Issuu on Google+

Aan de leden van de vaste Eerste Kamer commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Postbus 20017 2500 EA Den Haag

Den Haag, 8 mei 2014 Betreft: wetsvoorstel hervorming kindregelingen Geachte dames en heren, In het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Wet hervorming kindregelingen wil de LCR uw aandacht vragen voor een ernstige weeffout in de afstemming van dit wetsvoorstel met het eveneens bij u in behandeling zijnde wetsvoorstel maatregelen Wwb. Deze fout heeft grote financiële gevolgen voor alleenstaande ouders. In het kader van het wetsvoorstel maatregelen WWB worden de artikelen 20, 21, 22, 22a en 53a gewijzigd. Daarmee wordt de nu nog bestaande aparte aanvulling voor alleenstaande ouders in de bijstand afgeschaft en worden de normen voor een ‘alleenstaande’ en ‘alleenstaande ouder’ in de WWB gelijk. In plaats van de huidige aanvulling voor een alleenstaande ouder in de WWB zal in de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders worden voorzien door middel van een ‘alleenstaandeouderkop’ in het kindgebonden budget (wetsvoorstel hervorming kindregelingen). De Memorie van Toelichting zegt hierover het volgende: “De regering stelt voor om per 1 januari 2015 een alleenstaande-ouderkop in te voeren in het kindgebonden budget. Deze specifieke tegemoetkoming voor alleenstaande ouders zal bij invoering maximaal €2.800 per jaar bedragen. Dit bedrag is 400 euro per jaar lager dan de huidige aanvulling voor alleenstaande ouders in de minimumregelingen, en hoger dan het huidige fiscale voordeel voor werkende alleenstaande ouders op het minimum. Het verschil in specifieke inkomensondersteuning voor enerzijds werkende alleenstaande ouders en anderzijds niet-werkende alleenstaande ouders met een laag inkomen wordt hiermee weggenomen.” De regering vindt deze verlaging acceptabel, omdat hiermee de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders, werkend en niet werkend, gelijk getrokken wordt. Gewezen wordt op de armoedeval voor alleenstaande ouders die vanuit een bijstandsuitkering gaan werken. Door de financiële prikkel om te gaan werken sterker te maken wil de regering het aantrekkelijker maken om te gaan werken. De LCR vindt het verbazingwekkend dat de staatsecretaris van SZW inzet op armoede bestrijding voor gezinnen met kinderen en dat door datzelfde ministerie als gevolg van het wetsvoorstel hervorming kindregelingen eenoudergezinnen met kinderen hard worden getroffen. Deze wetswijzigingen pakken zeer nadelig uit voor de alleenstaande bijstandsouder. Vooral voor hen, die geen uitzicht hebben op een baan, zal deze inkomensachteruitgang hard aankomen. Vanaf 2015 doet het voor de bijstandnorm er niet meer toe of men kinderen heeft, terwijl de WWB wel wordt gezien als het laatste vangnet in de samenleving. Een deel van de sociale zekerheidswetgeving wordt vervangen door een inkomensafhankelijke toeslag. De LCR heeft grote twijfels bij deze verandering. De Belastingdienst/Toeslagen is de laatste tijd geregeld in het nieuws door grote fouten die gemaakt worden in de uitbetalingen. Het is dan ook uitermate zorgelijk dat een, voor een bijstandsouder belangrijke,

