Issuu on Google+

Openbaar onderwijs in de vroege kerk Onderzoek naar het type onderwijs dat gegeven werd aan christelijke kinderen in het Romeinse Rijk

Š J.M. Pauw, 2005


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Inhoudsopgave

INHOUDSOPGAVE ............................................................................................................................................. 3 INLEIDING ........................................................................................................................................................... 4 HOOFDSTUK 1: WERELDVERZAKING ........................................................................................................ 5 Vooropmerkingen .......................................................................................................................................... 5 Spectrum ........................................................................................................................................................ 6 Houding ten opzichte van de cultuur en maatschappij .......................................................................................... 6 Houding ten opzichte van de staat ......................................................................................................................... 8 Het midden ............................................................................................................................................................ 9

Conclusie ..................................................................................................................................................... 10 HOOFDSTUK 2: REDENEN OM OPENBAAR ONDERWIJS AL DAN NIET TE VERMIJDEN .......... 11 Vooropmerkingen ........................................................................................................................................ 11 Verbondenheid onderwijs en religie ............................................................................................................ 12 Aanstootgevende elementen in het onderwijs .............................................................................................. 13 Thuisonderwijs of bijzonder, christelijk onderwijs ...................................................................................... 14 Conclusie ..................................................................................................................................................... 15 HOOFDSTUK 3: CHRISTELIJKE LEIDERS OVER SECULIER ONDERWIJS ..................................... 16 Niet eenduidig.............................................................................................................................................. 16 Conclusie ..................................................................................................................................................... 17 CONCLUSIE ....................................................................................................................................................... 18 BIBLIOGRAFIE ................................................................................................................................................. 19

3


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Inleiding Het christendom ontstaat in de tijd van het zogenoemde Hellenisme. Vanaf het begin brengt dit potentiële conflicten met zich. Zo was de hellenistische cultuur doordrongen van het polytheïsme en het syncretisme. Een ander potentieel conflict was het radicale verschil tussen de normen en waarden die de christenen aan de christelijke leer ontleenden – voor zover je in het begin al over een christelijke leer kunt spreken – en de ‘goddeloze’ leefwijze van de, in de ogen van de christenen, heidense maatschappij. De christenen stonden voor de uitdaging om hun christelijke identiteit gestalte te geven temidden van een ‘heidense’ wereld. De vraag is: hoe deden zij dat? Hoe onderscheidden zij zich van nietchristenen? Is er sprake van wereldverzaking door zich te distantiëren van de ‘heidense’ wereld, of participeerden zij daar volop in? In deze paper zal ik mijn aandacht vooral richten op het onderwijs aan kinderen. Is hier sprake van wereldverzaking, in die zin dat christelijke ouders hun kinderen niet naar openbare scholen lieten gaan, of volgden christelijke kinderen gewoon hetzelfde onderwijs als hun niet-christelijke leeftijdsgenoten? De aanleiding voor deze vraag ligt in een boeiend artikel over het onderwijs in de vroege keizertijd, van de hand van J.T. Townsend deze vraag. Hij schrijft: ‘Hellenistic schools as the educational institutions of a pagan society were inseparably associated with pagan religion. (…) In view of the religious affiliation of the pagan schools, one should expect that the Christians would have avoided them, but such was never the case. Christians attended pagan schools as long as they lasted.’1 Omdat deze laatste opmerking inderdaad tegen de verwachting ingaat en Townsend deze opmerking ook niet toelicht, verdient deze opmerking nader onderzoek. Daarom luidt de hoofdvraag in deze paper: In hoeverre was er bij christelijke ouders in de eerste drie eeuwen van het christendom sprake van wereldverzaking t.a.v. het onderwijs van hun kinderen? Om deze vraag te onderzoeken, zal het eerste hoofdstuk ingaan op het fenomeen wereldverzaking in het algemeen. Bekend zijn de extreme gevallen, waarin kluizenaars systematisch elk contact met de wereld probeerden te vermijden. Het zal echter blijken, dat wereldverzaking in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling in veel minder rigoureuze mate voorkwam. Het eerste hoofdstuk vormt daarmee een opmaat voor het tweede hoofdstuk, waarin de meer specifieke vraag centraal zal staan in hoeverre het Romeinse schoolonderwijs in de eerste drie eeuwen van onze jaartelling voor christenen aanleiding gaf om dat onderwijs te mijden. Na het derde hoofdstuk, waarin ik inga op de visie van enkele kerkvaders, zal ik mijn hoofdvraag met een conclusie beantwoorden.

1

J.T. Townsend, ‘Ancient Education in the Time of the Early Roman Empire’ in: S. Benko en J.J. O’Rourke, The

Catacombs and the Colosseum. The Roman Empire as the Setting of Primitive Christianity (Valley Forge, 1971) 149. 4


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Hoofdstuk 1: Wereldverzaking Christenen vormden in het Romeinse rijk een aparte categorie mensen. Net als de Joden verwierpen ze het polytheïsme, maar tegelijkertijd distantieerden zij zich al snel van het Jodendom. Daarmee vielen ze tussen de wal van de officiële staatsgodsdienst en het schip van de Joodse religio licita en werden ze door velen als sektarische dissidenten beschouwd.2 Meestal wist men ook niet het fijne van die christenen en hun levensstijl.3 Dergelijke gegevens suggereren, dat die christenen hun leven als het ware verborgen. In andere woorden: zij distantieerden zich wellicht van de maatschappij. Maar in hoeverre berust deze suggestie op de werkelijkheid? In hoeverre was een dergelijke wereldverzaking aan de orde bij de christenen uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling? Vooropmerkingen Voordat we op de genoemde vraag ingaan, moet ik eerst enkele preliminaire opmerkingen maken. In de eerste plaats betreft dat onze bronnen over de periode die in deze paper aan de orde is. Die zijn niet alleen erg schaars,4 maar in veel gevallen ook sterk ideologisch gekleurd. Zo zijn veel bronnen strijd-, pleit- en verweerschriften en hebben ze derhalve vaak een sterk subjectief karakter. In de tweede plaats mogen wij het christelijk gedachtegoed van de eerste christelijke generaties niet zonder meer gelijkstellen aan de christelijke leer zoals die in het Nieuwe Testament wordt uiteengezet. Het Nieuwe Testament fungeerde namelijk niet vanaf het begin als een geautoriseerde eenheid en ook duurde het enige tijd voordat alle boeken van het Nieuwe Testament algemeen bekend waren.5 Op dezelfde lijn ligt ook de vraag in hoeverre de teksten uit het Nieuwe Testament representatief zijn voor het vroege christendom als geheel. Cadoux gaat mijns inziens te ver als hij ten aanzien van Paulus’ brieven schrijft: ‘And his writings (…) reflect also in very large measure the normal

