Page 1

Wandelen met mijn moeder Geschreven door Karin Giphart

1


Wandelen met mijn moeder Geschreven door Karin Giphart


‘Wanneer gaat de trein?’ Mijn moeder heeft een mooie stem. Ik kijk verbaasd op. ‘Mama?’ zeg ik. Mama weet vaak dingen niet meer. Ze vergeet, bijvoorbeeld,waar ze woont. Of hoe oud ze is. Of hoe laat het is. Ze is pas 56 jaar. Ze woont in een speciaal huis. Met mensen die net als zij te jong zijn om zoveel te vergeten. Alzheimer. Zo heet deze ziekte. ‘Wanneer gaat de trein, mama?’ vraagt mijn moeder. ‘Nee.’ zeg ik. ‘Ik ben je dochter. Jij bent de mama, mama.’ ‘Ik moet mijn haar nog kammen. Waar is mijn borstel?

3


4

Gaan we zo?’ vraagt mijn moeder. ‘Goan,’ zegt ze eigenlijk. Dat is Limburgs voor ‘gaan.’ Nu ben ik nog meer verbaasd. Mijn moeder zegt bijna nooit meer wat. En nooit met een Limburgs accent. Ze staat op en begint in een kastje te zoeken. ‘Met welke trein, mama?’ vraag ik. ‘De dieseltrein. Naar Wijlre!’ Ik weet dat mijn moeder uit Limburg komt. Meer weet ik niet. Ik weet niets over haar ouders. Of over haar familie. Bas weet het ook niet. Hij is mijn oudere broer.


‘Je moeder heeft het niet makkelijk gehad,’ zei mijn vader wel eens. Wij vroegen niet verder. Mijn vader leeft niet meer. Hij kreeg 9 jaar geleden longkanker. Het was een vrolijke, hardwerkende man. Hij maakte mijn moeder altijd aan het lachen. Niet veel mensen konden dat, maar hij wel. Toen overleed mijn vader. Ik heb mijn moeder nog nooit zien huilen. Zelfs niet op de begrafenis. De volgende dag zat ze op de bank. Op haar schoot lag de favoriete trui van mijn vader.

5


6

Mijn moeder was hem aan het stoppen, vertelde ze. Maar ze kon het gaatje niet vinden. ‘Ik zie bijna niets meer.’ ‘Je bent niet blind,’ zei ik zachtjes. ‘je bent aan het huilen.’ De dagen daarna bleven de tranen maar stromen. Weken werden maanden. Hoeveel tranen kan een mens huilen? Bas zei dat mama in de rouw was. Ik begon me steeds meer zorgen te maken. Mijn moeder vergat de oven uit te zetten. Ze vergat zich aan te kleden. Dat soort dingen. Na een tijdje vertelde de dokter dat ze


ziek was. Ik wist het al. Mama vroeg soms wanneer papa thuis zou komen. Of ik wist waar hij was. Ze leek in een wereld van vroeger te leven. Een wereld waarin mijn vader nog leefde. Ze was niet meer de moeder die we kennen. Toen ging ze naar het verpleeghuis. Om bij te komen, dacht mijn moeder. Het was maar voor even, dacht ze. Nu zit ze er al 5 jaar. ‘Hoe lang zit je hier?’, vragen mensen haar soms.

7


8

‘Een paar maanden,’ zegt ze dan. Maar de laatste tijd spreekt ze bijna helemaal niet meer. Tot nu. ‘Bedoelt ze soms het Miljoenenlijntje in Limburg?’ vraagt Anita. Anita is een van de verzorgsters. ‘Komt je moeder uit Wijlre?’ Ik weet het niet. Dan herinner ik me iets. ‘Ze ontmoette mijn vader in Maastricht,’ zeg ik. Weer spreekt mijn moeder. ‘Mijn oma woont in Stokhem. Eerst met de trein naar Wijlre. Ik weet het nog goed.’ Ze klinkt jong en blij. Ze kijkt me aan en lacht.