1


inkomensaanvulling van de gemeente naar de Belastingdienst overgeheveld wordt, terwijl de Belastingdienst de werkdruk niet lijkt aan te kunnen. Het gaat hier immers wel om de minst draagkrachtige doelgroep in de samenleving, die erg kwetsbaar is. Er nogal wat verschillen tussen de twee regelingen waar men mee te maken krijgt. De Wet op het kindgebonden budget uitgevoerd door de Belastingdienst/Toeslagen, terwijl de WWB door het college van B&W van de gemeente wordt toegekend. Behalve het feit dat een alleenstaande bijstandsouder in de nieuwe situatie afhankelijk zal worden van twee schillende instanties, worden de bedragen ook nog eens op een ander moment uitgekeerd. Aanspraak op het kindgebonden budget bestaat namelijk “met ingang van de kalendermaand na de maand waarin het kind is geboren dan wel tot het huishouden is gaan behoren tot en met de kalendermaand waarin het kind de leeftijd van 18 jaar bereikt”. Voor de WWB geldt daarentegen dat “indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan. De sociale zekerheid volgt dus altijd onmiddellijk nadat de (gewijzigde) omstandigheden zich voordoen, terwijl de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) een wijziging in omstandigheden die zich voordoet na de eerste dag van de maand, in aanmerking neemt vanaf de eerste dag van de daaropvolgende maand. Hierdoor ontstaat in de meeste situtaties een ‘gat’ in de inkomensondersteuning voor alleenstaande ouders met een laag inkomen. Een ander veel ingrijpender probleem is dat een alleenstaande ouder te maken krijgt met verschillende regelingen, waarbij sprake is van twee verschillende definities van ‘alleenstaande ouder’. Die verschillende definities worden door de wetgever niet op elkaar afgestemd. Doordat de ‘alleenstaande-ouderkop’ in het kindgebonden budget in de plaats komt van de aanvulling voor alleenstaande ouders in de bijstand krijgt een alleenstaande ouder in de bijstand, te maken met zowel de Wet kindgebonden budget als met de WWb als het gaat om de beoordeling of zij/hij een alleenstaande ouder is. Dat kan er toe leiden dat iemand in de ene regeling wel alleenstaande ouder is en in de andere niet. De regering erkent deze ongelijkheid maar zit geen reden tot aanpassing. Er is een groep van een paar duizend inwoners die in de bijstand een alleenstaande ouder is maar op grond van de Algemene wet inkomens afhankelijke regelingen een partner heeft. Zij lopen de toch al lagere alleenstaande-ouderkop mis. En dan speelt er ook nog het effect van de aanpassing van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering. Deze wijziging regelt dat de vastgelegde bepalingen van de beslagvrije voet na het vervallen van de norm voor alleenstaande ouders in de WWB op de juist manier blijven aansluiten op de WWB. Voor de uitkeringsgerechtigde is deze wijziging correct. Maar het gaat fout bij de werkende alleenstaande ouder. Voor hen wordt de beslag vrije voet afgeleid van de bijstandsnorm voor alleenstaanden. Terwijl het kindgebonden budget afhankelijk is van fiscale inkomen. Dit fiscale inkomen wordt niet verlaagd door de beslaglegging, dit is niet geregeld in het huidige wetsvoorstel. Iemand met een hoog inkomen die daardoor niet in aanmerking komt voor kindgebonden budget en als gevolg van loonbeslag een inkomen heeft ter hoogte van de beslagvrije voet van 90% alleenstaande norm komt nog steeds niet in aanmerking voor het kindgebonden budget. Er kleven dus nogal wat onvoorziene omstandigheden aan het wetsvoorstel, die zeer onwenselijk zijn voor alleenstaande ouders. De LCR verzoekt u dan ook dringend de ongewenste en onvoorziene effecten voor de alleenstaande bijstandsouder ongedaan te maken. Dit kan door de begrippen van beide regelingen op elkaar aan te laten sluiten. Indien een deel van de sociale zekerheidsregelingen overgeheveld wordt naar de fiscale

2


regelingen dient geregeld te worden dat niet de definitie van de fiscale regelingen, maar de definitie van de sociale zekerheidsuitkering leidend zijn, wanneer sprake is van tegenstrijdigheden. De alleenstaande bijstandsouder wordt dan niet de dupe van ongewenste effecten van de wetswijziging en niet geconfronteerd met een nadelige verschuiving van de doelgroep. Zij zijn immers, dat zegt ook de Memorie van Toelichting, de doelgroep die juist inkomensondersteuning het hardst nodig heeft en het meest ontzien dient te worden van de te treffen maatregelen. De LCR verzoekt u deze overwegingen te betrekken bij de behandeling van het wetsvoorstel maatregelen Wwb en het wetsvoorstel hervorming kindregelingen. Met vriendelijke groet, Gerrit van der Meer Voorzitter

3


Brief over toeslag