2

Dat dit een veel voorkomende karikatuur is, blijkt uit het feit dat deze karikatuur door de christelijke apologeten uit

de 2e eeuw verschillende keren aan de kaak is gesteld. Vgl. Athenagoras, Apologia, 31-36 (vert. G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras (Kampen, 1986) 156-163). 3

Dat blijkt wel in tijden van vervolging, waarin christenen alleen al omdat ze de naam ‘christen’ droegen, terecht

gesteld; zie bijv. Justinus, Apologia 1.4.1-9 (vert. G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras (Kampen, 1986) 23-24), maar ook Plinius Minor, Epistulae 10.96 (vert. T. Peters, Plinius de Jongere. De brieven (Amsterdam, 2001) 365-367). 4

Vgl. A.S. Jacobs and R. Krawiec, ‘Fathers Know Best? Christian Families in the Age of Asceticism’ Journal of Early

Christian Studies 11 (2003) 258-259. 5

Zie over dit proces van canonvorming G. van de Brink, Van koine tot canon. De overlevering van het Griekse Nieuwe

Testament (Zoetermeer, 1995) 5


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Christian sentiments of the time’.6 Dit doet geen recht aan de grote diversiteit die het vroege christendom al snel kenmerkt. Bovendien is onze informatie over de naleving van de apostolische traditie zeer schaars tot nihil. Niettemin zijn de teksten uit het Nieuwe Testament wel producten uit het vroege christendom vanaf de tweede helft van de 1e eeuw. En als zodanig laten ze toch iets zien van de gedachten die blijkbaar leefden binnen dat vroege christendom, gedachten die in de loop van de tijd steeds meer gezaghebbend werden. In de derde plaats is er een discrepantie tussen de christelijke ethiek, zoals die uit christelijke bronnen naar voren komt, en de daadwerkelijke moraal van hen die zich christen noemen.7 Dit heeft consequenties voor het spectrum, dat hieronder beschreven zal worden. Tenslotte moet gewezen worden op het geringe aantal christenen in het Romeinse rijk. Het christendom wordt doorgaans terecht beschreven als een zich zeer snel uitbreidende religie. Maar K. Hopkins heeft de aandacht erop gevestigd, dat dit nog niets zegt over het absolute aantal christenen in het rijk, dat wel snel groeide, maar zeker in de eerste drie eeuwen toch een duidelijke minderheid van de bevolking vertegenwoordigde.8 Dit heeft implicaties voor bijvoorbeeld de behoefte aan specifiek christelijk onderwijs. Hier kom ik in het volgende hoofdstuk op terug. Spectrum In een oude, maar door haar grondigheid nog steeds verdienstelijke studie naar de verhouding tussen de vroege kerk en de ‘wereld’,9 merkt C.J. Cadoux op dat de ‘general attitude of Christian people to the heathen society around them’ voortdurend beweegt tussen twee extremen: separatie en associatie.10

Houding ten opzichte van de cultuur en maatschappij Bij separatie moeten we in dit stadium van het christendom nog niet denken aan de legendarische verhalen over christelijke kluizenaars, die we vooral in de vierde tot de zesde eeuw na Chr.

C.J. Cadoux, The Early Church and The World. A History of The Christian Attitude to Pagan Society and The State Down to

6

The Time of Constantinus (Edinburgh, 1955) 68-69. Vgl. L.E. Keck, ‘Das Ethos der frühen Christen’, in: W.A. Meeks (ed.), Zur Soziologie des Urchristentums (München,

7

1979) 19-22. 8

K. Hopkins, ‘Christian Number and Its Implications’, Journal of Early Christian Studies 6:2 (1998) 185-226. Vgl. R.M.

Grant, Early Christianity and Society. Seven Studies (New York/Hagerstown/San Francisco/London, 1977) 1-12. 9

Als in deze paper ‘wereld’ tussen aanhalingstekens staat, bedoel ik daarmee de niet-christelijke wereld, die vanuit het

perspectief van de vroege christen als zondig en heidens werd beschouwd. 10

Cadoux, a.w., 161. 6


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

aantreffen.11 Toch zijn er redenen om aan te nemen dat er christenen waren die een grote mate van distantie in acht namen ten opzichte van de ‘wereld’. Verschillende, met name de wat latere brieven uit het Nieuwe Testament spreiden een uiterst negatieve visie ten toon ten opzichte van de ‘wereld’, die als vijandig wordt afgeschilderd.12 Zo vermaant de apostel Jakobus de christenen onomwonden: ‘Beseft u dan niet dat vriendschap met de wereld vijandschap jegens God betekent? Wie bevriend wil zijn met de wereld, maakt zich tot vijand van God.’13 En elders: ‘Heb de wereld en wat in de wereld is niet lief. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.’14 De apostel Paulus roept om diezelfde reden de christenen in Rome op om zichzelf niet aan ‘aan te passen aan deze wereld’.15 Uit dergelijke passages blijkt, dat het fenomeen wereldverzaking binnen het vroegste christendom sterk gepropageerd werd en dus in elk geval in potentie aanwezig was.16 Deze negatieve houding ten opzichte van de ‘wereld’ komen we niet alleen tegen in het Nieuwe Testament, maar ook in latere geschriften, zoals in de apocriefe Handelingen van Thomas17 en bij kerkvaders als Clemens van Alexandrië.18 Maar nu de praktijk. In hoeverre gaven de christenen ook daadwerkelijk gehoor aan de apostolische voorschriften? Volgens Athenagoras gingen de christenen niet naar de gladiatorenspelen en ook niet naar de dierengevechten, omdat het verbod om te doden met voeten getreden werd.19 In het verlengde hiervan kun je ook verwachten dat de christenen zich aan de oorlog en dus ook aan het leger onttrokken zullen hebben.20 Maar niet alleen het theater, 11

P.W. van der Horst, De Woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom (Amsterdam, 1998) 11.