Ik lach vanzelf terug. Ik was een papa’s meisje. Ik kon hem alles vertellen. Mijn moeder bemoeide zich niet veel met mij. Wel met mijn broer, maar mij liet ze met rust. Als mijn moeder al iets zei, dan luisterde ik niet naar haar. Je kunt prima van iemand houden zonder hem of haar te begrijpen. Later begreep ik dat mijn moeder vaak geldzorgen had. ‘Een mens leeft maar één keer,’ zei mijn vader vaak. Ik wist niet dat ze schulden hadden. Tot mijn vader stierf. Mijn broer en ik hebben alle schulden

9


10

afbetaald. Ik vond mijn mama altijd een beetje saai. Ze sprak altijd over het weer. Over recepten en eten, over TVprogramma’s. Maar ze sprak nooit over zichzelf. Of over dingen die ik leuk vond. Ik weet even niet zo goed wat ik met mijn moeder aan moet. Ik heb eigenlijk over een half uur een afspraak bij de kapper. Maar ik ben bang dat als ik nu wegga, ze de volgende keer misschien niet meer praat. ‘Wil je naar Stokhem, mama?’ vraag ik. Mijn moeder fronst. ‘Ik weet niet waar mijn koffertje is,’ zegt


ze verdrietig. ‘Ik ging altijd met mijn koffertje.’ ‘Je koffertje? Dat ga ik nu halen. Hoe ziet het er ook alweer uit?’ vraag ik. ‘Hij is wit. Niet groot. En het is mijn koffer. Wit,’ zegt mijn moeder weer blij. Ik vraag aan de verpleegster of ik mijn moeder mag meenemen. Dat is goed. Maar eerst moet ik nog iets regelen. ‘Ik ben zo terug, mama,’ roep ik. Buiten bel ik de kapper af. Dan ga ik naar de Hema om de hoek. Ik vind op de kinderafdeling een koffertje, wit, met hartjes. Hopelijk vindt mijn moeder dat niet

11


12

erg. Ik bel mijn broer. Hij neemt gelukkig op. Bas is blij dat ik bij mama ben. Hij vindt dat ik te weinig langsga. Ik vertel hem over mama’s wens om naar Limburg af te reizen. ‘Helemaal van Amsterdam naar Maastricht? Is dat wel verstandig?’ vraagt hij. Ik zeg dat ze het heel graag wil. Bas klinkt niet meer blij. ‘Wat als alles daar anders is? Raakt ze dan niet in paniek?’ ‘Er is maar één manier om daar achter te komen,’ zeg ik. ‘Doe maar niet. Ik neem haar wel een keer mee met de auto.


Dit is niet verstandig, Eva.’ ‘Nee, Bas, ik neem haar vandaag mee. Je zou haar moeten zien. Ze is zo vrolijk. Neem vrij, kom ook!’ ‘Ik heb dienst, ik kan niet weg,’ zegt mijn broer. ‘Maar goed, als ik je niet van gedachten kan veranderen, ga dan, maar let goed op haar. Sms me of bel me!’ zegt mijn broer. We zeggen gedag. Ik reken af en ga snel terug naar het verpleeghuis. ‘Hier, mama,’ zeg ik, als ik bij haar op de kamer kom. ‘Een wit koffertje, en ik heb er hartjes op gedaan, speciaal voor jou.’

13


14

Mijn moeder pakt het koffertje. ‘O, dat vind ik mooi,’ zegt ze. Anita, de verpleegster, knipoogt naar me. Buiten schijnt de zon. Dagenlang heeft het geregend. Vandaag is er een blauwe lucht. De temperatuur is ook aangenaam. Een perfecte dag voor een wandeling. Mijn moeder doet voor de zekerheid een sjaal in het koffertje. Ik zoek op hoe we naar station Wijlre komen. We moeten eerst naar Maastricht. Dan nemen we de trein naar Valkenburg. We hebben geluk. Er gaat vandaag zowaar een treintje naar Kerkrade via Wijlre.


Het Miljoenenlijntje. Het kostte veel geld om het treinspoor aan te leggen. Vandaar de naam, Miljoenenlijntje. ‘Zie ik er netjes uit?’ vraagt mijn moeder. Haar lange haar is nog steeds niet grijs. Het zit niet in de gebruikelijke knot, maar in twee staartjes. Mijn moeder was altijd een dame. Nu lijkt ze op Pippi Langkous. Ik knik. In de trein naar Maastricht valt mijn moeder al snel in slaap. Ze slaapt altijd in de middag. Het is gelukkig rustig in de trein. Ik hoop dat mijn moeder, wanneer ze

15


16

straks wakker wordt, niet alles weer vergeten is. Ik droom soms over de dag waarop mijn moeder me niet meer herkent. Het is heel raar. Nu het niet meer kan, wil ik mijn moeder van alles vragen. Ik kijk naar mijn moeder. Ze slaapt heel vredig. Ik maak haar niet wakker. Wanneer we bijna bij Maastricht zijn, wordt ze vanzelf wakker. ‘Waar ben ik?’ vraagt ze. ‘We zijn op weg naar Stokhem,’ zeg ik. Even is het stil. ‘Zo,’ zegt mijn moeder. ‘Ik hoop dat we geen zwanen tegenkomen.’ ‘Zwanen,’ zeg ik.


