van de opkomst van China als economische wereldmacht. Het onderzoek van XML laat volgens Ovink in ieder geval zien dat het aanhaken op zo’n momentum, dat een bepaald tijdsgewricht definieert, van cruciaal belang is. Herpositioneren Het debat leverde uiteindelijk nog geen concrete bouwstenen op voor de constructie van het Nederlandse verhaal. Met 2028 als stip aan de horizon lijkt dat verhaal ook nog niet te kúnnen worden geconstrueerd en eerder onderdeel te zijn van een ongoing proces. De tijdscope is simpelweg te groot en de economische, politieke en technologische veranderingen in de wereld gaan te snel. De Olympische ambitie op dit moment is vooral een droom van een aantal bevlogenen uit de sportwereld en het bedrijfsleven enerzijds, en een kapstok voor ruimtelijke investeringen anderzijds. De droom van de sportwereld kwam in het debat mooi uit de verf in het meeslepende verhaal van Jeroen Straathof. Enerzijds is er het grote verhaal van de topsport, dat verbroedering, vriendschap en fair play stimuleert zoals ook in het Olympisch charter staat beschreven. Anderzijds is er het kleinere verhaal van de rol van de breedtesport in het dagelijks leven en de gezondheidsdoelstellingen die je daar als maatschappij mee kunt verwezenlijken. Vooralsnog zijn we op zoek naar het overkoepelende verhaal, van het nieuwe tijdperk, waar Amsterdam of de bredere Randstad de belichaming van is of moet gaan worden. Op dit moment heeft Amsterdam geen gebied dat er zo erbarmelijk aan toe is dat ze de investering van een

98

nomic, political and technological changes in the world are going too fast. The Olympic ambition is at present largely a dream of enthusiasts from the sports and business worlds, while also serving as a peg to hang spatial investments on. The debate shed ample light on the dream of the sports world in the engaging account of Jeroen Straathof. On the one hand that dream is the great narrative of top-level sports, of promoting harmony, friendship and fair play as set out in the Olympic Charter; on the other it is the lesser narrative of the role of widespread sports participation in everyday life and of the health objectives which society can thereby achieve. For the while we are still in search of an overarching story, one apt to the new era which Amsterdam or the wider Randstad embodies or will hopefully embody. There is currently no area of Amsterdam which is in such a decrepit state that it justifies the investment of holding the Olympic Games. The Amsterdam design team occupied with the Olympic ambition has been studying a location in Duivendrecht, between the city and the ArenA area – the home base of Ajax, the only Dutch football team eligible to play in an Olympic Stadium. It would be a logical site, considering its location in the metropolitan context. But would it be a place with urgency, a place screaming for investments that would otherwise not take place? Taking London’s line, we should be asking ourselves which area in the Netherlands deserves the Games and whether the urgency is great enough. Doing ‘something good’ for a deprived area is not enough. It is about inclusively repositioning the area in a larger whole, such as Rotterdam-South at the scale of the Randstad and its southern wing (Zuidvleugel). Where, then, is the urgency, seen in this broader perspective? And why should we channel our efforts into the Olympic Games to set a process in motion? Do we really need an Olympic Games to develop a vision of the Netherlands and secure the necessary investments?

Scoring in advance The long spell of preparation involved has given rise in the Netherlands to a creative interpretation of the legacy concept: ‘what benefit will it yield beforehand, today and tomorrow?’ The legacy has been defined as prospective instead of retrospective. Can’t we score before the game starts? Can’t the prospect of the Olympic Games be turned to advantage right now to set improvements in train – not only spatial but social improvements, such as bringing the whole country up to ‘Olympic level’ in sports and fitness? So far, however, the Olympic ambition remains a matter for believers – for people like Jeroen Straathoff who can speak passionately about top-level sports and the chance for his children to experience a world-class event at first hand. Still, it is exactly these sentiments towards sports that have turned top-level sport into a mass industry – even though it is sometimes mere millimetres or milliseconds that make all the difference. The huge investments in a sports event of the scale of the Olympic Games justifies the question that London was not afraid to consider: are the IOC requirements and the duration of the event proportionate to the investment and to what the city gains in return? Can we meet those requirements in a socially justifiable way? It is to be hoped that a supple, inventive treatment of the gap between the interests of the host city and those of the event will make it possible to instigate change. But would the IOC be ready for a revolution say ten years from now? An interesting parallel in this respect is the proposal by the football figurehead Michel Platini for a 2020 European Cup spread across 12 or 13 existing stadiums throughout Europe. After that, the idea of a European or even World Games may seem less incredible in sports circles. A movement could develop in which people take a fresh look at the sports mega-event, the soaring investments it demands and the business model of sponsor income and television rights it embraces, causing many