Dit boek geeft een aantal van deze legendarische verhalen in vertaling, elk voorafgegaan door een inleiding op de tekst. 12

Merk op dat het in de teksten die in deze paragraaf worden geciteerd (op een enkele uitzondering na), gaat om

normatieve, of prescriptieve teksten die geenszins de daadwerkelijke realiteit beschrijven. Niettemin is het wel degelijk christelijk gedachtegoed en in elk geval als zodanig betrouwbaar bronmateriaal. 13

Jakobus 4.4 (alle passages uit het Nieuwe Testament komen uit de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV – 2004)). Anderzijds

geldt dat wie God liefheeft, door de wereld wordt gehaat, Johannes 15.18-19, vgl. 1 Johannes 3.13. 14

1 Johannes 2.15.

15

Romeinen 12:2.

16

In potentie, want de geciteerde passages zijn niet descriptief, maar prescriptief. Al laten zij zien wat de norm was,

wij weten daarmee nog niet in hoeverre die norm ook daadwerkelijk in praktijk gebracht werd. 17

De verhalen in dit gnostische werk, dat dateert uit het begin van de 3e eeuw, propageren een ‘ascetic, migratory,

solitary life’; W.A. Meeks, The Origins of Christian Morality. The First Two Centuries (New Haven/London, 1993) 55. 18

R. MacMullen, Changes in the Roman Empire (Princeton, 1990) 142: ‘Here more than anywhere else we find extended

discussion of how Christians ought to live: they should avoid wine, dancing, the theatre, loose badinage, cosmetics, primping, jewelry, finery …’. 19

Athenagoras, Apologia, 35 (vert. G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras

(Kampen, 1986) 161). 20

Vgl. Cadoux, a.w., 189-190. G.P. van Itterzon, Kalender van de kerkgeschiedenis (Kampen, 1963) 23 noemt verder nog

een aantal beroepen die door christenen gemeden werden, zoals ‘gladiatoren, toneelspelers, kunsthandwerklieden’. 7


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

ook ‘the circus, the race-course, the contest of athletes, the water-organs and the dances’ werden door sommigen beschouwd als zaken die christenen behoorden te mijden.21 Ook namen de christenen geen deel aan de goden- en keizerverering.22 Aan de andere kant van het spectrum treffen we echter christenen aan, die juist géén grote distantie in acht namen ten opzichte van de ‘heidense’ maatschappij. De christenen waren blijkbaar niet allemaal heiligen, integendeel. We zien hier dat de christelijke ethiek behoorlijk kan afwijken van de daadwerkelijke moraal van hen die zich christenen noemen. We vinden hiervoor opnieuw aanwijzingen in de brieven van het Nieuwe Testament. Daar wordt nogal eens gewaarschuwd tegen losbandigheid. Ongetwijfeld heeft dat als reden, dat er binnen de christelijke gemeenten aanleiding was om hiertegen te waarschuwen. Zo is losbandigheid en ontucht binnen de gemeente (mede) aanleiding geweest tot het schrijven van de Judasbrief.23 Laistner wijst op de hardnekkigheid waarmee het oude volksgeloof soms net bekeerde christenen in zijn greep houdt, met name op het platteland en onder de lagere klassen van de bevolking.24 Ook als wij naar de vroegchristelijke kunst in de christelijke catacomben kijken, merken we dat daar ten opzichte van de ‘heidense’ cultuur helemaal geen grote distantie in acht genomen wordt. Er is juist een tendens om die heidense cultuur zoveel mogelijk te integreren binnen de christelijke cultuur, als je daar al van kunt spreken. Scènes uit het Oude Testament gaan harmonieus samen met mythologische thema´s en voorstellingen.25

Houding ten opzichte van de staat Ook in de houding van de vroege christenen ten opzichte van de staat en de overheid zijn deze twee uitersten waarneembaar. Aan de ene kant treffen we in de boeken van het Nieuwe Testament 21

M.L.W. Laistner, Christianity and Pagan Culture in the Later Roman Empire (New York, 1978) 7. Er zijn zelfs

kerkleiders geweest die elke vorm van publiek vermaak afwezen, als zijnde een vorm van afgoderij. Aldus Cyprianus, geciteerd in G.L. Ellspermann, The Attitude of the Early Christian Latin Writers Toward Pagan Literature and Learning (Washington, 1949) 48. 22

Athenagoras, Apologia 13-14 (vert. G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras

(Kampen, 1986) 124/126); vgl. Justinus, Apologia 1.9-10 (vert. G.J.M. Bartelink, Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras (Kampen, 1986) 27-29). Zie voor het weigeren van het offeren voor de keizer Plinius Minor, Epistulae 10.96 (vert. T. Peters, Plinius de Jongere. De brieven (Amsterdam, 2001) 365-367). 23

Zie E. Lohse, Die Entstehung des Neuen Testaments (Stuttgart/Berlin/Köln, 1991) 134. Mogelijk is hier sprake van

polemiek tegen de gnostici, zoals Lohse suggereert. Bepaalde gnostische groeperingen legden zoveel nadruk op het geestelijke leven, dat het lichamelijke er helemaal niet meer aan toe deed, hetgeen leidde tot immoraliteit. Niet iedereen is het er echter over eens, dat in de Judasbrief het gnosticisme wordt voorondersteld, omdat dit een stroming is die pas opkomt in de tweede eeuw; zie D.A. Carson (e.a.), An Introduction to the New Testament (Leicester, 1994) 462. 24

Laistner, a.w., 6-7.