‘Ja, witte en zwarte zwanen. Die kunnen heel gemeen zijn, wist je dat? ‘Ik dacht dat ganzen gemeen waren.’ ‘Die zijn ook gemeen, maar zwanen, och, daar waren Marie en ik vaak bang voor.’ ‘Marie?’ ‘Marie, ja, mijn zusje. Samen met Marie en mama ging ik altijd naar oma.’ ‘En je vader dan?’ ‘Die kon niet mee, want die moest werken. Hij zag er heel mooi uit in uniform.’ Ik wil meer vragen, maar we komen aan op station Maastricht. ‘Tumtummetjes, bestaan die nog?’ vraagt ze. Dit is niet een vraag van iemand die in

17


18

het verleden leeft. ‘Ja, mama, zal ik een zakje kopen?’ ‘En Napoleons? Van die zure, gele bollen?’ Die kregen we soms van mijn moeder als we op reis waren. Als we lief waren. ‘Ja, voor zover ik weet wel. Kom, we duiken even de supermarkt in,’ zeg ik. In de trein naar Valkenburg genieten we van een paar snoepjes. Ik kan me niet herinneren wanneer ik dat voor het laatst met mijn moeder deed. Ze was nooit een zoetekauw.* Ik kan het niet laten om dit tegen haar te zeggen. * zoetekauw = iemand die veel snoep eet


‘Ik heb toch een kunstgebit?’ antwoordt ze. ‘Nu mag het.’ Hier moet ik om lachen. We kijken samen uit het raam en genieten van het uitzicht. Dan kijkt mijn moeder me aan. Ze ziet me echt, denk ik. Ik wil iets zeggen, maar ik weet niet wat. Ik doe mijn mond open. ‘Vroeger had je niet veel snoep,’ begint mijn moeder. Ik doe hem weer dicht. ‘Nee?’ spoor ik haar aan. ‘Niet zoals nu,’ zegt mijn moeder die weer lijkt op de moeder die ik ken, maar toch ook weer niet.

19


Mijn moeder vertelt: ‘Soms kreeg ik van mijn oma een suikerei. We waren vaak vroeg wakker. De rest sliep nog. In de keuken deed ze een geklopt ei met suiker in de pan. Op wit brood. Heerlijk.’ ‘Je oma klinkt als een lieve vrouw.’ ‘Dat was ze ook.’ 20 ‘En... je moeder? Was die... ook lief? ‘ ‘Mijn moeder? Dat was zeker een lieve vrouw, maar lastig. Alles moest op haar manier. Ze bedoelde het goed, dat geloof ik wel. Och, kijk toch, hoe mooi!’ Ze wijst uit het raam. Het station van Valkenburg ziet eruit alsof je in een andere tijd stapt.


Ook het Miljoenenlijntje geeft je een gevoel van vroeger. Mijn moeder grijpt weer het zakje met Napoleons. ‘Mama,’ zeg ik, ‘zometeen word je nog misselijk.’ Ze kijkt me aan. Alsof ze een kind is. Ze verwijdert het plasticje en stopt hem in haar mond. Ik steek mijn vinger op en schud ermee. Die mama van mij. ‘Wat gaan we doen, als we zo in Wijlre aankomen?’ vraag ik. ‘Dan lopen we naar Stokhem.’ ‘Waarom wil je daarheen, mama?’ ‘Ik hoorde vandaag een liedje op de radio.

21


Een liedje uit mijn jeugd.’ Mijn moeder schraapt haar keel en begint te zingen. Mijn moeder zingt! Lieber Gott, lass die Sonne wieder scheinen, für Mama, für Papa und für mich! Ze stopt. ‘Ik weet even niet meer hoe het verder 22 ging. Dat geheugen van mij...’ ‘Zongen jullie in het Duits?’ vraag ik. ‘Ja, Duits is echt onze tweede taal hier, iedereen zong Duitse liedjes,’ zegt mijn moeder. ‘Je hoorde dit liedje op de radio en toen wilde je hierheen?’, vraag ik. ‘Ja, want dat zongen we altijd met mijn


moeder, op weg naar oma. Eva, ik luisterde naar dit liedje. Het voelde, alsof ik wakker werd. Ik dacht: nu is de tijd. Het is eigenlijk al veel te laat. Dat weet ik ook wel.’ ‘Te laat waarvoor, mama?’ ‘Ik had er al veel langer naar toe moeten gaan. Ik ben te lang boos geweest. Nu is iedereen overleden. Iedereen op wie ik boos was. Wat kan een mens lang boos zijn! Maar nu ben ik hier, met jou, mijn dochter. Waar is Bas?’ ‘Bas moest werken, mama, maar hij