Olympische Spelen rechtvaardigt. Het ontwerpteam in Amsterdam dat zich met de Olympische ambitie bezig houdt bestudeert een locatie in Duivendrecht, tussen stad en Arenagebied, de thuisbasis van Ajax, de enige club die in aanmerking zou komen voor het bespelen van een (al dan niet uitgekleed) Olympisch stadion. Een plek met logica, ook gezien de ligging in het metropolitane veld. Maar een plek met urgentie, een plek die schreeuwt om investeringen die anders niet gedaan zouden worden? In vergelijking met Londen zouden we ons moeten afvragen welk gebied in Nederland de Spelen verdient en of de urgentie groot genoeg is. Het is niet voldoende om ‘iets goeds’ te doen voor een achtergesteld gebied. Het gaat erom het gebied op een structurele manier te herpositioneren in een groter geheel, zoals Rotterdam-Zuid op de schaal van de Zuidvleugel en de Randstad. Waar zou vanuit dit bredere perspectief onze urgentie dan liggen? En waarom zouden wij inzetten op de Olympische Spelen om een vliegwiel op gang te krijgen? Hebben we een Olympische Spelen nodig om een visie op Nederland te ontwikkelen en de benodigde investeringen los te krijgen? Vooraf scoren De lange duur van de voorbereidingen heeft in Nederland aanleiding gegeven tot een creatieve interpretatie van het begrip legacy: wat hebben we er vooraf, vandaag en morgen al aan? De legacy is als het ware naar voren gehaald. Kunnen we niet al vooraf scoren? Kan de optie van een Olympische Spelen niet gebruikt worden om nu al verbeteringen te bewerkstelligen, ruimtelijk dan wel maatschappelijk, zoals het op ‘Olympisch niveau’ brengen van het land wat betreft sport en bewegen? Vooralsnog is de Olympische ambitie een zaak van believers. Iemand als Jeroen Straathof die hartstochtelijk kan praten over topsport en de kans voor zijn kinderen om een wereldevenement aan den lijve mee te maken.

99


Tegelijkertijd zijn het precies die sportsentimenten die van topsport een industrie van gigantische omvang hebben gemaakt. Ook al gaat het inmiddels om millimeters en milliseconden die het verschil maken. De enorme investeringen in een sportevenement als de Olympische Spelen rechtvaardigen de vraag die Londen durfde te stellen: staan de eisen van het IOC en de duur van het evenement nog wel in verhouding tot de investering en wat de stad er voor krijgt? Kunnen we daar nog op maatschappelijk verantwoorde wijze aan tegemoet komen? Een lenige en inventieve omgang met de spanning tussen het belang van de stad en het belang van het evenement maakt het hopelijk mogelijk om verandering teweeg te brengen. Maar of het IOC op een termijn van zo’n jaar of tien al toe is aan een revolutie? Interessant in dat opzicht is de oproep van voetbalbons Platini voor een ‘Europees EK 2020’, waarbij gebruik wordt gemaakt van bestaande stadions in 12 of 13 steden in heel Europa. Daarmee wordt het idee van een Europese of zelfs World Games wellicht ook in sportkringen niet meer zo onvoorstelbaar. Zo kan een beweging op gang komen waardoor met een andere blik wordt gekeken naar megasportevenementen, de torenhoge investeringen die zij vereisen en het verdienmodel van sponsorinkomsten en tv-rechten dat zij hanteren, waarbij voor menige stad de vraag is wat zij er eigenlijk aan overhoudt. Of Nederland als game-changer in deze beweging een verschil kan maken zal moeten blijken. Durf en visie zijn immers prachtig, maar hoogmoed is meestal onverstandig.