25

W.H.C. Frend, The Rise of Christianity (London, 1984) 414-421. 8


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

een loyale houding aan ten opzichte van de overheid, terwijl we anderzijds ook een sterke antipathie tegenkomen ten opzichte van de Romeinse staat.26 In Markus 12.7 geeft Jezus op een strikvraag van zijn tegenstanders, de Farizeeën, of ze ook belasting moeten betalen, het ontnuchterende antwoord: ‘Geef wat van de keizer is aan de keizer, en geef aan God wat God toebehoort’. Ook Paulus roept op om nota bene de Romeinse overheid te gehoorzamen, omdat ‘er geen gezag is dat niet van God komt’.27 Behalve deze prescriptieve informatie, weten wij ook dat dezelfde apostel Paulus zich op een gegeven moment als Romeins burger in een rechtzaak op de keizer van Rome heeft beroepen, waarna hij ook daadwerkelijk naar Rome werd getransporteerd.28 In de latere boeken zien we daarentegen een negatievere houding ten opzichte van de Romeinse overheid en de staat. In grote mate zien we dit in de Openbaring van Johannes, waar de Romeinse staat metaforisch ‘de grote hoer Babylon’ wordt genoemd.29 De houding van de christenen ten opzichte van de staat werd wellicht dominant beïnvloed door de plicht om de keizer te aanbidden. Dit was voor vastberaden christenen een bevel dat onmogelijk gehoorzaamd mocht worden. We zien in de reeds genoemde brief van Plinius aan Trajanus, dat we ook in dezen een tweedeling aantreffen tussen christenen die liever stierven dan dat ze de keizer goddelijke eer bewezen en tussen christenen die uit angst voor de dood bezweken voor de eis.30 Aanvankelijk bekleedden christenen geen politieke functies.31 Dit is goed te verklaren vanuit het feit dat de christenen in het begin voornamelijk uit de lagere klassen van de bevolking afkomstig waren. De eerste christenen meden de politiek dus niet, ze kwamen er gewoonweg niet voor in aanmerking.32

Het midden Zoals dat doorgaans het geval is met een spectrum, vormen de twee uitersten het kader voor een omvangrijk midden. Hoewel we over de grootte van dit midden niet zoveel kunnen zeggen, is het wel aannemelijk om te veronderstellen dat het gros van de vroege christenen zich tussen de hierboven geschetste uitersten bevonden. Uitgaande van de christelijke ideologie van een (eeuwig) leven na de dood, ligt het voor de hand om te veronderstellen dat de meeste christenen 26

Vgl. Frend, a.w., 148-151.

27

Romeinen 13.1-7.

28

Handelingen 25-28.

29

Openbaring 18-19.

30

Plinius Minor, Epistulae 10.96 (vert. T. Peters, Plinius de Jongere. De brieven (Amsterdam, 2001) 365-367).

31

Cadoux, a.w., 174.

32

Het verdient een apart onderzoek om na te gaan wanneer het christendom de elite wel begint te bereiken en welke

impact een bekering tot het christendom in dat geval heeft gehad op het blijven uitoefenen van politieke functies. 9


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

een zekere distantie in acht namen ten opzichte van de ‘heidense’ wereld, daarmee gehoorgevend aan het devies ‘wel in de wereld, maar niet van de wereld’ en beantwoordend aan de status van de christen als vreemdeling op aarde.33 K.O. Gangel en W.S. Benson stellen dat ‘the early Christians did not usually withdraw from the world. Christians were found in every walk of life, but there was a reticence to get involved in public life and accept public office’.34 Dit is echter maar de vraag als je bedenkt dat het Romeinse leven gedrenkt was in religie. Terecht merkt R. MacMullen in zijn beschrijving van het ‘paganism in the Roman Empire’ op, dat er in de tijd van de apologeten (ca. 2e eeuw van onze jaartelling) eigenlijk geen ‘formal social life’ bestond ‘that was entirely secular’.35 Maar hoe leefden de christenen dan zonder zich te ‘besmetten’ met het Romeinse polytheïsme? Uiteraard deden de christenen niet mee aan religieuze activiteiten als goden- en keizerverering, maar hoe zit dat met het gewone dagelijkse leven als veel dagelijkse activiteiten volgens MacMullen in feite (semi-)religieuze activiteiten zijn? Hadden de christenen contact met hun niet-christelijke buren, buurtgenoten, etc. of meden ze dat contact zoveel mogelijk? Het verleden geeft ons hierop helaas geen antwoord, behalve mogelijk impliciet: zo suggereert de snelle groei van het christendom juist intensieve contacten met andersdenkenden, maar anderzijds suggereert de geringe mate van bekendheid met christelijke gewoonten het tegendeel. Conclusie Wat we duidelijk zien, is dat het fenomeen wereldverzaking binnen het christendom van de eerste drie eeuwen op verschillende niveaus aanwezig is. We zien het nog niet in de extreme variant van de kluizenaar, maar wel in minder rigoureuze mate. Zowel ten opzichte van de ‘heidense’ cultuur en maatschappij, als ten opzichte van de staat en de overheid. Toch moeten we hier met nuances spreken, omdat we te maken hebben met een spectrum van twee uitersten met daar tussenin wellicht een brede middenweg. Het ene uiterste ligt in de nadruk op het ‘niet van de wereld’ van toegewijde christenen, terwijl het andere uiterste de aandacht vestigt op christenen die wel de naam christen dragen, maar zich die naam niet waardig maken of die naam in tijden van vervolging zelfs verloochenen en opgeven. Het blijkt moeilijk te zijn om concreet iets te zeggen over het normale, dagelijkse leven van de christenen in de vroege keizertijd.

33

Vgl. Johannes 17.11,16, Hebreeën 13.14, 2 Petrus 3.13.

34

K.O. Gangel and W.S. Benson, Christian Education: Its History and Philosophy (Chicago, 1983) 81.

