
3 minute read
Een Belgicisme in Overijssel
DOOR: HARRIE SCHOLTMEIJER
Geschiedenis van de taal in Overijssel
In 1874 publiceerde Pieter Heering, die van 1862 tot 1868 predikant in Steenwijkerwold was geweest, het verhaal Dagenvanspanning. Dat verhaal werd in 1883 opgenomen in de bundel Overijsselsche Vertellingen, die onlangs (2019) heruitgegeven is. Het onderwerp van het verhaal is zijn beroeping, inclusief de proefpreek, in de gemeente.
Er waren in totaal twaalf kandidaten, en een van de gemeenteleden blikt op de dag terug: ‘Toen die twaelf begosten te preken, toe docht mij zo, en ‘k ebbe ’t ook ezegd, ik zegge: Jongens, onze volk, let op: nu zal er iene bij wezen, die al de aeren de boas is.’ Dat woord begosten, met als betekenis ‘begonnen’, is merkwaardig. Spa noteert in zijn grammatica van het Steenwijkerwolds (2004) niet dat woord, maar het woord begunnen als verledentijd van beginnen. Ook andere grammaticale beschrijvingen van Noordwest-Overijsselse dialecten kennen het niet. Van der Haar, die een studie wijdde aan het Genemuidens van het begin van de 20ste eeuw, noteert voor zijn dialect begón(n). Maar relatief kort daarvoor, in 1882, schreef Hendrikus van Dalfsen, geboren en grtogen in Genemuiden, in zijn dialectverhaal Kraggenburg: ‘de toestand begos ’n bietien gunstiger te wörren’. Waar heeft hij dat begos vandaan? Niet uit Genemuiden zelf, want de kans dat dat dialect in nog geen twintig jaar overstapte van begost naar begon is klein. Overigens woonde Van Dalen in die tijd al niet meer in Genemuiden, en het kan zijn dat hij zich door andere bronnen liet inspireren. Misschien had hij het overgenomen van Heering, maar dan moet hij wel lezer van De Gids zijn geweest, waarin Dagen van spanning voor het eerst verscheen; de bundeling Overijsselsche Vertellingen kwam immers na de publicatie van het verhaal Kraggenburg. Maar zelfs als er van overname sprake is, hebben we nog niet het antwoord op een andere vraag, die automatisch opkomt: waar had Heering zijn begosten vandaan? Een dialectenquête die in de jaren tachtig van de vorige eeuw werd gehouden laat zien waar het voltooid deelwoord begosten, met -st- voorkomt (de verledentijdsvorm is niet afgevraagd, maar waarschijnlijk heeft de stam daarvan dezelfde eindmedeklinkers). Een kaartje op basis van dat materiaal is hier afgedrukt. De vorm begosten is een zuidelijk verschijnsel: Oost-Vlaanderen, Brabant en Limburg, sporadisch in West-Vlaanderen en de provincie Antwerpen. Tientallen, zo niet honderden kilometers van Steenwijkerwold verwijderd. Hoe kwam die vorm met -st dan in het verhaal van Heering terecht? Heering en ook Van Dalen waren met hun dialectschrijverij in Nederland pioniers. In die tijd, de negentiende eeuw, werd er bij ons nauwelijks in het dialect geschreven. Maar wel in Vlaanderen. Gezelle en Conscience schreven dan wel geen dialect, maar ze schrokken er ook niet voor terug om een woord uit de volkstaal in hun geschreven werk op te nemen. Heering, die in zijn verhalen schreef in het verre Nederlandse-Indië, zonder de mogelijkheid om zijn dialect in Steenwijkerwold te verifiëren, zal in die Vlaamse auteurs een voorbeeld hebben gezien – en ze in een enkel woord iets te letterlijk hebben overgenomen.

Kaart: begonnen (voltooid deelwoord) De arceringen geven aan waar in dat woord -st- voorkomt (bron: www.meertens.knaw.nl/mand/database
Literatuur
• Heering, P. (20195) Overijsselse Vertellingen. Ingeleid en hertaald door Dr. H. Scholtmeijer. Tuk: Sens Uitgevers (oorspronkelijk Overijsselsche Vertellingen, 1883).
• Spa, J. (2004), De dialecten van Kallenkote, Steenwijk en Steenwijkerwold. Klank- en vormleer. Kampen: IJsselacademie.
• Dalen, H. W. van (1882) Kraggenburg. In: Joh. A. Leopold en L. Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel. Nederduitsche gedichten in dicht en ondicht, deel 1. Groningen: Wolters, p. 572-580.
• Haar, D. van der (1967), Gællemuun en ‘et Gællemunegers. Nijmegen: Thoben.