a city to wonder what good it will do them. It remains to be seen whether the Netherlands, as game-changer, can make a difference within this movement. Courage and vision are excellent qualities, but hubris generally comes before a fall. Anne Luijten

1 The debate in the NAi took place on 18 June 2012, and was organized by the Ministry of Infrastructure and the Environment in the context of International Architecture Biennale Rotterdam (IABR). The panel members were Paul Hover (researcher at the Mulier Instituut), Jeroen Straathof (chairman of the athletes committee NOC*NCF and former Olympian) and Sjors de Vries (social geographer and consultant/process manager for BSDV).

Anne Luijten 1 Het debat in het Nederlands Architectuurinstituut werd op 18 juni 2012 georganiseerd door het Ministerie van Infra- structuur en Milieu in het kader van de Internationale Archi- tectuur Biënnale Rotterdam (IABR). Panelleden waren Paul Hover (onderzoeker Mulier Instituut), Jeroen Straathof (voorzitter atletencommissie NOC*NSF en oud-Olympisch sporter) en Sjors de Vries (sociaal-geograaf en adviseur/ procesmanager BSDV).

100

101


Colofon

Credits

Een initiatief van Ministerie van Infrastructuur en Milieu

An initiative of the Ministry of Infrastructure and the Environment

Redactie Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Elien Wierenga Redactie Design and Politics Henk Ovink, Elien Wierenga Met bijdragen van Thijs van Bijsterveldt (Shift architecture urbanism), Matthijs Bouw (One Architecture), Daniel Casas Valle (zelfstandig stedenbouwkundige), Max Cohen de Lara (XML Architecture Research Urbanism), Daniël de Groot (projectsecretaris Olympische Hoofdstructuur, Ministerie van Infrastructuur en Milieu), Willemieke Hornis (projectleider Olympische Hoofdstructuur, Ministerie van Infrastructuur en Milieu), Vincent Kompier (zelfstandig planoloog, onderzoeker en freelance journalist), Anne Luijten (Studio-RO), David Mulder (XML Architecture Research Urbanism), Henk Ovink (directeur Ruimtelijke Ontwikkeling, Ministerie van Infrastructuur en Milieu), Oana Radeş (Shift architecture urbanism), Harm Timmermans (Shift architecture urbanism), Anna Vos (Concepts for Urban Change), Bettine Vriesekoop (voormalig toptafeltennister, journalist voor NRC Handelsblad en NRC Next), Elien Wierenga (projectleider Design and Politics, Ministerie van Infrastructuur en Milieu)

102

Translation John Kirkpatrick and Vic Joseph Design Robert Beckand

Editorial team Daniël de Groot, Willemieke Hornis, Elien Wierenga

Printing Lecturis, Eindhoven

Editorial team Design and Politics Henk Ovink, Elien Wierenga

ISBN 978 90 6450 748 9 www.010.nl

With contributions by Thijs van Bijsterveldt (Shift architecture urbanism), Matthijs Bouw (One Architecture), Daniel Casas Valle (independent planning professional), Max Cohen de Lara (XML Architecture Research Urbanism), Daniël de Groot (project secretary Olympic Main Structure, Ministry of Infrastructure and the Environment), Willemieke Hornis (project manager Olympic Main Structure, Ministry of Infrastructure and the Environment), Vincent Kompier (independent planner, researcher and journalist), Anne Luijten (Studio-RO), David Mulder (XML Architecture Research Urbanism), Henk Ovink (director for Spatial Development, Ministry of Infrastructure and the Environment), Oana Radeş (Shift architecture urbanism), Harm Timmermans (Shift architecture urbanism), Anna Vos (Concepts for Urban Change), Bettine Vriesekoop (former table tennis champion and journalist for NRC Handelsblad en NRC Next), Elien Wierenga (project manager Design and Politics, Ministry of Infrastructure and the Environment)

Vertaling John Kirkpatrick en Vic Joseph Opmaak Robert Beckand Druk Lecturis, Eindhoven © 2012 auteurs, Uitgeverij 010, Rotterdam ISBN 978-90-6450-748-9 www.010.nl

103



Designing Olympics