35

R. MacMullen, Paganism in The Roman Empire (New Haven/London, 1982) 40. 10


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Hoofdstuk 2: Redenen om openbaar onderwijs al dan niet te vermijden We hebben gezien dat wereldverzaking aan de eerste christenen niet vreemd was. Het ligt dan ook voor de hand om te veronderstellen, dat dit zich ook zou uiten in het onderwijs van christelijke kinderen. Ofwel, het ligt voor de hand om te veronderstellen, dat met de opkomst van het christendom ook wel christelijke scholen zouden ontstaan en als dat niet het geval is, dat het onderwijs misschien thuis of binnen de christelijke gemeenschap plaats zou vinden. Om deze veronderstelling te toetsen, ga ik in dit hoofdstuk na of en zo ja, welke redenen christenen hadden om het gewone, reguliere onderwijs te mijden. Waren er wellicht aanstootgevende elementen in het onderwijs, of misschien zelfs onoverkomelijke bezwaren? Vooropmerkingen Als we ons gaan bezighouden met de houding van christenen jegens seculier onderwijs, dienen we eerst te beseffen dat de mate van literacy in de oudheid niet erg hoog was. Dit geldt nog steeds voor de eerste drie eeuwen van het christendom, al neemt de geletterdheid op tal van plaatsen tijdens de Romeinse regering wel degelijk toe.36 Als we deze geringe mate van geletterdheid combineren met de al genoemde minderheidspositie van de christenen, dan zullen veel christenen niet eens in aanmerking zijn gekomen voor onderwijs in de bestaande scholen. K. Hopkins komt met een schatting dat er rond het jaar 100 zo’n 420 volwassen christenen waren, die in bepaalde mate konden lezen en schrijven.37 Dat komt neer op een 6% op een geschat totaal van 7000 christenen in het hele Romeinse rijk. Hopkins geeft zelf aan dat dit een schatting is op basis van interpolatie van zeer schaarse getallen. Hij oppert de mogelijkheid ‘that early Christians were disproportionately literate’, maar is daar niet van overtuigd.38 Hij wijst op de ontwikkeling van het fenomeen lector (voorlezer) in de vroege kerk, wat volgens hem ‘suggests that most believers could not read, and had the text read to them’. Dit overtuigt mij echter niet, omdat de opkomst van de lector ook (zeker voor een goed deel) verklaarbaar is vanuit het feit, dat niet iedereen over het hele corpus van bijbelse teksten kon beschikken, eenvoudigweg omdat dit te duur was.

36

Zie bijvoorbeeld W.V. Harris, Ancient Literacy (London, 1989) die op zo’n 5-10% van de bevolking komt. Hopkins

schat op een 10-20% van de mannelijke bevolking, waarbij een veel lager percentage van de vrouwelijke bevolking het totaalpercentage weer naar beneden trekt; Hopkins, a.w., 208. 37

Hopkins, a.w., 211.

38

Hopkins, a.w., 210. 11


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Ik zie weinig reden om de mate van geletterdheid onder christenen lager te schatten dan onder niet-christenen. Het christendom heeft immers in elk geval meer dan een minimum en bij voorkeur meer aan geletterdheid nodig om zich in stand te houden en zich zo snel te verspreiden als het heeft gedaan.39 Eerder om het hoger te schatten. In tegenstelling tot de Romeinse godsdiensten, is het christendom een religie van het boek, evenals het Jodendom. De bijbelse teksten hadden een centrale plaats in het leven van de meeste christenen als (goddelijke) inspiratiebron voor hun leven.40 Dit blijkt wel uit de ‘continuous production of pious books’.41 Niettemin is nog steeds het overgrote deel van de Romeinse bevolking – en onvermijdelijk ook van de christelijke populatie daarbinnen – ongeletterd. De conclusie die we hieruit moeten trekken, is dat het aantal potentiële christelijke schoolgaande kinderen zeer klein is. Verbondenheid onderwijs en religie Een van de eerste dingen die opvallen bij het lezen van literatuur over het onderwijs in de oudheid, is dat de literatuur nogal eenduidig is over het religieuze gehalte van het openbare onderwijs. Zoals het hele leven van de Romeinen met religie doortrokken was, zo ook het onderwijs. ‘The gods were also a persistent presence in schools,’ aldus R.L. Fox.42 Op welke wijze? Fox wijst in de eerste plaats op de vele religieuze festivals ‘[which] were school holidays and their cults a companion to the rhythm of the school year. (…) the students were often expected, and even compelled, to take part in pagan religious festivals.’ Nu is het echter de vraag in hoeverre deze Romeinse festivals ook tot het eigenlijke schoolonderwijs behoorden. Als dit voor de leerlingen de (enige) ‘holidays’ waren, dan mag je verwachten dat ze ook daadwerkelijk vrij waren. In de praktijk zal het er vaak op neerkomen, dat de kinderen ook met die festivals meededen, maar voor christenen moet het mogelijk zijn geweest om dat niet te doen. Overtuigde christenen hadden een grote afkeer van zulke festivals, wat blijkt uit de uiterst negatieve waardering in diverse christelijke bronnen uit de 2e en 3e eeuw.43 Het ligt in de lijn van de verwachting, dat christelijke ouders hun kinderen niet naar zulke religieuze festivals lieten gaan. De keren, dat kinderen door de school werden verplicht

39

Vgl. G.L. Ellspermann, a.w., 1 noot 2.

40

Harris, a.w., 298: ‘In matters of religion, however, writtetn words continued to gain importance, in a trend already observable in the

second century’. Omdat deze trend met name zichtbaar is in het christendom, gaat Harris daar in ‘what may seem disproportionate detail’ op in. 41

Harris, a.w., 300. Dit zijn niet alleen literaire hoogstandjes, maar ook eenvoudige teksten wellicht uit lagere klassen

van de christelijke bevolking. 42

R.L. Fox, Pagans and Christians (London, 1986) 83. Vgl. Townsend, a.w., 149: ‘Hellenistic schools as the educational

institutions of a pagan society were inseparably associated with pagan religion’. 43

Zie R. MacMullen, Paganism in the Roman Empire (New Haven/London, 1981) 40 en noot 31 voor meer

verwijzingen. 12


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

om deze bij te wonen, zullen eerder uitzondering dan regel zijn.44 Temeer daar er in de Romeinse tijd geen leerplicht bestond, zodat het – zelfs bij ‘verplichtingen’ – veel gemakkelijker was om te ‘spijbelen’ of om je kinderen thuis te houden dan dat in onze tijd het geval is. In extreme gevallen konden christenen er altijd nog voor kiezen om hun kinderen definitief van school te halen en de onderwijstaak zelf op zich te nemen of aan vertrouwde mensen toe te vertrouwen.45 Het is mogelijk, dat leerlingen ‘geacht werden’ om deel te nemen aan deze religieuze activiteiten, maar dat zal eerder een algemene verwachting zijn geweest, omdat ‘iedereen’ dat nu eenmaal doet, dan een specifieke opdracht.46 Aanstootgevende elementen in het onderwijs Townsend wijst in zijn artikel op het gegeven dat de oefeningen bij lichamelijk onderwijs naakt werden uitgevoerd.47 Voor zowel Joden als christenen zal dit aanstootgevend zijn geweest. Maar dit was vooral in de Griekse wereld gebruikelijk. In het Romeinse rijk was men veel terughoudender in sport, dat bovendien steeds meer naar het terrein van de professionals verschoof.48 Dit was voor de Romeinse christenen dus niet zozeer reden om het openbare onderwijs te mijden. Belangrijker is de inhoud van het lesmateriaal, dat werd gevormd door de klassieken, die in veel opzichten niet strookten met de christelijke moraal. De christenen stonden voor de prangende vraag: in hoeverre mag een christen zich met deze ‘heidense’ werken bezig houden?49 En dat niet alleen, de leerlingen werden erin gedrenkt, door die teksten te lezen en te schrijven, uit het hoofd te leren, te becommentariëren, etc. Het is dan ook niet overdreven als Townsend schrijft: ‘This concentration on certain classical works tended to mold a man’s thinking for the rest of his life.’50 In de literatuur ben ik nergens de oplossing van de allegorische uitleg tegengekomen, zoals dat in de Middeleeuwen door christenen werd gepraktiseerd bij het lezen van (immorele) klassieke literatuur.51 Dit is ook in zoverre begrijpelijk, dat deze wijze van lezen en interpreteren van jonge 44