23


weet dat we samen op reis zijn. Wil je hem spreken? Moet ik hem bellen?’ ‘Straks, eerst moeten we eruit. Kijk, Wijlre. Och, wat leuk, het ziet er nog precies zo uit!’ De trein stopt en we stappen uit. ‘Deze kant op,’ zegt mijn moeder. Ik ga wandelen met mijn moeder, denk 24 ik. Met een wit koffertje, met hartjes. Wie had dat nog kunnen denken? ‘Zal ik je koffertje dragen?’ vraag ik. ‘Nee,’ zegt mijn moeder. Al snel zien we een mooie kerk voor ons liggen. ‘Hier,’ zegt mijn moeder. Ze wijst naar rechts. ‘Hier stond vroeger een heel ander huis.


Van een asociale familie. Altijd als we langsliepen, dan hoorden we ze ruzie maken. Echt waar, ik lieg niet.’ Op de kerk hangt een grote poster: 250 jaar Wijlre. ‘250 jaar alweer? Maar het ziet er nog precies hetzelfde uit als toen ik zeven jaar was,’ zegt mijn moeder. ‘Ik had altijd rubber laarsjes aan, als we hier liepen. Marie droeg altijd haar zondagsschoentjes. Zij had geen koffertje, maar een tas, een gymtas, met touwtjes. We hadden allebei een knuffelbeer bij ons.

25


Die van mij miste een oog. Dat maakte mij niet uit.’ We lopen rustig verder. ‘Daar, rechts, was vroeger een bakker. Net voordat je bij de watermolen aankwam. Och, die is zo mooi, daar kunnen we straks misschien nog even kijken. Mijn moeder riep altijd gedag naar de 26 bakkersvrouw. Maar ze knikte altijd alleen terug. Haar zoontje was verongelukt. Hij rende een keer de straat op. Een auto reed hem aan. Daarna sprak ze niet meer.’ Achter de kerk is een grote bierbrouwerij. Ik heb geen verstand van bier, maar dit


is echt een grote brouwerij. ‘Nou ja,’ zegt mijn moeder, ‘de perenbomen zijn weg. Dat moderne gebouw was hier vroeger niet. Wel de brouwerij, die is al heel oud. Iedereen dronk Brand. Ik ken zoveel mensen die voor Brand werkten. O, en de pastorie hoort nu ook bij de brouwerij?’ Het is grappig om te zien hoe mijn moeder het heden met vroeger vergelijkt. ‘Werden jullie niet opgehaald van het station?’ vraag ik. ‘Nee, er waren toen nog bijna geen auto’s.

27


Je liep gewoon, in regen en zon, in zomer en winter, je liep. Als je moe wordt, moet je het zeggen,’ zegt mijn moeder nu tegen mij. ‘En jij ook, hoor,’ zeg ik. ‘Ik ben niet moe,’ zegt ze, ‘ik heb dit zo vaak gelopen.’ Een tijdje later zegt ze bij een beeld van Jezus: ‘Kijk, daar rechts, ik vond dat 28 altijd zo eng. Het bloed spatte uit zijn aderen, maar nog glimlacht hij. Ik begreep dat als kind niet.’ Hoe kun je nu glimlachen als je pijn hebt? Nu begrijp ik dat heel goed. Je vader kon het ook zo goed. Die had heel veel pijn, maar daar


merkte je niets van. Hij bleef grappen maken. Hij wilde niet dat iemand anders er last van had. Je vader rookte niet eens, toen ik hem ontmoette. Maar wij allemaal wel. Toen ging hij ook roken. Ik stopte toen ik zwanger werd van jullie. Hij niet. Wisten wij toen veel. Op de brug stopt mijn moeder even. ‘Hier, onder deze brug verstopte mijn moeder, jouw oma, haar klompen. Wanneer ze naar school liep, tegenover de pastorie. Dan deed ze haar nette schoentjes aan.