Fox beroept zich op M.P. Nilsson, Die Hellenistische Schule (München, 1955) en H.I. Marrou, Histoire de l’éducation

dans l’antiquité (Paris, 1948), die echter beiden spreken over Griekse scholen in Griekenland. W. Jentsch, Urchristliches Erziehungsdenken: Die Paedeia Kyriu im Rahmen der hellenistische-jüdischen Umwelt (Gütersloh, 1951), die hij als derde bron citeert, heb ik niet kunnen raadplegen. 45

Zie Origenes, Contra Celsum 3.55-58, besproken in Harris, a.w., 302.

46

Dat dit inderdaad gebruikelijk was, valt af te leiden uit Tertullianus’ geschriften; zie Ellspermann, a.w., 34. Uit zijn

woorden volgt echter niet, dat er ook de verplichting toe was. 47

Townsend, a.w., 143.

48

Marrou, a.w., 338.

49

Ellspermann, a.w., 7.

50

Tonwsend, a.w., 146.

51

Vgl. O. van Marion, ‘Ovidius’ Heldinnenbrieven’, in: K. Enenkel en P. van Heck (eds.), De mensen van vroeger, de hoven

van weleer. Over de receptie van de klassieken in de Europese literatuur (Voorthuizen, 2001) 164-167. 13


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

kinderen niet verwacht mag worden. Allegorese is overigens wel een middel geweest voor de vroege christenen (alsook voor de Joden) om de kloof tussen de ‘heilige Schriften’ en de ‘heidense’ literatuur zoveel mogelijk te slechten.52 Maar ten aanzien van het onderwijs van kinderen werd het, voor zover ik kon nagaan, niet gebruikt om de moraal van de klassieken tot op christelijk aanvaardbaar niveau op te krikken. Maar als het curriculum op de openbare scholen bestond uit ‘heidense’ lectuur, hoe konden christenen dan hun kinderen (laten) onderwijzen in de christelijke moraal en zo gehoor geven aan de opdracht van Jezus Christus om de kerk te onderwijzen?53 Gangel en Benson maken aannemelijk, dat dit onderwijs plaats had op twee plaatsen: in de christelijke samenkomsten en thuis. Als christelijke kinderen gewoon naar de openbare scholen gingen, vormde dit thuisonderwijs wellicht een welkome tegenhanger van het openbare onderwijs.54 Thuisonderwijs of bijzonder, christelijk onderwijs Een knipoog naar het Jodendom roept bij mij echter de vraag op of niet al het onderwijs binnen het christelijke gezin plaats kon vinden. In het Jodendom kwamen scholen pas heel laat in zwang, onder andere omdat met name het primaire onderwijs een taak van de ouders was.55 En hoewel het onderwijs technisch niet zoveel verschilde van het hellenistische onderwijs, was de inhoud wel degelijk anders: de Joden onderwezen hun kinderen uit en aan de hand van de Thenach, het Hebreeuwse Oude Testament.56 Mede omdat het christendom haar wortels in het Jodendom heeft, lag het voor de hand, dat de christenen dit private ‘schoolsysteem’ zouden overnemen, zeker vanuit het perspectief hier op aarde vreemdeling te zijn en te meer daar het openbare onderwijs vol afkeurenswaardige elementen zat. Inderdaad zagen we dat het religieuze onderwijs bij christenen thuis plaats vond of in de samenkomsten.57 Maar ik krijg de indruk dat het hier uitsluitend om moreel en religieus onderricht ging.58 Tegen de tijd dat ze naar de openbare school gingen, hadden ze thuis en in de 52

Zie Encarta Encyclopedie Basiseditie Winkler Prins (2001), onder ‘Alexandrijnse school’.

53

Zie Matteüs 28.19-20: ‘Ga dus op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van

de Vader en de Zoon en de heilige Geest, en hun te leren dat ze zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb.’ 54

Op dit thuisonderwijs kom ik straks nog terug.

55

Townsend, a.w., 154.

56

Gangel and Benson, a.w., 80:‘Jewish education was all-encompassing religious education. The Scriptures were the only textbook, all

primary education was preparation for reading the Book, and all higher education was concerned with the reading and study of the law.’ 57

Vgl. Marrou, a.w., 416-417.

58

Gangel and Benson, a.w., 88-91 spreekt over onderwijs in christelijke scholen, maar dit betreft religieus onderwijs

voor zogenoemde catechumenen (mensen die onderwezen worden in de christelijke leer en zich zodoende voorbereiden op een volwaardig lidmaatschap van de christelijke gemeenschap), of religieus hoger onderwijs, waar het christendom op wetenschappelijk niveau werd gedoceerd. 14


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

gemeenten al zoveel moreel en religieus onderwijs gehad, dat ze in zekere zin opgewassen waren tegen de invloeden in het ‘heidense’ onderwijs.59 Evenzeer is het opmerkelijk, dat er binnen het christendom lange tijd geen behoefte lijkt te zijn aan specifiek christelijke scholen. Pas in de 5e eeuw, als de kloosterschool zijn intrede gaat doen, komt er interesse in christelijk onderwijs.60 Wellicht speelde in de eerste eeuwen het feit mee, dat het aantal christenen per locatie in het Romeinse rijk te gering was om een school voor op te zetten.61 Conclusie Resumerend kunnen we wel stellen, dat het openbare onderwijs christenen wel degelijk reden gaf om dit onderwijs te mijden. Zowel vanwege de directe relatie met de ‘heidense’ religie, alsook vanwege verschillende dominante factoren die aanstoot gaven aan de christelijke moraal. Bovendien kon een kind gemakkelijk geïndoctrineerd worden door de intensieve bestudering (lezen, schrijven, uit het hoofd leren) van de klassieke teksten. Aan de andere kant hebben we gezien, dat het kind wel degelijk moreel en religieus onderwijs kreeg vanuit christelijk perspectief. Dit gebeurde vanaf de vroege kinderjaren thuis en in de christelijke samenkomsten. Opmerkelijk is echter dat, in tegenstelling tot hetgeen lange tijd in het Jodendom gewoonte was, het algemene onderwijs niet geïntegreerd werd met het religieuze onderwijs. Eveneens is het opmerkelijk, dat er in de eerste eeuwen van het christendom geen duidelijke vraag was naar bijzonder christelijk onderwijs, behalve voor specifiek onderwijs in de christelijke leer. Blijkbaar ging het geringe aantal christenen dat onderwijs genoot, gewoon naar de openbare scholen. Ongetwijfeld kwamen ze daar in contact met ‘heidense’ invloeden, maar daar stond tegenover, dat ze zich wellicht hebben kunnen onttrekken aan de grootste ‘heidense’ activiteiten en dat vanuit de familie en de gemeente voldoende tegenwicht werd gegeven tegen de ‘heidense’ invloeden.

59

Vgl. Ellspermann, a.w., 1. Marrou, a.w., 317 wijst op de grote invloed die een moeder qua onderwijs had in de

eerste zeven jaar van haar kind: ‘L’influence de la mère marquait l’homme pour la vie’. 60

Ellspermann, a.w. 4.

61

Vgl. Hopkins, a.w., 197-202, 206-212. 15


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Hoofdstuk 3: Christelijke leiders over seculier onderwijs Hoewel je de visie van kerkleiders niet zonder meer als representatief kunt beschouwen voor het standpunt van het christelijke volk, zijn ze wel representatief voor gedachtegoed dat binnen dat christendom leeft. Bovendien had hun prediking en onderwijs grote invloed op het volk. Daarom zal ik in dit hoofdstuk kijken naar de reacties van enkele kerkvaders op het gebruiken van de klassieke literatuur, die – zoals we zagen – voor de christenen een van de belangrijkste struikelblokken vormde voor het openbare onderwijs aan kinderen.62 Niet eenduidig Het zal inmiddels niet verbazen, maar opnieuw kunnen we ons geen eenduidig beeld vormen van hét standpunt van de kerkvaders. Zo kon de kerk volgens Minucius Felix (2e helft van de 2e eeuw) profiteren van diverse klassieke schrijvers, met name van de filosofen die zo dicht in de buurt van het christelijke godsbeeld kwamen, zoals Plato. Met een beroep op Paulus’ kennis van enkele klassieke dichters63, aarzelt Minucius Felix ook niet om ‘heidense’ poëzie te citeren, maar alleen als ze in het christelijke straatje passen.64 Want als dat niet het geval is, dan scheldt hij op ‘those old wives’ fables’ van de oude dichters, door welke ‘the minds of boys are corrupted’.65 Deze gedachte wordt gedeeld door de apologeet Arnobius (eind 3e eeuw) die fel uithaalt naar de klassieke mythologie.66 Een leider van geheel ander kaliber was Tertullianus (160-220). Deze apologeet was ongeveer een tijdgenoot van Minucius Felix, maar veel radicaler in het afwijzen van de heidense literatuur. Door je in te laten met die heidense literatuur liep je gevaar tot afgoderij gebracht te worden.67 Daarom verbood hij christenen om ‘heidense’ literatuur te onderwijzen. Opmerkelijk is zijn visie daarentegen op het leren van dezelfde ‘heidense’ literatuur. Hoewel ook dat om dezelfde reden

62

Vgl. Ellspermann, a.w., 7-9.

63

Handelingen van de apostelen 17.28.

64

Ellspermann, a.w., 14-18.

65

Ellspermann, a.w., 19.

66

Ellspermann, a.w., 54.

67

Ellspermann, a.w., 34: ‘The danger of idolatry comes from this that they would have to inculcate pagan ideas of the gods of the

nations, express their names, give their genealogies, and partake actively in the solemnities and festivals of the gods’. 16


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

gevaarlijk is, is het leren van ‘heidense’ literatuur toch toegestaan voor christenen en wel, omdat het noodzakelijk is. Het is niet te vermijden als je literaire eruditie wilt bereiken.68 Cyprianus (ca. 200-258), een leerling van Tertullianus, gaat nog een stap verder en ontkent die noodzaak. Hoewel hij zelf een gedegen literaire opvoeding heeft genoten, wijst hij de ‘heidense’ literatuur categorisch af, daarbij verwijzend naar de nederigheid van de christelijke schrijvers. Het is helemaal niet van belang om literaire eruditie na te streven. In zijn eigen werken is er – ondanks zijn kennis van de klassieken –nauwelijks een citaat uit de klassieken te vinden. Gangel en Benson wijzen in dit verband op de ontwikkeling van ‘a pride in this deliberate antiintellectualism’, wat we vooral eind 2e en begin 3e eeuw tegenkomen, met als vertegenwoordigers o.a. Tatianus en Irenaeus, maar ook de zojuist genoemde Cyprianus.69 Justinus Martyr bewandelde een middenweg, door enerzijds filosofie te gebruiken in theologische discussies, maar anderzijds te zeggen: ‘the deepest things can be learned from the unlettered, who are wise and trust God’.70 Niet iedereen was blij met ‘the nonintellectual image of Christianity’ en Origenes maakte zich dan ook sterk om onderwijs te bieden tot op het hoogste niveau.71 Conclusie Er is geen sprake van een eenduidige veroordeling van het onderwijs in de klassieken. Integendeel, in feite is ook hier sprake van een spectrum tussen radicale afwijzing en optimaal gebruik van de klassieken. Tegelijkertijd zien we wel dat velen het gevaar van de klassieken onderkennen, maar geen mogelijkheid zien om daar aan te ontkomen.