29


Met vieze klompen mocht je niet in de klas zitten.’ We lopen langzaam over de brug. Onder ons stroomt de rivier, de Geul. Mijn moeder lijkt wel bijna te dansen. ‘Och, ruik de geur. Zeg nu zelf, is het hier niet prachtig?’ ‘Ja, mama, het is hier prachtig,’ zeg ik. We lopen niet met de grote weg mee. 30 Rechtdoor, rechts van ons, is een landgoed. Met een kasteel. ‘Dit is wel een beetje anders,’ zegt mijn moeder. ‘De heggen zijn weg. Wat raar, alle dennenbomen zijn vervangen door loofbomen. Hebben we toen alles opgestookt in die tijd?


Je moet weten, vroeger waren hier geen lampen. Het kon hier echt heel donker worden.’ ‘Was dat niet eng?’, vraag ik. ‘Ik vind het ook best een lange wandeling voor een paar kleine meisjes.’ ‘Daar dacht je niet over na, je deed het gewoon. Ssst, even heel stil zijn,’ zegt mijn moeder plotseling. ‘Wat is er dan?’ vraag ik. ‘Daar, om de bocht, daar waren ze vroeger.’ ‘Wie?’ ‘De zwanen.’ ‘Mama, dat was jaren geleden. Bijna 50 jaar geleden zelfs.’ Mijn moeder pakt me bij de arm, we

31


lopen samen verder. Net voor de hoek horen we wel een soort gehonk. ‘Het is echt waar, mama,’ zeg ik, ‘ze zijn er nog steeds.’

32

Vier grote zwanen drijven in het slootje rechts, aan de kant van het kasteel. Ze hebben ook nog een paar jonkies. ‘Laten we maar even oversteken en aan de andere kant lopen,’ zegt mijn moeder. Dan komen er twee zwanen agressief op ons af. Ze willen waarschijnlijk alleen hun jongen verdedigen. Maar eng is het wel. Mijn moeder begint met haar koffertje


te zwaaien. ‘Gank weg! Gank toch weg.’ Snel lopen we door. Ze achtervolgen ons even. Dan geven ze het op. ‘Mijn hart zit in mijn keel,’ zeg ik. ‘Meisje, ik had je echt wel verdedigd, hoor. Niemand mag mijn meisje pijn doen.’ ‘Dat is lief,’ zeg ik. We lopen nu best flink door. ‘Wil je even stoppen? Is het nog ver?’ vraag ik. ‘Nee, het duurt niet lang meer. Vroeger kwamen we vaak de honden van mijn oma tegen. Alsof ze wisten dat we eraan kwamen. En de boer, Sjefke, de buurman van

33


oma, kwam soms ook langsrijden met zijn tractor. “Ik zal tegen oma zeggen dat jullie eraan komen,” riep hij dan.’ ‘Mama,’ zeg ik, ‘ik denk niet dat oma nog leeft. Dat weet je toch wel, hè?’ ‘Ja, liefje, ik weet het weer. Daarom zijn we niet hier. 34 Ik wil het gewoon nog een keer zien. Met jou. Ik wil het met jou zien. Nu het kan,’ zegt mijn moeder. Ik pak haar hand. ‘Het spijt me,’ zeg ik. ‘Dat hoeft niet, liefje,’ zegt mijn moeder. ‘Ik zal het niet vergeten,’ zeg ik. ‘En ich bin ut neet vergeten,’ zegt mijn moeder.


‘Zo zeggen we dat hier, in Limburg.’ ‘Ich zal ut neet vergeten,’ zeg ik. Ze knijpt in mijn wang. Samen lopen we verder.

35


Geschreven in opdracht van de Vereniging van Limburgse Bibliotheken (VLB) Tekst: Karin Giphart

Uitgave: Bibliotheekhuis Limburg , Sittard Oplage: 2500 stuks

Ontwerp: Ontwerpbureau B2B, Maastricht 36

Foto Karin Giphart: D. Groenberg Jaar: 2012


‘Wanneer gaat de trein?’ Mijn moeder heeft een mooie stem. Ik kijk verbaasd op. ‘Mama?’ zeg ik. 20

37

Karin Giphart is een Nederlandse schrijver. Voor de Limburgse bibliotheken heeft ze een kort verhaal geschreven over Limburg. Want Karin Giphart is dol op Limburg. Limburgers zijn echte verhalenvertellers, zegt ze. mede gesubsidieerd door

Wandelen met mijn moeder  

Wandelen met mijn moeder

Wandelen met mijn moeder  

Wandelen met mijn moeder

Advertisement