68

Ellspermann, a.w., 35. Ook Marrou, a.w., 425 wijst op deze onvermijdelijkheid die er volgens hem de oorzaak van

was, dat christelijke kinderen gewoon naar openbare scholen gingen. 69

Gangel and Benson, a.w., 81.

70

Gangel and Benson, a.w., 81, 84.

71

Gangel and Benson, a.w., 90. 17


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Conclusie In deze paper hebben we gezien, dat het fenomeen wereldverzaking aan de christenen uit de eerste drie eeuwen van onze jaartelling niet vreemd was. We zien een spectrum van houdingen tegenover de ‘heidense’ cultuur en maatschappij. Aan de ene kant zien we een nadruk op het vreemdelingschap van de christen in deze wereld, terwijl we aan de andere kant zien dat de ethiek van de christenen niet altijd strookte met de daadwerkelijke moraal van de christenen. Wereldverzaking kwamen we op verschillende terreinen tegen, in belangrijkste mate op religieus gebied, maar zeker ook op cultureel en maatschappelijk gebied. Ook ten opzichte van de staat zien we verschillende houdingen, variërend van positief tot uiterst negatief. De keizercultus was echter iets waar overtuigde christenen absoluut niet aan meededen. De verwachting die het voorgaande oproept, namelijk dat we deze wereldverzaking ook wel zullen zien in het onderwijs van kinderen, wordt in de literatuur echter niet bevestigd. Ondanks dat er voor christenen diverse redenen te noemen zijn om het openbaar onderwijs voor kinderen te mijden. Een reden daarvoor zou het geringe aantal christelijke kinderen in het Romeinse rijk kunnen zijn, waardoor de behoefte aan christelijke scholen voor de jonge jeugd niet direct ontstond en mogelijk ook niet rendabel was. Er waren wel christelijke scholen, maar daar werd slechts (religieus) onderwijs gegeven in de christelijke leer. We hebben gezien, dat kinderen zowel in de christelijke samenkomsten als ook thuis wellicht voldoende onderwijs kregen in de christelijke leer, waardoor en waarmee ze bestand dienden te zijn tegen de invloeden op de openbare scholen. Omdat er geen leerplicht bestond was er voor christelijke ouders in extreme gevallen altijd nog de mogelijkheid om hun kinderen van school te houden. Het spectrum zoals we dat zagen ten aanzien van wereldverzaking, zagen we weerspiegeld in de wijze waarop verschillende kerkvaders met literatuuronderwijs omgingen. De meesten zagen wel een gevaar in de klassieke literatuur, maar de reacties daarop verschilden van radicale afwijzing tot optimale benutting. Helaas kregen we in het geval van radicale afwijzing weinig informatie over de wijze waarop de jeugd dan wel onderwezen diende te worden. De weinige informatie daarover wees op de noodzaak die men toch ervoer om ten behoeve van een voldoende ontwikkeling onderwijs aan openbare scholen te volgen. Kortom, de opmerking van Townsend dat ‘Christians attended pagan schools as long as they lasted’, lijkt door deze paper bevestigd te zijn, al druist het tegen de verwachting in. Tegelijk moet gezegd worden dat de bronnen te schaars zijn om hierover harde uitspraken te doen.

18


J.M. Pauw

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Bibliografie -

Bartelink, G.J.M., Twee apologeten uit het vroege christendom. Justinus en Athenagoras (Kampen, 1986)

-

Brink, G. van de, Van koine tot canon. De overlevering van het Griekse Nieuwe Testament (Zoetermeer, 1995)

-

Cadoux, C.J., The Early Church and The World. A History of The Christian Attitude to Pagan Society and The State Down to The Time of Constantinus (Edinburgh, 1925)

-

Carson, D.A. (e.a.), An Introduction to the New Testament (Leicester, 1994) 459-464

-

Fox, R.L., Pagans and Christians (London, 1986)

-

Frend, W.H.C., The Rise of Christianity (London, 1984)

-

Grant, R.M., Early Christianity and Society. Seven Studies (New York/Hagerstown/San Francisco/London, 1977) 1-12

-

Harris, W.V., Ancient Literacy (London, 1989)

-

Hopkins, K., ‘Christian Number and Its Implications’, Journal of Early Christian Studies 6:2 (1998) 185-226

-

Horst, P.W. van der, De Woestijnvaders. Levensverhalen van kluizenaars uit het vroege christendom (Amsterdam, 1998)

-

Itterzon, G.P. van, Kalender van de kerkgeschiedenis (Kampen, 1963)

-

Jacobs, A.S. and Krawiec, R., ‘Fathers Know Best? Christian Families in the Age of Asceticism’ Journal of Early Christian Studies 11 (2003) 257-263

-

Keck, L.E., ‘Das Ethos der frühen Christen’, in: W.A. Meeks (ed.), Zur Soziologie des Urchristentums (München, 1979)

-

Laistner, M.L.W., Christianity and Pagan Culture in the Later Roman Empire (New York, 1978)

-

Lohse, E., Die Entstehung des Neuen Testaments (Stuttgart/Berlin/Köln, 1991) 134-136

-

MacMullen, R., Paganism in The Roman Empire (New Haven/London, 1982)

-

MacMullen, R., Changes in the Roman Empire (Princeton, 1990)

-

Marion, O. van, ‘Ovidius’ Heldinnenbrieven’, in: K. Enenkel en P. van Heck (eds.), De mensen van vroeger, de hoven van weleer. Over de receptie van de klassieken in de Europese literatuur (Voorthuizen, 2001) 161-182

-

Marrou, H.I., Histoire de l’éducation dans l’antiquité (Paris, 1948)

-

Meeks, W.A., The Origins of Christian Morality. The First Two Centuries (New Haven/London, 1993) 52-65

-

Nilsson, M.P., Die Hellenistische Schule (München, 1955)

-

Peters, T., Plinius de Jongere. De brieven (Amsterdam, 2001) 365-367 19


J.M. Pauw

-

Onderwijs aan vroeg-christelijke kinderen in het Romeinse rijk

juni 2005

Townsend, J.T., ‘Ancient Education in the Time of the Early Roman Empire’, in: S. Benko and J.J. O’Rourke (eds.), The Catacombs and the Colosseum. The Roman Empire as the Setting of Primitive Christianity (Valley Forge, 1971) 139-163

20


Openbaar onderwijs in de vroegchristelijke kerk